Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de oppervlakte der zee, waarby men, o. a. “een man alsU,m’nheer!” te aanschouwen krygt. Ook de jongeheerPompileblyft voortgaan zich te vertoonen in al z’n geurige beminnelykheid van verstand en hart.De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen’s eenvoudige taal op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z’n bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs in z’n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog hetwaar-menschelykeboven hetvals-goddelykeverheven is, toch zou in dit geval z’n smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z’n oordeel. Om nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter’s kennismaking met dien eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van ’n boteram, terwyl het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van ’t verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z’n indrukken nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen, ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden, al hadden de sprekers Bilderdyk’sFlorisgerepeteerd, of ’n preek opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door ’n onbevredigden eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen ’t woord dat niet gaarne uit m’n pen vloeit, in den mond leggen van de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor ’t platste:—Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de oudeheer met roerende vertrouwelykheid.De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- en voetgrepen: pen in de gleuf van ’t opgeslagen boek ... één stap achteruit ... de handen gewreven, en:—Ja, m’nheer, ’t stinkt hier wel ... ’n beetje.Dat “beetje” was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om ’t gelyk-geven aan m’nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in ’n vermetele aanranding der eer van m’nheer Kopperlith’s kantoor. Zoo zeilt de wyze tusschen twee klippen door!—Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, ’t stinkt hier heel erg. Dat komt van de grachten, niet waar, Dieper?—Zeker, jongeheer, ’t komt van de grachten ...En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroontevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de plechtige woorden:—Ik heb de intiemefiktie, m’nheer, dat het alleen van de grachten komt!—Ei? vroeg of zei m’nheer Kopperlith.—Ja, m’nheer! En ... ’t is zoo’n ... modderlucht, vindt u niet?Dieper had zeer gerust de kwalifikatie ’n paar graden onfatsoenlyker kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maarbégueulestiptheid in omschryving was minder z’n zaak, dan ’t reinwasschen van m’nheer’s kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende een blyk van z’n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was ’t Gerrit alleen om ’n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn wanneer men ze had overgeplaatst naar ’n lusthof op den Hymettus. Maar in zoo’n lusthof lagen ze nu eenmaal niet.—Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden weifeling voor.—O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet waar, Dieper?Dieper betastte z’n hoofd:—Zinkings, m’nheer! Allemaal zinkings!—En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er dadelyk zoo’n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!Meer afdoende reden om “versche lucht” buiten te sluiten, zal wel nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als bondgenoot—niets was hem ooit te gering!—en als middel om z’n doel te bereiken met dePleiersen deHockersen deKruckers, bracht zeer handig het gesprek op iets anders.—De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet waar, Dieper?—Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m’nheer, een man alsU, m’nheer, behoorde reeds lang buiten te wezen!Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet opgaan over de boozen en goeden van z’n kantoor was goud waard. Toch niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen zoo dikwyls hy verkoos met ’n allergoedkoopst: “een man alsU, m’nheer!” Maar hy was te bekwaam in z’n specialiteit van perpetueel ondergeschikte, om de kitteling van z’n streelen aftestompen door overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy ’t niet. En gewis ook zóó veel keeren kon m’nheer Kopperlith het verdragenzonder op ’t afgryselyk denkbeeld te komen dat z’n boekhouder hem voor den gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar de man was ’n vriend van ’t gemiddelde, een vyand van overdryving, matig, sober en ingetogen, tot in z’n flik-vlooiery toe. Bovendien, er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry periodiek neerlegde op ’t altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z’n opblazen by ’t betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar ’t zoo heel erg ... ’n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de bulhond die, wild en onhandelbaar onder z’n gelyken en by vreemden, zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z’n meester.Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste karakterloosheid.Ook Dieper hield er ’n wezen op na, dat tienmaal in de week ’n fleemerig: “een man alsU, m’nheer Dieper!” by hem plaatsen kon, en ... op-straffe van ongenade, plaatsenmoest. De majesteit waarmee de oude boekhouder inzynhuis om z’n sloffen riep, of ’n ketel saliemelk bestelde—zoo byzonder goed tegen de “zinkings”—was nauw verwant aan ’t zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van “m’nheer” te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery mocht gevorderd worden.—Een man alsU, m’nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar, jongeheer?—Ja, papa. ’t Saizoen gaat voorby, papa!—Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat zullen we ’r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is, byzonder erg, Pompile!Dit had hy van “Gerrit” vernomen. De onnoozele lezer die nooit te logeeren werd gevraagd aan ’t hof van Spanje, en dus niet ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo’n Kopperlithsche huishouding, is misschien verwonderd dat ’n man bericht van den gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den knecht. Men bedenke dat—op ’n kleine uitzondering na, die straks zal gemeld worden—slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden tot desuite, waar “mevrouw” huisde, sliep, ziek was, at en dronk, enz. Daar was ’n “juffrouw” die haar gezelschap hield, en ’n kamenier voor ’t aan- of uitkleeden, en ’t optooien. Want ... opgetooid wèrd ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om ’t logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar ’t voorvenster van de “zykamer” moest gekruid worden. Jaren geleden reeds was er over deze zwarigheid ’n kantoor- en familieraad belegd, met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit zou worden beschouwd als geslachteloos, ’n vereerende onderscheiding die hem ’t recht van toegangtot den harem verschafte. Men bedenke dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen te belasten. Gedurende Wouter’s wittebroodsweken pynigde hem telkens z’n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen zoeken met de onheldere toelichting: “’t is, weetje, om mevrouw te kruien ... ze wil eruit” of: “ze wil er in.” Ook begreep-i niet volkomen wat er bedoeld werd met den roep: “Gerrit, mevrouw’s boeken ruilen!” Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit ’n penning besteed werd om ’n boek tekoopen, spreekt vanzelf. Van ’n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De “heeren” meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, ’n eigenschap waarvoor zy allerfatsoenlykst den neus optrokken.Wat overigens die geheimzinnigesuite-kamer aangaat, het is te veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène ook, wanneer deze jongeheeren hun: “broodje gingen eten by mama” maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van ’t middagmaal, geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer z’n huwelyksgeluk ’n uurtje te zien krygen. Z’n vurige drift om vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden, en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy zeer handig wist op de schaal te leggen in z’n eeuwigen gezagstryd met: “die Wullekes!” De manier waarop hy ’t aanlei om z’n welkome voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en huislooper niet aanstond, moest deze juist “boekenruilen voor mevrouw” ’nultima ratiodie Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En, als: “mevrouw straks misschien zou moetengekrooieworden” verzonk de autoriteit van den gehaten onder-chef in ’t peilloosNiet, juist waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z’n gemak uit het oog te verliezen.—Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we doen? Ik kan toch niet in m’n eentje naarGroenenhuize! Wat zeg jy, Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet?—Zeker, m’nheer, ik ben zeker dat m’nheer zich daar vervelen zou. M’nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar?—Nu ja, papa, dat’s waar, maar ... ’t saizoen gaat voorby. Ik kan u verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad is, wat je noemt: ’n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper?—Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad, dàt is waar.—Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper?Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de meening niet bevestigen van ’n dokter dien-i nooit had te zien of te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was aan de “heeren van ’t kantoor” slechts zeer schemerachtig bekend, want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens ’n beetje van z’n officieele berichten af, ’n byzonderheid die oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent mevrouw’s zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan, wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische uitdrukking van ’tsolemneele: men zag haar éénmaal ’s jaars, op den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, en later ook Wouter, door een derad hocgekommitteerde jongeheeren plechtstatig door de bovengang in desuitegeleid, waar ze dan konden wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven dat “de heeren” mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: “ook namens de andere heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig welzyn.” Ze was er mee tevreden, en zei dat ze ’t vandaag zoo byzonder erg “op” haar zenuwen had, en dat het zeker van ’t weer kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was—met ’n buiging, want z’n welsprekendheid was òp—kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van desuite, en de “heeren” verlieten ruggelings de “zykamer van mevrouw.” Dieper was dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op ’t weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtigeexodusnam op ’t kantoor ’n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen, vooral om ’t malle gezicht van m’nheer Wilkens, daarop volgde een donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan de deur van desuite... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch ontstond Dieper’s verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag of zoo’n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot beoordeeling van de vraag of “mevrouw nog zieker worden zou ais ze niet spoedig naar buiten ging?” En tevens: of men uit zoo’n bezoek op nieuwjaarsdag—en in die hitte nogal—voldoende gegevens putten kan om te berekenen hoe de dokter mevrouw’s toestand zou beoordeelen in ’thartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal Dieper’s getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende plicht schreef dus voor, een “intiemefiktie” by-de-hand te hebben, die den jongeheer kon dienen by z’n plannetjes, en dus:—Ja, ja, m’nheer, ’t is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naarGroenenhuizevertrekt, want ziet u—o, prachtsprong over ’t onbekend gezegde van den onbekenden dokter!—’t is zeker goed voor mevrouw, anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby!—Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut naar buiten! ’t Is voor mama niet langer in de stad uittehouden, niet waar, Dieper?—Juist, jongeheer! M’nheer, het is voor mevrouw in de stad niet langer uittehouden!—Voor niemand, papa!—Zeker, m’nheer, voor niemand!En hyzelf dan? En al z’n lotgenooten?—’t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper?Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op ’t water. ’t Was juist ’n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden.—Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat is de vraag!—Juist, papa, dàt is het! Dàt’s de zaak! Ik heb er Flip over gesproken, Flip den kruier, papa!—Hè?—Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de stoep aftedragen ...—In ’n fauteuil, Pompile!—Juist, papa, in ’n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: ’t handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, ’t is lomp volk, papa!—Maar ... hoe dan?—Flip zei: als we mevrouw in ’n flinken leuningstoel hadden—fauteuilskent zoo’n man niet, papa!—en dan ’n strop er om—om den fauteuil, papa!—en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, met héél veel kussens, dan zouden we ...Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z’n vader op kondschap gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee.—En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht?—Wel, papa, ’n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan ’n strop er om ... om denfauteuil,Eugène! En dan ... ’t venster open—Flip zei, ’t kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u, papa?—en dan ...—Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama ’t venster uithyschen? En zoo-even zei je ...—O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maarikzeg: met veel kussens, weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen hoog. Al wat boven ’n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze vreeselyk hoog, papa! ’t Weekbriefje—vooral als Gerrit styf van rhumatiek is, papa!—o, dan is ’t weekbriefje ... fameus, papa! En daarom had ik gedacht—omdat we nu ’n jongstebediende hebben, ook—nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu, dat’s hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren ... morgen ’n smerig papiertje, niet waar, Dieper?—Ja, jongeheer! Morgen ’n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m’nheer, heel smerig!—Maar, Pompile, wat wou je dan met mama?—Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed zou willen zyn—niet waar, Wilkens?—met dat jongemensch daar, aan ’t windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen ... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel, papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan, en ... er goed naar kyken, papa!Eugène bromde. Maar ’t was karakteristiek dat niemand lachte by Pompile’s voorstel om—niet zonder terugzicht op zuinigheid—z’n moeder ’t venster uittehyschen aan ’n strop ... om denfauteuil.—De buren!—Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we mama konden bewegen ... ’s morgens vroeg ...By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat ’n windas was, en dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die gelegenheid z’n naastbyliggenden plicht te vervullen. ’t Was hem ’n kleine verademing dat Pompile’s voorstel nog altyd niet gaaf werd aangenomen. Men scheen te betwyfelen of “mama” genoegen nemen zou met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren zou als ze hèm verdacht van de uitvinding.Hy iets uitvinden!—Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen heeft. Dat kan u best zeggen, papa!—Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama verzekerde?—Dat zou zeker ’t allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet, papa? Ze stookt!—Zou je dat denken, Pompile?—Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze ’r al lang op aangedrongen dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper?—Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze ’r al lang op aangedrongen.—Die nieuwe juffrouw is ’n gekkin, bromde Eugène.—Mama is zeer met ’r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was prokureur, Eugène!—Ze heeft kale plekken op ’t hoofd.—Wel, wel, Eugène!—Dat kanmynu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou overhalen om naarGroenenhuizete gaan, papa!—Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer.—Styf van ’t rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper ’n smerig papiertje, niet waar, Dieper?—Nu ja, maar als Gerrit nu eens—zonder dat het van ons kwam, begryp je?—aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje, Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in ’n restauratie gaan eten, als ’n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper?—Zeker niet, m’nheer! Een man alsUkan niet in ’n restauratie gaan eten. Zeker niet!Diezelfde “man als U” kon wel de hulp inroepen van den kruier, en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z’n vrouw te bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dathyer op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor dien jongen kantoorbediende vertoonden in ’n zonderling licht. Men ziet het, ook ’t gemeene heeft z’n naïveteit.Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust maakt over den gezondheidstoestand van die “mevrouw in de zykamer” wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit, die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed:—Je kunt me gelooven—ikben ’n oud man, en jy ’n jonk borssie—zy ... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar heele ziekte ... komaan, ik zal ’t je maar op z’n rond-hollandsch zeggen, is wind en ’n engelschenotting! Maar zy ... eet te veel. Zy ... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Alsikhaar dokter was, kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water ... anders niets, watikje zeg!De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van ’n “man als u, m’nheer!”De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper’s lessenaar, begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagendie met hem in aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man ’n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo wentelt zich de luiaard in z’n bed om,like a door on its hinges, gelyk Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had nog andere redenen dan zoo’n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen worden van ’t besef der hoogheid van m’nheer Kopperlith. Hy naderde alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was zich door ’t overschryven van Leon’s epistel, bekwaam te maken voor den “handel.”—En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein, heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome.’t Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw- of in-slaap gevallen zyn. Het woordRomemaakte hem eenigszins wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou,hy! God weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs ... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus en Remus, van Numa Pomp ... ’t is waar ook, waarom heette z’n hoogste onderpatroon:Pompilius?1—Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè?—N...e...e...n, m’nheer!—Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief gaat—daarom moet je netjes schryven—naar m’n zoon, den jongeheer Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan?Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien ’n naastbyliggende plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z’n hakkelen. Hy had z’n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders “van fortuin” zich niet weten te amuzeeren!—M’n zoon—de jongeheer Flodoard, weetje?—is daar ...Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte stond om te beseffen wat ’n schilder was. En deze vrees was niet ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt niet byzonder hoog gevonden hebben: ’n schilder!—Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hemMozes by ’t Doornboscheens laten zien ...—In de hoes, papa!—Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal—vlak boven—Mozes by ’t Doornboschzien ... als-i eens niet inde hoes zit. Dat heeft m’n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd, heelemaal zelf. Wat zeg je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich te oefenen in de Kunst, in ’t fyne, weetje, heel in ’t fyne van de Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen maakt voor z’n brood. Volstrekt niet, in ’t geheel niet! Je begrypt immers ’t verschil wel, zeg?Die arme knoop! Wouter zette ’n gezicht alsof-i volkomen bereid was alles te begrypen wat men hem vertellen zou.—Om z’n brood ... hi, hi, hi, ’t lykt er niets naar! Gut, Pompile, begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde ... hi, hi, hi ... om z’n brood!—Ja, papa!—Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z’n pleizier, en ... voor deKunst. Wat zeg je dáárvan?Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed!—Voor deKunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z’n schilderyen? Zeg, Pompile, je moet ’m tochMozes by ’t Doornboscheens laten zien ...—Ja, papa!—Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets voor. En ’t hangt op de zaal—vlak, vlak hierboven, weetje?—en je mag ’t zien, als de hoes er af is, want ... nu is er ’n hoes over, omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ...Groenenhuizeheet het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dàt zal je zelf zien! Dacht jy dat-i er iets voor kreeg?—N...e...e...n, m’nheer, o neen!—Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, ’t is juist andersom. De jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome verteert? Komaan, raad eens!Och, daarvan stond weer niets inStrabbe!Onze Wouter voelde zich in pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten:—Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden!—Hon...derd... gulden, m’nheer?—Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je ’t Eugène? Heb je ’t gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène, dat ikdieaan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wilikje-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In demaand, weetje? Honderd gulden in demaand... wat zeg je dáárvan?—Hè, m’nheer!—In... de... maand!—Hè!—In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd!Wouter zweette.—Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens, by wien denk je dat-i al dat geld haalt?—By... den...—Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de jongeheer Flodoard al dat geld haalt?—By den ... Paus, m’nheer?Was ’t niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op ’t kantoor van m’nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door ’t hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome, aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam z’n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z’n onverbiddelykepartnereischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen, dien z’n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard’s vertering gemaakt had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden ’t peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen gaf, wist-i niet beter dan ’t voornaamste te noemen dat hem te Rome bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z’n naastbyliggend plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder z’n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ...—De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard ontvangt alle maanden honderd gulden op ’t kantoor van een ... van wien, denk je? Ik zal ’t je maar zeggen: van ’n ... prins! Niet waar, Dieper! Ja, ja, mannetje, m’nheer Dieper kan je de wissels laten zien—want die worden op myn kantoor door m’nheer Dieper betaald, weetje?—de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z’n brood? Hy moet volstrektMozes in ’t Doornboscheens zien, Pompile, maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft het satyn van de stoelen—want er zyn stoelen met satynen zittingen op de zaal—en ’t verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw naar-buiten gaat, naarGroenenhuize—want zoo heet eigenlyk m’nBuiten—en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel eens buiten geweest, mannetje, zeg?—J...a...wel, m’nheer!Dit antwoord viel den gek tegen. ’t Was dan ook wel ’n beetjen onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z’n privatief domein houden wilde.—Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje?—Op den Singel, m’nheer, buiten de Aschpoort.Alweer zou hier ’n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden op ’t kantoor. Deze oefende in z’n eentje zoo goed mogelykde funktien van koor uit. Dieper legde z’n pen neer. Wilkens fronsde ’t voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs ’t officieel gelaat van Eugène vertrok zich byna in ’n plooi.—Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar, kereltje... maar, ventje... dat is nietbuiten,mannetje! Gut, Pompile, wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben!—O ja, papa!Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter’s domheid, en de knoop van z’n jasje moest het ontgelden.—Buitenis... wat je noemt:buiten, heelemaalbuiten, weetje?Of Wouter ’t nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in elkaer.—O ja, m’nheer! Zeker, m’nheer! Ik wist niet wat m’nheer bedoelde...—Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat “buiten” was. Nu, nu, ik neem ’t je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn is...’s-zomersbuiten-zyn, weetje? Dat is... ’n Buitenplaats hebben, begrypje? Nu...ikheb ’n Buitenplaats... by Haarlem inden Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat “den Hout” is. Zeg, weet je wel?—N...e...e...n, m’nheer!Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat “den Hout” was. Dit stond immers in z’n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z’n vermoeiende uitvinding! Welke Hollander zou “den Hout” niet kennen? Of nu onze kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z’n kinderachtigen patroon den vollen triumf van z’n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien zeid-i maarneen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men z’n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt had... neen, erger!—Ja ja, ik heb ’nBuiteninden Hout, vlak by de “Logementen”... zeg, Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken opGroenenhuize, niet waar?—O ja, papa!—Zieje, dan kan-i op ’n zondagmorgen met de eerste schuit...—Vier stuivers, papa!—Ja, vier stuivers. En ’s avends terug, dat ’s acht, niet waar? En... ’n dubbeltje voor den man die hem den weg wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar ’tBuitenvan m’nheer Kopperlith, inden Hout, vlak by de “Logementen” zieje, ’t is dus heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: ’t Buiten van m’nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf ’n eigenBuitenheb, weetje, ’n wezenlykBuiten... dàt zal je zien. ’t Is vlak by de “Logementen”... inden Hout, weetje? In denHaarlemmer Hout! Hi, hi, hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ikdieaan mama vertel, van middag aan tafel, weetje!Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer ’t kantoor van z’n tegenwoordigheid. Wouter leed meer daniemand gissen kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen ’t bestormen van ’n turksche vesting, of ’t òpzien... hy had het eerste gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de “handel” zoo’n moeilyke zaak was.1In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de aristocratische voornamen der jonge Kopperliths.Vita longa, ars brevis.Plebejervreugd over “gekochte kost.” Dekadentie vanHerkulanum en Pompeji. Wouter’sverdriet over z’n snel begrip. Parafraze vanGerritopTalleyrand’s “pas de zèle!”Toen Wouter eindelyk met z’n afschriften gereed was, begon Wilkens hem toetespreken op ’n toon en in bewoordingen die niet volstrekt misplaatst zouden geweest zyn by ’n inwyding in de Eleuzinische geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter kreeg ’n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes moest afknippen naar ’n opgegeven maat en daarna op karton plakken, ’n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m’nheer Wilkens erkennen wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had uitgegaan te zyn van hemzelf.—En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou aandringen op ’t klagen over Gerrit’s hardnekkig-styve rhumatiek.Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien, waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte hem met ’n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat, houding, stembuiging, jazelfs ’t heen-en-weer schuiven van z’n bril, daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard voelde onder ’t gewicht van den nieuwen kursus.—Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar radenMagazynte zeggen, want ’n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z’n uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid ’n hoofdzaak, en dus... magazyn!—Magazyn, stamelde Wouter.—Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen zyn... koopmansgoederen, en alles ligt—gelyk je ziet—op plankjes. Dit doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let daar wel op, en geef acht dat je nooit ’n stuk op den vloer legt... nooit ofte nimmer!—Dat zal ik nooit doen, m’nheer!—Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp je-n-immers wel?—O ja, m’nheer!—Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit Manchester. Kan je dit onthouden?—Uit Manchester, in... Engeland, m’nheer!—Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintigyards. Nu moet je weten hoe lang eenyardis. Onthoud dit wel: drieyardszyn vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt, zou je ’t kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets te leeren. Drieyardsmaken vier ellen, dit moet je goed onthouden.Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z’n best zou doen alles goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet.—De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts vier-en-twintigyardslang. Dit maakt dus ’n verschil. En de zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas...Hier had-i byna gezegd “een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul is.” Maar hy bedacht zich:...in den Elsas alzoo. Nu—let wel op!—die stukken hebben geen vaste maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo’n papiertje draagt de benaming van: etiket...e...ti...ket! Onthoud dit wel! En het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt:aunes. De lengte van het stuk in...aunes. Kan je dit onthouden?—Aunes, m’nheer!—Zeer wel!Aunesof fransche ellen, want... ’n fransche el noemt men:aune. Elf van dieaunesmaken zestien ellen. Ook dit moet je trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel, moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel?—Ja, m’nheer!—Anders moet je ’t opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige vegers... je ziet ze wel?—Ja! m’nheer!—Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op ligt. Er is hier in den kelder—zeg jy maar altydmagazyn—altyd iets te doen, vooral voor ’n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó veeg je!En de leeraar streek met ’n stoffer ’n paar maal over ’n stapeltje om Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling nu op-eens “den handel” weer wat minder moeielyk begon te vinden.—Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want ’n jong-mensch...—Ja, m’nheer!—En nooit ’n stuk kreukelen...—Neen, m’nheer!—Of in ’n verkeerden plooi leggen...—Neen, m’nheer!—Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd wat te doen voor ’n jong-mensch.Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van ’t huis waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk indiemetenshirting, waarin Wilkens “zoo byzonder knap” was. Hy weigerde evenwel iets van z’n uitstekende bekwaamheid in dit “vak” aan Wouter overtedoen. Dit kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in ’n paar uur sprekens. Dat het hem op z’n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als ’n zeer byzonder geval beschouwen. Hy had van der jeugd af “aanleg gehad voor witte goederen”, maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten ’t nooit zoo ver.Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo’n honger gehad had. Toch maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dàt was alzoo de mekaniek die Flip de kruier—en de jongeheer Pompile... met heel veel kussens—wilde toepassen op de verhuizing van de dikke mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die door ’t straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die het touw hield waarmee men ’t groote rad in beweging bracht, en dat de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men zou lust krygen met zoo’n ding de dikste mevrouw van de wereld het venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo’n exercitie beleven zou, en vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo’nprouessezonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties waarvan hy ooit gelezen had, maar...—En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt niet! ’n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier, op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep:eerstezolder, twee keepen:tweedezolder... onthoud dit wel!—Ja, m’nheer!—En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is,dan gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen goederen van ’t voorjaar. Tracht dit te onthouden.—Ja, m’nheer!De fameuze “zaal” werd nu voor Wouter’s blikken ontsloten. Het was een niet zeer groote kamer die er met al haar “hoezen” uitzag als ’n blindeman of ’n hospitaalgast. Zelfs ’t vloertapyt was tegen onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door ’n grof-linnen kleed. En ook vanMozes by ’t Doornboschwas niets te zien dan ’n bleek vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ...—Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen te zien maar om te werken! ’n Jong-mensch moet zich door niets laten aftrekken van z’n werk! Leer dit van my.—Ja, m’nheer!—Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op ’t kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te doen is—want ’n jong-mensch moet nooit ledig zyn!—dan ... veeg je hier ’t stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht ... alles altyd op z’n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar ’t kantoor. Ik zal eens met m’nheer spreken over de uren van je gaan en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten zich daaraan wennen.Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende “zoo tegen drieën eventjes naar huis zou gaan om te eten.” En zie—goddank!—’t wàs byna drie uur, want Dieper sloot z’n boeken, en trok z’n jas aan “voor de beurs.”Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z’n schreden huiswaarts, ’t Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i z’n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van ’t huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit ’n wereld die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó, als de moeielykheid van ’t binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs.—Zieje wel, dat’s wat ànders dan by zoo’n slechten kerel op den Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet op-eens naar Amerika gaan met ’n andermans geld! En ... ’nzaal, zegje? En ... ’nBuiten?En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet, maar ’t is toch ’n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die ’n zaal in hun huis hebben, en ’n buitenplaats, en eigen rytuig! Als jenugoed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg jy, Stoffel?—Ja, moeder.—Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: ’n mensch is sterfelyk. En die oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter?—Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m’nheer Wilkens ook zoowat.—Zieje! Ik zeg dat ’n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is ... wat zeg jy Stoffel?—Zeker, moeder.—Als zoo’n boekhouder nu eens ... sterft—want alle menschen zyn sterfelyk, niet waar?—dan zou Wouter best ... denk eens, Trui?—Ja, moeder, waarom niet?—En die m’nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder kunnen worden, of ... m’nheer Willekes?—Né, moeder. Uwe meent ...—Nu ja, wie kan altyd zoo op z’n woorden letten! Ik meen maar dat z’n kost gekocht is. Wat kan ’n mensch meer verlangen? En dat zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens onder je bedstee, Stoffel, daar staat ’n mand met ouwe prullen, en je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. ’t Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z’n kost is gekocht ... dàt wil ik maar zeggen! Je mag nu wel ’ns gauw naar m’nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je ’t vinden, als je-n-eens ’n vers maakte op z’n verjaardag?Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z’n moeder onder ’t oog dat m’nheer Calb waarschynlyk, als “man van zaken” ’n hekel aan verzen hebben zou, en dat ’n stoffelyk bewys van erkentelykheid ... ’n anker wyn, of ’n vaatje boter ...—Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je m’nheer Calb ’n vaatje boter zendt, of ’n anker wyn ...—Gut, moeder!—Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen zyn sterfelyk, en als die m’nheer Dieper zoo klaagt over zinkings ... jongen, je kost is gekocht!Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter’s week gemoed biologeeren tot ingenomenheid met z’n nieuwen werkkring. De niet zeer aangename indrukken die hyzelf had opgevangen—zonder ze evenwel te durven verheffen tot meening—werden uitgewischt of overpleisterd door ’t waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat er iets van den eerbied dien men z’n “patronen” toedroeg afstraalde op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z’n moeder vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z’n aardappelen hebben wou, want:—Denk eens, Trui, ze hebben ’n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu wat dóór, en ga ’r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... ’n eigenBuiten!Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver te verslikken. ’t Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer ’n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en ’n oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op ’t kantoor. Buiten den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad onder Stoffel’s bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot gedeelte van z’n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd kunnen te weten komen hoe lang in Wouter’s eeuw ’n stuk engelsch katoen van acht-en-twintigyardswas. En waar dePleierswoonden, en deKruckersen deHockers,en de juffrouw die borduurpatroontjes verkocht. En hoe ’tBuitenheette van m’nheer Kopperlith. En aan welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z’n eigen achterkleinzoon te wezen, om tegenwoordig te zyn by ’t opgraven van al die historische byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de annalen van Wouter’s ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet—als de magazyn-kelder en ’t karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith—tot ver beneden de riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over ’n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te verstaan? O, zeker, ik hoor in m’n verbeelding reeds ’t verdrietig geroep vanPompejienHerculanum:berg, val weer op ons, herbesluier onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets ... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de heuchelyke verryzenis van Wouter’sagenda!Zóózal ’t wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige broodjes thans zoo’n eervolle plaats innemen in ’t muzeum te Napels, niet weten kon dat z’n bollen een zoo schitterende karrière maken zouden, was ook Wouter onbewust van ’t belang der byzonderheden die hy in z’n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z’n gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z’n geest verrykt had, er kwam toch ’n eind aan z’n opschryven. Hy begon zich te vervelen, en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z’n gemoed. De romantiek was—niet voor altoos, waarschynlyk—uitgeput, geknot, bedorven. Z’n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen, en de inspanning om zich met niets te bemoeiendan wat allernaast voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven nietigheden z’n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men ’t ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat ’n prachtig examen afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar z’n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z’n moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want hyzelf begon weer—en voor ’t eerst niet!—’n dergelyke meening te koesteren, als ’t koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen borst! Die m’nheer Wilkens was ’n dóórkundig man met grys haar en ’n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Watdieman hem zoo majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet begrypen waarop-i z’n inspanning moest toepassen? De pogingen om de moeilykheden van z’n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i misschien, om niet al te ver beneden z’n plicht te staan, terstond moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och, als m’nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i z’n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren!Men ziet dat de oorzaken van Wouter’s verdriet van ongewonen aard waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde, moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier ’t geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy ’t nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost om meester Pennewip—en z’n dame!—te voldoen, zou kinderspel wezen by de taak om ’n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich—vooral na de vermaningen van dien goeden dokter Holsma—met byzonderen yver aangegord. Geen “som” uit z’nStrabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten reeds, vatte hy alles wat men hem zei met ’n gemakkelykheid die hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Menwordt geen Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile—noch zelfs ’n behoorlyke m’nheer Wilkens!—zonder àndere draken verslagen te hebben dan men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé keepen ... zeker, begrypen is genot—en dit was vooral in Wouter het geval—maar juist hierom wantrouwde hy ’t genot dat hem ditmaal wat al te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z’n leermeesters met hun gryze haren, brillen,Buiten’sen eigen rytuig, beneden hem stonden, kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft: “wat ’n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel” en die vreest ’n domheid te zeggen door zoo’n ding te verklaren voor ’n zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien met het naastbyliggende, was hem op ’t hart gedrukt met ernst, en als iets belangryks ... waarin—dit zegiker by—Holsma volkomen gelyk had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter, doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit ’n aaneenschakeling van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder de nederigheid die hem eigen was, zoud-i—na ’n oefening van zeer weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren viel—zeer spoedig z’n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben geminacht. En zonder z’n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest met hun goedkeuring zyner vorderingen in ’t vlytig bestudeeren van niemendal. Wat Oxenstiern aan z’n zoon schreef over de onbeduidendheid der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle toepassing op ’n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd doen ’t wanstaltig huwelyk zyner ziel met ’n omgeving van zóó laag standpunt, inalleopzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen, en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: “ik benniets,want ik werd gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!” maar: “zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik bleef myzelf, en heb me totietsweten te maken.” Ik behoef hier immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die ’t kind aan deze vuurproef onderwierpen? ’t Was hùn doel waarachtig niet, onzen Wouter tot mensch te maken!Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte van z’n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den zolder ging—twee keepen: den twééden!—om te vegen, en op z’n gemak dat belangwekkende windas te bekyken?Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder’n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er, en wel in dienst!Zoo’n windas is ’n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter wist ze ’r uittehalen.—Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... defauteuil, twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles ... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan ’n gewonen takel, zou zemy’t zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf wentel dat groote rad ...Hy hoorde sloffen op de trap. ’t Was Gerrit, die eens kyken kwam wie er naar den zolder gegaan was.—Ah zoo! Ben jy ’t Pieterse. En wat doe je daar?—Ik ... veeg, zei Wouter.—Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen!—Maar m’nheer Wilkens heeft gezegd ...—Wullekes is ’n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat veeg je-n-al zoo?—De stof van de stapeltjes ...—Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg!—Gut!—Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje?—Hè!—Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de sleutels—want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek ben—toen begreep ik dat jy ’t was. Want er kon niemand anders op ’t kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in den komkommertyd zyn, en dat je zoo’n haast niet hoefde te maken met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog later komen, of misschien in ’t geheel niet. En de jongeheeren zyn uit ... om ’t mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk?—Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m’n plicht doen, m’n naastbyliggende plicht, weetje?—Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar ’ns zeggen, geen verstand van. Ik zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-’n jong borssie als jy zoo’n heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... ’t is wind en ’n engelschenotting!—Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest!—Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor denjongeheer Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller optewachten? Dat ’s ’n baantje voor jou, je zult het zien! ’t Zal je stuivers kosten voor ’n borrel! Want als je dàt niet doet, kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig omdroddebotte betalen ... vyf-en-twintig gulden in ’n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan blauwbekken in de kou ... als ’t winter is, meen ik. Zeg eens, heeft Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in alle saizoenen van ’t heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik styf van ’t rimmetiek. ’t Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je bent immers ook maar ’n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar, en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die er je voor dankt, jongen, en wie z’n eigen doodwerkt, wordt onder de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou!Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op ’t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten zolder geweest was. Want, zeid-i:—Dan sturen ze m’n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek ben ... kyk, m’n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet, dat zieje wel!Op ’t kantoor gekomen, sloeg de knecht ’n klein register op, waarin de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden.—Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er ’n smerig papiertjen in den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal wel gauw merken dat je-n-’n onnoozel bloedje bent, want ... je ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft z’n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met ’r prinsessen. Ze heeft ’reis in den Haag ’n prinses gezien, en daarvan praat ze-n-altyd. Allemaal wind en ’n engelschenotting. Die Wullekes ... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de keuken om m’n kommetje thee te drinken, ’t Zal wel koud wezen, maar ... ik moest toch ’reis even zien wie daar na ’t zolder liep. Jawel, hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan ’t openhalen van de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor ’n heel peloton ... ik ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht inannozooveel!En Gerrit vertrok. Z’n zonderlinge toespraken hadden dit goede,dat Wouter—zooals de lezer misschien—er niet veel van begreep, en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan wenschelyk was, verraste hem.Droddebot?Wat’s dàt voor ’n ding? En: ’n “smerig papiertje” dat hem ’n daalder zou kunnen kosten ... wat kon dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van z’n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m’nheer Wilkens om inlichting gevraagd, doch sedert z’n struikelen overMozes by ’t Doornboschdurfde Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan ’t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, dat hy ’t niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z’n lappen, en zweeg en mymerde, en betreurde z’n boeken op denZeedyk. Nog ’n beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van ’n beminnelyken beschermengel die wegzinkt in de nevelen van ’t verleden, en waarnaar de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt.Armoediger kon ’t met z’n zieltje niet geschapen staan, meent men?Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger.
Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de oppervlakte der zee, waarby men, o. a. “een man alsU,m’nheer!” te aanschouwen krygt. Ook de jongeheerPompileblyft voortgaan zich te vertoonen in al z’n geurige beminnelykheid van verstand en hart.De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen’s eenvoudige taal op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z’n bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs in z’n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog hetwaar-menschelykeboven hetvals-goddelykeverheven is, toch zou in dit geval z’n smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z’n oordeel. Om nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter’s kennismaking met dien eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van ’n boteram, terwyl het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van ’t verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z’n indrukken nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen, ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden, al hadden de sprekers Bilderdyk’sFlorisgerepeteerd, of ’n preek opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door ’n onbevredigden eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen ’t woord dat niet gaarne uit m’n pen vloeit, in den mond leggen van de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor ’t platste:—Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de oudeheer met roerende vertrouwelykheid.De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- en voetgrepen: pen in de gleuf van ’t opgeslagen boek ... één stap achteruit ... de handen gewreven, en:—Ja, m’nheer, ’t stinkt hier wel ... ’n beetje.Dat “beetje” was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om ’t gelyk-geven aan m’nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in ’n vermetele aanranding der eer van m’nheer Kopperlith’s kantoor. Zoo zeilt de wyze tusschen twee klippen door!—Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, ’t stinkt hier heel erg. Dat komt van de grachten, niet waar, Dieper?—Zeker, jongeheer, ’t komt van de grachten ...En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroontevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de plechtige woorden:—Ik heb de intiemefiktie, m’nheer, dat het alleen van de grachten komt!—Ei? vroeg of zei m’nheer Kopperlith.—Ja, m’nheer! En ... ’t is zoo’n ... modderlucht, vindt u niet?Dieper had zeer gerust de kwalifikatie ’n paar graden onfatsoenlyker kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maarbégueulestiptheid in omschryving was minder z’n zaak, dan ’t reinwasschen van m’nheer’s kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende een blyk van z’n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was ’t Gerrit alleen om ’n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn wanneer men ze had overgeplaatst naar ’n lusthof op den Hymettus. Maar in zoo’n lusthof lagen ze nu eenmaal niet.—Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden weifeling voor.—O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet waar, Dieper?Dieper betastte z’n hoofd:—Zinkings, m’nheer! Allemaal zinkings!—En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er dadelyk zoo’n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!Meer afdoende reden om “versche lucht” buiten te sluiten, zal wel nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als bondgenoot—niets was hem ooit te gering!—en als middel om z’n doel te bereiken met dePleiersen deHockersen deKruckers, bracht zeer handig het gesprek op iets anders.—De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet waar, Dieper?—Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m’nheer, een man alsU, m’nheer, behoorde reeds lang buiten te wezen!Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet opgaan over de boozen en goeden van z’n kantoor was goud waard. Toch niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen zoo dikwyls hy verkoos met ’n allergoedkoopst: “een man alsU, m’nheer!” Maar hy was te bekwaam in z’n specialiteit van perpetueel ondergeschikte, om de kitteling van z’n streelen aftestompen door overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy ’t niet. En gewis ook zóó veel keeren kon m’nheer Kopperlith het verdragenzonder op ’t afgryselyk denkbeeld te komen dat z’n boekhouder hem voor den gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar de man was ’n vriend van ’t gemiddelde, een vyand van overdryving, matig, sober en ingetogen, tot in z’n flik-vlooiery toe. Bovendien, er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry periodiek neerlegde op ’t altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z’n opblazen by ’t betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar ’t zoo heel erg ... ’n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de bulhond die, wild en onhandelbaar onder z’n gelyken en by vreemden, zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z’n meester.Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste karakterloosheid.Ook Dieper hield er ’n wezen op na, dat tienmaal in de week ’n fleemerig: “een man alsU, m’nheer Dieper!” by hem plaatsen kon, en ... op-straffe van ongenade, plaatsenmoest. De majesteit waarmee de oude boekhouder inzynhuis om z’n sloffen riep, of ’n ketel saliemelk bestelde—zoo byzonder goed tegen de “zinkings”—was nauw verwant aan ’t zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van “m’nheer” te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery mocht gevorderd worden.—Een man alsU, m’nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar, jongeheer?—Ja, papa. ’t Saizoen gaat voorby, papa!—Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat zullen we ’r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is, byzonder erg, Pompile!Dit had hy van “Gerrit” vernomen. De onnoozele lezer die nooit te logeeren werd gevraagd aan ’t hof van Spanje, en dus niet ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo’n Kopperlithsche huishouding, is misschien verwonderd dat ’n man bericht van den gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den knecht. Men bedenke dat—op ’n kleine uitzondering na, die straks zal gemeld worden—slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden tot desuite, waar “mevrouw” huisde, sliep, ziek was, at en dronk, enz. Daar was ’n “juffrouw” die haar gezelschap hield, en ’n kamenier voor ’t aan- of uitkleeden, en ’t optooien. Want ... opgetooid wèrd ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om ’t logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar ’t voorvenster van de “zykamer” moest gekruid worden. Jaren geleden reeds was er over deze zwarigheid ’n kantoor- en familieraad belegd, met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit zou worden beschouwd als geslachteloos, ’n vereerende onderscheiding die hem ’t recht van toegangtot den harem verschafte. Men bedenke dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen te belasten. Gedurende Wouter’s wittebroodsweken pynigde hem telkens z’n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen zoeken met de onheldere toelichting: “’t is, weetje, om mevrouw te kruien ... ze wil eruit” of: “ze wil er in.” Ook begreep-i niet volkomen wat er bedoeld werd met den roep: “Gerrit, mevrouw’s boeken ruilen!” Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit ’n penning besteed werd om ’n boek tekoopen, spreekt vanzelf. Van ’n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De “heeren” meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, ’n eigenschap waarvoor zy allerfatsoenlykst den neus optrokken.Wat overigens die geheimzinnigesuite-kamer aangaat, het is te veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène ook, wanneer deze jongeheeren hun: “broodje gingen eten by mama” maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van ’t middagmaal, geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer z’n huwelyksgeluk ’n uurtje te zien krygen. Z’n vurige drift om vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden, en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy zeer handig wist op de schaal te leggen in z’n eeuwigen gezagstryd met: “die Wullekes!” De manier waarop hy ’t aanlei om z’n welkome voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en huislooper niet aanstond, moest deze juist “boekenruilen voor mevrouw” ’nultima ratiodie Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En, als: “mevrouw straks misschien zou moetengekrooieworden” verzonk de autoriteit van den gehaten onder-chef in ’t peilloosNiet, juist waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z’n gemak uit het oog te verliezen.—Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we doen? Ik kan toch niet in m’n eentje naarGroenenhuize! Wat zeg jy, Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet?—Zeker, m’nheer, ik ben zeker dat m’nheer zich daar vervelen zou. M’nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar?—Nu ja, papa, dat’s waar, maar ... ’t saizoen gaat voorby. Ik kan u verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad is, wat je noemt: ’n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper?—Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad, dàt is waar.—Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper?Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de meening niet bevestigen van ’n dokter dien-i nooit had te zien of te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was aan de “heeren van ’t kantoor” slechts zeer schemerachtig bekend, want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens ’n beetje van z’n officieele berichten af, ’n byzonderheid die oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent mevrouw’s zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan, wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische uitdrukking van ’tsolemneele: men zag haar éénmaal ’s jaars, op den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, en later ook Wouter, door een derad hocgekommitteerde jongeheeren plechtstatig door de bovengang in desuitegeleid, waar ze dan konden wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven dat “de heeren” mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: “ook namens de andere heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig welzyn.” Ze was er mee tevreden, en zei dat ze ’t vandaag zoo byzonder erg “op” haar zenuwen had, en dat het zeker van ’t weer kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was—met ’n buiging, want z’n welsprekendheid was òp—kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van desuite, en de “heeren” verlieten ruggelings de “zykamer van mevrouw.” Dieper was dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op ’t weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtigeexodusnam op ’t kantoor ’n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen, vooral om ’t malle gezicht van m’nheer Wilkens, daarop volgde een donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan de deur van desuite... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch ontstond Dieper’s verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag of zoo’n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot beoordeeling van de vraag of “mevrouw nog zieker worden zou ais ze niet spoedig naar buiten ging?” En tevens: of men uit zoo’n bezoek op nieuwjaarsdag—en in die hitte nogal—voldoende gegevens putten kan om te berekenen hoe de dokter mevrouw’s toestand zou beoordeelen in ’thartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal Dieper’s getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende plicht schreef dus voor, een “intiemefiktie” by-de-hand te hebben, die den jongeheer kon dienen by z’n plannetjes, en dus:—Ja, ja, m’nheer, ’t is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naarGroenenhuizevertrekt, want ziet u—o, prachtsprong over ’t onbekend gezegde van den onbekenden dokter!—’t is zeker goed voor mevrouw, anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby!—Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut naar buiten! ’t Is voor mama niet langer in de stad uittehouden, niet waar, Dieper?—Juist, jongeheer! M’nheer, het is voor mevrouw in de stad niet langer uittehouden!—Voor niemand, papa!—Zeker, m’nheer, voor niemand!En hyzelf dan? En al z’n lotgenooten?—’t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper?Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op ’t water. ’t Was juist ’n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden.—Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat is de vraag!—Juist, papa, dàt is het! Dàt’s de zaak! Ik heb er Flip over gesproken, Flip den kruier, papa!—Hè?—Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de stoep aftedragen ...—In ’n fauteuil, Pompile!—Juist, papa, in ’n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: ’t handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, ’t is lomp volk, papa!—Maar ... hoe dan?—Flip zei: als we mevrouw in ’n flinken leuningstoel hadden—fauteuilskent zoo’n man niet, papa!—en dan ’n strop er om—om den fauteuil, papa!—en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, met héél veel kussens, dan zouden we ...Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z’n vader op kondschap gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee.—En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht?—Wel, papa, ’n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan ’n strop er om ... om denfauteuil,Eugène! En dan ... ’t venster open—Flip zei, ’t kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u, papa?—en dan ...—Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama ’t venster uithyschen? En zoo-even zei je ...—O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maarikzeg: met veel kussens, weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen hoog. Al wat boven ’n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze vreeselyk hoog, papa! ’t Weekbriefje—vooral als Gerrit styf van rhumatiek is, papa!—o, dan is ’t weekbriefje ... fameus, papa! En daarom had ik gedacht—omdat we nu ’n jongstebediende hebben, ook—nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu, dat’s hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren ... morgen ’n smerig papiertje, niet waar, Dieper?—Ja, jongeheer! Morgen ’n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m’nheer, heel smerig!—Maar, Pompile, wat wou je dan met mama?—Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed zou willen zyn—niet waar, Wilkens?—met dat jongemensch daar, aan ’t windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen ... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel, papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan, en ... er goed naar kyken, papa!Eugène bromde. Maar ’t was karakteristiek dat niemand lachte by Pompile’s voorstel om—niet zonder terugzicht op zuinigheid—z’n moeder ’t venster uittehyschen aan ’n strop ... om denfauteuil.—De buren!—Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we mama konden bewegen ... ’s morgens vroeg ...By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat ’n windas was, en dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die gelegenheid z’n naastbyliggenden plicht te vervullen. ’t Was hem ’n kleine verademing dat Pompile’s voorstel nog altyd niet gaaf werd aangenomen. Men scheen te betwyfelen of “mama” genoegen nemen zou met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren zou als ze hèm verdacht van de uitvinding.Hy iets uitvinden!—Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen heeft. Dat kan u best zeggen, papa!—Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama verzekerde?—Dat zou zeker ’t allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet, papa? Ze stookt!—Zou je dat denken, Pompile?—Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze ’r al lang op aangedrongen dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper?—Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze ’r al lang op aangedrongen.—Die nieuwe juffrouw is ’n gekkin, bromde Eugène.—Mama is zeer met ’r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was prokureur, Eugène!—Ze heeft kale plekken op ’t hoofd.—Wel, wel, Eugène!—Dat kanmynu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou overhalen om naarGroenenhuizete gaan, papa!—Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer.—Styf van ’t rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper ’n smerig papiertje, niet waar, Dieper?—Nu ja, maar als Gerrit nu eens—zonder dat het van ons kwam, begryp je?—aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje, Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in ’n restauratie gaan eten, als ’n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper?—Zeker niet, m’nheer! Een man alsUkan niet in ’n restauratie gaan eten. Zeker niet!Diezelfde “man als U” kon wel de hulp inroepen van den kruier, en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z’n vrouw te bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dathyer op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor dien jongen kantoorbediende vertoonden in ’n zonderling licht. Men ziet het, ook ’t gemeene heeft z’n naïveteit.Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust maakt over den gezondheidstoestand van die “mevrouw in de zykamer” wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit, die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed:—Je kunt me gelooven—ikben ’n oud man, en jy ’n jonk borssie—zy ... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar heele ziekte ... komaan, ik zal ’t je maar op z’n rond-hollandsch zeggen, is wind en ’n engelschenotting! Maar zy ... eet te veel. Zy ... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Alsikhaar dokter was, kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water ... anders niets, watikje zeg!
Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de oppervlakte der zee, waarby men, o. a. “een man alsU,m’nheer!” te aanschouwen krygt. Ook de jongeheerPompileblyft voortgaan zich te vertoonen in al z’n geurige beminnelykheid van verstand en hart.
Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de oppervlakte der zee, waarby men, o. a. “een man alsU,m’nheer!” te aanschouwen krygt. Ook de jongeheerPompileblyft voortgaan zich te vertoonen in al z’n geurige beminnelykheid van verstand en hart.
De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen’s eenvoudige taal op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z’n bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs in z’n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog hetwaar-menschelykeboven hetvals-goddelykeverheven is, toch zou in dit geval z’n smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z’n oordeel. Om nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter’s kennismaking met dien eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van ’n boteram, terwyl het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van ’t verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z’n indrukken nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen, ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden, al hadden de sprekers Bilderdyk’sFlorisgerepeteerd, of ’n preek opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door ’n onbevredigden eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen ’t woord dat niet gaarne uit m’n pen vloeit, in den mond leggen van de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor ’t platste:
—Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de oudeheer met roerende vertrouwelykheid.
De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- en voetgrepen: pen in de gleuf van ’t opgeslagen boek ... één stap achteruit ... de handen gewreven, en:
—Ja, m’nheer, ’t stinkt hier wel ... ’n beetje.
Dat “beetje” was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om ’t gelyk-geven aan m’nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in ’n vermetele aanranding der eer van m’nheer Kopperlith’s kantoor. Zoo zeilt de wyze tusschen twee klippen door!
—Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, ’t stinkt hier heel erg. Dat komt van de grachten, niet waar, Dieper?
—Zeker, jongeheer, ’t komt van de grachten ...
En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroontevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de plechtige woorden:
—Ik heb de intiemefiktie, m’nheer, dat het alleen van de grachten komt!
—Ei? vroeg of zei m’nheer Kopperlith.
—Ja, m’nheer! En ... ’t is zoo’n ... modderlucht, vindt u niet?
Dieper had zeer gerust de kwalifikatie ’n paar graden onfatsoenlyker kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maarbégueulestiptheid in omschryving was minder z’n zaak, dan ’t reinwasschen van m’nheer’s kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende een blyk van z’n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was ’t Gerrit alleen om ’n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn wanneer men ze had overgeplaatst naar ’n lusthof op den Hymettus. Maar in zoo’n lusthof lagen ze nu eenmaal niet.
—Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden weifeling voor.
—O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet waar, Dieper?
Dieper betastte z’n hoofd:
—Zinkings, m’nheer! Allemaal zinkings!
—En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er dadelyk zoo’n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!
Meer afdoende reden om “versche lucht” buiten te sluiten, zal wel nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als bondgenoot—niets was hem ooit te gering!—en als middel om z’n doel te bereiken met dePleiersen deHockersen deKruckers, bracht zeer handig het gesprek op iets anders.
—De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet waar, Dieper?
—Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m’nheer, een man alsU, m’nheer, behoorde reeds lang buiten te wezen!
Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet opgaan over de boozen en goeden van z’n kantoor was goud waard. Toch niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen zoo dikwyls hy verkoos met ’n allergoedkoopst: “een man alsU, m’nheer!” Maar hy was te bekwaam in z’n specialiteit van perpetueel ondergeschikte, om de kitteling van z’n streelen aftestompen door overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy ’t niet. En gewis ook zóó veel keeren kon m’nheer Kopperlith het verdragenzonder op ’t afgryselyk denkbeeld te komen dat z’n boekhouder hem voor den gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar de man was ’n vriend van ’t gemiddelde, een vyand van overdryving, matig, sober en ingetogen, tot in z’n flik-vlooiery toe. Bovendien, er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry periodiek neerlegde op ’t altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z’n opblazen by ’t betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar ’t zoo heel erg ... ’n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de bulhond die, wild en onhandelbaar onder z’n gelyken en by vreemden, zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z’n meester.
Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste karakterloosheid.
Ook Dieper hield er ’n wezen op na, dat tienmaal in de week ’n fleemerig: “een man alsU, m’nheer Dieper!” by hem plaatsen kon, en ... op-straffe van ongenade, plaatsenmoest. De majesteit waarmee de oude boekhouder inzynhuis om z’n sloffen riep, of ’n ketel saliemelk bestelde—zoo byzonder goed tegen de “zinkings”—was nauw verwant aan ’t zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van “m’nheer” te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery mocht gevorderd worden.
—Een man alsU, m’nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar, jongeheer?
—Ja, papa. ’t Saizoen gaat voorby, papa!
—Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat zullen we ’r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is, byzonder erg, Pompile!
Dit had hy van “Gerrit” vernomen. De onnoozele lezer die nooit te logeeren werd gevraagd aan ’t hof van Spanje, en dus niet ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo’n Kopperlithsche huishouding, is misschien verwonderd dat ’n man bericht van den gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den knecht. Men bedenke dat—op ’n kleine uitzondering na, die straks zal gemeld worden—slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden tot desuite, waar “mevrouw” huisde, sliep, ziek was, at en dronk, enz. Daar was ’n “juffrouw” die haar gezelschap hield, en ’n kamenier voor ’t aan- of uitkleeden, en ’t optooien. Want ... opgetooid wèrd ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om ’t logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar ’t voorvenster van de “zykamer” moest gekruid worden. Jaren geleden reeds was er over deze zwarigheid ’n kantoor- en familieraad belegd, met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit zou worden beschouwd als geslachteloos, ’n vereerende onderscheiding die hem ’t recht van toegangtot den harem verschafte. Men bedenke dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen te belasten. Gedurende Wouter’s wittebroodsweken pynigde hem telkens z’n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen zoeken met de onheldere toelichting: “’t is, weetje, om mevrouw te kruien ... ze wil eruit” of: “ze wil er in.” Ook begreep-i niet volkomen wat er bedoeld werd met den roep: “Gerrit, mevrouw’s boeken ruilen!” Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit ’n penning besteed werd om ’n boek tekoopen, spreekt vanzelf. Van ’n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De “heeren” meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, ’n eigenschap waarvoor zy allerfatsoenlykst den neus optrokken.
Wat overigens die geheimzinnigesuite-kamer aangaat, het is te veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène ook, wanneer deze jongeheeren hun: “broodje gingen eten by mama” maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van ’t middagmaal, geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer z’n huwelyksgeluk ’n uurtje te zien krygen. Z’n vurige drift om vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden, en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy zeer handig wist op de schaal te leggen in z’n eeuwigen gezagstryd met: “die Wullekes!” De manier waarop hy ’t aanlei om z’n welkome voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en huislooper niet aanstond, moest deze juist “boekenruilen voor mevrouw” ’nultima ratiodie Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En, als: “mevrouw straks misschien zou moetengekrooieworden” verzonk de autoriteit van den gehaten onder-chef in ’t peilloosNiet, juist waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z’n gemak uit het oog te verliezen.
—Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we doen? Ik kan toch niet in m’n eentje naarGroenenhuize! Wat zeg jy, Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet?
—Zeker, m’nheer, ik ben zeker dat m’nheer zich daar vervelen zou. M’nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar?
—Nu ja, papa, dat’s waar, maar ... ’t saizoen gaat voorby. Ik kan u verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad is, wat je noemt: ’n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper?
—Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad, dàt is waar.
—Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper?
Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de meening niet bevestigen van ’n dokter dien-i nooit had te zien of te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was aan de “heeren van ’t kantoor” slechts zeer schemerachtig bekend, want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens ’n beetje van z’n officieele berichten af, ’n byzonderheid die oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent mevrouw’s zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan, wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische uitdrukking van ’tsolemneele: men zag haar éénmaal ’s jaars, op den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, en later ook Wouter, door een derad hocgekommitteerde jongeheeren plechtstatig door de bovengang in desuitegeleid, waar ze dan konden wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven dat “de heeren” mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: “ook namens de andere heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig welzyn.” Ze was er mee tevreden, en zei dat ze ’t vandaag zoo byzonder erg “op” haar zenuwen had, en dat het zeker van ’t weer kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was—met ’n buiging, want z’n welsprekendheid was òp—kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van desuite, en de “heeren” verlieten ruggelings de “zykamer van mevrouw.” Dieper was dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op ’t weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtigeexodusnam op ’t kantoor ’n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen, vooral om ’t malle gezicht van m’nheer Wilkens, daarop volgde een donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan de deur van desuite... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch ontstond Dieper’s verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag of zoo’n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot beoordeeling van de vraag of “mevrouw nog zieker worden zou ais ze niet spoedig naar buiten ging?” En tevens: of men uit zoo’n bezoek op nieuwjaarsdag—en in die hitte nogal—voldoende gegevens putten kan om te berekenen hoe de dokter mevrouw’s toestand zou beoordeelen in ’thartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal Dieper’s getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende plicht schreef dus voor, een “intiemefiktie” by-de-hand te hebben, die den jongeheer kon dienen by z’n plannetjes, en dus:
—Ja, ja, m’nheer, ’t is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naarGroenenhuizevertrekt, want ziet u—o, prachtsprong over ’t onbekend gezegde van den onbekenden dokter!—’t is zeker goed voor mevrouw, anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby!
—Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut naar buiten! ’t Is voor mama niet langer in de stad uittehouden, niet waar, Dieper?
—Juist, jongeheer! M’nheer, het is voor mevrouw in de stad niet langer uittehouden!
—Voor niemand, papa!
—Zeker, m’nheer, voor niemand!
En hyzelf dan? En al z’n lotgenooten?
—’t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper?
Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op ’t water. ’t Was juist ’n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden.
—Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat is de vraag!
—Juist, papa, dàt is het! Dàt’s de zaak! Ik heb er Flip over gesproken, Flip den kruier, papa!
—Hè?
—Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de stoep aftedragen ...
—In ’n fauteuil, Pompile!
—Juist, papa, in ’n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: ’t handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, ’t is lomp volk, papa!
—Maar ... hoe dan?
—Flip zei: als we mevrouw in ’n flinken leuningstoel hadden—fauteuilskent zoo’n man niet, papa!—en dan ’n strop er om—om den fauteuil, papa!—en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, met héél veel kussens, dan zouden we ...
Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z’n vader op kondschap gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee.
—En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht?
—Wel, papa, ’n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan ’n strop er om ... om denfauteuil,Eugène! En dan ... ’t venster open—Flip zei, ’t kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u, papa?—en dan ...
—Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama ’t venster uithyschen? En zoo-even zei je ...
—O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maarikzeg: met veel kussens, weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen hoog. Al wat boven ’n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze vreeselyk hoog, papa! ’t Weekbriefje—vooral als Gerrit styf van rhumatiek is, papa!—o, dan is ’t weekbriefje ... fameus, papa! En daarom had ik gedacht—omdat we nu ’n jongstebediende hebben, ook—nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu, dat’s hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren ... morgen ’n smerig papiertje, niet waar, Dieper?
—Ja, jongeheer! Morgen ’n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m’nheer, heel smerig!
—Maar, Pompile, wat wou je dan met mama?
—Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed zou willen zyn—niet waar, Wilkens?—met dat jongemensch daar, aan ’t windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen ... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel, papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan, en ... er goed naar kyken, papa!
Eugène bromde. Maar ’t was karakteristiek dat niemand lachte by Pompile’s voorstel om—niet zonder terugzicht op zuinigheid—z’n moeder ’t venster uittehyschen aan ’n strop ... om denfauteuil.
—De buren!
—Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we mama konden bewegen ... ’s morgens vroeg ...
By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat ’n windas was, en dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die gelegenheid z’n naastbyliggenden plicht te vervullen. ’t Was hem ’n kleine verademing dat Pompile’s voorstel nog altyd niet gaaf werd aangenomen. Men scheen te betwyfelen of “mama” genoegen nemen zou met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren zou als ze hèm verdacht van de uitvinding.
Hy iets uitvinden!
—Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen heeft. Dat kan u best zeggen, papa!
—Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama verzekerde?
—Dat zou zeker ’t allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet, papa? Ze stookt!
—Zou je dat denken, Pompile?
—Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze ’r al lang op aangedrongen dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper?
—Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze ’r al lang op aangedrongen.
—Die nieuwe juffrouw is ’n gekkin, bromde Eugène.
—Mama is zeer met ’r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was prokureur, Eugène!
—Ze heeft kale plekken op ’t hoofd.
—Wel, wel, Eugène!
—Dat kanmynu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou overhalen om naarGroenenhuizete gaan, papa!
—Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer.
—Styf van ’t rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper ’n smerig papiertje, niet waar, Dieper?
—Nu ja, maar als Gerrit nu eens—zonder dat het van ons kwam, begryp je?—aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje, Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in ’n restauratie gaan eten, als ’n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper?
—Zeker niet, m’nheer! Een man alsUkan niet in ’n restauratie gaan eten. Zeker niet!
Diezelfde “man als U” kon wel de hulp inroepen van den kruier, en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z’n vrouw te bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dathyer op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor dien jongen kantoorbediende vertoonden in ’n zonderling licht. Men ziet het, ook ’t gemeene heeft z’n naïveteit.
Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust maakt over den gezondheidstoestand van die “mevrouw in de zykamer” wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit, die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed:
—Je kunt me gelooven—ikben ’n oud man, en jy ’n jonk borssie—zy ... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar heele ziekte ... komaan, ik zal ’t je maar op z’n rond-hollandsch zeggen, is wind en ’n engelschenotting! Maar zy ... eet te veel. Zy ... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Alsikhaar dokter was, kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water ... anders niets, watikje zeg!
De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van ’n “man als u, m’nheer!”De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper’s lessenaar, begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagendie met hem in aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man ’n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo wentelt zich de luiaard in z’n bed om,like a door on its hinges, gelyk Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had nog andere redenen dan zoo’n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen worden van ’t besef der hoogheid van m’nheer Kopperlith. Hy naderde alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was zich door ’t overschryven van Leon’s epistel, bekwaam te maken voor den “handel.”—En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein, heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome.’t Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw- of in-slaap gevallen zyn. Het woordRomemaakte hem eenigszins wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou,hy! God weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs ... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus en Remus, van Numa Pomp ... ’t is waar ook, waarom heette z’n hoogste onderpatroon:Pompilius?1—Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè?—N...e...e...n, m’nheer!—Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief gaat—daarom moet je netjes schryven—naar m’n zoon, den jongeheer Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan?Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien ’n naastbyliggende plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z’n hakkelen. Hy had z’n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders “van fortuin” zich niet weten te amuzeeren!—M’n zoon—de jongeheer Flodoard, weetje?—is daar ...Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte stond om te beseffen wat ’n schilder was. En deze vrees was niet ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt niet byzonder hoog gevonden hebben: ’n schilder!—Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hemMozes by ’t Doornboscheens laten zien ...—In de hoes, papa!—Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal—vlak boven—Mozes by ’t Doornboschzien ... als-i eens niet inde hoes zit. Dat heeft m’n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd, heelemaal zelf. Wat zeg je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich te oefenen in de Kunst, in ’t fyne, weetje, heel in ’t fyne van de Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen maakt voor z’n brood. Volstrekt niet, in ’t geheel niet! Je begrypt immers ’t verschil wel, zeg?Die arme knoop! Wouter zette ’n gezicht alsof-i volkomen bereid was alles te begrypen wat men hem vertellen zou.—Om z’n brood ... hi, hi, hi, ’t lykt er niets naar! Gut, Pompile, begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde ... hi, hi, hi ... om z’n brood!—Ja, papa!—Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z’n pleizier, en ... voor deKunst. Wat zeg je dáárvan?Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed!—Voor deKunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z’n schilderyen? Zeg, Pompile, je moet ’m tochMozes by ’t Doornboscheens laten zien ...—Ja, papa!—Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets voor. En ’t hangt op de zaal—vlak, vlak hierboven, weetje?—en je mag ’t zien, als de hoes er af is, want ... nu is er ’n hoes over, omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ...Groenenhuizeheet het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dàt zal je zelf zien! Dacht jy dat-i er iets voor kreeg?—N...e...e...n, m’nheer, o neen!—Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, ’t is juist andersom. De jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome verteert? Komaan, raad eens!Och, daarvan stond weer niets inStrabbe!Onze Wouter voelde zich in pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten:—Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden!—Hon...derd... gulden, m’nheer?—Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je ’t Eugène? Heb je ’t gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène, dat ikdieaan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wilikje-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In demaand, weetje? Honderd gulden in demaand... wat zeg je dáárvan?—Hè, m’nheer!—In... de... maand!—Hè!—In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd!Wouter zweette.—Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens, by wien denk je dat-i al dat geld haalt?—By... den...—Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de jongeheer Flodoard al dat geld haalt?—By den ... Paus, m’nheer?Was ’t niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op ’t kantoor van m’nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door ’t hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome, aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam z’n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z’n onverbiddelykepartnereischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen, dien z’n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard’s vertering gemaakt had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden ’t peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen gaf, wist-i niet beter dan ’t voornaamste te noemen dat hem te Rome bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z’n naastbyliggend plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder z’n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ...—De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard ontvangt alle maanden honderd gulden op ’t kantoor van een ... van wien, denk je? Ik zal ’t je maar zeggen: van ’n ... prins! Niet waar, Dieper! Ja, ja, mannetje, m’nheer Dieper kan je de wissels laten zien—want die worden op myn kantoor door m’nheer Dieper betaald, weetje?—de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z’n brood? Hy moet volstrektMozes in ’t Doornboscheens zien, Pompile, maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft het satyn van de stoelen—want er zyn stoelen met satynen zittingen op de zaal—en ’t verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw naar-buiten gaat, naarGroenenhuize—want zoo heet eigenlyk m’nBuiten—en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel eens buiten geweest, mannetje, zeg?—J...a...wel, m’nheer!Dit antwoord viel den gek tegen. ’t Was dan ook wel ’n beetjen onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z’n privatief domein houden wilde.—Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje?—Op den Singel, m’nheer, buiten de Aschpoort.Alweer zou hier ’n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden op ’t kantoor. Deze oefende in z’n eentje zoo goed mogelykde funktien van koor uit. Dieper legde z’n pen neer. Wilkens fronsde ’t voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs ’t officieel gelaat van Eugène vertrok zich byna in ’n plooi.—Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar, kereltje... maar, ventje... dat is nietbuiten,mannetje! Gut, Pompile, wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben!—O ja, papa!Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter’s domheid, en de knoop van z’n jasje moest het ontgelden.—Buitenis... wat je noemt:buiten, heelemaalbuiten, weetje?Of Wouter ’t nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in elkaer.—O ja, m’nheer! Zeker, m’nheer! Ik wist niet wat m’nheer bedoelde...—Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat “buiten” was. Nu, nu, ik neem ’t je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn is...’s-zomersbuiten-zyn, weetje? Dat is... ’n Buitenplaats hebben, begrypje? Nu...ikheb ’n Buitenplaats... by Haarlem inden Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat “den Hout” is. Zeg, weet je wel?—N...e...e...n, m’nheer!Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat “den Hout” was. Dit stond immers in z’n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z’n vermoeiende uitvinding! Welke Hollander zou “den Hout” niet kennen? Of nu onze kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z’n kinderachtigen patroon den vollen triumf van z’n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien zeid-i maarneen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men z’n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt had... neen, erger!—Ja ja, ik heb ’nBuiteninden Hout, vlak by de “Logementen”... zeg, Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken opGroenenhuize, niet waar?—O ja, papa!—Zieje, dan kan-i op ’n zondagmorgen met de eerste schuit...—Vier stuivers, papa!—Ja, vier stuivers. En ’s avends terug, dat ’s acht, niet waar? En... ’n dubbeltje voor den man die hem den weg wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar ’tBuitenvan m’nheer Kopperlith, inden Hout, vlak by de “Logementen” zieje, ’t is dus heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: ’t Buiten van m’nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf ’n eigenBuitenheb, weetje, ’n wezenlykBuiten... dàt zal je zien. ’t Is vlak by de “Logementen”... inden Hout, weetje? In denHaarlemmer Hout! Hi, hi, hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ikdieaan mama vertel, van middag aan tafel, weetje!Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer ’t kantoor van z’n tegenwoordigheid. Wouter leed meer daniemand gissen kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen ’t bestormen van ’n turksche vesting, of ’t òpzien... hy had het eerste gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de “handel” zoo’n moeilyke zaak was.1In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de aristocratische voornamen der jonge Kopperliths.
De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van ’n “man als u, m’nheer!”
De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van ’n “man als u, m’nheer!”
De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper’s lessenaar, begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagendie met hem in aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man ’n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo wentelt zich de luiaard in z’n bed om,like a door on its hinges, gelyk Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had nog andere redenen dan zoo’n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen worden van ’t besef der hoogheid van m’nheer Kopperlith. Hy naderde alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was zich door ’t overschryven van Leon’s epistel, bekwaam te maken voor den “handel.”
—En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein, heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome.
’t Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw- of in-slaap gevallen zyn. Het woordRomemaakte hem eenigszins wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou,hy! God weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs ... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus en Remus, van Numa Pomp ... ’t is waar ook, waarom heette z’n hoogste onderpatroon:Pompilius?1
—Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè?
—N...e...e...n, m’nheer!
—Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief gaat—daarom moet je netjes schryven—naar m’n zoon, den jongeheer Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan?
Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien ’n naastbyliggende plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z’n hakkelen. Hy had z’n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders “van fortuin” zich niet weten te amuzeeren!
—M’n zoon—de jongeheer Flodoard, weetje?—is daar ...
Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte stond om te beseffen wat ’n schilder was. En deze vrees was niet ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt niet byzonder hoog gevonden hebben: ’n schilder!
—Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hemMozes by ’t Doornboscheens laten zien ...
—In de hoes, papa!
—Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal—vlak boven—Mozes by ’t Doornboschzien ... als-i eens niet inde hoes zit. Dat heeft m’n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd, heelemaal zelf. Wat zeg je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich te oefenen in de Kunst, in ’t fyne, weetje, heel in ’t fyne van de Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen maakt voor z’n brood. Volstrekt niet, in ’t geheel niet! Je begrypt immers ’t verschil wel, zeg?
Die arme knoop! Wouter zette ’n gezicht alsof-i volkomen bereid was alles te begrypen wat men hem vertellen zou.
—Om z’n brood ... hi, hi, hi, ’t lykt er niets naar! Gut, Pompile, begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde ... hi, hi, hi ... om z’n brood!
—Ja, papa!
—Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z’n pleizier, en ... voor deKunst. Wat zeg je dáárvan?
Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed!
—Voor deKunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z’n schilderyen? Zeg, Pompile, je moet ’m tochMozes by ’t Doornboscheens laten zien ...
—Ja, papa!
—Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets voor. En ’t hangt op de zaal—vlak, vlak hierboven, weetje?—en je mag ’t zien, als de hoes er af is, want ... nu is er ’n hoes over, omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ...Groenenhuizeheet het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dàt zal je zelf zien! Dacht jy dat-i er iets voor kreeg?
—N...e...e...n, m’nheer, o neen!
—Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, ’t is juist andersom. De jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome verteert? Komaan, raad eens!
Och, daarvan stond weer niets inStrabbe!Onze Wouter voelde zich in pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten:
—Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden!
—Hon...derd... gulden, m’nheer?
—Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je ’t Eugène? Heb je ’t gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène, dat ikdieaan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wilikje-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In demaand, weetje? Honderd gulden in demaand... wat zeg je dáárvan?
—Hè, m’nheer!
—In... de... maand!
—Hè!
—In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd!
Wouter zweette.
—Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens, by wien denk je dat-i al dat geld haalt?
—By... den...
—Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de jongeheer Flodoard al dat geld haalt?
—By den ... Paus, m’nheer?
Was ’t niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op ’t kantoor van m’nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door ’t hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome, aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam z’n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z’n onverbiddelykepartnereischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen, dien z’n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard’s vertering gemaakt had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden ’t peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen gaf, wist-i niet beter dan ’t voornaamste te noemen dat hem te Rome bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z’n naastbyliggend plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder z’n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ...
—De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard ontvangt alle maanden honderd gulden op ’t kantoor van een ... van wien, denk je? Ik zal ’t je maar zeggen: van ’n ... prins! Niet waar, Dieper! Ja, ja, mannetje, m’nheer Dieper kan je de wissels laten zien—want die worden op myn kantoor door m’nheer Dieper betaald, weetje?—de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z’n brood? Hy moet volstrektMozes in ’t Doornboscheens zien, Pompile, maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft het satyn van de stoelen—want er zyn stoelen met satynen zittingen op de zaal—en ’t verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw naar-buiten gaat, naarGroenenhuize—want zoo heet eigenlyk m’nBuiten—en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel eens buiten geweest, mannetje, zeg?
—J...a...wel, m’nheer!
Dit antwoord viel den gek tegen. ’t Was dan ook wel ’n beetjen onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z’n privatief domein houden wilde.
—Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje?
—Op den Singel, m’nheer, buiten de Aschpoort.
Alweer zou hier ’n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden op ’t kantoor. Deze oefende in z’n eentje zoo goed mogelykde funktien van koor uit. Dieper legde z’n pen neer. Wilkens fronsde ’t voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs ’t officieel gelaat van Eugène vertrok zich byna in ’n plooi.
—Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar, kereltje... maar, ventje... dat is nietbuiten,mannetje! Gut, Pompile, wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben!
—O ja, papa!
Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter’s domheid, en de knoop van z’n jasje moest het ontgelden.
—Buitenis... wat je noemt:buiten, heelemaalbuiten, weetje?
Of Wouter ’t nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in elkaer.
—O ja, m’nheer! Zeker, m’nheer! Ik wist niet wat m’nheer bedoelde...
—Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat “buiten” was. Nu, nu, ik neem ’t je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn is...’s-zomersbuiten-zyn, weetje? Dat is... ’n Buitenplaats hebben, begrypje? Nu...ikheb ’n Buitenplaats... by Haarlem inden Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat “den Hout” is. Zeg, weet je wel?
—N...e...e...n, m’nheer!
Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat “den Hout” was. Dit stond immers in z’n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z’n vermoeiende uitvinding! Welke Hollander zou “den Hout” niet kennen? Of nu onze kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z’n kinderachtigen patroon den vollen triumf van z’n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien zeid-i maarneen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men z’n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt had... neen, erger!
—Ja ja, ik heb ’nBuiteninden Hout, vlak by de “Logementen”... zeg, Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken opGroenenhuize, niet waar?
—O ja, papa!
—Zieje, dan kan-i op ’n zondagmorgen met de eerste schuit...
—Vier stuivers, papa!
—Ja, vier stuivers. En ’s avends terug, dat ’s acht, niet waar? En... ’n dubbeltje voor den man die hem den weg wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar ’tBuitenvan m’nheer Kopperlith, inden Hout, vlak by de “Logementen” zieje, ’t is dus heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: ’t Buiten van m’nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf ’n eigenBuitenheb, weetje, ’n wezenlykBuiten... dàt zal je zien. ’t Is vlak by de “Logementen”... inden Hout, weetje? In denHaarlemmer Hout! Hi, hi, hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ikdieaan mama vertel, van middag aan tafel, weetje!
Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer ’t kantoor van z’n tegenwoordigheid. Wouter leed meer daniemand gissen kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen ’t bestormen van ’n turksche vesting, of ’t òpzien... hy had het eerste gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de “handel” zoo’n moeilyke zaak was.
1In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de aristocratische voornamen der jonge Kopperliths.
1In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de aristocratische voornamen der jonge Kopperliths.
Vita longa, ars brevis.Plebejervreugd over “gekochte kost.” Dekadentie vanHerkulanum en Pompeji. Wouter’sverdriet over z’n snel begrip. Parafraze vanGerritopTalleyrand’s “pas de zèle!”Toen Wouter eindelyk met z’n afschriften gereed was, begon Wilkens hem toetespreken op ’n toon en in bewoordingen die niet volstrekt misplaatst zouden geweest zyn by ’n inwyding in de Eleuzinische geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter kreeg ’n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes moest afknippen naar ’n opgegeven maat en daarna op karton plakken, ’n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m’nheer Wilkens erkennen wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had uitgegaan te zyn van hemzelf.—En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou aandringen op ’t klagen over Gerrit’s hardnekkig-styve rhumatiek.Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien, waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte hem met ’n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat, houding, stembuiging, jazelfs ’t heen-en-weer schuiven van z’n bril, daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard voelde onder ’t gewicht van den nieuwen kursus.—Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar radenMagazynte zeggen, want ’n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z’n uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid ’n hoofdzaak, en dus... magazyn!—Magazyn, stamelde Wouter.—Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen zyn... koopmansgoederen, en alles ligt—gelyk je ziet—op plankjes. Dit doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let daar wel op, en geef acht dat je nooit ’n stuk op den vloer legt... nooit ofte nimmer!—Dat zal ik nooit doen, m’nheer!—Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp je-n-immers wel?—O ja, m’nheer!—Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit Manchester. Kan je dit onthouden?—Uit Manchester, in... Engeland, m’nheer!—Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintigyards. Nu moet je weten hoe lang eenyardis. Onthoud dit wel: drieyardszyn vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt, zou je ’t kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets te leeren. Drieyardsmaken vier ellen, dit moet je goed onthouden.Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z’n best zou doen alles goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet.—De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts vier-en-twintigyardslang. Dit maakt dus ’n verschil. En de zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas...Hier had-i byna gezegd “een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul is.” Maar hy bedacht zich:...in den Elsas alzoo. Nu—let wel op!—die stukken hebben geen vaste maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo’n papiertje draagt de benaming van: etiket...e...ti...ket! Onthoud dit wel! En het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt:aunes. De lengte van het stuk in...aunes. Kan je dit onthouden?—Aunes, m’nheer!—Zeer wel!Aunesof fransche ellen, want... ’n fransche el noemt men:aune. Elf van dieaunesmaken zestien ellen. Ook dit moet je trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel, moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel?—Ja, m’nheer!—Anders moet je ’t opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige vegers... je ziet ze wel?—Ja! m’nheer!—Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op ligt. Er is hier in den kelder—zeg jy maar altydmagazyn—altyd iets te doen, vooral voor ’n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó veeg je!En de leeraar streek met ’n stoffer ’n paar maal over ’n stapeltje om Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling nu op-eens “den handel” weer wat minder moeielyk begon te vinden.—Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want ’n jong-mensch...—Ja, m’nheer!—En nooit ’n stuk kreukelen...—Neen, m’nheer!—Of in ’n verkeerden plooi leggen...—Neen, m’nheer!—Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd wat te doen voor ’n jong-mensch.Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van ’t huis waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk indiemetenshirting, waarin Wilkens “zoo byzonder knap” was. Hy weigerde evenwel iets van z’n uitstekende bekwaamheid in dit “vak” aan Wouter overtedoen. Dit kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in ’n paar uur sprekens. Dat het hem op z’n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als ’n zeer byzonder geval beschouwen. Hy had van der jeugd af “aanleg gehad voor witte goederen”, maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten ’t nooit zoo ver.Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo’n honger gehad had. Toch maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dàt was alzoo de mekaniek die Flip de kruier—en de jongeheer Pompile... met heel veel kussens—wilde toepassen op de verhuizing van de dikke mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die door ’t straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die het touw hield waarmee men ’t groote rad in beweging bracht, en dat de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men zou lust krygen met zoo’n ding de dikste mevrouw van de wereld het venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo’n exercitie beleven zou, en vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo’nprouessezonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties waarvan hy ooit gelezen had, maar...—En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt niet! ’n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier, op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep:eerstezolder, twee keepen:tweedezolder... onthoud dit wel!—Ja, m’nheer!—En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is,dan gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen goederen van ’t voorjaar. Tracht dit te onthouden.—Ja, m’nheer!De fameuze “zaal” werd nu voor Wouter’s blikken ontsloten. Het was een niet zeer groote kamer die er met al haar “hoezen” uitzag als ’n blindeman of ’n hospitaalgast. Zelfs ’t vloertapyt was tegen onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door ’n grof-linnen kleed. En ook vanMozes by ’t Doornboschwas niets te zien dan ’n bleek vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ...—Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen te zien maar om te werken! ’n Jong-mensch moet zich door niets laten aftrekken van z’n werk! Leer dit van my.—Ja, m’nheer!—Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op ’t kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te doen is—want ’n jong-mensch moet nooit ledig zyn!—dan ... veeg je hier ’t stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht ... alles altyd op z’n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar ’t kantoor. Ik zal eens met m’nheer spreken over de uren van je gaan en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten zich daaraan wennen.Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende “zoo tegen drieën eventjes naar huis zou gaan om te eten.” En zie—goddank!—’t wàs byna drie uur, want Dieper sloot z’n boeken, en trok z’n jas aan “voor de beurs.”Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z’n schreden huiswaarts, ’t Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i z’n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van ’t huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit ’n wereld die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó, als de moeielykheid van ’t binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs.—Zieje wel, dat’s wat ànders dan by zoo’n slechten kerel op den Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet op-eens naar Amerika gaan met ’n andermans geld! En ... ’nzaal, zegje? En ... ’nBuiten?En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet, maar ’t is toch ’n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die ’n zaal in hun huis hebben, en ’n buitenplaats, en eigen rytuig! Als jenugoed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg jy, Stoffel?—Ja, moeder.—Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: ’n mensch is sterfelyk. En die oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter?—Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m’nheer Wilkens ook zoowat.—Zieje! Ik zeg dat ’n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is ... wat zeg jy Stoffel?—Zeker, moeder.—Als zoo’n boekhouder nu eens ... sterft—want alle menschen zyn sterfelyk, niet waar?—dan zou Wouter best ... denk eens, Trui?—Ja, moeder, waarom niet?—En die m’nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder kunnen worden, of ... m’nheer Willekes?—Né, moeder. Uwe meent ...—Nu ja, wie kan altyd zoo op z’n woorden letten! Ik meen maar dat z’n kost gekocht is. Wat kan ’n mensch meer verlangen? En dat zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens onder je bedstee, Stoffel, daar staat ’n mand met ouwe prullen, en je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. ’t Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z’n kost is gekocht ... dàt wil ik maar zeggen! Je mag nu wel ’ns gauw naar m’nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je ’t vinden, als je-n-eens ’n vers maakte op z’n verjaardag?Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z’n moeder onder ’t oog dat m’nheer Calb waarschynlyk, als “man van zaken” ’n hekel aan verzen hebben zou, en dat ’n stoffelyk bewys van erkentelykheid ... ’n anker wyn, of ’n vaatje boter ...—Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je m’nheer Calb ’n vaatje boter zendt, of ’n anker wyn ...—Gut, moeder!—Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen zyn sterfelyk, en als die m’nheer Dieper zoo klaagt over zinkings ... jongen, je kost is gekocht!Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter’s week gemoed biologeeren tot ingenomenheid met z’n nieuwen werkkring. De niet zeer aangename indrukken die hyzelf had opgevangen—zonder ze evenwel te durven verheffen tot meening—werden uitgewischt of overpleisterd door ’t waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat er iets van den eerbied dien men z’n “patronen” toedroeg afstraalde op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z’n moeder vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z’n aardappelen hebben wou, want:—Denk eens, Trui, ze hebben ’n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu wat dóór, en ga ’r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... ’n eigenBuiten!Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver te verslikken. ’t Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer ’n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en ’n oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op ’t kantoor. Buiten den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad onder Stoffel’s bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot gedeelte van z’n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd kunnen te weten komen hoe lang in Wouter’s eeuw ’n stuk engelsch katoen van acht-en-twintigyardswas. En waar dePleierswoonden, en deKruckersen deHockers,en de juffrouw die borduurpatroontjes verkocht. En hoe ’tBuitenheette van m’nheer Kopperlith. En aan welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z’n eigen achterkleinzoon te wezen, om tegenwoordig te zyn by ’t opgraven van al die historische byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de annalen van Wouter’s ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet—als de magazyn-kelder en ’t karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith—tot ver beneden de riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over ’n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te verstaan? O, zeker, ik hoor in m’n verbeelding reeds ’t verdrietig geroep vanPompejienHerculanum:berg, val weer op ons, herbesluier onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets ... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de heuchelyke verryzenis van Wouter’sagenda!Zóózal ’t wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige broodjes thans zoo’n eervolle plaats innemen in ’t muzeum te Napels, niet weten kon dat z’n bollen een zoo schitterende karrière maken zouden, was ook Wouter onbewust van ’t belang der byzonderheden die hy in z’n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z’n gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z’n geest verrykt had, er kwam toch ’n eind aan z’n opschryven. Hy begon zich te vervelen, en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z’n gemoed. De romantiek was—niet voor altoos, waarschynlyk—uitgeput, geknot, bedorven. Z’n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen, en de inspanning om zich met niets te bemoeiendan wat allernaast voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven nietigheden z’n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men ’t ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat ’n prachtig examen afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar z’n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z’n moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want hyzelf begon weer—en voor ’t eerst niet!—’n dergelyke meening te koesteren, als ’t koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen borst! Die m’nheer Wilkens was ’n dóórkundig man met grys haar en ’n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Watdieman hem zoo majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet begrypen waarop-i z’n inspanning moest toepassen? De pogingen om de moeilykheden van z’n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i misschien, om niet al te ver beneden z’n plicht te staan, terstond moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och, als m’nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i z’n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren!Men ziet dat de oorzaken van Wouter’s verdriet van ongewonen aard waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde, moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier ’t geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy ’t nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost om meester Pennewip—en z’n dame!—te voldoen, zou kinderspel wezen by de taak om ’n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich—vooral na de vermaningen van dien goeden dokter Holsma—met byzonderen yver aangegord. Geen “som” uit z’nStrabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten reeds, vatte hy alles wat men hem zei met ’n gemakkelykheid die hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Menwordt geen Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile—noch zelfs ’n behoorlyke m’nheer Wilkens!—zonder àndere draken verslagen te hebben dan men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé keepen ... zeker, begrypen is genot—en dit was vooral in Wouter het geval—maar juist hierom wantrouwde hy ’t genot dat hem ditmaal wat al te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z’n leermeesters met hun gryze haren, brillen,Buiten’sen eigen rytuig, beneden hem stonden, kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft: “wat ’n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel” en die vreest ’n domheid te zeggen door zoo’n ding te verklaren voor ’n zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien met het naastbyliggende, was hem op ’t hart gedrukt met ernst, en als iets belangryks ... waarin—dit zegiker by—Holsma volkomen gelyk had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter, doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit ’n aaneenschakeling van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder de nederigheid die hem eigen was, zoud-i—na ’n oefening van zeer weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren viel—zeer spoedig z’n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben geminacht. En zonder z’n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest met hun goedkeuring zyner vorderingen in ’t vlytig bestudeeren van niemendal. Wat Oxenstiern aan z’n zoon schreef over de onbeduidendheid der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle toepassing op ’n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd doen ’t wanstaltig huwelyk zyner ziel met ’n omgeving van zóó laag standpunt, inalleopzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen, en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: “ik benniets,want ik werd gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!” maar: “zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik bleef myzelf, en heb me totietsweten te maken.” Ik behoef hier immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die ’t kind aan deze vuurproef onderwierpen? ’t Was hùn doel waarachtig niet, onzen Wouter tot mensch te maken!Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte van z’n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den zolder ging—twee keepen: den twééden!—om te vegen, en op z’n gemak dat belangwekkende windas te bekyken?Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder’n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er, en wel in dienst!Zoo’n windas is ’n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter wist ze ’r uittehalen.—Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... defauteuil, twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles ... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan ’n gewonen takel, zou zemy’t zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf wentel dat groote rad ...Hy hoorde sloffen op de trap. ’t Was Gerrit, die eens kyken kwam wie er naar den zolder gegaan was.—Ah zoo! Ben jy ’t Pieterse. En wat doe je daar?—Ik ... veeg, zei Wouter.—Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen!—Maar m’nheer Wilkens heeft gezegd ...—Wullekes is ’n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat veeg je-n-al zoo?—De stof van de stapeltjes ...—Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg!—Gut!—Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje?—Hè!—Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de sleutels—want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek ben—toen begreep ik dat jy ’t was. Want er kon niemand anders op ’t kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in den komkommertyd zyn, en dat je zoo’n haast niet hoefde te maken met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog later komen, of misschien in ’t geheel niet. En de jongeheeren zyn uit ... om ’t mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk?—Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m’n plicht doen, m’n naastbyliggende plicht, weetje?—Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar ’ns zeggen, geen verstand van. Ik zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-’n jong borssie als jy zoo’n heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... ’t is wind en ’n engelschenotting!—Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest!—Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor denjongeheer Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller optewachten? Dat ’s ’n baantje voor jou, je zult het zien! ’t Zal je stuivers kosten voor ’n borrel! Want als je dàt niet doet, kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig omdroddebotte betalen ... vyf-en-twintig gulden in ’n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan blauwbekken in de kou ... als ’t winter is, meen ik. Zeg eens, heeft Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in alle saizoenen van ’t heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik styf van ’t rimmetiek. ’t Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je bent immers ook maar ’n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar, en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die er je voor dankt, jongen, en wie z’n eigen doodwerkt, wordt onder de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou!Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op ’t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten zolder geweest was. Want, zeid-i:—Dan sturen ze m’n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek ben ... kyk, m’n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet, dat zieje wel!Op ’t kantoor gekomen, sloeg de knecht ’n klein register op, waarin de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden.—Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er ’n smerig papiertjen in den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal wel gauw merken dat je-n-’n onnoozel bloedje bent, want ... je ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft z’n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met ’r prinsessen. Ze heeft ’reis in den Haag ’n prinses gezien, en daarvan praat ze-n-altyd. Allemaal wind en ’n engelschenotting. Die Wullekes ... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de keuken om m’n kommetje thee te drinken, ’t Zal wel koud wezen, maar ... ik moest toch ’reis even zien wie daar na ’t zolder liep. Jawel, hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan ’t openhalen van de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor ’n heel peloton ... ik ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht inannozooveel!En Gerrit vertrok. Z’n zonderlinge toespraken hadden dit goede,dat Wouter—zooals de lezer misschien—er niet veel van begreep, en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan wenschelyk was, verraste hem.Droddebot?Wat’s dàt voor ’n ding? En: ’n “smerig papiertje” dat hem ’n daalder zou kunnen kosten ... wat kon dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van z’n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m’nheer Wilkens om inlichting gevraagd, doch sedert z’n struikelen overMozes by ’t Doornboschdurfde Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan ’t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, dat hy ’t niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z’n lappen, en zweeg en mymerde, en betreurde z’n boeken op denZeedyk. Nog ’n beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van ’n beminnelyken beschermengel die wegzinkt in de nevelen van ’t verleden, en waarnaar de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt.Armoediger kon ’t met z’n zieltje niet geschapen staan, meent men?Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger.
Vita longa, ars brevis.Plebejervreugd over “gekochte kost.” Dekadentie vanHerkulanum en Pompeji. Wouter’sverdriet over z’n snel begrip. Parafraze vanGerritopTalleyrand’s “pas de zèle!”
Vita longa, ars brevis.Plebejervreugd over “gekochte kost.” Dekadentie vanHerkulanum en Pompeji. Wouter’sverdriet over z’n snel begrip. Parafraze vanGerritopTalleyrand’s “pas de zèle!”
Toen Wouter eindelyk met z’n afschriften gereed was, begon Wilkens hem toetespreken op ’n toon en in bewoordingen die niet volstrekt misplaatst zouden geweest zyn by ’n inwyding in de Eleuzinische geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter kreeg ’n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes moest afknippen naar ’n opgegeven maat en daarna op karton plakken, ’n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m’nheer Wilkens erkennen wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had uitgegaan te zyn van hemzelf.
—En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou aandringen op ’t klagen over Gerrit’s hardnekkig-styve rhumatiek.
Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien, waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte hem met ’n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat, houding, stembuiging, jazelfs ’t heen-en-weer schuiven van z’n bril, daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard voelde onder ’t gewicht van den nieuwen kursus.
—Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar radenMagazynte zeggen, want ’n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z’n uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid ’n hoofdzaak, en dus... magazyn!
—Magazyn, stamelde Wouter.
—Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen zyn... koopmansgoederen, en alles ligt—gelyk je ziet—op plankjes. Dit doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let daar wel op, en geef acht dat je nooit ’n stuk op den vloer legt... nooit ofte nimmer!
—Dat zal ik nooit doen, m’nheer!
—Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp je-n-immers wel?
—O ja, m’nheer!
—Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit Manchester. Kan je dit onthouden?
—Uit Manchester, in... Engeland, m’nheer!
—Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintigyards. Nu moet je weten hoe lang eenyardis. Onthoud dit wel: drieyardszyn vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt, zou je ’t kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets te leeren. Drieyardsmaken vier ellen, dit moet je goed onthouden.
Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z’n best zou doen alles goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet.
—De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts vier-en-twintigyardslang. Dit maakt dus ’n verschil. En de zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas...
Hier had-i byna gezegd “een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul is.” Maar hy bedacht zich:
...in den Elsas alzoo. Nu—let wel op!—die stukken hebben geen vaste maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo’n papiertje draagt de benaming van: etiket...e...ti...ket! Onthoud dit wel! En het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt:aunes. De lengte van het stuk in...aunes. Kan je dit onthouden?
—Aunes, m’nheer!
—Zeer wel!Aunesof fransche ellen, want... ’n fransche el noemt men:aune. Elf van dieaunesmaken zestien ellen. Ook dit moet je trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel, moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel?
—Ja, m’nheer!
—Anders moet je ’t opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige vegers... je ziet ze wel?
—Ja! m’nheer!
—Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op ligt. Er is hier in den kelder—zeg jy maar altydmagazyn—altyd iets te doen, vooral voor ’n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó veeg je!
En de leeraar streek met ’n stoffer ’n paar maal over ’n stapeltje om Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling nu op-eens “den handel” weer wat minder moeielyk begon te vinden.
—Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want ’n jong-mensch...
—Ja, m’nheer!
—En nooit ’n stuk kreukelen...
—Neen, m’nheer!
—Of in ’n verkeerden plooi leggen...
—Neen, m’nheer!
—Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd wat te doen voor ’n jong-mensch.
Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van ’t huis waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk indiemetenshirting, waarin Wilkens “zoo byzonder knap” was. Hy weigerde evenwel iets van z’n uitstekende bekwaamheid in dit “vak” aan Wouter overtedoen. Dit kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in ’n paar uur sprekens. Dat het hem op z’n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als ’n zeer byzonder geval beschouwen. Hy had van der jeugd af “aanleg gehad voor witte goederen”, maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten ’t nooit zoo ver.
Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo’n honger gehad had. Toch maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dàt was alzoo de mekaniek die Flip de kruier—en de jongeheer Pompile... met heel veel kussens—wilde toepassen op de verhuizing van de dikke mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die door ’t straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die het touw hield waarmee men ’t groote rad in beweging bracht, en dat de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men zou lust krygen met zoo’n ding de dikste mevrouw van de wereld het venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo’n exercitie beleven zou, en vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo’nprouessezonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties waarvan hy ooit gelezen had, maar...
—En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt niet! ’n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier, op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep:eerstezolder, twee keepen:tweedezolder... onthoud dit wel!
—Ja, m’nheer!
—En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is,dan gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen goederen van ’t voorjaar. Tracht dit te onthouden.
—Ja, m’nheer!
De fameuze “zaal” werd nu voor Wouter’s blikken ontsloten. Het was een niet zeer groote kamer die er met al haar “hoezen” uitzag als ’n blindeman of ’n hospitaalgast. Zelfs ’t vloertapyt was tegen onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door ’n grof-linnen kleed. En ook vanMozes by ’t Doornboschwas niets te zien dan ’n bleek vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ...
—Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen te zien maar om te werken! ’n Jong-mensch moet zich door niets laten aftrekken van z’n werk! Leer dit van my.
—Ja, m’nheer!
—Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op ’t kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te doen is—want ’n jong-mensch moet nooit ledig zyn!—dan ... veeg je hier ’t stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht ... alles altyd op z’n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar ’t kantoor. Ik zal eens met m’nheer spreken over de uren van je gaan en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten zich daaraan wennen.
Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende “zoo tegen drieën eventjes naar huis zou gaan om te eten.” En zie—goddank!—’t wàs byna drie uur, want Dieper sloot z’n boeken, en trok z’n jas aan “voor de beurs.”
Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z’n schreden huiswaarts, ’t Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i z’n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van ’t huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit ’n wereld die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó, als de moeielykheid van ’t binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs.
—Zieje wel, dat’s wat ànders dan by zoo’n slechten kerel op den Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet op-eens naar Amerika gaan met ’n andermans geld! En ... ’nzaal, zegje? En ... ’nBuiten?En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet, maar ’t is toch ’n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die ’n zaal in hun huis hebben, en ’n buitenplaats, en eigen rytuig! Als jenugoed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg jy, Stoffel?
—Ja, moeder.
—Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: ’n mensch is sterfelyk. En die oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter?
—Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m’nheer Wilkens ook zoowat.
—Zieje! Ik zeg dat ’n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is ... wat zeg jy Stoffel?
—Zeker, moeder.
—Als zoo’n boekhouder nu eens ... sterft—want alle menschen zyn sterfelyk, niet waar?—dan zou Wouter best ... denk eens, Trui?
—Ja, moeder, waarom niet?
—En die m’nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder kunnen worden, of ... m’nheer Willekes?
—Né, moeder. Uwe meent ...
—Nu ja, wie kan altyd zoo op z’n woorden letten! Ik meen maar dat z’n kost gekocht is. Wat kan ’n mensch meer verlangen? En dat zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens onder je bedstee, Stoffel, daar staat ’n mand met ouwe prullen, en je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. ’t Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z’n kost is gekocht ... dàt wil ik maar zeggen! Je mag nu wel ’ns gauw naar m’nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je ’t vinden, als je-n-eens ’n vers maakte op z’n verjaardag?
Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z’n moeder onder ’t oog dat m’nheer Calb waarschynlyk, als “man van zaken” ’n hekel aan verzen hebben zou, en dat ’n stoffelyk bewys van erkentelykheid ... ’n anker wyn, of ’n vaatje boter ...
—Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je m’nheer Calb ’n vaatje boter zendt, of ’n anker wyn ...
—Gut, moeder!
—Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen zyn sterfelyk, en als die m’nheer Dieper zoo klaagt over zinkings ... jongen, je kost is gekocht!
Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter’s week gemoed biologeeren tot ingenomenheid met z’n nieuwen werkkring. De niet zeer aangename indrukken die hyzelf had opgevangen—zonder ze evenwel te durven verheffen tot meening—werden uitgewischt of overpleisterd door ’t waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat er iets van den eerbied dien men z’n “patronen” toedroeg afstraalde op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z’n moeder vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z’n aardappelen hebben wou, want:
—Denk eens, Trui, ze hebben ’n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu wat dóór, en ga ’r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... ’n eigenBuiten!
Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver te verslikken. ’t Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer ’n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en ’n oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op ’t kantoor. Buiten den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad onder Stoffel’s bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot gedeelte van z’n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd kunnen te weten komen hoe lang in Wouter’s eeuw ’n stuk engelsch katoen van acht-en-twintigyardswas. En waar dePleierswoonden, en deKruckersen deHockers,en de juffrouw die borduurpatroontjes verkocht. En hoe ’tBuitenheette van m’nheer Kopperlith. En aan welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z’n eigen achterkleinzoon te wezen, om tegenwoordig te zyn by ’t opgraven van al die historische byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de annalen van Wouter’s ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet—als de magazyn-kelder en ’t karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith—tot ver beneden de riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over ’n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te verstaan? O, zeker, ik hoor in m’n verbeelding reeds ’t verdrietig geroep vanPompejienHerculanum:berg, val weer op ons, herbesluier onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets ... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de heuchelyke verryzenis van Wouter’sagenda!
Zóózal ’t wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige broodjes thans zoo’n eervolle plaats innemen in ’t muzeum te Napels, niet weten kon dat z’n bollen een zoo schitterende karrière maken zouden, was ook Wouter onbewust van ’t belang der byzonderheden die hy in z’n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z’n gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z’n geest verrykt had, er kwam toch ’n eind aan z’n opschryven. Hy begon zich te vervelen, en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z’n gemoed. De romantiek was—niet voor altoos, waarschynlyk—uitgeput, geknot, bedorven. Z’n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen, en de inspanning om zich met niets te bemoeiendan wat allernaast voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven nietigheden z’n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men ’t ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat ’n prachtig examen afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar z’n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z’n moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want hyzelf begon weer—en voor ’t eerst niet!—’n dergelyke meening te koesteren, als ’t koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen borst! Die m’nheer Wilkens was ’n dóórkundig man met grys haar en ’n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Watdieman hem zoo majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet begrypen waarop-i z’n inspanning moest toepassen? De pogingen om de moeilykheden van z’n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i misschien, om niet al te ver beneden z’n plicht te staan, terstond moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och, als m’nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i z’n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren!
Men ziet dat de oorzaken van Wouter’s verdriet van ongewonen aard waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde, moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier ’t geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy ’t nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost om meester Pennewip—en z’n dame!—te voldoen, zou kinderspel wezen by de taak om ’n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich—vooral na de vermaningen van dien goeden dokter Holsma—met byzonderen yver aangegord. Geen “som” uit z’nStrabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten reeds, vatte hy alles wat men hem zei met ’n gemakkelykheid die hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Menwordt geen Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile—noch zelfs ’n behoorlyke m’nheer Wilkens!—zonder àndere draken verslagen te hebben dan men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé keepen ... zeker, begrypen is genot—en dit was vooral in Wouter het geval—maar juist hierom wantrouwde hy ’t genot dat hem ditmaal wat al te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z’n leermeesters met hun gryze haren, brillen,Buiten’sen eigen rytuig, beneden hem stonden, kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft: “wat ’n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel” en die vreest ’n domheid te zeggen door zoo’n ding te verklaren voor ’n zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien met het naastbyliggende, was hem op ’t hart gedrukt met ernst, en als iets belangryks ... waarin—dit zegiker by—Holsma volkomen gelyk had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter, doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit ’n aaneenschakeling van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder de nederigheid die hem eigen was, zoud-i—na ’n oefening van zeer weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren viel—zeer spoedig z’n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben geminacht. En zonder z’n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest met hun goedkeuring zyner vorderingen in ’t vlytig bestudeeren van niemendal. Wat Oxenstiern aan z’n zoon schreef over de onbeduidendheid der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle toepassing op ’n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd doen ’t wanstaltig huwelyk zyner ziel met ’n omgeving van zóó laag standpunt, inalleopzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen, en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: “ik benniets,want ik werd gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!” maar: “zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik bleef myzelf, en heb me totietsweten te maken.” Ik behoef hier immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die ’t kind aan deze vuurproef onderwierpen? ’t Was hùn doel waarachtig niet, onzen Wouter tot mensch te maken!
Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte van z’n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den zolder ging—twee keepen: den twééden!—om te vegen, en op z’n gemak dat belangwekkende windas te bekyken?
Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder’n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er, en wel in dienst!
Zoo’n windas is ’n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter wist ze ’r uittehalen.
—Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... defauteuil, twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles ... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan ’n gewonen takel, zou zemy’t zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf wentel dat groote rad ...
Hy hoorde sloffen op de trap. ’t Was Gerrit, die eens kyken kwam wie er naar den zolder gegaan was.
—Ah zoo! Ben jy ’t Pieterse. En wat doe je daar?
—Ik ... veeg, zei Wouter.
—Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen!
—Maar m’nheer Wilkens heeft gezegd ...
—Wullekes is ’n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat veeg je-n-al zoo?
—De stof van de stapeltjes ...
—Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg!
—Gut!
—Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje?
—Hè!
—Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de sleutels—want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek ben—toen begreep ik dat jy ’t was. Want er kon niemand anders op ’t kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in den komkommertyd zyn, en dat je zoo’n haast niet hoefde te maken met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog later komen, of misschien in ’t geheel niet. En de jongeheeren zyn uit ... om ’t mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk?
—Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m’n plicht doen, m’n naastbyliggende plicht, weetje?
—Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar ’ns zeggen, geen verstand van. Ik zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-’n jong borssie als jy zoo’n heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... ’t is wind en ’n engelschenotting!
—Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest!
—Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor denjongeheer Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller optewachten? Dat ’s ’n baantje voor jou, je zult het zien! ’t Zal je stuivers kosten voor ’n borrel! Want als je dàt niet doet, kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig omdroddebotte betalen ... vyf-en-twintig gulden in ’n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan blauwbekken in de kou ... als ’t winter is, meen ik. Zeg eens, heeft Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in alle saizoenen van ’t heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik styf van ’t rimmetiek. ’t Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je bent immers ook maar ’n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar, en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die er je voor dankt, jongen, en wie z’n eigen doodwerkt, wordt onder de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou!
Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op ’t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten zolder geweest was. Want, zeid-i:
—Dan sturen ze m’n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek ben ... kyk, m’n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet, dat zieje wel!
Op ’t kantoor gekomen, sloeg de knecht ’n klein register op, waarin de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden.
—Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er ’n smerig papiertjen in den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal wel gauw merken dat je-n-’n onnoozel bloedje bent, want ... je ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft z’n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met ’r prinsessen. Ze heeft ’reis in den Haag ’n prinses gezien, en daarvan praat ze-n-altyd. Allemaal wind en ’n engelschenotting. Die Wullekes ... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de keuken om m’n kommetje thee te drinken, ’t Zal wel koud wezen, maar ... ik moest toch ’reis even zien wie daar na ’t zolder liep. Jawel, hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan ’t openhalen van de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor ’n heel peloton ... ik ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht inannozooveel!
En Gerrit vertrok. Z’n zonderlinge toespraken hadden dit goede,dat Wouter—zooals de lezer misschien—er niet veel van begreep, en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan wenschelyk was, verraste hem.Droddebot?Wat’s dàt voor ’n ding? En: ’n “smerig papiertje” dat hem ’n daalder zou kunnen kosten ... wat kon dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van z’n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m’nheer Wilkens om inlichting gevraagd, doch sedert z’n struikelen overMozes by ’t Doornboschdurfde Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan ’t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, dat hy ’t niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z’n lappen, en zweeg en mymerde, en betreurde z’n boeken op denZeedyk. Nog ’n beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van ’n beminnelyken beschermengel die wegzinkt in de nevelen van ’t verleden, en waarnaar de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt.
Armoediger kon ’t met z’n zieltje niet geschapen staan, meent men?
Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger.