Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd tusschen willen en zyn, geopenbaard in ’n kindermymering (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met ’n luchtreis.’t Was woensdag. Er zou ’n “avendje” wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man “aan de beurs” was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had “maar altyd heel in ’t fatsoenlyke.” Dan de weduwe Zipperman, “die ’n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of ’t kadaster, of zoo-iets.” Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was “zoo opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar meetevragen.” Dan de juffrouw van onder-achter die wel niet komen zou, dacht men “maar men wou graag de minste wezen na dat gekibbel over ’t gebroken glas.” En kwam ze nù niet, dan was ’t ookuit, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou ’t uit wezen met de juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet gekomen is, en dat het dus met die juffrouwuitwas.De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van ’n kop koude saliemelk aan ’t ontbyt “als men ze den heelen avend niet hoorde.” ’t Is ook lastig de kinderen te “hooren” als men ’n avendje heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op ’n toon die hem deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer uitbleef. Laurens, die natuurlyk op ’t letterzetten was, en gewoonlyk ’s avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by ’t tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf—ze hadden de belydenis en den merklap achter den rug—en Stoffel zat voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de juffrouwen kwamen halen, en ’t gezelschap vermaken met vertellingen over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder sterk was.Leentje zou blyven tot de “menschen” er waren, wyl ’t anders voor de jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon ze wat helpen aan ’t wegzetten van de latafel, en aan al ’t geredder dat onafscheidelyk is van ’n avendje. “Maar ze moest wat vlugger wezen, of anders deed men ’t waarlyk liever zelf.”Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de bestellen, “maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst zoo droog waren.”’t Zou allerprettigst wezen “als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak.” Ook was het te hopen dat de weduwe Zipperman “wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op ’t laatst.” En de juffrouw boven den melkkelder “mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in ’ntoehuisgewoond,en ’nwinkelwas geen schande, enop-kamers-wonenook niet... heere, neen!” Ook kon niemand weten waar-i toe komen zou.Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den burgerstand, “en als ze-n-’t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe ’t hoort.”—En “dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging juffrouw Pieterse voort, ’t raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z’n beenen maar vóór zich houden... en dáár ’n stoel... ja, zóó... ’t is heel goed dat ze niet komt, ’t was toch te vol geworden... Leentje, ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga ’ns even naar juffrouw Laps, en vraag of de juffrouw me-n-’n paar krukjes wil leenen, zonder leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen, dat schuift niet in... ja, vraag ’n paar krukjes aan de juffrouw, en zeg aan de juffrouw dat ’t voor my is, en dat ik de juffrouw wacht tegen zevenen... maar doe ’t kompliment aan de juffrouw, en snuit je neus.”Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. ’t Was zoo onbeleefd, vond ze.Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z’n brug, die ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot, en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy gedachteloos of vol gedachten—wat byna ’t zelfde is—daarin wierp, werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd moesten worden door de beide molens: “d’ Morgenstond” en “den Arend” welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom.NaGloriosonamelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van ’t eerste beeld uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hy ooit z’n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitterontevredenmaakten met z’n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar ’t bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in ’n grot met kaarsen. En wat het eeren van z’n moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hy had z’n bybel niet moeten verkoopen... dat is waar... ook zou-i ’tnooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar dan behoorde hy toch ook ’n kistje te hebben met dukaten, en ’n veer op z’n muts, zooals in ’t boek stond.Ook verveelde hem z’n broer Stoffel, en z’n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie niet naar Italie ging, om daar ’n behoorlyke roovery optezetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet.’t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z’n vers...Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die ’t minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar den lauwer der eer, een gedicht op ’n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal “de deugd” tot z’n deel gekregen, niet zonder toespeling op z’n vroegtydige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z’n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem ’t naast aan ’t hart lag, de roovery.Hyzelf was, als alle schryvers—en menschen—zeer ingenomen met z’n werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.Zoo droomde hy, en wierp z’n strootjes in ’t water. Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter’s verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen beter lot, en raakte verward in ’t kroos. Nu Wouter-zelf: hy naderde Amalia’s kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te deelen zoo ’t behoort, werd-i opgeslokt door ’n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter’s laatste strootje, en in ’t geklapper van den molen hoorde hy duidelyk Amalia’s verwytend geklaag:Warre, warre, warre, wou.Waar is warre, warre, wou...Wouter die me redden zou?Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden ’n steen te werpen naar den eend die door z’n gulzigheid oorzaak was van Amalia’s twyfel aan z’n riddereer.De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niette storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper voort.Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de weerklank der aandoeningen in z’n eigen gemoed.—Wie ’t snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk beginnen... zóó! Neen, deArendwas vóór! Nogeens.. nu! Och, weer verkeerd!Wie nu ’t eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van die wolk af.Morgenstond, pas-op... mis weer! Ik kan ’r geen oog op houden... wat ’n gedraai!Zoo, ben je moê? ’k Wil ’t wel gelooven!Als ik eens op zoo’n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat zou de molenaar gek kyken!Waarom heetjeMorgenstond? Hebje wat in den mond? En...Arend... kunje vliegen? Wilje my meenemen?Ikzou wel willen... wat ’n ruimte daarboven... en geen school!Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er ’t eerst... ’n school of ’n meester?Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die eerste school moet toch ’n meester gehad hebben...Of zou de eerste meester vanzelf...Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe ’t eens,Arend... toe! Kryg deMorgenstond... gauw, gauw... pak ’m beet... mooi!Nu weer samen...karre, karre, kra, kra... steek-uit je armen... neem me mee... wilje niet? GoedArend! Zet je hoed op... wat fladderen die linten... hoe heetje?Warre, warre, warre, wou... ik kon ’t niet helpen... ’t was die eend. Zeg, hoe heetje?Fanne, Fanne, fan, fan... heetjeFan? En jy,Morgenstond, hoe is je naam?Sine, sine, sine, si... wat is dat voor ’n naam,si? Nu tegelyk, komaan... samen... zingt ’n liedje samen:Fanne, fanne, fan, fan...Sine, sine, si, si...Fanne, sine, fanne, sine,Fanne sine... Fan... cy...Fancy... wat meenje daarmee? HeetjeFancy! En... wat is dàt... hebje vleugels?Ja, “d’ Morgenstond” en “den Arend” waren ineengesmolten, hadden vleugels en heettenFancy.Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.Toen ze hem weer neerzette op de brug, was ’t al lang donker. Wouter schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit, en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch moeten daartoe ’n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet tecollet montéis tot het aannemen van m’n uitnoodiging op de saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf maakte, en alles van Parys kreeg.In ’t voorbygaan echter, wenschte ik ’n kort bezoek te brengen by meester Pennewip.Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop.De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al haar luister op ’t zwarte bord, maar toch, de school was geen school meer, de geest was er uit, ’t was ’n lyk.Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen ’n groote hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra blyken.Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip de dichterlyke voortbrenselen van ’t genie zyner leerlingen keuren zou. Daar zat-i. Z’n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die hem bezielden by ’t lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden genoeg om over z’n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.Pruik: recht en in rust.“TRYNTJE FOP,op haar muts.Ik heet Tryntje Fop.En heb een muts op myn kop.”—Niet kwaad... maar... laat zien—ja, zóó is ’t beter—die beide laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver overtolligheid.Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje Fop heel eenvoudig ’n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.Pruik: iets of wat links.“LUKAS DE BRYER,op het Vaderland.Vaderland, koek en amandelen.Ik ga in de maneschyn wandelen.Koek, vaderland en brandewyn,Ik ga wandelen in de maneschyn.Vyf vingers heb ik aan myn handTer eer van ’t lieve vaderland.”—Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet brandewyn, en ’t vaderland daartusschen.Pruik: rechts.“LYSJE WEBBELAAR,op het beroep van haar vader.De kat viel van de trappe,Myn vader verkoopt aardappe-Len en uyen.”—Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur ik af.Pruik: links.“JANNETJE RAST,op eenwindwyzer.Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet.En wyst aan den wind hoe hy waaien moet.”—Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als dichterlyke vryheid kan het er door.Pruik: vooruit.“GRIETJE WANZER,op een rups.Het rupsje zonder schromen,Springt rond op alle boomen.”—Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van die onbeschroomd rondspringende rups.Pruik: in rust.“LEENDERT SNELLEMAN,op de lente.In de lente is het heel aardig.In Mei is myn broertje jarig.Maar nu heeft hy wintervoeten.Zoodat wy de lente pryzen moeten.Dan gaan wy samen kuieren.En op paasch, vacantie met eieren.”—’t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is zeer eigenaardig.Pruik: in den nek.SLACHTERSKEESJE,lofdicht op den meester.Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven,Maar meester Pennewip is nog in leven.Soms waren zy mager en somtyds vet.En hy heeft zyn pruik op zy gezet.”De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.—Hm... ’t is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.—Wat heb ik met die ossen te maken?De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen alle verwantschap met die ossen.—Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakershumornoemen?De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...De pruik kwam weer terecht op ’t zenith, om haar tevredenheid uittedrukken over meester’s voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg onder-handen te nemen.“LUKAS DE WILDE,op de godsdienst.De godsdienst is een goede zaak.En geeft het menschdom veel vermaak.”—Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve had iets meer uitgewerkt behooren te worden.De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.TRUITJE GIER,op juffrouw Pennewip.Het pad der deugd wyst zy ons aan.Wie zou niet gaarne medegaan?En in verloren oogenblikkenLeert zy ons naaien, stoppen en stikken.”De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden elkaar. Meester kon niet nalaten z’n vrouw terstond deelgenoot te maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.By ’t volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaaronbewogen, maar de oplettende beschouwer had ’n hysterische geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.“KLAASJE VAN DER GRACHT,op God.Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverhevenMet stof, en stergewoel, van ’t aardsch bazuingeschal!Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,Wie zegt ons waar ’t gewoel, een einde nemen zal?Tot weêrklank van Genaè, met Eng’len op de transen,Gevaar van ’t smalle pad, uit onbekend genot...Een vader weegt zyn kind, met eeuw’ge kroonbalansen,Zich spieg’lend in, en door, en op, en onder God.Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen.Het zevenslotig boek, een zang van ’t boos geslacht,Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.Dit vers is saamgedicht doorKlaasje van der Grachtvan den katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de vliegende theeketel uithangt.”—Verheven! Als z’n vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my boven het hoofd... het is verbazend!Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.“LOUWTJE DE WILDE,op de vriendschap.De vriendschap is een schoone zaak.En geeft het menschdom groot vermaak.”De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes vriendschap.—Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of zyn.“WIMPJE DE WILDE,op het hengelen.Het heng’len is...—Hoe... wat is dat?Ja waarachtig, ’t stond er:“Het heng’len is een schoone zaak.En geeft het menschdom veel vermaak.”De pruik was in voortdurende beweging. ’t Scheen wel dat ze meehengelde.Meester bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak gaven aan ’t menschdom! ’t Was ’n stortvloed van schoone zaken en vermakelykheden.Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden ’t beste was, en meer kan men niet verlangen. Na ’t inzien der vruchteloosheid harerbemoeiingenom onderscheid te vinden tusschen hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool, hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging en bleef in ’t juiste midden, met ’n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag naar ’t vervolg, als de lezer.“LEENTJE DE HAAS,op admiraal de Ruyter.“Hy is op een toren geklommen,En heeft daar touw gedraaid.Toen is hy op zee gekommen,En werd met roem bezaaid.Hy wou ’t er niet by laten,En heeftSalehgeveld.Toen hebben heeren StatenHem aangesteld als held.Toen is hy aangekomenIn ’t roofziek Engeland.Dat heeft hy zonder schromenBelegerd en verbrand.Hy heeft veel christenslavenMet vryheid overstrooid.Toen hebben Neêrlands bravenZyn glazen ingegooid.Tot afschrik van verradersToen hy de zee bevoer.Was zyn naam bestevader,Zyn vrouw was bestemoêr.Hy gaf de eer den Heere,En was als Christen groot.Toen kreeg hy door zyn kleerenEen kogel, en was dood.”De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen verheugd. Helaas... de vreugde van zoo’n pruik duurt niet lang! Ook de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar zien...“WOUTER PIETERSE,Rooverslied...”—Hè... wat is dat? En de deugd... waar is de deugd?Meester vertrouwde z’n oogen niet. Hy keerde ’t blad om en bekeek de achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had...Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouter’s blaadje!Arme pruik!Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit ’n pruik onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op ’n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te boven gaan van de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort:heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven, hoe komt-i er aan!... plakte ze met ’n vuistslag weer op z’n schedel... dekte haar toe met z’n eerwaardig driepuntjen, en vloog de deur uit als ’n bezetene.Hy ging den weg op naar Wouter’s woning, waar we hem weldra zullen zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel’s zoölogische geestigheid, oorzaak van ’n laatsten punischen oorlog. Pennewip homœopaath en vredestichtermalgré lui.Arme Wouter!—Heeremens... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou die stoel wech, en cheef ereis ’n tessie in die stoof... toe as ’n meit, of ’k doe ’t liefer sellif. En-oe maak je ’t, mens? Juffrò-Laps k’mt ook, weet je?—Myntje, denk ’m je deeg, en skei uit mê-kamme—ze ken niet f’n d’r hare blyve, die meit, as ’r folk is... ga sitte, mens... né, niet in die hoek... ’t tocht ’r so...Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken. Maar... vrouw Stotter was ’n “vrouw” en geen “juffrouw.” Ze had dus geen recht op de eereplaats, want eens-vooral, ’n juffrouw gaat boven ’n vrouw, zoo goed als ’n mevrouw gaat boven ’n juffrouw. Ieder moet op z’n plaats blyven, vooral op bovenkamer III, 7.b1of c, (Pp) waar depréséancenauwkeuriger wordt in acht genomen dan aan ’t hof te Madrid, jazelfs met ’n angstvalligheid die ’t ceremonie-meesterschapop die hoogte der maatschappy, tot ’n hoofdbrekend werk maakt voor menige juffrouw Pieterse.Ik zeg dit maar, om door ’t woord “hoofdbreken” ongezocht te geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met de juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat ik niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord, voor ’t afleggen van ’n bezoek op dezen of genen III. 7,b1. (Pp).Want als ’t nu eens later iemand in ’t hoofd komt, vrouw Stotter te verheffen tot algemeene baker van ’t heele menschdom, zal ’t dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wàt ze gezegd heeft, en hòe ze ’t gezegd heeft? Lieve menschen, moet het dan juist hebreeuwsch wezen of plat-grieksch, wat u aantrekt? Wat my betreft, ’k wasch m’n handen in onschuld, en ga terstond naar de Noordermarkt.Ik ben er geweest! Ziehier:—Och me lieffe juffre Pieterse... ’k was so bedaan toe Louweris me kwam fraache. Want ’k sech al so teuche Wimpie, die musse maakt, weetje—né, dankie f’r fuur. Strakkies, Pietje—’t zech al so teuche Wimpie, hoe sou juffre Pietersen ’t make, ’mdâ-’k in so lang niet fâ-je chehoort-ep, weetje,—ja, lech ’m m’r neer,’t is m’n outje—je neemt ommes nie kwalik, dâ-’k m’r m’n outje hep omchedaan?... en doe sei Wimpie, omdâ-we net aan de was wasse...Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het “outje” van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan ’t voeteneind op de bedstee in de achterkamer, met last aan de kinderen die daar saamgepakt lagen, de beenen niet uittesteken, om baker’s “outje” niet te bederven.—Wel mens, cha sitte... ja, dâ’s f’rons... ’t is tweemaal—Leentje, wâ-benje weer... d’r wordt cheskelt, hoorje niet!—’t Sel juffre Sipperman wese... w’nt juffre Sipperman k’mt ook, weetje...Ik weet alweer niet of ’t inderdaad juffrouw Zipperman was die gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in ’t onzekere latende of ’t ditmaal juffrouw Zipperman was, of juffrouw Mabbel van den koekbakker, of juffrouw Krummel “die ’n man op de beurs had” of juffrouw Laps... neen, die hoefde niet te schellen, want ze woonde op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was ’t heele gezelschap kompleet, en Stoffel rookte z’n pyp alsof ’t zoo hoorde. Leentje was weggegaan zonder boterham. “Die zou ze morgen wel krygen, omdat ’t zoo druk was vandaag, en men kon niet alles tegelyk doen.”—En toe hebbe ze daadelik ’n and’re chenome... uwe weet wel... die soo’n flakki op ’r neus het.—Och, ’t is soo’n chemaal met-i meide... zei juffrouw Pieterse. Toe, neemt uwe d’r noch eentje, en lâ-je nie nooie... ’t is ’n koekie f’n j’eiche deech.—Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met ’n konynenmondje, dat fatsoen beduidt.—Kemän, of ’k sou denke dâ-je ’t niet lustte.Dat mocht ze niet laten denken, want ze had ’t zelf gebakken.—Dan mach ’k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en dankie wel.—En uwé, juffre Laps, toe, mach ’k ’r j’eentje cheefe?Juffrouw Laps koos janhagel.—Skenkerissin, Trui!—Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je meedrinken, ’t wort je f’n harte chechunt, mens!—Pietje, feeg de tafel ’r’s of... só, as ’n meit... en cha nou ’r’s kyke na de kleintjes, en sech dâ’k se nie hoore mot.—Och, juffre Mabbel, ’t is zoo’n chedoe mettie kindere... en hoe faart uwe’s Sientje mette kinkhoest?—We hebbe d’r nou ’n machenetisseur bycheroepe, m’r ’t wil nie vatte... ’t m’nkeert ’m an de kleèrfenjanse fâ-de sonnebuul.—Isset moooochelik... wat ’n mens al beleeft! En w’nneer komt-i... die kle ... klik... kleer...—Dat leit ’m an de sénewe, juffre Sipperman. M’r nou het-i d’r slaapmussie, en d’r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en nou sel ’t chou komme, seit-i.—Wel mens, wat sech-i! M’r oe cháát ’t dan?—Wel... dan sel desonnebuul’t seche, wâ-me doen motte.Juffrouw Laps was er tegen.—Ik dééj’t niet, ik dééj’t niet... fô-cheen werels choet! Want weetje watiksech? Ik sech maar, as Chot ’t wil, d’n mô-je beruste, dâ-sechik!—Ja, juffre Laps, m’r de juffr’ uit de chruttery het ’t ook chedaan, en d’r kint is veel beter.—Dat seit uwé, juffre Mabbel, m’riksech dâ-se wat in d’r oochies het, wâ-me niet befalt...—Wâ-dan, juffre Laps?—Se kykt onstichtelik... en ik houw ’t f’r sonde... en dàt sechikmaar. ’t Benne allemaal m’r kunste die nie te-pas komme... en as Chot wil, mô-je beruste.—Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as de steeneman. Sechereis ’n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken ’n heel fers f’n buite, en dâ-ken-i opseche achtermekaar. En ook ken-i al de werrikwoorden f’n ’t frouwelyk cheslacht.—Moeder, wâ-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe sietâ-’k rook.—Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mô-je-n-’s ’n werrikwoord opseche.—Je sou seche, w’r haalt de jong’ ’t f’ndaan, juffre Sipperman.—Hoe is ’t ’k weer, lobbes?... ik zou beskonke chewees syn, en hy sou beskonke chewees syn—och heere, begryp ’t goet, mens, niet omdat-i dronke was, gut né, m’r ’t kwam so te-pas in s’n werrikwoort, ’tis ’m je slap te lachen, as-i bechint.—Skenkerissin, Trui, en blaas es in de tuit... d’r sit ’n blaatje foor.De lezer zal my ten goede houden, dat ik wat luchtig heenstap over de verdere geschiedenis van dat salieblaadje, en dat ik ook in’t verder relaas van juffrouw Pieterse’s avendje, my eenige afwyking veroorloof van den juisten tekst der gesprekken.1Stoffel dreunde z’n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken geweest was, en dat zy ’t wezen zouden. Daarop werd de buurt over den hekel gehaald, en de juffrouw van “onder-achter” kreeg haar deel. Dat spreekt vanzelf want ze was er niet.De godsdienst en ’t geloof speelden ’n groote rol, en juffrouw Laps gaf te kennen dat ze van plan was ’n “oefening” optezetten, omdat de tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet goed in de hoeken veegden.—Ik zeg maar, ’t staat in de Schrift dat ’n mensch ’n mensch is, riep ze, en dáár komikmaar op. Men moet ’t niet beter willen weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door ’t geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee maal twee, zieje... en daarom wou ’k zoo graag ’n eigen oefeningetje houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om ’n zakduitje op kermis en nieuwjaar. Denk ’r ’ns over juffrouw Mabbel.Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag ’s avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien: “’t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat ’n “werkelyk” beroep was.”—Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat ’t wel gaan zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen in de schoteltjes... want om geld is ’t me niet te doen, gut né! We zouden beginnen met ’t ouwe testament... en dan... oefening, weet uwé... oefening, weet u?Juffrouw Zipperman wist ’t wel, doch haar schoonzoon van de assurantie—of van ’t kadaster—had gezegd dat de dominees voor die zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten wezen zou.Die heeren van ’t kadaster—of van de assurantie—zyn zoo gek niet.—Wat denkt uwe d’r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat zoo’n oefeningetje...Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke aanbiedingen te doen aan ’n “vrouw.”—Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-’ns zoolang gebakerd had als ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m’nheer Luttelmans van de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... endie zei altyd... want ik heb altyd heel in ’t fatsoelyke gebakerd, weetje... ’t is ’n huis met ’n hooge stoep, en in de gang stond zoo’n klok, weetje, van regen en wind... en die zei altyd: “vrouw Stotter, zeit-i, je bent ’n goeie vrouw, zeit-i en ’n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen, zeit-i, en, zeit-i, m’n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of je ’t niet hoort”—dankie, juffrouw Pieterse, m’n koppie is omgekeerd, dat zie je wel—en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet weten wat-i doet.—Maar zoo’n oefeningetje... vrouw Stotter.—’t Is mogelyk, juffrouw Laps, ’t is wel mogelyk... maar ik heb al zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m’n eigen gang ga, en dat ’s dan ook maar ’t beste. Want ik ben in ’n kraam geweest by m’nheer De Witte die ’n oom heeft aan ’t stadhuis, weetje, want ik baker altyd heel in ’t fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo grappig was, weetje, die zei altyd: “baker, baker, zeit-i, je bent m’n ’n baker!” Zoodat ik maar zeggen wil dat ’k heel goed weet wat ’k doe, want ik heb ’r al wat ingespeld van m’n leven. Daar heb je nou m’nheer... hoe heet-i ook... ook op de Prinsengracht... neen, op de Kalkmarkt... och, hoe heet-i...De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van ’t punt in kwestie. Maar dat doen er wel meer.—En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over ’n oefeningetje?—Och mensch, ik heb al zoo’n geoefen met m’n kinderen! Je weet niet wat ’t is, mensch, om ’r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar m’n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee ’r wat voor, ik hoor ’r weer.Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer ging om kleine Kee er “wat vóór te geven.” Men kon ’t haar aanzien dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.—Waar was ik weer? Ja, dat is m’n godsdienst, zeg ik maar. ’t Is ’n getob met die kinderen, mensch, je wéét ’t niet! En ik vind, als ik ze goed opbreng... ga jy nu ’ns, Pietje, en breng Simon terecht, die knypt zeker z’n zussie weer, dat doet-i altyd als ’r volk is.Simon werd terechtgebracht.—Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik daar weer? Myntje, ga ’ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat “ze wat hadden omgegooid.”Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van “achter-onder.” ’t Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien, achter. Vreeselyke opschudding.Eindelyk:De kinderen waren “terechtgebracht.” Juffrouw Zipperman zatweer in den hoek “waar ’t zoo tochtte” waaruit men ziet hoe alle aardsche grootheid ’n keerzy heeft, en dat ’n schoonzoon by ’t kadaster—of de assurantie—regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen waren gekastyd. “’t Was juist als in de Schrift stond”, zei ze, en ze haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar ’t staat, weet ik niet, maar ’k ben zeker dat het èrgens staat. Want in die Schrift staat alles. Vooral van slaan.—Kom, Stoffel, vertel jy nou ’reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw, die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien.—’k Weet niks op ’t oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste sokratische hovaardy.—Och toe, zeg maar ’reis wat je verleden zei... och toe—zoo is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden, anders gaat ’t niet. Maar dan weet-i ’t wel, dat zal uwe zien—toe, Stoffel!—hy zal moe wezen van z’n school, weet u... ’t is ’n gedoe met zoo’n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is ’n heele boel aan vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk zyn. Is ’t niet waar, Stoffel?—Né, moeder.—Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je—’t is maar, weet uwe, juffrouw Zipperman, om ’m aan ’t praten te krygen, maar dat kan zoo in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van z’n school—verleden zei je, dat alles...—Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.—Nou hoort uwé ’t, juffrouw Mabbel... waar haalt-i ’t vandaan! Begryp ’ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook—je korrenet, weetje—en jy ook...—Né, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en baker ook.Baker keek heel vreemd.Zymannelyk... dat had ze nooit geweten.—Baker is mannelyk, ging Stoffel voort—nou begint-i! riep z’n moeder—alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker, makker, bakker... raker, maker, baker.—Is ’t mogelyk! riepen de gasten uit één mond.—Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd staan als je ’t hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?—Ik... ik? Wat ik bèn?—Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?—Wèl... ik ben juffrouw Krummel, zei ’t mensch, maar ze zei ’t met wat twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse, en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in ’t eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van’n byzondere zaak ’n algemeene makende, vroeg Stoffel’s moeder, kringsgewys rondgaande met haar blik:—En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat je bent?Ze wisten ’t geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende de hoogschalke Stoffel ’t niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:—Ik ben juffrouw Laps!—Mis... mis... glad mis!—Wel heerem’ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?—J...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet gevraagdwieje bent, maarwatje bent... daar zit ’m ’t fyne!—Wàt ik ben? Wel... griffermeerd!—J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dàt is ’t nu niet. De vraag is... wat je bént? Stoffel, help m-n-eens...Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal mogelyk:—Juffrouw Laps, ikwenschtete weten wat gy zyt uit een dierlyk oogpunt.—Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op ’t punt staat zich beleedigd te voelen.—Ik ben ’n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.—En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan was vasttehouden aan die meening.—Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit ’n dierlyk oogpunt...—Als ’t onfatsoenlyk wordt, ga ’k liever heen, zei juffrouw Laps.—Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen voor ons plezier.—Menschen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek—Stoffel, zeg ’t maar—je zult ’r om lachen, juffrouw Mabbel, en ’t mooiste is dat ’t in ’n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen—toe, Stoffel, zeg ’t maar!—Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig—en er was ’n gewichtig oogenblik aangebroken in ’t avendje van juffrouw Pieterse—juffrouw Laps, je bent ’n zoogdier.Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis die er volgde op dat vreeselyk woord.Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen, en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer militants in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen die gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. Devoorlaatste fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen fransch las, bepaalde zy zich tot ’n schrikinboezemend violet, en riep... neen, ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op ’n wyze die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien avend waren komen te overlyden.Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvisschen als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in ’n dikken wolk van rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze stamelde deemoedig:—’t Staat in ’n boek, ’t staat waarachtig in ’n boek! Och, lieve menschen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek!Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar te bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna ’n oogenblik, hoestte, wierp ’t mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon:—Juffrouw Pieterse, je bent ’n keronje. Je mag zelf ’n zoogdier wezen, jy en je zoon, dat zegikje! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy durft te denken, want m’n vader was in de granen, en nooit heeft iemand... zie zooveel op me te zeggen gehad! Vraag alle menschen na me, en of ik me ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets... en of ik niet ieder ’t zyne geef... en-i was fakter, weetje... en we woonden over ’t bessieshuis... want-i was in de granen, en dáár kan je na me vragen, hoorje! Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit is me dat overkomen wat jy me aandoet, en als ik me niet ontzag, zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En ik zeg je nou nog ’ns dat je-n-’n keronje bent, jy en je zoon en je heele familie—weg, Trui!—m’n vader was in de granen, weetje... en ik ben te fatsoenlyk om door jou...—Maar mensch, ’t staat in ’n boek... omdeliefdewil, geloof me... ’t staat in ’n boek!Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek, jy die Godswoord hebt verkwanseld en verdaan opd’ouwenbrug...Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z’n moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer ’t een voor ’t ander.—Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys ’t toch aan de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen!—Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te wyzen in je boek, dat zegikje! En ik zeg je nogeens dat je-n-’n keronje bent, jy en je lummel van ’n zoon, en je sletten van dochters die opgroeien als...Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er iets haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee. ’t Overige gezelschap schreeuwde er van-tyd tot-tyd ’n woordje tusschen. Er kwam weer ’n boodschap van de juffrouw van achter-onder, die met de politie dreigde. De kinderen maakten gebruik vande opschudding, om hun konsigne te breken. Ze hadden ’t bed verlaten, en loerden door ’t sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep om haar “lodderyndoos” en zei dat ze ’t besterven zou. Vrouw Stotter eischte haar “oudje” en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon.Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. “Men kon veel verdragen, maar dàt niet.” Juffrouw Krummel zou ’t geval meedeelen aan haar man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of ’t kadaster. Vrouw Stotter zou ’t vertellen aan dien m’nheer op de Prinsengracht, dien ze gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet of ’t by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in ’t vorige hoofdstuk.1In I. 387 en 390 werpt M. de vraag op in hoeverre schoonheid realistische uitbeelding toelaat: “s’il faut de la boue, pas trop n’en faut.”
Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd tusschen willen en zyn, geopenbaard in ’n kindermymering (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met ’n luchtreis.’t Was woensdag. Er zou ’n “avendje” wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man “aan de beurs” was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had “maar altyd heel in ’t fatsoenlyke.” Dan de weduwe Zipperman, “die ’n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of ’t kadaster, of zoo-iets.” Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was “zoo opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar meetevragen.” Dan de juffrouw van onder-achter die wel niet komen zou, dacht men “maar men wou graag de minste wezen na dat gekibbel over ’t gebroken glas.” En kwam ze nù niet, dan was ’t ookuit, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou ’t uit wezen met de juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet gekomen is, en dat het dus met die juffrouwuitwas.De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van ’n kop koude saliemelk aan ’t ontbyt “als men ze den heelen avend niet hoorde.” ’t Is ook lastig de kinderen te “hooren” als men ’n avendje heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op ’n toon die hem deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer uitbleef. Laurens, die natuurlyk op ’t letterzetten was, en gewoonlyk ’s avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by ’t tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf—ze hadden de belydenis en den merklap achter den rug—en Stoffel zat voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de juffrouwen kwamen halen, en ’t gezelschap vermaken met vertellingen over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder sterk was.Leentje zou blyven tot de “menschen” er waren, wyl ’t anders voor de jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon ze wat helpen aan ’t wegzetten van de latafel, en aan al ’t geredder dat onafscheidelyk is van ’n avendje. “Maar ze moest wat vlugger wezen, of anders deed men ’t waarlyk liever zelf.”Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de bestellen, “maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst zoo droog waren.”’t Zou allerprettigst wezen “als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak.” Ook was het te hopen dat de weduwe Zipperman “wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op ’t laatst.” En de juffrouw boven den melkkelder “mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in ’ntoehuisgewoond,en ’nwinkelwas geen schande, enop-kamers-wonenook niet... heere, neen!” Ook kon niemand weten waar-i toe komen zou.Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den burgerstand, “en als ze-n-’t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe ’t hoort.”—En “dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging juffrouw Pieterse voort, ’t raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z’n beenen maar vóór zich houden... en dáár ’n stoel... ja, zóó... ’t is heel goed dat ze niet komt, ’t was toch te vol geworden... Leentje, ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga ’ns even naar juffrouw Laps, en vraag of de juffrouw me-n-’n paar krukjes wil leenen, zonder leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen, dat schuift niet in... ja, vraag ’n paar krukjes aan de juffrouw, en zeg aan de juffrouw dat ’t voor my is, en dat ik de juffrouw wacht tegen zevenen... maar doe ’t kompliment aan de juffrouw, en snuit je neus.”Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. ’t Was zoo onbeleefd, vond ze.Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z’n brug, die ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot, en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy gedachteloos of vol gedachten—wat byna ’t zelfde is—daarin wierp, werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd moesten worden door de beide molens: “d’ Morgenstond” en “den Arend” welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom.NaGloriosonamelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van ’t eerste beeld uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hy ooit z’n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitterontevredenmaakten met z’n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar ’t bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in ’n grot met kaarsen. En wat het eeren van z’n moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hy had z’n bybel niet moeten verkoopen... dat is waar... ook zou-i ’tnooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar dan behoorde hy toch ook ’n kistje te hebben met dukaten, en ’n veer op z’n muts, zooals in ’t boek stond.Ook verveelde hem z’n broer Stoffel, en z’n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie niet naar Italie ging, om daar ’n behoorlyke roovery optezetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet.’t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z’n vers...Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die ’t minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar den lauwer der eer, een gedicht op ’n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal “de deugd” tot z’n deel gekregen, niet zonder toespeling op z’n vroegtydige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z’n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem ’t naast aan ’t hart lag, de roovery.Hyzelf was, als alle schryvers—en menschen—zeer ingenomen met z’n werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.Zoo droomde hy, en wierp z’n strootjes in ’t water. Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter’s verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen beter lot, en raakte verward in ’t kroos. Nu Wouter-zelf: hy naderde Amalia’s kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te deelen zoo ’t behoort, werd-i opgeslokt door ’n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter’s laatste strootje, en in ’t geklapper van den molen hoorde hy duidelyk Amalia’s verwytend geklaag:Warre, warre, warre, wou.Waar is warre, warre, wou...Wouter die me redden zou?Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden ’n steen te werpen naar den eend die door z’n gulzigheid oorzaak was van Amalia’s twyfel aan z’n riddereer.De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niette storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper voort.Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de weerklank der aandoeningen in z’n eigen gemoed.—Wie ’t snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk beginnen... zóó! Neen, deArendwas vóór! Nogeens.. nu! Och, weer verkeerd!Wie nu ’t eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van die wolk af.Morgenstond, pas-op... mis weer! Ik kan ’r geen oog op houden... wat ’n gedraai!Zoo, ben je moê? ’k Wil ’t wel gelooven!Als ik eens op zoo’n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat zou de molenaar gek kyken!Waarom heetjeMorgenstond? Hebje wat in den mond? En...Arend... kunje vliegen? Wilje my meenemen?Ikzou wel willen... wat ’n ruimte daarboven... en geen school!Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er ’t eerst... ’n school of ’n meester?Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die eerste school moet toch ’n meester gehad hebben...Of zou de eerste meester vanzelf...Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe ’t eens,Arend... toe! Kryg deMorgenstond... gauw, gauw... pak ’m beet... mooi!Nu weer samen...karre, karre, kra, kra... steek-uit je armen... neem me mee... wilje niet? GoedArend! Zet je hoed op... wat fladderen die linten... hoe heetje?Warre, warre, warre, wou... ik kon ’t niet helpen... ’t was die eend. Zeg, hoe heetje?Fanne, Fanne, fan, fan... heetjeFan? En jy,Morgenstond, hoe is je naam?Sine, sine, sine, si... wat is dat voor ’n naam,si? Nu tegelyk, komaan... samen... zingt ’n liedje samen:Fanne, fanne, fan, fan...Sine, sine, si, si...Fanne, sine, fanne, sine,Fanne sine... Fan... cy...Fancy... wat meenje daarmee? HeetjeFancy! En... wat is dàt... hebje vleugels?Ja, “d’ Morgenstond” en “den Arend” waren ineengesmolten, hadden vleugels en heettenFancy.Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.Toen ze hem weer neerzette op de brug, was ’t al lang donker. Wouter schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit, en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch moeten daartoe ’n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet tecollet montéis tot het aannemen van m’n uitnoodiging op de saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf maakte, en alles van Parys kreeg.In ’t voorbygaan echter, wenschte ik ’n kort bezoek te brengen by meester Pennewip.Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop.De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al haar luister op ’t zwarte bord, maar toch, de school was geen school meer, de geest was er uit, ’t was ’n lyk.Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen ’n groote hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra blyken.Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip de dichterlyke voortbrenselen van ’t genie zyner leerlingen keuren zou. Daar zat-i. Z’n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die hem bezielden by ’t lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden genoeg om over z’n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.Pruik: recht en in rust.“TRYNTJE FOP,op haar muts.Ik heet Tryntje Fop.En heb een muts op myn kop.”—Niet kwaad... maar... laat zien—ja, zóó is ’t beter—die beide laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver overtolligheid.Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje Fop heel eenvoudig ’n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.Pruik: iets of wat links.“LUKAS DE BRYER,op het Vaderland.Vaderland, koek en amandelen.Ik ga in de maneschyn wandelen.Koek, vaderland en brandewyn,Ik ga wandelen in de maneschyn.Vyf vingers heb ik aan myn handTer eer van ’t lieve vaderland.”—Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet brandewyn, en ’t vaderland daartusschen.Pruik: rechts.“LYSJE WEBBELAAR,op het beroep van haar vader.De kat viel van de trappe,Myn vader verkoopt aardappe-Len en uyen.”—Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur ik af.Pruik: links.“JANNETJE RAST,op eenwindwyzer.Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet.En wyst aan den wind hoe hy waaien moet.”—Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als dichterlyke vryheid kan het er door.Pruik: vooruit.“GRIETJE WANZER,op een rups.Het rupsje zonder schromen,Springt rond op alle boomen.”—Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van die onbeschroomd rondspringende rups.Pruik: in rust.“LEENDERT SNELLEMAN,op de lente.In de lente is het heel aardig.In Mei is myn broertje jarig.Maar nu heeft hy wintervoeten.Zoodat wy de lente pryzen moeten.Dan gaan wy samen kuieren.En op paasch, vacantie met eieren.”—’t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is zeer eigenaardig.Pruik: in den nek.SLACHTERSKEESJE,lofdicht op den meester.Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven,Maar meester Pennewip is nog in leven.Soms waren zy mager en somtyds vet.En hy heeft zyn pruik op zy gezet.”De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.—Hm... ’t is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.—Wat heb ik met die ossen te maken?De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen alle verwantschap met die ossen.—Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakershumornoemen?De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...De pruik kwam weer terecht op ’t zenith, om haar tevredenheid uittedrukken over meester’s voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg onder-handen te nemen.“LUKAS DE WILDE,op de godsdienst.De godsdienst is een goede zaak.En geeft het menschdom veel vermaak.”—Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve had iets meer uitgewerkt behooren te worden.De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.TRUITJE GIER,op juffrouw Pennewip.Het pad der deugd wyst zy ons aan.Wie zou niet gaarne medegaan?En in verloren oogenblikkenLeert zy ons naaien, stoppen en stikken.”De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden elkaar. Meester kon niet nalaten z’n vrouw terstond deelgenoot te maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.By ’t volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaaronbewogen, maar de oplettende beschouwer had ’n hysterische geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.“KLAASJE VAN DER GRACHT,op God.Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverhevenMet stof, en stergewoel, van ’t aardsch bazuingeschal!Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,Wie zegt ons waar ’t gewoel, een einde nemen zal?Tot weêrklank van Genaè, met Eng’len op de transen,Gevaar van ’t smalle pad, uit onbekend genot...Een vader weegt zyn kind, met eeuw’ge kroonbalansen,Zich spieg’lend in, en door, en op, en onder God.Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen.Het zevenslotig boek, een zang van ’t boos geslacht,Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.Dit vers is saamgedicht doorKlaasje van der Grachtvan den katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de vliegende theeketel uithangt.”—Verheven! Als z’n vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my boven het hoofd... het is verbazend!Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.“LOUWTJE DE WILDE,op de vriendschap.De vriendschap is een schoone zaak.En geeft het menschdom groot vermaak.”De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes vriendschap.—Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of zyn.“WIMPJE DE WILDE,op het hengelen.Het heng’len is...—Hoe... wat is dat?Ja waarachtig, ’t stond er:“Het heng’len is een schoone zaak.En geeft het menschdom veel vermaak.”De pruik was in voortdurende beweging. ’t Scheen wel dat ze meehengelde.Meester bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak gaven aan ’t menschdom! ’t Was ’n stortvloed van schoone zaken en vermakelykheden.Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden ’t beste was, en meer kan men niet verlangen. Na ’t inzien der vruchteloosheid harerbemoeiingenom onderscheid te vinden tusschen hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool, hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging en bleef in ’t juiste midden, met ’n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag naar ’t vervolg, als de lezer.“LEENTJE DE HAAS,op admiraal de Ruyter.“Hy is op een toren geklommen,En heeft daar touw gedraaid.Toen is hy op zee gekommen,En werd met roem bezaaid.Hy wou ’t er niet by laten,En heeftSalehgeveld.Toen hebben heeren StatenHem aangesteld als held.Toen is hy aangekomenIn ’t roofziek Engeland.Dat heeft hy zonder schromenBelegerd en verbrand.Hy heeft veel christenslavenMet vryheid overstrooid.Toen hebben Neêrlands bravenZyn glazen ingegooid.Tot afschrik van verradersToen hy de zee bevoer.Was zyn naam bestevader,Zyn vrouw was bestemoêr.Hy gaf de eer den Heere,En was als Christen groot.Toen kreeg hy door zyn kleerenEen kogel, en was dood.”De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen verheugd. Helaas... de vreugde van zoo’n pruik duurt niet lang! Ook de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar zien...“WOUTER PIETERSE,Rooverslied...”—Hè... wat is dat? En de deugd... waar is de deugd?Meester vertrouwde z’n oogen niet. Hy keerde ’t blad om en bekeek de achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had...Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouter’s blaadje!Arme pruik!Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit ’n pruik onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op ’n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te boven gaan van de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort:heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven, hoe komt-i er aan!... plakte ze met ’n vuistslag weer op z’n schedel... dekte haar toe met z’n eerwaardig driepuntjen, en vloog de deur uit als ’n bezetene.Hy ging den weg op naar Wouter’s woning, waar we hem weldra zullen zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.
Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd tusschen willen en zyn, geopenbaard in ’n kindermymering (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met ’n luchtreis.
Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd tusschen willen en zyn, geopenbaard in ’n kindermymering (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met ’n luchtreis.
’t Was woensdag. Er zou ’n “avendje” wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man “aan de beurs” was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had “maar altyd heel in ’t fatsoenlyke.” Dan de weduwe Zipperman, “die ’n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of ’t kadaster, of zoo-iets.” Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was “zoo opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar meetevragen.” Dan de juffrouw van onder-achter die wel niet komen zou, dacht men “maar men wou graag de minste wezen na dat gekibbel over ’t gebroken glas.” En kwam ze nù niet, dan was ’t ookuit, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou ’t uit wezen met de juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet gekomen is, en dat het dus met die juffrouwuitwas.
De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van ’n kop koude saliemelk aan ’t ontbyt “als men ze den heelen avend niet hoorde.” ’t Is ook lastig de kinderen te “hooren” als men ’n avendje heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op ’n toon die hem deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer uitbleef. Laurens, die natuurlyk op ’t letterzetten was, en gewoonlyk ’s avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by ’t tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf—ze hadden de belydenis en den merklap achter den rug—en Stoffel zat voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de juffrouwen kwamen halen, en ’t gezelschap vermaken met vertellingen over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder sterk was.
Leentje zou blyven tot de “menschen” er waren, wyl ’t anders voor de jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon ze wat helpen aan ’t wegzetten van de latafel, en aan al ’t geredder dat onafscheidelyk is van ’n avendje. “Maar ze moest wat vlugger wezen, of anders deed men ’t waarlyk liever zelf.”
Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de bestellen, “maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst zoo droog waren.”
’t Zou allerprettigst wezen “als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak.” Ook was het te hopen dat de weduwe Zipperman “wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op ’t laatst.” En de juffrouw boven den melkkelder “mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in ’ntoehuisgewoond,en ’nwinkelwas geen schande, enop-kamers-wonenook niet... heere, neen!” Ook kon niemand weten waar-i toe komen zou.
Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den burgerstand, “en als ze-n-’t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe ’t hoort.”—En “dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging juffrouw Pieterse voort, ’t raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z’n beenen maar vóór zich houden... en dáár ’n stoel... ja, zóó... ’t is heel goed dat ze niet komt, ’t was toch te vol geworden... Leentje, ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga ’ns even naar juffrouw Laps, en vraag of de juffrouw me-n-’n paar krukjes wil leenen, zonder leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen, dat schuift niet in... ja, vraag ’n paar krukjes aan de juffrouw, en zeg aan de juffrouw dat ’t voor my is, en dat ik de juffrouw wacht tegen zevenen... maar doe ’t kompliment aan de juffrouw, en snuit je neus.”
Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. ’t Was zoo onbeleefd, vond ze.
Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z’n brug, die ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot, en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy gedachteloos of vol gedachten—wat byna ’t zelfde is—daarin wierp, werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd moesten worden door de beide molens: “d’ Morgenstond” en “den Arend” welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom.
NaGloriosonamelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van ’t eerste beeld uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hy ooit z’n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.
Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitterontevredenmaakten met z’n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar ’t bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in ’n grot met kaarsen. En wat het eeren van z’n moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hy had z’n bybel niet moeten verkoopen... dat is waar... ook zou-i ’tnooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar dan behoorde hy toch ook ’n kistje te hebben met dukaten, en ’n veer op z’n muts, zooals in ’t boek stond.
Ook verveelde hem z’n broer Stoffel, en z’n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie niet naar Italie ging, om daar ’n behoorlyke roovery optezetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet.
’t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z’n vers...
Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die ’t minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar den lauwer der eer, een gedicht op ’n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal “de deugd” tot z’n deel gekregen, niet zonder toespeling op z’n vroegtydige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z’n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem ’t naast aan ’t hart lag, de roovery.
Hyzelf was, als alle schryvers—en menschen—zeer ingenomen met z’n werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.
Zoo droomde hy, en wierp z’n strootjes in ’t water. Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter’s verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen beter lot, en raakte verward in ’t kroos. Nu Wouter-zelf: hy naderde Amalia’s kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te deelen zoo ’t behoort, werd-i opgeslokt door ’n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter’s laatste strootje, en in ’t geklapper van den molen hoorde hy duidelyk Amalia’s verwytend geklaag:
Warre, warre, warre, wou.Waar is warre, warre, wou...Wouter die me redden zou?
Warre, warre, warre, wou.
Waar is warre, warre, wou...
Wouter die me redden zou?
Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden ’n steen te werpen naar den eend die door z’n gulzigheid oorzaak was van Amalia’s twyfel aan z’n riddereer.
De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niette storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper voort.
Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de weerklank der aandoeningen in z’n eigen gemoed.
—Wie ’t snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk beginnen... zóó! Neen, deArendwas vóór! Nogeens.. nu! Och, weer verkeerd!
Wie nu ’t eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van die wolk af.Morgenstond, pas-op... mis weer! Ik kan ’r geen oog op houden... wat ’n gedraai!
Zoo, ben je moê? ’k Wil ’t wel gelooven!
Als ik eens op zoo’n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat zou de molenaar gek kyken!
Waarom heetjeMorgenstond? Hebje wat in den mond? En...Arend... kunje vliegen? Wilje my meenemen?Ikzou wel willen... wat ’n ruimte daarboven... en geen school!
Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er ’t eerst... ’n school of ’n meester?
Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die eerste school moet toch ’n meester gehad hebben...
Of zou de eerste meester vanzelf...
Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe ’t eens,Arend... toe! Kryg deMorgenstond... gauw, gauw... pak ’m beet... mooi!
Nu weer samen...karre, karre, kra, kra... steek-uit je armen... neem me mee... wilje niet? GoedArend! Zet je hoed op... wat fladderen die linten... hoe heetje?Warre, warre, warre, wou... ik kon ’t niet helpen... ’t was die eend. Zeg, hoe heetje?Fanne, Fanne, fan, fan... heetjeFan? En jy,Morgenstond, hoe is je naam?Sine, sine, sine, si... wat is dat voor ’n naam,si? Nu tegelyk, komaan... samen... zingt ’n liedje samen:
Fanne, fanne, fan, fan...Sine, sine, si, si...Fanne, sine, fanne, sine,Fanne sine... Fan... cy...
Fanne, fanne, fan, fan...
Sine, sine, si, si...
Fanne, sine, fanne, sine,
Fanne sine... Fan... cy...
Fancy... wat meenje daarmee? HeetjeFancy! En... wat is dàt... hebje vleugels?
Ja, “d’ Morgenstond” en “den Arend” waren ineengesmolten, hadden vleugels en heettenFancy.
Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.
Toen ze hem weer neerzette op de brug, was ’t al lang donker. Wouter schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit, en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch moeten daartoe ’n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet tecollet montéis tot het aannemen van m’n uitnoodiging op de saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf maakte, en alles van Parys kreeg.
In ’t voorbygaan echter, wenschte ik ’n kort bezoek te brengen by meester Pennewip.
Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop.
De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al haar luister op ’t zwarte bord, maar toch, de school was geen school meer, de geest was er uit, ’t was ’n lyk.
Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen ’n groote hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra blyken.
Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip de dichterlyke voortbrenselen van ’t genie zyner leerlingen keuren zou. Daar zat-i. Z’n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die hem bezielden by ’t lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden genoeg om over z’n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.
Pruik: recht en in rust.
“TRYNTJE FOP,op haar muts.Ik heet Tryntje Fop.En heb een muts op myn kop.”
Ik heet Tryntje Fop.
En heb een muts op myn kop.”
—Niet kwaad... maar... laat zien—ja, zóó is ’t beter—die beide laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver overtolligheid.
Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje Fop heel eenvoudig ’n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.
Pruik: iets of wat links.
“LUKAS DE BRYER,op het Vaderland.Vaderland, koek en amandelen.Ik ga in de maneschyn wandelen.Koek, vaderland en brandewyn,Ik ga wandelen in de maneschyn.Vyf vingers heb ik aan myn handTer eer van ’t lieve vaderland.”
Vaderland, koek en amandelen.
Ik ga in de maneschyn wandelen.
Koek, vaderland en brandewyn,
Ik ga wandelen in de maneschyn.
Vyf vingers heb ik aan myn hand
Ter eer van ’t lieve vaderland.”
—Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet brandewyn, en ’t vaderland daartusschen.
Pruik: rechts.
“LYSJE WEBBELAAR,op het beroep van haar vader.De kat viel van de trappe,Myn vader verkoopt aardappe-Len en uyen.”
De kat viel van de trappe,
Myn vader verkoopt aardappe-
Len en uyen.”
—Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur ik af.
Pruik: links.
“JANNETJE RAST,op eenwindwyzer.Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet.En wyst aan den wind hoe hy waaien moet.”
Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet.
En wyst aan den wind hoe hy waaien moet.”
—Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als dichterlyke vryheid kan het er door.
Pruik: vooruit.
“GRIETJE WANZER,op een rups.Het rupsje zonder schromen,Springt rond op alle boomen.”
Het rupsje zonder schromen,
Springt rond op alle boomen.”
—Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van die onbeschroomd rondspringende rups.
Pruik: in rust.
“LEENDERT SNELLEMAN,op de lente.In de lente is het heel aardig.In Mei is myn broertje jarig.Maar nu heeft hy wintervoeten.Zoodat wy de lente pryzen moeten.Dan gaan wy samen kuieren.En op paasch, vacantie met eieren.”
In de lente is het heel aardig.
In Mei is myn broertje jarig.
Maar nu heeft hy wintervoeten.
Zoodat wy de lente pryzen moeten.
Dan gaan wy samen kuieren.
En op paasch, vacantie met eieren.”
—’t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is zeer eigenaardig.
Pruik: in den nek.
SLACHTERSKEESJE,lofdicht op den meester.Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven,Maar meester Pennewip is nog in leven.Soms waren zy mager en somtyds vet.En hy heeft zyn pruik op zy gezet.”
Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven,
Maar meester Pennewip is nog in leven.
Soms waren zy mager en somtyds vet.
En hy heeft zyn pruik op zy gezet.”
De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.
—Hm... ’t is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?
De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.
—Wat heb ik met die ossen te maken?
De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen alle verwantschap met die ossen.
—Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakershumornoemen?
De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.
Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...
De pruik kwam weer terecht op ’t zenith, om haar tevredenheid uittedrukken over meester’s voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg onder-handen te nemen.
“LUKAS DE WILDE,op de godsdienst.De godsdienst is een goede zaak.En geeft het menschdom veel vermaak.”
De godsdienst is een goede zaak.
En geeft het menschdom veel vermaak.”
—Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve had iets meer uitgewerkt behooren te worden.
De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.
TRUITJE GIER,op juffrouw Pennewip.Het pad der deugd wyst zy ons aan.Wie zou niet gaarne medegaan?En in verloren oogenblikkenLeert zy ons naaien, stoppen en stikken.”
Het pad der deugd wyst zy ons aan.
Wie zou niet gaarne medegaan?
En in verloren oogenblikken
Leert zy ons naaien, stoppen en stikken.”
De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden elkaar. Meester kon niet nalaten z’n vrouw terstond deelgenoot te maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.
By ’t volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaaronbewogen, maar de oplettende beschouwer had ’n hysterische geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.
“KLAASJE VAN DER GRACHT,op God.Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverhevenMet stof, en stergewoel, van ’t aardsch bazuingeschal!Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,Wie zegt ons waar ’t gewoel, een einde nemen zal?Tot weêrklank van Genaè, met Eng’len op de transen,Gevaar van ’t smalle pad, uit onbekend genot...Een vader weegt zyn kind, met eeuw’ge kroonbalansen,Zich spieg’lend in, en door, en op, en onder God.Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen.Het zevenslotig boek, een zang van ’t boos geslacht,Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.
Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven
Met stof, en stergewoel, van ’t aardsch bazuingeschal!
Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,
Wie zegt ons waar ’t gewoel, een einde nemen zal?
Tot weêrklank van Genaè, met Eng’len op de transen,
Gevaar van ’t smalle pad, uit onbekend genot...
Een vader weegt zyn kind, met eeuw’ge kroonbalansen,
Zich spieg’lend in, en door, en op, en onder God.
Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen.
Het zevenslotig boek, een zang van ’t boos geslacht,
Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.
Dit vers is saamgedicht doorKlaasje van der Grachtvan den katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de vliegende theeketel uithangt.”
—Verheven! Als z’n vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my boven het hoofd... het is verbazend!
Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.
“LOUWTJE DE WILDE,op de vriendschap.De vriendschap is een schoone zaak.En geeft het menschdom groot vermaak.”
De vriendschap is een schoone zaak.
En geeft het menschdom groot vermaak.”
De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes vriendschap.
—Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of zyn.
“WIMPJE DE WILDE,op het hengelen.Het heng’len is...
Het heng’len is...
—Hoe... wat is dat?
Ja waarachtig, ’t stond er:
“Het heng’len is een schoone zaak.En geeft het menschdom veel vermaak.”
“Het heng’len is een schoone zaak.
En geeft het menschdom veel vermaak.”
De pruik was in voortdurende beweging. ’t Scheen wel dat ze meehengelde.
Meester bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak gaven aan ’t menschdom! ’t Was ’n stortvloed van schoone zaken en vermakelykheden.
Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden ’t beste was, en meer kan men niet verlangen. Na ’t inzien der vruchteloosheid harerbemoeiingenom onderscheid te vinden tusschen hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool, hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging en bleef in ’t juiste midden, met ’n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag naar ’t vervolg, als de lezer.
“LEENTJE DE HAAS,op admiraal de Ruyter.“Hy is op een toren geklommen,En heeft daar touw gedraaid.Toen is hy op zee gekommen,En werd met roem bezaaid.
“Hy is op een toren geklommen,
En heeft daar touw gedraaid.
Toen is hy op zee gekommen,
En werd met roem bezaaid.
Hy wou ’t er niet by laten,En heeftSalehgeveld.Toen hebben heeren StatenHem aangesteld als held.
Hy wou ’t er niet by laten,
En heeftSalehgeveld.
Toen hebben heeren Staten
Hem aangesteld als held.
Toen is hy aangekomenIn ’t roofziek Engeland.Dat heeft hy zonder schromenBelegerd en verbrand.
Toen is hy aangekomen
In ’t roofziek Engeland.
Dat heeft hy zonder schromen
Belegerd en verbrand.
Hy heeft veel christenslavenMet vryheid overstrooid.Toen hebben Neêrlands bravenZyn glazen ingegooid.
Hy heeft veel christenslaven
Met vryheid overstrooid.
Toen hebben Neêrlands braven
Zyn glazen ingegooid.
Tot afschrik van verradersToen hy de zee bevoer.Was zyn naam bestevader,Zyn vrouw was bestemoêr.
Tot afschrik van verraders
Toen hy de zee bevoer.
Was zyn naam bestevader,
Zyn vrouw was bestemoêr.
Hy gaf de eer den Heere,En was als Christen groot.Toen kreeg hy door zyn kleerenEen kogel, en was dood.”
Hy gaf de eer den Heere,
En was als Christen groot.
Toen kreeg hy door zyn kleeren
Een kogel, en was dood.”
De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen verheugd. Helaas... de vreugde van zoo’n pruik duurt niet lang! Ook de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar zien...
“WOUTER PIETERSE,Rooverslied...”
—Hè... wat is dat? En de deugd... waar is de deugd?
Meester vertrouwde z’n oogen niet. Hy keerde ’t blad om en bekeek de achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had...
Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouter’s blaadje!
Arme pruik!
Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit ’n pruik onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op ’n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te boven gaan van de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort:heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven, hoe komt-i er aan!... plakte ze met ’n vuistslag weer op z’n schedel... dekte haar toe met z’n eerwaardig driepuntjen, en vloog de deur uit als ’n bezetene.
Hy ging den weg op naar Wouter’s woning, waar we hem weldra zullen zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.
Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel’s zoölogische geestigheid, oorzaak van ’n laatsten punischen oorlog. Pennewip homœopaath en vredestichtermalgré lui.Arme Wouter!—Heeremens... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou die stoel wech, en cheef ereis ’n tessie in die stoof... toe as ’n meit, of ’k doe ’t liefer sellif. En-oe maak je ’t, mens? Juffrò-Laps k’mt ook, weet je?—Myntje, denk ’m je deeg, en skei uit mê-kamme—ze ken niet f’n d’r hare blyve, die meit, as ’r folk is... ga sitte, mens... né, niet in die hoek... ’t tocht ’r so...Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken. Maar... vrouw Stotter was ’n “vrouw” en geen “juffrouw.” Ze had dus geen recht op de eereplaats, want eens-vooral, ’n juffrouw gaat boven ’n vrouw, zoo goed als ’n mevrouw gaat boven ’n juffrouw. Ieder moet op z’n plaats blyven, vooral op bovenkamer III, 7.b1of c, (Pp) waar depréséancenauwkeuriger wordt in acht genomen dan aan ’t hof te Madrid, jazelfs met ’n angstvalligheid die ’t ceremonie-meesterschapop die hoogte der maatschappy, tot ’n hoofdbrekend werk maakt voor menige juffrouw Pieterse.Ik zeg dit maar, om door ’t woord “hoofdbreken” ongezocht te geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met de juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat ik niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord, voor ’t afleggen van ’n bezoek op dezen of genen III. 7,b1. (Pp).Want als ’t nu eens later iemand in ’t hoofd komt, vrouw Stotter te verheffen tot algemeene baker van ’t heele menschdom, zal ’t dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wàt ze gezegd heeft, en hòe ze ’t gezegd heeft? Lieve menschen, moet het dan juist hebreeuwsch wezen of plat-grieksch, wat u aantrekt? Wat my betreft, ’k wasch m’n handen in onschuld, en ga terstond naar de Noordermarkt.Ik ben er geweest! Ziehier:—Och me lieffe juffre Pieterse... ’k was so bedaan toe Louweris me kwam fraache. Want ’k sech al so teuche Wimpie, die musse maakt, weetje—né, dankie f’r fuur. Strakkies, Pietje—’t zech al so teuche Wimpie, hoe sou juffre Pietersen ’t make, ’mdâ-’k in so lang niet fâ-je chehoort-ep, weetje,—ja, lech ’m m’r neer,’t is m’n outje—je neemt ommes nie kwalik, dâ-’k m’r m’n outje hep omchedaan?... en doe sei Wimpie, omdâ-we net aan de was wasse...Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het “outje” van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan ’t voeteneind op de bedstee in de achterkamer, met last aan de kinderen die daar saamgepakt lagen, de beenen niet uittesteken, om baker’s “outje” niet te bederven.—Wel mens, cha sitte... ja, dâ’s f’rons... ’t is tweemaal—Leentje, wâ-benje weer... d’r wordt cheskelt, hoorje niet!—’t Sel juffre Sipperman wese... w’nt juffre Sipperman k’mt ook, weetje...Ik weet alweer niet of ’t inderdaad juffrouw Zipperman was die gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in ’t onzekere latende of ’t ditmaal juffrouw Zipperman was, of juffrouw Mabbel van den koekbakker, of juffrouw Krummel “die ’n man op de beurs had” of juffrouw Laps... neen, die hoefde niet te schellen, want ze woonde op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was ’t heele gezelschap kompleet, en Stoffel rookte z’n pyp alsof ’t zoo hoorde. Leentje was weggegaan zonder boterham. “Die zou ze morgen wel krygen, omdat ’t zoo druk was vandaag, en men kon niet alles tegelyk doen.”—En toe hebbe ze daadelik ’n and’re chenome... uwe weet wel... die soo’n flakki op ’r neus het.—Och, ’t is soo’n chemaal met-i meide... zei juffrouw Pieterse. Toe, neemt uwe d’r noch eentje, en lâ-je nie nooie... ’t is ’n koekie f’n j’eiche deech.—Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met ’n konynenmondje, dat fatsoen beduidt.—Kemän, of ’k sou denke dâ-je ’t niet lustte.Dat mocht ze niet laten denken, want ze had ’t zelf gebakken.—Dan mach ’k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en dankie wel.—En uwé, juffre Laps, toe, mach ’k ’r j’eentje cheefe?Juffrouw Laps koos janhagel.—Skenkerissin, Trui!—Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je meedrinken, ’t wort je f’n harte chechunt, mens!—Pietje, feeg de tafel ’r’s of... só, as ’n meit... en cha nou ’r’s kyke na de kleintjes, en sech dâ’k se nie hoore mot.—Och, juffre Mabbel, ’t is zoo’n chedoe mettie kindere... en hoe faart uwe’s Sientje mette kinkhoest?—We hebbe d’r nou ’n machenetisseur bycheroepe, m’r ’t wil nie vatte... ’t m’nkeert ’m an de kleèrfenjanse fâ-de sonnebuul.—Isset moooochelik... wat ’n mens al beleeft! En w’nneer komt-i... die kle ... klik... kleer...—Dat leit ’m an de sénewe, juffre Sipperman. M’r nou het-i d’r slaapmussie, en d’r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en nou sel ’t chou komme, seit-i.—Wel mens, wat sech-i! M’r oe cháát ’t dan?—Wel... dan sel desonnebuul’t seche, wâ-me doen motte.Juffrouw Laps was er tegen.—Ik dééj’t niet, ik dééj’t niet... fô-cheen werels choet! Want weetje watiksech? Ik sech maar, as Chot ’t wil, d’n mô-je beruste, dâ-sechik!—Ja, juffre Laps, m’r de juffr’ uit de chruttery het ’t ook chedaan, en d’r kint is veel beter.—Dat seit uwé, juffre Mabbel, m’riksech dâ-se wat in d’r oochies het, wâ-me niet befalt...—Wâ-dan, juffre Laps?—Se kykt onstichtelik... en ik houw ’t f’r sonde... en dàt sechikmaar. ’t Benne allemaal m’r kunste die nie te-pas komme... en as Chot wil, mô-je beruste.—Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as de steeneman. Sechereis ’n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken ’n heel fers f’n buite, en dâ-ken-i opseche achtermekaar. En ook ken-i al de werrikwoorden f’n ’t frouwelyk cheslacht.—Moeder, wâ-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe sietâ-’k rook.—Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mô-je-n-’s ’n werrikwoord opseche.—Je sou seche, w’r haalt de jong’ ’t f’ndaan, juffre Sipperman.—Hoe is ’t ’k weer, lobbes?... ik zou beskonke chewees syn, en hy sou beskonke chewees syn—och heere, begryp ’t goet, mens, niet omdat-i dronke was, gut né, m’r ’t kwam so te-pas in s’n werrikwoort, ’tis ’m je slap te lachen, as-i bechint.—Skenkerissin, Trui, en blaas es in de tuit... d’r sit ’n blaatje foor.De lezer zal my ten goede houden, dat ik wat luchtig heenstap over de verdere geschiedenis van dat salieblaadje, en dat ik ook in’t verder relaas van juffrouw Pieterse’s avendje, my eenige afwyking veroorloof van den juisten tekst der gesprekken.1Stoffel dreunde z’n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken geweest was, en dat zy ’t wezen zouden. Daarop werd de buurt over den hekel gehaald, en de juffrouw van “onder-achter” kreeg haar deel. Dat spreekt vanzelf want ze was er niet.De godsdienst en ’t geloof speelden ’n groote rol, en juffrouw Laps gaf te kennen dat ze van plan was ’n “oefening” optezetten, omdat de tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet goed in de hoeken veegden.—Ik zeg maar, ’t staat in de Schrift dat ’n mensch ’n mensch is, riep ze, en dáár komikmaar op. Men moet ’t niet beter willen weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door ’t geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee maal twee, zieje... en daarom wou ’k zoo graag ’n eigen oefeningetje houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om ’n zakduitje op kermis en nieuwjaar. Denk ’r ’ns over juffrouw Mabbel.Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag ’s avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien: “’t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat ’n “werkelyk” beroep was.”—Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat ’t wel gaan zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen in de schoteltjes... want om geld is ’t me niet te doen, gut né! We zouden beginnen met ’t ouwe testament... en dan... oefening, weet uwé... oefening, weet u?Juffrouw Zipperman wist ’t wel, doch haar schoonzoon van de assurantie—of van ’t kadaster—had gezegd dat de dominees voor die zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten wezen zou.Die heeren van ’t kadaster—of van de assurantie—zyn zoo gek niet.—Wat denkt uwe d’r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat zoo’n oefeningetje...Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke aanbiedingen te doen aan ’n “vrouw.”—Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-’ns zoolang gebakerd had als ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m’nheer Luttelmans van de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... endie zei altyd... want ik heb altyd heel in ’t fatsoelyke gebakerd, weetje... ’t is ’n huis met ’n hooge stoep, en in de gang stond zoo’n klok, weetje, van regen en wind... en die zei altyd: “vrouw Stotter, zeit-i, je bent ’n goeie vrouw, zeit-i en ’n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen, zeit-i, en, zeit-i, m’n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of je ’t niet hoort”—dankie, juffrouw Pieterse, m’n koppie is omgekeerd, dat zie je wel—en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet weten wat-i doet.—Maar zoo’n oefeningetje... vrouw Stotter.—’t Is mogelyk, juffrouw Laps, ’t is wel mogelyk... maar ik heb al zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m’n eigen gang ga, en dat ’s dan ook maar ’t beste. Want ik ben in ’n kraam geweest by m’nheer De Witte die ’n oom heeft aan ’t stadhuis, weetje, want ik baker altyd heel in ’t fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo grappig was, weetje, die zei altyd: “baker, baker, zeit-i, je bent m’n ’n baker!” Zoodat ik maar zeggen wil dat ’k heel goed weet wat ’k doe, want ik heb ’r al wat ingespeld van m’n leven. Daar heb je nou m’nheer... hoe heet-i ook... ook op de Prinsengracht... neen, op de Kalkmarkt... och, hoe heet-i...De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van ’t punt in kwestie. Maar dat doen er wel meer.—En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over ’n oefeningetje?—Och mensch, ik heb al zoo’n geoefen met m’n kinderen! Je weet niet wat ’t is, mensch, om ’r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar m’n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee ’r wat voor, ik hoor ’r weer.Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer ging om kleine Kee er “wat vóór te geven.” Men kon ’t haar aanzien dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.—Waar was ik weer? Ja, dat is m’n godsdienst, zeg ik maar. ’t Is ’n getob met die kinderen, mensch, je wéét ’t niet! En ik vind, als ik ze goed opbreng... ga jy nu ’ns, Pietje, en breng Simon terecht, die knypt zeker z’n zussie weer, dat doet-i altyd als ’r volk is.Simon werd terechtgebracht.—Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik daar weer? Myntje, ga ’ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat “ze wat hadden omgegooid.”Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van “achter-onder.” ’t Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien, achter. Vreeselyke opschudding.Eindelyk:De kinderen waren “terechtgebracht.” Juffrouw Zipperman zatweer in den hoek “waar ’t zoo tochtte” waaruit men ziet hoe alle aardsche grootheid ’n keerzy heeft, en dat ’n schoonzoon by ’t kadaster—of de assurantie—regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen waren gekastyd. “’t Was juist als in de Schrift stond”, zei ze, en ze haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar ’t staat, weet ik niet, maar ’k ben zeker dat het èrgens staat. Want in die Schrift staat alles. Vooral van slaan.—Kom, Stoffel, vertel jy nou ’reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw, die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien.—’k Weet niks op ’t oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste sokratische hovaardy.—Och toe, zeg maar ’reis wat je verleden zei... och toe—zoo is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden, anders gaat ’t niet. Maar dan weet-i ’t wel, dat zal uwe zien—toe, Stoffel!—hy zal moe wezen van z’n school, weet u... ’t is ’n gedoe met zoo’n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is ’n heele boel aan vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk zyn. Is ’t niet waar, Stoffel?—Né, moeder.—Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je—’t is maar, weet uwe, juffrouw Zipperman, om ’m aan ’t praten te krygen, maar dat kan zoo in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van z’n school—verleden zei je, dat alles...—Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.—Nou hoort uwé ’t, juffrouw Mabbel... waar haalt-i ’t vandaan! Begryp ’ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook—je korrenet, weetje—en jy ook...—Né, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en baker ook.Baker keek heel vreemd.Zymannelyk... dat had ze nooit geweten.—Baker is mannelyk, ging Stoffel voort—nou begint-i! riep z’n moeder—alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker, makker, bakker... raker, maker, baker.—Is ’t mogelyk! riepen de gasten uit één mond.—Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd staan als je ’t hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?—Ik... ik? Wat ik bèn?—Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?—Wèl... ik ben juffrouw Krummel, zei ’t mensch, maar ze zei ’t met wat twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse, en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in ’t eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van’n byzondere zaak ’n algemeene makende, vroeg Stoffel’s moeder, kringsgewys rondgaande met haar blik:—En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat je bent?Ze wisten ’t geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende de hoogschalke Stoffel ’t niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:—Ik ben juffrouw Laps!—Mis... mis... glad mis!—Wel heerem’ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?—J...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet gevraagdwieje bent, maarwatje bent... daar zit ’m ’t fyne!—Wàt ik ben? Wel... griffermeerd!—J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dàt is ’t nu niet. De vraag is... wat je bént? Stoffel, help m-n-eens...Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal mogelyk:—Juffrouw Laps, ikwenschtete weten wat gy zyt uit een dierlyk oogpunt.—Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op ’t punt staat zich beleedigd te voelen.—Ik ben ’n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.—En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan was vasttehouden aan die meening.—Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit ’n dierlyk oogpunt...—Als ’t onfatsoenlyk wordt, ga ’k liever heen, zei juffrouw Laps.—Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen voor ons plezier.—Menschen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek—Stoffel, zeg ’t maar—je zult ’r om lachen, juffrouw Mabbel, en ’t mooiste is dat ’t in ’n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen—toe, Stoffel, zeg ’t maar!—Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig—en er was ’n gewichtig oogenblik aangebroken in ’t avendje van juffrouw Pieterse—juffrouw Laps, je bent ’n zoogdier.Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis die er volgde op dat vreeselyk woord.Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen, en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer militants in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen die gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. Devoorlaatste fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen fransch las, bepaalde zy zich tot ’n schrikinboezemend violet, en riep... neen, ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op ’n wyze die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien avend waren komen te overlyden.Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvisschen als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in ’n dikken wolk van rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze stamelde deemoedig:—’t Staat in ’n boek, ’t staat waarachtig in ’n boek! Och, lieve menschen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek!Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar te bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna ’n oogenblik, hoestte, wierp ’t mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon:—Juffrouw Pieterse, je bent ’n keronje. Je mag zelf ’n zoogdier wezen, jy en je zoon, dat zegikje! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy durft te denken, want m’n vader was in de granen, en nooit heeft iemand... zie zooveel op me te zeggen gehad! Vraag alle menschen na me, en of ik me ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets... en of ik niet ieder ’t zyne geef... en-i was fakter, weetje... en we woonden over ’t bessieshuis... want-i was in de granen, en dáár kan je na me vragen, hoorje! Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit is me dat overkomen wat jy me aandoet, en als ik me niet ontzag, zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En ik zeg je nou nog ’ns dat je-n-’n keronje bent, jy en je zoon en je heele familie—weg, Trui!—m’n vader was in de granen, weetje... en ik ben te fatsoenlyk om door jou...—Maar mensch, ’t staat in ’n boek... omdeliefdewil, geloof me... ’t staat in ’n boek!Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek, jy die Godswoord hebt verkwanseld en verdaan opd’ouwenbrug...Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z’n moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer ’t een voor ’t ander.—Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys ’t toch aan de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen!—Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te wyzen in je boek, dat zegikje! En ik zeg je nogeens dat je-n-’n keronje bent, jy en je lummel van ’n zoon, en je sletten van dochters die opgroeien als...Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er iets haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee. ’t Overige gezelschap schreeuwde er van-tyd tot-tyd ’n woordje tusschen. Er kwam weer ’n boodschap van de juffrouw van achter-onder, die met de politie dreigde. De kinderen maakten gebruik vande opschudding, om hun konsigne te breken. Ze hadden ’t bed verlaten, en loerden door ’t sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep om haar “lodderyndoos” en zei dat ze ’t besterven zou. Vrouw Stotter eischte haar “oudje” en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon.Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. “Men kon veel verdragen, maar dàt niet.” Juffrouw Krummel zou ’t geval meedeelen aan haar man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of ’t kadaster. Vrouw Stotter zou ’t vertellen aan dien m’nheer op de Prinsengracht, dien ze gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet of ’t by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in ’t vorige hoofdstuk.1In I. 387 en 390 werpt M. de vraag op in hoeverre schoonheid realistische uitbeelding toelaat: “s’il faut de la boue, pas trop n’en faut.”
Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel’s zoölogische geestigheid, oorzaak van ’n laatsten punischen oorlog. Pennewip homœopaath en vredestichtermalgré lui.Arme Wouter!
Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel’s zoölogische geestigheid, oorzaak van ’n laatsten punischen oorlog. Pennewip homœopaath en vredestichtermalgré lui.Arme Wouter!
—Heeremens... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou die stoel wech, en cheef ereis ’n tessie in die stoof... toe as ’n meit, of ’k doe ’t liefer sellif. En-oe maak je ’t, mens? Juffrò-Laps k’mt ook, weet je?—Myntje, denk ’m je deeg, en skei uit mê-kamme—ze ken niet f’n d’r hare blyve, die meit, as ’r folk is... ga sitte, mens... né, niet in die hoek... ’t tocht ’r so...
Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken. Maar... vrouw Stotter was ’n “vrouw” en geen “juffrouw.” Ze had dus geen recht op de eereplaats, want eens-vooral, ’n juffrouw gaat boven ’n vrouw, zoo goed als ’n mevrouw gaat boven ’n juffrouw. Ieder moet op z’n plaats blyven, vooral op bovenkamer III, 7.b1of c, (Pp) waar depréséancenauwkeuriger wordt in acht genomen dan aan ’t hof te Madrid, jazelfs met ’n angstvalligheid die ’t ceremonie-meesterschapop die hoogte der maatschappy, tot ’n hoofdbrekend werk maakt voor menige juffrouw Pieterse.
Ik zeg dit maar, om door ’t woord “hoofdbreken” ongezocht te geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met de juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat ik niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord, voor ’t afleggen van ’n bezoek op dezen of genen III. 7,b1. (Pp).
Want als ’t nu eens later iemand in ’t hoofd komt, vrouw Stotter te verheffen tot algemeene baker van ’t heele menschdom, zal ’t dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wàt ze gezegd heeft, en hòe ze ’t gezegd heeft? Lieve menschen, moet het dan juist hebreeuwsch wezen of plat-grieksch, wat u aantrekt? Wat my betreft, ’k wasch m’n handen in onschuld, en ga terstond naar de Noordermarkt.
Ik ben er geweest! Ziehier:
—Och me lieffe juffre Pieterse... ’k was so bedaan toe Louweris me kwam fraache. Want ’k sech al so teuche Wimpie, die musse maakt, weetje—né, dankie f’r fuur. Strakkies, Pietje—’t zech al so teuche Wimpie, hoe sou juffre Pietersen ’t make, ’mdâ-’k in so lang niet fâ-je chehoort-ep, weetje,—ja, lech ’m m’r neer,’t is m’n outje—je neemt ommes nie kwalik, dâ-’k m’r m’n outje hep omchedaan?... en doe sei Wimpie, omdâ-we net aan de was wasse...
Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het “outje” van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan ’t voeteneind op de bedstee in de achterkamer, met last aan de kinderen die daar saamgepakt lagen, de beenen niet uittesteken, om baker’s “outje” niet te bederven.
—Wel mens, cha sitte... ja, dâ’s f’rons... ’t is tweemaal—Leentje, wâ-benje weer... d’r wordt cheskelt, hoorje niet!—’t Sel juffre Sipperman wese... w’nt juffre Sipperman k’mt ook, weetje...
Ik weet alweer niet of ’t inderdaad juffrouw Zipperman was die gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in ’t onzekere latende of ’t ditmaal juffrouw Zipperman was, of juffrouw Mabbel van den koekbakker, of juffrouw Krummel “die ’n man op de beurs had” of juffrouw Laps... neen, die hoefde niet te schellen, want ze woonde op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was ’t heele gezelschap kompleet, en Stoffel rookte z’n pyp alsof ’t zoo hoorde. Leentje was weggegaan zonder boterham. “Die zou ze morgen wel krygen, omdat ’t zoo druk was vandaag, en men kon niet alles tegelyk doen.”
—En toe hebbe ze daadelik ’n and’re chenome... uwe weet wel... die soo’n flakki op ’r neus het.
—Och, ’t is soo’n chemaal met-i meide... zei juffrouw Pieterse. Toe, neemt uwe d’r noch eentje, en lâ-je nie nooie... ’t is ’n koekie f’n j’eiche deech.
—Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met ’n konynenmondje, dat fatsoen beduidt.
—Kemän, of ’k sou denke dâ-je ’t niet lustte.
Dat mocht ze niet laten denken, want ze had ’t zelf gebakken.
—Dan mach ’k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en dankie wel.
—En uwé, juffre Laps, toe, mach ’k ’r j’eentje cheefe?
Juffrouw Laps koos janhagel.
—Skenkerissin, Trui!—Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je meedrinken, ’t wort je f’n harte chechunt, mens!—Pietje, feeg de tafel ’r’s of... só, as ’n meit... en cha nou ’r’s kyke na de kleintjes, en sech dâ’k se nie hoore mot.—Och, juffre Mabbel, ’t is zoo’n chedoe mettie kindere... en hoe faart uwe’s Sientje mette kinkhoest?
—We hebbe d’r nou ’n machenetisseur bycheroepe, m’r ’t wil nie vatte... ’t m’nkeert ’m an de kleèrfenjanse fâ-de sonnebuul.
—Isset moooochelik... wat ’n mens al beleeft! En w’nneer komt-i... die kle ... klik... kleer...
—Dat leit ’m an de sénewe, juffre Sipperman. M’r nou het-i d’r slaapmussie, en d’r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en nou sel ’t chou komme, seit-i.
—Wel mens, wat sech-i! M’r oe cháát ’t dan?
—Wel... dan sel desonnebuul’t seche, wâ-me doen motte.
Juffrouw Laps was er tegen.
—Ik dééj’t niet, ik dééj’t niet... fô-cheen werels choet! Want weetje watiksech? Ik sech maar, as Chot ’t wil, d’n mô-je beruste, dâ-sechik!
—Ja, juffre Laps, m’r de juffr’ uit de chruttery het ’t ook chedaan, en d’r kint is veel beter.
—Dat seit uwé, juffre Mabbel, m’riksech dâ-se wat in d’r oochies het, wâ-me niet befalt...
—Wâ-dan, juffre Laps?
—Se kykt onstichtelik... en ik houw ’t f’r sonde... en dàt sechikmaar. ’t Benne allemaal m’r kunste die nie te-pas komme... en as Chot wil, mô-je beruste.
—Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as de steeneman. Sechereis ’n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken ’n heel fers f’n buite, en dâ-ken-i opseche achtermekaar. En ook ken-i al de werrikwoorden f’n ’t frouwelyk cheslacht.
—Moeder, wâ-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe sietâ-’k rook.
—Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mô-je-n-’s ’n werrikwoord opseche.—Je sou seche, w’r haalt de jong’ ’t f’ndaan, juffre Sipperman.—Hoe is ’t ’k weer, lobbes?... ik zou beskonke chewees syn, en hy sou beskonke chewees syn—och heere, begryp ’t goet, mens, niet omdat-i dronke was, gut né, m’r ’t kwam so te-pas in s’n werrikwoort, ’tis ’m je slap te lachen, as-i bechint.—Skenkerissin, Trui, en blaas es in de tuit... d’r sit ’n blaatje foor.
De lezer zal my ten goede houden, dat ik wat luchtig heenstap over de verdere geschiedenis van dat salieblaadje, en dat ik ook in’t verder relaas van juffrouw Pieterse’s avendje, my eenige afwyking veroorloof van den juisten tekst der gesprekken.1
Stoffel dreunde z’n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken geweest was, en dat zy ’t wezen zouden. Daarop werd de buurt over den hekel gehaald, en de juffrouw van “onder-achter” kreeg haar deel. Dat spreekt vanzelf want ze was er niet.
De godsdienst en ’t geloof speelden ’n groote rol, en juffrouw Laps gaf te kennen dat ze van plan was ’n “oefening” optezetten, omdat de tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet goed in de hoeken veegden.
—Ik zeg maar, ’t staat in de Schrift dat ’n mensch ’n mensch is, riep ze, en dáár komikmaar op. Men moet ’t niet beter willen weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door ’t geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee maal twee, zieje... en daarom wou ’k zoo graag ’n eigen oefeningetje houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om ’n zakduitje op kermis en nieuwjaar. Denk ’r ’ns over juffrouw Mabbel.
Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag ’s avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien: “’t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat ’n “werkelyk” beroep was.”
—Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat ’t wel gaan zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen in de schoteltjes... want om geld is ’t me niet te doen, gut né! We zouden beginnen met ’t ouwe testament... en dan... oefening, weet uwé... oefening, weet u?
Juffrouw Zipperman wist ’t wel, doch haar schoonzoon van de assurantie—of van ’t kadaster—had gezegd dat de dominees voor die zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten wezen zou.
Die heeren van ’t kadaster—of van de assurantie—zyn zoo gek niet.
—Wat denkt uwe d’r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat zoo’n oefeningetje...
Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke aanbiedingen te doen aan ’n “vrouw.”
—Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-’ns zoolang gebakerd had als ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m’nheer Luttelmans van de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... endie zei altyd... want ik heb altyd heel in ’t fatsoelyke gebakerd, weetje... ’t is ’n huis met ’n hooge stoep, en in de gang stond zoo’n klok, weetje, van regen en wind... en die zei altyd: “vrouw Stotter, zeit-i, je bent ’n goeie vrouw, zeit-i en ’n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen, zeit-i, en, zeit-i, m’n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of je ’t niet hoort”—dankie, juffrouw Pieterse, m’n koppie is omgekeerd, dat zie je wel—en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet weten wat-i doet.
—Maar zoo’n oefeningetje... vrouw Stotter.
—’t Is mogelyk, juffrouw Laps, ’t is wel mogelyk... maar ik heb al zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m’n eigen gang ga, en dat ’s dan ook maar ’t beste. Want ik ben in ’n kraam geweest by m’nheer De Witte die ’n oom heeft aan ’t stadhuis, weetje, want ik baker altyd heel in ’t fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo grappig was, weetje, die zei altyd: “baker, baker, zeit-i, je bent m’n ’n baker!” Zoodat ik maar zeggen wil dat ’k heel goed weet wat ’k doe, want ik heb ’r al wat ingespeld van m’n leven. Daar heb je nou m’nheer... hoe heet-i ook... ook op de Prinsengracht... neen, op de Kalkmarkt... och, hoe heet-i...
De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van ’t punt in kwestie. Maar dat doen er wel meer.
—En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over ’n oefeningetje?
—Och mensch, ik heb al zoo’n geoefen met m’n kinderen! Je weet niet wat ’t is, mensch, om ’r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar m’n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee ’r wat voor, ik hoor ’r weer.
Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer ging om kleine Kee er “wat vóór te geven.” Men kon ’t haar aanzien dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.
—Waar was ik weer? Ja, dat is m’n godsdienst, zeg ik maar. ’t Is ’n getob met die kinderen, mensch, je wéét ’t niet! En ik vind, als ik ze goed opbreng... ga jy nu ’ns, Pietje, en breng Simon terecht, die knypt zeker z’n zussie weer, dat doet-i altyd als ’r volk is.
Simon werd terechtgebracht.
—Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik daar weer? Myntje, ga ’ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.
Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat “ze wat hadden omgegooid.”
Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van “achter-onder.” ’t Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien, achter. Vreeselyke opschudding.
Eindelyk:
De kinderen waren “terechtgebracht.” Juffrouw Zipperman zatweer in den hoek “waar ’t zoo tochtte” waaruit men ziet hoe alle aardsche grootheid ’n keerzy heeft, en dat ’n schoonzoon by ’t kadaster—of de assurantie—regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen waren gekastyd. “’t Was juist als in de Schrift stond”, zei ze, en ze haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar ’t staat, weet ik niet, maar ’k ben zeker dat het èrgens staat. Want in die Schrift staat alles. Vooral van slaan.
—Kom, Stoffel, vertel jy nou ’reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw, die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien.
—’k Weet niks op ’t oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste sokratische hovaardy.
—Och toe, zeg maar ’reis wat je verleden zei... och toe—zoo is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden, anders gaat ’t niet. Maar dan weet-i ’t wel, dat zal uwe zien—toe, Stoffel!—hy zal moe wezen van z’n school, weet u... ’t is ’n gedoe met zoo’n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is ’n heele boel aan vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk zyn. Is ’t niet waar, Stoffel?
—Né, moeder.
—Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je—’t is maar, weet uwe, juffrouw Zipperman, om ’m aan ’t praten te krygen, maar dat kan zoo in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van z’n school—verleden zei je, dat alles...
—Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.
—Nou hoort uwé ’t, juffrouw Mabbel... waar haalt-i ’t vandaan! Begryp ’ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook—je korrenet, weetje—en jy ook...
—Né, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en baker ook.
Baker keek heel vreemd.Zymannelyk... dat had ze nooit geweten.
—Baker is mannelyk, ging Stoffel voort—nou begint-i! riep z’n moeder—alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker, makker, bakker... raker, maker, baker.
—Is ’t mogelyk! riepen de gasten uit één mond.
—Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd staan als je ’t hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?
—Ik... ik? Wat ik bèn?
—Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?
—Wèl... ik ben juffrouw Krummel, zei ’t mensch, maar ze zei ’t met wat twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse, en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in ’t eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.
De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van’n byzondere zaak ’n algemeene makende, vroeg Stoffel’s moeder, kringsgewys rondgaande met haar blik:
—En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat je bent?
Ze wisten ’t geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende de hoogschalke Stoffel ’t niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:
—Ik ben juffrouw Laps!
—Mis... mis... glad mis!
—Wel heerem’ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?
—J...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet gevraagdwieje bent, maarwatje bent... daar zit ’m ’t fyne!
—Wàt ik ben? Wel... griffermeerd!
—J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dàt is ’t nu niet. De vraag is... wat je bént? Stoffel, help m-n-eens...
Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal mogelyk:
—Juffrouw Laps, ikwenschtete weten wat gy zyt uit een dierlyk oogpunt.
—Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op ’t punt staat zich beleedigd te voelen.
—Ik ben ’n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.
—En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan was vasttehouden aan die meening.
—Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit ’n dierlyk oogpunt...
—Als ’t onfatsoenlyk wordt, ga ’k liever heen, zei juffrouw Laps.
—Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen voor ons plezier.
—Menschen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek—Stoffel, zeg ’t maar—je zult ’r om lachen, juffrouw Mabbel, en ’t mooiste is dat ’t in ’n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen—toe, Stoffel, zeg ’t maar!
—Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig—en er was ’n gewichtig oogenblik aangebroken in ’t avendje van juffrouw Pieterse—juffrouw Laps, je bent ’n zoogdier.
Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis die er volgde op dat vreeselyk woord.
Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen, en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer militants in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen die gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. Devoorlaatste fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen fransch las, bepaalde zy zich tot ’n schrikinboezemend violet, en riep... neen, ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op ’n wyze die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien avend waren komen te overlyden.
Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvisschen als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in ’n dikken wolk van rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze stamelde deemoedig:
—’t Staat in ’n boek, ’t staat waarachtig in ’n boek! Och, lieve menschen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek!
Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar te bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna ’n oogenblik, hoestte, wierp ’t mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon:
—Juffrouw Pieterse, je bent ’n keronje. Je mag zelf ’n zoogdier wezen, jy en je zoon, dat zegikje! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy durft te denken, want m’n vader was in de granen, en nooit heeft iemand... zie zooveel op me te zeggen gehad! Vraag alle menschen na me, en of ik me ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets... en of ik niet ieder ’t zyne geef... en-i was fakter, weetje... en we woonden over ’t bessieshuis... want-i was in de granen, en dáár kan je na me vragen, hoorje! Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit is me dat overkomen wat jy me aandoet, en als ik me niet ontzag, zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En ik zeg je nou nog ’ns dat je-n-’n keronje bent, jy en je zoon en je heele familie—weg, Trui!—m’n vader was in de granen, weetje... en ik ben te fatsoenlyk om door jou...
—Maar mensch, ’t staat in ’n boek... omdeliefdewil, geloof me... ’t staat in ’n boek!
Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek, jy die Godswoord hebt verkwanseld en verdaan opd’ouwenbrug...
Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z’n moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer ’t een voor ’t ander.
—Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys ’t toch aan de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen!
—Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te wyzen in je boek, dat zegikje! En ik zeg je nogeens dat je-n-’n keronje bent, jy en je lummel van ’n zoon, en je sletten van dochters die opgroeien als...
Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er iets haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee. ’t Overige gezelschap schreeuwde er van-tyd tot-tyd ’n woordje tusschen. Er kwam weer ’n boodschap van de juffrouw van achter-onder, die met de politie dreigde. De kinderen maakten gebruik vande opschudding, om hun konsigne te breken. Ze hadden ’t bed verlaten, en loerden door ’t sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep om haar “lodderyndoos” en zei dat ze ’t besterven zou. Vrouw Stotter eischte haar “oudje” en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon.
Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. “Men kon veel verdragen, maar dàt niet.” Juffrouw Krummel zou ’t geval meedeelen aan haar man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of ’t kadaster. Vrouw Stotter zou ’t vertellen aan dien m’nheer op de Prinsengracht, dien ze gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet of ’t by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in ’t vorige hoofdstuk.
1In I. 387 en 390 werpt M. de vraag op in hoeverre schoonheid realistische uitbeelding toelaat: “s’il faut de la boue, pas trop n’en faut.”
1In I. 387 en 390 werpt M. de vraag op in hoeverre schoonheid realistische uitbeelding toelaat: “s’il faut de la boue, pas trop n’en faut.”