Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen van deze geschiedenis, na de katastrofe.Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken, en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben doorgebracht, zullen we in ’t voorbygaanaanstippen dat juffrouw Mabbel weer aan ’t bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan ’t bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg werden toevertrouwd tot ’n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid, zeker om den pasgeborenen ’n prettig denkbeeld inteboezemen van hun nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun geboorte.Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z’n pruik, nog niet geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend naar zondag.Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met ’n plechtig: “ga zoo voort, myn zoon!” Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid, bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen dien laster. ’t Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou ’t voor ’n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft voort in z’n volgelingen, en dit vind ik ’n schoone onsterfelykheid.Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar ben ik zeker van.Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk ’n zoogdier was, en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de helft. “In dit geval: de laatste” zeid-i er binnen-’smonds by.Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar ze had het er voor over, want ze was ’n “schikkelyk mensch.” Alleen kon ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar vader “in de granen” en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy, was nietinde granen geweest, maar eronder. Hy had ze namelyk gedragen in ’n zak op z’n hoofd, dat heel anders is dan granen te verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller die zulke zware bakkebaarden had. “’t Was niet om ’t mensch te skandeliseren, heere neen! ’t Was maar dat men ’t wist, en dat men er van sprak... dàt was ’t maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen van ’r deugd.” Juffrouw Zipperman wou echter “de zegsmanniet wezen, omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!”Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor ’t venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar gezichtenin ’n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden “terechtgebracht.”De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou “want ’t was ’n schandaal by de Pietersens... ’n wààr schandaal.” En: “er had juist wat onder gestaan!”Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als ’n “mensch”. Van-tyd tot-tyd “deed” ze haar godsdienst op de kinderen die, als ze ’t voor ’t wenschen hadden gehad, gewis liever waren ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór me omdat ik nooit m’n onderwerp uitput.Stoffel was naar z’n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van ’n gedicht dat gemaakt scheen op ’n vliering, door iemand die vermoedelyk niet veel last had van z’n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en schenen maar niet te vatten welk genoegen ’r in stak geen geld te hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner harten toe aan Wouter’s wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van den aanslag op ’t leven van dien markgraaf, en van dat zonderling logeeren in ’n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel, dan hem toekwam als derden ondermeester met ’n verlengd buis.En Wouter?Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots verdiend had, want z’n moeder had hem te kennen gegeven dat de “terechtstelling” van den vorigen avend maar ’n voorloopige godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst, heeft de dominee—huis- of niet—’n stem. Hy wordt er voor betaald, en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de geestelyken uit z’n huis te houden, weten niet wat ze zeggen.Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan, kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. “God weet wat je weer uitvoert als ik je-n-uit m’n oogen verlies” zei de moeder, die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters, maar eigenlyk alleen daarom ’t verlof tot uitgaan weigerde, omdat Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd tot zedelyke verbetering, en dan had-i ’n bezoek kunnen brengen aan z’n molens.En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen “hem niet konden zien.” Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van roovers en Wouter’s verdorvenheid uit.Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1(Pp).Als ’n looden domper drukt zoo’n verblyf iemand op ’t hart, en ik mag niet toegeven, aan wat misschien m’n plicht was, aan de begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo’n hol, om niet oorzaak te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by zulke beschryving.11Verder weidt M. uit over zyn plicht als schryver. Zelf betitelt hy I. 399–404 als “een malle uitval van den schryver, zeer geschikt om de genegenheid van publiek te winnen, en dat monster over te halen tot hernieuwing van zyn abonnement.” (n.l. op deIdeen).Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door ’n zot sprookje.Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als ’n nieuwe Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van ’n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z’n geheel bestaan.De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z’n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, mettwee woordenspreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, “oogjes toe” voor en na ’n boteram, slapen met opgetrokken knieën,zondedoen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen opwekt tot de klacht: armewouters!En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor ’n ander, en Wouter’s ziel was van ongewone leest.Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door ’t pas gelezen boek, toonde hoe z’n maagdelyke verbeelding was getroffen door de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind, en bovendien ’ngoed kind. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan, zoodat de hoogst krimineele strekking van z’n lied alleen voortkwam uit de zucht om op-eenmaal ’thoogstete grypen, hetverstete bereiken, deeerstete zyn, in ’t wedperk dat z’n kinderlyke fantazie hem had ingeleid.Roover... goed! Maar dan ook ’n flinke roover, ’n roover boven alles, ’n roover zonder genade, ’n roover voor pleizier!Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om ’t rym, en wyl-i uit ’n paar zinsneden van z’n boek had opgemaakt dat het zoo’n byzonder aangename uitspanning was.Als-i voor z’n veertien stuivers toevallig ’nKarel Grandisson—vervelender gedachtenisse!—had te lezen gekregen, zou z’n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan Slachterskeesje, en dien wellicht nog ’n paar griften toegegeven, met volkomen vergiffenis voor ’t onjuist verhuizen van dezen of genen graaf.Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen ’t eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te wachten zyn, wanneer niet het toeval—d. i. deze of gene natuurlyke oorzaak die we niet kennen, en die wetoevalnoemen uit schaamte over dat gebrek aan kennis—wanneer niet zoo’n toeval zich vermaakte de Wouters te doen geboren worden in ’n kring waar ze niet worden begrepen... en dus mishandeld.1Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd rusten. Hy scheen verdiept in ’tover’shandschenaadje dat Leentje bezighield, maar we zullen terstond zien dat z’n gedachten elders waren, en wel zeer ver vanBurgerstand III, 7,b1(Pp).Men had haar verboden te spreken met “dien kwajongen” en slechts van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon ’t haar in ’t oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die zaak aftedoen.—Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten?—Och... ik meende... sjt!—En die graaf... wat was dat weer met dien graaf?—’t Was ’n markgraaf... sjt!—Wat is dat voor ’n graaf? Zeker weer uit ’n ander huis?—Ja... ’t was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik heb je wat te zeggen, Leentje... sjt!—Amalia? Wie is Amalia?—Dat was m’n bruid.Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt!—Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid?—Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef daarheen... toen kwam er ’n eend... maar, Leentje, dat is de zaak niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt!—Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven?—Amalia. Ze zat in ’t kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt!—Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom toch wou je die vrouwen...Arme Leentje...zywas nooit gehoond! Ze had er zooveel voor over gehad!—Die vrouwen stonden in ’t boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt!—En dat klooster?—Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal ’t je zeggen, Leentje ... sjt!—M’n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent!Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik naar de balken, legde de rechterhand op ’t hart, stak de linker uit als om ’n spaanschen mantel te drapeeren...Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en zeide:—Leentjen, ik ben ’n prins!Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met ’n paar oorvegen uit Leentje’s tegenwoordigheid.Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder.Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.Lang voor het begin dezer geschiedenis—ja, zéér lang geleden was er ’n koningin der geesten, juist als inHans Heiling. Ze heetteΑ–Ω.Ze bewoonde geen hol, zooals inHans, maar hield haar hof ver boven de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor ’n koningin.Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met ’n waaierslag verjaagde zy de firmamenten.Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die zoo moeilyk waren weer te vinden na ’t wegrollen tusschen ’t huisraad.Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover, en verlangde gedurig ander speelgoed.De koningin liet hem ’n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds waren ook deze weer verloren. Doch ’t was Upsilon’s eigen schuld. Hy had maar beter moeten achtgeven op z’n speelgoed.Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf, gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was ’n fout in ’t karakter van den kleinen prins.De moeder, die als koningin der geesten ’n zeer verstandige vrouw was, begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich ’n beetje te gewennen aan ontbering.Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed laten zou.Dit geschiedde.Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan ’t kaatsen was met prinses Omikron, z’n zusje.Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z’n uitdrukkingen zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder.Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld—want niets is verderfelyker dan slechte voorbeelden—wierp met driftig gebaar haar palet tegen ’t heelal. En dat staat niet voor ’n meisje.Nu bestond er in ’t ryk der geesten ’n wet dat wie ’t ontzag voor de koningin uit het oog verloor, of iets tegen ’t heelal aangooide, daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid.Prins Upsilon werd ’n zandkorl.Na zich ’n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje.In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat ’n goed mosplantje behoort te doen.Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen te bereiden met vuur.Hy bouwde ’n paar werelddeelen, en werd ’n eeuw of duizend daarna tot belooning van z’n yver veranderd in ’n garnaal.Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z’n gedrag, en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen.Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op ’t land.Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand, en hield zich bezig met geologische opmerkingen.Een paar millioen eeuwen later...Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in ’t oog dat al die tyd te-zamen genomen in het ryk der geesten maar ’n klein kwartiertje was... of juister: dat die tyd volstrektnietswas. Wanttydis uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan kinderen. Voor geesten istoen,nuendanvolkomen hetzelfde. Zy grypengisteren,hedenenmorgente-zamen met één blik, even als men zonder spellen ’n woord leest. Watwasenwezen zal, is.Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen hebben ’t vergeten.Fancy begreep dat Wouter nietlezenkon, en daaromspeldeze hem Upsilon’s geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer.Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en ’n geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren—menschelyke jaren ditmaal—vóór den aanvang van m’n verhaal, werd-i overgeplaatst in de klasse der menschen.Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet.Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen weinig tyds hersteld te worden in z’n rang als prins van den geeste, moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou ’t wel gaan.Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw Pieterse. “Dit wàs nu eenmaal zoo!” zei Fancy.Die Fancy scheen ’n soort hofdame van Wouter’s moeder te wezen, die hem ’n bezoek bracht in z’n ballingschap om hem wat optebeuren en moed in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel, niet zou opvatten alsof men boos op hem was.Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd...—Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m’n zusje?—Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is ’n lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal; en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén dat het ’n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te gebruiken. Weldra werd ze ’n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie niet geschikt voor ’n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in ’n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons.Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet...—Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár ... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar schoot houdt en liefkoost...Wouter zag het duidelyk, en riep:—Omikron ... Omikron!—Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. ’t Is reeds ’n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden, zyn ze heel ver van elkaar gezet.Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag ’n kus gegeven aan al die sterren met ’n pop op den schoot, die z’n zusje waren...—Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron!Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen eener hoogstmoeilyke zaak.Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z’n bede:—Ach, laat me samenwezen met m’n zusjen ... al moest ik weergras eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met yver als ik mag samenzyn met Omikron!’t Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te kunnen geven:—Ik zal ’t vragen, fluisterde zy, en nu...Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was ’t brugje ... dáár de sloot...Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte...Hy zag z’n molens weer ... ja, ja ... zy waren het!Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam?Die molens heettend’Morgenstondenden Arend,en zy riepen zooals houtzaagmolens gewoon zyn:Karre karre, kra kra...Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem daar wachtte.1Aan het slot van I. 405 weidt M. uit over kindermishandeling door kortzichtigheid van opvoeders.Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, ’t huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon, prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!Daar de lezer veel ondervinding heeft—ik zoek sedert jaren te-vergeefs naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar—zal-i weten dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in de verte.Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven ’t hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.De man was eigenlyk maar beunhaas in ’t vak. Hy behoorde namelyk tot de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot ’n wezenlyken dominee, als ’n likdoornsnyder tot ’n geneesheer. Maar voor de eksteroogen van III, 7,b1(Pp) was-i bekwaam genoeg. En al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw Pieterse had ’n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er was ’n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party te wezen: “om de stichting” zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was, en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.—Jonchelinch... sprak de man, en er scheen al terstond indruk noodig te wezen, jonchelinch...Het is zeer opmerkelyk hoe ’t geloof en de genade invloed hebben op de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zouzeker niet gezegd hebben,lanchepyp ofjonchedoperwten, maar de heiligheid verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord- en zinvorming verandert door ’t geloof. Ik ben niet ongenegen dit aantenemen als ’n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen, en denk ernstig aan ’n verhandeling: “over den invloed der genade op de hollandsche taal.” Ja, ’k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier, zonder zalving of gebrouw, my ’n opmerking meedeelt over ’t weêr, of tyding vraagt van m’n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens op of niet ’n dominee z’n neus anders snuit dan ’n ander?—Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan z’n pyp, met ’n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw Pieterse hield ’n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te wezen als ze huilen moest.—Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...’t Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor ’nlapsus linguae. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op ’n woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.—Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als hoochepriester in den Heere... want ieder die ’t Evangelium verkondigt, is ’n hoochepriester in den Heere... in den Heere...De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.—In den Heere...Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z’n buitengewoon lang toeven by dien “Heere.”Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.—Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met de koningen der aarde.Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor ’t juist weergeven van huisdominee’s taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel.Dit was ’t dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen gaf datzynooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht geweest zyn. Neen, de verbazing van ’t gezelschap had ’n heel anderen grond.Men moet erkennen dat meester Pennewip by ’t oplezen vanWouter’s zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en zie, daar komt huisdominee die ’t brandstichten overslaat, het rooven vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel onverwacht beschuldigt van “hoerery met de koningen der aarde.” Dit was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak, juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus ’n bescheiden:friskuus!het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier was ’t geval ernstig genoeg om ’t gebruik van wat vreemds te wettigen.—Friskuus, dominee! Wouter heeft...Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:—Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho’s, gy die ’n huis van ontucht bewoont op de wallen der stad...—Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...—Ja, en m’n vader was...—Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...—Maar dominee, Wouter is ’n jongen!—Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is weggezonken in ’n poel van ongerechtigheid...—Laat ’m begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy zal op Wouter neerkomen met ’n omweg... dat doen ze wel meer.Hierin had juffrouw Laps gelyk.—Dit meisje, ging huisdominee voort, met ’n uitdrukking van indruk die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee’s welsprekendheid, dit meisjen is ... ’n meisje!—In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker te gelooven dan ’n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet, maken ’n onderscheid.—In-godsnaam dan...—Ja ... dit meisjen is ’n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...—Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!—Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp ’t heel goed.—Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet je de verzenen tegen de prikkels slaan.Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als ’n hulde aan haar diepere geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of de anderen kon verwacht worden.Maar toch wou ze nu graag een woordjen in ’t midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:—Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder onderscheid, maar...—Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...—Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk.—Hé ... hoe meent u dat, dominee?—Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uitJosua twee... er hangen roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen der aarde...Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets deftigs, en schaadt niet. Maar:... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke dikke bakkebaarden heeft.Dit was èrger dan “zoogdier.”Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door ’t verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:—De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens loopen ’m na ... kyk hier!En ze wees door ’t raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens met veel gejuich ’n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen ... houd je staart recht!Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar dronken was-i. In ’t wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid te hebben, en door de openbaring van ’s mans toestand de pyniging van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen door huisdominee zelf, die in ’t wynhuis had hooren spreken over die geschiedenis van den briefbesteller, en by z’n aankomst in de woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i behandelen moest.—En, voegde Leentjen er by, ’t is niet nu alleen ... ’t is niet altyd even erg, maar laatst met Habakuk...—Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee bearbeidde.My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen eind gemaakt had.Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woedevan juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon, en leverde hem over aan de straatjongens die terstond ’n liedjen op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat uittegeven als echtencodex, strydt tegen m’n principes.Zoodra juffrouw Laps zich ’n beetje hersteld had, koos zy de verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.—O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is, om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren Jeruzalem’s. Dàt heeft-i bedoeld met z’n briefbesteller. M’n vader was in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening, weetje?—Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...—Zoo zegt Leentje, maar...—En al dat volk op de straat! Hoor eens...—Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen op de straat, en toen kwamen er beeren...“Hei, hei ... pas op je verzenen!” klonk het buiten.—Waarom zendt de Heer z’n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller, bestond in ’t verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had ze alweer gelyk. Wat ’n profeet zegt, kan men opnemen zooals men wil. Een bruid is ’n kerk, een tempel is ’n lichaam, een vader is ’n zoon, een zoon is ’n geest, een geest is ’n vader, één is drie, drie is één, en ’n briefbesteller is niemendal.—Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze hierin ’n reden vond om huisdominee’s taal niet zóó ver wegtewerpen als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.—En al waar-i voor ’n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade, en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men ’n gebouw wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar ’n pyler omhalen of ’n hoeksteen wegbreken.Sit ut est, aut non sit.Huisdominee was dus geheel in z’n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid, wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.—Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep Juffrouw Pieterse in ’t eind.Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn tot de preek van den dag. Hy behandeldeEzechielen de afscheiding van de tien stammen, en deed er wat by uitMattheus. Daarna ging-i over op deMakkabeen, en sloot met Daniel, Paulus, ’nOnze Vaderen den H. Geest.—Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt, waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.—Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken van deOpenbaring?—Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters ... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...—Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.—Als we hem eens ’n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren, van-achteren-af?Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor den dag gekomen waarin slot en zin stak.—Als ik hem eens bymynam, juffrouw Pieterse? Om ’t geld is ’t me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...Wouter rilde.—Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven, en ik zou hem oefenen ... want om ’t geld is ’t me volstrekt niet te doen.Oefenen, weetje?Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen heeft, en dit vind ik dan ook—alles in aanmerking genomen—maar het beste.11I. 414–437 zyn in hoofdzaak gewyd aan de vraag: is godsdienst noodig voor de zedelykheid? In I. 438 vindt men de geestige gelykenis van Ornis over opvoeding.Doorslaand bewys van Wouter’s beterschap, blykbaar uit ’n kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon wys worden uit haar beschermeling.In ’t mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes—dat toch alles is wat men van heen-en-weertjes verlangen kan—doch haar bevattingsvermogen schoot te-kort by Wouter’s vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met ’n medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z’n verstand. Te-vergeefs bespaarde zyeenige duiten van haar schraal weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten ... helaas, Wouter’s ziel was haar pepernoten ontwassen, en de ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.—Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe ’t schepsel heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.—Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.—Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch vroeger moeten weten, dunkt me.—Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide, wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam ’t my weer duidelyk voor den geest.—Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken, den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen.En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis “van den vloer” wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning van z’n brugje, en luisterde naar ’t geklepper van de molens. Ze vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.—Ze zal te veel bezigheid hebben aan ’t hof myner moeder, zuchtte Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.Maar als-i door ’t venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen “naar huis”, en met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend:—Omikron, Omikron!1Na lang beraad, en op Wouter’s uitdrukkelyke belofte van beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden, en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplangeo’s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was, en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou ’t dus ook wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderenvan huisdominee, want de tegenwoordige “behoorde tot de klasse der wynzuipers.” Nu, dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie “gedaan” by ’n wezenlyken dominee die na kerktyd uit ’n boekje “vragen overhoorde.” Den titel van ’t boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren:1e.Vraag: Vanwaar hebt gy en alles wat er is, uw oorsprong?Wouter had graag willen zeggen: wel, van m’n moeder ... maar in ’t boekje stond:Antw. Van God, die alles uit Niet heeft voortgebracht.2eVraag: Hoe weet gy dit?Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring.Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde hy trouwhartig wat er in z’n boekje stond. Wel speet het hem dat de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt tot wandelen, bedorven werd door ’t “opzeggen” der koningen Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden “weggevoerd”—’n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam—maar hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de zaligheids-leerlingen. Althans toen ’t jaar om was, ontving hy ’n boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden en de artikelen des geloofs. Er was ’n voorschrift by, hoe dat alles moest gebruikt worden: eensprdag, ’n jaar lang ... driemaal daags, ’n week lang by herhaling ... en de restquantum sufficit. Voorin stond op ’n ingeplakt blaadje:ter belooningaanWouter Pieterseomdat hyde lessen in de Noorderkerkwelheeft opgezegd,enter aanmoedigingomter eere Godsopden ingeslagen wegvoorttegaan.En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen huurden een tuin “aan den Overtoom.” Dat was zoo “heelemaal buiten” zeiden zy, en “men kon toch niet altyd in de stad blyven.” Bovendien “de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor ’t heele pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd ’n aardigheid.” Ook zou er wel gras genoeg zyn om ’t kleingoed te bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch“want, zei de stamvrouw der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy’sKanesoe... dus was ’t heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over spraken—want dat deden “ze” altyd—was ’t uit pure jaloezie. Ook was er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was, maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls je wat doet, heb je-n-altyd zoo’n gemaal met de menschen ... want ’t was vooraan op d’Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje nooit iets doen ... en voor de kinderen was ’t ’n heele uitspanning ... die juffrouw Karels moest maar letten op ’r zelf ... en als Gus jarig was, mocht-i jongeheeren vragen...Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk, Wouter was onder de uitverkorenen.Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld voelde door den omgang van haar zoon met “menschen die ’n buiten houwen” werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter beloofde “heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet te ravotten, z’n kleeren niet te scheuren” en zoo-al meer. Ook zeide juffrouw Pieterse “dat ’t zoo lief van ’r was, dat ze dit toestond, want ’t was toch ’n heel ding voor ’n kind om zoo eens uittegaan.”Ja, Wouter zou uitgaan! Voor ’t eerst uitgaan, voor het eerst eten, drinken, zich vermaken onder ’n vreemd dak. ’t Was ’n hoofdgebeurtenis in z’n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen.De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid stapte Wouter de poort uit. “’t Was rechts, links, weer links, dan ’n brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen” had Gus gezegd. En de tuin heetteStad-rust, dus: “Wouter moest maar vragen, dan zou-i ’t zeker vinden.”Dit was ook zoo. Wie voor ’t eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter was opStad-rustvóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden dat Wouter ’n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was geweest.De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en ’t stoeien, draven, gooien, nam ’n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade “die heel langzaam moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren.”Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de volkomenheden vanStad-rust, ook dat prieel moeten opnoemen, waar Betsy zat met dien heer...—Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met de jongens.—Wel, dat is Betsy’s vryer.Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter z’n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was ’n vrystertje, in zyn meening, ’n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving hem de lust om te weten hoe ’n volwassen heer vryt met ’n meisje dat niet meer school-gaat.—Haar vryer?—Wel zeker ... geëngageerd!Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is, kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich slechts de vraag: wanneer is in de KlasseBurgerstand, III, 7,a1(Pp) ’t flauwe “geëngageerd zyn” in zwang gekomen voor ’t hartelyke: vryen?—Ge ... wàt? vroeg Wouter.—Geëngageerd ... ze verkeeren.—Wat is dat?—Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet?Wouter voelde schaamte dat-i zoo’n eenvoudige zaak niet wist, en zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte.—Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje metmytrouwen?Emma kon op ’t oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze weghuppelde om te voldoen aan ’n konvokatie tot “stuivertje-wisselen” in ’n anderen hoek van den tuin.Als den lezer deSpectatorvan Van Effen bekend is, zal-i zich herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eenerburger-vryaadje. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef dezen Justus makkelyker ’t afluisteren dan ’t verzinnen, ’t Eerste is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen bestudeert omSpectatorsofIdeente schryven. Wie ’t afkeurt, moet ook den geneesheer veroordeelen die z’n patient bespiedt met het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van ’t huiselyk leven der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor ’n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen inhelder licht, wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van ’t geslachtsleven—in alle beteekenissen!—dat zich meer dan andere handelingen verbergt voor de blikken van den opmerker.“Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?” vraag ik altyd myzelf als ik ’n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige vraag: “zoudenze elkaar wat te zeggen hebben?”Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik ’n lid van myn geslacht, ’n wederdeel dus van myzelf, eenmensch, moet verdacht houden van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der schoonste—neen, van de eenige—kracht der Natuur, van opstand tegen de aantrekkingswet. Liefde—ik heb ’t al meer gezegd, en men heeft myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet—liefde is neiging tot éénzyn.Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig inregel, veelvoudig intoepassing. De liefde van ’n dief zal wel beduiden: kom, laat ons saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z’n geliefde in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: “elck ghedierte naer synen aerdt.”Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen, by sommigen tevens de begeerte wezen tot hetgoede?By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan ’t vogeltje dat zoo angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen, en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreepzyniet dat er verband was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en ’t kloppen van z’n hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer, maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven ’t buisje.Hoe dit zy, hèm ware ’t onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan ’t schryven van ’nSpectator, voelde Wouter groote begeerte om te weten hoe de jongeheer die met Betsy in ’t prieel zat, zich kweet van ’t “verkeeren.” Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z’n kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte in z’n liefdestudie.—Ja, ik heb ook gezegd: met Mei...—Wel zeker, om de bovenhuizen...—’t Is ’n gemaal! En wat zegt je moeder?—Zóó ... zy vindt we moesten ’t nog ’n jaartjen aanzien. ’t Is zoo onfatsoenlyk gauw te trouwen. ’t Is net, weetje, of...—Vier jaar...—Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest...Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen ’n bovenhuis huren, liefst in Mei.—En kryg je nou die linnenkast?—Neen ... die wil m’n moeder zelf houden. Maar als we nog ’n jaar wachten, zal ze ons ’n andere geven, zegt ze, ’n kleine.—’k Had liever de groote.—Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast noodig. Maar toen m’n zuster trouwde, heeft ze toch ’n groote kast “meegekregen.”—Zeg dan dat je ’r ook een moet hebben.—’t Zal niet helpen.—Probeer ’t maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.—’k Wil ’t wel vragen, maar ...Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in ’t prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in ’n donker hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik riep hy:—Zouzy’t wezen ... m’n zusje?’t Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens’huis worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zouverteldworden door een van degrooten.Welke “groote” verdwaald was opStad-rust, om dáár Moore’sPeri en Paradyste behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet paste by Betsy’s “engagement” en die liefdesmorende linnenkast. Maar evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat “aan wie ’t vatten wil” de gelegenheid geeft zich te verheffen boven ’t alledaagsche. Eénmaal wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit!De “groote” volgde in z’n vertelling den engelschen dichter niet.Hy volgde een van de vele wyzen waarop deperi-legende in alle talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ontstaan was.2“DePeridie voor de poorten van ’t paradys vruchteloos smeekte te worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo na veel vergeefsche pogingen eindlyk als ’t schoonste wat de aarde opleverde, den laatsten zucht van ’n berouwhebbend zondaar, en vond genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der gave die zy offerde...—Nu pandverbeuren! riep Gus.—Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na.Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest “gezoend” worden, dat spreekt vanzelf. “Een raadseltjen opgeven.” ’t Werd niet geraden... natuurlyk. Wie ’twist, mocht het niet zeggen! Dat is by raadsels zoo de gewone konditie.—Wat zal de eigenaar van dit pand doen?—Op één been staan!—Over ’n strootje springen!—Een vers opzeggen!—Neen, ’n fabel...la cigale, of zoo-iets!—Ja, ja, ja!’t Pand was van Wouter.—Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet.—Ik zal je helpen, riep Emma...le pere,du père.—Och, dat ’s geen fabel... toe, Wouter!’t Was ’n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen fabel kende en geen fransch verstond. Als ’n bekwaam mensch wist hoeveel genoegen hy velen doet met ’n blyk van watonbekwaamheid, zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde.Maar Wouter dacht ditmaal niet aan ’t pleizier van de anderen, dat-i ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.—Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.—’t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar ’n fabel.—Maar ik weet niet wat ’n fabel is.—Wel, dat ’s ’n vertelling met beesten.—Ja... of met boomen:le chêne, un jour, dit au roseau, zieje, er hoeft juist geen beest in te komen.—Ja, ja... ’n fabel is ’n vertelling, anders niet... er mag inkomen wat ’r wil.—Maar ’t moet rymen!Wouter was op ’t punt z’n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht zich, en gelukkig! Want dat ware ’n groot schandaal geweest in den huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.—Wel neen, ’t hoeft niet te rymen ook, riep ’n ander die al weer wyzer was dan de rest, “de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes hangen, prins Willem de eerste was ’n groot wysgeer.” Zieje Wouter, ’t gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet.Wouter begon:“Er was eens ’n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht...”—Ho, ho, dat ’s de geschiedenis van dePeri! Wat anders!—Ik zal ’t anders maken, beloofde Wouter verlegen.“Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ookomdat-i meestal z’n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i...Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over ’t onzalige “moedersknipje.” Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te grieven door ’n schynbare toespeling op den pepermenthandel.“... omdat-i eens gelachen had onder ’t bidden. Want, dit is zeker, jongetjes die lachen onder ’t bidden, komen niet in den hemel.—Z... o... o... o? vroegen ’n paar schuldbewusten.“Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen ’n zusje gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z’n zusje. “Wie is uw zusje?” vroeg men hem...—Wie vroeg dat?—Stil, val ’m niet in de rede, laat Wouter voortgaan.“Ik weet niet wie dat vroeg. Maar ’t jongetje zei dat z’n zusjen... ’n blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had...—Net als Emma.—Ja, net als Emma.“Men zei hem dat er in den hemel ’n klein meisje was, dat er juist zoo uitzag. Ze was daar ’n jaar geleden gekomen, en had verzocht haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar ’t jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom.”—Hadzyaltyd ’r “vragen” gekend?—Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.“Hy was heel verdrietig omdat-i z’n zusje niet zou weerzien, en vond nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. “Och, laat me toch binnen!” vroeg-i heel vriendelyk aan ’n heer die aan de deur stond...—Aan depoort, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden door de dagelyksheid eenerdeur, maar niet getroffen waren door de verhevenheid van Wouter’s begrippen over ’t sterven.Zoo gaat het meer.“Goed, aan depoort, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei: neen. Daarop keerde ’t jongetje terug naar de aarde.”—Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.—Laat ’m toch voortgaan... ’t is immers maar ’n vertelling.“Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i daarna weer voor de... poort stond, zeid-iowi, m’sieu!Maar ’t hielp niets, hy mocht toch niet binnengaan.—Dat geloof ik graag... hy had moeten zeggen:j’aime,tu aimes.—Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter.“Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z’n “vragen” zóó dat-i ze kon opzeggen van-achter-af, van:Heer, kom haastelyktot:met privilegie. En dat deed-i aan de poort. Maar ’t hielp weer niet... hy mocht nog niet binnen.”—Dat wil ik wel gelooven, riep ’n wyze. Om in den hemel te komen, moet men “aangenomen” zyn. Was-i aangenomen?“Ach neen, zei Wouter, daarom juist was ’t zoo moeilyk! Hy beproefde telkens wat anders, maar ’t lukte niet. Hy zei dat-i met z’n zusje geëngageerd was...—Net als Betsy, riep Emma.“Ja, net als Betsy. Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met ’r trouwen wilde... maar ’t hielp alles niet, hy mocht niet in den hemel. Op ’t laatst durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer aan de poort knorrig worden zou...—Nu, en hoe is ’t verder?—Ik... weet... niet... verder, stamelde Wouter, ik weet niet wat het jongetje doen moest om in den hemel te komen.Wouter wist wèl verder, al kon hy niet onder woorden brengen wat-i wist. Dit bleek ’n uur later.By ’t naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uiteenvloog om ’t rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort uitholde, gleed Emma onder de leuning van de brug door, en viel in de stadsgracht. Men loosde een gil... nòg een...Wouter was ’t kind nagesprongen.Als-i op dàt oogenblik gestorven ware, zou zeker de “heer aan de poort” hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond of niet “aangenomen” was.Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht, zei juffrouw Laps dat men den Heere niet mocht verzoeken. En dàt was ’t toch, als men te-water sprong zonder te kunnen zwemmen.Ik vind dat die “Heer” ’t best te-pas komen zou by iemand die niet zwemmen kan. Wie ’t wèl kan, heeft meer kans zichzelf te helpen.En juffrouw Pieterse klaagde “dat er met dien jongen altyd wàt was.”Nu, dàt vind ik ook.1In I. 440 stelt M. de vraag, of die klacht werd verstaan, dat roepen gehoord, met verwyzing naar zyneGeloofsbelydenis, opgenomen inVerspreide stukken.2In I. 443 wyst M. er op hoe alle volkeren de herinnering aan een gouden eeuw bewaard hebben, doch dat deze fancy-verschyning vervloog, toen priesters dit verlangen uit geldzucht gingen exploiteeren.
Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen van deze geschiedenis, na de katastrofe.Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken, en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben doorgebracht, zullen we in ’t voorbygaanaanstippen dat juffrouw Mabbel weer aan ’t bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan ’t bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg werden toevertrouwd tot ’n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid, zeker om den pasgeborenen ’n prettig denkbeeld inteboezemen van hun nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun geboorte.Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z’n pruik, nog niet geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend naar zondag.Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met ’n plechtig: “ga zoo voort, myn zoon!” Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid, bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen dien laster. ’t Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou ’t voor ’n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft voort in z’n volgelingen, en dit vind ik ’n schoone onsterfelykheid.Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar ben ik zeker van.Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk ’n zoogdier was, en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de helft. “In dit geval: de laatste” zeid-i er binnen-’smonds by.Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar ze had het er voor over, want ze was ’n “schikkelyk mensch.” Alleen kon ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar vader “in de granen” en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy, was nietinde granen geweest, maar eronder. Hy had ze namelyk gedragen in ’n zak op z’n hoofd, dat heel anders is dan granen te verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller die zulke zware bakkebaarden had. “’t Was niet om ’t mensch te skandeliseren, heere neen! ’t Was maar dat men ’t wist, en dat men er van sprak... dàt was ’t maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen van ’r deugd.” Juffrouw Zipperman wou echter “de zegsmanniet wezen, omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!”Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor ’t venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar gezichtenin ’n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden “terechtgebracht.”De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou “want ’t was ’n schandaal by de Pietersens... ’n wààr schandaal.” En: “er had juist wat onder gestaan!”Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als ’n “mensch”. Van-tyd tot-tyd “deed” ze haar godsdienst op de kinderen die, als ze ’t voor ’t wenschen hadden gehad, gewis liever waren ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór me omdat ik nooit m’n onderwerp uitput.Stoffel was naar z’n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van ’n gedicht dat gemaakt scheen op ’n vliering, door iemand die vermoedelyk niet veel last had van z’n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en schenen maar niet te vatten welk genoegen ’r in stak geen geld te hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner harten toe aan Wouter’s wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van den aanslag op ’t leven van dien markgraaf, en van dat zonderling logeeren in ’n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel, dan hem toekwam als derden ondermeester met ’n verlengd buis.En Wouter?Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots verdiend had, want z’n moeder had hem te kennen gegeven dat de “terechtstelling” van den vorigen avend maar ’n voorloopige godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst, heeft de dominee—huis- of niet—’n stem. Hy wordt er voor betaald, en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de geestelyken uit z’n huis te houden, weten niet wat ze zeggen.Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan, kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. “God weet wat je weer uitvoert als ik je-n-uit m’n oogen verlies” zei de moeder, die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters, maar eigenlyk alleen daarom ’t verlof tot uitgaan weigerde, omdat Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd tot zedelyke verbetering, en dan had-i ’n bezoek kunnen brengen aan z’n molens.En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen “hem niet konden zien.” Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van roovers en Wouter’s verdorvenheid uit.Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1(Pp).Als ’n looden domper drukt zoo’n verblyf iemand op ’t hart, en ik mag niet toegeven, aan wat misschien m’n plicht was, aan de begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo’n hol, om niet oorzaak te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by zulke beschryving.11Verder weidt M. uit over zyn plicht als schryver. Zelf betitelt hy I. 399–404 als “een malle uitval van den schryver, zeer geschikt om de genegenheid van publiek te winnen, en dat monster over te halen tot hernieuwing van zyn abonnement.” (n.l. op deIdeen).
Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen van deze geschiedenis, na de katastrofe.
Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen van deze geschiedenis, na de katastrofe.
Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken, en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben doorgebracht, zullen we in ’t voorbygaanaanstippen dat juffrouw Mabbel weer aan ’t bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan ’t bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg werden toevertrouwd tot ’n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid, zeker om den pasgeborenen ’n prettig denkbeeld inteboezemen van hun nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun geboorte.
Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z’n pruik, nog niet geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend naar zondag.
Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met ’n plechtig: “ga zoo voort, myn zoon!” Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid, bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen dien laster. ’t Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou ’t voor ’n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft voort in z’n volgelingen, en dit vind ik ’n schoone onsterfelykheid.
Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar ben ik zeker van.
Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk ’n zoogdier was, en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de helft. “In dit geval: de laatste” zeid-i er binnen-’smonds by.
Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar ze had het er voor over, want ze was ’n “schikkelyk mensch.” Alleen kon ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar vader “in de granen” en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy, was nietinde granen geweest, maar eronder. Hy had ze namelyk gedragen in ’n zak op z’n hoofd, dat heel anders is dan granen te verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller die zulke zware bakkebaarden had. “’t Was niet om ’t mensch te skandeliseren, heere neen! ’t Was maar dat men ’t wist, en dat men er van sprak... dàt was ’t maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen van ’r deugd.” Juffrouw Zipperman wou echter “de zegsmanniet wezen, omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!”
Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor ’t venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar gezichtenin ’n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden “terechtgebracht.”
De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou “want ’t was ’n schandaal by de Pietersens... ’n wààr schandaal.” En: “er had juist wat onder gestaan!”
Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als ’n “mensch”. Van-tyd tot-tyd “deed” ze haar godsdienst op de kinderen die, als ze ’t voor ’t wenschen hadden gehad, gewis liever waren ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.
Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór me omdat ik nooit m’n onderwerp uitput.
Stoffel was naar z’n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van ’n gedicht dat gemaakt scheen op ’n vliering, door iemand die vermoedelyk niet veel last had van z’n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en schenen maar niet te vatten welk genoegen ’r in stak geen geld te hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner harten toe aan Wouter’s wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van den aanslag op ’t leven van dien markgraaf, en van dat zonderling logeeren in ’n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel, dan hem toekwam als derden ondermeester met ’n verlengd buis.
En Wouter?
Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots verdiend had, want z’n moeder had hem te kennen gegeven dat de “terechtstelling” van den vorigen avend maar ’n voorloopige godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst, heeft de dominee—huis- of niet—’n stem. Hy wordt er voor betaald, en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de geestelyken uit z’n huis te houden, weten niet wat ze zeggen.
Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan, kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. “God weet wat je weer uitvoert als ik je-n-uit m’n oogen verlies” zei de moeder, die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters, maar eigenlyk alleen daarom ’t verlof tot uitgaan weigerde, omdat Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.
Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd tot zedelyke verbetering, en dan had-i ’n bezoek kunnen brengen aan z’n molens.
En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen “hem niet konden zien.” Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van roovers en Wouter’s verdorvenheid uit.
Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1(Pp).
Als ’n looden domper drukt zoo’n verblyf iemand op ’t hart, en ik mag niet toegeven, aan wat misschien m’n plicht was, aan de begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo’n hol, om niet oorzaak te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by zulke beschryving.1
1Verder weidt M. uit over zyn plicht als schryver. Zelf betitelt hy I. 399–404 als “een malle uitval van den schryver, zeer geschikt om de genegenheid van publiek te winnen, en dat monster over te halen tot hernieuwing van zyn abonnement.” (n.l. op deIdeen).
1Verder weidt M. uit over zyn plicht als schryver. Zelf betitelt hy I. 399–404 als “een malle uitval van den schryver, zeer geschikt om de genegenheid van publiek te winnen, en dat monster over te halen tot hernieuwing van zyn abonnement.” (n.l. op deIdeen).
Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door ’n zot sprookje.Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als ’n nieuwe Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van ’n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z’n geheel bestaan.De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z’n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, mettwee woordenspreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, “oogjes toe” voor en na ’n boteram, slapen met opgetrokken knieën,zondedoen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen opwekt tot de klacht: armewouters!En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor ’n ander, en Wouter’s ziel was van ongewone leest.Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door ’t pas gelezen boek, toonde hoe z’n maagdelyke verbeelding was getroffen door de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind, en bovendien ’ngoed kind. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan, zoodat de hoogst krimineele strekking van z’n lied alleen voortkwam uit de zucht om op-eenmaal ’thoogstete grypen, hetverstete bereiken, deeerstete zyn, in ’t wedperk dat z’n kinderlyke fantazie hem had ingeleid.Roover... goed! Maar dan ook ’n flinke roover, ’n roover boven alles, ’n roover zonder genade, ’n roover voor pleizier!Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om ’t rym, en wyl-i uit ’n paar zinsneden van z’n boek had opgemaakt dat het zoo’n byzonder aangename uitspanning was.Als-i voor z’n veertien stuivers toevallig ’nKarel Grandisson—vervelender gedachtenisse!—had te lezen gekregen, zou z’n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan Slachterskeesje, en dien wellicht nog ’n paar griften toegegeven, met volkomen vergiffenis voor ’t onjuist verhuizen van dezen of genen graaf.Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen ’t eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te wachten zyn, wanneer niet het toeval—d. i. deze of gene natuurlyke oorzaak die we niet kennen, en die wetoevalnoemen uit schaamte over dat gebrek aan kennis—wanneer niet zoo’n toeval zich vermaakte de Wouters te doen geboren worden in ’n kring waar ze niet worden begrepen... en dus mishandeld.1Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd rusten. Hy scheen verdiept in ’tover’shandschenaadje dat Leentje bezighield, maar we zullen terstond zien dat z’n gedachten elders waren, en wel zeer ver vanBurgerstand III, 7,b1(Pp).Men had haar verboden te spreken met “dien kwajongen” en slechts van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon ’t haar in ’t oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die zaak aftedoen.—Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten?—Och... ik meende... sjt!—En die graaf... wat was dat weer met dien graaf?—’t Was ’n markgraaf... sjt!—Wat is dat voor ’n graaf? Zeker weer uit ’n ander huis?—Ja... ’t was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik heb je wat te zeggen, Leentje... sjt!—Amalia? Wie is Amalia?—Dat was m’n bruid.Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt!—Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid?—Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef daarheen... toen kwam er ’n eend... maar, Leentje, dat is de zaak niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt!—Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven?—Amalia. Ze zat in ’t kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt!—Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom toch wou je die vrouwen...Arme Leentje...zywas nooit gehoond! Ze had er zooveel voor over gehad!—Die vrouwen stonden in ’t boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt!—En dat klooster?—Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal ’t je zeggen, Leentje ... sjt!—M’n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent!Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik naar de balken, legde de rechterhand op ’t hart, stak de linker uit als om ’n spaanschen mantel te drapeeren...Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en zeide:—Leentjen, ik ben ’n prins!Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met ’n paar oorvegen uit Leentje’s tegenwoordigheid.Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder.Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.Lang voor het begin dezer geschiedenis—ja, zéér lang geleden was er ’n koningin der geesten, juist als inHans Heiling. Ze heetteΑ–Ω.Ze bewoonde geen hol, zooals inHans, maar hield haar hof ver boven de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor ’n koningin.Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met ’n waaierslag verjaagde zy de firmamenten.Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die zoo moeilyk waren weer te vinden na ’t wegrollen tusschen ’t huisraad.Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover, en verlangde gedurig ander speelgoed.De koningin liet hem ’n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds waren ook deze weer verloren. Doch ’t was Upsilon’s eigen schuld. Hy had maar beter moeten achtgeven op z’n speelgoed.Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf, gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was ’n fout in ’t karakter van den kleinen prins.De moeder, die als koningin der geesten ’n zeer verstandige vrouw was, begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich ’n beetje te gewennen aan ontbering.Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed laten zou.Dit geschiedde.Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan ’t kaatsen was met prinses Omikron, z’n zusje.Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z’n uitdrukkingen zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder.Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld—want niets is verderfelyker dan slechte voorbeelden—wierp met driftig gebaar haar palet tegen ’t heelal. En dat staat niet voor ’n meisje.Nu bestond er in ’t ryk der geesten ’n wet dat wie ’t ontzag voor de koningin uit het oog verloor, of iets tegen ’t heelal aangooide, daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid.Prins Upsilon werd ’n zandkorl.Na zich ’n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje.In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat ’n goed mosplantje behoort te doen.Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen te bereiden met vuur.Hy bouwde ’n paar werelddeelen, en werd ’n eeuw of duizend daarna tot belooning van z’n yver veranderd in ’n garnaal.Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z’n gedrag, en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen.Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op ’t land.Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand, en hield zich bezig met geologische opmerkingen.Een paar millioen eeuwen later...Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in ’t oog dat al die tyd te-zamen genomen in het ryk der geesten maar ’n klein kwartiertje was... of juister: dat die tyd volstrektnietswas. Wanttydis uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan kinderen. Voor geesten istoen,nuendanvolkomen hetzelfde. Zy grypengisteren,hedenenmorgente-zamen met één blik, even als men zonder spellen ’n woord leest. Watwasenwezen zal, is.Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen hebben ’t vergeten.Fancy begreep dat Wouter nietlezenkon, en daaromspeldeze hem Upsilon’s geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer.Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en ’n geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren—menschelyke jaren ditmaal—vóór den aanvang van m’n verhaal, werd-i overgeplaatst in de klasse der menschen.Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet.Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen weinig tyds hersteld te worden in z’n rang als prins van den geeste, moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou ’t wel gaan.Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw Pieterse. “Dit wàs nu eenmaal zoo!” zei Fancy.Die Fancy scheen ’n soort hofdame van Wouter’s moeder te wezen, die hem ’n bezoek bracht in z’n ballingschap om hem wat optebeuren en moed in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel, niet zou opvatten alsof men boos op hem was.Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd...—Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m’n zusje?—Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is ’n lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal; en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén dat het ’n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te gebruiken. Weldra werd ze ’n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie niet geschikt voor ’n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in ’n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons.Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet...—Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár ... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar schoot houdt en liefkoost...Wouter zag het duidelyk, en riep:—Omikron ... Omikron!—Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. ’t Is reeds ’n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden, zyn ze heel ver van elkaar gezet.Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag ’n kus gegeven aan al die sterren met ’n pop op den schoot, die z’n zusje waren...—Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron!Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen eener hoogstmoeilyke zaak.Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z’n bede:—Ach, laat me samenwezen met m’n zusjen ... al moest ik weergras eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met yver als ik mag samenzyn met Omikron!’t Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te kunnen geven:—Ik zal ’t vragen, fluisterde zy, en nu...Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was ’t brugje ... dáár de sloot...Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte...Hy zag z’n molens weer ... ja, ja ... zy waren het!Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam?Die molens heettend’Morgenstondenden Arend,en zy riepen zooals houtzaagmolens gewoon zyn:Karre karre, kra kra...Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem daar wachtte.1Aan het slot van I. 405 weidt M. uit over kindermishandeling door kortzichtigheid van opvoeders.
Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door ’n zot sprookje.
Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door ’n zot sprookje.
Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als ’n nieuwe Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van ’n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z’n geheel bestaan.
De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z’n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, mettwee woordenspreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, “oogjes toe” voor en na ’n boteram, slapen met opgetrokken knieën,zondedoen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!
Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen opwekt tot de klacht: armewouters!
En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor ’n ander, en Wouter’s ziel was van ongewone leest.
Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door ’t pas gelezen boek, toonde hoe z’n maagdelyke verbeelding was getroffen door de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind, en bovendien ’ngoed kind. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan, zoodat de hoogst krimineele strekking van z’n lied alleen voortkwam uit de zucht om op-eenmaal ’thoogstete grypen, hetverstete bereiken, deeerstete zyn, in ’t wedperk dat z’n kinderlyke fantazie hem had ingeleid.
Roover... goed! Maar dan ook ’n flinke roover, ’n roover boven alles, ’n roover zonder genade, ’n roover voor pleizier!
Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om ’t rym, en wyl-i uit ’n paar zinsneden van z’n boek had opgemaakt dat het zoo’n byzonder aangename uitspanning was.
Als-i voor z’n veertien stuivers toevallig ’nKarel Grandisson—vervelender gedachtenisse!—had te lezen gekregen, zou z’n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan Slachterskeesje, en dien wellicht nog ’n paar griften toegegeven, met volkomen vergiffenis voor ’t onjuist verhuizen van dezen of genen graaf.
Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen ’t eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te wachten zyn, wanneer niet het toeval—d. i. deze of gene natuurlyke oorzaak die we niet kennen, en die wetoevalnoemen uit schaamte over dat gebrek aan kennis—wanneer niet zoo’n toeval zich vermaakte de Wouters te doen geboren worden in ’n kring waar ze niet worden begrepen... en dus mishandeld.1
Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd rusten. Hy scheen verdiept in ’tover’shandschenaadje dat Leentje bezighield, maar we zullen terstond zien dat z’n gedachten elders waren, en wel zeer ver vanBurgerstand III, 7,b1(Pp).
Men had haar verboden te spreken met “dien kwajongen” en slechts van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon ’t haar in ’t oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die zaak aftedoen.
—Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten?
—Och... ik meende... sjt!
—En die graaf... wat was dat weer met dien graaf?
—’t Was ’n markgraaf... sjt!
—Wat is dat voor ’n graaf? Zeker weer uit ’n ander huis?
—Ja... ’t was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik heb je wat te zeggen, Leentje... sjt!
—Amalia? Wie is Amalia?
—Dat was m’n bruid.Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt!
—Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid?
—Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef daarheen... toen kwam er ’n eend... maar, Leentje, dat is de zaak niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt!
—Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven?
—Amalia. Ze zat in ’t kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt!
—Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom toch wou je die vrouwen...
Arme Leentje...zywas nooit gehoond! Ze had er zooveel voor over gehad!
—Die vrouwen stonden in ’t boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt!
—En dat klooster?
—Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal ’t je zeggen, Leentje ... sjt!
—M’n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent!
Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik naar de balken, legde de rechterhand op ’t hart, stak de linker uit als om ’n spaanschen mantel te drapeeren...
Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en zeide:
—Leentjen, ik ben ’n prins!
Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met ’n paar oorvegen uit Leentje’s tegenwoordigheid.
Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder.
Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.
Lang voor het begin dezer geschiedenis—ja, zéér lang geleden was er ’n koningin der geesten, juist als inHans Heiling. Ze heetteΑ–Ω.
Ze bewoonde geen hol, zooals inHans, maar hield haar hof ver boven de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor ’n koningin.
Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met ’n waaierslag verjaagde zy de firmamenten.
Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die zoo moeilyk waren weer te vinden na ’t wegrollen tusschen ’t huisraad.
Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover, en verlangde gedurig ander speelgoed.
De koningin liet hem ’n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds waren ook deze weer verloren. Doch ’t was Upsilon’s eigen schuld. Hy had maar beter moeten achtgeven op z’n speelgoed.
Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf, gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was ’n fout in ’t karakter van den kleinen prins.
De moeder, die als koningin der geesten ’n zeer verstandige vrouw was, begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich ’n beetje te gewennen aan ontbering.
Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed laten zou.
Dit geschiedde.
Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan ’t kaatsen was met prinses Omikron, z’n zusje.
Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z’n uitdrukkingen zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder.
Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld—want niets is verderfelyker dan slechte voorbeelden—wierp met driftig gebaar haar palet tegen ’t heelal. En dat staat niet voor ’n meisje.
Nu bestond er in ’t ryk der geesten ’n wet dat wie ’t ontzag voor de koningin uit het oog verloor, of iets tegen ’t heelal aangooide, daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid.
Prins Upsilon werd ’n zandkorl.
Na zich ’n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje.
In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat ’n goed mosplantje behoort te doen.
Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.
Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen te bereiden met vuur.
Hy bouwde ’n paar werelddeelen, en werd ’n eeuw of duizend daarna tot belooning van z’n yver veranderd in ’n garnaal.
Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z’n gedrag, en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen.
Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op ’t land.
Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand, en hield zich bezig met geologische opmerkingen.
Een paar millioen eeuwen later...
Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in ’t oog dat al die tyd te-zamen genomen in het ryk der geesten maar ’n klein kwartiertje was... of juister: dat die tyd volstrektnietswas. Wanttydis uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan kinderen. Voor geesten istoen,nuendanvolkomen hetzelfde. Zy grypengisteren,hedenenmorgente-zamen met één blik, even als men zonder spellen ’n woord leest. Watwasenwezen zal, is.
Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen hebben ’t vergeten.
Fancy begreep dat Wouter nietlezenkon, en daaromspeldeze hem Upsilon’s geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer.
Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en ’n geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren—menschelyke jaren ditmaal—vóór den aanvang van m’n verhaal, werd-i overgeplaatst in de klasse der menschen.
Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet.
Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen weinig tyds hersteld te worden in z’n rang als prins van den geeste, moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou ’t wel gaan.
Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw Pieterse. “Dit wàs nu eenmaal zoo!” zei Fancy.
Die Fancy scheen ’n soort hofdame van Wouter’s moeder te wezen, die hem ’n bezoek bracht in z’n ballingschap om hem wat optebeuren en moed in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel, niet zou opvatten alsof men boos op hem was.
Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd...
—Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m’n zusje?
—Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is ’n lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal; en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén dat het ’n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te gebruiken. Weldra werd ze ’n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie niet geschikt voor ’n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in ’n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons.
Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet...
—Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár ... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar schoot houdt en liefkoost...
Wouter zag het duidelyk, en riep:
—Omikron ... Omikron!
—Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. ’t Is reeds ’n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden, zyn ze heel ver van elkaar gezet.
Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag ’n kus gegeven aan al die sterren met ’n pop op den schoot, die z’n zusje waren...
—Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron!
Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen eener hoogstmoeilyke zaak.
Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z’n bede:
—Ach, laat me samenwezen met m’n zusjen ... al moest ik weergras eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met yver als ik mag samenzyn met Omikron!
’t Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te kunnen geven:
—Ik zal ’t vragen, fluisterde zy, en nu...
Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was ’t brugje ... dáár de sloot...
Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte...
Hy zag z’n molens weer ... ja, ja ... zy waren het!
Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam?
Die molens heettend’Morgenstondenden Arend,en zy riepen zooals houtzaagmolens gewoon zyn:
Karre karre, kra kra...
Karre karre, kra kra...
Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem daar wachtte.
1Aan het slot van I. 405 weidt M. uit over kindermishandeling door kortzichtigheid van opvoeders.
1Aan het slot van I. 405 weidt M. uit over kindermishandeling door kortzichtigheid van opvoeders.
Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, ’t huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon, prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!Daar de lezer veel ondervinding heeft—ik zoek sedert jaren te-vergeefs naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar—zal-i weten dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in de verte.Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven ’t hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.De man was eigenlyk maar beunhaas in ’t vak. Hy behoorde namelyk tot de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot ’n wezenlyken dominee, als ’n likdoornsnyder tot ’n geneesheer. Maar voor de eksteroogen van III, 7,b1(Pp) was-i bekwaam genoeg. En al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw Pieterse had ’n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er was ’n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party te wezen: “om de stichting” zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was, en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.—Jonchelinch... sprak de man, en er scheen al terstond indruk noodig te wezen, jonchelinch...Het is zeer opmerkelyk hoe ’t geloof en de genade invloed hebben op de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zouzeker niet gezegd hebben,lanchepyp ofjonchedoperwten, maar de heiligheid verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord- en zinvorming verandert door ’t geloof. Ik ben niet ongenegen dit aantenemen als ’n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen, en denk ernstig aan ’n verhandeling: “over den invloed der genade op de hollandsche taal.” Ja, ’k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier, zonder zalving of gebrouw, my ’n opmerking meedeelt over ’t weêr, of tyding vraagt van m’n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens op of niet ’n dominee z’n neus anders snuit dan ’n ander?—Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan z’n pyp, met ’n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw Pieterse hield ’n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te wezen als ze huilen moest.—Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...’t Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor ’nlapsus linguae. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op ’n woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.—Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als hoochepriester in den Heere... want ieder die ’t Evangelium verkondigt, is ’n hoochepriester in den Heere... in den Heere...De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.—In den Heere...Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z’n buitengewoon lang toeven by dien “Heere.”Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.—Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met de koningen der aarde.Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor ’t juist weergeven van huisdominee’s taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel.Dit was ’t dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen gaf datzynooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht geweest zyn. Neen, de verbazing van ’t gezelschap had ’n heel anderen grond.Men moet erkennen dat meester Pennewip by ’t oplezen vanWouter’s zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en zie, daar komt huisdominee die ’t brandstichten overslaat, het rooven vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel onverwacht beschuldigt van “hoerery met de koningen der aarde.” Dit was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak, juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus ’n bescheiden:friskuus!het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier was ’t geval ernstig genoeg om ’t gebruik van wat vreemds te wettigen.—Friskuus, dominee! Wouter heeft...Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:—Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho’s, gy die ’n huis van ontucht bewoont op de wallen der stad...—Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...—Ja, en m’n vader was...—Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...—Maar dominee, Wouter is ’n jongen!—Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is weggezonken in ’n poel van ongerechtigheid...—Laat ’m begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy zal op Wouter neerkomen met ’n omweg... dat doen ze wel meer.Hierin had juffrouw Laps gelyk.—Dit meisje, ging huisdominee voort, met ’n uitdrukking van indruk die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee’s welsprekendheid, dit meisjen is ... ’n meisje!—In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker te gelooven dan ’n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet, maken ’n onderscheid.—In-godsnaam dan...—Ja ... dit meisjen is ’n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...—Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!—Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp ’t heel goed.—Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet je de verzenen tegen de prikkels slaan.Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als ’n hulde aan haar diepere geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of de anderen kon verwacht worden.Maar toch wou ze nu graag een woordjen in ’t midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:—Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder onderscheid, maar...—Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...—Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk.—Hé ... hoe meent u dat, dominee?—Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uitJosua twee... er hangen roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen der aarde...Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets deftigs, en schaadt niet. Maar:... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke dikke bakkebaarden heeft.Dit was èrger dan “zoogdier.”Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door ’t verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:—De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens loopen ’m na ... kyk hier!En ze wees door ’t raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens met veel gejuich ’n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen ... houd je staart recht!Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar dronken was-i. In ’t wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid te hebben, en door de openbaring van ’s mans toestand de pyniging van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen door huisdominee zelf, die in ’t wynhuis had hooren spreken over die geschiedenis van den briefbesteller, en by z’n aankomst in de woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i behandelen moest.—En, voegde Leentjen er by, ’t is niet nu alleen ... ’t is niet altyd even erg, maar laatst met Habakuk...—Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee bearbeidde.My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen eind gemaakt had.Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woedevan juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon, en leverde hem over aan de straatjongens die terstond ’n liedjen op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat uittegeven als echtencodex, strydt tegen m’n principes.Zoodra juffrouw Laps zich ’n beetje hersteld had, koos zy de verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.—O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is, om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren Jeruzalem’s. Dàt heeft-i bedoeld met z’n briefbesteller. M’n vader was in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening, weetje?—Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...—Zoo zegt Leentje, maar...—En al dat volk op de straat! Hoor eens...—Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen op de straat, en toen kwamen er beeren...“Hei, hei ... pas op je verzenen!” klonk het buiten.—Waarom zendt de Heer z’n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller, bestond in ’t verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had ze alweer gelyk. Wat ’n profeet zegt, kan men opnemen zooals men wil. Een bruid is ’n kerk, een tempel is ’n lichaam, een vader is ’n zoon, een zoon is ’n geest, een geest is ’n vader, één is drie, drie is één, en ’n briefbesteller is niemendal.—Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze hierin ’n reden vond om huisdominee’s taal niet zóó ver wegtewerpen als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.—En al waar-i voor ’n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade, en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men ’n gebouw wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar ’n pyler omhalen of ’n hoeksteen wegbreken.Sit ut est, aut non sit.Huisdominee was dus geheel in z’n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid, wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.—Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep Juffrouw Pieterse in ’t eind.Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn tot de preek van den dag. Hy behandeldeEzechielen de afscheiding van de tien stammen, en deed er wat by uitMattheus. Daarna ging-i over op deMakkabeen, en sloot met Daniel, Paulus, ’nOnze Vaderen den H. Geest.—Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt, waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.—Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken van deOpenbaring?—Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters ... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...—Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.—Als we hem eens ’n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren, van-achteren-af?Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor den dag gekomen waarin slot en zin stak.—Als ik hem eens bymynam, juffrouw Pieterse? Om ’t geld is ’t me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...Wouter rilde.—Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven, en ik zou hem oefenen ... want om ’t geld is ’t me volstrekt niet te doen.Oefenen, weetje?Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen heeft, en dit vind ik dan ook—alles in aanmerking genomen—maar het beste.11I. 414–437 zyn in hoofdzaak gewyd aan de vraag: is godsdienst noodig voor de zedelykheid? In I. 438 vindt men de geestige gelykenis van Ornis over opvoeding.
Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, ’t huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon, prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!
Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, ’t huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon, prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!
Daar de lezer veel ondervinding heeft—ik zoek sedert jaren te-vergeefs naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar—zal-i weten dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in de verte.
Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven ’t hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.
De man was eigenlyk maar beunhaas in ’t vak. Hy behoorde namelyk tot de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot ’n wezenlyken dominee, als ’n likdoornsnyder tot ’n geneesheer. Maar voor de eksteroogen van III, 7,b1(Pp) was-i bekwaam genoeg. En al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.
Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw Pieterse had ’n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er was ’n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party te wezen: “om de stichting” zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was, en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.
—Jonchelinch... sprak de man, en er scheen al terstond indruk noodig te wezen, jonchelinch...
Het is zeer opmerkelyk hoe ’t geloof en de genade invloed hebben op de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zouzeker niet gezegd hebben,lanchepyp ofjonchedoperwten, maar de heiligheid verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord- en zinvorming verandert door ’t geloof. Ik ben niet ongenegen dit aantenemen als ’n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen, en denk ernstig aan ’n verhandeling: “over den invloed der genade op de hollandsche taal.” Ja, ’k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier, zonder zalving of gebrouw, my ’n opmerking meedeelt over ’t weêr, of tyding vraagt van m’n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens op of niet ’n dominee z’n neus anders snuit dan ’n ander?
—Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...
Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan z’n pyp, met ’n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw Pieterse hield ’n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te wezen als ze huilen moest.
—Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...
’t Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor ’nlapsus linguae. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op ’n woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.
—Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als hoochepriester in den Heere... want ieder die ’t Evangelium verkondigt, is ’n hoochepriester in den Heere... in den Heere...
De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.
—In den Heere...
Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z’n buitengewoon lang toeven by dien “Heere.”
Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.
—Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met de koningen der aarde.
Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor ’t juist weergeven van huisdominee’s taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel.
Dit was ’t dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen gaf datzynooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht geweest zyn. Neen, de verbazing van ’t gezelschap had ’n heel anderen grond.
Men moet erkennen dat meester Pennewip by ’t oplezen vanWouter’s zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en zie, daar komt huisdominee die ’t brandstichten overslaat, het rooven vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel onverwacht beschuldigt van “hoerery met de koningen der aarde.” Dit was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak, juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus ’n bescheiden:friskuus!het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier was ’t geval ernstig genoeg om ’t gebruik van wat vreemds te wettigen.
—Friskuus, dominee! Wouter heeft...
Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:
—Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho’s, gy die ’n huis van ontucht bewoont op de wallen der stad...
—Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...
—Ja, en m’n vader was...
—Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...
—Maar dominee, Wouter is ’n jongen!
—Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is weggezonken in ’n poel van ongerechtigheid...
—Laat ’m begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy zal op Wouter neerkomen met ’n omweg... dat doen ze wel meer.
Hierin had juffrouw Laps gelyk.
—Dit meisje, ging huisdominee voort, met ’n uitdrukking van indruk die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee’s welsprekendheid, dit meisjen is ... ’n meisje!
—In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.
Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker te gelooven dan ’n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet, maken ’n onderscheid.
—In-godsnaam dan...
—Ja ... dit meisjen is ’n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...
—Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!
—Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp ’t heel goed.
—Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet je de verzenen tegen de prikkels slaan.
Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als ’n hulde aan haar diepere geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of de anderen kon verwacht worden.Maar toch wou ze nu graag een woordjen in ’t midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:
—Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder onderscheid, maar...
—Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...
—Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.
Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk.
—Hé ... hoe meent u dat, dominee?
—Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uitJosua twee... er hangen roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen der aarde...
Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets deftigs, en schaadt niet. Maar:
... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke dikke bakkebaarden heeft.
Dit was èrger dan “zoogdier.”
Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door ’t verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:
—De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens loopen ’m na ... kyk hier!
En ze wees door ’t raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens met veel gejuich ’n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen ... houd je staart recht!
Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar dronken was-i. In ’t wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid te hebben, en door de openbaring van ’s mans toestand de pyniging van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen door huisdominee zelf, die in ’t wynhuis had hooren spreken over die geschiedenis van den briefbesteller, en by z’n aankomst in de woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i behandelen moest.
—En, voegde Leentjen er by, ’t is niet nu alleen ... ’t is niet altyd even erg, maar laatst met Habakuk...
—Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee bearbeidde.
My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen eind gemaakt had.
Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woedevan juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon, en leverde hem over aan de straatjongens die terstond ’n liedjen op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat uittegeven als echtencodex, strydt tegen m’n principes.
Zoodra juffrouw Laps zich ’n beetje hersteld had, koos zy de verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.
—O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is, om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren Jeruzalem’s. Dàt heeft-i bedoeld met z’n briefbesteller. M’n vader was in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening, weetje?
—Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...
—Zoo zegt Leentje, maar...
—En al dat volk op de straat! Hoor eens...
—Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen op de straat, en toen kwamen er beeren...
“Hei, hei ... pas op je verzenen!” klonk het buiten.
—Waarom zendt de Heer z’n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller, bestond in ’t verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had ze alweer gelyk. Wat ’n profeet zegt, kan men opnemen zooals men wil. Een bruid is ’n kerk, een tempel is ’n lichaam, een vader is ’n zoon, een zoon is ’n geest, een geest is ’n vader, één is drie, drie is één, en ’n briefbesteller is niemendal.
—Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze hierin ’n reden vond om huisdominee’s taal niet zóó ver wegtewerpen als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.
—En al waar-i voor ’n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?
Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.
Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade, en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men ’n gebouw wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar ’n pyler omhalen of ’n hoeksteen wegbreken.Sit ut est, aut non sit.Huisdominee was dus geheel in z’n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid, wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.
—Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep Juffrouw Pieterse in ’t eind.
Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn tot de preek van den dag. Hy behandeldeEzechielen de afscheiding van de tien stammen, en deed er wat by uitMattheus. Daarna ging-i over op deMakkabeen, en sloot met Daniel, Paulus, ’nOnze Vaderen den H. Geest.
—Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?
Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt, waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.
—Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken van deOpenbaring?
—Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters ... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...
—Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.
—Als we hem eens ’n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren, van-achteren-af?
Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor den dag gekomen waarin slot en zin stak.
—Als ik hem eens bymynam, juffrouw Pieterse? Om ’t geld is ’t me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...
Wouter rilde.
—Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven, en ik zou hem oefenen ... want om ’t geld is ’t me volstrekt niet te doen.Oefenen, weetje?
Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen heeft, en dit vind ik dan ook—alles in aanmerking genomen—maar het beste.1
1I. 414–437 zyn in hoofdzaak gewyd aan de vraag: is godsdienst noodig voor de zedelykheid? In I. 438 vindt men de geestige gelykenis van Ornis over opvoeding.
1I. 414–437 zyn in hoofdzaak gewyd aan de vraag: is godsdienst noodig voor de zedelykheid? In I. 438 vindt men de geestige gelykenis van Ornis over opvoeding.
Doorslaand bewys van Wouter’s beterschap, blykbaar uit ’n kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon wys worden uit haar beschermeling.In ’t mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes—dat toch alles is wat men van heen-en-weertjes verlangen kan—doch haar bevattingsvermogen schoot te-kort by Wouter’s vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met ’n medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z’n verstand. Te-vergeefs bespaarde zyeenige duiten van haar schraal weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten ... helaas, Wouter’s ziel was haar pepernoten ontwassen, en de ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.—Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe ’t schepsel heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.—Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.—Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch vroeger moeten weten, dunkt me.—Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide, wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam ’t my weer duidelyk voor den geest.—Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken, den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen.En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis “van den vloer” wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning van z’n brugje, en luisterde naar ’t geklepper van de molens. Ze vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.—Ze zal te veel bezigheid hebben aan ’t hof myner moeder, zuchtte Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.Maar als-i door ’t venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen “naar huis”, en met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend:—Omikron, Omikron!1Na lang beraad, en op Wouter’s uitdrukkelyke belofte van beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden, en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplangeo’s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was, en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou ’t dus ook wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderenvan huisdominee, want de tegenwoordige “behoorde tot de klasse der wynzuipers.” Nu, dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie “gedaan” by ’n wezenlyken dominee die na kerktyd uit ’n boekje “vragen overhoorde.” Den titel van ’t boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren:1e.Vraag: Vanwaar hebt gy en alles wat er is, uw oorsprong?Wouter had graag willen zeggen: wel, van m’n moeder ... maar in ’t boekje stond:Antw. Van God, die alles uit Niet heeft voortgebracht.2eVraag: Hoe weet gy dit?Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring.Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde hy trouwhartig wat er in z’n boekje stond. Wel speet het hem dat de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt tot wandelen, bedorven werd door ’t “opzeggen” der koningen Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden “weggevoerd”—’n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam—maar hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de zaligheids-leerlingen. Althans toen ’t jaar om was, ontving hy ’n boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden en de artikelen des geloofs. Er was ’n voorschrift by, hoe dat alles moest gebruikt worden: eensprdag, ’n jaar lang ... driemaal daags, ’n week lang by herhaling ... en de restquantum sufficit. Voorin stond op ’n ingeplakt blaadje:ter belooningaanWouter Pieterseomdat hyde lessen in de Noorderkerkwelheeft opgezegd,enter aanmoedigingomter eere Godsopden ingeslagen wegvoorttegaan.En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen huurden een tuin “aan den Overtoom.” Dat was zoo “heelemaal buiten” zeiden zy, en “men kon toch niet altyd in de stad blyven.” Bovendien “de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor ’t heele pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd ’n aardigheid.” Ook zou er wel gras genoeg zyn om ’t kleingoed te bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch“want, zei de stamvrouw der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy’sKanesoe... dus was ’t heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over spraken—want dat deden “ze” altyd—was ’t uit pure jaloezie. Ook was er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was, maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls je wat doet, heb je-n-altyd zoo’n gemaal met de menschen ... want ’t was vooraan op d’Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje nooit iets doen ... en voor de kinderen was ’t ’n heele uitspanning ... die juffrouw Karels moest maar letten op ’r zelf ... en als Gus jarig was, mocht-i jongeheeren vragen...Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk, Wouter was onder de uitverkorenen.Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld voelde door den omgang van haar zoon met “menschen die ’n buiten houwen” werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter beloofde “heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet te ravotten, z’n kleeren niet te scheuren” en zoo-al meer. Ook zeide juffrouw Pieterse “dat ’t zoo lief van ’r was, dat ze dit toestond, want ’t was toch ’n heel ding voor ’n kind om zoo eens uittegaan.”Ja, Wouter zou uitgaan! Voor ’t eerst uitgaan, voor het eerst eten, drinken, zich vermaken onder ’n vreemd dak. ’t Was ’n hoofdgebeurtenis in z’n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen.De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid stapte Wouter de poort uit. “’t Was rechts, links, weer links, dan ’n brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen” had Gus gezegd. En de tuin heetteStad-rust, dus: “Wouter moest maar vragen, dan zou-i ’t zeker vinden.”Dit was ook zoo. Wie voor ’t eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter was opStad-rustvóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden dat Wouter ’n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was geweest.De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en ’t stoeien, draven, gooien, nam ’n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade “die heel langzaam moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren.”Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de volkomenheden vanStad-rust, ook dat prieel moeten opnoemen, waar Betsy zat met dien heer...—Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met de jongens.—Wel, dat is Betsy’s vryer.Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter z’n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was ’n vrystertje, in zyn meening, ’n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving hem de lust om te weten hoe ’n volwassen heer vryt met ’n meisje dat niet meer school-gaat.—Haar vryer?—Wel zeker ... geëngageerd!Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is, kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich slechts de vraag: wanneer is in de KlasseBurgerstand, III, 7,a1(Pp) ’t flauwe “geëngageerd zyn” in zwang gekomen voor ’t hartelyke: vryen?—Ge ... wàt? vroeg Wouter.—Geëngageerd ... ze verkeeren.—Wat is dat?—Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet?Wouter voelde schaamte dat-i zoo’n eenvoudige zaak niet wist, en zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte.—Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje metmytrouwen?Emma kon op ’t oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze weghuppelde om te voldoen aan ’n konvokatie tot “stuivertje-wisselen” in ’n anderen hoek van den tuin.Als den lezer deSpectatorvan Van Effen bekend is, zal-i zich herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eenerburger-vryaadje. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef dezen Justus makkelyker ’t afluisteren dan ’t verzinnen, ’t Eerste is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen bestudeert omSpectatorsofIdeente schryven. Wie ’t afkeurt, moet ook den geneesheer veroordeelen die z’n patient bespiedt met het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van ’t huiselyk leven der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor ’n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen inhelder licht, wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van ’t geslachtsleven—in alle beteekenissen!—dat zich meer dan andere handelingen verbergt voor de blikken van den opmerker.“Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?” vraag ik altyd myzelf als ik ’n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige vraag: “zoudenze elkaar wat te zeggen hebben?”Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik ’n lid van myn geslacht, ’n wederdeel dus van myzelf, eenmensch, moet verdacht houden van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der schoonste—neen, van de eenige—kracht der Natuur, van opstand tegen de aantrekkingswet. Liefde—ik heb ’t al meer gezegd, en men heeft myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet—liefde is neiging tot éénzyn.Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig inregel, veelvoudig intoepassing. De liefde van ’n dief zal wel beduiden: kom, laat ons saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z’n geliefde in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: “elck ghedierte naer synen aerdt.”Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen, by sommigen tevens de begeerte wezen tot hetgoede?By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan ’t vogeltje dat zoo angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen, en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreepzyniet dat er verband was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en ’t kloppen van z’n hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer, maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven ’t buisje.Hoe dit zy, hèm ware ’t onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan ’t schryven van ’nSpectator, voelde Wouter groote begeerte om te weten hoe de jongeheer die met Betsy in ’t prieel zat, zich kweet van ’t “verkeeren.” Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z’n kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte in z’n liefdestudie.—Ja, ik heb ook gezegd: met Mei...—Wel zeker, om de bovenhuizen...—’t Is ’n gemaal! En wat zegt je moeder?—Zóó ... zy vindt we moesten ’t nog ’n jaartjen aanzien. ’t Is zoo onfatsoenlyk gauw te trouwen. ’t Is net, weetje, of...—Vier jaar...—Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest...Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen ’n bovenhuis huren, liefst in Mei.—En kryg je nou die linnenkast?—Neen ... die wil m’n moeder zelf houden. Maar als we nog ’n jaar wachten, zal ze ons ’n andere geven, zegt ze, ’n kleine.—’k Had liever de groote.—Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast noodig. Maar toen m’n zuster trouwde, heeft ze toch ’n groote kast “meegekregen.”—Zeg dan dat je ’r ook een moet hebben.—’t Zal niet helpen.—Probeer ’t maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.—’k Wil ’t wel vragen, maar ...Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in ’t prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in ’n donker hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik riep hy:—Zouzy’t wezen ... m’n zusje?’t Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens’huis worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zouverteldworden door een van degrooten.Welke “groote” verdwaald was opStad-rust, om dáár Moore’sPeri en Paradyste behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet paste by Betsy’s “engagement” en die liefdesmorende linnenkast. Maar evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat “aan wie ’t vatten wil” de gelegenheid geeft zich te verheffen boven ’t alledaagsche. Eénmaal wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit!De “groote” volgde in z’n vertelling den engelschen dichter niet.Hy volgde een van de vele wyzen waarop deperi-legende in alle talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ontstaan was.2“DePeridie voor de poorten van ’t paradys vruchteloos smeekte te worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo na veel vergeefsche pogingen eindlyk als ’t schoonste wat de aarde opleverde, den laatsten zucht van ’n berouwhebbend zondaar, en vond genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der gave die zy offerde...—Nu pandverbeuren! riep Gus.—Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na.Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest “gezoend” worden, dat spreekt vanzelf. “Een raadseltjen opgeven.” ’t Werd niet geraden... natuurlyk. Wie ’twist, mocht het niet zeggen! Dat is by raadsels zoo de gewone konditie.—Wat zal de eigenaar van dit pand doen?—Op één been staan!—Over ’n strootje springen!—Een vers opzeggen!—Neen, ’n fabel...la cigale, of zoo-iets!—Ja, ja, ja!’t Pand was van Wouter.—Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet.—Ik zal je helpen, riep Emma...le pere,du père.—Och, dat ’s geen fabel... toe, Wouter!’t Was ’n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen fabel kende en geen fransch verstond. Als ’n bekwaam mensch wist hoeveel genoegen hy velen doet met ’n blyk van watonbekwaamheid, zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde.Maar Wouter dacht ditmaal niet aan ’t pleizier van de anderen, dat-i ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.—Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.—’t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar ’n fabel.—Maar ik weet niet wat ’n fabel is.—Wel, dat ’s ’n vertelling met beesten.—Ja... of met boomen:le chêne, un jour, dit au roseau, zieje, er hoeft juist geen beest in te komen.—Ja, ja... ’n fabel is ’n vertelling, anders niet... er mag inkomen wat ’r wil.—Maar ’t moet rymen!Wouter was op ’t punt z’n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht zich, en gelukkig! Want dat ware ’n groot schandaal geweest in den huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.—Wel neen, ’t hoeft niet te rymen ook, riep ’n ander die al weer wyzer was dan de rest, “de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes hangen, prins Willem de eerste was ’n groot wysgeer.” Zieje Wouter, ’t gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet.Wouter begon:“Er was eens ’n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht...”—Ho, ho, dat ’s de geschiedenis van dePeri! Wat anders!—Ik zal ’t anders maken, beloofde Wouter verlegen.“Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ookomdat-i meestal z’n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i...Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over ’t onzalige “moedersknipje.” Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te grieven door ’n schynbare toespeling op den pepermenthandel.“... omdat-i eens gelachen had onder ’t bidden. Want, dit is zeker, jongetjes die lachen onder ’t bidden, komen niet in den hemel.—Z... o... o... o? vroegen ’n paar schuldbewusten.“Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen ’n zusje gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z’n zusje. “Wie is uw zusje?” vroeg men hem...—Wie vroeg dat?—Stil, val ’m niet in de rede, laat Wouter voortgaan.“Ik weet niet wie dat vroeg. Maar ’t jongetje zei dat z’n zusjen... ’n blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had...—Net als Emma.—Ja, net als Emma.“Men zei hem dat er in den hemel ’n klein meisje was, dat er juist zoo uitzag. Ze was daar ’n jaar geleden gekomen, en had verzocht haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar ’t jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom.”—Hadzyaltyd ’r “vragen” gekend?—Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.“Hy was heel verdrietig omdat-i z’n zusje niet zou weerzien, en vond nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. “Och, laat me toch binnen!” vroeg-i heel vriendelyk aan ’n heer die aan de deur stond...—Aan depoort, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden door de dagelyksheid eenerdeur, maar niet getroffen waren door de verhevenheid van Wouter’s begrippen over ’t sterven.Zoo gaat het meer.“Goed, aan depoort, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei: neen. Daarop keerde ’t jongetje terug naar de aarde.”—Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.—Laat ’m toch voortgaan... ’t is immers maar ’n vertelling.“Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i daarna weer voor de... poort stond, zeid-iowi, m’sieu!Maar ’t hielp niets, hy mocht toch niet binnengaan.—Dat geloof ik graag... hy had moeten zeggen:j’aime,tu aimes.—Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter.“Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z’n “vragen” zóó dat-i ze kon opzeggen van-achter-af, van:Heer, kom haastelyktot:met privilegie. En dat deed-i aan de poort. Maar ’t hielp weer niet... hy mocht nog niet binnen.”—Dat wil ik wel gelooven, riep ’n wyze. Om in den hemel te komen, moet men “aangenomen” zyn. Was-i aangenomen?“Ach neen, zei Wouter, daarom juist was ’t zoo moeilyk! Hy beproefde telkens wat anders, maar ’t lukte niet. Hy zei dat-i met z’n zusje geëngageerd was...—Net als Betsy, riep Emma.“Ja, net als Betsy. Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met ’r trouwen wilde... maar ’t hielp alles niet, hy mocht niet in den hemel. Op ’t laatst durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer aan de poort knorrig worden zou...—Nu, en hoe is ’t verder?—Ik... weet... niet... verder, stamelde Wouter, ik weet niet wat het jongetje doen moest om in den hemel te komen.Wouter wist wèl verder, al kon hy niet onder woorden brengen wat-i wist. Dit bleek ’n uur later.By ’t naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uiteenvloog om ’t rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort uitholde, gleed Emma onder de leuning van de brug door, en viel in de stadsgracht. Men loosde een gil... nòg een...Wouter was ’t kind nagesprongen.Als-i op dàt oogenblik gestorven ware, zou zeker de “heer aan de poort” hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond of niet “aangenomen” was.Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht, zei juffrouw Laps dat men den Heere niet mocht verzoeken. En dàt was ’t toch, als men te-water sprong zonder te kunnen zwemmen.Ik vind dat die “Heer” ’t best te-pas komen zou by iemand die niet zwemmen kan. Wie ’t wèl kan, heeft meer kans zichzelf te helpen.En juffrouw Pieterse klaagde “dat er met dien jongen altyd wàt was.”Nu, dàt vind ik ook.1In I. 440 stelt M. de vraag, of die klacht werd verstaan, dat roepen gehoord, met verwyzing naar zyneGeloofsbelydenis, opgenomen inVerspreide stukken.2In I. 443 wyst M. er op hoe alle volkeren de herinnering aan een gouden eeuw bewaard hebben, doch dat deze fancy-verschyning vervloog, toen priesters dit verlangen uit geldzucht gingen exploiteeren.
Doorslaand bewys van Wouter’s beterschap, blykbaar uit ’n kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.
Doorslaand bewys van Wouter’s beterschap, blykbaar uit ’n kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.
Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon wys worden uit haar beschermeling.
In ’t mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes—dat toch alles is wat men van heen-en-weertjes verlangen kan—doch haar bevattingsvermogen schoot te-kort by Wouter’s vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met ’n medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z’n verstand. Te-vergeefs bespaarde zyeenige duiten van haar schraal weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten ... helaas, Wouter’s ziel was haar pepernoten ontwassen, en de ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.
—Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe ’t schepsel heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.
—Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.
—Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch vroeger moeten weten, dunkt me.
—Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide, wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam ’t my weer duidelyk voor den geest.
—Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.
En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken, den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen.
En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis “van den vloer” wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning van z’n brugje, en luisterde naar ’t geklepper van de molens. Ze vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.
—Ze zal te veel bezigheid hebben aan ’t hof myner moeder, zuchtte Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.
Maar als-i door ’t venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen “naar huis”, en met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend:
—Omikron, Omikron!1
Na lang beraad, en op Wouter’s uitdrukkelyke belofte van beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden, en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplangeo’s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.
Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was, en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou ’t dus ook wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderenvan huisdominee, want de tegenwoordige “behoorde tot de klasse der wynzuipers.” Nu, dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie “gedaan” by ’n wezenlyken dominee die na kerktyd uit ’n boekje “vragen overhoorde.” Den titel van ’t boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren:
1e.Vraag: Vanwaar hebt gy en alles wat er is, uw oorsprong?
Wouter had graag willen zeggen: wel, van m’n moeder ... maar in ’t boekje stond:
Antw. Van God, die alles uit Niet heeft voortgebracht.
2eVraag: Hoe weet gy dit?
Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring.
Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde hy trouwhartig wat er in z’n boekje stond. Wel speet het hem dat de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt tot wandelen, bedorven werd door ’t “opzeggen” der koningen Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden “weggevoerd”—’n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam—maar hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de zaligheids-leerlingen. Althans toen ’t jaar om was, ontving hy ’n boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden en de artikelen des geloofs. Er was ’n voorschrift by, hoe dat alles moest gebruikt worden: eensprdag, ’n jaar lang ... driemaal daags, ’n week lang by herhaling ... en de restquantum sufficit. Voorin stond op ’n ingeplakt blaadje:
ter belooningaanWouter Pieterseomdat hyde lessen in de Noorderkerkwelheeft opgezegd,enter aanmoedigingomter eere Godsopden ingeslagen wegvoorttegaan.
ter belooningaanWouter Pieterseomdat hyde lessen in de Noorderkerkwelheeft opgezegd,enter aanmoedigingomter eere Godsopden ingeslagen wegvoorttegaan.
En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.
Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen huurden een tuin “aan den Overtoom.” Dat was zoo “heelemaal buiten” zeiden zy, en “men kon toch niet altyd in de stad blyven.” Bovendien “de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor ’t heele pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd ’n aardigheid.” Ook zou er wel gras genoeg zyn om ’t kleingoed te bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch“want, zei de stamvrouw der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy’sKanesoe... dus was ’t heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over spraken—want dat deden “ze” altyd—was ’t uit pure jaloezie. Ook was er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was, maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls je wat doet, heb je-n-altyd zoo’n gemaal met de menschen ... want ’t was vooraan op d’Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje nooit iets doen ... en voor de kinderen was ’t ’n heele uitspanning ... die juffrouw Karels moest maar letten op ’r zelf ... en als Gus jarig was, mocht-i jongeheeren vragen...
Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk, Wouter was onder de uitverkorenen.
Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld voelde door den omgang van haar zoon met “menschen die ’n buiten houwen” werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter beloofde “heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet te ravotten, z’n kleeren niet te scheuren” en zoo-al meer. Ook zeide juffrouw Pieterse “dat ’t zoo lief van ’r was, dat ze dit toestond, want ’t was toch ’n heel ding voor ’n kind om zoo eens uittegaan.”
Ja, Wouter zou uitgaan! Voor ’t eerst uitgaan, voor het eerst eten, drinken, zich vermaken onder ’n vreemd dak. ’t Was ’n hoofdgebeurtenis in z’n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen.
De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid stapte Wouter de poort uit. “’t Was rechts, links, weer links, dan ’n brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen” had Gus gezegd. En de tuin heetteStad-rust, dus: “Wouter moest maar vragen, dan zou-i ’t zeker vinden.”
Dit was ook zoo. Wie voor ’t eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter was opStad-rustvóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden dat Wouter ’n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was geweest.
De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en ’t stoeien, draven, gooien, nam ’n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade “die heel langzaam moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren.”
Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de volkomenheden vanStad-rust, ook dat prieel moeten opnoemen, waar Betsy zat met dien heer...
—Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met de jongens.
—Wel, dat is Betsy’s vryer.
Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter z’n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was ’n vrystertje, in zyn meening, ’n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving hem de lust om te weten hoe ’n volwassen heer vryt met ’n meisje dat niet meer school-gaat.
—Haar vryer?
—Wel zeker ... geëngageerd!
Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is, kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich slechts de vraag: wanneer is in de KlasseBurgerstand, III, 7,a1(Pp) ’t flauwe “geëngageerd zyn” in zwang gekomen voor ’t hartelyke: vryen?
—Ge ... wàt? vroeg Wouter.
—Geëngageerd ... ze verkeeren.
—Wat is dat?
—Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet?
Wouter voelde schaamte dat-i zoo’n eenvoudige zaak niet wist, en zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte.
—Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje metmytrouwen?
Emma kon op ’t oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze weghuppelde om te voldoen aan ’n konvokatie tot “stuivertje-wisselen” in ’n anderen hoek van den tuin.
Als den lezer deSpectatorvan Van Effen bekend is, zal-i zich herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eenerburger-vryaadje. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef dezen Justus makkelyker ’t afluisteren dan ’t verzinnen, ’t Eerste is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen bestudeert omSpectatorsofIdeente schryven. Wie ’t afkeurt, moet ook den geneesheer veroordeelen die z’n patient bespiedt met het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.
Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van ’t huiselyk leven der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor ’n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen inhelder licht, wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van ’t geslachtsleven—in alle beteekenissen!—dat zich meer dan andere handelingen verbergt voor de blikken van den opmerker.
“Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?” vraag ik altyd myzelf als ik ’n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige vraag: “zoudenze elkaar wat te zeggen hebben?”
Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik ’n lid van myn geslacht, ’n wederdeel dus van myzelf, eenmensch, moet verdacht houden van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der schoonste—neen, van de eenige—kracht der Natuur, van opstand tegen de aantrekkingswet. Liefde—ik heb ’t al meer gezegd, en men heeft myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet—liefde is neiging tot éénzyn.
Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig inregel, veelvoudig intoepassing. De liefde van ’n dief zal wel beduiden: kom, laat ons saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z’n geliefde in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: “elck ghedierte naer synen aerdt.”
Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen, by sommigen tevens de begeerte wezen tot hetgoede?
By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan ’t vogeltje dat zoo angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen, en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreepzyniet dat er verband was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en ’t kloppen van z’n hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer, maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven ’t buisje.
Hoe dit zy, hèm ware ’t onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan ’t schryven van ’nSpectator, voelde Wouter groote begeerte om te weten hoe de jongeheer die met Betsy in ’t prieel zat, zich kweet van ’t “verkeeren.” Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z’n kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte in z’n liefdestudie.
—Ja, ik heb ook gezegd: met Mei...
—Wel zeker, om de bovenhuizen...
—’t Is ’n gemaal! En wat zegt je moeder?
—Zóó ... zy vindt we moesten ’t nog ’n jaartjen aanzien. ’t Is zoo onfatsoenlyk gauw te trouwen. ’t Is net, weetje, of...
—Vier jaar...
—Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest...
Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen ’n bovenhuis huren, liefst in Mei.
—En kryg je nou die linnenkast?
—Neen ... die wil m’n moeder zelf houden. Maar als we nog ’n jaar wachten, zal ze ons ’n andere geven, zegt ze, ’n kleine.
—’k Had liever de groote.
—Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast noodig. Maar toen m’n zuster trouwde, heeft ze toch ’n groote kast “meegekregen.”
—Zeg dan dat je ’r ook een moet hebben.
—’t Zal niet helpen.
—Probeer ’t maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.
—’k Wil ’t wel vragen, maar ...
Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in ’t prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in ’n donker hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik riep hy:
—Zouzy’t wezen ... m’n zusje?
’t Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens’huis worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zouverteldworden door een van degrooten.
Welke “groote” verdwaald was opStad-rust, om dáár Moore’sPeri en Paradyste behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet paste by Betsy’s “engagement” en die liefdesmorende linnenkast. Maar evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat “aan wie ’t vatten wil” de gelegenheid geeft zich te verheffen boven ’t alledaagsche. Eénmaal wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit!
De “groote” volgde in z’n vertelling den engelschen dichter niet.
Hy volgde een van de vele wyzen waarop deperi-legende in alle talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ontstaan was.2
“DePeridie voor de poorten van ’t paradys vruchteloos smeekte te worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo na veel vergeefsche pogingen eindlyk als ’t schoonste wat de aarde opleverde, den laatsten zucht van ’n berouwhebbend zondaar, en vond genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der gave die zy offerde...
—Nu pandverbeuren! riep Gus.
—Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na.
Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest “gezoend” worden, dat spreekt vanzelf. “Een raadseltjen opgeven.” ’t Werd niet geraden... natuurlyk. Wie ’twist, mocht het niet zeggen! Dat is by raadsels zoo de gewone konditie.
—Wat zal de eigenaar van dit pand doen?
—Op één been staan!
—Over ’n strootje springen!
—Een vers opzeggen!
—Neen, ’n fabel...la cigale, of zoo-iets!
—Ja, ja, ja!
’t Pand was van Wouter.
—Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet.
—Ik zal je helpen, riep Emma...le pere,du père.
—Och, dat ’s geen fabel... toe, Wouter!
’t Was ’n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen fabel kende en geen fransch verstond. Als ’n bekwaam mensch wist hoeveel genoegen hy velen doet met ’n blyk van watonbekwaamheid, zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde.
Maar Wouter dacht ditmaal niet aan ’t pleizier van de anderen, dat-i ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.
—Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.
—’t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar ’n fabel.
—Maar ik weet niet wat ’n fabel is.
—Wel, dat ’s ’n vertelling met beesten.
—Ja... of met boomen:le chêne, un jour, dit au roseau, zieje, er hoeft juist geen beest in te komen.
—Ja, ja... ’n fabel is ’n vertelling, anders niet... er mag inkomen wat ’r wil.
—Maar ’t moet rymen!
Wouter was op ’t punt z’n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht zich, en gelukkig! Want dat ware ’n groot schandaal geweest in den huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.
—Wel neen, ’t hoeft niet te rymen ook, riep ’n ander die al weer wyzer was dan de rest, “de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes hangen, prins Willem de eerste was ’n groot wysgeer.” Zieje Wouter, ’t gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet.
Wouter begon:
“Er was eens ’n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht...”
—Ho, ho, dat ’s de geschiedenis van dePeri! Wat anders!
—Ik zal ’t anders maken, beloofde Wouter verlegen.
“Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ookomdat-i meestal z’n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i...
Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over ’t onzalige “moedersknipje.” Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te grieven door ’n schynbare toespeling op den pepermenthandel.
“... omdat-i eens gelachen had onder ’t bidden. Want, dit is zeker, jongetjes die lachen onder ’t bidden, komen niet in den hemel.
—Z... o... o... o? vroegen ’n paar schuldbewusten.
“Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen ’n zusje gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z’n zusje. “Wie is uw zusje?” vroeg men hem...
—Wie vroeg dat?
—Stil, val ’m niet in de rede, laat Wouter voortgaan.
“Ik weet niet wie dat vroeg. Maar ’t jongetje zei dat z’n zusjen... ’n blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had...
—Net als Emma.
—Ja, net als Emma.
“Men zei hem dat er in den hemel ’n klein meisje was, dat er juist zoo uitzag. Ze was daar ’n jaar geleden gekomen, en had verzocht haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar ’t jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom.”
—Hadzyaltyd ’r “vragen” gekend?
—Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.
“Hy was heel verdrietig omdat-i z’n zusje niet zou weerzien, en vond nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. “Och, laat me toch binnen!” vroeg-i heel vriendelyk aan ’n heer die aan de deur stond...
—Aan depoort, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden door de dagelyksheid eenerdeur, maar niet getroffen waren door de verhevenheid van Wouter’s begrippen over ’t sterven.
Zoo gaat het meer.
“Goed, aan depoort, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei: neen. Daarop keerde ’t jongetje terug naar de aarde.”
—Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.
—Laat ’m toch voortgaan... ’t is immers maar ’n vertelling.
“Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i daarna weer voor de... poort stond, zeid-iowi, m’sieu!Maar ’t hielp niets, hy mocht toch niet binnengaan.
—Dat geloof ik graag... hy had moeten zeggen:j’aime,tu aimes.
—Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter.
“Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z’n “vragen” zóó dat-i ze kon opzeggen van-achter-af, van:Heer, kom haastelyktot:met privilegie. En dat deed-i aan de poort. Maar ’t hielp weer niet... hy mocht nog niet binnen.”
—Dat wil ik wel gelooven, riep ’n wyze. Om in den hemel te komen, moet men “aangenomen” zyn. Was-i aangenomen?
“Ach neen, zei Wouter, daarom juist was ’t zoo moeilyk! Hy beproefde telkens wat anders, maar ’t lukte niet. Hy zei dat-i met z’n zusje geëngageerd was...
—Net als Betsy, riep Emma.
“Ja, net als Betsy. Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met ’r trouwen wilde... maar ’t hielp alles niet, hy mocht niet in den hemel. Op ’t laatst durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer aan de poort knorrig worden zou...
—Nu, en hoe is ’t verder?
—Ik... weet... niet... verder, stamelde Wouter, ik weet niet wat het jongetje doen moest om in den hemel te komen.
Wouter wist wèl verder, al kon hy niet onder woorden brengen wat-i wist. Dit bleek ’n uur later.
By ’t naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uiteenvloog om ’t rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort uitholde, gleed Emma onder de leuning van de brug door, en viel in de stadsgracht. Men loosde een gil... nòg een...
Wouter was ’t kind nagesprongen.
Als-i op dàt oogenblik gestorven ware, zou zeker de “heer aan de poort” hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond of niet “aangenomen” was.
Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht, zei juffrouw Laps dat men den Heere niet mocht verzoeken. En dàt was ’t toch, als men te-water sprong zonder te kunnen zwemmen.
Ik vind dat die “Heer” ’t best te-pas komen zou by iemand die niet zwemmen kan. Wie ’t wèl kan, heeft meer kans zichzelf te helpen.
En juffrouw Pieterse klaagde “dat er met dien jongen altyd wàt was.”
Nu, dàt vind ik ook.
1In I. 440 stelt M. de vraag, of die klacht werd verstaan, dat roepen gehoord, met verwyzing naar zyneGeloofsbelydenis, opgenomen inVerspreide stukken.2In I. 443 wyst M. er op hoe alle volkeren de herinnering aan een gouden eeuw bewaard hebben, doch dat deze fancy-verschyning vervloog, toen priesters dit verlangen uit geldzucht gingen exploiteeren.
1In I. 440 stelt M. de vraag, of die klacht werd verstaan, dat roepen gehoord, met verwyzing naar zyneGeloofsbelydenis, opgenomen inVerspreide stukken.
2In I. 443 wyst M. er op hoe alle volkeren de herinnering aan een gouden eeuw bewaard hebben, doch dat deze fancy-verschyning vervloog, toen priesters dit verlangen uit geldzucht gingen exploiteeren.