Chapter 2

Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walg’lyks òm my.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen?1Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer geschiedenis, en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in ’n stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van valsch haar. De held van deze historie verdedigd tegen ’t vermoeden van misdaad. Apothéose van Glorioso. ’t Gevaar van den roem, en de veiligheid van ’t bovenste plankje. De geduldige Kat van vader Van Alphen, die nooit zooveel geduld noodig had—ik meen de Kat—als de kinderen die z’n versjes moesten leeren—de versjes van Van Alphen, meen ik—en als de martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze moesten aanhooren.Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt, zal ik ’n paar punten opgeven alsjalons.M’n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. ’t Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. “Dat was zoo zuinig, meende de ziel, om ’t schoeisel.” Daaruit zou men nu weer besluiten dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was.Hoe dit zy, ’t is lang geleden. Men zeide nog niet: ik hebbepaaldpyn in ’t hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, deinkomende Rechtenbestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan anevrismen. Ja, ’t is lang geleden.Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraathartenstraatgenoemd wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat? Nooit heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker beteekent.Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het ’n straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is.Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische voorvallen. Men ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke stand wordt geregeld bygehouden... er is geenGhettogeenTemplebar, geen “Chinesche kamp”, geenCour des miracles... wie er ’n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heeten Mietjen of Jansjen. Alles proza.Er is moed noodig om ’n verhaal te doen aanvangen in ’n plaats die op “dam” uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence’s of Héloïzes kan laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang geprofaneerd zyn.Hoe maken ’t toch de fransche schryvers om hun Margots en hun Marions aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri’s en Ernesten die evenzeer doen denken aanM’sieuHenri enM’sieuErnest uit dennouveauté-winkel, als onze burgwallen aan vuil water?Göthe was ’n moedig man:Grietje,Klaartje...En ik: in de hartenstraat!Maar ik schryf geen roman, dat ’s waar. En al schreef ik ’n roman, dan nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis! En wel van iemand die in z’n jeugd verliefd werd op ’n houtzaagmolen, en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.Want verliefdheid is ’n kwaal, al is ’t maar op ’n molen.Men ziet dat m’n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als ’t me wat al te mager voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals de Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geenEau de Lobhebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit ’n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.In de hartenstraat dan was ’n leesbibliotheek. Een kleine jongen met ’n stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het was hem aantezien dat-i gebukt ging onder ’n plan boven z’n kracht.Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens veranderde hy die halfvolbrachte beweging in ’n onnoodig neertrekken van ’t rechthoekig hemdskraagje dat als ’n juk op z’n schouders lag, of in ’n even onnoodig tegenhouden van ’n gemaakte kuch.Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-prenten die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten tot ’n staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en onmogelyke soldaten, dwaalde z’n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die vreest betrapt te worden op misdryf. ’t Was duidelyk dat-i ’n opzet in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder ’t opgeschort kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z’n broekzak, zou allicht op ’t denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was huisbraak te plegen, of zoo-iets.Want hy heette Wouter.’t Is wel gelukkig dat ik op ’t idee ben gekomen z’n geschiedenis te verhalen, en ik beschouw ’t als ’n eerste plicht u te zeggen dat-i volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord.Maar ’t zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen vryspreken van andere vergrypen. ’t Voorwerp dat hy heen-en-weer keerde in z’n linkerbroekzak, was wel geenrossignol, geenpasse-partout,geencasse-tête, geentomahawkofmachine infernale... maar toch ’n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i z’n Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stalleman opd’ouwenbrug, en ’t plan dat hem zoo kleven deed aan die stoep in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z’n intrede in de tooverwereld der romanlektuur: hy wildeGloriosolezen.Glorioso!Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso!Al de Rinaldini’s en Fra Diavolo’s van later tyden mogen niet op één dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die gravinnen schaakte by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare menschen, en Wouter Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering.Maar dit laatste was Glorioso’s schuld niet, zeker niet. Men zou schromen ’n held of ’n genie te wezen—of ’n roover zelfs—als men daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden die na jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig te worden.Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die na m’n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar kennis myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m’n weg naar roem niet laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal ’n Nieuw-Testament met gezangen kon worden verkwanseld voor ’t “Leven en de daden van Multatuli”, schoon ik ’t niet duur vinden zou.—Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders, ga heen.Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten doen vanGlorioso. Want de man die, bukkende over de toonbank, zich als ’n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held die woorden toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terugkeeren, als-i eenmaal toornig was gemaakt door doelloos “malen” aan de deur. Althans Wouter, die eerst den moed niet had binnentegaan, durfde nu niet wegloopen. Hy voelde zich binnengetrokken... ’t was of de boekwinkel hem inslikte.—Glorioso... asjeblieft, m’nheer, en hier...Hy haalde z’nmachine infernalevoor den dag.... en hier isgeld!Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken met de romanziekte, dat men in ’n leesbibliotheek “pand” eischte van onbekende klanten.De boekenman scheen zich “gedekt” te achten door de neergelegde veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast ’n deeltje dat, vet en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel onzindelyk genot.Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen op de lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun onbezoedeld gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid. Maar ’t is niet moeielyk rein te blyven als men op de bovensteplank staat, en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die preeken ongelyk hadden. En dat vind ik van veel preeken.Na met ’n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i heette, verstopte Wouter z’n misdadig geluk onder ’t helend kieltje, en vloog de deur uit, schichtig als ’n kat die haar prooi beet heeft, nadat ze “uren lang gedoken zat.”1Noot van I. 360–361.Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman op Wouter’s heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met ’n wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote menschen bezien door de kleine.Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet. Daar toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want de ruimte was bekrompen.Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan ’n poort die hy zich herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i niet, en ik ook niet. ’t Was ’n platte lage poort in welks buurt het altyd zoo naar asch rook, en waar-i eens dien sprong had gedaan, toen hy met Fransje Halleman was weggebleven van de katechizatie, die meende dat Wouter niet durfde wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl, en deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z’n durven.Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed thuis was inHabakuk, wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschryven tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien ’n barometer in z’n verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd waarschuwde als ’t regenen zou.In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter’s overgang van de kinderlektuur tot de boeken waarin van “groote menschen” wordt verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich geschokt in z’n eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van de papieren perzikken der naarstigheid. Andere perzikken kende hy niet, omdat die zoo niet voorkomen in ’n burgerhuishouden.Niets was natuurlyker dan dat-i vurig verlangde met z’n grootere makkers op de school te kunnen meespreken over de wonderen die er gebeuren in de werkelyke wereld, waar men in ’n koets rydt, steden verwoest, prinsessen trouwt, en ’s avends opblyft na tienen, al is er niemand jarig. Ook bedient men zichzelf aan tafel in die wereld, en heeft maar te kiezen wat men gebruiken wil. Zoo meenen de kinderen.11In I. 364 trekt M. een parallel tusschen de ontwikkeling van individu en menschheid: “Ieder knaap heeft z’n heldeneeuw en ’t menschdom heeft ’n kieltje met ’n jukdraagje gedragen”.Een Italiaansche roover op ’n buitensingel te Amsterdam. Proefje van ’t bitter lyden der deugdzame Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe eerlykheid ryk maakt.Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen, toen-i heel ongevoelig voor de afwezige schoonheid van ’t landschap aan ’n moddersloot kwam, waarover ’n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar, na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was, en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z’n roover.Ik heb ’n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot te maken van Wouter’s genot, door ’t leveren eener schets van ’t onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso’s geschiedenis niet recht ken—wat me trouwens niet volstrekt beletten zou er over te spreke—heb ik u veel andere zaken te verhalen van dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg te nemen overd’ouwen-brug. Laat het u genoeg zyn te weten dat het “heel mooi” was. “De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht, aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen, met derzelver zilte tranen... kortom, ’t was treffend. Ook was er meer zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond ’n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen die Wouter vergeefs tegen ’t licht hield om er meer van te weten.Hy las tot “sterf verrader”. Toen was ’t donker, en hy begreep dat het tyd werd ’n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de Hallemannetjes “datzulke fatsoenlyke kinderen waren.” Met weerzin sloot hy ’t dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde beknord te worden over z’n lang uitblyven.“Hy zou nooit weer permissie krygen” werd er by zoo’n gelegenheid gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe wist-i te goed dat men graag de kinderen “eens van de vloer heeft, als men zoo klein behuisd is.” En: “de Hallemannetjes waren zoo buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast ’n huis met ’n balkon, en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen.”Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef van m’n geloof, wil ik hier ’n voorval inlasschen dat iets vroeger had plaats gevonden.Wouter ontving geen zakgeld. Z’n moeder zei dat hoefde niet omdat hy thuis alles kreeg wat-i noodig had. ’t Stuitte hem altyd te moeten wachten op vergunning om “meetedoen” als z’n kameraadjesmet den bal speelden, en hem verweten dat hy ’t zyne niet had bygedragen tot aanschaffing van dat meubel. ’t Kostte drie duiten in Wouter’s tyd. Nu zal ’t wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de staathuishoudkunde.En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z’n voortdurende geldeloosheid. Later zullen we zien of ’t waar was, wat z’n moeder zei, dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over ’n kleinigheid te beschikkennaar eigen wil. Wat toch zoo heel prettig is voor kinderen. En voor menschen.De Hallemannetjes—die zoo byzonder fatsoenlyk waren—gaven hem heel duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te dragen van ’t verkeer. Fransje berekende dat Wouter’s vriendschap hun al negen stuivers gekost had—wat ik duur vind, niet om de vriendschap, maar om ’t berekenen—en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig had om z’n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou omdat i ’n insteekpakje droeg.1Maar de griften had ze aangenomen, en overgedaan aan Gus voor ’n zoen.De bittere verwyten der Hallemannetjes—die zoo byzonder fatsoenlyk waren—maakten Wouter wanhopig.—Ik heb gevraagd aan m’n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.—Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjesd. z. b. f. w.Je bent ’n klaplooper.Wouter hoorde dit woord voor ’t eerst, maar begreep het terstond. Niets maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.—Klaplooper, klaplooper... ik ben ’n klaplooper!Schreiend liep hy heen, en koos ’n omweg om de straat te myden, waar lange Ceciel’s vader ’n lappenwinkel “deed”. Och, als ze gezien had hoe hy als ’n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was èrger dan de broek boven ’t buisje.—Klaplooper, klaplooper!Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren, maar ze huilden er niet om als Wouter.—Klaplooper!Hy zag ’n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. ’t Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.—Klaplooper!Daar kwam de man van de vuilniskar, die ’t woord naklepperde met z’n ratel, ’t Was niet uittehouden!Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjesd. z. b. f. w.hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te behalen op ’n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had men ’n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor ’n duit zou ’t voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moestkapitaalwezen. Zy zouden de inkoopen doen,zyzouden zich belasten met den verkoop, en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.—Klaplooper... klaplooper...Wouterstal’n gulden uit het “knipje” van z’n moeder, en bracht die aan de Hallemannetjesd. z. b. f. w.—Hoe kom je ’r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had om te antwoorden, en tevens dat-i ’t antwoord niet verstond, dat deze gaf door zwygende verlegenheid.—Hoe kom je ’r aan—zonder vraagteeken alzoo—zie, nu zullen Franssie en ik ieder ’n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan koopenwyde peperment. Op de Rozengracht is ’n fabriek... zóó’n zak voor vier schellingen!Wyzullen al de moeite doen, Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten, weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld—hy zal betalen na de vakantie—wyzullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou ’n daalder teruggeven in ’t knipje van z’n moeder, en voor lange Ceciel ’n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in ’t hout van z’n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan ’n paar griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot ’n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig insliep, in de hoop dat-i weldra ’n goed geweten hebben zou over ’t bestolen knipjen en ’n voldaan hart over z’n liefde tot lange Ceciel.Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en ’t fatsoen van de Hallemannetjes!Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder ’t gewicht van ’n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten of Kris Kloskamp z’n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen geen zak peperment droeg, maar bovendien ’n zeer ernstig gezicht meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.—Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder ’n woord te spreken. Hy was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag anders te uiten dan door ’t geluideloos openen van z’n mond en ’t vooruitsteken van zyn gelaat.—Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z’n geweten en z’n hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend “moeder’s knipje” weg, houtborend potlood dat ’n opening klieven zou in ’t hart van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg!—Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...—Ja...a...a, hikte de arme jongen.—En die Kris Kloskamp, die ’r twaalf besteld heeft, weetje?...—Ja...a...a...Of Kris ook smelten zou?...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.—Zoo...o...o?—Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik, dat er veel minder in ’n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment tegenwoordig heel zwaar is, weetje?—Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in levensgevaar ’n “eerst” beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet ’t weeromgeven.En hy bood Wouter ’n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig woog op z’n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i ’t... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op dat oogenblik.Fransje stak ’t zware pepermentjen in z’n mond, en zei, al zuigende:—Ja wezenlyk, heel zwaar... ’t is engelsche, weetje? En dan is ’r nog wat... niet waar Gus? ’t Fatsoen! Toe Gus, zeg jy ’t maar.—’t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.—We meenen ’t fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde.Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.—Zeg jy ’t maar, Gus.—Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met ’n zakje, en by ons “op” de gracht...—Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont m’nheer Krullewinkel die ’n buiten heeft...—En ’n balkon ...—’t Is maar om ’t fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek komt, dan prezenteert onze mama...—Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is van zilver...—Né, Franssie... maar ’t is net als zilver, weetje Wouter?De arme jongen zei maar dat-i ’t wist, hopende eindelyk te weten te komen wat-i inderdaadnietwist: het verband tusschen al die dingen enzynvervlogen hoop. Hy stamelde:—Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?—’t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.—Ja. Gus.—En braaf.—Ja...a...a... Franssie!Arme Wouter!—En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...—Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als ’t winter wordt kan je ’t zien, dan gaat-i rond met ’n weesjongen...—Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...—Dat je...—Die gulden...—Die gulden, weetje?—Dat je ’m niet...—Dat je ’r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die ’n tweede pepermentjen uit z’n zak haalde en in den mond stak, tot versterking zeker na dat beslissend woord.’t Was er uit! Arme, arme Wouter!—En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maargelykdeelen... dat is afgesproken!—Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt...wyhebben al de moeite gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en alzoo... Wouter ontving acht stuivers.—Weetje, zei Gus, ’t is omdat onze pa diaken is.—Ja... en onze tabakspot... al is ’t dan geen zilver, ’t lykt precies op zilver.Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan ’n uitvindsel van Wouter’s moeder, omdat ze “nauw behuisd” was. ’t Is de vraag of zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in ’t huishouden.21De overgang van zoo’n “insteekpakjen” op ’t “buisje boven den broek” was ’n enorme sprong, vooral omdat daarby ’nvestte-pas kwam, waarvoor by zoo’n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het buisje gesloten, en de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of die hierarchie in ’t kindertoilet nog bestaat, is me onbekend. In Wouter’s tyd speelde ze ’n groote rol. En ook jaren daarna. Ikzelf heb menigen traan geschreid omdat het “open buis” met daarby behoorend “vest” my onmenschelyk lang onthouden werd. (M.)2In I. 366 schryft M. ’t ontstaan van veel wetten en zeden toe aan gebrek aan ruimte.Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de rechtbank van ’t geweten. De onmannelykheid der natie, volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de gebreken van Leentje, beschouwd uit ’n menschenvriendelyk oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen van ’t vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip’s eer. Leentje’s onzichtbaar talent om kleeren en zielen te herstellen.Hoe ’t zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte, Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent den oorsprong. Over z’n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z’n nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z’n uitstapjen in de Abruzzen, en by z’n terugkeer in Amsterdam viel hem de herinnering aan z’n boosheid—of liever ’t voorzien van de straf die er volgen zou op die boosheid—drukkend zwaar op ’t gemoed.Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou ’t Nieuw-Testament niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de week zou er niet naar gevraagd worden.Nogeens: ’t was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of zoo-iets van dagelyksch gebruik...Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vettenGloriosoachter de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong z’n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z’n moeder ’t nooit geweten heeft.Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik weet niet of “broek” mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken, vooral omdat ik ’t toch niet begrypen zou, al vond ik “broek, m.” in ’n woordenlystje. Onlangs vond ik géénm.achternatie. Dat zal ’n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.Of Wouters’s broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en ’s avends ’n boterham.Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: “goeien avend, juffrouw. Goeien avend, m’nheer en jonge-juffrouwen. Goeien avend, Wouter”... en de rest.Want Wouter’s moeder heette “juffrouw” om de schoenmakery. De jonge-juffrouwen waren z’n zusters, die dansen geleerd hadden. En z’n broer was “m’nheer” sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z’n buis gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en “Stoffel” paste toen niet langer, meende Wouter’s moeder. Maar dezen noemde Leentje eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar ’n kleine jongen was. Ook was hy haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze ’n booze tong voerde. Ze zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken inde Nederlanden.Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers en ’n boterham? ’k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch niet aangenaam in den omgang.Dat Leentje scheef was, kwam van ’t aanhoudend naaien. Ze hield het gansche gezin “heel” en verstond de kunst om een broek, twee buisjes en ’n lakenschen pet te maken uit ’n duffelsche jas, en toch schoten er nog lappen over voor desous-piedsdie Stoffel noodig had voor z’n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door ’n fout in Euklides.Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De “jonge-juffrouwen” spraken gedurig van “stand” en “dat ieder op z’n plaats moest blyven.” Dit gold háár. Leentje’s vader namelyk was ’n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de jonge-juffrouwen had ’n winkel “gedaan” waarin-i schoenen verkocht die uit Parys kwamen. Dit maakt ’n groot verschil. Want het is deftiger iets te verkoopen dat gemaakt is door ’n ander, dan zelf wat te maken.De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid van ’t wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was ’t er geweest, het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje.1Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z’n hemdsboordjes, “die zoo nadeelig werkte op ’t respekt” en klaagde dat ze hem altyd zoo mal aankeek, als-i “heeren had.”Dat “heeren hebben” was ’nprivatissimumover de leerwyze van Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet geslaagd in ’t wegbyten van ’n lach, toen ze Stoffel z’n naam hoorde spellen, en uitvaren tegen ’t onkiesche ouwerwetsche “esse té” dat dan ook leelyk is.En dan, die bessen met suiker!Aldus had ieder z’n grieven tegen ’t arme Leentje. Maar Wouter hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel genoodzaakt was, of genoopt althans, z’n troost te zoeken by haar. Want alle aandoening zoekt ’n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.Wouter’s moeder noemde hem: “die jongen.” Z’n broers—er waren er meer dan Stoffel—beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem ’n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De zusters verklaarden hem voor “sleets” of “sleetsch.” Ik weet niet hoe ze ’t spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond het schande dat men niet meer “werk maakte van ’n jongen als hy.” Ze scheen dus te hebben ingezien dat-i niet ’n kind was als ’n ander. En dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z’n geschiedenis te vertellen.Tot kort na de expeditie naarouwenbrug, hartenstraat en aschpoort, was Leentje Wouter’s eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z’n smart over de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm “redelyk” gaf, en “uitmuntend” met ’n krul, aan ’t roodharig Keesje. Aan Keesje, die geen “som” alleen wist te maken en altyd steken bleef in de hollandsche graven.—Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in ’t huis van Beieren... ’t is wel schande! En dat om ’n duit op ’t pond.Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje’s vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die graven en hun gedurig verhuizen.Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van ’s mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was door Keesje’s voorzitterschap. Want waar onze eer in ’t spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van ’n ander.Of, als z’n broers hem plaagden met ’n sarrend “professer Wouter”... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat “mal gekrabbel op ’t behangsel”... of, als z’n moeder hem strafte voor dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was ’t altyd Leentje die Wouter’s gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze den winkelhaak in z’n kleeren onzichtbaar maakte met ’n onnavolgbaar “heen-en-weertje.”O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat al bemoediging lag er in je maasbal, wat ’n zalving in je liefderyk:—Daar heb je-n-’n naald, en ’n draad, en ’n lapje... naai ’n zakje voor je griften, m’n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig overgingen van ’n eene huis in ’t ander.1In deIdeen368, 370, 372–374 wordt gehandeld over het geweten en den bybel, over deugd en zindelykheid en over het verschil tusschen zeggen en doen.Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende terugblik op Scelerajoso’s dood, dien we, om ’t gevoel des lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreidebinnenlandsche betrekkingen, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen eener eigenaardige stofwisseling.Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van ’t wegmaken van z’n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig en beweerde dus dat zoo’n jongen opgroeide voor de galg, want:—Men begon met ’n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met wat anders.Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch datanderewel wezen zou, als men begonnen was met ’n bybel. Ik denk dat zyzelf ’t niet wist, en dat ze ’t maar zoo zeide om de menschen in den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de zaken verstond dan zy uiten wilde. ’t Is my wel, schoon ’k niet houd van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als ’t myn zaak geweest was, zou ’k juffrouw Laps den duim tusschen de deur gezet hebben.Stoffel hield ’n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met ’n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: “dat de eer van de familie opd’ouwenbrugwas verloren gegaan, dat hy, als “eenige” oudste zoon van ’n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van ’t huis...—Van Beieren, zei Leentje zacht....dat ’n huwelyk of ’nandere konditievoor de meisjes kon afspringen door Wouter’s schuld, want dat niemand zou willen tedoen hebben met meisjes, die... in ’t kort, Stoffel beweerde “dat het schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg van ’t feit. Hy had duidelyk bemerkt dat “de jongens” er ook al van wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken.”En eindelyk: “dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt1te gaan, omdat die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke voorspelling van juffrouw Laps omtrent Wouter’s toekomst.”Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend was.Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken werd van “dat andere” dat komen zou volgens juffrouwLaps, droomde hy van z’n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen.’t Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot het openbaren der wyze waarop hy ’t ontvangen geld had besteed, ydel waren. Men moest daarvan afzien, na ’t vruchteloos aanwenden van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood, brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk, juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we gezien hebben.Zoodra ’t hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z’n boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z’n held, die op ’t laatste blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de deugdzame Elvira.Toen Wouter z’n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z’n blik aangetrokken door amandeltaartjes by ’n banketbakker op den hoek. Hy handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig zoo’n held optevolgen, en binnen weinig tyds was ’t overschot van ’t Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer veranderde.Wat het aandeel der “gezangen” betreft in het saldo dat Wouter restte na z’n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste stof tot ’n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde, en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor de schoolrust.1Op die markt namelyk werd gegeeseld, gebrandmerkt en gehangen, in die dagen. (M.)Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.Pennewip was ’n man van den ouden stempel.1Zoo althans zoud-i ons nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z’n gryze schooljas, dyvest, korte broek met gespen, en dat alles gekroond met ’n bruin pruikje, dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in ’t begin der week altyd zoo krulde als er geen regen aan de lucht was. Want krullen kunnen geen nat verdragen, en zondags kwam de man met het yzer.Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men ’tzelfde van ons zal zeggen. Hoe dit zy, de man heettemeester, z’n school was ’nschoolen geeninstituut, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik vind het ’n vreemde manier van vooruitgang, de dingenanders te noemen dan ze werkelyk heeten. Op z’n school, waar volgens de naïve gewoonte van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men—of kón men leeren—lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in ’t verzenmaken, een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.Hy maakte de jongens “klaar” tot het “aannemen” toe, en met behulp van z’n vrouw voerde hy de meisjes op tot ’n merklap met ’n rood vader-ons op zwarten grond, of ’n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden van onzen tegenwoordigen burgerstand.Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het is ’n kind nutter te weten hoe ’t koren groeit, dan het te kunnen toespreken in vreemde taal. Maar ’t zou kunnen samengaan.Buiten ’t verzenmaken bereed meester Pennewip nog ’n stokpaardje, dat hem boven ieder ander aanspraak gaf op ’n troon. Hy was bezeten door de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van ’n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip’s onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot familiën,genera, klassen,speciesen onderdeelen, en maakte alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot ’n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te beweren dat Wouter’s Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn, als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man behoorde, die ’t gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip’s verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m’n lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken—dataprès-toutniet verboden is—wanneer ik niet voorzag weldra ’n paar gedichten van z’n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield—waarby de goeieman stoutweg den mensch ’n ziel gaf—volgde ’n stelsel dat er uitzag als ’n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogtestonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche dingen—mits tweepaardig—advokaten en ongedokterde dominees, kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en zoo voort. Wysgeeren—maar ze moesten ’nstelselhebben—dokters met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis.BURGERSTAND, IIIeKLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.Burgermenschen “op kamers” wonende.a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren denKerstnacht.De meisjes heetenLena, Maria,soms—maar zelden—Louise.Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op ’n kantoor. Houden meid, naaister, en ’n “mensch voor ’t grove werk.” De was nat thuis. Lezen preeken vanv.d. Palm.Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die “tweemaal schellen.” (Zie b2)Leentje, Mietje, Jansje. Louisekomt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met ’n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, “halve naaister” en ’n “mensch.” Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven.b2) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met ’n “mensch.” Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. ’t Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heetenLouw, PietofGerrit,en gaan “op” horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in ’t portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan “heel fatsoenlyke menschen.” Lezen den Haarlemmer samen met III 7, b2(Pp.)Geen meid of “mensch” maar ’n naaister van zeven stuivers en ’n boteram...Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter’s omgeving, en begrypt waarom ik z’n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor ’t eerst zagen in de hartenstraat.1I. 378 bevat een beschouwing over groote mannen en schoolmeesters.

Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walg’lyks òm my.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen?1Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer geschiedenis, en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in ’n stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van valsch haar. De held van deze historie verdedigd tegen ’t vermoeden van misdaad. Apothéose van Glorioso. ’t Gevaar van den roem, en de veiligheid van ’t bovenste plankje. De geduldige Kat van vader Van Alphen, die nooit zooveel geduld noodig had—ik meen de Kat—als de kinderen die z’n versjes moesten leeren—de versjes van Van Alphen, meen ik—en als de martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze moesten aanhooren.Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt, zal ik ’n paar punten opgeven alsjalons.M’n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. ’t Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. “Dat was zoo zuinig, meende de ziel, om ’t schoeisel.” Daaruit zou men nu weer besluiten dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was.Hoe dit zy, ’t is lang geleden. Men zeide nog niet: ik hebbepaaldpyn in ’t hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, deinkomende Rechtenbestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan anevrismen. Ja, ’t is lang geleden.Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraathartenstraatgenoemd wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat? Nooit heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker beteekent.Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het ’n straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is.Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische voorvallen. Men ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke stand wordt geregeld bygehouden... er is geenGhettogeenTemplebar, geen “Chinesche kamp”, geenCour des miracles... wie er ’n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heeten Mietjen of Jansjen. Alles proza.Er is moed noodig om ’n verhaal te doen aanvangen in ’n plaats die op “dam” uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence’s of Héloïzes kan laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang geprofaneerd zyn.Hoe maken ’t toch de fransche schryvers om hun Margots en hun Marions aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri’s en Ernesten die evenzeer doen denken aanM’sieuHenri enM’sieuErnest uit dennouveauté-winkel, als onze burgwallen aan vuil water?Göthe was ’n moedig man:Grietje,Klaartje...En ik: in de hartenstraat!Maar ik schryf geen roman, dat ’s waar. En al schreef ik ’n roman, dan nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis! En wel van iemand die in z’n jeugd verliefd werd op ’n houtzaagmolen, en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.Want verliefdheid is ’n kwaal, al is ’t maar op ’n molen.Men ziet dat m’n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als ’t me wat al te mager voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals de Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geenEau de Lobhebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit ’n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.In de hartenstraat dan was ’n leesbibliotheek. Een kleine jongen met ’n stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het was hem aantezien dat-i gebukt ging onder ’n plan boven z’n kracht.Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens veranderde hy die halfvolbrachte beweging in ’n onnoodig neertrekken van ’t rechthoekig hemdskraagje dat als ’n juk op z’n schouders lag, of in ’n even onnoodig tegenhouden van ’n gemaakte kuch.Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-prenten die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten tot ’n staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en onmogelyke soldaten, dwaalde z’n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die vreest betrapt te worden op misdryf. ’t Was duidelyk dat-i ’n opzet in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder ’t opgeschort kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z’n broekzak, zou allicht op ’t denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was huisbraak te plegen, of zoo-iets.Want hy heette Wouter.’t Is wel gelukkig dat ik op ’t idee ben gekomen z’n geschiedenis te verhalen, en ik beschouw ’t als ’n eerste plicht u te zeggen dat-i volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord.Maar ’t zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen vryspreken van andere vergrypen. ’t Voorwerp dat hy heen-en-weer keerde in z’n linkerbroekzak, was wel geenrossignol, geenpasse-partout,geencasse-tête, geentomahawkofmachine infernale... maar toch ’n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i z’n Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stalleman opd’ouwenbrug, en ’t plan dat hem zoo kleven deed aan die stoep in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z’n intrede in de tooverwereld der romanlektuur: hy wildeGloriosolezen.Glorioso!Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso!Al de Rinaldini’s en Fra Diavolo’s van later tyden mogen niet op één dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die gravinnen schaakte by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare menschen, en Wouter Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering.Maar dit laatste was Glorioso’s schuld niet, zeker niet. Men zou schromen ’n held of ’n genie te wezen—of ’n roover zelfs—als men daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden die na jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig te worden.Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die na m’n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar kennis myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m’n weg naar roem niet laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal ’n Nieuw-Testament met gezangen kon worden verkwanseld voor ’t “Leven en de daden van Multatuli”, schoon ik ’t niet duur vinden zou.—Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders, ga heen.Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten doen vanGlorioso. Want de man die, bukkende over de toonbank, zich als ’n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held die woorden toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terugkeeren, als-i eenmaal toornig was gemaakt door doelloos “malen” aan de deur. Althans Wouter, die eerst den moed niet had binnentegaan, durfde nu niet wegloopen. Hy voelde zich binnengetrokken... ’t was of de boekwinkel hem inslikte.—Glorioso... asjeblieft, m’nheer, en hier...Hy haalde z’nmachine infernalevoor den dag.... en hier isgeld!Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken met de romanziekte, dat men in ’n leesbibliotheek “pand” eischte van onbekende klanten.De boekenman scheen zich “gedekt” te achten door de neergelegde veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast ’n deeltje dat, vet en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel onzindelyk genot.Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen op de lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun onbezoedeld gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid. Maar ’t is niet moeielyk rein te blyven als men op de bovensteplank staat, en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die preeken ongelyk hadden. En dat vind ik van veel preeken.Na met ’n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i heette, verstopte Wouter z’n misdadig geluk onder ’t helend kieltje, en vloog de deur uit, schichtig als ’n kat die haar prooi beet heeft, nadat ze “uren lang gedoken zat.”1Noot van I. 360–361.

Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walg’lyks òm my.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen?1

Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walg’lyks òm my.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen?1

Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.

Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walg’lyks òm my.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen?1

Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer geschiedenis, en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in ’n stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van valsch haar. De held van deze historie verdedigd tegen ’t vermoeden van misdaad. Apothéose van Glorioso. ’t Gevaar van den roem, en de veiligheid van ’t bovenste plankje. De geduldige Kat van vader Van Alphen, die nooit zooveel geduld noodig had—ik meen de Kat—als de kinderen die z’n versjes moesten leeren—de versjes van Van Alphen, meen ik—en als de martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze moesten aanhooren.

Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt, zal ik ’n paar punten opgeven alsjalons.

M’n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. ’t Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. “Dat was zoo zuinig, meende de ziel, om ’t schoeisel.” Daaruit zou men nu weer besluiten dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was.

Hoe dit zy, ’t is lang geleden. Men zeide nog niet: ik hebbepaaldpyn in ’t hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, deinkomende Rechtenbestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan anevrismen. Ja, ’t is lang geleden.

Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraathartenstraatgenoemd wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat? Nooit heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker beteekent.

Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het ’n straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is.

Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische voorvallen. Men ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke stand wordt geregeld bygehouden... er is geenGhettogeenTemplebar, geen “Chinesche kamp”, geenCour des miracles... wie er ’n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heeten Mietjen of Jansjen. Alles proza.

Er is moed noodig om ’n verhaal te doen aanvangen in ’n plaats die op “dam” uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence’s of Héloïzes kan laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang geprofaneerd zyn.

Hoe maken ’t toch de fransche schryvers om hun Margots en hun Marions aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri’s en Ernesten die evenzeer doen denken aanM’sieuHenri enM’sieuErnest uit dennouveauté-winkel, als onze burgwallen aan vuil water?

Göthe was ’n moedig man:Grietje,Klaartje...

En ik: in de hartenstraat!

Maar ik schryf geen roman, dat ’s waar. En al schreef ik ’n roman, dan nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis! En wel van iemand die in z’n jeugd verliefd werd op ’n houtzaagmolen, en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.

Want verliefdheid is ’n kwaal, al is ’t maar op ’n molen.

Men ziet dat m’n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als ’t me wat al te mager voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals de Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geenEau de Lobhebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit ’n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.

In de hartenstraat dan was ’n leesbibliotheek. Een kleine jongen met ’n stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het was hem aantezien dat-i gebukt ging onder ’n plan boven z’n kracht.

Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens veranderde hy die halfvolbrachte beweging in ’n onnoodig neertrekken van ’t rechthoekig hemdskraagje dat als ’n juk op z’n schouders lag, of in ’n even onnoodig tegenhouden van ’n gemaakte kuch.

Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-prenten die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten tot ’n staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en onmogelyke soldaten, dwaalde z’n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die vreest betrapt te worden op misdryf. ’t Was duidelyk dat-i ’n opzet in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder ’t opgeschort kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z’n broekzak, zou allicht op ’t denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was huisbraak te plegen, of zoo-iets.

Want hy heette Wouter.

’t Is wel gelukkig dat ik op ’t idee ben gekomen z’n geschiedenis te verhalen, en ik beschouw ’t als ’n eerste plicht u te zeggen dat-i volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord.

Maar ’t zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen vryspreken van andere vergrypen. ’t Voorwerp dat hy heen-en-weer keerde in z’n linkerbroekzak, was wel geenrossignol, geenpasse-partout,geencasse-tête, geentomahawkofmachine infernale... maar toch ’n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i z’n Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stalleman opd’ouwenbrug, en ’t plan dat hem zoo kleven deed aan die stoep in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z’n intrede in de tooverwereld der romanlektuur: hy wildeGloriosolezen.

Glorioso!Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso!

Al de Rinaldini’s en Fra Diavolo’s van later tyden mogen niet op één dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die gravinnen schaakte by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare menschen, en Wouter Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering.

Maar dit laatste was Glorioso’s schuld niet, zeker niet. Men zou schromen ’n held of ’n genie te wezen—of ’n roover zelfs—als men daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden die na jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig te worden.

Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die na m’n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar kennis myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m’n weg naar roem niet laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal ’n Nieuw-Testament met gezangen kon worden verkwanseld voor ’t “Leven en de daden van Multatuli”, schoon ik ’t niet duur vinden zou.

—Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders, ga heen.

Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten doen vanGlorioso. Want de man die, bukkende over de toonbank, zich als ’n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held die woorden toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terugkeeren, als-i eenmaal toornig was gemaakt door doelloos “malen” aan de deur. Althans Wouter, die eerst den moed niet had binnentegaan, durfde nu niet wegloopen. Hy voelde zich binnengetrokken... ’t was of de boekwinkel hem inslikte.

—Glorioso... asjeblieft, m’nheer, en hier...

Hy haalde z’nmachine infernalevoor den dag.

... en hier isgeld!

Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken met de romanziekte, dat men in ’n leesbibliotheek “pand” eischte van onbekende klanten.

De boekenman scheen zich “gedekt” te achten door de neergelegde veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast ’n deeltje dat, vet en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel onzindelyk genot.

Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen op de lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun onbezoedeld gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid. Maar ’t is niet moeielyk rein te blyven als men op de bovensteplank staat, en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die preeken ongelyk hadden. En dat vind ik van veel preeken.

Na met ’n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i heette, verstopte Wouter z’n misdadig geluk onder ’t helend kieltje, en vloog de deur uit, schichtig als ’n kat die haar prooi beet heeft, nadat ze “uren lang gedoken zat.”

1Noot van I. 360–361.

1Noot van I. 360–361.

Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman op Wouter’s heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met ’n wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote menschen bezien door de kleine.Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet. Daar toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want de ruimte was bekrompen.Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan ’n poort die hy zich herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i niet, en ik ook niet. ’t Was ’n platte lage poort in welks buurt het altyd zoo naar asch rook, en waar-i eens dien sprong had gedaan, toen hy met Fransje Halleman was weggebleven van de katechizatie, die meende dat Wouter niet durfde wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl, en deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z’n durven.Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed thuis was inHabakuk, wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschryven tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien ’n barometer in z’n verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd waarschuwde als ’t regenen zou.In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter’s overgang van de kinderlektuur tot de boeken waarin van “groote menschen” wordt verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich geschokt in z’n eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van de papieren perzikken der naarstigheid. Andere perzikken kende hy niet, omdat die zoo niet voorkomen in ’n burgerhuishouden.Niets was natuurlyker dan dat-i vurig verlangde met z’n grootere makkers op de school te kunnen meespreken over de wonderen die er gebeuren in de werkelyke wereld, waar men in ’n koets rydt, steden verwoest, prinsessen trouwt, en ’s avends opblyft na tienen, al is er niemand jarig. Ook bedient men zichzelf aan tafel in die wereld, en heeft maar te kiezen wat men gebruiken wil. Zoo meenen de kinderen.11In I. 364 trekt M. een parallel tusschen de ontwikkeling van individu en menschheid: “Ieder knaap heeft z’n heldeneeuw en ’t menschdom heeft ’n kieltje met ’n jukdraagje gedragen”.

Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman op Wouter’s heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met ’n wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote menschen bezien door de kleine.

Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman op Wouter’s heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met ’n wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote menschen bezien door de kleine.

Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet. Daar toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want de ruimte was bekrompen.

Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan ’n poort die hy zich herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i niet, en ik ook niet. ’t Was ’n platte lage poort in welks buurt het altyd zoo naar asch rook, en waar-i eens dien sprong had gedaan, toen hy met Fransje Halleman was weggebleven van de katechizatie, die meende dat Wouter niet durfde wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl, en deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z’n durven.

Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed thuis was inHabakuk, wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschryven tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien ’n barometer in z’n verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd waarschuwde als ’t regenen zou.

In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter’s overgang van de kinderlektuur tot de boeken waarin van “groote menschen” wordt verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich geschokt in z’n eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van de papieren perzikken der naarstigheid. Andere perzikken kende hy niet, omdat die zoo niet voorkomen in ’n burgerhuishouden.

Niets was natuurlyker dan dat-i vurig verlangde met z’n grootere makkers op de school te kunnen meespreken over de wonderen die er gebeuren in de werkelyke wereld, waar men in ’n koets rydt, steden verwoest, prinsessen trouwt, en ’s avends opblyft na tienen, al is er niemand jarig. Ook bedient men zichzelf aan tafel in die wereld, en heeft maar te kiezen wat men gebruiken wil. Zoo meenen de kinderen.1

1In I. 364 trekt M. een parallel tusschen de ontwikkeling van individu en menschheid: “Ieder knaap heeft z’n heldeneeuw en ’t menschdom heeft ’n kieltje met ’n jukdraagje gedragen”.

1In I. 364 trekt M. een parallel tusschen de ontwikkeling van individu en menschheid: “Ieder knaap heeft z’n heldeneeuw en ’t menschdom heeft ’n kieltje met ’n jukdraagje gedragen”.

Een Italiaansche roover op ’n buitensingel te Amsterdam. Proefje van ’t bitter lyden der deugdzame Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe eerlykheid ryk maakt.Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen, toen-i heel ongevoelig voor de afwezige schoonheid van ’t landschap aan ’n moddersloot kwam, waarover ’n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar, na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was, en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z’n roover.Ik heb ’n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot te maken van Wouter’s genot, door ’t leveren eener schets van ’t onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso’s geschiedenis niet recht ken—wat me trouwens niet volstrekt beletten zou er over te spreke—heb ik u veel andere zaken te verhalen van dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg te nemen overd’ouwen-brug. Laat het u genoeg zyn te weten dat het “heel mooi” was. “De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht, aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen, met derzelver zilte tranen... kortom, ’t was treffend. Ook was er meer zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond ’n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen die Wouter vergeefs tegen ’t licht hield om er meer van te weten.Hy las tot “sterf verrader”. Toen was ’t donker, en hy begreep dat het tyd werd ’n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de Hallemannetjes “datzulke fatsoenlyke kinderen waren.” Met weerzin sloot hy ’t dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde beknord te worden over z’n lang uitblyven.“Hy zou nooit weer permissie krygen” werd er by zoo’n gelegenheid gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe wist-i te goed dat men graag de kinderen “eens van de vloer heeft, als men zoo klein behuisd is.” En: “de Hallemannetjes waren zoo buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast ’n huis met ’n balkon, en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen.”Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef van m’n geloof, wil ik hier ’n voorval inlasschen dat iets vroeger had plaats gevonden.Wouter ontving geen zakgeld. Z’n moeder zei dat hoefde niet omdat hy thuis alles kreeg wat-i noodig had. ’t Stuitte hem altyd te moeten wachten op vergunning om “meetedoen” als z’n kameraadjesmet den bal speelden, en hem verweten dat hy ’t zyne niet had bygedragen tot aanschaffing van dat meubel. ’t Kostte drie duiten in Wouter’s tyd. Nu zal ’t wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de staathuishoudkunde.En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z’n voortdurende geldeloosheid. Later zullen we zien of ’t waar was, wat z’n moeder zei, dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over ’n kleinigheid te beschikkennaar eigen wil. Wat toch zoo heel prettig is voor kinderen. En voor menschen.De Hallemannetjes—die zoo byzonder fatsoenlyk waren—gaven hem heel duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te dragen van ’t verkeer. Fransje berekende dat Wouter’s vriendschap hun al negen stuivers gekost had—wat ik duur vind, niet om de vriendschap, maar om ’t berekenen—en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig had om z’n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou omdat i ’n insteekpakje droeg.1Maar de griften had ze aangenomen, en overgedaan aan Gus voor ’n zoen.De bittere verwyten der Hallemannetjes—die zoo byzonder fatsoenlyk waren—maakten Wouter wanhopig.—Ik heb gevraagd aan m’n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.—Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjesd. z. b. f. w.Je bent ’n klaplooper.Wouter hoorde dit woord voor ’t eerst, maar begreep het terstond. Niets maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.—Klaplooper, klaplooper... ik ben ’n klaplooper!Schreiend liep hy heen, en koos ’n omweg om de straat te myden, waar lange Ceciel’s vader ’n lappenwinkel “deed”. Och, als ze gezien had hoe hy als ’n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was èrger dan de broek boven ’t buisje.—Klaplooper, klaplooper!Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren, maar ze huilden er niet om als Wouter.—Klaplooper!Hy zag ’n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. ’t Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.—Klaplooper!Daar kwam de man van de vuilniskar, die ’t woord naklepperde met z’n ratel, ’t Was niet uittehouden!Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjesd. z. b. f. w.hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te behalen op ’n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had men ’n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor ’n duit zou ’t voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moestkapitaalwezen. Zy zouden de inkoopen doen,zyzouden zich belasten met den verkoop, en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.—Klaplooper... klaplooper...Wouterstal’n gulden uit het “knipje” van z’n moeder, en bracht die aan de Hallemannetjesd. z. b. f. w.—Hoe kom je ’r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had om te antwoorden, en tevens dat-i ’t antwoord niet verstond, dat deze gaf door zwygende verlegenheid.—Hoe kom je ’r aan—zonder vraagteeken alzoo—zie, nu zullen Franssie en ik ieder ’n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan koopenwyde peperment. Op de Rozengracht is ’n fabriek... zóó’n zak voor vier schellingen!Wyzullen al de moeite doen, Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten, weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld—hy zal betalen na de vakantie—wyzullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou ’n daalder teruggeven in ’t knipje van z’n moeder, en voor lange Ceciel ’n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in ’t hout van z’n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan ’n paar griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot ’n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig insliep, in de hoop dat-i weldra ’n goed geweten hebben zou over ’t bestolen knipjen en ’n voldaan hart over z’n liefde tot lange Ceciel.Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en ’t fatsoen van de Hallemannetjes!Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder ’t gewicht van ’n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten of Kris Kloskamp z’n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen geen zak peperment droeg, maar bovendien ’n zeer ernstig gezicht meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.—Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder ’n woord te spreken. Hy was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag anders te uiten dan door ’t geluideloos openen van z’n mond en ’t vooruitsteken van zyn gelaat.—Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z’n geweten en z’n hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend “moeder’s knipje” weg, houtborend potlood dat ’n opening klieven zou in ’t hart van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg!—Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...—Ja...a...a, hikte de arme jongen.—En die Kris Kloskamp, die ’r twaalf besteld heeft, weetje?...—Ja...a...a...Of Kris ook smelten zou?...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.—Zoo...o...o?—Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik, dat er veel minder in ’n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment tegenwoordig heel zwaar is, weetje?—Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in levensgevaar ’n “eerst” beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet ’t weeromgeven.En hy bood Wouter ’n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig woog op z’n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i ’t... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op dat oogenblik.Fransje stak ’t zware pepermentjen in z’n mond, en zei, al zuigende:—Ja wezenlyk, heel zwaar... ’t is engelsche, weetje? En dan is ’r nog wat... niet waar Gus? ’t Fatsoen! Toe Gus, zeg jy ’t maar.—’t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.—We meenen ’t fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde.Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.—Zeg jy ’t maar, Gus.—Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met ’n zakje, en by ons “op” de gracht...—Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont m’nheer Krullewinkel die ’n buiten heeft...—En ’n balkon ...—’t Is maar om ’t fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek komt, dan prezenteert onze mama...—Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is van zilver...—Né, Franssie... maar ’t is net als zilver, weetje Wouter?De arme jongen zei maar dat-i ’t wist, hopende eindelyk te weten te komen wat-i inderdaadnietwist: het verband tusschen al die dingen enzynvervlogen hoop. Hy stamelde:—Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?—’t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.—Ja. Gus.—En braaf.—Ja...a...a... Franssie!Arme Wouter!—En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...—Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als ’t winter wordt kan je ’t zien, dan gaat-i rond met ’n weesjongen...—Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...—Dat je...—Die gulden...—Die gulden, weetje?—Dat je ’m niet...—Dat je ’r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die ’n tweede pepermentjen uit z’n zak haalde en in den mond stak, tot versterking zeker na dat beslissend woord.’t Was er uit! Arme, arme Wouter!—En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maargelykdeelen... dat is afgesproken!—Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt...wyhebben al de moeite gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en alzoo... Wouter ontving acht stuivers.—Weetje, zei Gus, ’t is omdat onze pa diaken is.—Ja... en onze tabakspot... al is ’t dan geen zilver, ’t lykt precies op zilver.Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan ’n uitvindsel van Wouter’s moeder, omdat ze “nauw behuisd” was. ’t Is de vraag of zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in ’t huishouden.21De overgang van zoo’n “insteekpakjen” op ’t “buisje boven den broek” was ’n enorme sprong, vooral omdat daarby ’nvestte-pas kwam, waarvoor by zoo’n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het buisje gesloten, en de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of die hierarchie in ’t kindertoilet nog bestaat, is me onbekend. In Wouter’s tyd speelde ze ’n groote rol. En ook jaren daarna. Ikzelf heb menigen traan geschreid omdat het “open buis” met daarby behoorend “vest” my onmenschelyk lang onthouden werd. (M.)2In I. 366 schryft M. ’t ontstaan van veel wetten en zeden toe aan gebrek aan ruimte.

Een Italiaansche roover op ’n buitensingel te Amsterdam. Proefje van ’t bitter lyden der deugdzame Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe eerlykheid ryk maakt.

Een Italiaansche roover op ’n buitensingel te Amsterdam. Proefje van ’t bitter lyden der deugdzame Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe eerlykheid ryk maakt.

Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen, toen-i heel ongevoelig voor de afwezige schoonheid van ’t landschap aan ’n moddersloot kwam, waarover ’n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar, na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was, en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z’n roover.

Ik heb ’n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot te maken van Wouter’s genot, door ’t leveren eener schets van ’t onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso’s geschiedenis niet recht ken—wat me trouwens niet volstrekt beletten zou er over te spreke—heb ik u veel andere zaken te verhalen van dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg te nemen overd’ouwen-brug. Laat het u genoeg zyn te weten dat het “heel mooi” was. “De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht, aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen, met derzelver zilte tranen... kortom, ’t was treffend. Ook was er meer zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond ’n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen die Wouter vergeefs tegen ’t licht hield om er meer van te weten.

Hy las tot “sterf verrader”. Toen was ’t donker, en hy begreep dat het tyd werd ’n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de Hallemannetjes “datzulke fatsoenlyke kinderen waren.” Met weerzin sloot hy ’t dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde beknord te worden over z’n lang uitblyven.

“Hy zou nooit weer permissie krygen” werd er by zoo’n gelegenheid gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe wist-i te goed dat men graag de kinderen “eens van de vloer heeft, als men zoo klein behuisd is.” En: “de Hallemannetjes waren zoo buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast ’n huis met ’n balkon, en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen.”

Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef van m’n geloof, wil ik hier ’n voorval inlasschen dat iets vroeger had plaats gevonden.

Wouter ontving geen zakgeld. Z’n moeder zei dat hoefde niet omdat hy thuis alles kreeg wat-i noodig had. ’t Stuitte hem altyd te moeten wachten op vergunning om “meetedoen” als z’n kameraadjesmet den bal speelden, en hem verweten dat hy ’t zyne niet had bygedragen tot aanschaffing van dat meubel. ’t Kostte drie duiten in Wouter’s tyd. Nu zal ’t wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de staathuishoudkunde.

En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z’n voortdurende geldeloosheid. Later zullen we zien of ’t waar was, wat z’n moeder zei, dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over ’n kleinigheid te beschikkennaar eigen wil. Wat toch zoo heel prettig is voor kinderen. En voor menschen.

De Hallemannetjes—die zoo byzonder fatsoenlyk waren—gaven hem heel duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te dragen van ’t verkeer. Fransje berekende dat Wouter’s vriendschap hun al negen stuivers gekost had—wat ik duur vind, niet om de vriendschap, maar om ’t berekenen—en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig had om z’n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou omdat i ’n insteekpakje droeg.1Maar de griften had ze aangenomen, en overgedaan aan Gus voor ’n zoen.

De bittere verwyten der Hallemannetjes—die zoo byzonder fatsoenlyk waren—maakten Wouter wanhopig.

—Ik heb gevraagd aan m’n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.

—Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjesd. z. b. f. w.Je bent ’n klaplooper.

Wouter hoorde dit woord voor ’t eerst, maar begreep het terstond. Niets maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.

—Klaplooper, klaplooper... ik ben ’n klaplooper!

Schreiend liep hy heen, en koos ’n omweg om de straat te myden, waar lange Ceciel’s vader ’n lappenwinkel “deed”. Och, als ze gezien had hoe hy als ’n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was èrger dan de broek boven ’t buisje.

—Klaplooper, klaplooper!

Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren, maar ze huilden er niet om als Wouter.

—Klaplooper!

Hy zag ’n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. ’t Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.

—Klaplooper!

Daar kwam de man van de vuilniskar, die ’t woord naklepperde met z’n ratel, ’t Was niet uittehouden!

Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjesd. z. b. f. w.hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te behalen op ’n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had men ’n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor ’n duit zou ’t voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moestkapitaalwezen. Zy zouden de inkoopen doen,zyzouden zich belasten met den verkoop, en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.

—Klaplooper... klaplooper...

Wouterstal’n gulden uit het “knipje” van z’n moeder, en bracht die aan de Hallemannetjesd. z. b. f. w.

—Hoe kom je ’r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had om te antwoorden, en tevens dat-i ’t antwoord niet verstond, dat deze gaf door zwygende verlegenheid.

—Hoe kom je ’r aan—zonder vraagteeken alzoo—zie, nu zullen Franssie en ik ieder ’n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan koopenwyde peperment. Op de Rozengracht is ’n fabriek... zóó’n zak voor vier schellingen!Wyzullen al de moeite doen, Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten, weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld—hy zal betalen na de vakantie—wyzullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...

Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou ’n daalder teruggeven in ’t knipje van z’n moeder, en voor lange Ceciel ’n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in ’t hout van z’n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan ’n paar griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot ’n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig insliep, in de hoop dat-i weldra ’n goed geweten hebben zou over ’t bestolen knipjen en ’n voldaan hart over z’n liefde tot lange Ceciel.

Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en ’t fatsoen van de Hallemannetjes!

Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder ’t gewicht van ’n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten of Kris Kloskamp z’n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen geen zak peperment droeg, maar bovendien ’n zeer ernstig gezicht meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.

—Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder ’n woord te spreken. Hy was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag anders te uiten dan door ’t geluideloos openen van z’n mond en ’t vooruitsteken van zyn gelaat.

—Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.

Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z’n geweten en z’n hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend “moeder’s knipje” weg, houtborend potlood dat ’n opening klieven zou in ’t hart van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg!

—Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...

—Ja...a...a, hikte de arme jongen.

—En die Kris Kloskamp, die ’r twaalf besteld heeft, weetje?...

—Ja...a...a...

Of Kris ook smelten zou?

...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.

—Zoo...o...o?

—Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik, dat er veel minder in ’n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment tegenwoordig heel zwaar is, weetje?

—Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in levensgevaar ’n “eerst” beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet ’t weeromgeven.

En hy bood Wouter ’n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig woog op z’n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i ’t... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op dat oogenblik.

Fransje stak ’t zware pepermentjen in z’n mond, en zei, al zuigende:

—Ja wezenlyk, heel zwaar... ’t is engelsche, weetje? En dan is ’r nog wat... niet waar Gus? ’t Fatsoen! Toe Gus, zeg jy ’t maar.

—’t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.

—We meenen ’t fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde.

Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.

—Zeg jy ’t maar, Gus.

—Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met ’n zakje, en by ons “op” de gracht...

—Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont m’nheer Krullewinkel die ’n buiten heeft...

—En ’n balkon ...

—’t Is maar om ’t fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek komt, dan prezenteert onze mama...

—Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is van zilver...

—Né, Franssie... maar ’t is net als zilver, weetje Wouter?

De arme jongen zei maar dat-i ’t wist, hopende eindelyk te weten te komen wat-i inderdaadnietwist: het verband tusschen al die dingen enzynvervlogen hoop. Hy stamelde:

—Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?

—’t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.

—Ja. Gus.

—En braaf.

—Ja...a...a... Franssie!

Arme Wouter!

—En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...

—Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als ’t winter wordt kan je ’t zien, dan gaat-i rond met ’n weesjongen...

—Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...

—Dat je...

—Die gulden...

—Die gulden, weetje?

—Dat je ’m niet...

—Dat je ’r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die ’n tweede pepermentjen uit z’n zak haalde en in den mond stak, tot versterking zeker na dat beslissend woord.

’t Was er uit! Arme, arme Wouter!

—En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maargelykdeelen... dat is afgesproken!

—Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt...wyhebben al de moeite gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!

De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en alzoo... Wouter ontving acht stuivers.

—Weetje, zei Gus, ’t is omdat onze pa diaken is.

—Ja... en onze tabakspot... al is ’t dan geen zilver, ’t lykt precies op zilver.

Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan ’n uitvindsel van Wouter’s moeder, omdat ze “nauw behuisd” was. ’t Is de vraag of zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in ’t huishouden.2

1De overgang van zoo’n “insteekpakjen” op ’t “buisje boven den broek” was ’n enorme sprong, vooral omdat daarby ’nvestte-pas kwam, waarvoor by zoo’n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het buisje gesloten, en de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of die hierarchie in ’t kindertoilet nog bestaat, is me onbekend. In Wouter’s tyd speelde ze ’n groote rol. En ook jaren daarna. Ikzelf heb menigen traan geschreid omdat het “open buis” met daarby behoorend “vest” my onmenschelyk lang onthouden werd. (M.)2In I. 366 schryft M. ’t ontstaan van veel wetten en zeden toe aan gebrek aan ruimte.

1De overgang van zoo’n “insteekpakjen” op ’t “buisje boven den broek” was ’n enorme sprong, vooral omdat daarby ’nvestte-pas kwam, waarvoor by zoo’n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het buisje gesloten, en de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of die hierarchie in ’t kindertoilet nog bestaat, is me onbekend. In Wouter’s tyd speelde ze ’n groote rol. En ook jaren daarna. Ikzelf heb menigen traan geschreid omdat het “open buis” met daarby behoorend “vest” my onmenschelyk lang onthouden werd. (M.)

2In I. 366 schryft M. ’t ontstaan van veel wetten en zeden toe aan gebrek aan ruimte.

Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de rechtbank van ’t geweten. De onmannelykheid der natie, volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de gebreken van Leentje, beschouwd uit ’n menschenvriendelyk oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen van ’t vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip’s eer. Leentje’s onzichtbaar talent om kleeren en zielen te herstellen.Hoe ’t zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte, Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent den oorsprong. Over z’n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z’n nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z’n uitstapjen in de Abruzzen, en by z’n terugkeer in Amsterdam viel hem de herinnering aan z’n boosheid—of liever ’t voorzien van de straf die er volgen zou op die boosheid—drukkend zwaar op ’t gemoed.Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou ’t Nieuw-Testament niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de week zou er niet naar gevraagd worden.Nogeens: ’t was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of zoo-iets van dagelyksch gebruik...Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vettenGloriosoachter de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong z’n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z’n moeder ’t nooit geweten heeft.Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik weet niet of “broek” mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken, vooral omdat ik ’t toch niet begrypen zou, al vond ik “broek, m.” in ’n woordenlystje. Onlangs vond ik géénm.achternatie. Dat zal ’n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.Of Wouters’s broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en ’s avends ’n boterham.Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: “goeien avend, juffrouw. Goeien avend, m’nheer en jonge-juffrouwen. Goeien avend, Wouter”... en de rest.Want Wouter’s moeder heette “juffrouw” om de schoenmakery. De jonge-juffrouwen waren z’n zusters, die dansen geleerd hadden. En z’n broer was “m’nheer” sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z’n buis gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en “Stoffel” paste toen niet langer, meende Wouter’s moeder. Maar dezen noemde Leentje eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar ’n kleine jongen was. Ook was hy haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze ’n booze tong voerde. Ze zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken inde Nederlanden.Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers en ’n boterham? ’k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch niet aangenaam in den omgang.Dat Leentje scheef was, kwam van ’t aanhoudend naaien. Ze hield het gansche gezin “heel” en verstond de kunst om een broek, twee buisjes en ’n lakenschen pet te maken uit ’n duffelsche jas, en toch schoten er nog lappen over voor desous-piedsdie Stoffel noodig had voor z’n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door ’n fout in Euklides.Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De “jonge-juffrouwen” spraken gedurig van “stand” en “dat ieder op z’n plaats moest blyven.” Dit gold háár. Leentje’s vader namelyk was ’n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de jonge-juffrouwen had ’n winkel “gedaan” waarin-i schoenen verkocht die uit Parys kwamen. Dit maakt ’n groot verschil. Want het is deftiger iets te verkoopen dat gemaakt is door ’n ander, dan zelf wat te maken.De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid van ’t wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was ’t er geweest, het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje.1Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z’n hemdsboordjes, “die zoo nadeelig werkte op ’t respekt” en klaagde dat ze hem altyd zoo mal aankeek, als-i “heeren had.”Dat “heeren hebben” was ’nprivatissimumover de leerwyze van Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet geslaagd in ’t wegbyten van ’n lach, toen ze Stoffel z’n naam hoorde spellen, en uitvaren tegen ’t onkiesche ouwerwetsche “esse té” dat dan ook leelyk is.En dan, die bessen met suiker!Aldus had ieder z’n grieven tegen ’t arme Leentje. Maar Wouter hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel genoodzaakt was, of genoopt althans, z’n troost te zoeken by haar. Want alle aandoening zoekt ’n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.Wouter’s moeder noemde hem: “die jongen.” Z’n broers—er waren er meer dan Stoffel—beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem ’n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De zusters verklaarden hem voor “sleets” of “sleetsch.” Ik weet niet hoe ze ’t spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond het schande dat men niet meer “werk maakte van ’n jongen als hy.” Ze scheen dus te hebben ingezien dat-i niet ’n kind was als ’n ander. En dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z’n geschiedenis te vertellen.Tot kort na de expeditie naarouwenbrug, hartenstraat en aschpoort, was Leentje Wouter’s eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z’n smart over de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm “redelyk” gaf, en “uitmuntend” met ’n krul, aan ’t roodharig Keesje. Aan Keesje, die geen “som” alleen wist te maken en altyd steken bleef in de hollandsche graven.—Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in ’t huis van Beieren... ’t is wel schande! En dat om ’n duit op ’t pond.Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje’s vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die graven en hun gedurig verhuizen.Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van ’s mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was door Keesje’s voorzitterschap. Want waar onze eer in ’t spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van ’n ander.Of, als z’n broers hem plaagden met ’n sarrend “professer Wouter”... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat “mal gekrabbel op ’t behangsel”... of, als z’n moeder hem strafte voor dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was ’t altyd Leentje die Wouter’s gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze den winkelhaak in z’n kleeren onzichtbaar maakte met ’n onnavolgbaar “heen-en-weertje.”O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat al bemoediging lag er in je maasbal, wat ’n zalving in je liefderyk:—Daar heb je-n-’n naald, en ’n draad, en ’n lapje... naai ’n zakje voor je griften, m’n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig overgingen van ’n eene huis in ’t ander.1In deIdeen368, 370, 372–374 wordt gehandeld over het geweten en den bybel, over deugd en zindelykheid en over het verschil tusschen zeggen en doen.

Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de rechtbank van ’t geweten. De onmannelykheid der natie, volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de gebreken van Leentje, beschouwd uit ’n menschenvriendelyk oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen van ’t vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip’s eer. Leentje’s onzichtbaar talent om kleeren en zielen te herstellen.

Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de rechtbank van ’t geweten. De onmannelykheid der natie, volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de gebreken van Leentje, beschouwd uit ’n menschenvriendelyk oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen van ’t vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip’s eer. Leentje’s onzichtbaar talent om kleeren en zielen te herstellen.

Hoe ’t zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte, Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent den oorsprong. Over z’n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z’n nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z’n uitstapjen in de Abruzzen, en by z’n terugkeer in Amsterdam viel hem de herinnering aan z’n boosheid—of liever ’t voorzien van de straf die er volgen zou op die boosheid—drukkend zwaar op ’t gemoed.

Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou ’t Nieuw-Testament niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de week zou er niet naar gevraagd worden.

Nogeens: ’t was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of zoo-iets van dagelyksch gebruik...

Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vettenGloriosoachter de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong z’n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z’n moeder ’t nooit geweten heeft.

Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik weet niet of “broek” mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken, vooral omdat ik ’t toch niet begrypen zou, al vond ik “broek, m.” in ’n woordenlystje. Onlangs vond ik géénm.achternatie. Dat zal ’n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.

Of Wouters’s broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en ’s avends ’n boterham.

Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: “goeien avend, juffrouw. Goeien avend, m’nheer en jonge-juffrouwen. Goeien avend, Wouter”... en de rest.

Want Wouter’s moeder heette “juffrouw” om de schoenmakery. De jonge-juffrouwen waren z’n zusters, die dansen geleerd hadden. En z’n broer was “m’nheer” sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z’n buis gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en “Stoffel” paste toen niet langer, meende Wouter’s moeder. Maar dezen noemde Leentje eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar ’n kleine jongen was. Ook was hy haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.

Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze ’n booze tong voerde. Ze zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken inde Nederlanden.

Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers en ’n boterham? ’k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch niet aangenaam in den omgang.

Dat Leentje scheef was, kwam van ’t aanhoudend naaien. Ze hield het gansche gezin “heel” en verstond de kunst om een broek, twee buisjes en ’n lakenschen pet te maken uit ’n duffelsche jas, en toch schoten er nog lappen over voor desous-piedsdie Stoffel noodig had voor z’n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door ’n fout in Euklides.

Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De “jonge-juffrouwen” spraken gedurig van “stand” en “dat ieder op z’n plaats moest blyven.” Dit gold háár. Leentje’s vader namelyk was ’n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de jonge-juffrouwen had ’n winkel “gedaan” waarin-i schoenen verkocht die uit Parys kwamen. Dit maakt ’n groot verschil. Want het is deftiger iets te verkoopen dat gemaakt is door ’n ander, dan zelf wat te maken.

De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid van ’t wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was ’t er geweest, het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje.1

Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z’n hemdsboordjes, “die zoo nadeelig werkte op ’t respekt” en klaagde dat ze hem altyd zoo mal aankeek, als-i “heeren had.”

Dat “heeren hebben” was ’nprivatissimumover de leerwyze van Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet geslaagd in ’t wegbyten van ’n lach, toen ze Stoffel z’n naam hoorde spellen, en uitvaren tegen ’t onkiesche ouwerwetsche “esse té” dat dan ook leelyk is.

En dan, die bessen met suiker!

Aldus had ieder z’n grieven tegen ’t arme Leentje. Maar Wouter hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel genoodzaakt was, of genoopt althans, z’n troost te zoeken by haar. Want alle aandoening zoekt ’n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.

Wouter’s moeder noemde hem: “die jongen.” Z’n broers—er waren er meer dan Stoffel—beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem ’n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De zusters verklaarden hem voor “sleets” of “sleetsch.” Ik weet niet hoe ze ’t spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond het schande dat men niet meer “werk maakte van ’n jongen als hy.” Ze scheen dus te hebben ingezien dat-i niet ’n kind was als ’n ander. En dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z’n geschiedenis te vertellen.

Tot kort na de expeditie naarouwenbrug, hartenstraat en aschpoort, was Leentje Wouter’s eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z’n smart over de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm “redelyk” gaf, en “uitmuntend” met ’n krul, aan ’t roodharig Keesje. Aan Keesje, die geen “som” alleen wist te maken en altyd steken bleef in de hollandsche graven.

—Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in ’t huis van Beieren... ’t is wel schande! En dat om ’n duit op ’t pond.

Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje’s vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die graven en hun gedurig verhuizen.

Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van ’s mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was door Keesje’s voorzitterschap. Want waar onze eer in ’t spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van ’n ander.

Of, als z’n broers hem plaagden met ’n sarrend “professer Wouter”... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat “mal gekrabbel op ’t behangsel”... of, als z’n moeder hem strafte voor dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was ’t altyd Leentje die Wouter’s gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze den winkelhaak in z’n kleeren onzichtbaar maakte met ’n onnavolgbaar “heen-en-weertje.”

O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat al bemoediging lag er in je maasbal, wat ’n zalving in je liefderyk:

—Daar heb je-n-’n naald, en ’n draad, en ’n lapje... naai ’n zakje voor je griften, m’n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig overgingen van ’n eene huis in ’t ander.

1In deIdeen368, 370, 372–374 wordt gehandeld over het geweten en den bybel, over deugd en zindelykheid en over het verschil tusschen zeggen en doen.

1In deIdeen368, 370, 372–374 wordt gehandeld over het geweten en den bybel, over deugd en zindelykheid en over het verschil tusschen zeggen en doen.

Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende terugblik op Scelerajoso’s dood, dien we, om ’t gevoel des lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreidebinnenlandsche betrekkingen, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen eener eigenaardige stofwisseling.Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van ’t wegmaken van z’n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig en beweerde dus dat zoo’n jongen opgroeide voor de galg, want:—Men begon met ’n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met wat anders.Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch datanderewel wezen zou, als men begonnen was met ’n bybel. Ik denk dat zyzelf ’t niet wist, en dat ze ’t maar zoo zeide om de menschen in den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de zaken verstond dan zy uiten wilde. ’t Is my wel, schoon ’k niet houd van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als ’t myn zaak geweest was, zou ’k juffrouw Laps den duim tusschen de deur gezet hebben.Stoffel hield ’n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met ’n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: “dat de eer van de familie opd’ouwenbrugwas verloren gegaan, dat hy, als “eenige” oudste zoon van ’n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van ’t huis...—Van Beieren, zei Leentje zacht....dat ’n huwelyk of ’nandere konditievoor de meisjes kon afspringen door Wouter’s schuld, want dat niemand zou willen tedoen hebben met meisjes, die... in ’t kort, Stoffel beweerde “dat het schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg van ’t feit. Hy had duidelyk bemerkt dat “de jongens” er ook al van wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken.”En eindelyk: “dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt1te gaan, omdat die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke voorspelling van juffrouw Laps omtrent Wouter’s toekomst.”Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend was.Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken werd van “dat andere” dat komen zou volgens juffrouwLaps, droomde hy van z’n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen.’t Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot het openbaren der wyze waarop hy ’t ontvangen geld had besteed, ydel waren. Men moest daarvan afzien, na ’t vruchteloos aanwenden van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood, brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk, juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we gezien hebben.Zoodra ’t hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z’n boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z’n held, die op ’t laatste blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de deugdzame Elvira.Toen Wouter z’n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z’n blik aangetrokken door amandeltaartjes by ’n banketbakker op den hoek. Hy handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig zoo’n held optevolgen, en binnen weinig tyds was ’t overschot van ’t Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer veranderde.Wat het aandeel der “gezangen” betreft in het saldo dat Wouter restte na z’n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste stof tot ’n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde, en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor de schoolrust.1Op die markt namelyk werd gegeeseld, gebrandmerkt en gehangen, in die dagen. (M.)

Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende terugblik op Scelerajoso’s dood, dien we, om ’t gevoel des lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreidebinnenlandsche betrekkingen, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen eener eigenaardige stofwisseling.

Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende terugblik op Scelerajoso’s dood, dien we, om ’t gevoel des lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreidebinnenlandsche betrekkingen, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen eener eigenaardige stofwisseling.

Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van ’t wegmaken van z’n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig en beweerde dus dat zoo’n jongen opgroeide voor de galg, want:

—Men begon met ’n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met wat anders.

Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch datanderewel wezen zou, als men begonnen was met ’n bybel. Ik denk dat zyzelf ’t niet wist, en dat ze ’t maar zoo zeide om de menschen in den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de zaken verstond dan zy uiten wilde. ’t Is my wel, schoon ’k niet houd van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als ’t myn zaak geweest was, zou ’k juffrouw Laps den duim tusschen de deur gezet hebben.

Stoffel hield ’n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met ’n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: “dat de eer van de familie opd’ouwenbrugwas verloren gegaan, dat hy, als “eenige” oudste zoon van ’n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van ’t huis...

—Van Beieren, zei Leentje zacht.

...dat ’n huwelyk of ’nandere konditievoor de meisjes kon afspringen door Wouter’s schuld, want dat niemand zou willen tedoen hebben met meisjes, die... in ’t kort, Stoffel beweerde “dat het schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg van ’t feit. Hy had duidelyk bemerkt dat “de jongens” er ook al van wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken.”

En eindelyk: “dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt1te gaan, omdat die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke voorspelling van juffrouw Laps omtrent Wouter’s toekomst.”

Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend was.

Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken werd van “dat andere” dat komen zou volgens juffrouwLaps, droomde hy van z’n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen.

’t Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot het openbaren der wyze waarop hy ’t ontvangen geld had besteed, ydel waren. Men moest daarvan afzien, na ’t vruchteloos aanwenden van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood, brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk, juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we gezien hebben.

Zoodra ’t hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z’n boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z’n held, die op ’t laatste blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de deugdzame Elvira.

Toen Wouter z’n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z’n blik aangetrokken door amandeltaartjes by ’n banketbakker op den hoek. Hy handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig zoo’n held optevolgen, en binnen weinig tyds was ’t overschot van ’t Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer veranderde.

Wat het aandeel der “gezangen” betreft in het saldo dat Wouter restte na z’n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste stof tot ’n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde, en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor de schoolrust.

1Op die markt namelyk werd gegeeseld, gebrandmerkt en gehangen, in die dagen. (M.)

1Op die markt namelyk werd gegeeseld, gebrandmerkt en gehangen, in die dagen. (M.)

Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.Pennewip was ’n man van den ouden stempel.1Zoo althans zoud-i ons nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z’n gryze schooljas, dyvest, korte broek met gespen, en dat alles gekroond met ’n bruin pruikje, dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in ’t begin der week altyd zoo krulde als er geen regen aan de lucht was. Want krullen kunnen geen nat verdragen, en zondags kwam de man met het yzer.Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men ’tzelfde van ons zal zeggen. Hoe dit zy, de man heettemeester, z’n school was ’nschoolen geeninstituut, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik vind het ’n vreemde manier van vooruitgang, de dingenanders te noemen dan ze werkelyk heeten. Op z’n school, waar volgens de naïve gewoonte van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men—of kón men leeren—lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in ’t verzenmaken, een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.Hy maakte de jongens “klaar” tot het “aannemen” toe, en met behulp van z’n vrouw voerde hy de meisjes op tot ’n merklap met ’n rood vader-ons op zwarten grond, of ’n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden van onzen tegenwoordigen burgerstand.Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het is ’n kind nutter te weten hoe ’t koren groeit, dan het te kunnen toespreken in vreemde taal. Maar ’t zou kunnen samengaan.Buiten ’t verzenmaken bereed meester Pennewip nog ’n stokpaardje, dat hem boven ieder ander aanspraak gaf op ’n troon. Hy was bezeten door de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van ’n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip’s onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot familiën,genera, klassen,speciesen onderdeelen, en maakte alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot ’n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te beweren dat Wouter’s Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn, als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man behoorde, die ’t gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip’s verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m’n lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken—dataprès-toutniet verboden is—wanneer ik niet voorzag weldra ’n paar gedichten van z’n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield—waarby de goeieman stoutweg den mensch ’n ziel gaf—volgde ’n stelsel dat er uitzag als ’n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogtestonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche dingen—mits tweepaardig—advokaten en ongedokterde dominees, kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en zoo voort. Wysgeeren—maar ze moesten ’nstelselhebben—dokters met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis.BURGERSTAND, IIIeKLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.Burgermenschen “op kamers” wonende.a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren denKerstnacht.De meisjes heetenLena, Maria,soms—maar zelden—Louise.Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op ’n kantoor. Houden meid, naaister, en ’n “mensch voor ’t grove werk.” De was nat thuis. Lezen preeken vanv.d. Palm.Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die “tweemaal schellen.” (Zie b2)Leentje, Mietje, Jansje. Louisekomt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met ’n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, “halve naaister” en ’n “mensch.” Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven.b2) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met ’n “mensch.” Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. ’t Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heetenLouw, PietofGerrit,en gaan “op” horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in ’t portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan “heel fatsoenlyke menschen.” Lezen den Haarlemmer samen met III 7, b2(Pp.)Geen meid of “mensch” maar ’n naaister van zeven stuivers en ’n boteram...Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter’s omgeving, en begrypt waarom ik z’n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor ’t eerst zagen in de hartenstraat.1I. 378 bevat een beschouwing over groote mannen en schoolmeesters.

Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.

Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.

Pennewip was ’n man van den ouden stempel.1Zoo althans zoud-i ons nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z’n gryze schooljas, dyvest, korte broek met gespen, en dat alles gekroond met ’n bruin pruikje, dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in ’t begin der week altyd zoo krulde als er geen regen aan de lucht was. Want krullen kunnen geen nat verdragen, en zondags kwam de man met het yzer.

Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men ’tzelfde van ons zal zeggen. Hoe dit zy, de man heettemeester, z’n school was ’nschoolen geeninstituut, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik vind het ’n vreemde manier van vooruitgang, de dingenanders te noemen dan ze werkelyk heeten. Op z’n school, waar volgens de naïve gewoonte van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men—of kón men leeren—lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in ’t verzenmaken, een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.

Hy maakte de jongens “klaar” tot het “aannemen” toe, en met behulp van z’n vrouw voerde hy de meisjes op tot ’n merklap met ’n rood vader-ons op zwarten grond, of ’n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden van onzen tegenwoordigen burgerstand.

Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het is ’n kind nutter te weten hoe ’t koren groeit, dan het te kunnen toespreken in vreemde taal. Maar ’t zou kunnen samengaan.

Buiten ’t verzenmaken bereed meester Pennewip nog ’n stokpaardje, dat hem boven ieder ander aanspraak gaf op ’n troon. Hy was bezeten door de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van ’n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip’s onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot familiën,genera, klassen,speciesen onderdeelen, en maakte alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot ’n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te beweren dat Wouter’s Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn, als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man behoorde, die ’t gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.

Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip’s verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m’n lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken—dataprès-toutniet verboden is—wanneer ik niet voorzag weldra ’n paar gedichten van z’n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.

Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield—waarby de goeieman stoutweg den mensch ’n ziel gaf—volgde ’n stelsel dat er uitzag als ’n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogtestonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche dingen—mits tweepaardig—advokaten en ongedokterde dominees, kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en zoo voort. Wysgeeren—maar ze moesten ’nstelselhebben—dokters met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis.

BURGERSTAND, IIIeKLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.Burgermenschen “op kamers” wonende.a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren denKerstnacht.De meisjes heetenLena, Maria,soms—maar zelden—Louise.Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op ’n kantoor. Houden meid, naaister, en ’n “mensch voor ’t grove werk.” De was nat thuis. Lezen preeken vanv.d. Palm.Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die “tweemaal schellen.” (Zie b2)Leentje, Mietje, Jansje. Louisekomt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met ’n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, “halve naaister” en ’n “mensch.” Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven.b2) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met ’n “mensch.” Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. ’t Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heetenLouw, PietofGerrit,en gaan “op” horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in ’t portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan “heel fatsoenlyke menschen.” Lezen den Haarlemmer samen met III 7, b2(Pp.)Geen meid of “mensch” maar ’n naaister van zeven stuivers en ’n boteram...

BURGERSTAND, IIIeKLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.Burgermenschen “op kamers” wonende.a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren denKerstnacht.De meisjes heetenLena, Maria,soms—maar zelden—Louise.Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op ’n kantoor. Houden meid, naaister, en ’n “mensch voor ’t grove werk.” De was nat thuis. Lezen preeken vanv.d. Palm.Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die “tweemaal schellen.” (Zie b2)Leentje, Mietje, Jansje. Louisekomt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met ’n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, “halve naaister” en ’n “mensch.” Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven.b2) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met ’n “mensch.” Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. ’t Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heetenLouw, PietofGerrit,en gaan “op” horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in ’t portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan “heel fatsoenlyke menschen.” Lezen den Haarlemmer samen met III 7, b2(Pp.)Geen meid of “mensch” maar ’n naaister van zeven stuivers en ’n boteram...

BURGERSTAND, IIIeKLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.Burgermenschen “op kamers” wonende.a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren denKerstnacht.De meisjes heetenLena, Maria,soms—maar zelden—Louise.Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op ’n kantoor. Houden meid, naaister, en ’n “mensch voor ’t grove werk.” De was nat thuis. Lezen preeken vanv.d. Palm.Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die “tweemaal schellen.” (Zie b2)Leentje, Mietje, Jansje. Louisekomt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met ’n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, “halve naaister” en ’n “mensch.” Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven.b2) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met ’n “mensch.” Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. ’t Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heetenLouw, PietofGerrit,en gaan “op” horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in ’t portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan “heel fatsoenlyke menschen.” Lezen den Haarlemmer samen met III 7, b2(Pp.)Geen meid of “mensch” maar ’n naaister van zeven stuivers en ’n boteram...

BURGERSTAND, IIIeKLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.

Burgermenschen “op kamers” wonende.

a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren denKerstnacht.De meisjes heetenLena, Maria,soms—maar zelden—Louise.Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op ’n kantoor. Houden meid, naaister, en ’n “mensch voor ’t grove werk.” De was nat thuis. Lezen preeken vanv.d. Palm.Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.

b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die “tweemaal schellen.” (Zie b2)Leentje, Mietje, Jansje. Louisekomt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met ’n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, “halve naaister” en ’n “mensch.” Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven.

b2) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met ’n “mensch.” Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.

c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. ’t Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heetenLouw, PietofGerrit,en gaan “op” horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in ’t portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan “heel fatsoenlyke menschen.” Lezen den Haarlemmer samen met III 7, b2(Pp.)Geen meid of “mensch” maar ’n naaister van zeven stuivers en ’n boteram...

Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.

De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter’s omgeving, en begrypt waarom ik z’n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor ’t eerst zagen in de hartenstraat.

1I. 378 bevat een beschouwing over groote mannen en schoolmeesters.

1I. 378 bevat een beschouwing over groote mannen en schoolmeesters.


Back to IndexNext