Chapter 6

Groote verandering in de familie. Wouter’s benoeming tot lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.Ik denk dat juffrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de Pietersens verhuisden op eenmaal naar ’n “fatsoenlyker” buurt, en de jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze waren “op naaien geweest.” Zulke dingen hooren by erfenissen, of by verhuizen “met verbetering.” En er waren nog andere blyken. Leentje werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord “gezeid” te veranderen in: “gezegd” want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, de “de mevrouw van hier-naast” zoo conjugeerde. Dus zou ’t wel goed wezen. En Stoffel zei, dat hy ’t al lang geweten had:—Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. ’t Ispla, moeder. Denkt uwe maar omplaats...—Remplaats...—Né moeder,pla ... plas...Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar ’t zou moeielyk wezen, want er was juist “zoo’n gedoe over de militie” en ze vertelde gaarne: “hoe ze heel goed in-staat was haar zoon te rempl...—Né, moeder,uweremplaceert Laurens niet...—Och wat ’n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hiernaast gezeid heeft...—Gezegd, moeder.—Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen:gezegd. Onthou ’t nou, en laat ik ’t nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus.Wouter had ’n jasje gekregen, met ’n kraagje zoo-als nu palfreniers dragen. Degarrickshadden afgedaan, encloakswaren er nog niet. ’t Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote sprongen doen. En ’t spreekt vanzelf, dat nu ’t buisje boven den broek was geraakt. “’t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen gezegd, voor ’n jongen die al rymen kon.”Want, dat Wouterrymenkon, vertelde men aan ieder die ’t hooren wou. Eigenlyk was ’t nog-al valsch, roem te oogsten van ’n feit dat zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die ’t verrichtte. Dit bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was.Het huis Pieterse handelde hierin als veelnatiëngewoon zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te verheffen op deugd of genie—och, ook dàt is één—van mannen die men wreed en dom pennewipte toen ze “er by waren” dat is: zoolang die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn, wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van ’t denkbeeld dat hy zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet ware bewaard gebleven door z’n “kinderachtigheid.” Stoffel namelyk trok den neus op voor ’t jongetje dat nog altyd zakjes naaide voor z’n griften, met ’n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden, by gelegenheid eener kraamhistorie in de buurt. Wouter had zonder fluisteren gevraagd: “wat het was?” Nu... “zoo’n groote jongen moest toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden.”Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter’s hart, en ook de kleine Emma was vergeten. Zelfs Omikron moest van-tyd tot-tyd haar gelaat toonen in de sterren, om ’t kind aan z’n liefde te herinneren. En zelfs, àls hy den avendhemel zag, als hy werd aangedaan door dat onuitsprekelyk verlangennaar het goede... dannog bestond Wouters’s aandoening niet zoozeer in het denken aan Omikron, dan wel in ’t onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen. Er bestond reeds in z’n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te scheiden van geschiedenis, en niet ongelyk aan de groote geologische of voorgeologische waarvan Fancy scheen gesproken te hebben. In den grooten droom dien ’t kind droomde, was verwarring tusschen zyn en niet-zyn. Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne fantazie die trouwens evenzeerwerkelykheidwas. De kleuren der teekening vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken, na vergeefsch pogen om helder te zien in z’n eigen hart, voelde hy iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er in, en onmachtig verdriet. Maar daar ’t hem ontbrak aan de handigheid om weemoed te verkoopen by de maat en op maat, zweeg de arme jongen, en droeg-i heel alleen de ergernis over de wanorde van z’n gevoel.Zelfs wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel goedig dat z’n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje van der Gracht, met ’n soort van eerbied.Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van z’n eigen hart.Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps. ’t Was hem een pure revelatie.’t Mensch “had aanstaande week ’n oom jarig.” En ze legde een staatsie-bezoek af by de Pietersen’s om te vragen of Wouter een “aardigheidje” wou maken voor die gelegenheid. Ze had er ’n ons ulevellen voor over.—Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het godsdienstig moet wezen, en dat m’n oom ’nweduwmanis. Ziet u ... dat moet u er in brengen. En ik wou ’t graag hebben op de wys van psalm 103, dan kan ’t gezongen worden, want m’n oom heeft die psalm op ’n liertje.De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van Apollo’s lier. Ze meende zoo’n draaiding dat ’n jingelend geluid geeft.Jufvrouw Pieterse zou ’t Wouter zeggen als-i van school kwam, maar overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten, dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. “Want, dat haatte ze als de dood ... in ’n kind.”Ik ook, als ’t ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik ’t zeer aftekeuren maar niet alleen in kinderen.—Heb je je les gekend, Wouter?—Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen, en ik wist er maar negen.—Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal. Denk je dat het geld me op den rug groeit? Wat moet er van je worden?Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er worden van iemand die niet weet hoe allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te beklimmen?11In I. 511 betoogt M. het verderfelyke van schoolonderwys.Wouter’s eerste les in verzemakery, en z’n 1001e in nederigheid. Belangryke ontmoeting van ’n waschvrouw en haar dochter. Onderricht in ’t alleen zaligmakend geloof. Beminnen, weten, stryden, de hoofdneigingen van individu en menschheid.De opdracht om ’n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw Pieterse en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn talent, te omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte van genoegen, by de ontdekking dat men hem “voor iets aanzag.” Hy had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooitietsworden zou ... dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die z’n moeder en broêr in ’t werk stelden, om hem te doen gelooven dat de heele commissie eigenlyk een straf was voor z’n onkunde in de namen van bergen. “Ja,”zei Stoffel:—Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest ... maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en staande regels...—Hè? vroeg Wouter.—Wel zeker ... weet je dat nog niet eens? Heeft meester Pennewip je dat niet geleerd? Of heb je weêr niet opgelet? Kyk ... zoo!En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar ’t lukte niet.—Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter:hoog, omhoog, het hart naar boven... dat ’s liggend, zieje, En:hier beneden is het niet... dat staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God...—Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.—Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even lang wezen.—En je krygt ulevellen... en als je ’r niet meê terecht kunt, zei de moeder, vraag het dan maar aan Stoffel.—Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt, ’t is heel makkelyk...Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam een lei, en schreef er op. Maar mooi was ’t niet. Ook kon-i maar niet verder komen dan:Een weduwnaar van God... O God, een weduwnaar...Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden slee op z’n grift, en ’t grift tot gruis... maar ach, ’t ging niet. Hy was ’n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft, want nu begon hy te gelooven dat z’n moeder gelyk had, toen ze zeide: “dat er van dien jongen nooit iets komen zou.”Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staanderegels waren? En daar zy ’t ook niet wist, besloot hy “morgen eens weêr te probeeren. Misschien zou ’t dan beter gaan.”Dit vond Leentje ook.—My wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert voor jufvrouw Laps ... want ik heb gezeid dat je ’t kon ... en de man is jarig woensdag over acht dagen ... dus veel tyd heb je niet.Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon daar bitter te schreien.—Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy ’n vrouw zeggen tot een meisje van veertien, zestien jaren, ’t kind heeft zeker iets verloren.—Heb je wat verloren, jonge-heer?Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat herkende. ’t Deed hem denken aan Fancy.—O, nu is alles goed ... nugydaar zyt! Ik heb zoo naar u verlangd...—Naar my, jonge-heer?—Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde ... maar nu weet ik het. O, zeg het my toch spoedig ... wat staande regels zyn, en hoe ik m’n vers moet maken.Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op ’t gras, keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder, en zei niet te weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets aan haperde was zeker.—Hy ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze.En daarop haalde ze uit ’n klein huisjen in de buurt, wat water dat ze Wouter toereikte in een theekopje. Wouter-zelf begon te begrypen dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het voorkomen en in de wyze van doen van ’t meisje, dat hy zich tot haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy, dat al veel was.Femke wees Wouter ’n omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet. Wouter deed dit zoo goed hy kon, terwyl moeder en dochter zich bezighielden met haar “bleek.”—Misschien kanikje wel helpen, jonge-heer ... zei de moeder, want m’n man heeft ’n aangetrouwden neef die wewenaar is...—Ja, jufvrouw ... maar de liggende regels. En er moet van God inkomen.—Precies, jonge-heer. Och, ’t is ’n heele historie. Z’n vrouw was m’n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof goed ... leg ’n steentjen op die asseldoekjes Femke, anders waaien ze weg ... ja, jonge-heer, ’t is ’n heel ding met zoo’n bleek, je heb ’r geen begrip van, zoo ’n ding als ’t is ... nu, ze onderhield haar godsdienst, en daar deed ze goed aan, want—dat zal je ook wel weten, jonge-heer—als ’n mensch z’n godsdienst niet doet, iser niet veel aan, maar hy ... trek dat hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in de sloot ... maar hy gaf er niet om, en zei dat ’t allemaal gekheid was ... maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd ... ’t was pater Jansen die ’r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen ... hy loopt altyd met zoo’n stokkie, en raakt er nooit meê aan den grond...De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op ’t omgekeerd korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in beide handen. Hy luisterde met open mond, en spande zich in om te begrypen hoe die vertelling zou neêrkomen op verzemaken. Maar van pater Jansen en diens aarde-verachtend stokje had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen.—Nu, ’t was pater Jansen die ’r bediende. En toen m’n mans neef dat zag ... giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder zoo op ... ja, toen-i zag dat ’n mensch toch niet sterft als ’n stom beest, toen had-i ’r weet van, en naderhand heeft-i z’n paschen gehouden net als ’n ander ... en toen-i verleden jaar z’n been brak, want hy is schilder, weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien stuiver van de armen gehad ... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook ’n wéwenaar in m’n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje, jongeheer, want ik heb ’t noodig.Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden te wezen in ’t gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw ging heen, na een ernstige vermaning aan Femke, om goed op de bleek te passen, en haar te roepen als ’r kwaêjongens kwamen. Want dat gebeurde wel eens, zei ze.—Ben je weêr beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke Femke.—O ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat alles zal te-pas brengen in m’n vers.Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op ’t denkbeeld komen, dat Wouter moed noodig had om z’n gebrek aan begrip te erkennen. We zyn zoo gewoon aan ’t niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin berusten. En ’t gedurig waarnemen van die berusting in anderen, maakt ons beschaamd over onze stompheid waarmeê wy meenen alleen te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich verheugde overalgemeenetoejuiching, den indruk onderzoeken dien z’n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren, dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand, en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle anderen veronderstelde. De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van naam, hebben daaraan hun roem te danken.Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke, dat z’n vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger.—Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle regelseven lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan ... want dat heeft m’n broêr gezegd, die zelf schoolmeester is.Femke peinsde, en op-eens:—Ken je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was.—Ach neen...—Nu, ’t doet er niet toe, riep ze, ’t hollandsch staat er naast ... ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen?Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis.Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter, in ’t diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun toe daarmeê optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en plaagden onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen. Hy had ’n gevoel of-i Femke-zelf zag mishandelen en vloog dapper op de bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z’n dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste hem, en verjaagde de ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan de lip, gaf ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde weêr—voor ’t eerst in langen tyd—dat prinselyke waarmeê hy Leentje eens zoo verschrikt had. Z’n oogen flonkerden, en den armen jongen, die zoo-even geen vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen van gevoel, van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot dichter.—O Fancy ... Fancy ... sterven voor u ... sterven met zulk een kus op de lippen!Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest, hy had lust in ongelyken stryd.En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had, begreep hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus in ’t bezit van deroueriedie de Natuur ten bruidschat geeft aan onschuld. Zy voelde Wouter’s ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die ridderlykheid beloonen kon.—Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met beide handen, en kuste hem weêr, en nog-eens ... op ’n wyze alsof ze ’t meer gedaan had. Wat toch niet waar was.—En nu moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan Mischien zal ’t je helpen voor je tante...—Ze is m’n tante niet, antwoordde Wouter, maar ’t boekje wil ik wel zien.Hy legde ’t op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke, grooter dan hy, had den arm om z’n hals geslagen, en wees hem met de andere hand wat hy lezen moest. Een lieve schildery!—Zie, die regels zyn even lang, zei ’t meisje.—Ach ja ... maar ze rymen niet.En Wouter las:Allerreinste moeder,Allerzuiverste moeder,Ongeschonden moeder,Onbevlekte moeder,Machtige maagd,Goedertierene maagd,Getrouwe maagd,Geestelyk vat,Eerwaardig vat,Schoon vat van devotie,Geestelyke roos,Toren van David,Ivoren toren,Deur des hemels...—Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers? Ik begryp er niets van.Nu moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet veel van begreep. Sedert vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd tevreden geweest met de maat van haar begrip. Maar nu ze door Wouter’s onnoozelheidin morâgesteld werd, reden te geven van haar geloof, bemerkte zy voor ’t eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde schaamte hierover, en sloeg ’t boekje dicht.—Maarkenje dan ’t geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.—Zóó niet, zei Wouter. Ik heb ’t anders geleerd.—Maar je gelooft toch aan Jezus?—O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en torens. Hoort dat by ’t geloof?—Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria.—Zoo? Maria? Ja, dan weet ik het.—En ’t vagevuur?—Daar weet ik niet van.—En de biecht?—Gut né...—Maar hoe maak jelui ’t dan?—Hoe meenje dat, Femke?—Wel ... om zalig te worden.—Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in den hemel te komen?—Wel zeker. Daarom is ’t te doen, en dat kan niet zonder de Heilige Maagd, en zonder zoo’n boekje. Wilje dat ik je ’t geloof leer, Wouter? Dan komen we samen in den hemel.Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon:—God schiep de wereld...—Wat deed hy vóór dien tyd, Femke?—Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de menschen weer goed te maken ... dat is lang geleden...—Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar veranderd. Hy begon met nul by z’n geboorte.Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan vanden ander, en Wouter was grootsch dat-i toch ook iets wist van ’t geloof, al was het dan volgens Femke ’t ware niet.—Nu, Jezus heeft de menschen weêr goed gemaakt, en als je nu goed bidt uit zoo’n boekje, dan word je zalig. Begryp je ’t nu, Wouter?—Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren?—Wel, dat is zoo’n benaming van de Heilige Maagd. ’t Is by-voorbeeld alsof je ...patertegen den pastoor zegt. Daar heb je nu...Femke zocht een voorbeeld....daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?—Wel ... ik zeg: moeder.—Juist. Maar hoe noemt haar een ander?—Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse.—Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt. Als men roept:jufvrouw Pieterse!dan is het, dat ze luisteren zal, en zoo wilivoren poortzeggen, dat men onder de Heilige Maagd moet doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is ’t te doen.—Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk ... een maagd?Femke kleurde.—Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft...—Ik? vroeg Wouter verbaasd.—Wel neen, malle jongen ... ’t moet een meisje wezen.—Ben jy een maagd?—Wel zeker...Femke sprak de zuivere waarheid.—Wel zeker ... omdat ik niet getrouwd ben.—Maar Maria was toch getrouwd ... en Jezus was haar kindje.—Dat is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom heet zeivoren poort. Begryp je ’t nu, Wouter?Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje meê te nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke moest het dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte hierin met te-meer spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets bedorven werd aan Femke’s zaligheid. Maar Femke noodigde hem uit, dikwyls weêrtekomen. Ze wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van de zaak wist, en als er iets haperde, zou ze ’t aan pastoor Jansen vragen. Dan kon Wouter heel gauw zoo knap worden als de beste.Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met dat meisje, dat geheimzinnige boekje, ’t zaligworden, zyn gevecht met de bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met de gedachte aan ’t vers dat-i maken moest. En—zonderling!—ook scheen er verband tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit had hem dan ook weêrhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die z’n gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by ’t kort begrip van Femke’s theologie. Hyzoubegrepenhebben dat haar weten ver beneden ’t zyne stond, maar in zyn onbestuurdgevoelveranderde alles van zin. Thuiskomende bladerde hy in Stoffel’s boeken, of daarin ook soms iets te vinden ware van heilige vaten, ivoren torens, of allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond niets dan dorre schoolboekjes die over allerlei dingen handelden, maar niet over de zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven, en z’n heele omgeving dwong hem tot kruipen.Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld schiep. Deze vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden. Hy kon zich ’tniet-zynniet voorstellen, en het verdroot hem, niet te kunnen doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens als zyn ongeoefend denkvermogen stuitte op ’n onmogelykheid, of afdwaalde op bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt van uitgang, om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar ’t ééne onbekende: de oorzaak van hetzyn.—Meester Pennewip heeft ’n vader en eene moeder gehad, zuchtte hy ... goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was ... zou dàt ook de reden zyn dat Slachterskeesje ... neen, ik wil niet afdwalen. Die oude heer Pennewip moet ook ’n vader gehad hebben ... en die weer ... en die ook ... en die weer ... ja altyd ... maar wie is deeerstePennewip geweest? En wie zou de varkens geslacht hebben, vóór er spekslagers waren? En wat deden de spekslagers, toen er nog geen varken was?En waar is ’t eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of ’t eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of ’n pit?En God? Toen hy aan ’t scheppen ging, moest hy toch een wil gehad hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er niets van, en zou ’t toch zoo graag willen weten.Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen-bestaan gezocht is door alle wysgeeren. ’t Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich eenbeginte denken. En als veel anderen—ouder, maar niet veel wyzer dan hy—wanhoopte hy niet. Eenmaal zou hy ’t weten, dacht-i...Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken.En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten betalen als-of ’t wysheid geweest ware.Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar zoo gerust ware geweest over den afloop van ’t vers, dat nog altyd niet op stapel stond. Als dàt maar eerst klaar was, meende hy, dan zou hy de eerste oorzaak der dingen ook wel te weten komen. Intusschen droomde hy van Femke, van haar blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die zachte lippen. En van de stem, waarmeê ze gezegd had: je bent een lieve, lieve jongen...—Zouzy’t wezen ... Omikron? dacht hy.Zoo droomde ’t kind. En by den knaap, als in de ontwikkelingsperiode der menschheid, werkten de krachten van de driedubbele veêr die ons voortdryft, in ééne richting.Beminnen, weten, stryden—alles saêmtevatten in:beweging—ziedaar de zielkundige analyse van ’t doel dat de jeugd aantrekt, en die tevens eenige opheldering geeft van de Wereldgeschiedenis, vooral uit de tyden die we gewoon zyn duister te noemen, doch die in zekeren zin helderder voor ons oog staan, dan de zoogenaamd-strikthistorische.De knaapWouter, evenals ’t kind:Menschdom, werd voortgedreven door ’n driedubbele kracht, door behoefte aanliefde, aanwetenschapen aanstryd.Als in degenesis-legende, en in het drama van Faust, moest ook de weetgierigheid van Wouter, samensmeltend met de aantrekkingskracht die ’n onbeduidend meisjen op hem uitoefende, het middel wezen om hem toeterusten tot den stryd dien hy zou te voeren hebben.11In I. 513–517 wordt een uitvoerig betoog geleverd om de “duidelyke oprechtheid der legende tegenover de leugens der historie” te stellen. Hiertoe worden proclamaties en Staatsstukken uit den tyd van de Bataafsche Republiek en van Koning Lodewyk en een necrologie vanVander Palm als professioneele en professorale leugens op de kaak gesteld. Daartegenover stelt M. de psychische waarheid in de legenden van Amor en Psyche, van Genesis en Faust.

Groote verandering in de familie. Wouter’s benoeming tot lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.Ik denk dat juffrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de Pietersens verhuisden op eenmaal naar ’n “fatsoenlyker” buurt, en de jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze waren “op naaien geweest.” Zulke dingen hooren by erfenissen, of by verhuizen “met verbetering.” En er waren nog andere blyken. Leentje werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord “gezeid” te veranderen in: “gezegd” want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, de “de mevrouw van hier-naast” zoo conjugeerde. Dus zou ’t wel goed wezen. En Stoffel zei, dat hy ’t al lang geweten had:—Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. ’t Ispla, moeder. Denkt uwe maar omplaats...—Remplaats...—Né moeder,pla ... plas...Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar ’t zou moeielyk wezen, want er was juist “zoo’n gedoe over de militie” en ze vertelde gaarne: “hoe ze heel goed in-staat was haar zoon te rempl...—Né, moeder,uweremplaceert Laurens niet...—Och wat ’n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hiernaast gezeid heeft...—Gezegd, moeder.—Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen:gezegd. Onthou ’t nou, en laat ik ’t nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus.Wouter had ’n jasje gekregen, met ’n kraagje zoo-als nu palfreniers dragen. Degarrickshadden afgedaan, encloakswaren er nog niet. ’t Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote sprongen doen. En ’t spreekt vanzelf, dat nu ’t buisje boven den broek was geraakt. “’t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen gezegd, voor ’n jongen die al rymen kon.”Want, dat Wouterrymenkon, vertelde men aan ieder die ’t hooren wou. Eigenlyk was ’t nog-al valsch, roem te oogsten van ’n feit dat zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die ’t verrichtte. Dit bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was.Het huis Pieterse handelde hierin als veelnatiëngewoon zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te verheffen op deugd of genie—och, ook dàt is één—van mannen die men wreed en dom pennewipte toen ze “er by waren” dat is: zoolang die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn, wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van ’t denkbeeld dat hy zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet ware bewaard gebleven door z’n “kinderachtigheid.” Stoffel namelyk trok den neus op voor ’t jongetje dat nog altyd zakjes naaide voor z’n griften, met ’n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden, by gelegenheid eener kraamhistorie in de buurt. Wouter had zonder fluisteren gevraagd: “wat het was?” Nu... “zoo’n groote jongen moest toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden.”Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter’s hart, en ook de kleine Emma was vergeten. Zelfs Omikron moest van-tyd tot-tyd haar gelaat toonen in de sterren, om ’t kind aan z’n liefde te herinneren. En zelfs, àls hy den avendhemel zag, als hy werd aangedaan door dat onuitsprekelyk verlangennaar het goede... dannog bestond Wouters’s aandoening niet zoozeer in het denken aan Omikron, dan wel in ’t onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen. Er bestond reeds in z’n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te scheiden van geschiedenis, en niet ongelyk aan de groote geologische of voorgeologische waarvan Fancy scheen gesproken te hebben. In den grooten droom dien ’t kind droomde, was verwarring tusschen zyn en niet-zyn. Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne fantazie die trouwens evenzeerwerkelykheidwas. De kleuren der teekening vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken, na vergeefsch pogen om helder te zien in z’n eigen hart, voelde hy iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er in, en onmachtig verdriet. Maar daar ’t hem ontbrak aan de handigheid om weemoed te verkoopen by de maat en op maat, zweeg de arme jongen, en droeg-i heel alleen de ergernis over de wanorde van z’n gevoel.Zelfs wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel goedig dat z’n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje van der Gracht, met ’n soort van eerbied.Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van z’n eigen hart.Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps. ’t Was hem een pure revelatie.’t Mensch “had aanstaande week ’n oom jarig.” En ze legde een staatsie-bezoek af by de Pietersen’s om te vragen of Wouter een “aardigheidje” wou maken voor die gelegenheid. Ze had er ’n ons ulevellen voor over.—Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het godsdienstig moet wezen, en dat m’n oom ’nweduwmanis. Ziet u ... dat moet u er in brengen. En ik wou ’t graag hebben op de wys van psalm 103, dan kan ’t gezongen worden, want m’n oom heeft die psalm op ’n liertje.De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van Apollo’s lier. Ze meende zoo’n draaiding dat ’n jingelend geluid geeft.Jufvrouw Pieterse zou ’t Wouter zeggen als-i van school kwam, maar overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten, dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. “Want, dat haatte ze als de dood ... in ’n kind.”Ik ook, als ’t ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik ’t zeer aftekeuren maar niet alleen in kinderen.—Heb je je les gekend, Wouter?—Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen, en ik wist er maar negen.—Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal. Denk je dat het geld me op den rug groeit? Wat moet er van je worden?Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er worden van iemand die niet weet hoe allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te beklimmen?11In I. 511 betoogt M. het verderfelyke van schoolonderwys.

Groote verandering in de familie. Wouter’s benoeming tot lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.

Groote verandering in de familie. Wouter’s benoeming tot lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.

Ik denk dat juffrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de Pietersens verhuisden op eenmaal naar ’n “fatsoenlyker” buurt, en de jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze waren “op naaien geweest.” Zulke dingen hooren by erfenissen, of by verhuizen “met verbetering.” En er waren nog andere blyken. Leentje werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord “gezeid” te veranderen in: “gezegd” want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, de “de mevrouw van hier-naast” zoo conjugeerde. Dus zou ’t wel goed wezen. En Stoffel zei, dat hy ’t al lang geweten had:

—Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. ’t Ispla, moeder. Denkt uwe maar omplaats...

—Remplaats...

—Né moeder,pla ... plas...

Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar ’t zou moeielyk wezen, want er was juist “zoo’n gedoe over de militie” en ze vertelde gaarne: “hoe ze heel goed in-staat was haar zoon te rempl...

—Né, moeder,uweremplaceert Laurens niet...

—Och wat ’n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hiernaast gezeid heeft...

—Gezegd, moeder.

—Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen:gezegd. Onthou ’t nou, en laat ik ’t nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus.

Wouter had ’n jasje gekregen, met ’n kraagje zoo-als nu palfreniers dragen. Degarrickshadden afgedaan, encloakswaren er nog niet. ’t Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote sprongen doen. En ’t spreekt vanzelf, dat nu ’t buisje boven den broek was geraakt. “’t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen gezegd, voor ’n jongen die al rymen kon.”

Want, dat Wouterrymenkon, vertelde men aan ieder die ’t hooren wou. Eigenlyk was ’t nog-al valsch, roem te oogsten van ’n feit dat zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die ’t verrichtte. Dit bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was.

Het huis Pieterse handelde hierin als veelnatiëngewoon zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te verheffen op deugd of genie—och, ook dàt is één—van mannen die men wreed en dom pennewipte toen ze “er by waren” dat is: zoolang die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn, wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van ’t denkbeeld dat hy zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet ware bewaard gebleven door z’n “kinderachtigheid.” Stoffel namelyk trok den neus op voor ’t jongetje dat nog altyd zakjes naaide voor z’n griften, met ’n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden, by gelegenheid eener kraamhistorie in de buurt. Wouter had zonder fluisteren gevraagd: “wat het was?” Nu... “zoo’n groote jongen moest toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden.”

Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter’s hart, en ook de kleine Emma was vergeten. Zelfs Omikron moest van-tyd tot-tyd haar gelaat toonen in de sterren, om ’t kind aan z’n liefde te herinneren. En zelfs, àls hy den avendhemel zag, als hy werd aangedaan door dat onuitsprekelyk verlangennaar het goede... dannog bestond Wouters’s aandoening niet zoozeer in het denken aan Omikron, dan wel in ’t onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen. Er bestond reeds in z’n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te scheiden van geschiedenis, en niet ongelyk aan de groote geologische of voorgeologische waarvan Fancy scheen gesproken te hebben. In den grooten droom dien ’t kind droomde, was verwarring tusschen zyn en niet-zyn. Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne fantazie die trouwens evenzeerwerkelykheidwas. De kleuren der teekening vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken, na vergeefsch pogen om helder te zien in z’n eigen hart, voelde hy iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er in, en onmachtig verdriet. Maar daar ’t hem ontbrak aan de handigheid om weemoed te verkoopen by de maat en op maat, zweeg de arme jongen, en droeg-i heel alleen de ergernis over de wanorde van z’n gevoel.

Zelfs wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel goedig dat z’n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje van der Gracht, met ’n soort van eerbied.

Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van z’n eigen hart.

Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps. ’t Was hem een pure revelatie.

’t Mensch “had aanstaande week ’n oom jarig.” En ze legde een staatsie-bezoek af by de Pietersen’s om te vragen of Wouter een “aardigheidje” wou maken voor die gelegenheid. Ze had er ’n ons ulevellen voor over.

—Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het godsdienstig moet wezen, en dat m’n oom ’nweduwmanis. Ziet u ... dat moet u er in brengen. En ik wou ’t graag hebben op de wys van psalm 103, dan kan ’t gezongen worden, want m’n oom heeft die psalm op ’n liertje.

De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van Apollo’s lier. Ze meende zoo’n draaiding dat ’n jingelend geluid geeft.

Jufvrouw Pieterse zou ’t Wouter zeggen als-i van school kwam, maar overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten, dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. “Want, dat haatte ze als de dood ... in ’n kind.”

Ik ook, als ’t ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik ’t zeer aftekeuren maar niet alleen in kinderen.

—Heb je je les gekend, Wouter?

—Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen, en ik wist er maar negen.

—Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal. Denk je dat het geld me op den rug groeit? Wat moet er van je worden?

Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er worden van iemand die niet weet hoe allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te beklimmen?1

1In I. 511 betoogt M. het verderfelyke van schoolonderwys.

1In I. 511 betoogt M. het verderfelyke van schoolonderwys.

Wouter’s eerste les in verzemakery, en z’n 1001e in nederigheid. Belangryke ontmoeting van ’n waschvrouw en haar dochter. Onderricht in ’t alleen zaligmakend geloof. Beminnen, weten, stryden, de hoofdneigingen van individu en menschheid.De opdracht om ’n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw Pieterse en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn talent, te omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte van genoegen, by de ontdekking dat men hem “voor iets aanzag.” Hy had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooitietsworden zou ... dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die z’n moeder en broêr in ’t werk stelden, om hem te doen gelooven dat de heele commissie eigenlyk een straf was voor z’n onkunde in de namen van bergen. “Ja,”zei Stoffel:—Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest ... maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en staande regels...—Hè? vroeg Wouter.—Wel zeker ... weet je dat nog niet eens? Heeft meester Pennewip je dat niet geleerd? Of heb je weêr niet opgelet? Kyk ... zoo!En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar ’t lukte niet.—Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter:hoog, omhoog, het hart naar boven... dat ’s liggend, zieje, En:hier beneden is het niet... dat staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God...—Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.—Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even lang wezen.—En je krygt ulevellen... en als je ’r niet meê terecht kunt, zei de moeder, vraag het dan maar aan Stoffel.—Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt, ’t is heel makkelyk...Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam een lei, en schreef er op. Maar mooi was ’t niet. Ook kon-i maar niet verder komen dan:Een weduwnaar van God... O God, een weduwnaar...Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden slee op z’n grift, en ’t grift tot gruis... maar ach, ’t ging niet. Hy was ’n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft, want nu begon hy te gelooven dat z’n moeder gelyk had, toen ze zeide: “dat er van dien jongen nooit iets komen zou.”Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staanderegels waren? En daar zy ’t ook niet wist, besloot hy “morgen eens weêr te probeeren. Misschien zou ’t dan beter gaan.”Dit vond Leentje ook.—My wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert voor jufvrouw Laps ... want ik heb gezeid dat je ’t kon ... en de man is jarig woensdag over acht dagen ... dus veel tyd heb je niet.Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon daar bitter te schreien.—Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy ’n vrouw zeggen tot een meisje van veertien, zestien jaren, ’t kind heeft zeker iets verloren.—Heb je wat verloren, jonge-heer?Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat herkende. ’t Deed hem denken aan Fancy.—O, nu is alles goed ... nugydaar zyt! Ik heb zoo naar u verlangd...—Naar my, jonge-heer?—Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde ... maar nu weet ik het. O, zeg het my toch spoedig ... wat staande regels zyn, en hoe ik m’n vers moet maken.Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op ’t gras, keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder, en zei niet te weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets aan haperde was zeker.—Hy ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze.En daarop haalde ze uit ’n klein huisjen in de buurt, wat water dat ze Wouter toereikte in een theekopje. Wouter-zelf begon te begrypen dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het voorkomen en in de wyze van doen van ’t meisje, dat hy zich tot haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy, dat al veel was.Femke wees Wouter ’n omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet. Wouter deed dit zoo goed hy kon, terwyl moeder en dochter zich bezighielden met haar “bleek.”—Misschien kanikje wel helpen, jonge-heer ... zei de moeder, want m’n man heeft ’n aangetrouwden neef die wewenaar is...—Ja, jufvrouw ... maar de liggende regels. En er moet van God inkomen.—Precies, jonge-heer. Och, ’t is ’n heele historie. Z’n vrouw was m’n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof goed ... leg ’n steentjen op die asseldoekjes Femke, anders waaien ze weg ... ja, jonge-heer, ’t is ’n heel ding met zoo’n bleek, je heb ’r geen begrip van, zoo ’n ding als ’t is ... nu, ze onderhield haar godsdienst, en daar deed ze goed aan, want—dat zal je ook wel weten, jonge-heer—als ’n mensch z’n godsdienst niet doet, iser niet veel aan, maar hy ... trek dat hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in de sloot ... maar hy gaf er niet om, en zei dat ’t allemaal gekheid was ... maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd ... ’t was pater Jansen die ’r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen ... hy loopt altyd met zoo’n stokkie, en raakt er nooit meê aan den grond...De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op ’t omgekeerd korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in beide handen. Hy luisterde met open mond, en spande zich in om te begrypen hoe die vertelling zou neêrkomen op verzemaken. Maar van pater Jansen en diens aarde-verachtend stokje had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen.—Nu, ’t was pater Jansen die ’r bediende. En toen m’n mans neef dat zag ... giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder zoo op ... ja, toen-i zag dat ’n mensch toch niet sterft als ’n stom beest, toen had-i ’r weet van, en naderhand heeft-i z’n paschen gehouden net als ’n ander ... en toen-i verleden jaar z’n been brak, want hy is schilder, weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien stuiver van de armen gehad ... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook ’n wéwenaar in m’n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje, jongeheer, want ik heb ’t noodig.Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden te wezen in ’t gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw ging heen, na een ernstige vermaning aan Femke, om goed op de bleek te passen, en haar te roepen als ’r kwaêjongens kwamen. Want dat gebeurde wel eens, zei ze.—Ben je weêr beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke Femke.—O ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat alles zal te-pas brengen in m’n vers.Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op ’t denkbeeld komen, dat Wouter moed noodig had om z’n gebrek aan begrip te erkennen. We zyn zoo gewoon aan ’t niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin berusten. En ’t gedurig waarnemen van die berusting in anderen, maakt ons beschaamd over onze stompheid waarmeê wy meenen alleen te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich verheugde overalgemeenetoejuiching, den indruk onderzoeken dien z’n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren, dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand, en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle anderen veronderstelde. De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van naam, hebben daaraan hun roem te danken.Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke, dat z’n vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger.—Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle regelseven lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan ... want dat heeft m’n broêr gezegd, die zelf schoolmeester is.Femke peinsde, en op-eens:—Ken je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was.—Ach neen...—Nu, ’t doet er niet toe, riep ze, ’t hollandsch staat er naast ... ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen?Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis.Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter, in ’t diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun toe daarmeê optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en plaagden onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen. Hy had ’n gevoel of-i Femke-zelf zag mishandelen en vloog dapper op de bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z’n dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste hem, en verjaagde de ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan de lip, gaf ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde weêr—voor ’t eerst in langen tyd—dat prinselyke waarmeê hy Leentje eens zoo verschrikt had. Z’n oogen flonkerden, en den armen jongen, die zoo-even geen vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen van gevoel, van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot dichter.—O Fancy ... Fancy ... sterven voor u ... sterven met zulk een kus op de lippen!Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest, hy had lust in ongelyken stryd.En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had, begreep hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus in ’t bezit van deroueriedie de Natuur ten bruidschat geeft aan onschuld. Zy voelde Wouter’s ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die ridderlykheid beloonen kon.—Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met beide handen, en kuste hem weêr, en nog-eens ... op ’n wyze alsof ze ’t meer gedaan had. Wat toch niet waar was.—En nu moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan Mischien zal ’t je helpen voor je tante...—Ze is m’n tante niet, antwoordde Wouter, maar ’t boekje wil ik wel zien.Hy legde ’t op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke, grooter dan hy, had den arm om z’n hals geslagen, en wees hem met de andere hand wat hy lezen moest. Een lieve schildery!—Zie, die regels zyn even lang, zei ’t meisje.—Ach ja ... maar ze rymen niet.En Wouter las:Allerreinste moeder,Allerzuiverste moeder,Ongeschonden moeder,Onbevlekte moeder,Machtige maagd,Goedertierene maagd,Getrouwe maagd,Geestelyk vat,Eerwaardig vat,Schoon vat van devotie,Geestelyke roos,Toren van David,Ivoren toren,Deur des hemels...—Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers? Ik begryp er niets van.Nu moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet veel van begreep. Sedert vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd tevreden geweest met de maat van haar begrip. Maar nu ze door Wouter’s onnoozelheidin morâgesteld werd, reden te geven van haar geloof, bemerkte zy voor ’t eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde schaamte hierover, en sloeg ’t boekje dicht.—Maarkenje dan ’t geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.—Zóó niet, zei Wouter. Ik heb ’t anders geleerd.—Maar je gelooft toch aan Jezus?—O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en torens. Hoort dat by ’t geloof?—Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria.—Zoo? Maria? Ja, dan weet ik het.—En ’t vagevuur?—Daar weet ik niet van.—En de biecht?—Gut né...—Maar hoe maak jelui ’t dan?—Hoe meenje dat, Femke?—Wel ... om zalig te worden.—Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in den hemel te komen?—Wel zeker. Daarom is ’t te doen, en dat kan niet zonder de Heilige Maagd, en zonder zoo’n boekje. Wilje dat ik je ’t geloof leer, Wouter? Dan komen we samen in den hemel.Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon:—God schiep de wereld...—Wat deed hy vóór dien tyd, Femke?—Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de menschen weer goed te maken ... dat is lang geleden...—Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar veranderd. Hy begon met nul by z’n geboorte.Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan vanden ander, en Wouter was grootsch dat-i toch ook iets wist van ’t geloof, al was het dan volgens Femke ’t ware niet.—Nu, Jezus heeft de menschen weêr goed gemaakt, en als je nu goed bidt uit zoo’n boekje, dan word je zalig. Begryp je ’t nu, Wouter?—Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren?—Wel, dat is zoo’n benaming van de Heilige Maagd. ’t Is by-voorbeeld alsof je ...patertegen den pastoor zegt. Daar heb je nu...Femke zocht een voorbeeld....daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?—Wel ... ik zeg: moeder.—Juist. Maar hoe noemt haar een ander?—Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse.—Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt. Als men roept:jufvrouw Pieterse!dan is het, dat ze luisteren zal, en zoo wilivoren poortzeggen, dat men onder de Heilige Maagd moet doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is ’t te doen.—Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk ... een maagd?Femke kleurde.—Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft...—Ik? vroeg Wouter verbaasd.—Wel neen, malle jongen ... ’t moet een meisje wezen.—Ben jy een maagd?—Wel zeker...Femke sprak de zuivere waarheid.—Wel zeker ... omdat ik niet getrouwd ben.—Maar Maria was toch getrouwd ... en Jezus was haar kindje.—Dat is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom heet zeivoren poort. Begryp je ’t nu, Wouter?Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje meê te nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke moest het dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte hierin met te-meer spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets bedorven werd aan Femke’s zaligheid. Maar Femke noodigde hem uit, dikwyls weêrtekomen. Ze wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van de zaak wist, en als er iets haperde, zou ze ’t aan pastoor Jansen vragen. Dan kon Wouter heel gauw zoo knap worden als de beste.Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met dat meisje, dat geheimzinnige boekje, ’t zaligworden, zyn gevecht met de bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met de gedachte aan ’t vers dat-i maken moest. En—zonderling!—ook scheen er verband tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit had hem dan ook weêrhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die z’n gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by ’t kort begrip van Femke’s theologie. Hyzoubegrepenhebben dat haar weten ver beneden ’t zyne stond, maar in zyn onbestuurdgevoelveranderde alles van zin. Thuiskomende bladerde hy in Stoffel’s boeken, of daarin ook soms iets te vinden ware van heilige vaten, ivoren torens, of allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond niets dan dorre schoolboekjes die over allerlei dingen handelden, maar niet over de zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven, en z’n heele omgeving dwong hem tot kruipen.Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld schiep. Deze vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden. Hy kon zich ’tniet-zynniet voorstellen, en het verdroot hem, niet te kunnen doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens als zyn ongeoefend denkvermogen stuitte op ’n onmogelykheid, of afdwaalde op bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt van uitgang, om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar ’t ééne onbekende: de oorzaak van hetzyn.—Meester Pennewip heeft ’n vader en eene moeder gehad, zuchtte hy ... goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was ... zou dàt ook de reden zyn dat Slachterskeesje ... neen, ik wil niet afdwalen. Die oude heer Pennewip moet ook ’n vader gehad hebben ... en die weer ... en die ook ... en die weer ... ja altyd ... maar wie is deeerstePennewip geweest? En wie zou de varkens geslacht hebben, vóór er spekslagers waren? En wat deden de spekslagers, toen er nog geen varken was?En waar is ’t eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of ’t eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of ’n pit?En God? Toen hy aan ’t scheppen ging, moest hy toch een wil gehad hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er niets van, en zou ’t toch zoo graag willen weten.Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen-bestaan gezocht is door alle wysgeeren. ’t Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich eenbeginte denken. En als veel anderen—ouder, maar niet veel wyzer dan hy—wanhoopte hy niet. Eenmaal zou hy ’t weten, dacht-i...Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken.En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten betalen als-of ’t wysheid geweest ware.Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar zoo gerust ware geweest over den afloop van ’t vers, dat nog altyd niet op stapel stond. Als dàt maar eerst klaar was, meende hy, dan zou hy de eerste oorzaak der dingen ook wel te weten komen. Intusschen droomde hy van Femke, van haar blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die zachte lippen. En van de stem, waarmeê ze gezegd had: je bent een lieve, lieve jongen...—Zouzy’t wezen ... Omikron? dacht hy.Zoo droomde ’t kind. En by den knaap, als in de ontwikkelingsperiode der menschheid, werkten de krachten van de driedubbele veêr die ons voortdryft, in ééne richting.Beminnen, weten, stryden—alles saêmtevatten in:beweging—ziedaar de zielkundige analyse van ’t doel dat de jeugd aantrekt, en die tevens eenige opheldering geeft van de Wereldgeschiedenis, vooral uit de tyden die we gewoon zyn duister te noemen, doch die in zekeren zin helderder voor ons oog staan, dan de zoogenaamd-strikthistorische.De knaapWouter, evenals ’t kind:Menschdom, werd voortgedreven door ’n driedubbele kracht, door behoefte aanliefde, aanwetenschapen aanstryd.Als in degenesis-legende, en in het drama van Faust, moest ook de weetgierigheid van Wouter, samensmeltend met de aantrekkingskracht die ’n onbeduidend meisjen op hem uitoefende, het middel wezen om hem toeterusten tot den stryd dien hy zou te voeren hebben.11In I. 513–517 wordt een uitvoerig betoog geleverd om de “duidelyke oprechtheid der legende tegenover de leugens der historie” te stellen. Hiertoe worden proclamaties en Staatsstukken uit den tyd van de Bataafsche Republiek en van Koning Lodewyk en een necrologie vanVander Palm als professioneele en professorale leugens op de kaak gesteld. Daartegenover stelt M. de psychische waarheid in de legenden van Amor en Psyche, van Genesis en Faust.

Wouter’s eerste les in verzemakery, en z’n 1001e in nederigheid. Belangryke ontmoeting van ’n waschvrouw en haar dochter. Onderricht in ’t alleen zaligmakend geloof. Beminnen, weten, stryden, de hoofdneigingen van individu en menschheid.

Wouter’s eerste les in verzemakery, en z’n 1001e in nederigheid. Belangryke ontmoeting van ’n waschvrouw en haar dochter. Onderricht in ’t alleen zaligmakend geloof. Beminnen, weten, stryden, de hoofdneigingen van individu en menschheid.

De opdracht om ’n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw Pieterse en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn talent, te omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte van genoegen, by de ontdekking dat men hem “voor iets aanzag.” Hy had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooitietsworden zou ... dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die z’n moeder en broêr in ’t werk stelden, om hem te doen gelooven dat de heele commissie eigenlyk een straf was voor z’n onkunde in de namen van bergen. “Ja,”zei Stoffel:

—Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest ... maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en staande regels...

—Hè? vroeg Wouter.

—Wel zeker ... weet je dat nog niet eens? Heeft meester Pennewip je dat niet geleerd? Of heb je weêr niet opgelet? Kyk ... zoo!

En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar ’t lukte niet.

—Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter:hoog, omhoog, het hart naar boven... dat ’s liggend, zieje, En:hier beneden is het niet... dat staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God...

—Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.

—Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even lang wezen.

—En je krygt ulevellen... en als je ’r niet meê terecht kunt, zei de moeder, vraag het dan maar aan Stoffel.

—Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt, ’t is heel makkelyk...

Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam een lei, en schreef er op. Maar mooi was ’t niet. Ook kon-i maar niet verder komen dan:Een weduwnaar van God... O God, een weduwnaar...

Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden slee op z’n grift, en ’t grift tot gruis... maar ach, ’t ging niet. Hy was ’n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft, want nu begon hy te gelooven dat z’n moeder gelyk had, toen ze zeide: “dat er van dien jongen nooit iets komen zou.”

Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staanderegels waren? En daar zy ’t ook niet wist, besloot hy “morgen eens weêr te probeeren. Misschien zou ’t dan beter gaan.”Dit vond Leentje ook.

—My wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert voor jufvrouw Laps ... want ik heb gezeid dat je ’t kon ... en de man is jarig woensdag over acht dagen ... dus veel tyd heb je niet.

Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon daar bitter te schreien.

—Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy ’n vrouw zeggen tot een meisje van veertien, zestien jaren, ’t kind heeft zeker iets verloren.

—Heb je wat verloren, jonge-heer?

Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat herkende. ’t Deed hem denken aan Fancy.

—O, nu is alles goed ... nugydaar zyt! Ik heb zoo naar u verlangd...

—Naar my, jonge-heer?

—Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde ... maar nu weet ik het. O, zeg het my toch spoedig ... wat staande regels zyn, en hoe ik m’n vers moet maken.

Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op ’t gras, keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder, en zei niet te weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets aan haperde was zeker.

—Hy ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze.

En daarop haalde ze uit ’n klein huisjen in de buurt, wat water dat ze Wouter toereikte in een theekopje. Wouter-zelf begon te begrypen dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het voorkomen en in de wyze van doen van ’t meisje, dat hy zich tot haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy, dat al veel was.

Femke wees Wouter ’n omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet. Wouter deed dit zoo goed hy kon, terwyl moeder en dochter zich bezighielden met haar “bleek.”

—Misschien kanikje wel helpen, jonge-heer ... zei de moeder, want m’n man heeft ’n aangetrouwden neef die wewenaar is...

—Ja, jufvrouw ... maar de liggende regels. En er moet van God inkomen.

—Precies, jonge-heer. Och, ’t is ’n heele historie. Z’n vrouw was m’n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof goed ... leg ’n steentjen op die asseldoekjes Femke, anders waaien ze weg ... ja, jonge-heer, ’t is ’n heel ding met zoo’n bleek, je heb ’r geen begrip van, zoo ’n ding als ’t is ... nu, ze onderhield haar godsdienst, en daar deed ze goed aan, want—dat zal je ook wel weten, jonge-heer—als ’n mensch z’n godsdienst niet doet, iser niet veel aan, maar hy ... trek dat hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in de sloot ... maar hy gaf er niet om, en zei dat ’t allemaal gekheid was ... maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd ... ’t was pater Jansen die ’r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen ... hy loopt altyd met zoo’n stokkie, en raakt er nooit meê aan den grond...

De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op ’t omgekeerd korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in beide handen. Hy luisterde met open mond, en spande zich in om te begrypen hoe die vertelling zou neêrkomen op verzemaken. Maar van pater Jansen en diens aarde-verachtend stokje had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen.

—Nu, ’t was pater Jansen die ’r bediende. En toen m’n mans neef dat zag ... giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder zoo op ... ja, toen-i zag dat ’n mensch toch niet sterft als ’n stom beest, toen had-i ’r weet van, en naderhand heeft-i z’n paschen gehouden net als ’n ander ... en toen-i verleden jaar z’n been brak, want hy is schilder, weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien stuiver van de armen gehad ... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook ’n wéwenaar in m’n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje, jongeheer, want ik heb ’t noodig.

Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden te wezen in ’t gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw ging heen, na een ernstige vermaning aan Femke, om goed op de bleek te passen, en haar te roepen als ’r kwaêjongens kwamen. Want dat gebeurde wel eens, zei ze.

—Ben je weêr beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke Femke.

—O ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat alles zal te-pas brengen in m’n vers.

Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op ’t denkbeeld komen, dat Wouter moed noodig had om z’n gebrek aan begrip te erkennen. We zyn zoo gewoon aan ’t niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin berusten. En ’t gedurig waarnemen van die berusting in anderen, maakt ons beschaamd over onze stompheid waarmeê wy meenen alleen te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich verheugde overalgemeenetoejuiching, den indruk onderzoeken dien z’n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren, dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand, en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle anderen veronderstelde. De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van naam, hebben daaraan hun roem te danken.

Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke, dat z’n vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger.

—Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle regelseven lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan ... want dat heeft m’n broêr gezegd, die zelf schoolmeester is.

Femke peinsde, en op-eens:

—Ken je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was.

—Ach neen...

—Nu, ’t doet er niet toe, riep ze, ’t hollandsch staat er naast ... ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen?

Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis.

Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter, in ’t diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun toe daarmeê optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en plaagden onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen. Hy had ’n gevoel of-i Femke-zelf zag mishandelen en vloog dapper op de bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z’n dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste hem, en verjaagde de ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan de lip, gaf ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde weêr—voor ’t eerst in langen tyd—dat prinselyke waarmeê hy Leentje eens zoo verschrikt had. Z’n oogen flonkerden, en den armen jongen, die zoo-even geen vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen van gevoel, van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot dichter.

—O Fancy ... Fancy ... sterven voor u ... sterven met zulk een kus op de lippen!

Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest, hy had lust in ongelyken stryd.

En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had, begreep hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus in ’t bezit van deroueriedie de Natuur ten bruidschat geeft aan onschuld. Zy voelde Wouter’s ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die ridderlykheid beloonen kon.

—Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met beide handen, en kuste hem weêr, en nog-eens ... op ’n wyze alsof ze ’t meer gedaan had. Wat toch niet waar was.

—En nu moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan Mischien zal ’t je helpen voor je tante...

—Ze is m’n tante niet, antwoordde Wouter, maar ’t boekje wil ik wel zien.

Hy legde ’t op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke, grooter dan hy, had den arm om z’n hals geslagen, en wees hem met de andere hand wat hy lezen moest. Een lieve schildery!

—Zie, die regels zyn even lang, zei ’t meisje.

—Ach ja ... maar ze rymen niet.

En Wouter las:

Allerreinste moeder,Allerzuiverste moeder,Ongeschonden moeder,Onbevlekte moeder,Machtige maagd,Goedertierene maagd,Getrouwe maagd,Geestelyk vat,Eerwaardig vat,Schoon vat van devotie,Geestelyke roos,Toren van David,Ivoren toren,Deur des hemels...

Allerreinste moeder,

Allerzuiverste moeder,

Ongeschonden moeder,

Onbevlekte moeder,

Machtige maagd,

Goedertierene maagd,

Getrouwe maagd,

Geestelyk vat,

Eerwaardig vat,

Schoon vat van devotie,

Geestelyke roos,

Toren van David,

Ivoren toren,

Deur des hemels...

—Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers? Ik begryp er niets van.

Nu moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet veel van begreep. Sedert vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd tevreden geweest met de maat van haar begrip. Maar nu ze door Wouter’s onnoozelheidin morâgesteld werd, reden te geven van haar geloof, bemerkte zy voor ’t eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde schaamte hierover, en sloeg ’t boekje dicht.

—Maarkenje dan ’t geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.

—Zóó niet, zei Wouter. Ik heb ’t anders geleerd.

—Maar je gelooft toch aan Jezus?

—O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en torens. Hoort dat by ’t geloof?

—Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria.

—Zoo? Maria? Ja, dan weet ik het.

—En ’t vagevuur?

—Daar weet ik niet van.

—En de biecht?

—Gut né...

—Maar hoe maak jelui ’t dan?

—Hoe meenje dat, Femke?

—Wel ... om zalig te worden.

—Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in den hemel te komen?

—Wel zeker. Daarom is ’t te doen, en dat kan niet zonder de Heilige Maagd, en zonder zoo’n boekje. Wilje dat ik je ’t geloof leer, Wouter? Dan komen we samen in den hemel.

Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon:

—God schiep de wereld...

—Wat deed hy vóór dien tyd, Femke?

—Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de menschen weer goed te maken ... dat is lang geleden...

—Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar veranderd. Hy begon met nul by z’n geboorte.

Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan vanden ander, en Wouter was grootsch dat-i toch ook iets wist van ’t geloof, al was het dan volgens Femke ’t ware niet.

—Nu, Jezus heeft de menschen weêr goed gemaakt, en als je nu goed bidt uit zoo’n boekje, dan word je zalig. Begryp je ’t nu, Wouter?

—Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren?

—Wel, dat is zoo’n benaming van de Heilige Maagd. ’t Is by-voorbeeld alsof je ...patertegen den pastoor zegt. Daar heb je nu...

Femke zocht een voorbeeld....daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?

—Wel ... ik zeg: moeder.

—Juist. Maar hoe noemt haar een ander?

—Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse.

—Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt. Als men roept:jufvrouw Pieterse!dan is het, dat ze luisteren zal, en zoo wilivoren poortzeggen, dat men onder de Heilige Maagd moet doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is ’t te doen.

—Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk ... een maagd?

Femke kleurde.

—Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft...

—Ik? vroeg Wouter verbaasd.

—Wel neen, malle jongen ... ’t moet een meisje wezen.

—Ben jy een maagd?

—Wel zeker...

Femke sprak de zuivere waarheid.

—Wel zeker ... omdat ik niet getrouwd ben.

—Maar Maria was toch getrouwd ... en Jezus was haar kindje.

—Dat is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom heet zeivoren poort. Begryp je ’t nu, Wouter?

Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje meê te nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke moest het dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte hierin met te-meer spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets bedorven werd aan Femke’s zaligheid. Maar Femke noodigde hem uit, dikwyls weêrtekomen. Ze wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van de zaak wist, en als er iets haperde, zou ze ’t aan pastoor Jansen vragen. Dan kon Wouter heel gauw zoo knap worden als de beste.

Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met dat meisje, dat geheimzinnige boekje, ’t zaligworden, zyn gevecht met de bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met de gedachte aan ’t vers dat-i maken moest. En—zonderling!—ook scheen er verband tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit had hem dan ook weêrhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die z’n gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by ’t kort begrip van Femke’s theologie. Hyzoubegrepenhebben dat haar weten ver beneden ’t zyne stond, maar in zyn onbestuurdgevoelveranderde alles van zin. Thuiskomende bladerde hy in Stoffel’s boeken, of daarin ook soms iets te vinden ware van heilige vaten, ivoren torens, of allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond niets dan dorre schoolboekjes die over allerlei dingen handelden, maar niet over de zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven, en z’n heele omgeving dwong hem tot kruipen.

Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld schiep. Deze vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden. Hy kon zich ’tniet-zynniet voorstellen, en het verdroot hem, niet te kunnen doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens als zyn ongeoefend denkvermogen stuitte op ’n onmogelykheid, of afdwaalde op bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt van uitgang, om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar ’t ééne onbekende: de oorzaak van hetzyn.

—Meester Pennewip heeft ’n vader en eene moeder gehad, zuchtte hy ... goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was ... zou dàt ook de reden zyn dat Slachterskeesje ... neen, ik wil niet afdwalen. Die oude heer Pennewip moet ook ’n vader gehad hebben ... en die weer ... en die ook ... en die weer ... ja altyd ... maar wie is deeerstePennewip geweest? En wie zou de varkens geslacht hebben, vóór er spekslagers waren? En wat deden de spekslagers, toen er nog geen varken was?

En waar is ’t eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of ’t eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of ’n pit?

En God? Toen hy aan ’t scheppen ging, moest hy toch een wil gehad hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er niets van, en zou ’t toch zoo graag willen weten.

Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen-bestaan gezocht is door alle wysgeeren. ’t Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich eenbeginte denken. En als veel anderen—ouder, maar niet veel wyzer dan hy—wanhoopte hy niet. Eenmaal zou hy ’t weten, dacht-i...

Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken.

En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten betalen als-of ’t wysheid geweest ware.

Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar zoo gerust ware geweest over den afloop van ’t vers, dat nog altyd niet op stapel stond. Als dàt maar eerst klaar was, meende hy, dan zou hy de eerste oorzaak der dingen ook wel te weten komen. Intusschen droomde hy van Femke, van haar blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die zachte lippen. En van de stem, waarmeê ze gezegd had: je bent een lieve, lieve jongen...

—Zouzy’t wezen ... Omikron? dacht hy.

Zoo droomde ’t kind. En by den knaap, als in de ontwikkelingsperiode der menschheid, werkten de krachten van de driedubbele veêr die ons voortdryft, in ééne richting.

Beminnen, weten, stryden—alles saêmtevatten in:beweging—ziedaar de zielkundige analyse van ’t doel dat de jeugd aantrekt, en die tevens eenige opheldering geeft van de Wereldgeschiedenis, vooral uit de tyden die we gewoon zyn duister te noemen, doch die in zekeren zin helderder voor ons oog staan, dan de zoogenaamd-strikthistorische.

De knaapWouter, evenals ’t kind:Menschdom, werd voortgedreven door ’n driedubbele kracht, door behoefte aanliefde, aanwetenschapen aanstryd.

Als in degenesis-legende, en in het drama van Faust, moest ook de weetgierigheid van Wouter, samensmeltend met de aantrekkingskracht die ’n onbeduidend meisjen op hem uitoefende, het middel wezen om hem toeterusten tot den stryd dien hy zou te voeren hebben.1

1In I. 513–517 wordt een uitvoerig betoog geleverd om de “duidelyke oprechtheid der legende tegenover de leugens der historie” te stellen. Hiertoe worden proclamaties en Staatsstukken uit den tyd van de Bataafsche Republiek en van Koning Lodewyk en een necrologie vanVander Palm als professioneele en professorale leugens op de kaak gesteld. Daartegenover stelt M. de psychische waarheid in de legenden van Amor en Psyche, van Genesis en Faust.

1In I. 513–517 wordt een uitvoerig betoog geleverd om de “duidelyke oprechtheid der legende tegenover de leugens der historie” te stellen. Hiertoe worden proclamaties en Staatsstukken uit den tyd van de Bataafsche Republiek en van Koning Lodewyk en een necrologie vanVander Palm als professioneele en professorale leugens op de kaak gesteld. Daartegenover stelt M. de psychische waarheid in de legenden van Amor en Psyche, van Genesis en Faust.


Back to IndexNext