Boek VI.De slapelooze nacht.Eerste hoofdstuk.De 16 Februari 1833.De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. ’t Was de bruiloftsnacht van Marius en Cosette.’t Was een heerlijke dag geweest.’t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg achter te laten.In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelschenobility, op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden; maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.Men verbeeldde zich nog in dien tijd, ’t was zonderling, dat een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten huize van den heer Gillenormand gevierd.Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari niet gereed zijn.Nu was het,—wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer nauwkeurigheid,—op den 16denVastenavond. Hier door ontstond een aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.„Vastenavond!” riep de grootvader, „des te beter. Er is een spreuk die zegt:Hij, die op Vastenavond trouwt.Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.„Dus bepaald! ’t Zal den 16denzijn. Zoudt gij ’t willen uitstellen, Marius?”„Zeker niet,” antwoordde de gelukkige.„Trouwen wij dus!” hernam de grootvader.Het huwelijk werd dus den 16denvoltrokken, niettegenstaande de openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien, zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs ter hand gesteld.Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer eenvoudig waren.Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen, dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand geklemd. ’t Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, ’t geen hem belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende voogd in zijn plaats getreden.Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten, zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was, rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte van rijtuigen zou zijn. „Waarom?” vroeg Gillenormand.—„Uithoofde der gemaskerden.”—„Des te beter,” zei de grootvader. „Nemen wij dien weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden.”Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine een eindelooze keten vormden.Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen,de Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is, bestaat er geen karnaval meer.Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen, die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen, streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen rolde de een naarChausséed’Antin, de andere naar de voorstad St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten, onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een spotnaam van het gepeupel, voorbij.In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen, zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als openbare ambtenaars.Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op dit punt was een rijtuig met gemaskerden.Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: „daar schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie plaats hebben.” Een hoop Cassandra’s, Harlekijns en Colombines, die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken, alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman, Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken, driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig van Vadé noodig.Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën, die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, brult, vloekt endartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt, de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den Parijzenaars het karnaval te bewijzen.Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen de publieke mannen en de publieke vrouwen.Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige hydra’s der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft, evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,—wanneer het meesters heeft—slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.„Kijk!” zei een gemaskerde, „een bruiloft.”„Een valsche bruiloft,” hernam een ander. „Wij zijn de echte.”En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen,en bovendien vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen de twee gemaskerden naar een andere zijde.Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in ’t nauw; het volk hoonde en beschimpte het; ’t geen de liefkoozing der menigte jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden, moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen, om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van scheldwoorden en uitjouwingen.Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig, een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan ’t schelden waren.Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.Ziehier de samenspraak:„Zeg eens.”„Wat, vader?”„Ziet ge dien oude?”„Welken oude?”„Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde.”„Wiens arm in een zwarten doek hangt.”„Ja.”„Nu?”„Ik ben zeker, dat ik hem ken.”„Zoo!”„Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken.”„Vandaag is Parijs Pantin.”„Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?”„Neen.”„En den bruidegom?”„Er is geen bruidegom in de koets.”„Och!”„Of ’t moest de andere oude zijn.”„Buk u en tracht de bruid te zien.”„Ik kan niet.”„Om ’t even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben er zeker van.”„Wat kan ’t u schelen, of ge hem kent?”„Men weet niet. Soms!”„Ik, ik heb niets met den oude te maken.”„Ik ken hem.”„Ge moogt hem kennen.”„Hoe drommel is hij bij de bruiloft?”„Wij zijn er immers ook bij.”„Vanwaar komt die bruiloft?”„Weet ik het?”„Luister.”„Wat?”„Doe iets.”„Wat?”„Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft.”„Waarom?”„Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit, meisje, ge zijt jong.”„Ik kan het rijtuig niet verlaten.”„Waarom?”„Ik ben gehuurd.”„Te drommel!”„De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd.”„’t Is waar.”„Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die mij ziet. Ge weet.”„Ja, ik weet.”„Vandaag ben ik door de regeering gehuurd.”„Om ’t even. Die oude verveelt mij.”„Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje.”„Hij zit in het eerste rijtuig.”„Nu?”„In de koets der bruid.”„Verder?”„Hij is dus de vader.”„Wat raakt het mij?”„Ik zeg u, dat hij de vader is.”„De vader moet er immers bij zijn.”„Luister.”„Wat?”„Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geengemaskerden meer. ’t Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn hol kruipen. Gij, gij zijt vrij.”„Niet te veel”„Altijd meer dan ik.”„Nu, verder.”„Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is.”„Waarheen zij gaat?”„Ja.”„Ik weet het.”„Waarheen dan?”„Naar de Cadran Bleu.”„Zij gaat niet in die richting.”„Nu, dan naar la Rapée.”„Of elders.”„Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij.”„Dat is ’t allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt.”„Nog meer! ’t Zal grappig wezen. ’t Is even gemakkelijk om een bruiloft weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?”„Om ’t even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?”De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.Tweede hoofdstuk.Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter.Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius waren gekozen.Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij was een uitstekende bescheidenheid, die inhelderheid straalde en er zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd.Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven.Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.„’t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent,” zei de grootvader. „Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, ’t is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is al wat ik wensch.”Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor den priester alle mogelijke „ja’s” te hebben uitgesproken, na op de registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den walm van het wierookvat geknield te hebben,—zij aan elkanders arm, door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit, voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan; ’t scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. „Kinderen,” zei de grootvader, „nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones, met dertig duizend francs inkomen.” En Cosette drong zich dichttegen Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: „’t Is dan waar, ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!”Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen waren zij geen veertig jaren oud. ’t Waseenverhemeld huwelijk; deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den kus en den droom, het bruidsbed.Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid, de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich, om te raden. ’t Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording, op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de voorbijgangers mede.Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan, om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen.Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden, zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glansder opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende, werd rood tot in het wit harer oogen.Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de barones te noemen.De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.„Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven,” zeide vader Gillenormand bij zich zelven.Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.In de eetzaal was de tafel gedekt.Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken.De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden, boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles, spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver, blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden licht en bloemen elkander afwisselden.In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen kwartetten van Haydn.Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in, eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiginghield met beide handen haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:„Zijt gij tevreden, vader?”„Ja,” zei Jean Valjean, „ik ben tevreden.”„Welnu, lach dan.”Jean Valjean lachte.Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed was.De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde orde aan tafel.Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.Men zocht met den blik „mijnheer Fauchelevent”.Hij was er niet meer.De heer Gillenormand riep tot Basque:„Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?”„Mijnheer,” antwoordde Basque, „zooeven heeft mijnheer Fauchelevent mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou komen. Hij is juist heengegaan.”Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer Gillenormand iets in den zin. „Drommels!” zeide hij, „deze stoel is ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht op u heeft, zal ’t u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal ’t aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata.” De geheele tafel juichte toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius.Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten, en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het jonge paar.„Ge komt er niet af zonder twee preeken,” riep hij. „Van ochtend hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg: Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? ’t Is de liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw, geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? ’t Is het koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer; er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken; ’t is gedaan, ’t is verbrijzeld, ’t ligt ter aarde, er is geen schepter meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden, geborduurden zakdoek? Ik zou ’t wel eens willen zien! Beproeft het. Waarom is hij hecht? Omdat ’t een lapis. Ha! gij zijt de negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt, wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe ’t ook zij, men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen; wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen, schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op; op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij ’t niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk, die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu, ’t is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men jong is. Verbeeldt u niet, dat gij ’t uitgevonden hebt. Ook ik heb gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel, die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik zeg. ’t Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijncatechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt, dat ik oud ben; ’t is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. ’t Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn, van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken; dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O, ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt den zegen van den ouden man.”De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men danste een weinig, men lachte veel, ’t was een prettige bruiloft; men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er trouwens in den persoon van vader Gillenormand.Eerst was er rumoer, toen stilte.Het huwelijkspaar verdween.Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel.Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een glimlachende engel met den vinger op den mond.De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde gevierd wordt.Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten, moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis min of meer verdrijven. ’t Kan niet anders, of dit heilig feest moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten; daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke drieëenheid.De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te vinden. Beminnen is een voleindiging.Derde hoofdstuk.De onafscheidbare.Wat was er van Jean Valjean geworden?Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt naar de voorkamer gegaan. ’t Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé, waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek, witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar de straat de l’Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; ’t was een omweg, maar sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks te nemen als hij met Cosette uit de straat de l’Homme-Armé naar de straat des Filles du Calvaire ging.Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaintwas er niet meer. De treden van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan, lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van Jean Valjean.Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette de kaars op een tafel.Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand alsof er hem niets aan deerde.Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich—was het toevallig of opzettelijk?—op de „onafscheidbare,” waarop Cosette zoo jaloersch was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den 4 Juni in de straat de l’Homme-Armé was gekomen, had hij het op een kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette en hij waren ’t met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels, aan den betrokken hemel; om ’teven, het was bekoorlijk. Hij legde de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, had haar groote pop in den arm, en haarlouisd’orin het zakje van dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.Vierde hoofdstuk.Immortale jecur.De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, hem met geweld verlicht, wanneerhijblind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd geweten zich in ’t oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hemverlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in vrede!Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten strijd streed.Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer viersprongen.Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend. Welken te kiezen?De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de aanlokkende hinderlaag.’t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet.’t Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.De vraag, welke zich voordeed, was deze:Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs rijkdom. En dit was zijn werk.Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die deonteerende schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den sphinx strak in de oogen.Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het loslaten?Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar druipen—hij was gered, hij leefde!Zoo hij losliet?Dan de afgrond!Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan zijn overtuiging aan.’t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, wrong hij in vertwijfeling de handen.Hij voelde zich tegengehouden.Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelenlevens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, dat zij zeiden: ’t is genoeg!De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering geëischt kunnen worden?De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, hoe somber!Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. ’t Is een heiligmakende foltering. Men kan er in ’t eerste uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt en men van de foltering afziet?Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onderde zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;—toen zag men dat hij leefde.Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?De Men, die in de duisternis is.
Boek VI.De slapelooze nacht.Eerste hoofdstuk.De 16 Februari 1833.De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. ’t Was de bruiloftsnacht van Marius en Cosette.’t Was een heerlijke dag geweest.’t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg achter te laten.In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelschenobility, op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden; maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.Men verbeeldde zich nog in dien tijd, ’t was zonderling, dat een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten huize van den heer Gillenormand gevierd.Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari niet gereed zijn.Nu was het,—wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer nauwkeurigheid,—op den 16denVastenavond. Hier door ontstond een aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.„Vastenavond!” riep de grootvader, „des te beter. Er is een spreuk die zegt:Hij, die op Vastenavond trouwt.Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.„Dus bepaald! ’t Zal den 16denzijn. Zoudt gij ’t willen uitstellen, Marius?”„Zeker niet,” antwoordde de gelukkige.„Trouwen wij dus!” hernam de grootvader.Het huwelijk werd dus den 16denvoltrokken, niettegenstaande de openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien, zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs ter hand gesteld.Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer eenvoudig waren.Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen, dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand geklemd. ’t Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, ’t geen hem belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende voogd in zijn plaats getreden.Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten, zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was, rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte van rijtuigen zou zijn. „Waarom?” vroeg Gillenormand.—„Uithoofde der gemaskerden.”—„Des te beter,” zei de grootvader. „Nemen wij dien weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden.”Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine een eindelooze keten vormden.Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen,de Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is, bestaat er geen karnaval meer.Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen, die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen, streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen rolde de een naarChausséed’Antin, de andere naar de voorstad St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten, onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een spotnaam van het gepeupel, voorbij.In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen, zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als openbare ambtenaars.Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op dit punt was een rijtuig met gemaskerden.Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: „daar schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie plaats hebben.” Een hoop Cassandra’s, Harlekijns en Colombines, die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken, alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman, Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken, driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig van Vadé noodig.Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën, die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, brult, vloekt endartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt, de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den Parijzenaars het karnaval te bewijzen.Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen de publieke mannen en de publieke vrouwen.Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige hydra’s der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft, evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,—wanneer het meesters heeft—slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.„Kijk!” zei een gemaskerde, „een bruiloft.”„Een valsche bruiloft,” hernam een ander. „Wij zijn de echte.”En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen,en bovendien vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen de twee gemaskerden naar een andere zijde.Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in ’t nauw; het volk hoonde en beschimpte het; ’t geen de liefkoozing der menigte jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden, moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen, om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van scheldwoorden en uitjouwingen.Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig, een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan ’t schelden waren.Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.Ziehier de samenspraak:„Zeg eens.”„Wat, vader?”„Ziet ge dien oude?”„Welken oude?”„Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde.”„Wiens arm in een zwarten doek hangt.”„Ja.”„Nu?”„Ik ben zeker, dat ik hem ken.”„Zoo!”„Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken.”„Vandaag is Parijs Pantin.”„Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?”„Neen.”„En den bruidegom?”„Er is geen bruidegom in de koets.”„Och!”„Of ’t moest de andere oude zijn.”„Buk u en tracht de bruid te zien.”„Ik kan niet.”„Om ’t even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben er zeker van.”„Wat kan ’t u schelen, of ge hem kent?”„Men weet niet. Soms!”„Ik, ik heb niets met den oude te maken.”„Ik ken hem.”„Ge moogt hem kennen.”„Hoe drommel is hij bij de bruiloft?”„Wij zijn er immers ook bij.”„Vanwaar komt die bruiloft?”„Weet ik het?”„Luister.”„Wat?”„Doe iets.”„Wat?”„Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft.”„Waarom?”„Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit, meisje, ge zijt jong.”„Ik kan het rijtuig niet verlaten.”„Waarom?”„Ik ben gehuurd.”„Te drommel!”„De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd.”„’t Is waar.”„Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die mij ziet. Ge weet.”„Ja, ik weet.”„Vandaag ben ik door de regeering gehuurd.”„Om ’t even. Die oude verveelt mij.”„Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje.”„Hij zit in het eerste rijtuig.”„Nu?”„In de koets der bruid.”„Verder?”„Hij is dus de vader.”„Wat raakt het mij?”„Ik zeg u, dat hij de vader is.”„De vader moet er immers bij zijn.”„Luister.”„Wat?”„Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geengemaskerden meer. ’t Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn hol kruipen. Gij, gij zijt vrij.”„Niet te veel”„Altijd meer dan ik.”„Nu, verder.”„Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is.”„Waarheen zij gaat?”„Ja.”„Ik weet het.”„Waarheen dan?”„Naar de Cadran Bleu.”„Zij gaat niet in die richting.”„Nu, dan naar la Rapée.”„Of elders.”„Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij.”„Dat is ’t allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt.”„Nog meer! ’t Zal grappig wezen. ’t Is even gemakkelijk om een bruiloft weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?”„Om ’t even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?”De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.Tweede hoofdstuk.Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter.Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius waren gekozen.Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij was een uitstekende bescheidenheid, die inhelderheid straalde en er zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd.Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven.Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.„’t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent,” zei de grootvader. „Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, ’t is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is al wat ik wensch.”Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor den priester alle mogelijke „ja’s” te hebben uitgesproken, na op de registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den walm van het wierookvat geknield te hebben,—zij aan elkanders arm, door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit, voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan; ’t scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. „Kinderen,” zei de grootvader, „nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones, met dertig duizend francs inkomen.” En Cosette drong zich dichttegen Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: „’t Is dan waar, ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!”Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen waren zij geen veertig jaren oud. ’t Waseenverhemeld huwelijk; deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den kus en den droom, het bruidsbed.Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid, de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich, om te raden. ’t Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording, op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de voorbijgangers mede.Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan, om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen.Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden, zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glansder opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende, werd rood tot in het wit harer oogen.Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de barones te noemen.De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.„Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven,” zeide vader Gillenormand bij zich zelven.Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.In de eetzaal was de tafel gedekt.Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken.De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden, boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles, spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver, blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden licht en bloemen elkander afwisselden.In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen kwartetten van Haydn.Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in, eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiginghield met beide handen haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:„Zijt gij tevreden, vader?”„Ja,” zei Jean Valjean, „ik ben tevreden.”„Welnu, lach dan.”Jean Valjean lachte.Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed was.De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde orde aan tafel.Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.Men zocht met den blik „mijnheer Fauchelevent”.Hij was er niet meer.De heer Gillenormand riep tot Basque:„Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?”„Mijnheer,” antwoordde Basque, „zooeven heeft mijnheer Fauchelevent mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou komen. Hij is juist heengegaan.”Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer Gillenormand iets in den zin. „Drommels!” zeide hij, „deze stoel is ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht op u heeft, zal ’t u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal ’t aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata.” De geheele tafel juichte toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius.Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten, en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het jonge paar.„Ge komt er niet af zonder twee preeken,” riep hij. „Van ochtend hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg: Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? ’t Is de liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw, geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? ’t Is het koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer; er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken; ’t is gedaan, ’t is verbrijzeld, ’t ligt ter aarde, er is geen schepter meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden, geborduurden zakdoek? Ik zou ’t wel eens willen zien! Beproeft het. Waarom is hij hecht? Omdat ’t een lapis. Ha! gij zijt de negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt, wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe ’t ook zij, men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen; wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen, schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op; op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij ’t niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk, die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu, ’t is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men jong is. Verbeeldt u niet, dat gij ’t uitgevonden hebt. Ook ik heb gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel, die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik zeg. ’t Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijncatechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt, dat ik oud ben; ’t is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. ’t Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn, van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken; dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O, ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt den zegen van den ouden man.”De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men danste een weinig, men lachte veel, ’t was een prettige bruiloft; men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er trouwens in den persoon van vader Gillenormand.Eerst was er rumoer, toen stilte.Het huwelijkspaar verdween.Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel.Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een glimlachende engel met den vinger op den mond.De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde gevierd wordt.Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten, moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis min of meer verdrijven. ’t Kan niet anders, of dit heilig feest moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten; daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke drieëenheid.De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te vinden. Beminnen is een voleindiging.Derde hoofdstuk.De onafscheidbare.Wat was er van Jean Valjean geworden?Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt naar de voorkamer gegaan. ’t Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé, waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek, witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar de straat de l’Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; ’t was een omweg, maar sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks te nemen als hij met Cosette uit de straat de l’Homme-Armé naar de straat des Filles du Calvaire ging.Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaintwas er niet meer. De treden van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan, lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van Jean Valjean.Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette de kaars op een tafel.Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand alsof er hem niets aan deerde.Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich—was het toevallig of opzettelijk?—op de „onafscheidbare,” waarop Cosette zoo jaloersch was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den 4 Juni in de straat de l’Homme-Armé was gekomen, had hij het op een kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette en hij waren ’t met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels, aan den betrokken hemel; om ’teven, het was bekoorlijk. Hij legde de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, had haar groote pop in den arm, en haarlouisd’orin het zakje van dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.Vierde hoofdstuk.Immortale jecur.De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, hem met geweld verlicht, wanneerhijblind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd geweten zich in ’t oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hemverlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in vrede!Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten strijd streed.Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer viersprongen.Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend. Welken te kiezen?De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de aanlokkende hinderlaag.’t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet.’t Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.De vraag, welke zich voordeed, was deze:Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs rijkdom. En dit was zijn werk.Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die deonteerende schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den sphinx strak in de oogen.Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het loslaten?Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar druipen—hij was gered, hij leefde!Zoo hij losliet?Dan de afgrond!Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan zijn overtuiging aan.’t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, wrong hij in vertwijfeling de handen.Hij voelde zich tegengehouden.Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelenlevens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, dat zij zeiden: ’t is genoeg!De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering geëischt kunnen worden?De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, hoe somber!Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. ’t Is een heiligmakende foltering. Men kan er in ’t eerste uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt en men van de foltering afziet?Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onderde zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;—toen zag men dat hij leefde.Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?De Men, die in de duisternis is.
Eerste hoofdstuk.De 16 Februari 1833.De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. ’t Was de bruiloftsnacht van Marius en Cosette.’t Was een heerlijke dag geweest.’t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg achter te laten.In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelschenobility, op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden; maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.Men verbeeldde zich nog in dien tijd, ’t was zonderling, dat een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten huize van den heer Gillenormand gevierd.Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari niet gereed zijn.Nu was het,—wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer nauwkeurigheid,—op den 16denVastenavond. Hier door ontstond een aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.„Vastenavond!” riep de grootvader, „des te beter. Er is een spreuk die zegt:Hij, die op Vastenavond trouwt.Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.„Dus bepaald! ’t Zal den 16denzijn. Zoudt gij ’t willen uitstellen, Marius?”„Zeker niet,” antwoordde de gelukkige.„Trouwen wij dus!” hernam de grootvader.Het huwelijk werd dus den 16denvoltrokken, niettegenstaande de openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien, zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs ter hand gesteld.Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer eenvoudig waren.Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen, dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand geklemd. ’t Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, ’t geen hem belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende voogd in zijn plaats getreden.Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten, zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was, rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte van rijtuigen zou zijn. „Waarom?” vroeg Gillenormand.—„Uithoofde der gemaskerden.”—„Des te beter,” zei de grootvader. „Nemen wij dien weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden.”Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine een eindelooze keten vormden.Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen,de Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is, bestaat er geen karnaval meer.Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen, die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen, streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen rolde de een naarChausséed’Antin, de andere naar de voorstad St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten, onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een spotnaam van het gepeupel, voorbij.In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen, zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als openbare ambtenaars.Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op dit punt was een rijtuig met gemaskerden.Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: „daar schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie plaats hebben.” Een hoop Cassandra’s, Harlekijns en Colombines, die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken, alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman, Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken, driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig van Vadé noodig.Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën, die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, brult, vloekt endartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt, de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den Parijzenaars het karnaval te bewijzen.Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen de publieke mannen en de publieke vrouwen.Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige hydra’s der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft, evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,—wanneer het meesters heeft—slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.„Kijk!” zei een gemaskerde, „een bruiloft.”„Een valsche bruiloft,” hernam een ander. „Wij zijn de echte.”En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen,en bovendien vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen de twee gemaskerden naar een andere zijde.Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in ’t nauw; het volk hoonde en beschimpte het; ’t geen de liefkoozing der menigte jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden, moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen, om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van scheldwoorden en uitjouwingen.Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig, een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan ’t schelden waren.Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.Ziehier de samenspraak:„Zeg eens.”„Wat, vader?”„Ziet ge dien oude?”„Welken oude?”„Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde.”„Wiens arm in een zwarten doek hangt.”„Ja.”„Nu?”„Ik ben zeker, dat ik hem ken.”„Zoo!”„Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken.”„Vandaag is Parijs Pantin.”„Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?”„Neen.”„En den bruidegom?”„Er is geen bruidegom in de koets.”„Och!”„Of ’t moest de andere oude zijn.”„Buk u en tracht de bruid te zien.”„Ik kan niet.”„Om ’t even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben er zeker van.”„Wat kan ’t u schelen, of ge hem kent?”„Men weet niet. Soms!”„Ik, ik heb niets met den oude te maken.”„Ik ken hem.”„Ge moogt hem kennen.”„Hoe drommel is hij bij de bruiloft?”„Wij zijn er immers ook bij.”„Vanwaar komt die bruiloft?”„Weet ik het?”„Luister.”„Wat?”„Doe iets.”„Wat?”„Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft.”„Waarom?”„Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit, meisje, ge zijt jong.”„Ik kan het rijtuig niet verlaten.”„Waarom?”„Ik ben gehuurd.”„Te drommel!”„De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd.”„’t Is waar.”„Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die mij ziet. Ge weet.”„Ja, ik weet.”„Vandaag ben ik door de regeering gehuurd.”„Om ’t even. Die oude verveelt mij.”„Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje.”„Hij zit in het eerste rijtuig.”„Nu?”„In de koets der bruid.”„Verder?”„Hij is dus de vader.”„Wat raakt het mij?”„Ik zeg u, dat hij de vader is.”„De vader moet er immers bij zijn.”„Luister.”„Wat?”„Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geengemaskerden meer. ’t Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn hol kruipen. Gij, gij zijt vrij.”„Niet te veel”„Altijd meer dan ik.”„Nu, verder.”„Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is.”„Waarheen zij gaat?”„Ja.”„Ik weet het.”„Waarheen dan?”„Naar de Cadran Bleu.”„Zij gaat niet in die richting.”„Nu, dan naar la Rapée.”„Of elders.”„Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij.”„Dat is ’t allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt.”„Nog meer! ’t Zal grappig wezen. ’t Is even gemakkelijk om een bruiloft weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?”„Om ’t even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?”De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.
Eerste hoofdstuk.De 16 Februari 1833.
De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. ’t Was de bruiloftsnacht van Marius en Cosette.’t Was een heerlijke dag geweest.’t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg achter te laten.In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelschenobility, op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden; maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.Men verbeeldde zich nog in dien tijd, ’t was zonderling, dat een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten huize van den heer Gillenormand gevierd.Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari niet gereed zijn.Nu was het,—wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer nauwkeurigheid,—op den 16denVastenavond. Hier door ontstond een aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.„Vastenavond!” riep de grootvader, „des te beter. Er is een spreuk die zegt:Hij, die op Vastenavond trouwt.Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.„Dus bepaald! ’t Zal den 16denzijn. Zoudt gij ’t willen uitstellen, Marius?”„Zeker niet,” antwoordde de gelukkige.„Trouwen wij dus!” hernam de grootvader.Het huwelijk werd dus den 16denvoltrokken, niettegenstaande de openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien, zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs ter hand gesteld.Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer eenvoudig waren.Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen, dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand geklemd. ’t Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, ’t geen hem belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende voogd in zijn plaats getreden.Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten, zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was, rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte van rijtuigen zou zijn. „Waarom?” vroeg Gillenormand.—„Uithoofde der gemaskerden.”—„Des te beter,” zei de grootvader. „Nemen wij dien weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden.”Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine een eindelooze keten vormden.Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen,de Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is, bestaat er geen karnaval meer.Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen, die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen, streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen rolde de een naarChausséed’Antin, de andere naar de voorstad St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten, onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een spotnaam van het gepeupel, voorbij.In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen, zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als openbare ambtenaars.Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op dit punt was een rijtuig met gemaskerden.Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: „daar schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie plaats hebben.” Een hoop Cassandra’s, Harlekijns en Colombines, die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken, alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman, Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken, driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig van Vadé noodig.Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën, die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, brult, vloekt endartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt, de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den Parijzenaars het karnaval te bewijzen.Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen de publieke mannen en de publieke vrouwen.Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige hydra’s der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft, evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,—wanneer het meesters heeft—slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.„Kijk!” zei een gemaskerde, „een bruiloft.”„Een valsche bruiloft,” hernam een ander. „Wij zijn de echte.”En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen,en bovendien vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen de twee gemaskerden naar een andere zijde.Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in ’t nauw; het volk hoonde en beschimpte het; ’t geen de liefkoozing der menigte jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden, moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen, om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van scheldwoorden en uitjouwingen.Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig, een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan ’t schelden waren.Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.Ziehier de samenspraak:„Zeg eens.”„Wat, vader?”„Ziet ge dien oude?”„Welken oude?”„Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde.”„Wiens arm in een zwarten doek hangt.”„Ja.”„Nu?”„Ik ben zeker, dat ik hem ken.”„Zoo!”„Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken.”„Vandaag is Parijs Pantin.”„Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?”„Neen.”„En den bruidegom?”„Er is geen bruidegom in de koets.”„Och!”„Of ’t moest de andere oude zijn.”„Buk u en tracht de bruid te zien.”„Ik kan niet.”„Om ’t even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben er zeker van.”„Wat kan ’t u schelen, of ge hem kent?”„Men weet niet. Soms!”„Ik, ik heb niets met den oude te maken.”„Ik ken hem.”„Ge moogt hem kennen.”„Hoe drommel is hij bij de bruiloft?”„Wij zijn er immers ook bij.”„Vanwaar komt die bruiloft?”„Weet ik het?”„Luister.”„Wat?”„Doe iets.”„Wat?”„Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft.”„Waarom?”„Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit, meisje, ge zijt jong.”„Ik kan het rijtuig niet verlaten.”„Waarom?”„Ik ben gehuurd.”„Te drommel!”„De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd.”„’t Is waar.”„Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die mij ziet. Ge weet.”„Ja, ik weet.”„Vandaag ben ik door de regeering gehuurd.”„Om ’t even. Die oude verveelt mij.”„Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje.”„Hij zit in het eerste rijtuig.”„Nu?”„In de koets der bruid.”„Verder?”„Hij is dus de vader.”„Wat raakt het mij?”„Ik zeg u, dat hij de vader is.”„De vader moet er immers bij zijn.”„Luister.”„Wat?”„Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geengemaskerden meer. ’t Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn hol kruipen. Gij, gij zijt vrij.”„Niet te veel”„Altijd meer dan ik.”„Nu, verder.”„Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is.”„Waarheen zij gaat?”„Ja.”„Ik weet het.”„Waarheen dan?”„Naar de Cadran Bleu.”„Zij gaat niet in die richting.”„Nu, dan naar la Rapée.”„Of elders.”„Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij.”„Dat is ’t allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt.”„Nog meer! ’t Zal grappig wezen. ’t Is even gemakkelijk om een bruiloft weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?”„Om ’t even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?”De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.
De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. ’t Was de bruiloftsnacht van Marius en Cosette.
’t Was een heerlijke dag geweest.
’t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.
De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg achter te laten.
In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelschenobility, op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden; maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.
Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.
Men verbeeldde zich nog in dien tijd, ’t was zonderling, dat een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.
En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.
Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten huize van den heer Gillenormand gevierd.
Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari niet gereed zijn.
Nu was het,—wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer nauwkeurigheid,—op den 16denVastenavond. Hier door ontstond een aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.
„Vastenavond!” riep de grootvader, „des te beter. Er is een spreuk die zegt:
Hij, die op Vastenavond trouwt.Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.
Hij, die op Vastenavond trouwt.
Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.
„Dus bepaald! ’t Zal den 16denzijn. Zoudt gij ’t willen uitstellen, Marius?”
„Zeker niet,” antwoordde de gelukkige.
„Trouwen wij dus!” hernam de grootvader.
Het huwelijk werd dus den 16denvoltrokken, niettegenstaande de openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien, zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.
Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs ter hand gesteld.
Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer eenvoudig waren.
Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.
Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen, dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.
Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand geklemd. ’t Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, ’t geen hem belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende voogd in zijn plaats getreden.
Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.
Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten, zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was, rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte van rijtuigen zou zijn. „Waarom?” vroeg Gillenormand.—„Uithoofde der gemaskerden.”—„Des te beter,” zei de grootvader. „Nemen wij dien weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden.”
Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine een eindelooze keten vormden.
Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen,de Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is, bestaat er geen karnaval meer.
Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen, die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen, streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen rolde de een naarChausséed’Antin, de andere naar de voorstad St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten, onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een spotnaam van het gepeupel, voorbij.
In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen, zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als openbare ambtenaars.
Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.
De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op dit punt was een rijtuig met gemaskerden.
Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: „daar schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie plaats hebben.” Een hoop Cassandra’s, Harlekijns en Colombines, die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken, alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman, Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken, driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.
Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig van Vadé noodig.
Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën, die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.
De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, brult, vloekt endartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt, de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.
Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den Parijzenaars het karnaval te bewijzen.
Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen de publieke mannen en de publieke vrouwen.
Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige hydra’s der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft, evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,—wanneer het meesters heeft—slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.
Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.
„Kijk!” zei een gemaskerde, „een bruiloft.”
„Een valsche bruiloft,” hernam een ander. „Wij zijn de echte.”
En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen,en bovendien vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen de twee gemaskerden naar een andere zijde.
Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in ’t nauw; het volk hoonde en beschimpte het; ’t geen de liefkoozing der menigte jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden, moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen, om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van scheldwoorden en uitjouwingen.
Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig, een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan ’t schelden waren.
Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.
Ziehier de samenspraak:
„Zeg eens.”
„Wat, vader?”
„Ziet ge dien oude?”
„Welken oude?”
„Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde.”
„Wiens arm in een zwarten doek hangt.”
„Ja.”
„Nu?”
„Ik ben zeker, dat ik hem ken.”
„Zoo!”
„Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken.”
„Vandaag is Parijs Pantin.”
„Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?”
„Neen.”
„En den bruidegom?”
„Er is geen bruidegom in de koets.”
„Och!”
„Of ’t moest de andere oude zijn.”
„Buk u en tracht de bruid te zien.”
„Ik kan niet.”
„Om ’t even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben er zeker van.”
„Wat kan ’t u schelen, of ge hem kent?”
„Men weet niet. Soms!”
„Ik, ik heb niets met den oude te maken.”
„Ik ken hem.”
„Ge moogt hem kennen.”
„Hoe drommel is hij bij de bruiloft?”
„Wij zijn er immers ook bij.”
„Vanwaar komt die bruiloft?”
„Weet ik het?”
„Luister.”
„Wat?”
„Doe iets.”
„Wat?”
„Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft.”
„Waarom?”
„Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit, meisje, ge zijt jong.”
„Ik kan het rijtuig niet verlaten.”
„Waarom?”
„Ik ben gehuurd.”
„Te drommel!”
„De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd.”
„’t Is waar.”
„Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die mij ziet. Ge weet.”
„Ja, ik weet.”
„Vandaag ben ik door de regeering gehuurd.”
„Om ’t even. Die oude verveelt mij.”
„Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje.”
„Hij zit in het eerste rijtuig.”
„Nu?”
„In de koets der bruid.”
„Verder?”
„Hij is dus de vader.”
„Wat raakt het mij?”
„Ik zeg u, dat hij de vader is.”
„De vader moet er immers bij zijn.”
„Luister.”
„Wat?”
„Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geengemaskerden meer. ’t Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn hol kruipen. Gij, gij zijt vrij.”
„Niet te veel”
„Altijd meer dan ik.”
„Nu, verder.”
„Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is.”
„Waarheen zij gaat?”
„Ja.”
„Ik weet het.”
„Waarheen dan?”
„Naar de Cadran Bleu.”
„Zij gaat niet in die richting.”
„Nu, dan naar la Rapée.”
„Of elders.”
„Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij.”
„Dat is ’t allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt.”
„Nog meer! ’t Zal grappig wezen. ’t Is even gemakkelijk om een bruiloft weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?”
„Om ’t even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?”
De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.
Tweede hoofdstuk.Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter.Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius waren gekozen.Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij was een uitstekende bescheidenheid, die inhelderheid straalde en er zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd.Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven.Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.„’t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent,” zei de grootvader. „Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, ’t is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is al wat ik wensch.”Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor den priester alle mogelijke „ja’s” te hebben uitgesproken, na op de registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den walm van het wierookvat geknield te hebben,—zij aan elkanders arm, door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit, voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan; ’t scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. „Kinderen,” zei de grootvader, „nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones, met dertig duizend francs inkomen.” En Cosette drong zich dichttegen Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: „’t Is dan waar, ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!”Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen waren zij geen veertig jaren oud. ’t Waseenverhemeld huwelijk; deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den kus en den droom, het bruidsbed.Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid, de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich, om te raden. ’t Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording, op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de voorbijgangers mede.Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan, om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen.Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden, zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glansder opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende, werd rood tot in het wit harer oogen.Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de barones te noemen.De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.„Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven,” zeide vader Gillenormand bij zich zelven.Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.In de eetzaal was de tafel gedekt.Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken.De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden, boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles, spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver, blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden licht en bloemen elkander afwisselden.In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen kwartetten van Haydn.Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in, eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiginghield met beide handen haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:„Zijt gij tevreden, vader?”„Ja,” zei Jean Valjean, „ik ben tevreden.”„Welnu, lach dan.”Jean Valjean lachte.Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed was.De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde orde aan tafel.Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.Men zocht met den blik „mijnheer Fauchelevent”.Hij was er niet meer.De heer Gillenormand riep tot Basque:„Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?”„Mijnheer,” antwoordde Basque, „zooeven heeft mijnheer Fauchelevent mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou komen. Hij is juist heengegaan.”Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer Gillenormand iets in den zin. „Drommels!” zeide hij, „deze stoel is ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht op u heeft, zal ’t u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal ’t aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata.” De geheele tafel juichte toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius.Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten, en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het jonge paar.„Ge komt er niet af zonder twee preeken,” riep hij. „Van ochtend hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg: Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? ’t Is de liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw, geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? ’t Is het koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer; er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken; ’t is gedaan, ’t is verbrijzeld, ’t ligt ter aarde, er is geen schepter meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden, geborduurden zakdoek? Ik zou ’t wel eens willen zien! Beproeft het. Waarom is hij hecht? Omdat ’t een lapis. Ha! gij zijt de negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt, wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe ’t ook zij, men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen; wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen, schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op; op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij ’t niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk, die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu, ’t is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men jong is. Verbeeldt u niet, dat gij ’t uitgevonden hebt. Ook ik heb gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel, die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik zeg. ’t Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijncatechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt, dat ik oud ben; ’t is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. ’t Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn, van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken; dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O, ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt den zegen van den ouden man.”De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men danste een weinig, men lachte veel, ’t was een prettige bruiloft; men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er trouwens in den persoon van vader Gillenormand.Eerst was er rumoer, toen stilte.Het huwelijkspaar verdween.Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel.Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een glimlachende engel met den vinger op den mond.De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde gevierd wordt.Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten, moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis min of meer verdrijven. ’t Kan niet anders, of dit heilig feest moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten; daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke drieëenheid.De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te vinden. Beminnen is een voleindiging.
Tweede hoofdstuk.Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter.
Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius waren gekozen.Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij was een uitstekende bescheidenheid, die inhelderheid straalde en er zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd.Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven.Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.„’t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent,” zei de grootvader. „Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, ’t is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is al wat ik wensch.”Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor den priester alle mogelijke „ja’s” te hebben uitgesproken, na op de registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den walm van het wierookvat geknield te hebben,—zij aan elkanders arm, door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit, voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan; ’t scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. „Kinderen,” zei de grootvader, „nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones, met dertig duizend francs inkomen.” En Cosette drong zich dichttegen Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: „’t Is dan waar, ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!”Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen waren zij geen veertig jaren oud. ’t Waseenverhemeld huwelijk; deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den kus en den droom, het bruidsbed.Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid, de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich, om te raden. ’t Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording, op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de voorbijgangers mede.Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan, om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen.Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden, zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glansder opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende, werd rood tot in het wit harer oogen.Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de barones te noemen.De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.„Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven,” zeide vader Gillenormand bij zich zelven.Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.In de eetzaal was de tafel gedekt.Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken.De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden, boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles, spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver, blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden licht en bloemen elkander afwisselden.In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen kwartetten van Haydn.Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in, eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiginghield met beide handen haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:„Zijt gij tevreden, vader?”„Ja,” zei Jean Valjean, „ik ben tevreden.”„Welnu, lach dan.”Jean Valjean lachte.Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed was.De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde orde aan tafel.Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.Men zocht met den blik „mijnheer Fauchelevent”.Hij was er niet meer.De heer Gillenormand riep tot Basque:„Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?”„Mijnheer,” antwoordde Basque, „zooeven heeft mijnheer Fauchelevent mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou komen. Hij is juist heengegaan.”Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer Gillenormand iets in den zin. „Drommels!” zeide hij, „deze stoel is ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht op u heeft, zal ’t u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal ’t aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata.” De geheele tafel juichte toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius.Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten, en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het jonge paar.„Ge komt er niet af zonder twee preeken,” riep hij. „Van ochtend hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg: Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? ’t Is de liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw, geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? ’t Is het koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer; er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken; ’t is gedaan, ’t is verbrijzeld, ’t ligt ter aarde, er is geen schepter meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden, geborduurden zakdoek? Ik zou ’t wel eens willen zien! Beproeft het. Waarom is hij hecht? Omdat ’t een lapis. Ha! gij zijt de negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt, wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe ’t ook zij, men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen; wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen, schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op; op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij ’t niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk, die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu, ’t is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men jong is. Verbeeldt u niet, dat gij ’t uitgevonden hebt. Ook ik heb gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel, die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik zeg. ’t Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijncatechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt, dat ik oud ben; ’t is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. ’t Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn, van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken; dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O, ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt den zegen van den ouden man.”De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men danste een weinig, men lachte veel, ’t was een prettige bruiloft; men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er trouwens in den persoon van vader Gillenormand.Eerst was er rumoer, toen stilte.Het huwelijkspaar verdween.Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel.Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een glimlachende engel met den vinger op den mond.De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde gevierd wordt.Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten, moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis min of meer verdrijven. ’t Kan niet anders, of dit heilig feest moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten; daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke drieëenheid.De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te vinden. Beminnen is een voleindiging.
Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius waren gekozen.
Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.
Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij was een uitstekende bescheidenheid, die inhelderheid straalde en er zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd.
Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.
De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven.
Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.
„’t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent,” zei de grootvader. „Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, ’t is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is al wat ik wensch.”
Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor den priester alle mogelijke „ja’s” te hebben uitgesproken, na op de registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den walm van het wierookvat geknield te hebben,—zij aan elkanders arm, door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit, voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan; ’t scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. „Kinderen,” zei de grootvader, „nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones, met dertig duizend francs inkomen.” En Cosette drong zich dichttegen Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: „’t Is dan waar, ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!”
Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen waren zij geen veertig jaren oud. ’t Waseenverhemeld huwelijk; deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den kus en den droom, het bruidsbed.
Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid, de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.
In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.
Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich, om te raden. ’t Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording, op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de voorbijgangers mede.
Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan, om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen.
Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden, zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glansder opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende, werd rood tot in het wit harer oogen.
Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de barones te noemen.
De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.
Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.
„Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven,” zeide vader Gillenormand bij zich zelven.
Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.
Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.
In de eetzaal was de tafel gedekt.
Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken.
De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden, boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles, spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver, blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden licht en bloemen elkander afwisselden.
In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen kwartetten van Haydn.
Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in, eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiginghield met beide handen haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:
„Zijt gij tevreden, vader?”
„Ja,” zei Jean Valjean, „ik ben tevreden.”
„Welnu, lach dan.”
Jean Valjean lachte.
Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed was.
De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde orde aan tafel.
Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.
Men zocht met den blik „mijnheer Fauchelevent”.
Hij was er niet meer.
De heer Gillenormand riep tot Basque:
„Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?”
„Mijnheer,” antwoordde Basque, „zooeven heeft mijnheer Fauchelevent mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou komen. Hij is juist heengegaan.”
Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer Gillenormand iets in den zin. „Drommels!” zeide hij, „deze stoel is ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht op u heeft, zal ’t u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal ’t aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata.” De geheele tafel juichte toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius.
Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten, en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.
Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het jonge paar.
„Ge komt er niet af zonder twee preeken,” riep hij. „Van ochtend hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg: Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? ’t Is de liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw, geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? ’t Is het koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer; er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken; ’t is gedaan, ’t is verbrijzeld, ’t ligt ter aarde, er is geen schepter meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden, geborduurden zakdoek? Ik zou ’t wel eens willen zien! Beproeft het. Waarom is hij hecht? Omdat ’t een lapis. Ha! gij zijt de negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt, wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe ’t ook zij, men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen; wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen, schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op; op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij ’t niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk, die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu, ’t is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men jong is. Verbeeldt u niet, dat gij ’t uitgevonden hebt. Ook ik heb gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel, die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik zeg. ’t Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijncatechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt, dat ik oud ben; ’t is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. ’t Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn, van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken; dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O, ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt den zegen van den ouden man.”
De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men danste een weinig, men lachte veel, ’t was een prettige bruiloft; men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er trouwens in den persoon van vader Gillenormand.
Eerst was er rumoer, toen stilte.
Het huwelijkspaar verdween.
Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel.
Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een glimlachende engel met den vinger op den mond.
De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde gevierd wordt.
Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten, moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis min of meer verdrijven. ’t Kan niet anders, of dit heilig feest moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten; daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke drieëenheid.
De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.
Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te vinden. Beminnen is een voleindiging.
Derde hoofdstuk.De onafscheidbare.Wat was er van Jean Valjean geworden?Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt naar de voorkamer gegaan. ’t Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé, waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek, witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar de straat de l’Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; ’t was een omweg, maar sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks te nemen als hij met Cosette uit de straat de l’Homme-Armé naar de straat des Filles du Calvaire ging.Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaintwas er niet meer. De treden van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan, lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van Jean Valjean.Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette de kaars op een tafel.Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand alsof er hem niets aan deerde.Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich—was het toevallig of opzettelijk?—op de „onafscheidbare,” waarop Cosette zoo jaloersch was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den 4 Juni in de straat de l’Homme-Armé was gekomen, had hij het op een kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette en hij waren ’t met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels, aan den betrokken hemel; om ’teven, het was bekoorlijk. Hij legde de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, had haar groote pop in den arm, en haarlouisd’orin het zakje van dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.
Derde hoofdstuk.De onafscheidbare.
Wat was er van Jean Valjean geworden?Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt naar de voorkamer gegaan. ’t Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé, waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek, witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar de straat de l’Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; ’t was een omweg, maar sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks te nemen als hij met Cosette uit de straat de l’Homme-Armé naar de straat des Filles du Calvaire ging.Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaintwas er niet meer. De treden van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan, lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van Jean Valjean.Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette de kaars op een tafel.Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand alsof er hem niets aan deerde.Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich—was het toevallig of opzettelijk?—op de „onafscheidbare,” waarop Cosette zoo jaloersch was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den 4 Juni in de straat de l’Homme-Armé was gekomen, had hij het op een kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette en hij waren ’t met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels, aan den betrokken hemel; om ’teven, het was bekoorlijk. Hij legde de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, had haar groote pop in den arm, en haarlouisd’orin het zakje van dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.
Wat was er van Jean Valjean geworden?
Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt naar de voorkamer gegaan. ’t Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé, waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek, witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.
De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.
Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar de straat de l’Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; ’t was een omweg, maar sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks te nemen als hij met Cosette uit de straat de l’Homme-Armé naar de straat des Filles du Calvaire ging.
Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.
Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaintwas er niet meer. De treden van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan, lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van Jean Valjean.
Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette de kaars op een tafel.
Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand alsof er hem niets aan deerde.
Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich—was het toevallig of opzettelijk?—op de „onafscheidbare,” waarop Cosette zoo jaloersch was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den 4 Juni in de straat de l’Homme-Armé was gekomen, had hij het op een kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.
Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette en hij waren ’t met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels, aan den betrokken hemel; om ’teven, het was bekoorlijk. Hij legde de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, had haar groote pop in den arm, en haarlouisd’orin het zakje van dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.
Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.
Vierde hoofdstuk.Immortale jecur.De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, hem met geweld verlicht, wanneerhijblind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd geweten zich in ’t oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hemverlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in vrede!Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten strijd streed.Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer viersprongen.Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend. Welken te kiezen?De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de aanlokkende hinderlaag.’t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet.’t Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.De vraag, welke zich voordeed, was deze:Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs rijkdom. En dit was zijn werk.Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die deonteerende schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den sphinx strak in de oogen.Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het loslaten?Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar druipen—hij was gered, hij leefde!Zoo hij losliet?Dan de afgrond!Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan zijn overtuiging aan.’t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, wrong hij in vertwijfeling de handen.Hij voelde zich tegengehouden.Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelenlevens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, dat zij zeiden: ’t is genoeg!De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering geëischt kunnen worden?De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, hoe somber!Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. ’t Is een heiligmakende foltering. Men kan er in ’t eerste uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt en men van de foltering afziet?Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onderde zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;—toen zag men dat hij leefde.Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?De Men, die in de duisternis is.
Vierde hoofdstuk.Immortale jecur.
De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, hem met geweld verlicht, wanneerhijblind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd geweten zich in ’t oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hemverlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in vrede!Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten strijd streed.Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer viersprongen.Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend. Welken te kiezen?De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de aanlokkende hinderlaag.’t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet.’t Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.De vraag, welke zich voordeed, was deze:Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs rijkdom. En dit was zijn werk.Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die deonteerende schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den sphinx strak in de oogen.Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het loslaten?Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar druipen—hij was gered, hij leefde!Zoo hij losliet?Dan de afgrond!Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan zijn overtuiging aan.’t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, wrong hij in vertwijfeling de handen.Hij voelde zich tegengehouden.Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelenlevens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, dat zij zeiden: ’t is genoeg!De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering geëischt kunnen worden?De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, hoe somber!Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. ’t Is een heiligmakende foltering. Men kan er in ’t eerste uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt en men van de foltering afziet?Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onderde zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;—toen zag men dat hij leefde.Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?De Men, die in de duisternis is.
De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.
Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, hem met geweld verlicht, wanneerhijblind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd geweten zich in ’t oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hemverlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in vrede!
Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!
Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten strijd streed.
Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer viersprongen.
Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend. Welken te kiezen?
De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.
Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de aanlokkende hinderlaag.
’t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet.’t Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.
De vraag, welke zich voordeed, was deze:
Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.
Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs rijkdom. En dit was zijn werk.
Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die deonteerende schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?
Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.
Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den sphinx strak in de oogen.
Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.
Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het loslaten?
Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar druipen—hij was gered, hij leefde!
Zoo hij losliet?
Dan de afgrond!
Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan zijn overtuiging aan.
’t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, wrong hij in vertwijfeling de handen.
Hij voelde zich tegengehouden.
Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?
Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?
Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!
Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelenlevens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.
Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?
Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, dat zij zeiden: ’t is genoeg!
De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering geëischt kunnen worden?
De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?
O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, hoe somber!
Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?
Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. ’t Is een heiligmakende foltering. Men kan er in ’t eerste uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt en men van de foltering afziet?
Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.
Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.
Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.
Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?
Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.
Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onderde zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;—toen zag men dat hij leefde.
Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?
De Men, die in de duisternis is.