Boek VIII.De afneming der duisternis.Eerste hoofdstuk.De benedenkamer.Den volgenden dag, bij ’t vallen van den avond, klopte Jean Valjean aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware ’t hem bevolen. ’t Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees bij de hand, als mijnheer, die of die komt.Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:„Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar boven gaan of beneden wil blijven?”„Beneden blijven,” antwoordde Jean Valjean.Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het benedenvertrek en zeide: „Ik zal mevrouw verwittigen.”’t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht door een van ijzeren spijlen voorzien venster.Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine, lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, ’t geen aanduidde, dat men op Jean Valjeans antwoord: „dat hij beneden wilde blijven,” gerekend had.Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen.Tusschen deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van het venster verlicht.Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de borst, zag noch Basque noch de waskaars.Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.Hij had haar niet zien binnenkomen.Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de schoonheid, ’t was de ziel.„Waarlijk, vader,” riep Cosette, „ik wist dat ge zonderling waart, maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange.”„Ja, zoo is het.”„Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader.”En zij bood hem haar wang aan.Jean Valjean bewoog zich niet.„Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. ’t Is de houding van een schuldige. Om ’t even, ik vergeef ’t u. Jezus Christus heeft gezegd: Biedt de andere wang aan. Ziedaar.”En zij hield hem de andere wang toe.Jean Valjean verroerde zich niet. ’t Was, of zijn voeten aan den grond waren gekleefd.„’t Wordt ernstig,” zei Cosette. „Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar, dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet met ons.”„Ik heb gegeten.”„’t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk.”„Onmogelijk.”Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en begon te vragen.„Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het huis. ’t Is hier afschuwelijk.”„Ge weet...”Jean Valjean viel zich zelven in de rede:„Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben,datik grillen heb.”Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.„Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat beteekenen?”Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke dikwijls op zijn gelaat verscheen.„Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het.”„Niet voor u, vader.”„Noem mij niet langer vader.”„Waarom?”„Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt.”„Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer Jean? Wat beteekent dat? Maar ’t is een revolutie. Wat is er toch gebeurd? Zie mij toch in ’t gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is er dan iets gebeurd?”„Niets.”„Welnu dan?”„Alles is als gewoonlijk.”„Waarom verandert ge van naam?”„Gij, gij hebt hem immers ook veranderd.”Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:„Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn.”„Ik begrijp er niets van. ’t Is alles dom. Ik zal mijn man verlof vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. ’t Is slecht. Ge hebt het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt.”Hij antwoordde niet.Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin, ’t geen een groot bewijs van teederheid is.„Ach,” zeide zij, „wees goed!”En zij voer voort:„Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de spelonk in de straat de l’Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt en mijn vader zijt.”Hij maakte zijn handen los.„Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot.”Cosette werd driftig.„Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op zulke ongerijmde taal antwoorden zal.”„Indien vrouw Toussaint hier was,” hernam Jean Valjean, als iemand, die iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt, „zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere manieren heb. ’t Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek bemind.”„Maar ’t is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. ’t Is schandelijk mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt.”„Straks toen ik hierheen ging,” antwoordde Jean Valjean, „heb ik in de straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. ’t Is een fraai toilet, naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof ik. ’t Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. ’t Is lief.”„Bah, de leelijke beer!” antwoordde Cosette.En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. ’t Was een bevallige nabootsing eener kat.„Ik ben verwoed,” zeide zij. „Sedert gisteren maakt gij allen mij razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet, mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange, welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. ’t Is waar, ge zijt zonderling. ’t Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat l’Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!”En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in ’t gezicht en voegde er bij:„Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?”De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.Cosette wilde krabben, zij verscheurde.Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden, toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken toon:„Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest.”„Ha, nu zegt ge weder Cosette!” riep de jonge vrouw. En zij viel hem om den hals.Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. ’t Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.„Ik dank u, vader!” zei Cosette.Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.„Nu?” zei Cosette.Jean Valjean antwoordde:„Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u.”En op den drempel der deur voegde hij er bij:„Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet weder zal gebeuren. Vergeef mij.”Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit raadselachtige vaarwel achter.Tweede hoofdstuk.Andere schreden achterwaarts.Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, zoo dit bij haar mogelijk ware.’t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad, in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde.De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius’ woorden anders dan letterlijk op te vatten.Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: „Mijnheer is altijd zóó geweest.” De grootvader besloot: „’t Is een zonderling.” Daarmede was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking; een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,—vader Gillenormand wenschte niets liever, dan van „dien mijnheer” verschoond te blijven. Hij zeide: „Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die lieden hebben allerlei phantastische grillen.”Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet, die op den bodem kruipt.Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel stijgt op en berst. ’t Is weinig, maar vreeselijk. ’t Is de ademhaling van het onbekende dier.Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich niet in ’t verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden, het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig televen, hoe rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan—al deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken, het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de grootste bezigheid van haar leven. ’t Was voor hen steeds een nieuwe blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat, zonder zich te verbergen, voor ’t oog der wereld, beiden alleen uit te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met Nicolette verstaan;—de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters was onmogelijk;—zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean Valjean kwam dagelijks.Toen de gemeenzaamheid in ’t gesprek verdwenen was, en „mevrouw,” en „mijnheer Jean” er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk, en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd, en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem: „Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent, gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn.”Hij woonde nog altijd in de straat de l’Homme-Armé, er niet toe kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en verwijderde zich dan.Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord „vader.”Een straal van blijdschap schoot over ’t oude somber gezicht van Jean Valjean. Hij berispte haar:„Zeg Jean.”„Ha! ’t is waar,” antwoordde zij luid lachend, „mijnheer Jean.”„Goed zoo!” zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien, dat hij zijn oogen afwischte.Derde hoofdstuk.Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet.Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen „goeden dag” met een kus meer, nooit meer dit zoo innig zacht woord: „mijn vader!” hij was op zijn verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten moest verliezen.Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid, van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de oude dichters de wedergeboorte noemden,—toen zeide Marius tot Cosette:„Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn.”Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles.Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles du Calvaire.„Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,” zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam niet. Hij boog het hoofd en ging heen.Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar „hun tuin” en zoo verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan, dat zij Jean Valjean in ’t geheel niet gezien had.„Hoe zijt ge er heen gegaan?” vroeg Jean Valjean haar.„Te voet.”„En hoe teruggekomen?”„In huurrijtuig.”Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat het jonge paar leidde. ’t Werd hem een bekommering. De zuinigheid van Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten zin. Hij waagde een vraag.„Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer dan vijfhonderd francs ’s maands kosten. Gij zijt rijk.”„Ik weet het niet,” antwoordde Cosette.„Zoo ook met vrouw Toussaint;” hernam Jean Valjean, „zij is vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats genomen. Waarom?”„Nicolette is voldoende.”„Maar gij moet een kamenier hebben.”„Heb ik Marius niet?”„Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk.”Cosette antwoordde niet.De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. ’t Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te blijven. ’t Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te vergeten! ’t Was de verbinding zijner wond. ’t Gebeurde meermalen, dat Basque bijherhaling kwam zeggen: „Mijnheer Gillenormand zendt mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is.”Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. „Zie!” dacht hij. „Geen vuur.” En hij gaf zich deze verklaring: „’t Is natuurlijk. Wij zijn in April. ’t Is niet koud meer.”„Mijn Hemel! hoe koud is ’t hier!” riep Cosette binnenkomende.„Och neen,” zei Jean Valjean.„Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?”„Ja. Wij hebben aanstonds Mei.”„Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar vuur noodig.”„Ik dacht, dat het vuur onnoodig was.”„Dit is weder een van uwe denkbeelden!” hernam Cosette.Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het andere einde der kamer bij de deur geplaatst.„Wat moet dit beteekenen?” dacht Jean Valjean.Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:„Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?”„Wat dan?”„Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten.”Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen hij in de straat de l’Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt.’t Was duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde; dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem allengs trachtte te verwijderen.Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.„O!” riep Cosette binnentredend, „geen armstoelen! Waar zijn toch de stoelen?”„Zij zijn er niet meer,” antwoordde Jean Valjean.„Dat is raar!”Jean Valjean stamelde:„Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen.”„Waarom?”„Ik blijf heden maar een enkel oogenblik.”„Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan.”„Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had.”„Waarom?”„Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond.”„Niemand.”Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.Cosette haalde de schouders op.„De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur uitdooven. Ge zijt zonderling!”„Vaarwel,” mompelde Jean Valjean.Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te zeggen: Vaarwel, mevrouw.Geheel terneergedrukt ging hij heen.Thans had hij de zaak begrepen.Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des avonds op.„Zie,” zeide zij, „mijnheer Jean is er vandaag niet geweest.”’t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van werd afgetrokken.Den volgenden dag kwam hij niet.Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door ensliep des nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen „waarom mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was.”„Ik ben er in twee dagen niet geweest,” zei Jean Valjean op zachten toon.Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet aan Cosette over.Vierde hoofdstuk.Aantrekking en uitdooving.Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in ’t zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het vallen van den avond, de straat de l’Homme-Armé verliet, aan de zijde der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende, niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen tusschen hem en deze straat waren,welke hem scheen aan te trekken, vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken was, alsof hij in ’t geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij zich verwijderde werd zijn blik doffer.Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis; nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat des Filles du Calvaire.Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde, en keerde denzelfden weg terug.Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug; vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons; toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger, welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling, maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof, zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De kinderen liepen hem lachend na.
Boek VIII.De afneming der duisternis.Eerste hoofdstuk.De benedenkamer.Den volgenden dag, bij ’t vallen van den avond, klopte Jean Valjean aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware ’t hem bevolen. ’t Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees bij de hand, als mijnheer, die of die komt.Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:„Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar boven gaan of beneden wil blijven?”„Beneden blijven,” antwoordde Jean Valjean.Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het benedenvertrek en zeide: „Ik zal mevrouw verwittigen.”’t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht door een van ijzeren spijlen voorzien venster.Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine, lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, ’t geen aanduidde, dat men op Jean Valjeans antwoord: „dat hij beneden wilde blijven,” gerekend had.Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen.Tusschen deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van het venster verlicht.Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de borst, zag noch Basque noch de waskaars.Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.Hij had haar niet zien binnenkomen.Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de schoonheid, ’t was de ziel.„Waarlijk, vader,” riep Cosette, „ik wist dat ge zonderling waart, maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange.”„Ja, zoo is het.”„Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader.”En zij bood hem haar wang aan.Jean Valjean bewoog zich niet.„Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. ’t Is de houding van een schuldige. Om ’t even, ik vergeef ’t u. Jezus Christus heeft gezegd: Biedt de andere wang aan. Ziedaar.”En zij hield hem de andere wang toe.Jean Valjean verroerde zich niet. ’t Was, of zijn voeten aan den grond waren gekleefd.„’t Wordt ernstig,” zei Cosette. „Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar, dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet met ons.”„Ik heb gegeten.”„’t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk.”„Onmogelijk.”Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en begon te vragen.„Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het huis. ’t Is hier afschuwelijk.”„Ge weet...”Jean Valjean viel zich zelven in de rede:„Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben,datik grillen heb.”Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.„Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat beteekenen?”Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke dikwijls op zijn gelaat verscheen.„Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het.”„Niet voor u, vader.”„Noem mij niet langer vader.”„Waarom?”„Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt.”„Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer Jean? Wat beteekent dat? Maar ’t is een revolutie. Wat is er toch gebeurd? Zie mij toch in ’t gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is er dan iets gebeurd?”„Niets.”„Welnu dan?”„Alles is als gewoonlijk.”„Waarom verandert ge van naam?”„Gij, gij hebt hem immers ook veranderd.”Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:„Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn.”„Ik begrijp er niets van. ’t Is alles dom. Ik zal mijn man verlof vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. ’t Is slecht. Ge hebt het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt.”Hij antwoordde niet.Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin, ’t geen een groot bewijs van teederheid is.„Ach,” zeide zij, „wees goed!”En zij voer voort:„Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de spelonk in de straat de l’Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt en mijn vader zijt.”Hij maakte zijn handen los.„Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot.”Cosette werd driftig.„Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op zulke ongerijmde taal antwoorden zal.”„Indien vrouw Toussaint hier was,” hernam Jean Valjean, als iemand, die iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt, „zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere manieren heb. ’t Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek bemind.”„Maar ’t is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. ’t Is schandelijk mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt.”„Straks toen ik hierheen ging,” antwoordde Jean Valjean, „heb ik in de straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. ’t Is een fraai toilet, naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof ik. ’t Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. ’t Is lief.”„Bah, de leelijke beer!” antwoordde Cosette.En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. ’t Was een bevallige nabootsing eener kat.„Ik ben verwoed,” zeide zij. „Sedert gisteren maakt gij allen mij razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet, mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange, welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. ’t Is waar, ge zijt zonderling. ’t Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat l’Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!”En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in ’t gezicht en voegde er bij:„Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?”De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.Cosette wilde krabben, zij verscheurde.Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden, toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken toon:„Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest.”„Ha, nu zegt ge weder Cosette!” riep de jonge vrouw. En zij viel hem om den hals.Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. ’t Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.„Ik dank u, vader!” zei Cosette.Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.„Nu?” zei Cosette.Jean Valjean antwoordde:„Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u.”En op den drempel der deur voegde hij er bij:„Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet weder zal gebeuren. Vergeef mij.”Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit raadselachtige vaarwel achter.Tweede hoofdstuk.Andere schreden achterwaarts.Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, zoo dit bij haar mogelijk ware.’t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad, in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde.De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius’ woorden anders dan letterlijk op te vatten.Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: „Mijnheer is altijd zóó geweest.” De grootvader besloot: „’t Is een zonderling.” Daarmede was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking; een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,—vader Gillenormand wenschte niets liever, dan van „dien mijnheer” verschoond te blijven. Hij zeide: „Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die lieden hebben allerlei phantastische grillen.”Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet, die op den bodem kruipt.Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel stijgt op en berst. ’t Is weinig, maar vreeselijk. ’t Is de ademhaling van het onbekende dier.Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich niet in ’t verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden, het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig televen, hoe rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan—al deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken, het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de grootste bezigheid van haar leven. ’t Was voor hen steeds een nieuwe blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat, zonder zich te verbergen, voor ’t oog der wereld, beiden alleen uit te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met Nicolette verstaan;—de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters was onmogelijk;—zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean Valjean kwam dagelijks.Toen de gemeenzaamheid in ’t gesprek verdwenen was, en „mevrouw,” en „mijnheer Jean” er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk, en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd, en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem: „Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent, gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn.”Hij woonde nog altijd in de straat de l’Homme-Armé, er niet toe kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en verwijderde zich dan.Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord „vader.”Een straal van blijdschap schoot over ’t oude somber gezicht van Jean Valjean. Hij berispte haar:„Zeg Jean.”„Ha! ’t is waar,” antwoordde zij luid lachend, „mijnheer Jean.”„Goed zoo!” zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien, dat hij zijn oogen afwischte.Derde hoofdstuk.Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet.Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen „goeden dag” met een kus meer, nooit meer dit zoo innig zacht woord: „mijn vader!” hij was op zijn verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten moest verliezen.Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid, van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de oude dichters de wedergeboorte noemden,—toen zeide Marius tot Cosette:„Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn.”Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles.Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles du Calvaire.„Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,” zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam niet. Hij boog het hoofd en ging heen.Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar „hun tuin” en zoo verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan, dat zij Jean Valjean in ’t geheel niet gezien had.„Hoe zijt ge er heen gegaan?” vroeg Jean Valjean haar.„Te voet.”„En hoe teruggekomen?”„In huurrijtuig.”Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat het jonge paar leidde. ’t Werd hem een bekommering. De zuinigheid van Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten zin. Hij waagde een vraag.„Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer dan vijfhonderd francs ’s maands kosten. Gij zijt rijk.”„Ik weet het niet,” antwoordde Cosette.„Zoo ook met vrouw Toussaint;” hernam Jean Valjean, „zij is vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats genomen. Waarom?”„Nicolette is voldoende.”„Maar gij moet een kamenier hebben.”„Heb ik Marius niet?”„Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk.”Cosette antwoordde niet.De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. ’t Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te blijven. ’t Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te vergeten! ’t Was de verbinding zijner wond. ’t Gebeurde meermalen, dat Basque bijherhaling kwam zeggen: „Mijnheer Gillenormand zendt mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is.”Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. „Zie!” dacht hij. „Geen vuur.” En hij gaf zich deze verklaring: „’t Is natuurlijk. Wij zijn in April. ’t Is niet koud meer.”„Mijn Hemel! hoe koud is ’t hier!” riep Cosette binnenkomende.„Och neen,” zei Jean Valjean.„Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?”„Ja. Wij hebben aanstonds Mei.”„Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar vuur noodig.”„Ik dacht, dat het vuur onnoodig was.”„Dit is weder een van uwe denkbeelden!” hernam Cosette.Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het andere einde der kamer bij de deur geplaatst.„Wat moet dit beteekenen?” dacht Jean Valjean.Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:„Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?”„Wat dan?”„Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten.”Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen hij in de straat de l’Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt.’t Was duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde; dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem allengs trachtte te verwijderen.Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.„O!” riep Cosette binnentredend, „geen armstoelen! Waar zijn toch de stoelen?”„Zij zijn er niet meer,” antwoordde Jean Valjean.„Dat is raar!”Jean Valjean stamelde:„Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen.”„Waarom?”„Ik blijf heden maar een enkel oogenblik.”„Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan.”„Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had.”„Waarom?”„Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond.”„Niemand.”Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.Cosette haalde de schouders op.„De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur uitdooven. Ge zijt zonderling!”„Vaarwel,” mompelde Jean Valjean.Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te zeggen: Vaarwel, mevrouw.Geheel terneergedrukt ging hij heen.Thans had hij de zaak begrepen.Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des avonds op.„Zie,” zeide zij, „mijnheer Jean is er vandaag niet geweest.”’t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van werd afgetrokken.Den volgenden dag kwam hij niet.Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door ensliep des nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen „waarom mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was.”„Ik ben er in twee dagen niet geweest,” zei Jean Valjean op zachten toon.Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet aan Cosette over.Vierde hoofdstuk.Aantrekking en uitdooving.Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in ’t zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het vallen van den avond, de straat de l’Homme-Armé verliet, aan de zijde der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende, niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen tusschen hem en deze straat waren,welke hem scheen aan te trekken, vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken was, alsof hij in ’t geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij zich verwijderde werd zijn blik doffer.Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis; nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat des Filles du Calvaire.Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde, en keerde denzelfden weg terug.Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug; vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons; toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger, welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling, maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof, zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De kinderen liepen hem lachend na.
Eerste hoofdstuk.De benedenkamer.Den volgenden dag, bij ’t vallen van den avond, klopte Jean Valjean aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware ’t hem bevolen. ’t Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees bij de hand, als mijnheer, die of die komt.Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:„Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar boven gaan of beneden wil blijven?”„Beneden blijven,” antwoordde Jean Valjean.Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het benedenvertrek en zeide: „Ik zal mevrouw verwittigen.”’t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht door een van ijzeren spijlen voorzien venster.Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine, lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, ’t geen aanduidde, dat men op Jean Valjeans antwoord: „dat hij beneden wilde blijven,” gerekend had.Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen.Tusschen deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van het venster verlicht.Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de borst, zag noch Basque noch de waskaars.Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.Hij had haar niet zien binnenkomen.Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de schoonheid, ’t was de ziel.„Waarlijk, vader,” riep Cosette, „ik wist dat ge zonderling waart, maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange.”„Ja, zoo is het.”„Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader.”En zij bood hem haar wang aan.Jean Valjean bewoog zich niet.„Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. ’t Is de houding van een schuldige. Om ’t even, ik vergeef ’t u. Jezus Christus heeft gezegd: Biedt de andere wang aan. Ziedaar.”En zij hield hem de andere wang toe.Jean Valjean verroerde zich niet. ’t Was, of zijn voeten aan den grond waren gekleefd.„’t Wordt ernstig,” zei Cosette. „Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar, dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet met ons.”„Ik heb gegeten.”„’t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk.”„Onmogelijk.”Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en begon te vragen.„Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het huis. ’t Is hier afschuwelijk.”„Ge weet...”Jean Valjean viel zich zelven in de rede:„Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben,datik grillen heb.”Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.„Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat beteekenen?”Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke dikwijls op zijn gelaat verscheen.„Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het.”„Niet voor u, vader.”„Noem mij niet langer vader.”„Waarom?”„Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt.”„Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer Jean? Wat beteekent dat? Maar ’t is een revolutie. Wat is er toch gebeurd? Zie mij toch in ’t gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is er dan iets gebeurd?”„Niets.”„Welnu dan?”„Alles is als gewoonlijk.”„Waarom verandert ge van naam?”„Gij, gij hebt hem immers ook veranderd.”Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:„Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn.”„Ik begrijp er niets van. ’t Is alles dom. Ik zal mijn man verlof vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. ’t Is slecht. Ge hebt het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt.”Hij antwoordde niet.Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin, ’t geen een groot bewijs van teederheid is.„Ach,” zeide zij, „wees goed!”En zij voer voort:„Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de spelonk in de straat de l’Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt en mijn vader zijt.”Hij maakte zijn handen los.„Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot.”Cosette werd driftig.„Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op zulke ongerijmde taal antwoorden zal.”„Indien vrouw Toussaint hier was,” hernam Jean Valjean, als iemand, die iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt, „zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere manieren heb. ’t Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek bemind.”„Maar ’t is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. ’t Is schandelijk mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt.”„Straks toen ik hierheen ging,” antwoordde Jean Valjean, „heb ik in de straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. ’t Is een fraai toilet, naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof ik. ’t Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. ’t Is lief.”„Bah, de leelijke beer!” antwoordde Cosette.En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. ’t Was een bevallige nabootsing eener kat.„Ik ben verwoed,” zeide zij. „Sedert gisteren maakt gij allen mij razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet, mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange, welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. ’t Is waar, ge zijt zonderling. ’t Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat l’Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!”En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in ’t gezicht en voegde er bij:„Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?”De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.Cosette wilde krabben, zij verscheurde.Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden, toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken toon:„Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest.”„Ha, nu zegt ge weder Cosette!” riep de jonge vrouw. En zij viel hem om den hals.Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. ’t Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.„Ik dank u, vader!” zei Cosette.Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.„Nu?” zei Cosette.Jean Valjean antwoordde:„Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u.”En op den drempel der deur voegde hij er bij:„Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet weder zal gebeuren. Vergeef mij.”Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit raadselachtige vaarwel achter.
Eerste hoofdstuk.De benedenkamer.
Den volgenden dag, bij ’t vallen van den avond, klopte Jean Valjean aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware ’t hem bevolen. ’t Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees bij de hand, als mijnheer, die of die komt.Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:„Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar boven gaan of beneden wil blijven?”„Beneden blijven,” antwoordde Jean Valjean.Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het benedenvertrek en zeide: „Ik zal mevrouw verwittigen.”’t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht door een van ijzeren spijlen voorzien venster.Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine, lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, ’t geen aanduidde, dat men op Jean Valjeans antwoord: „dat hij beneden wilde blijven,” gerekend had.Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen.Tusschen deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van het venster verlicht.Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de borst, zag noch Basque noch de waskaars.Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.Hij had haar niet zien binnenkomen.Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de schoonheid, ’t was de ziel.„Waarlijk, vader,” riep Cosette, „ik wist dat ge zonderling waart, maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange.”„Ja, zoo is het.”„Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader.”En zij bood hem haar wang aan.Jean Valjean bewoog zich niet.„Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. ’t Is de houding van een schuldige. Om ’t even, ik vergeef ’t u. Jezus Christus heeft gezegd: Biedt de andere wang aan. Ziedaar.”En zij hield hem de andere wang toe.Jean Valjean verroerde zich niet. ’t Was, of zijn voeten aan den grond waren gekleefd.„’t Wordt ernstig,” zei Cosette. „Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar, dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet met ons.”„Ik heb gegeten.”„’t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk.”„Onmogelijk.”Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en begon te vragen.„Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het huis. ’t Is hier afschuwelijk.”„Ge weet...”Jean Valjean viel zich zelven in de rede:„Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben,datik grillen heb.”Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.„Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat beteekenen?”Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke dikwijls op zijn gelaat verscheen.„Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het.”„Niet voor u, vader.”„Noem mij niet langer vader.”„Waarom?”„Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt.”„Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer Jean? Wat beteekent dat? Maar ’t is een revolutie. Wat is er toch gebeurd? Zie mij toch in ’t gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is er dan iets gebeurd?”„Niets.”„Welnu dan?”„Alles is als gewoonlijk.”„Waarom verandert ge van naam?”„Gij, gij hebt hem immers ook veranderd.”Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:„Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn.”„Ik begrijp er niets van. ’t Is alles dom. Ik zal mijn man verlof vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. ’t Is slecht. Ge hebt het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt.”Hij antwoordde niet.Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin, ’t geen een groot bewijs van teederheid is.„Ach,” zeide zij, „wees goed!”En zij voer voort:„Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de spelonk in de straat de l’Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt en mijn vader zijt.”Hij maakte zijn handen los.„Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot.”Cosette werd driftig.„Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op zulke ongerijmde taal antwoorden zal.”„Indien vrouw Toussaint hier was,” hernam Jean Valjean, als iemand, die iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt, „zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere manieren heb. ’t Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek bemind.”„Maar ’t is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. ’t Is schandelijk mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt.”„Straks toen ik hierheen ging,” antwoordde Jean Valjean, „heb ik in de straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. ’t Is een fraai toilet, naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof ik. ’t Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. ’t Is lief.”„Bah, de leelijke beer!” antwoordde Cosette.En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. ’t Was een bevallige nabootsing eener kat.„Ik ben verwoed,” zeide zij. „Sedert gisteren maakt gij allen mij razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet, mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange, welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. ’t Is waar, ge zijt zonderling. ’t Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat l’Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!”En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in ’t gezicht en voegde er bij:„Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?”De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.Cosette wilde krabben, zij verscheurde.Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden, toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken toon:„Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest.”„Ha, nu zegt ge weder Cosette!” riep de jonge vrouw. En zij viel hem om den hals.Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. ’t Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.„Ik dank u, vader!” zei Cosette.Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.„Nu?” zei Cosette.Jean Valjean antwoordde:„Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u.”En op den drempel der deur voegde hij er bij:„Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet weder zal gebeuren. Vergeef mij.”Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit raadselachtige vaarwel achter.
Den volgenden dag, bij ’t vallen van den avond, klopte Jean Valjean aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware ’t hem bevolen. ’t Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees bij de hand, als mijnheer, die of die komt.
Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:
„Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar boven gaan of beneden wil blijven?”
„Beneden blijven,” antwoordde Jean Valjean.
Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het benedenvertrek en zeide: „Ik zal mevrouw verwittigen.”
’t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht door een van ijzeren spijlen voorzien venster.
Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine, lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, ’t geen aanduidde, dat men op Jean Valjeans antwoord: „dat hij beneden wilde blijven,” gerekend had.
Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen.Tusschen deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.
De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van het venster verlicht.
Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.
Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de borst, zag noch Basque noch de waskaars.
Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.
Hij had haar niet zien binnenkomen.
Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de schoonheid, ’t was de ziel.
„Waarlijk, vader,” riep Cosette, „ik wist dat ge zonderling waart, maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange.”
„Ja, zoo is het.”
„Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader.”
En zij bood hem haar wang aan.
Jean Valjean bewoog zich niet.
„Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. ’t Is de houding van een schuldige. Om ’t even, ik vergeef ’t u. Jezus Christus heeft gezegd: Biedt de andere wang aan. Ziedaar.”
En zij hield hem de andere wang toe.
Jean Valjean verroerde zich niet. ’t Was, of zijn voeten aan den grond waren gekleefd.
„’t Wordt ernstig,” zei Cosette. „Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar, dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet met ons.”
„Ik heb gegeten.”
„’t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk.”
„Onmogelijk.”
Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en begon te vragen.
„Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het huis. ’t Is hier afschuwelijk.”
„Ge weet...”
Jean Valjean viel zich zelven in de rede:
„Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben,datik grillen heb.”
Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.
„Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat beteekenen?”
Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke dikwijls op zijn gelaat verscheen.
„Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het.”
„Niet voor u, vader.”
„Noem mij niet langer vader.”
„Waarom?”
„Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt.”
„Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer Jean? Wat beteekent dat? Maar ’t is een revolutie. Wat is er toch gebeurd? Zie mij toch in ’t gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is er dan iets gebeurd?”
„Niets.”
„Welnu dan?”
„Alles is als gewoonlijk.”
„Waarom verandert ge van naam?”
„Gij, gij hebt hem immers ook veranderd.”
Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:
„Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn.”
„Ik begrijp er niets van. ’t Is alles dom. Ik zal mijn man verlof vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. ’t Is slecht. Ge hebt het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt.”
Hij antwoordde niet.
Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin, ’t geen een groot bewijs van teederheid is.
„Ach,” zeide zij, „wees goed!”
En zij voer voort:
„Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de spelonk in de straat de l’Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt en mijn vader zijt.”
Hij maakte zijn handen los.
„Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot.”
Cosette werd driftig.
„Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op zulke ongerijmde taal antwoorden zal.”
„Indien vrouw Toussaint hier was,” hernam Jean Valjean, als iemand, die iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt, „zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere manieren heb. ’t Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek bemind.”
„Maar ’t is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. ’t Is schandelijk mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt.”
„Straks toen ik hierheen ging,” antwoordde Jean Valjean, „heb ik in de straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. ’t Is een fraai toilet, naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof ik. ’t Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. ’t Is lief.”
„Bah, de leelijke beer!” antwoordde Cosette.
En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. ’t Was een bevallige nabootsing eener kat.
„Ik ben verwoed,” zeide zij. „Sedert gisteren maakt gij allen mij razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet, mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange, welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. ’t Is waar, ge zijt zonderling. ’t Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat l’Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!”
En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in ’t gezicht en voegde er bij:
„Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?”
De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.
Cosette wilde krabben, zij verscheurde.
Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden, toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken toon:
„Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest.”
„Ha, nu zegt ge weder Cosette!” riep de jonge vrouw. En zij viel hem om den hals.
Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. ’t Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.
„Ik dank u, vader!” zei Cosette.
Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.
„Nu?” zei Cosette.
Jean Valjean antwoordde:
„Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u.”
En op den drempel der deur voegde hij er bij:
„Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet weder zal gebeuren. Vergeef mij.”
Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit raadselachtige vaarwel achter.
Tweede hoofdstuk.Andere schreden achterwaarts.Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, zoo dit bij haar mogelijk ware.’t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad, in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde.De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius’ woorden anders dan letterlijk op te vatten.Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: „Mijnheer is altijd zóó geweest.” De grootvader besloot: „’t Is een zonderling.” Daarmede was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking; een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,—vader Gillenormand wenschte niets liever, dan van „dien mijnheer” verschoond te blijven. Hij zeide: „Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die lieden hebben allerlei phantastische grillen.”Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet, die op den bodem kruipt.Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel stijgt op en berst. ’t Is weinig, maar vreeselijk. ’t Is de ademhaling van het onbekende dier.Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich niet in ’t verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden, het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig televen, hoe rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan—al deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken, het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de grootste bezigheid van haar leven. ’t Was voor hen steeds een nieuwe blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat, zonder zich te verbergen, voor ’t oog der wereld, beiden alleen uit te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met Nicolette verstaan;—de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters was onmogelijk;—zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean Valjean kwam dagelijks.Toen de gemeenzaamheid in ’t gesprek verdwenen was, en „mevrouw,” en „mijnheer Jean” er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk, en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd, en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem: „Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent, gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn.”Hij woonde nog altijd in de straat de l’Homme-Armé, er niet toe kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en verwijderde zich dan.Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord „vader.”Een straal van blijdschap schoot over ’t oude somber gezicht van Jean Valjean. Hij berispte haar:„Zeg Jean.”„Ha! ’t is waar,” antwoordde zij luid lachend, „mijnheer Jean.”„Goed zoo!” zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien, dat hij zijn oogen afwischte.
Tweede hoofdstuk.Andere schreden achterwaarts.
Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, zoo dit bij haar mogelijk ware.’t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad, in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde.De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius’ woorden anders dan letterlijk op te vatten.Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: „Mijnheer is altijd zóó geweest.” De grootvader besloot: „’t Is een zonderling.” Daarmede was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking; een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,—vader Gillenormand wenschte niets liever, dan van „dien mijnheer” verschoond te blijven. Hij zeide: „Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die lieden hebben allerlei phantastische grillen.”Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet, die op den bodem kruipt.Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel stijgt op en berst. ’t Is weinig, maar vreeselijk. ’t Is de ademhaling van het onbekende dier.Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich niet in ’t verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden, het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig televen, hoe rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan—al deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken, het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de grootste bezigheid van haar leven. ’t Was voor hen steeds een nieuwe blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat, zonder zich te verbergen, voor ’t oog der wereld, beiden alleen uit te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met Nicolette verstaan;—de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters was onmogelijk;—zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean Valjean kwam dagelijks.Toen de gemeenzaamheid in ’t gesprek verdwenen was, en „mevrouw,” en „mijnheer Jean” er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk, en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd, en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem: „Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent, gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn.”Hij woonde nog altijd in de straat de l’Homme-Armé, er niet toe kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en verwijderde zich dan.Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord „vader.”Een straal van blijdschap schoot over ’t oude somber gezicht van Jean Valjean. Hij berispte haar:„Zeg Jean.”„Ha! ’t is waar,” antwoordde zij luid lachend, „mijnheer Jean.”„Goed zoo!” zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien, dat hij zijn oogen afwischte.
Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.
Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, zoo dit bij haar mogelijk ware.
’t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad, in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde.
De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.
Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius’ woorden anders dan letterlijk op te vatten.
Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: „Mijnheer is altijd zóó geweest.” De grootvader besloot: „’t Is een zonderling.” Daarmede was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking; een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,—vader Gillenormand wenschte niets liever, dan van „dien mijnheer” verschoond te blijven. Hij zeide: „Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die lieden hebben allerlei phantastische grillen.”
Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet, die op den bodem kruipt.
Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel stijgt op en berst. ’t Is weinig, maar vreeselijk. ’t Is de ademhaling van het onbekende dier.
Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich niet in ’t verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden, het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig televen, hoe rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan—al deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.
Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken, het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de grootste bezigheid van haar leven. ’t Was voor hen steeds een nieuwe blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat, zonder zich te verbergen, voor ’t oog der wereld, beiden alleen uit te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met Nicolette verstaan;—de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters was onmogelijk;—zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean Valjean kwam dagelijks.
Toen de gemeenzaamheid in ’t gesprek verdwenen was, en „mevrouw,” en „mijnheer Jean” er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk, en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd, en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem: „Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent, gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn.”
Hij woonde nog altijd in de straat de l’Homme-Armé, er niet toe kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.
In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en verwijderde zich dan.
Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.
Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord „vader.”
Een straal van blijdschap schoot over ’t oude somber gezicht van Jean Valjean. Hij berispte haar:
„Zeg Jean.”
„Ha! ’t is waar,” antwoordde zij luid lachend, „mijnheer Jean.”
„Goed zoo!” zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien, dat hij zijn oogen afwischte.
Derde hoofdstuk.Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet.Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen „goeden dag” met een kus meer, nooit meer dit zoo innig zacht woord: „mijn vader!” hij was op zijn verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten moest verliezen.Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid, van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de oude dichters de wedergeboorte noemden,—toen zeide Marius tot Cosette:„Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn.”Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles.Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles du Calvaire.„Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,” zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam niet. Hij boog het hoofd en ging heen.Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar „hun tuin” en zoo verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan, dat zij Jean Valjean in ’t geheel niet gezien had.„Hoe zijt ge er heen gegaan?” vroeg Jean Valjean haar.„Te voet.”„En hoe teruggekomen?”„In huurrijtuig.”Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat het jonge paar leidde. ’t Werd hem een bekommering. De zuinigheid van Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten zin. Hij waagde een vraag.„Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer dan vijfhonderd francs ’s maands kosten. Gij zijt rijk.”„Ik weet het niet,” antwoordde Cosette.„Zoo ook met vrouw Toussaint;” hernam Jean Valjean, „zij is vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats genomen. Waarom?”„Nicolette is voldoende.”„Maar gij moet een kamenier hebben.”„Heb ik Marius niet?”„Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk.”Cosette antwoordde niet.De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. ’t Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te blijven. ’t Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te vergeten! ’t Was de verbinding zijner wond. ’t Gebeurde meermalen, dat Basque bijherhaling kwam zeggen: „Mijnheer Gillenormand zendt mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is.”Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. „Zie!” dacht hij. „Geen vuur.” En hij gaf zich deze verklaring: „’t Is natuurlijk. Wij zijn in April. ’t Is niet koud meer.”„Mijn Hemel! hoe koud is ’t hier!” riep Cosette binnenkomende.„Och neen,” zei Jean Valjean.„Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?”„Ja. Wij hebben aanstonds Mei.”„Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar vuur noodig.”„Ik dacht, dat het vuur onnoodig was.”„Dit is weder een van uwe denkbeelden!” hernam Cosette.Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het andere einde der kamer bij de deur geplaatst.„Wat moet dit beteekenen?” dacht Jean Valjean.Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:„Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?”„Wat dan?”„Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten.”Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen hij in de straat de l’Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt.’t Was duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde; dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem allengs trachtte te verwijderen.Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.„O!” riep Cosette binnentredend, „geen armstoelen! Waar zijn toch de stoelen?”„Zij zijn er niet meer,” antwoordde Jean Valjean.„Dat is raar!”Jean Valjean stamelde:„Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen.”„Waarom?”„Ik blijf heden maar een enkel oogenblik.”„Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan.”„Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had.”„Waarom?”„Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond.”„Niemand.”Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.Cosette haalde de schouders op.„De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur uitdooven. Ge zijt zonderling!”„Vaarwel,” mompelde Jean Valjean.Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te zeggen: Vaarwel, mevrouw.Geheel terneergedrukt ging hij heen.Thans had hij de zaak begrepen.Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des avonds op.„Zie,” zeide zij, „mijnheer Jean is er vandaag niet geweest.”’t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van werd afgetrokken.Den volgenden dag kwam hij niet.Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door ensliep des nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen „waarom mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was.”„Ik ben er in twee dagen niet geweest,” zei Jean Valjean op zachten toon.Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet aan Cosette over.
Derde hoofdstuk.Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet.
Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen „goeden dag” met een kus meer, nooit meer dit zoo innig zacht woord: „mijn vader!” hij was op zijn verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten moest verliezen.Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid, van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de oude dichters de wedergeboorte noemden,—toen zeide Marius tot Cosette:„Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn.”Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles.Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles du Calvaire.„Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,” zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam niet. Hij boog het hoofd en ging heen.Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar „hun tuin” en zoo verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan, dat zij Jean Valjean in ’t geheel niet gezien had.„Hoe zijt ge er heen gegaan?” vroeg Jean Valjean haar.„Te voet.”„En hoe teruggekomen?”„In huurrijtuig.”Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat het jonge paar leidde. ’t Werd hem een bekommering. De zuinigheid van Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten zin. Hij waagde een vraag.„Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer dan vijfhonderd francs ’s maands kosten. Gij zijt rijk.”„Ik weet het niet,” antwoordde Cosette.„Zoo ook met vrouw Toussaint;” hernam Jean Valjean, „zij is vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats genomen. Waarom?”„Nicolette is voldoende.”„Maar gij moet een kamenier hebben.”„Heb ik Marius niet?”„Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk.”Cosette antwoordde niet.De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. ’t Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te blijven. ’t Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te vergeten! ’t Was de verbinding zijner wond. ’t Gebeurde meermalen, dat Basque bijherhaling kwam zeggen: „Mijnheer Gillenormand zendt mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is.”Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. „Zie!” dacht hij. „Geen vuur.” En hij gaf zich deze verklaring: „’t Is natuurlijk. Wij zijn in April. ’t Is niet koud meer.”„Mijn Hemel! hoe koud is ’t hier!” riep Cosette binnenkomende.„Och neen,” zei Jean Valjean.„Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?”„Ja. Wij hebben aanstonds Mei.”„Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar vuur noodig.”„Ik dacht, dat het vuur onnoodig was.”„Dit is weder een van uwe denkbeelden!” hernam Cosette.Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het andere einde der kamer bij de deur geplaatst.„Wat moet dit beteekenen?” dacht Jean Valjean.Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:„Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?”„Wat dan?”„Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten.”Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen hij in de straat de l’Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt.’t Was duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde; dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem allengs trachtte te verwijderen.Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.„O!” riep Cosette binnentredend, „geen armstoelen! Waar zijn toch de stoelen?”„Zij zijn er niet meer,” antwoordde Jean Valjean.„Dat is raar!”Jean Valjean stamelde:„Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen.”„Waarom?”„Ik blijf heden maar een enkel oogenblik.”„Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan.”„Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had.”„Waarom?”„Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond.”„Niemand.”Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.Cosette haalde de schouders op.„De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur uitdooven. Ge zijt zonderling!”„Vaarwel,” mompelde Jean Valjean.Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te zeggen: Vaarwel, mevrouw.Geheel terneergedrukt ging hij heen.Thans had hij de zaak begrepen.Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des avonds op.„Zie,” zeide zij, „mijnheer Jean is er vandaag niet geweest.”’t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van werd afgetrokken.Den volgenden dag kwam hij niet.Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door ensliep des nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen „waarom mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was.”„Ik ben er in twee dagen niet geweest,” zei Jean Valjean op zachten toon.Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet aan Cosette over.
Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen „goeden dag” met een kus meer, nooit meer dit zoo innig zacht woord: „mijn vader!” hij was op zijn verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten moest verliezen.
Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid, van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.
Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de oude dichters de wedergeboorte noemden,—toen zeide Marius tot Cosette:
„Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn.”
Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles.
Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles du Calvaire.
„Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,” zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam niet. Hij boog het hoofd en ging heen.
Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar „hun tuin” en zoo verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan, dat zij Jean Valjean in ’t geheel niet gezien had.
„Hoe zijt ge er heen gegaan?” vroeg Jean Valjean haar.
„Te voet.”
„En hoe teruggekomen?”
„In huurrijtuig.”
Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat het jonge paar leidde. ’t Werd hem een bekommering. De zuinigheid van Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten zin. Hij waagde een vraag.
„Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer dan vijfhonderd francs ’s maands kosten. Gij zijt rijk.”
„Ik weet het niet,” antwoordde Cosette.
„Zoo ook met vrouw Toussaint;” hernam Jean Valjean, „zij is vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats genomen. Waarom?”
„Nicolette is voldoende.”
„Maar gij moet een kamenier hebben.”
„Heb ik Marius niet?”
„Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk.”
Cosette antwoordde niet.
De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. ’t Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.
Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te blijven. ’t Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te vergeten! ’t Was de verbinding zijner wond. ’t Gebeurde meermalen, dat Basque bijherhaling kwam zeggen: „Mijnheer Gillenormand zendt mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is.”
Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.
Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?
Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. „Zie!” dacht hij. „Geen vuur.” En hij gaf zich deze verklaring: „’t Is natuurlijk. Wij zijn in April. ’t Is niet koud meer.”
„Mijn Hemel! hoe koud is ’t hier!” riep Cosette binnenkomende.
„Och neen,” zei Jean Valjean.
„Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?”
„Ja. Wij hebben aanstonds Mei.”
„Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar vuur noodig.”
„Ik dacht, dat het vuur onnoodig was.”
„Dit is weder een van uwe denkbeelden!” hernam Cosette.
Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het andere einde der kamer bij de deur geplaatst.
„Wat moet dit beteekenen?” dacht Jean Valjean.
Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.
Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.
Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:
„Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?”
„Wat dan?”
„Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten.”
Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen hij in de straat de l’Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.
Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt.’t Was duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde; dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.
Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem allengs trachtte te verwijderen.
Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.
„O!” riep Cosette binnentredend, „geen armstoelen! Waar zijn toch de stoelen?”
„Zij zijn er niet meer,” antwoordde Jean Valjean.
„Dat is raar!”
Jean Valjean stamelde:
„Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen.”
„Waarom?”
„Ik blijf heden maar een enkel oogenblik.”
„Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan.”
„Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had.”
„Waarom?”
„Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond.”
„Niemand.”
Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.
Cosette haalde de schouders op.
„De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur uitdooven. Ge zijt zonderling!”
„Vaarwel,” mompelde Jean Valjean.
Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te zeggen: Vaarwel, mevrouw.
Geheel terneergedrukt ging hij heen.
Thans had hij de zaak begrepen.
Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des avonds op.
„Zie,” zeide zij, „mijnheer Jean is er vandaag niet geweest.”
’t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van werd afgetrokken.
Den volgenden dag kwam hij niet.
Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door ensliep des nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen „waarom mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was.”
„Ik ben er in twee dagen niet geweest,” zei Jean Valjean op zachten toon.
Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet aan Cosette over.
Vierde hoofdstuk.Aantrekking en uitdooving.Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in ’t zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het vallen van den avond, de straat de l’Homme-Armé verliet, aan de zijde der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende, niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen tusschen hem en deze straat waren,welke hem scheen aan te trekken, vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken was, alsof hij in ’t geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij zich verwijderde werd zijn blik doffer.Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis; nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat des Filles du Calvaire.Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde, en keerde denzelfden weg terug.Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug; vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons; toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger, welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling, maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof, zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De kinderen liepen hem lachend na.
Vierde hoofdstuk.Aantrekking en uitdooving.
Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in ’t zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het vallen van den avond, de straat de l’Homme-Armé verliet, aan de zijde der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende, niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen tusschen hem en deze straat waren,welke hem scheen aan te trekken, vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken was, alsof hij in ’t geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij zich verwijderde werd zijn blik doffer.Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis; nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat des Filles du Calvaire.Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde, en keerde denzelfden weg terug.Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug; vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons; toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger, welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling, maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof, zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De kinderen liepen hem lachend na.
Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in ’t zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het vallen van den avond, de straat de l’Homme-Armé verliet, aan de zijde der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.
Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende, niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen tusschen hem en deze straat waren,welke hem scheen aan te trekken, vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken was, alsof hij in ’t geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij zich verwijderde werd zijn blik doffer.
Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis; nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat des Filles du Calvaire.
Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde, en keerde denzelfden weg terug.
Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug; vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons; toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger, welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.
Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling, maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof, zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De kinderen liepen hem lachend na.