Woutermoet ’n beroep kiezen. De keerzy van den roem.Wouter’sbegrippen over kommanditair wereldbestuur. Oorzaken van ’n ergernis die, viâMissolunghiuitloopt opFemke.Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was, en bovendien ’niongenn die tegenover meisjes altyd eenige jaren minder telt dan z’n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z’n broêr Stoffel.—Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad, waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.—Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar ik wou nu maar weten wat we met ’m zullen aanvangen. Letterzetten wil-i niet. En naar zee ... nu dat’s me-n-ook wat!“Dat ’s me-n-ook wat!” beduidt: ’t is te gek om van te spreken. Onder de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit geweest—er was iets Afrikaansch in—maar hy voelde zich daarin versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan.Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen, had-i z’n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen namelyk, is de zeevaart—als baden en zwemmen—’n uitspatting, ’n misbruik, ’n losbandigheid, ’n paradox, ’nhors d’oeuvreof ’n ondeugd.—De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo’n affront, riep de moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen, dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je dan nooit ophouden met akeligheid!Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van onbekende koninkryken, van StraatMagellaan... helaas!Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam en verhaalde treffende voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan.En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen schoenmaker, geen leerling op ’n notariskantoor, geen bediende in ’n winkel, geen aptekersjongen...Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z’n tegenzin in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die men tegen het door hem gekozene inbracht.De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd, dan by zulke gelegenheden wel eens ’t geval is. De meer of mindere kans op “geld-verdienen” werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood omzeer spoedig“in de verdiensten te komen?” Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over ’t “worden van ’n nuttig lid in de Maatschappy” voor-den-dag te brengen. Toevallig—en zeer by-uitzondering—had-i hier met ’n kind te doen dat deze versleten en huichelachtige fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets tot-stand brengen, iets leveren:de plaats betalen die het lot hem bood....en iets meer dan dat, als ’t mogelyk was! Kon hy ’t helpen dat het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z’n lust tot de zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar ’n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop dat-i daarin gelegenheid vinden zou...Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z’n verbeelding voorspiegelde?1Na ’n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd ingeroepen, dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het besluit: “dat Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel.” En juffrouw Pieterse was dit volkomen met hem eens.Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Misschien wel omdat-i niet recht wist wat het was.Hy vroeg ’t aan Stoffel.—Wel, begryp je dát nu alweer niet? “In den handel” beduidt zooveel als... koopman worden.—Maar... wàt moet ik dan verkoopen? En hoe kan ik weten wat de menschen noodig hebben?—Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de huizen liep met ’n pak koopgoed, en overal moest aanschellen om te vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch altyd even dom. “In den handel” zieje, beduidt zooveel als...Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over ’n definitie struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen hebbenby zulke gelegenheden terstond ’n bondgenoot by de hand, die hen zoo flink uit den nood helpt als hier geschiedde.—Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdryven, Wouter! riep juffrouw Pieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd, en je houdt je weer net of je ’r niks van begrypt. Wie ter-wereld heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met ’n pak op je rug, als ’n oliekoop of ’nmersan de la perreplu? Heb ik je daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden? Je bent ’n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel weet, en mooie trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo veraffrenteert!Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen ’t vreemd vinden—en onbillyk misschien—dat Wouter hier begraven werd onder ’n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar ... vreemd? O, neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van zekere manier waarop nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin juffrouw Pieterse ’n ware virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my tot regel stel, heeft dan ook ’t woordparapluiein haar mond het vrouwelyk geslacht te wyten. Ze volgde hierin zeker straatlied van die dagen, waarvan de door haar gebezigde uitdrukking ’t onvervalscht refrein was.Maar... als nu Wouter eens “in alle bescheidenheid” de opmerking gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze preek? Wel, dan had men hem bedolven onder ’n tweede predikatie over de verregaande brutaligheid van ’t gelykhebben, wat dan ook in zekere omstandigheden inderdaad ’n foutis.Niet zoozeer omdat-i dit inzag—daartoe is dieper wysheid noodig dan hem gegeven was!—als wel uit ongewoonte om z’n meening te zeggen, die toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend by de eerste gelegenheid de vereischte inlichtingen te vragen aan z’n Egeria, aan... Femke.Dat hy, in-weerwil van z’n onkunde niet ontevreden was met het vooruitzicht “in den handel” te gaan, is niet onnatuurlyk. In de eerste plaats zou ’t vervelende school-gaan ’n eind nemen. Dit was ’n zékere winst. De minder stellige voordeelen eener verandering van standpunt, mat-i af naar z’n hoop, en naar den wensch omietste zyn, wàt dan ook! ’t Zou dan toch al heel slecht geschapen staan met “handel” wanneer daarin niet iets beters te bereiken was dan ’n geminacht schooljongensschap, dat hem meer begon te drukken naarmate hy hooger stond aangeschreven in Pennewip’s achting. Het was namelyk ten-zynent ’nticgeworden—en z’n by uitstek domme zusters deden dapper mee—hem z’n arithmetische, aardrykskundige, grammatikale en kalligrafische kennis of bekwaamheid aanterekenen als ’n verpletterend servituut. De geringste fout tegen huis- of fatsoentucht werd door verrekte armen vaamsgewys uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht met z’n veronderstelde schoolwysheid. Z’n onoverwinnelyke tegenzin in zuurkool, byv. “paste geen jongen die zooveel boekjes van-buiten kende” en als-i na ’nwandeling wat later thuiskwam dan hem genadig was toegestaan, moest-i de vraag hooren: of dàt nu ’t goede gedrag was van iemand die zoo’n uitstekend onderwys te danken had aan z’n moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek?De bespottelyke ingenomenheid met Wouter’s vermeende gaven, maakte hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en ’t had er veel van of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke roemzucht.Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den minsten grond om aan die laatste veronderstelling ’n plaatsje te gunnen in z’n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest ware, zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid zyner omgeving ’n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had, dan voortydige bezorgdheid voor z’n zedelyk welzyn. De zaak kwam eenvoudig neer op de onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort van burgerlyke opvatting, de gezellin behoort te zyn van ’t goede.De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken. Ze liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en ’t christendom—vooral het dor protestantismus!—hebben er geen goed aan gedaan.Is ’t wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen, zy die ’n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt bestaan te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf gemaakt had? Het eeuwige vitten van Wouter’s moeder was alzoo goddelyker dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan haar bekend was, toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde: “ik doe daar m’n godsdienst mee!” Wel zeker!Het verspreiden van geluk, en ’t zoeken van genot in deze levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter’s omgeving. Met den besten wil mogen wy dus ’t verdriet dat hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van ’t hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende beroemdheid.En toch, toch... Wouter wàs eerzuchtig! Maar hy was het in geheel andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen gissen. Al de geneesmiddelen die men hem—al was ’t dan doelloos—ingaf tegen hoogmoed, waren niet toereikend om afbreuk te doen aan ’n zelfgevoel dat waarlyk de perken van ’t ooitda gewesenever te-buiten ging.“Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de toekomst, tot het brutale toe?”Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van Afrika wilde worden?Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: “of ’n bleekersjongetje?”Was ook dat onbescheiden?Neen, niet zulke nietigheden waren ’t onderwerp van Wouter’s ongeëvenaarde eerzucht. Z’n wenschen zweefden hooger dan dit alles, en wanneer-i droomde van koningschap, was ’t by-wyze vanspreken, en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze vlucht zyner begeerten, ’n vlucht zóó hoog dat-i alle verschil tusschen ’n bleekveld en ’n troon uit het oog verloor.De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. Hy onderging onbewust den indruk van ’t verhevene, en z’n onwetende ziel doolde rond in ’n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op ’t gebied van het goede wilde hy ’t hoogste grypen, het moeilykste tot-stand brengen. Z’n weifelen in keus was ’n natuurlyk gevolg van onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z’n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z’n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo ’n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten—’n zeer ongewone fout dus!—om de zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van ’t gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er ’n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelary!“Later, later!” dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche en huiselyke banden. Dan zoud-i ’n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En nòg een...Helaas, er stonden er maar vyf in ’t boekje van z’n geografie!Vyf werelddeelen slechts! ’t Is niet de moeite waard om van te spreken.Wat dàn? Wat daarna?Hier begon zich z’n fantazie te verliezen in de ruimte, en ’t firmament verwarrende met ’n gedroomden onstoffelyken hemel, naderden z’n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.Geen “Weg ter Zaligheid” en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in ’t gemoed droeg, en waarmee hy zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo’n Wezen zeer na, en beschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlyken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven in Wouter’s stamboom.Hoe hy ’t aanleî om den god dien hy geschapen had, den god van ’t goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen. In hooggestemde gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich door de boekerigheid waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorgesteld.Het kind kan niet nalaten hem te beschouwen als onderwerp van leeslesjes, opstelletjes of schooltaak—om nu niet te spreken van ’t pynlyk stil-zitten in de kerk—en al van-buiten leerende “dat God zoo byzonder groot is” geeft het als onderwerp van vereering en smaak, de voorkeur aan ’n straatgoochelaar, ’n kunstpaardjen of ’n handjevol kersen. Jazelfs ’n “kip te water” is smakelyker onderwerp van geestdrift dan die vervelende “Heer.”Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan te doen? Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van onverschilligheid te maken, het onderwys in de “godsdienst” uitstelden tot het kind meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich ’n veel lastiger vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want “godsdienst” kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten ’n bescheiden plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in z’n opvoedings-systeem het “breien en merken”, waarin z’n ega zoo uitmuntte, tot parallel-studie verhief van ’t “psalm-zingen” en de “leer der Zaligheid.”Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus—of liever, juist omdat z’n god van school en katechizatie maar ’n onderwerp was van leeslesjes—hy zag er geen bezwaar in, ’n geheel ander wezen in z’n hart te dragen. En Jehovah schikte zich.Bovendien, Wouters privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich, hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam metzynbegrippen over ’t goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hy...Wanneer? Hoe?Dit:wanneeren dit:hoespeelden de hoofdrol in z’n gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z’n wil. Later—mymerde hy dan—als-i zou aangekomen zyn op ’t punt waar hy wezen wilde! Later, als zyn God—dit was hyzelf, maar hy wist het niet—ontwaakt zou zyn, of ... mondig! In zulke stemmingen zou ’t z’n gemoed verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende jammerklachten. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En, bovendien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand van z’n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy droeg z’n hooggestemde levensopvatting in z’n binnenste, als ’n kool vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maaktehem onvatbaar voor menige andere smart, en jaagde hem voort, voort, naar...Ja, waarheen?Waarheen? Wanneer? Hoe?Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen!Ach, er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er nog veel gebeuren voor-i ’n eind kon maken aan al ’t verkeerde! En dit toch was z’n roeping, naar-i meende. De straat was slecht geplaveid. Daar ginds stond ’n huis op ’t instorten. Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs ’n arme blindeman in ’t water gevallen, en verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En, nu eenmaal blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde, waarom ... och, er was geen eind aan verwytende vragen.En telkens als er regen noodig was, bleef ’t weken lang droog weer. Maar ’t plasregende als alles onder water stond. En dan las men in de courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet oost. Wouter’s God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest, en dus nog dommer te zyn dan zoo’n krant.Is dat ’n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat ’n wereld regeeren? Zóó slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder almacht, zònder God!O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame Grieken streden tegen de wreede Turken, en leverden dagelyks de by zulke gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den mond vol van. Alleen God scheen alweer niet op z’n post te zyn. Marko Bozzaris en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar ’t hielp niet veel. En al de Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook niet. En al de Turken waren van ’n glad verkeerd geloof, ’t Hielp nog niet. Zelfs hielp ’t niet dat ze zoo byzonder lafhartig waren, en overal by troepen te-gelyk op de vlucht sloegen zoodra maar één Griek zich vertoonde ... tòch werden elke week alle grieksche vrouwen, kinderen en grysaards vermoord. Wouter’s historische en krygskundige kritiek ging niet ver genoeg om te vragen waarom de grieksche helden dit toelieten? Hy hield zich aan de verantwoordelykheid van z’n god, en was recht boos over zooveel plichtverzuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder ditmaal niet voorwenden. De zaak wasnotoir, want de kinderen op de straat bezongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken, en ’t voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht of de onverschilligheid van Wouter’s god.En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar ’t verre Engeland...hoofdstad: Londen aan de Theems met veel handel, scheepvaart en ’n yzergietery. Beeft by ’t hooren van ’t Nederlandsch geschut. De protestantsche godsdienst is de heerschende. Heeft ookbezittingen in Aziën, Afrika, Amerika en Australië. Regeeringsvorm: koninklyk. Getal inwoners ...Hm... zóóveel! Min één nu. Want zekere dwaas—dichter en lord was-i ook—had er z’n zinnen opgezet om ’t land uitteloopen, en met de Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets, en verliet z’n vaderland ...Wel zeker, dit had Wouter ook willen doen—en met pleizier!—om aan z’n god en die Turken ’n lesje te geven als-i maar... permissie had kunnen krygen van z’n moeder, d. i. als-i maar niet ’n armzalig schooljongetje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy dien gelukkigen engelschman gevraagd hoe men ’t toch aanlegt om lord, dichter en held te worden? En wat men doen moet, om van kleinen jongen zich optewerken tot onsterfelykheid... niet die uit den katechismus! Een voorrecht dat-i zou te deelen hebben met ieder ander die “geloofd zal hebben en gedoopt zal zyn” kwam hem niet byzonder wenschenswaard voor. Hy wilde in dit geval niets weten van verlossing, zoendood en genade—altemaal dingen die zeer belangryk zyn in de schooltheologie, en waarin-i dan ook op elk examen de eerste noot behalen zou—maar de prikkel die hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In z’n verbeelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als: “Wouter’sbegrafenis by Thermopylae.” De lykstaatsie bewoog zich over ’n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo breed als de prent maar eenigszins toeliet.Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i...Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken maakten laaghartig misbruik van z’n verdrietige onvolwassenheid. En die m’nheer Byron ook.Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van ’n mededinger, die—geheel buiten zyn schuld immers—nog niet gereed was? Ook deze onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende Wouter. By zoo’n verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk mededingerschap mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even wachten tot-i gereed was?Dan zoud-i...Wat? Hoe? Wanneer? Waarheen?Alweer die martelende vragen!Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor ’t kiezen had gehad, waar-i door ontlasting van z’n gemoed z’n wrevel had mogen verzachten tot weemoedigheid... och, dan had-i willen uitschreien aan Femke’s borst.Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die ’t verband zouden begrepen hebben tusschen... dat en dit, juist de Engelschman was, die hy zoo verwenschte.Ik geloof namelyk dat Byron—in-weerwil van z’n verzen dan—inderdaad dichter was.1I. 1075 bevat verder een beschouwing over beroepskeuze, ook in verband met de toekomst der maatschappy.Wouter’seerste studien in menschenkennis.Il y perd son latin.Leentje’sextra-woordenboeksche bydrage tot de kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter ’t oogenblik aan, waarop hy begon zich rekenschap te geven van ’t verschil tusschenuitingendaden, of—want hiermee nam z’n studie ’n aanvang—tusschenwoordenmeening. Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds om niet z’n naïveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste aanleidingen die hiertoe meewerkten, was ’n schynbaar onbeduidend voorval. Hy had op last van z’n moeder iets in ’n winkel gekocht, en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was ’t eens: “dat dit nu al heel dom was voor ’n jongen die....Volgt: de schoolknapheid....en: die in den handel zou gaan.”—Maar, moeder, de man zei toch....Allen berstten uit in schamper gelach.—Als men dáárnaar luisteren zou!—Nu, wat men in zoo’n winkel zegt!—Uiliger heb ik ’t nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo’n man bly is als-i z’n bedorven goedje van-de-hand kan zetten?—Maar, jongen, ben je dan niet recht wys?—Wat is er aantevangen met zoo’n kind!De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter’s hoofd losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by Leentje geen troost vond.—Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is.Dit “ikzelf” was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde zoowel: “ik, ’t hooge hof van appèl!” als: “ik, die anders zoo graag party voor je trek.” Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor Wouter’s eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van allen. Leentje zelf had het nu gezegd.—Maar de man zei toch...—Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dàt niet?—Maar ... hy gaf er z’n woord op!—Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter....Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in ’n burgerlyke boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op beter lyst. Leentje’s woorden hadden verdiend te weergalmen langs onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen door de spleten van ’nkrypt. By de diepte van haar wysheid zou ’n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met overlyden aan ergernis over ’t ontsluieren van ’n nieuwe waarheid. De geheimzinnige Isis zal de mond openen...—Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo’n man de waarheid zegt of niet!—Wel, jongen...De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren wisten wat er volgen zou.—Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de menschen je zeggen, is maarfut, zieje!Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die tot ’n lager soort van spreekwys behooren, was ’t hem zeker meermalen in ’t oor gedrongen, doch altyd afgegleden op z’n onnoozelheid. Hy had het nooit in z’n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse van rededeelen ’t gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch ’n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in Leentje’s toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon herinnerde hem aan ’n stembuiging, aan ’n toonval, aan ’n melodie....Neen, ’n melodie was ’t niet! Waar toch had-i—en onlangs nog—iets gehoord, dat ... dat....Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar maxime als ’t ware ’n weerslag was....Hy wàs er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy herinnerde zich haar: “wel zeker, ieder moet handelen naar z’n overtuiging!” en op den klank af, begreep hy Leentje’s apodiktische uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien ’t woord “fut” bekleedt in de nederduitsche taal.“Zelf uit de oogen zien!” En “ieder moet handelen naar z’n eigen overtuiging.” Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Wel-aan dan....Ach, z’n nieuwe wysheid haalde hem dien dag ’n verdrietig geval op den hals. ’t Was diep in ’t voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen ’t hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand, begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid dit, of zoo-iets, te zeggen.Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden, ieder behalve die ondeugende jongen, die op z’n school....—Zeg jyzelfs nu eens, Stoffel, of ’t geen schande-n-is! De aardappelen zyn verleje-n-Oktober “opgedaan” en de man zei, ze konden best twee jaar duren, want, zeid-i, ’t waren expresse winteraardappelen, overblyvers...—Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo’n man zegt, is...fut!—Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu ook dàt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik zal je ... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg,heelemaal leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor’t schavot? Ja, voor ’t schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, ’n ware zonde! Mag je brutaal wezen tegen je moeder, en ... God verachten? Want dàt zegikmaar, God heeft ze laten groeien ... die aardappelen! Weet je dàt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zegjy, Stoffel?Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel voldoening had van z’n eerste heldenfeit. Toen-i zich later beklaagde by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by.—Ja, zieje, Wouter, dat is nu zóó: de aardappelen, zieje, zyn ... niet heel goed meer. En dat komt, omdat we ... Mei hebben. Want, zieje, in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar ... je mag daarom niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zie je ’n mensch z’n moeder ... gut,iklust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je moeder ... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar exkuus, en zeg dat je ’t nooit weer zal doen.—Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht vind, en ze niet eten kan. En ... ieder moet toch handelen naar z’n overtuiging, niet waar?De laatste opmerking ging Leentje’s sfeer te-boven. Ze bleef er by dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy....Wanneer? Waar? Hoe?Indien de oorzaak van z’n ergernis zich bepaald had tot de slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad tot tevredenheid. Kort na z’n vreeselyke schavotzonde kwam hem ’n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By ’t behandelen van een der jonge-juffrouwen—in den burgerstand zyn altyd ’n paar huisgenooten ziek—had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z’n moeder haar denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op ’n wys die niet paste by Holsma’s toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot was z’n verbazing, toen-i z’n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde worden in geheel andere richting dan onlangs toenhyzich beklaagd had over dezelfde zaak.—Juist, dokter, zei ze.Ikzeg ook dat het geen behoorlyk eten is. En de kinderen ook. En Wouter ook. ’t Kind kan ze niet eten, die glazige dingen! En als ’t nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen: wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter? Maar zóó deun hoeven we ’t goddank niet te overleggen, enikzeg ook: liever goeie boonen dan aardappels, die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m’n oudste dochter—Trui heet ze, maar we noemen d’r Sertrude—zy heeft óók gezegd: niet waar, Trui?—Ja, moeder.Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z’n kinderen verwacht werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in ’t late voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als ’n oude bekende dien men byzonder genegen was. ’t Spreekt vanzelf dat Wouter niets van dien ommekeer begreep.En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen inteboezemen op z’n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had haar niet weergezien sedert z’n ... zonderling bezoek, en wist dat ook z’n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van háár kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy wist wel dat eens-vooral èlke omstandigheid tekst leveren kon tot drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had z’n afgelegd examen—of wat daarvoor heette doortegaan—’n normaal verloop genomen. Maar nu?Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet waaròm er niets geschied was, en waaròm hy op zoo vreemde manier ’t mensch verlaten had? Zéker was het dat er iets haperde, en dit “iets” zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z’n moeder in den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe nu, indien zy aan ’t licht bracht dat er over al die schoone vakken geen woord gewisseld was, en dat Wouter’s kwikzilverachtigheid daarvan de schuld droeg?De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen tot wrevelige klacht. Hy zocht ’n middel om ’t huis te verlaten, en was juist gereed met ’n voorwendsel, toen er gescheld werd:—Daar is ze, riep Petro die ’t spionnetjen in ’t oog had. Daar is ze-n-al. Ze heeft ’r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen op ’r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar ’ns open, als ’n jongen!Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo’n wys hielp ’t uitgaan niet veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:Tweede verwondering.—Zoo lieve jongen, ben je daar om me de deur te openen! Nu, dat is heel zoet van je ... ik heb altyd gezegd dat je zoo’n best kind bent!En ze gaf hem ’n tikjen op de wang. Wouter kleurde. Verlegenheid en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.—Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat’s niet mooi van je! Komaan, die boodschap zal zoo’n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, weetje. Dat zegikmaar.En ze biologeerde Wouter de trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar weer de kamer binnentrad.Derde en vierde verwondering.De heele familie Pieterse ontving de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan bybelverwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke vordering: “dat zoo’n kind àlles weten zou!”Als Wouter latyn te verliezen gehad had...—Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de juffrouw ’r hoed op ’t kammenet ... korenbloemen, ja, net als Petro gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in ’t spionnetje, en ze zei ... nou, dat ’s tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen, maar ’t is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet gezien. Onze Mine heeft ’t weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan de fyt ... we hebben er koekdeeg op. Maar ’t wil niet dóórgaan. Anders ... koekdeeg is ’t beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo’n goeien dokter ... niet omdat-i zweeren snydt—gut né, want-i is dokter, weetje, en geen surezyn—’t is maar om te zeggen dat we zoo’n goeien dokter hebben. En hoe gaat hetuwe!De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die praatjes werd geantwoord, mits-i zich ’n ander punt van uitgang kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op de trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en ’t viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde persoon was, die hem by ’t binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na de verbazing over den toon die z’n moeder aansloeg, was dit dan ook de oorzaak zyner:Vyfde verwondering.—En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem z’n moeder. Ik kan je niet zeggen, m’n goeie juffrouw Laps, wat ’n last ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut ’n boodschap doen—hy moest ’n potlood koopen, weetje, om ’n landkaart te teekenen—want in landkaarten is-i knap, en als ’n land niet deugt, veegt-i ’t uit met gommelistiek—en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon, zeid-i. En ik geef ’m ’n stuiver, en-i gaat, en ... daar zit-i nu weer! Dat’s geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?—Watikzeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met ’n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat’s m’n zinnigheid en m’n manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik....—Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen....—Zwyg, brutaal kind! Nu zàl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dáár, daar in ’t hoekje, zal blyven zitten zoolang ik ’t verkies. Ik kan die koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot ... er is’n barsie in. Neem ’n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dàt doet-i altyd. Wat moet ik er in gods-heeren naam aan doen?—’t Zit ’m alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.—In de dominees?—Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, ’t Ware geloof gaat te-gronde met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo’n kind wat goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen ik de genade nog niet had—met pinkster wordt het zeven jaar—maar jawel! Prulwerk is ’t, niets dan prulwerk. ’t Heele woord “dominee” komt in de Schrift niet voor. En “preek” ook niet. Wel lezen we dat de vrouwen nederzaten aan Jezus’ voeten. Dàt ’s ’t ware, zieje.Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse ’t verband niet, tusschen de klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen ’t kenmerk is van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op ’t ontbreken van ’n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op de ware hoogte van de zaak, maar zóó nauwkeurig kwam ’t er niet op aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men ’t minste scheurtjen opmerkt en betreurt.—Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens zeggen wat de zaak is? ’n Dominee is net ’n mensch als ’n ander. Daar heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht ... hoe heet-i ook, Sertrude?Trui noemde een naam.—Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel ... och, ’t is ’n naam die ... hy heet ... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont ’n man die byna ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders....—De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen dat het kind naar de kerk gaat, in ’t minst niet! Al zingen ze daar telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn ...De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen ’n heel andere afkomst hebben?... toch is ’t beter dat-i dáár zit, dan dat-i zich thuis verveelt, of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut né! De gemeente moet zich oefenen ... met mekaar, zieje! Dàt is het! Ik heb verleje zondag duidelyk aan ’t kind gemerkt dat jelui dit schandeloos verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In ’t geheel niet, volstrekt niet! ’t Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten en den tabernakel des Heeren.Hier volgde een beschryving van Wouter’s gemoed, die juffrouw Pieterse angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden—wat ze dan ook niet was—en moest dus wanhopen aan z’n eigen verstand. Hoe toch kon zy uit het voorgevallene by z’n bezoek al die gevolgtrekkingen halen? Er was immers geen tyd geweest voor ’n theologisch woord. Hy had niets gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van ’n berisping dáárover, vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had, en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te hopen toen z’n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan “overhoord” had?—Want, zieje, ’n ieder leert uit z’n eigen boek. En als je dan op-eens uit ’n ander boek gaat vragen....—Ik vraag nooit uit ’n boek, riep juffrouw Laps, met ’n waardigheid die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, dáárin zit het hem niet!—Maar, juffrouw, zei Wouter met z’n gewone bedeesdheid, u heeft me niets gevraagd!—Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m’n dank! Je ziet nu zelf, juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders ’t kind, na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis’ wil waar ’t naar toe moet? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z’n eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der verstoktheid van ’n enkelen zondaar landplagen zenden, dat begryp je-n-immers ook wel? Moestikje wat vragen, jongen? Of moest jyzelf je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging en zaligmaking, hè? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe weinig uitverkorenen er zyn! Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen was-i, o ja ... maar dat’s ’t ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet ... zie, zooveel!En ze knipte met de vingers.—Maar ... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?—Stuur ’m gerust ’ns by me ... al was ’t van avond nog.Wouter rilde. Maar gelukkig drong z’n moeder dien dag niet op de herhaling van ’t bezoek aan. Integendeel, na ’t vertrek der oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes niet recht kon wys worden.Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om haar niet te begrypen. In z’n onnoozelheid meende hy slechts de keur te hebben, háár voor waanzinnig te houden, of ... zichzelf!Wouter’sintrede in ’n brok van de werkelyke wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in ’t vinden van den oorsprong van ’t woordhypotheek, dat geboren is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in ’n leesbibliotheek, naast snuif en tabak.“In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling (P. G.) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid, goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op ’n fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven brieven onder ’t motto: “Handel” aantemelden by den boek- plaat- en kunsthandelaarE. Maaskamp, Nieuwendyk by den Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is...Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers kwam, weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten die Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde firma herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als verklaring van zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in ’t whistspel. ’t Was ’n bonte winkel. Dáár zyn de hollands-fransche modeplaten verschenen, waarnaar zich de “incroyables” en “merveilleuses” kleedden... niet precies om te voldoen aan de proklamatie der Amsterdamsche Regeering van 13 Juni 1795, die: “bevallige tooy” voorschreef “bestuurd door nette eenvouwigheid.”De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan ik hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war te brengen. Ik wil namelyk by ’t schetsen van Wouter’s ontwikkeling niet gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1º gemakshalve, 2º om wáár te blyven in hoofdzaken.Ik weet zeer goed dat het “P. G.” waarop met zoo aandoenlyke geloofsvastheid gelet wordt by ’t kiezen van keukenmeiden, boodschaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei der Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkundige stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen van hoog belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand geven voor ’t korrekt aanhalen van ’n diploom. Psychologische kunstwaarheid heeft àndere eischen.Wanneer ’t me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de republiek nà Lodewyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou ik ’t zonder gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze Staatsgeschiedenis, na den bouw der huizen langs Heeren- en Keizersgracht te Amsterdam, zal men misschien kunnen waarnemen uit werken van andere soort dan iknu schryf. Of men ’t ooit waargenomen heeft, is de vraag.Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk “P. G.” werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet ... welnu, ’t had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo.—Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy, Stoffel?—Ja, moeder, ’t kan niet mooier.—Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.—Op goedzedelykgedrag, moeder!—Ja, goed zedelyk gedrag ... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik je altyd gezegd heb. En ... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je dàt, Stoffel?—Ja, moeder, maar ... hy moet lust in werken hebben.—Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik je niet altyd precies ’t zelfde gezegd? En ... ze vragen: “P. G.” Dat ben je, goddank!—Ja, moeder, dat is-i!—En, Stoffel, alsjynu eens den brief schreef? Wat dunkt je dáárvan?—Maar ... er staat: eigenhandig!—Wel zeker! Als jy nu eens ’n eigenhandigen brief schreef. Dat is toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo’n kind het doet?Stoffel slaagde niet zonder moeite in ’t begrypelyk maken dat hier zeer in ’t byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd, en dat de zyne—hoe mooi ook—in dit geval niet baten kon. Wouter werd dus aan ’t schryven gezet.—Maar ... wat moet ik er boven zetten?—Weet je dàt weer niet? ’t Is heel eenvoudig! Je moet schryven:Weledele Heeren!Er staat immers dat het ’n gevestigde handelszaak is?—Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook ’n zaak heeft gehad, ’nzaak, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet.—En schryf dat je de-n-eerste bent op je school ...—En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent ...—En van goed zedelyk gedrag ...—En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je misschien terstond salaris.Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk in ’t voor-den-dag brengen van ’n staatstuk dat aan alle eischen voldeed.’tAdres werd, na rype deliberatie:Aan de Weledele Heeren, den heeren ... motto: “handel.”Maar ...’t frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z’n wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren ...motto: handel, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden zien. “Maar, zeid-i, zeg ’t er dan by, als je m’nheer Maaskamp te zien krygt.”Met ’n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle voorbygangers ’t hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld intrad, en bezig-was den “handel” te bestormen. Degeringe dunk dien hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens in, zich aantemelden byWeledele Heerendie ’n “gevestigde zaak” hadden. Zóó stond er in de advertentie, en ’t zou dus wel waar wezen.By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook die man ’n gevestigde zaak hebben? En ’t was alweer karakteristiek, dat-i verzuimde naar ’n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo’n “gevestigde zaak” dan toch eigenlyk voor ’n ding was? En wat men te verstaan had onder: niet-gevestigde zaken?Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.Stamelend vroeg hy aan ’n bediende in den winkel verschooning dat de brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam Wouter’s dokument in ’n bakje waarin reeds ’n paar dozyn stukken van gelyken aard op ’t goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de man uit den prentwinkel niet in, daar-i ’t juist byzonder druk had met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter watertandde naar zoo’n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien hy was op weg naar “handel” en niet naar heldendaden.—Later, later! dacht-i.Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z’n moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit ’n slechte noot zou kunnen geven by de beoordeeling van z’n goed zedelyk gedrag waarop de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie, zoo byzonder gesteld waren.—En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut, Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo’n advertentie? Ieder wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op ’t goeie zedelyke gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en ’t adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden, en al de anderen die nu “haantje-de-voorste speelden” zouden achter ’t net visschen. Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op ’t voorrecht dat z’n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen.—Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen steek. Hy kòn ’t zelfs niet! ’t Is maar, zieje, om te bewyzen,dat we-n-ook ’n zaak hadden, ’n effektievezaak! Gut, de man nam nooit ’n elst in z’n hand. Is ’t waar of niet, Stoffel?De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden ... ik weet niet waar ze woonden, maar ze hadden ’n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd met ’n leesbibliotheek, gesticht op denZeedyk, niet zeer ver van de plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de “grootste koopstad van Europa” werd opgezet door ’n paar visscherlui. Van parallel tusschen ’t succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak.Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van ’n paar lood snuif, waarop ’n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden de waarheid niet te kort gedaan, toen ze beweerden aan ’t hoofd te staan van ’n “gevestigde zaak.”Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien gemaakt had over de beteekenis van ’t woord: “handel” zoud-i by deze gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z’n gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van ’t woord “handel” niet vroeger had begrepen.Nuwist-i ’t! “Handel” beteekent zooveel als in hemdsmouwen achter ’n toonbank snuif te wegen. En ... op denZeedyknogal!Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide visschers—laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei geslacht waren!—die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam “stichtten.” Maar ook aan m’n lezers heb ik verplichtingen, en om hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, ’n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By stedenstichters is dit ’n allergewoonste, maar toch onverklaarbare, fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om ’n deftige afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden.Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen slaan op de keuze van ’t plekje waaruit de adel van hun nageslacht zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid?De tabaks- en sigarenhandel nam slechts de halve breedte van ’t huis in, en stond door ’n zydeur in gemeenschap met ’n leesbibliotheek, die ’t vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes, rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden de geheele breedte van ’t perceel, en gaven door overeenstemming van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing enlettersoort der opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, ’t Moest ’n byzonder domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de “zaak” van de heeren Motto, Handel & Cie “gevestigd” was op twee industrien te-gelyk. Wie niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien, en omgekeerd.Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er in die lokaliteit iets “gefabriceerd” werd. De ordonnateur van ’t opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan ’t verkoopen. Juist andersom dus dan we ’t genoegen hadden waartenemen by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn ’t nog niet eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd. Eén ding is zeker: wie ’t eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en ’t andere versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z’n karakter, staat hooger dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn.Of ’t evenwel waar was dat er in de hier “gevestigde zaak” inderdaad ietsgemaaktwerd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-jongeling van allerbest zedelyk gedrag, die zoo’n byzonderen lust in werken hebben zou.De handelswaar waarmee ’t winkeltje gestoffeerd was, bedroeg ter-nauwernood de waarde van ’n jaar huur, en de booze wereld van denZeedykdurfde zelfs beweren dat de twee blauw-porceleinen vazen, waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden:rappeeenzinkingte lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van ’n uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks kwam kyken of z’n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht hielden op de toonbank: [Greek: hypo Thêkê]De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door ’n groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt gesproken, was dit ook zoo. Er hing ’n verweerd scheerspiegeltjen in die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel—op dit oogenblik getooid met de jas van den Weledelen heer Motto—en van ’t halfrond tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop ’n pomadepot aan ’n kam scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door ’n mislukte poging tot tandwisselen. De heer “patroon” Motto namelyk, hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan “handel” wydde, niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links van z’n gelaat ’n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.Dat overigens in dien winkel zelf ’n groote rol werd gespeeld door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den oudheidkundigen lezer, die Motto’s lokken geen plaats geven kan naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over de geschiedkundige perioden van m’n verhaal. In Wouter’s jeugd was ’n sigaar nog altyd ’n zeldzaamheid, en ik maak me dus hier schuldig aan ’n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester van Numa Pompilius aanstelt.—Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i ’t oude vrouwtje geëxpedieerd had “met ’n snuifjen uit den pottoe.” En wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch ... hè? En wat doen je ouwers?—In ... schoenen, m’nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik niet. Rekenen wèl ... den heelen Strabbe.—Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalfpietje? Wouter stamelde dat-i ’t niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid als ik in de meesten van m’n lezers veronderstel, voor zoover ze ’t geluk hebben minder dan ’n halve eeuw oud te zyn.—Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat ’npietjenis? En ken je-n-’t verschil wel tusschen ’nzest’halfen ’n schelling? En tusschendaaldersenacht-en-twintigen? Kyk ...De heer Motto trok de lade open, en scheen naar ’n “daalder” te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor deze keer met ’n “zest’half.” Hy stelde Wouter’s handelskennis op de proef, door hem optedragen ’n “schelling’”daarnaast te leggen—in z’n verbeelding—en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van ’t verschil. Dit alles moest men “in den handel” precies weten en kennen, beweerde m’nheer Motto.Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt, geen geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z’n hemdsmouwen snuif verkoopt achter ’n toonbank. Het was zeer juist gezien van den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmisbaar achtte voor iemand die “in den handel” gaat. De overlevering luidt dat-i er grondbeginselig byvoegde:—Dat’s ’t voornaamste!—En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet zeer bemoedigenden toon.Helaas neen!—En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten?Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep.—Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m’n zaak, en je begrypt dat ik weten moet wien ik winkel en lâ toevertrouw. En ... versta je deensch?—N... e... e... n, m’nheer!—Zoo! Deensch ook al niet? ’t Is maar, weetje, omdat hier soms wel ’reis deensche matrozen komen om ’n onssie tabak te koopen. In ’n zaak als deze moet je-n-alle talen kennen ... dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu! Grieken heb ik hier ook al gehad...Wouter’s gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten?—Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden ’n pruim negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de kleintjes passen is ’t voornaamste! Anders ben jefittu, zieje? ’t Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen, om alle-man te-woord te staan. Dat’s ’t voornaamste! Maar dat’s nou tot daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is soms wel tien gulden in de lâ, weetje, en in den handel moet ’n mensch z’n zekerheid hebben. Dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu, dit begryp je zelf wel.—M’n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet wist wat-i zeggen moest, en toch ’ns eindelyk wat zeggen wilde.—Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je dan geen moeder die voor je storten kan?—Ik... zal... ’t... ’r... vragen, stotterde Wouter.—Wel zeker! Ga jy ’r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan, dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu. Hier is nòg ’n winkel. Daarin heb je ook te werken ... als je moeder storten kan. Dat’s ’t voornaamste!De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal niet veel anders dan ’n inslagtrapje dat dienen moest om de wat hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en ’n dik boek waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen laven voor ’n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter’s tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig, en abonnement was uitzondering.—Zieje, zei m’nheer Motto, daar is ’t boek, of wat je zou kunnen noemen: ’t grootboek. Je verstaat toch ’t boekhouden wel?Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder de vele vakken die hy niet bestudeerd had.—Ook al niet, jongen? Dat’s toch in den handel ’t voornaamste! Want, zieje, wie dàt niet kan, isfittu. ’t Is heel eenvoudig. Je moet opschryven wie ’n boek haalt, met dag en datum er by, en ’t huisnummer, en de straat, en alles. En als ze-n-’t weerom brengen, dan haal je-n-’r ’n streep door. ’t Zou er mooi uitzien als je dàt niet deed! En als je de menschen niet kent, moet je...—Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist.—Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van ’t heele werk. Want, dit begryp je, als er één deel weg is, is ’t heele werkfittu. Van de sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik moet eerst weten of je moeder ... ga ’t ’r maar ’ns gauw vragen! Ik heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd—want aan jongetjes die in ’n zaak willen, is waarachtig geen gebrek—maar als ’t dan aankomt op Mozes en de profeten—de borgstelling, weetje!—dan halen ze bakzeil. En dat’s toch ’t voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders ... je ziet er nogal knappies uit ... als ik maar zeker weet dat je storten kan! Ajuus!Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den “handel” was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist, meende hy, in ’t weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i zeker ’n allerontmoedigendst relaas van z’n wedervaren hebben afgelegd, indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen!Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den “handel” gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen tenlaatste met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er ’n som van honderd gulden zou worden gestort, die ’n jaarlyksche rente van drie en-’n-half procent zouden opbrengen. Héél aangenaam vond juffrouw Pieterse deze transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van ’n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. “Maar, zei ze, men moest wat over hebben voor z’n kinderen.”Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of ’t eerste derde. Hy was zoo vry z’n verwondering hierover in gepaste bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen:& Compagnie, tot de klasse der welluidende verzinselen behoorde, en dat ook de heer Handel ’n voortbrengsel was van Motto’s ryke verbeeldingskracht. Als ’n Atlas droeg deze de dubbel “gevestigde zaak” op z’n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid zocht ’n deel van z’n last op den nek te wentelen van ’n protestantsch jongetje dat lust in werken had, en ...cautiestellen kon. Dit was ’t voornaamste ... inderdaad!Wel eenigszins ten-nadeele van z’n tabaks- en snuifkennis, omvatte Wouter’s gemoed het ander deel van z’n werkkring met ’n liefde ... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zou-i ziek geworden zyn! En ... rechtstreeks gezond werkte dan ook het verslinden van al die boeken niet! Met ’n waren geeuwhonger slikte hy ryp en groen in—véél ryps was er niet by!—en las hy al sneller en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in ’t voorzienvan den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen dan eigenlyk ’n auteur aangenaam is. De bekwaamstefaiseurkon geen tien bladzyden lang ’n vondelingetje doodarm laten, zonder dat Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee ’t kind zou getooid worden op ’t laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in ’t onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van dezen vooruitgang—eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam, want men kon ’t als ’n stap tot hooger beschouwen—zichzelf geen rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na zóóveel welgelukte oefening in juistraden, die romanknoopjes beneden z’n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle ontwikkeling van z’nbegrip, bleef by hem de naïveteit vansmaakenopvattingongeschonden. Alwisthy welke ridder straks onder de hoede van ’t Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou in het tournooi, toch had hy ’t geduld zich langs de voorgeschrevenficelleste laten leiden tot op ’t oogenblik van den officieelen triumf, en hy zou ’t zondig en deloyaal hebben gevonden, één sekonde vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen:Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de Bois-Guilbert flink op den kop slaat!En ... en—och, ik durf ’t byna niet zeggen, doch wáárishet!—hem bezielde daarby ’n gevoel alsof hyzelf...Ivanhoe was?Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan inValentins day, en den solieden moed van den nuchteren Sigismund inthe Maiden of the mist, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter Scott, en ... van Wouter! Want hy zou precies zóó gehandeld hebben, èn als auteur, èn als ridder, èn als beschikker over den uitslag van ’n godsoordeel!En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien voorbarigen lord in Griekenland toe!O, alshy’t boek geschreven had, alshyde god ware geweest, die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten op hun respektieve plaatsen zet...Ja ... àls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.’t Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op ’t gebied van ’t goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog, en niemand ’n sigaar “van de tien” in-handen stopte voor ’n dito “van de acht.” En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en andere rubrieken aangevuld te houden uit de soortdie eigenlyk “van de twintig” zou moeten heeten, als zy ’n naam gedragen had. De heer Motto beweerde dat z’n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. “Je moet altyd zien wien je voor hebt, zeid-i, dat’s ’t voornaamste!”Dit nu leerde Wouter in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was hemtien, acht wasacht, onverschillig met wien hy te-doen had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien men hem op eenvoudige wys gevraagd had: “is ’twaarwat je daar zegt?” zoud-i hoogstwaarschynlykbynaaltyd—en toen-i moediger werd:altyd—geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken!Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren was. Zeker werd z’n afkeer van onjuistheid—vreemd genoeg!—gevoed door al die lectuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking neemt dat slechts ’n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z’n tyd beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest zyn met byna ieder ander kind. Maar z’n natuurlyke inborst dreef hem—naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid der kennismaking met Glorioso—om voornamelyk behagen te scheppen in wat ik inMillioenen-Studien“zedelyk rym” noemde. De als dapper geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van ’t stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop, of lieten zich aanwerven by ’n aan den dood gewyde kohorte. Dat’s korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door ’n schryver benoemd was tot model, had geen smetjen op z’n kleed, ’t Was de vraag of zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is ’t, dat-i in al die boeken nooit jicht of buikpyn hàd. Prachtig!Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit ’n oogpunt vanKunstaankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, ’n verkeerde voorstelling, en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was ’t voldoende dat ieder die in zoo’n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de halve wereld. En, ook God—Wouter’s god—vervulde in al die boeken z’n plicht veel beter dan ... byv. op denZeedyk, waar-i gister nog ’n kleinen jongen had zien mishandelen door ’n groote. ’t Moest eens in ’n boek gebeuren ... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!En ook Wouter had getracht...Kon hy ’t helpen dat z’n patroon hem op strengen toon terugriep?—Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas dáárop! Nooit je-n-inlaten met ’n andermans krakeel... dat’s ’t voornaamste!Ziedaar ’n wysheid van àndere soort dan in z’n boeken stond!Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver van z’n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind gebrachte:Sophia’s reize van Memel naar Saksen—och, Wouter vond Sophia’s oneindige reis veel te kort!—en eindelyk by planken. By planken, ja, en juist zoud-i ’n begin maken met de laatste, toen-i op zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. De Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika—’t voornaamste zeker!—en de ongelukkige dienaar van de beide snuifpotten had ’n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden:rappeeenzinkingal dan niet mochten verzwolgen worden in de “faillite massa.”Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien op denZeedykte Amsterdam geraadpleegd te worden...Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over:râpé. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.We willen hopen dat ieder ’t zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde als vroeger: “dat er met dien jongen altyd wàt was!”Alsof Wouter ’t helpen-kon!Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z’n lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo’n geval gaarne weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat Bulwer’sPaul Cliffordwel inderdaad de zoon was van de stiefdochter zyner beminde ... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan ... of wat anders, als ’t maar terdeeg spannend en onmogelyk is.
Woutermoet ’n beroep kiezen. De keerzy van den roem.Wouter’sbegrippen over kommanditair wereldbestuur. Oorzaken van ’n ergernis die, viâMissolunghiuitloopt opFemke.Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was, en bovendien ’niongenn die tegenover meisjes altyd eenige jaren minder telt dan z’n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z’n broêr Stoffel.—Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad, waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.—Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar ik wou nu maar weten wat we met ’m zullen aanvangen. Letterzetten wil-i niet. En naar zee ... nu dat’s me-n-ook wat!“Dat ’s me-n-ook wat!” beduidt: ’t is te gek om van te spreken. Onder de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit geweest—er was iets Afrikaansch in—maar hy voelde zich daarin versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan.Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen, had-i z’n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen namelyk, is de zeevaart—als baden en zwemmen—’n uitspatting, ’n misbruik, ’n losbandigheid, ’n paradox, ’nhors d’oeuvreof ’n ondeugd.—De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo’n affront, riep de moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen, dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je dan nooit ophouden met akeligheid!Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van onbekende koninkryken, van StraatMagellaan... helaas!Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam en verhaalde treffende voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan.En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen schoenmaker, geen leerling op ’n notariskantoor, geen bediende in ’n winkel, geen aptekersjongen...Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z’n tegenzin in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die men tegen het door hem gekozene inbracht.De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd, dan by zulke gelegenheden wel eens ’t geval is. De meer of mindere kans op “geld-verdienen” werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood omzeer spoedig“in de verdiensten te komen?” Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over ’t “worden van ’n nuttig lid in de Maatschappy” voor-den-dag te brengen. Toevallig—en zeer by-uitzondering—had-i hier met ’n kind te doen dat deze versleten en huichelachtige fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets tot-stand brengen, iets leveren:de plaats betalen die het lot hem bood....en iets meer dan dat, als ’t mogelyk was! Kon hy ’t helpen dat het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z’n lust tot de zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar ’n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop dat-i daarin gelegenheid vinden zou...Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z’n verbeelding voorspiegelde?1Na ’n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd ingeroepen, dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het besluit: “dat Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel.” En juffrouw Pieterse was dit volkomen met hem eens.Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Misschien wel omdat-i niet recht wist wat het was.Hy vroeg ’t aan Stoffel.—Wel, begryp je dát nu alweer niet? “In den handel” beduidt zooveel als... koopman worden.—Maar... wàt moet ik dan verkoopen? En hoe kan ik weten wat de menschen noodig hebben?—Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de huizen liep met ’n pak koopgoed, en overal moest aanschellen om te vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch altyd even dom. “In den handel” zieje, beduidt zooveel als...Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over ’n definitie struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen hebbenby zulke gelegenheden terstond ’n bondgenoot by de hand, die hen zoo flink uit den nood helpt als hier geschiedde.—Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdryven, Wouter! riep juffrouw Pieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd, en je houdt je weer net of je ’r niks van begrypt. Wie ter-wereld heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met ’n pak op je rug, als ’n oliekoop of ’nmersan de la perreplu? Heb ik je daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden? Je bent ’n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel weet, en mooie trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo veraffrenteert!Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen ’t vreemd vinden—en onbillyk misschien—dat Wouter hier begraven werd onder ’n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar ... vreemd? O, neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van zekere manier waarop nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin juffrouw Pieterse ’n ware virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my tot regel stel, heeft dan ook ’t woordparapluiein haar mond het vrouwelyk geslacht te wyten. Ze volgde hierin zeker straatlied van die dagen, waarvan de door haar gebezigde uitdrukking ’t onvervalscht refrein was.Maar... als nu Wouter eens “in alle bescheidenheid” de opmerking gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze preek? Wel, dan had men hem bedolven onder ’n tweede predikatie over de verregaande brutaligheid van ’t gelykhebben, wat dan ook in zekere omstandigheden inderdaad ’n foutis.Niet zoozeer omdat-i dit inzag—daartoe is dieper wysheid noodig dan hem gegeven was!—als wel uit ongewoonte om z’n meening te zeggen, die toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend by de eerste gelegenheid de vereischte inlichtingen te vragen aan z’n Egeria, aan... Femke.Dat hy, in-weerwil van z’n onkunde niet ontevreden was met het vooruitzicht “in den handel” te gaan, is niet onnatuurlyk. In de eerste plaats zou ’t vervelende school-gaan ’n eind nemen. Dit was ’n zékere winst. De minder stellige voordeelen eener verandering van standpunt, mat-i af naar z’n hoop, en naar den wensch omietste zyn, wàt dan ook! ’t Zou dan toch al heel slecht geschapen staan met “handel” wanneer daarin niet iets beters te bereiken was dan ’n geminacht schooljongensschap, dat hem meer begon te drukken naarmate hy hooger stond aangeschreven in Pennewip’s achting. Het was namelyk ten-zynent ’nticgeworden—en z’n by uitstek domme zusters deden dapper mee—hem z’n arithmetische, aardrykskundige, grammatikale en kalligrafische kennis of bekwaamheid aanterekenen als ’n verpletterend servituut. De geringste fout tegen huis- of fatsoentucht werd door verrekte armen vaamsgewys uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht met z’n veronderstelde schoolwysheid. Z’n onoverwinnelyke tegenzin in zuurkool, byv. “paste geen jongen die zooveel boekjes van-buiten kende” en als-i na ’nwandeling wat later thuiskwam dan hem genadig was toegestaan, moest-i de vraag hooren: of dàt nu ’t goede gedrag was van iemand die zoo’n uitstekend onderwys te danken had aan z’n moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek?De bespottelyke ingenomenheid met Wouter’s vermeende gaven, maakte hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en ’t had er veel van of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke roemzucht.Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den minsten grond om aan die laatste veronderstelling ’n plaatsje te gunnen in z’n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest ware, zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid zyner omgeving ’n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had, dan voortydige bezorgdheid voor z’n zedelyk welzyn. De zaak kwam eenvoudig neer op de onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort van burgerlyke opvatting, de gezellin behoort te zyn van ’t goede.De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken. Ze liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en ’t christendom—vooral het dor protestantismus!—hebben er geen goed aan gedaan.Is ’t wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen, zy die ’n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt bestaan te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf gemaakt had? Het eeuwige vitten van Wouter’s moeder was alzoo goddelyker dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan haar bekend was, toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde: “ik doe daar m’n godsdienst mee!” Wel zeker!Het verspreiden van geluk, en ’t zoeken van genot in deze levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter’s omgeving. Met den besten wil mogen wy dus ’t verdriet dat hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van ’t hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende beroemdheid.En toch, toch... Wouter wàs eerzuchtig! Maar hy was het in geheel andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen gissen. Al de geneesmiddelen die men hem—al was ’t dan doelloos—ingaf tegen hoogmoed, waren niet toereikend om afbreuk te doen aan ’n zelfgevoel dat waarlyk de perken van ’t ooitda gewesenever te-buiten ging.“Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de toekomst, tot het brutale toe?”Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van Afrika wilde worden?Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: “of ’n bleekersjongetje?”Was ook dat onbescheiden?Neen, niet zulke nietigheden waren ’t onderwerp van Wouter’s ongeëvenaarde eerzucht. Z’n wenschen zweefden hooger dan dit alles, en wanneer-i droomde van koningschap, was ’t by-wyze vanspreken, en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze vlucht zyner begeerten, ’n vlucht zóó hoog dat-i alle verschil tusschen ’n bleekveld en ’n troon uit het oog verloor.De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. Hy onderging onbewust den indruk van ’t verhevene, en z’n onwetende ziel doolde rond in ’n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op ’t gebied van het goede wilde hy ’t hoogste grypen, het moeilykste tot-stand brengen. Z’n weifelen in keus was ’n natuurlyk gevolg van onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z’n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z’n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo ’n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten—’n zeer ongewone fout dus!—om de zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van ’t gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er ’n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelary!“Later, later!” dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche en huiselyke banden. Dan zoud-i ’n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En nòg een...Helaas, er stonden er maar vyf in ’t boekje van z’n geografie!Vyf werelddeelen slechts! ’t Is niet de moeite waard om van te spreken.Wat dàn? Wat daarna?Hier begon zich z’n fantazie te verliezen in de ruimte, en ’t firmament verwarrende met ’n gedroomden onstoffelyken hemel, naderden z’n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.Geen “Weg ter Zaligheid” en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in ’t gemoed droeg, en waarmee hy zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo’n Wezen zeer na, en beschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlyken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven in Wouter’s stamboom.Hoe hy ’t aanleî om den god dien hy geschapen had, den god van ’t goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen. In hooggestemde gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich door de boekerigheid waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorgesteld.Het kind kan niet nalaten hem te beschouwen als onderwerp van leeslesjes, opstelletjes of schooltaak—om nu niet te spreken van ’t pynlyk stil-zitten in de kerk—en al van-buiten leerende “dat God zoo byzonder groot is” geeft het als onderwerp van vereering en smaak, de voorkeur aan ’n straatgoochelaar, ’n kunstpaardjen of ’n handjevol kersen. Jazelfs ’n “kip te water” is smakelyker onderwerp van geestdrift dan die vervelende “Heer.”Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan te doen? Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van onverschilligheid te maken, het onderwys in de “godsdienst” uitstelden tot het kind meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich ’n veel lastiger vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want “godsdienst” kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten ’n bescheiden plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in z’n opvoedings-systeem het “breien en merken”, waarin z’n ega zoo uitmuntte, tot parallel-studie verhief van ’t “psalm-zingen” en de “leer der Zaligheid.”Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus—of liever, juist omdat z’n god van school en katechizatie maar ’n onderwerp was van leeslesjes—hy zag er geen bezwaar in, ’n geheel ander wezen in z’n hart te dragen. En Jehovah schikte zich.Bovendien, Wouters privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich, hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam metzynbegrippen over ’t goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hy...Wanneer? Hoe?Dit:wanneeren dit:hoespeelden de hoofdrol in z’n gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z’n wil. Later—mymerde hy dan—als-i zou aangekomen zyn op ’t punt waar hy wezen wilde! Later, als zyn God—dit was hyzelf, maar hy wist het niet—ontwaakt zou zyn, of ... mondig! In zulke stemmingen zou ’t z’n gemoed verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende jammerklachten. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En, bovendien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand van z’n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy droeg z’n hooggestemde levensopvatting in z’n binnenste, als ’n kool vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maaktehem onvatbaar voor menige andere smart, en jaagde hem voort, voort, naar...Ja, waarheen?Waarheen? Wanneer? Hoe?Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen!Ach, er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er nog veel gebeuren voor-i ’n eind kon maken aan al ’t verkeerde! En dit toch was z’n roeping, naar-i meende. De straat was slecht geplaveid. Daar ginds stond ’n huis op ’t instorten. Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs ’n arme blindeman in ’t water gevallen, en verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En, nu eenmaal blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde, waarom ... och, er was geen eind aan verwytende vragen.En telkens als er regen noodig was, bleef ’t weken lang droog weer. Maar ’t plasregende als alles onder water stond. En dan las men in de courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet oost. Wouter’s God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest, en dus nog dommer te zyn dan zoo’n krant.Is dat ’n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat ’n wereld regeeren? Zóó slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder almacht, zònder God!O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame Grieken streden tegen de wreede Turken, en leverden dagelyks de by zulke gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den mond vol van. Alleen God scheen alweer niet op z’n post te zyn. Marko Bozzaris en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar ’t hielp niet veel. En al de Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook niet. En al de Turken waren van ’n glad verkeerd geloof, ’t Hielp nog niet. Zelfs hielp ’t niet dat ze zoo byzonder lafhartig waren, en overal by troepen te-gelyk op de vlucht sloegen zoodra maar één Griek zich vertoonde ... tòch werden elke week alle grieksche vrouwen, kinderen en grysaards vermoord. Wouter’s historische en krygskundige kritiek ging niet ver genoeg om te vragen waarom de grieksche helden dit toelieten? Hy hield zich aan de verantwoordelykheid van z’n god, en was recht boos over zooveel plichtverzuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder ditmaal niet voorwenden. De zaak wasnotoir, want de kinderen op de straat bezongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken, en ’t voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht of de onverschilligheid van Wouter’s god.En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar ’t verre Engeland...hoofdstad: Londen aan de Theems met veel handel, scheepvaart en ’n yzergietery. Beeft by ’t hooren van ’t Nederlandsch geschut. De protestantsche godsdienst is de heerschende. Heeft ookbezittingen in Aziën, Afrika, Amerika en Australië. Regeeringsvorm: koninklyk. Getal inwoners ...Hm... zóóveel! Min één nu. Want zekere dwaas—dichter en lord was-i ook—had er z’n zinnen opgezet om ’t land uitteloopen, en met de Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets, en verliet z’n vaderland ...Wel zeker, dit had Wouter ook willen doen—en met pleizier!—om aan z’n god en die Turken ’n lesje te geven als-i maar... permissie had kunnen krygen van z’n moeder, d. i. als-i maar niet ’n armzalig schooljongetje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy dien gelukkigen engelschman gevraagd hoe men ’t toch aanlegt om lord, dichter en held te worden? En wat men doen moet, om van kleinen jongen zich optewerken tot onsterfelykheid... niet die uit den katechismus! Een voorrecht dat-i zou te deelen hebben met ieder ander die “geloofd zal hebben en gedoopt zal zyn” kwam hem niet byzonder wenschenswaard voor. Hy wilde in dit geval niets weten van verlossing, zoendood en genade—altemaal dingen die zeer belangryk zyn in de schooltheologie, en waarin-i dan ook op elk examen de eerste noot behalen zou—maar de prikkel die hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In z’n verbeelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als: “Wouter’sbegrafenis by Thermopylae.” De lykstaatsie bewoog zich over ’n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo breed als de prent maar eenigszins toeliet.Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i...Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken maakten laaghartig misbruik van z’n verdrietige onvolwassenheid. En die m’nheer Byron ook.Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van ’n mededinger, die—geheel buiten zyn schuld immers—nog niet gereed was? Ook deze onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende Wouter. By zoo’n verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk mededingerschap mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even wachten tot-i gereed was?Dan zoud-i...Wat? Hoe? Wanneer? Waarheen?Alweer die martelende vragen!Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor ’t kiezen had gehad, waar-i door ontlasting van z’n gemoed z’n wrevel had mogen verzachten tot weemoedigheid... och, dan had-i willen uitschreien aan Femke’s borst.Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die ’t verband zouden begrepen hebben tusschen... dat en dit, juist de Engelschman was, die hy zoo verwenschte.Ik geloof namelyk dat Byron—in-weerwil van z’n verzen dan—inderdaad dichter was.1I. 1075 bevat verder een beschouwing over beroepskeuze, ook in verband met de toekomst der maatschappy.
Woutermoet ’n beroep kiezen. De keerzy van den roem.Wouter’sbegrippen over kommanditair wereldbestuur. Oorzaken van ’n ergernis die, viâMissolunghiuitloopt opFemke.
Woutermoet ’n beroep kiezen. De keerzy van den roem.Wouter’sbegrippen over kommanditair wereldbestuur. Oorzaken van ’n ergernis die, viâMissolunghiuitloopt opFemke.
Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was, en bovendien ’niongenn die tegenover meisjes altyd eenige jaren minder telt dan z’n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z’n broêr Stoffel.
—Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad, waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.
—Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar ik wou nu maar weten wat we met ’m zullen aanvangen. Letterzetten wil-i niet. En naar zee ... nu dat’s me-n-ook wat!
“Dat ’s me-n-ook wat!” beduidt: ’t is te gek om van te spreken. Onder de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit geweest—er was iets Afrikaansch in—maar hy voelde zich daarin versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan.
Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen, had-i z’n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen namelyk, is de zeevaart—als baden en zwemmen—’n uitspatting, ’n misbruik, ’n losbandigheid, ’n paradox, ’nhors d’oeuvreof ’n ondeugd.
—De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo’n affront, riep de moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen, dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je dan nooit ophouden met akeligheid!
Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van onbekende koninkryken, van StraatMagellaan... helaas!
Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam en verhaalde treffende voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan.
En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen schoenmaker, geen leerling op ’n notariskantoor, geen bediende in ’n winkel, geen aptekersjongen...
Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z’n tegenzin in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die men tegen het door hem gekozene inbracht.
De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd, dan by zulke gelegenheden wel eens ’t geval is. De meer of mindere kans op “geld-verdienen” werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood omzeer spoedig“in de verdiensten te komen?” Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over ’t “worden van ’n nuttig lid in de Maatschappy” voor-den-dag te brengen. Toevallig—en zeer by-uitzondering—had-i hier met ’n kind te doen dat deze versleten en huichelachtige fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets tot-stand brengen, iets leveren:
de plaats betalen die het lot hem bood.
de plaats betalen die het lot hem bood.
...en iets meer dan dat, als ’t mogelyk was! Kon hy ’t helpen dat het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z’n lust tot de zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar ’n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop dat-i daarin gelegenheid vinden zou...
Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z’n verbeelding voorspiegelde?1
Na ’n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd ingeroepen, dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het besluit: “dat Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel.” En juffrouw Pieterse was dit volkomen met hem eens.
Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Misschien wel omdat-i niet recht wist wat het was.
Hy vroeg ’t aan Stoffel.
—Wel, begryp je dát nu alweer niet? “In den handel” beduidt zooveel als... koopman worden.
—Maar... wàt moet ik dan verkoopen? En hoe kan ik weten wat de menschen noodig hebben?
—Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de huizen liep met ’n pak koopgoed, en overal moest aanschellen om te vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch altyd even dom. “In den handel” zieje, beduidt zooveel als...
Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over ’n definitie struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen hebbenby zulke gelegenheden terstond ’n bondgenoot by de hand, die hen zoo flink uit den nood helpt als hier geschiedde.
—Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdryven, Wouter! riep juffrouw Pieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd, en je houdt je weer net of je ’r niks van begrypt. Wie ter-wereld heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met ’n pak op je rug, als ’n oliekoop of ’nmersan de la perreplu? Heb ik je daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden? Je bent ’n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel weet, en mooie trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo veraffrenteert!
Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen ’t vreemd vinden—en onbillyk misschien—dat Wouter hier begraven werd onder ’n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar ... vreemd? O, neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van zekere manier waarop nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin juffrouw Pieterse ’n ware virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my tot regel stel, heeft dan ook ’t woordparapluiein haar mond het vrouwelyk geslacht te wyten. Ze volgde hierin zeker straatlied van die dagen, waarvan de door haar gebezigde uitdrukking ’t onvervalscht refrein was.
Maar... als nu Wouter eens “in alle bescheidenheid” de opmerking gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze preek? Wel, dan had men hem bedolven onder ’n tweede predikatie over de verregaande brutaligheid van ’t gelykhebben, wat dan ook in zekere omstandigheden inderdaad ’n foutis.
Niet zoozeer omdat-i dit inzag—daartoe is dieper wysheid noodig dan hem gegeven was!—als wel uit ongewoonte om z’n meening te zeggen, die toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend by de eerste gelegenheid de vereischte inlichtingen te vragen aan z’n Egeria, aan... Femke.
Dat hy, in-weerwil van z’n onkunde niet ontevreden was met het vooruitzicht “in den handel” te gaan, is niet onnatuurlyk. In de eerste plaats zou ’t vervelende school-gaan ’n eind nemen. Dit was ’n zékere winst. De minder stellige voordeelen eener verandering van standpunt, mat-i af naar z’n hoop, en naar den wensch omietste zyn, wàt dan ook! ’t Zou dan toch al heel slecht geschapen staan met “handel” wanneer daarin niet iets beters te bereiken was dan ’n geminacht schooljongensschap, dat hem meer begon te drukken naarmate hy hooger stond aangeschreven in Pennewip’s achting. Het was namelyk ten-zynent ’nticgeworden—en z’n by uitstek domme zusters deden dapper mee—hem z’n arithmetische, aardrykskundige, grammatikale en kalligrafische kennis of bekwaamheid aanterekenen als ’n verpletterend servituut. De geringste fout tegen huis- of fatsoentucht werd door verrekte armen vaamsgewys uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht met z’n veronderstelde schoolwysheid. Z’n onoverwinnelyke tegenzin in zuurkool, byv. “paste geen jongen die zooveel boekjes van-buiten kende” en als-i na ’nwandeling wat later thuiskwam dan hem genadig was toegestaan, moest-i de vraag hooren: of dàt nu ’t goede gedrag was van iemand die zoo’n uitstekend onderwys te danken had aan z’n moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek?
De bespottelyke ingenomenheid met Wouter’s vermeende gaven, maakte hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en ’t had er veel van of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke roemzucht.
Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den minsten grond om aan die laatste veronderstelling ’n plaatsje te gunnen in z’n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest ware, zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid zyner omgeving ’n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had, dan voortydige bezorgdheid voor z’n zedelyk welzyn. De zaak kwam eenvoudig neer op de onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort van burgerlyke opvatting, de gezellin behoort te zyn van ’t goede.
De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken. Ze liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en ’t christendom—vooral het dor protestantismus!—hebben er geen goed aan gedaan.
Is ’t wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen, zy die ’n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt bestaan te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf gemaakt had? Het eeuwige vitten van Wouter’s moeder was alzoo goddelyker dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan haar bekend was, toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde: “ik doe daar m’n godsdienst mee!” Wel zeker!
Het verspreiden van geluk, en ’t zoeken van genot in deze levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter’s omgeving. Met den besten wil mogen wy dus ’t verdriet dat hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van ’t hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende beroemdheid.
En toch, toch... Wouter wàs eerzuchtig! Maar hy was het in geheel andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen gissen. Al de geneesmiddelen die men hem—al was ’t dan doelloos—ingaf tegen hoogmoed, waren niet toereikend om afbreuk te doen aan ’n zelfgevoel dat waarlyk de perken van ’t ooitda gewesenever te-buiten ging.
“Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de toekomst, tot het brutale toe?”
Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van Afrika wilde worden?
Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: “of ’n bleekersjongetje?”
Was ook dat onbescheiden?
Neen, niet zulke nietigheden waren ’t onderwerp van Wouter’s ongeëvenaarde eerzucht. Z’n wenschen zweefden hooger dan dit alles, en wanneer-i droomde van koningschap, was ’t by-wyze vanspreken, en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze vlucht zyner begeerten, ’n vlucht zóó hoog dat-i alle verschil tusschen ’n bleekveld en ’n troon uit het oog verloor.
De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. Hy onderging onbewust den indruk van ’t verhevene, en z’n onwetende ziel doolde rond in ’n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op ’t gebied van het goede wilde hy ’t hoogste grypen, het moeilykste tot-stand brengen. Z’n weifelen in keus was ’n natuurlyk gevolg van onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z’n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z’n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo ’n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten—’n zeer ongewone fout dus!—om de zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van ’t gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er ’n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelary!
“Later, later!” dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche en huiselyke banden. Dan zoud-i ’n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En nòg een...
Helaas, er stonden er maar vyf in ’t boekje van z’n geografie!
Vyf werelddeelen slechts! ’t Is niet de moeite waard om van te spreken.
Wat dàn? Wat daarna?
Hier begon zich z’n fantazie te verliezen in de ruimte, en ’t firmament verwarrende met ’n gedroomden onstoffelyken hemel, naderden z’n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.
Geen “Weg ter Zaligheid” en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in ’t gemoed droeg, en waarmee hy zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo’n Wezen zeer na, en beschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlyken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven in Wouter’s stamboom.
Hoe hy ’t aanleî om den god dien hy geschapen had, den god van ’t goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen. In hooggestemde gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich door de boekerigheid waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorgesteld.Het kind kan niet nalaten hem te beschouwen als onderwerp van leeslesjes, opstelletjes of schooltaak—om nu niet te spreken van ’t pynlyk stil-zitten in de kerk—en al van-buiten leerende “dat God zoo byzonder groot is” geeft het als onderwerp van vereering en smaak, de voorkeur aan ’n straatgoochelaar, ’n kunstpaardjen of ’n handjevol kersen. Jazelfs ’n “kip te water” is smakelyker onderwerp van geestdrift dan die vervelende “Heer.”
Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan te doen? Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van onverschilligheid te maken, het onderwys in de “godsdienst” uitstelden tot het kind meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich ’n veel lastiger vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want “godsdienst” kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten ’n bescheiden plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in z’n opvoedings-systeem het “breien en merken”, waarin z’n ega zoo uitmuntte, tot parallel-studie verhief van ’t “psalm-zingen” en de “leer der Zaligheid.”
Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus—of liever, juist omdat z’n god van school en katechizatie maar ’n onderwerp was van leeslesjes—hy zag er geen bezwaar in, ’n geheel ander wezen in z’n hart te dragen. En Jehovah schikte zich.
Bovendien, Wouters privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich, hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam metzynbegrippen over ’t goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hy...
Wanneer? Hoe?
Dit:wanneeren dit:hoespeelden de hoofdrol in z’n gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z’n wil. Later—mymerde hy dan—als-i zou aangekomen zyn op ’t punt waar hy wezen wilde! Later, als zyn God—dit was hyzelf, maar hy wist het niet—ontwaakt zou zyn, of ... mondig! In zulke stemmingen zou ’t z’n gemoed verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende jammerklachten. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En, bovendien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand van z’n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy droeg z’n hooggestemde levensopvatting in z’n binnenste, als ’n kool vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maaktehem onvatbaar voor menige andere smart, en jaagde hem voort, voort, naar...
Ja, waarheen?
Waarheen? Wanneer? Hoe?
Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen!
Ach, er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er nog veel gebeuren voor-i ’n eind kon maken aan al ’t verkeerde! En dit toch was z’n roeping, naar-i meende. De straat was slecht geplaveid. Daar ginds stond ’n huis op ’t instorten. Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs ’n arme blindeman in ’t water gevallen, en verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En, nu eenmaal blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde, waarom ... och, er was geen eind aan verwytende vragen.
En telkens als er regen noodig was, bleef ’t weken lang droog weer. Maar ’t plasregende als alles onder water stond. En dan las men in de courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet oost. Wouter’s God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest, en dus nog dommer te zyn dan zoo’n krant.
Is dat ’n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat ’n wereld regeeren? Zóó slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder almacht, zònder God!
O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame Grieken streden tegen de wreede Turken, en leverden dagelyks de by zulke gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den mond vol van. Alleen God scheen alweer niet op z’n post te zyn. Marko Bozzaris en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar ’t hielp niet veel. En al de Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook niet. En al de Turken waren van ’n glad verkeerd geloof, ’t Hielp nog niet. Zelfs hielp ’t niet dat ze zoo byzonder lafhartig waren, en overal by troepen te-gelyk op de vlucht sloegen zoodra maar één Griek zich vertoonde ... tòch werden elke week alle grieksche vrouwen, kinderen en grysaards vermoord. Wouter’s historische en krygskundige kritiek ging niet ver genoeg om te vragen waarom de grieksche helden dit toelieten? Hy hield zich aan de verantwoordelykheid van z’n god, en was recht boos over zooveel plichtverzuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder ditmaal niet voorwenden. De zaak wasnotoir, want de kinderen op de straat bezongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken, en ’t voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht of de onverschilligheid van Wouter’s god.
En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar ’t verre Engeland...hoofdstad: Londen aan de Theems met veel handel, scheepvaart en ’n yzergietery. Beeft by ’t hooren van ’t Nederlandsch geschut. De protestantsche godsdienst is de heerschende. Heeft ookbezittingen in Aziën, Afrika, Amerika en Australië. Regeeringsvorm: koninklyk. Getal inwoners ...
Hm... zóóveel! Min één nu. Want zekere dwaas—dichter en lord was-i ook—had er z’n zinnen opgezet om ’t land uitteloopen, en met de Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets, en verliet z’n vaderland ...
Wel zeker, dit had Wouter ook willen doen—en met pleizier!—om aan z’n god en die Turken ’n lesje te geven als-i maar... permissie had kunnen krygen van z’n moeder, d. i. als-i maar niet ’n armzalig schooljongetje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy dien gelukkigen engelschman gevraagd hoe men ’t toch aanlegt om lord, dichter en held te worden? En wat men doen moet, om van kleinen jongen zich optewerken tot onsterfelykheid... niet die uit den katechismus! Een voorrecht dat-i zou te deelen hebben met ieder ander die “geloofd zal hebben en gedoopt zal zyn” kwam hem niet byzonder wenschenswaard voor. Hy wilde in dit geval niets weten van verlossing, zoendood en genade—altemaal dingen die zeer belangryk zyn in de schooltheologie, en waarin-i dan ook op elk examen de eerste noot behalen zou—maar de prikkel die hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In z’n verbeelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als: “Wouter’sbegrafenis by Thermopylae.” De lykstaatsie bewoog zich over ’n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo breed als de prent maar eenigszins toeliet.
Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i...
Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken maakten laaghartig misbruik van z’n verdrietige onvolwassenheid. En die m’nheer Byron ook.
Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van ’n mededinger, die—geheel buiten zyn schuld immers—nog niet gereed was? Ook deze onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende Wouter. By zoo’n verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk mededingerschap mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even wachten tot-i gereed was?
Dan zoud-i...
Wat? Hoe? Wanneer? Waarheen?
Alweer die martelende vragen!
Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor ’t kiezen had gehad, waar-i door ontlasting van z’n gemoed z’n wrevel had mogen verzachten tot weemoedigheid... och, dan had-i willen uitschreien aan Femke’s borst.
Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die ’t verband zouden begrepen hebben tusschen... dat en dit, juist de Engelschman was, die hy zoo verwenschte.
Ik geloof namelyk dat Byron—in-weerwil van z’n verzen dan—inderdaad dichter was.
1I. 1075 bevat verder een beschouwing over beroepskeuze, ook in verband met de toekomst der maatschappy.
1I. 1075 bevat verder een beschouwing over beroepskeuze, ook in verband met de toekomst der maatschappy.
Wouter’seerste studien in menschenkennis.Il y perd son latin.Leentje’sextra-woordenboeksche bydrage tot de kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter ’t oogenblik aan, waarop hy begon zich rekenschap te geven van ’t verschil tusschenuitingendaden, of—want hiermee nam z’n studie ’n aanvang—tusschenwoordenmeening. Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds om niet z’n naïveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste aanleidingen die hiertoe meewerkten, was ’n schynbaar onbeduidend voorval. Hy had op last van z’n moeder iets in ’n winkel gekocht, en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was ’t eens: “dat dit nu al heel dom was voor ’n jongen die....Volgt: de schoolknapheid....en: die in den handel zou gaan.”—Maar, moeder, de man zei toch....Allen berstten uit in schamper gelach.—Als men dáárnaar luisteren zou!—Nu, wat men in zoo’n winkel zegt!—Uiliger heb ik ’t nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo’n man bly is als-i z’n bedorven goedje van-de-hand kan zetten?—Maar, jongen, ben je dan niet recht wys?—Wat is er aantevangen met zoo’n kind!De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter’s hoofd losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by Leentje geen troost vond.—Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is.Dit “ikzelf” was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde zoowel: “ik, ’t hooge hof van appèl!” als: “ik, die anders zoo graag party voor je trek.” Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor Wouter’s eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van allen. Leentje zelf had het nu gezegd.—Maar de man zei toch...—Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dàt niet?—Maar ... hy gaf er z’n woord op!—Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter....Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in ’n burgerlyke boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op beter lyst. Leentje’s woorden hadden verdiend te weergalmen langs onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen door de spleten van ’nkrypt. By de diepte van haar wysheid zou ’n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met overlyden aan ergernis over ’t ontsluieren van ’n nieuwe waarheid. De geheimzinnige Isis zal de mond openen...—Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo’n man de waarheid zegt of niet!—Wel, jongen...De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren wisten wat er volgen zou.—Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de menschen je zeggen, is maarfut, zieje!Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die tot ’n lager soort van spreekwys behooren, was ’t hem zeker meermalen in ’t oor gedrongen, doch altyd afgegleden op z’n onnoozelheid. Hy had het nooit in z’n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse van rededeelen ’t gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch ’n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in Leentje’s toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon herinnerde hem aan ’n stembuiging, aan ’n toonval, aan ’n melodie....Neen, ’n melodie was ’t niet! Waar toch had-i—en onlangs nog—iets gehoord, dat ... dat....Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar maxime als ’t ware ’n weerslag was....Hy wàs er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy herinnerde zich haar: “wel zeker, ieder moet handelen naar z’n overtuiging!” en op den klank af, begreep hy Leentje’s apodiktische uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien ’t woord “fut” bekleedt in de nederduitsche taal.“Zelf uit de oogen zien!” En “ieder moet handelen naar z’n eigen overtuiging.” Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Wel-aan dan....Ach, z’n nieuwe wysheid haalde hem dien dag ’n verdrietig geval op den hals. ’t Was diep in ’t voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen ’t hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand, begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid dit, of zoo-iets, te zeggen.Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden, ieder behalve die ondeugende jongen, die op z’n school....—Zeg jyzelfs nu eens, Stoffel, of ’t geen schande-n-is! De aardappelen zyn verleje-n-Oktober “opgedaan” en de man zei, ze konden best twee jaar duren, want, zeid-i, ’t waren expresse winteraardappelen, overblyvers...—Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo’n man zegt, is...fut!—Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu ook dàt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik zal je ... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg,heelemaal leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor’t schavot? Ja, voor ’t schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, ’n ware zonde! Mag je brutaal wezen tegen je moeder, en ... God verachten? Want dàt zegikmaar, God heeft ze laten groeien ... die aardappelen! Weet je dàt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zegjy, Stoffel?Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel voldoening had van z’n eerste heldenfeit. Toen-i zich later beklaagde by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by.—Ja, zieje, Wouter, dat is nu zóó: de aardappelen, zieje, zyn ... niet heel goed meer. En dat komt, omdat we ... Mei hebben. Want, zieje, in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar ... je mag daarom niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zie je ’n mensch z’n moeder ... gut,iklust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je moeder ... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar exkuus, en zeg dat je ’t nooit weer zal doen.—Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht vind, en ze niet eten kan. En ... ieder moet toch handelen naar z’n overtuiging, niet waar?De laatste opmerking ging Leentje’s sfeer te-boven. Ze bleef er by dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy....Wanneer? Waar? Hoe?Indien de oorzaak van z’n ergernis zich bepaald had tot de slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad tot tevredenheid. Kort na z’n vreeselyke schavotzonde kwam hem ’n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By ’t behandelen van een der jonge-juffrouwen—in den burgerstand zyn altyd ’n paar huisgenooten ziek—had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z’n moeder haar denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op ’n wys die niet paste by Holsma’s toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot was z’n verbazing, toen-i z’n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde worden in geheel andere richting dan onlangs toenhyzich beklaagd had over dezelfde zaak.—Juist, dokter, zei ze.Ikzeg ook dat het geen behoorlyk eten is. En de kinderen ook. En Wouter ook. ’t Kind kan ze niet eten, die glazige dingen! En als ’t nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen: wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter? Maar zóó deun hoeven we ’t goddank niet te overleggen, enikzeg ook: liever goeie boonen dan aardappels, die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m’n oudste dochter—Trui heet ze, maar we noemen d’r Sertrude—zy heeft óók gezegd: niet waar, Trui?—Ja, moeder.Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z’n kinderen verwacht werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in ’t late voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als ’n oude bekende dien men byzonder genegen was. ’t Spreekt vanzelf dat Wouter niets van dien ommekeer begreep.En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen inteboezemen op z’n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had haar niet weergezien sedert z’n ... zonderling bezoek, en wist dat ook z’n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van háár kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy wist wel dat eens-vooral èlke omstandigheid tekst leveren kon tot drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had z’n afgelegd examen—of wat daarvoor heette doortegaan—’n normaal verloop genomen. Maar nu?Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet waaròm er niets geschied was, en waaròm hy op zoo vreemde manier ’t mensch verlaten had? Zéker was het dat er iets haperde, en dit “iets” zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z’n moeder in den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe nu, indien zy aan ’t licht bracht dat er over al die schoone vakken geen woord gewisseld was, en dat Wouter’s kwikzilverachtigheid daarvan de schuld droeg?De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen tot wrevelige klacht. Hy zocht ’n middel om ’t huis te verlaten, en was juist gereed met ’n voorwendsel, toen er gescheld werd:—Daar is ze, riep Petro die ’t spionnetjen in ’t oog had. Daar is ze-n-al. Ze heeft ’r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen op ’r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar ’ns open, als ’n jongen!Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo’n wys hielp ’t uitgaan niet veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:Tweede verwondering.—Zoo lieve jongen, ben je daar om me de deur te openen! Nu, dat is heel zoet van je ... ik heb altyd gezegd dat je zoo’n best kind bent!En ze gaf hem ’n tikjen op de wang. Wouter kleurde. Verlegenheid en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.—Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat’s niet mooi van je! Komaan, die boodschap zal zoo’n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, weetje. Dat zegikmaar.En ze biologeerde Wouter de trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar weer de kamer binnentrad.Derde en vierde verwondering.De heele familie Pieterse ontving de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan bybelverwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke vordering: “dat zoo’n kind àlles weten zou!”Als Wouter latyn te verliezen gehad had...—Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de juffrouw ’r hoed op ’t kammenet ... korenbloemen, ja, net als Petro gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in ’t spionnetje, en ze zei ... nou, dat ’s tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen, maar ’t is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet gezien. Onze Mine heeft ’t weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan de fyt ... we hebben er koekdeeg op. Maar ’t wil niet dóórgaan. Anders ... koekdeeg is ’t beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo’n goeien dokter ... niet omdat-i zweeren snydt—gut né, want-i is dokter, weetje, en geen surezyn—’t is maar om te zeggen dat we zoo’n goeien dokter hebben. En hoe gaat hetuwe!De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die praatjes werd geantwoord, mits-i zich ’n ander punt van uitgang kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op de trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en ’t viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde persoon was, die hem by ’t binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na de verbazing over den toon die z’n moeder aansloeg, was dit dan ook de oorzaak zyner:Vyfde verwondering.—En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem z’n moeder. Ik kan je niet zeggen, m’n goeie juffrouw Laps, wat ’n last ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut ’n boodschap doen—hy moest ’n potlood koopen, weetje, om ’n landkaart te teekenen—want in landkaarten is-i knap, en als ’n land niet deugt, veegt-i ’t uit met gommelistiek—en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon, zeid-i. En ik geef ’m ’n stuiver, en-i gaat, en ... daar zit-i nu weer! Dat’s geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?—Watikzeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met ’n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat’s m’n zinnigheid en m’n manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik....—Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen....—Zwyg, brutaal kind! Nu zàl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dáár, daar in ’t hoekje, zal blyven zitten zoolang ik ’t verkies. Ik kan die koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot ... er is’n barsie in. Neem ’n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dàt doet-i altyd. Wat moet ik er in gods-heeren naam aan doen?—’t Zit ’m alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.—In de dominees?—Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, ’t Ware geloof gaat te-gronde met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo’n kind wat goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen ik de genade nog niet had—met pinkster wordt het zeven jaar—maar jawel! Prulwerk is ’t, niets dan prulwerk. ’t Heele woord “dominee” komt in de Schrift niet voor. En “preek” ook niet. Wel lezen we dat de vrouwen nederzaten aan Jezus’ voeten. Dàt ’s ’t ware, zieje.Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse ’t verband niet, tusschen de klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen ’t kenmerk is van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op ’t ontbreken van ’n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op de ware hoogte van de zaak, maar zóó nauwkeurig kwam ’t er niet op aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men ’t minste scheurtjen opmerkt en betreurt.—Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens zeggen wat de zaak is? ’n Dominee is net ’n mensch als ’n ander. Daar heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht ... hoe heet-i ook, Sertrude?Trui noemde een naam.—Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel ... och, ’t is ’n naam die ... hy heet ... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont ’n man die byna ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders....—De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen dat het kind naar de kerk gaat, in ’t minst niet! Al zingen ze daar telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn ...De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen ’n heel andere afkomst hebben?... toch is ’t beter dat-i dáár zit, dan dat-i zich thuis verveelt, of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut né! De gemeente moet zich oefenen ... met mekaar, zieje! Dàt is het! Ik heb verleje zondag duidelyk aan ’t kind gemerkt dat jelui dit schandeloos verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In ’t geheel niet, volstrekt niet! ’t Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten en den tabernakel des Heeren.Hier volgde een beschryving van Wouter’s gemoed, die juffrouw Pieterse angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden—wat ze dan ook niet was—en moest dus wanhopen aan z’n eigen verstand. Hoe toch kon zy uit het voorgevallene by z’n bezoek al die gevolgtrekkingen halen? Er was immers geen tyd geweest voor ’n theologisch woord. Hy had niets gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van ’n berisping dáárover, vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had, en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te hopen toen z’n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan “overhoord” had?—Want, zieje, ’n ieder leert uit z’n eigen boek. En als je dan op-eens uit ’n ander boek gaat vragen....—Ik vraag nooit uit ’n boek, riep juffrouw Laps, met ’n waardigheid die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, dáárin zit het hem niet!—Maar, juffrouw, zei Wouter met z’n gewone bedeesdheid, u heeft me niets gevraagd!—Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m’n dank! Je ziet nu zelf, juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders ’t kind, na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis’ wil waar ’t naar toe moet? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z’n eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der verstoktheid van ’n enkelen zondaar landplagen zenden, dat begryp je-n-immers ook wel? Moestikje wat vragen, jongen? Of moest jyzelf je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging en zaligmaking, hè? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe weinig uitverkorenen er zyn! Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen was-i, o ja ... maar dat’s ’t ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet ... zie, zooveel!En ze knipte met de vingers.—Maar ... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?—Stuur ’m gerust ’ns by me ... al was ’t van avond nog.Wouter rilde. Maar gelukkig drong z’n moeder dien dag niet op de herhaling van ’t bezoek aan. Integendeel, na ’t vertrek der oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes niet recht kon wys worden.Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om haar niet te begrypen. In z’n onnoozelheid meende hy slechts de keur te hebben, háár voor waanzinnig te houden, of ... zichzelf!
Wouter’seerste studien in menschenkennis.Il y perd son latin.Leentje’sextra-woordenboeksche bydrage tot de kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.
Wouter’seerste studien in menschenkennis.Il y perd son latin.Leentje’sextra-woordenboeksche bydrage tot de kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.
Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter ’t oogenblik aan, waarop hy begon zich rekenschap te geven van ’t verschil tusschenuitingendaden, of—want hiermee nam z’n studie ’n aanvang—tusschenwoordenmeening. Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds om niet z’n naïveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste aanleidingen die hiertoe meewerkten, was ’n schynbaar onbeduidend voorval. Hy had op last van z’n moeder iets in ’n winkel gekocht, en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was ’t eens: “dat dit nu al heel dom was voor ’n jongen die....
Volgt: de schoolknapheid.
...en: die in den handel zou gaan.”
—Maar, moeder, de man zei toch....
Allen berstten uit in schamper gelach.
—Als men dáárnaar luisteren zou!
—Nu, wat men in zoo’n winkel zegt!
—Uiliger heb ik ’t nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo’n man bly is als-i z’n bedorven goedje van-de-hand kan zetten?
—Maar, jongen, ben je dan niet recht wys?
—Wat is er aantevangen met zoo’n kind!
De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter’s hoofd losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by Leentje geen troost vond.
—Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is.
Dit “ikzelf” was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde zoowel: “ik, ’t hooge hof van appèl!” als: “ik, die anders zoo graag party voor je trek.” Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor Wouter’s eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van allen. Leentje zelf had het nu gezegd.
—Maar de man zei toch...
—Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dàt niet?
—Maar ... hy gaf er z’n woord op!
—Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter....
Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in ’n burgerlyke boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op beter lyst. Leentje’s woorden hadden verdiend te weergalmen langs onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen door de spleten van ’nkrypt. By de diepte van haar wysheid zou ’n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met overlyden aan ergernis over ’t ontsluieren van ’n nieuwe waarheid. De geheimzinnige Isis zal de mond openen...
—Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo’n man de waarheid zegt of niet!
—Wel, jongen...
De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren wisten wat er volgen zou.
—Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de menschen je zeggen, is maarfut, zieje!
Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die tot ’n lager soort van spreekwys behooren, was ’t hem zeker meermalen in ’t oor gedrongen, doch altyd afgegleden op z’n onnoozelheid. Hy had het nooit in z’n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse van rededeelen ’t gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch ’n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in Leentje’s toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon herinnerde hem aan ’n stembuiging, aan ’n toonval, aan ’n melodie....
Neen, ’n melodie was ’t niet! Waar toch had-i—en onlangs nog—iets gehoord, dat ... dat....
Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar maxime als ’t ware ’n weerslag was....
Hy wàs er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy herinnerde zich haar: “wel zeker, ieder moet handelen naar z’n overtuiging!” en op den klank af, begreep hy Leentje’s apodiktische uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien ’t woord “fut” bekleedt in de nederduitsche taal.
“Zelf uit de oogen zien!” En “ieder moet handelen naar z’n eigen overtuiging.” Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Wel-aan dan....
Ach, z’n nieuwe wysheid haalde hem dien dag ’n verdrietig geval op den hals. ’t Was diep in ’t voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen ’t hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand, begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid dit, of zoo-iets, te zeggen.
Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden, ieder behalve die ondeugende jongen, die op z’n school....
—Zeg jyzelfs nu eens, Stoffel, of ’t geen schande-n-is! De aardappelen zyn verleje-n-Oktober “opgedaan” en de man zei, ze konden best twee jaar duren, want, zeid-i, ’t waren expresse winteraardappelen, overblyvers...
—Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo’n man zegt, is...fut!
—Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu ook dàt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik zal je ... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg,heelemaal leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor’t schavot? Ja, voor ’t schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, ’n ware zonde! Mag je brutaal wezen tegen je moeder, en ... God verachten? Want dàt zegikmaar, God heeft ze laten groeien ... die aardappelen! Weet je dàt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zegjy, Stoffel?
Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel voldoening had van z’n eerste heldenfeit. Toen-i zich later beklaagde by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by.
—Ja, zieje, Wouter, dat is nu zóó: de aardappelen, zieje, zyn ... niet heel goed meer. En dat komt, omdat we ... Mei hebben. Want, zieje, in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar ... je mag daarom niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zie je ’n mensch z’n moeder ... gut,iklust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je moeder ... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar exkuus, en zeg dat je ’t nooit weer zal doen.
—Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht vind, en ze niet eten kan. En ... ieder moet toch handelen naar z’n overtuiging, niet waar?
De laatste opmerking ging Leentje’s sfeer te-boven. Ze bleef er by dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy....
Wanneer? Waar? Hoe?
Indien de oorzaak van z’n ergernis zich bepaald had tot de slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad tot tevredenheid. Kort na z’n vreeselyke schavotzonde kwam hem ’n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By ’t behandelen van een der jonge-juffrouwen—in den burgerstand zyn altyd ’n paar huisgenooten ziek—had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z’n moeder haar denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op ’n wys die niet paste by Holsma’s toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot was z’n verbazing, toen-i z’n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde worden in geheel andere richting dan onlangs toenhyzich beklaagd had over dezelfde zaak.
—Juist, dokter, zei ze.Ikzeg ook dat het geen behoorlyk eten is. En de kinderen ook. En Wouter ook. ’t Kind kan ze niet eten, die glazige dingen! En als ’t nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen: wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter? Maar zóó deun hoeven we ’t goddank niet te overleggen, enikzeg ook: liever goeie boonen dan aardappels, die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m’n oudste dochter—Trui heet ze, maar we noemen d’r Sertrude—zy heeft óók gezegd: niet waar, Trui?
—Ja, moeder.
Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z’n kinderen verwacht werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in ’t late voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als ’n oude bekende dien men byzonder genegen was. ’t Spreekt vanzelf dat Wouter niets van dien ommekeer begreep.
En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen inteboezemen op z’n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had haar niet weergezien sedert z’n ... zonderling bezoek, en wist dat ook z’n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van háár kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy wist wel dat eens-vooral èlke omstandigheid tekst leveren kon tot drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had z’n afgelegd examen—of wat daarvoor heette doortegaan—’n normaal verloop genomen. Maar nu?
Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet waaròm er niets geschied was, en waaròm hy op zoo vreemde manier ’t mensch verlaten had? Zéker was het dat er iets haperde, en dit “iets” zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z’n moeder in den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe nu, indien zy aan ’t licht bracht dat er over al die schoone vakken geen woord gewisseld was, en dat Wouter’s kwikzilverachtigheid daarvan de schuld droeg?
De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen tot wrevelige klacht. Hy zocht ’n middel om ’t huis te verlaten, en was juist gereed met ’n voorwendsel, toen er gescheld werd:
—Daar is ze, riep Petro die ’t spionnetjen in ’t oog had. Daar is ze-n-al. Ze heeft ’r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen op ’r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar ’ns open, als ’n jongen!
Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo’n wys hielp ’t uitgaan niet veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:
Tweede verwondering.—Zoo lieve jongen, ben je daar om me de deur te openen! Nu, dat is heel zoet van je ... ik heb altyd gezegd dat je zoo’n best kind bent!
En ze gaf hem ’n tikjen op de wang. Wouter kleurde. Verlegenheid en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.
—Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat’s niet mooi van je! Komaan, die boodschap zal zoo’n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, weetje. Dat zegikmaar.
En ze biologeerde Wouter de trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar weer de kamer binnentrad.
Derde en vierde verwondering.De heele familie Pieterse ontving de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan bybelverwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke vordering: “dat zoo’n kind àlles weten zou!”
Als Wouter latyn te verliezen gehad had...
—Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de juffrouw ’r hoed op ’t kammenet ... korenbloemen, ja, net als Petro gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in ’t spionnetje, en ze zei ... nou, dat ’s tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen, maar ’t is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet gezien. Onze Mine heeft ’t weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan de fyt ... we hebben er koekdeeg op. Maar ’t wil niet dóórgaan. Anders ... koekdeeg is ’t beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo’n goeien dokter ... niet omdat-i zweeren snydt—gut né, want-i is dokter, weetje, en geen surezyn—’t is maar om te zeggen dat we zoo’n goeien dokter hebben. En hoe gaat hetuwe!
De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die praatjes werd geantwoord, mits-i zich ’n ander punt van uitgang kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op de trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en ’t viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde persoon was, die hem by ’t binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na de verbazing over den toon die z’n moeder aansloeg, was dit dan ook de oorzaak zyner:
Vyfde verwondering.—En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem z’n moeder. Ik kan je niet zeggen, m’n goeie juffrouw Laps, wat ’n last ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut ’n boodschap doen—hy moest ’n potlood koopen, weetje, om ’n landkaart te teekenen—want in landkaarten is-i knap, en als ’n land niet deugt, veegt-i ’t uit met gommelistiek—en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon, zeid-i. En ik geef ’m ’n stuiver, en-i gaat, en ... daar zit-i nu weer! Dat’s geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?
—Watikzeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met ’n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat’s m’n zinnigheid en m’n manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik....
—Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen....
—Zwyg, brutaal kind! Nu zàl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dáár, daar in ’t hoekje, zal blyven zitten zoolang ik ’t verkies. Ik kan die koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot ... er is’n barsie in. Neem ’n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dàt doet-i altyd. Wat moet ik er in gods-heeren naam aan doen?
—’t Zit ’m alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.
—In de dominees?
—Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, ’t Ware geloof gaat te-gronde met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo’n kind wat goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen ik de genade nog niet had—met pinkster wordt het zeven jaar—maar jawel! Prulwerk is ’t, niets dan prulwerk. ’t Heele woord “dominee” komt in de Schrift niet voor. En “preek” ook niet. Wel lezen we dat de vrouwen nederzaten aan Jezus’ voeten. Dàt ’s ’t ware, zieje.
Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse ’t verband niet, tusschen de klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen ’t kenmerk is van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op ’t ontbreken van ’n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op de ware hoogte van de zaak, maar zóó nauwkeurig kwam ’t er niet op aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men ’t minste scheurtjen opmerkt en betreurt.
—Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens zeggen wat de zaak is? ’n Dominee is net ’n mensch als ’n ander. Daar heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht ... hoe heet-i ook, Sertrude?
Trui noemde een naam.
—Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel ... och, ’t is ’n naam die ... hy heet ... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont ’n man die byna ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders....
—De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen dat het kind naar de kerk gaat, in ’t minst niet! Al zingen ze daar telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn ...
De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen ’n heel andere afkomst hebben?
... toch is ’t beter dat-i dáár zit, dan dat-i zich thuis verveelt, of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut né! De gemeente moet zich oefenen ... met mekaar, zieje! Dàt is het! Ik heb verleje zondag duidelyk aan ’t kind gemerkt dat jelui dit schandeloos verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In ’t geheel niet, volstrekt niet! ’t Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten en den tabernakel des Heeren.
Hier volgde een beschryving van Wouter’s gemoed, die juffrouw Pieterse angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden—wat ze dan ook niet was—en moest dus wanhopen aan z’n eigen verstand. Hoe toch kon zy uit het voorgevallene by z’n bezoek al die gevolgtrekkingen halen? Er was immers geen tyd geweest voor ’n theologisch woord. Hy had niets gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van ’n berisping dáárover, vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had, en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te hopen toen z’n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan “overhoord” had?
—Want, zieje, ’n ieder leert uit z’n eigen boek. En als je dan op-eens uit ’n ander boek gaat vragen....
—Ik vraag nooit uit ’n boek, riep juffrouw Laps, met ’n waardigheid die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, dáárin zit het hem niet!
—Maar, juffrouw, zei Wouter met z’n gewone bedeesdheid, u heeft me niets gevraagd!
—Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m’n dank! Je ziet nu zelf, juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders ’t kind, na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis’ wil waar ’t naar toe moet? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z’n eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der verstoktheid van ’n enkelen zondaar landplagen zenden, dat begryp je-n-immers ook wel? Moestikje wat vragen, jongen? Of moest jyzelf je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging en zaligmaking, hè? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe weinig uitverkorenen er zyn! Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen was-i, o ja ... maar dat’s ’t ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet ... zie, zooveel!
En ze knipte met de vingers.
—Maar ... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?
—Stuur ’m gerust ’ns by me ... al was ’t van avond nog.
Wouter rilde. Maar gelukkig drong z’n moeder dien dag niet op de herhaling van ’t bezoek aan. Integendeel, na ’t vertrek der oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes niet recht kon wys worden.
Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om haar niet te begrypen. In z’n onnoozelheid meende hy slechts de keur te hebben, háár voor waanzinnig te houden, of ... zichzelf!
Wouter’sintrede in ’n brok van de werkelyke wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in ’t vinden van den oorsprong van ’t woordhypotheek, dat geboren is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in ’n leesbibliotheek, naast snuif en tabak.“In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling (P. G.) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid, goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op ’n fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven brieven onder ’t motto: “Handel” aantemelden by den boek- plaat- en kunsthandelaarE. Maaskamp, Nieuwendyk by den Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is...Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers kwam, weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten die Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde firma herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als verklaring van zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in ’t whistspel. ’t Was ’n bonte winkel. Dáár zyn de hollands-fransche modeplaten verschenen, waarnaar zich de “incroyables” en “merveilleuses” kleedden... niet precies om te voldoen aan de proklamatie der Amsterdamsche Regeering van 13 Juni 1795, die: “bevallige tooy” voorschreef “bestuurd door nette eenvouwigheid.”De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan ik hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war te brengen. Ik wil namelyk by ’t schetsen van Wouter’s ontwikkeling niet gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1º gemakshalve, 2º om wáár te blyven in hoofdzaken.Ik weet zeer goed dat het “P. G.” waarop met zoo aandoenlyke geloofsvastheid gelet wordt by ’t kiezen van keukenmeiden, boodschaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei der Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkundige stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen van hoog belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand geven voor ’t korrekt aanhalen van ’n diploom. Psychologische kunstwaarheid heeft àndere eischen.Wanneer ’t me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de republiek nà Lodewyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou ik ’t zonder gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze Staatsgeschiedenis, na den bouw der huizen langs Heeren- en Keizersgracht te Amsterdam, zal men misschien kunnen waarnemen uit werken van andere soort dan iknu schryf. Of men ’t ooit waargenomen heeft, is de vraag.Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk “P. G.” werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet ... welnu, ’t had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo.—Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy, Stoffel?—Ja, moeder, ’t kan niet mooier.—Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.—Op goedzedelykgedrag, moeder!—Ja, goed zedelyk gedrag ... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik je altyd gezegd heb. En ... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je dàt, Stoffel?—Ja, moeder, maar ... hy moet lust in werken hebben.—Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik je niet altyd precies ’t zelfde gezegd? En ... ze vragen: “P. G.” Dat ben je, goddank!—Ja, moeder, dat is-i!—En, Stoffel, alsjynu eens den brief schreef? Wat dunkt je dáárvan?—Maar ... er staat: eigenhandig!—Wel zeker! Als jy nu eens ’n eigenhandigen brief schreef. Dat is toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo’n kind het doet?Stoffel slaagde niet zonder moeite in ’t begrypelyk maken dat hier zeer in ’t byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd, en dat de zyne—hoe mooi ook—in dit geval niet baten kon. Wouter werd dus aan ’t schryven gezet.—Maar ... wat moet ik er boven zetten?—Weet je dàt weer niet? ’t Is heel eenvoudig! Je moet schryven:Weledele Heeren!Er staat immers dat het ’n gevestigde handelszaak is?—Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook ’n zaak heeft gehad, ’nzaak, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet.—En schryf dat je de-n-eerste bent op je school ...—En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent ...—En van goed zedelyk gedrag ...—En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je misschien terstond salaris.Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk in ’t voor-den-dag brengen van ’n staatstuk dat aan alle eischen voldeed.’tAdres werd, na rype deliberatie:Aan de Weledele Heeren, den heeren ... motto: “handel.”Maar ...’t frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z’n wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren ...motto: handel, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden zien. “Maar, zeid-i, zeg ’t er dan by, als je m’nheer Maaskamp te zien krygt.”Met ’n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle voorbygangers ’t hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld intrad, en bezig-was den “handel” te bestormen. Degeringe dunk dien hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens in, zich aantemelden byWeledele Heerendie ’n “gevestigde zaak” hadden. Zóó stond er in de advertentie, en ’t zou dus wel waar wezen.By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook die man ’n gevestigde zaak hebben? En ’t was alweer karakteristiek, dat-i verzuimde naar ’n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo’n “gevestigde zaak” dan toch eigenlyk voor ’n ding was? En wat men te verstaan had onder: niet-gevestigde zaken?Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.Stamelend vroeg hy aan ’n bediende in den winkel verschooning dat de brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam Wouter’s dokument in ’n bakje waarin reeds ’n paar dozyn stukken van gelyken aard op ’t goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de man uit den prentwinkel niet in, daar-i ’t juist byzonder druk had met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter watertandde naar zoo’n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien hy was op weg naar “handel” en niet naar heldendaden.—Later, later! dacht-i.Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z’n moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit ’n slechte noot zou kunnen geven by de beoordeeling van z’n goed zedelyk gedrag waarop de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie, zoo byzonder gesteld waren.—En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut, Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo’n advertentie? Ieder wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op ’t goeie zedelyke gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en ’t adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden, en al de anderen die nu “haantje-de-voorste speelden” zouden achter ’t net visschen. Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op ’t voorrecht dat z’n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen.—Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen steek. Hy kòn ’t zelfs niet! ’t Is maar, zieje, om te bewyzen,dat we-n-ook ’n zaak hadden, ’n effektievezaak! Gut, de man nam nooit ’n elst in z’n hand. Is ’t waar of niet, Stoffel?De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden ... ik weet niet waar ze woonden, maar ze hadden ’n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd met ’n leesbibliotheek, gesticht op denZeedyk, niet zeer ver van de plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de “grootste koopstad van Europa” werd opgezet door ’n paar visscherlui. Van parallel tusschen ’t succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak.Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van ’n paar lood snuif, waarop ’n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden de waarheid niet te kort gedaan, toen ze beweerden aan ’t hoofd te staan van ’n “gevestigde zaak.”Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien gemaakt had over de beteekenis van ’t woord: “handel” zoud-i by deze gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z’n gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van ’t woord “handel” niet vroeger had begrepen.Nuwist-i ’t! “Handel” beteekent zooveel als in hemdsmouwen achter ’n toonbank snuif te wegen. En ... op denZeedyknogal!Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide visschers—laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei geslacht waren!—die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam “stichtten.” Maar ook aan m’n lezers heb ik verplichtingen, en om hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, ’n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By stedenstichters is dit ’n allergewoonste, maar toch onverklaarbare, fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om ’n deftige afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden.Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen slaan op de keuze van ’t plekje waaruit de adel van hun nageslacht zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid?De tabaks- en sigarenhandel nam slechts de halve breedte van ’t huis in, en stond door ’n zydeur in gemeenschap met ’n leesbibliotheek, die ’t vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes, rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden de geheele breedte van ’t perceel, en gaven door overeenstemming van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing enlettersoort der opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, ’t Moest ’n byzonder domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de “zaak” van de heeren Motto, Handel & Cie “gevestigd” was op twee industrien te-gelyk. Wie niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien, en omgekeerd.Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er in die lokaliteit iets “gefabriceerd” werd. De ordonnateur van ’t opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan ’t verkoopen. Juist andersom dus dan we ’t genoegen hadden waartenemen by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn ’t nog niet eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd. Eén ding is zeker: wie ’t eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en ’t andere versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z’n karakter, staat hooger dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn.Of ’t evenwel waar was dat er in de hier “gevestigde zaak” inderdaad ietsgemaaktwerd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-jongeling van allerbest zedelyk gedrag, die zoo’n byzonderen lust in werken hebben zou.De handelswaar waarmee ’t winkeltje gestoffeerd was, bedroeg ter-nauwernood de waarde van ’n jaar huur, en de booze wereld van denZeedykdurfde zelfs beweren dat de twee blauw-porceleinen vazen, waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden:rappeeenzinkingte lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van ’n uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks kwam kyken of z’n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht hielden op de toonbank: [Greek: hypo Thêkê]De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door ’n groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt gesproken, was dit ook zoo. Er hing ’n verweerd scheerspiegeltjen in die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel—op dit oogenblik getooid met de jas van den Weledelen heer Motto—en van ’t halfrond tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop ’n pomadepot aan ’n kam scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door ’n mislukte poging tot tandwisselen. De heer “patroon” Motto namelyk, hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan “handel” wydde, niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links van z’n gelaat ’n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.Dat overigens in dien winkel zelf ’n groote rol werd gespeeld door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den oudheidkundigen lezer, die Motto’s lokken geen plaats geven kan naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over de geschiedkundige perioden van m’n verhaal. In Wouter’s jeugd was ’n sigaar nog altyd ’n zeldzaamheid, en ik maak me dus hier schuldig aan ’n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester van Numa Pompilius aanstelt.—Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i ’t oude vrouwtje geëxpedieerd had “met ’n snuifjen uit den pottoe.” En wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch ... hè? En wat doen je ouwers?—In ... schoenen, m’nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik niet. Rekenen wèl ... den heelen Strabbe.—Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalfpietje? Wouter stamelde dat-i ’t niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid als ik in de meesten van m’n lezers veronderstel, voor zoover ze ’t geluk hebben minder dan ’n halve eeuw oud te zyn.—Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat ’npietjenis? En ken je-n-’t verschil wel tusschen ’nzest’halfen ’n schelling? En tusschendaaldersenacht-en-twintigen? Kyk ...De heer Motto trok de lade open, en scheen naar ’n “daalder” te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor deze keer met ’n “zest’half.” Hy stelde Wouter’s handelskennis op de proef, door hem optedragen ’n “schelling’”daarnaast te leggen—in z’n verbeelding—en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van ’t verschil. Dit alles moest men “in den handel” precies weten en kennen, beweerde m’nheer Motto.Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt, geen geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z’n hemdsmouwen snuif verkoopt achter ’n toonbank. Het was zeer juist gezien van den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmisbaar achtte voor iemand die “in den handel” gaat. De overlevering luidt dat-i er grondbeginselig byvoegde:—Dat’s ’t voornaamste!—En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet zeer bemoedigenden toon.Helaas neen!—En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten?Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep.—Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m’n zaak, en je begrypt dat ik weten moet wien ik winkel en lâ toevertrouw. En ... versta je deensch?—N... e... e... n, m’nheer!—Zoo! Deensch ook al niet? ’t Is maar, weetje, omdat hier soms wel ’reis deensche matrozen komen om ’n onssie tabak te koopen. In ’n zaak als deze moet je-n-alle talen kennen ... dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu! Grieken heb ik hier ook al gehad...Wouter’s gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten?—Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden ’n pruim negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de kleintjes passen is ’t voornaamste! Anders ben jefittu, zieje? ’t Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen, om alle-man te-woord te staan. Dat’s ’t voornaamste! Maar dat’s nou tot daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is soms wel tien gulden in de lâ, weetje, en in den handel moet ’n mensch z’n zekerheid hebben. Dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu, dit begryp je zelf wel.—M’n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet wist wat-i zeggen moest, en toch ’ns eindelyk wat zeggen wilde.—Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je dan geen moeder die voor je storten kan?—Ik... zal... ’t... ’r... vragen, stotterde Wouter.—Wel zeker! Ga jy ’r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan, dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu. Hier is nòg ’n winkel. Daarin heb je ook te werken ... als je moeder storten kan. Dat’s ’t voornaamste!De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal niet veel anders dan ’n inslagtrapje dat dienen moest om de wat hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en ’n dik boek waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen laven voor ’n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter’s tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig, en abonnement was uitzondering.—Zieje, zei m’nheer Motto, daar is ’t boek, of wat je zou kunnen noemen: ’t grootboek. Je verstaat toch ’t boekhouden wel?Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder de vele vakken die hy niet bestudeerd had.—Ook al niet, jongen? Dat’s toch in den handel ’t voornaamste! Want, zieje, wie dàt niet kan, isfittu. ’t Is heel eenvoudig. Je moet opschryven wie ’n boek haalt, met dag en datum er by, en ’t huisnummer, en de straat, en alles. En als ze-n-’t weerom brengen, dan haal je-n-’r ’n streep door. ’t Zou er mooi uitzien als je dàt niet deed! En als je de menschen niet kent, moet je...—Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist.—Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van ’t heele werk. Want, dit begryp je, als er één deel weg is, is ’t heele werkfittu. Van de sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik moet eerst weten of je moeder ... ga ’t ’r maar ’ns gauw vragen! Ik heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd—want aan jongetjes die in ’n zaak willen, is waarachtig geen gebrek—maar als ’t dan aankomt op Mozes en de profeten—de borgstelling, weetje!—dan halen ze bakzeil. En dat’s toch ’t voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders ... je ziet er nogal knappies uit ... als ik maar zeker weet dat je storten kan! Ajuus!Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den “handel” was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist, meende hy, in ’t weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i zeker ’n allerontmoedigendst relaas van z’n wedervaren hebben afgelegd, indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen!Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den “handel” gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen tenlaatste met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er ’n som van honderd gulden zou worden gestort, die ’n jaarlyksche rente van drie en-’n-half procent zouden opbrengen. Héél aangenaam vond juffrouw Pieterse deze transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van ’n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. “Maar, zei ze, men moest wat over hebben voor z’n kinderen.”Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of ’t eerste derde. Hy was zoo vry z’n verwondering hierover in gepaste bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen:& Compagnie, tot de klasse der welluidende verzinselen behoorde, en dat ook de heer Handel ’n voortbrengsel was van Motto’s ryke verbeeldingskracht. Als ’n Atlas droeg deze de dubbel “gevestigde zaak” op z’n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid zocht ’n deel van z’n last op den nek te wentelen van ’n protestantsch jongetje dat lust in werken had, en ...cautiestellen kon. Dit was ’t voornaamste ... inderdaad!Wel eenigszins ten-nadeele van z’n tabaks- en snuifkennis, omvatte Wouter’s gemoed het ander deel van z’n werkkring met ’n liefde ... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zou-i ziek geworden zyn! En ... rechtstreeks gezond werkte dan ook het verslinden van al die boeken niet! Met ’n waren geeuwhonger slikte hy ryp en groen in—véél ryps was er niet by!—en las hy al sneller en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in ’t voorzienvan den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen dan eigenlyk ’n auteur aangenaam is. De bekwaamstefaiseurkon geen tien bladzyden lang ’n vondelingetje doodarm laten, zonder dat Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee ’t kind zou getooid worden op ’t laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in ’t onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van dezen vooruitgang—eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam, want men kon ’t als ’n stap tot hooger beschouwen—zichzelf geen rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na zóóveel welgelukte oefening in juistraden, die romanknoopjes beneden z’n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle ontwikkeling van z’nbegrip, bleef by hem de naïveteit vansmaakenopvattingongeschonden. Alwisthy welke ridder straks onder de hoede van ’t Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou in het tournooi, toch had hy ’t geduld zich langs de voorgeschrevenficelleste laten leiden tot op ’t oogenblik van den officieelen triumf, en hy zou ’t zondig en deloyaal hebben gevonden, één sekonde vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen:Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de Bois-Guilbert flink op den kop slaat!En ... en—och, ik durf ’t byna niet zeggen, doch wáárishet!—hem bezielde daarby ’n gevoel alsof hyzelf...Ivanhoe was?Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan inValentins day, en den solieden moed van den nuchteren Sigismund inthe Maiden of the mist, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter Scott, en ... van Wouter! Want hy zou precies zóó gehandeld hebben, èn als auteur, èn als ridder, èn als beschikker over den uitslag van ’n godsoordeel!En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien voorbarigen lord in Griekenland toe!O, alshy’t boek geschreven had, alshyde god ware geweest, die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten op hun respektieve plaatsen zet...Ja ... àls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.’t Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op ’t gebied van ’t goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog, en niemand ’n sigaar “van de tien” in-handen stopte voor ’n dito “van de acht.” En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en andere rubrieken aangevuld te houden uit de soortdie eigenlyk “van de twintig” zou moeten heeten, als zy ’n naam gedragen had. De heer Motto beweerde dat z’n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. “Je moet altyd zien wien je voor hebt, zeid-i, dat’s ’t voornaamste!”Dit nu leerde Wouter in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was hemtien, acht wasacht, onverschillig met wien hy te-doen had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien men hem op eenvoudige wys gevraagd had: “is ’twaarwat je daar zegt?” zoud-i hoogstwaarschynlykbynaaltyd—en toen-i moediger werd:altyd—geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken!Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren was. Zeker werd z’n afkeer van onjuistheid—vreemd genoeg!—gevoed door al die lectuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking neemt dat slechts ’n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z’n tyd beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest zyn met byna ieder ander kind. Maar z’n natuurlyke inborst dreef hem—naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid der kennismaking met Glorioso—om voornamelyk behagen te scheppen in wat ik inMillioenen-Studien“zedelyk rym” noemde. De als dapper geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van ’t stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop, of lieten zich aanwerven by ’n aan den dood gewyde kohorte. Dat’s korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door ’n schryver benoemd was tot model, had geen smetjen op z’n kleed, ’t Was de vraag of zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is ’t, dat-i in al die boeken nooit jicht of buikpyn hàd. Prachtig!Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit ’n oogpunt vanKunstaankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, ’n verkeerde voorstelling, en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was ’t voldoende dat ieder die in zoo’n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de halve wereld. En, ook God—Wouter’s god—vervulde in al die boeken z’n plicht veel beter dan ... byv. op denZeedyk, waar-i gister nog ’n kleinen jongen had zien mishandelen door ’n groote. ’t Moest eens in ’n boek gebeuren ... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!En ook Wouter had getracht...Kon hy ’t helpen dat z’n patroon hem op strengen toon terugriep?—Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas dáárop! Nooit je-n-inlaten met ’n andermans krakeel... dat’s ’t voornaamste!Ziedaar ’n wysheid van àndere soort dan in z’n boeken stond!Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver van z’n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind gebrachte:Sophia’s reize van Memel naar Saksen—och, Wouter vond Sophia’s oneindige reis veel te kort!—en eindelyk by planken. By planken, ja, en juist zoud-i ’n begin maken met de laatste, toen-i op zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. De Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika—’t voornaamste zeker!—en de ongelukkige dienaar van de beide snuifpotten had ’n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden:rappeeenzinkingal dan niet mochten verzwolgen worden in de “faillite massa.”Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien op denZeedykte Amsterdam geraadpleegd te worden...Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over:râpé. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.We willen hopen dat ieder ’t zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde als vroeger: “dat er met dien jongen altyd wàt was!”Alsof Wouter ’t helpen-kon!Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z’n lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo’n geval gaarne weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat Bulwer’sPaul Cliffordwel inderdaad de zoon was van de stiefdochter zyner beminde ... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan ... of wat anders, als ’t maar terdeeg spannend en onmogelyk is.
Wouter’sintrede in ’n brok van de werkelyke wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in ’t vinden van den oorsprong van ’t woordhypotheek, dat geboren is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in ’n leesbibliotheek, naast snuif en tabak.“In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling (P. G.) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid, goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op ’n fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven brieven onder ’t motto: “Handel” aantemelden by den boek- plaat- en kunsthandelaarE. Maaskamp, Nieuwendyk by den Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is...
Wouter’sintrede in ’n brok van de werkelyke wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in ’t vinden van den oorsprong van ’t woordhypotheek, dat geboren is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in ’n leesbibliotheek, naast snuif en tabak.
“In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling (P. G.) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid, goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op ’n fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven brieven onder ’t motto: “Handel” aantemelden by den boek- plaat- en kunsthandelaarE. Maaskamp, Nieuwendyk by den Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is...
Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers kwam, weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten die Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde firma herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als verklaring van zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in ’t whistspel. ’t Was ’n bonte winkel. Dáár zyn de hollands-fransche modeplaten verschenen, waarnaar zich de “incroyables” en “merveilleuses” kleedden... niet precies om te voldoen aan de proklamatie der Amsterdamsche Regeering van 13 Juni 1795, die: “bevallige tooy” voorschreef “bestuurd door nette eenvouwigheid.”
De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan ik hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war te brengen. Ik wil namelyk by ’t schetsen van Wouter’s ontwikkeling niet gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1º gemakshalve, 2º om wáár te blyven in hoofdzaken.
Ik weet zeer goed dat het “P. G.” waarop met zoo aandoenlyke geloofsvastheid gelet wordt by ’t kiezen van keukenmeiden, boodschaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei der Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkundige stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen van hoog belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand geven voor ’t korrekt aanhalen van ’n diploom. Psychologische kunstwaarheid heeft àndere eischen.
Wanneer ’t me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de republiek nà Lodewyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou ik ’t zonder gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze Staatsgeschiedenis, na den bouw der huizen langs Heeren- en Keizersgracht te Amsterdam, zal men misschien kunnen waarnemen uit werken van andere soort dan iknu schryf. Of men ’t ooit waargenomen heeft, is de vraag.
Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk “P. G.” werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet ... welnu, ’t had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo.
—Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy, Stoffel?
—Ja, moeder, ’t kan niet mooier.
—Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.
—Op goedzedelykgedrag, moeder!
—Ja, goed zedelyk gedrag ... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik je altyd gezegd heb. En ... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je dàt, Stoffel?
—Ja, moeder, maar ... hy moet lust in werken hebben.
—Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik je niet altyd precies ’t zelfde gezegd? En ... ze vragen: “P. G.” Dat ben je, goddank!
—Ja, moeder, dat is-i!
—En, Stoffel, alsjynu eens den brief schreef? Wat dunkt je dáárvan?
—Maar ... er staat: eigenhandig!
—Wel zeker! Als jy nu eens ’n eigenhandigen brief schreef. Dat is toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo’n kind het doet?
Stoffel slaagde niet zonder moeite in ’t begrypelyk maken dat hier zeer in ’t byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd, en dat de zyne—hoe mooi ook—in dit geval niet baten kon. Wouter werd dus aan ’t schryven gezet.
—Maar ... wat moet ik er boven zetten?
—Weet je dàt weer niet? ’t Is heel eenvoudig! Je moet schryven:Weledele Heeren!Er staat immers dat het ’n gevestigde handelszaak is?
—Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook ’n zaak heeft gehad, ’nzaak, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet.
—En schryf dat je de-n-eerste bent op je school ...
—En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent ...
—En van goed zedelyk gedrag ...
—En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je misschien terstond salaris.
Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk in ’t voor-den-dag brengen van ’n staatstuk dat aan alle eischen voldeed.’tAdres werd, na rype deliberatie:Aan de Weledele Heeren, den heeren ... motto: “handel.”
Maar ...’t frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z’n wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren ...motto: handel, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden zien. “Maar, zeid-i, zeg ’t er dan by, als je m’nheer Maaskamp te zien krygt.”
Met ’n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle voorbygangers ’t hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld intrad, en bezig-was den “handel” te bestormen. Degeringe dunk dien hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens in, zich aantemelden byWeledele Heerendie ’n “gevestigde zaak” hadden. Zóó stond er in de advertentie, en ’t zou dus wel waar wezen.
By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook die man ’n gevestigde zaak hebben? En ’t was alweer karakteristiek, dat-i verzuimde naar ’n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo’n “gevestigde zaak” dan toch eigenlyk voor ’n ding was? En wat men te verstaan had onder: niet-gevestigde zaken?
Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.
Stamelend vroeg hy aan ’n bediende in den winkel verschooning dat de brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam Wouter’s dokument in ’n bakje waarin reeds ’n paar dozyn stukken van gelyken aard op ’t goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de man uit den prentwinkel niet in, daar-i ’t juist byzonder druk had met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter watertandde naar zoo’n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien hy was op weg naar “handel” en niet naar heldendaden.
—Later, later! dacht-i.
Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z’n moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit ’n slechte noot zou kunnen geven by de beoordeeling van z’n goed zedelyk gedrag waarop de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie, zoo byzonder gesteld waren.
—En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut, Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo’n advertentie? Ieder wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op ’t goeie zedelyke gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!
Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en ’t adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden, en al de anderen die nu “haantje-de-voorste speelden” zouden achter ’t net visschen. Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op ’t voorrecht dat z’n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen.
—Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen steek. Hy kòn ’t zelfs niet! ’t Is maar, zieje, om te bewyzen,dat we-n-ook ’n zaak hadden, ’n effektievezaak! Gut, de man nam nooit ’n elst in z’n hand. Is ’t waar of niet, Stoffel?
De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden ... ik weet niet waar ze woonden, maar ze hadden ’n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd met ’n leesbibliotheek, gesticht op denZeedyk, niet zeer ver van de plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de “grootste koopstad van Europa” werd opgezet door ’n paar visscherlui. Van parallel tusschen ’t succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak.
Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van ’n paar lood snuif, waarop ’n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden de waarheid niet te kort gedaan, toen ze beweerden aan ’t hoofd te staan van ’n “gevestigde zaak.”
Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien gemaakt had over de beteekenis van ’t woord: “handel” zoud-i by deze gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z’n gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van ’t woord “handel” niet vroeger had begrepen.Nuwist-i ’t! “Handel” beteekent zooveel als in hemdsmouwen achter ’n toonbank snuif te wegen. En ... op denZeedyknogal!
Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide visschers—laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei geslacht waren!—die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam “stichtten.” Maar ook aan m’n lezers heb ik verplichtingen, en om hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, ’n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By stedenstichters is dit ’n allergewoonste, maar toch onverklaarbare, fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om ’n deftige afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden.
Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen slaan op de keuze van ’t plekje waaruit de adel van hun nageslacht zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid?
De tabaks- en sigarenhandel nam slechts de halve breedte van ’t huis in, en stond door ’n zydeur in gemeenschap met ’n leesbibliotheek, die ’t vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes, rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden de geheele breedte van ’t perceel, en gaven door overeenstemming van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing enlettersoort der opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, ’t Moest ’n byzonder domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de “zaak” van de heeren Motto, Handel & Cie “gevestigd” was op twee industrien te-gelyk. Wie niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien, en omgekeerd.
Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er in die lokaliteit iets “gefabriceerd” werd. De ordonnateur van ’t opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan ’t verkoopen. Juist andersom dus dan we ’t genoegen hadden waartenemen by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn ’t nog niet eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd. Eén ding is zeker: wie ’t eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en ’t andere versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z’n karakter, staat hooger dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn.
Of ’t evenwel waar was dat er in de hier “gevestigde zaak” inderdaad ietsgemaaktwerd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-jongeling van allerbest zedelyk gedrag, die zoo’n byzonderen lust in werken hebben zou.
De handelswaar waarmee ’t winkeltje gestoffeerd was, bedroeg ter-nauwernood de waarde van ’n jaar huur, en de booze wereld van denZeedykdurfde zelfs beweren dat de twee blauw-porceleinen vazen, waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden:rappeeenzinkingte lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van ’n uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks kwam kyken of z’n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht hielden op de toonbank: [Greek: hypo Thêkê]
De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door ’n groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt gesproken, was dit ook zoo. Er hing ’n verweerd scheerspiegeltjen in die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel—op dit oogenblik getooid met de jas van den Weledelen heer Motto—en van ’t halfrond tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop ’n pomadepot aan ’n kam scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door ’n mislukte poging tot tandwisselen. De heer “patroon” Motto namelyk, hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan “handel” wydde, niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links van z’n gelaat ’n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.
Dat overigens in dien winkel zelf ’n groote rol werd gespeeld door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den oudheidkundigen lezer, die Motto’s lokken geen plaats geven kan naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over de geschiedkundige perioden van m’n verhaal. In Wouter’s jeugd was ’n sigaar nog altyd ’n zeldzaamheid, en ik maak me dus hier schuldig aan ’n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester van Numa Pompilius aanstelt.
—Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i ’t oude vrouwtje geëxpedieerd had “met ’n snuifjen uit den pottoe.” En wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch ... hè? En wat doen je ouwers?
—In ... schoenen, m’nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik niet. Rekenen wèl ... den heelen Strabbe.
—Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalfpietje? Wouter stamelde dat-i ’t niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid als ik in de meesten van m’n lezers veronderstel, voor zoover ze ’t geluk hebben minder dan ’n halve eeuw oud te zyn.
—Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat ’npietjenis? En ken je-n-’t verschil wel tusschen ’nzest’halfen ’n schelling? En tusschendaaldersenacht-en-twintigen? Kyk ...
De heer Motto trok de lade open, en scheen naar ’n “daalder” te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor deze keer met ’n “zest’half.” Hy stelde Wouter’s handelskennis op de proef, door hem optedragen ’n “schelling’”daarnaast te leggen—in z’n verbeelding—en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van ’t verschil. Dit alles moest men “in den handel” precies weten en kennen, beweerde m’nheer Motto.
Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt, geen geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z’n hemdsmouwen snuif verkoopt achter ’n toonbank. Het was zeer juist gezien van den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmisbaar achtte voor iemand die “in den handel” gaat. De overlevering luidt dat-i er grondbeginselig byvoegde:
—Dat’s ’t voornaamste!
—En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet zeer bemoedigenden toon.
Helaas neen!
—En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten?
Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep.
—Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m’n zaak, en je begrypt dat ik weten moet wien ik winkel en lâ toevertrouw. En ... versta je deensch?
—N... e... e... n, m’nheer!
—Zoo! Deensch ook al niet? ’t Is maar, weetje, omdat hier soms wel ’reis deensche matrozen komen om ’n onssie tabak te koopen. In ’n zaak als deze moet je-n-alle talen kennen ... dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu! Grieken heb ik hier ook al gehad...
Wouter’s gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten?
—Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden ’n pruim negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de kleintjes passen is ’t voornaamste! Anders ben jefittu, zieje? ’t Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen, om alle-man te-woord te staan. Dat’s ’t voornaamste! Maar dat’s nou tot daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is soms wel tien gulden in de lâ, weetje, en in den handel moet ’n mensch z’n zekerheid hebben. Dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu, dit begryp je zelf wel.
—M’n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet wist wat-i zeggen moest, en toch ’ns eindelyk wat zeggen wilde.
—Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je dan geen moeder die voor je storten kan?
—Ik... zal... ’t... ’r... vragen, stotterde Wouter.
—Wel zeker! Ga jy ’r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan, dat’s ’t voornaamste! Anders ben jefittu. Hier is nòg ’n winkel. Daarin heb je ook te werken ... als je moeder storten kan. Dat’s ’t voornaamste!
De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal niet veel anders dan ’n inslagtrapje dat dienen moest om de wat hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en ’n dik boek waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen laven voor ’n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter’s tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig, en abonnement was uitzondering.
—Zieje, zei m’nheer Motto, daar is ’t boek, of wat je zou kunnen noemen: ’t grootboek. Je verstaat toch ’t boekhouden wel?
Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder de vele vakken die hy niet bestudeerd had.
—Ook al niet, jongen? Dat’s toch in den handel ’t voornaamste! Want, zieje, wie dàt niet kan, isfittu. ’t Is heel eenvoudig. Je moet opschryven wie ’n boek haalt, met dag en datum er by, en ’t huisnummer, en de straat, en alles. En als ze-n-’t weerom brengen, dan haal je-n-’r ’n streep door. ’t Zou er mooi uitzien als je dàt niet deed! En als je de menschen niet kent, moet je...
—Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist.
—Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van ’t heele werk. Want, dit begryp je, als er één deel weg is, is ’t heele werkfittu. Van de sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik moet eerst weten of je moeder ... ga ’t ’r maar ’ns gauw vragen! Ik heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd—want aan jongetjes die in ’n zaak willen, is waarachtig geen gebrek—maar als ’t dan aankomt op Mozes en de profeten—de borgstelling, weetje!—dan halen ze bakzeil. En dat’s toch ’t voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders ... je ziet er nogal knappies uit ... als ik maar zeker weet dat je storten kan! Ajuus!
Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den “handel” was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist, meende hy, in ’t weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i zeker ’n allerontmoedigendst relaas van z’n wedervaren hebben afgelegd, indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen!
Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den “handel” gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen tenlaatste met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er ’n som van honderd gulden zou worden gestort, die ’n jaarlyksche rente van drie en-’n-half procent zouden opbrengen. Héél aangenaam vond juffrouw Pieterse deze transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van ’n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. “Maar, zei ze, men moest wat over hebben voor z’n kinderen.”
Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of ’t eerste derde. Hy was zoo vry z’n verwondering hierover in gepaste bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen:& Compagnie, tot de klasse der welluidende verzinselen behoorde, en dat ook de heer Handel ’n voortbrengsel was van Motto’s ryke verbeeldingskracht. Als ’n Atlas droeg deze de dubbel “gevestigde zaak” op z’n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid zocht ’n deel van z’n last op den nek te wentelen van ’n protestantsch jongetje dat lust in werken had, en ...cautiestellen kon. Dit was ’t voornaamste ... inderdaad!
Wel eenigszins ten-nadeele van z’n tabaks- en snuifkennis, omvatte Wouter’s gemoed het ander deel van z’n werkkring met ’n liefde ... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zou-i ziek geworden zyn! En ... rechtstreeks gezond werkte dan ook het verslinden van al die boeken niet! Met ’n waren geeuwhonger slikte hy ryp en groen in—véél ryps was er niet by!—en las hy al sneller en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in ’t voorzienvan den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen dan eigenlyk ’n auteur aangenaam is. De bekwaamstefaiseurkon geen tien bladzyden lang ’n vondelingetje doodarm laten, zonder dat Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee ’t kind zou getooid worden op ’t laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in ’t onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van dezen vooruitgang—eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam, want men kon ’t als ’n stap tot hooger beschouwen—zichzelf geen rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na zóóveel welgelukte oefening in juistraden, die romanknoopjes beneden z’n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle ontwikkeling van z’nbegrip, bleef by hem de naïveteit vansmaakenopvattingongeschonden. Alwisthy welke ridder straks onder de hoede van ’t Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou in het tournooi, toch had hy ’t geduld zich langs de voorgeschrevenficelleste laten leiden tot op ’t oogenblik van den officieelen triumf, en hy zou ’t zondig en deloyaal hebben gevonden, één sekonde vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen:
Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de Bois-Guilbert flink op den kop slaat!
En ... en—och, ik durf ’t byna niet zeggen, doch wáárishet!—hem bezielde daarby ’n gevoel alsof hyzelf...
Ivanhoe was?
Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan inValentins day, en den solieden moed van den nuchteren Sigismund inthe Maiden of the mist, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter Scott, en ... van Wouter! Want hy zou precies zóó gehandeld hebben, èn als auteur, èn als ridder, èn als beschikker over den uitslag van ’n godsoordeel!
En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien voorbarigen lord in Griekenland toe!
O, alshy’t boek geschreven had, alshyde god ware geweest, die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten op hun respektieve plaatsen zet...
Ja ... àls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.
’t Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op ’t gebied van ’t goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog, en niemand ’n sigaar “van de tien” in-handen stopte voor ’n dito “van de acht.” En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en andere rubrieken aangevuld te houden uit de soortdie eigenlyk “van de twintig” zou moeten heeten, als zy ’n naam gedragen had. De heer Motto beweerde dat z’n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. “Je moet altyd zien wien je voor hebt, zeid-i, dat’s ’t voornaamste!”
Dit nu leerde Wouter in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was hemtien, acht wasacht, onverschillig met wien hy te-doen had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien men hem op eenvoudige wys gevraagd had: “is ’twaarwat je daar zegt?” zoud-i hoogstwaarschynlykbynaaltyd—en toen-i moediger werd:altyd—geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken!
Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren was. Zeker werd z’n afkeer van onjuistheid—vreemd genoeg!—gevoed door al die lectuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking neemt dat slechts ’n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z’n tyd beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest zyn met byna ieder ander kind. Maar z’n natuurlyke inborst dreef hem—naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid der kennismaking met Glorioso—om voornamelyk behagen te scheppen in wat ik inMillioenen-Studien“zedelyk rym” noemde. De als dapper geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van ’t stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop, of lieten zich aanwerven by ’n aan den dood gewyde kohorte. Dat’s korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door ’n schryver benoemd was tot model, had geen smetjen op z’n kleed, ’t Was de vraag of zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is ’t, dat-i in al die boeken nooit jicht of buikpyn hàd. Prachtig!
Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit ’n oogpunt vanKunstaankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, ’n verkeerde voorstelling, en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was ’t voldoende dat ieder die in zoo’n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de halve wereld. En, ook God—Wouter’s god—vervulde in al die boeken z’n plicht veel beter dan ... byv. op denZeedyk, waar-i gister nog ’n kleinen jongen had zien mishandelen door ’n groote. ’t Moest eens in ’n boek gebeuren ... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!
En ook Wouter had getracht...
Kon hy ’t helpen dat z’n patroon hem op strengen toon terugriep?
—Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas dáárop! Nooit je-n-inlaten met ’n andermans krakeel... dat’s ’t voornaamste!
Ziedaar ’n wysheid van àndere soort dan in z’n boeken stond!
Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver van z’n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind gebrachte:Sophia’s reize van Memel naar Saksen—och, Wouter vond Sophia’s oneindige reis veel te kort!—en eindelyk by planken. By planken, ja, en juist zoud-i ’n begin maken met de laatste, toen-i op zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. De Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika—’t voornaamste zeker!—en de ongelukkige dienaar van de beide snuifpotten had ’n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden:rappeeenzinkingal dan niet mochten verzwolgen worden in de “faillite massa.”
Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien op denZeedykte Amsterdam geraadpleegd te worden...
Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over:râpé. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.
We willen hopen dat ieder ’t zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde als vroeger: “dat er met dien jongen altyd wàt was!”
Alsof Wouter ’t helpen-kon!
Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z’n lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo’n geval gaarne weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat Bulwer’sPaul Cliffordwel inderdaad de zoon was van de stiefdochter zyner beminde ... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan ... of wat anders, als ’t maar terdeeg spannend en onmogelyk is.