Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in ’n paar bezoeken dieWouterbyna niet aflegt.Wouters kerkgang was achter den rug. De dominee had by deze gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: “alles was zoo toepasselyk!”—’t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt.—Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z’n nieuwe broek scheurt. Er moet zoo zuur voor gewerkt worden.Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want “zuur gewerkt” werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder zich met haar huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals haalde, geschiedde uit pure liefhebbery. ’t Mensch meende, dit hoorde er zoo by. Ook ’t klagen daarover, of liever ’t roemen op die bereddering, lag in haar mond bestorven. Ze zou vreemd hebben opgezien als men haar gezegd had dat ze best kon gemist worden in de huishouding van ’t Heelal.Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen tot na z’n kerkgang, was ’n gevolg der bygeloovige vrees voor de dreigementen van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II Kronieken 16, vers 12, en tegen zulke argumenten was de ontkiemende liberalistery van juffrouw Pieterse niet bestand. Wel bleef ze er by dat men nu juist nietalleswat in de Schrift stond, zoo precies op iedereen kon toepassen...—Ja, ja, ja, dat kan de Mensch wel, als ’t ware geloof er maar is, en ... de Genade! Waarom anders, m’n lieve mensch, zou de Heer die verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten te-boek stellen door den H. Geest? Alles heeft z’n beteekenis, weetje!—Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren ...—Dat ’s ’t ware! Dan ben je gered, mensch! En ... stuur ’m eens by me, na zondag. Of ... al wàs ’t zondag, maar na kerktyd dan. Dan kan-i me met-een wat van de preek vertellen, schoon die dominees... och wat weet zoo’n kind daarvan!Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die heeren voor “geleerd” aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-pas kwamen. “Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder ’t begrypen kon zonder grieks of latyns ... als-i de genade maar had. Dáárop kwam alles neer.” Op den broodnyd na, die haar deze meening in ’t gemoed lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist hierom vind ik die “Genade” zoo’n leelyk ding. Om konsekwent te zyn, moeten de Lapsen zich weinig bekommeren over “goede werken” en zelfs niet erg opzien tegen de kwade. Nu, konsekwent wàs onze oefenaarster.—Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op ...En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de lekkernyen die ze gewoon was haar gasten op dat uur voortezetten.Wanneer wy aannemen—en dit mogen we—dat juffrouw Laps op ’n bezoek van Wouter byzonder gesteld was, moet men erkennen dat er diepe kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes aan de voorgespiegelde napreek. Als waarheidlievend geschiedschryver mag ik niet verhelen dat m’n held voor verlokkingen van deze soort geenszins ongevoelig was. En ... er was wel zoo-iets noodig om de vurige godsdienst-oefenaarster in zyn oogen beminnelyk te maken, of althans niet ten-eenen-male afschuwelyk. Hy was bang voor haar, doch ’t spreekt vanzelf dat-i dit niet durfde zeggen. Ook blyft het de vraag of-i ’t wist, want de tyd was nog ver, dat hy beginnen zou zich rekenschap van z’n aandoeningen te geven. Een tyd die voor velen nooit aanbreekt!Instinktmatig voelde hy angst voor ’t alleen-zyn met dat schepsel. Ze was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die Jehovah noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen aan Israël ... donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden, booze zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap. Indien hy den moed had gehad rond-uit te spreken,zoud-i haar verzocht hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen buiten haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar dezen moed had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z’n moeder over hem beschikte, en ’t bezoek toezei.—En waarom ben je ’r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen Stoffels opgetogenheid over de preek wat begon te bedaren.Wouter beriep zich op de bekende buikpyn die alle kinderen ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door ’t aankweeken van eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch durfde Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem tegen de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn omgeving de sympathie met z’n speciale vyandin zoo byzonder groot niet was?Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd ’n uitvloeisel wezen zou van ’tbelang. Aanvankelyk is ze, even als sommige lichamelyke wanstaltigheden, slechts ’n gevolg van knelling. Een kind dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aandoeningen, wordt beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken. Het gedurig vermanen, onderwyzen, berispen, werkt verlammend. De jonge ziel trekt schuw haar begeerige voelhoorntjes in en sluit weldra ook de onschuldigste gewaarwordingen in haar binnenste op. Hieruit vloeit dat hygen naar ’t onbekende voort, naar ’t verre—dikwyls naar ’t onbereikbare—dat mensch en Menschdom kenmerkt. Want de Maatschappy werkt hierin op gelyke wyze als het gezin en ’t ouderlyk toezicht. “Dat mag niet!” en: “dat is onbehoorlyk!” wordt er van alle kanten geroepen, zoodra iemand zich veroorlooft zichzelf te zyn. “Hoe dwaas!” is terstond het algemeene oordeel over alles wat afwykt van den regel waaraan men gewend is. De meesten gaan ’n wyden stap verder, en noemen ’t “misdadig” wanneer de eenling zich aanmatigt z’n individualiteit te bewaren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven.’t Gevolg is:leugen. Want de lust om zich te verzetten tegen overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht!Opmerkelyk is ’t dat de enkele die dit beproeft, niet het minst wordt uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voelden, doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken of verlieten. Wie ’n waarheid verkondigt die tegen den gewonen sleur inloopt, vindt z’n gevaarlykste tegenstanders niet onder de aanhangers der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den grond van hun gemoed zyn meening toegedaan, niet verdragen kunnen dat ’n ander den moed had die meening te openbaren. Het vóórgaan wordt door achterblyvers opgenomen als verwyt. Er zyn duizenden en duizenden die evenmin als Wouter lust zouden hebben juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje had buikpyn noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z’n tegenzin. En dit lukt niet eens altyd, want:—Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. ’t Is maar weeromdat je ’n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt.Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem te wachten stond ... och, ’t leek niets naar ’n katechizatie! Hy werd ontvangen met ’n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in de war bracht.—Zoo lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres voor jou!Ze drukte hem op ’n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem streelde en liefkoosde.—En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?—De tekst was...—Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst ’n paar taartjes. ’n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola, en ’n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je ’n lieve jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe, m’n jongen, en doe gerust of je thuis was...Nu, dit was eigenlyk ’t ware woord niet om Wouter op z’n gemak te zetten. Thuis!Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om ... om...ja waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z’n moeder hem bevolen had niet lang uitteblyven.Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i zich door den vyand heenteslaan.Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig weer “eens zou terugkomen” raakte hy de trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem ’n onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor hemzelf. Nooit was hy zoo ... hartelyk behandeld, nooit althans bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z’n tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z’n vertrek ’n kus had willen geven, en dat-i zich door ’n snelle wending daaraan onttrokkenhad. Waarom? Dit wis-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte hem ’n zenuwachtige rilling zooals de schok waardoor we soms in den overgang van waken tot slapen worden gestoord.En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden van z’n spoedige terugkomst.Onwillekeurig richtte hy z’n schreden naar de aschpoort. Het was z’n voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had z’n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet ’n duidelyk bewys dat-i by ’t verlaten van z’n woning niet aan Femke gedacht had?En zelfs toen-i op den buitensingel z’n molens in ’t gezicht kreeg...Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag?De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar “kuierde.”Gewandeldwordt er door de zondagsmenschen eigenlyk niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlui die daar heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze “buiten” zyn, omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke’s huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond, die ’t erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan, en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld van z’n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was.—O, als ik m’n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker ...Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke’s moeder hem vroeg: “maar mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen?Wy, schryver en lezer,wyzouden misschien kunnen antwoorden. En ’t is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van ’t kind dat daar weifelend stond te leunen op ’t lage hekje. Hy staarde met open mond het huisjen aan. Z’n knieën knikten, ’t hart bonsde, tong en verhemelte waren droog. Waarom toch?Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem wakker. Als er eens brand kwam in Femke’s huisje! Dàn immers moest-i wel binnen gaan! Dàn zou ’t hem vrystaan haar te redden haar in z’n armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver ... tot aan ’t einde der wereld, of buiten de stad tenminste! Hier-of-daar waar men gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo’n sleep Femke goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen ... neen, naast haar ryden met ’n valk op z’n vuist!—Als er maar brand kwam!Maar er kwam geen brand! Dit zag Wouter ook wel. Die rook ... och, ’t was zoo’n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van ’n bezigheid, die niet van Femke’s bezigheid scheen te verschillen. Hoe was ’t mogelyk!Eén onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke!Zoo-even nog huisden ze in de turven die door háár hand waren geschikt op de vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! ’t Zou juist hebben gepast by z’n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: “zie daar geschiedt ’n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen ten-hemel!” ... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was, maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van z’n hart.Hèm kwam ’t eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat hy dáár stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd half-voldaan door ’t aanschouwen van iets dat misschien door haar gezien was, en toch, toch te schuw om ’t erf optegaan, den klink van de deur te lichten, en binnentredend te roepen: “Femke, hier ben ik ... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kòn: hier ben ik!”Want hy had ’n gevoel alsof hy zich over z’n lang wegblyven verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy zich als ’t ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren.Daar naderde ’n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben in een der etablissementen langs den weg, waar men “ververschingen” bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in ’t voorbygaan Wouter van z’n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee.Nu dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan kyken naar dat huisjen en dien rook? ’t Zou wel zonderling wezen als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En ... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had...Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z’n prent meenemen. En hy beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan voor dat hekje!Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen, zwaarden en harnassen, op z’n prenten. Zeker hadden zy moed, al die koningen, ridders en pages ... waarom anders zou men ze hebben uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als ’t niet beterde, zou men nooit hèm op ’n prent zetten, zoo’n laffen durfniet!Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke’s moeder te zeggen: goeden dag, juffrouw, hoe vaart u!Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs betrapte hy zich op ’n regel uit Bilderdyks “Floris” en voorziende dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in devoorbaat met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten dichter.Of ze dáárvoor gevoelig wezen zou?En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat ’n “wulp” was, en ’n “echtkoets” en “kuisheid” en zoo voort. Al wat-i niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen, en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den weg helpen kon, het was hem reeds ’n heerlyk vooruitzicht al die mysteriën met haar te zullen bespreken.Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en—waarom zouden we ’t ontkennen?—ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust tot onderzoek. Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel, vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in ’n boek. Maar er waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor, of liever: “groot.” Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van ’n kind ’n hooge waardigheid mee.Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z’n nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot haar getrokken door de begeerte háár iets meetedeelen vanzynkennis. En waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid Femke deelgenoot maken van z’n onkunde. Ook dan toch gàf hy haar wat, en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkelyk voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk ’n vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen hebben, daar-i ’t waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in z’n ziekte naar hem gevraagd ... nu ja, maar misschien was ze juist toevallig voorby z’n huis gekomen, en dan was ’t zoo heel moeielyk niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter?O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet binnengaan. Femke had wèl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hèm voor zoo’n bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken die hem beletten eenvoudig te zyn, en ’t ware dus eerlyk geweest haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.’t Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen, en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke’s vrindje was. Haar éérste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo’n groot meisje heeft al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen...Dien pater Jansen had-i graag ’n hartelyken stomp gegeven. Wat moet men doen ompaterte worden, Femke’s pater? Als er mogelykheid was op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou haar graag ’n zoen geven, elken keer als ze haar “vragen” goed had opgezegd. Jazelfs, hy zou haar ’n zoen geven als daaraan wat haperde of ook al wist ze ’t eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren torens. Och hy zou voor Femke zoo’n vriendelyke pater zyn!Hoe legt men het toch aan, om ’t zoover te brengen in de wereld? En kon men er zeker van zyn, dat ’n pater altyd durfde binnengaan als-i ergens wezen wilde?Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid moest overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als ’t maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen zyn tot in ’t binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in z’n boekje. Maar ... dat hekje? En ... Femke’s moeder? En ... Femke zelf? Ware hy maar zeker geweest háár te vinden, alléén haar! “Toch niet, antwoordde hy zichzelf, dàn juist zou ik niet hebben durven binnengaan!”Nu kwam ’t hem voor, dat-i liever Femke’s moeder had gevonden. Hy zou dan aan die vrouw gezegd hebben ... ja wat? Neen, neen, zoo heel aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke’s moeder niet.Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika eigenlyk doen?En ... àls men ’t gevraagd had ... welnu,hykon makkelyk antwoorden. Zoo’n reiziger in ’n boek met prentjes is nooit verlegen.Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op ’n schimmel met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z’n ziekte: “omdat de vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had.” Hy zou ze koninklyk beloonen...Want Wouter was koning in al dat veroverde land Koning, en ... Femke koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En die gouden diadeem!Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, omal die heerlykheid naar behooren te kleuren. Maar wàt er mocht overschieten,zykwam niet te-kort. Háár sierde hy op in z’n vlammende verbeelding, haar ’t eerst, haar ’t meest, haar byna alleen. Byna, ja ... want hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel Afrika kunnen wezen, zonder ’n koning! En wie anders kon dit zyn dan hy, Wouter, haar vrindje?Och dat veroveren van werelddeelen was zoo’n gemakkelyke zaak, meende hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en Afrika bezetten, terwyl hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen en die vervloekteregula de tri! En hy wist zeer goed dat er nog zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen veroveren kan, of zelfs koning worden van ’n kleiner land. Ook z’n zakgeld moest eenige veranderingen ondergaan, want zes duiten in de week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor z’n plannen. De Hallemannetjes ... nu ja, die kinderen ontvingen hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar ’n ander kind, iets nader aan ’t grootzyn dan hy, hem den pas zou afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z’n vlucht neer. Hoe moest hy ’t aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z’n moeder, wanneer hy op z’n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer uitbleef dan de huistucht der Pietersens veroorloofde?Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z’n verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen.Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op ’n salomonischen troon waarvan ’t model aan z’n prentenbybel ontleend was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde ’t heel wel weten “voor ’t aangezicht van ’t geheele volk” dat ze vroeger maar ’n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan ... ieder, wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En ’t volk hoefde nu voortaan niet te knielen, zou ze zeggen...Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z’n moeder en van Stoffel, by-voorbeeld. Die twee mochten ’t wel eens zien, vond-i, hoe al die menschen hem vereerden, en... háár vooral, haar die zoo onheusch was bejegend toen ze in z’n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar als moeder en Stoffel ’t éénmaal gezien hadden, was ’t genoeg. Dan zoud-i alles vergeven, en voor z’n moeder ’n groot huis laten bouwen, vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i ’n ruime school te laten oprichten voor Pennewip, metgroote zwarte borden, inktkokers, schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van ’t vervelende nieuwematenstelsel. En hy zou z’n ouden meester vergunnen daarin den ganschen dag onderwys te geven, van ’s morgens vroeg tot ’s avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms de jongetjes vervelen..Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van ’t vraagstuk hoe hy te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk had-i z’n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry onverwachts zag overgeplaatst in ’n geheel anderen kring dan waarin hy sedert ’n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning noodig om te begrypen wat z’n moeder bedoelde, toén ze hem vroeg hoe z’n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest over ’t verslag van de preek?Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z’n moeder en Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z’n bezoek uit ’n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i niet erkennen zonder zekere gaping te doen in ’t oog vallen, die z’n relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om de vier boekenMosisaftehandelen, en begreep dat die tydruimte niet te vullen was met twee taartjes en ’n kop chocola. Voorbereid op ’t na-examen dat hem tehuis wachtte, was hy volstrekt niet. Van ’t oogenblik af dat-i de aschpoort en z’n molens had weergezien, had-i zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat ’t mensch zonder genade zou gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.’t Was ’n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook, of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z’n hakkelen, want wie goed luisterde naar z’n mededeelingen, kon in waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog ’n reden die Wouter belette ’n duidelyk verslag te geven van z’n bezoek. Hy was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid, als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had hem zeer gestuit, en nu kwam ’t hem voor dat er iets laakbaars lag in ’n aandoening die hy zeker nog minder by z’n moeder en Stoffel zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. “De jongen lykt wel mal, meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i boos weg. Wat is er aantevangen met zoo’n kind?”Z’n stamelen bracht evenwel ’n heel andere werking voort dan-i verwachten kon. Er scheen ’n reaktie te hebben plaats gehad sedert men hem de deur uitzond. Misschien hadden z’n beide inkwiziteurs zich bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheidvan de oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z’n gewoon:—Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om ’t háár naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan ’n ander...—Zóó is het, riep de moeder. ’t Mensch is gek en verwaand, dat zeg ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo’n kind vergen kan dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo’n kind! Ze doet het maar om den profester te spelen ... dáárom doet ze ’t!Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door z’n byval.—Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat zyzelf ’n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op ’n kind dat pas ziek geweest is! ’t Is ’n ware schande! Wat hoefje ook daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd...Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z’n bezoek gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met ’n vermaning om z’n zondagsche broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich in ’n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje: “waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoosleetschwas. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!”—En dan zoo’n kind ’n heel uur lang op ’n droogje te laten zitten! En ze had nogal gezegd...Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy viel z’n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z’n gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs...Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen naam geven kon. Waarom toch?Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade...—Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu, dat’s hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dàt had er dan ook nog moeten bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... zóó zyn die menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op ’n ander, maar naar zichzelf kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan de Genade, en ik houd er óók wel van zoo nu-en-dan eens, als m’n huishouden aan-kant is, wat degelyks te hooren uit de Schrift, of van ’t Geloof, of zoowat, maar om nu juist eeuwig en altyd dáárover te praten ... neen! In ’t praten zit ’t ’m niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat ’n mensch z’n werk moet doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwe broek uit, dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef ’m z’n ouwe!”Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker, dat-i in Afrika alle dagen op z’n zondags zou gekleed gaan.Onze held legt weer ’n bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van kannibalismus inEuropa. Saturnalie op dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun vader mishandelen.Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z’n hartje beefde, want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en, na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: “maar boven te komen.” Dit “maar” is ’n onbeminnelyk uitvloeisel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende oefening in ’t gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan ’t verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven.Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch naar de “studeerkamer” waar dokter Holsma bezig was met het vervullen van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z’n kinderen.Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen in ’n hoek aan ’n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide anderen, ’n knaapje van Wouters leeftyd, en ’n meisje dat een paar jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten was, en waarop ’n groote aardglobe stond, die blykbaar ’t onderwerp was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis zoo’n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet dat er nog ’n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk voortestellen, dan op de platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer, dat-i wel zag, maar ter-nauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch prentte zich alles diep in z’n geheugen, en later, veel later eerst, geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die hy by z’n binnentreden opving.Toen de meid de deur der Kamer opende, vernam hy de stemmen der kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar zoodra hy z’n figuurtje vertoonde, werd alles als door ’n tooverslag op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om ’t komieke daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in ’n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de dokter Wouter verwelkomde, en hem ’n stoel aanwees, stond de kleine jongen zoo-waar met den pink op den naad van de broek, als wachtte hy op ’n: ingerukt ... marsch! of: rechts-om ... keert!De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys ’n oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en ... sommige vrouwen. Het onuitgesproken: “wie ben jy?” heeft by zulke gelegenheden den rang van stilzwygende oorlogsverklaring.By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof dat het aan weinigen onbekend is. Om ’t optemerken by de mensch-exemplaren die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk “wilden” genaamd worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid schuldig maken ... men behoeft slechts acht te geven op de blikken waarmee “dames” die elkander op ’n wandeling ontmoeten, dit kenmerk van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen, en verdoemen elkaar. We zien daaruit dat de slagtanden van ’t kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde deruderauit ’n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons toeteroepen: “vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. ’n zyden japon aan ’t lyf en ’n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!”’t Is mogelyk dat die “dames” ’t zoo kwaad niet meenen, en dat enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie zouden onthouden. Ik heb de hier bedoeldemene-mene-tekel-woede waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden waarlyk niet in-staat zouden zyn ’n levend konyn te verslinden. Om evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt, moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo’n beestje zich nooit schuldig maakte aan ... ja, waaraan?Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van ’n dame die op de wandeling mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en ... men kent haar niet!Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen aan Juffrouw B. ’t Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wed. E. ’n heel ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F. vandaag zoo byzonder mooi schynt te willen wezen ... maar toch, ligt er in dit alles ’n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna niet te byten?In dat: “ik ken je niet, dus: vyandig!” openbaart zich ’n zonderlinge opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-onrechte: primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in holen of op boomen woonden, maar ’t is te veronderstellen dat ze door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die ’n gevolg was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemdedeed aanzien als ’n indringer, als ’n veroveraar, als ’n dief. Eenmaal moet dit anders geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden, dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner schuwheid klimt hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma wel. En Willem scheen te weten dat z’n vader scherp zag. Vandaar de haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den Titus Livius die hem vandaag begunstigde met ’npensum.—Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat’s heel braaf van je. Wat heb je daar?En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:—Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel van ... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurdeLadyMacbeth, en wist niet recht hoe hy z’n geschenk aan den man zou brengen. Hy vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten vol boeken ... och, z’n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het ding wel willen inslikken.Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links, en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den dokter kwam bedanken “voor z’n beterschap... naast God.”Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten, en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning ’n ernstig gelaat vertoonde.—Naast God? Ja ... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En heb je dan nu God wel bedankt?—Zeker, m’nheer! Alle avenden in m’n bed, en gister in de kerk ...De kleine Sietske werd hier bezocht door ’n dykbreuk van ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z’n neus veel harder te snuiten dan voor ’t gewone doel van dien handgreep noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met ’n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.—Orrrde! riep hy met ’n donderende stem, die Wouter bang maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor ’n samojeedsch huishouden onder de les? Ik zal jelui allemaal ... orrrde!Daar begon ’n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by elken slag ’n vinger op.—Ik zal jelui allemaal ...—Vyf! juichte Sietske. M’n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe: vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. ’t Was ’nquodlibetvangaudeamusenvive la joie, enGod save the King... help mee, jongens!Vive la vacance, le maître en pénitence...Wilhellemus al van Nassouwe... met de ellebogen door z’n... hoed.Help! Herman! Help, Willem! Wraak, wraak, wraak!A bas les tyrans! Amour sacré—pak ’m beet, Willem, jy bent de sterkste—de la patrie ... de heer van Son is ’n brave kapitein ... hy regeert z’n volkje, neen...daar gang ’n patertje langs den kant... wraak!So, so wie ich dich liebe—wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal de linkerhand wel houden. Toe, jongens!—Hier ligt myn Damon, neen ...io vivat, io vivat ... boum, boum, boum... hoera!Dans son bivouac, le troubadour fidèle... wraak!Fleuve du Tage... wraak!Oh, shall he, boys ... oh, shall he, boys ... oh, shall he... wraak!Pro salute horum—geen latyn, riep Sietske—hop maar Jannetje, hop maar ... sing, Sally, ho... wraak!Wouter wreef z’n oogen uit, en vertrouwde z’n ooren niet. Wat-i hier zag gebeuren, ging z’n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier ’n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook het ten-hemel varen van Elias in ’n gloeienden wagen kwam hem, na wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman en Sietske hun vader, zoo’n deftigen dokter, om den hals vielen, tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van ’t lyf plukten ... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met ’n ouden pantoffel van z’n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. ’t Verbaasde hem dat de wereld niet verging.—Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid, jongens! Kan ik ’t helpen, dat jelui geen pleizier hebt in aardrykskunde?—Breng ’t dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske die te-paard op z’n schouders zat.De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z’n linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te deklameeren en te gestikuleeren:—O, dierbaarAfrika...Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde ’t nest waarlyk z’n werelddeel aan, zyn Afrika! Was ’t niet of ze ’t er om deed!—O,Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi... prachtig! Nog ’n oogenblik, papa, dierbare schooltiran—houd vast, Willem, toe!—ik wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m’n gezicht vertrek.Mesopotamië, mesopomamo... mondvol, mooi!Nigritië—blyf staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M’n paardje trappelt zoo ... hu, hu!—Aethiopië—Herman, houd z’n beenen vast ... niet kittelen, dan val ik.—Marokko ... Schiermonnikoog ... hu, hu, paardje, met je vlassen staartje ... Alexandrië, Soudan, Egypte ... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolvemersburgwal—de les is uit, ik mag zeggen wat ik wil—Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra, Karel de Groote... wie vangt me?—Ik, riep Willem.Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.—Oef! riep de dokter.—Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aanoef!Twee volle uren les, en dan terstond:oef!Waar zou dat heen? O, neen, dierbare tiran vanMonomotapapa, vanMonoë ... muggen, muggibedenk dat ’n welgeschapen kind z’n rechten heeft. ’t Is ’n ware schande ... ga jy ’ns voort Herman, ik ben ’r heesch van!—’n Ware schande ... nu jy, Willem!—’t Is ’n ware schande, m’nheeren, zoo afrikaans-miserabel heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen behandelen.—Weg met de ouders! Roep mee, papa!—Weg, weg, weg met ...... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte hem op dien vreeselyken wanklank.—Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare Vader!Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor ’n samojeedsch huishouden ... nà de les!—Juist, schreeuwden de jongens,orrrdena de les! Dat is de ware, rechte orde!—En ... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? ’n Zaag, ’n zaag, papa’s onschuldige liniaal is ’n zaag! O, die vaders, die vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!—Ja, ja ... uit onbeklemde borst, papa!—Leven de dierbare ... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien oproerkreet weer duchtig gestraft.—Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.—Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan ’n halve sekonde les in ... de eeuw. NooitSofala, Monomotapapa... kom-aan, dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...—Leven de...Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader ’n vinger op.—Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee—jy ook, mannetje—mama wacht ons zeker met het eten.Willem nam Sietsken op z’n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed de familie de trap af. Wouter volgde, maarLadyMacbeth verdween platgedrukt in z’n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep er niets van.In de eetkamer heerschte weder ’n geheel andere toon dan vóór en na vyven in de school.—Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:—Papa, mag ik het doen?Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by de hand, en leidde hem naar ’n dame die aan de gedekte tafel bezig was met sla-aanmaken.—Mama, dit is ’n jonge-heer ... gut, ik moet je naam weten! Hoe heet je?—Wouter Pieterse.—Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i ... ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier immers eten, papa?... die hier blyft eten, Mama.—Als mama ’t goedvindt, zei de vader.—Juist, als mama ’t goedvindt.Mevrouw Holsma zette Wouter met ’n paar vriendelyke woorden op z’n gemak. ’t Was noodig!De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men wees hem ’n plaats aan, en ’t deed hem genoegen dat-i zat. Drievierde van z’n postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen voor z’n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde, verbaasde hem. Toen-i z’n handen vouwde...—Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter.—J...a, m’nheer, stamelde Wouter.—Dat’s ’n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd aan-tafel?—Ja, altyd... by warm eten, m’nheer!Er was tucht in dat huis: niemand lachte.—Bid jy er maar gerust op toe, jongen!De dokter maakte gebruik van ’t oogenblik dat Wouter de oogen gesloten had, om zonder ’n woord te spreken z’n kinderen tot beleefdheid te vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. ’t Was hun schuld niet, dat-i later inzag ’n zonderling figuur te hebben gemaakt indienkring.—Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen ’t niet, en ... daaraan doen we misschien ook goed.—Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z’n overtuiging.Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen veronderstellen.Hy... ’n overtuiging! Het korte gezegde van Mevrouw Holsma kende hem ’n waardigheid toe, ’n gewicht, en ’n recht, waaraan hy nooit gedacht had. Onder ’t gebruiken van de soep, dacht hy voortdurend: ik mag ’n overtuiging hebben!Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat ’n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z’n moeder, of door Stoffel, of door wien ook—mits ’n volwassen persoon!—werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóóbelangryk voor, als ’t vernomen nieuws dathy’n overtuiging hebben kon. Z’n gemoedje zwol er van...De dokter, die ’n menschenkenner was, korrigeerde den loop dien Wouters gedachten namen:—Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. En om tot overtuiging te geraken, moet men veel onderzocht hebben.Ikben overtuigd dat onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help ’m eens, Sietske!Sietske deed het met veel gratie.Wouter had den zin van Holsma’s woorden zeer goed begrepen, en ... zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hyvoeldeten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslagvyfzonder genade ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery, zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel heerschte.In-weerwil namelyk van z’n beschroomdheid, of liever juist inverband met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in ’t gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets begreep, omdat hy—fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van z’n doorzicht—niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z’n ziekte had Holsma deze eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort, die hy ’t kind betoonde.Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk ’n gevolg van de methode waarop men hem ’t weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers ’n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is ... zóó-veel, Prins die of die is ’n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, ’t ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy wist niet dat ertwyfelbestond, en hield dus z’n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z’n weetgierigheid, maar ’t was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z’n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy ’n oogenblik den moed iets aftekeuren in ’t gedrag van den aanstaanden aarts-vader, en hy begon reeds met ’n enkel bescheiden woordje ... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. “Zulke vragen pasten geen kind!” heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer vanplan was uit Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-historie volkomenfair playwas. “Men moest niet verstokt zyn.” De arme jongen bad dien avond wel ’n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En ’t hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.Zoo ging ’t met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z’n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z’n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z’n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als ’n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z’n moeder en Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms ’nkeuzetusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en—by Wouter in zeer letterlyken zin nog—kinderachtig, maar ’t was zoo...Toch kunnen we ’t hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe ’t heele menschelyk geslacht aan ’tzelfde euvel mank gaat. Wouters onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby waarnam, en nog niet gewoon was z’n blik te vestigen op voorwerpen die verder-af lagen. Men behoeft slechts ’t huis Pieterse en Woutertje zelf eenige malen te vergrooten, om ’n gelyk-soortig verschynseloveralte kunnen opmerken. De een zweert by z’n dorp, de ander by z’n gemeente, ’n derde by z’n vak, enz. Zelden ontmoet men ’n wydte van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. ’t Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar ... bekrompen zyn wy allen. Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs daar waar ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.En een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is vinden wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan ’t naast omliggende, worden wy beheerscht door ’n zucht om alles te verheffen en naar alles te haken wat vreemd en ongewoon is. Trekvogels en hokvast te-gelyk, beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor ’t geprezene terug, zoodra ’t afwykt van de zaken die wyzelf veroordeelden, maar die ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat loven en roemen van ’t vreemde zèlf is ’n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de minste huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht van den arend bezong. ’t Beest rymde zoo mooi, dat Jupiter hem ’n paar vlerken zond, met ’n aanstelling tot vogel. Maar de zanger wees die onderscheiding af omdat-i ’t jammer vond de schulp te verlaten,waarin hy geen wieken bergen kon.11Het gemis aan besef van voortdurende verandering blykt o.a. uit naïve anachronismen in de werken van dichters en beeldende kunstenaars, zoowel middeleeuwsche als moderne (I. 1060a–1061); maar het blykt ook uit bekrompenheid van blik en conservatisme op politiek, zedelyk en godsdienstig gebied. (I. 1061–1061b.).
Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in ’n paar bezoeken dieWouterbyna niet aflegt.Wouters kerkgang was achter den rug. De dominee had by deze gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: “alles was zoo toepasselyk!”—’t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt.—Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z’n nieuwe broek scheurt. Er moet zoo zuur voor gewerkt worden.Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want “zuur gewerkt” werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder zich met haar huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals haalde, geschiedde uit pure liefhebbery. ’t Mensch meende, dit hoorde er zoo by. Ook ’t klagen daarover, of liever ’t roemen op die bereddering, lag in haar mond bestorven. Ze zou vreemd hebben opgezien als men haar gezegd had dat ze best kon gemist worden in de huishouding van ’t Heelal.Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen tot na z’n kerkgang, was ’n gevolg der bygeloovige vrees voor de dreigementen van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II Kronieken 16, vers 12, en tegen zulke argumenten was de ontkiemende liberalistery van juffrouw Pieterse niet bestand. Wel bleef ze er by dat men nu juist nietalleswat in de Schrift stond, zoo precies op iedereen kon toepassen...—Ja, ja, ja, dat kan de Mensch wel, als ’t ware geloof er maar is, en ... de Genade! Waarom anders, m’n lieve mensch, zou de Heer die verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten te-boek stellen door den H. Geest? Alles heeft z’n beteekenis, weetje!—Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren ...—Dat ’s ’t ware! Dan ben je gered, mensch! En ... stuur ’m eens by me, na zondag. Of ... al wàs ’t zondag, maar na kerktyd dan. Dan kan-i me met-een wat van de preek vertellen, schoon die dominees... och wat weet zoo’n kind daarvan!Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die heeren voor “geleerd” aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-pas kwamen. “Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder ’t begrypen kon zonder grieks of latyns ... als-i de genade maar had. Dáárop kwam alles neer.” Op den broodnyd na, die haar deze meening in ’t gemoed lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist hierom vind ik die “Genade” zoo’n leelyk ding. Om konsekwent te zyn, moeten de Lapsen zich weinig bekommeren over “goede werken” en zelfs niet erg opzien tegen de kwade. Nu, konsekwent wàs onze oefenaarster.—Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op ...En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de lekkernyen die ze gewoon was haar gasten op dat uur voortezetten.Wanneer wy aannemen—en dit mogen we—dat juffrouw Laps op ’n bezoek van Wouter byzonder gesteld was, moet men erkennen dat er diepe kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes aan de voorgespiegelde napreek. Als waarheidlievend geschiedschryver mag ik niet verhelen dat m’n held voor verlokkingen van deze soort geenszins ongevoelig was. En ... er was wel zoo-iets noodig om de vurige godsdienst-oefenaarster in zyn oogen beminnelyk te maken, of althans niet ten-eenen-male afschuwelyk. Hy was bang voor haar, doch ’t spreekt vanzelf dat-i dit niet durfde zeggen. Ook blyft het de vraag of-i ’t wist, want de tyd was nog ver, dat hy beginnen zou zich rekenschap van z’n aandoeningen te geven. Een tyd die voor velen nooit aanbreekt!Instinktmatig voelde hy angst voor ’t alleen-zyn met dat schepsel. Ze was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die Jehovah noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen aan Israël ... donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden, booze zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap. Indien hy den moed had gehad rond-uit te spreken,zoud-i haar verzocht hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen buiten haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar dezen moed had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z’n moeder over hem beschikte, en ’t bezoek toezei.—En waarom ben je ’r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen Stoffels opgetogenheid over de preek wat begon te bedaren.Wouter beriep zich op de bekende buikpyn die alle kinderen ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door ’t aankweeken van eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch durfde Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem tegen de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn omgeving de sympathie met z’n speciale vyandin zoo byzonder groot niet was?Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd ’n uitvloeisel wezen zou van ’tbelang. Aanvankelyk is ze, even als sommige lichamelyke wanstaltigheden, slechts ’n gevolg van knelling. Een kind dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aandoeningen, wordt beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken. Het gedurig vermanen, onderwyzen, berispen, werkt verlammend. De jonge ziel trekt schuw haar begeerige voelhoorntjes in en sluit weldra ook de onschuldigste gewaarwordingen in haar binnenste op. Hieruit vloeit dat hygen naar ’t onbekende voort, naar ’t verre—dikwyls naar ’t onbereikbare—dat mensch en Menschdom kenmerkt. Want de Maatschappy werkt hierin op gelyke wyze als het gezin en ’t ouderlyk toezicht. “Dat mag niet!” en: “dat is onbehoorlyk!” wordt er van alle kanten geroepen, zoodra iemand zich veroorlooft zichzelf te zyn. “Hoe dwaas!” is terstond het algemeene oordeel over alles wat afwykt van den regel waaraan men gewend is. De meesten gaan ’n wyden stap verder, en noemen ’t “misdadig” wanneer de eenling zich aanmatigt z’n individualiteit te bewaren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven.’t Gevolg is:leugen. Want de lust om zich te verzetten tegen overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht!Opmerkelyk is ’t dat de enkele die dit beproeft, niet het minst wordt uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voelden, doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken of verlieten. Wie ’n waarheid verkondigt die tegen den gewonen sleur inloopt, vindt z’n gevaarlykste tegenstanders niet onder de aanhangers der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den grond van hun gemoed zyn meening toegedaan, niet verdragen kunnen dat ’n ander den moed had die meening te openbaren. Het vóórgaan wordt door achterblyvers opgenomen als verwyt. Er zyn duizenden en duizenden die evenmin als Wouter lust zouden hebben juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje had buikpyn noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z’n tegenzin. En dit lukt niet eens altyd, want:—Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. ’t Is maar weeromdat je ’n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt.Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem te wachten stond ... och, ’t leek niets naar ’n katechizatie! Hy werd ontvangen met ’n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in de war bracht.—Zoo lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres voor jou!Ze drukte hem op ’n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem streelde en liefkoosde.—En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?—De tekst was...—Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst ’n paar taartjes. ’n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola, en ’n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je ’n lieve jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe, m’n jongen, en doe gerust of je thuis was...Nu, dit was eigenlyk ’t ware woord niet om Wouter op z’n gemak te zetten. Thuis!Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om ... om...ja waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z’n moeder hem bevolen had niet lang uitteblyven.Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i zich door den vyand heenteslaan.Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig weer “eens zou terugkomen” raakte hy de trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem ’n onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor hemzelf. Nooit was hy zoo ... hartelyk behandeld, nooit althans bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z’n tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z’n vertrek ’n kus had willen geven, en dat-i zich door ’n snelle wending daaraan onttrokkenhad. Waarom? Dit wis-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte hem ’n zenuwachtige rilling zooals de schok waardoor we soms in den overgang van waken tot slapen worden gestoord.En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden van z’n spoedige terugkomst.Onwillekeurig richtte hy z’n schreden naar de aschpoort. Het was z’n voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had z’n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet ’n duidelyk bewys dat-i by ’t verlaten van z’n woning niet aan Femke gedacht had?En zelfs toen-i op den buitensingel z’n molens in ’t gezicht kreeg...Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag?De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar “kuierde.”Gewandeldwordt er door de zondagsmenschen eigenlyk niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlui die daar heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze “buiten” zyn, omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke’s huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond, die ’t erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan, en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld van z’n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was.—O, als ik m’n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker ...Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke’s moeder hem vroeg: “maar mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen?Wy, schryver en lezer,wyzouden misschien kunnen antwoorden. En ’t is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van ’t kind dat daar weifelend stond te leunen op ’t lage hekje. Hy staarde met open mond het huisjen aan. Z’n knieën knikten, ’t hart bonsde, tong en verhemelte waren droog. Waarom toch?Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem wakker. Als er eens brand kwam in Femke’s huisje! Dàn immers moest-i wel binnen gaan! Dàn zou ’t hem vrystaan haar te redden haar in z’n armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver ... tot aan ’t einde der wereld, of buiten de stad tenminste! Hier-of-daar waar men gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo’n sleep Femke goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen ... neen, naast haar ryden met ’n valk op z’n vuist!—Als er maar brand kwam!Maar er kwam geen brand! Dit zag Wouter ook wel. Die rook ... och, ’t was zoo’n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van ’n bezigheid, die niet van Femke’s bezigheid scheen te verschillen. Hoe was ’t mogelyk!Eén onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke!Zoo-even nog huisden ze in de turven die door háár hand waren geschikt op de vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! ’t Zou juist hebben gepast by z’n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: “zie daar geschiedt ’n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen ten-hemel!” ... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was, maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van z’n hart.Hèm kwam ’t eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat hy dáár stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd half-voldaan door ’t aanschouwen van iets dat misschien door haar gezien was, en toch, toch te schuw om ’t erf optegaan, den klink van de deur te lichten, en binnentredend te roepen: “Femke, hier ben ik ... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kòn: hier ben ik!”Want hy had ’n gevoel alsof hy zich over z’n lang wegblyven verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy zich als ’t ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren.Daar naderde ’n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben in een der etablissementen langs den weg, waar men “ververschingen” bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in ’t voorbygaan Wouter van z’n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee.Nu dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan kyken naar dat huisjen en dien rook? ’t Zou wel zonderling wezen als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En ... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had...Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z’n prent meenemen. En hy beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan voor dat hekje!Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen, zwaarden en harnassen, op z’n prenten. Zeker hadden zy moed, al die koningen, ridders en pages ... waarom anders zou men ze hebben uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als ’t niet beterde, zou men nooit hèm op ’n prent zetten, zoo’n laffen durfniet!Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke’s moeder te zeggen: goeden dag, juffrouw, hoe vaart u!Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs betrapte hy zich op ’n regel uit Bilderdyks “Floris” en voorziende dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in devoorbaat met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten dichter.Of ze dáárvoor gevoelig wezen zou?En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat ’n “wulp” was, en ’n “echtkoets” en “kuisheid” en zoo voort. Al wat-i niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen, en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den weg helpen kon, het was hem reeds ’n heerlyk vooruitzicht al die mysteriën met haar te zullen bespreken.Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en—waarom zouden we ’t ontkennen?—ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust tot onderzoek. Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel, vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in ’n boek. Maar er waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor, of liever: “groot.” Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van ’n kind ’n hooge waardigheid mee.Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z’n nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot haar getrokken door de begeerte háár iets meetedeelen vanzynkennis. En waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid Femke deelgenoot maken van z’n onkunde. Ook dan toch gàf hy haar wat, en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkelyk voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk ’n vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen hebben, daar-i ’t waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in z’n ziekte naar hem gevraagd ... nu ja, maar misschien was ze juist toevallig voorby z’n huis gekomen, en dan was ’t zoo heel moeielyk niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter?O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet binnengaan. Femke had wèl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hèm voor zoo’n bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken die hem beletten eenvoudig te zyn, en ’t ware dus eerlyk geweest haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.’t Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen, en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke’s vrindje was. Haar éérste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo’n groot meisje heeft al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen...Dien pater Jansen had-i graag ’n hartelyken stomp gegeven. Wat moet men doen ompaterte worden, Femke’s pater? Als er mogelykheid was op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou haar graag ’n zoen geven, elken keer als ze haar “vragen” goed had opgezegd. Jazelfs, hy zou haar ’n zoen geven als daaraan wat haperde of ook al wist ze ’t eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren torens. Och hy zou voor Femke zoo’n vriendelyke pater zyn!Hoe legt men het toch aan, om ’t zoover te brengen in de wereld? En kon men er zeker van zyn, dat ’n pater altyd durfde binnengaan als-i ergens wezen wilde?Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid moest overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als ’t maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen zyn tot in ’t binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in z’n boekje. Maar ... dat hekje? En ... Femke’s moeder? En ... Femke zelf? Ware hy maar zeker geweest háár te vinden, alléén haar! “Toch niet, antwoordde hy zichzelf, dàn juist zou ik niet hebben durven binnengaan!”Nu kwam ’t hem voor, dat-i liever Femke’s moeder had gevonden. Hy zou dan aan die vrouw gezegd hebben ... ja wat? Neen, neen, zoo heel aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke’s moeder niet.Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika eigenlyk doen?En ... àls men ’t gevraagd had ... welnu,hykon makkelyk antwoorden. Zoo’n reiziger in ’n boek met prentjes is nooit verlegen.Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op ’n schimmel met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z’n ziekte: “omdat de vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had.” Hy zou ze koninklyk beloonen...Want Wouter was koning in al dat veroverde land Koning, en ... Femke koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En die gouden diadeem!Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, omal die heerlykheid naar behooren te kleuren. Maar wàt er mocht overschieten,zykwam niet te-kort. Háár sierde hy op in z’n vlammende verbeelding, haar ’t eerst, haar ’t meest, haar byna alleen. Byna, ja ... want hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel Afrika kunnen wezen, zonder ’n koning! En wie anders kon dit zyn dan hy, Wouter, haar vrindje?Och dat veroveren van werelddeelen was zoo’n gemakkelyke zaak, meende hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en Afrika bezetten, terwyl hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen en die vervloekteregula de tri! En hy wist zeer goed dat er nog zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen veroveren kan, of zelfs koning worden van ’n kleiner land. Ook z’n zakgeld moest eenige veranderingen ondergaan, want zes duiten in de week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor z’n plannen. De Hallemannetjes ... nu ja, die kinderen ontvingen hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar ’n ander kind, iets nader aan ’t grootzyn dan hy, hem den pas zou afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z’n vlucht neer. Hoe moest hy ’t aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z’n moeder, wanneer hy op z’n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer uitbleef dan de huistucht der Pietersens veroorloofde?Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z’n verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen.Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op ’n salomonischen troon waarvan ’t model aan z’n prentenbybel ontleend was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde ’t heel wel weten “voor ’t aangezicht van ’t geheele volk” dat ze vroeger maar ’n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan ... ieder, wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En ’t volk hoefde nu voortaan niet te knielen, zou ze zeggen...Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z’n moeder en van Stoffel, by-voorbeeld. Die twee mochten ’t wel eens zien, vond-i, hoe al die menschen hem vereerden, en... háár vooral, haar die zoo onheusch was bejegend toen ze in z’n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar als moeder en Stoffel ’t éénmaal gezien hadden, was ’t genoeg. Dan zoud-i alles vergeven, en voor z’n moeder ’n groot huis laten bouwen, vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i ’n ruime school te laten oprichten voor Pennewip, metgroote zwarte borden, inktkokers, schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van ’t vervelende nieuwematenstelsel. En hy zou z’n ouden meester vergunnen daarin den ganschen dag onderwys te geven, van ’s morgens vroeg tot ’s avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms de jongetjes vervelen..Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van ’t vraagstuk hoe hy te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk had-i z’n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry onverwachts zag overgeplaatst in ’n geheel anderen kring dan waarin hy sedert ’n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning noodig om te begrypen wat z’n moeder bedoelde, toén ze hem vroeg hoe z’n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest over ’t verslag van de preek?Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z’n moeder en Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z’n bezoek uit ’n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i niet erkennen zonder zekere gaping te doen in ’t oog vallen, die z’n relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om de vier boekenMosisaftehandelen, en begreep dat die tydruimte niet te vullen was met twee taartjes en ’n kop chocola. Voorbereid op ’t na-examen dat hem tehuis wachtte, was hy volstrekt niet. Van ’t oogenblik af dat-i de aschpoort en z’n molens had weergezien, had-i zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat ’t mensch zonder genade zou gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.’t Was ’n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook, of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z’n hakkelen, want wie goed luisterde naar z’n mededeelingen, kon in waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog ’n reden die Wouter belette ’n duidelyk verslag te geven van z’n bezoek. Hy was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid, als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had hem zeer gestuit, en nu kwam ’t hem voor dat er iets laakbaars lag in ’n aandoening die hy zeker nog minder by z’n moeder en Stoffel zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. “De jongen lykt wel mal, meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i boos weg. Wat is er aantevangen met zoo’n kind?”Z’n stamelen bracht evenwel ’n heel andere werking voort dan-i verwachten kon. Er scheen ’n reaktie te hebben plaats gehad sedert men hem de deur uitzond. Misschien hadden z’n beide inkwiziteurs zich bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheidvan de oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z’n gewoon:—Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om ’t háár naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan ’n ander...—Zóó is het, riep de moeder. ’t Mensch is gek en verwaand, dat zeg ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo’n kind vergen kan dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo’n kind! Ze doet het maar om den profester te spelen ... dáárom doet ze ’t!Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door z’n byval.—Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat zyzelf ’n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op ’n kind dat pas ziek geweest is! ’t Is ’n ware schande! Wat hoefje ook daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd...Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z’n bezoek gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met ’n vermaning om z’n zondagsche broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich in ’n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje: “waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoosleetschwas. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!”—En dan zoo’n kind ’n heel uur lang op ’n droogje te laten zitten! En ze had nogal gezegd...Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy viel z’n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z’n gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs...Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen naam geven kon. Waarom toch?Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade...—Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu, dat’s hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dàt had er dan ook nog moeten bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... zóó zyn die menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op ’n ander, maar naar zichzelf kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan de Genade, en ik houd er óók wel van zoo nu-en-dan eens, als m’n huishouden aan-kant is, wat degelyks te hooren uit de Schrift, of van ’t Geloof, of zoowat, maar om nu juist eeuwig en altyd dáárover te praten ... neen! In ’t praten zit ’t ’m niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat ’n mensch z’n werk moet doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwe broek uit, dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef ’m z’n ouwe!”Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker, dat-i in Afrika alle dagen op z’n zondags zou gekleed gaan.
Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in ’n paar bezoeken dieWouterbyna niet aflegt.
Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in ’n paar bezoeken dieWouterbyna niet aflegt.
Wouters kerkgang was achter den rug. De dominee had by deze gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: “alles was zoo toepasselyk!”
—’t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt.
—Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z’n nieuwe broek scheurt. Er moet zoo zuur voor gewerkt worden.
Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want “zuur gewerkt” werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder zich met haar huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals haalde, geschiedde uit pure liefhebbery. ’t Mensch meende, dit hoorde er zoo by. Ook ’t klagen daarover, of liever ’t roemen op die bereddering, lag in haar mond bestorven. Ze zou vreemd hebben opgezien als men haar gezegd had dat ze best kon gemist worden in de huishouding van ’t Heelal.
Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen tot na z’n kerkgang, was ’n gevolg der bygeloovige vrees voor de dreigementen van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II Kronieken 16, vers 12, en tegen zulke argumenten was de ontkiemende liberalistery van juffrouw Pieterse niet bestand. Wel bleef ze er by dat men nu juist nietalleswat in de Schrift stond, zoo precies op iedereen kon toepassen...
—Ja, ja, ja, dat kan de Mensch wel, als ’t ware geloof er maar is, en ... de Genade! Waarom anders, m’n lieve mensch, zou de Heer die verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten te-boek stellen door den H. Geest? Alles heeft z’n beteekenis, weetje!
—Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren ...
—Dat ’s ’t ware! Dan ben je gered, mensch! En ... stuur ’m eens by me, na zondag. Of ... al wàs ’t zondag, maar na kerktyd dan. Dan kan-i me met-een wat van de preek vertellen, schoon die dominees... och wat weet zoo’n kind daarvan!
Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die heeren voor “geleerd” aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-pas kwamen. “Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder ’t begrypen kon zonder grieks of latyns ... als-i de genade maar had. Dáárop kwam alles neer.” Op den broodnyd na, die haar deze meening in ’t gemoed lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist hierom vind ik die “Genade” zoo’n leelyk ding. Om konsekwent te zyn, moeten de Lapsen zich weinig bekommeren over “goede werken” en zelfs niet erg opzien tegen de kwade. Nu, konsekwent wàs onze oefenaarster.
—Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op ...
En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de lekkernyen die ze gewoon was haar gasten op dat uur voortezetten.
Wanneer wy aannemen—en dit mogen we—dat juffrouw Laps op ’n bezoek van Wouter byzonder gesteld was, moet men erkennen dat er diepe kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes aan de voorgespiegelde napreek. Als waarheidlievend geschiedschryver mag ik niet verhelen dat m’n held voor verlokkingen van deze soort geenszins ongevoelig was. En ... er was wel zoo-iets noodig om de vurige godsdienst-oefenaarster in zyn oogen beminnelyk te maken, of althans niet ten-eenen-male afschuwelyk. Hy was bang voor haar, doch ’t spreekt vanzelf dat-i dit niet durfde zeggen. Ook blyft het de vraag of-i ’t wist, want de tyd was nog ver, dat hy beginnen zou zich rekenschap van z’n aandoeningen te geven. Een tyd die voor velen nooit aanbreekt!
Instinktmatig voelde hy angst voor ’t alleen-zyn met dat schepsel. Ze was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die Jehovah noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen aan Israël ... donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden, booze zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap. Indien hy den moed had gehad rond-uit te spreken,zoud-i haar verzocht hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen buiten haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar dezen moed had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z’n moeder over hem beschikte, en ’t bezoek toezei.
—En waarom ben je ’r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen Stoffels opgetogenheid over de preek wat begon te bedaren.
Wouter beriep zich op de bekende buikpyn die alle kinderen ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door ’t aankweeken van eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch durfde Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem tegen de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn omgeving de sympathie met z’n speciale vyandin zoo byzonder groot niet was?
Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd ’n uitvloeisel wezen zou van ’tbelang. Aanvankelyk is ze, even als sommige lichamelyke wanstaltigheden, slechts ’n gevolg van knelling. Een kind dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aandoeningen, wordt beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken. Het gedurig vermanen, onderwyzen, berispen, werkt verlammend. De jonge ziel trekt schuw haar begeerige voelhoorntjes in en sluit weldra ook de onschuldigste gewaarwordingen in haar binnenste op. Hieruit vloeit dat hygen naar ’t onbekende voort, naar ’t verre—dikwyls naar ’t onbereikbare—dat mensch en Menschdom kenmerkt. Want de Maatschappy werkt hierin op gelyke wyze als het gezin en ’t ouderlyk toezicht. “Dat mag niet!” en: “dat is onbehoorlyk!” wordt er van alle kanten geroepen, zoodra iemand zich veroorlooft zichzelf te zyn. “Hoe dwaas!” is terstond het algemeene oordeel over alles wat afwykt van den regel waaraan men gewend is. De meesten gaan ’n wyden stap verder, en noemen ’t “misdadig” wanneer de eenling zich aanmatigt z’n individualiteit te bewaren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven.
’t Gevolg is:leugen. Want de lust om zich te verzetten tegen overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht!
Opmerkelyk is ’t dat de enkele die dit beproeft, niet het minst wordt uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voelden, doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken of verlieten. Wie ’n waarheid verkondigt die tegen den gewonen sleur inloopt, vindt z’n gevaarlykste tegenstanders niet onder de aanhangers der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den grond van hun gemoed zyn meening toegedaan, niet verdragen kunnen dat ’n ander den moed had die meening te openbaren. Het vóórgaan wordt door achterblyvers opgenomen als verwyt. Er zyn duizenden en duizenden die evenmin als Wouter lust zouden hebben juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje had buikpyn noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z’n tegenzin. En dit lukt niet eens altyd, want:
—Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. ’t Is maar weeromdat je ’n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt.
Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem te wachten stond ... och, ’t leek niets naar ’n katechizatie! Hy werd ontvangen met ’n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in de war bracht.
—Zoo lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres voor jou!
Ze drukte hem op ’n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem streelde en liefkoosde.
—En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?
—De tekst was...
—Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst ’n paar taartjes. ’n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola, en ’n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je ’n lieve jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe, m’n jongen, en doe gerust of je thuis was...
Nu, dit was eigenlyk ’t ware woord niet om Wouter op z’n gemak te zetten. Thuis!
Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om ... om...ja waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z’n moeder hem bevolen had niet lang uitteblyven.
Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i zich door den vyand heenteslaan.
Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig weer “eens zou terugkomen” raakte hy de trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem ’n onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor hemzelf. Nooit was hy zoo ... hartelyk behandeld, nooit althans bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z’n tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z’n vertrek ’n kus had willen geven, en dat-i zich door ’n snelle wending daaraan onttrokkenhad. Waarom? Dit wis-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte hem ’n zenuwachtige rilling zooals de schok waardoor we soms in den overgang van waken tot slapen worden gestoord.
En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden van z’n spoedige terugkomst.
Onwillekeurig richtte hy z’n schreden naar de aschpoort. Het was z’n voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had z’n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet ’n duidelyk bewys dat-i by ’t verlaten van z’n woning niet aan Femke gedacht had?
En zelfs toen-i op den buitensingel z’n molens in ’t gezicht kreeg...
Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag?
De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar “kuierde.”Gewandeldwordt er door de zondagsmenschen eigenlyk niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlui die daar heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze “buiten” zyn, omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.
Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke’s huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond, die ’t erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan, en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld van z’n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was.
—O, als ik m’n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker ...
Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke’s moeder hem vroeg: “maar mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen?
Wy, schryver en lezer,wyzouden misschien kunnen antwoorden. En ’t is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van ’t kind dat daar weifelend stond te leunen op ’t lage hekje. Hy staarde met open mond het huisjen aan. Z’n knieën knikten, ’t hart bonsde, tong en verhemelte waren droog. Waarom toch?
Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem wakker. Als er eens brand kwam in Femke’s huisje! Dàn immers moest-i wel binnen gaan! Dàn zou ’t hem vrystaan haar te redden haar in z’n armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver ... tot aan ’t einde der wereld, of buiten de stad tenminste! Hier-of-daar waar men gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo’n sleep Femke goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen ... neen, naast haar ryden met ’n valk op z’n vuist!
—Als er maar brand kwam!
Maar er kwam geen brand! Dit zag Wouter ook wel. Die rook ... och, ’t was zoo’n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van ’n bezigheid, die niet van Femke’s bezigheid scheen te verschillen. Hoe was ’t mogelyk!
Eén onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke!Zoo-even nog huisden ze in de turven die door háár hand waren geschikt op de vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! ’t Zou juist hebben gepast by z’n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: “zie daar geschiedt ’n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen ten-hemel!” ... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was, maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van z’n hart.
Hèm kwam ’t eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat hy dáár stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd half-voldaan door ’t aanschouwen van iets dat misschien door haar gezien was, en toch, toch te schuw om ’t erf optegaan, den klink van de deur te lichten, en binnentredend te roepen: “Femke, hier ben ik ... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kòn: hier ben ik!”
Want hy had ’n gevoel alsof hy zich over z’n lang wegblyven verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy zich als ’t ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren.
Daar naderde ’n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben in een der etablissementen langs den weg, waar men “ververschingen” bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in ’t voorbygaan Wouter van z’n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee.
Nu dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan kyken naar dat huisjen en dien rook? ’t Zou wel zonderling wezen als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En ... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had...
Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z’n prent meenemen. En hy beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan voor dat hekje!
Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen, zwaarden en harnassen, op z’n prenten. Zeker hadden zy moed, al die koningen, ridders en pages ... waarom anders zou men ze hebben uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als ’t niet beterde, zou men nooit hèm op ’n prent zetten, zoo’n laffen durfniet!
Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke’s moeder te zeggen: goeden dag, juffrouw, hoe vaart u!
Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs betrapte hy zich op ’n regel uit Bilderdyks “Floris” en voorziende dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in devoorbaat met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten dichter.
Of ze dáárvoor gevoelig wezen zou?
En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat ’n “wulp” was, en ’n “echtkoets” en “kuisheid” en zoo voort. Al wat-i niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen, en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den weg helpen kon, het was hem reeds ’n heerlyk vooruitzicht al die mysteriën met haar te zullen bespreken.
Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en—waarom zouden we ’t ontkennen?—ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust tot onderzoek. Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel, vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in ’n boek. Maar er waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor, of liever: “groot.” Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van ’n kind ’n hooge waardigheid mee.
Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z’n nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot haar getrokken door de begeerte háár iets meetedeelen vanzynkennis. En waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid Femke deelgenoot maken van z’n onkunde. Ook dan toch gàf hy haar wat, en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkelyk voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk ’n vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.
Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen hebben, daar-i ’t waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in z’n ziekte naar hem gevraagd ... nu ja, maar misschien was ze juist toevallig voorby z’n huis gekomen, en dan was ’t zoo heel moeielyk niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter?
O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet binnengaan. Femke had wèl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hèm voor zoo’n bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken die hem beletten eenvoudig te zyn, en ’t ware dus eerlyk geweest haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.
’t Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen, en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke’s vrindje was. Haar éérste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo’n groot meisje heeft al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen...
Dien pater Jansen had-i graag ’n hartelyken stomp gegeven. Wat moet men doen ompaterte worden, Femke’s pater? Als er mogelykheid was op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou haar graag ’n zoen geven, elken keer als ze haar “vragen” goed had opgezegd. Jazelfs, hy zou haar ’n zoen geven als daaraan wat haperde of ook al wist ze ’t eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren torens. Och hy zou voor Femke zoo’n vriendelyke pater zyn!
Hoe legt men het toch aan, om ’t zoover te brengen in de wereld? En kon men er zeker van zyn, dat ’n pater altyd durfde binnengaan als-i ergens wezen wilde?
Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid moest overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als ’t maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen zyn tot in ’t binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in z’n boekje. Maar ... dat hekje? En ... Femke’s moeder? En ... Femke zelf? Ware hy maar zeker geweest háár te vinden, alléén haar! “Toch niet, antwoordde hy zichzelf, dàn juist zou ik niet hebben durven binnengaan!”
Nu kwam ’t hem voor, dat-i liever Femke’s moeder had gevonden. Hy zou dan aan die vrouw gezegd hebben ... ja wat? Neen, neen, zoo heel aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke’s moeder niet.
Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika eigenlyk doen?
En ... àls men ’t gevraagd had ... welnu,hykon makkelyk antwoorden. Zoo’n reiziger in ’n boek met prentjes is nooit verlegen.
Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op ’n schimmel met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z’n ziekte: “omdat de vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had.” Hy zou ze koninklyk beloonen...
Want Wouter was koning in al dat veroverde land Koning, en ... Femke koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En die gouden diadeem!
Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, omal die heerlykheid naar behooren te kleuren. Maar wàt er mocht overschieten,zykwam niet te-kort. Háár sierde hy op in z’n vlammende verbeelding, haar ’t eerst, haar ’t meest, haar byna alleen. Byna, ja ... want hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel Afrika kunnen wezen, zonder ’n koning! En wie anders kon dit zyn dan hy, Wouter, haar vrindje?
Och dat veroveren van werelddeelen was zoo’n gemakkelyke zaak, meende hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en Afrika bezetten, terwyl hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen en die vervloekteregula de tri! En hy wist zeer goed dat er nog zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen veroveren kan, of zelfs koning worden van ’n kleiner land. Ook z’n zakgeld moest eenige veranderingen ondergaan, want zes duiten in de week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor z’n plannen. De Hallemannetjes ... nu ja, die kinderen ontvingen hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar ’n ander kind, iets nader aan ’t grootzyn dan hy, hem den pas zou afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z’n vlucht neer. Hoe moest hy ’t aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z’n moeder, wanneer hy op z’n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer uitbleef dan de huistucht der Pietersens veroorloofde?
Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z’n verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen.
Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op ’n salomonischen troon waarvan ’t model aan z’n prentenbybel ontleend was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde ’t heel wel weten “voor ’t aangezicht van ’t geheele volk” dat ze vroeger maar ’n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan ... ieder, wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En ’t volk hoefde nu voortaan niet te knielen, zou ze zeggen...
Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z’n moeder en van Stoffel, by-voorbeeld. Die twee mochten ’t wel eens zien, vond-i, hoe al die menschen hem vereerden, en... háár vooral, haar die zoo onheusch was bejegend toen ze in z’n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar als moeder en Stoffel ’t éénmaal gezien hadden, was ’t genoeg. Dan zoud-i alles vergeven, en voor z’n moeder ’n groot huis laten bouwen, vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i ’n ruime school te laten oprichten voor Pennewip, metgroote zwarte borden, inktkokers, schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van ’t vervelende nieuwematenstelsel. En hy zou z’n ouden meester vergunnen daarin den ganschen dag onderwys te geven, van ’s morgens vroeg tot ’s avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms de jongetjes vervelen..
Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van ’t vraagstuk hoe hy te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk had-i z’n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry onverwachts zag overgeplaatst in ’n geheel anderen kring dan waarin hy sedert ’n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning noodig om te begrypen wat z’n moeder bedoelde, toén ze hem vroeg hoe z’n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest over ’t verslag van de preek?
Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z’n moeder en Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z’n bezoek uit ’n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i niet erkennen zonder zekere gaping te doen in ’t oog vallen, die z’n relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om de vier boekenMosisaftehandelen, en begreep dat die tydruimte niet te vullen was met twee taartjes en ’n kop chocola. Voorbereid op ’t na-examen dat hem tehuis wachtte, was hy volstrekt niet. Van ’t oogenblik af dat-i de aschpoort en z’n molens had weergezien, had-i zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat ’t mensch zonder genade zou gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.
’t Was ’n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook, of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z’n hakkelen, want wie goed luisterde naar z’n mededeelingen, kon in waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.
Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog ’n reden die Wouter belette ’n duidelyk verslag te geven van z’n bezoek. Hy was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid, als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had hem zeer gestuit, en nu kwam ’t hem voor dat er iets laakbaars lag in ’n aandoening die hy zeker nog minder by z’n moeder en Stoffel zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. “De jongen lykt wel mal, meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i boos weg. Wat is er aantevangen met zoo’n kind?”
Z’n stamelen bracht evenwel ’n heel andere werking voort dan-i verwachten kon. Er scheen ’n reaktie te hebben plaats gehad sedert men hem de deur uitzond. Misschien hadden z’n beide inkwiziteurs zich bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheidvan de oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z’n gewoon:
—Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om ’t háár naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan ’n ander...
—Zóó is het, riep de moeder. ’t Mensch is gek en verwaand, dat zeg ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo’n kind vergen kan dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo’n kind! Ze doet het maar om den profester te spelen ... dáárom doet ze ’t!
Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door z’n byval.
—Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat zyzelf ’n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op ’n kind dat pas ziek geweest is! ’t Is ’n ware schande! Wat hoefje ook daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd...
Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z’n bezoek gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met ’n vermaning om z’n zondagsche broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich in ’n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje: “waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoosleetschwas. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!”
—En dan zoo’n kind ’n heel uur lang op ’n droogje te laten zitten! En ze had nogal gezegd...
Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy viel z’n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z’n gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs...
Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen naam geven kon. Waarom toch?
Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade...
—Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu, dat’s hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dàt had er dan ook nog moeten bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... zóó zyn die menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op ’n ander, maar naar zichzelf kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan de Genade, en ik houd er óók wel van zoo nu-en-dan eens, als m’n huishouden aan-kant is, wat degelyks te hooren uit de Schrift, of van ’t Geloof, of zoowat, maar om nu juist eeuwig en altyd dáárover te praten ... neen! In ’t praten zit ’t ’m niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat ’n mensch z’n werk moet doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwe broek uit, dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef ’m z’n ouwe!”
Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker, dat-i in Afrika alle dagen op z’n zondags zou gekleed gaan.
Onze held legt weer ’n bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van kannibalismus inEuropa. Saturnalie op dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun vader mishandelen.Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z’n hartje beefde, want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en, na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: “maar boven te komen.” Dit “maar” is ’n onbeminnelyk uitvloeisel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende oefening in ’t gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan ’t verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven.Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch naar de “studeerkamer” waar dokter Holsma bezig was met het vervullen van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z’n kinderen.Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen in ’n hoek aan ’n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide anderen, ’n knaapje van Wouters leeftyd, en ’n meisje dat een paar jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten was, en waarop ’n groote aardglobe stond, die blykbaar ’t onderwerp was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis zoo’n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet dat er nog ’n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk voortestellen, dan op de platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer, dat-i wel zag, maar ter-nauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch prentte zich alles diep in z’n geheugen, en later, veel later eerst, geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die hy by z’n binnentreden opving.Toen de meid de deur der Kamer opende, vernam hy de stemmen der kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar zoodra hy z’n figuurtje vertoonde, werd alles als door ’n tooverslag op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om ’t komieke daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in ’n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de dokter Wouter verwelkomde, en hem ’n stoel aanwees, stond de kleine jongen zoo-waar met den pink op den naad van de broek, als wachtte hy op ’n: ingerukt ... marsch! of: rechts-om ... keert!De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys ’n oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en ... sommige vrouwen. Het onuitgesproken: “wie ben jy?” heeft by zulke gelegenheden den rang van stilzwygende oorlogsverklaring.By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof dat het aan weinigen onbekend is. Om ’t optemerken by de mensch-exemplaren die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk “wilden” genaamd worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid schuldig maken ... men behoeft slechts acht te geven op de blikken waarmee “dames” die elkander op ’n wandeling ontmoeten, dit kenmerk van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen, en verdoemen elkaar. We zien daaruit dat de slagtanden van ’t kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde deruderauit ’n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons toeteroepen: “vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. ’n zyden japon aan ’t lyf en ’n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!”’t Is mogelyk dat die “dames” ’t zoo kwaad niet meenen, en dat enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie zouden onthouden. Ik heb de hier bedoeldemene-mene-tekel-woede waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden waarlyk niet in-staat zouden zyn ’n levend konyn te verslinden. Om evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt, moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo’n beestje zich nooit schuldig maakte aan ... ja, waaraan?Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van ’n dame die op de wandeling mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en ... men kent haar niet!Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen aan Juffrouw B. ’t Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wed. E. ’n heel ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F. vandaag zoo byzonder mooi schynt te willen wezen ... maar toch, ligt er in dit alles ’n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna niet te byten?In dat: “ik ken je niet, dus: vyandig!” openbaart zich ’n zonderlinge opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-onrechte: primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in holen of op boomen woonden, maar ’t is te veronderstellen dat ze door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die ’n gevolg was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemdedeed aanzien als ’n indringer, als ’n veroveraar, als ’n dief. Eenmaal moet dit anders geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden, dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner schuwheid klimt hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma wel. En Willem scheen te weten dat z’n vader scherp zag. Vandaar de haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den Titus Livius die hem vandaag begunstigde met ’npensum.—Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat’s heel braaf van je. Wat heb je daar?En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:—Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel van ... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurdeLadyMacbeth, en wist niet recht hoe hy z’n geschenk aan den man zou brengen. Hy vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten vol boeken ... och, z’n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het ding wel willen inslikken.Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links, en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den dokter kwam bedanken “voor z’n beterschap... naast God.”Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten, en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning ’n ernstig gelaat vertoonde.—Naast God? Ja ... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En heb je dan nu God wel bedankt?—Zeker, m’nheer! Alle avenden in m’n bed, en gister in de kerk ...De kleine Sietske werd hier bezocht door ’n dykbreuk van ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z’n neus veel harder te snuiten dan voor ’t gewone doel van dien handgreep noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met ’n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.—Orrrde! riep hy met ’n donderende stem, die Wouter bang maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor ’n samojeedsch huishouden onder de les? Ik zal jelui allemaal ... orrrde!Daar begon ’n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by elken slag ’n vinger op.—Ik zal jelui allemaal ...—Vyf! juichte Sietske. M’n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe: vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. ’t Was ’nquodlibetvangaudeamusenvive la joie, enGod save the King... help mee, jongens!Vive la vacance, le maître en pénitence...Wilhellemus al van Nassouwe... met de ellebogen door z’n... hoed.Help! Herman! Help, Willem! Wraak, wraak, wraak!A bas les tyrans! Amour sacré—pak ’m beet, Willem, jy bent de sterkste—de la patrie ... de heer van Son is ’n brave kapitein ... hy regeert z’n volkje, neen...daar gang ’n patertje langs den kant... wraak!So, so wie ich dich liebe—wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal de linkerhand wel houden. Toe, jongens!—Hier ligt myn Damon, neen ...io vivat, io vivat ... boum, boum, boum... hoera!Dans son bivouac, le troubadour fidèle... wraak!Fleuve du Tage... wraak!Oh, shall he, boys ... oh, shall he, boys ... oh, shall he... wraak!Pro salute horum—geen latyn, riep Sietske—hop maar Jannetje, hop maar ... sing, Sally, ho... wraak!Wouter wreef z’n oogen uit, en vertrouwde z’n ooren niet. Wat-i hier zag gebeuren, ging z’n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier ’n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook het ten-hemel varen van Elias in ’n gloeienden wagen kwam hem, na wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman en Sietske hun vader, zoo’n deftigen dokter, om den hals vielen, tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van ’t lyf plukten ... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met ’n ouden pantoffel van z’n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. ’t Verbaasde hem dat de wereld niet verging.—Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid, jongens! Kan ik ’t helpen, dat jelui geen pleizier hebt in aardrykskunde?—Breng ’t dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske die te-paard op z’n schouders zat.De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z’n linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te deklameeren en te gestikuleeren:—O, dierbaarAfrika...Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde ’t nest waarlyk z’n werelddeel aan, zyn Afrika! Was ’t niet of ze ’t er om deed!—O,Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi... prachtig! Nog ’n oogenblik, papa, dierbare schooltiran—houd vast, Willem, toe!—ik wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m’n gezicht vertrek.Mesopotamië, mesopomamo... mondvol, mooi!Nigritië—blyf staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M’n paardje trappelt zoo ... hu, hu!—Aethiopië—Herman, houd z’n beenen vast ... niet kittelen, dan val ik.—Marokko ... Schiermonnikoog ... hu, hu, paardje, met je vlassen staartje ... Alexandrië, Soudan, Egypte ... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolvemersburgwal—de les is uit, ik mag zeggen wat ik wil—Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra, Karel de Groote... wie vangt me?—Ik, riep Willem.Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.—Oef! riep de dokter.—Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aanoef!Twee volle uren les, en dan terstond:oef!Waar zou dat heen? O, neen, dierbare tiran vanMonomotapapa, vanMonoë ... muggen, muggibedenk dat ’n welgeschapen kind z’n rechten heeft. ’t Is ’n ware schande ... ga jy ’ns voort Herman, ik ben ’r heesch van!—’n Ware schande ... nu jy, Willem!—’t Is ’n ware schande, m’nheeren, zoo afrikaans-miserabel heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen behandelen.—Weg met de ouders! Roep mee, papa!—Weg, weg, weg met ...... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte hem op dien vreeselyken wanklank.—Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare Vader!Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor ’n samojeedsch huishouden ... nà de les!—Juist, schreeuwden de jongens,orrrdena de les! Dat is de ware, rechte orde!—En ... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? ’n Zaag, ’n zaag, papa’s onschuldige liniaal is ’n zaag! O, die vaders, die vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!—Ja, ja ... uit onbeklemde borst, papa!—Leven de dierbare ... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien oproerkreet weer duchtig gestraft.—Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.—Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan ’n halve sekonde les in ... de eeuw. NooitSofala, Monomotapapa... kom-aan, dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...—Leven de...Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader ’n vinger op.—Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee—jy ook, mannetje—mama wacht ons zeker met het eten.Willem nam Sietsken op z’n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed de familie de trap af. Wouter volgde, maarLadyMacbeth verdween platgedrukt in z’n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep er niets van.In de eetkamer heerschte weder ’n geheel andere toon dan vóór en na vyven in de school.—Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:—Papa, mag ik het doen?Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by de hand, en leidde hem naar ’n dame die aan de gedekte tafel bezig was met sla-aanmaken.—Mama, dit is ’n jonge-heer ... gut, ik moet je naam weten! Hoe heet je?—Wouter Pieterse.—Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i ... ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier immers eten, papa?... die hier blyft eten, Mama.—Als mama ’t goedvindt, zei de vader.—Juist, als mama ’t goedvindt.Mevrouw Holsma zette Wouter met ’n paar vriendelyke woorden op z’n gemak. ’t Was noodig!De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men wees hem ’n plaats aan, en ’t deed hem genoegen dat-i zat. Drievierde van z’n postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen voor z’n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde, verbaasde hem. Toen-i z’n handen vouwde...—Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter.—J...a, m’nheer, stamelde Wouter.—Dat’s ’n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd aan-tafel?—Ja, altyd... by warm eten, m’nheer!Er was tucht in dat huis: niemand lachte.—Bid jy er maar gerust op toe, jongen!De dokter maakte gebruik van ’t oogenblik dat Wouter de oogen gesloten had, om zonder ’n woord te spreken z’n kinderen tot beleefdheid te vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. ’t Was hun schuld niet, dat-i later inzag ’n zonderling figuur te hebben gemaakt indienkring.—Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen ’t niet, en ... daaraan doen we misschien ook goed.—Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z’n overtuiging.Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen veronderstellen.Hy... ’n overtuiging! Het korte gezegde van Mevrouw Holsma kende hem ’n waardigheid toe, ’n gewicht, en ’n recht, waaraan hy nooit gedacht had. Onder ’t gebruiken van de soep, dacht hy voortdurend: ik mag ’n overtuiging hebben!Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat ’n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z’n moeder, of door Stoffel, of door wien ook—mits ’n volwassen persoon!—werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóóbelangryk voor, als ’t vernomen nieuws dathy’n overtuiging hebben kon. Z’n gemoedje zwol er van...De dokter, die ’n menschenkenner was, korrigeerde den loop dien Wouters gedachten namen:—Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. En om tot overtuiging te geraken, moet men veel onderzocht hebben.Ikben overtuigd dat onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help ’m eens, Sietske!Sietske deed het met veel gratie.Wouter had den zin van Holsma’s woorden zeer goed begrepen, en ... zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hyvoeldeten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslagvyfzonder genade ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery, zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel heerschte.In-weerwil namelyk van z’n beschroomdheid, of liever juist inverband met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in ’t gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets begreep, omdat hy—fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van z’n doorzicht—niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z’n ziekte had Holsma deze eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort, die hy ’t kind betoonde.Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk ’n gevolg van de methode waarop men hem ’t weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers ’n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is ... zóó-veel, Prins die of die is ’n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, ’t ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy wist niet dat ertwyfelbestond, en hield dus z’n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z’n weetgierigheid, maar ’t was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z’n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy ’n oogenblik den moed iets aftekeuren in ’t gedrag van den aanstaanden aarts-vader, en hy begon reeds met ’n enkel bescheiden woordje ... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. “Zulke vragen pasten geen kind!” heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer vanplan was uit Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-historie volkomenfair playwas. “Men moest niet verstokt zyn.” De arme jongen bad dien avond wel ’n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En ’t hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.Zoo ging ’t met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z’n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z’n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z’n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als ’n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z’n moeder en Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms ’nkeuzetusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en—by Wouter in zeer letterlyken zin nog—kinderachtig, maar ’t was zoo...Toch kunnen we ’t hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe ’t heele menschelyk geslacht aan ’tzelfde euvel mank gaat. Wouters onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby waarnam, en nog niet gewoon was z’n blik te vestigen op voorwerpen die verder-af lagen. Men behoeft slechts ’t huis Pieterse en Woutertje zelf eenige malen te vergrooten, om ’n gelyk-soortig verschynseloveralte kunnen opmerken. De een zweert by z’n dorp, de ander by z’n gemeente, ’n derde by z’n vak, enz. Zelden ontmoet men ’n wydte van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. ’t Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar ... bekrompen zyn wy allen. Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs daar waar ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.En een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is vinden wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan ’t naast omliggende, worden wy beheerscht door ’n zucht om alles te verheffen en naar alles te haken wat vreemd en ongewoon is. Trekvogels en hokvast te-gelyk, beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor ’t geprezene terug, zoodra ’t afwykt van de zaken die wyzelf veroordeelden, maar die ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat loven en roemen van ’t vreemde zèlf is ’n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de minste huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht van den arend bezong. ’t Beest rymde zoo mooi, dat Jupiter hem ’n paar vlerken zond, met ’n aanstelling tot vogel. Maar de zanger wees die onderscheiding af omdat-i ’t jammer vond de schulp te verlaten,waarin hy geen wieken bergen kon.11Het gemis aan besef van voortdurende verandering blykt o.a. uit naïve anachronismen in de werken van dichters en beeldende kunstenaars, zoowel middeleeuwsche als moderne (I. 1060a–1061); maar het blykt ook uit bekrompenheid van blik en conservatisme op politiek, zedelyk en godsdienstig gebied. (I. 1061–1061b.).
Onze held legt weer ’n bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van kannibalismus inEuropa. Saturnalie op dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun vader mishandelen.
Onze held legt weer ’n bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van kannibalismus inEuropa. Saturnalie op dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun vader mishandelen.
Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z’n hartje beefde, want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en, na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: “maar boven te komen.” Dit “maar” is ’n onbeminnelyk uitvloeisel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende oefening in ’t gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan ’t verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven.
Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch naar de “studeerkamer” waar dokter Holsma bezig was met het vervullen van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z’n kinderen.
Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen in ’n hoek aan ’n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide anderen, ’n knaapje van Wouters leeftyd, en ’n meisje dat een paar jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten was, en waarop ’n groote aardglobe stond, die blykbaar ’t onderwerp was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis zoo’n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet dat er nog ’n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk voortestellen, dan op de platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer, dat-i wel zag, maar ter-nauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch prentte zich alles diep in z’n geheugen, en later, veel later eerst, geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die hy by z’n binnentreden opving.
Toen de meid de deur der Kamer opende, vernam hy de stemmen der kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar zoodra hy z’n figuurtje vertoonde, werd alles als door ’n tooverslag op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om ’t komieke daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in ’n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de dokter Wouter verwelkomde, en hem ’n stoel aanwees, stond de kleine jongen zoo-waar met den pink op den naad van de broek, als wachtte hy op ’n: ingerukt ... marsch! of: rechts-om ... keert!
De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys ’n oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en ... sommige vrouwen. Het onuitgesproken: “wie ben jy?” heeft by zulke gelegenheden den rang van stilzwygende oorlogsverklaring.
By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof dat het aan weinigen onbekend is. Om ’t optemerken by de mensch-exemplaren die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk “wilden” genaamd worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid schuldig maken ... men behoeft slechts acht te geven op de blikken waarmee “dames” die elkander op ’n wandeling ontmoeten, dit kenmerk van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen, en verdoemen elkaar. We zien daaruit dat de slagtanden van ’t kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde deruderauit ’n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons toeteroepen: “vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. ’n zyden japon aan ’t lyf en ’n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!”
’t Is mogelyk dat die “dames” ’t zoo kwaad niet meenen, en dat enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie zouden onthouden. Ik heb de hier bedoeldemene-mene-tekel-woede waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden waarlyk niet in-staat zouden zyn ’n levend konyn te verslinden. Om evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt, moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo’n beestje zich nooit schuldig maakte aan ... ja, waaraan?
Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van ’n dame die op de wandeling mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en ... men kent haar niet!
Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen aan Juffrouw B. ’t Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wed. E. ’n heel ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F. vandaag zoo byzonder mooi schynt te willen wezen ... maar toch, ligt er in dit alles ’n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna niet te byten?
In dat: “ik ken je niet, dus: vyandig!” openbaart zich ’n zonderlinge opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-onrechte: primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in holen of op boomen woonden, maar ’t is te veronderstellen dat ze door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die ’n gevolg was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemdedeed aanzien als ’n indringer, als ’n veroveraar, als ’n dief. Eenmaal moet dit anders geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden, dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner schuwheid klimt hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.
Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma wel. En Willem scheen te weten dat z’n vader scherp zag. Vandaar de haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den Titus Livius die hem vandaag begunstigde met ’npensum.
—Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat’s heel braaf van je. Wat heb je daar?
En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:
—Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel van ... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.
Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurdeLadyMacbeth, en wist niet recht hoe hy z’n geschenk aan den man zou brengen. Hy vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten vol boeken ... och, z’n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het ding wel willen inslikken.
Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links, en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den dokter kwam bedanken “voor z’n beterschap... naast God.”
Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten, en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning ’n ernstig gelaat vertoonde.
—Naast God? Ja ... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En heb je dan nu God wel bedankt?
—Zeker, m’nheer! Alle avenden in m’n bed, en gister in de kerk ...
De kleine Sietske werd hier bezocht door ’n dykbreuk van ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z’n neus veel harder te snuiten dan voor ’t gewone doel van dien handgreep noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met ’n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.
—Orrrde! riep hy met ’n donderende stem, die Wouter bang maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor ’n samojeedsch huishouden onder de les? Ik zal jelui allemaal ... orrrde!
Daar begon ’n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by elken slag ’n vinger op.
—Ik zal jelui allemaal ...
—Vyf! juichte Sietske. M’n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe: vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!
De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. ’t Was ’nquodlibetvangaudeamusenvive la joie, enGod save the King... help mee, jongens!Vive la vacance, le maître en pénitence...Wilhellemus al van Nassouwe... met de ellebogen door z’n... hoed.Help! Herman! Help, Willem! Wraak, wraak, wraak!A bas les tyrans! Amour sacré—pak ’m beet, Willem, jy bent de sterkste—de la patrie ... de heer van Son is ’n brave kapitein ... hy regeert z’n volkje, neen...daar gang ’n patertje langs den kant... wraak!So, so wie ich dich liebe—wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal de linkerhand wel houden. Toe, jongens!—Hier ligt myn Damon, neen ...io vivat, io vivat ... boum, boum, boum... hoera!Dans son bivouac, le troubadour fidèle... wraak!Fleuve du Tage... wraak!Oh, shall he, boys ... oh, shall he, boys ... oh, shall he... wraak!Pro salute horum—geen latyn, riep Sietske—hop maar Jannetje, hop maar ... sing, Sally, ho... wraak!
Wouter wreef z’n oogen uit, en vertrouwde z’n ooren niet. Wat-i hier zag gebeuren, ging z’n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier ’n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook het ten-hemel varen van Elias in ’n gloeienden wagen kwam hem, na wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman en Sietske hun vader, zoo’n deftigen dokter, om den hals vielen, tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van ’t lyf plukten ... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met ’n ouden pantoffel van z’n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. ’t Verbaasde hem dat de wereld niet verging.
—Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid, jongens! Kan ik ’t helpen, dat jelui geen pleizier hebt in aardrykskunde?
—Breng ’t dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske die te-paard op z’n schouders zat.
De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z’n linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te deklameeren en te gestikuleeren:
—O, dierbaarAfrika...
Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde ’t nest waarlyk z’n werelddeel aan, zyn Afrika! Was ’t niet of ze ’t er om deed!
—O,Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi... prachtig! Nog ’n oogenblik, papa, dierbare schooltiran—houd vast, Willem, toe!—ik wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m’n gezicht vertrek.Mesopotamië, mesopomamo... mondvol, mooi!Nigritië—blyf staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M’n paardje trappelt zoo ... hu, hu!—Aethiopië—Herman, houd z’n beenen vast ... niet kittelen, dan val ik.—Marokko ... Schiermonnikoog ... hu, hu, paardje, met je vlassen staartje ... Alexandrië, Soudan, Egypte ... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolvemersburgwal—de les is uit, ik mag zeggen wat ik wil—Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra, Karel de Groote... wie vangt me?
—Ik, riep Willem.
Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.
—Oef! riep de dokter.
—Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aanoef!Twee volle uren les, en dan terstond:oef!Waar zou dat heen? O, neen, dierbare tiran vanMonomotapapa, vanMonoë ... muggen, muggibedenk dat ’n welgeschapen kind z’n rechten heeft. ’t Is ’n ware schande ... ga jy ’ns voort Herman, ik ben ’r heesch van!
—’n Ware schande ... nu jy, Willem!
—’t Is ’n ware schande, m’nheeren, zoo afrikaans-miserabel heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen behandelen.
—Weg met de ouders! Roep mee, papa!
—Weg, weg, weg met ...
... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte hem op dien vreeselyken wanklank.
—Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare Vader!Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor ’n samojeedsch huishouden ... nà de les!
—Juist, schreeuwden de jongens,orrrdena de les! Dat is de ware, rechte orde!
—En ... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? ’n Zaag, ’n zaag, papa’s onschuldige liniaal is ’n zaag! O, die vaders, die vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!
—Ja, ja ... uit onbeklemde borst, papa!
—Leven de dierbare ... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien oproerkreet weer duchtig gestraft.
—Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.
—Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan ’n halve sekonde les in ... de eeuw. NooitSofala, Monomotapapa... kom-aan, dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...
—Leven de...
Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader ’n vinger op.
—Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee—jy ook, mannetje—mama wacht ons zeker met het eten.
Willem nam Sietsken op z’n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed de familie de trap af. Wouter volgde, maarLadyMacbeth verdween platgedrukt in z’n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...
Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep er niets van.
In de eetkamer heerschte weder ’n geheel andere toon dan vóór en na vyven in de school.
—Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.
Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:
—Papa, mag ik het doen?
Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by de hand, en leidde hem naar ’n dame die aan de gedekte tafel bezig was met sla-aanmaken.
—Mama, dit is ’n jonge-heer ... gut, ik moet je naam weten! Hoe heet je?
—Wouter Pieterse.
—Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i ... ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier immers eten, papa?
... die hier blyft eten, Mama.
—Als mama ’t goedvindt, zei de vader.
—Juist, als mama ’t goedvindt.
Mevrouw Holsma zette Wouter met ’n paar vriendelyke woorden op z’n gemak. ’t Was noodig!
De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men wees hem ’n plaats aan, en ’t deed hem genoegen dat-i zat. Drievierde van z’n postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen voor z’n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde, verbaasde hem. Toen-i z’n handen vouwde...
—Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter.
—J...a, m’nheer, stamelde Wouter.
—Dat’s ’n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd aan-tafel?
—Ja, altyd... by warm eten, m’nheer!
Er was tucht in dat huis: niemand lachte.
—Bid jy er maar gerust op toe, jongen!
De dokter maakte gebruik van ’t oogenblik dat Wouter de oogen gesloten had, om zonder ’n woord te spreken z’n kinderen tot beleefdheid te vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. ’t Was hun schuld niet, dat-i later inzag ’n zonderling figuur te hebben gemaakt indienkring.
—Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen ’t niet, en ... daaraan doen we misschien ook goed.
—Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z’n overtuiging.
Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen veronderstellen.Hy... ’n overtuiging! Het korte gezegde van Mevrouw Holsma kende hem ’n waardigheid toe, ’n gewicht, en ’n recht, waaraan hy nooit gedacht had. Onder ’t gebruiken van de soep, dacht hy voortdurend: ik mag ’n overtuiging hebben!
Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat ’n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z’n moeder, of door Stoffel, of door wien ook—mits ’n volwassen persoon!—werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóóbelangryk voor, als ’t vernomen nieuws dathy’n overtuiging hebben kon. Z’n gemoedje zwol er van...
De dokter, die ’n menschenkenner was, korrigeerde den loop dien Wouters gedachten namen:
—Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. En om tot overtuiging te geraken, moet men veel onderzocht hebben.Ikben overtuigd dat onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help ’m eens, Sietske!
Sietske deed het met veel gratie.
Wouter had den zin van Holsma’s woorden zeer goed begrepen, en ... zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hyvoeldeten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslagvyfzonder genade ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery, zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel heerschte.
In-weerwil namelyk van z’n beschroomdheid, of liever juist inverband met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in ’t gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets begreep, omdat hy—fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van z’n doorzicht—niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z’n ziekte had Holsma deze eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort, die hy ’t kind betoonde.
Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk ’n gevolg van de methode waarop men hem ’t weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers ’n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is ... zóó-veel, Prins die of die is ’n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, ’t ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy wist niet dat ertwyfelbestond, en hield dus z’n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z’n weetgierigheid, maar ’t was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z’n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy ’n oogenblik den moed iets aftekeuren in ’t gedrag van den aanstaanden aarts-vader, en hy begon reeds met ’n enkel bescheiden woordje ... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. “Zulke vragen pasten geen kind!” heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer vanplan was uit Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-historie volkomenfair playwas. “Men moest niet verstokt zyn.” De arme jongen bad dien avond wel ’n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En ’t hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.
Zoo ging ’t met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z’n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z’n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z’n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als ’n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.
Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z’n moeder en Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms ’nkeuzetusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en—by Wouter in zeer letterlyken zin nog—kinderachtig, maar ’t was zoo...
Toch kunnen we ’t hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe ’t heele menschelyk geslacht aan ’tzelfde euvel mank gaat. Wouters onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby waarnam, en nog niet gewoon was z’n blik te vestigen op voorwerpen die verder-af lagen. Men behoeft slechts ’t huis Pieterse en Woutertje zelf eenige malen te vergrooten, om ’n gelyk-soortig verschynseloveralte kunnen opmerken. De een zweert by z’n dorp, de ander by z’n gemeente, ’n derde by z’n vak, enz. Zelden ontmoet men ’n wydte van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. ’t Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar ... bekrompen zyn wy allen. Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs daar waar ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.
En een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is vinden wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan ’t naast omliggende, worden wy beheerscht door ’n zucht om alles te verheffen en naar alles te haken wat vreemd en ongewoon is. Trekvogels en hokvast te-gelyk, beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor ’t geprezene terug, zoodra ’t afwykt van de zaken die wyzelf veroordeelden, maar die ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat loven en roemen van ’t vreemde zèlf is ’n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de minste huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht van den arend bezong. ’t Beest rymde zoo mooi, dat Jupiter hem ’n paar vlerken zond, met ’n aanstelling tot vogel. Maar de zanger wees die onderscheiding af omdat-i ’t jammer vond de schulp te verlaten,waarin hy geen wieken bergen kon.1
1Het gemis aan besef van voortdurende verandering blykt o.a. uit naïve anachronismen in de werken van dichters en beeldende kunstenaars, zoowel middeleeuwsche als moderne (I. 1060a–1061); maar het blykt ook uit bekrompenheid van blik en conservatisme op politiek, zedelyk en godsdienstig gebied. (I. 1061–1061b.).
1Het gemis aan besef van voortdurende verandering blykt o.a. uit naïve anachronismen in de werken van dichters en beeldende kunstenaars, zoowel middeleeuwsche als moderne (I. 1060a–1061); maar het blykt ook uit bekrompenheid van blik en conservatisme op politiek, zedelyk en godsdienstig gebied. (I. 1061–1061b.).