Veertiende hoofdstuk.Waarin men den naam van Enjolras’ geliefde lezen zal.Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een spottend woord voor.„Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompeoude; het spijt mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder, ’t is maar hoesten.”En men lachte rondom hem.Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.„Ik bewonder Enjolras,” zei Bossuet. „Zijn onwrikbare vermetelheid verbaast mij. Hij leeft alleen, ’t geen hem misschien een weinig somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen, die ons dol, dat wil zeggendapper, maken. Is men verliefd als een tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan; ’t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken te zijn. ’t Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als vuur kan zijn.”Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: „Patria.”Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:„Iets nieuws!”En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij er bij:„Ik heet achtponder.”Inderdaad, een nieuw personage was op ’t tooneel verschenen. ’t Was een tweede stuk geschut.De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij bij het eerste.Dit bespoedigde de ontknooping.Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten, havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De vier kanonnen vormden een akelige echo.De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraatbeukten, schoot het eene schroot, het andere kogels.Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen; dit is een teeken dat de bestorming nabij was.Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot, misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen, gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.„Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,” zei Enjolras en hij riep: „Vuur op de artilleristen!”Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had, gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.„’t Gaat goed,” zei Bossuet tot Enjolras. „Wij slagen.”Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:„Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden geen tien patronen meer zijn.”Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.Vijftiende hoofdstuk.Gavroche buiten.Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op de straat, in den kogelregen.Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.„Wat doet ge daar?” vroeg Courfeyrac.Gavroche zag even op en zeide:„Ik vul mijn mand, burger.”„Ziet ge dan het schroot niet?”Gavroche antwoordde:„Welnu, het regent. Wat zou dat?”Courfeyrac riep:„Ga binnen!”„Aanstonds,” zei Gavroche.En met een sprong was hij verder in de straat.Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij een rij lijken had achtergelaten.Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat verspreid. ’t Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche; een voorraad patronen voor de barricade.De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen, waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig voor Gavroche.Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap een noot opent.Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.„Voor den dorst,” zeide hij den hoorn in den zak stekende.Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad, om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, dat zich in den kruitdamp bewoog.Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag,van zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.„Verduiveld!” zei Gavroche. „Nu gaat men mijn dooden dooden.”Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem springen. Een derde wierp zijn mand om.Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der voorstad kwam.Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht en hij zong:On est laid à Nanterre,C’est la faute à Voltaire,Et bête à Palaiseau.C’est la faute à Rousseau.1Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door een geweerkogel getroffen.Gavroche zong:Je ne suis pas notaire,C’est la faute à Voltaire,Je suis petit oiseau,C’est la faute à Rousseau.2Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet te ontlokken.Joie est mon caractère,C’est la faute à Voltaire,Misère est mon trousseau.C’est la faute à Rousseau.3Dit ging eenigen tijd zoo voort.’t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche, op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met eencouplet. Men mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd.De nationale garden en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur, sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg, keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar, plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun oogen. De barricade beefde; hij zong. ’t Was geen kind, ’t was geen man; ’t was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde, bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:Je suis tombé par terre,C’est la faute à Voltaire,Le nez dans le ruisseau,C’est la faute à.....4Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat, en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden.1Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.2Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.3Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.4Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van....Zestiende hoofdstuk.Hoe men van broeder vader wordt.In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,—want de blik van het drama moet overal zijn.—twee kinderen, die elkander bij de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek en in lompen gekleed, en hadden ’t voorkomen van schuwe vogels. Het kleinste zeide: „Ik heb grooten honger.”De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen, die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek der barrière d’Enfer, of op de esplanade van het Observatoire, of op het naburig plein, waar men op een gevel leest:invenerunt parvulum pannis involutum1, de tent van een koorddanser, waaruit zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door den wind verstrooide bladeren.Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der „verlaten kinderen,” welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten van Parijs vindt.Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden, zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als kinderen recht op bloemen hebben.Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en hadden de beide overtreders niet gezien.Het had den vorigen avond geregend en ook ’s morgens nog een weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als ’t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is alles druipnat, des namiddags is alles stof.Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en door de zon gedroogd is; ’t is een warme frischheid. De tuinen en weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht, zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld te oefenen.Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des hemels aanschouwende, zeggen: ’t is genoeg! droomers, die, in het wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame menschen, die onbarmhartigtevreden zijn. Zonderling, het oneindige is voor hen voldoende. Het eindige, ’t welk de omvatting toelaat, deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke, het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, bezig te houden? De mensch lijdt, ’t is mogelijk; maar zie naar Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind te zien. God verduistert hun ziel. ’t Is een familie van tevens kleine en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.’t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster in het midden van het voorhoofd.De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?Maar wien kan men dan vertrouwen?Solem quis dicere falsum audeat?2Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verhevenmenschen, sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig, slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is er dan boven de zon? God.Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren ’s morgens het Luxembourg, eenzaam en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën; de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken van dezen gloed.Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends; de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, als een kinderhandje dat men kust.De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk na en schenen te dartelen.Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zichgewasschen; al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn; sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg; de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. ’t Was luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en zeide: „De lente houdt parade in groot tenue.”De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel; ’t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen, de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel een weinig, ’t geen de verborgenheid van het kwade in het goede is, maar geen dier had een ledige maag.De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te verbergen. ’t Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.Nu en dan hoorde men bij ’t draaien van den wind onduidelijke kreten, gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was, en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in de verte.Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde nu en dan zacht: „Ik heb honger.”Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een grooten koek in de hand.Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de bewoners gebruik maakten, wanneer dehekken gesloten waren; welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit een dier huizen.De twee arme kinderen zagen den „heer” naderen en verscholen zich nog meer. ’t Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven „van alle uitspattingen te vermijden.” Hij had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne was.In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, ’t geen hun hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:„De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over.”Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en het gerucht luider.„Wat is dat?” vroeg het knaapje.De vader antwoordde:„’t Zijn Saturnaliën.”Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter het groene hok der zwanen stonden.„Dat is het begin,” zeide hij.Na eenig zwijgen voegde hij er bij:„De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen.”Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en begon te schreien.„Waarom schreit ge?” vroeg de vader.„Ik heb geen honger meer,” antwoordde het knaapje.De glimlach des vaders kwam meer uit.„Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten.”„Mij lust die koek niet; ze is oudbakken.”„Ge wilt hem niet?”„Neen.”De vader wees hem de zwanen.„Werp hem den zwanen toe.”De knaap aarzelde. ’t Is nog geen reden zijn koek weg te geven, wanneer men niet meer lust.De vader hernam:„Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben.”En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.De koek viel dicht aan den kant van ’t water.De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich trok.Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren betaamt.„De zwanen begrijpen de seinen,” zei de burger, die zich verheugde, zoo schrander te zijn geweest.In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad toe. ’t Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk over de zon.De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.„Keeren wij naar huis,” zei de vader. „Men bestormt de Tuilerieën.”Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:„Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het zal geweerschoten regenen.”Hij zag naar de wolk.„Misschien zal ’t ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis.”„Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten,” zei het knaapje.De vader antwoordde:„’t Zou onvoorzichtig zijn.”En hij voerde zijn kleinen burger mede.De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien voor hem verborg.Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in ’t water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:„Ziedaar, stop dit in uw maag.”1Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.2Wie zou de zon verkeerd durven noemen?Zeventiende hoofdstuk.De doode vader wacht den stervenden zoon.1Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde terug met de mand patronen; Marius met den knaap.„Helaas!” dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn hoofdgeschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius’ hoofd mede.Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den grijsaard en den knaap.Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had medegebracht.Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde hij het hoofd.„Een rare zonderling,” zei Combeferre zacht tot Enjolras. „’t Is hem mogelijk in deze barricade niet te vechten!”„’t Geen niet belet dat hij ze verdedigt,” antwoordde Enjolras.„Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen,” hernam Combeferre.En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:„Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf.”Het verdient opmerking, dat het vuur, ’t welk de barricade teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden van het schrootvuur tot hem zeggen: „Wij zijn hier als aan een ontbijt van jongelieden.” Zooals wij zeiden, scheen de barricade der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard aan den somberen genius Epidotas wijdende.Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet zeide tot Feuilly: „Wij zullen spoedig per diligence naar de andere planeet vertrekken.” Courfeyrac legde en rangschikte op eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een geheel arsenaal: zijn stokdegen,zijn geweer, twee ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op ’t hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.1Mortuus pater filium moriturum expectat.Achttiende hoofdstuk.De gier prooi geworden.Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden eigen is. Niets van ’t geen dezen merkwaardigen straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn slechts een visioen.In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom gehad te hebben.Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; ’t is meer en ’t is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, waarop bloed kleefde; ’t was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende dieptenaanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het slaan eener klok.„’t Is middag,” zei Combeferre.Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte der barricade met donderende stem:„Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de vensterbanken. De helft der manschappen in ’t geweer, de andere helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen.”Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in slagorde aan het einde der straat. ’t Kon niet anders dan de spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren ze te bestormen.Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de Clermont-Tonnerre, in 1822, den „halsstrik” noemde.Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.„Wie zal ze drinken?” vroeg Bossuet.„Zij,” antwoordde Enjolras.Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te sluiten.De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de slottoren.Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde der barricade.Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; daarop volgt de donder.Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun dood een meesterstuk moest zijn.Hij zeide tot Marius: „Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op.”Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:„De gekwetsten moeten niet gedeerd worden.”Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.„Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te vernielen. Heeft men ze?”„Ja,” zeide Feuilly.„Hoeveel?”„Twee bijlen en een houweel!”„Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren zijn er?”„Vier-en-dertig.”„Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben.”Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en zeide tot hem:„Ik vergeet u niet.”En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:„De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den kop jagen.”„Hier?” vroeg een stem.„Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren en fusilleeren.”Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was Javert.Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:„Zijt gij de kommandant?”„Ja.”„Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt.”„In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius Pontmercy en u.”„Meent ge, dat ik een belooning verdien?”„Zekerlijk.”„Welnu, dan verzoek ik ze.”„Welke?”„Dat ik dezen man doodschiet.”Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare beweging, en zeide:„Juist zoo.”Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag rondom zich.„Heeft niemand er iets tegen?”Toen zich tot Jean Valjean wendende:„Neem den spion.”Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.„Geeft acht!” riep Marius van den top der barricade.Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:„Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik.”„Allen naar buiten!” riep Enjolras.De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun rug zeggen:„Tot straks!”Negentiende hoofdstuk.Jean Valjean wreekt zich.Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine passen doen.Jean Valjean had het pistool in de hand.Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar hen gekeerd.Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg Mondétour overklimmen.Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen lijken een gruwzamen hoop.Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. ’t Was Eponine.Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste bedaardheid:„Mij dunkt, dat ik dit meisje ken.”Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:„Javert, ik ben het.”Javert antwoordde:„Neem nu uw wraak.”Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.„Een mes!” riep Javert. „Gij hebt gelijk. Dat past u beter.”Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:„Ge zijt vrij.”Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij stond onbewegelijk, met open mond.Jean Valjean hernam:„Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van Fauchelevent, in de straat de l’Homme-Armé No. 7 woon.”Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, en tusschen de tanden mompelde hij:„Pas op!”„Ga,” zei Jean Valjean.Javert hernam:„Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l’Homme-Armé?”„Nommer zeven.”Javert herhaalde halfluid: „nommer zeven.”Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean Valjean toe:„Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!”Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot hem sprak.„Ga heen,” zei Jean Valjean.Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den hoek der Predikersstraat om.Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:„’t Is verricht.”Inmiddels was het volgende gebeurd:Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion niet nauwkeurig opgemerkt.Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zichden politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich zelven de vraag: „Is dit niet die inspecteur van politie, die mij zeide, dat hij Javert heette?”’t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of ’t werkelijk deze Javert was.Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade geplaatst had:„Enjolras!”„Wat?”„Hoe heet die man?”„Wie?”„De politieagent. Kent ge zijn naam?”„Ja. Hij heeft hem ons gezegd.”„Hoe heet hij?”„Javert.”Marius richtte zich op.Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.Jean Valjean kwam terug en riep: „’t Is geschied.”Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.
Veertiende hoofdstuk.Waarin men den naam van Enjolras’ geliefde lezen zal.Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een spottend woord voor.„Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompeoude; het spijt mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder, ’t is maar hoesten.”En men lachte rondom hem.Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.„Ik bewonder Enjolras,” zei Bossuet. „Zijn onwrikbare vermetelheid verbaast mij. Hij leeft alleen, ’t geen hem misschien een weinig somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen, die ons dol, dat wil zeggendapper, maken. Is men verliefd als een tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan; ’t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken te zijn. ’t Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als vuur kan zijn.”Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: „Patria.”Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:„Iets nieuws!”En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij er bij:„Ik heet achtponder.”Inderdaad, een nieuw personage was op ’t tooneel verschenen. ’t Was een tweede stuk geschut.De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij bij het eerste.Dit bespoedigde de ontknooping.Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten, havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De vier kanonnen vormden een akelige echo.De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraatbeukten, schoot het eene schroot, het andere kogels.Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen; dit is een teeken dat de bestorming nabij was.Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot, misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen, gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.„Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,” zei Enjolras en hij riep: „Vuur op de artilleristen!”Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had, gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.„’t Gaat goed,” zei Bossuet tot Enjolras. „Wij slagen.”Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:„Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden geen tien patronen meer zijn.”Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.Vijftiende hoofdstuk.Gavroche buiten.Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op de straat, in den kogelregen.Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.„Wat doet ge daar?” vroeg Courfeyrac.Gavroche zag even op en zeide:„Ik vul mijn mand, burger.”„Ziet ge dan het schroot niet?”Gavroche antwoordde:„Welnu, het regent. Wat zou dat?”Courfeyrac riep:„Ga binnen!”„Aanstonds,” zei Gavroche.En met een sprong was hij verder in de straat.Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij een rij lijken had achtergelaten.Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat verspreid. ’t Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche; een voorraad patronen voor de barricade.De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen, waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig voor Gavroche.Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap een noot opent.Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.„Voor den dorst,” zeide hij den hoorn in den zak stekende.Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad, om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, dat zich in den kruitdamp bewoog.Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag,van zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.„Verduiveld!” zei Gavroche. „Nu gaat men mijn dooden dooden.”Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem springen. Een derde wierp zijn mand om.Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der voorstad kwam.Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht en hij zong:On est laid à Nanterre,C’est la faute à Voltaire,Et bête à Palaiseau.C’est la faute à Rousseau.1Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door een geweerkogel getroffen.Gavroche zong:Je ne suis pas notaire,C’est la faute à Voltaire,Je suis petit oiseau,C’est la faute à Rousseau.2Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet te ontlokken.Joie est mon caractère,C’est la faute à Voltaire,Misère est mon trousseau.C’est la faute à Rousseau.3Dit ging eenigen tijd zoo voort.’t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche, op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met eencouplet. Men mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd.De nationale garden en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur, sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg, keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar, plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun oogen. De barricade beefde; hij zong. ’t Was geen kind, ’t was geen man; ’t was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde, bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:Je suis tombé par terre,C’est la faute à Voltaire,Le nez dans le ruisseau,C’est la faute à.....4Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat, en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden.1Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.2Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.3Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.4Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van....Zestiende hoofdstuk.Hoe men van broeder vader wordt.In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,—want de blik van het drama moet overal zijn.—twee kinderen, die elkander bij de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek en in lompen gekleed, en hadden ’t voorkomen van schuwe vogels. Het kleinste zeide: „Ik heb grooten honger.”De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen, die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek der barrière d’Enfer, of op de esplanade van het Observatoire, of op het naburig plein, waar men op een gevel leest:invenerunt parvulum pannis involutum1, de tent van een koorddanser, waaruit zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door den wind verstrooide bladeren.Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der „verlaten kinderen,” welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten van Parijs vindt.Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden, zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als kinderen recht op bloemen hebben.Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en hadden de beide overtreders niet gezien.Het had den vorigen avond geregend en ook ’s morgens nog een weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als ’t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is alles druipnat, des namiddags is alles stof.Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en door de zon gedroogd is; ’t is een warme frischheid. De tuinen en weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht, zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld te oefenen.Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des hemels aanschouwende, zeggen: ’t is genoeg! droomers, die, in het wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame menschen, die onbarmhartigtevreden zijn. Zonderling, het oneindige is voor hen voldoende. Het eindige, ’t welk de omvatting toelaat, deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke, het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, bezig te houden? De mensch lijdt, ’t is mogelijk; maar zie naar Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind te zien. God verduistert hun ziel. ’t Is een familie van tevens kleine en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.’t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster in het midden van het voorhoofd.De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?Maar wien kan men dan vertrouwen?Solem quis dicere falsum audeat?2Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verhevenmenschen, sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig, slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is er dan boven de zon? God.Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren ’s morgens het Luxembourg, eenzaam en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën; de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken van dezen gloed.Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends; de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, als een kinderhandje dat men kust.De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk na en schenen te dartelen.Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zichgewasschen; al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn; sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg; de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. ’t Was luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en zeide: „De lente houdt parade in groot tenue.”De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel; ’t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen, de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel een weinig, ’t geen de verborgenheid van het kwade in het goede is, maar geen dier had een ledige maag.De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te verbergen. ’t Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.Nu en dan hoorde men bij ’t draaien van den wind onduidelijke kreten, gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was, en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in de verte.Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde nu en dan zacht: „Ik heb honger.”Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een grooten koek in de hand.Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de bewoners gebruik maakten, wanneer dehekken gesloten waren; welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit een dier huizen.De twee arme kinderen zagen den „heer” naderen en verscholen zich nog meer. ’t Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven „van alle uitspattingen te vermijden.” Hij had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne was.In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, ’t geen hun hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:„De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over.”Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en het gerucht luider.„Wat is dat?” vroeg het knaapje.De vader antwoordde:„’t Zijn Saturnaliën.”Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter het groene hok der zwanen stonden.„Dat is het begin,” zeide hij.Na eenig zwijgen voegde hij er bij:„De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen.”Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en begon te schreien.„Waarom schreit ge?” vroeg de vader.„Ik heb geen honger meer,” antwoordde het knaapje.De glimlach des vaders kwam meer uit.„Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten.”„Mij lust die koek niet; ze is oudbakken.”„Ge wilt hem niet?”„Neen.”De vader wees hem de zwanen.„Werp hem den zwanen toe.”De knaap aarzelde. ’t Is nog geen reden zijn koek weg te geven, wanneer men niet meer lust.De vader hernam:„Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben.”En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.De koek viel dicht aan den kant van ’t water.De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich trok.Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren betaamt.„De zwanen begrijpen de seinen,” zei de burger, die zich verheugde, zoo schrander te zijn geweest.In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad toe. ’t Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk over de zon.De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.„Keeren wij naar huis,” zei de vader. „Men bestormt de Tuilerieën.”Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:„Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het zal geweerschoten regenen.”Hij zag naar de wolk.„Misschien zal ’t ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis.”„Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten,” zei het knaapje.De vader antwoordde:„’t Zou onvoorzichtig zijn.”En hij voerde zijn kleinen burger mede.De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien voor hem verborg.Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in ’t water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:„Ziedaar, stop dit in uw maag.”1Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.2Wie zou de zon verkeerd durven noemen?Zeventiende hoofdstuk.De doode vader wacht den stervenden zoon.1Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde terug met de mand patronen; Marius met den knaap.„Helaas!” dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn hoofdgeschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius’ hoofd mede.Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den grijsaard en den knaap.Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had medegebracht.Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde hij het hoofd.„Een rare zonderling,” zei Combeferre zacht tot Enjolras. „’t Is hem mogelijk in deze barricade niet te vechten!”„’t Geen niet belet dat hij ze verdedigt,” antwoordde Enjolras.„Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen,” hernam Combeferre.En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:„Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf.”Het verdient opmerking, dat het vuur, ’t welk de barricade teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden van het schrootvuur tot hem zeggen: „Wij zijn hier als aan een ontbijt van jongelieden.” Zooals wij zeiden, scheen de barricade der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard aan den somberen genius Epidotas wijdende.Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet zeide tot Feuilly: „Wij zullen spoedig per diligence naar de andere planeet vertrekken.” Courfeyrac legde en rangschikte op eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een geheel arsenaal: zijn stokdegen,zijn geweer, twee ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op ’t hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.1Mortuus pater filium moriturum expectat.Achttiende hoofdstuk.De gier prooi geworden.Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden eigen is. Niets van ’t geen dezen merkwaardigen straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn slechts een visioen.In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom gehad te hebben.Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; ’t is meer en ’t is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, waarop bloed kleefde; ’t was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende dieptenaanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het slaan eener klok.„’t Is middag,” zei Combeferre.Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte der barricade met donderende stem:„Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de vensterbanken. De helft der manschappen in ’t geweer, de andere helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen.”Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in slagorde aan het einde der straat. ’t Kon niet anders dan de spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren ze te bestormen.Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de Clermont-Tonnerre, in 1822, den „halsstrik” noemde.Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.„Wie zal ze drinken?” vroeg Bossuet.„Zij,” antwoordde Enjolras.Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te sluiten.De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de slottoren.Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde der barricade.Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; daarop volgt de donder.Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun dood een meesterstuk moest zijn.Hij zeide tot Marius: „Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op.”Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:„De gekwetsten moeten niet gedeerd worden.”Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.„Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te vernielen. Heeft men ze?”„Ja,” zeide Feuilly.„Hoeveel?”„Twee bijlen en een houweel!”„Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren zijn er?”„Vier-en-dertig.”„Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben.”Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en zeide tot hem:„Ik vergeet u niet.”En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:„De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den kop jagen.”„Hier?” vroeg een stem.„Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren en fusilleeren.”Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was Javert.Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:„Zijt gij de kommandant?”„Ja.”„Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt.”„In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius Pontmercy en u.”„Meent ge, dat ik een belooning verdien?”„Zekerlijk.”„Welnu, dan verzoek ik ze.”„Welke?”„Dat ik dezen man doodschiet.”Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare beweging, en zeide:„Juist zoo.”Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag rondom zich.„Heeft niemand er iets tegen?”Toen zich tot Jean Valjean wendende:„Neem den spion.”Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.„Geeft acht!” riep Marius van den top der barricade.Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:„Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik.”„Allen naar buiten!” riep Enjolras.De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun rug zeggen:„Tot straks!”Negentiende hoofdstuk.Jean Valjean wreekt zich.Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine passen doen.Jean Valjean had het pistool in de hand.Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar hen gekeerd.Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg Mondétour overklimmen.Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen lijken een gruwzamen hoop.Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. ’t Was Eponine.Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste bedaardheid:„Mij dunkt, dat ik dit meisje ken.”Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:„Javert, ik ben het.”Javert antwoordde:„Neem nu uw wraak.”Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.„Een mes!” riep Javert. „Gij hebt gelijk. Dat past u beter.”Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:„Ge zijt vrij.”Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij stond onbewegelijk, met open mond.Jean Valjean hernam:„Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van Fauchelevent, in de straat de l’Homme-Armé No. 7 woon.”Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, en tusschen de tanden mompelde hij:„Pas op!”„Ga,” zei Jean Valjean.Javert hernam:„Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l’Homme-Armé?”„Nommer zeven.”Javert herhaalde halfluid: „nommer zeven.”Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean Valjean toe:„Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!”Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot hem sprak.„Ga heen,” zei Jean Valjean.Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den hoek der Predikersstraat om.Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:„’t Is verricht.”Inmiddels was het volgende gebeurd:Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion niet nauwkeurig opgemerkt.Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zichden politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich zelven de vraag: „Is dit niet die inspecteur van politie, die mij zeide, dat hij Javert heette?”’t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of ’t werkelijk deze Javert was.Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade geplaatst had:„Enjolras!”„Wat?”„Hoe heet die man?”„Wie?”„De politieagent. Kent ge zijn naam?”„Ja. Hij heeft hem ons gezegd.”„Hoe heet hij?”„Javert.”Marius richtte zich op.Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.Jean Valjean kwam terug en riep: „’t Is geschied.”Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.
Veertiende hoofdstuk.Waarin men den naam van Enjolras’ geliefde lezen zal.Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een spottend woord voor.„Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompeoude; het spijt mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder, ’t is maar hoesten.”En men lachte rondom hem.Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.„Ik bewonder Enjolras,” zei Bossuet. „Zijn onwrikbare vermetelheid verbaast mij. Hij leeft alleen, ’t geen hem misschien een weinig somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen, die ons dol, dat wil zeggendapper, maken. Is men verliefd als een tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan; ’t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken te zijn. ’t Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als vuur kan zijn.”Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: „Patria.”Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:„Iets nieuws!”En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij er bij:„Ik heet achtponder.”Inderdaad, een nieuw personage was op ’t tooneel verschenen. ’t Was een tweede stuk geschut.De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij bij het eerste.Dit bespoedigde de ontknooping.Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten, havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De vier kanonnen vormden een akelige echo.De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraatbeukten, schoot het eene schroot, het andere kogels.Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen; dit is een teeken dat de bestorming nabij was.Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot, misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen, gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.„Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,” zei Enjolras en hij riep: „Vuur op de artilleristen!”Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had, gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.„’t Gaat goed,” zei Bossuet tot Enjolras. „Wij slagen.”Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:„Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden geen tien patronen meer zijn.”Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.
Veertiende hoofdstuk.Waarin men den naam van Enjolras’ geliefde lezen zal.
Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een spottend woord voor.„Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompeoude; het spijt mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder, ’t is maar hoesten.”En men lachte rondom hem.Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.„Ik bewonder Enjolras,” zei Bossuet. „Zijn onwrikbare vermetelheid verbaast mij. Hij leeft alleen, ’t geen hem misschien een weinig somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen, die ons dol, dat wil zeggendapper, maken. Is men verliefd als een tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan; ’t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken te zijn. ’t Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als vuur kan zijn.”Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: „Patria.”Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:„Iets nieuws!”En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij er bij:„Ik heet achtponder.”Inderdaad, een nieuw personage was op ’t tooneel verschenen. ’t Was een tweede stuk geschut.De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij bij het eerste.Dit bespoedigde de ontknooping.Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten, havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De vier kanonnen vormden een akelige echo.De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraatbeukten, schoot het eene schroot, het andere kogels.Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen; dit is een teeken dat de bestorming nabij was.Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot, misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen, gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.„Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,” zei Enjolras en hij riep: „Vuur op de artilleristen!”Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had, gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.„’t Gaat goed,” zei Bossuet tot Enjolras. „Wij slagen.”Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:„Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden geen tien patronen meer zijn.”Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.
Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een spottend woord voor.
„Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompeoude; het spijt mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder, ’t is maar hoesten.”
En men lachte rondom hem.
Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.
„Ik bewonder Enjolras,” zei Bossuet. „Zijn onwrikbare vermetelheid verbaast mij. Hij leeft alleen, ’t geen hem misschien een weinig somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen, die ons dol, dat wil zeggendapper, maken. Is men verliefd als een tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan; ’t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken te zijn. ’t Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als vuur kan zijn.”
Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: „Patria.”
Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:
„Iets nieuws!”
En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij er bij:
„Ik heet achtponder.”
Inderdaad, een nieuw personage was op ’t tooneel verschenen. ’t Was een tweede stuk geschut.
De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij bij het eerste.
Dit bespoedigde de ontknooping.
Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.
Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten, havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De vier kanonnen vormden een akelige echo.
De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.
Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraatbeukten, schoot het eene schroot, het andere kogels.
Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.
Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen; dit is een teeken dat de bestorming nabij was.
Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot, misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen, gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.
„Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,” zei Enjolras en hij riep: „Vuur op de artilleristen!”
Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had, gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.
„’t Gaat goed,” zei Bossuet tot Enjolras. „Wij slagen.”
Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:
„Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden geen tien patronen meer zijn.”
Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.
Vijftiende hoofdstuk.Gavroche buiten.Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op de straat, in den kogelregen.Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.„Wat doet ge daar?” vroeg Courfeyrac.Gavroche zag even op en zeide:„Ik vul mijn mand, burger.”„Ziet ge dan het schroot niet?”Gavroche antwoordde:„Welnu, het regent. Wat zou dat?”Courfeyrac riep:„Ga binnen!”„Aanstonds,” zei Gavroche.En met een sprong was hij verder in de straat.Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij een rij lijken had achtergelaten.Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat verspreid. ’t Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche; een voorraad patronen voor de barricade.De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen, waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig voor Gavroche.Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap een noot opent.Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.„Voor den dorst,” zeide hij den hoorn in den zak stekende.Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad, om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, dat zich in den kruitdamp bewoog.Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag,van zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.„Verduiveld!” zei Gavroche. „Nu gaat men mijn dooden dooden.”Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem springen. Een derde wierp zijn mand om.Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der voorstad kwam.Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht en hij zong:On est laid à Nanterre,C’est la faute à Voltaire,Et bête à Palaiseau.C’est la faute à Rousseau.1Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door een geweerkogel getroffen.Gavroche zong:Je ne suis pas notaire,C’est la faute à Voltaire,Je suis petit oiseau,C’est la faute à Rousseau.2Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet te ontlokken.Joie est mon caractère,C’est la faute à Voltaire,Misère est mon trousseau.C’est la faute à Rousseau.3Dit ging eenigen tijd zoo voort.’t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche, op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met eencouplet. Men mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd.De nationale garden en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur, sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg, keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar, plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun oogen. De barricade beefde; hij zong. ’t Was geen kind, ’t was geen man; ’t was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde, bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:Je suis tombé par terre,C’est la faute à Voltaire,Le nez dans le ruisseau,C’est la faute à.....4Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat, en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden.1Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.2Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.3Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.4Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van....
Vijftiende hoofdstuk.Gavroche buiten.
Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op de straat, in den kogelregen.Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.„Wat doet ge daar?” vroeg Courfeyrac.Gavroche zag even op en zeide:„Ik vul mijn mand, burger.”„Ziet ge dan het schroot niet?”Gavroche antwoordde:„Welnu, het regent. Wat zou dat?”Courfeyrac riep:„Ga binnen!”„Aanstonds,” zei Gavroche.En met een sprong was hij verder in de straat.Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij een rij lijken had achtergelaten.Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat verspreid. ’t Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche; een voorraad patronen voor de barricade.De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen, waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig voor Gavroche.Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap een noot opent.Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.„Voor den dorst,” zeide hij den hoorn in den zak stekende.Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad, om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, dat zich in den kruitdamp bewoog.Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag,van zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.„Verduiveld!” zei Gavroche. „Nu gaat men mijn dooden dooden.”Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem springen. Een derde wierp zijn mand om.Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der voorstad kwam.Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht en hij zong:On est laid à Nanterre,C’est la faute à Voltaire,Et bête à Palaiseau.C’est la faute à Rousseau.1Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door een geweerkogel getroffen.Gavroche zong:Je ne suis pas notaire,C’est la faute à Voltaire,Je suis petit oiseau,C’est la faute à Rousseau.2Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet te ontlokken.Joie est mon caractère,C’est la faute à Voltaire,Misère est mon trousseau.C’est la faute à Rousseau.3Dit ging eenigen tijd zoo voort.’t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche, op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met eencouplet. Men mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd.De nationale garden en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur, sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg, keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar, plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun oogen. De barricade beefde; hij zong. ’t Was geen kind, ’t was geen man; ’t was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde, bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:Je suis tombé par terre,C’est la faute à Voltaire,Le nez dans le ruisseau,C’est la faute à.....4Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat, en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden.
Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op de straat, in den kogelregen.
Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.
„Wat doet ge daar?” vroeg Courfeyrac.
Gavroche zag even op en zeide:
„Ik vul mijn mand, burger.”
„Ziet ge dan het schroot niet?”
Gavroche antwoordde:
„Welnu, het regent. Wat zou dat?”
Courfeyrac riep:
„Ga binnen!”
„Aanstonds,” zei Gavroche.
En met een sprong was hij verder in de straat.
Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij een rij lijken had achtergelaten.
Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat verspreid. ’t Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche; een voorraad patronen voor de barricade.
De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.
Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen, waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig voor Gavroche.
Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.
Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap een noot opent.
Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.
Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.
„Voor den dorst,” zeide hij den hoorn in den zak stekende.
Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad, om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, dat zich in den kruitdamp bewoog.
Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag,van zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.
„Verduiveld!” zei Gavroche. „Nu gaat men mijn dooden dooden.”
Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem springen. Een derde wierp zijn mand om.
Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der voorstad kwam.
Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht en hij zong:
On est laid à Nanterre,C’est la faute à Voltaire,Et bête à Palaiseau.C’est la faute à Rousseau.1
On est laid à Nanterre,
C’est la faute à Voltaire,
Et bête à Palaiseau.
C’est la faute à Rousseau.1
Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door een geweerkogel getroffen.
Gavroche zong:
Je ne suis pas notaire,C’est la faute à Voltaire,Je suis petit oiseau,C’est la faute à Rousseau.2
Je ne suis pas notaire,
C’est la faute à Voltaire,
Je suis petit oiseau,
C’est la faute à Rousseau.2
Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet te ontlokken.
Joie est mon caractère,C’est la faute à Voltaire,Misère est mon trousseau.C’est la faute à Rousseau.3
Joie est mon caractère,
C’est la faute à Voltaire,
Misère est mon trousseau.
C’est la faute à Rousseau.3
Dit ging eenigen tijd zoo voort.
’t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche, op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met eencouplet. Men mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd.De nationale garden en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur, sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg, keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar, plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun oogen. De barricade beefde; hij zong. ’t Was geen kind, ’t was geen man; ’t was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde, bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.
Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:
Je suis tombé par terre,C’est la faute à Voltaire,Le nez dans le ruisseau,C’est la faute à.....4
Je suis tombé par terre,
C’est la faute à Voltaire,
Le nez dans le ruisseau,
C’est la faute à.....4
Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat, en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden.
1Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.2Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.3Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.4Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van....
1Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.
2Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.
3Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.
4Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van....
Zestiende hoofdstuk.Hoe men van broeder vader wordt.In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,—want de blik van het drama moet overal zijn.—twee kinderen, die elkander bij de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek en in lompen gekleed, en hadden ’t voorkomen van schuwe vogels. Het kleinste zeide: „Ik heb grooten honger.”De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen, die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek der barrière d’Enfer, of op de esplanade van het Observatoire, of op het naburig plein, waar men op een gevel leest:invenerunt parvulum pannis involutum1, de tent van een koorddanser, waaruit zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door den wind verstrooide bladeren.Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der „verlaten kinderen,” welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten van Parijs vindt.Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden, zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als kinderen recht op bloemen hebben.Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en hadden de beide overtreders niet gezien.Het had den vorigen avond geregend en ook ’s morgens nog een weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als ’t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is alles druipnat, des namiddags is alles stof.Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en door de zon gedroogd is; ’t is een warme frischheid. De tuinen en weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht, zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld te oefenen.Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des hemels aanschouwende, zeggen: ’t is genoeg! droomers, die, in het wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame menschen, die onbarmhartigtevreden zijn. Zonderling, het oneindige is voor hen voldoende. Het eindige, ’t welk de omvatting toelaat, deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke, het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, bezig te houden? De mensch lijdt, ’t is mogelijk; maar zie naar Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind te zien. God verduistert hun ziel. ’t Is een familie van tevens kleine en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.’t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster in het midden van het voorhoofd.De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?Maar wien kan men dan vertrouwen?Solem quis dicere falsum audeat?2Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verhevenmenschen, sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig, slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is er dan boven de zon? God.Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren ’s morgens het Luxembourg, eenzaam en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën; de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken van dezen gloed.Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends; de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, als een kinderhandje dat men kust.De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk na en schenen te dartelen.Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zichgewasschen; al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn; sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg; de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. ’t Was luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en zeide: „De lente houdt parade in groot tenue.”De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel; ’t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen, de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel een weinig, ’t geen de verborgenheid van het kwade in het goede is, maar geen dier had een ledige maag.De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te verbergen. ’t Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.Nu en dan hoorde men bij ’t draaien van den wind onduidelijke kreten, gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was, en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in de verte.Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde nu en dan zacht: „Ik heb honger.”Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een grooten koek in de hand.Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de bewoners gebruik maakten, wanneer dehekken gesloten waren; welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit een dier huizen.De twee arme kinderen zagen den „heer” naderen en verscholen zich nog meer. ’t Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven „van alle uitspattingen te vermijden.” Hij had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne was.In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, ’t geen hun hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:„De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over.”Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en het gerucht luider.„Wat is dat?” vroeg het knaapje.De vader antwoordde:„’t Zijn Saturnaliën.”Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter het groene hok der zwanen stonden.„Dat is het begin,” zeide hij.Na eenig zwijgen voegde hij er bij:„De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen.”Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en begon te schreien.„Waarom schreit ge?” vroeg de vader.„Ik heb geen honger meer,” antwoordde het knaapje.De glimlach des vaders kwam meer uit.„Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten.”„Mij lust die koek niet; ze is oudbakken.”„Ge wilt hem niet?”„Neen.”De vader wees hem de zwanen.„Werp hem den zwanen toe.”De knaap aarzelde. ’t Is nog geen reden zijn koek weg te geven, wanneer men niet meer lust.De vader hernam:„Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben.”En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.De koek viel dicht aan den kant van ’t water.De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich trok.Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren betaamt.„De zwanen begrijpen de seinen,” zei de burger, die zich verheugde, zoo schrander te zijn geweest.In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad toe. ’t Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk over de zon.De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.„Keeren wij naar huis,” zei de vader. „Men bestormt de Tuilerieën.”Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:„Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het zal geweerschoten regenen.”Hij zag naar de wolk.„Misschien zal ’t ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis.”„Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten,” zei het knaapje.De vader antwoordde:„’t Zou onvoorzichtig zijn.”En hij voerde zijn kleinen burger mede.De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien voor hem verborg.Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in ’t water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:„Ziedaar, stop dit in uw maag.”1Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.2Wie zou de zon verkeerd durven noemen?
Zestiende hoofdstuk.Hoe men van broeder vader wordt.
In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,—want de blik van het drama moet overal zijn.—twee kinderen, die elkander bij de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek en in lompen gekleed, en hadden ’t voorkomen van schuwe vogels. Het kleinste zeide: „Ik heb grooten honger.”De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen, die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek der barrière d’Enfer, of op de esplanade van het Observatoire, of op het naburig plein, waar men op een gevel leest:invenerunt parvulum pannis involutum1, de tent van een koorddanser, waaruit zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door den wind verstrooide bladeren.Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der „verlaten kinderen,” welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten van Parijs vindt.Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden, zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als kinderen recht op bloemen hebben.Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en hadden de beide overtreders niet gezien.Het had den vorigen avond geregend en ook ’s morgens nog een weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als ’t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is alles druipnat, des namiddags is alles stof.Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en door de zon gedroogd is; ’t is een warme frischheid. De tuinen en weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht, zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld te oefenen.Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des hemels aanschouwende, zeggen: ’t is genoeg! droomers, die, in het wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame menschen, die onbarmhartigtevreden zijn. Zonderling, het oneindige is voor hen voldoende. Het eindige, ’t welk de omvatting toelaat, deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke, het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, bezig te houden? De mensch lijdt, ’t is mogelijk; maar zie naar Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind te zien. God verduistert hun ziel. ’t Is een familie van tevens kleine en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.’t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster in het midden van het voorhoofd.De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?Maar wien kan men dan vertrouwen?Solem quis dicere falsum audeat?2Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verhevenmenschen, sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig, slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is er dan boven de zon? God.Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren ’s morgens het Luxembourg, eenzaam en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën; de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken van dezen gloed.Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends; de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, als een kinderhandje dat men kust.De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk na en schenen te dartelen.Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zichgewasschen; al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn; sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg; de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. ’t Was luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en zeide: „De lente houdt parade in groot tenue.”De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel; ’t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen, de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel een weinig, ’t geen de verborgenheid van het kwade in het goede is, maar geen dier had een ledige maag.De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te verbergen. ’t Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.Nu en dan hoorde men bij ’t draaien van den wind onduidelijke kreten, gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was, en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in de verte.Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde nu en dan zacht: „Ik heb honger.”Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een grooten koek in de hand.Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de bewoners gebruik maakten, wanneer dehekken gesloten waren; welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit een dier huizen.De twee arme kinderen zagen den „heer” naderen en verscholen zich nog meer. ’t Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven „van alle uitspattingen te vermijden.” Hij had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne was.In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, ’t geen hun hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:„De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over.”Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en het gerucht luider.„Wat is dat?” vroeg het knaapje.De vader antwoordde:„’t Zijn Saturnaliën.”Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter het groene hok der zwanen stonden.„Dat is het begin,” zeide hij.Na eenig zwijgen voegde hij er bij:„De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen.”Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en begon te schreien.„Waarom schreit ge?” vroeg de vader.„Ik heb geen honger meer,” antwoordde het knaapje.De glimlach des vaders kwam meer uit.„Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten.”„Mij lust die koek niet; ze is oudbakken.”„Ge wilt hem niet?”„Neen.”De vader wees hem de zwanen.„Werp hem den zwanen toe.”De knaap aarzelde. ’t Is nog geen reden zijn koek weg te geven, wanneer men niet meer lust.De vader hernam:„Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben.”En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.De koek viel dicht aan den kant van ’t water.De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich trok.Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren betaamt.„De zwanen begrijpen de seinen,” zei de burger, die zich verheugde, zoo schrander te zijn geweest.In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad toe. ’t Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk over de zon.De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.„Keeren wij naar huis,” zei de vader. „Men bestormt de Tuilerieën.”Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:„Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het zal geweerschoten regenen.”Hij zag naar de wolk.„Misschien zal ’t ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis.”„Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten,” zei het knaapje.De vader antwoordde:„’t Zou onvoorzichtig zijn.”En hij voerde zijn kleinen burger mede.De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien voor hem verborg.Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in ’t water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:„Ziedaar, stop dit in uw maag.”
In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,—want de blik van het drama moet overal zijn.—twee kinderen, die elkander bij de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek en in lompen gekleed, en hadden ’t voorkomen van schuwe vogels. Het kleinste zeide: „Ik heb grooten honger.”
De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.
Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen, die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.
Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek der barrière d’Enfer, of op de esplanade van het Observatoire, of op het naburig plein, waar men op een gevel leest:invenerunt parvulum pannis involutum1, de tent van een koorddanser, waaruit zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.
Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door den wind verstrooide bladeren.
Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.
Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der „verlaten kinderen,” welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten van Parijs vindt.
Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden, zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als kinderen recht op bloemen hebben.
Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en hadden de beide overtreders niet gezien.
Het had den vorigen avond geregend en ook ’s morgens nog een weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als ’t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is alles druipnat, des namiddags is alles stof.
Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en door de zon gedroogd is; ’t is een warme frischheid. De tuinen en weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht, zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld te oefenen.
Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des hemels aanschouwende, zeggen: ’t is genoeg! droomers, die, in het wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame menschen, die onbarmhartigtevreden zijn. Zonderling, het oneindige is voor hen voldoende. Het eindige, ’t welk de omvatting toelaat, deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke, het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, bezig te houden? De mensch lijdt, ’t is mogelijk; maar zie naar Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind te zien. God verduistert hun ziel. ’t Is een familie van tevens kleine en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.
’t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster in het midden van het voorhoofd.
De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?
Maar wien kan men dan vertrouwen?Solem quis dicere falsum audeat?2Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verhevenmenschen, sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig, slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is er dan boven de zon? God.
Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren ’s morgens het Luxembourg, eenzaam en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën; de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken van dezen gloed.
Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends; de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, als een kinderhandje dat men kust.
De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk na en schenen te dartelen.
Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.
Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zichgewasschen; al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn; sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg; de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. ’t Was luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en zeide: „De lente houdt parade in groot tenue.”
De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel; ’t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen, de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel een weinig, ’t geen de verborgenheid van het kwade in het goede is, maar geen dier had een ledige maag.
De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te verbergen. ’t Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.
Nu en dan hoorde men bij ’t draaien van den wind onduidelijke kreten, gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was, en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in de verte.
Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde nu en dan zacht: „Ik heb honger.”
Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een grooten koek in de hand.
Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de bewoners gebruik maakten, wanneer dehekken gesloten waren; welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit een dier huizen.
De twee arme kinderen zagen den „heer” naderen en verscholen zich nog meer. ’t Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven „van alle uitspattingen te vermijden.” Hij had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.
Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne was.
In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, ’t geen hun hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.
Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:
„De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over.”
Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en het gerucht luider.
„Wat is dat?” vroeg het knaapje.
De vader antwoordde:
„’t Zijn Saturnaliën.”
Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter het groene hok der zwanen stonden.
„Dat is het begin,” zeide hij.
Na eenig zwijgen voegde hij er bij:
„De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen.”
Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en begon te schreien.
„Waarom schreit ge?” vroeg de vader.
„Ik heb geen honger meer,” antwoordde het knaapje.
De glimlach des vaders kwam meer uit.
„Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten.”
„Mij lust die koek niet; ze is oudbakken.”
„Ge wilt hem niet?”
„Neen.”
De vader wees hem de zwanen.
„Werp hem den zwanen toe.”
De knaap aarzelde. ’t Is nog geen reden zijn koek weg te geven, wanneer men niet meer lust.
De vader hernam:
„Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben.”
En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.
De koek viel dicht aan den kant van ’t water.
De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.
De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich trok.
Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren betaamt.
„De zwanen begrijpen de seinen,” zei de burger, die zich verheugde, zoo schrander te zijn geweest.
In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad toe. ’t Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk over de zon.
De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.
„Keeren wij naar huis,” zei de vader. „Men bestormt de Tuilerieën.”
Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:
„Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het zal geweerschoten regenen.”
Hij zag naar de wolk.
„Misschien zal ’t ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis.”
„Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten,” zei het knaapje.
De vader antwoordde:
„’t Zou onvoorzichtig zijn.”
En hij voerde zijn kleinen burger mede.
De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien voor hem verborg.
Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.
Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.
Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.
Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in ’t water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:
„Ziedaar, stop dit in uw maag.”
1Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.2Wie zou de zon verkeerd durven noemen?
1Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.
2Wie zou de zon verkeerd durven noemen?
Zeventiende hoofdstuk.De doode vader wacht den stervenden zoon.1Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde terug met de mand patronen; Marius met den knaap.„Helaas!” dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn hoofdgeschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius’ hoofd mede.Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den grijsaard en den knaap.Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had medegebracht.Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde hij het hoofd.„Een rare zonderling,” zei Combeferre zacht tot Enjolras. „’t Is hem mogelijk in deze barricade niet te vechten!”„’t Geen niet belet dat hij ze verdedigt,” antwoordde Enjolras.„Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen,” hernam Combeferre.En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:„Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf.”Het verdient opmerking, dat het vuur, ’t welk de barricade teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden van het schrootvuur tot hem zeggen: „Wij zijn hier als aan een ontbijt van jongelieden.” Zooals wij zeiden, scheen de barricade der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard aan den somberen genius Epidotas wijdende.Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet zeide tot Feuilly: „Wij zullen spoedig per diligence naar de andere planeet vertrekken.” Courfeyrac legde en rangschikte op eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een geheel arsenaal: zijn stokdegen,zijn geweer, twee ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op ’t hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.1Mortuus pater filium moriturum expectat.
Zeventiende hoofdstuk.De doode vader wacht den stervenden zoon.1
Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde terug met de mand patronen; Marius met den knaap.„Helaas!” dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn hoofdgeschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius’ hoofd mede.Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den grijsaard en den knaap.Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had medegebracht.Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde hij het hoofd.„Een rare zonderling,” zei Combeferre zacht tot Enjolras. „’t Is hem mogelijk in deze barricade niet te vechten!”„’t Geen niet belet dat hij ze verdedigt,” antwoordde Enjolras.„Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen,” hernam Combeferre.En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:„Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf.”Het verdient opmerking, dat het vuur, ’t welk de barricade teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden van het schrootvuur tot hem zeggen: „Wij zijn hier als aan een ontbijt van jongelieden.” Zooals wij zeiden, scheen de barricade der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard aan den somberen genius Epidotas wijdende.Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet zeide tot Feuilly: „Wij zullen spoedig per diligence naar de andere planeet vertrekken.” Courfeyrac legde en rangschikte op eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een geheel arsenaal: zijn stokdegen,zijn geweer, twee ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op ’t hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.
Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde terug met de mand patronen; Marius met den knaap.
„Helaas!” dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.
Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.
Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn hoofdgeschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.
Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius’ hoofd mede.
Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den grijsaard en den knaap.
Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had medegebracht.
Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.
Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde hij het hoofd.
„Een rare zonderling,” zei Combeferre zacht tot Enjolras. „’t Is hem mogelijk in deze barricade niet te vechten!”
„’t Geen niet belet dat hij ze verdedigt,” antwoordde Enjolras.
„Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen,” hernam Combeferre.
En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:
„Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf.”
Het verdient opmerking, dat het vuur, ’t welk de barricade teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden van het schrootvuur tot hem zeggen: „Wij zijn hier als aan een ontbijt van jongelieden.” Zooals wij zeiden, scheen de barricade der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard aan den somberen genius Epidotas wijdende.
Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet zeide tot Feuilly: „Wij zullen spoedig per diligence naar de andere planeet vertrekken.” Courfeyrac legde en rangschikte op eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een geheel arsenaal: zijn stokdegen,zijn geweer, twee ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op ’t hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.
1Mortuus pater filium moriturum expectat.
1Mortuus pater filium moriturum expectat.
Achttiende hoofdstuk.De gier prooi geworden.Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden eigen is. Niets van ’t geen dezen merkwaardigen straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn slechts een visioen.In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom gehad te hebben.Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; ’t is meer en ’t is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, waarop bloed kleefde; ’t was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende dieptenaanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het slaan eener klok.„’t Is middag,” zei Combeferre.Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte der barricade met donderende stem:„Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de vensterbanken. De helft der manschappen in ’t geweer, de andere helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen.”Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in slagorde aan het einde der straat. ’t Kon niet anders dan de spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren ze te bestormen.Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de Clermont-Tonnerre, in 1822, den „halsstrik” noemde.Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.„Wie zal ze drinken?” vroeg Bossuet.„Zij,” antwoordde Enjolras.Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te sluiten.De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de slottoren.Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde der barricade.Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; daarop volgt de donder.Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun dood een meesterstuk moest zijn.Hij zeide tot Marius: „Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op.”Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:„De gekwetsten moeten niet gedeerd worden.”Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.„Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te vernielen. Heeft men ze?”„Ja,” zeide Feuilly.„Hoeveel?”„Twee bijlen en een houweel!”„Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren zijn er?”„Vier-en-dertig.”„Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben.”Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en zeide tot hem:„Ik vergeet u niet.”En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:„De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den kop jagen.”„Hier?” vroeg een stem.„Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren en fusilleeren.”Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was Javert.Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:„Zijt gij de kommandant?”„Ja.”„Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt.”„In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius Pontmercy en u.”„Meent ge, dat ik een belooning verdien?”„Zekerlijk.”„Welnu, dan verzoek ik ze.”„Welke?”„Dat ik dezen man doodschiet.”Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare beweging, en zeide:„Juist zoo.”Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag rondom zich.„Heeft niemand er iets tegen?”Toen zich tot Jean Valjean wendende:„Neem den spion.”Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.„Geeft acht!” riep Marius van den top der barricade.Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:„Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik.”„Allen naar buiten!” riep Enjolras.De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun rug zeggen:„Tot straks!”
Achttiende hoofdstuk.De gier prooi geworden.
Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden eigen is. Niets van ’t geen dezen merkwaardigen straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn slechts een visioen.In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom gehad te hebben.Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; ’t is meer en ’t is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, waarop bloed kleefde; ’t was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende dieptenaanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het slaan eener klok.„’t Is middag,” zei Combeferre.Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte der barricade met donderende stem:„Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de vensterbanken. De helft der manschappen in ’t geweer, de andere helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen.”Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in slagorde aan het einde der straat. ’t Kon niet anders dan de spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren ze te bestormen.Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de Clermont-Tonnerre, in 1822, den „halsstrik” noemde.Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.„Wie zal ze drinken?” vroeg Bossuet.„Zij,” antwoordde Enjolras.Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te sluiten.De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de slottoren.Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde der barricade.Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; daarop volgt de donder.Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun dood een meesterstuk moest zijn.Hij zeide tot Marius: „Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op.”Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:„De gekwetsten moeten niet gedeerd worden.”Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.„Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te vernielen. Heeft men ze?”„Ja,” zeide Feuilly.„Hoeveel?”„Twee bijlen en een houweel!”„Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren zijn er?”„Vier-en-dertig.”„Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben.”Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en zeide tot hem:„Ik vergeet u niet.”En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:„De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den kop jagen.”„Hier?” vroeg een stem.„Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren en fusilleeren.”Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was Javert.Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:„Zijt gij de kommandant?”„Ja.”„Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt.”„In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius Pontmercy en u.”„Meent ge, dat ik een belooning verdien?”„Zekerlijk.”„Welnu, dan verzoek ik ze.”„Welke?”„Dat ik dezen man doodschiet.”Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare beweging, en zeide:„Juist zoo.”Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag rondom zich.„Heeft niemand er iets tegen?”Toen zich tot Jean Valjean wendende:„Neem den spion.”Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.„Geeft acht!” riep Marius van den top der barricade.Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:„Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik.”„Allen naar buiten!” riep Enjolras.De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun rug zeggen:„Tot straks!”
Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden eigen is. Niets van ’t geen dezen merkwaardigen straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.
Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn slechts een visioen.
In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom gehad te hebben.
Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; ’t is meer en ’t is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, waarop bloed kleefde; ’t was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende dieptenaanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.
Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.
Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het slaan eener klok.
„’t Is middag,” zei Combeferre.
Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte der barricade met donderende stem:
„Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de vensterbanken. De helft der manschappen in ’t geweer, de andere helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen.”
Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in slagorde aan het einde der straat. ’t Kon niet anders dan de spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren ze te bestormen.
Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de Clermont-Tonnerre, in 1822, den „halsstrik” noemde.
Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.
Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.
„Wie zal ze drinken?” vroeg Bossuet.
„Zij,” antwoordde Enjolras.
Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te sluiten.
De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de slottoren.
Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde der barricade.
Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; daarop volgt de donder.
Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun dood een meesterstuk moest zijn.
Hij zeide tot Marius: „Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op.”
Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.
Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:
„De gekwetsten moeten niet gedeerd worden.”
Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.
„Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te vernielen. Heeft men ze?”
„Ja,” zeide Feuilly.
„Hoeveel?”
„Twee bijlen en een houweel!”
„Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren zijn er?”
„Vier-en-dertig.”
„Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben.”
Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en zeide tot hem:
„Ik vergeet u niet.”
En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:
„De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den kop jagen.”
„Hier?” vroeg een stem.
„Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren en fusilleeren.”
Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was Javert.
Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:
„Zijt gij de kommandant?”
„Ja.”
„Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt.”
„In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius Pontmercy en u.”
„Meent ge, dat ik een belooning verdien?”
„Zekerlijk.”
„Welnu, dan verzoek ik ze.”
„Welke?”
„Dat ik dezen man doodschiet.”
Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare beweging, en zeide:
„Juist zoo.”
Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag rondom zich.
„Heeft niemand er iets tegen?”
Toen zich tot Jean Valjean wendende:
„Neem den spion.”
Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.
Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.
„Geeft acht!” riep Marius van den top der barricade.
Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:
„Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik.”
„Allen naar buiten!” riep Enjolras.
De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun rug zeggen:
„Tot straks!”
Negentiende hoofdstuk.Jean Valjean wreekt zich.Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine passen doen.Jean Valjean had het pistool in de hand.Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar hen gekeerd.Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg Mondétour overklimmen.Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen lijken een gruwzamen hoop.Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. ’t Was Eponine.Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste bedaardheid:„Mij dunkt, dat ik dit meisje ken.”Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:„Javert, ik ben het.”Javert antwoordde:„Neem nu uw wraak.”Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.„Een mes!” riep Javert. „Gij hebt gelijk. Dat past u beter.”Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:„Ge zijt vrij.”Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij stond onbewegelijk, met open mond.Jean Valjean hernam:„Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van Fauchelevent, in de straat de l’Homme-Armé No. 7 woon.”Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, en tusschen de tanden mompelde hij:„Pas op!”„Ga,” zei Jean Valjean.Javert hernam:„Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l’Homme-Armé?”„Nommer zeven.”Javert herhaalde halfluid: „nommer zeven.”Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean Valjean toe:„Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!”Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot hem sprak.„Ga heen,” zei Jean Valjean.Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den hoek der Predikersstraat om.Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:„’t Is verricht.”Inmiddels was het volgende gebeurd:Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion niet nauwkeurig opgemerkt.Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zichden politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich zelven de vraag: „Is dit niet die inspecteur van politie, die mij zeide, dat hij Javert heette?”’t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of ’t werkelijk deze Javert was.Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade geplaatst had:„Enjolras!”„Wat?”„Hoe heet die man?”„Wie?”„De politieagent. Kent ge zijn naam?”„Ja. Hij heeft hem ons gezegd.”„Hoe heet hij?”„Javert.”Marius richtte zich op.Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.Jean Valjean kwam terug en riep: „’t Is geschied.”Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.
Negentiende hoofdstuk.Jean Valjean wreekt zich.
Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine passen doen.Jean Valjean had het pistool in de hand.Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar hen gekeerd.Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg Mondétour overklimmen.Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen lijken een gruwzamen hoop.Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. ’t Was Eponine.Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste bedaardheid:„Mij dunkt, dat ik dit meisje ken.”Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:„Javert, ik ben het.”Javert antwoordde:„Neem nu uw wraak.”Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.„Een mes!” riep Javert. „Gij hebt gelijk. Dat past u beter.”Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:„Ge zijt vrij.”Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij stond onbewegelijk, met open mond.Jean Valjean hernam:„Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van Fauchelevent, in de straat de l’Homme-Armé No. 7 woon.”Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, en tusschen de tanden mompelde hij:„Pas op!”„Ga,” zei Jean Valjean.Javert hernam:„Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l’Homme-Armé?”„Nommer zeven.”Javert herhaalde halfluid: „nommer zeven.”Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean Valjean toe:„Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!”Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot hem sprak.„Ga heen,” zei Jean Valjean.Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den hoek der Predikersstraat om.Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:„’t Is verricht.”Inmiddels was het volgende gebeurd:Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion niet nauwkeurig opgemerkt.Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zichden politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich zelven de vraag: „Is dit niet die inspecteur van politie, die mij zeide, dat hij Javert heette?”’t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of ’t werkelijk deze Javert was.Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade geplaatst had:„Enjolras!”„Wat?”„Hoe heet die man?”„Wie?”„De politieagent. Kent ge zijn naam?”„Ja. Hij heeft hem ons gezegd.”„Hoe heet hij?”„Javert.”Marius richtte zich op.Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.Jean Valjean kwam terug en riep: „’t Is geschied.”Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.
Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.
Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine passen doen.
Jean Valjean had het pistool in de hand.
Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar hen gekeerd.
Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.
Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg Mondétour overklimmen.
Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen lijken een gruwzamen hoop.
Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. ’t Was Eponine.
Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste bedaardheid:
„Mij dunkt, dat ik dit meisje ken.”
Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.
Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:
„Javert, ik ben het.”
Javert antwoordde:
„Neem nu uw wraak.”
Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.
„Een mes!” riep Javert. „Gij hebt gelijk. Dat past u beter.”
Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:
„Ge zijt vrij.”
Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij stond onbewegelijk, met open mond.
Jean Valjean hernam:
„Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van Fauchelevent, in de straat de l’Homme-Armé No. 7 woon.”
Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, en tusschen de tanden mompelde hij:
„Pas op!”
„Ga,” zei Jean Valjean.
Javert hernam:
„Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l’Homme-Armé?”
„Nommer zeven.”
Javert herhaalde halfluid: „nommer zeven.”
Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean Valjean toe:
„Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!”
Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot hem sprak.
„Ga heen,” zei Jean Valjean.
Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den hoek der Predikersstraat om.
Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:
„’t Is verricht.”
Inmiddels was het volgende gebeurd:
Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion niet nauwkeurig opgemerkt.
Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zichden politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.
Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich zelven de vraag: „Is dit niet die inspecteur van politie, die mij zeide, dat hij Javert heette?”
’t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of ’t werkelijk deze Javert was.
Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade geplaatst had:
„Enjolras!”
„Wat?”
„Hoe heet die man?”
„Wie?”
„De politieagent. Kent ge zijn naam?”
„Ja. Hij heeft hem ons gezegd.”
„Hoe heet hij?”
„Javert.”
Marius richtte zich op.
Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.
Jean Valjean kwam terug en riep: „’t Is geschied.”
Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.