De lotgevallen van ’n vlalepel met een handleiding tot het begraven van ongelukken, ’n Oude historie uitStraat Magellaan, niet ontoepasselyk op andere straten.De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders gewoonlyk verkeerd beoordeeld, ’t geen blykt uit de overdrevenheid waarmee ze het tegendeel pryzen. “Dàt zal ’n man worden!” hoort men dikwyls zeggen van den knaap:qui ne doute de rien.Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van buiten-af, en dus aan z’n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in bescherming tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van zyn linksheid met desuffisancevan anderen. Het mag niet ontkend worden dat ziekelyke zwakte ’t gevolg wezen kan van te fyne bewerktuiging, en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking denkbaar, terwyl ’t verfynen van grove organismen my moeilyk of onmogelyk voorkomt.Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman, en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de luchtvaart van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika, kon ’t niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i, toen z’n buurmeisje hem aan ’t dessert ’n schotel roomvlâ overreikte...Geschied is het, o goden! En ... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar, als ’n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers:“de dat riet en dede niet wale.”Helaas! Welke geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben, den porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen, en dat ding—met wat vlâ er by, waarachtig!—te doen neerkomen in Sietske’s schoot? Hy deed het,hy! Hoogst-eigenhandig. enproprio motu! Geen Stoke kan ’t goedpraten. En zelfs Bilderdyk niet.Och, hoe droevig! Juist begon-i ’n beetje verder op z’n stoel te schuiven dan by de soep! Nog ’n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem niet ’n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten had optezeggen tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om doortegaan voor knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te schynen dan-i er zeker uitzag. Helaas, na die malle lepel-historie ... och! Hy had liever ’n pink gemist, z’n hand, z’n arm ... alles! Ja ... hy wou dat-i ergens onder den grond zat!Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderdwas tot de vraag hoe z’n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond na de katastroof, en alsof ’t er by behoorde, begon Sietske:—Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort.Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter ’n anderen lepel aan, dien ze van ’t wandbuvet had genomen.—Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.En allen drongen om ’t hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z’n ongelukje te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen, zag ze dat er ’n traan over z’n wangen rolde.—Mama, ik heb ’n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers goed? Zoo’n porseleinen ding is topzwaar... ik heb ’t wel al driemaal laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.De moeder knikte haar vriendelyk toe.—Krygen we nu Van Noort, papa?—Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie begin.—Foei, papa, aan tafel!—Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie van maandag, woensdag en vrydag ’t hevigst is. ’t Huis dreunt altyd na de geografie.—’n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.—Oude privilegien, papa! zei Willem.—Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd ingesteld, was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die barbaarsheid. Toen Herman ’t eerst in de les kwam...—Zóó’n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél laag. Je kon geenavoor ’nb.—Dàt is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de helft geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel ... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.—Omdat ik je lezen geleerd heb?—Olivier Van Noort, papa!—Lezen ... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo’n verwaand kereltjen eens!—Ik niet lezen! O papa, luister eens:Herman nam ’n ulevel, ploos er ’t devies uit, en las:Een vader die z’n zoontje plaagt ...—Dat staat er niet, riep Sietske.l’Amour est un enfant tromp ...—Trompette, zei Willem.—Olivier Van Noort, papa!Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad ’n heer de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid als oom Sybrand begroet werd.De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en droegHerman op, ’n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z’n studeerkamer te halen:—Maar jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding kan ’t niet helpen dat jelui zoo’n dommen hekel hebt aan geografie.Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen reeds gezeten waren, bracht-i ’t 5e deeltje mee van de “Nederlandsche Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven doorBennetenVan Wyk.”—Leesnu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend heeft?—O papa, al...—Nu?—Al komt er nu soms ’n domheid van my aan den dag...—Dat zou moeder niet kunnen helpen, meen je? Heel goed, jongen! Lees maar op.Herman las:“Den volgenden morgen (5November1599) ging men weder onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straatMagellaanaan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door ziekten enz. verloren hadden.Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaatsde los Virgene(?)weder ankerde, zonder dat men de redenen, die hem daartoe bewogen, konde doorgronden.”“Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy—Van Noort—geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord, wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide, dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken, terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had.Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord, dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord, werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door hem bewaard.”“Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die slechts ½ myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug.”“Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit was gebleven, by de andere schepen ten anker.”Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven, ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ...—De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei Holsma. Volgende bladzy!Herman sloeg ’n blaadjen om, en ging voort:“Den 8sten (Januari1600) ging eene sloep en jol van den Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde, dat het menschenëters waren.”“Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd...—Genoeg! riep Holsma.En hy tikte met ’n waarloos tuinstokjen ’t boek toe.—’t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.—Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder.—Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten aangaande de bewoners van dat land.—Als ze maar ’t ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er zyn vergiftigen onder.—Er was ’nRin de maand.—Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen ’n ander ... klimaat, meende Herman. Wat wyFebruarinoemen, komt daar in ’t hartje van den zomer.—Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt hy in ’t hartje van Februari ... als-i komt. Maar gewoonlyk komt-i byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52 en 54 breedte-graden.—Dat is niet nader aan ’n pool dan wy hier op den Kolveniers-burgwal.—Ja, maar ... zieje, de onderste helft van ... de kaart is veel kouder en natter, riep Sietske.—Wat ’n barbaarsche uitdrukking!Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: “ja, kind!” Ze zei, ’t kwam van Livius en kegelsneden.—Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die ’n oudsten broeder versiert.De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had?Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by ’t begin van de lezing, ’n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets opgeschreven. Hy beweerde dat detaalvan ’t voorgelezene zeer onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden hem geschonken.—Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze van oude zeelui, geven ze ’n modelletje van de hedendaagsche rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot spellingbepaalde! Ze hebben ook den styl ... verbeterd, naar ze meenen. Zulke lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aäron ’n paar horloges op zak te geven, en—om de deftigheid—onzen Lieven-heer ’n staart-pruikjen in den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en ... bedorven is, deugt niet in het oog van die heeren. Het is de vraag of een van de zeeluî die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch leverde als zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar de oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn dat de moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben opgezocht in de boekjes die daarover heden-ten-dage ... hoe heeten ook de taalkenners van deze week?—Siegenbeek en Weiland, oom.—Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i ’n onnoodige letter meer of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu “zoo” en “oogen” met tweeo’s, naar ik hoor. Straks verandert dit weer. Dan komen er weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking dat er tweeo’s zyn in “vrolykheid” en maar één in “drogen” ...—Hé, oom! riepen de kinderen, met ’n verbazing die het tegenwoordig geslacht verbazen zal.—Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm ... gek? Als men op zoo’n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen die zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen dan ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden in nog nieuwer spelling, die dàn de ware alleen-zaligmakende wezen zal. Op die wyze wordt er nooit iets klassiek.—’t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel bederft. Waar de “letterkundige” bekwaamheid van deze soort een maal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt byv. in die boekjes gesproken van “roeiriemen” en “verdek”, woorden die nooit over de lippen van ’n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat men op zeeschepen ’n “jol” heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit van zoo’n ding hooren spreken. Ze hebben daar ’n barkas, ’n boot, sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de verwaandheid van lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren zy brutaal-weg de oorspronkelyke berichten over Landen en Volken, en geven ’n pover artikeltjen over zoo’n land of volk uit hun eigen “Aardrykskundig Woordenboek” in de plaats. Die berichten zyn onvolledig en onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen wezen als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit te bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid der eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen nu niet welken indruk ’n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de eerste bezoekersmaakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen...De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!... we moeten slikken wat zekere m’nheer Van Wykthansover de door oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua naar Kanaän zond, laten terugkeeren met ’n hedendaagsche beschryving van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat heb je meer in je boekje?—Papa, den 10en November had Van Noort geen sloep, en den 8en Januari ging men van z’n schip met ’n sloep aan-wal om mosselen te zoeken.Quaeriturwaar die sloep vandaan kwam?—Hy kon zich ’n sloep hebben doen afstaan van een der andere schepen. Maar ik herinner me iets van ’t maken van zoo’n vaartuig.De dokter bladerde even:—Ziedaar, zeide hy. En Herman las:“Dienzelfden dag—2 December—verzeilden de schepen naar een ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37 voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet, waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen, wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats, verkreeg den naam van denOliviers-baai.”—Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer?—De uitdrukking “in apprehensiehouden” bevalt me niet.—’n Stadhuiswoord!—Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me.—Maar ’t was ’n rechtzaak!—Apprehenderebeteekent aanvatten, aangrypen...—O hemel, daar komt Livius!—Neen, kind... Suetonius.Apprehendo bucculam—voel maar!—beduidt: ik knyp m’n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied inteboezemen.—Domme jongen, met je latyn!—En wat heb je nu tegen deapprehensievan dien Ilpendam?—Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man zoo heette. ’t Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor ’n zeeman van zyn tyd gepaster voor.—Dit kan gegrond zyn.—En Van Noort dan? riepen ’n paar anderen. Die had ook ’n vàn!—Dat was ’n Admiraal!—De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.—Hm! Dienranghadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren tydelyke titels ... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber vande expeditie. ’t Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by ’t uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor ’n admiraal in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen overapprehensie?—Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis tenemen. De beteekenis vanapprehendereis: aangrypen, aanvatten. Men kan iemand niet in “aangryping” houden.—Korrekt! zei de vader. Korrekt als ’n zonnestelsel...—Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar hy weet niet waarom.—Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m’n breikatoen.—Willems poot heeft mama’s draad inapprehensie... gehouden, plaagde Herman.Oom Sybrand fluisterde Sietske in ’t oor.—Hoe weet je, dat apprehendere“aangrypen” beteekent?—’t Staat in alle woordenboeken, kind.—Wat nu, oom? Laat me niet in den steek.Oom fluisterde: “’t is knoeilatyn, neen ... ’t is latyn ... ook ’n knoeitaal!”—’t Is knoeilatyn, of ... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan, oom. Niet te veel te-gelyk!—Kind, bezondig je niet. Als ’t niet te veel eer voor je was, zou ik je ’t woord wyzen by Cicero.—Oom?Sybrand fluisterde.—Je heele Cicero verstond z’n eigen latyn niet.—O goden, wat moet ik vernemen, hier in m’n vaders eigen tuin! Kind, ga naar ’t land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster, gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster,horresco! Papa, ik ben verontwaardigd.—Dit schynt wel!—Je zit weer op m’n kluw, jongen!—Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me ’n flinken latynschen vloek, toe!—Vraag ’m naar den wortel.—Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel is van je ... Cicero?Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord was. Z’n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes van ’t gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er gezegd werd, vatte hy den toon niet. In de omgeving waaraan hy gewoon was, heerschte iets zwaars dat hem neerdrukte. Hier evenwel scheen alles te huppelen, te zweven. En toch voelde hy zeer goed dat er in dezen kring geen spraak was van lichtvaardigheid. Zou dàt nu wezen wat Juffrouw Laps “wereldsch”noemt, dacht hy, en zou nu die heele familie niet in den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy vond dat het toch jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den dokter over erfzonde en drieëenheid...Doch z’n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te staan. Wat hem bovenal trof, was z’n eigen onwetendheid. Het verdriet hierover werd nog grooter, toen ’t gesprek ’n litterarische wending nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik ook wel kunnenbegrypen... als ik ’t maarwist!...Oom Sybrand leî aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in de manier waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde.1Daar kwam zoo-waar ’n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen, waar Wouter bleef? ’t Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan.—Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje?—Ja, m’nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal gebeurd is.—Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over ’t vonnis van dien Jakob Claesz had ik ’n opmerking te maken. Kaatje, zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl.Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.—Dat’s waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad uitsprak. De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg Sybrand.Holsma schudde ontkennend het hoofd.—Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó’n strengheid niet noodig was...—Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees eens voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot ... leven onder menschen die hem dooden zouden.Herman las:“Den 24sten (Januari1600) werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd, besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen.”—Er ligt ’n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.—Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou misschien kunnen pleiten voor zekeren graadvan beschaving. Misschien moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in ’t Journaal van kannibalismus gesproken. Van ’n kind dat men aan-wal geroofd, en geleerd had zich eenigszins in ’t hollandsch uittedrukken, vernamen onze reizigers dat z’n landgenooten—sommige stammen althans—zich daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad verkeerde in demeeningdat de ongelukkige dien men verstiet, onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen ’t barbaarsche Vuurland tot beul.—En dat gebed!—Niet waar? ’t Is om te yzen! Zoo’n afschuwelyke klucht na ’t bloedige voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die Vuurlanders ’t ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of maakten ze af, zònder God. Maar zy die ’t ware Geloof hadden, doemden den ongelukkige tot zoo’n straf ... mèt God! Wat is beter? Ik zie hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid nog den schimp voegden van de bespotting.—Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.—Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had ik—voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling der zaak in ’t Journaal—voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer treurig hebben gevonden, maar ... noodzakelyk! En zelfs duid ik het noch Van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun tyd waren. De straf van “aan-wal zetten” schynt in vroeger eeuwen by zeelieden gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk die ’t model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo’n wys op z’n eiland geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeeluî komen dergelyke gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by, dat het ’nwreedgebruik was. Tracht u eens den toestand voor den geest te halen van den veroordeelde die met ’n weinig brood en wyn op zoo’n ongastvrye kust aan-wal stapt! Hywistwat er met de matrozen die oesters gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens voor, wat hy gevoelen moest toen de sloep die hem gebracht had, zich verwyderde! Toen de matrozen—kort geleden nog z’n ondergeschikten—hem dwongen de hulk te verlaten! Toen ze hem “vaarwel” zeiden! Denkt eens na, jongens, over de vreeselyke beteekenis van dàtvaarwel! Die wegvarende sloep was ’t laatste punt van z’n aanraking met de maatschappy. Die matrozen zouden ’t schip weerzien: hunte-huis,waar ze kameraden hadden, en leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was voor hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn mee, om de marteling te rekken van ’t besef dàt dit alles voor hem verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan ’t ontwyken van de wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren?De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien ’t Vaderland weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van dereis verhalen! En daar klonken stemmen—de ongelukkige moet ze gehoord hebben in z’n verlatenheid!—stemmen die aan de teruggekeerden vraagden: “waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam?”Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by ’t staren op den geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet hem ’t aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen en waarom? Immers wat baatte het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging, of hy by ’t strand bleef of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten, of ’n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood?Zeker zal hy aan ’t strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek, en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede, van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van ’t besef vooral dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog altyd ’n schip, daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn “Fredrik Hendrik” waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y voor Amsterdam. Daar immers voer ’n sloep, bemand met hollandsche matrozen. Daar waren menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog kort geleden... medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze hem op die kille kust overlaten aan z’n lot? Maar dit was onmogelyk, onmogelyk! Dit kon niet waar zyn!En toch, toch...Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy die hem met ’n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord, toen hy zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop?Als er ’n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om ’t arme dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hem mocht, hèm wilde men niet redden!Indien een van de roeiers ’n muts had achtergelaten aan den wal... misschien zouden zy teruggekeerd zyn om ’t verlorene te zoeken. Maar om hèm aftehalen keerde men niet terug!Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor ’t laatst gezien hebben, haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en de sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen, bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs de hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts byblyven in ’n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige wezenloosheid der vertwyfeling.Alle aanraking met de mensheid was hem afgesneden, op ’t vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te worden door ’t laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou.De Krygsraad vonniste “by meerderheid van stemmen” staat er. Niet byalgemeenestemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroordeelde genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in ’n zaak van dezen aard is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op verzachting van het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet den ongelukkige bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben aan martelende hoop. De mogelykheid bestond immers, dat men aan-boord van ’t admiraalschip na de aanvankelyke uitvoering van ’t vonnis, zich geroerd voelde? Het kòn immers wezen dat die aandoening zich bemachtigde van Van Noort zelf? Was deze niet eenmaal z’n ambtgenoot, z’n kameraad, z’n makker, z’n vriend? We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber der expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou ’t niet zelfs kunnen liggen in ’n welbegrepen taktiek, de opgelegde straf te verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid te versterken door ’n beroep op de thans in-acht genomen matiging?De arme balling moetgehoopthebben.Zoolang die schepen daar lagen...Helaas!Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by ’t ankerwinden! Hy hoort het neerklikken van den pal in ’t braadspil.2Elke tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden cylinder belet, verkort den kabel die ’t schip verbindt met anker en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de richting van de plek waar ’t anker den grond vat. En hy, de ervaren zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig, verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigenruk. Gedurende het ophalen van de “bocht” liep het geklikklak van ’t yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate het touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die ’t op den bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen te stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van ’t kleine voorwerp, als ’n uitroepingsteeken op de verzekering dat er ’n stap méér was gedaan ter-voorbereiding van ’t wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt den boeg als ’n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden hoorns. Als ’n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de gestrekte voorbeenen. DeFrederik Hendrik,zynschip,zyntrouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z’n waterlyn, en heft den achtersteven omhoog, enjumpt, en schynt zich te willen laten neerhieuwen in de diepte, liever dan z’n bevelhebber te verlaten, die daar handenwringend om genade staat te smeeken op ’t vreemde strand...En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in ’t zand, in de steenen, in ’t koraal, in de spleet van ’n onderzeesche rots misschien...Zou die bodem medelyden met hem hebben, en ’t anker niet loslaten?Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen ’t laatste “o... ho... ho... iiii!” dat ’n eind maakte aan allen twyfel.De zeilen, reeds onder ’t ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerende geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos, Van-tyd tot-tyd sloegen zeback, en vertoonden een schyn van onwil tot het verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen zou. Met hun bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst voor de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren.Maar ook dit had opgehouden. Door ’n kleine beweging van ’t roer boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De zeilen werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen zetten koers... verwyderen zich... raken uit zicht... het vreeselyk vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z’n strengheid!De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk waartenemen, dien deze schildering op de kinderen maakte. Wouters maagdelyk gemoed was zeker ’t meest aangedaan. Het kostte hem moeite zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, ’n schip uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen verlatene aftehalen! Even als by die droomerymet de wegvlietende strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die verwytend riep: waar blyft Wouter?Als ’n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz. gedaan?De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z’n beschroomdheid te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in z’n toon, alsof hy ’n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de opmerking:—Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!Indien iemand die niet gelooft, ronduit z’n meening zegt in ’n kring van geloovers, neemt men ’t hem zeer kwalyk dat hy den moed heeft van de leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk zachtmoediger. Niemand van ’t gezelschap riep: foei!Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen ’t gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob Claesz. den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter die zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had, beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die hy had uitgelokt, en bracht het gesprek op ’n ander onderwerp.—O zeker, m’n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere wys den moed hebbe opgedaan om z’n lot te dragen. En al ware dit zoo niet... er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk eens hoe het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn, toen zy den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was er vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om daarvan melding te maken in ’t Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben, zéker op ’t schip dat rechtstreeks onder z’n bevel stond, misschien wel op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal daartoe hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt ons of hy op de aanhankelykheid en ’t plichtsbesef van alle bevelhebbers, officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon? In-allen-gevalwisthy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken viel. Tusschen ’t eerste blyk van ongehoorzaamheid en ’t by-een roepen van den krygsraad, ligt ’n geruime tyd. Er moet in die weken veel voorgevallen zyn, waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan ook niet in ’t Journaal van de reis staat, althans niet in de jammerlyk verknoeide uitgaaf die daarvan dezer dagen in ’t licht kwam. Hebben de heeren taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in deze zaak eenige opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dater reeds vóór ’t beleggen van den krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte, toen de Vice-admiraal zich op den 14n December weder by ’t eskader had gevoegd. Men gevoelt dat er angst bestond voor den uitslag der oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg!—’t Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig.—Misschien!—Het komt me voor, dat hy z’n plicht deed. Het behoud vanallenwas hem opgedragen en daarom moest hy, waar ’t noodig bleek, streng te-werk gaan met den enkele die zich verzette, en ’n slecht voorbeeld gaf.—Dit kàn gegrond zyn. ’t Is evenwel jammer dat er in datzelfde Journaal blyken voorkomen van ’n ruwheid, die ’t recht geven tot twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk gegaan. Van Noort heeft eenmaal ’n spaanschen loods over-boord doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op ’t Admiraalschip vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in die van den armen Jakob Claesz. zyn de berichten zeer schraal. Er blykt, byv. niets van deoorzakender weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien het hem ware te-doen geweest om zich aan ’t gezag van Van Noort te onttrekken, had hy zich zeer gemakkelyk van ’t eskader kunnen afscheiden, wat dan ook by dergelyke expeditien herhaaldelyk geschiedde, ’t Was moeielyker by-een te blyven, dan elkaar uit het oog te verliezen. Wy weten te weinig van de zaak om ’n oordeel te vellen. Ook dit voorval, als de geheele Geschiedenis—ik bedoel, de groote!—is zeer onvolledig geschreven. We kunnen slechts raden, gissen. Alleen de vreeselykheid van ’t geslagen vonnis ligt ons duidelyk voor oogen. En wat me daarin ’t meest treft, is de lakonieke vermelding van de waarschynlykheid dat “de inlanders den veroordeelde wel zouden afmaken.” Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is, de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of ’t gebruik-maken van hun wreede eigenaardigheid? ’t Menschen-eten is verboden, maar wel scheen het geoorloofd, aan mensch-eters ’n mensch te eten te geven. De Romeinen wierpen hun misdadigers in ’t wilde-beestenperk. Hier zien wy de funktien van verscheurend dier opdragen aanmenschen!—’t Warenwilden...—Ja, maar zy die ’t vonnis sloegen, gingen voorbeschaafddoor. En bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z’n onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door ’t zien van voetstappen ontdekte dat z’n eilandnietonbewoond was. Och, kinderen, ’t is zoo treurig dat de mensch ’n vyand van den mensch is.—De beschaving...—Beschaving legt ’n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op, met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we niet kennen!De dokter zag Willem even aan.—Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van de maniertjes waaraan wy gewoon zyn reeds daarom alleen onze vyand is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam. Waar we haar ontdekken, werd ze gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door zichzelf schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch?Holsma sprak hierop weder van beschaving, van dewaredie iets anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er in geestelyke ontwikkeling ’n hefboom ligt om ’t zedelyk standpunt te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen of minachten van ’t onbekende veelal voortsproot uit gebrek van zelfkennis.Toen Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk.De dokter namelyk had ’n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel op welk onderwerp ’t gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m’n redenen voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort.1Hier volgt (in I. 1062) een uitvoerige beschouwing over de rol van klanknabootsing in de woordvorming.2De werktuigkundige verbeteringen van den laatsten tyd hebben waarschynlyk dit werktuig van de schepen verdrongen. Het was—of is—’n zware cylinder die met handspaken in beweging werd gebracht, en die in tegenstelling van ’t vertikaal staandgangspil, in horizontale richting niet ver van den boeg dwars over ’t schip geplaatst was. De zeer sterke rechtstandige balken waarin de as van dit spil zich beweegt, heetenbetings. Het winden wordt aan-boordhieuwengenoemd, waarschynlyk ’n klanknabootsing van den krachtregelenden maatzang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of ’t woord “braadspil” iets te maken heeft met het engelsche:broad, weet ik niet, maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders danonzydigwordt gebruikt. Wie daar, op ’t gezag onzer taalkundige woordenboeken, vandebraadspil sprak, zou worden aangezien voor ’n vreemdeling ofnederlandsche-taalprofessor. (M.)Een splinternieuwegradus ad Parnassum, niet precies dezelfde dieFaustten-geschenke kreeg vanMephisto. Twee ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken omtrent ’n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing.Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal ’t hem bevreemden te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma grooten invloed uitoefende op ’t ontwikkelingsproces van z’n geest. Het spreekt vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er was ’n kiem van verandering in z’n gemoed gelegd, die niet weder kon verstikt worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak, maar hy wist nu toch dat er iets àls zelfstandig denken mogelyk was, al durfde hyzelf zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem dan ook de noodige rypheid ontbrak. Niet hy, Wouter, zou ’n meening hebben, maar hy begon toch intezien dat er andere meeningen bestonden dan die van z’n omgeving, en dit was ’n groote stap.Boven alles echter—heel gelukkig inderdaad!—drukte hem z’n gebrek aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de kinderen in wier gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel meer wisten dan hy, en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten hem al z’n koningen Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte van voetstappen? De arme jongen had nooit iets van De Foe’s kluizenaar gehoord.Hy vroeg aan Stoffel, en deze zou wel in-staat geweest zyn hem intelichten, als Wouter den naam van Robinson maar onthouden had.—Voetstappen? Voetstappen? Hoe kan ik je antwoorden, als je niet zegt welke voetstappen? Voetstappen vanwien, meen ik. Men moet altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft.—Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen noemen. En maakte mevrouw-zelf de slâ aan? Dat vind ik al heel zonderling! Nu, de knecht zal zeker uit geweest zyn.By al de verhalen die Wouter omtrent z’n wedervaren werden afgeperst, had hy instinktmatig vermeden melding te maken van de byzonderheden die in z’n omgeving niet te rekenen hadden op ’n gunstig onthaal. Geen woord van de saturnalie! Niets van ’t verzuimd bidden by warm eten! Ook verzweeg hy de gemakkelykheid waarmee die kinderen zich schenen te bewegen, en de ongedwongenheid hunner deelneming aan ’t gesprek. Toch was de schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring minder gewild waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan beerevellen! Maar dit ging z’n berekening te-boven.Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of-i wel “fatsoenlyk” geweest was? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid zonder eigenlyk te weten wat ze bedoelde, daar hy in z’n gemoedje noch ondervinding noch besef had van het tegendeel. Ja toch ... de geschiedenis met dien topzwaren vlâlepel! Zou dàt misschien onfatsoenlyk geweest zyn? Hy wilde de beslissing dezer vraag liefst niet laten afhangen van z’n moeder, en zweeg er dus over ... och, hoe lief van de wilde Sietske, z’n onhandigheid zoo te bedekken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan hebben, al wist-i dan zooveel minder dan de kinderen van den dokter.Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z’n gedwongen afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer dan ooit voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem ontsloten werden, niet voldoende waren. Of althans hy meende dit. Maar aan tegenstand was niet te denken. Hy was ontevreden met zichzelf, met alles! “Van my zal nooit iets terecht komen!” zuchtte hy.Hy verscheurde z’nLadyMacbeth die hem leelyker voorkwam dan ooit. En ... Ophelia?O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht! Dit kwam hem zeer slecht voor. Was ’t omdat ze maar ’n bleekmeisje was, en omdat de kinderen van den dokter zooveel voornamer waren?Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan diefstal of moord. Hy kon niet leven met zoo’n zelfverwyt, en nam de eerste gelegenheid waar, om de schuld af tedoen. Want ’n schuld wàs het, naar-i voelde.En dit gevoel gaf hem moed. Met z’n gekleurde prent in de hand, stapte hy ditmaal moedig ’t welbekende hekje binnen, en klopte aande deur van Femke’s huisje. Er werd “binnen” geroepen. Z’n hart bonsde benauwend, maar nu moest-i z’n heldenstuk wel dóórzetten. Hy stond op-eenmaal voor ’t meisje, dat met haar moeder bezig was aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw van m’n held stopte kousen, ruwe dikke onoogelyke wollen kousen! ’t Is hard voor ’n schryver, zoo-iets te moeten boekstaven. Om evenwel aan Wouters onbedorvenheid de eer te geven die haar nog altyd toekomt...Want afkeer van praktischen eenvoudisbederf!... om hem te schetsen zooals hy wàs, zy hier erkend dat die kousen hem in ’t minst niet hinderden. De periode van verdraaide poëzie en valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken.Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy ’t aanlei om z’n bezoek te rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van ’n gesprek zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschynlyk voor ’t nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar ten-deele hoe de overgang geschiedde, tusschen z’n bedremmeld binnentreden en ’t plaatsnemen op ’n matten stoeltje dat Femke hem vriendelyk toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets dan den bezielenden blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep:—Ah!En ze had hem de hand toegereikt.—’t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde. ’t Is de kleine jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu? Je ziet bleek.—Ga zitten, jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van de wurmen?—Wel neen, moeder! ’t Kind heeft zenuwkoortsen gehad.—Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens van de wurmen komen kan. Geef ’n kommetje, Fem, en schenk hem in. Je moogt immers wel koffi drinken? Anders, als je met wurmen geplaagd bent...Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter meer hinderden dan haar kousen. ’t Mensch scheen zich voorgenomen te hebben hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug.—En waar bleekt je moeder? vroeg ze. Niet dat ik ’n ander wil onderkruipen, godbewaarme, maar... àls ze soms niet tevreden was met ’r waschvrouw... ’t kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder zichzelf de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in ’t goed zyn, maakt Fem ze ’r uit, met “zuringzout” weetje? En nooit raakt er ’n stuk weg ... ja, eens is ’t gebeurd, ’n paar mansetten, maar die hebben we vergoed met ’n zesthalf ... vraag maar aan Femke.Helaas! Dàt zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die haar zooveel anders te vragen had! Vrouw Claus maakte ’t hoe langer hoe erger. Ze tastte hier niet de valsche poëzie aan, waarmee hy nog niet besmet was, ze stoorde, belemmerde en bedierf dewerkelykevlucht van z’n gemoed, die beter pleging verdiende.En zie, het meisje begreep ’t ongepaste van dien wanklank! Zoudit aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn? Was ’t ’n gevolg van de betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken? Speelde hier de liefelyke jeugd ’n rol?Van alles wat, misschien. Doch zeker is ’t, dat de herinnering aan de manier waarop Wouter haar had ingeleid in de geheimenissen van Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze had Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de opschik waarmee hy by die gelegenheid z’n welsprekendheid getooid had, te bont en te kleurig voor geoefenden smaak ... Femke’s smaak was niet geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogenheidhetschoone,hetverhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om zich gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan ’n eind te maken. Maar ook hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf, was de rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen: moeder spreek toch wat ... peruaanscher!’t Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat het rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield?Zeer bedremmeld bracht Wouter uit, dat dit ’n geschenk voor háár was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid die hierin doorstraalde, en verzekerde met ’n eenvoud die meer ernst bevatte dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou.—Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken. Want ... stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch kant en klaar thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot klacht. Zeg dit gerust aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld je kraagje ... ik zeg dat het niet goed gestreken is. De ruimte zit in ’n plooi over ’t stiksel heen. Ook is ’t slordig geblauwd ... vraag maar aan Femke. Zeg, Fem, is ’t niet streeperig?Ei ... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Streeperig? Niet goed gestreken? En dat alles was nogal door de wyze Petrò gedaan! Ook dáárin alzoo bestond verschil van opvatting of methode? En ook dáárin alzoo was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend? Het scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken.Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken wie Ophelia was, en na even vruchtelooze pogingen om ’n gesprek aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy ’n uitgang. Er moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende zy, en: “de jongeheer kon wel ’n eindje meegaan.”—My wel, zei de moeder.Het jonge paar vertrok.Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met Wouter een der paden in, die in den omtrek van Amsterdamdepaden genoemd worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar wandelt moet leeftocht van indrukken meenemen om zich niet te vervelen.Nu, dáárvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zóóveel te zeggen, dat-i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer met hem bezig gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer vooral dan hy gissen kon. Ze begon met de mededeeling dat ze aan haar moeder geen bericht had gedaan van de onvriendelyke ontvangst die haar ten-zynent was te-beurt gevallen, en wel omdat ze wilde voorkomen dat haar moeder, indien Wouter eens mocht terugkeeren...—O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken?—Ja, zei ’t meisje aarzelend maar toch met ’n flinkheid die Wouter verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik heb ’n mis laten lezen voor je beterschap.—Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduidde. Heb je dat heusch voor me gedaan?—Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden, als je gestorven waart. Ik geloof dat je-n-’n goed jongetje bent.—Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar ... Femken, ik durfde niet.Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest Was. Het meisje schreef z’n beschroomdheid aan vrees voor haar moeder toe.—M’n moeder is ’n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te-kort doen, maar ... och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet, met menschen omtegaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat ik kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp, weetje, want voor ’n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong. ’t Was by ’n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn eigenlyk van beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg me liever, of je nu heelemaal beter bent?Wouter gaf verslag van z’n ziekte, en geraakte onwillekeurig op ’t onderwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z’n onkunde.—Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet onderwezen op m’n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit ’n groot man worden.—Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft drie eigen huizen, en ik weet dat-i geen woord fransch spreekt.Wouter had eenige moeite haar aan ’t verstand te brengen dat hy iets anders bedoelde dan ’t bezit van drie huizen, ofschoon ook dit hem niet verwerpelyk voorkwam.—Ik wilde zoo graag ... zieje ... zoo graag ... iets als ... ja, hoe zal ik je dit uitleggen? Ik wou...De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar hy had den moed niet, z’n eigen droomen in woorden overtezetten.—Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar ginds, ver in ’t zuiden, heel ver ... ik zal ’t voor je uitteekenen. We kunnen hier wel ’n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je precies uitleggen wat ik bedoel.Hy geleidde ’t meisje naar ’n stapel gezaagde planken, en nam daarop naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar ’n takje had weten machtig te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om ’n wereld in ’t zand te teekenen.—Dit is Europa. De aarde is rond ... dat wil zeggen, ze bestaat uit twee helften ... als pannekoeken ... kyk, ’t lykt wel ’n bril. Nu, met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika ... zet ’r gerust je voet op.Hierwonen wy ... daar ligt Engeland ... heel omlaag is Afrika. De menschen zyn daar ... onbeschaafd. Ze kunnen niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren. Maar als er ’n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk. ’t Staat in ’n boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die menschen lezen leeren, en kleeren geven, en zorgen dat er in ’t heele land geen onrecht geschiedde, en dan zouden wy...—Ik ook? vroeg Femke verbaasd.—Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan? We zouden man en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in dat land ... dat jy dan ...—Ik?Koningin?Het meisje berstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-staande, al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten had neergelegd.—Maar ... wil je dan niet m’n vrouw worden?—Wel neen, malle jongen! Ik begryp niet waar je de gekheid vandaan haalt. Weet je dan niet dat je nog maar ’n kind bent?—Wil je dan wachten tot dat ik groot ben? Wil je my niet aannemen voor je vrindje?—Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes bedenken. Niet dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan. Waarom niet? Er gaan zooveel menschen op-reis! By ons op ’t “pad” woonde vroeger ’n timmerman, die met z’n heele familie naar Haarlem verhuisd is. Maar ... trouwen!Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De arme jongen trof ’t ongelukkig met z’n eerste liefdesverklaring. Op-eenmaal werd het meisjen ernstig:—Ik geloof dat je ’n goed kind bent, zeide zy, en ik houd veel van je...—En ik! riep Wouter. O, Femke, ik heb altyd aan je gedacht in m’n ziekte ... als ik denken kon. Want ... in de koorts ... ik kan niet weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar ’t zal wel aan jou geweest zyn! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik gesproken alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó op je te lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette ik Kusco of Telasco, en jy was Aztalpa, de dochter van de zon. Zeg. Femke, mag ik je vrindje wezen?.Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van’n goede daad. Hoe werkte die aandrift? Waaruit ontstond ze? Was zich ’t zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters ... kinderachtigheid op haar uitoefende? Waarschynlyk niet. En ook ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite gaf ditmaal naar ’n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend was dan ’n lach.Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de teederheid die onmiskenbaar in z’n toon lag.—Zeker, zéker mag je m’n vrindje zyn! Maar ... maar ...Ze zocht ’n voorwaarde, ’n beletsel, iets dat hem niet kwetste, en toch terugvoerde naar ’t standpunt dat z’n leeftyd hem naar hare meening aanwees. Hy was gegroeid sedert z’n ziekte, dit is waar, maar toch ... Femke had kans gezien hem op den arm te nemen en de heele stad doortedragen, hem die ’r zoo prettig van droomde háár te redden uit ’n brand.—M’n vrindje, ja ... maar ... dan moet je-n-ook alles voor me doen wat ik verlang.Alles slechts? Och, ’t kwam Wouter zoo weinig voor!—Alles, alles, alles! Wat? O, gauw, zeg me wat ik voor je doen kan!’t Werd benauwend voor ’t meisje. Want ze wist niet wat ze eischen zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu dan, ze had altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen was. Als ze hem eens dáártoe aanspoorde?—Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m’n moeder verteld dat je-n-’t knapste jongetje van je school was ...—Ik? riep Wouter met komieke verbazing.Het schynt zonderling—doch we nemen dezelfde anomalie in de groote-menschenwereld waar—dat hy nooit had achtgeslagen op de onevenredigheid tusschen z’n hoogdravende aanspraken en verregaande onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze rekenfout was te opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbekwaamheid zoo goed bewust was, en dus niet als vele anderen ter verontschuldiging zich beroepen kon op eigenwaan. De allereerste in ’n heel werelddeel... dit kon wel. ’t Wenschje was billyk en matig, maar:—Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school, zei Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch. Zieje, anders mocht misschien m’n moeder te weten komen dat ik over je gejokt heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het geschiedt...—O, Femke, ik zal het doen!—Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan.Zoo zond ze hem weg. By ’t afscheid nemen vond ze op-eenmaal dat-i te groot geworden was om hem ’n zoen te geven. En toen pater Jansen, die ’n paar uur later haar moeder bezocht, vroeg van wien ze die prent had ...De man zei dat Ophelia in ’t Hollandsch zooveel beduidde alsFlora die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetmenietjes geweest was....toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal ’n heel klein kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo rechtuit zeggen, maar toch:—Och, heeroom, die prent is van ’n jongetje, van ’n klein jongetje. ’t Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of ... negen. Ja, ouder dan negen is-i zeker niet!—Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien!—Ja juist, vyftien, of ... zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog ’n kind is.Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia in ’n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de nieuwe uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien.“O, Femken, ik zal het doen!” had Wouter gezegd.Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu Pennewips schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes invloed. Wouter begreep zeer goed dat ze met het vergen van den voorgewenden dienst, geen andere bedoeling had dan z’n eigen belang. Maar die bedoeling zelf was liefelyk, en ’t zou hem immers leelyk hebben gestaan wanneer-i, na zóó hoog te hebben opgegeven van wat hy wel voor haar zou willen doen, op dien onverwachten eisch geantwoord had: o, alles alles, maar ... juist dit ééne niet!Dat-i liever z’n dame gediend had in ’n gevaarlyke expeditie, spreekt vanzelf. Maar men heeft z’n heldendaden niet voor ’t kiezen. Herkules en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten vergenoegen met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy, Wouter nam z’n taak ernstig op. Hy begon z’n “Ippel” z’n “Strabbe” z’n “Oefening in ’t kunstmatig lezen” z’n “Vaderlandsche- en andereGeschiedenis-boekjes” lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die hy onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd. Zelfs over “Pietersons Geslachtlyst van nederduitsche naamwoorden” begon z’n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te verspreiden, dat alle andere Herkulessen zou beschaamd gemaakt hebben over de nietigheid van hun werk.Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin bezorgde hem ’n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem ’n Meduza-kop tot schild ... och, niets van dat alles, maar toch ... Slachterskeesje mocht oppassen!Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk waarschuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van de school. Pennewip zelf was wel genoodzaakt te erkennen:—Het is bevreemdend! Men zou ook kunnen zeggen, het is ... verwonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos, of ... zonder voorbeeld!De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in zeker opstel heel kordaat van ’n wyf had gesproken: “dat zyn muts betastede en op deszelfs hoofd zettede.”Was ’t niet jammer, de lieve geestdrift van ’t kind te verknoeien aan zulken onzin?11In I. 1067–1074 beproeft M. eene zielkundige ontleding van Femke, met lange beschouwingen over onschuld, zinnelykheid en hysterie.
De lotgevallen van ’n vlalepel met een handleiding tot het begraven van ongelukken, ’n Oude historie uitStraat Magellaan, niet ontoepasselyk op andere straten.De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders gewoonlyk verkeerd beoordeeld, ’t geen blykt uit de overdrevenheid waarmee ze het tegendeel pryzen. “Dàt zal ’n man worden!” hoort men dikwyls zeggen van den knaap:qui ne doute de rien.Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van buiten-af, en dus aan z’n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in bescherming tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van zyn linksheid met desuffisancevan anderen. Het mag niet ontkend worden dat ziekelyke zwakte ’t gevolg wezen kan van te fyne bewerktuiging, en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking denkbaar, terwyl ’t verfynen van grove organismen my moeilyk of onmogelyk voorkomt.Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman, en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de luchtvaart van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika, kon ’t niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i, toen z’n buurmeisje hem aan ’t dessert ’n schotel roomvlâ overreikte...Geschied is het, o goden! En ... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar, als ’n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers:“de dat riet en dede niet wale.”Helaas! Welke geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben, den porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen, en dat ding—met wat vlâ er by, waarachtig!—te doen neerkomen in Sietske’s schoot? Hy deed het,hy! Hoogst-eigenhandig. enproprio motu! Geen Stoke kan ’t goedpraten. En zelfs Bilderdyk niet.Och, hoe droevig! Juist begon-i ’n beetje verder op z’n stoel te schuiven dan by de soep! Nog ’n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem niet ’n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten had optezeggen tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om doortegaan voor knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te schynen dan-i er zeker uitzag. Helaas, na die malle lepel-historie ... och! Hy had liever ’n pink gemist, z’n hand, z’n arm ... alles! Ja ... hy wou dat-i ergens onder den grond zat!Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderdwas tot de vraag hoe z’n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond na de katastroof, en alsof ’t er by behoorde, begon Sietske:—Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort.Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter ’n anderen lepel aan, dien ze van ’t wandbuvet had genomen.—Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.En allen drongen om ’t hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z’n ongelukje te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen, zag ze dat er ’n traan over z’n wangen rolde.—Mama, ik heb ’n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers goed? Zoo’n porseleinen ding is topzwaar... ik heb ’t wel al driemaal laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.De moeder knikte haar vriendelyk toe.—Krygen we nu Van Noort, papa?—Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie begin.—Foei, papa, aan tafel!—Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie van maandag, woensdag en vrydag ’t hevigst is. ’t Huis dreunt altyd na de geografie.—’n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.—Oude privilegien, papa! zei Willem.—Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd ingesteld, was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die barbaarsheid. Toen Herman ’t eerst in de les kwam...—Zóó’n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél laag. Je kon geenavoor ’nb.—Dàt is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de helft geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel ... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.—Omdat ik je lezen geleerd heb?—Olivier Van Noort, papa!—Lezen ... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo’n verwaand kereltjen eens!—Ik niet lezen! O papa, luister eens:Herman nam ’n ulevel, ploos er ’t devies uit, en las:Een vader die z’n zoontje plaagt ...—Dat staat er niet, riep Sietske.l’Amour est un enfant tromp ...—Trompette, zei Willem.—Olivier Van Noort, papa!Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad ’n heer de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid als oom Sybrand begroet werd.De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en droegHerman op, ’n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z’n studeerkamer te halen:—Maar jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding kan ’t niet helpen dat jelui zoo’n dommen hekel hebt aan geografie.Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen reeds gezeten waren, bracht-i ’t 5e deeltje mee van de “Nederlandsche Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven doorBennetenVan Wyk.”—Leesnu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend heeft?—O papa, al...—Nu?—Al komt er nu soms ’n domheid van my aan den dag...—Dat zou moeder niet kunnen helpen, meen je? Heel goed, jongen! Lees maar op.Herman las:“Den volgenden morgen (5November1599) ging men weder onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straatMagellaanaan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door ziekten enz. verloren hadden.Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaatsde los Virgene(?)weder ankerde, zonder dat men de redenen, die hem daartoe bewogen, konde doorgronden.”“Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy—Van Noort—geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord, wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide, dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken, terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had.Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord, dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord, werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door hem bewaard.”“Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die slechts ½ myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug.”“Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit was gebleven, by de andere schepen ten anker.”Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven, ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ...—De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei Holsma. Volgende bladzy!Herman sloeg ’n blaadjen om, en ging voort:“Den 8sten (Januari1600) ging eene sloep en jol van den Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde, dat het menschenëters waren.”“Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd...—Genoeg! riep Holsma.En hy tikte met ’n waarloos tuinstokjen ’t boek toe.—’t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.—Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder.—Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten aangaande de bewoners van dat land.—Als ze maar ’t ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er zyn vergiftigen onder.—Er was ’nRin de maand.—Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen ’n ander ... klimaat, meende Herman. Wat wyFebruarinoemen, komt daar in ’t hartje van den zomer.—Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt hy in ’t hartje van Februari ... als-i komt. Maar gewoonlyk komt-i byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52 en 54 breedte-graden.—Dat is niet nader aan ’n pool dan wy hier op den Kolveniers-burgwal.—Ja, maar ... zieje, de onderste helft van ... de kaart is veel kouder en natter, riep Sietske.—Wat ’n barbaarsche uitdrukking!Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: “ja, kind!” Ze zei, ’t kwam van Livius en kegelsneden.—Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die ’n oudsten broeder versiert.De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had?Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by ’t begin van de lezing, ’n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets opgeschreven. Hy beweerde dat detaalvan ’t voorgelezene zeer onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden hem geschonken.—Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze van oude zeelui, geven ze ’n modelletje van de hedendaagsche rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot spellingbepaalde! Ze hebben ook den styl ... verbeterd, naar ze meenen. Zulke lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aäron ’n paar horloges op zak te geven, en—om de deftigheid—onzen Lieven-heer ’n staart-pruikjen in den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en ... bedorven is, deugt niet in het oog van die heeren. Het is de vraag of een van de zeeluî die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch leverde als zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar de oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn dat de moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben opgezocht in de boekjes die daarover heden-ten-dage ... hoe heeten ook de taalkenners van deze week?—Siegenbeek en Weiland, oom.—Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i ’n onnoodige letter meer of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu “zoo” en “oogen” met tweeo’s, naar ik hoor. Straks verandert dit weer. Dan komen er weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking dat er tweeo’s zyn in “vrolykheid” en maar één in “drogen” ...—Hé, oom! riepen de kinderen, met ’n verbazing die het tegenwoordig geslacht verbazen zal.—Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm ... gek? Als men op zoo’n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen die zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen dan ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden in nog nieuwer spelling, die dàn de ware alleen-zaligmakende wezen zal. Op die wyze wordt er nooit iets klassiek.—’t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel bederft. Waar de “letterkundige” bekwaamheid van deze soort een maal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt byv. in die boekjes gesproken van “roeiriemen” en “verdek”, woorden die nooit over de lippen van ’n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat men op zeeschepen ’n “jol” heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit van zoo’n ding hooren spreken. Ze hebben daar ’n barkas, ’n boot, sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de verwaandheid van lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren zy brutaal-weg de oorspronkelyke berichten over Landen en Volken, en geven ’n pover artikeltjen over zoo’n land of volk uit hun eigen “Aardrykskundig Woordenboek” in de plaats. Die berichten zyn onvolledig en onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen wezen als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit te bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid der eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen nu niet welken indruk ’n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de eerste bezoekersmaakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen...De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!... we moeten slikken wat zekere m’nheer Van Wykthansover de door oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua naar Kanaän zond, laten terugkeeren met ’n hedendaagsche beschryving van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat heb je meer in je boekje?—Papa, den 10en November had Van Noort geen sloep, en den 8en Januari ging men van z’n schip met ’n sloep aan-wal om mosselen te zoeken.Quaeriturwaar die sloep vandaan kwam?—Hy kon zich ’n sloep hebben doen afstaan van een der andere schepen. Maar ik herinner me iets van ’t maken van zoo’n vaartuig.De dokter bladerde even:—Ziedaar, zeide hy. En Herman las:“Dienzelfden dag—2 December—verzeilden de schepen naar een ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37 voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet, waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen, wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats, verkreeg den naam van denOliviers-baai.”—Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer?—De uitdrukking “in apprehensiehouden” bevalt me niet.—’n Stadhuiswoord!—Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me.—Maar ’t was ’n rechtzaak!—Apprehenderebeteekent aanvatten, aangrypen...—O hemel, daar komt Livius!—Neen, kind... Suetonius.Apprehendo bucculam—voel maar!—beduidt: ik knyp m’n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied inteboezemen.—Domme jongen, met je latyn!—En wat heb je nu tegen deapprehensievan dien Ilpendam?—Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man zoo heette. ’t Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor ’n zeeman van zyn tyd gepaster voor.—Dit kan gegrond zyn.—En Van Noort dan? riepen ’n paar anderen. Die had ook ’n vàn!—Dat was ’n Admiraal!—De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.—Hm! Dienranghadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren tydelyke titels ... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber vande expeditie. ’t Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by ’t uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor ’n admiraal in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen overapprehensie?—Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis tenemen. De beteekenis vanapprehendereis: aangrypen, aanvatten. Men kan iemand niet in “aangryping” houden.—Korrekt! zei de vader. Korrekt als ’n zonnestelsel...—Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar hy weet niet waarom.—Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m’n breikatoen.—Willems poot heeft mama’s draad inapprehensie... gehouden, plaagde Herman.Oom Sybrand fluisterde Sietske in ’t oor.—Hoe weet je, dat apprehendere“aangrypen” beteekent?—’t Staat in alle woordenboeken, kind.—Wat nu, oom? Laat me niet in den steek.Oom fluisterde: “’t is knoeilatyn, neen ... ’t is latyn ... ook ’n knoeitaal!”—’t Is knoeilatyn, of ... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan, oom. Niet te veel te-gelyk!—Kind, bezondig je niet. Als ’t niet te veel eer voor je was, zou ik je ’t woord wyzen by Cicero.—Oom?Sybrand fluisterde.—Je heele Cicero verstond z’n eigen latyn niet.—O goden, wat moet ik vernemen, hier in m’n vaders eigen tuin! Kind, ga naar ’t land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster, gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster,horresco! Papa, ik ben verontwaardigd.—Dit schynt wel!—Je zit weer op m’n kluw, jongen!—Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me ’n flinken latynschen vloek, toe!—Vraag ’m naar den wortel.—Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel is van je ... Cicero?Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord was. Z’n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes van ’t gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er gezegd werd, vatte hy den toon niet. In de omgeving waaraan hy gewoon was, heerschte iets zwaars dat hem neerdrukte. Hier evenwel scheen alles te huppelen, te zweven. En toch voelde hy zeer goed dat er in dezen kring geen spraak was van lichtvaardigheid. Zou dàt nu wezen wat Juffrouw Laps “wereldsch”noemt, dacht hy, en zou nu die heele familie niet in den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy vond dat het toch jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den dokter over erfzonde en drieëenheid...Doch z’n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te staan. Wat hem bovenal trof, was z’n eigen onwetendheid. Het verdriet hierover werd nog grooter, toen ’t gesprek ’n litterarische wending nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik ook wel kunnenbegrypen... als ik ’t maarwist!...Oom Sybrand leî aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in de manier waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde.1Daar kwam zoo-waar ’n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen, waar Wouter bleef? ’t Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan.—Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje?—Ja, m’nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal gebeurd is.—Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over ’t vonnis van dien Jakob Claesz had ik ’n opmerking te maken. Kaatje, zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl.Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.—Dat’s waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad uitsprak. De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg Sybrand.Holsma schudde ontkennend het hoofd.—Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó’n strengheid niet noodig was...—Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees eens voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot ... leven onder menschen die hem dooden zouden.Herman las:“Den 24sten (Januari1600) werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd, besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen.”—Er ligt ’n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.—Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou misschien kunnen pleiten voor zekeren graadvan beschaving. Misschien moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in ’t Journaal van kannibalismus gesproken. Van ’n kind dat men aan-wal geroofd, en geleerd had zich eenigszins in ’t hollandsch uittedrukken, vernamen onze reizigers dat z’n landgenooten—sommige stammen althans—zich daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad verkeerde in demeeningdat de ongelukkige dien men verstiet, onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen ’t barbaarsche Vuurland tot beul.—En dat gebed!—Niet waar? ’t Is om te yzen! Zoo’n afschuwelyke klucht na ’t bloedige voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die Vuurlanders ’t ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of maakten ze af, zònder God. Maar zy die ’t ware Geloof hadden, doemden den ongelukkige tot zoo’n straf ... mèt God! Wat is beter? Ik zie hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid nog den schimp voegden van de bespotting.—Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.—Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had ik—voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling der zaak in ’t Journaal—voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer treurig hebben gevonden, maar ... noodzakelyk! En zelfs duid ik het noch Van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun tyd waren. De straf van “aan-wal zetten” schynt in vroeger eeuwen by zeelieden gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk die ’t model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo’n wys op z’n eiland geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeeluî komen dergelyke gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by, dat het ’nwreedgebruik was. Tracht u eens den toestand voor den geest te halen van den veroordeelde die met ’n weinig brood en wyn op zoo’n ongastvrye kust aan-wal stapt! Hywistwat er met de matrozen die oesters gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens voor, wat hy gevoelen moest toen de sloep die hem gebracht had, zich verwyderde! Toen de matrozen—kort geleden nog z’n ondergeschikten—hem dwongen de hulk te verlaten! Toen ze hem “vaarwel” zeiden! Denkt eens na, jongens, over de vreeselyke beteekenis van dàtvaarwel! Die wegvarende sloep was ’t laatste punt van z’n aanraking met de maatschappy. Die matrozen zouden ’t schip weerzien: hunte-huis,waar ze kameraden hadden, en leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was voor hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn mee, om de marteling te rekken van ’t besef dàt dit alles voor hem verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan ’t ontwyken van de wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren?De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien ’t Vaderland weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van dereis verhalen! En daar klonken stemmen—de ongelukkige moet ze gehoord hebben in z’n verlatenheid!—stemmen die aan de teruggekeerden vraagden: “waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam?”Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by ’t staren op den geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet hem ’t aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen en waarom? Immers wat baatte het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging, of hy by ’t strand bleef of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten, of ’n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood?Zeker zal hy aan ’t strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek, en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede, van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van ’t besef vooral dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog altyd ’n schip, daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn “Fredrik Hendrik” waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y voor Amsterdam. Daar immers voer ’n sloep, bemand met hollandsche matrozen. Daar waren menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog kort geleden... medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze hem op die kille kust overlaten aan z’n lot? Maar dit was onmogelyk, onmogelyk! Dit kon niet waar zyn!En toch, toch...Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy die hem met ’n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord, toen hy zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop?Als er ’n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om ’t arme dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hem mocht, hèm wilde men niet redden!Indien een van de roeiers ’n muts had achtergelaten aan den wal... misschien zouden zy teruggekeerd zyn om ’t verlorene te zoeken. Maar om hèm aftehalen keerde men niet terug!Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor ’t laatst gezien hebben, haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en de sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen, bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs de hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts byblyven in ’n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige wezenloosheid der vertwyfeling.Alle aanraking met de mensheid was hem afgesneden, op ’t vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te worden door ’t laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou.De Krygsraad vonniste “by meerderheid van stemmen” staat er. Niet byalgemeenestemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroordeelde genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in ’n zaak van dezen aard is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op verzachting van het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet den ongelukkige bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben aan martelende hoop. De mogelykheid bestond immers, dat men aan-boord van ’t admiraalschip na de aanvankelyke uitvoering van ’t vonnis, zich geroerd voelde? Het kòn immers wezen dat die aandoening zich bemachtigde van Van Noort zelf? Was deze niet eenmaal z’n ambtgenoot, z’n kameraad, z’n makker, z’n vriend? We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber der expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou ’t niet zelfs kunnen liggen in ’n welbegrepen taktiek, de opgelegde straf te verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid te versterken door ’n beroep op de thans in-acht genomen matiging?De arme balling moetgehoopthebben.Zoolang die schepen daar lagen...Helaas!Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by ’t ankerwinden! Hy hoort het neerklikken van den pal in ’t braadspil.2Elke tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden cylinder belet, verkort den kabel die ’t schip verbindt met anker en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de richting van de plek waar ’t anker den grond vat. En hy, de ervaren zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig, verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigenruk. Gedurende het ophalen van de “bocht” liep het geklikklak van ’t yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate het touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die ’t op den bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen te stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van ’t kleine voorwerp, als ’n uitroepingsteeken op de verzekering dat er ’n stap méér was gedaan ter-voorbereiding van ’t wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt den boeg als ’n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden hoorns. Als ’n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de gestrekte voorbeenen. DeFrederik Hendrik,zynschip,zyntrouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z’n waterlyn, en heft den achtersteven omhoog, enjumpt, en schynt zich te willen laten neerhieuwen in de diepte, liever dan z’n bevelhebber te verlaten, die daar handenwringend om genade staat te smeeken op ’t vreemde strand...En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in ’t zand, in de steenen, in ’t koraal, in de spleet van ’n onderzeesche rots misschien...Zou die bodem medelyden met hem hebben, en ’t anker niet loslaten?Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen ’t laatste “o... ho... ho... iiii!” dat ’n eind maakte aan allen twyfel.De zeilen, reeds onder ’t ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerende geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos, Van-tyd tot-tyd sloegen zeback, en vertoonden een schyn van onwil tot het verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen zou. Met hun bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst voor de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren.Maar ook dit had opgehouden. Door ’n kleine beweging van ’t roer boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De zeilen werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen zetten koers... verwyderen zich... raken uit zicht... het vreeselyk vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z’n strengheid!De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk waartenemen, dien deze schildering op de kinderen maakte. Wouters maagdelyk gemoed was zeker ’t meest aangedaan. Het kostte hem moeite zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, ’n schip uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen verlatene aftehalen! Even als by die droomerymet de wegvlietende strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die verwytend riep: waar blyft Wouter?Als ’n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz. gedaan?De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z’n beschroomdheid te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in z’n toon, alsof hy ’n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de opmerking:—Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!Indien iemand die niet gelooft, ronduit z’n meening zegt in ’n kring van geloovers, neemt men ’t hem zeer kwalyk dat hy den moed heeft van de leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk zachtmoediger. Niemand van ’t gezelschap riep: foei!Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen ’t gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob Claesz. den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter die zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had, beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die hy had uitgelokt, en bracht het gesprek op ’n ander onderwerp.—O zeker, m’n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere wys den moed hebbe opgedaan om z’n lot te dragen. En al ware dit zoo niet... er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk eens hoe het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn, toen zy den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was er vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om daarvan melding te maken in ’t Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben, zéker op ’t schip dat rechtstreeks onder z’n bevel stond, misschien wel op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal daartoe hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt ons of hy op de aanhankelykheid en ’t plichtsbesef van alle bevelhebbers, officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon? In-allen-gevalwisthy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken viel. Tusschen ’t eerste blyk van ongehoorzaamheid en ’t by-een roepen van den krygsraad, ligt ’n geruime tyd. Er moet in die weken veel voorgevallen zyn, waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan ook niet in ’t Journaal van de reis staat, althans niet in de jammerlyk verknoeide uitgaaf die daarvan dezer dagen in ’t licht kwam. Hebben de heeren taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in deze zaak eenige opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dater reeds vóór ’t beleggen van den krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte, toen de Vice-admiraal zich op den 14n December weder by ’t eskader had gevoegd. Men gevoelt dat er angst bestond voor den uitslag der oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg!—’t Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig.—Misschien!—Het komt me voor, dat hy z’n plicht deed. Het behoud vanallenwas hem opgedragen en daarom moest hy, waar ’t noodig bleek, streng te-werk gaan met den enkele die zich verzette, en ’n slecht voorbeeld gaf.—Dit kàn gegrond zyn. ’t Is evenwel jammer dat er in datzelfde Journaal blyken voorkomen van ’n ruwheid, die ’t recht geven tot twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk gegaan. Van Noort heeft eenmaal ’n spaanschen loods over-boord doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op ’t Admiraalschip vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in die van den armen Jakob Claesz. zyn de berichten zeer schraal. Er blykt, byv. niets van deoorzakender weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien het hem ware te-doen geweest om zich aan ’t gezag van Van Noort te onttrekken, had hy zich zeer gemakkelyk van ’t eskader kunnen afscheiden, wat dan ook by dergelyke expeditien herhaaldelyk geschiedde, ’t Was moeielyker by-een te blyven, dan elkaar uit het oog te verliezen. Wy weten te weinig van de zaak om ’n oordeel te vellen. Ook dit voorval, als de geheele Geschiedenis—ik bedoel, de groote!—is zeer onvolledig geschreven. We kunnen slechts raden, gissen. Alleen de vreeselykheid van ’t geslagen vonnis ligt ons duidelyk voor oogen. En wat me daarin ’t meest treft, is de lakonieke vermelding van de waarschynlykheid dat “de inlanders den veroordeelde wel zouden afmaken.” Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is, de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of ’t gebruik-maken van hun wreede eigenaardigheid? ’t Menschen-eten is verboden, maar wel scheen het geoorloofd, aan mensch-eters ’n mensch te eten te geven. De Romeinen wierpen hun misdadigers in ’t wilde-beestenperk. Hier zien wy de funktien van verscheurend dier opdragen aanmenschen!—’t Warenwilden...—Ja, maar zy die ’t vonnis sloegen, gingen voorbeschaafddoor. En bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z’n onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door ’t zien van voetstappen ontdekte dat z’n eilandnietonbewoond was. Och, kinderen, ’t is zoo treurig dat de mensch ’n vyand van den mensch is.—De beschaving...—Beschaving legt ’n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op, met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we niet kennen!De dokter zag Willem even aan.—Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van de maniertjes waaraan wy gewoon zyn reeds daarom alleen onze vyand is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam. Waar we haar ontdekken, werd ze gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door zichzelf schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch?Holsma sprak hierop weder van beschaving, van dewaredie iets anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er in geestelyke ontwikkeling ’n hefboom ligt om ’t zedelyk standpunt te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen of minachten van ’t onbekende veelal voortsproot uit gebrek van zelfkennis.Toen Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk.De dokter namelyk had ’n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel op welk onderwerp ’t gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m’n redenen voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort.1Hier volgt (in I. 1062) een uitvoerige beschouwing over de rol van klanknabootsing in de woordvorming.2De werktuigkundige verbeteringen van den laatsten tyd hebben waarschynlyk dit werktuig van de schepen verdrongen. Het was—of is—’n zware cylinder die met handspaken in beweging werd gebracht, en die in tegenstelling van ’t vertikaal staandgangspil, in horizontale richting niet ver van den boeg dwars over ’t schip geplaatst was. De zeer sterke rechtstandige balken waarin de as van dit spil zich beweegt, heetenbetings. Het winden wordt aan-boordhieuwengenoemd, waarschynlyk ’n klanknabootsing van den krachtregelenden maatzang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of ’t woord “braadspil” iets te maken heeft met het engelsche:broad, weet ik niet, maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders danonzydigwordt gebruikt. Wie daar, op ’t gezag onzer taalkundige woordenboeken, vandebraadspil sprak, zou worden aangezien voor ’n vreemdeling ofnederlandsche-taalprofessor. (M.)
De lotgevallen van ’n vlalepel met een handleiding tot het begraven van ongelukken, ’n Oude historie uitStraat Magellaan, niet ontoepasselyk op andere straten.
De lotgevallen van ’n vlalepel met een handleiding tot het begraven van ongelukken, ’n Oude historie uitStraat Magellaan, niet ontoepasselyk op andere straten.
De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders gewoonlyk verkeerd beoordeeld, ’t geen blykt uit de overdrevenheid waarmee ze het tegendeel pryzen. “Dàt zal ’n man worden!” hoort men dikwyls zeggen van den knaap:qui ne doute de rien.
Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van buiten-af, en dus aan z’n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in bescherming tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van zyn linksheid met desuffisancevan anderen. Het mag niet ontkend worden dat ziekelyke zwakte ’t gevolg wezen kan van te fyne bewerktuiging, en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking denkbaar, terwyl ’t verfynen van grove organismen my moeilyk of onmogelyk voorkomt.
Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman, en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de luchtvaart van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika, kon ’t niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i, toen z’n buurmeisje hem aan ’t dessert ’n schotel roomvlâ overreikte...
Geschied is het, o goden! En ... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar, als ’n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers:
“de dat riet en dede niet wale.”
“de dat riet en dede niet wale.”
Helaas! Welke geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben, den porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen, en dat ding—met wat vlâ er by, waarachtig!—te doen neerkomen in Sietske’s schoot? Hy deed het,hy! Hoogst-eigenhandig. enproprio motu! Geen Stoke kan ’t goedpraten. En zelfs Bilderdyk niet.
Och, hoe droevig! Juist begon-i ’n beetje verder op z’n stoel te schuiven dan by de soep! Nog ’n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem niet ’n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten had optezeggen tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om doortegaan voor knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te schynen dan-i er zeker uitzag. Helaas, na die malle lepel-historie ... och! Hy had liever ’n pink gemist, z’n hand, z’n arm ... alles! Ja ... hy wou dat-i ergens onder den grond zat!
Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderdwas tot de vraag hoe z’n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond na de katastroof, en alsof ’t er by behoorde, begon Sietske:
—Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort.
Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter ’n anderen lepel aan, dien ze van ’t wandbuvet had genomen.
—Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.
En allen drongen om ’t hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z’n ongelukje te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen, zag ze dat er ’n traan over z’n wangen rolde.
—Mama, ik heb ’n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers goed? Zoo’n porseleinen ding is topzwaar... ik heb ’t wel al driemaal laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.
De moeder knikte haar vriendelyk toe.
—Krygen we nu Van Noort, papa?
—Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie begin.
—Foei, papa, aan tafel!
—Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie van maandag, woensdag en vrydag ’t hevigst is. ’t Huis dreunt altyd na de geografie.
—’n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.
—Oude privilegien, papa! zei Willem.
—Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd ingesteld, was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die barbaarsheid. Toen Herman ’t eerst in de les kwam...
—Zóó’n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél laag. Je kon geenavoor ’nb.
—Dàt is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de helft geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel ... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.
—Omdat ik je lezen geleerd heb?
—Olivier Van Noort, papa!
—Lezen ... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo’n verwaand kereltjen eens!
—Ik niet lezen! O papa, luister eens:
Herman nam ’n ulevel, ploos er ’t devies uit, en las:
Een vader die z’n zoontje plaagt ...
Een vader die z’n zoontje plaagt ...
—Dat staat er niet, riep Sietske.l’Amour est un enfant tromp ...
—Trompette, zei Willem.
—Olivier Van Noort, papa!
Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad ’n heer de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid als oom Sybrand begroet werd.
De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en droegHerman op, ’n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z’n studeerkamer te halen:
—Maar jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding kan ’t niet helpen dat jelui zoo’n dommen hekel hebt aan geografie.
Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen reeds gezeten waren, bracht-i ’t 5e deeltje mee van de “Nederlandsche Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven doorBennetenVan Wyk.”
—Leesnu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend heeft?
—O papa, al...
—Nu?
—Al komt er nu soms ’n domheid van my aan den dag...
—Dat zou moeder niet kunnen helpen, meen je? Heel goed, jongen! Lees maar op.
Herman las:
“Den volgenden morgen (5November1599) ging men weder onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straatMagellaanaan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door ziekten enz. verloren hadden.Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaatsde los Virgene(?)weder ankerde, zonder dat men de redenen, die hem daartoe bewogen, konde doorgronden.”“Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy—Van Noort—geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord, wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide, dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken, terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had.Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord, dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord, werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door hem bewaard.”“Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die slechts ½ myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug.”“Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit was gebleven, by de andere schepen ten anker.”Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven, ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ...
“Den volgenden morgen (5November1599) ging men weder onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straatMagellaanaan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door ziekten enz. verloren hadden.
Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaatsde los Virgene(?)weder ankerde, zonder dat men de redenen, die hem daartoe bewogen, konde doorgronden.”
“Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy—Van Noort—geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord, wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide, dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken, terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had.
Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord, dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord, werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door hem bewaard.”
“Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die slechts ½ myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug.”
“Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit was gebleven, by de andere schepen ten anker.”
Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven, ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ...
—De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei Holsma. Volgende bladzy!
Herman sloeg ’n blaadjen om, en ging voort:
“Den 8sten (Januari1600) ging eene sloep en jol van den Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde, dat het menschenëters waren.”“Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd...
“Den 8sten (Januari1600) ging eene sloep en jol van den Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde, dat het menschenëters waren.”
“Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd...
—Genoeg! riep Holsma.
En hy tikte met ’n waarloos tuinstokjen ’t boek toe.
—’t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.
—Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder.
—Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten aangaande de bewoners van dat land.
—Als ze maar ’t ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er zyn vergiftigen onder.
—Er was ’nRin de maand.
—Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen ’n ander ... klimaat, meende Herman. Wat wyFebruarinoemen, komt daar in ’t hartje van den zomer.
—Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt hy in ’t hartje van Februari ... als-i komt. Maar gewoonlyk komt-i byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52 en 54 breedte-graden.
—Dat is niet nader aan ’n pool dan wy hier op den Kolveniers-burgwal.
—Ja, maar ... zieje, de onderste helft van ... de kaart is veel kouder en natter, riep Sietske.
—Wat ’n barbaarsche uitdrukking!
Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: “ja, kind!” Ze zei, ’t kwam van Livius en kegelsneden.
—Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die ’n oudsten broeder versiert.
De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had?
Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by ’t begin van de lezing, ’n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets opgeschreven. Hy beweerde dat detaalvan ’t voorgelezene zeer onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden hem geschonken.
—Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze van oude zeelui, geven ze ’n modelletje van de hedendaagsche rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot spellingbepaalde! Ze hebben ook den styl ... verbeterd, naar ze meenen. Zulke lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aäron ’n paar horloges op zak te geven, en—om de deftigheid—onzen Lieven-heer ’n staart-pruikjen in den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en ... bedorven is, deugt niet in het oog van die heeren. Het is de vraag of een van de zeeluî die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch leverde als zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar de oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn dat de moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben opgezocht in de boekjes die daarover heden-ten-dage ... hoe heeten ook de taalkenners van deze week?
—Siegenbeek en Weiland, oom.
—Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i ’n onnoodige letter meer of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu “zoo” en “oogen” met tweeo’s, naar ik hoor. Straks verandert dit weer. Dan komen er weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking dat er tweeo’s zyn in “vrolykheid” en maar één in “drogen” ...
—Hé, oom! riepen de kinderen, met ’n verbazing die het tegenwoordig geslacht verbazen zal.
—Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm ... gek? Als men op zoo’n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen die zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen dan ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden in nog nieuwer spelling, die dàn de ware alleen-zaligmakende wezen zal. Op die wyze wordt er nooit iets klassiek.
—’t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel bederft. Waar de “letterkundige” bekwaamheid van deze soort een maal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt byv. in die boekjes gesproken van “roeiriemen” en “verdek”, woorden die nooit over de lippen van ’n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat men op zeeschepen ’n “jol” heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit van zoo’n ding hooren spreken. Ze hebben daar ’n barkas, ’n boot, sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de verwaandheid van lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren zy brutaal-weg de oorspronkelyke berichten over Landen en Volken, en geven ’n pover artikeltjen over zoo’n land of volk uit hun eigen “Aardrykskundig Woordenboek” in de plaats. Die berichten zyn onvolledig en onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen wezen als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit te bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid der eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen nu niet welken indruk ’n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de eerste bezoekersmaakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen...
De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!
... we moeten slikken wat zekere m’nheer Van Wykthansover de door oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua naar Kanaän zond, laten terugkeeren met ’n hedendaagsche beschryving van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat heb je meer in je boekje?
—Papa, den 10en November had Van Noort geen sloep, en den 8en Januari ging men van z’n schip met ’n sloep aan-wal om mosselen te zoeken.Quaeriturwaar die sloep vandaan kwam?
—Hy kon zich ’n sloep hebben doen afstaan van een der andere schepen. Maar ik herinner me iets van ’t maken van zoo’n vaartuig.
De dokter bladerde even:
—Ziedaar, zeide hy. En Herman las:
“Dienzelfden dag—2 December—verzeilden de schepen naar een ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37 voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet, waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen, wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats, verkreeg den naam van denOliviers-baai.”
“Dienzelfden dag—2 December—verzeilden de schepen naar een ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37 voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet, waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen, wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats, verkreeg den naam van denOliviers-baai.”
—Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer?
—De uitdrukking “in apprehensiehouden” bevalt me niet.
—’n Stadhuiswoord!
—Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me.
—Maar ’t was ’n rechtzaak!
—Apprehenderebeteekent aanvatten, aangrypen...
—O hemel, daar komt Livius!
—Neen, kind... Suetonius.Apprehendo bucculam—voel maar!—beduidt: ik knyp m’n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied inteboezemen.
—Domme jongen, met je latyn!
—En wat heb je nu tegen deapprehensievan dien Ilpendam?
—Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man zoo heette. ’t Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor ’n zeeman van zyn tyd gepaster voor.
—Dit kan gegrond zyn.
—En Van Noort dan? riepen ’n paar anderen. Die had ook ’n vàn!
—Dat was ’n Admiraal!
—De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.
—Hm! Dienranghadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren tydelyke titels ... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber vande expeditie. ’t Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by ’t uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor ’n admiraal in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen overapprehensie?
—Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis tenemen. De beteekenis vanapprehendereis: aangrypen, aanvatten. Men kan iemand niet in “aangryping” houden.
—Korrekt! zei de vader. Korrekt als ’n zonnestelsel...
—Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar hy weet niet waarom.
—Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m’n breikatoen.
—Willems poot heeft mama’s draad inapprehensie... gehouden, plaagde Herman.
Oom Sybrand fluisterde Sietske in ’t oor.
—Hoe weet je, dat apprehendere“aangrypen” beteekent?
—’t Staat in alle woordenboeken, kind.
—Wat nu, oom? Laat me niet in den steek.
Oom fluisterde: “’t is knoeilatyn, neen ... ’t is latyn ... ook ’n knoeitaal!”
—’t Is knoeilatyn, of ... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan, oom. Niet te veel te-gelyk!
—Kind, bezondig je niet. Als ’t niet te veel eer voor je was, zou ik je ’t woord wyzen by Cicero.
—Oom?
Sybrand fluisterde.
—Je heele Cicero verstond z’n eigen latyn niet.
—O goden, wat moet ik vernemen, hier in m’n vaders eigen tuin! Kind, ga naar ’t land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster, gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster,horresco! Papa, ik ben verontwaardigd.
—Dit schynt wel!
—Je zit weer op m’n kluw, jongen!
—Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me ’n flinken latynschen vloek, toe!
—Vraag ’m naar den wortel.
—Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel is van je ... Cicero?
Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord was. Z’n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes van ’t gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er gezegd werd, vatte hy den toon niet. In de omgeving waaraan hy gewoon was, heerschte iets zwaars dat hem neerdrukte. Hier evenwel scheen alles te huppelen, te zweven. En toch voelde hy zeer goed dat er in dezen kring geen spraak was van lichtvaardigheid. Zou dàt nu wezen wat Juffrouw Laps “wereldsch”noemt, dacht hy, en zou nu die heele familie niet in den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy vond dat het toch jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den dokter over erfzonde en drieëenheid...
Doch z’n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te staan. Wat hem bovenal trof, was z’n eigen onwetendheid. Het verdriet hierover werd nog grooter, toen ’t gesprek ’n litterarische wending nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik ook wel kunnenbegrypen... als ik ’t maarwist!...
Oom Sybrand leî aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in de manier waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde.1
Daar kwam zoo-waar ’n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen, waar Wouter bleef? ’t Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan.
—Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje?
—Ja, m’nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal gebeurd is.
—Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over ’t vonnis van dien Jakob Claesz had ik ’n opmerking te maken. Kaatje, zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl.
Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.
—Dat’s waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad uitsprak. De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg Sybrand.
Holsma schudde ontkennend het hoofd.
—Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó’n strengheid niet noodig was...
—Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees eens voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot ... leven onder menschen die hem dooden zouden.
Herman las:
“Den 24sten (Januari1600) werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd, besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen.”
“Den 24sten (Januari1600) werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd, besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen.”
—Er ligt ’n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.
—Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou misschien kunnen pleiten voor zekeren graadvan beschaving. Misschien moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in ’t Journaal van kannibalismus gesproken. Van ’n kind dat men aan-wal geroofd, en geleerd had zich eenigszins in ’t hollandsch uittedrukken, vernamen onze reizigers dat z’n landgenooten—sommige stammen althans—zich daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad verkeerde in demeeningdat de ongelukkige dien men verstiet, onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen ’t barbaarsche Vuurland tot beul.
—En dat gebed!
—Niet waar? ’t Is om te yzen! Zoo’n afschuwelyke klucht na ’t bloedige voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die Vuurlanders ’t ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of maakten ze af, zònder God. Maar zy die ’t ware Geloof hadden, doemden den ongelukkige tot zoo’n straf ... mèt God! Wat is beter? Ik zie hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid nog den schimp voegden van de bespotting.
—Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.
—Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had ik—voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling der zaak in ’t Journaal—voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer treurig hebben gevonden, maar ... noodzakelyk! En zelfs duid ik het noch Van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun tyd waren. De straf van “aan-wal zetten” schynt in vroeger eeuwen by zeelieden gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk die ’t model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo’n wys op z’n eiland geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeeluî komen dergelyke gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by, dat het ’nwreedgebruik was. Tracht u eens den toestand voor den geest te halen van den veroordeelde die met ’n weinig brood en wyn op zoo’n ongastvrye kust aan-wal stapt! Hywistwat er met de matrozen die oesters gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens voor, wat hy gevoelen moest toen de sloep die hem gebracht had, zich verwyderde! Toen de matrozen—kort geleden nog z’n ondergeschikten—hem dwongen de hulk te verlaten! Toen ze hem “vaarwel” zeiden! Denkt eens na, jongens, over de vreeselyke beteekenis van dàtvaarwel! Die wegvarende sloep was ’t laatste punt van z’n aanraking met de maatschappy. Die matrozen zouden ’t schip weerzien: hunte-huis,waar ze kameraden hadden, en leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was voor hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn mee, om de marteling te rekken van ’t besef dàt dit alles voor hem verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan ’t ontwyken van de wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren?
De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien ’t Vaderland weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van dereis verhalen! En daar klonken stemmen—de ongelukkige moet ze gehoord hebben in z’n verlatenheid!—stemmen die aan de teruggekeerden vraagden: “waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam?”
Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by ’t staren op den geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet hem ’t aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen en waarom? Immers wat baatte het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging, of hy by ’t strand bleef of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten, of ’n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood?
Zeker zal hy aan ’t strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek, en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede, van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van ’t besef vooral dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog altyd ’n schip, daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn “Fredrik Hendrik” waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y voor Amsterdam. Daar immers voer ’n sloep, bemand met hollandsche matrozen. Daar waren menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog kort geleden... medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze hem op die kille kust overlaten aan z’n lot? Maar dit was onmogelyk, onmogelyk! Dit kon niet waar zyn!
En toch, toch...
Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy die hem met ’n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord, toen hy zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop?
Als er ’n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om ’t arme dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hem mocht, hèm wilde men niet redden!
Indien een van de roeiers ’n muts had achtergelaten aan den wal... misschien zouden zy teruggekeerd zyn om ’t verlorene te zoeken. Maar om hèm aftehalen keerde men niet terug!
Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor ’t laatst gezien hebben, haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en de sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen, bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs de hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts byblyven in ’n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige wezenloosheid der vertwyfeling.Alle aanraking met de mensheid was hem afgesneden, op ’t vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te worden door ’t laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou.
De Krygsraad vonniste “by meerderheid van stemmen” staat er. Niet byalgemeenestemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroordeelde genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in ’n zaak van dezen aard is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op verzachting van het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet den ongelukkige bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben aan martelende hoop. De mogelykheid bestond immers, dat men aan-boord van ’t admiraalschip na de aanvankelyke uitvoering van ’t vonnis, zich geroerd voelde? Het kòn immers wezen dat die aandoening zich bemachtigde van Van Noort zelf? Was deze niet eenmaal z’n ambtgenoot, z’n kameraad, z’n makker, z’n vriend? We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber der expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou ’t niet zelfs kunnen liggen in ’n welbegrepen taktiek, de opgelegde straf te verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid te versterken door ’n beroep op de thans in-acht genomen matiging?
De arme balling moetgehoopthebben.
Zoolang die schepen daar lagen...
Helaas!
Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by ’t ankerwinden! Hy hoort het neerklikken van den pal in ’t braadspil.2Elke tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden cylinder belet, verkort den kabel die ’t schip verbindt met anker en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de richting van de plek waar ’t anker den grond vat. En hy, de ervaren zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig, verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigenruk. Gedurende het ophalen van de “bocht” liep het geklikklak van ’t yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate het touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die ’t op den bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen te stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van ’t kleine voorwerp, als ’n uitroepingsteeken op de verzekering dat er ’n stap méér was gedaan ter-voorbereiding van ’t wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt den boeg als ’n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden hoorns. Als ’n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de gestrekte voorbeenen. DeFrederik Hendrik,zynschip,zyntrouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z’n waterlyn, en heft den achtersteven omhoog, enjumpt, en schynt zich te willen laten neerhieuwen in de diepte, liever dan z’n bevelhebber te verlaten, die daar handenwringend om genade staat te smeeken op ’t vreemde strand...
En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in ’t zand, in de steenen, in ’t koraal, in de spleet van ’n onderzeesche rots misschien...
Zou die bodem medelyden met hem hebben, en ’t anker niet loslaten?
Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen ’t laatste “o... ho... ho... iiii!” dat ’n eind maakte aan allen twyfel.
De zeilen, reeds onder ’t ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerende geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos, Van-tyd tot-tyd sloegen zeback, en vertoonden een schyn van onwil tot het verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen zou. Met hun bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst voor de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren.
Maar ook dit had opgehouden. Door ’n kleine beweging van ’t roer boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De zeilen werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen zetten koers... verwyderen zich... raken uit zicht... het vreeselyk vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z’n strengheid!
De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk waartenemen, dien deze schildering op de kinderen maakte. Wouters maagdelyk gemoed was zeker ’t meest aangedaan. Het kostte hem moeite zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, ’n schip uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen verlatene aftehalen! Even als by die droomerymet de wegvlietende strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die verwytend riep: waar blyft Wouter?
Als ’n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz. gedaan?
De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z’n beschroomdheid te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in z’n toon, alsof hy ’n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de opmerking:
—Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!
Indien iemand die niet gelooft, ronduit z’n meening zegt in ’n kring van geloovers, neemt men ’t hem zeer kwalyk dat hy den moed heeft van de leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk zachtmoediger. Niemand van ’t gezelschap riep: foei!
Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen ’t gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob Claesz. den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter die zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had, beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die hy had uitgelokt, en bracht het gesprek op ’n ander onderwerp.
—O zeker, m’n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere wys den moed hebbe opgedaan om z’n lot te dragen. En al ware dit zoo niet... er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk eens hoe het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn, toen zy den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was er vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om daarvan melding te maken in ’t Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben, zéker op ’t schip dat rechtstreeks onder z’n bevel stond, misschien wel op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal daartoe hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt ons of hy op de aanhankelykheid en ’t plichtsbesef van alle bevelhebbers, officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon? In-allen-gevalwisthy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken viel. Tusschen ’t eerste blyk van ongehoorzaamheid en ’t by-een roepen van den krygsraad, ligt ’n geruime tyd. Er moet in die weken veel voorgevallen zyn, waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan ook niet in ’t Journaal van de reis staat, althans niet in de jammerlyk verknoeide uitgaaf die daarvan dezer dagen in ’t licht kwam. Hebben de heeren taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in deze zaak eenige opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dater reeds vóór ’t beleggen van den krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte, toen de Vice-admiraal zich op den 14n December weder by ’t eskader had gevoegd. Men gevoelt dat er angst bestond voor den uitslag der oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg!
—’t Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig.
—Misschien!
—Het komt me voor, dat hy z’n plicht deed. Het behoud vanallenwas hem opgedragen en daarom moest hy, waar ’t noodig bleek, streng te-werk gaan met den enkele die zich verzette, en ’n slecht voorbeeld gaf.
—Dit kàn gegrond zyn. ’t Is evenwel jammer dat er in datzelfde Journaal blyken voorkomen van ’n ruwheid, die ’t recht geven tot twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk gegaan. Van Noort heeft eenmaal ’n spaanschen loods over-boord doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op ’t Admiraalschip vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in die van den armen Jakob Claesz. zyn de berichten zeer schraal. Er blykt, byv. niets van deoorzakender weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien het hem ware te-doen geweest om zich aan ’t gezag van Van Noort te onttrekken, had hy zich zeer gemakkelyk van ’t eskader kunnen afscheiden, wat dan ook by dergelyke expeditien herhaaldelyk geschiedde, ’t Was moeielyker by-een te blyven, dan elkaar uit het oog te verliezen. Wy weten te weinig van de zaak om ’n oordeel te vellen. Ook dit voorval, als de geheele Geschiedenis—ik bedoel, de groote!—is zeer onvolledig geschreven. We kunnen slechts raden, gissen. Alleen de vreeselykheid van ’t geslagen vonnis ligt ons duidelyk voor oogen. En wat me daarin ’t meest treft, is de lakonieke vermelding van de waarschynlykheid dat “de inlanders den veroordeelde wel zouden afmaken.” Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is, de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of ’t gebruik-maken van hun wreede eigenaardigheid? ’t Menschen-eten is verboden, maar wel scheen het geoorloofd, aan mensch-eters ’n mensch te eten te geven. De Romeinen wierpen hun misdadigers in ’t wilde-beestenperk. Hier zien wy de funktien van verscheurend dier opdragen aanmenschen!
—’t Warenwilden...
—Ja, maar zy die ’t vonnis sloegen, gingen voorbeschaafddoor. En bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z’n onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door ’t zien van voetstappen ontdekte dat z’n eilandnietonbewoond was. Och, kinderen, ’t is zoo treurig dat de mensch ’n vyand van den mensch is.
—De beschaving...
—Beschaving legt ’n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op, met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we niet kennen!
De dokter zag Willem even aan.
—Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van de maniertjes waaraan wy gewoon zyn reeds daarom alleen onze vyand is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam. Waar we haar ontdekken, werd ze gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door zichzelf schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch?
Holsma sprak hierop weder van beschaving, van dewaredie iets anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er in geestelyke ontwikkeling ’n hefboom ligt om ’t zedelyk standpunt te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen of minachten van ’t onbekende veelal voortsproot uit gebrek van zelfkennis.
Toen Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk.
De dokter namelyk had ’n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel op welk onderwerp ’t gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m’n redenen voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort.
1Hier volgt (in I. 1062) een uitvoerige beschouwing over de rol van klanknabootsing in de woordvorming.2De werktuigkundige verbeteringen van den laatsten tyd hebben waarschynlyk dit werktuig van de schepen verdrongen. Het was—of is—’n zware cylinder die met handspaken in beweging werd gebracht, en die in tegenstelling van ’t vertikaal staandgangspil, in horizontale richting niet ver van den boeg dwars over ’t schip geplaatst was. De zeer sterke rechtstandige balken waarin de as van dit spil zich beweegt, heetenbetings. Het winden wordt aan-boordhieuwengenoemd, waarschynlyk ’n klanknabootsing van den krachtregelenden maatzang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of ’t woord “braadspil” iets te maken heeft met het engelsche:broad, weet ik niet, maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders danonzydigwordt gebruikt. Wie daar, op ’t gezag onzer taalkundige woordenboeken, vandebraadspil sprak, zou worden aangezien voor ’n vreemdeling ofnederlandsche-taalprofessor. (M.)
1Hier volgt (in I. 1062) een uitvoerige beschouwing over de rol van klanknabootsing in de woordvorming.
2De werktuigkundige verbeteringen van den laatsten tyd hebben waarschynlyk dit werktuig van de schepen verdrongen. Het was—of is—’n zware cylinder die met handspaken in beweging werd gebracht, en die in tegenstelling van ’t vertikaal staandgangspil, in horizontale richting niet ver van den boeg dwars over ’t schip geplaatst was. De zeer sterke rechtstandige balken waarin de as van dit spil zich beweegt, heetenbetings. Het winden wordt aan-boordhieuwengenoemd, waarschynlyk ’n klanknabootsing van den krachtregelenden maatzang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of ’t woord “braadspil” iets te maken heeft met het engelsche:broad, weet ik niet, maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders danonzydigwordt gebruikt. Wie daar, op ’t gezag onzer taalkundige woordenboeken, vandebraadspil sprak, zou worden aangezien voor ’n vreemdeling ofnederlandsche-taalprofessor. (M.)
Een splinternieuwegradus ad Parnassum, niet precies dezelfde dieFaustten-geschenke kreeg vanMephisto. Twee ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken omtrent ’n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing.Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal ’t hem bevreemden te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma grooten invloed uitoefende op ’t ontwikkelingsproces van z’n geest. Het spreekt vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er was ’n kiem van verandering in z’n gemoed gelegd, die niet weder kon verstikt worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak, maar hy wist nu toch dat er iets àls zelfstandig denken mogelyk was, al durfde hyzelf zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem dan ook de noodige rypheid ontbrak. Niet hy, Wouter, zou ’n meening hebben, maar hy begon toch intezien dat er andere meeningen bestonden dan die van z’n omgeving, en dit was ’n groote stap.Boven alles echter—heel gelukkig inderdaad!—drukte hem z’n gebrek aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de kinderen in wier gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel meer wisten dan hy, en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten hem al z’n koningen Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte van voetstappen? De arme jongen had nooit iets van De Foe’s kluizenaar gehoord.Hy vroeg aan Stoffel, en deze zou wel in-staat geweest zyn hem intelichten, als Wouter den naam van Robinson maar onthouden had.—Voetstappen? Voetstappen? Hoe kan ik je antwoorden, als je niet zegt welke voetstappen? Voetstappen vanwien, meen ik. Men moet altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft.—Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen noemen. En maakte mevrouw-zelf de slâ aan? Dat vind ik al heel zonderling! Nu, de knecht zal zeker uit geweest zyn.By al de verhalen die Wouter omtrent z’n wedervaren werden afgeperst, had hy instinktmatig vermeden melding te maken van de byzonderheden die in z’n omgeving niet te rekenen hadden op ’n gunstig onthaal. Geen woord van de saturnalie! Niets van ’t verzuimd bidden by warm eten! Ook verzweeg hy de gemakkelykheid waarmee die kinderen zich schenen te bewegen, en de ongedwongenheid hunner deelneming aan ’t gesprek. Toch was de schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring minder gewild waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan beerevellen! Maar dit ging z’n berekening te-boven.Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of-i wel “fatsoenlyk” geweest was? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid zonder eigenlyk te weten wat ze bedoelde, daar hy in z’n gemoedje noch ondervinding noch besef had van het tegendeel. Ja toch ... de geschiedenis met dien topzwaren vlâlepel! Zou dàt misschien onfatsoenlyk geweest zyn? Hy wilde de beslissing dezer vraag liefst niet laten afhangen van z’n moeder, en zweeg er dus over ... och, hoe lief van de wilde Sietske, z’n onhandigheid zoo te bedekken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan hebben, al wist-i dan zooveel minder dan de kinderen van den dokter.Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z’n gedwongen afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer dan ooit voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem ontsloten werden, niet voldoende waren. Of althans hy meende dit. Maar aan tegenstand was niet te denken. Hy was ontevreden met zichzelf, met alles! “Van my zal nooit iets terecht komen!” zuchtte hy.Hy verscheurde z’nLadyMacbeth die hem leelyker voorkwam dan ooit. En ... Ophelia?O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht! Dit kwam hem zeer slecht voor. Was ’t omdat ze maar ’n bleekmeisje was, en omdat de kinderen van den dokter zooveel voornamer waren?Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan diefstal of moord. Hy kon niet leven met zoo’n zelfverwyt, en nam de eerste gelegenheid waar, om de schuld af tedoen. Want ’n schuld wàs het, naar-i voelde.En dit gevoel gaf hem moed. Met z’n gekleurde prent in de hand, stapte hy ditmaal moedig ’t welbekende hekje binnen, en klopte aande deur van Femke’s huisje. Er werd “binnen” geroepen. Z’n hart bonsde benauwend, maar nu moest-i z’n heldenstuk wel dóórzetten. Hy stond op-eenmaal voor ’t meisje, dat met haar moeder bezig was aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw van m’n held stopte kousen, ruwe dikke onoogelyke wollen kousen! ’t Is hard voor ’n schryver, zoo-iets te moeten boekstaven. Om evenwel aan Wouters onbedorvenheid de eer te geven die haar nog altyd toekomt...Want afkeer van praktischen eenvoudisbederf!... om hem te schetsen zooals hy wàs, zy hier erkend dat die kousen hem in ’t minst niet hinderden. De periode van verdraaide poëzie en valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken.Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy ’t aanlei om z’n bezoek te rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van ’n gesprek zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschynlyk voor ’t nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar ten-deele hoe de overgang geschiedde, tusschen z’n bedremmeld binnentreden en ’t plaatsnemen op ’n matten stoeltje dat Femke hem vriendelyk toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets dan den bezielenden blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep:—Ah!En ze had hem de hand toegereikt.—’t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde. ’t Is de kleine jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu? Je ziet bleek.—Ga zitten, jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van de wurmen?—Wel neen, moeder! ’t Kind heeft zenuwkoortsen gehad.—Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens van de wurmen komen kan. Geef ’n kommetje, Fem, en schenk hem in. Je moogt immers wel koffi drinken? Anders, als je met wurmen geplaagd bent...Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter meer hinderden dan haar kousen. ’t Mensch scheen zich voorgenomen te hebben hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug.—En waar bleekt je moeder? vroeg ze. Niet dat ik ’n ander wil onderkruipen, godbewaarme, maar... àls ze soms niet tevreden was met ’r waschvrouw... ’t kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder zichzelf de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in ’t goed zyn, maakt Fem ze ’r uit, met “zuringzout” weetje? En nooit raakt er ’n stuk weg ... ja, eens is ’t gebeurd, ’n paar mansetten, maar die hebben we vergoed met ’n zesthalf ... vraag maar aan Femke.Helaas! Dàt zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die haar zooveel anders te vragen had! Vrouw Claus maakte ’t hoe langer hoe erger. Ze tastte hier niet de valsche poëzie aan, waarmee hy nog niet besmet was, ze stoorde, belemmerde en bedierf dewerkelykevlucht van z’n gemoed, die beter pleging verdiende.En zie, het meisje begreep ’t ongepaste van dien wanklank! Zoudit aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn? Was ’t ’n gevolg van de betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken? Speelde hier de liefelyke jeugd ’n rol?Van alles wat, misschien. Doch zeker is ’t, dat de herinnering aan de manier waarop Wouter haar had ingeleid in de geheimenissen van Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze had Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de opschik waarmee hy by die gelegenheid z’n welsprekendheid getooid had, te bont en te kleurig voor geoefenden smaak ... Femke’s smaak was niet geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogenheidhetschoone,hetverhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om zich gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan ’n eind te maken. Maar ook hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf, was de rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen: moeder spreek toch wat ... peruaanscher!’t Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat het rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield?Zeer bedremmeld bracht Wouter uit, dat dit ’n geschenk voor háár was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid die hierin doorstraalde, en verzekerde met ’n eenvoud die meer ernst bevatte dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou.—Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken. Want ... stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch kant en klaar thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot klacht. Zeg dit gerust aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld je kraagje ... ik zeg dat het niet goed gestreken is. De ruimte zit in ’n plooi over ’t stiksel heen. Ook is ’t slordig geblauwd ... vraag maar aan Femke. Zeg, Fem, is ’t niet streeperig?Ei ... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Streeperig? Niet goed gestreken? En dat alles was nogal door de wyze Petrò gedaan! Ook dáárin alzoo bestond verschil van opvatting of methode? En ook dáárin alzoo was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend? Het scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken.Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken wie Ophelia was, en na even vruchtelooze pogingen om ’n gesprek aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy ’n uitgang. Er moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende zy, en: “de jongeheer kon wel ’n eindje meegaan.”—My wel, zei de moeder.Het jonge paar vertrok.Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met Wouter een der paden in, die in den omtrek van Amsterdamdepaden genoemd worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar wandelt moet leeftocht van indrukken meenemen om zich niet te vervelen.Nu, dáárvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zóóveel te zeggen, dat-i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer met hem bezig gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer vooral dan hy gissen kon. Ze begon met de mededeeling dat ze aan haar moeder geen bericht had gedaan van de onvriendelyke ontvangst die haar ten-zynent was te-beurt gevallen, en wel omdat ze wilde voorkomen dat haar moeder, indien Wouter eens mocht terugkeeren...—O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken?—Ja, zei ’t meisje aarzelend maar toch met ’n flinkheid die Wouter verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik heb ’n mis laten lezen voor je beterschap.—Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduidde. Heb je dat heusch voor me gedaan?—Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden, als je gestorven waart. Ik geloof dat je-n-’n goed jongetje bent.—Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar ... Femken, ik durfde niet.Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest Was. Het meisje schreef z’n beschroomdheid aan vrees voor haar moeder toe.—M’n moeder is ’n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te-kort doen, maar ... och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet, met menschen omtegaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat ik kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp, weetje, want voor ’n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong. ’t Was by ’n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn eigenlyk van beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg me liever, of je nu heelemaal beter bent?Wouter gaf verslag van z’n ziekte, en geraakte onwillekeurig op ’t onderwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z’n onkunde.—Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet onderwezen op m’n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit ’n groot man worden.—Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft drie eigen huizen, en ik weet dat-i geen woord fransch spreekt.Wouter had eenige moeite haar aan ’t verstand te brengen dat hy iets anders bedoelde dan ’t bezit van drie huizen, ofschoon ook dit hem niet verwerpelyk voorkwam.—Ik wilde zoo graag ... zieje ... zoo graag ... iets als ... ja, hoe zal ik je dit uitleggen? Ik wou...De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar hy had den moed niet, z’n eigen droomen in woorden overtezetten.—Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar ginds, ver in ’t zuiden, heel ver ... ik zal ’t voor je uitteekenen. We kunnen hier wel ’n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je precies uitleggen wat ik bedoel.Hy geleidde ’t meisje naar ’n stapel gezaagde planken, en nam daarop naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar ’n takje had weten machtig te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om ’n wereld in ’t zand te teekenen.—Dit is Europa. De aarde is rond ... dat wil zeggen, ze bestaat uit twee helften ... als pannekoeken ... kyk, ’t lykt wel ’n bril. Nu, met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika ... zet ’r gerust je voet op.Hierwonen wy ... daar ligt Engeland ... heel omlaag is Afrika. De menschen zyn daar ... onbeschaafd. Ze kunnen niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren. Maar als er ’n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk. ’t Staat in ’n boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die menschen lezen leeren, en kleeren geven, en zorgen dat er in ’t heele land geen onrecht geschiedde, en dan zouden wy...—Ik ook? vroeg Femke verbaasd.—Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan? We zouden man en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in dat land ... dat jy dan ...—Ik?Koningin?Het meisje berstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-staande, al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten had neergelegd.—Maar ... wil je dan niet m’n vrouw worden?—Wel neen, malle jongen! Ik begryp niet waar je de gekheid vandaan haalt. Weet je dan niet dat je nog maar ’n kind bent?—Wil je dan wachten tot dat ik groot ben? Wil je my niet aannemen voor je vrindje?—Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes bedenken. Niet dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan. Waarom niet? Er gaan zooveel menschen op-reis! By ons op ’t “pad” woonde vroeger ’n timmerman, die met z’n heele familie naar Haarlem verhuisd is. Maar ... trouwen!Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De arme jongen trof ’t ongelukkig met z’n eerste liefdesverklaring. Op-eenmaal werd het meisjen ernstig:—Ik geloof dat je ’n goed kind bent, zeide zy, en ik houd veel van je...—En ik! riep Wouter. O, Femke, ik heb altyd aan je gedacht in m’n ziekte ... als ik denken kon. Want ... in de koorts ... ik kan niet weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar ’t zal wel aan jou geweest zyn! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik gesproken alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó op je te lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette ik Kusco of Telasco, en jy was Aztalpa, de dochter van de zon. Zeg. Femke, mag ik je vrindje wezen?.Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van’n goede daad. Hoe werkte die aandrift? Waaruit ontstond ze? Was zich ’t zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters ... kinderachtigheid op haar uitoefende? Waarschynlyk niet. En ook ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite gaf ditmaal naar ’n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend was dan ’n lach.Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de teederheid die onmiskenbaar in z’n toon lag.—Zeker, zéker mag je m’n vrindje zyn! Maar ... maar ...Ze zocht ’n voorwaarde, ’n beletsel, iets dat hem niet kwetste, en toch terugvoerde naar ’t standpunt dat z’n leeftyd hem naar hare meening aanwees. Hy was gegroeid sedert z’n ziekte, dit is waar, maar toch ... Femke had kans gezien hem op den arm te nemen en de heele stad doortedragen, hem die ’r zoo prettig van droomde háár te redden uit ’n brand.—M’n vrindje, ja ... maar ... dan moet je-n-ook alles voor me doen wat ik verlang.Alles slechts? Och, ’t kwam Wouter zoo weinig voor!—Alles, alles, alles! Wat? O, gauw, zeg me wat ik voor je doen kan!’t Werd benauwend voor ’t meisje. Want ze wist niet wat ze eischen zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu dan, ze had altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen was. Als ze hem eens dáártoe aanspoorde?—Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m’n moeder verteld dat je-n-’t knapste jongetje van je school was ...—Ik? riep Wouter met komieke verbazing.Het schynt zonderling—doch we nemen dezelfde anomalie in de groote-menschenwereld waar—dat hy nooit had achtgeslagen op de onevenredigheid tusschen z’n hoogdravende aanspraken en verregaande onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze rekenfout was te opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbekwaamheid zoo goed bewust was, en dus niet als vele anderen ter verontschuldiging zich beroepen kon op eigenwaan. De allereerste in ’n heel werelddeel... dit kon wel. ’t Wenschje was billyk en matig, maar:—Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school, zei Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch. Zieje, anders mocht misschien m’n moeder te weten komen dat ik over je gejokt heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het geschiedt...—O, Femke, ik zal het doen!—Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan.Zoo zond ze hem weg. By ’t afscheid nemen vond ze op-eenmaal dat-i te groot geworden was om hem ’n zoen te geven. En toen pater Jansen, die ’n paar uur later haar moeder bezocht, vroeg van wien ze die prent had ...De man zei dat Ophelia in ’t Hollandsch zooveel beduidde alsFlora die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetmenietjes geweest was....toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal ’n heel klein kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo rechtuit zeggen, maar toch:—Och, heeroom, die prent is van ’n jongetje, van ’n klein jongetje. ’t Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of ... negen. Ja, ouder dan negen is-i zeker niet!—Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien!—Ja juist, vyftien, of ... zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog ’n kind is.Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia in ’n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de nieuwe uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien.“O, Femken, ik zal het doen!” had Wouter gezegd.Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu Pennewips schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes invloed. Wouter begreep zeer goed dat ze met het vergen van den voorgewenden dienst, geen andere bedoeling had dan z’n eigen belang. Maar die bedoeling zelf was liefelyk, en ’t zou hem immers leelyk hebben gestaan wanneer-i, na zóó hoog te hebben opgegeven van wat hy wel voor haar zou willen doen, op dien onverwachten eisch geantwoord had: o, alles alles, maar ... juist dit ééne niet!Dat-i liever z’n dame gediend had in ’n gevaarlyke expeditie, spreekt vanzelf. Maar men heeft z’n heldendaden niet voor ’t kiezen. Herkules en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten vergenoegen met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy, Wouter nam z’n taak ernstig op. Hy begon z’n “Ippel” z’n “Strabbe” z’n “Oefening in ’t kunstmatig lezen” z’n “Vaderlandsche- en andereGeschiedenis-boekjes” lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die hy onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd. Zelfs over “Pietersons Geslachtlyst van nederduitsche naamwoorden” begon z’n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te verspreiden, dat alle andere Herkulessen zou beschaamd gemaakt hebben over de nietigheid van hun werk.Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin bezorgde hem ’n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem ’n Meduza-kop tot schild ... och, niets van dat alles, maar toch ... Slachterskeesje mocht oppassen!Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk waarschuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van de school. Pennewip zelf was wel genoodzaakt te erkennen:—Het is bevreemdend! Men zou ook kunnen zeggen, het is ... verwonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos, of ... zonder voorbeeld!De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in zeker opstel heel kordaat van ’n wyf had gesproken: “dat zyn muts betastede en op deszelfs hoofd zettede.”Was ’t niet jammer, de lieve geestdrift van ’t kind te verknoeien aan zulken onzin?11In I. 1067–1074 beproeft M. eene zielkundige ontleding van Femke, met lange beschouwingen over onschuld, zinnelykheid en hysterie.
Een splinternieuwegradus ad Parnassum, niet precies dezelfde dieFaustten-geschenke kreeg vanMephisto. Twee ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken omtrent ’n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing.
Een splinternieuwegradus ad Parnassum, niet precies dezelfde dieFaustten-geschenke kreeg vanMephisto. Twee ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken omtrent ’n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing.
Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal ’t hem bevreemden te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma grooten invloed uitoefende op ’t ontwikkelingsproces van z’n geest. Het spreekt vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er was ’n kiem van verandering in z’n gemoed gelegd, die niet weder kon verstikt worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak, maar hy wist nu toch dat er iets àls zelfstandig denken mogelyk was, al durfde hyzelf zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem dan ook de noodige rypheid ontbrak. Niet hy, Wouter, zou ’n meening hebben, maar hy begon toch intezien dat er andere meeningen bestonden dan die van z’n omgeving, en dit was ’n groote stap.
Boven alles echter—heel gelukkig inderdaad!—drukte hem z’n gebrek aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de kinderen in wier gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel meer wisten dan hy, en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten hem al z’n koningen Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte van voetstappen? De arme jongen had nooit iets van De Foe’s kluizenaar gehoord.Hy vroeg aan Stoffel, en deze zou wel in-staat geweest zyn hem intelichten, als Wouter den naam van Robinson maar onthouden had.
—Voetstappen? Voetstappen? Hoe kan ik je antwoorden, als je niet zegt welke voetstappen? Voetstappen vanwien, meen ik. Men moet altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft.
—Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen noemen. En maakte mevrouw-zelf de slâ aan? Dat vind ik al heel zonderling! Nu, de knecht zal zeker uit geweest zyn.
By al de verhalen die Wouter omtrent z’n wedervaren werden afgeperst, had hy instinktmatig vermeden melding te maken van de byzonderheden die in z’n omgeving niet te rekenen hadden op ’n gunstig onthaal. Geen woord van de saturnalie! Niets van ’t verzuimd bidden by warm eten! Ook verzweeg hy de gemakkelykheid waarmee die kinderen zich schenen te bewegen, en de ongedwongenheid hunner deelneming aan ’t gesprek. Toch was de schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring minder gewild waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan beerevellen! Maar dit ging z’n berekening te-boven.
Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of-i wel “fatsoenlyk” geweest was? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid zonder eigenlyk te weten wat ze bedoelde, daar hy in z’n gemoedje noch ondervinding noch besef had van het tegendeel. Ja toch ... de geschiedenis met dien topzwaren vlâlepel! Zou dàt misschien onfatsoenlyk geweest zyn? Hy wilde de beslissing dezer vraag liefst niet laten afhangen van z’n moeder, en zweeg er dus over ... och, hoe lief van de wilde Sietske, z’n onhandigheid zoo te bedekken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan hebben, al wist-i dan zooveel minder dan de kinderen van den dokter.
Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z’n gedwongen afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer dan ooit voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem ontsloten werden, niet voldoende waren. Of althans hy meende dit. Maar aan tegenstand was niet te denken. Hy was ontevreden met zichzelf, met alles! “Van my zal nooit iets terecht komen!” zuchtte hy.
Hy verscheurde z’nLadyMacbeth die hem leelyker voorkwam dan ooit. En ... Ophelia?
O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht! Dit kwam hem zeer slecht voor. Was ’t omdat ze maar ’n bleekmeisje was, en omdat de kinderen van den dokter zooveel voornamer waren?
Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan diefstal of moord. Hy kon niet leven met zoo’n zelfverwyt, en nam de eerste gelegenheid waar, om de schuld af tedoen. Want ’n schuld wàs het, naar-i voelde.
En dit gevoel gaf hem moed. Met z’n gekleurde prent in de hand, stapte hy ditmaal moedig ’t welbekende hekje binnen, en klopte aande deur van Femke’s huisje. Er werd “binnen” geroepen. Z’n hart bonsde benauwend, maar nu moest-i z’n heldenstuk wel dóórzetten. Hy stond op-eenmaal voor ’t meisje, dat met haar moeder bezig was aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw van m’n held stopte kousen, ruwe dikke onoogelyke wollen kousen! ’t Is hard voor ’n schryver, zoo-iets te moeten boekstaven. Om evenwel aan Wouters onbedorvenheid de eer te geven die haar nog altyd toekomt...
Want afkeer van praktischen eenvoudisbederf!
... om hem te schetsen zooals hy wàs, zy hier erkend dat die kousen hem in ’t minst niet hinderden. De periode van verdraaide poëzie en valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken.
Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy ’t aanlei om z’n bezoek te rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van ’n gesprek zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschynlyk voor ’t nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar ten-deele hoe de overgang geschiedde, tusschen z’n bedremmeld binnentreden en ’t plaatsnemen op ’n matten stoeltje dat Femke hem vriendelyk toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets dan den bezielenden blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep:
—Ah!
En ze had hem de hand toegereikt.
—’t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde. ’t Is de kleine jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu? Je ziet bleek.
—Ga zitten, jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van de wurmen?
—Wel neen, moeder! ’t Kind heeft zenuwkoortsen gehad.
—Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens van de wurmen komen kan. Geef ’n kommetje, Fem, en schenk hem in. Je moogt immers wel koffi drinken? Anders, als je met wurmen geplaagd bent...
Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter meer hinderden dan haar kousen. ’t Mensch scheen zich voorgenomen te hebben hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug.
—En waar bleekt je moeder? vroeg ze. Niet dat ik ’n ander wil onderkruipen, godbewaarme, maar... àls ze soms niet tevreden was met ’r waschvrouw... ’t kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder zichzelf de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in ’t goed zyn, maakt Fem ze ’r uit, met “zuringzout” weetje? En nooit raakt er ’n stuk weg ... ja, eens is ’t gebeurd, ’n paar mansetten, maar die hebben we vergoed met ’n zesthalf ... vraag maar aan Femke.
Helaas! Dàt zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die haar zooveel anders te vragen had! Vrouw Claus maakte ’t hoe langer hoe erger. Ze tastte hier niet de valsche poëzie aan, waarmee hy nog niet besmet was, ze stoorde, belemmerde en bedierf dewerkelykevlucht van z’n gemoed, die beter pleging verdiende.
En zie, het meisje begreep ’t ongepaste van dien wanklank! Zoudit aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn? Was ’t ’n gevolg van de betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken? Speelde hier de liefelyke jeugd ’n rol?
Van alles wat, misschien. Doch zeker is ’t, dat de herinnering aan de manier waarop Wouter haar had ingeleid in de geheimenissen van Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze had Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de opschik waarmee hy by die gelegenheid z’n welsprekendheid getooid had, te bont en te kleurig voor geoefenden smaak ... Femke’s smaak was niet geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogenheidhetschoone,hetverhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om zich gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan ’n eind te maken. Maar ook hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf, was de rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen: moeder spreek toch wat ... peruaanscher!
’t Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat het rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield?
Zeer bedremmeld bracht Wouter uit, dat dit ’n geschenk voor háár was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid die hierin doorstraalde, en verzekerde met ’n eenvoud die meer ernst bevatte dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou.
—Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken. Want ... stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch kant en klaar thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot klacht. Zeg dit gerust aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld je kraagje ... ik zeg dat het niet goed gestreken is. De ruimte zit in ’n plooi over ’t stiksel heen. Ook is ’t slordig geblauwd ... vraag maar aan Femke. Zeg, Fem, is ’t niet streeperig?
Ei ... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Streeperig? Niet goed gestreken? En dat alles was nogal door de wyze Petrò gedaan! Ook dáárin alzoo bestond verschil van opvatting of methode? En ook dáárin alzoo was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend? Het scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken.
Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken wie Ophelia was, en na even vruchtelooze pogingen om ’n gesprek aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy ’n uitgang. Er moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende zy, en: “de jongeheer kon wel ’n eindje meegaan.”
—My wel, zei de moeder.
Het jonge paar vertrok.
Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met Wouter een der paden in, die in den omtrek van Amsterdamdepaden genoemd worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar wandelt moet leeftocht van indrukken meenemen om zich niet te vervelen.
Nu, dáárvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zóóveel te zeggen, dat-i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer met hem bezig gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer vooral dan hy gissen kon. Ze begon met de mededeeling dat ze aan haar moeder geen bericht had gedaan van de onvriendelyke ontvangst die haar ten-zynent was te-beurt gevallen, en wel omdat ze wilde voorkomen dat haar moeder, indien Wouter eens mocht terugkeeren...
—O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken?
—Ja, zei ’t meisje aarzelend maar toch met ’n flinkheid die Wouter verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik heb ’n mis laten lezen voor je beterschap.
—Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduidde. Heb je dat heusch voor me gedaan?
—Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden, als je gestorven waart. Ik geloof dat je-n-’n goed jongetje bent.
—Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar ... Femken, ik durfde niet.
Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest Was. Het meisje schreef z’n beschroomdheid aan vrees voor haar moeder toe.
—M’n moeder is ’n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te-kort doen, maar ... och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet, met menschen omtegaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat ik kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp, weetje, want voor ’n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong. ’t Was by ’n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn eigenlyk van beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg me liever, of je nu heelemaal beter bent?
Wouter gaf verslag van z’n ziekte, en geraakte onwillekeurig op ’t onderwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z’n onkunde.
—Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet onderwezen op m’n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit ’n groot man worden.
—Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft drie eigen huizen, en ik weet dat-i geen woord fransch spreekt.
Wouter had eenige moeite haar aan ’t verstand te brengen dat hy iets anders bedoelde dan ’t bezit van drie huizen, ofschoon ook dit hem niet verwerpelyk voorkwam.
—Ik wilde zoo graag ... zieje ... zoo graag ... iets als ... ja, hoe zal ik je dit uitleggen? Ik wou...
De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar hy had den moed niet, z’n eigen droomen in woorden overtezetten.
—Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar ginds, ver in ’t zuiden, heel ver ... ik zal ’t voor je uitteekenen. We kunnen hier wel ’n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je precies uitleggen wat ik bedoel.
Hy geleidde ’t meisje naar ’n stapel gezaagde planken, en nam daarop naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar ’n takje had weten machtig te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om ’n wereld in ’t zand te teekenen.
—Dit is Europa. De aarde is rond ... dat wil zeggen, ze bestaat uit twee helften ... als pannekoeken ... kyk, ’t lykt wel ’n bril. Nu, met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika ... zet ’r gerust je voet op.Hierwonen wy ... daar ligt Engeland ... heel omlaag is Afrika. De menschen zyn daar ... onbeschaafd. Ze kunnen niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren. Maar als er ’n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk. ’t Staat in ’n boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die menschen lezen leeren, en kleeren geven, en zorgen dat er in ’t heele land geen onrecht geschiedde, en dan zouden wy...
—Ik ook? vroeg Femke verbaasd.
—Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan? We zouden man en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in dat land ... dat jy dan ...
—Ik?Koningin?
Het meisje berstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-staande, al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten had neergelegd.
—Maar ... wil je dan niet m’n vrouw worden?
—Wel neen, malle jongen! Ik begryp niet waar je de gekheid vandaan haalt. Weet je dan niet dat je nog maar ’n kind bent?
—Wil je dan wachten tot dat ik groot ben? Wil je my niet aannemen voor je vrindje?
—Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes bedenken. Niet dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan. Waarom niet? Er gaan zooveel menschen op-reis! By ons op ’t “pad” woonde vroeger ’n timmerman, die met z’n heele familie naar Haarlem verhuisd is. Maar ... trouwen!
Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De arme jongen trof ’t ongelukkig met z’n eerste liefdesverklaring. Op-eenmaal werd het meisjen ernstig:
—Ik geloof dat je ’n goed kind bent, zeide zy, en ik houd veel van je...
—En ik! riep Wouter. O, Femke, ik heb altyd aan je gedacht in m’n ziekte ... als ik denken kon. Want ... in de koorts ... ik kan niet weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar ’t zal wel aan jou geweest zyn! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik gesproken alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó op je te lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette ik Kusco of Telasco, en jy was Aztalpa, de dochter van de zon. Zeg. Femke, mag ik je vrindje wezen?.
Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van’n goede daad. Hoe werkte die aandrift? Waaruit ontstond ze? Was zich ’t zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters ... kinderachtigheid op haar uitoefende? Waarschynlyk niet. En ook ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite gaf ditmaal naar ’n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend was dan ’n lach.
Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de teederheid die onmiskenbaar in z’n toon lag.
—Zeker, zéker mag je m’n vrindje zyn! Maar ... maar ...
Ze zocht ’n voorwaarde, ’n beletsel, iets dat hem niet kwetste, en toch terugvoerde naar ’t standpunt dat z’n leeftyd hem naar hare meening aanwees. Hy was gegroeid sedert z’n ziekte, dit is waar, maar toch ... Femke had kans gezien hem op den arm te nemen en de heele stad doortedragen, hem die ’r zoo prettig van droomde háár te redden uit ’n brand.
—M’n vrindje, ja ... maar ... dan moet je-n-ook alles voor me doen wat ik verlang.
Alles slechts? Och, ’t kwam Wouter zoo weinig voor!
—Alles, alles, alles! Wat? O, gauw, zeg me wat ik voor je doen kan!
’t Werd benauwend voor ’t meisje. Want ze wist niet wat ze eischen zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu dan, ze had altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen was. Als ze hem eens dáártoe aanspoorde?
—Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m’n moeder verteld dat je-n-’t knapste jongetje van je school was ...
—Ik? riep Wouter met komieke verbazing.
Het schynt zonderling—doch we nemen dezelfde anomalie in de groote-menschenwereld waar—dat hy nooit had achtgeslagen op de onevenredigheid tusschen z’n hoogdravende aanspraken en verregaande onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze rekenfout was te opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbekwaamheid zoo goed bewust was, en dus niet als vele anderen ter verontschuldiging zich beroepen kon op eigenwaan. De allereerste in ’n heel werelddeel... dit kon wel. ’t Wenschje was billyk en matig, maar:
—Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school, zei Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch. Zieje, anders mocht misschien m’n moeder te weten komen dat ik over je gejokt heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het geschiedt...
—O, Femke, ik zal het doen!
—Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan.
Zoo zond ze hem weg. By ’t afscheid nemen vond ze op-eenmaal dat-i te groot geworden was om hem ’n zoen te geven. En toen pater Jansen, die ’n paar uur later haar moeder bezocht, vroeg van wien ze die prent had ...
De man zei dat Ophelia in ’t Hollandsch zooveel beduidde alsFlora die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetmenietjes geweest was.
...toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal ’n heel klein kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo rechtuit zeggen, maar toch:
—Och, heeroom, die prent is van ’n jongetje, van ’n klein jongetje. ’t Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of ... negen. Ja, ouder dan negen is-i zeker niet!
—Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien!
—Ja juist, vyftien, of ... zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog ’n kind is.
Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia in ’n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de nieuwe uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien.
“O, Femken, ik zal het doen!” had Wouter gezegd.
Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu Pennewips schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes invloed. Wouter begreep zeer goed dat ze met het vergen van den voorgewenden dienst, geen andere bedoeling had dan z’n eigen belang. Maar die bedoeling zelf was liefelyk, en ’t zou hem immers leelyk hebben gestaan wanneer-i, na zóó hoog te hebben opgegeven van wat hy wel voor haar zou willen doen, op dien onverwachten eisch geantwoord had: o, alles alles, maar ... juist dit ééne niet!
Dat-i liever z’n dame gediend had in ’n gevaarlyke expeditie, spreekt vanzelf. Maar men heeft z’n heldendaden niet voor ’t kiezen. Herkules en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten vergenoegen met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy, Wouter nam z’n taak ernstig op. Hy begon z’n “Ippel” z’n “Strabbe” z’n “Oefening in ’t kunstmatig lezen” z’n “Vaderlandsche- en andereGeschiedenis-boekjes” lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die hy onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd. Zelfs over “Pietersons Geslachtlyst van nederduitsche naamwoorden” begon z’n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te verspreiden, dat alle andere Herkulessen zou beschaamd gemaakt hebben over de nietigheid van hun werk.
Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin bezorgde hem ’n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem ’n Meduza-kop tot schild ... och, niets van dat alles, maar toch ... Slachterskeesje mocht oppassen!
Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk waarschuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van de school. Pennewip zelf was wel genoodzaakt te erkennen:
—Het is bevreemdend! Men zou ook kunnen zeggen, het is ... verwonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos, of ... zonder voorbeeld!
De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in zeker opstel heel kordaat van ’n wyf had gesproken: “dat zyn muts betastede en op deszelfs hoofd zettede.”
Was ’t niet jammer, de lieve geestdrift van ’t kind te verknoeien aan zulken onzin?1
1In I. 1067–1074 beproeft M. eene zielkundige ontleding van Femke, met lange beschouwingen over onschuld, zinnelykheid en hysterie.
1In I. 1067–1074 beproeft M. eene zielkundige ontleding van Femke, met lange beschouwingen over onschuld, zinnelykheid en hysterie.