Chapter 4

Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt dat nog gebeuren moet.Ja, daar werd gescheld... nog eens: ’t was ...f’r ons.”Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon ’t altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men ’n ander was dan men is. ’t Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen kan dat ze ’t in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw Pieterse op dit punt wel ’n mensch zal geweest zyn als ’n ander.—Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de heeren wezen.De “dames” beweerden dat de “heeren” nog niet konden dáár zyn, wyl ’t nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf ’t de heeren waren, gaf ’n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als men gestoord wordt in toorn, is ’t heel moeielyk het juiste punt weertevinden waar men gebleven was.Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar ’t ging niet, want haar: “’n zoogdier... hebje van z’n leven, ’n zoogdier!” werd overstemd door: “hedenm’ntyd, anders komt-i nooit voor tienen.” Juffrouw Pieterse maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou “opentrekken”. Truitje werd belast met het “terechtbrengen” van de kinderen—die er heel slecht by voeren—en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met ’n nieuwe zoölogische verhandeling die ’n ongehuichelde vrede zou herstellen onder de krygvoerende partyen, toende deur geopend werd, en meester Pennewip zich vertoonde aan ’t nog ontstemd gezelschap. Ook hy was ontstemd, de lezer weet het.De homoeopathen zullen hier denken aan hunsimilia similibus, want de verrassing van z’n komst werkte gunstig op de aangevangen vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend ’n wapenstilstand gesloten tusschen de krygvoerende partyen—niet zonder voorbehoud aan den Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid naar de oorzaak van Pennewip’s komst zou voldaan zyn—en ze ging hiertoe te gemakkelyker over, wyl men ’t den man kon aanzien dat-i wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.—Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik zie, ge hebt gezelschap, maar...—Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.’t Gezelschap wasniets, en: “gamaarzitten.” Daar heerscht ’n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7,b1, (Pp).—Wil uwe-n-’n koppie meedrinken, meester... saliemelk?—Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen om saliemelk te drinken!—Maar ga toch zitten, meester...Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en ’t kwam er toe.Pennewip kuchte met ernst. Hy zag ’t gezelschap rond, haalde een rol papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:—Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw man... verkocht schoenen...Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met ’n zegevierenden blik.—Ja meester, dat deet-i!—Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?—Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip’s toon, jawel, dat is waar, meester.—En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school, klachten hebt—ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse—over de wyze waarop ik—met behulp myner echtgenoote—aan uwe menigvuldige kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot tevredenheid.—Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester,terwyl hy ’n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen, doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen jaren later.—Maar, meester...—Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u—want het is volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel achterwege te laten—ik vraag u of gy klachten hebt—ik bedoel natuurlykerwyze:gegrondeklachten—over myn onderwys in lezen, schryven, rekenen...—Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...—Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw zoon Wouter?—Wouter?—’t Is waar ook—is-i niet thuisgekomen. Trui?—Wouter is uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke kinderen, meester, en ze wonen...—Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7a1... misschiena... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn—want dat is hetzelfde, juffrouw Pieterse—het kan niet anders... zedeloosheid, verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg u dat uw zoon...—Hè?—Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die ’n gevolg was van z’n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haareau-de-la-reine-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren zou over Wouter “dien jongen” die haar altyd zooveel verdriet had gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van ’n beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen stryd. Dit geschiedde dan ook.—Hèb ik ’t niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men begint met ’n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik verwonder me niet over de zaak... in ’t geheel niet! Ik heb ’t lang voorzien. Wat kan men ook verwachten in ’n familie, waar...Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich ’n gelegenheid opdeed om ’t voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had gezegd: het stond in ’n boek... wat in ’n boek stond, moest meester weten; en dus:—Meester, riep ze, is ’t waar of niet, dat juffrouw Laps ’n zoogdier is?Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z’n onvoltooide beschuldiging tegen Wouter. Hy keek over z’n bril heen en beschreef langzaam ’n kring met z’n blik, die overal vooruitgestoken hoofdenontmoette, met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide: antwoord of sterf, ben ik ’n zoogdier?—Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl ’t nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen en beroep.—Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.—Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der zoogdieren.Er slaakte zich in ’t gezelschap ’n tienvoudige zucht. Juffrouw Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers, is ’n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:—Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen...—Juffrouw Laps, antwoord my...—Gut ja, meester, maar...—Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt; wáárin woont gy?—Waarin ik woon? Wel... in m’n kamer, hieronder... twee ramen... vrye opgang... kwart in den regenbak beneden...—Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?—Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.Juffrouw Laps zag in dat ze dan ’n verloren mensch was, want ze moest erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in ’n oesterschelp.Dit was ’n illuzie van ’t schepsel.Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon en pruik, voortging:—Kunt gy leven in ’t water? Hebt gy kieuwen?—In ’t water? Maar, meester...Pruik links. Dat beduidde: geen maren.—Of half in ’t water, half op het land?—Meester hoe zou ik...Pruik rechts: geen uitvluchten!—Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende jongen ter wereld?—’t Is zonde, meester.De pruik had iets van ’n stormram, en te-recht. Want daar volgde de stormrammige vraag:—Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: kunt gy eieren leggen... hè?Dàt kon ze niet!—Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.En de pruik kwam weer in ’t midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps uit het veld geslagen.Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich ’t gezelschap voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep toeliet, want Pennewip’s gelaat had het voorkomen van ’n gewysde. Ook was er geen spoor van gratie in z’n saamgeknepen wenkbrauwen.De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden worden te-voorschyn gebracht over wat er na ’t zoo-even verhaalde voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m’n boek sloot, en hoevele duizende gissingen ’t menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders.Het lust my ’n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en ’k lees duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw:EERSTE BERICHT.“Er heeft weder ’n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de Stoffelianen. De laatsten hebben ’t veld geruimd, doch niet zonder hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden, maar er is ’n gat in. Men ziet dagelyks ’n nieuw treffen te-gemoet, waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om ’n eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der Pennewippers, ’n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.“Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer landeryen en ’t melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in ’t verloren hoekje gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa.”TWEEDE BERICHT.“Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd, de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De oude Stotters hebben ’t genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw Stotter’s oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist.”DERDE BERICHT.“Er is ’n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond wezen op z’n malle houding inde Nederlanden. (Het bekende bessen-met-suikerdogma.)“De oude Stoffelianen hebben ’n concilie gehouden, waarin besloten is, de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet is doorgedrongen. Er zal ’n algemeene kollekte worden gehouden, om ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er ’n korps europeesche wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen, waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) ’n instinktmatigen aanleg schynen te bezitten.”VIERDE BERICHT.“Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.“Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat, en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen op brood en brandstof.”VYFDE BERICHT.“By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is verschenen:Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats gevonden opIII, 7,b1(Pp),na de kategorische verklaring des meesters over de ware natuur van juffrouw Laps.Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is vertaald uit het Europeesch.De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven ’n geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.Ook beweert men dat er ’n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste verzuchting des bakers, die ’n eind maakt aan den langen stryd over zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse’s grammatikaal-theologische roeping in ’t helderst licht plaatst, waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de wetenschap en de heilige boeken van ons geloof.”ZESDE BERICHT.“De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is vasttehouden aan juffrouw Zipperman’s verkoudheid, met uitdrukkelyke bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid, mits men vaststa in ’t kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa hebben aangetoond dat het venster op III, 7,b1(Pp) redelyk goed gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde verbroedering geleid te hebben.”ZEVENDE BERICHT.“Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel degelyk aan meester Pennewip ’n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde onderzoeker heeft namelyk in ’t hooge Noorden, waar ons gezegend Azië grenst aan ’t oude Europa, ’n ysbeer ontmoet die zich vermaakte met ’n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps, op de autentieke schildery te Foppipolis.”ACHTSTE BERICHT.“Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename tyding dat onze stad dezer dagen ’n waar feestgenot heeft gesmaakt, en wel ’n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.Er is namelyk ’n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn dan onze burgemeester.De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.De schuldigen zyn onder ’t meten en branden, tot afleiding en opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft op Stoffel’s verdienste en dood, in verband met de lengte van z’n buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z’n edel pogen tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak veel bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van ’n feest, dat in aangename herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had.”NEGENDE BERICHT.We kunnen ons niet weerhouden ’n kort verslag te geven van de ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen baker’s onwaardeerbaar gezegde: “dankie wel/ Juffre Pieterse/ m’n Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!”Hierop volgt ’n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z’n geheel te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst tot z’n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf, wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog aan ons denkt. Zie hier:Voorzang.O/ Baker vol van Zaligheid/Wie zou Uw Lof niet zingen!O/ Baker Die de Baker zijtVan alle Stervelingen!O Baker/ hoor ons juichen aan/Als wij met U uit baak’ren gaan.O Baker/ groot in Lief en Leed/In Kraamzaal of Saletje!Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt’Gespeld in een Servetje!Wij knielen bidden voor U neerEn zingen/ Baker/ U ter Eer.Zie op uw Kroost genadig neerVan uwen Troon op WolkenEr leeft als Gij geen Baker meer/Gij bakert alle VolkenGloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in.“Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!“Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?“Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: “dat is verre van ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid.”“Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven: “daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen” en weldra zal ’t koppie worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: “dat zieje wel!”“Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel kortelyk tot klaarheid te brengen.“Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfdeStoffelium, en daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.“Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfdenStoffeliums, waar we—met gepasten eerbied—het volgende lezen:Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit ’t negende bericht, en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje.“Hoe langer wy de onschatbare heiligeStoffeliënbeoefenen, geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen der Pennewipsche kettery.“Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in ’t byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan Baker’s bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.“Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe aandacht, als ik, na:“ten eerste, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,“ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel:a) Eerste straal.De straal van Baker’sgoedheid.b) Tweede straal.De straal van Baker’swysheid.c) Derde straal.De straal van Baker’smenschenkennis.d) Vierde straal.De straal van Baker’smatigheid.e) Vyfde straal.De straal van Baker’sStandvastigheid.f) Zesde straal.De straal van Baker’salgemeenheid.g) Zevende straal.De straal van Baker’szelfkennis.h) Achtste straal.De straal van Baker’sedelmoedigheid.i) Negende straal.De straal van Baker’snederigheid.j) Tiende straal.De straal van Baker’skuisheid.k) Elfde straal.De straal van Baker’slevenswysheid.l) Twaalfde straal.De straal van Baker’sonschuld.m) Dertiende straal.De straal van Baker’sdubbelslachtigheid.n) Veertiende straal.De straal van Baker’seeuwigheid.o) Vyftiende straal.De straal van Baker’swaarheidlievendheid.p) Zestiende straal.De straal van Baker’svoorzichtigheid.q) Zeventiende straal.De straal van Baker’sgeduld.r) Achttiende straal.De straal van Baker’szedigheid.s) Negentiende straal.De straal van Baker’sgeheimzinnigheid.t) Twintigste straal.De straal van Baker’seenvoud.u) Een-en-twintigste straal.De straal van Baker’sliefde.v) Twee-en-twintigste straal.De straal van Baker’strouw.w) Drie-en-twintigste straal.De straal van Baker’syver.x) Vier-en-twintigste straal.De straal van Baker’sschranderheid.y) Vyf-en-twintigste straal.De straal van Baker’sfatsoen.z) Zes-en-twintigste straal.De straal van Baker’sgoedertierenheid.z bis.) Zeven-en-twintigste straal.De straal van Baker’svolmaaktheid.“om daarna:ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.“Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.“Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als ’n berg van genot.“De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de onvergankelyke ziel stelde boven ’t brooze lichaam, en de oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.“Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden:dat zeiti!Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...“Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.“Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld zal hy worden door den wind onzes geloofs!“Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?“Of—helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige vraag—of is die storm wellicht in uwe harten geworden tot een zuchtje? Is misschien uwwind weggekrompen tot eene labberkoelte, te zwak om ’t lichtste voorwerp voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de eeuwige gelukzaligheid?“En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der genade, te verlagen tot ’n dorpeltje, hoog genoeg—ja, maar ter-nauwer-nood hoog-genoeg—om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?“Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?“Gy zwygt?“Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!“Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: “Je bent ’n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en ’n knappe Baker!”Een goeie vrouw en ’n knappe baker!Kan er treffender getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:Je bent ’n goeie vrouw, en daarmee uit!En niet:Je bent ’n knappe baker, en daarby blyft het!Neen, duidelyk staat er:Je bent ’n goeie vrouw èn ’n knappe baker, zoowel dus het één als het ander.... het andere niet minder dan het één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!“Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: “maar” en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen nietnaastmaartegenoverdie der vrouw, maar de Baker die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en daarom heeft Hy toegelaten—wat zeg ik, Hy heeft bewerkt—dat de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in hetStoffeliumnaar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.“Ja Geliefden, dáár staat het: “en een knappe Baker!” Dat zegevierende “en” springt in het oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: “en.”“En, geliefden,en!Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelykeen!“Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting der waarheid....“Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der BakerlykeStoffelienuitloopt op uwe beschaming? WasHyniet heilig,Hyde eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt—wat dan toch wel niet kàn ontkend worden—moet dan niet ookhyheilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?“Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenenStoffeliums!Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, roepen wy juichend uit: “Gij was een goeie Vrouw en een knappe Baker!”“Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst....Hy zal altyd ’n goeie vrouw en ’n knappe baker blyven!Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, altyd, eeuwig...’n goeie vrouw en ’n knappe baker!“De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan:Hyzal blyven! De zon zal maan worden, of in ’t geheel niets!Hyzal blyven! Het heelal zal verzinken:Hyzal blyven voortbakeren ten einde toe!“O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets van, aanbidt en... zwygt.“Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: “dat zeiti!”“En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: “mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!”“Ziet gy, Geliefden:zyne heele familie!Wat is de familie van iemand die eenezoohooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.“Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!“Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! “Ma, staat er verder,als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of je ’t niet hoort!” De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling—het ingebakerd menschdom, namelyk—wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend teweerstelt... doe of je ’t niet hoort, Baker! Speld er maar dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks!“Doe net of je ’t niet hoort, Baker!Stop uwe ooren voor de gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen. “Gloei eeuwig doorzooals de psalmist zegt,“Gloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in!“Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt—of volgens sommigen, minder—Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: “Dankie/Juffrouw Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel.”“Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het wel!Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby:dat zieje wel!“Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord “koppie” in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang gebruiktwerd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen op de deftigheid van Multatuli denStoffelist. Doch, zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist dat wedergeven van vrouw Stotter’s aanbiddelyke taal, letterlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy ’t beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen of krulgewaden...Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen.De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik ’n fragment meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7,b1(Pp) de elementen byeentezoeken tot ’n bruikbaar windselsysteem.Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m’n boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd gezelschap, na Pennewip’s beslissing, zich bepaalde tot den uitroep: “Z...ó...ó...ó!” zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander molest aan te doen.Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa, waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer ’t nut blyken kan van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen, en waarom ’t saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in ’n geval dat nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing?Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip’s vonnis, splitsen in drie deelen:Vooreerst.Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.Ten tweede.Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan ’t wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met aangeboren talent de taktiek van ’t “verdeel en heersch!” Mèt de mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen ’t “huis” der Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip’s meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of misschien juffrouw Zippermanzelve, zou overgaan tot den vyand, al ware het uit bekrompen eerbied alleen voor meester’s bewegelyke pruik? Neen, neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: “’k zal je later wel krygen!” en als we ons haar, en al de verhoudingen van ’t gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen, zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene “onder invloed staande” Juffrelapsche krant te lezen:“De verhouding met het ryk derPietersensis allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van ’n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder ’t minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld.”Ten derde.De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf, of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam ware geweest in meester’s oogen, hadden die oogen waarschynlyk ’t lot ondergaan dat hun in zoo’n geval door den archaeoloog Klesmeyer eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen.—Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse—na op ’t overwonnen zoogdier ’n blik te hebben geworpen die gelden kon voor ’n: “waar blyf je nou?” met rang van overwinningsbulletin—maar meester, wat heeft die Wouter dan nu weer uitgevoerd?—Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw Laps, die zich verheugde omdat het gesprek ’n andere wending nam, en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar ’n ding waarop men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we gezien hebben.Juist zou Pennewip ’n begin maken met de akte van beschuldiging, toen de bel ging... nogeens...—”’t was f’r ons”—en de arme delinkwent trad de kamer in.Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde...—Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat?—Och ja, meester.—Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en deugd staan by my op den voorgrond. Ikzoude u verzen kunnen toonen over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg ik... zelfs heb ik ’n zoontje gehad van iemand op Wittenburg—van den blokkenmaker—en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over de verbetering van ’n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.—Gut, meester!—Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos—de man was doodgraver, en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste figuren op de zerken—maar juist dáárom—ik bedoele om de godsdienst en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben—voel ik my verplicht u by dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school te zien verloren gaan door uw deugniet van ’n zoon die dáár staat!De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan ’n pauselyke aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had zoo-even ’n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond.Z’n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en hem ’n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den patiënt inniger te maken.—Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers, moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters...Meer niet.“Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is ’t mogelyk! Wat ’n mensch moet beleven!” Zoo omtrent—maar ik sta niet in voor de juistheid—was de stortvloed van uitroepingen waaronder de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter bedolven werd. Arme Wouter!—Ik zal u ’n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap...’t Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk dat de meester daarop voorlas, was dan ook van ’n aard dat die twyfel heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held, zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was als-i er uitzag in z’n vreeselyk“ROOVERSLIED.Met myn zwaard.Op m’n paard.En myn helm op het hoofd.Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,En vooruit!—Christenzielen, riep ’t heele gezelschap, is-i dol?“En vooruit!Op den weg,Langs de heg,Met een houw en een stootDe dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...—Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde de moeder.Om den buit!—Zieje, ’t is om den buit, zei juffrouw Laps,ikzeg maar altyd, men begint met ’n bybel, en...“En die buitIs myn bruid...—Hebje van z’n leven... z’n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!“En die buitIs myn bruid...My gekocht met m’n staal...—Met z’n st...a...a...a...l!“En die buitIs myn bruid,My gekocht met m’n staal,En ik voer, als een veêr, met my mee haar in ’t zaal,Naar de grot...—Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?“Als de windZoo gezwind,Jaag ik voort met myn vracht,En ik sla op haar schreien en kermen...—Och, gerechtige vrede, ’t mensch kermt ’r van!“En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,Wat genot!—Dat noemt-i genot! Ik word ’r koud van!“En dan weerOp-en-neer,Rechts en links door het land...—Lieve Jesis, daar gaat-i weer!“En dan weerOp-en-neer,Rechts en links door het land,Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,Tot vermaak!—De hel zit in dien jongen... tot vermaak!“En dan voortWeer gespoordNaar een nieuw aventuur...—Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? ’t Is om te bezwyken...En dan voortWeer gespoordNaar een nieuw aventuur,En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,Om de wraak...—Goeie god, wat hebben ze ’m toch gedaan?“Want de wraakIs de taakVan den koning van ’t woud...—Is-i razend... ’k zal ’m koningen!“Want de wraakIs de taakVan den koning van ’t woud...Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...—Wat ’s dàt voor ’n ding?“Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt,En banier!Op, hoezee...Wie gaat mee?’t Gezelschap rilde op die uitnoodiging.“Op, hoezee...Wie gaat mee?Nu geen schepsel verschoond,Nu de mannen gehangen...—Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k...“Nu de mannen gehangen, de vrouwen...—Lodderyn... lodderyn!“de vrouwen gehoond...—Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui!“de vrouwen gehoond,Voor pleizier!”—Voor pleizier... herhaalde meester op ’n graftoon, voor pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier!’t Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel’s pyp was uitgegaan. Maar Wouter had iets kalms in z’n wezen, en toen z’n moeder hem genoeg geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet ontevreden neer in ’n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep om te droomen van Fancy.

Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt dat nog gebeuren moet.Ja, daar werd gescheld... nog eens: ’t was ...f’r ons.”Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon ’t altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men ’n ander was dan men is. ’t Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen kan dat ze ’t in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw Pieterse op dit punt wel ’n mensch zal geweest zyn als ’n ander.—Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de heeren wezen.De “dames” beweerden dat de “heeren” nog niet konden dáár zyn, wyl ’t nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf ’t de heeren waren, gaf ’n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als men gestoord wordt in toorn, is ’t heel moeielyk het juiste punt weertevinden waar men gebleven was.Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar ’t ging niet, want haar: “’n zoogdier... hebje van z’n leven, ’n zoogdier!” werd overstemd door: “hedenm’ntyd, anders komt-i nooit voor tienen.” Juffrouw Pieterse maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou “opentrekken”. Truitje werd belast met het “terechtbrengen” van de kinderen—die er heel slecht by voeren—en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met ’n nieuwe zoölogische verhandeling die ’n ongehuichelde vrede zou herstellen onder de krygvoerende partyen, toende deur geopend werd, en meester Pennewip zich vertoonde aan ’t nog ontstemd gezelschap. Ook hy was ontstemd, de lezer weet het.De homoeopathen zullen hier denken aan hunsimilia similibus, want de verrassing van z’n komst werkte gunstig op de aangevangen vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend ’n wapenstilstand gesloten tusschen de krygvoerende partyen—niet zonder voorbehoud aan den Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid naar de oorzaak van Pennewip’s komst zou voldaan zyn—en ze ging hiertoe te gemakkelyker over, wyl men ’t den man kon aanzien dat-i wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.—Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik zie, ge hebt gezelschap, maar...—Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.’t Gezelschap wasniets, en: “gamaarzitten.” Daar heerscht ’n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7,b1, (Pp).—Wil uwe-n-’n koppie meedrinken, meester... saliemelk?—Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen om saliemelk te drinken!—Maar ga toch zitten, meester...Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en ’t kwam er toe.Pennewip kuchte met ernst. Hy zag ’t gezelschap rond, haalde een rol papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:—Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw man... verkocht schoenen...Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met ’n zegevierenden blik.—Ja meester, dat deet-i!—Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?—Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip’s toon, jawel, dat is waar, meester.—En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school, klachten hebt—ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse—over de wyze waarop ik—met behulp myner echtgenoote—aan uwe menigvuldige kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot tevredenheid.—Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester,terwyl hy ’n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen, doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen jaren later.—Maar, meester...—Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u—want het is volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel achterwege te laten—ik vraag u of gy klachten hebt—ik bedoel natuurlykerwyze:gegrondeklachten—over myn onderwys in lezen, schryven, rekenen...—Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...—Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw zoon Wouter?—Wouter?—’t Is waar ook—is-i niet thuisgekomen. Trui?—Wouter is uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke kinderen, meester, en ze wonen...—Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7a1... misschiena... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn—want dat is hetzelfde, juffrouw Pieterse—het kan niet anders... zedeloosheid, verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg u dat uw zoon...—Hè?—Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die ’n gevolg was van z’n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haareau-de-la-reine-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren zou over Wouter “dien jongen” die haar altyd zooveel verdriet had gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van ’n beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen stryd. Dit geschiedde dan ook.—Hèb ik ’t niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men begint met ’n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik verwonder me niet over de zaak... in ’t geheel niet! Ik heb ’t lang voorzien. Wat kan men ook verwachten in ’n familie, waar...Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich ’n gelegenheid opdeed om ’t voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had gezegd: het stond in ’n boek... wat in ’n boek stond, moest meester weten; en dus:—Meester, riep ze, is ’t waar of niet, dat juffrouw Laps ’n zoogdier is?Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z’n onvoltooide beschuldiging tegen Wouter. Hy keek over z’n bril heen en beschreef langzaam ’n kring met z’n blik, die overal vooruitgestoken hoofdenontmoette, met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide: antwoord of sterf, ben ik ’n zoogdier?—Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl ’t nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen en beroep.—Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.—Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der zoogdieren.Er slaakte zich in ’t gezelschap ’n tienvoudige zucht. Juffrouw Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers, is ’n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:—Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen...—Juffrouw Laps, antwoord my...—Gut ja, meester, maar...—Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt; wáárin woont gy?—Waarin ik woon? Wel... in m’n kamer, hieronder... twee ramen... vrye opgang... kwart in den regenbak beneden...—Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?—Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.Juffrouw Laps zag in dat ze dan ’n verloren mensch was, want ze moest erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in ’n oesterschelp.Dit was ’n illuzie van ’t schepsel.Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon en pruik, voortging:—Kunt gy leven in ’t water? Hebt gy kieuwen?—In ’t water? Maar, meester...Pruik links. Dat beduidde: geen maren.—Of half in ’t water, half op het land?—Meester hoe zou ik...Pruik rechts: geen uitvluchten!—Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende jongen ter wereld?—’t Is zonde, meester.De pruik had iets van ’n stormram, en te-recht. Want daar volgde de stormrammige vraag:—Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: kunt gy eieren leggen... hè?Dàt kon ze niet!—Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.En de pruik kwam weer in ’t midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps uit het veld geslagen.Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich ’t gezelschap voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep toeliet, want Pennewip’s gelaat had het voorkomen van ’n gewysde. Ook was er geen spoor van gratie in z’n saamgeknepen wenkbrauwen.De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden worden te-voorschyn gebracht over wat er na ’t zoo-even verhaalde voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m’n boek sloot, en hoevele duizende gissingen ’t menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders.Het lust my ’n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en ’k lees duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw:EERSTE BERICHT.“Er heeft weder ’n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de Stoffelianen. De laatsten hebben ’t veld geruimd, doch niet zonder hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden, maar er is ’n gat in. Men ziet dagelyks ’n nieuw treffen te-gemoet, waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om ’n eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der Pennewippers, ’n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.“Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer landeryen en ’t melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in ’t verloren hoekje gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa.”TWEEDE BERICHT.“Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd, de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De oude Stotters hebben ’t genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw Stotter’s oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist.”DERDE BERICHT.“Er is ’n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond wezen op z’n malle houding inde Nederlanden. (Het bekende bessen-met-suikerdogma.)“De oude Stoffelianen hebben ’n concilie gehouden, waarin besloten is, de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet is doorgedrongen. Er zal ’n algemeene kollekte worden gehouden, om ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er ’n korps europeesche wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen, waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) ’n instinktmatigen aanleg schynen te bezitten.”VIERDE BERICHT.“Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.“Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat, en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen op brood en brandstof.”VYFDE BERICHT.“By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is verschenen:Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats gevonden opIII, 7,b1(Pp),na de kategorische verklaring des meesters over de ware natuur van juffrouw Laps.Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is vertaald uit het Europeesch.De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven ’n geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.Ook beweert men dat er ’n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste verzuchting des bakers, die ’n eind maakt aan den langen stryd over zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse’s grammatikaal-theologische roeping in ’t helderst licht plaatst, waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de wetenschap en de heilige boeken van ons geloof.”ZESDE BERICHT.“De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is vasttehouden aan juffrouw Zipperman’s verkoudheid, met uitdrukkelyke bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid, mits men vaststa in ’t kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa hebben aangetoond dat het venster op III, 7,b1(Pp) redelyk goed gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde verbroedering geleid te hebben.”ZEVENDE BERICHT.“Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel degelyk aan meester Pennewip ’n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde onderzoeker heeft namelyk in ’t hooge Noorden, waar ons gezegend Azië grenst aan ’t oude Europa, ’n ysbeer ontmoet die zich vermaakte met ’n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps, op de autentieke schildery te Foppipolis.”ACHTSTE BERICHT.“Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename tyding dat onze stad dezer dagen ’n waar feestgenot heeft gesmaakt, en wel ’n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.Er is namelyk ’n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn dan onze burgemeester.De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.De schuldigen zyn onder ’t meten en branden, tot afleiding en opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft op Stoffel’s verdienste en dood, in verband met de lengte van z’n buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z’n edel pogen tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak veel bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van ’n feest, dat in aangename herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had.”NEGENDE BERICHT.We kunnen ons niet weerhouden ’n kort verslag te geven van de ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen baker’s onwaardeerbaar gezegde: “dankie wel/ Juffre Pieterse/ m’n Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!”Hierop volgt ’n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z’n geheel te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst tot z’n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf, wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog aan ons denkt. Zie hier:Voorzang.O/ Baker vol van Zaligheid/Wie zou Uw Lof niet zingen!O/ Baker Die de Baker zijtVan alle Stervelingen!O Baker/ hoor ons juichen aan/Als wij met U uit baak’ren gaan.O Baker/ groot in Lief en Leed/In Kraamzaal of Saletje!Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt’Gespeld in een Servetje!Wij knielen bidden voor U neerEn zingen/ Baker/ U ter Eer.Zie op uw Kroost genadig neerVan uwen Troon op WolkenEr leeft als Gij geen Baker meer/Gij bakert alle VolkenGloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in.“Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!“Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?“Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: “dat is verre van ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid.”“Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven: “daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen” en weldra zal ’t koppie worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: “dat zieje wel!”“Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel kortelyk tot klaarheid te brengen.“Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfdeStoffelium, en daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.“Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfdenStoffeliums, waar we—met gepasten eerbied—het volgende lezen:Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit ’t negende bericht, en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje.“Hoe langer wy de onschatbare heiligeStoffeliënbeoefenen, geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen der Pennewipsche kettery.“Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in ’t byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan Baker’s bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.“Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe aandacht, als ik, na:“ten eerste, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,“ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel:a) Eerste straal.De straal van Baker’sgoedheid.b) Tweede straal.De straal van Baker’swysheid.c) Derde straal.De straal van Baker’smenschenkennis.d) Vierde straal.De straal van Baker’smatigheid.e) Vyfde straal.De straal van Baker’sStandvastigheid.f) Zesde straal.De straal van Baker’salgemeenheid.g) Zevende straal.De straal van Baker’szelfkennis.h) Achtste straal.De straal van Baker’sedelmoedigheid.i) Negende straal.De straal van Baker’snederigheid.j) Tiende straal.De straal van Baker’skuisheid.k) Elfde straal.De straal van Baker’slevenswysheid.l) Twaalfde straal.De straal van Baker’sonschuld.m) Dertiende straal.De straal van Baker’sdubbelslachtigheid.n) Veertiende straal.De straal van Baker’seeuwigheid.o) Vyftiende straal.De straal van Baker’swaarheidlievendheid.p) Zestiende straal.De straal van Baker’svoorzichtigheid.q) Zeventiende straal.De straal van Baker’sgeduld.r) Achttiende straal.De straal van Baker’szedigheid.s) Negentiende straal.De straal van Baker’sgeheimzinnigheid.t) Twintigste straal.De straal van Baker’seenvoud.u) Een-en-twintigste straal.De straal van Baker’sliefde.v) Twee-en-twintigste straal.De straal van Baker’strouw.w) Drie-en-twintigste straal.De straal van Baker’syver.x) Vier-en-twintigste straal.De straal van Baker’sschranderheid.y) Vyf-en-twintigste straal.De straal van Baker’sfatsoen.z) Zes-en-twintigste straal.De straal van Baker’sgoedertierenheid.z bis.) Zeven-en-twintigste straal.De straal van Baker’svolmaaktheid.“om daarna:ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.“Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.“Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als ’n berg van genot.“De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de onvergankelyke ziel stelde boven ’t brooze lichaam, en de oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.“Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden:dat zeiti!Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...“Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.“Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld zal hy worden door den wind onzes geloofs!“Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?“Of—helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige vraag—of is die storm wellicht in uwe harten geworden tot een zuchtje? Is misschien uwwind weggekrompen tot eene labberkoelte, te zwak om ’t lichtste voorwerp voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de eeuwige gelukzaligheid?“En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der genade, te verlagen tot ’n dorpeltje, hoog genoeg—ja, maar ter-nauwer-nood hoog-genoeg—om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?“Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?“Gy zwygt?“Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!“Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: “Je bent ’n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en ’n knappe Baker!”Een goeie vrouw en ’n knappe baker!Kan er treffender getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:Je bent ’n goeie vrouw, en daarmee uit!En niet:Je bent ’n knappe baker, en daarby blyft het!Neen, duidelyk staat er:Je bent ’n goeie vrouw èn ’n knappe baker, zoowel dus het één als het ander.... het andere niet minder dan het één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!“Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: “maar” en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen nietnaastmaartegenoverdie der vrouw, maar de Baker die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en daarom heeft Hy toegelaten—wat zeg ik, Hy heeft bewerkt—dat de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in hetStoffeliumnaar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.“Ja Geliefden, dáár staat het: “en een knappe Baker!” Dat zegevierende “en” springt in het oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: “en.”“En, geliefden,en!Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelykeen!“Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting der waarheid....“Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der BakerlykeStoffelienuitloopt op uwe beschaming? WasHyniet heilig,Hyde eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt—wat dan toch wel niet kàn ontkend worden—moet dan niet ookhyheilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?“Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenenStoffeliums!Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, roepen wy juichend uit: “Gij was een goeie Vrouw en een knappe Baker!”“Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst....Hy zal altyd ’n goeie vrouw en ’n knappe baker blyven!Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, altyd, eeuwig...’n goeie vrouw en ’n knappe baker!“De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan:Hyzal blyven! De zon zal maan worden, of in ’t geheel niets!Hyzal blyven! Het heelal zal verzinken:Hyzal blyven voortbakeren ten einde toe!“O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets van, aanbidt en... zwygt.“Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: “dat zeiti!”“En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: “mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!”“Ziet gy, Geliefden:zyne heele familie!Wat is de familie van iemand die eenezoohooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.“Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!“Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! “Ma, staat er verder,als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of je ’t niet hoort!” De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling—het ingebakerd menschdom, namelyk—wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend teweerstelt... doe of je ’t niet hoort, Baker! Speld er maar dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks!“Doe net of je ’t niet hoort, Baker!Stop uwe ooren voor de gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen. “Gloei eeuwig doorzooals de psalmist zegt,“Gloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in!“Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt—of volgens sommigen, minder—Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: “Dankie/Juffrouw Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel.”“Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het wel!Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby:dat zieje wel!“Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord “koppie” in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang gebruiktwerd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen op de deftigheid van Multatuli denStoffelist. Doch, zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist dat wedergeven van vrouw Stotter’s aanbiddelyke taal, letterlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy ’t beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen of krulgewaden...Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen.De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik ’n fragment meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7,b1(Pp) de elementen byeentezoeken tot ’n bruikbaar windselsysteem.Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m’n boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd gezelschap, na Pennewip’s beslissing, zich bepaalde tot den uitroep: “Z...ó...ó...ó!” zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander molest aan te doen.

Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt dat nog gebeuren moet.

Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt dat nog gebeuren moet.

Ja, daar werd gescheld... nog eens: ’t was ...f’r ons.”

Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon ’t altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men ’n ander was dan men is. ’t Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen kan dat ze ’t in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw Pieterse op dit punt wel ’n mensch zal geweest zyn als ’n ander.

—Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de heeren wezen.

De “dames” beweerden dat de “heeren” nog niet konden dáár zyn, wyl ’t nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf ’t de heeren waren, gaf ’n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.

Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als men gestoord wordt in toorn, is ’t heel moeielyk het juiste punt weertevinden waar men gebleven was.

Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar ’t ging niet, want haar: “’n zoogdier... hebje van z’n leven, ’n zoogdier!” werd overstemd door: “hedenm’ntyd, anders komt-i nooit voor tienen.” Juffrouw Pieterse maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou “opentrekken”. Truitje werd belast met het “terechtbrengen” van de kinderen—die er heel slecht by voeren—en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met ’n nieuwe zoölogische verhandeling die ’n ongehuichelde vrede zou herstellen onder de krygvoerende partyen, toende deur geopend werd, en meester Pennewip zich vertoonde aan ’t nog ontstemd gezelschap. Ook hy was ontstemd, de lezer weet het.

De homoeopathen zullen hier denken aan hunsimilia similibus, want de verrassing van z’n komst werkte gunstig op de aangevangen vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend ’n wapenstilstand gesloten tusschen de krygvoerende partyen—niet zonder voorbehoud aan den Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid naar de oorzaak van Pennewip’s komst zou voldaan zyn—en ze ging hiertoe te gemakkelyker over, wyl men ’t den man kon aanzien dat-i wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.

—Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik zie, ge hebt gezelschap, maar...

—Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.

’t Gezelschap wasniets, en: “gamaarzitten.” Daar heerscht ’n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7,b1, (Pp).

—Wil uwe-n-’n koppie meedrinken, meester... saliemelk?

—Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen om saliemelk te drinken!

—Maar ga toch zitten, meester...

Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en ’t kwam er toe.

Pennewip kuchte met ernst. Hy zag ’t gezelschap rond, haalde een rol papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:

—Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw man... verkocht schoenen...

Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met ’n zegevierenden blik.

—Ja meester, dat deet-i!

—Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?

—Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip’s toon, jawel, dat is waar, meester.

—En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school, klachten hebt—ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse—over de wyze waarop ik—met behulp myner echtgenoote—aan uwe menigvuldige kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?

Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot tevredenheid.

—Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester,terwyl hy ’n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen, doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen jaren later.

—Maar, meester...

—Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u—want het is volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel achterwege te laten—ik vraag u of gy klachten hebt—ik bedoel natuurlykerwyze:gegrondeklachten—over myn onderwys in lezen, schryven, rekenen...

—Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...

—Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw zoon Wouter?

—Wouter?—’t Is waar ook—is-i niet thuisgekomen. Trui?—Wouter is uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke kinderen, meester, en ze wonen...

—Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7a1... misschiena... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn—want dat is hetzelfde, juffrouw Pieterse—het kan niet anders... zedeloosheid, verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg u dat uw zoon...

—Hè?

—Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...

De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die ’n gevolg was van z’n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haareau-de-la-reine-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren zou over Wouter “dien jongen” die haar altyd zooveel verdriet had gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van ’n beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen stryd. Dit geschiedde dan ook.

—Hèb ik ’t niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men begint met ’n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik verwonder me niet over de zaak... in ’t geheel niet! Ik heb ’t lang voorzien. Wat kan men ook verwachten in ’n familie, waar...

Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich ’n gelegenheid opdeed om ’t voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had gezegd: het stond in ’n boek... wat in ’n boek stond, moest meester weten; en dus:

—Meester, riep ze, is ’t waar of niet, dat juffrouw Laps ’n zoogdier is?

Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z’n onvoltooide beschuldiging tegen Wouter. Hy keek over z’n bril heen en beschreef langzaam ’n kring met z’n blik, die overal vooruitgestoken hoofdenontmoette, met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide: antwoord of sterf, ben ik ’n zoogdier?

—Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl ’t nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen en beroep.

—Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.

—Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der zoogdieren.

Er slaakte zich in ’t gezelschap ’n tienvoudige zucht. Juffrouw Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers, is ’n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.

De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:

—Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen...

—Juffrouw Laps, antwoord my...

—Gut ja, meester, maar...

—Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt; wáárin woont gy?

—Waarin ik woon? Wel... in m’n kamer, hieronder... twee ramen... vrye opgang... kwart in den regenbak beneden...

—Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?

—Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!

En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.

Juffrouw Laps zag in dat ze dan ’n verloren mensch was, want ze moest erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in ’n oesterschelp.

Dit was ’n illuzie van ’t schepsel.

Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon en pruik, voortging:

—Kunt gy leven in ’t water? Hebt gy kieuwen?

—In ’t water? Maar, meester...

Pruik links. Dat beduidde: geen maren.

—Of half in ’t water, half op het land?

—Meester hoe zou ik...

Pruik rechts: geen uitvluchten!

—Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende jongen ter wereld?

—’t Is zonde, meester.

De pruik had iets van ’n stormram, en te-recht. Want daar volgde de stormrammige vraag:

—Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: kunt gy eieren leggen... hè?

Dàt kon ze niet!

—Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.

En de pruik kwam weer in ’t midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps uit het veld geslagen.

Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich ’t gezelschap voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep toeliet, want Pennewip’s gelaat had het voorkomen van ’n gewysde. Ook was er geen spoor van gratie in z’n saamgeknepen wenkbrauwen.

De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden worden te-voorschyn gebracht over wat er na ’t zoo-even verhaalde voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m’n boek sloot, en hoevele duizende gissingen ’t menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders.

Het lust my ’n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en ’k lees duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw:

EERSTE BERICHT.“Er heeft weder ’n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de Stoffelianen. De laatsten hebben ’t veld geruimd, doch niet zonder hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden, maar er is ’n gat in. Men ziet dagelyks ’n nieuw treffen te-gemoet, waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om ’n eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der Pennewippers, ’n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.“Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer landeryen en ’t melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in ’t verloren hoekje gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa.”TWEEDE BERICHT.“Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd, de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De oude Stotters hebben ’t genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw Stotter’s oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist.”DERDE BERICHT.“Er is ’n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond wezen op z’n malle houding inde Nederlanden. (Het bekende bessen-met-suikerdogma.)“De oude Stoffelianen hebben ’n concilie gehouden, waarin besloten is, de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet is doorgedrongen. Er zal ’n algemeene kollekte worden gehouden, om ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er ’n korps europeesche wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen, waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) ’n instinktmatigen aanleg schynen te bezitten.”VIERDE BERICHT.“Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.“Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat, en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen op brood en brandstof.”VYFDE BERICHT.“By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is verschenen:Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats gevonden opIII, 7,b1(Pp),na de kategorische verklaring des meesters over de ware natuur van juffrouw Laps.Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is vertaald uit het Europeesch.De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven ’n geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.Ook beweert men dat er ’n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste verzuchting des bakers, die ’n eind maakt aan den langen stryd over zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse’s grammatikaal-theologische roeping in ’t helderst licht plaatst, waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de wetenschap en de heilige boeken van ons geloof.”ZESDE BERICHT.“De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is vasttehouden aan juffrouw Zipperman’s verkoudheid, met uitdrukkelyke bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid, mits men vaststa in ’t kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa hebben aangetoond dat het venster op III, 7,b1(Pp) redelyk goed gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde verbroedering geleid te hebben.”ZEVENDE BERICHT.“Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel degelyk aan meester Pennewip ’n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde onderzoeker heeft namelyk in ’t hooge Noorden, waar ons gezegend Azië grenst aan ’t oude Europa, ’n ysbeer ontmoet die zich vermaakte met ’n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps, op de autentieke schildery te Foppipolis.”ACHTSTE BERICHT.“Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename tyding dat onze stad dezer dagen ’n waar feestgenot heeft gesmaakt, en wel ’n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.Er is namelyk ’n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn dan onze burgemeester.De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.De schuldigen zyn onder ’t meten en branden, tot afleiding en opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft op Stoffel’s verdienste en dood, in verband met de lengte van z’n buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z’n edel pogen tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak veel bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van ’n feest, dat in aangename herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had.”NEGENDE BERICHT.We kunnen ons niet weerhouden ’n kort verslag te geven van de ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen baker’s onwaardeerbaar gezegde: “dankie wel/ Juffre Pieterse/ m’n Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!”

EERSTE BERICHT.

“Er heeft weder ’n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de Stoffelianen. De laatsten hebben ’t veld geruimd, doch niet zonder hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden, maar er is ’n gat in. Men ziet dagelyks ’n nieuw treffen te-gemoet, waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om ’n eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der Pennewippers, ’n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.

“Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer landeryen en ’t melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in ’t verloren hoekje gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa.”

TWEEDE BERICHT.

“Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd, de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De oude Stotters hebben ’t genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw Stotter’s oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist.”

DERDE BERICHT.

“Er is ’n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond wezen op z’n malle houding inde Nederlanden. (Het bekende bessen-met-suikerdogma.)

“De oude Stoffelianen hebben ’n concilie gehouden, waarin besloten is, de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet is doorgedrongen. Er zal ’n algemeene kollekte worden gehouden, om ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er ’n korps europeesche wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen, waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) ’n instinktmatigen aanleg schynen te bezitten.”

VIERDE BERICHT.

“Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.

“Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat, en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen op brood en brandstof.”

VYFDE BERICHT.

“By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is verschenen:Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats gevonden opIII, 7,b1(Pp),na de kategorische verklaring des meesters over de ware natuur van juffrouw Laps.

Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is vertaald uit het Europeesch.

De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven ’n geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.

Ook beweert men dat er ’n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste verzuchting des bakers, die ’n eind maakt aan den langen stryd over zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse’s grammatikaal-theologische roeping in ’t helderst licht plaatst, waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de wetenschap en de heilige boeken van ons geloof.”

ZESDE BERICHT.

“De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is vasttehouden aan juffrouw Zipperman’s verkoudheid, met uitdrukkelyke bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid, mits men vaststa in ’t kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa hebben aangetoond dat het venster op III, 7,b1(Pp) redelyk goed gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde verbroedering geleid te hebben.”

ZEVENDE BERICHT.

“Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel degelyk aan meester Pennewip ’n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde onderzoeker heeft namelyk in ’t hooge Noorden, waar ons gezegend Azië grenst aan ’t oude Europa, ’n ysbeer ontmoet die zich vermaakte met ’n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps, op de autentieke schildery te Foppipolis.”

ACHTSTE BERICHT.

“Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename tyding dat onze stad dezer dagen ’n waar feestgenot heeft gesmaakt, en wel ’n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.

Er is namelyk ’n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn dan onze burgemeester.

De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.

De schuldigen zyn onder ’t meten en branden, tot afleiding en opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft op Stoffel’s verdienste en dood, in verband met de lengte van z’n buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z’n edel pogen tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.

Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak veel bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van ’n feest, dat in aangename herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had.”

NEGENDE BERICHT.

We kunnen ons niet weerhouden ’n kort verslag te geven van de ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen baker’s onwaardeerbaar gezegde: “dankie wel/ Juffre Pieterse/ m’n Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!”

Hierop volgt ’n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z’n geheel te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst tot z’n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf, wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog aan ons denkt. Zie hier:

Voorzang.O/ Baker vol van Zaligheid/Wie zou Uw Lof niet zingen!O/ Baker Die de Baker zijtVan alle Stervelingen!O Baker/ hoor ons juichen aan/Als wij met U uit baak’ren gaan.

O/ Baker vol van Zaligheid/

Wie zou Uw Lof niet zingen!

O/ Baker Die de Baker zijt

Van alle Stervelingen!

O Baker/ hoor ons juichen aan/

Als wij met U uit baak’ren gaan.

O Baker/ groot in Lief en Leed/In Kraamzaal of Saletje!Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt’Gespeld in een Servetje!Wij knielen bidden voor U neerEn zingen/ Baker/ U ter Eer.

O Baker/ groot in Lief en Leed/

In Kraamzaal of Saletje!

Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt’

Gespeld in een Servetje!

Wij knielen bidden voor U neer

En zingen/ Baker/ U ter Eer.

Zie op uw Kroost genadig neerVan uwen Troon op WolkenEr leeft als Gij geen Baker meer/Gij bakert alle VolkenGloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in.

Zie op uw Kroost genadig neer

Van uwen Troon op Wolken

Er leeft als Gij geen Baker meer/

Gij bakert alle Volken

Gloei eeuwig door van Kindermin/

En speld ons in Uw Luiers in.

“Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!“Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?“Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: “dat is verre van ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid.”“Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven: “daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen” en weldra zal ’t koppie worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: “dat zieje wel!”“Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel kortelyk tot klaarheid te brengen.“Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfdeStoffelium, en daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.“Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfdenStoffeliums, waar we—met gepasten eerbied—het volgende lezen:

“Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!

“Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?

“Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: “dat is verre van ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid.”

“Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven: “daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen” en weldra zal ’t koppie worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: “dat zieje wel!”

“Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel kortelyk tot klaarheid te brengen.

“Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfdeStoffelium, en daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.

“Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfdenStoffeliums, waar we—met gepasten eerbied—het volgende lezen:

Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit ’t negende bericht, en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje.

“Hoe langer wy de onschatbare heiligeStoffeliënbeoefenen, geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen der Pennewipsche kettery.“Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in ’t byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan Baker’s bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.“Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe aandacht, als ik, na:“ten eerste, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,“ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel:a) Eerste straal.De straal van Baker’sgoedheid.b) Tweede straal.De straal van Baker’swysheid.c) Derde straal.De straal van Baker’smenschenkennis.d) Vierde straal.De straal van Baker’smatigheid.e) Vyfde straal.De straal van Baker’sStandvastigheid.f) Zesde straal.De straal van Baker’salgemeenheid.g) Zevende straal.De straal van Baker’szelfkennis.h) Achtste straal.De straal van Baker’sedelmoedigheid.i) Negende straal.De straal van Baker’snederigheid.j) Tiende straal.De straal van Baker’skuisheid.k) Elfde straal.De straal van Baker’slevenswysheid.l) Twaalfde straal.De straal van Baker’sonschuld.m) Dertiende straal.De straal van Baker’sdubbelslachtigheid.n) Veertiende straal.De straal van Baker’seeuwigheid.o) Vyftiende straal.De straal van Baker’swaarheidlievendheid.p) Zestiende straal.De straal van Baker’svoorzichtigheid.q) Zeventiende straal.De straal van Baker’sgeduld.r) Achttiende straal.De straal van Baker’szedigheid.s) Negentiende straal.De straal van Baker’sgeheimzinnigheid.t) Twintigste straal.De straal van Baker’seenvoud.u) Een-en-twintigste straal.De straal van Baker’sliefde.v) Twee-en-twintigste straal.De straal van Baker’strouw.w) Drie-en-twintigste straal.De straal van Baker’syver.x) Vier-en-twintigste straal.De straal van Baker’sschranderheid.y) Vyf-en-twintigste straal.De straal van Baker’sfatsoen.z) Zes-en-twintigste straal.De straal van Baker’sgoedertierenheid.z bis.) Zeven-en-twintigste straal.De straal van Baker’svolmaaktheid.“om daarna:ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.“Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.“Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als ’n berg van genot.“De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de onvergankelyke ziel stelde boven ’t brooze lichaam, en de oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.“Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden:dat zeiti!Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...“Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.“Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld zal hy worden door den wind onzes geloofs!“Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?“Of—helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige vraag—of is die storm wellicht in uwe harten geworden tot een zuchtje? Is misschien uwwind weggekrompen tot eene labberkoelte, te zwak om ’t lichtste voorwerp voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de eeuwige gelukzaligheid?“En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der genade, te verlagen tot ’n dorpeltje, hoog genoeg—ja, maar ter-nauwer-nood hoog-genoeg—om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?“Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?“Gy zwygt?“Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!“Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: “Je bent ’n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en ’n knappe Baker!”Een goeie vrouw en ’n knappe baker!Kan er treffender getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:Je bent ’n goeie vrouw, en daarmee uit!En niet:Je bent ’n knappe baker, en daarby blyft het!Neen, duidelyk staat er:Je bent ’n goeie vrouw èn ’n knappe baker, zoowel dus het één als het ander.... het andere niet minder dan het één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!“Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: “maar” en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen nietnaastmaartegenoverdie der vrouw, maar de Baker die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en daarom heeft Hy toegelaten—wat zeg ik, Hy heeft bewerkt—dat de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in hetStoffeliumnaar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.“Ja Geliefden, dáár staat het: “en een knappe Baker!” Dat zegevierende “en” springt in het oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: “en.”“En, geliefden,en!Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelykeen!“Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting der waarheid....“Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der BakerlykeStoffelienuitloopt op uwe beschaming? WasHyniet heilig,Hyde eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt—wat dan toch wel niet kàn ontkend worden—moet dan niet ookhyheilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?“Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenenStoffeliums!Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, roepen wy juichend uit: “Gij was een goeie Vrouw en een knappe Baker!”“Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst....Hy zal altyd ’n goeie vrouw en ’n knappe baker blyven!Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, altyd, eeuwig...’n goeie vrouw en ’n knappe baker!“De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan:Hyzal blyven! De zon zal maan worden, of in ’t geheel niets!Hyzal blyven! Het heelal zal verzinken:Hyzal blyven voortbakeren ten einde toe!“O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets van, aanbidt en... zwygt.“Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: “dat zeiti!”“En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: “mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!”“Ziet gy, Geliefden:zyne heele familie!Wat is de familie van iemand die eenezoohooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.“Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!“Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! “Ma, staat er verder,als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of je ’t niet hoort!” De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling—het ingebakerd menschdom, namelyk—wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend teweerstelt... doe of je ’t niet hoort, Baker! Speld er maar dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks!“Doe net of je ’t niet hoort, Baker!Stop uwe ooren voor de gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen. “Gloei eeuwig doorzooals de psalmist zegt,“Gloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in!“Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt—of volgens sommigen, minder—Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: “Dankie/Juffrouw Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel.”“Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het wel!Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby:dat zieje wel!“Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord “koppie” in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang gebruiktwerd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen op de deftigheid van Multatuli denStoffelist. Doch, zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist dat wedergeven van vrouw Stotter’s aanbiddelyke taal, letterlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy ’t beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen of krulgewaden...

“Hoe langer wy de onschatbare heiligeStoffeliënbeoefenen, geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen der Pennewipsche kettery.“Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in ’t byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan Baker’s bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.“Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe aandacht, als ik, na:“ten eerste, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,“ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel:a) Eerste straal.De straal van Baker’sgoedheid.b) Tweede straal.De straal van Baker’swysheid.c) Derde straal.De straal van Baker’smenschenkennis.d) Vierde straal.De straal van Baker’smatigheid.e) Vyfde straal.De straal van Baker’sStandvastigheid.f) Zesde straal.De straal van Baker’salgemeenheid.g) Zevende straal.De straal van Baker’szelfkennis.h) Achtste straal.De straal van Baker’sedelmoedigheid.i) Negende straal.De straal van Baker’snederigheid.j) Tiende straal.De straal van Baker’skuisheid.k) Elfde straal.De straal van Baker’slevenswysheid.l) Twaalfde straal.De straal van Baker’sonschuld.m) Dertiende straal.De straal van Baker’sdubbelslachtigheid.n) Veertiende straal.De straal van Baker’seeuwigheid.o) Vyftiende straal.De straal van Baker’swaarheidlievendheid.p) Zestiende straal.De straal van Baker’svoorzichtigheid.q) Zeventiende straal.De straal van Baker’sgeduld.r) Achttiende straal.De straal van Baker’szedigheid.s) Negentiende straal.De straal van Baker’sgeheimzinnigheid.t) Twintigste straal.De straal van Baker’seenvoud.u) Een-en-twintigste straal.De straal van Baker’sliefde.v) Twee-en-twintigste straal.De straal van Baker’strouw.w) Drie-en-twintigste straal.De straal van Baker’syver.x) Vier-en-twintigste straal.De straal van Baker’sschranderheid.y) Vyf-en-twintigste straal.De straal van Baker’sfatsoen.z) Zes-en-twintigste straal.De straal van Baker’sgoedertierenheid.z bis.) Zeven-en-twintigste straal.De straal van Baker’svolmaaktheid.“om daarna:ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.“Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.“Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als ’n berg van genot.“De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de onvergankelyke ziel stelde boven ’t brooze lichaam, en de oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.“Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden:dat zeiti!Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...“Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.“Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld zal hy worden door den wind onzes geloofs!“Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?“Of—helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige vraag—of is die storm wellicht in uwe harten geworden tot een zuchtje? Is misschien uwwind weggekrompen tot eene labberkoelte, te zwak om ’t lichtste voorwerp voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de eeuwige gelukzaligheid?“En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der genade, te verlagen tot ’n dorpeltje, hoog genoeg—ja, maar ter-nauwer-nood hoog-genoeg—om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?“Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?“Gy zwygt?“Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!“Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: “Je bent ’n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en ’n knappe Baker!”Een goeie vrouw en ’n knappe baker!Kan er treffender getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:Je bent ’n goeie vrouw, en daarmee uit!En niet:Je bent ’n knappe baker, en daarby blyft het!Neen, duidelyk staat er:Je bent ’n goeie vrouw èn ’n knappe baker, zoowel dus het één als het ander.... het andere niet minder dan het één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!“Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: “maar” en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen nietnaastmaartegenoverdie der vrouw, maar de Baker die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en daarom heeft Hy toegelaten—wat zeg ik, Hy heeft bewerkt—dat de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in hetStoffeliumnaar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.“Ja Geliefden, dáár staat het: “en een knappe Baker!” Dat zegevierende “en” springt in het oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: “en.”“En, geliefden,en!Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelykeen!“Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting der waarheid....“Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der BakerlykeStoffelienuitloopt op uwe beschaming? WasHyniet heilig,Hyde eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt—wat dan toch wel niet kàn ontkend worden—moet dan niet ookhyheilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?“Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenenStoffeliums!Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, roepen wy juichend uit: “Gij was een goeie Vrouw en een knappe Baker!”“Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst....Hy zal altyd ’n goeie vrouw en ’n knappe baker blyven!Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, altyd, eeuwig...’n goeie vrouw en ’n knappe baker!“De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan:Hyzal blyven! De zon zal maan worden, of in ’t geheel niets!Hyzal blyven! Het heelal zal verzinken:Hyzal blyven voortbakeren ten einde toe!“O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets van, aanbidt en... zwygt.“Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: “dat zeiti!”“En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: “mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!”“Ziet gy, Geliefden:zyne heele familie!Wat is de familie van iemand die eenezoohooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.“Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!“Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! “Ma, staat er verder,als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of je ’t niet hoort!” De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling—het ingebakerd menschdom, namelyk—wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend teweerstelt... doe of je ’t niet hoort, Baker! Speld er maar dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks!“Doe net of je ’t niet hoort, Baker!Stop uwe ooren voor de gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen. “Gloei eeuwig doorzooals de psalmist zegt,“Gloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in!“Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt—of volgens sommigen, minder—Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: “Dankie/Juffrouw Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel.”“Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het wel!Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby:dat zieje wel!“Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord “koppie” in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang gebruiktwerd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen op de deftigheid van Multatuli denStoffelist. Doch, zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist dat wedergeven van vrouw Stotter’s aanbiddelyke taal, letterlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy ’t beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen of krulgewaden...

“Hoe langer wy de onschatbare heiligeStoffeliënbeoefenen, geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen der Pennewipsche kettery.“Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in ’t byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan Baker’s bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.“Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe aandacht, als ik, na:“ten eerste, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,“ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel:a) Eerste straal.De straal van Baker’sgoedheid.b) Tweede straal.De straal van Baker’swysheid.c) Derde straal.De straal van Baker’smenschenkennis.d) Vierde straal.De straal van Baker’smatigheid.e) Vyfde straal.De straal van Baker’sStandvastigheid.f) Zesde straal.De straal van Baker’salgemeenheid.g) Zevende straal.De straal van Baker’szelfkennis.h) Achtste straal.De straal van Baker’sedelmoedigheid.i) Negende straal.De straal van Baker’snederigheid.j) Tiende straal.De straal van Baker’skuisheid.k) Elfde straal.De straal van Baker’slevenswysheid.l) Twaalfde straal.De straal van Baker’sonschuld.m) Dertiende straal.De straal van Baker’sdubbelslachtigheid.n) Veertiende straal.De straal van Baker’seeuwigheid.o) Vyftiende straal.De straal van Baker’swaarheidlievendheid.p) Zestiende straal.De straal van Baker’svoorzichtigheid.q) Zeventiende straal.De straal van Baker’sgeduld.r) Achttiende straal.De straal van Baker’szedigheid.s) Negentiende straal.De straal van Baker’sgeheimzinnigheid.t) Twintigste straal.De straal van Baker’seenvoud.u) Een-en-twintigste straal.De straal van Baker’sliefde.v) Twee-en-twintigste straal.De straal van Baker’strouw.w) Drie-en-twintigste straal.De straal van Baker’syver.x) Vier-en-twintigste straal.De straal van Baker’sschranderheid.y) Vyf-en-twintigste straal.De straal van Baker’sfatsoen.z) Zes-en-twintigste straal.De straal van Baker’sgoedertierenheid.z bis.) Zeven-en-twintigste straal.De straal van Baker’svolmaaktheid.“om daarna:ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.“Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.“Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als ’n berg van genot.“De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de onvergankelyke ziel stelde boven ’t brooze lichaam, en de oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.“Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden:dat zeiti!Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...“Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.“Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld zal hy worden door den wind onzes geloofs!“Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?“Of—helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige vraag—of is die storm wellicht in uwe harten geworden tot een zuchtje? Is misschien uwwind weggekrompen tot eene labberkoelte, te zwak om ’t lichtste voorwerp voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de eeuwige gelukzaligheid?“En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der genade, te verlagen tot ’n dorpeltje, hoog genoeg—ja, maar ter-nauwer-nood hoog-genoeg—om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?“Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?“Gy zwygt?“Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!“Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: “Je bent ’n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en ’n knappe Baker!”Een goeie vrouw en ’n knappe baker!Kan er treffender getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:Je bent ’n goeie vrouw, en daarmee uit!En niet:Je bent ’n knappe baker, en daarby blyft het!Neen, duidelyk staat er:Je bent ’n goeie vrouw èn ’n knappe baker, zoowel dus het één als het ander.... het andere niet minder dan het één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!“Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: “maar” en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen nietnaastmaartegenoverdie der vrouw, maar de Baker die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en daarom heeft Hy toegelaten—wat zeg ik, Hy heeft bewerkt—dat de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in hetStoffeliumnaar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.“Ja Geliefden, dáár staat het: “en een knappe Baker!” Dat zegevierende “en” springt in het oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: “en.”“En, geliefden,en!Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelykeen!“Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting der waarheid....“Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der BakerlykeStoffelienuitloopt op uwe beschaming? WasHyniet heilig,Hyde eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt—wat dan toch wel niet kàn ontkend worden—moet dan niet ookhyheilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?“Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenenStoffeliums!Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, roepen wy juichend uit: “Gij was een goeie Vrouw en een knappe Baker!”“Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst....Hy zal altyd ’n goeie vrouw en ’n knappe baker blyven!Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, altyd, eeuwig...’n goeie vrouw en ’n knappe baker!“De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan:Hyzal blyven! De zon zal maan worden, of in ’t geheel niets!Hyzal blyven! Het heelal zal verzinken:Hyzal blyven voortbakeren ten einde toe!“O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets van, aanbidt en... zwygt.“Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: “dat zeiti!”“En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: “mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!”“Ziet gy, Geliefden:zyne heele familie!Wat is de familie van iemand die eenezoohooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.“Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!“Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! “Ma, staat er verder,als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of je ’t niet hoort!” De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling—het ingebakerd menschdom, namelyk—wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend teweerstelt... doe of je ’t niet hoort, Baker! Speld er maar dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks!“Doe net of je ’t niet hoort, Baker!Stop uwe ooren voor de gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen. “Gloei eeuwig doorzooals de psalmist zegt,“Gloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in!“Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt—of volgens sommigen, minder—Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: “Dankie/Juffrouw Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel.”“Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het wel!Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby:dat zieje wel!“Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord “koppie” in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang gebruiktwerd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen op de deftigheid van Multatuli denStoffelist. Doch, zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist dat wedergeven van vrouw Stotter’s aanbiddelyke taal, letterlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy ’t beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen of krulgewaden...

“Hoe langer wy de onschatbare heiligeStoffeliënbeoefenen, geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen der Pennewipsche kettery.

“Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in ’t byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan Baker’s bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.

“Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe aandacht, als ik, na:

“ten eerste, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,“ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel:a) Eerste straal.De straal van Baker’sgoedheid.b) Tweede straal.De straal van Baker’swysheid.c) Derde straal.De straal van Baker’smenschenkennis.d) Vierde straal.De straal van Baker’smatigheid.e) Vyfde straal.De straal van Baker’sStandvastigheid.f) Zesde straal.De straal van Baker’salgemeenheid.g) Zevende straal.De straal van Baker’szelfkennis.h) Achtste straal.De straal van Baker’sedelmoedigheid.i) Negende straal.De straal van Baker’snederigheid.j) Tiende straal.De straal van Baker’skuisheid.k) Elfde straal.De straal van Baker’slevenswysheid.l) Twaalfde straal.De straal van Baker’sonschuld.m) Dertiende straal.De straal van Baker’sdubbelslachtigheid.n) Veertiende straal.De straal van Baker’seeuwigheid.o) Vyftiende straal.De straal van Baker’swaarheidlievendheid.p) Zestiende straal.De straal van Baker’svoorzichtigheid.q) Zeventiende straal.De straal van Baker’sgeduld.r) Achttiende straal.De straal van Baker’szedigheid.s) Negentiende straal.De straal van Baker’sgeheimzinnigheid.t) Twintigste straal.De straal van Baker’seenvoud.u) Een-en-twintigste straal.De straal van Baker’sliefde.v) Twee-en-twintigste straal.De straal van Baker’strouw.w) Drie-en-twintigste straal.De straal van Baker’syver.x) Vier-en-twintigste straal.De straal van Baker’sschranderheid.y) Vyf-en-twintigste straal.De straal van Baker’sfatsoen.z) Zes-en-twintigste straal.De straal van Baker’sgoedertierenheid.z bis.) Zeven-en-twintigste straal.De straal van Baker’svolmaaktheid.“om daarna:ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.

“ten eerste, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,

“ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel:

“om daarna:ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.

“Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.

“Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als ’n berg van genot.

“De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de onvergankelyke ziel stelde boven ’t brooze lichaam, en de oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.

“Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden:dat zeiti!Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...

“Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.

“Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld zal hy worden door den wind onzes geloofs!

“Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?

“Of—helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige vraag—of is die storm wellicht in uwe harten geworden tot een zuchtje? Is misschien uwwind weggekrompen tot eene labberkoelte, te zwak om ’t lichtste voorwerp voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de eeuwige gelukzaligheid?

“En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der genade, te verlagen tot ’n dorpeltje, hoog genoeg—ja, maar ter-nauwer-nood hoog-genoeg—om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?

“Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?

“Gy zwygt?

“Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!

“Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: “Je bent ’n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en ’n knappe Baker!”

Een goeie vrouw en ’n knappe baker!Kan er treffender getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:Je bent ’n goeie vrouw, en daarmee uit!En niet:Je bent ’n knappe baker, en daarby blyft het!Neen, duidelyk staat er:Je bent ’n goeie vrouw èn ’n knappe baker, zoowel dus het één als het ander.... het andere niet minder dan het één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!

“Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: “maar” en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen nietnaastmaartegenoverdie der vrouw, maar de Baker die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en daarom heeft Hy toegelaten—wat zeg ik, Hy heeft bewerkt—dat de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in hetStoffeliumnaar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.

“Ja Geliefden, dáár staat het: “en een knappe Baker!” Dat zegevierende “en” springt in het oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: “en.”

“En, geliefden,en!Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelykeen!

“Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting der waarheid....

“Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der BakerlykeStoffelienuitloopt op uwe beschaming? WasHyniet heilig,Hyde eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt—wat dan toch wel niet kàn ontkend worden—moet dan niet ookhyheilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?

“Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenenStoffeliums!Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, roepen wy juichend uit: “Gij was een goeie Vrouw en een knappe Baker!”

“Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst....Hy zal altyd ’n goeie vrouw en ’n knappe baker blyven!Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, altyd, eeuwig...’n goeie vrouw en ’n knappe baker!

“De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan:Hyzal blyven! De zon zal maan worden, of in ’t geheel niets!Hyzal blyven! Het heelal zal verzinken:Hyzal blyven voortbakeren ten einde toe!

“O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets van, aanbidt en... zwygt.

“Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: “dat zeiti!”

“En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: “mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!”

“Ziet gy, Geliefden:zyne heele familie!Wat is de familie van iemand die eenezoohooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.

“Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!

“Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! “Ma, staat er verder,als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of je ’t niet hoort!” De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling—het ingebakerd menschdom, namelyk—wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend teweerstelt... doe of je ’t niet hoort, Baker! Speld er maar dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks!

“Doe net of je ’t niet hoort, Baker!Stop uwe ooren voor de gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen. “Gloei eeuwig doorzooals de psalmist zegt,

“Gloei eeuwig door van Kindermin/En speld ons in Uw Luiers in!

“Gloei eeuwig door van Kindermin/

En speld ons in Uw Luiers in!

“Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt—of volgens sommigen, minder—Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: “Dankie/Juffrouw Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel.”

“Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het wel!Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby:dat zieje wel!

“Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord “koppie” in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang gebruiktwerd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen op de deftigheid van Multatuli denStoffelist. Doch, zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist dat wedergeven van vrouw Stotter’s aanbiddelyke taal, letterlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy ’t beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen of krulgewaden...

Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen.

De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik ’n fragment meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7,b1(Pp) de elementen byeentezoeken tot ’n bruikbaar windselsysteem.

Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m’n boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd gezelschap, na Pennewip’s beslissing, zich bepaalde tot den uitroep: “Z...ó...ó...ó!” zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander molest aan te doen.

Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa, waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer ’t nut blyken kan van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen, en waarom ’t saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in ’n geval dat nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing?Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip’s vonnis, splitsen in drie deelen:Vooreerst.Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.Ten tweede.Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan ’t wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met aangeboren talent de taktiek van ’t “verdeel en heersch!” Mèt de mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen ’t “huis” der Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip’s meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of misschien juffrouw Zippermanzelve, zou overgaan tot den vyand, al ware het uit bekrompen eerbied alleen voor meester’s bewegelyke pruik? Neen, neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: “’k zal je later wel krygen!” en als we ons haar, en al de verhoudingen van ’t gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen, zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene “onder invloed staande” Juffrelapsche krant te lezen:“De verhouding met het ryk derPietersensis allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van ’n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder ’t minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld.”Ten derde.De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf, of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam ware geweest in meester’s oogen, hadden die oogen waarschynlyk ’t lot ondergaan dat hun in zoo’n geval door den archaeoloog Klesmeyer eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen.—Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse—na op ’t overwonnen zoogdier ’n blik te hebben geworpen die gelden kon voor ’n: “waar blyf je nou?” met rang van overwinningsbulletin—maar meester, wat heeft die Wouter dan nu weer uitgevoerd?—Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw Laps, die zich verheugde omdat het gesprek ’n andere wending nam, en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar ’n ding waarop men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we gezien hebben.Juist zou Pennewip ’n begin maken met de akte van beschuldiging, toen de bel ging... nogeens...—”’t was f’r ons”—en de arme delinkwent trad de kamer in.Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde...—Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat?—Och ja, meester.—Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en deugd staan by my op den voorgrond. Ikzoude u verzen kunnen toonen over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg ik... zelfs heb ik ’n zoontje gehad van iemand op Wittenburg—van den blokkenmaker—en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over de verbetering van ’n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.—Gut, meester!—Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos—de man was doodgraver, en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste figuren op de zerken—maar juist dáárom—ik bedoele om de godsdienst en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben—voel ik my verplicht u by dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school te zien verloren gaan door uw deugniet van ’n zoon die dáár staat!De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan ’n pauselyke aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had zoo-even ’n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond.Z’n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en hem ’n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den patiënt inniger te maken.—Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers, moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters...Meer niet.“Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is ’t mogelyk! Wat ’n mensch moet beleven!” Zoo omtrent—maar ik sta niet in voor de juistheid—was de stortvloed van uitroepingen waaronder de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter bedolven werd. Arme Wouter!—Ik zal u ’n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap...’t Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk dat de meester daarop voorlas, was dan ook van ’n aard dat die twyfel heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held, zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was als-i er uitzag in z’n vreeselyk“ROOVERSLIED.Met myn zwaard.Op m’n paard.En myn helm op het hoofd.Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,En vooruit!—Christenzielen, riep ’t heele gezelschap, is-i dol?“En vooruit!Op den weg,Langs de heg,Met een houw en een stootDe dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...—Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde de moeder.Om den buit!—Zieje, ’t is om den buit, zei juffrouw Laps,ikzeg maar altyd, men begint met ’n bybel, en...“En die buitIs myn bruid...—Hebje van z’n leven... z’n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!“En die buitIs myn bruid...My gekocht met m’n staal...—Met z’n st...a...a...a...l!“En die buitIs myn bruid,My gekocht met m’n staal,En ik voer, als een veêr, met my mee haar in ’t zaal,Naar de grot...—Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?“Als de windZoo gezwind,Jaag ik voort met myn vracht,En ik sla op haar schreien en kermen...—Och, gerechtige vrede, ’t mensch kermt ’r van!“En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,Wat genot!—Dat noemt-i genot! Ik word ’r koud van!“En dan weerOp-en-neer,Rechts en links door het land...—Lieve Jesis, daar gaat-i weer!“En dan weerOp-en-neer,Rechts en links door het land,Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,Tot vermaak!—De hel zit in dien jongen... tot vermaak!“En dan voortWeer gespoordNaar een nieuw aventuur...—Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? ’t Is om te bezwyken...En dan voortWeer gespoordNaar een nieuw aventuur,En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,Om de wraak...—Goeie god, wat hebben ze ’m toch gedaan?“Want de wraakIs de taakVan den koning van ’t woud...—Is-i razend... ’k zal ’m koningen!“Want de wraakIs de taakVan den koning van ’t woud...Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...—Wat ’s dàt voor ’n ding?“Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt,En banier!Op, hoezee...Wie gaat mee?’t Gezelschap rilde op die uitnoodiging.“Op, hoezee...Wie gaat mee?Nu geen schepsel verschoond,Nu de mannen gehangen...—Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k...“Nu de mannen gehangen, de vrouwen...—Lodderyn... lodderyn!“de vrouwen gehoond...—Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui!“de vrouwen gehoond,Voor pleizier!”—Voor pleizier... herhaalde meester op ’n graftoon, voor pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier!’t Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel’s pyp was uitgegaan. Maar Wouter had iets kalms in z’n wezen, en toen z’n moeder hem genoeg geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet ontevreden neer in ’n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep om te droomen van Fancy.

Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa, waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer ’t nut blyken kan van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!

Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa, waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer ’t nut blyken kan van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!

De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen, en waarom ’t saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in ’n geval dat nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing?

Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip’s vonnis, splitsen in drie deelen:

Vooreerst.Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.

Ten tweede.Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan ’t wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met aangeboren talent de taktiek van ’t “verdeel en heersch!” Mèt de mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen ’t “huis” der Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip’s meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of misschien juffrouw Zippermanzelve, zou overgaan tot den vyand, al ware het uit bekrompen eerbied alleen voor meester’s bewegelyke pruik? Neen, neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: “’k zal je later wel krygen!” en als we ons haar, en al de verhoudingen van ’t gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen, zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene “onder invloed staande” Juffrelapsche krant te lezen:“De verhouding met het ryk derPietersensis allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van ’n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder ’t minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld.”

Ten derde.De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf, of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam ware geweest in meester’s oogen, hadden die oogen waarschynlyk ’t lot ondergaan dat hun in zoo’n geval door den archaeoloog Klesmeyer eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen.

—Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse—na op ’t overwonnen zoogdier ’n blik te hebben geworpen die gelden kon voor ’n: “waar blyf je nou?” met rang van overwinningsbulletin—maar meester, wat heeft die Wouter dan nu weer uitgevoerd?

—Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw Laps, die zich verheugde omdat het gesprek ’n andere wending nam, en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar ’n ding waarop men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we gezien hebben.

Juist zou Pennewip ’n begin maken met de akte van beschuldiging, toen de bel ging... nogeens...—”’t was f’r ons”—en de arme delinkwent trad de kamer in.

Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde...

—Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat?

—Och ja, meester.

—Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en deugd staan by my op den voorgrond. Ikzoude u verzen kunnen toonen over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg ik... zelfs heb ik ’n zoontje gehad van iemand op Wittenburg—van den blokkenmaker—en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over de verbetering van ’n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.

—Gut, meester!

—Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos—de man was doodgraver, en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste figuren op de zerken—maar juist dáárom—ik bedoele om de godsdienst en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben—voel ik my verplicht u by dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school te zien verloren gaan door uw deugniet van ’n zoon die dáár staat!

De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan ’n pauselyke aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had zoo-even ’n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond.

Z’n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en hem ’n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den patiënt inniger te maken.

—Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers, moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters...

Meer niet.

“Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is ’t mogelyk! Wat ’n mensch moet beleven!” Zoo omtrent—maar ik sta niet in voor de juistheid—was de stortvloed van uitroepingen waaronder de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter bedolven werd. Arme Wouter!

—Ik zal u ’n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap...

’t Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk dat de meester daarop voorlas, was dan ook van ’n aard dat die twyfel heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held, zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was als-i er uitzag in z’n vreeselyk

“ROOVERSLIED.Met myn zwaard.Op m’n paard.En myn helm op het hoofd.Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,En vooruit!

Met myn zwaard.

Op m’n paard.

En myn helm op het hoofd.

Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,

En vooruit!

—Christenzielen, riep ’t heele gezelschap, is-i dol?

“En vooruit!Op den weg,Langs de heg,Met een houw en een stootDe dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...

“En vooruit!

Op den weg,

Langs de heg,

Met een houw en een stoot

De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...

—Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde de moeder.

Om den buit!

Om den buit!

—Zieje, ’t is om den buit, zei juffrouw Laps,ikzeg maar altyd, men begint met ’n bybel, en...

“En die buitIs myn bruid...

“En die buit

Is myn bruid...

—Hebje van z’n leven... z’n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!

“En die buitIs myn bruid...My gekocht met m’n staal...

“En die buit

Is myn bruid...

My gekocht met m’n staal...

—Met z’n st...a...a...a...l!

“En die buitIs myn bruid,My gekocht met m’n staal,En ik voer, als een veêr, met my mee haar in ’t zaal,Naar de grot...

“En die buit

Is myn bruid,

My gekocht met m’n staal,

En ik voer, als een veêr, met my mee haar in ’t zaal,

Naar de grot...

—Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?

“Als de windZoo gezwind,Jaag ik voort met myn vracht,En ik sla op haar schreien en kermen...

“Als de wind

Zoo gezwind,

Jaag ik voort met myn vracht,

En ik sla op haar schreien en kermen...

—Och, gerechtige vrede, ’t mensch kermt ’r van!

“En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,Wat genot!

“En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,

Wat genot!

—Dat noemt-i genot! Ik word ’r koud van!

“En dan weerOp-en-neer,Rechts en links door het land...

“En dan weer

Op-en-neer,

Rechts en links door het land...

—Lieve Jesis, daar gaat-i weer!

“En dan weerOp-en-neer,Rechts en links door het land,Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,Tot vermaak!

“En dan weer

Op-en-neer,

Rechts en links door het land,

Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,

Tot vermaak!

—De hel zit in dien jongen... tot vermaak!

“En dan voortWeer gespoordNaar een nieuw aventuur...

“En dan voort

Weer gespoord

Naar een nieuw aventuur...

—Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? ’t Is om te bezwyken...

En dan voortWeer gespoordNaar een nieuw aventuur,En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,Om de wraak...

En dan voort

Weer gespoord

Naar een nieuw aventuur,

En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,

Om de wraak...

—Goeie god, wat hebben ze ’m toch gedaan?

“Want de wraakIs de taakVan den koning van ’t woud...

“Want de wraak

Is de taak

Van den koning van ’t woud...

—Is-i razend... ’k zal ’m koningen!

“Want de wraakIs de taakVan den koning van ’t woud...Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...

“Want de wraak

Is de taak

Van den koning van ’t woud...

Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...

—Wat ’s dàt voor ’n ding?

“Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt,En banier!Op, hoezee...Wie gaat mee?

“Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt,

En banier!

Op, hoezee...

Wie gaat mee?

’t Gezelschap rilde op die uitnoodiging.

“Op, hoezee...Wie gaat mee?Nu geen schepsel verschoond,Nu de mannen gehangen...

“Op, hoezee...

Wie gaat mee?

Nu geen schepsel verschoond,

Nu de mannen gehangen...

—Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k...

“Nu de mannen gehangen, de vrouwen...

“Nu de mannen gehangen, de vrouwen...

—Lodderyn... lodderyn!

“de vrouwen gehoond...

“de vrouwen gehoond...

—Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui!

“de vrouwen gehoond,Voor pleizier!”

“de vrouwen gehoond,

Voor pleizier!”

—Voor pleizier... herhaalde meester op ’n graftoon, voor pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier!

’t Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel’s pyp was uitgegaan. Maar Wouter had iets kalms in z’n wezen, en toen z’n moeder hem genoeg geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet ontevreden neer in ’n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep om te droomen van Fancy.


Back to IndexNext