Boek V.

Boek V.De kleinzoon en de grootvader.Eerste hoofdstuk.Men ziet den boom weder met den zinkpleister.Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor het stelen, dat hem bijna in ’t verderf had gestort, maar zich met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins in strijd is.„Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?” vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in ’t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in ’t reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel dezelfde als deze te kunnen zijn.Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.„Voor den duivel!” zei Boulatruelle, „ik zal hem wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er bij behoor.”Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.„Hiermede,” mompelde hij, „kan ik den grond en een mensch kort krijgen.”En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het kreupelhout.Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der struweelen, die met bevalligelangzaamheid zich weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.’t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps den man.Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het oog.De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit een reden voor haar langen duur.Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam ’t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de zoo lang gedroomde schat.’t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een grootkwartieruursvoor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.„Slaan wij de straat Rivoli der wolven in,” zeide hij.Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer den misslag, den rechten weg te volgen.Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.Er was niemand.Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, men had hem niet weggevoerd.Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In welke richting? In welken schuilhoek? ’t Was onmogelijk te gissen.En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een vergeten of achtergelaten schop zag.Die kuil was ledig.„Dief!” riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont uitstekende.Tweede hoofdstuk.Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot den huiselijken oorlog.Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. „De lijder mag vooral geen gemoedsaandoeningen hebben,” herhaalde hij. De verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met moeite werd hetkoudvuurdoor aanwending van chloor en helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goedgekleed heer met wit haar—dit was het signalement dat de portier van hem gaf,—naar den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.Eindelijk, den 7denSeptember, vier maanden, op den dag af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was.De genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij ’t algemeen, maar bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaielinnente sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: „Ai! ai!” Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar was, geraakte de goede man buiten zich zelven.Hij gaf zijn portier drie louisd’ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd danste hij eengavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje zingende:Jeanne est née à Fougère,Vrai nid d’une bergère;J’adore son juponFripon.Amour, tuviensen elle,Car c’est dans sa prunelleQue tu mets ton carquois,Narquois!Moi, je la chante, et j’aimePlus queDianemêmeJeanne et ses durstétonsBretons.1Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!Telkens vroeg hij aan den geneesheer: „Er is immers geen gevaar meer?” Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon van zijn kleinzoon.In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, bekoorlijk, jong. Zijn wit haarpaarde een zachte majesteit aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt een hemelsch morgenrood.Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts een enkele gedachte: Cosette.Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan ’t leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn verdwenen paradijs te eischen.Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in ’t spel kwam, hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenenen tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. ’t Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn woorden te verdraaien.Blijkbaar moest eene crisis komen.Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. „De mannen van 93 waren reuzen,” zei Marius streng. De grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.Dat oogenblik kwam.1Jeannette is geboren te Fougère, ’t geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.Derde hoofdstuk.Marius’ aanval.Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon: „Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet beter.”Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke houding aan, en zeide:„Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.„Wat?”„Ik wil trouwen.”„Ik had het voorzien,” zei de grootvader, terwijl hij luid begon te lachen.„Hoe, voorzien?”„Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben.”Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.De heer Gillenormand hernam:„Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de l’Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren,mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, ’t is goed, spreken wij er niet meer van; ’t is gezegd, ’t is gedaan, ’t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, mijn geliefd kind.” Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het hoogste geluk.„Mijn vader!” riep Marius.„Ha, gij bemint mij dus!” zei de grijsaard.Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening niet spreken.Eindelijk stamelde de grijsaard:„Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft „mijn vader” gezegd.”Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:„Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar zou kunnen zien.”„Ook voorzien; morgen zult ge haar zien.”„Vader!”„Wat?”„Waarom niet heden?”„Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal „vader” genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar biju brengen. Ik heb het voorzien, zeg ik u. ’t Is reeds in rijm gebracht. ’t Is de ontknooping van de elegie „de jonge zieke” van André Chénier, van André Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd.”Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van Marius te merken, die in waarheid, wij moeten ’t zeggen, niet meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier aangevoerd te hebben, hernam haastig:„Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier verzochten, wel te willen gaan...”De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: „Bij de honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!”„Wien, mijnheer?”„André Chénier!”„Ja, mijnheer,” zei Basque verschrikt.Vierde hoofdstuk.Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm medebracht.Cosette en Marius zagen elkander weder.Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de zon.Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend,was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.Zij verscheen op den drempel, en ’t was alsof zij in een stralenkrans stond.Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde Cosette er overheen.„Aanbiddelijk!” riep hij uit.Toen snoot hij heel luidruchtig.Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. ’t Was „Mijnheer Fauchelevent;” ’t was Jean Valjean.Hij was „zeer goed gekleed”, zooals de portier had gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, die in den nacht van den 7denJuni, met gehavende kleederen, vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw gezegd: „Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer gezien te hebben.”Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.„Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?” vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.„O,” antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het gehoord had, „’t is een geleerde: kan hij ’t helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart.”En luide zeide hij groetend:„Mijnheer Tranchelevent...”Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.„Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen.”„Mijnheer Tranchelevent” boog.„Dit is in orde,” zei de grootvader.Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend uitbreidende, riep hij:„’t Is u thans vergund elkander te beminnen!”Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn rustbed zittende en Cosette naast hem staande. „O mijn God!” lispte Cosette, „ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom toch? ’t Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood geweest. O, ’t was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l’Homme-Armé. ’t Schijnt, dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. ’t Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. ’t Is wonder, dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! ’t Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben ’t geheel vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l’Homme-Armé. Er is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, ’t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger.”—„Engel!” zei Marius.Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er van maken.Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren en riep:„Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken.”En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:„Praat maar, stoort u aan niets.”Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; ’t was in ’t minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: ’t was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; ’t was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.„Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter,” zij haar vader; „ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven.”Hij zweeg een oogenblik en hernam:„Aanschouw het geluk van anderen.”Toen wendde hij zich tot Cosette:„Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, jongejuffer. ’t Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, ’t zal een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der jezuïetische bouworde is te Namen. ’t Heet Saint-Loup. Ge moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. ’t Is een reis waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te redden moet er een Jeanne d’Arc zijn, maar om volk te hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper een waskaars in de hand te houden en te zingenTurris Eburnea!”De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde voort, als een losgebroken springveer:Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries1.„Apropos!”„Wat blieft, vader?”„Hadt ge niet een boezemvriend?”„Ja, Courfeyrac.”„Wat is er van hem geworden?”„Hij is dood.”„Dat is goed.”Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier handen in zijn gerimpelde handen.„Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,” voegde hij er eensklaps treurig bij, „welk een ongeluk! Nu denk ik er aan. Meer dan de helft van ’t geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, mevrouw de barones, zullen moeten werken.”Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:„Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend francs.”’t Was de stem van Jean Valjean.Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige menschen.„Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?” vroeg de grootvader ontsteld.„Dat ben ik,” antwoordde Cosette.„Zesmaal honderd duizend francs!” hernam de heer Gillenormand.„Misschien veertien of vijftien duizend francs minder,” zei Jean Valjean.En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een boek had aangezien.Jean Valjean opende zelf het pakje. ’t Waren bankbiljetten. Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs.„Dit is een kostelijk boek,” zei de heer Gillenormand.„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!” prevelde de tante.„Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter?” hernam de grootvader. „Die drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild.”„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken,” herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. „Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!”Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks op deze omstandigheid.1’t Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.Vijfde hoofdstuk.Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een notaris.Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende weder gevat te worden, ’t geen werkelijk korten tijd later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op dien zekerenavond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle erfde de spade.De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor zich.—„Later zullen wij zien,” dacht hij.Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster had slechts vijf duizend francs gekost.Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in denMoniteur, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, ’t welk deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.Zesde hoofdstuk.De beide oude lieden doen, elk op zijn wijze, alles om Cosette gelukkig te maken.Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer, die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen in volkomen geluk.De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond hij in de aanschouwing van Cosette.„Een verwonderlijk schoon meisje!” riep hij. „En zij ziet er zoo zacht en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje, dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron, rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u.”Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.„Begrijpt ge er iets van?” vroeg Marius aan Cosette.„Neen,” antwoordde Cosette, „maar mij dunkt, dat de goede God ons aanschouwt.”Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles, ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te lossen, van ’t welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan, hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand tot toezienden voogd werd benoemd.De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend francs geweest, maar tienduizend francswaren aan de opvoeding van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is het leven.Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad, is steeds tot ontberingen gereed.Zij bleef echter Jean Valjean „vader” noemen.Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk ingenomen. ’t Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij, het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk, die sedert jaren niet geopend waren. „Laat ons deze dames eens onderzoeken,” zeide hij, „en zien wat zij bevatten.” Hij opende met geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas, gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden, ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen, linten, dat alles schonk hij aanCosette. Cosette, verwonderd, geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:„De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt een herinnering uit de oudheid”1.„Moire antique!” riep de grijsaard. „Ik dank u Marius. ’t Is juist het denkbeeld dat ik zocht.”En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van theekleurigmoire antiquegevoegd.De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.„De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis met korenbloempjes bekranst, maar voeg erhonderdduizendfrancs rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur, geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels, en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit eennis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud.”De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen doorééngemengd.„Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een louisd’or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan: die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans, vroolijke gezichten aan tafel, geestigepuntdichten, gezang, vuurwerk, hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract, vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was, kwam Gamacho. Te drommel! ’t is, wijl de maag een prettig dier is, dat vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld, zwevend, lief, coquet, ’t geen niet belette den degen op zijde te hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig, de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap, die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge, waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van het geluk. ’t Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haateen boersche bruiloft. Men moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot hetburgerlijkeder kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou ’t allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, de bosch- en zeenimfen noodigen. ’t Zou de bruiloft van Amphitrite zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters getrokken:Triton trottait devant, et tirait de sa conqueDes sons siravissants, qu’il ravissait quiconque!2Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van.”Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche aanschouwing.Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden, las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haarAve, terwijl men in een anderen hoekI love youlispte, en zag onduidelijk Marius en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als verdoofd, vreemd blijft aan ’t geen men wereldsche zaken zou kunnen noemen, en geen gevoel heeft van menschelijkegewaarwordingen, noch van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in ’t hoofd. Gij zijt dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. ’t Is waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend francs eenige achting schuldig, en ’t was duidelijk, dat zij niet anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, wijl zij dit niet meer behoefden.Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de fraaiste van het huis, geven. „Dit zal mij verjongen,” verklaarde hij. „’t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn kamer bruiloft te houden.” Hij meubileerde deze kamer met een menigte kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van Anville teRoche-Guyon.De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet, dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door de orde voorgeschreven.1In ’t Fransch: „mémoire antique.”2Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke klanken, dat hij iedereen verrukte!Zevende hoofdstuk.De uitwerksels van den droom op het geluk.De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer Fauchelevent. „’t Is de verkeerde wereld,” zei juffer Gillenormand, „dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten maken.” Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de straat de l’Homme-Armé, hadden ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met elkander. ’t Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een treurigen blik in ’tverleden doen slaan. De geest, die zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan ’t hoofd, en het woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette. ’t Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden. Overigens was, bij ’t verschil van beider aard, geen vraag van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, zijn minder zeldzaam dan men gelooft.Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, zeide hij:„Ge kent immers die straat?”„Welke straat?”„De Chanvreriestraat?”„Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat,” antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.„Ik heb stellig gedroomd,” dacht hij, „’t is een zinsbegoocheling geweest. ’t Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was er niet.”Achtste hoofdstuk.Twee onmogelijke weder te vinden mannen.Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten uit den geest van Marius.Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het gebeurde onderzoeken.Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn vader als voor zich zelven.Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer Gillenormand gebracht had.Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo helder leven zou werpen. ’t Was hem onmogelijk al die oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, behalve voor Marius.En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, de twee eenigeovergeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet werpen.Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, uit vrees van weder gevat te worden.Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered, de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden, die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool „gestationneerd” had; dat tegen negen uren des avonds het hek van het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij „dezen keer” levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig had plaats genomen, dathij zijn paarden voortgezweept had, dat men hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, en hij verder niets wist; dat ’t een donkere avond was geweest.Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn bewustzijn herkregen.Hij verloor zich in gissingen.Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En op welke wijze? Door het riool. ’t Was een ongehoorde opoffering!Iemand? Wie?’t Was die man, welken Marius zocht.Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste aanwijzing te vinden.Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár, evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken van leven aan Marius, die hem alles te danken had?De belangeloosheid was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: „De man zag er afschuwelijk uit!”In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken, liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen, welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De koele houding van den heer „Fauchelevent” hinderde hem.Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:„Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge, mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden...”„Zij behooren u,” viel Jean Valjean hem in de rede.„Welnu,” hernam Marius, „dan zou ik ze geven om dien man weder te vinden.”Jean Valjean zweeg.

Boek V.De kleinzoon en de grootvader.Eerste hoofdstuk.Men ziet den boom weder met den zinkpleister.Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor het stelen, dat hem bijna in ’t verderf had gestort, maar zich met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins in strijd is.„Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?” vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in ’t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in ’t reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel dezelfde als deze te kunnen zijn.Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.„Voor den duivel!” zei Boulatruelle, „ik zal hem wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er bij behoor.”Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.„Hiermede,” mompelde hij, „kan ik den grond en een mensch kort krijgen.”En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het kreupelhout.Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der struweelen, die met bevalligelangzaamheid zich weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.’t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps den man.Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het oog.De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit een reden voor haar langen duur.Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam ’t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de zoo lang gedroomde schat.’t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een grootkwartieruursvoor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.„Slaan wij de straat Rivoli der wolven in,” zeide hij.Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer den misslag, den rechten weg te volgen.Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.Er was niemand.Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, men had hem niet weggevoerd.Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In welke richting? In welken schuilhoek? ’t Was onmogelijk te gissen.En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een vergeten of achtergelaten schop zag.Die kuil was ledig.„Dief!” riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont uitstekende.Tweede hoofdstuk.Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot den huiselijken oorlog.Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. „De lijder mag vooral geen gemoedsaandoeningen hebben,” herhaalde hij. De verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met moeite werd hetkoudvuurdoor aanwending van chloor en helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goedgekleed heer met wit haar—dit was het signalement dat de portier van hem gaf,—naar den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.Eindelijk, den 7denSeptember, vier maanden, op den dag af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was.De genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij ’t algemeen, maar bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaielinnente sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: „Ai! ai!” Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar was, geraakte de goede man buiten zich zelven.Hij gaf zijn portier drie louisd’ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd danste hij eengavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje zingende:Jeanne est née à Fougère,Vrai nid d’une bergère;J’adore son juponFripon.Amour, tuviensen elle,Car c’est dans sa prunelleQue tu mets ton carquois,Narquois!Moi, je la chante, et j’aimePlus queDianemêmeJeanne et ses durstétonsBretons.1Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!Telkens vroeg hij aan den geneesheer: „Er is immers geen gevaar meer?” Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon van zijn kleinzoon.In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, bekoorlijk, jong. Zijn wit haarpaarde een zachte majesteit aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt een hemelsch morgenrood.Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts een enkele gedachte: Cosette.Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan ’t leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn verdwenen paradijs te eischen.Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in ’t spel kwam, hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenenen tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. ’t Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn woorden te verdraaien.Blijkbaar moest eene crisis komen.Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. „De mannen van 93 waren reuzen,” zei Marius streng. De grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.Dat oogenblik kwam.1Jeannette is geboren te Fougère, ’t geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.Derde hoofdstuk.Marius’ aanval.Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon: „Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet beter.”Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke houding aan, en zeide:„Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.„Wat?”„Ik wil trouwen.”„Ik had het voorzien,” zei de grootvader, terwijl hij luid begon te lachen.„Hoe, voorzien?”„Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben.”Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.De heer Gillenormand hernam:„Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de l’Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren,mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, ’t is goed, spreken wij er niet meer van; ’t is gezegd, ’t is gedaan, ’t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, mijn geliefd kind.” Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het hoogste geluk.„Mijn vader!” riep Marius.„Ha, gij bemint mij dus!” zei de grijsaard.Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening niet spreken.Eindelijk stamelde de grijsaard:„Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft „mijn vader” gezegd.”Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:„Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar zou kunnen zien.”„Ook voorzien; morgen zult ge haar zien.”„Vader!”„Wat?”„Waarom niet heden?”„Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal „vader” genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar biju brengen. Ik heb het voorzien, zeg ik u. ’t Is reeds in rijm gebracht. ’t Is de ontknooping van de elegie „de jonge zieke” van André Chénier, van André Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd.”Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van Marius te merken, die in waarheid, wij moeten ’t zeggen, niet meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier aangevoerd te hebben, hernam haastig:„Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier verzochten, wel te willen gaan...”De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: „Bij de honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!”„Wien, mijnheer?”„André Chénier!”„Ja, mijnheer,” zei Basque verschrikt.Vierde hoofdstuk.Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm medebracht.Cosette en Marius zagen elkander weder.Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de zon.Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend,was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.Zij verscheen op den drempel, en ’t was alsof zij in een stralenkrans stond.Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde Cosette er overheen.„Aanbiddelijk!” riep hij uit.Toen snoot hij heel luidruchtig.Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. ’t Was „Mijnheer Fauchelevent;” ’t was Jean Valjean.Hij was „zeer goed gekleed”, zooals de portier had gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, die in den nacht van den 7denJuni, met gehavende kleederen, vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw gezegd: „Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer gezien te hebben.”Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.„Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?” vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.„O,” antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het gehoord had, „’t is een geleerde: kan hij ’t helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart.”En luide zeide hij groetend:„Mijnheer Tranchelevent...”Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.„Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen.”„Mijnheer Tranchelevent” boog.„Dit is in orde,” zei de grootvader.Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend uitbreidende, riep hij:„’t Is u thans vergund elkander te beminnen!”Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn rustbed zittende en Cosette naast hem staande. „O mijn God!” lispte Cosette, „ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom toch? ’t Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood geweest. O, ’t was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l’Homme-Armé. ’t Schijnt, dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. ’t Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. ’t Is wonder, dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! ’t Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben ’t geheel vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l’Homme-Armé. Er is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, ’t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger.”—„Engel!” zei Marius.Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er van maken.Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren en riep:„Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken.”En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:„Praat maar, stoort u aan niets.”Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; ’t was in ’t minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: ’t was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; ’t was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.„Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter,” zij haar vader; „ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven.”Hij zweeg een oogenblik en hernam:„Aanschouw het geluk van anderen.”Toen wendde hij zich tot Cosette:„Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, jongejuffer. ’t Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, ’t zal een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der jezuïetische bouworde is te Namen. ’t Heet Saint-Loup. Ge moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. ’t Is een reis waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te redden moet er een Jeanne d’Arc zijn, maar om volk te hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper een waskaars in de hand te houden en te zingenTurris Eburnea!”De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde voort, als een losgebroken springveer:Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries1.„Apropos!”„Wat blieft, vader?”„Hadt ge niet een boezemvriend?”„Ja, Courfeyrac.”„Wat is er van hem geworden?”„Hij is dood.”„Dat is goed.”Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier handen in zijn gerimpelde handen.„Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,” voegde hij er eensklaps treurig bij, „welk een ongeluk! Nu denk ik er aan. Meer dan de helft van ’t geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, mevrouw de barones, zullen moeten werken.”Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:„Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend francs.”’t Was de stem van Jean Valjean.Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige menschen.„Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?” vroeg de grootvader ontsteld.„Dat ben ik,” antwoordde Cosette.„Zesmaal honderd duizend francs!” hernam de heer Gillenormand.„Misschien veertien of vijftien duizend francs minder,” zei Jean Valjean.En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een boek had aangezien.Jean Valjean opende zelf het pakje. ’t Waren bankbiljetten. Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs.„Dit is een kostelijk boek,” zei de heer Gillenormand.„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!” prevelde de tante.„Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter?” hernam de grootvader. „Die drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild.”„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken,” herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. „Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!”Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks op deze omstandigheid.1’t Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.Vijfde hoofdstuk.Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een notaris.Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende weder gevat te worden, ’t geen werkelijk korten tijd later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op dien zekerenavond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle erfde de spade.De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor zich.—„Later zullen wij zien,” dacht hij.Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster had slechts vijf duizend francs gekost.Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in denMoniteur, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, ’t welk deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.Zesde hoofdstuk.De beide oude lieden doen, elk op zijn wijze, alles om Cosette gelukkig te maken.Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer, die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen in volkomen geluk.De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond hij in de aanschouwing van Cosette.„Een verwonderlijk schoon meisje!” riep hij. „En zij ziet er zoo zacht en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje, dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron, rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u.”Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.„Begrijpt ge er iets van?” vroeg Marius aan Cosette.„Neen,” antwoordde Cosette, „maar mij dunkt, dat de goede God ons aanschouwt.”Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles, ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te lossen, van ’t welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan, hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand tot toezienden voogd werd benoemd.De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend francs geweest, maar tienduizend francswaren aan de opvoeding van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is het leven.Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad, is steeds tot ontberingen gereed.Zij bleef echter Jean Valjean „vader” noemen.Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk ingenomen. ’t Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij, het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk, die sedert jaren niet geopend waren. „Laat ons deze dames eens onderzoeken,” zeide hij, „en zien wat zij bevatten.” Hij opende met geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas, gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden, ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen, linten, dat alles schonk hij aanCosette. Cosette, verwonderd, geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:„De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt een herinnering uit de oudheid”1.„Moire antique!” riep de grijsaard. „Ik dank u Marius. ’t Is juist het denkbeeld dat ik zocht.”En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van theekleurigmoire antiquegevoegd.De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.„De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis met korenbloempjes bekranst, maar voeg erhonderdduizendfrancs rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur, geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels, en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit eennis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud.”De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen doorééngemengd.„Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een louisd’or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan: die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans, vroolijke gezichten aan tafel, geestigepuntdichten, gezang, vuurwerk, hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract, vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was, kwam Gamacho. Te drommel! ’t is, wijl de maag een prettig dier is, dat vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld, zwevend, lief, coquet, ’t geen niet belette den degen op zijde te hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig, de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap, die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge, waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van het geluk. ’t Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haateen boersche bruiloft. Men moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot hetburgerlijkeder kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou ’t allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, de bosch- en zeenimfen noodigen. ’t Zou de bruiloft van Amphitrite zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters getrokken:Triton trottait devant, et tirait de sa conqueDes sons siravissants, qu’il ravissait quiconque!2Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van.”Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche aanschouwing.Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden, las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haarAve, terwijl men in een anderen hoekI love youlispte, en zag onduidelijk Marius en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als verdoofd, vreemd blijft aan ’t geen men wereldsche zaken zou kunnen noemen, en geen gevoel heeft van menschelijkegewaarwordingen, noch van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in ’t hoofd. Gij zijt dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. ’t Is waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend francs eenige achting schuldig, en ’t was duidelijk, dat zij niet anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, wijl zij dit niet meer behoefden.Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de fraaiste van het huis, geven. „Dit zal mij verjongen,” verklaarde hij. „’t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn kamer bruiloft te houden.” Hij meubileerde deze kamer met een menigte kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van Anville teRoche-Guyon.De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet, dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door de orde voorgeschreven.1In ’t Fransch: „mémoire antique.”2Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke klanken, dat hij iedereen verrukte!Zevende hoofdstuk.De uitwerksels van den droom op het geluk.De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer Fauchelevent. „’t Is de verkeerde wereld,” zei juffer Gillenormand, „dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten maken.” Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de straat de l’Homme-Armé, hadden ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met elkander. ’t Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een treurigen blik in ’tverleden doen slaan. De geest, die zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan ’t hoofd, en het woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette. ’t Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden. Overigens was, bij ’t verschil van beider aard, geen vraag van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, zijn minder zeldzaam dan men gelooft.Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, zeide hij:„Ge kent immers die straat?”„Welke straat?”„De Chanvreriestraat?”„Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat,” antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.„Ik heb stellig gedroomd,” dacht hij, „’t is een zinsbegoocheling geweest. ’t Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was er niet.”Achtste hoofdstuk.Twee onmogelijke weder te vinden mannen.Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten uit den geest van Marius.Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het gebeurde onderzoeken.Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn vader als voor zich zelven.Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer Gillenormand gebracht had.Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo helder leven zou werpen. ’t Was hem onmogelijk al die oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, behalve voor Marius.En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, de twee eenigeovergeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet werpen.Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, uit vrees van weder gevat te worden.Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered, de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden, die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool „gestationneerd” had; dat tegen negen uren des avonds het hek van het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij „dezen keer” levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig had plaats genomen, dathij zijn paarden voortgezweept had, dat men hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, en hij verder niets wist; dat ’t een donkere avond was geweest.Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn bewustzijn herkregen.Hij verloor zich in gissingen.Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En op welke wijze? Door het riool. ’t Was een ongehoorde opoffering!Iemand? Wie?’t Was die man, welken Marius zocht.Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste aanwijzing te vinden.Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár, evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken van leven aan Marius, die hem alles te danken had?De belangeloosheid was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: „De man zag er afschuwelijk uit!”In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken, liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen, welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De koele houding van den heer „Fauchelevent” hinderde hem.Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:„Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge, mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden...”„Zij behooren u,” viel Jean Valjean hem in de rede.„Welnu,” hernam Marius, „dan zou ik ze geven om dien man weder te vinden.”Jean Valjean zweeg.

Eerste hoofdstuk.Men ziet den boom weder met den zinkpleister.Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor het stelen, dat hem bijna in ’t verderf had gestort, maar zich met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins in strijd is.„Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?” vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in ’t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in ’t reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel dezelfde als deze te kunnen zijn.Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.„Voor den duivel!” zei Boulatruelle, „ik zal hem wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er bij behoor.”Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.„Hiermede,” mompelde hij, „kan ik den grond en een mensch kort krijgen.”En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het kreupelhout.Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der struweelen, die met bevalligelangzaamheid zich weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.’t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps den man.Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het oog.De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit een reden voor haar langen duur.Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam ’t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de zoo lang gedroomde schat.’t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een grootkwartieruursvoor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.„Slaan wij de straat Rivoli der wolven in,” zeide hij.Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer den misslag, den rechten weg te volgen.Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.Er was niemand.Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, men had hem niet weggevoerd.Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In welke richting? In welken schuilhoek? ’t Was onmogelijk te gissen.En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een vergeten of achtergelaten schop zag.Die kuil was ledig.„Dief!” riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont uitstekende.

Eerste hoofdstuk.Men ziet den boom weder met den zinkpleister.

Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor het stelen, dat hem bijna in ’t verderf had gestort, maar zich met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins in strijd is.„Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?” vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in ’t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in ’t reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel dezelfde als deze te kunnen zijn.Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.„Voor den duivel!” zei Boulatruelle, „ik zal hem wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er bij behoor.”Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.„Hiermede,” mompelde hij, „kan ik den grond en een mensch kort krijgen.”En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het kreupelhout.Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der struweelen, die met bevalligelangzaamheid zich weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.’t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps den man.Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het oog.De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit een reden voor haar langen duur.Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam ’t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de zoo lang gedroomde schat.’t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een grootkwartieruursvoor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.„Slaan wij de straat Rivoli der wolven in,” zeide hij.Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer den misslag, den rechten weg te volgen.Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.Er was niemand.Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, men had hem niet weggevoerd.Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In welke richting? In welken schuilhoek? ’t Was onmogelijk te gissen.En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een vergeten of achtergelaten schop zag.Die kuil was ledig.„Dief!” riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont uitstekende.

Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.

Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.

Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.

Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor het stelen, dat hem bijna in ’t verderf had gestort, maar zich met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.

De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:

Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins in strijd is.

„Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?” vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in ’t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in ’t reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?

Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel dezelfde als deze te kunnen zijn.

Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.

„Voor den duivel!” zei Boulatruelle, „ik zal hem wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er bij behoor.”

Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.

„Hiermede,” mompelde hij, „kan ik den grond en een mensch kort krijgen.”

En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het kreupelhout.

Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der struweelen, die met bevalligelangzaamheid zich weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.

’t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps den man.

Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het oog.

De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit een reden voor haar langen duur.

Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam ’t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de zoo lang gedroomde schat.

’t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een grootkwartieruursvoor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.

„Slaan wij de straat Rivoli der wolven in,” zeide hij.

Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer den misslag, den rechten weg te volgen.

Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.

Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.

Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.

Er was niemand.

Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, men had hem niet weggevoerd.

Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In welke richting? In welken schuilhoek? ’t Was onmogelijk te gissen.

En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een vergeten of achtergelaten schop zag.

Die kuil was ledig.

„Dief!” riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont uitstekende.

Tweede hoofdstuk.Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot den huiselijken oorlog.Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. „De lijder mag vooral geen gemoedsaandoeningen hebben,” herhaalde hij. De verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met moeite werd hetkoudvuurdoor aanwending van chloor en helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goedgekleed heer met wit haar—dit was het signalement dat de portier van hem gaf,—naar den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.Eindelijk, den 7denSeptember, vier maanden, op den dag af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was.De genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij ’t algemeen, maar bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaielinnente sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: „Ai! ai!” Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar was, geraakte de goede man buiten zich zelven.Hij gaf zijn portier drie louisd’ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd danste hij eengavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje zingende:Jeanne est née à Fougère,Vrai nid d’une bergère;J’adore son juponFripon.Amour, tuviensen elle,Car c’est dans sa prunelleQue tu mets ton carquois,Narquois!Moi, je la chante, et j’aimePlus queDianemêmeJeanne et ses durstétonsBretons.1Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!Telkens vroeg hij aan den geneesheer: „Er is immers geen gevaar meer?” Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon van zijn kleinzoon.In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, bekoorlijk, jong. Zijn wit haarpaarde een zachte majesteit aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt een hemelsch morgenrood.Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts een enkele gedachte: Cosette.Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan ’t leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn verdwenen paradijs te eischen.Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in ’t spel kwam, hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenenen tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. ’t Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn woorden te verdraaien.Blijkbaar moest eene crisis komen.Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. „De mannen van 93 waren reuzen,” zei Marius streng. De grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.Dat oogenblik kwam.1Jeannette is geboren te Fougère, ’t geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.

Tweede hoofdstuk.Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot den huiselijken oorlog.

Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. „De lijder mag vooral geen gemoedsaandoeningen hebben,” herhaalde hij. De verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met moeite werd hetkoudvuurdoor aanwending van chloor en helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goedgekleed heer met wit haar—dit was het signalement dat de portier van hem gaf,—naar den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.Eindelijk, den 7denSeptember, vier maanden, op den dag af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was.De genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij ’t algemeen, maar bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaielinnente sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: „Ai! ai!” Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar was, geraakte de goede man buiten zich zelven.Hij gaf zijn portier drie louisd’ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd danste hij eengavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje zingende:Jeanne est née à Fougère,Vrai nid d’une bergère;J’adore son juponFripon.Amour, tuviensen elle,Car c’est dans sa prunelleQue tu mets ton carquois,Narquois!Moi, je la chante, et j’aimePlus queDianemêmeJeanne et ses durstétonsBretons.1Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!Telkens vroeg hij aan den geneesheer: „Er is immers geen gevaar meer?” Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon van zijn kleinzoon.In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, bekoorlijk, jong. Zijn wit haarpaarde een zachte majesteit aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt een hemelsch morgenrood.Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts een enkele gedachte: Cosette.Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan ’t leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn verdwenen paradijs te eischen.Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in ’t spel kwam, hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenenen tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. ’t Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn woorden te verdraaien.Blijkbaar moest eene crisis komen.Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. „De mannen van 93 waren reuzen,” zei Marius streng. De grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.Dat oogenblik kwam.

Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.

Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. „De lijder mag vooral geen gemoedsaandoeningen hebben,” herhaalde hij. De verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met moeite werd hetkoudvuurdoor aanwending van chloor en helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.

Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goedgekleed heer met wit haar—dit was het signalement dat de portier van hem gaf,—naar den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.

Eindelijk, den 7denSeptember, vier maanden, op den dag af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was.De genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!

Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.

Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij ’t algemeen, maar bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.

De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaielinnente sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: „Ai! ai!” Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.

Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar was, geraakte de goede man buiten zich zelven.Hij gaf zijn portier drie louisd’ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd danste hij eengavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje zingende:

Jeanne est née à Fougère,Vrai nid d’une bergère;J’adore son juponFripon.Amour, tuviensen elle,Car c’est dans sa prunelleQue tu mets ton carquois,Narquois!Moi, je la chante, et j’aimePlus queDianemêmeJeanne et ses durstétonsBretons.1

Jeanne est née à Fougère,Vrai nid d’une bergère;J’adore son juponFripon.

Jeanne est née à Fougère,

Vrai nid d’une bergère;

J’adore son jupon

Fripon.

Amour, tuviensen elle,Car c’est dans sa prunelleQue tu mets ton carquois,Narquois!

Amour, tuviensen elle,

Car c’est dans sa prunelle

Que tu mets ton carquois,

Narquois!

Moi, je la chante, et j’aimePlus queDianemêmeJeanne et ses durstétonsBretons.1

Moi, je la chante, et j’aime

Plus queDianemême

Jeanne et ses durstétons

Bretons.1

Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.

Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.

Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!

Telkens vroeg hij aan den geneesheer: „Er is immers geen gevaar meer?” Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon van zijn kleinzoon.

In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, bekoorlijk, jong. Zijn wit haarpaarde een zachte majesteit aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt een hemelsch morgenrood.

Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts een enkele gedachte: Cosette.

Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.

Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan ’t leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn verdwenen paradijs te eischen.

Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.

Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in ’t spel kwam, hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenenen tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.

En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.

Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. ’t Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn woorden te verdraaien.

Blijkbaar moest eene crisis komen.

Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. „De mannen van 93 waren reuzen,” zei Marius streng. De grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.

Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.

Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.

Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.

Dat oogenblik kwam.

1Jeannette is geboren te Fougère, ’t geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.

1Jeannette is geboren te Fougère, ’t geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.

Derde hoofdstuk.Marius’ aanval.Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon: „Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet beter.”Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke houding aan, en zeide:„Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.„Wat?”„Ik wil trouwen.”„Ik had het voorzien,” zei de grootvader, terwijl hij luid begon te lachen.„Hoe, voorzien?”„Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben.”Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.De heer Gillenormand hernam:„Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de l’Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren,mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, ’t is goed, spreken wij er niet meer van; ’t is gezegd, ’t is gedaan, ’t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, mijn geliefd kind.” Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het hoogste geluk.„Mijn vader!” riep Marius.„Ha, gij bemint mij dus!” zei de grijsaard.Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening niet spreken.Eindelijk stamelde de grijsaard:„Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft „mijn vader” gezegd.”Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:„Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar zou kunnen zien.”„Ook voorzien; morgen zult ge haar zien.”„Vader!”„Wat?”„Waarom niet heden?”„Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal „vader” genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar biju brengen. Ik heb het voorzien, zeg ik u. ’t Is reeds in rijm gebracht. ’t Is de ontknooping van de elegie „de jonge zieke” van André Chénier, van André Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd.”Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van Marius te merken, die in waarheid, wij moeten ’t zeggen, niet meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier aangevoerd te hebben, hernam haastig:„Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier verzochten, wel te willen gaan...”De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: „Bij de honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!”„Wien, mijnheer?”„André Chénier!”„Ja, mijnheer,” zei Basque verschrikt.

Derde hoofdstuk.Marius’ aanval.

Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon: „Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet beter.”Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke houding aan, en zeide:„Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.„Wat?”„Ik wil trouwen.”„Ik had het voorzien,” zei de grootvader, terwijl hij luid begon te lachen.„Hoe, voorzien?”„Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben.”Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.De heer Gillenormand hernam:„Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de l’Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren,mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, ’t is goed, spreken wij er niet meer van; ’t is gezegd, ’t is gedaan, ’t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, mijn geliefd kind.” Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het hoogste geluk.„Mijn vader!” riep Marius.„Ha, gij bemint mij dus!” zei de grijsaard.Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening niet spreken.Eindelijk stamelde de grijsaard:„Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft „mijn vader” gezegd.”Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:„Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar zou kunnen zien.”„Ook voorzien; morgen zult ge haar zien.”„Vader!”„Wat?”„Waarom niet heden?”„Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal „vader” genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar biju brengen. Ik heb het voorzien, zeg ik u. ’t Is reeds in rijm gebracht. ’t Is de ontknooping van de elegie „de jonge zieke” van André Chénier, van André Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd.”Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van Marius te merken, die in waarheid, wij moeten ’t zeggen, niet meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier aangevoerd te hebben, hernam haastig:„Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier verzochten, wel te willen gaan...”De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: „Bij de honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!”„Wien, mijnheer?”„André Chénier!”„Ja, mijnheer,” zei Basque verschrikt.

Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon: „Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet beter.”

Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke houding aan, en zeide:

„Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.

„Wat?”

„Ik wil trouwen.”

„Ik had het voorzien,” zei de grootvader, terwijl hij luid begon te lachen.

„Hoe, voorzien?”

„Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben.”

Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.

De heer Gillenormand hernam:

„Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de l’Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren,mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, ’t is goed, spreken wij er niet meer van; ’t is gezegd, ’t is gedaan, ’t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, mijn geliefd kind.” Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het hoogste geluk.

„Mijn vader!” riep Marius.

„Ha, gij bemint mij dus!” zei de grijsaard.

Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening niet spreken.

Eindelijk stamelde de grijsaard:

„Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft „mijn vader” gezegd.”

Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:

„Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar zou kunnen zien.”

„Ook voorzien; morgen zult ge haar zien.”

„Vader!”

„Wat?”

„Waarom niet heden?”

„Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal „vader” genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar biju brengen. Ik heb het voorzien, zeg ik u. ’t Is reeds in rijm gebracht. ’t Is de ontknooping van de elegie „de jonge zieke” van André Chénier, van André Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd.”

Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van Marius te merken, die in waarheid, wij moeten ’t zeggen, niet meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier aangevoerd te hebben, hernam haastig:

„Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier verzochten, wel te willen gaan...”

De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: „Bij de honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!”

„Wien, mijnheer?”

„André Chénier!”

„Ja, mijnheer,” zei Basque verschrikt.

Vierde hoofdstuk.Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm medebracht.Cosette en Marius zagen elkander weder.Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de zon.Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend,was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.Zij verscheen op den drempel, en ’t was alsof zij in een stralenkrans stond.Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde Cosette er overheen.„Aanbiddelijk!” riep hij uit.Toen snoot hij heel luidruchtig.Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. ’t Was „Mijnheer Fauchelevent;” ’t was Jean Valjean.Hij was „zeer goed gekleed”, zooals de portier had gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, die in den nacht van den 7denJuni, met gehavende kleederen, vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw gezegd: „Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer gezien te hebben.”Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.„Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?” vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.„O,” antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het gehoord had, „’t is een geleerde: kan hij ’t helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart.”En luide zeide hij groetend:„Mijnheer Tranchelevent...”Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.„Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen.”„Mijnheer Tranchelevent” boog.„Dit is in orde,” zei de grootvader.Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend uitbreidende, riep hij:„’t Is u thans vergund elkander te beminnen!”Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn rustbed zittende en Cosette naast hem staande. „O mijn God!” lispte Cosette, „ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom toch? ’t Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood geweest. O, ’t was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l’Homme-Armé. ’t Schijnt, dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. ’t Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. ’t Is wonder, dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! ’t Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben ’t geheel vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l’Homme-Armé. Er is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, ’t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger.”—„Engel!” zei Marius.Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er van maken.Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren en riep:„Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken.”En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:„Praat maar, stoort u aan niets.”Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; ’t was in ’t minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: ’t was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; ’t was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.„Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter,” zij haar vader; „ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven.”Hij zweeg een oogenblik en hernam:„Aanschouw het geluk van anderen.”Toen wendde hij zich tot Cosette:„Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, jongejuffer. ’t Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, ’t zal een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der jezuïetische bouworde is te Namen. ’t Heet Saint-Loup. Ge moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. ’t Is een reis waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te redden moet er een Jeanne d’Arc zijn, maar om volk te hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper een waskaars in de hand te houden en te zingenTurris Eburnea!”De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde voort, als een losgebroken springveer:Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries1.„Apropos!”„Wat blieft, vader?”„Hadt ge niet een boezemvriend?”„Ja, Courfeyrac.”„Wat is er van hem geworden?”„Hij is dood.”„Dat is goed.”Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier handen in zijn gerimpelde handen.„Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,” voegde hij er eensklaps treurig bij, „welk een ongeluk! Nu denk ik er aan. Meer dan de helft van ’t geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, mevrouw de barones, zullen moeten werken.”Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:„Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend francs.”’t Was de stem van Jean Valjean.Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige menschen.„Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?” vroeg de grootvader ontsteld.„Dat ben ik,” antwoordde Cosette.„Zesmaal honderd duizend francs!” hernam de heer Gillenormand.„Misschien veertien of vijftien duizend francs minder,” zei Jean Valjean.En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een boek had aangezien.Jean Valjean opende zelf het pakje. ’t Waren bankbiljetten. Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs.„Dit is een kostelijk boek,” zei de heer Gillenormand.„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!” prevelde de tante.„Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter?” hernam de grootvader. „Die drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild.”„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken,” herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. „Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!”Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks op deze omstandigheid.1’t Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.

Vierde hoofdstuk.Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm medebracht.

Cosette en Marius zagen elkander weder.Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de zon.Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend,was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.Zij verscheen op den drempel, en ’t was alsof zij in een stralenkrans stond.Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde Cosette er overheen.„Aanbiddelijk!” riep hij uit.Toen snoot hij heel luidruchtig.Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. ’t Was „Mijnheer Fauchelevent;” ’t was Jean Valjean.Hij was „zeer goed gekleed”, zooals de portier had gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, die in den nacht van den 7denJuni, met gehavende kleederen, vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw gezegd: „Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer gezien te hebben.”Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.„Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?” vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.„O,” antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het gehoord had, „’t is een geleerde: kan hij ’t helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart.”En luide zeide hij groetend:„Mijnheer Tranchelevent...”Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.„Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen.”„Mijnheer Tranchelevent” boog.„Dit is in orde,” zei de grootvader.Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend uitbreidende, riep hij:„’t Is u thans vergund elkander te beminnen!”Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn rustbed zittende en Cosette naast hem staande. „O mijn God!” lispte Cosette, „ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom toch? ’t Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood geweest. O, ’t was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l’Homme-Armé. ’t Schijnt, dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. ’t Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. ’t Is wonder, dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! ’t Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben ’t geheel vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l’Homme-Armé. Er is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, ’t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger.”—„Engel!” zei Marius.Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er van maken.Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren en riep:„Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken.”En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:„Praat maar, stoort u aan niets.”Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; ’t was in ’t minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: ’t was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; ’t was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.„Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter,” zij haar vader; „ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven.”Hij zweeg een oogenblik en hernam:„Aanschouw het geluk van anderen.”Toen wendde hij zich tot Cosette:„Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, jongejuffer. ’t Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, ’t zal een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der jezuïetische bouworde is te Namen. ’t Heet Saint-Loup. Ge moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. ’t Is een reis waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te redden moet er een Jeanne d’Arc zijn, maar om volk te hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper een waskaars in de hand te houden en te zingenTurris Eburnea!”De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde voort, als een losgebroken springveer:Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries1.„Apropos!”„Wat blieft, vader?”„Hadt ge niet een boezemvriend?”„Ja, Courfeyrac.”„Wat is er van hem geworden?”„Hij is dood.”„Dat is goed.”Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier handen in zijn gerimpelde handen.„Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,” voegde hij er eensklaps treurig bij, „welk een ongeluk! Nu denk ik er aan. Meer dan de helft van ’t geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, mevrouw de barones, zullen moeten werken.”Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:„Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend francs.”’t Was de stem van Jean Valjean.Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige menschen.„Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?” vroeg de grootvader ontsteld.„Dat ben ik,” antwoordde Cosette.„Zesmaal honderd duizend francs!” hernam de heer Gillenormand.„Misschien veertien of vijftien duizend francs minder,” zei Jean Valjean.En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een boek had aangezien.Jean Valjean opende zelf het pakje. ’t Waren bankbiljetten. Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs.„Dit is een kostelijk boek,” zei de heer Gillenormand.„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!” prevelde de tante.„Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter?” hernam de grootvader. „Die drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild.”„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken,” herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. „Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!”Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks op deze omstandigheid.

Cosette en Marius zagen elkander weder.

Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de zon.

Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend,was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.

Zij verscheen op den drempel, en ’t was alsof zij in een stralenkrans stond.

Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde Cosette er overheen.

„Aanbiddelijk!” riep hij uit.

Toen snoot hij heel luidruchtig.

Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.

Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. ’t Was „Mijnheer Fauchelevent;” ’t was Jean Valjean.

Hij was „zeer goed gekleed”, zooals de portier had gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.

De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, die in den nacht van den 7denJuni, met gehavende kleederen, vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw gezegd: „Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer gezien te hebben.”

Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.

„Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?” vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.

„O,” antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het gehoord had, „’t is een geleerde: kan hij ’t helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart.”

En luide zeide hij groetend:

„Mijnheer Tranchelevent...”

Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.

„Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen.”

„Mijnheer Tranchelevent” boog.

„Dit is in orde,” zei de grootvader.

Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend uitbreidende, riep hij:

„’t Is u thans vergund elkander te beminnen!”

Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn rustbed zittende en Cosette naast hem staande. „O mijn God!” lispte Cosette, „ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom toch? ’t Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood geweest. O, ’t was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l’Homme-Armé. ’t Schijnt, dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. ’t Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. ’t Is wonder, dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! ’t Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben ’t geheel vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l’Homme-Armé. Er is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, ’t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger.”—„Engel!” zei Marius.

Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er van maken.

Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.

De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren en riep:

„Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken.”

En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:

„Praat maar, stoort u aan niets.”

Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; ’t was in ’t minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: ’t was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; ’t was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.

„Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter,” zij haar vader; „ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven.”

Hij zweeg een oogenblik en hernam:

„Aanschouw het geluk van anderen.”

Toen wendde hij zich tot Cosette:

„Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, jongejuffer. ’t Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, ’t zal een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der jezuïetische bouworde is te Namen. ’t Heet Saint-Loup. Ge moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. ’t Is een reis waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te redden moet er een Jeanne d’Arc zijn, maar om volk te hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper een waskaars in de hand te houden en te zingenTurris Eburnea!”

De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde voort, als een losgebroken springveer:

Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries1.

Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,

Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries1.

„Apropos!”

„Wat blieft, vader?”

„Hadt ge niet een boezemvriend?”

„Ja, Courfeyrac.”

„Wat is er van hem geworden?”

„Hij is dood.”

„Dat is goed.”

Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier handen in zijn gerimpelde handen.

„Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,” voegde hij er eensklaps treurig bij, „welk een ongeluk! Nu denk ik er aan. Meer dan de helft van ’t geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, mevrouw de barones, zullen moeten werken.”

Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:

„Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend francs.”

’t Was de stem van Jean Valjean.

Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige menschen.

„Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?” vroeg de grootvader ontsteld.

„Dat ben ik,” antwoordde Cosette.

„Zesmaal honderd duizend francs!” hernam de heer Gillenormand.

„Misschien veertien of vijftien duizend francs minder,” zei Jean Valjean.

En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een boek had aangezien.

Jean Valjean opende zelf het pakje. ’t Waren bankbiljetten. Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs.

„Dit is een kostelijk boek,” zei de heer Gillenormand.

„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!” prevelde de tante.

„Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter?” hernam de grootvader. „Die drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild.”

„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken,” herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. „Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!”

Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks op deze omstandigheid.

1’t Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.

1’t Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.

Vijfde hoofdstuk.Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een notaris.Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende weder gevat te worden, ’t geen werkelijk korten tijd later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op dien zekerenavond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle erfde de spade.De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor zich.—„Later zullen wij zien,” dacht hij.Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster had slechts vijf duizend francs gekost.Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in denMoniteur, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, ’t welk deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.

Vijfde hoofdstuk.Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een notaris.

Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende weder gevat te worden, ’t geen werkelijk korten tijd later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op dien zekerenavond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle erfde de spade.De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor zich.—„Later zullen wij zien,” dacht hij.Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster had slechts vijf duizend francs gekost.Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in denMoniteur, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, ’t welk deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.

Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende weder gevat te worden, ’t geen werkelijk korten tijd later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op dien zekerenavond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle erfde de spade.

De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor zich.—„Later zullen wij zien,” dacht hij.

Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster had slechts vijf duizend francs gekost.

Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.

Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in denMoniteur, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, ’t welk deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.

Zesde hoofdstuk.De beide oude lieden doen, elk op zijn wijze, alles om Cosette gelukkig te maken.Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer, die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen in volkomen geluk.De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond hij in de aanschouwing van Cosette.„Een verwonderlijk schoon meisje!” riep hij. „En zij ziet er zoo zacht en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje, dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron, rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u.”Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.„Begrijpt ge er iets van?” vroeg Marius aan Cosette.„Neen,” antwoordde Cosette, „maar mij dunkt, dat de goede God ons aanschouwt.”Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles, ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te lossen, van ’t welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan, hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand tot toezienden voogd werd benoemd.De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend francs geweest, maar tienduizend francswaren aan de opvoeding van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is het leven.Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad, is steeds tot ontberingen gereed.Zij bleef echter Jean Valjean „vader” noemen.Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk ingenomen. ’t Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij, het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk, die sedert jaren niet geopend waren. „Laat ons deze dames eens onderzoeken,” zeide hij, „en zien wat zij bevatten.” Hij opende met geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas, gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden, ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen, linten, dat alles schonk hij aanCosette. Cosette, verwonderd, geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:„De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt een herinnering uit de oudheid”1.„Moire antique!” riep de grijsaard. „Ik dank u Marius. ’t Is juist het denkbeeld dat ik zocht.”En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van theekleurigmoire antiquegevoegd.De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.„De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis met korenbloempjes bekranst, maar voeg erhonderdduizendfrancs rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur, geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels, en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit eennis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud.”De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen doorééngemengd.„Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een louisd’or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan: die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans, vroolijke gezichten aan tafel, geestigepuntdichten, gezang, vuurwerk, hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract, vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was, kwam Gamacho. Te drommel! ’t is, wijl de maag een prettig dier is, dat vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld, zwevend, lief, coquet, ’t geen niet belette den degen op zijde te hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig, de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap, die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge, waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van het geluk. ’t Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haateen boersche bruiloft. Men moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot hetburgerlijkeder kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou ’t allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, de bosch- en zeenimfen noodigen. ’t Zou de bruiloft van Amphitrite zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters getrokken:Triton trottait devant, et tirait de sa conqueDes sons siravissants, qu’il ravissait quiconque!2Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van.”Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche aanschouwing.Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden, las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haarAve, terwijl men in een anderen hoekI love youlispte, en zag onduidelijk Marius en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als verdoofd, vreemd blijft aan ’t geen men wereldsche zaken zou kunnen noemen, en geen gevoel heeft van menschelijkegewaarwordingen, noch van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in ’t hoofd. Gij zijt dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. ’t Is waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend francs eenige achting schuldig, en ’t was duidelijk, dat zij niet anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, wijl zij dit niet meer behoefden.Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de fraaiste van het huis, geven. „Dit zal mij verjongen,” verklaarde hij. „’t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn kamer bruiloft te houden.” Hij meubileerde deze kamer met een menigte kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van Anville teRoche-Guyon.De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet, dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door de orde voorgeschreven.1In ’t Fransch: „mémoire antique.”2Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke klanken, dat hij iedereen verrukte!

Zesde hoofdstuk.De beide oude lieden doen, elk op zijn wijze, alles om Cosette gelukkig te maken.

Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer, die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen in volkomen geluk.De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond hij in de aanschouwing van Cosette.„Een verwonderlijk schoon meisje!” riep hij. „En zij ziet er zoo zacht en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje, dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron, rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u.”Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.„Begrijpt ge er iets van?” vroeg Marius aan Cosette.„Neen,” antwoordde Cosette, „maar mij dunkt, dat de goede God ons aanschouwt.”Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles, ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te lossen, van ’t welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan, hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand tot toezienden voogd werd benoemd.De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend francs geweest, maar tienduizend francswaren aan de opvoeding van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is het leven.Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad, is steeds tot ontberingen gereed.Zij bleef echter Jean Valjean „vader” noemen.Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk ingenomen. ’t Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij, het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk, die sedert jaren niet geopend waren. „Laat ons deze dames eens onderzoeken,” zeide hij, „en zien wat zij bevatten.” Hij opende met geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas, gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden, ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen, linten, dat alles schonk hij aanCosette. Cosette, verwonderd, geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:„De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt een herinnering uit de oudheid”1.„Moire antique!” riep de grijsaard. „Ik dank u Marius. ’t Is juist het denkbeeld dat ik zocht.”En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van theekleurigmoire antiquegevoegd.De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.„De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis met korenbloempjes bekranst, maar voeg erhonderdduizendfrancs rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur, geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels, en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit eennis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud.”De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen doorééngemengd.„Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een louisd’or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan: die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans, vroolijke gezichten aan tafel, geestigepuntdichten, gezang, vuurwerk, hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract, vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was, kwam Gamacho. Te drommel! ’t is, wijl de maag een prettig dier is, dat vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld, zwevend, lief, coquet, ’t geen niet belette den degen op zijde te hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig, de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap, die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge, waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van het geluk. ’t Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haateen boersche bruiloft. Men moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot hetburgerlijkeder kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou ’t allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, de bosch- en zeenimfen noodigen. ’t Zou de bruiloft van Amphitrite zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters getrokken:Triton trottait devant, et tirait de sa conqueDes sons siravissants, qu’il ravissait quiconque!2Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van.”Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche aanschouwing.Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden, las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haarAve, terwijl men in een anderen hoekI love youlispte, en zag onduidelijk Marius en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als verdoofd, vreemd blijft aan ’t geen men wereldsche zaken zou kunnen noemen, en geen gevoel heeft van menschelijkegewaarwordingen, noch van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in ’t hoofd. Gij zijt dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. ’t Is waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend francs eenige achting schuldig, en ’t was duidelijk, dat zij niet anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, wijl zij dit niet meer behoefden.Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de fraaiste van het huis, geven. „Dit zal mij verjongen,” verklaarde hij. „’t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn kamer bruiloft te houden.” Hij meubileerde deze kamer met een menigte kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van Anville teRoche-Guyon.De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet, dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door de orde voorgeschreven.

Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer, die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen in volkomen geluk.

De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond hij in de aanschouwing van Cosette.

„Een verwonderlijk schoon meisje!” riep hij. „En zij ziet er zoo zacht en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje, dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron, rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u.”

Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.

„Begrijpt ge er iets van?” vroeg Marius aan Cosette.

„Neen,” antwoordde Cosette, „maar mij dunkt, dat de goede God ons aanschouwt.”

Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles, ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.

Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te lossen, van ’t welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan, hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand tot toezienden voogd werd benoemd.

De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend francs geweest, maar tienduizend francswaren aan de opvoeding van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.

Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is het leven.

Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad, is steeds tot ontberingen gereed.

Zij bleef echter Jean Valjean „vader” noemen.

Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk ingenomen. ’t Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij, het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.

Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk, die sedert jaren niet geopend waren. „Laat ons deze dames eens onderzoeken,” zeide hij, „en zien wat zij bevatten.” Hij opende met geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas, gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden, ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen, linten, dat alles schonk hij aanCosette. Cosette, verwonderd, geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.

De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.

Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.

Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:

„De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt een herinnering uit de oudheid”1.

„Moire antique!” riep de grijsaard. „Ik dank u Marius. ’t Is juist het denkbeeld dat ik zocht.”

En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van theekleurigmoire antiquegevoegd.

De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.

„De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis met korenbloempjes bekranst, maar voeg erhonderdduizendfrancs rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur, geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels, en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit eennis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud.”

De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen doorééngemengd.

„Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een louisd’or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan: die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans, vroolijke gezichten aan tafel, geestigepuntdichten, gezang, vuurwerk, hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract, vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was, kwam Gamacho. Te drommel! ’t is, wijl de maag een prettig dier is, dat vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld, zwevend, lief, coquet, ’t geen niet belette den degen op zijde te hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig, de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap, die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge, waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van het geluk. ’t Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haateen boersche bruiloft. Men moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot hetburgerlijkeder kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou ’t allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, de bosch- en zeenimfen noodigen. ’t Zou de bruiloft van Amphitrite zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters getrokken:

Triton trottait devant, et tirait de sa conqueDes sons siravissants, qu’il ravissait quiconque!2

Triton trottait devant, et tirait de sa conque

Des sons siravissants, qu’il ravissait quiconque!2

Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van.”

Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche aanschouwing.

Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden, las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haarAve, terwijl men in een anderen hoekI love youlispte, en zag onduidelijk Marius en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.

Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als verdoofd, vreemd blijft aan ’t geen men wereldsche zaken zou kunnen noemen, en geen gevoel heeft van menschelijkegewaarwordingen, noch van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in ’t hoofd. Gij zijt dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.

De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. ’t Is waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend francs eenige achting schuldig, en ’t was duidelijk, dat zij niet anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, wijl zij dit niet meer behoefden.

Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de fraaiste van het huis, geven. „Dit zal mij verjongen,” verklaarde hij. „’t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn kamer bruiloft te houden.” Hij meubileerde deze kamer met een menigte kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van Anville teRoche-Guyon.

De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet, dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door de orde voorgeschreven.

1In ’t Fransch: „mémoire antique.”2Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke klanken, dat hij iedereen verrukte!

1In ’t Fransch: „mémoire antique.”

2Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke klanken, dat hij iedereen verrukte!

Zevende hoofdstuk.De uitwerksels van den droom op het geluk.De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer Fauchelevent. „’t Is de verkeerde wereld,” zei juffer Gillenormand, „dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten maken.” Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de straat de l’Homme-Armé, hadden ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met elkander. ’t Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een treurigen blik in ’tverleden doen slaan. De geest, die zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan ’t hoofd, en het woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette. ’t Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden. Overigens was, bij ’t verschil van beider aard, geen vraag van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, zijn minder zeldzaam dan men gelooft.Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, zeide hij:„Ge kent immers die straat?”„Welke straat?”„De Chanvreriestraat?”„Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat,” antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.„Ik heb stellig gedroomd,” dacht hij, „’t is een zinsbegoocheling geweest. ’t Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was er niet.”

Zevende hoofdstuk.De uitwerksels van den droom op het geluk.

De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer Fauchelevent. „’t Is de verkeerde wereld,” zei juffer Gillenormand, „dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten maken.” Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de straat de l’Homme-Armé, hadden ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met elkander. ’t Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een treurigen blik in ’tverleden doen slaan. De geest, die zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan ’t hoofd, en het woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette. ’t Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden. Overigens was, bij ’t verschil van beider aard, geen vraag van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, zijn minder zeldzaam dan men gelooft.Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, zeide hij:„Ge kent immers die straat?”„Welke straat?”„De Chanvreriestraat?”„Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat,” antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.„Ik heb stellig gedroomd,” dacht hij, „’t is een zinsbegoocheling geweest. ’t Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was er niet.”

De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer Fauchelevent. „’t Is de verkeerde wereld,” zei juffer Gillenormand, „dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten maken.” Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de straat de l’Homme-Armé, hadden ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met elkander. ’t Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.

Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.

Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een treurigen blik in ’tverleden doen slaan. De geest, die zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan ’t hoofd, en het woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.

En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette. ’t Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.

De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden. Overigens was, bij ’t verschil van beider aard, geen vraag van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.

Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, zijn minder zeldzaam dan men gelooft.

Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, zeide hij:

„Ge kent immers die straat?”

„Welke straat?”

„De Chanvreriestraat?”

„Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat,” antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.

Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.

„Ik heb stellig gedroomd,” dacht hij, „’t is een zinsbegoocheling geweest. ’t Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was er niet.”

Achtste hoofdstuk.Twee onmogelijke weder te vinden mannen.Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten uit den geest van Marius.Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het gebeurde onderzoeken.Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn vader als voor zich zelven.Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer Gillenormand gebracht had.Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo helder leven zou werpen. ’t Was hem onmogelijk al die oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, behalve voor Marius.En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, de twee eenigeovergeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet werpen.Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, uit vrees van weder gevat te worden.Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered, de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden, die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool „gestationneerd” had; dat tegen negen uren des avonds het hek van het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij „dezen keer” levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig had plaats genomen, dathij zijn paarden voortgezweept had, dat men hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, en hij verder niets wist; dat ’t een donkere avond was geweest.Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn bewustzijn herkregen.Hij verloor zich in gissingen.Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En op welke wijze? Door het riool. ’t Was een ongehoorde opoffering!Iemand? Wie?’t Was die man, welken Marius zocht.Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste aanwijzing te vinden.Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár, evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken van leven aan Marius, die hem alles te danken had?De belangeloosheid was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: „De man zag er afschuwelijk uit!”In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken, liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen, welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De koele houding van den heer „Fauchelevent” hinderde hem.Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:„Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge, mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden...”„Zij behooren u,” viel Jean Valjean hem in de rede.„Welnu,” hernam Marius, „dan zou ik ze geven om dien man weder te vinden.”Jean Valjean zweeg.

Achtste hoofdstuk.Twee onmogelijke weder te vinden mannen.

Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten uit den geest van Marius.Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het gebeurde onderzoeken.Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn vader als voor zich zelven.Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer Gillenormand gebracht had.Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo helder leven zou werpen. ’t Was hem onmogelijk al die oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, behalve voor Marius.En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, de twee eenigeovergeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet werpen.Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, uit vrees van weder gevat te worden.Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered, de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden, die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool „gestationneerd” had; dat tegen negen uren des avonds het hek van het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij „dezen keer” levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig had plaats genomen, dathij zijn paarden voortgezweept had, dat men hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, en hij verder niets wist; dat ’t een donkere avond was geweest.Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn bewustzijn herkregen.Hij verloor zich in gissingen.Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En op welke wijze? Door het riool. ’t Was een ongehoorde opoffering!Iemand? Wie?’t Was die man, welken Marius zocht.Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste aanwijzing te vinden.Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár, evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken van leven aan Marius, die hem alles te danken had?De belangeloosheid was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: „De man zag er afschuwelijk uit!”In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken, liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen, welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De koele houding van den heer „Fauchelevent” hinderde hem.Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:„Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge, mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden...”„Zij behooren u,” viel Jean Valjean hem in de rede.„Welnu,” hernam Marius, „dan zou ik ze geven om dien man weder te vinden.”Jean Valjean zweeg.

Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten uit den geest van Marius.

Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het gebeurde onderzoeken.

Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn vader als voor zich zelven.

Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer Gillenormand gebracht had.

Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo helder leven zou werpen. ’t Was hem onmogelijk al die oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.

Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, behalve voor Marius.

En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.

Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, de twee eenigeovergeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet werpen.

Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.

Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, uit vrees van weder gevat te worden.

Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered, de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden, die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool „gestationneerd” had; dat tegen negen uren des avonds het hek van het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij „dezen keer” levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig had plaats genomen, dathij zijn paarden voortgezweept had, dat men hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, en hij verder niets wist; dat ’t een donkere avond was geweest.

Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn bewustzijn herkregen.

Hij verloor zich in gissingen.

Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En op welke wijze? Door het riool. ’t Was een ongehoorde opoffering!

Iemand? Wie?

’t Was die man, welken Marius zocht.

Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste aanwijzing te vinden.

Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár, evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.

Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.

Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken van leven aan Marius, die hem alles te danken had?De belangeloosheid was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: „De man zag er afschuwelijk uit!”

In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken, liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.

Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen, welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De koele houding van den heer „Fauchelevent” hinderde hem.

Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:

„Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge, mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden...”

„Zij behooren u,” viel Jean Valjean hem in de rede.

„Welnu,” hernam Marius, „dan zou ik ze geven om dien man weder te vinden.”

Jean Valjean zweeg.


Back to IndexNext