Boek IV.Javert uit het spoor.Javert uit het spoor.Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l’Homme-Armé verwijderd.Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor het eerst van zijn leven met de handen op den rug.Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen, welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist; die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon, in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade, zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds, een soort van vierkant meer, door ’t welk een snelle strooming gaat.Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven, het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers verdrinken er.Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard woelden, peinsde hij.Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.Javert leed vreeselijk.Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke van de twee was de ware?Zijn toestand was onbeschrijfelijk.Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht, den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden, dat verplette hem.Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert, Jean Valjean genade had geschonken.Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden.Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd was.De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks.In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken, zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich zelven geven.Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand de vrijheid te schenken; dit hadhembehaagd; hij had zijn eigen zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze, door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over: haastig naar de straat de l’Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean in hechtenis te nemen.’t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet.Iets belette hem den weg naar dien kant.Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken, gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war.Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij zich beiden boven de wet stelden?Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het gouvernement eten!Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op.Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde, dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan, en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling te erkennen. ’t Was verschrikkelijk!Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had, die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen, dat zulk een monster bestond.Dit kon niet langer duren.Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat, had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe te roepen: „Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;” de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: „Deze man is voor u!” om dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet, en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar gewicht, nedergezonken, en in ’t diepst zijner ziel had hij een stem, een zonderlingestem gehoord, die hem toeriep: „Goed zoo. Lever uw redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus brengen en wasch er uw klauwen in.”Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.Een galeiboef was zijn weldoener.Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had hij gebruik moeten maken. ’t Ware beter geweest, zoo hij de andere opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld had laten doodschieten.Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn eenige leiddraad was. ’t Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest: de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid, de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij zelf voor zulk een verrassing bezweken was.Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling was goed geweest. En hij zelf, ’t was ongehoord, was goed geweest. Hij was dus ontaard.Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.Voor Javert was het ideaal niet—menschelijk, groot, verheven; maar onberispelijk te zijn. En hij had gefaald.Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert, was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te laten gaan, terwijl hij hem vasthield. ’t Was, om zoo te zeggen, buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als voor zijn veiligheid—wat heeft hij gedaan door mij het leven, door mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond, de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor die boven, als voor die beneden was. Zonder in ’t minst Voltairiaan, philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen godsdienst in de politie, zijnde hij—wij zeggen dit zonder eenige ironie en in den ernstigsten zin—spion gelijk men priester is. Hij had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer, God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd.Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet, hoe hij ’t met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander middel overschiet dan zijn ontslag.Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden?Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettendeambtszonde had begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde, die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij in dat blinde geloof geleefd, ’t welk een onbepaalde eerlijkheid voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten, dat eensklaps uit de duisternis in ’t licht komt. Hij zag ’t geen, waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven.’t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden, hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen; de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig blauw des hemels te zien!Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid, die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon, dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is.Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde verschijning: een afgrond boven zich.Hoe! men was van ’t hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat men zeker acht, instorten?Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet, gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. ’t Waren feiten. ’t Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen.Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen; ’t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van boven komen?Aldus—en in de overdrijving van den angst en de begoocheling der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen—aldus was het strafrecht, een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven, de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, het beginsel van het gezag, al de dogma’s waarop de politieke en burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin,bouwval, chaos; hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.Was dit te verduren? Neen.Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno aan den kerker terug te geven. De andere...Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van het Chateletplein aanwees.Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad binnen. Enkel aan ’t openen der deur van een wachthuis kennen de politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor de nachtpatrouilles.Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:„Eenige opmerkingen ten nutte van den dienst.Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog te slaan.Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en vervangen.Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan doen vatten.Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, wijl het linnen niet minder goed is.Ten achtste: ’t Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van Sainte-Marie-l’Egyptienne te begeven.Ten negende: ’t Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.Ten tiende: MmeHenry is een brave vrouw; haar cantine is zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving onwaardig.”Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten regel teekende hij:„Javert,„Inspecteur van de 1e klasse.„In den wachtpost van het Chateletplein.„7 Juni 1832, omstreeks één uur ’s morgens.”Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: „Nota voor de administratie,” liet het op de tafel liggen en verliet den wachtpost. De getraliedeglazen deurviel achter hem dicht.Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, ’t welk hij eenkwartieruursvroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof hij dien niet verlaten had.’t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, ’t welk op middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de straten en kaden zien konwas eenzaam.Nôtre-Dameen de torens van het Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen had de rivier doen zwellen.De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, welke als schroef zonder einde draait.Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men onder zich had, was geen water; ’t was een kolk. De muur van de kade, die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van een steilte van het oneindige.Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze duisternis was afgrijselijk.Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering, boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in het water verdwenen gestalte.
Boek IV.Javert uit het spoor.Javert uit het spoor.Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l’Homme-Armé verwijderd.Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor het eerst van zijn leven met de handen op den rug.Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen, welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist; die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon, in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade, zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds, een soort van vierkant meer, door ’t welk een snelle strooming gaat.Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven, het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers verdrinken er.Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard woelden, peinsde hij.Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.Javert leed vreeselijk.Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke van de twee was de ware?Zijn toestand was onbeschrijfelijk.Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht, den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden, dat verplette hem.Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert, Jean Valjean genade had geschonken.Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden.Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd was.De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks.In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken, zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich zelven geven.Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand de vrijheid te schenken; dit hadhembehaagd; hij had zijn eigen zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze, door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over: haastig naar de straat de l’Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean in hechtenis te nemen.’t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet.Iets belette hem den weg naar dien kant.Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken, gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war.Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij zich beiden boven de wet stelden?Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het gouvernement eten!Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op.Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde, dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan, en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling te erkennen. ’t Was verschrikkelijk!Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had, die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen, dat zulk een monster bestond.Dit kon niet langer duren.Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat, had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe te roepen: „Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;” de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: „Deze man is voor u!” om dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet, en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar gewicht, nedergezonken, en in ’t diepst zijner ziel had hij een stem, een zonderlingestem gehoord, die hem toeriep: „Goed zoo. Lever uw redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus brengen en wasch er uw klauwen in.”Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.Een galeiboef was zijn weldoener.Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had hij gebruik moeten maken. ’t Ware beter geweest, zoo hij de andere opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld had laten doodschieten.Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn eenige leiddraad was. ’t Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest: de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid, de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij zelf voor zulk een verrassing bezweken was.Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling was goed geweest. En hij zelf, ’t was ongehoord, was goed geweest. Hij was dus ontaard.Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.Voor Javert was het ideaal niet—menschelijk, groot, verheven; maar onberispelijk te zijn. En hij had gefaald.Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert, was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te laten gaan, terwijl hij hem vasthield. ’t Was, om zoo te zeggen, buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als voor zijn veiligheid—wat heeft hij gedaan door mij het leven, door mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond, de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor die boven, als voor die beneden was. Zonder in ’t minst Voltairiaan, philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen godsdienst in de politie, zijnde hij—wij zeggen dit zonder eenige ironie en in den ernstigsten zin—spion gelijk men priester is. Hij had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer, God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd.Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet, hoe hij ’t met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander middel overschiet dan zijn ontslag.Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden?Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettendeambtszonde had begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde, die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij in dat blinde geloof geleefd, ’t welk een onbepaalde eerlijkheid voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten, dat eensklaps uit de duisternis in ’t licht komt. Hij zag ’t geen, waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven.’t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden, hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen; de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig blauw des hemels te zien!Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid, die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon, dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is.Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde verschijning: een afgrond boven zich.Hoe! men was van ’t hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat men zeker acht, instorten?Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet, gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. ’t Waren feiten. ’t Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen.Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen; ’t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van boven komen?Aldus—en in de overdrijving van den angst en de begoocheling der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen—aldus was het strafrecht, een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven, de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, het beginsel van het gezag, al de dogma’s waarop de politieke en burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin,bouwval, chaos; hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.Was dit te verduren? Neen.Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno aan den kerker terug te geven. De andere...Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van het Chateletplein aanwees.Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad binnen. Enkel aan ’t openen der deur van een wachthuis kennen de politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor de nachtpatrouilles.Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:„Eenige opmerkingen ten nutte van den dienst.Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog te slaan.Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en vervangen.Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan doen vatten.Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, wijl het linnen niet minder goed is.Ten achtste: ’t Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van Sainte-Marie-l’Egyptienne te begeven.Ten negende: ’t Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.Ten tiende: MmeHenry is een brave vrouw; haar cantine is zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving onwaardig.”Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten regel teekende hij:„Javert,„Inspecteur van de 1e klasse.„In den wachtpost van het Chateletplein.„7 Juni 1832, omstreeks één uur ’s morgens.”Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: „Nota voor de administratie,” liet het op de tafel liggen en verliet den wachtpost. De getraliedeglazen deurviel achter hem dicht.Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, ’t welk hij eenkwartieruursvroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof hij dien niet verlaten had.’t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, ’t welk op middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de straten en kaden zien konwas eenzaam.Nôtre-Dameen de torens van het Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen had de rivier doen zwellen.De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, welke als schroef zonder einde draait.Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men onder zich had, was geen water; ’t was een kolk. De muur van de kade, die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van een steilte van het oneindige.Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze duisternis was afgrijselijk.Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering, boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in het water verdwenen gestalte.
Javert uit het spoor.Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l’Homme-Armé verwijderd.Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor het eerst van zijn leven met de handen op den rug.Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen, welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist; die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon, in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade, zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds, een soort van vierkant meer, door ’t welk een snelle strooming gaat.Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven, het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers verdrinken er.Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard woelden, peinsde hij.Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.Javert leed vreeselijk.Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke van de twee was de ware?Zijn toestand was onbeschrijfelijk.Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht, den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden, dat verplette hem.Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert, Jean Valjean genade had geschonken.Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden.Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd was.De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks.In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken, zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich zelven geven.Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand de vrijheid te schenken; dit hadhembehaagd; hij had zijn eigen zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze, door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over: haastig naar de straat de l’Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean in hechtenis te nemen.’t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet.Iets belette hem den weg naar dien kant.Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken, gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war.Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij zich beiden boven de wet stelden?Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het gouvernement eten!Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op.Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde, dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan, en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling te erkennen. ’t Was verschrikkelijk!Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had, die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen, dat zulk een monster bestond.Dit kon niet langer duren.Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat, had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe te roepen: „Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;” de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: „Deze man is voor u!” om dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet, en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar gewicht, nedergezonken, en in ’t diepst zijner ziel had hij een stem, een zonderlingestem gehoord, die hem toeriep: „Goed zoo. Lever uw redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus brengen en wasch er uw klauwen in.”Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.Een galeiboef was zijn weldoener.Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had hij gebruik moeten maken. ’t Ware beter geweest, zoo hij de andere opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld had laten doodschieten.Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn eenige leiddraad was. ’t Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest: de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid, de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij zelf voor zulk een verrassing bezweken was.Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling was goed geweest. En hij zelf, ’t was ongehoord, was goed geweest. Hij was dus ontaard.Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.Voor Javert was het ideaal niet—menschelijk, groot, verheven; maar onberispelijk te zijn. En hij had gefaald.Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert, was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te laten gaan, terwijl hij hem vasthield. ’t Was, om zoo te zeggen, buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als voor zijn veiligheid—wat heeft hij gedaan door mij het leven, door mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond, de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor die boven, als voor die beneden was. Zonder in ’t minst Voltairiaan, philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen godsdienst in de politie, zijnde hij—wij zeggen dit zonder eenige ironie en in den ernstigsten zin—spion gelijk men priester is. Hij had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer, God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd.Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet, hoe hij ’t met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander middel overschiet dan zijn ontslag.Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden?Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettendeambtszonde had begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde, die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij in dat blinde geloof geleefd, ’t welk een onbepaalde eerlijkheid voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten, dat eensklaps uit de duisternis in ’t licht komt. Hij zag ’t geen, waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven.’t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden, hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen; de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig blauw des hemels te zien!Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid, die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon, dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is.Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde verschijning: een afgrond boven zich.Hoe! men was van ’t hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat men zeker acht, instorten?Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet, gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. ’t Waren feiten. ’t Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen.Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen; ’t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van boven komen?Aldus—en in de overdrijving van den angst en de begoocheling der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen—aldus was het strafrecht, een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven, de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, het beginsel van het gezag, al de dogma’s waarop de politieke en burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin,bouwval, chaos; hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.Was dit te verduren? Neen.Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno aan den kerker terug te geven. De andere...Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van het Chateletplein aanwees.Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad binnen. Enkel aan ’t openen der deur van een wachthuis kennen de politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor de nachtpatrouilles.Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:„Eenige opmerkingen ten nutte van den dienst.Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog te slaan.Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en vervangen.Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan doen vatten.Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, wijl het linnen niet minder goed is.Ten achtste: ’t Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van Sainte-Marie-l’Egyptienne te begeven.Ten negende: ’t Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.Ten tiende: MmeHenry is een brave vrouw; haar cantine is zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving onwaardig.”Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten regel teekende hij:„Javert,„Inspecteur van de 1e klasse.„In den wachtpost van het Chateletplein.„7 Juni 1832, omstreeks één uur ’s morgens.”Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: „Nota voor de administratie,” liet het op de tafel liggen en verliet den wachtpost. De getraliedeglazen deurviel achter hem dicht.Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, ’t welk hij eenkwartieruursvroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof hij dien niet verlaten had.’t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, ’t welk op middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de straten en kaden zien konwas eenzaam.Nôtre-Dameen de torens van het Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen had de rivier doen zwellen.De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, welke als schroef zonder einde draait.Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men onder zich had, was geen water; ’t was een kolk. De muur van de kade, die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van een steilte van het oneindige.Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze duisternis was afgrijselijk.Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering, boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in het water verdwenen gestalte.
Javert uit het spoor.
Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l’Homme-Armé verwijderd.Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor het eerst van zijn leven met de handen op den rug.Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen, welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist; die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon, in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade, zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds, een soort van vierkant meer, door ’t welk een snelle strooming gaat.Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven, het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers verdrinken er.Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard woelden, peinsde hij.Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.Javert leed vreeselijk.Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke van de twee was de ware?Zijn toestand was onbeschrijfelijk.Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht, den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden, dat verplette hem.Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert, Jean Valjean genade had geschonken.Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden.Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd was.De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks.In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken, zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich zelven geven.Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand de vrijheid te schenken; dit hadhembehaagd; hij had zijn eigen zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze, door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over: haastig naar de straat de l’Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean in hechtenis te nemen.’t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet.Iets belette hem den weg naar dien kant.Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken, gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war.Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij zich beiden boven de wet stelden?Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het gouvernement eten!Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op.Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde, dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan, en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling te erkennen. ’t Was verschrikkelijk!Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had, die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen, dat zulk een monster bestond.Dit kon niet langer duren.Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat, had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe te roepen: „Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;” de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: „Deze man is voor u!” om dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet, en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar gewicht, nedergezonken, en in ’t diepst zijner ziel had hij een stem, een zonderlingestem gehoord, die hem toeriep: „Goed zoo. Lever uw redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus brengen en wasch er uw klauwen in.”Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.Een galeiboef was zijn weldoener.Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had hij gebruik moeten maken. ’t Ware beter geweest, zoo hij de andere opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld had laten doodschieten.Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn eenige leiddraad was. ’t Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest: de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid, de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij zelf voor zulk een verrassing bezweken was.Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling was goed geweest. En hij zelf, ’t was ongehoord, was goed geweest. Hij was dus ontaard.Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.Voor Javert was het ideaal niet—menschelijk, groot, verheven; maar onberispelijk te zijn. En hij had gefaald.Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert, was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te laten gaan, terwijl hij hem vasthield. ’t Was, om zoo te zeggen, buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als voor zijn veiligheid—wat heeft hij gedaan door mij het leven, door mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond, de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor die boven, als voor die beneden was. Zonder in ’t minst Voltairiaan, philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen godsdienst in de politie, zijnde hij—wij zeggen dit zonder eenige ironie en in den ernstigsten zin—spion gelijk men priester is. Hij had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer, God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd.Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet, hoe hij ’t met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander middel overschiet dan zijn ontslag.Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden?Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettendeambtszonde had begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde, die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij in dat blinde geloof geleefd, ’t welk een onbepaalde eerlijkheid voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten, dat eensklaps uit de duisternis in ’t licht komt. Hij zag ’t geen, waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven.’t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden, hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen; de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig blauw des hemels te zien!Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid, die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon, dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is.Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde verschijning: een afgrond boven zich.Hoe! men was van ’t hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat men zeker acht, instorten?Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet, gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. ’t Waren feiten. ’t Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen.Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen; ’t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van boven komen?Aldus—en in de overdrijving van den angst en de begoocheling der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen—aldus was het strafrecht, een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven, de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, het beginsel van het gezag, al de dogma’s waarop de politieke en burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin,bouwval, chaos; hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.Was dit te verduren? Neen.Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno aan den kerker terug te geven. De andere...Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van het Chateletplein aanwees.Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad binnen. Enkel aan ’t openen der deur van een wachthuis kennen de politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor de nachtpatrouilles.Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:„Eenige opmerkingen ten nutte van den dienst.Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog te slaan.Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en vervangen.Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan doen vatten.Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, wijl het linnen niet minder goed is.Ten achtste: ’t Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van Sainte-Marie-l’Egyptienne te begeven.Ten negende: ’t Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.Ten tiende: MmeHenry is een brave vrouw; haar cantine is zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving onwaardig.”Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten regel teekende hij:„Javert,„Inspecteur van de 1e klasse.„In den wachtpost van het Chateletplein.„7 Juni 1832, omstreeks één uur ’s morgens.”Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: „Nota voor de administratie,” liet het op de tafel liggen en verliet den wachtpost. De getraliedeglazen deurviel achter hem dicht.Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, ’t welk hij eenkwartieruursvroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof hij dien niet verlaten had.’t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, ’t welk op middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de straten en kaden zien konwas eenzaam.Nôtre-Dameen de torens van het Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen had de rivier doen zwellen.De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, welke als schroef zonder einde draait.Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men onder zich had, was geen water; ’t was een kolk. De muur van de kade, die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van een steilte van het oneindige.Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze duisternis was afgrijselijk.Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering, boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in het water verdwenen gestalte.
Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l’Homme-Armé verwijderd.
Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor het eerst van zijn leven met de handen op den rug.
Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen, welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist; die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon, in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.
Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.
Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade, zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds, een soort van vierkant meer, door ’t welk een snelle strooming gaat.
Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven, het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers verdrinken er.
Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard woelden, peinsde hij.
Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.
Javert leed vreeselijk.
Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.
Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke van de twee was de ware?
Zijn toestand was onbeschrijfelijk.
Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht, den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden, dat verplette hem.
Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert, Jean Valjean genade had geschonken.
Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden.
Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd was.De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks.
In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.
Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken, zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich zelven geven.
Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand de vrijheid te schenken; dit hadhembehaagd; hij had zijn eigen zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze, door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over: haastig naar de straat de l’Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean in hechtenis te nemen.
’t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet.
Iets belette hem den weg naar dien kant.
Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken, gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war.
Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!
Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij zich beiden boven de wet stelden?
Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het gouvernement eten!
Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.
Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op.
Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.
Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde, dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan, en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling te erkennen. ’t Was verschrikkelijk!
Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had, die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen, dat zulk een monster bestond.
Dit kon niet langer duren.
Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat, had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe te roepen: „Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;” de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: „Deze man is voor u!” om dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet, en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar gewicht, nedergezonken, en in ’t diepst zijner ziel had hij een stem, een zonderlingestem gehoord, die hem toeriep: „Goed zoo. Lever uw redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus brengen en wasch er uw klauwen in.”
Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.
Een galeiboef was zijn weldoener.
Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had hij gebruik moeten maken. ’t Ware beter geweest, zoo hij de andere opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld had laten doodschieten.
Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn eenige leiddraad was. ’t Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest: de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid, de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!
Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij zelf voor zulk een verrassing bezweken was.
Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling was goed geweest. En hij zelf, ’t was ongehoord, was goed geweest. Hij was dus ontaard.
Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.
Voor Javert was het ideaal niet—menschelijk, groot, verheven; maar onberispelijk te zijn. En hij had gefaald.
Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.
Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert, was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te laten gaan, terwijl hij hem vasthield. ’t Was, om zoo te zeggen, buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.
Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als voor zijn veiligheid—wat heeft hij gedaan door mij het leven, door mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond, de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor die boven, als voor die beneden was. Zonder in ’t minst Voltairiaan, philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen godsdienst in de politie, zijnde hij—wij zeggen dit zonder eenige ironie en in den ernstigsten zin—spion gelijk men priester is. Hij had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer, God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd.
Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet, hoe hij ’t met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander middel overschiet dan zijn ontslag.
Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden?
Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettendeambtszonde had begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde, die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij in dat blinde geloof geleefd, ’t welk een onbepaalde eerlijkheid voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten, dat eensklaps uit de duisternis in ’t licht komt. Hij zag ’t geen, waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven.
’t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.
Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden, hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!
Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!
Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen; de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig blauw des hemels te zien!
Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid, die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon, dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is.
Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde verschijning: een afgrond boven zich.
Hoe! men was van ’t hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat men zeker acht, instorten?
Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet, gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.
Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. ’t Waren feiten. ’t Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen.
Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen; ’t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van boven komen?
Aldus—en in de overdrijving van den angst en de begoocheling der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen—aldus was het strafrecht, een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven, de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, het beginsel van het gezag, al de dogma’s waarop de politieke en burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin,bouwval, chaos; hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.
Was dit te verduren? Neen.
Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno aan den kerker terug te geven. De andere...
Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van het Chateletplein aanwees.
Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad binnen. Enkel aan ’t openen der deur van een wachthuis kennen de politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor de nachtpatrouilles.
Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.
Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:
„Eenige opmerkingen ten nutte van den dienst.Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog te slaan.Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en vervangen.Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan doen vatten.Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, wijl het linnen niet minder goed is.Ten achtste: ’t Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van Sainte-Marie-l’Egyptienne te begeven.Ten negende: ’t Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.Ten tiende: MmeHenry is een brave vrouw; haar cantine is zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving onwaardig.”
„Eenige opmerkingen ten nutte van den dienst.
Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog te slaan.
Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.
Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en vervangen.
Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.
Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan doen vatten.
Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.
Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, wijl het linnen niet minder goed is.
Ten achtste: ’t Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van Sainte-Marie-l’Egyptienne te begeven.
Ten negende: ’t Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.
Ten tiende: MmeHenry is een brave vrouw; haar cantine is zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving onwaardig.”
Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten regel teekende hij:
„Javert,„Inspecteur van de 1e klasse.„In den wachtpost van het Chateletplein.„7 Juni 1832, omstreeks één uur ’s morgens.”
„Javert,
„Inspecteur van de 1e klasse.
„In den wachtpost van het Chateletplein.
„7 Juni 1832, omstreeks één uur ’s morgens.”
Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: „Nota voor de administratie,” liet het op de tafel liggen en verliet den wachtpost. De getraliedeglazen deurviel achter hem dicht.
Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, ’t welk hij eenkwartieruursvroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof hij dien niet verlaten had.
’t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, ’t welk op middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de straten en kaden zien konwas eenzaam.Nôtre-Dameen de torens van het Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen had de rivier doen zwellen.
De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, welke als schroef zonder einde draait.
Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men onder zich had, was geen water; ’t was een kolk. De muur van de kade, die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van een steilte van het oneindige.
Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze duisternis was afgrijselijk.
Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering, boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in het water verdwenen gestalte.