Chapter 12

Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke bruikbaarheid van slecht voedsel.Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in den aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan ’n ander proces, dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd geweest zyn tusschen bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen gesteld worden, wie van deze faktoren ’t meest bydraagt tot de eigenschappen van plant en vrucht, en we mogen aannemen dat alle rechters zich inkompetent zouden verklaard hebben. Eerstens omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens, wyl ze had kunnendagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer weet uit de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig man in de negentiende eeuw zich aanmatigt ’n denkbeeld te vormen vanRecht, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen wat de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd in hooge achting, te-meer omdat ze—na Cicero’s waarschuwing—finaal afgeleerd hebben elkaar in ’t gezicht uittelachen wanneer ze ’t genoegen hebben ’n kollega-auspexof ’n konfrère-haruspexte ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen’skamers doen, staat aan hun bescheidenheid.Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en zaadkorrel, ’nquestion brûlante, waarmee onze overgrootouders zich den slaap uit de oogen hielden. Zonder wyzer te willen zyn dan ’n Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters, waag ik de gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uitsluitend letten moet, noch op de hoedanigheden van ’t gestrooide zaad, noch op die van den bodem. Het komt me voor, dat ook—en misschien vooral—deverhoudingtusschen wederzydsche deugden en gebreken moet in aanmerking genomen worden.Zéker is ’t dat de in Wouter’s gemoed uitgestrooide romanlektuur niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou gevreesd zyn door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zichzelf beschouwd had. Ook de aanraking met dien Motto en ’s mans zonderlinge klanten, had minder schadelyke gevolgen dan, oppervlakkig beoordeeld, had kunnen verwacht worden.Dóórdenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk op Wouter’s ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit—er hoort moed toe!—dat deze invloed inderdaad gunstig geweest is.Wouter’s gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke toe. De omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke slordigheid van z’n verwanten geplaatst werd, moesten hem òf neerbuigen en zedelyk vernietigen—en hierop scheen de kans het grootst!—òf ... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond hier niet. Ieder die—zonder nauwkeurige bestudeering der eigenaardigheden van ’t kind, maar overigens voldoend ingelicht—van de zaak had kennis gedragen, zou ’t ergste gevreesd hebben, d.i. het gewone.De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter’s hoofdeigenschap uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste staaltjes van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde te bezwyken. Het moest schynen of z’n gevoel, na wat ziekelyk en onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende gevoeligheid, zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede. En dit zou dan ook ’t geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht was geweest, niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy ’n andere hoedanigheid die hem staande hield, en waarby de in de meeste andere gevallen zoo ongezonde romanlektuur hem dapper te-hulp kwam.Wouter leefde maar voor ’n zeer klein deel met moeder, broêrs en den Weledelen heer Motto! Z’n ziel woonde elders, en nam deel aan den stryd dien z’n helden en heldinnen te voeren hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder, maarschalk en—alweer precies als in Afrika—koning. Meer nog, hy voelde zich de verantwoordelyke persoon, dedeus ex machinâvan rechts- en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis, by elk gevaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter?De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i had kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het beschikken over den dienstyver van z’n leerjongetje. Hy was er de man niet naar, om den hartigen toon van Wouter’s antwoord optemerken, als deze door hem uit de eene winkelhelft in de andere werd geroepen. Dat haastig: “ik kom!” waarmee dan ’n zwygend droomen van uren lang werd afgebroken, klonk veeleer als ’n krygshaftig: “ce sera moi, Nassau!” dan als blyk der gewilligheid die elk “patroon” eischen kan van winkeljongetjes die lust in werken, en—onder borgstelling voor de geldlâ—’n behoorlyk geloof hebben.Wouter’s ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door ’t vuil waarin men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel of-i zich tot taak had gesteld z’n reinheid ongeschonden te bewaren, en zich te oefenen in kracht. Noch ’t een noch ’t ander was echter het geval. Hy kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en had in deze eerste levensproef z’n behoud alleen te danken aan ... smaak, die toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem kunnen opkomen de beelden die z’n droomen bevolkten, aftevallen ter-wille van den Weledelen heer Motto en diens genooten? Waarom zoud-i spreekwys, toon, manieren en ... gedrag van z’n omgeving hebben nagebootst, hy die zoo precies wist hoe ’n edele ridder zich uitdrukt? Hoe ’n vorst behoort te spreken en te handelen? Wat er omgaat in ’t gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede? En nu sprak ik nog niet eens van z’n allerhoogmoedigsten godsplicht, van z’n eigen zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al die ridders en vorsten en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren! O, die grappig verheven adeltrots! En zelfs wanneer men de aanduiding der oorzaken die hem behoedden voor vernedering, stemmen wil op lager toon, dan nog zou hy—op de bewustheid na—te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden krygsman, die geweer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel, niet achtend wat hem omklotst, alleen zorgend voor ’t ééne noodige, voor ’t behoud van hetgoede.Dat ons kind het goede voor-als-nog op ’n verkeerde plaats zocht, doet hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z’n streven niet, ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef.Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om ’t punt te bereiken waarop z’n leven moest uitloopen! Maar geen keus hebbende tusschentehoog oftelaag, was ’t voor hem ’n logische noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meeningdat men meer kon zyn dangoed, dat men edel moest wezen, en verheven!Gewis, ’tis’n fout—en ’n zeldzame!—maar beter dan menige soort vannietzeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor wegzinken in ’t gemeene!Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige byzonderheden in de werking van zekere boeken op Wouter’s gemoed. Evenals dokter Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten, toen-i geraadpleegd werd over de menigvuldige kwalen van Petrò, heeft de lezer eenig recht op de kennis van wat er al zoo aan Wouter werd ingegeven in die leesbibliotheek op denZeedyk. En ik zou ’n slordige geschiedschryver zyn als ik daarvan geen melding maakte.Daar waren drie, vier, planken, die met ’r allen één schryver torschten...1Van Wouter’s menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen, maar wèl breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy kennis maakte.Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat in allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen spraak is. Nog minder van menschkunde.By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen meening en uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam ’t denkbeeld dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven van valsheid, niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen had moeten vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze verdienden, want z’n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbegrip. Hy meende dat het slenteren en draaien en ’t schipperen met halve waarheden, tot de attributen van volwassenheid behoorde, en wanneer-i zich rekenschap had kunnen geven van z’n indrukken, zoud-i zich misschien betrapt hebben op den hoogstonzedelyken wensch: och, wanneer toch zal ik “groot” zyn, en bekwaam genoeg om zóó te liegen!Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma’s op, schoon ook daar ’t genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld was. Wel gelukte het hem zich op den in dat huis doorgebrachten zondag iets minder houterig aantestellen dan den vorigen keer, maar telkens bleek er dat de behandelde onderwerpen z’n kennis teboven gingen, en tevens dat de daar gebruikelyke luchtige vrye toon nog altyd boven z’n bereik was.In dit laatste opzicht was-i door z’n schuwheid bewaard gebleven voor ... erger dan niet te kunnen “meedoen.” Hy onthield zich van ’t belachelyk pogen.Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt, en hy was dus niet op z’n neus gevallen.Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp aan de orde gesteld, en het kind had met open mond zitten luisteren. Het betrof: “de kunst van lezen.” In-den-beginne meende Wouter allerbevoegdst te zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook te doen met al ’t gewicht van iemand die de hoogste tevredenheid van Meester Pennewip had ingeoogst over ’t voordragen der bekende leerstelling: “myn vader gaf my dezen nieuwen hoed.” In de “Oefening in ’t kunstmatig lezen” uitgegeven door de Maatschappytot Nut van ’t Algemeen, kwam deze zinsnede voor, en de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van toonbuiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over dien nieuwen hoed, en meende nu...Doch Holsma behandelde iets anders. Maar ’t was weer het oude: de kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte hem zeer.De grond van z’n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in de behandelde zaak—deze was geenszins boven z’n begrip—maar in de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van kolossale geleerdheid toeschenen alleen omdat z’m ten-eenen-male onbekend waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver te-boven. Het besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook ’t weinigje dat-i wèl wist niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men hem trachtte op den weg te helpen, ontsnapte niet aan z’n fyn gevoel, en maakte z’n toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus gevoelde hy zich in dezen kring, die hem door gedeeltelyke zieleverwantschap toch zooveel nader stond, even misplaatst als te-huis.Hy meende dat die kinderen hem minachtten, en by Herman—die in latyn deed—was dit dan ook inderdaad wel eenigszins het geval.2De wyze waarop Holsma’s klacht over gebrekkig lezen behandeld werd, mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegenheden daarover heb uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hierop neer, dat het voor ’n arts zoo verdrietig was z’n patienten te zien vermoorden met rottekruid, als-i met de meeste duidelykheid suikerwater had voorgeschreven.—Maar, m’nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daaroverbeklaagt? En als men dannogeensuitdrukkelyk zegt dat men geen vergif bedoeld heeft?—Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum.—Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske.—Maar... dit is toch slecht, niet waar? En waarom zyn dan de menschen zoo?—Waarom? waarom? viel oom Sybrand in. Waarom? Dikwyls uit belang, maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen te traagzyn om met eigen oogen te zien, en met eigen verstand te beoordeelen, wat er geschreven staat. Dit vordert meer inspanning dan ’t napraten van wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen vormen de meerderheid, en ze worden door kwaadwilligen in beweging gezet. Men kan de groote massa laten schreeuwen wat men wil.Wouter begreep alweer ’t woord “massa” niet, daar het in die dagen nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek vragend de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rottekruid had geholpen.—Dat is zooveel als... ’n heele troep, zei ze.—De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort, of...—Maar, m’nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten? Nooit immers spreken veel menschen tegelyk?Holsma begreep de oorzaak van Wouter’s misverstand, en misschien oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na “dom” nog iets anders willen zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zonderling. De grootere uitgebreidheid van den woordenschat waarover zy beschikken konden, en de gewoonte zich eens-vooral te verbeelden dat ze elke uitdrukking begrepen waarvan ’t gebruik hun gemeenzaam was, bewerkte nu dat Wouter, juist dóór z’n primitiviteit, hen overtrof in stiptheid van analyze.Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door reeds byGenesis I, vers 1, te vragen: “maar m’nheer, hoe weet ge dit?” Wel te verstaan, indien hy Mozes enGenesishad ontmoet in onheilig gezelschap, waar ’t denken aangemoedigd werd en ’t meespreken geoorloofd was.De nuchterheid van z’n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het vreemde der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan bediend had in oneigenlyken zin, en dat Sietske’s vertaling niet zeer korrekt was, doet hier niets ter-zake. Het woord: “dom” beteekende naar Wouter’s schoolsche opvatting, dat men z’n les niet kende, dat men den naam van zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers nooit te-pas gekomen zyn, Pennewip’s leerlingenen bloc’n domme schoolmassa te noemen? De een kende en wist wat, de ander niet. Hoe kon ’t oom Sybrand bekend wezen dat ’n “heele troep” menschen—zóó had Sietske vertaald—te-zaamgenomen “dom” was?Er is veel oefening in begrip noodig om intezien hoe weinig er door sommigen kan begrepen worden.Holsma hàd zich geoefend, en zag Wouter zeer vriendelyk aan.Och, ’t deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te oordeelen die hy op de gezichten der anderen waarnam, meende hy ’n domheid gezegd te hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist dóór en in z’n onwetendheid, bewys gegeven van intelligentie.Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy toe. Juist was er in die dagen—d.i.nietin die dagen, want m’nkronologie is allerverwardst—te Amsterdam iets gebeurd, dat hem aanleiding gaf tot de toelichting: waarom men de “massa” niet zoozeerdomnoemen mocht, als... als... ja wat?Er was ’n verandering gebracht in ’t belastingstelsel. Zeker bedrag dat vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen, werd geheven van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd van de eigenaars. In zulke van verregaande oppervlakkigheid getuigende maatregelen openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van Staathuishoudkunde en Philantropie. ’t Moest beteekenen: we willen den druk laten neerkomen opbezitters, niet op de minderbedeelden.Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen belasting,plus’n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood om oud yzer.Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was òf zonder gewicht, òf moest beschouwd worden als te zyn genomen in ’t belang der armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. Deeigenaarsvan kleine huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt.Wiegebruikten zy nu om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-bevoorrechten! Het “gemeene volk” doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de “dienders” te water, mishandelde de “veteranen” die te-dier-tyd Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid van de gebruikelyke soort.Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere intelligentie, wanneer men z’n wrok lucht geeft—en opdiewys!—tegen een maatregel die naar ’t gevoelen van de oproermakers-zelf in hun eigen belang genomen was.Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was die de verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen? Immers neen. En dan toch alleen zou de beschuldiging van domheid op die menigte van toepassing geweest zyn. Iederop-zichzelfwas verstandig genoeg om de zaak juist te beoordeelen. Methun allenechter sloegen ze zonder de minste geldige reden den boêl stuk.De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men de intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen, kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door iets anders dan deRede. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-voor-zich wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-zich wèl begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich wèl bezit: eenZiel.Wie de “massa” van ’t Volkdomnoemt, begaat de onnauwkeurigheid die er liggen zou in de meening datvyfbeminnelyk is, ofluchtdriehoekig. De “massa” als zoodanig, denkt niet, en kan dus niet verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of blyft geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door ’n samenloop van omstandigheden gebracht wordt. Haarhoofdeigenschap, in stilstand en beweging beide, is: traagheid.Wouter had schik van z’n vraag, waarop Holsma nagenoeg in den geest van ’t bovenstaande antwoordde.Toch bleef hy verdrietig over z’n onkunde, en hy nam zich voor, meer te leeren.1Hier volgt een ontboezeming over de sentimenteele romans van August Lafontaine. (I. 1096).2M. weidt vervolgens uit over de waarde(?) van klassieke Studiën. (I. 1104–1106).Strabbe’sregula van “menging” onder de oogen gezien, in-verband met de manier om onbruikbare zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel ’t pond verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke heldenmoed die van beter getuigt. Alweer JuffrouwLaps!Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by ’t overgaan van een der pleintjes die men te Amsterdam “markten” noemt, op ’n bende van ’t gemeen, die bezig was de geschonden rechten der “huisjesmelkers” heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf.—Die...massais niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich goed te doordringen van de pas opgedane wysheid.Domis ze niet! Misschien zelfs nietonwetend... neen, ook dit is onjuist. ’t Is maar dat ze... niets wetenmet hun allen. Zeker zyn er wel verstandige menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar... zich de moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het denkbeeld bracht dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet dat ze ’t kunnen.’t Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou te zeggen gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonderlyk, maar niet door de “massa” die aan de wetten der logika slechts gehoorzaamt, voor-zoo-ver deze zich openbaren opdynamischewys. Vanhier dan ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt tot vorming van ’t geheel, zich beschouwt als daartoe niet te behooren, en zelfs zich daartegenover stelt. Ieder zegt: “ze” deden dit of dat. “De menschen” liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen. “Ze” wisten niet wat ze wilden. “Ze” waren gek, wreed, lafhartig, enz.Niemand spreekt by zulke gelegenheden van “ik” noch zelfs van: “wy.” ’t Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent slechts de beweging tevolgen, en geen besef heeft hoe dat vermeende “volgen” wel degelyk de uitwerking heeft vanmeestuwen. Ook deze begoocheling komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in dynamische schatting, op ’n vergissing.Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon tedenken, en dat het de moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z’n gemoed. Hy zag in dat de “massa” waarop hy stuitte, te laag stond om... dom te zyn.Ook kon men ze—in hoedanigheid van “menigte” alweer—niet beschonken noemen, al zy ’t dan dat het getal nuchtere lieden die aan de samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit opzicht alzoo, was hier de kollektiviteit die we thans overal zien opdringen niets dan ’n fiktie.Een Menigtekan zoomin drinken alsdenken, en heeft dus even weinig kans om beschonken te zyn, als dom of verstandig.Een Menigteis, zielkundig gesproken, heel iets anders dan dit alles. Zy is niemendal.Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode:om te geraken tot waarheid in het algemeen, kon Wouter zich nog niet inlaten. ’t Was al wèl dat-i over de ydelheid van ’t kwalificeeren-zelf nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus evenzeer opzedelykterrein toekomt aan den individu.Hy voelde—en zeer ten-rechte, waarlyk!—dat hy hooger stond dan al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou gebleven zyn, al ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Pennewip ... ja, al was ’t die goede dokter Holsma.Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen zou tot ’n deel van zóó’n geheel!Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin kan opgaan in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid...Wel zeker: “ieder moet handelen naar z’n eigen overtuiging!” Zóó had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de mogelykheid der toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met die overtuiging slordig omging? Als men haar vervalschte volgens Strabbe’s “regulavan menging?”“Een kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuivers, en van zeven stuivers het pond, en wenscht...”De goeie Strabbe geeft z’n kruieniers nooitSouchongvan geen-één stuiver te mengen onder de “massa” die hy verkoopen wil tegen zóóveel winst op het pond. Men bedenke dat ik van den goeden ouden tyd spreek.En Wouter ging met denken voort....hy wenscht van al die theesoorten een... “massa”te maken...Daar is ’t woord weer, het nieuwe woord van de Holsma’s! Welnu, gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop, vrees, liefde, haat, deugd, en vooral:zedelyke verantwoordelykheid... dit alles is geenthee, die men mengen kan om ze aan den man te brengen tegen zekeren prys!Wie ’t beproeven zou, verrekent zich, omdat demenging zelf’n vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe’s rekentalent ontsnapte, maar begrepen wordt door beoefenaars derregula: “van den mensche en deszelfs eigenaardigheden.”Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan Wouter behoort, en wat volgens de “Gezelschaps-rekening” den auteur toekomt. Daar echter de dissolatie der maatschap tusschen dien kleinen jongen en my, nog niet op-hand is, kunnen wy deze vraag ongelikwideerd laten. ’t Is wel mogelyk dat ik Wouter ’n beetje wyzer voorstelde dan-i nog wezen kon. Maar ... de kiem was gelegd. En vergaan zou zeniet!We zyn weer op die “markt.”Nog altyd stonden daar ’n paar oud-gedienden op post, en bewaakten... ik weet niet wat!Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet Ze werden door de bestbespraakten onder ’t volk uitgescholden. “Bloeddieven” waren ze, en—de lezer raadt het zeker al—“opvreters van Stad en Land.”Wouter vond—o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening!—dat ze ’r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels, en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de bekende kreet, als ’n beroep opzynhulp!De toon was minder liefelyk, dat’s waar, dan Amalia’s:Waar is... warre, warre, wou...Wouter die me redden zou?Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker kraken: “je bent iets... toon het!”O, ’t prachtig evangelie van den hoogmoed! Dàt wil ik blyven verkondigen!Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op zekere beleediging geantwoord:—Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar ’n pruim tabak had!—Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z’n nieuwbakken, speciale zaakkennis, als opgewonden door ’t denkbeeld dat hy ’n blyk geven kon niet tot de “massa” te behooren.De man begreep noch ’t uitgesproken woord—negrohead—noch de bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z’n aanvallers geschaard had.Wie kon ook raden dat zoo’n kleine jongen ’n geheel àndere beweegkracht in z’n ziel had, dan die waardoor zich de “massa” liet voortdryven?—Komaan, jy snotjongen, hou jy ’r je nu maar liever buiten! Wacht tot je droog achter je ooren bent!—Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door ’t gejoel heen.—Hè?—Tabak, negerhit... echte! riep Wouter.—Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen kleinen zelfdenker stond. Lâ-de fent ferèkke!“S...s-gauw late” beduidt: ietsvolstrektniet doen, iets zóó byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan ’t wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of ... ’n slag in ’t gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld.Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend had van ’t prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei:—Ikzal dien man tabak geven!Ach, hoe heerlyk hy dat “ik” intoneerde! De “nieuwe hoed” uit z’n leeslesje was er niets by.—Ikzal dien man tabak geven,ik!“Of sterven!” zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon ’t hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als ’t gevorderd werd.Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-winkel den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen van z’n zaakkennis. Al ware hyzelf in ’t bezit geweest van twee “gevestigde” zaken, hy had niet met meeraplombz’n bestelling kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog, en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te doen doorgaan voor ’n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die ’t wist, met ’n specialiteit!Nu, ’t liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk het te veel betaalde terug.Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma’s verliet! Dit had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in ’t heerlyk bezit gebleven van ’t geldstuk, dat z’n moeder hem had meegegeven “voor de meid” omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op ’t fatsoen gesteld was.Maar ’t aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat, had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter ’t meest.—Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met ’n stemmetje zoo zacht, op ’n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk en bescheiden...Wat er ’n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen, waarvan geen enkele hem bedreigd had!Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z’n heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven ’t hoofd—waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels opgestoken, dan dat peperhuis met ’n stuiver tabak!—en bereikte den man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had...Wèg was z’n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer uittarting dan ’t aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden, zette hy den kerel z’n schouder in de lenden, en boorde zich dóór tot de voorste ry:—Dáár, man! Ziedaar tabak—negerhit, weetje?—’n snotjongen ben ikniet!De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z’n overtuiging: dat-i ’t wel s...s-gauw “late sou.” Hy scheen te vragen welke aanmerking de profeet te maken had op dit protest tegen z’n voorspelling?De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte, sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet de verheugde tabakspruimer door ’n nogal bekende soldaten-aardigheid, de voorsten van den troep aan ’t lachen had gemaakt:“beter ’n halve pruim in je mond, as ’n heel stuk in je... kraag!”Al wat de voorvechter van ’t non-interventiestelsel tegen Wouter inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde...O,Thermopylae! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O, Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z’n harnas ontgespen? Hoe is de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder, linkerheup, rozet...De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat “die kleine jongen ’n s...s-brutale bliksem” was.Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren dat de man zich bedroog. De door hem—tot z’n eigen verrassing waarlyk!—aan den dag gelegde moed was ’n uitvloeisel van geheel àndere gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen, beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden bestaan die hem ’n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en deze ervaring deed z’n ziel groeien.In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond van dezen dag.Och, als Femke ’t gezien had!Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden van z’n leertyd op denZeedyk. Hier zag hy dagelyks het gemeene van even naby als op die markt, zonder daaraan ’t verheffend denkbeeld van stryd te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele heer Motto had hem ’n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven, en zelfs betuigd dat deze eigenschap “in den handel ’tvoornaamstewas.”Nu, beleefd en vriendelyk wàs Wouter. Gewoonlyk meende hy dat de onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan z’n eigen onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en—als met de leugens—kwam soms de wensch in hem op: “wanneer toch zal ik groot genoeg zyn, om me zoo mannelyk uittedrukken?”Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische bywoorden, wanneer z’n lektuur hem daarvoor niet bewaard had?Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn voor deze soort van gemeenheid, door z’n onbederfbare lust in ’t exakte, een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich openbaart.Eens was-i genoodzaakt geweest, ’n kwajongen die steenen in den winkel wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was ’n scheldwoord gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd bestorven ligt:dief! En wel met ’n onzindelyk toevoegsel dat nu niet ter-zake dient, en dat ik dus mag overslaan.—Hoe kan die jongen beweren dat ik ’n dief ben, en ... zoo onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had gezegd dat ik hem ’n klap geven zou als-i weer met steenen wierp. Waarom noemt hy my nudief? Dat ’s iemand die steelt, niet waar?De heer Motto was er de man niet naar, om ’t verschil tusschenschelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy had zich meer geërgerd over ’t gebrek aan logischen samenhang dan over de beleediging, en hierin lag inderdaad iets ... goddelyks. ’t Was ’n schending der wereld-orde, iemandate noemen omdat-ibwas. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van ’t 2 × 2 = 4! ’n Hinkend rym. ’n Onmogelykheid!En... ’t straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig gemaakt, was nog ’n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van begeerlyke volwassenheid!Maar ... maar ... al de wèl “groote” menschen? Vanwaar by hèn dan dat gedurig afwyken van ’t ware, juiste, stipte? Warenzyzoo achterlyk, of was die straatjongen z’n leeftyd vóór? Moest Wouter terug of moest-i vooruit, om aantelanden op ’t punt waar zich ’t grootste gedeelte van z’n omgeving scheen te bevinden? Zoud-i ooit ver genoeg komen om als de Weledele Heer Motto aan ’t hoofd te staan van twee “zaken” ... nu ja “gevestigd” waren ze na ’t overhaast vertrek van den patroon niet meer. Maar ’t waren “zaken” toch, en ... gevestigd geweest!—Als ik den man hier had zou ik ’m verscheuren, zei de moeder. Ik dacht het wel dat-i met m’n geldje-n-op den loop zou gaan! ’k Heb ’t altyd gezegd, niet waar, Stoffel?—Ja, moeder. Zoo’n cautie is ’n gevaarlyk ding...—Dat heb je-n altyd van die menschen met ’r geloof! Ik vraag je, wat doet het er toe of men protestant is of ... wat anders! Wat heeft zoo’n man ’n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan... wegteloopen met ’n mensch z’n geld! Ik vraag je, wat doet er de godsdienst toe? Ik wou ... ik wou ... dat-i ’n roomsch jongetje genomen had, met ’n ... koussie van duizend!—Ja, moeder, dit was zeker beter geweest.—’n Roomsche is net zoo goed als ’n ander, dit zeg ik maar! Waarom zou ’n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen wegen, en boekhouden, en op den winkel passen, en ... koussies geven, als ’n griffermeerde? De menschen lyken wel mal met ’r verschil van geloof. De een is net zoo goed als de ander, vindje niet, Stoffel?—Ja moeder.—’t Is om ’r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo’n kerel nu in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar, Wouter, jy hebt ook schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat de man niet deugde. Konik’t weten, ik arme weduw die hier in m’n huiswerk zit?—Moeder, ik wist het ook niet.—Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er niet om of je moeder aan ’t bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen we nu met ’m beginnen? Naar zee gaat-iniet, dat zegik! Ik kan ’t voor God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo’n schip onder allerlei soort van volk komt, niet waar, Stoffel?—Ja, moeder.—En dat-i daar vloeken leert...—Zeker, moeder.—En z’n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet by z’n geloof blyft ...wat zeg jy, Stoffel?—Ja, moeder, ’n mensch moet altyd by z’n geloof blyven.—Honderd gulden! ’t Waren zeeuwen ... ik zie ze nog! Wat heeft zoo’n gemeene kerel ’n protestantsch jongetje te vragen?“Wel,” veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z’n “geloof.”Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens’huis. Deblundersin redeneering waaraan z’n verwanten zich schuldig maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Eén woord van Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen, maar debitjara kossoengvan z’n familie maakte niet veel meer indruk op hem dan ’t gegons van ’n byenzwerm.Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit werd, al stonden ze dan niet hooger dan z’n huisgenooten. Juffrouw Laps, byv. was hem ’n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid prikkelend, studie-exemplaar. En z’n belangstelling in ’t oplossen van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer acht-sloeg op ’t gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar manieren.Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en telkens onderging Wouter by die gelegenheden ’n reeks van tegenstrydige indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens ... och, er was niet uit het schepsel wys te worden.Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel gespaarden schelling waren overgebleven...Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien tyd had zich ’t besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen ’n flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar ’t weg-grissen van ’n paar stuivers ... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De helden uit z’n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.Hoe dit zy, ’t uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest getroost worden over ’t gemis van de verteerbare Landen en Steden die anders z’n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren van ’t gebeurde. Hy sloeg in z’n relaas van de zaak, ’t gevaar dat-i geloopen had, over. En ... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne wat gestoft op z’n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z’n verkwisting, grooter was dan die op lof over z’n ... ja, hoe moet ik ’t noemen?De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ookzeer kwalyk genomen, en ’t was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden niet had aangeroerd, waardoor z’n onpartydige mildheid was bestempeld geworden tot uittarting.—Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z’n moeder. Jy verdient immers geen duit! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt?By zulke toespraakjes viel ’t Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van z’n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf geen steun, want ... z’n moeder had niet geheel-en-al ongelyk!Edelmoedigheid is ’n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog niet in, toch voelde hy z’n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de beschuldigingen die z’n moeder tegen hem inbracht.Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de bewering dat-i gehandeld had als ’n gek. Dit werd te erger toen men de aanklacht overbracht op ’t laagste terrein dat men kiezen kon, op kinderachtigheid.De moeder had het woord: “verkwisting” uitgesproken, maar Stoffel zette haar te-recht:—Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het!—Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen van zyn jaren ... als ze-n-’n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren hem. Of ... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen?Misschien was Stoffel’s opmerking niet kwaad gemeend, maar ze wondde Wouter diep. Een “verkwister” is dan toch altyd ’n persoon, ’n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken!“Prodigue, prodigue... asjeblieftprodigue!” mompelde hy treurig. Want—tot verbazing van den lezer misschien—hy kende dit woord.In een der omnibus-slaapkamers hing ’n stelletje grof gekleurde platen die de parabel van den verloren zoon voorstelden. ’t Was ’n fransche uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie langen tyd in de vaste meening, dat de daarop voorkomende uitdrukking:prodigueniet anders kon beteekenen dan “verloren.” Dit had dan ook Stoffel tegen een van z’n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze fransche drukfout ...—Want: “verloren” stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn....na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat debeteekenis van ’t woordprodigue: “verkwister” wezen kon. En in die benaming had Wouter veel zin.Eerste tafereel.De zoon die bezig was met... verkwisten en verloren-gaan, neemt afscheid van z’n vader. De oudeheer had ’n purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf ... o hé! Er fladderde hem ’n mantel om de schouders—’t scheen erg te waaien in dien zuilengang!—’n mantel ... prinselyk! En z’n turksche broek was van puur goud! De jongen had ’n krommen sabel op-zy, en op z’n hoofd ’n tulband met aigrette ... zeker ’n onix, of sardonix, of paarl, of ... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. Zulke zaken kosten niets op ’n prent.De oudeheer keek verdrietig—en daarin had de man geen ongelyk—maar ... al die beladen kameelen! En die slaven! En al die toestel voor ’n verre, verre reis! ’n Pikzwarte knecht hield ’n paard by den toom. ’n Ander den stygbeugel, en scheen te manen: “komaan, verloren-gaande zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!”Welk jongetje zou niet graag zoo’n verloren zoon willen zyn? Die kromme sabel alleen was de zonde waard.Tweede tafereel.Hm ...scabreus!Nu ja, maar niet voor Wouter, die in z’n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten en gedronken werd, en ’t gezelschap scheen eensgezind, want dat eene meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder van den verlorene. “Liever zóó verloren, dan anders gevonden” moest de indruk zyn dien ’t feest maakte op de verbeelding van ’n kind. De ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter’s opmerking. Of liever, hywistwel wat het beduidde, maar ...voeldeanders. En alweer was z’n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem ’t meest aantrok was noch de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van ’t gezelschap. Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van ’t begrip:verkwisting, had de teekenaar ’n wynvaas doen omwerpen door ’n paar jachthonden...Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, ’t is te veel!...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf ’n wegloopende zoon was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich met zoo’n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. ’t Had eens moeten gebeuren in den huize Pieterse, al was ’t maar met ’n dubbeltjes-kruik scharrebier geweest!De teekenaar spreekt:“meent ge dat ik den verleidelyken indruk van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat er volgt?”Volstrekt niet! Zie maar:Derde tafereel. Heerlyk!Hoe romantisch is die wildernis! O, wie daar zoo mocht zitten op ’n rots, starende in de onpeilbare diepte van ’t verschiet, en ... alléén!Denken, denken, denken!Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor wat men te doen hebbe met z’n hart, z’n tyd, z’n elbogen, en z’n broek! De jonge man op ’t plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen en beenen zich op z’n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten voortdryven voorby z’n wydgeopende oogen! Men kon wis ’n dubbel stel longen gebruiken in zoo’n ruimte, en ook de ziel zou onbelemmerd in zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf denken zou, als-i ’t eens mocht gebracht hebben tot zoo’n verheven keizerschap over ’t onmetelyk Ryk: eenzaamheid!Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon z’n Femke zitten! O, goddelyk verloren-zyn ... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem ’n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor.En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men dan handig ’n hut ... voor Femke, natuurlyk.De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te hebben. ’t Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met ’r verkwisting. Och, dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook ’t eenige verdriet dat ’n rechtgeaarde verkwister uit de profane wereld meeneemt in de prettige woestyn.Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was, er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld met waarschuwende trekken. En ook de trog had ’n onsmakelyk voorkomen.—Als ’t my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal ze kammen!De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten en verloren-gaan.Maar ... ’tvierde? Evenmin! Minder nog!Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in de zuilengang, waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de thuisgebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel ... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is.Maar...hy?De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen in z’n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets van dit alles!Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare zwynen zelfs!En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydende tegenstelling met de burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit iets, en nam by Keesje’s vader osselappen op ’t weekboekje. Slechts nu-en-dan by hooge uitzondering ’n ribstuk.Op ’n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan met geld!En zie, ditmaal had-i aan z’n vriendelyke vyandin Laps iets te danken, dat hem weer ’n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad de Schrift by de zaak, toen deze haar—op z’n pietersens!—werd medegedeeld.Zysprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had graag geantwoord:—Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar ... och, mogen ’t deze keer geen schapen zyn?Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor ’t beoogde kammen, en dus ook niet voor ’t blauwzyden halsdasje dat Femke’s lievelingslam zoo snoepig staan zou.Maar ... ’n verkwister wàs-i, verzekerde ’t mensch.Goddank!

Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke bruikbaarheid van slecht voedsel.Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in den aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan ’n ander proces, dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd geweest zyn tusschen bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen gesteld worden, wie van deze faktoren ’t meest bydraagt tot de eigenschappen van plant en vrucht, en we mogen aannemen dat alle rechters zich inkompetent zouden verklaard hebben. Eerstens omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens, wyl ze had kunnendagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer weet uit de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig man in de negentiende eeuw zich aanmatigt ’n denkbeeld te vormen vanRecht, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen wat de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd in hooge achting, te-meer omdat ze—na Cicero’s waarschuwing—finaal afgeleerd hebben elkaar in ’t gezicht uittelachen wanneer ze ’t genoegen hebben ’n kollega-auspexof ’n konfrère-haruspexte ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen’skamers doen, staat aan hun bescheidenheid.Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en zaadkorrel, ’nquestion brûlante, waarmee onze overgrootouders zich den slaap uit de oogen hielden. Zonder wyzer te willen zyn dan ’n Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters, waag ik de gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uitsluitend letten moet, noch op de hoedanigheden van ’t gestrooide zaad, noch op die van den bodem. Het komt me voor, dat ook—en misschien vooral—deverhoudingtusschen wederzydsche deugden en gebreken moet in aanmerking genomen worden.Zéker is ’t dat de in Wouter’s gemoed uitgestrooide romanlektuur niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou gevreesd zyn door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zichzelf beschouwd had. Ook de aanraking met dien Motto en ’s mans zonderlinge klanten, had minder schadelyke gevolgen dan, oppervlakkig beoordeeld, had kunnen verwacht worden.Dóórdenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk op Wouter’s ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit—er hoort moed toe!—dat deze invloed inderdaad gunstig geweest is.Wouter’s gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke toe. De omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke slordigheid van z’n verwanten geplaatst werd, moesten hem òf neerbuigen en zedelyk vernietigen—en hierop scheen de kans het grootst!—òf ... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond hier niet. Ieder die—zonder nauwkeurige bestudeering der eigenaardigheden van ’t kind, maar overigens voldoend ingelicht—van de zaak had kennis gedragen, zou ’t ergste gevreesd hebben, d.i. het gewone.De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter’s hoofdeigenschap uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste staaltjes van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde te bezwyken. Het moest schynen of z’n gevoel, na wat ziekelyk en onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende gevoeligheid, zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede. En dit zou dan ook ’t geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht was geweest, niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy ’n andere hoedanigheid die hem staande hield, en waarby de in de meeste andere gevallen zoo ongezonde romanlektuur hem dapper te-hulp kwam.Wouter leefde maar voor ’n zeer klein deel met moeder, broêrs en den Weledelen heer Motto! Z’n ziel woonde elders, en nam deel aan den stryd dien z’n helden en heldinnen te voeren hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder, maarschalk en—alweer precies als in Afrika—koning. Meer nog, hy voelde zich de verantwoordelyke persoon, dedeus ex machinâvan rechts- en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis, by elk gevaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter?De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i had kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het beschikken over den dienstyver van z’n leerjongetje. Hy was er de man niet naar, om den hartigen toon van Wouter’s antwoord optemerken, als deze door hem uit de eene winkelhelft in de andere werd geroepen. Dat haastig: “ik kom!” waarmee dan ’n zwygend droomen van uren lang werd afgebroken, klonk veeleer als ’n krygshaftig: “ce sera moi, Nassau!” dan als blyk der gewilligheid die elk “patroon” eischen kan van winkeljongetjes die lust in werken, en—onder borgstelling voor de geldlâ—’n behoorlyk geloof hebben.Wouter’s ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door ’t vuil waarin men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel of-i zich tot taak had gesteld z’n reinheid ongeschonden te bewaren, en zich te oefenen in kracht. Noch ’t een noch ’t ander was echter het geval. Hy kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en had in deze eerste levensproef z’n behoud alleen te danken aan ... smaak, die toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem kunnen opkomen de beelden die z’n droomen bevolkten, aftevallen ter-wille van den Weledelen heer Motto en diens genooten? Waarom zoud-i spreekwys, toon, manieren en ... gedrag van z’n omgeving hebben nagebootst, hy die zoo precies wist hoe ’n edele ridder zich uitdrukt? Hoe ’n vorst behoort te spreken en te handelen? Wat er omgaat in ’t gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede? En nu sprak ik nog niet eens van z’n allerhoogmoedigsten godsplicht, van z’n eigen zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al die ridders en vorsten en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren! O, die grappig verheven adeltrots! En zelfs wanneer men de aanduiding der oorzaken die hem behoedden voor vernedering, stemmen wil op lager toon, dan nog zou hy—op de bewustheid na—te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden krygsman, die geweer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel, niet achtend wat hem omklotst, alleen zorgend voor ’t ééne noodige, voor ’t behoud van hetgoede.Dat ons kind het goede voor-als-nog op ’n verkeerde plaats zocht, doet hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z’n streven niet, ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef.Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om ’t punt te bereiken waarop z’n leven moest uitloopen! Maar geen keus hebbende tusschentehoog oftelaag, was ’t voor hem ’n logische noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meeningdat men meer kon zyn dangoed, dat men edel moest wezen, en verheven!Gewis, ’tis’n fout—en ’n zeldzame!—maar beter dan menige soort vannietzeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor wegzinken in ’t gemeene!Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige byzonderheden in de werking van zekere boeken op Wouter’s gemoed. Evenals dokter Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten, toen-i geraadpleegd werd over de menigvuldige kwalen van Petrò, heeft de lezer eenig recht op de kennis van wat er al zoo aan Wouter werd ingegeven in die leesbibliotheek op denZeedyk. En ik zou ’n slordige geschiedschryver zyn als ik daarvan geen melding maakte.Daar waren drie, vier, planken, die met ’r allen één schryver torschten...1Van Wouter’s menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen, maar wèl breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy kennis maakte.Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat in allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen spraak is. Nog minder van menschkunde.By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen meening en uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam ’t denkbeeld dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven van valsheid, niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen had moeten vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze verdienden, want z’n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbegrip. Hy meende dat het slenteren en draaien en ’t schipperen met halve waarheden, tot de attributen van volwassenheid behoorde, en wanneer-i zich rekenschap had kunnen geven van z’n indrukken, zoud-i zich misschien betrapt hebben op den hoogstonzedelyken wensch: och, wanneer toch zal ik “groot” zyn, en bekwaam genoeg om zóó te liegen!Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma’s op, schoon ook daar ’t genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld was. Wel gelukte het hem zich op den in dat huis doorgebrachten zondag iets minder houterig aantestellen dan den vorigen keer, maar telkens bleek er dat de behandelde onderwerpen z’n kennis teboven gingen, en tevens dat de daar gebruikelyke luchtige vrye toon nog altyd boven z’n bereik was.In dit laatste opzicht was-i door z’n schuwheid bewaard gebleven voor ... erger dan niet te kunnen “meedoen.” Hy onthield zich van ’t belachelyk pogen.Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt, en hy was dus niet op z’n neus gevallen.Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp aan de orde gesteld, en het kind had met open mond zitten luisteren. Het betrof: “de kunst van lezen.” In-den-beginne meende Wouter allerbevoegdst te zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook te doen met al ’t gewicht van iemand die de hoogste tevredenheid van Meester Pennewip had ingeoogst over ’t voordragen der bekende leerstelling: “myn vader gaf my dezen nieuwen hoed.” In de “Oefening in ’t kunstmatig lezen” uitgegeven door de Maatschappytot Nut van ’t Algemeen, kwam deze zinsnede voor, en de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van toonbuiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over dien nieuwen hoed, en meende nu...Doch Holsma behandelde iets anders. Maar ’t was weer het oude: de kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte hem zeer.De grond van z’n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in de behandelde zaak—deze was geenszins boven z’n begrip—maar in de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van kolossale geleerdheid toeschenen alleen omdat z’m ten-eenen-male onbekend waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver te-boven. Het besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook ’t weinigje dat-i wèl wist niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men hem trachtte op den weg te helpen, ontsnapte niet aan z’n fyn gevoel, en maakte z’n toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus gevoelde hy zich in dezen kring, die hem door gedeeltelyke zieleverwantschap toch zooveel nader stond, even misplaatst als te-huis.Hy meende dat die kinderen hem minachtten, en by Herman—die in latyn deed—was dit dan ook inderdaad wel eenigszins het geval.2De wyze waarop Holsma’s klacht over gebrekkig lezen behandeld werd, mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegenheden daarover heb uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hierop neer, dat het voor ’n arts zoo verdrietig was z’n patienten te zien vermoorden met rottekruid, als-i met de meeste duidelykheid suikerwater had voorgeschreven.—Maar, m’nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daaroverbeklaagt? En als men dannogeensuitdrukkelyk zegt dat men geen vergif bedoeld heeft?—Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum.—Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske.—Maar... dit is toch slecht, niet waar? En waarom zyn dan de menschen zoo?—Waarom? waarom? viel oom Sybrand in. Waarom? Dikwyls uit belang, maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen te traagzyn om met eigen oogen te zien, en met eigen verstand te beoordeelen, wat er geschreven staat. Dit vordert meer inspanning dan ’t napraten van wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen vormen de meerderheid, en ze worden door kwaadwilligen in beweging gezet. Men kan de groote massa laten schreeuwen wat men wil.Wouter begreep alweer ’t woord “massa” niet, daar het in die dagen nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek vragend de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rottekruid had geholpen.—Dat is zooveel als... ’n heele troep, zei ze.—De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort, of...—Maar, m’nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten? Nooit immers spreken veel menschen tegelyk?Holsma begreep de oorzaak van Wouter’s misverstand, en misschien oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na “dom” nog iets anders willen zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zonderling. De grootere uitgebreidheid van den woordenschat waarover zy beschikken konden, en de gewoonte zich eens-vooral te verbeelden dat ze elke uitdrukking begrepen waarvan ’t gebruik hun gemeenzaam was, bewerkte nu dat Wouter, juist dóór z’n primitiviteit, hen overtrof in stiptheid van analyze.Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door reeds byGenesis I, vers 1, te vragen: “maar m’nheer, hoe weet ge dit?” Wel te verstaan, indien hy Mozes enGenesishad ontmoet in onheilig gezelschap, waar ’t denken aangemoedigd werd en ’t meespreken geoorloofd was.De nuchterheid van z’n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het vreemde der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan bediend had in oneigenlyken zin, en dat Sietske’s vertaling niet zeer korrekt was, doet hier niets ter-zake. Het woord: “dom” beteekende naar Wouter’s schoolsche opvatting, dat men z’n les niet kende, dat men den naam van zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers nooit te-pas gekomen zyn, Pennewip’s leerlingenen bloc’n domme schoolmassa te noemen? De een kende en wist wat, de ander niet. Hoe kon ’t oom Sybrand bekend wezen dat ’n “heele troep” menschen—zóó had Sietske vertaald—te-zaamgenomen “dom” was?Er is veel oefening in begrip noodig om intezien hoe weinig er door sommigen kan begrepen worden.Holsma hàd zich geoefend, en zag Wouter zeer vriendelyk aan.Och, ’t deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te oordeelen die hy op de gezichten der anderen waarnam, meende hy ’n domheid gezegd te hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist dóór en in z’n onwetendheid, bewys gegeven van intelligentie.Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy toe. Juist was er in die dagen—d.i.nietin die dagen, want m’nkronologie is allerverwardst—te Amsterdam iets gebeurd, dat hem aanleiding gaf tot de toelichting: waarom men de “massa” niet zoozeerdomnoemen mocht, als... als... ja wat?Er was ’n verandering gebracht in ’t belastingstelsel. Zeker bedrag dat vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen, werd geheven van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd van de eigenaars. In zulke van verregaande oppervlakkigheid getuigende maatregelen openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van Staathuishoudkunde en Philantropie. ’t Moest beteekenen: we willen den druk laten neerkomen opbezitters, niet op de minderbedeelden.Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen belasting,plus’n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood om oud yzer.Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was òf zonder gewicht, òf moest beschouwd worden als te zyn genomen in ’t belang der armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. Deeigenaarsvan kleine huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt.Wiegebruikten zy nu om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-bevoorrechten! Het “gemeene volk” doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de “dienders” te water, mishandelde de “veteranen” die te-dier-tyd Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid van de gebruikelyke soort.Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere intelligentie, wanneer men z’n wrok lucht geeft—en opdiewys!—tegen een maatregel die naar ’t gevoelen van de oproermakers-zelf in hun eigen belang genomen was.Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was die de verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen? Immers neen. En dan toch alleen zou de beschuldiging van domheid op die menigte van toepassing geweest zyn. Iederop-zichzelfwas verstandig genoeg om de zaak juist te beoordeelen. Methun allenechter sloegen ze zonder de minste geldige reden den boêl stuk.De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men de intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen, kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door iets anders dan deRede. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-voor-zich wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-zich wèl begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich wèl bezit: eenZiel.Wie de “massa” van ’t Volkdomnoemt, begaat de onnauwkeurigheid die er liggen zou in de meening datvyfbeminnelyk is, ofluchtdriehoekig. De “massa” als zoodanig, denkt niet, en kan dus niet verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of blyft geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door ’n samenloop van omstandigheden gebracht wordt. Haarhoofdeigenschap, in stilstand en beweging beide, is: traagheid.Wouter had schik van z’n vraag, waarop Holsma nagenoeg in den geest van ’t bovenstaande antwoordde.Toch bleef hy verdrietig over z’n onkunde, en hy nam zich voor, meer te leeren.1Hier volgt een ontboezeming over de sentimenteele romans van August Lafontaine. (I. 1096).2M. weidt vervolgens uit over de waarde(?) van klassieke Studiën. (I. 1104–1106).

Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke bruikbaarheid van slecht voedsel.

Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke bruikbaarheid van slecht voedsel.

Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in den aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan ’n ander proces, dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd geweest zyn tusschen bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen gesteld worden, wie van deze faktoren ’t meest bydraagt tot de eigenschappen van plant en vrucht, en we mogen aannemen dat alle rechters zich inkompetent zouden verklaard hebben. Eerstens omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens, wyl ze had kunnendagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer weet uit de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig man in de negentiende eeuw zich aanmatigt ’n denkbeeld te vormen vanRecht, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen wat de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd in hooge achting, te-meer omdat ze—na Cicero’s waarschuwing—finaal afgeleerd hebben elkaar in ’t gezicht uittelachen wanneer ze ’t genoegen hebben ’n kollega-auspexof ’n konfrère-haruspexte ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen’skamers doen, staat aan hun bescheidenheid.

Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en zaadkorrel, ’nquestion brûlante, waarmee onze overgrootouders zich den slaap uit de oogen hielden. Zonder wyzer te willen zyn dan ’n Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters, waag ik de gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uitsluitend letten moet, noch op de hoedanigheden van ’t gestrooide zaad, noch op die van den bodem. Het komt me voor, dat ook—en misschien vooral—deverhoudingtusschen wederzydsche deugden en gebreken moet in aanmerking genomen worden.

Zéker is ’t dat de in Wouter’s gemoed uitgestrooide romanlektuur niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou gevreesd zyn door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zichzelf beschouwd had. Ook de aanraking met dien Motto en ’s mans zonderlinge klanten, had minder schadelyke gevolgen dan, oppervlakkig beoordeeld, had kunnen verwacht worden.

Dóórdenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk op Wouter’s ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit—er hoort moed toe!—dat deze invloed inderdaad gunstig geweest is.

Wouter’s gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke toe. De omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke slordigheid van z’n verwanten geplaatst werd, moesten hem òf neerbuigen en zedelyk vernietigen—en hierop scheen de kans het grootst!—òf ... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond hier niet. Ieder die—zonder nauwkeurige bestudeering der eigenaardigheden van ’t kind, maar overigens voldoend ingelicht—van de zaak had kennis gedragen, zou ’t ergste gevreesd hebben, d.i. het gewone.

De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter’s hoofdeigenschap uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste staaltjes van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde te bezwyken. Het moest schynen of z’n gevoel, na wat ziekelyk en onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende gevoeligheid, zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede. En dit zou dan ook ’t geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht was geweest, niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy ’n andere hoedanigheid die hem staande hield, en waarby de in de meeste andere gevallen zoo ongezonde romanlektuur hem dapper te-hulp kwam.Wouter leefde maar voor ’n zeer klein deel met moeder, broêrs en den Weledelen heer Motto! Z’n ziel woonde elders, en nam deel aan den stryd dien z’n helden en heldinnen te voeren hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder, maarschalk en—alweer precies als in Afrika—koning. Meer nog, hy voelde zich de verantwoordelyke persoon, dedeus ex machinâvan rechts- en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis, by elk gevaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter?

De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i had kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het beschikken over den dienstyver van z’n leerjongetje. Hy was er de man niet naar, om den hartigen toon van Wouter’s antwoord optemerken, als deze door hem uit de eene winkelhelft in de andere werd geroepen. Dat haastig: “ik kom!” waarmee dan ’n zwygend droomen van uren lang werd afgebroken, klonk veeleer als ’n krygshaftig: “ce sera moi, Nassau!” dan als blyk der gewilligheid die elk “patroon” eischen kan van winkeljongetjes die lust in werken, en—onder borgstelling voor de geldlâ—’n behoorlyk geloof hebben.

Wouter’s ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door ’t vuil waarin men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel of-i zich tot taak had gesteld z’n reinheid ongeschonden te bewaren, en zich te oefenen in kracht. Noch ’t een noch ’t ander was echter het geval. Hy kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en had in deze eerste levensproef z’n behoud alleen te danken aan ... smaak, die toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem kunnen opkomen de beelden die z’n droomen bevolkten, aftevallen ter-wille van den Weledelen heer Motto en diens genooten? Waarom zoud-i spreekwys, toon, manieren en ... gedrag van z’n omgeving hebben nagebootst, hy die zoo precies wist hoe ’n edele ridder zich uitdrukt? Hoe ’n vorst behoort te spreken en te handelen? Wat er omgaat in ’t gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede? En nu sprak ik nog niet eens van z’n allerhoogmoedigsten godsplicht, van z’n eigen zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al die ridders en vorsten en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren! O, die grappig verheven adeltrots! En zelfs wanneer men de aanduiding der oorzaken die hem behoedden voor vernedering, stemmen wil op lager toon, dan nog zou hy—op de bewustheid na—te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden krygsman, die geweer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel, niet achtend wat hem omklotst, alleen zorgend voor ’t ééne noodige, voor ’t behoud van hetgoede.

Dat ons kind het goede voor-als-nog op ’n verkeerde plaats zocht, doet hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z’n streven niet, ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef.

Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om ’t punt te bereiken waarop z’n leven moest uitloopen! Maar geen keus hebbende tusschentehoog oftelaag, was ’t voor hem ’n logische noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meeningdat men meer kon zyn dangoed, dat men edel moest wezen, en verheven!

Gewis, ’tis’n fout—en ’n zeldzame!—maar beter dan menige soort vannietzeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor wegzinken in ’t gemeene!

Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige byzonderheden in de werking van zekere boeken op Wouter’s gemoed. Evenals dokter Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten, toen-i geraadpleegd werd over de menigvuldige kwalen van Petrò, heeft de lezer eenig recht op de kennis van wat er al zoo aan Wouter werd ingegeven in die leesbibliotheek op denZeedyk. En ik zou ’n slordige geschiedschryver zyn als ik daarvan geen melding maakte.

Daar waren drie, vier, planken, die met ’r allen één schryver torschten...1

Van Wouter’s menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen, maar wèl breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy kennis maakte.

Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat in allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen spraak is. Nog minder van menschkunde.

By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen meening en uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam ’t denkbeeld dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven van valsheid, niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen had moeten vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze verdienden, want z’n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbegrip. Hy meende dat het slenteren en draaien en ’t schipperen met halve waarheden, tot de attributen van volwassenheid behoorde, en wanneer-i zich rekenschap had kunnen geven van z’n indrukken, zoud-i zich misschien betrapt hebben op den hoogstonzedelyken wensch: och, wanneer toch zal ik “groot” zyn, en bekwaam genoeg om zóó te liegen!

Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma’s op, schoon ook daar ’t genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld was. Wel gelukte het hem zich op den in dat huis doorgebrachten zondag iets minder houterig aantestellen dan den vorigen keer, maar telkens bleek er dat de behandelde onderwerpen z’n kennis teboven gingen, en tevens dat de daar gebruikelyke luchtige vrye toon nog altyd boven z’n bereik was.

In dit laatste opzicht was-i door z’n schuwheid bewaard gebleven voor ... erger dan niet te kunnen “meedoen.” Hy onthield zich van ’t belachelyk pogen.

Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt, en hy was dus niet op z’n neus gevallen.

Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp aan de orde gesteld, en het kind had met open mond zitten luisteren. Het betrof: “de kunst van lezen.” In-den-beginne meende Wouter allerbevoegdst te zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook te doen met al ’t gewicht van iemand die de hoogste tevredenheid van Meester Pennewip had ingeoogst over ’t voordragen der bekende leerstelling: “myn vader gaf my dezen nieuwen hoed.” In de “Oefening in ’t kunstmatig lezen” uitgegeven door de Maatschappytot Nut van ’t Algemeen, kwam deze zinsnede voor, en de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van toonbuiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over dien nieuwen hoed, en meende nu...

Doch Holsma behandelde iets anders. Maar ’t was weer het oude: de kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte hem zeer.

De grond van z’n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in de behandelde zaak—deze was geenszins boven z’n begrip—maar in de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van kolossale geleerdheid toeschenen alleen omdat z’m ten-eenen-male onbekend waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver te-boven. Het besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook ’t weinigje dat-i wèl wist niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men hem trachtte op den weg te helpen, ontsnapte niet aan z’n fyn gevoel, en maakte z’n toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus gevoelde hy zich in dezen kring, die hem door gedeeltelyke zieleverwantschap toch zooveel nader stond, even misplaatst als te-huis.

Hy meende dat die kinderen hem minachtten, en by Herman—die in latyn deed—was dit dan ook inderdaad wel eenigszins het geval.2

De wyze waarop Holsma’s klacht over gebrekkig lezen behandeld werd, mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegenheden daarover heb uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hierop neer, dat het voor ’n arts zoo verdrietig was z’n patienten te zien vermoorden met rottekruid, als-i met de meeste duidelykheid suikerwater had voorgeschreven.

—Maar, m’nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daaroverbeklaagt? En als men dannogeensuitdrukkelyk zegt dat men geen vergif bedoeld heeft?

—Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum.

—Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske.

—Maar... dit is toch slecht, niet waar? En waarom zyn dan de menschen zoo?

—Waarom? waarom? viel oom Sybrand in. Waarom? Dikwyls uit belang, maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen te traagzyn om met eigen oogen te zien, en met eigen verstand te beoordeelen, wat er geschreven staat. Dit vordert meer inspanning dan ’t napraten van wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen vormen de meerderheid, en ze worden door kwaadwilligen in beweging gezet. Men kan de groote massa laten schreeuwen wat men wil.

Wouter begreep alweer ’t woord “massa” niet, daar het in die dagen nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek vragend de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rottekruid had geholpen.

—Dat is zooveel als... ’n heele troep, zei ze.

—De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort, of...

—Maar, m’nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten? Nooit immers spreken veel menschen tegelyk?

Holsma begreep de oorzaak van Wouter’s misverstand, en misschien oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na “dom” nog iets anders willen zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zonderling. De grootere uitgebreidheid van den woordenschat waarover zy beschikken konden, en de gewoonte zich eens-vooral te verbeelden dat ze elke uitdrukking begrepen waarvan ’t gebruik hun gemeenzaam was, bewerkte nu dat Wouter, juist dóór z’n primitiviteit, hen overtrof in stiptheid van analyze.

Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door reeds byGenesis I, vers 1, te vragen: “maar m’nheer, hoe weet ge dit?” Wel te verstaan, indien hy Mozes enGenesishad ontmoet in onheilig gezelschap, waar ’t denken aangemoedigd werd en ’t meespreken geoorloofd was.

De nuchterheid van z’n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het vreemde der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan bediend had in oneigenlyken zin, en dat Sietske’s vertaling niet zeer korrekt was, doet hier niets ter-zake. Het woord: “dom” beteekende naar Wouter’s schoolsche opvatting, dat men z’n les niet kende, dat men den naam van zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers nooit te-pas gekomen zyn, Pennewip’s leerlingenen bloc’n domme schoolmassa te noemen? De een kende en wist wat, de ander niet. Hoe kon ’t oom Sybrand bekend wezen dat ’n “heele troep” menschen—zóó had Sietske vertaald—te-zaamgenomen “dom” was?

Er is veel oefening in begrip noodig om intezien hoe weinig er door sommigen kan begrepen worden.

Holsma hàd zich geoefend, en zag Wouter zeer vriendelyk aan.

Och, ’t deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te oordeelen die hy op de gezichten der anderen waarnam, meende hy ’n domheid gezegd te hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist dóór en in z’n onwetendheid, bewys gegeven van intelligentie.

Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy toe. Juist was er in die dagen—d.i.nietin die dagen, want m’nkronologie is allerverwardst—te Amsterdam iets gebeurd, dat hem aanleiding gaf tot de toelichting: waarom men de “massa” niet zoozeerdomnoemen mocht, als... als... ja wat?

Er was ’n verandering gebracht in ’t belastingstelsel. Zeker bedrag dat vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen, werd geheven van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd van de eigenaars. In zulke van verregaande oppervlakkigheid getuigende maatregelen openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van Staathuishoudkunde en Philantropie. ’t Moest beteekenen: we willen den druk laten neerkomen opbezitters, niet op de minderbedeelden.

Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen belasting,plus’n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood om oud yzer.

Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was òf zonder gewicht, òf moest beschouwd worden als te zyn genomen in ’t belang der armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. Deeigenaarsvan kleine huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt.Wiegebruikten zy nu om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-bevoorrechten! Het “gemeene volk” doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de “dienders” te water, mishandelde de “veteranen” die te-dier-tyd Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid van de gebruikelyke soort.

Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere intelligentie, wanneer men z’n wrok lucht geeft—en opdiewys!—tegen een maatregel die naar ’t gevoelen van de oproermakers-zelf in hun eigen belang genomen was.

Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was die de verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen? Immers neen. En dan toch alleen zou de beschuldiging van domheid op die menigte van toepassing geweest zyn. Iederop-zichzelfwas verstandig genoeg om de zaak juist te beoordeelen. Methun allenechter sloegen ze zonder de minste geldige reden den boêl stuk.

De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men de intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen, kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door iets anders dan deRede. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-voor-zich wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-zich wèl begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich wèl bezit: eenZiel.

Wie de “massa” van ’t Volkdomnoemt, begaat de onnauwkeurigheid die er liggen zou in de meening datvyfbeminnelyk is, ofluchtdriehoekig. De “massa” als zoodanig, denkt niet, en kan dus niet verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of blyft geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door ’n samenloop van omstandigheden gebracht wordt. Haarhoofdeigenschap, in stilstand en beweging beide, is: traagheid.

Wouter had schik van z’n vraag, waarop Holsma nagenoeg in den geest van ’t bovenstaande antwoordde.

Toch bleef hy verdrietig over z’n onkunde, en hy nam zich voor, meer te leeren.

1Hier volgt een ontboezeming over de sentimenteele romans van August Lafontaine. (I. 1096).2M. weidt vervolgens uit over de waarde(?) van klassieke Studiën. (I. 1104–1106).

1Hier volgt een ontboezeming over de sentimenteele romans van August Lafontaine. (I. 1096).

2M. weidt vervolgens uit over de waarde(?) van klassieke Studiën. (I. 1104–1106).

Strabbe’sregula van “menging” onder de oogen gezien, in-verband met de manier om onbruikbare zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel ’t pond verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke heldenmoed die van beter getuigt. Alweer JuffrouwLaps!Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by ’t overgaan van een der pleintjes die men te Amsterdam “markten” noemt, op ’n bende van ’t gemeen, die bezig was de geschonden rechten der “huisjesmelkers” heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf.—Die...massais niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich goed te doordringen van de pas opgedane wysheid.Domis ze niet! Misschien zelfs nietonwetend... neen, ook dit is onjuist. ’t Is maar dat ze... niets wetenmet hun allen. Zeker zyn er wel verstandige menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar... zich de moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het denkbeeld bracht dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet dat ze ’t kunnen.’t Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou te zeggen gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonderlyk, maar niet door de “massa” die aan de wetten der logika slechts gehoorzaamt, voor-zoo-ver deze zich openbaren opdynamischewys. Vanhier dan ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt tot vorming van ’t geheel, zich beschouwt als daartoe niet te behooren, en zelfs zich daartegenover stelt. Ieder zegt: “ze” deden dit of dat. “De menschen” liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen. “Ze” wisten niet wat ze wilden. “Ze” waren gek, wreed, lafhartig, enz.Niemand spreekt by zulke gelegenheden van “ik” noch zelfs van: “wy.” ’t Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent slechts de beweging tevolgen, en geen besef heeft hoe dat vermeende “volgen” wel degelyk de uitwerking heeft vanmeestuwen. Ook deze begoocheling komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in dynamische schatting, op ’n vergissing.Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon tedenken, en dat het de moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z’n gemoed. Hy zag in dat de “massa” waarop hy stuitte, te laag stond om... dom te zyn.Ook kon men ze—in hoedanigheid van “menigte” alweer—niet beschonken noemen, al zy ’t dan dat het getal nuchtere lieden die aan de samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit opzicht alzoo, was hier de kollektiviteit die we thans overal zien opdringen niets dan ’n fiktie.Een Menigtekan zoomin drinken alsdenken, en heeft dus even weinig kans om beschonken te zyn, als dom of verstandig.Een Menigteis, zielkundig gesproken, heel iets anders dan dit alles. Zy is niemendal.Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode:om te geraken tot waarheid in het algemeen, kon Wouter zich nog niet inlaten. ’t Was al wèl dat-i over de ydelheid van ’t kwalificeeren-zelf nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus evenzeer opzedelykterrein toekomt aan den individu.Hy voelde—en zeer ten-rechte, waarlyk!—dat hy hooger stond dan al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou gebleven zyn, al ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Pennewip ... ja, al was ’t die goede dokter Holsma.Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen zou tot ’n deel van zóó’n geheel!Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin kan opgaan in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid...Wel zeker: “ieder moet handelen naar z’n eigen overtuiging!” Zóó had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de mogelykheid der toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met die overtuiging slordig omging? Als men haar vervalschte volgens Strabbe’s “regulavan menging?”“Een kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuivers, en van zeven stuivers het pond, en wenscht...”De goeie Strabbe geeft z’n kruieniers nooitSouchongvan geen-één stuiver te mengen onder de “massa” die hy verkoopen wil tegen zóóveel winst op het pond. Men bedenke dat ik van den goeden ouden tyd spreek.En Wouter ging met denken voort....hy wenscht van al die theesoorten een... “massa”te maken...Daar is ’t woord weer, het nieuwe woord van de Holsma’s! Welnu, gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop, vrees, liefde, haat, deugd, en vooral:zedelyke verantwoordelykheid... dit alles is geenthee, die men mengen kan om ze aan den man te brengen tegen zekeren prys!Wie ’t beproeven zou, verrekent zich, omdat demenging zelf’n vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe’s rekentalent ontsnapte, maar begrepen wordt door beoefenaars derregula: “van den mensche en deszelfs eigenaardigheden.”Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan Wouter behoort, en wat volgens de “Gezelschaps-rekening” den auteur toekomt. Daar echter de dissolatie der maatschap tusschen dien kleinen jongen en my, nog niet op-hand is, kunnen wy deze vraag ongelikwideerd laten. ’t Is wel mogelyk dat ik Wouter ’n beetje wyzer voorstelde dan-i nog wezen kon. Maar ... de kiem was gelegd. En vergaan zou zeniet!We zyn weer op die “markt.”Nog altyd stonden daar ’n paar oud-gedienden op post, en bewaakten... ik weet niet wat!Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet Ze werden door de bestbespraakten onder ’t volk uitgescholden. “Bloeddieven” waren ze, en—de lezer raadt het zeker al—“opvreters van Stad en Land.”Wouter vond—o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening!—dat ze ’r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels, en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de bekende kreet, als ’n beroep opzynhulp!De toon was minder liefelyk, dat’s waar, dan Amalia’s:Waar is... warre, warre, wou...Wouter die me redden zou?Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker kraken: “je bent iets... toon het!”O, ’t prachtig evangelie van den hoogmoed! Dàt wil ik blyven verkondigen!Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op zekere beleediging geantwoord:—Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar ’n pruim tabak had!—Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z’n nieuwbakken, speciale zaakkennis, als opgewonden door ’t denkbeeld dat hy ’n blyk geven kon niet tot de “massa” te behooren.De man begreep noch ’t uitgesproken woord—negrohead—noch de bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z’n aanvallers geschaard had.Wie kon ook raden dat zoo’n kleine jongen ’n geheel àndere beweegkracht in z’n ziel had, dan die waardoor zich de “massa” liet voortdryven?—Komaan, jy snotjongen, hou jy ’r je nu maar liever buiten! Wacht tot je droog achter je ooren bent!—Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door ’t gejoel heen.—Hè?—Tabak, negerhit... echte! riep Wouter.—Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen kleinen zelfdenker stond. Lâ-de fent ferèkke!“S...s-gauw late” beduidt: ietsvolstrektniet doen, iets zóó byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan ’t wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of ... ’n slag in ’t gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld.Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend had van ’t prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei:—Ikzal dien man tabak geven!Ach, hoe heerlyk hy dat “ik” intoneerde! De “nieuwe hoed” uit z’n leeslesje was er niets by.—Ikzal dien man tabak geven,ik!“Of sterven!” zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon ’t hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als ’t gevorderd werd.Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-winkel den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen van z’n zaakkennis. Al ware hyzelf in ’t bezit geweest van twee “gevestigde” zaken, hy had niet met meeraplombz’n bestelling kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog, en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te doen doorgaan voor ’n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die ’t wist, met ’n specialiteit!Nu, ’t liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk het te veel betaalde terug.Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma’s verliet! Dit had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in ’t heerlyk bezit gebleven van ’t geldstuk, dat z’n moeder hem had meegegeven “voor de meid” omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op ’t fatsoen gesteld was.Maar ’t aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat, had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter ’t meest.—Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met ’n stemmetje zoo zacht, op ’n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk en bescheiden...Wat er ’n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen, waarvan geen enkele hem bedreigd had!Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z’n heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven ’t hoofd—waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels opgestoken, dan dat peperhuis met ’n stuiver tabak!—en bereikte den man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had...Wèg was z’n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer uittarting dan ’t aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden, zette hy den kerel z’n schouder in de lenden, en boorde zich dóór tot de voorste ry:—Dáár, man! Ziedaar tabak—negerhit, weetje?—’n snotjongen ben ikniet!De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z’n overtuiging: dat-i ’t wel s...s-gauw “late sou.” Hy scheen te vragen welke aanmerking de profeet te maken had op dit protest tegen z’n voorspelling?De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte, sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet de verheugde tabakspruimer door ’n nogal bekende soldaten-aardigheid, de voorsten van den troep aan ’t lachen had gemaakt:“beter ’n halve pruim in je mond, as ’n heel stuk in je... kraag!”Al wat de voorvechter van ’t non-interventiestelsel tegen Wouter inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde...O,Thermopylae! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O, Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z’n harnas ontgespen? Hoe is de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder, linkerheup, rozet...De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat “die kleine jongen ’n s...s-brutale bliksem” was.Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren dat de man zich bedroog. De door hem—tot z’n eigen verrassing waarlyk!—aan den dag gelegde moed was ’n uitvloeisel van geheel àndere gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen, beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden bestaan die hem ’n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en deze ervaring deed z’n ziel groeien.In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond van dezen dag.Och, als Femke ’t gezien had!Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden van z’n leertyd op denZeedyk. Hier zag hy dagelyks het gemeene van even naby als op die markt, zonder daaraan ’t verheffend denkbeeld van stryd te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele heer Motto had hem ’n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven, en zelfs betuigd dat deze eigenschap “in den handel ’tvoornaamstewas.”Nu, beleefd en vriendelyk wàs Wouter. Gewoonlyk meende hy dat de onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan z’n eigen onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en—als met de leugens—kwam soms de wensch in hem op: “wanneer toch zal ik groot genoeg zyn, om me zoo mannelyk uittedrukken?”Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische bywoorden, wanneer z’n lektuur hem daarvoor niet bewaard had?Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn voor deze soort van gemeenheid, door z’n onbederfbare lust in ’t exakte, een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich openbaart.Eens was-i genoodzaakt geweest, ’n kwajongen die steenen in den winkel wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was ’n scheldwoord gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd bestorven ligt:dief! En wel met ’n onzindelyk toevoegsel dat nu niet ter-zake dient, en dat ik dus mag overslaan.—Hoe kan die jongen beweren dat ik ’n dief ben, en ... zoo onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had gezegd dat ik hem ’n klap geven zou als-i weer met steenen wierp. Waarom noemt hy my nudief? Dat ’s iemand die steelt, niet waar?De heer Motto was er de man niet naar, om ’t verschil tusschenschelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy had zich meer geërgerd over ’t gebrek aan logischen samenhang dan over de beleediging, en hierin lag inderdaad iets ... goddelyks. ’t Was ’n schending der wereld-orde, iemandate noemen omdat-ibwas. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van ’t 2 × 2 = 4! ’n Hinkend rym. ’n Onmogelykheid!En... ’t straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig gemaakt, was nog ’n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van begeerlyke volwassenheid!Maar ... maar ... al de wèl “groote” menschen? Vanwaar by hèn dan dat gedurig afwyken van ’t ware, juiste, stipte? Warenzyzoo achterlyk, of was die straatjongen z’n leeftyd vóór? Moest Wouter terug of moest-i vooruit, om aantelanden op ’t punt waar zich ’t grootste gedeelte van z’n omgeving scheen te bevinden? Zoud-i ooit ver genoeg komen om als de Weledele Heer Motto aan ’t hoofd te staan van twee “zaken” ... nu ja “gevestigd” waren ze na ’t overhaast vertrek van den patroon niet meer. Maar ’t waren “zaken” toch, en ... gevestigd geweest!—Als ik den man hier had zou ik ’m verscheuren, zei de moeder. Ik dacht het wel dat-i met m’n geldje-n-op den loop zou gaan! ’k Heb ’t altyd gezegd, niet waar, Stoffel?—Ja, moeder. Zoo’n cautie is ’n gevaarlyk ding...—Dat heb je-n altyd van die menschen met ’r geloof! Ik vraag je, wat doet het er toe of men protestant is of ... wat anders! Wat heeft zoo’n man ’n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan... wegteloopen met ’n mensch z’n geld! Ik vraag je, wat doet er de godsdienst toe? Ik wou ... ik wou ... dat-i ’n roomsch jongetje genomen had, met ’n ... koussie van duizend!—Ja, moeder, dit was zeker beter geweest.—’n Roomsche is net zoo goed als ’n ander, dit zeg ik maar! Waarom zou ’n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen wegen, en boekhouden, en op den winkel passen, en ... koussies geven, als ’n griffermeerde? De menschen lyken wel mal met ’r verschil van geloof. De een is net zoo goed als de ander, vindje niet, Stoffel?—Ja moeder.—’t Is om ’r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo’n kerel nu in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar, Wouter, jy hebt ook schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat de man niet deugde. Konik’t weten, ik arme weduw die hier in m’n huiswerk zit?—Moeder, ik wist het ook niet.—Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er niet om of je moeder aan ’t bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen we nu met ’m beginnen? Naar zee gaat-iniet, dat zegik! Ik kan ’t voor God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo’n schip onder allerlei soort van volk komt, niet waar, Stoffel?—Ja, moeder.—En dat-i daar vloeken leert...—Zeker, moeder.—En z’n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet by z’n geloof blyft ...wat zeg jy, Stoffel?—Ja, moeder, ’n mensch moet altyd by z’n geloof blyven.—Honderd gulden! ’t Waren zeeuwen ... ik zie ze nog! Wat heeft zoo’n gemeene kerel ’n protestantsch jongetje te vragen?“Wel,” veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z’n “geloof.”Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens’huis. Deblundersin redeneering waaraan z’n verwanten zich schuldig maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Eén woord van Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen, maar debitjara kossoengvan z’n familie maakte niet veel meer indruk op hem dan ’t gegons van ’n byenzwerm.Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit werd, al stonden ze dan niet hooger dan z’n huisgenooten. Juffrouw Laps, byv. was hem ’n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid prikkelend, studie-exemplaar. En z’n belangstelling in ’t oplossen van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer acht-sloeg op ’t gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar manieren.Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en telkens onderging Wouter by die gelegenheden ’n reeks van tegenstrydige indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens ... och, er was niet uit het schepsel wys te worden.Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel gespaarden schelling waren overgebleven...Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien tyd had zich ’t besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen ’n flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar ’t weg-grissen van ’n paar stuivers ... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De helden uit z’n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.Hoe dit zy, ’t uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest getroost worden over ’t gemis van de verteerbare Landen en Steden die anders z’n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren van ’t gebeurde. Hy sloeg in z’n relaas van de zaak, ’t gevaar dat-i geloopen had, over. En ... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne wat gestoft op z’n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z’n verkwisting, grooter was dan die op lof over z’n ... ja, hoe moet ik ’t noemen?De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ookzeer kwalyk genomen, en ’t was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden niet had aangeroerd, waardoor z’n onpartydige mildheid was bestempeld geworden tot uittarting.—Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z’n moeder. Jy verdient immers geen duit! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt?By zulke toespraakjes viel ’t Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van z’n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf geen steun, want ... z’n moeder had niet geheel-en-al ongelyk!Edelmoedigheid is ’n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog niet in, toch voelde hy z’n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de beschuldigingen die z’n moeder tegen hem inbracht.Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de bewering dat-i gehandeld had als ’n gek. Dit werd te erger toen men de aanklacht overbracht op ’t laagste terrein dat men kiezen kon, op kinderachtigheid.De moeder had het woord: “verkwisting” uitgesproken, maar Stoffel zette haar te-recht:—Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het!—Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen van zyn jaren ... als ze-n-’n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren hem. Of ... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen?Misschien was Stoffel’s opmerking niet kwaad gemeend, maar ze wondde Wouter diep. Een “verkwister” is dan toch altyd ’n persoon, ’n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken!“Prodigue, prodigue... asjeblieftprodigue!” mompelde hy treurig. Want—tot verbazing van den lezer misschien—hy kende dit woord.In een der omnibus-slaapkamers hing ’n stelletje grof gekleurde platen die de parabel van den verloren zoon voorstelden. ’t Was ’n fransche uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie langen tyd in de vaste meening, dat de daarop voorkomende uitdrukking:prodigueniet anders kon beteekenen dan “verloren.” Dit had dan ook Stoffel tegen een van z’n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze fransche drukfout ...—Want: “verloren” stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn....na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat debeteekenis van ’t woordprodigue: “verkwister” wezen kon. En in die benaming had Wouter veel zin.Eerste tafereel.De zoon die bezig was met... verkwisten en verloren-gaan, neemt afscheid van z’n vader. De oudeheer had ’n purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf ... o hé! Er fladderde hem ’n mantel om de schouders—’t scheen erg te waaien in dien zuilengang!—’n mantel ... prinselyk! En z’n turksche broek was van puur goud! De jongen had ’n krommen sabel op-zy, en op z’n hoofd ’n tulband met aigrette ... zeker ’n onix, of sardonix, of paarl, of ... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. Zulke zaken kosten niets op ’n prent.De oudeheer keek verdrietig—en daarin had de man geen ongelyk—maar ... al die beladen kameelen! En die slaven! En al die toestel voor ’n verre, verre reis! ’n Pikzwarte knecht hield ’n paard by den toom. ’n Ander den stygbeugel, en scheen te manen: “komaan, verloren-gaande zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!”Welk jongetje zou niet graag zoo’n verloren zoon willen zyn? Die kromme sabel alleen was de zonde waard.Tweede tafereel.Hm ...scabreus!Nu ja, maar niet voor Wouter, die in z’n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten en gedronken werd, en ’t gezelschap scheen eensgezind, want dat eene meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder van den verlorene. “Liever zóó verloren, dan anders gevonden” moest de indruk zyn dien ’t feest maakte op de verbeelding van ’n kind. De ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter’s opmerking. Of liever, hywistwel wat het beduidde, maar ...voeldeanders. En alweer was z’n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem ’t meest aantrok was noch de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van ’t gezelschap. Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van ’t begrip:verkwisting, had de teekenaar ’n wynvaas doen omwerpen door ’n paar jachthonden...Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, ’t is te veel!...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf ’n wegloopende zoon was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich met zoo’n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. ’t Had eens moeten gebeuren in den huize Pieterse, al was ’t maar met ’n dubbeltjes-kruik scharrebier geweest!De teekenaar spreekt:“meent ge dat ik den verleidelyken indruk van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat er volgt?”Volstrekt niet! Zie maar:Derde tafereel. Heerlyk!Hoe romantisch is die wildernis! O, wie daar zoo mocht zitten op ’n rots, starende in de onpeilbare diepte van ’t verschiet, en ... alléén!Denken, denken, denken!Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor wat men te doen hebbe met z’n hart, z’n tyd, z’n elbogen, en z’n broek! De jonge man op ’t plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen en beenen zich op z’n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten voortdryven voorby z’n wydgeopende oogen! Men kon wis ’n dubbel stel longen gebruiken in zoo’n ruimte, en ook de ziel zou onbelemmerd in zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf denken zou, als-i ’t eens mocht gebracht hebben tot zoo’n verheven keizerschap over ’t onmetelyk Ryk: eenzaamheid!Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon z’n Femke zitten! O, goddelyk verloren-zyn ... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem ’n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor.En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men dan handig ’n hut ... voor Femke, natuurlyk.De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te hebben. ’t Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met ’r verkwisting. Och, dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook ’t eenige verdriet dat ’n rechtgeaarde verkwister uit de profane wereld meeneemt in de prettige woestyn.Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was, er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld met waarschuwende trekken. En ook de trog had ’n onsmakelyk voorkomen.—Als ’t my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal ze kammen!De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten en verloren-gaan.Maar ... ’tvierde? Evenmin! Minder nog!Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in de zuilengang, waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de thuisgebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel ... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is.Maar...hy?De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen in z’n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets van dit alles!Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare zwynen zelfs!En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydende tegenstelling met de burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit iets, en nam by Keesje’s vader osselappen op ’t weekboekje. Slechts nu-en-dan by hooge uitzondering ’n ribstuk.Op ’n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan met geld!En zie, ditmaal had-i aan z’n vriendelyke vyandin Laps iets te danken, dat hem weer ’n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad de Schrift by de zaak, toen deze haar—op z’n pietersens!—werd medegedeeld.Zysprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had graag geantwoord:—Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar ... och, mogen ’t deze keer geen schapen zyn?Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor ’t beoogde kammen, en dus ook niet voor ’t blauwzyden halsdasje dat Femke’s lievelingslam zoo snoepig staan zou.Maar ... ’n verkwister wàs-i, verzekerde ’t mensch.Goddank!

Strabbe’sregula van “menging” onder de oogen gezien, in-verband met de manier om onbruikbare zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel ’t pond verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke heldenmoed die van beter getuigt. Alweer JuffrouwLaps!

Strabbe’sregula van “menging” onder de oogen gezien, in-verband met de manier om onbruikbare zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel ’t pond verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke heldenmoed die van beter getuigt. Alweer JuffrouwLaps!

Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by ’t overgaan van een der pleintjes die men te Amsterdam “markten” noemt, op ’n bende van ’t gemeen, die bezig was de geschonden rechten der “huisjesmelkers” heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf.

—Die...massais niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich goed te doordringen van de pas opgedane wysheid.Domis ze niet! Misschien zelfs nietonwetend... neen, ook dit is onjuist. ’t Is maar dat ze... niets wetenmet hun allen. Zeker zyn er wel verstandige menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar... zich de moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het denkbeeld bracht dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet dat ze ’t kunnen.

’t Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou te zeggen gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonderlyk, maar niet door de “massa” die aan de wetten der logika slechts gehoorzaamt, voor-zoo-ver deze zich openbaren opdynamischewys. Vanhier dan ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt tot vorming van ’t geheel, zich beschouwt als daartoe niet te behooren, en zelfs zich daartegenover stelt. Ieder zegt: “ze” deden dit of dat. “De menschen” liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen. “Ze” wisten niet wat ze wilden. “Ze” waren gek, wreed, lafhartig, enz.

Niemand spreekt by zulke gelegenheden van “ik” noch zelfs van: “wy.” ’t Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent slechts de beweging tevolgen, en geen besef heeft hoe dat vermeende “volgen” wel degelyk de uitwerking heeft vanmeestuwen. Ook deze begoocheling komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in dynamische schatting, op ’n vergissing.

Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon tedenken, en dat het de moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z’n gemoed. Hy zag in dat de “massa” waarop hy stuitte, te laag stond om... dom te zyn.

Ook kon men ze—in hoedanigheid van “menigte” alweer—niet beschonken noemen, al zy ’t dan dat het getal nuchtere lieden die aan de samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit opzicht alzoo, was hier de kollektiviteit die we thans overal zien opdringen niets dan ’n fiktie.Een Menigtekan zoomin drinken alsdenken, en heeft dus even weinig kans om beschonken te zyn, als dom of verstandig.Een Menigteis, zielkundig gesproken, heel iets anders dan dit alles. Zy is niemendal.

Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode:om te geraken tot waarheid in het algemeen, kon Wouter zich nog niet inlaten. ’t Was al wèl dat-i over de ydelheid van ’t kwalificeeren-zelf nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus evenzeer opzedelykterrein toekomt aan den individu.

Hy voelde—en zeer ten-rechte, waarlyk!—dat hy hooger stond dan al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou gebleven zyn, al ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Pennewip ... ja, al was ’t die goede dokter Holsma.

Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen zou tot ’n deel van zóó’n geheel!

Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin kan opgaan in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid...

Wel zeker: “ieder moet handelen naar z’n eigen overtuiging!” Zóó had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de mogelykheid der toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met die overtuiging slordig omging? Als men haar vervalschte volgens Strabbe’s “regulavan menging?”

“Een kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuivers, en van zeven stuivers het pond, en wenscht...”

De goeie Strabbe geeft z’n kruieniers nooitSouchongvan geen-één stuiver te mengen onder de “massa” die hy verkoopen wil tegen zóóveel winst op het pond. Men bedenke dat ik van den goeden ouden tyd spreek.

En Wouter ging met denken voort.

...hy wenscht van al die theesoorten een... “massa”te maken...

Daar is ’t woord weer, het nieuwe woord van de Holsma’s! Welnu, gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop, vrees, liefde, haat, deugd, en vooral:zedelyke verantwoordelykheid... dit alles is geenthee, die men mengen kan om ze aan den man te brengen tegen zekeren prys!

Wie ’t beproeven zou, verrekent zich, omdat demenging zelf’n vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe’s rekentalent ontsnapte, maar begrepen wordt door beoefenaars derregula: “van den mensche en deszelfs eigenaardigheden.”

Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan Wouter behoort, en wat volgens de “Gezelschaps-rekening” den auteur toekomt. Daar echter de dissolatie der maatschap tusschen dien kleinen jongen en my, nog niet op-hand is, kunnen wy deze vraag ongelikwideerd laten. ’t Is wel mogelyk dat ik Wouter ’n beetje wyzer voorstelde dan-i nog wezen kon. Maar ... de kiem was gelegd. En vergaan zou zeniet!

We zyn weer op die “markt.”

Nog altyd stonden daar ’n paar oud-gedienden op post, en bewaakten... ik weet niet wat!

Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet Ze werden door de bestbespraakten onder ’t volk uitgescholden. “Bloeddieven” waren ze, en—de lezer raadt het zeker al—“opvreters van Stad en Land.”

Wouter vond—o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening!—dat ze ’r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels, en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de bekende kreet, als ’n beroep opzynhulp!

De toon was minder liefelyk, dat’s waar, dan Amalia’s:

Waar is... warre, warre, wou...Wouter die me redden zou?

Waar is... warre, warre, wou...

Wouter die me redden zou?

Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker kraken: “je bent iets... toon het!”

O, ’t prachtig evangelie van den hoogmoed! Dàt wil ik blyven verkondigen!

Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op zekere beleediging geantwoord:

—Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar ’n pruim tabak had!

—Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z’n nieuwbakken, speciale zaakkennis, als opgewonden door ’t denkbeeld dat hy ’n blyk geven kon niet tot de “massa” te behooren.

De man begreep noch ’t uitgesproken woord—negrohead—noch de bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z’n aanvallers geschaard had.

Wie kon ook raden dat zoo’n kleine jongen ’n geheel àndere beweegkracht in z’n ziel had, dan die waardoor zich de “massa” liet voortdryven?

—Komaan, jy snotjongen, hou jy ’r je nu maar liever buiten! Wacht tot je droog achter je ooren bent!

—Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door ’t gejoel heen.

—Hè?

—Tabak, negerhit... echte! riep Wouter.

—Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen kleinen zelfdenker stond. Lâ-de fent ferèkke!

“S...s-gauw late” beduidt: ietsvolstrektniet doen, iets zóó byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan ’t wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of ... ’n slag in ’t gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld.

Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend had van ’t prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei:

—Ikzal dien man tabak geven!

Ach, hoe heerlyk hy dat “ik” intoneerde! De “nieuwe hoed” uit z’n leeslesje was er niets by.

—Ikzal dien man tabak geven,ik!

“Of sterven!” zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon ’t hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als ’t gevorderd werd.

Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!

Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-winkel den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen van z’n zaakkennis. Al ware hyzelf in ’t bezit geweest van twee “gevestigde” zaken, hy had niet met meeraplombz’n bestelling kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog, en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te doen doorgaan voor ’n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die ’t wist, met ’n specialiteit!

Nu, ’t liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk het te veel betaalde terug.

Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma’s verliet! Dit had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in ’t heerlyk bezit gebleven van ’t geldstuk, dat z’n moeder hem had meegegeven “voor de meid” omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op ’t fatsoen gesteld was.

Maar ’t aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat, had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...

De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter ’t meest.

—Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met ’n stemmetje zoo zacht, op ’n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk en bescheiden...

Wat er ’n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen, waarvan geen enkele hem bedreigd had!

Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z’n heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven ’t hoofd—waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels opgestoken, dan dat peperhuis met ’n stuiver tabak!—en bereikte den man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had...

Wèg was z’n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer uittarting dan ’t aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden, zette hy den kerel z’n schouder in de lenden, en boorde zich dóór tot de voorste ry:

—Dáár, man! Ziedaar tabak—negerhit, weetje?—’n snotjongen ben ikniet!

De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z’n overtuiging: dat-i ’t wel s...s-gauw “late sou.” Hy scheen te vragen welke aanmerking de profeet te maken had op dit protest tegen z’n voorspelling?

De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte, sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet de verheugde tabakspruimer door ’n nogal bekende soldaten-aardigheid, de voorsten van den troep aan ’t lachen had gemaakt:

“beter ’n halve pruim in je mond, as ’n heel stuk in je... kraag!”

Al wat de voorvechter van ’t non-interventiestelsel tegen Wouter inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde...

O,Thermopylae! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O, Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z’n harnas ontgespen? Hoe is de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder, linkerheup, rozet...

De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat “die kleine jongen ’n s...s-brutale bliksem” was.

Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren dat de man zich bedroog. De door hem—tot z’n eigen verrassing waarlyk!—aan den dag gelegde moed was ’n uitvloeisel van geheel àndere gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen, beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden bestaan die hem ’n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en deze ervaring deed z’n ziel groeien.

In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond van dezen dag.

Och, als Femke ’t gezien had!

Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden van z’n leertyd op denZeedyk. Hier zag hy dagelyks het gemeene van even naby als op die markt, zonder daaraan ’t verheffend denkbeeld van stryd te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele heer Motto had hem ’n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven, en zelfs betuigd dat deze eigenschap “in den handel ’tvoornaamstewas.”

Nu, beleefd en vriendelyk wàs Wouter. Gewoonlyk meende hy dat de onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan z’n eigen onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en—als met de leugens—kwam soms de wensch in hem op: “wanneer toch zal ik groot genoeg zyn, om me zoo mannelyk uittedrukken?”

Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische bywoorden, wanneer z’n lektuur hem daarvoor niet bewaard had?

Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn voor deze soort van gemeenheid, door z’n onbederfbare lust in ’t exakte, een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich openbaart.

Eens was-i genoodzaakt geweest, ’n kwajongen die steenen in den winkel wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was ’n scheldwoord gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd bestorven ligt:dief! En wel met ’n onzindelyk toevoegsel dat nu niet ter-zake dient, en dat ik dus mag overslaan.

—Hoe kan die jongen beweren dat ik ’n dief ben, en ... zoo onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had gezegd dat ik hem ’n klap geven zou als-i weer met steenen wierp. Waarom noemt hy my nudief? Dat ’s iemand die steelt, niet waar?

De heer Motto was er de man niet naar, om ’t verschil tusschenschelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy had zich meer geërgerd over ’t gebrek aan logischen samenhang dan over de beleediging, en hierin lag inderdaad iets ... goddelyks. ’t Was ’n schending der wereld-orde, iemandate noemen omdat-ibwas. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van ’t 2 × 2 = 4! ’n Hinkend rym. ’n Onmogelykheid!

En... ’t straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig gemaakt, was nog ’n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van begeerlyke volwassenheid!

Maar ... maar ... al de wèl “groote” menschen? Vanwaar by hèn dan dat gedurig afwyken van ’t ware, juiste, stipte? Warenzyzoo achterlyk, of was die straatjongen z’n leeftyd vóór? Moest Wouter terug of moest-i vooruit, om aantelanden op ’t punt waar zich ’t grootste gedeelte van z’n omgeving scheen te bevinden? Zoud-i ooit ver genoeg komen om als de Weledele Heer Motto aan ’t hoofd te staan van twee “zaken” ... nu ja “gevestigd” waren ze na ’t overhaast vertrek van den patroon niet meer. Maar ’t waren “zaken” toch, en ... gevestigd geweest!

—Als ik den man hier had zou ik ’m verscheuren, zei de moeder. Ik dacht het wel dat-i met m’n geldje-n-op den loop zou gaan! ’k Heb ’t altyd gezegd, niet waar, Stoffel?

—Ja, moeder. Zoo’n cautie is ’n gevaarlyk ding...

—Dat heb je-n altyd van die menschen met ’r geloof! Ik vraag je, wat doet het er toe of men protestant is of ... wat anders! Wat heeft zoo’n man ’n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan... wegteloopen met ’n mensch z’n geld! Ik vraag je, wat doet er de godsdienst toe? Ik wou ... ik wou ... dat-i ’n roomsch jongetje genomen had, met ’n ... koussie van duizend!

—Ja, moeder, dit was zeker beter geweest.

—’n Roomsche is net zoo goed als ’n ander, dit zeg ik maar! Waarom zou ’n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen wegen, en boekhouden, en op den winkel passen, en ... koussies geven, als ’n griffermeerde? De menschen lyken wel mal met ’r verschil van geloof. De een is net zoo goed als de ander, vindje niet, Stoffel?

—Ja moeder.

—’t Is om ’r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo’n kerel nu in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar, Wouter, jy hebt ook schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat de man niet deugde. Konik’t weten, ik arme weduw die hier in m’n huiswerk zit?

—Moeder, ik wist het ook niet.

—Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er niet om of je moeder aan ’t bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen we nu met ’m beginnen? Naar zee gaat-iniet, dat zegik! Ik kan ’t voor God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo’n schip onder allerlei soort van volk komt, niet waar, Stoffel?

—Ja, moeder.

—En dat-i daar vloeken leert...

—Zeker, moeder.

—En z’n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet by z’n geloof blyft ...wat zeg jy, Stoffel?

—Ja, moeder, ’n mensch moet altyd by z’n geloof blyven.

—Honderd gulden! ’t Waren zeeuwen ... ik zie ze nog! Wat heeft zoo’n gemeene kerel ’n protestantsch jongetje te vragen?

“Wel,” veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z’n “geloof.”

Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens’huis. Deblundersin redeneering waaraan z’n verwanten zich schuldig maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Eén woord van Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen, maar debitjara kossoengvan z’n familie maakte niet veel meer indruk op hem dan ’t gegons van ’n byenzwerm.

Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit werd, al stonden ze dan niet hooger dan z’n huisgenooten. Juffrouw Laps, byv. was hem ’n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid prikkelend, studie-exemplaar. En z’n belangstelling in ’t oplossen van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer acht-sloeg op ’t gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar manieren.

Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en telkens onderging Wouter by die gelegenheden ’n reeks van tegenstrydige indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens ... och, er was niet uit het schepsel wys te worden.

Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel gespaarden schelling waren overgebleven...

Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien tyd had zich ’t besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen ’n flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar ’t weg-grissen van ’n paar stuivers ... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De helden uit z’n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.

Hoe dit zy, ’t uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest getroost worden over ’t gemis van de verteerbare Landen en Steden die anders z’n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren van ’t gebeurde. Hy sloeg in z’n relaas van de zaak, ’t gevaar dat-i geloopen had, over. En ... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne wat gestoft op z’n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z’n verkwisting, grooter was dan die op lof over z’n ... ja, hoe moet ik ’t noemen?

De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ookzeer kwalyk genomen, en ’t was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden niet had aangeroerd, waardoor z’n onpartydige mildheid was bestempeld geworden tot uittarting.

—Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z’n moeder. Jy verdient immers geen duit! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt?

By zulke toespraakjes viel ’t Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van z’n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf geen steun, want ... z’n moeder had niet geheel-en-al ongelyk!

Edelmoedigheid is ’n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog niet in, toch voelde hy z’n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de beschuldigingen die z’n moeder tegen hem inbracht.

Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de bewering dat-i gehandeld had als ’n gek. Dit werd te erger toen men de aanklacht overbracht op ’t laagste terrein dat men kiezen kon, op kinderachtigheid.

De moeder had het woord: “verkwisting” uitgesproken, maar Stoffel zette haar te-recht:

—Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het!

—Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen van zyn jaren ... als ze-n-’n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren hem. Of ... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen?

Misschien was Stoffel’s opmerking niet kwaad gemeend, maar ze wondde Wouter diep. Een “verkwister” is dan toch altyd ’n persoon, ’n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken!

“Prodigue, prodigue... asjeblieftprodigue!” mompelde hy treurig. Want—tot verbazing van den lezer misschien—hy kende dit woord.

In een der omnibus-slaapkamers hing ’n stelletje grof gekleurde platen die de parabel van den verloren zoon voorstelden. ’t Was ’n fransche uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie langen tyd in de vaste meening, dat de daarop voorkomende uitdrukking:prodigueniet anders kon beteekenen dan “verloren.” Dit had dan ook Stoffel tegen een van z’n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze fransche drukfout ...

—Want: “verloren” stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn.

...na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat debeteekenis van ’t woordprodigue: “verkwister” wezen kon. En in die benaming had Wouter veel zin.

Eerste tafereel.De zoon die bezig was met... verkwisten en verloren-gaan, neemt afscheid van z’n vader. De oudeheer had ’n purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf ... o hé! Er fladderde hem ’n mantel om de schouders—’t scheen erg te waaien in dien zuilengang!—’n mantel ... prinselyk! En z’n turksche broek was van puur goud! De jongen had ’n krommen sabel op-zy, en op z’n hoofd ’n tulband met aigrette ... zeker ’n onix, of sardonix, of paarl, of ... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. Zulke zaken kosten niets op ’n prent.

De oudeheer keek verdrietig—en daarin had de man geen ongelyk—maar ... al die beladen kameelen! En die slaven! En al die toestel voor ’n verre, verre reis! ’n Pikzwarte knecht hield ’n paard by den toom. ’n Ander den stygbeugel, en scheen te manen: “komaan, verloren-gaande zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!”

Welk jongetje zou niet graag zoo’n verloren zoon willen zyn? Die kromme sabel alleen was de zonde waard.

Tweede tafereel.Hm ...scabreus!Nu ja, maar niet voor Wouter, die in z’n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten en gedronken werd, en ’t gezelschap scheen eensgezind, want dat eene meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder van den verlorene. “Liever zóó verloren, dan anders gevonden” moest de indruk zyn dien ’t feest maakte op de verbeelding van ’n kind. De ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter’s opmerking. Of liever, hywistwel wat het beduidde, maar ...voeldeanders. En alweer was z’n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem ’t meest aantrok was noch de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van ’t gezelschap. Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van ’t begrip:verkwisting, had de teekenaar ’n wynvaas doen omwerpen door ’n paar jachthonden...

Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, ’t is te veel!

...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf ’n wegloopende zoon was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich met zoo’n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. ’t Had eens moeten gebeuren in den huize Pieterse, al was ’t maar met ’n dubbeltjes-kruik scharrebier geweest!

De teekenaar spreekt:“meent ge dat ik den verleidelyken indruk van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat er volgt?”

Volstrekt niet! Zie maar:

Derde tafereel. Heerlyk!Hoe romantisch is die wildernis! O, wie daar zoo mocht zitten op ’n rots, starende in de onpeilbare diepte van ’t verschiet, en ... alléén!

Denken, denken, denken!

Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor wat men te doen hebbe met z’n hart, z’n tyd, z’n elbogen, en z’n broek! De jonge man op ’t plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen en beenen zich op z’n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten voortdryven voorby z’n wydgeopende oogen! Men kon wis ’n dubbel stel longen gebruiken in zoo’n ruimte, en ook de ziel zou onbelemmerd in zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf denken zou, als-i ’t eens mocht gebracht hebben tot zoo’n verheven keizerschap over ’t onmetelyk Ryk: eenzaamheid!

Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon z’n Femke zitten! O, goddelyk verloren-zyn ... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem ’n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor.

En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men dan handig ’n hut ... voor Femke, natuurlyk.

De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te hebben. ’t Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met ’r verkwisting. Och, dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook ’t eenige verdriet dat ’n rechtgeaarde verkwister uit de profane wereld meeneemt in de prettige woestyn.

Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was, er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld met waarschuwende trekken. En ook de trog had ’n onsmakelyk voorkomen.

—Als ’t my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal ze kammen!

De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten en verloren-gaan.

Maar ... ’tvierde? Evenmin! Minder nog!

Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in de zuilengang, waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de thuisgebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel ... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is.

Maar...hy?De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen in z’n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets van dit alles!

Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare zwynen zelfs!

En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydende tegenstelling met de burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit iets, en nam by Keesje’s vader osselappen op ’t weekboekje. Slechts nu-en-dan by hooge uitzondering ’n ribstuk.

Op ’n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan met geld!

En zie, ditmaal had-i aan z’n vriendelyke vyandin Laps iets te danken, dat hem weer ’n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad de Schrift by de zaak, toen deze haar—op z’n pietersens!—werd medegedeeld.Zysprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had graag geantwoord:

—Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar ... och, mogen ’t deze keer geen schapen zyn?

Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor ’t beoogde kammen, en dus ook niet voor ’t blauwzyden halsdasje dat Femke’s lievelingslam zoo snoepig staan zou.

Maar ... ’n verkwister wàs-i, verzekerde ’t mensch.

Goddank!


Back to IndexNext