Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke barbier en ’n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over vergankelykheid.Champollion.Handel! Onverwachte verandering van ’n geminacht briefje in wichtige dukatons.Of ’t veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z’n rhumatiek, zou ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit ’n eigenaardige manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken.Droddebot, byv. beteekende:droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als het recht om de brieven te doen afhalen van ’t postkantoor. De briefbestellery liet in Wouter’s tyd veel te wenschen over, en veel kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur en ’t gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de post meermalen daags aankomt. In Wouter’s tyd, en lang daarna nog, werd de zoogenaamde “fransche, duitsche en engelsche post” slechts twee keeren ’s weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor de kantoren diedroit de boîtehadden, behoorde natuurlyk tot de funktien van de “jongste-bedienden” ’n soort van loopjongetjes die in twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op ’n ambacht: ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten ’t misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van ’n volwassen persoon konden uitwinnen.Zoodra zulke jongeluî begonnen aanspraken te gronden op ’t verouderen van hun doopceel, gaf men hun den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem.Wat nu overigens dat fameuzedroit de boîteaangaat, er waren ook handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van ’n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo’n kereltje moest in de nabyheid van ’t postkantoor den besteller afwachten, en hem overhalen om de voor “m’nheer” of “de heeren” aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg hiervan was dat zich elken ochtend ’n klubjen onrype jongeheertjes naby ’t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was ’t vereenigingspunt in decourder inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in geenstadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch leelyker dan in die van halfwassen jongeling, ’n leeftyd die door de eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als ’n wezenlyk mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken.Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en zoons. En misschien wisten zy ’t. Maar dit belette niet dat Wouter, toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van m’nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op ’t kantoor kwam, zich aantemelden by m’nheer Pompile “die hem zou onderrichten in z’n verplichtingen omtrent de post.”—Zieje wel, Stoffel, riep z’n moeder, ze hebben allerlei voor hem te doen! Net zooals de dokter zei: ’n jong-mensch moet veel werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die m’nheer ... hoe heet-i ook?—M’nheer Pompile, moeder.—Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef?—Ik zal ’t wel onthouden, moeder.—Schryf ’t liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb ’t je dáárvoor gegeven, jongen!Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur scheldeWouter aan ’t huis met spiegelglas. De meid zei dat m’nheer nog niet op was, en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie myner lezers weet hoe lang ’n minuut is? Nu, dàt wist de friesche klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z’n tik ... tik, en om de zooveel tikjes ’n zwaarder tik! Dan versprong de groote wyzer als met ’n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding zette de sekondeslinger z’n eentonige reis voort: aktie, reaktie, tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En ’t ding stond op vier zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: hy rustte niet. Men begrypt dat z’n naast-byliggende plicht niet toeliet tegen den wand te leunen in ’t huis van z’n patroon. Z’n enkels, knieën, heupen en ruggegraat ...Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z’n leden. Geen Demosthenes kon ’t juister uitdrukken.Er werd gescheld. Met z’n gewone zucht om te helpen opende Wouter de deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen, bedankte hem in ’t minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar verzekering dat ze geen schuurzand noodig had—want het was ’n trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde—en dit verschafte hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou.Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over ’t weer, en Sientje was van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over z’n melk, waarop de man iets antwoordde. ’t Onderhoud was ... zeer onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer.Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd te wachten tot “m’nheer òp zou zyn.”—Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m’n andere klanten niet laten wachten op één van ’n stooter in de week!En hy ging. Wat ’n brutale barbier! Zeker, ’t was afkeurenswaardig, ’t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op de verzuchting:—Och, misschien zou ’t beter voor me zyn, barbier te worden dan in den handel te blyven.De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk overgaf, vernam-i schreden van iemand die in ’t achtereind van de gang de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile toch. Hy vertoonde zich in z’n kamerjapon, en werd Wouter gewaar.—Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet zoo goed wezen ... even te wachten.M’nheer Pompile verdween in desuite, en de klok was weer aan ’t woord.Had Wouter maar niet zoo’n pyn in z’n lenden gehad, hy zou wel in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op ’t kanevas van dat eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in ’t aan-eenknoopen van z’n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos, ’t Was om neertevallen.Na slechts drie-kwartier kwam m’nheer Pompile weer tevoorschyn uit desuite, waar-i ontbeten had. In ’t voorbygaan droeg hy Wouter op, de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden ... tik, tik!Alweer ’n afleiding. De meid scheen in desuitegeroepen, want ze kwam haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag ’n kanarievogeltje zou gebracht worden, en:—Als ’t komt, Sientje, breng ’t vooral terstond binnen!Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot ’n rudiment van weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid op z’n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg, het duurzaamst blyken zouden. M’nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo goed moeten wezen te sterven. Ook zoo’n kanarievogel leeft maar kort, en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z’n kooitje. Het beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid leerde ontberen, die hy nu nog—ter-loops, maar gretig toch—opving van ’n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m’nheer Pompile’s baard gevaar liep ’n dag langer te zyn dan anders te verwachten is van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk bedroeg de “stooter” waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile.Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds leven er gedachten van Wouter ...aere perenniores!’t is mogelyk dat die klok nog altyd hier-of-daar z’n tikkende loopbaan voortzet, en dat er nog altyd ’n huis staat met vensters van spiegelglas, op de Leliegracht—deftige zy, héél deftige zy—maar wat beteekent dit in vergelyking met ’n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van ’n mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar de gelukzaligheid staat te benyden van ’n opgesloten vogeltje dat terstond mocht binnenkomen als ’t zich aanmeldde. Toch gis ik dat Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te zeer bezig-gehouden door ’t spit in den rug.Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd ongekleed.—Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw ’n barbier voor me te halen.Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze vervulde z’n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z’n vorig domicilie op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei:—Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik!De installatie by ’t postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid, maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield.—Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, alle morgens! En dan houd je ’t postkantoor in ’t oog. En als ze dan uitkomen—de bestellers, weetje?—dan let je goed op. En je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor ’t kantoor, want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en als ze je-n-’n fooi vragen, of ’n borrel—want dit doen ze ... gemeen volk!—dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En ’n fooi? “Met nieuwejaar” kan je wel zeggen, maar zeg niet dat ik ’t gezegd heb, want dan verwachten ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z’n dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister ’n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen!Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m’nheer Pompile stond op ’n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets aangekomen voor ’t huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der provincien scheen behoefte te hebben aan ’n krieuweltje. Wouter kwam zegevierend met den brief aanloopen op ’t kantoor waar-i ’t eerwaardig sanhedrin van z’n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend die, na ’t overseinen van Wouter’s geloofsbrieven, zich gehaast had de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei met die brieven medeplichtig beschaduwde.Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot “net werken” aan ’t kopieeren gezet van ’n paar brieven. De jongeheer Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. ’t Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheidvereenvoudigd door ’t vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door ’t hoofd gegaan, en de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om “uwe zoo byzonder vereerde firma” hiernevens ’n paar stalen aantebieden van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de—nog altyd eenigszins geachte—vriend verloor uit het oog dat de pryzenà comptantwaren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier: binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz.Wouter bewonderde de bekwaamheid van z’n chef, die zoo precies wist hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was ’t kopieeren van die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan ’t plakken van z’n stalen gezet.—En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van ’t woord laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens.Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens keek ontsteld op.—M’nheer!—Ja, denk je niet? Me dunkt dat ...—Maar ... m’nheer!Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren, de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn.—Maar, m’nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig zyn!—Hé, dacht je dàt?—M’nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by de zaken was, voor men my de letters van ’t woord wees! Men moet jonge-menschen niet over ’t paard ligten, m’nheer! De verwaandheid komt er gauw genoeg in, m’nheer!—Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht, weetje?Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval zou z’n ligtzinnigheid—als-i niet bekleed ware geweest met den rang van patroon—onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m’nheer Wilkens. De lezer zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om ’t vertrouwen waard te zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m’nheer Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens ’t lichtzou vertoond hebben dat den tabernakel van ’t kantoor omluisterde. Maar de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor Wouter-zelf ’t bewustzyn van z’n voorloopige uitsluiting terdeeg geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters te heilig werden beschouwd voor z’n nuchter verstand, onbeproefde eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen, waarover hy ’n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot het verpletterend antwoord:—Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens na, als je-n-’n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer!Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, door ’n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige letters. Daar hy—uit voorzichtigheid of konscientie—’t aldus weldra gevonden heiligwoord niet in z’n zakboek heeft opgeschreven, kan ik het den lezer niet meedeelen. Met Pompile’s baard en vensterglas, met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie onopstandelyk ten-grave gedaald, ’n gaping in myn verhaal waarvoor ik verschooning vraag.By ’t schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging tegen ’n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in ’t schetsen van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z’n onbekwaamheid in ’t nateekenen, in ’tverkeerdevan de voorstelling, niet inoverdryving. Dat er onder ’t half-dozyn personen waarmee Wouter hier in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven ’t àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen aan wie de Maatschappy niet tot ’n onderwerp van studie gemaakt heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de bekende spreuk:que le vrai peut quelquefois n’être pas vraisemblable, om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze, wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds te staan. En ... by dit alles, die koddige trots!Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille van z’n onderhoud zich moet tevreden stellen met ’n kostwinning, die òf geen punten van aanraking oplevert met z’n gemoed, of zelfs lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar, in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is, en stel dus niet de vraag of, byv. ’n gevoelig mensch ’n degelyk vleeschhouwer of scherprechter wezen kan—misschien wel!—doch wáár blyft het dat iemand dieongenoodzaaktz’n levensonderhoud zoekt in grove of nietige bedryven, blyk geeft van ’n laag standpunt.Wat dan te zeggen van ’t ras derkoprolithen, dat geheelvrywilligverstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i ’n onnoozelen “buitenman” die ’n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: “dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze ’t om den broode niet hoefden te doen” toch hadden de jonge-lieden ’n anderen werkkring kunnen kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen, en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en kennis was goed voor anderen wier papa niet “zoo byzonder ryk” was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen, ’n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus wel degelyk behoefte aan ’n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe was slechts ’n klein gedeelte noodig van ’t beschikbaar kapitaal dat hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben kunnen dryven. Tot dit “opruimen” echter—waarop Dieper soms bescheiden en rente-berekenend aandrong—waren ze niet te bewegen. Meenden zy misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets anders. Ze meenden niets.De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote toe. Tweemalen ’s jaars bestelde men “op staal” eenige duizende stukken gedrukte katoenen. De by ’t kiezen te-pas gebrachte wysheid overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dathynooit, nooit, nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan ’n slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op ’n troon. De verhandelingen die hy hield over ’t gewicht en de strekking van ’n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik heb reeds gewezen op de rechters die in ’t laatste ressort over de vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy ’t zeer vreemd hebben gevondenindien men boerinnen of dienstmeiden zitting en stem had verleend in ’t koncilie dat hy prezideerde. En ... de hoogheid tegen zoo’n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is ’t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo’n ongelukkig wezen werd drie, vier keeren weggezonden, voor ’t m’nheer Wilkens en den jongeheer Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds groote bestellingen gedaan had aan andere “huizen.” Dat de markt slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk toegelaten, en de zitting nam ’n aanvang. Eugène, wiens woorden duur waren, stelde zich ’t minst bespottelyk aan. De beide anderen wedyverden in zotteklap, en decommis-voyageurbeantwoordde elke op- of aanmerking met ’n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn beurt z’n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en trekschuiten of aan detable-d’hôtemet woeker in. Daar publiceerde hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad te hebben, en ging by z’n kameraden onder verband van wederkeerigheid, voor ’n wezenlyken heer door.By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der werkzaamheden op ’t kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in hollandsch geld. Deze berekening was zeer in ’t byzonder de taak van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond Pompile die kunst! By verkoop legde men ’n procent of vyftien op den inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op ’t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende winkeliers na. Ook in dit gedeelte van ’t “vak” was Pompile een eerste meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz.Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen verzadigd. Zelfs ’t boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer te-boven. Z’n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn iets! Een van z’n hoofdbekwaamheden bestond in ’n byna onbedriegbare kennis der geldsoorten, en z’n “worpen” by het tellen waren monumenten van regelmatigheid. Het was jammer de zest’halven by-een te stryken, die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren verzen, waarlyk! En dan ’t nog altyd respectabel overschot van z’n handigheid in ’t pakken ... wel te verstaan, als ’t hem gelegen kwam niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde erkennen—en er bestondreden tot vooroordeel—dat Wouter hem hierin met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te zien krygen.Tweemalen ’s jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te veroordeelen, die ’t ongeluk hadden van zyn welwillendheid en zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege bestraft in z’n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs toegang vragen—de door Moore bezongen paradys-peri!—om doortedringen tot het achterkamertjen in ’n lappenwinkel. Een andermaal liet men hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat ’n snibbig winkelmeisje—de “m’nheer Wilkens”loci—over hem zou gelieven te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z’n wasdoeken staalpak onder den arm—en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach op ’t gelaat—uren lang op de stoep in den regen te wachten: “omdat-i in den winkel de klanten in den weg stond.” Het spreekt vanzelf dat deze handels-liefkozing beantwoord werd met ’n allerbeleefdst:—Met pleizier, juffrouw!Van één hoedanigheid die dencommis-voyageurkenmerkt, moet ik Wilkens finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit ’n almanak. Het schynt dat z’n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z’n officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy zich tot het uitpluizen van ’n zeer interessant bankroet, waaruit hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z’n patroon ’n heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren ontvingen. Over ’t verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i, maar als ’t noodig was zou hy ’t nog altyd kunnen laten zien. En wie dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z’n tweede strydpaard aan ’t dessert, was de roerende levensgeschiedenis van drie stukken-bielefeldsch linnen die door ’n onkundige waren aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld ’n proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens—“want, heeren, dàt is nu eigenlyk m’n vak!”—als expert of arbiter de zaak tot ’n vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid meedeelden aan z’n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er zeer spaarzaam mede, want: “er zynreizigersen ...reizigers, zeide hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om ’n goed diskoers te waardeeren.”—En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in den Jodenhoek? ’t Is ’n smeerig papiertje, jongeheer!—Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je ’t niet aan papa? Die Gerrit ...—Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ...—Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!En met z’n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan.—Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?Wouter’s gelaat helderde op by de gedachte dathyiets kunnen zou.—’t Is zeer gevaarlyk, m’nheer, zei Wilkens.—Aan den kassier durf ik ’t briefje niet geven, klaagde Dieper. ’t Is te smeerig! M’nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der direkteuren van de Kas ontmoet inDoctrina. En, zegt m’nheer, het stáát niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer!Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante uitdrukking niet begrypen. Een “smeerigpapiertjen” is ’n accept van iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo’n man moge solide zyn, eerlyk, trouw aan z’n woord, het helpt niet. De door hem geteekende stukken zyn “smeerige papiertjes” en dezulken waren er dikwyls onder de remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van wien hier sprake was, woonde in ’n dwarsstraat van ’n dwarsgracht in den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen, klaagde dat-i “by dien kerel” al z’n muntkennis noodig had om niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in ’n donkere achterkamer waar ’n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht was: ’n hol, zei Gerrit. En ’n behoorlyke tafel om geld te tellen, was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was vol reten en gaten, en wanneer men ’t in-weerwil hiervan beproefde, liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen heen. Kortom, de woning van dien jood was ’n tuin der Hesperiden waar weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En: “hierop legt de kerel het toe!” zei Gerrit.Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat “smeerige” briefje.—Zie je, Dieper, ’t is nuttig voor hem dat-i alles leert.—Zeker, jongeheer, maar ...—En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i alles leeren moet.De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z’n voorstel deed aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen Wouter ’n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er ’n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z’n eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die Wouter’s onbedrevenheid konden na zich slepen—en die met wat overleg wel op “huishouden” konden gewenteld worden—zou hy slechts deelen voor ’n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer brengen om verlost te raken van ’n knecht die hem als kleinen jongen gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in dechronique scandaleusevan z’n jeugd. Héél skandaleusnoem ik die kroniek alweer niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan z’n afwykingen van ’t pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met ’n paar zest’halven. Alle waar is naar z’n geld, tot de uitspattinkjes van zekere lieden toe.Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving ’t smeerige papiertje dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met ingespannen zorg in z’n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem ’n geldzak mee, en veel vermaningen om—in zeer letterlyken zin—goed op z’n tellen te passen.Binnen ’t uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op ’n weinig buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als ’n byzonderheid door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo te zien kreeg en dan ... “van zoo’n smeerigen jood!” Het ging z’n begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel, wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in ’n volgend hoofdstuk meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith ’n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk keeren wy ’t met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor ’t kiezen hebben.Mynnaastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de Dieren verbindt.Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, Staathuishoudkunde enPetite Voirieuit den voortyd. Nieuw blyk der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van de beloofde dukatons, den lezer afscheept met ’n bespiegeling over gebrek aan Israëlitische kontroverse.De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen ging om zich te verfrisschen door ’n bad in ’t gemeene ... of wat voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren Ouwetyd & Kopperlith, al zy ’t dan dat we ons te reinigen hebben van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze onthouding van prinselyke excentriciteit is temeer gepast, omdat het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, of misschien in Juli, maar zeker lang voor ’t najaar. Het is den lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, verbuitende stad. In zekere toekomstige kritiek op m’n werk meen ik te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens te wyzen op m’n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied voorstelt, heeft ’n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z’n zaak zyn, en zóó vast staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan ’t onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... ’n evangelist. Ziedaar de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn boodschappen—bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn het toch!—behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe zou hetGeloofdienen, als ’n profeet, by al z’n andere plichten, zich nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om ’s hemels-wil, lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid—wat ik in ’t voorbygaan bewyzen wilde—heeft de schrandere lezer reeds lang kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel iets anders nog begaan dan guitenstukjes of ’n buitensporigheid, ze had iets onmogelyks verricht: ’n wonder! En zóóver had Wouter ’t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder ’t gewone, en had al z’n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder z’n overspannen plichtsbesef.Met ’n gewicht alsof ’t heele bedrag van ’t geaccepteerd wisseltjen in kopergeld aan z’n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z’n eer toevertrouwd pand rustte, en hield z’n rechtervuistje gebald om den eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, ’t had ’n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was!Glorioso, met al z’n makkers en in z’n besten tyd—vóór die verlammende liefde namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige landmeisjes—Gloriosozelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, staatmakende op dehartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat ... nu,Gloriosowas er niet, en de marteling van ’t konflikt tusschen zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van ’n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, en ... met ’n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen ’n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held ’n papiertje dat hem door z’n lastgevers was toevertrouwd!Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit z’n handen te geven: “voor-i geld zag.” En ... niet te kwiteeren: “voor-i dat geld hàd!” Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet niet waarom. Het was de gewoonte, en ’n gewoonte die hem verrukkelyk voorkwam: “ont...van...gen... Wou...ter ... Pie...ter...se.” Zóó zou er staan in z’n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter’s verbeelding, gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op ’n toekomst die zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy z’n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z’n punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat—tot nader order!—op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z’n gedachten maakte hy kant en klaar de krul gereed, waar-mede-i z’n handteekening bekrachtigen en sieren wilde, ’t Zou ’n slang wezen, zich slingerend om en door de spylen van ’n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in drie stippen, netjes in gelid tusschen ’n paar evenwydige lyntjes, en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het uitvaardigen van ’n manifest, waarby al de ongekroonde autografen die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in rechten noch in posthume heldenvereering.Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen!Eén, twee, drie, vier... dit zou wel gaan. ’t Bleef echter de vraag wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... depietjes?Dedertiend’halven?Deschellingen?Dezest’halven?Of—erger nog!—al die muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd& Kopperlith, en op dit oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van ’n groote som gelds. Dit was z’n naastbyliggende plicht, en hieraan slechts had hy dus te denken.Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo byzonder sterk doen gelyken op ’n verstoord mierennest. ’t Verschil ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken moet om wys te worden. Wouter had moeite z’n weg te vinden. Van bespiegelingen over ’t zonderling huishouden in de open lucht, dat daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak zyn. In z’n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al ’t onschoone dat hy te zien kreeg, als om belang te stellen in ’t karakteristieke van die leelykheid. Z’n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem ’n plaats aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue van dertigduizend man linie—zou ze in vertrouwen gezegd hebben—met vierd’halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche oudheden.1Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die—altyd toch met het eigenaardig voorkomen van lieden dieen voisinuit zyn—zich verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in die buurt—interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!—nog altyd zag men daar de orde of wanorde van ’n volksstam, zwervend in de woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor ’t zand der heide—want alsheivertoonen zich die zandzeeën—vergenoegden zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten te bewonen—vuistslagen in ’t gezicht der beschaving... in Wouter’s tyd!—waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens onvoorwaardelyk. Zoodra ’t zomerweer de begoocheling toeliet of aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken bevond, nam het zonderling volkje dit op als ’n sein dat de tyd weer was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot vóórkanaänschezeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van ’t etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, d.i. handelgedreven. Daarleefden zy.Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z’n hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z’n oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge markt de koopers waren bleef ’n mysterie. Kochten die straatkramers van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste spykers? Zoo ja, watatenze? Of liever, welke produktie leverde het excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- en vierdag?Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan zeker is het toeteschryven dat in Wouter’s tyd niemand zich de vraag voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden “rei” en “kraam” zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op ’n oud stuk zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman z’n goederen niet—neem er ’n voorbeeld aan, opgeblazenkropolithenvan de Keizersgracht!—hy noemde zich: handelaar in oud roest. De man beweerde niet,yzerte verkoopen, hy verkochtroestvan yzer. En zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze koopman. Hy nam den naam aan van de waren “waarin-i deed” en vond er niets vreemds in, wanneer menhemzelfaansprak als de hoogbejaardeoxydevan ’n voormaligen spyker: hyheetteOud-roest. Kan ’t nederiger?Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie protesteerend door ’n beroep op de klassieke beteekenis van hun naam... en ook wel ’n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, ’n jaar of zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer...Niobeesen weezen. Daar lagen eenzame pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandeloozezagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze eigenaardigheid gebonden door ’n artikel in de patentwet, volgens ’twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En nu sprak ik nog slechts van de dingen die ’n naam gehad hebben, of misschien eenmaal ’n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar ’n oogenblik stil voor de uitstalling van denOud-roestalleen. Het beschryven van ’t overig deel der “markt” gaat m’n talent nog verder te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar koopen—maar wie toch kocht er iets?—daar waren te bekomen: zure augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes in vieren of zessen geknipt, omen détailte worden aan-den-man gebracht voor ’t mogelyk geval dat ’n heel land of werelddeel de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen ’ntumulusvan zuurkool en ’ntropeevan hoeven en horens. Ginds stond ’n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig en voor niemand te gebruiken, wat toch ’t geval niet kan zyn, want dat volkjeleefdevan den handel in die prullen, en:ab esse ad posse valet illatio.2Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar hoe zou ’t wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het “nil humani alienum” moge dan al niet juist in wysgeerigen zin ’n artikel in hun dagelykschen kathechismuswezen, toch is dat woord op hen van volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, ook zielkundig gesproken, het zou ’n ongerymd waagstuk zyn, hun de aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de “deftige klasse.” Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze weten—zoo goed als anderen toch, en waaromniet?—wat liefde is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo’nOud-roesten in het oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met “zuur.” Vygen verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft gespietst op stokjes. Zoo’n stokje koopt de jeugd voor ’n duit. De winst is groot, want de heele ceroen is ’n onvrywillig geschenk van den kruidenier die ’t ding z’n winkel uitwierp, omdat de suiker na twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de jeugd die speetjes koopt.Als!want—en ziehier de oorzaak van m’n staathuishoudkundige bekommering—vanwaar komt die duit? De vaders en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen- en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaoschepienders.3Moet het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst—en wel boven ’t strikt-noodige voor levensonderhoud—òververdiend zyn op hun eigen waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokkenklapper, hoeveel van die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellenzynkroost op háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moetzyhebben gesleten aanzynkinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den koopprys van zynpiendersvoldoen? O diepte der verborgenheid, beide der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek!41De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over “echt-vaderlandsche” krantenschryvers en de burgervadery in Wouter’s tyd. (In I. 1223.)2= de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat het zoo is, moet het ook kunnen.3Pienders = pinda’s of apenootjes.4M. besluit ’t hoofdstuk met “’n bespiegeling over gebrek aan israëlitische kontroverse”; hy constateert, dat de Joden niet meer van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert er zich over, dat hun rabbi’s en geleerden evenmin het Christendom bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld begaan, door ’t erkennen van niet-Joodsche vorsten, ’t omgaan met onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden “even uitmuntend als de Christenen ’t kunstje van akkommodeeren verstaan.” (I. 1224.)
Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke barbier en ’n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over vergankelykheid.Champollion.Handel! Onverwachte verandering van ’n geminacht briefje in wichtige dukatons.Of ’t veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z’n rhumatiek, zou ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit ’n eigenaardige manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken.Droddebot, byv. beteekende:droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als het recht om de brieven te doen afhalen van ’t postkantoor. De briefbestellery liet in Wouter’s tyd veel te wenschen over, en veel kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur en ’t gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de post meermalen daags aankomt. In Wouter’s tyd, en lang daarna nog, werd de zoogenaamde “fransche, duitsche en engelsche post” slechts twee keeren ’s weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor de kantoren diedroit de boîtehadden, behoorde natuurlyk tot de funktien van de “jongste-bedienden” ’n soort van loopjongetjes die in twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op ’n ambacht: ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten ’t misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van ’n volwassen persoon konden uitwinnen.Zoodra zulke jongeluî begonnen aanspraken te gronden op ’t verouderen van hun doopceel, gaf men hun den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem.Wat nu overigens dat fameuzedroit de boîteaangaat, er waren ook handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van ’n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo’n kereltje moest in de nabyheid van ’t postkantoor den besteller afwachten, en hem overhalen om de voor “m’nheer” of “de heeren” aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg hiervan was dat zich elken ochtend ’n klubjen onrype jongeheertjes naby ’t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was ’t vereenigingspunt in decourder inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in geenstadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch leelyker dan in die van halfwassen jongeling, ’n leeftyd die door de eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als ’n wezenlyk mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken.Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en zoons. En misschien wisten zy ’t. Maar dit belette niet dat Wouter, toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van m’nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op ’t kantoor kwam, zich aantemelden by m’nheer Pompile “die hem zou onderrichten in z’n verplichtingen omtrent de post.”—Zieje wel, Stoffel, riep z’n moeder, ze hebben allerlei voor hem te doen! Net zooals de dokter zei: ’n jong-mensch moet veel werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die m’nheer ... hoe heet-i ook?—M’nheer Pompile, moeder.—Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef?—Ik zal ’t wel onthouden, moeder.—Schryf ’t liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb ’t je dáárvoor gegeven, jongen!Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur scheldeWouter aan ’t huis met spiegelglas. De meid zei dat m’nheer nog niet op was, en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie myner lezers weet hoe lang ’n minuut is? Nu, dàt wist de friesche klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z’n tik ... tik, en om de zooveel tikjes ’n zwaarder tik! Dan versprong de groote wyzer als met ’n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding zette de sekondeslinger z’n eentonige reis voort: aktie, reaktie, tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En ’t ding stond op vier zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: hy rustte niet. Men begrypt dat z’n naast-byliggende plicht niet toeliet tegen den wand te leunen in ’t huis van z’n patroon. Z’n enkels, knieën, heupen en ruggegraat ...Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z’n leden. Geen Demosthenes kon ’t juister uitdrukken.Er werd gescheld. Met z’n gewone zucht om te helpen opende Wouter de deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen, bedankte hem in ’t minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar verzekering dat ze geen schuurzand noodig had—want het was ’n trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde—en dit verschafte hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou.Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over ’t weer, en Sientje was van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over z’n melk, waarop de man iets antwoordde. ’t Onderhoud was ... zeer onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer.Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd te wachten tot “m’nheer òp zou zyn.”—Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m’n andere klanten niet laten wachten op één van ’n stooter in de week!En hy ging. Wat ’n brutale barbier! Zeker, ’t was afkeurenswaardig, ’t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op de verzuchting:—Och, misschien zou ’t beter voor me zyn, barbier te worden dan in den handel te blyven.De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk overgaf, vernam-i schreden van iemand die in ’t achtereind van de gang de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile toch. Hy vertoonde zich in z’n kamerjapon, en werd Wouter gewaar.—Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet zoo goed wezen ... even te wachten.M’nheer Pompile verdween in desuite, en de klok was weer aan ’t woord.Had Wouter maar niet zoo’n pyn in z’n lenden gehad, hy zou wel in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op ’t kanevas van dat eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in ’t aan-eenknoopen van z’n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos, ’t Was om neertevallen.Na slechts drie-kwartier kwam m’nheer Pompile weer tevoorschyn uit desuite, waar-i ontbeten had. In ’t voorbygaan droeg hy Wouter op, de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden ... tik, tik!Alweer ’n afleiding. De meid scheen in desuitegeroepen, want ze kwam haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag ’n kanarievogeltje zou gebracht worden, en:—Als ’t komt, Sientje, breng ’t vooral terstond binnen!Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot ’n rudiment van weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid op z’n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg, het duurzaamst blyken zouden. M’nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo goed moeten wezen te sterven. Ook zoo’n kanarievogel leeft maar kort, en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z’n kooitje. Het beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid leerde ontberen, die hy nu nog—ter-loops, maar gretig toch—opving van ’n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m’nheer Pompile’s baard gevaar liep ’n dag langer te zyn dan anders te verwachten is van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk bedroeg de “stooter” waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile.Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds leven er gedachten van Wouter ...aere perenniores!’t is mogelyk dat die klok nog altyd hier-of-daar z’n tikkende loopbaan voortzet, en dat er nog altyd ’n huis staat met vensters van spiegelglas, op de Leliegracht—deftige zy, héél deftige zy—maar wat beteekent dit in vergelyking met ’n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van ’n mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar de gelukzaligheid staat te benyden van ’n opgesloten vogeltje dat terstond mocht binnenkomen als ’t zich aanmeldde. Toch gis ik dat Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te zeer bezig-gehouden door ’t spit in den rug.Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd ongekleed.—Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw ’n barbier voor me te halen.Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze vervulde z’n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z’n vorig domicilie op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei:—Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik!De installatie by ’t postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid, maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield.—Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, alle morgens! En dan houd je ’t postkantoor in ’t oog. En als ze dan uitkomen—de bestellers, weetje?—dan let je goed op. En je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor ’t kantoor, want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en als ze je-n-’n fooi vragen, of ’n borrel—want dit doen ze ... gemeen volk!—dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En ’n fooi? “Met nieuwejaar” kan je wel zeggen, maar zeg niet dat ik ’t gezegd heb, want dan verwachten ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z’n dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister ’n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen!Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m’nheer Pompile stond op ’n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets aangekomen voor ’t huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der provincien scheen behoefte te hebben aan ’n krieuweltje. Wouter kwam zegevierend met den brief aanloopen op ’t kantoor waar-i ’t eerwaardig sanhedrin van z’n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend die, na ’t overseinen van Wouter’s geloofsbrieven, zich gehaast had de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei met die brieven medeplichtig beschaduwde.Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot “net werken” aan ’t kopieeren gezet van ’n paar brieven. De jongeheer Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. ’t Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheidvereenvoudigd door ’t vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door ’t hoofd gegaan, en de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om “uwe zoo byzonder vereerde firma” hiernevens ’n paar stalen aantebieden van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de—nog altyd eenigszins geachte—vriend verloor uit het oog dat de pryzenà comptantwaren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier: binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz.Wouter bewonderde de bekwaamheid van z’n chef, die zoo precies wist hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was ’t kopieeren van die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan ’t plakken van z’n stalen gezet.—En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van ’t woord laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens.Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens keek ontsteld op.—M’nheer!—Ja, denk je niet? Me dunkt dat ...—Maar ... m’nheer!Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren, de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn.—Maar, m’nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig zyn!—Hé, dacht je dàt?—M’nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by de zaken was, voor men my de letters van ’t woord wees! Men moet jonge-menschen niet over ’t paard ligten, m’nheer! De verwaandheid komt er gauw genoeg in, m’nheer!—Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht, weetje?Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval zou z’n ligtzinnigheid—als-i niet bekleed ware geweest met den rang van patroon—onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m’nheer Wilkens. De lezer zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om ’t vertrouwen waard te zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m’nheer Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens ’t lichtzou vertoond hebben dat den tabernakel van ’t kantoor omluisterde. Maar de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor Wouter-zelf ’t bewustzyn van z’n voorloopige uitsluiting terdeeg geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters te heilig werden beschouwd voor z’n nuchter verstand, onbeproefde eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen, waarover hy ’n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot het verpletterend antwoord:—Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens na, als je-n-’n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer!Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, door ’n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige letters. Daar hy—uit voorzichtigheid of konscientie—’t aldus weldra gevonden heiligwoord niet in z’n zakboek heeft opgeschreven, kan ik het den lezer niet meedeelen. Met Pompile’s baard en vensterglas, met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie onopstandelyk ten-grave gedaald, ’n gaping in myn verhaal waarvoor ik verschooning vraag.By ’t schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging tegen ’n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in ’t schetsen van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z’n onbekwaamheid in ’t nateekenen, in ’tverkeerdevan de voorstelling, niet inoverdryving. Dat er onder ’t half-dozyn personen waarmee Wouter hier in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven ’t àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen aan wie de Maatschappy niet tot ’n onderwerp van studie gemaakt heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de bekende spreuk:que le vrai peut quelquefois n’être pas vraisemblable, om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze, wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds te staan. En ... by dit alles, die koddige trots!Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille van z’n onderhoud zich moet tevreden stellen met ’n kostwinning, die òf geen punten van aanraking oplevert met z’n gemoed, of zelfs lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar, in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is, en stel dus niet de vraag of, byv. ’n gevoelig mensch ’n degelyk vleeschhouwer of scherprechter wezen kan—misschien wel!—doch wáár blyft het dat iemand dieongenoodzaaktz’n levensonderhoud zoekt in grove of nietige bedryven, blyk geeft van ’n laag standpunt.Wat dan te zeggen van ’t ras derkoprolithen, dat geheelvrywilligverstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i ’n onnoozelen “buitenman” die ’n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: “dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze ’t om den broode niet hoefden te doen” toch hadden de jonge-lieden ’n anderen werkkring kunnen kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen, en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en kennis was goed voor anderen wier papa niet “zoo byzonder ryk” was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen, ’n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus wel degelyk behoefte aan ’n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe was slechts ’n klein gedeelte noodig van ’t beschikbaar kapitaal dat hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben kunnen dryven. Tot dit “opruimen” echter—waarop Dieper soms bescheiden en rente-berekenend aandrong—waren ze niet te bewegen. Meenden zy misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets anders. Ze meenden niets.De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote toe. Tweemalen ’s jaars bestelde men “op staal” eenige duizende stukken gedrukte katoenen. De by ’t kiezen te-pas gebrachte wysheid overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dathynooit, nooit, nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan ’n slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op ’n troon. De verhandelingen die hy hield over ’t gewicht en de strekking van ’n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik heb reeds gewezen op de rechters die in ’t laatste ressort over de vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy ’t zeer vreemd hebben gevondenindien men boerinnen of dienstmeiden zitting en stem had verleend in ’t koncilie dat hy prezideerde. En ... de hoogheid tegen zoo’n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is ’t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo’n ongelukkig wezen werd drie, vier keeren weggezonden, voor ’t m’nheer Wilkens en den jongeheer Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds groote bestellingen gedaan had aan andere “huizen.” Dat de markt slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk toegelaten, en de zitting nam ’n aanvang. Eugène, wiens woorden duur waren, stelde zich ’t minst bespottelyk aan. De beide anderen wedyverden in zotteklap, en decommis-voyageurbeantwoordde elke op- of aanmerking met ’n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn beurt z’n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en trekschuiten of aan detable-d’hôtemet woeker in. Daar publiceerde hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad te hebben, en ging by z’n kameraden onder verband van wederkeerigheid, voor ’n wezenlyken heer door.By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der werkzaamheden op ’t kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in hollandsch geld. Deze berekening was zeer in ’t byzonder de taak van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond Pompile die kunst! By verkoop legde men ’n procent of vyftien op den inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op ’t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende winkeliers na. Ook in dit gedeelte van ’t “vak” was Pompile een eerste meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz.Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen verzadigd. Zelfs ’t boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer te-boven. Z’n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn iets! Een van z’n hoofdbekwaamheden bestond in ’n byna onbedriegbare kennis der geldsoorten, en z’n “worpen” by het tellen waren monumenten van regelmatigheid. Het was jammer de zest’halven by-een te stryken, die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren verzen, waarlyk! En dan ’t nog altyd respectabel overschot van z’n handigheid in ’t pakken ... wel te verstaan, als ’t hem gelegen kwam niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde erkennen—en er bestondreden tot vooroordeel—dat Wouter hem hierin met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te zien krygen.Tweemalen ’s jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te veroordeelen, die ’t ongeluk hadden van zyn welwillendheid en zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege bestraft in z’n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs toegang vragen—de door Moore bezongen paradys-peri!—om doortedringen tot het achterkamertjen in ’n lappenwinkel. Een andermaal liet men hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat ’n snibbig winkelmeisje—de “m’nheer Wilkens”loci—over hem zou gelieven te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z’n wasdoeken staalpak onder den arm—en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach op ’t gelaat—uren lang op de stoep in den regen te wachten: “omdat-i in den winkel de klanten in den weg stond.” Het spreekt vanzelf dat deze handels-liefkozing beantwoord werd met ’n allerbeleefdst:—Met pleizier, juffrouw!Van één hoedanigheid die dencommis-voyageurkenmerkt, moet ik Wilkens finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit ’n almanak. Het schynt dat z’n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z’n officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy zich tot het uitpluizen van ’n zeer interessant bankroet, waaruit hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z’n patroon ’n heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren ontvingen. Over ’t verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i, maar als ’t noodig was zou hy ’t nog altyd kunnen laten zien. En wie dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z’n tweede strydpaard aan ’t dessert, was de roerende levensgeschiedenis van drie stukken-bielefeldsch linnen die door ’n onkundige waren aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld ’n proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens—“want, heeren, dàt is nu eigenlyk m’n vak!”—als expert of arbiter de zaak tot ’n vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid meedeelden aan z’n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er zeer spaarzaam mede, want: “er zynreizigersen ...reizigers, zeide hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om ’n goed diskoers te waardeeren.”—En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in den Jodenhoek? ’t Is ’n smeerig papiertje, jongeheer!—Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je ’t niet aan papa? Die Gerrit ...—Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ...—Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!En met z’n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan.—Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?Wouter’s gelaat helderde op by de gedachte dathyiets kunnen zou.—’t Is zeer gevaarlyk, m’nheer, zei Wilkens.—Aan den kassier durf ik ’t briefje niet geven, klaagde Dieper. ’t Is te smeerig! M’nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der direkteuren van de Kas ontmoet inDoctrina. En, zegt m’nheer, het stáát niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer!Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante uitdrukking niet begrypen. Een “smeerigpapiertjen” is ’n accept van iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo’n man moge solide zyn, eerlyk, trouw aan z’n woord, het helpt niet. De door hem geteekende stukken zyn “smeerige papiertjes” en dezulken waren er dikwyls onder de remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van wien hier sprake was, woonde in ’n dwarsstraat van ’n dwarsgracht in den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen, klaagde dat-i “by dien kerel” al z’n muntkennis noodig had om niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in ’n donkere achterkamer waar ’n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht was: ’n hol, zei Gerrit. En ’n behoorlyke tafel om geld te tellen, was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was vol reten en gaten, en wanneer men ’t in-weerwil hiervan beproefde, liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen heen. Kortom, de woning van dien jood was ’n tuin der Hesperiden waar weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En: “hierop legt de kerel het toe!” zei Gerrit.Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat “smeerige” briefje.—Zie je, Dieper, ’t is nuttig voor hem dat-i alles leert.—Zeker, jongeheer, maar ...—En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i alles leeren moet.De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z’n voorstel deed aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen Wouter ’n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er ’n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z’n eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die Wouter’s onbedrevenheid konden na zich slepen—en die met wat overleg wel op “huishouden” konden gewenteld worden—zou hy slechts deelen voor ’n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer brengen om verlost te raken van ’n knecht die hem als kleinen jongen gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in dechronique scandaleusevan z’n jeugd. Héél skandaleusnoem ik die kroniek alweer niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan z’n afwykingen van ’t pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met ’n paar zest’halven. Alle waar is naar z’n geld, tot de uitspattinkjes van zekere lieden toe.Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving ’t smeerige papiertje dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met ingespannen zorg in z’n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem ’n geldzak mee, en veel vermaningen om—in zeer letterlyken zin—goed op z’n tellen te passen.Binnen ’t uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op ’n weinig buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als ’n byzonderheid door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo te zien kreeg en dan ... “van zoo’n smeerigen jood!” Het ging z’n begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel, wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in ’n volgend hoofdstuk meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith ’n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk keeren wy ’t met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor ’t kiezen hebben.Mynnaastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de Dieren verbindt.
Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke barbier en ’n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over vergankelykheid.Champollion.Handel! Onverwachte verandering van ’n geminacht briefje in wichtige dukatons.
Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke barbier en ’n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over vergankelykheid.Champollion.Handel! Onverwachte verandering van ’n geminacht briefje in wichtige dukatons.
Of ’t veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z’n rhumatiek, zou ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit ’n eigenaardige manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken.Droddebot, byv. beteekende:droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als het recht om de brieven te doen afhalen van ’t postkantoor. De briefbestellery liet in Wouter’s tyd veel te wenschen over, en veel kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur en ’t gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de post meermalen daags aankomt. In Wouter’s tyd, en lang daarna nog, werd de zoogenaamde “fransche, duitsche en engelsche post” slechts twee keeren ’s weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor de kantoren diedroit de boîtehadden, behoorde natuurlyk tot de funktien van de “jongste-bedienden” ’n soort van loopjongetjes die in twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op ’n ambacht: ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten ’t misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van ’n volwassen persoon konden uitwinnen.Zoodra zulke jongeluî begonnen aanspraken te gronden op ’t verouderen van hun doopceel, gaf men hun den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem.
Wat nu overigens dat fameuzedroit de boîteaangaat, er waren ook handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van ’n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo’n kereltje moest in de nabyheid van ’t postkantoor den besteller afwachten, en hem overhalen om de voor “m’nheer” of “de heeren” aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg hiervan was dat zich elken ochtend ’n klubjen onrype jongeheertjes naby ’t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was ’t vereenigingspunt in decourder inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in geenstadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch leelyker dan in die van halfwassen jongeling, ’n leeftyd die door de eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als ’n wezenlyk mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken.
Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en zoons. En misschien wisten zy ’t. Maar dit belette niet dat Wouter, toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van m’nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op ’t kantoor kwam, zich aantemelden by m’nheer Pompile “die hem zou onderrichten in z’n verplichtingen omtrent de post.”
—Zieje wel, Stoffel, riep z’n moeder, ze hebben allerlei voor hem te doen! Net zooals de dokter zei: ’n jong-mensch moet veel werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die m’nheer ... hoe heet-i ook?
—M’nheer Pompile, moeder.
—Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef?
—Ik zal ’t wel onthouden, moeder.
—Schryf ’t liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb ’t je dáárvoor gegeven, jongen!
Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur scheldeWouter aan ’t huis met spiegelglas. De meid zei dat m’nheer nog niet op was, en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie myner lezers weet hoe lang ’n minuut is? Nu, dàt wist de friesche klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z’n tik ... tik, en om de zooveel tikjes ’n zwaarder tik! Dan versprong de groote wyzer als met ’n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding zette de sekondeslinger z’n eentonige reis voort: aktie, reaktie, tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En ’t ding stond op vier zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: hy rustte niet. Men begrypt dat z’n naast-byliggende plicht niet toeliet tegen den wand te leunen in ’t huis van z’n patroon. Z’n enkels, knieën, heupen en ruggegraat ...
Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z’n leden. Geen Demosthenes kon ’t juister uitdrukken.
Er werd gescheld. Met z’n gewone zucht om te helpen opende Wouter de deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen, bedankte hem in ’t minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar verzekering dat ze geen schuurzand noodig had—want het was ’n trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde—en dit verschafte hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou.
Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over ’t weer, en Sientje was van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over z’n melk, waarop de man iets antwoordde. ’t Onderhoud was ... zeer onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer.
Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd te wachten tot “m’nheer òp zou zyn.”
—Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m’n andere klanten niet laten wachten op één van ’n stooter in de week!
En hy ging. Wat ’n brutale barbier! Zeker, ’t was afkeurenswaardig, ’t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op de verzuchting:
—Och, misschien zou ’t beter voor me zyn, barbier te worden dan in den handel te blyven.
De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk overgaf, vernam-i schreden van iemand die in ’t achtereind van de gang de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile toch. Hy vertoonde zich in z’n kamerjapon, en werd Wouter gewaar.
—Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet zoo goed wezen ... even te wachten.
M’nheer Pompile verdween in desuite, en de klok was weer aan ’t woord.
Had Wouter maar niet zoo’n pyn in z’n lenden gehad, hy zou wel in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op ’t kanevas van dat eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in ’t aan-eenknoopen van z’n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos, ’t Was om neertevallen.
Na slechts drie-kwartier kwam m’nheer Pompile weer tevoorschyn uit desuite, waar-i ontbeten had. In ’t voorbygaan droeg hy Wouter op, de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden ... tik, tik!
Alweer ’n afleiding. De meid scheen in desuitegeroepen, want ze kwam haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag ’n kanarievogeltje zou gebracht worden, en:
—Als ’t komt, Sientje, breng ’t vooral terstond binnen!
Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot ’n rudiment van weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid op z’n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg, het duurzaamst blyken zouden. M’nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo goed moeten wezen te sterven. Ook zoo’n kanarievogel leeft maar kort, en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z’n kooitje. Het beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid leerde ontberen, die hy nu nog—ter-loops, maar gretig toch—opving van ’n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m’nheer Pompile’s baard gevaar liep ’n dag langer te zyn dan anders te verwachten is van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk bedroeg de “stooter” waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile.
Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds leven er gedachten van Wouter ...aere perenniores!’t is mogelyk dat die klok nog altyd hier-of-daar z’n tikkende loopbaan voortzet, en dat er nog altyd ’n huis staat met vensters van spiegelglas, op de Leliegracht—deftige zy, héél deftige zy—maar wat beteekent dit in vergelyking met ’n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van ’n mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar de gelukzaligheid staat te benyden van ’n opgesloten vogeltje dat terstond mocht binnenkomen als ’t zich aanmeldde. Toch gis ik dat Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te zeer bezig-gehouden door ’t spit in den rug.
Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd ongekleed.
—Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw ’n barbier voor me te halen.
Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze vervulde z’n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z’n vorig domicilie op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei:
—Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik!
De installatie by ’t postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid, maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield.
—Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, alle morgens! En dan houd je ’t postkantoor in ’t oog. En als ze dan uitkomen—de bestellers, weetje?—dan let je goed op. En je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor ’t kantoor, want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en als ze je-n-’n fooi vragen, of ’n borrel—want dit doen ze ... gemeen volk!—dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En ’n fooi? “Met nieuwejaar” kan je wel zeggen, maar zeg niet dat ik ’t gezegd heb, want dan verwachten ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z’n dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister ’n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen!
Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m’nheer Pompile stond op ’n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets aangekomen voor ’t huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der provincien scheen behoefte te hebben aan ’n krieuweltje. Wouter kwam zegevierend met den brief aanloopen op ’t kantoor waar-i ’t eerwaardig sanhedrin van z’n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend die, na ’t overseinen van Wouter’s geloofsbrieven, zich gehaast had de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei met die brieven medeplichtig beschaduwde.
Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot “net werken” aan ’t kopieeren gezet van ’n paar brieven. De jongeheer Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. ’t Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheidvereenvoudigd door ’t vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door ’t hoofd gegaan, en de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om “uwe zoo byzonder vereerde firma” hiernevens ’n paar stalen aantebieden van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de—nog altyd eenigszins geachte—vriend verloor uit het oog dat de pryzenà comptantwaren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier: binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz.
Wouter bewonderde de bekwaamheid van z’n chef, die zoo precies wist hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was ’t kopieeren van die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan ’t plakken van z’n stalen gezet.
—En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van ’t woord laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens.
Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens keek ontsteld op.
—M’nheer!
—Ja, denk je niet? Me dunkt dat ...
—Maar ... m’nheer!
Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren, de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn.
—Maar, m’nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig zyn!
—Hé, dacht je dàt?
—M’nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by de zaken was, voor men my de letters van ’t woord wees! Men moet jonge-menschen niet over ’t paard ligten, m’nheer! De verwaandheid komt er gauw genoeg in, m’nheer!
—Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht, weetje?
Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval zou z’n ligtzinnigheid—als-i niet bekleed ware geweest met den rang van patroon—onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m’nheer Wilkens. De lezer zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om ’t vertrouwen waard te zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m’nheer Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens ’t lichtzou vertoond hebben dat den tabernakel van ’t kantoor omluisterde. Maar de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor Wouter-zelf ’t bewustzyn van z’n voorloopige uitsluiting terdeeg geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters te heilig werden beschouwd voor z’n nuchter verstand, onbeproefde eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen, waarover hy ’n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot het verpletterend antwoord:
—Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens na, als je-n-’n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer!
Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, door ’n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige letters. Daar hy—uit voorzichtigheid of konscientie—’t aldus weldra gevonden heiligwoord niet in z’n zakboek heeft opgeschreven, kan ik het den lezer niet meedeelen. Met Pompile’s baard en vensterglas, met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie onopstandelyk ten-grave gedaald, ’n gaping in myn verhaal waarvoor ik verschooning vraag.
By ’t schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging tegen ’n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in ’t schetsen van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z’n onbekwaamheid in ’t nateekenen, in ’tverkeerdevan de voorstelling, niet inoverdryving. Dat er onder ’t half-dozyn personen waarmee Wouter hier in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven ’t àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen aan wie de Maatschappy niet tot ’n onderwerp van studie gemaakt heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de bekende spreuk:que le vrai peut quelquefois n’être pas vraisemblable, om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze, wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds te staan. En ... by dit alles, die koddige trots!
Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille van z’n onderhoud zich moet tevreden stellen met ’n kostwinning, die òf geen punten van aanraking oplevert met z’n gemoed, of zelfs lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar, in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is, en stel dus niet de vraag of, byv. ’n gevoelig mensch ’n degelyk vleeschhouwer of scherprechter wezen kan—misschien wel!—doch wáár blyft het dat iemand dieongenoodzaaktz’n levensonderhoud zoekt in grove of nietige bedryven, blyk geeft van ’n laag standpunt.
Wat dan te zeggen van ’t ras derkoprolithen, dat geheelvrywilligverstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i ’n onnoozelen “buitenman” die ’n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: “dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze ’t om den broode niet hoefden te doen” toch hadden de jonge-lieden ’n anderen werkkring kunnen kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen, en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en kennis was goed voor anderen wier papa niet “zoo byzonder ryk” was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen, ’n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus wel degelyk behoefte aan ’n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe was slechts ’n klein gedeelte noodig van ’t beschikbaar kapitaal dat hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben kunnen dryven. Tot dit “opruimen” echter—waarop Dieper soms bescheiden en rente-berekenend aandrong—waren ze niet te bewegen. Meenden zy misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets anders. Ze meenden niets.
De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote toe. Tweemalen ’s jaars bestelde men “op staal” eenige duizende stukken gedrukte katoenen. De by ’t kiezen te-pas gebrachte wysheid overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dathynooit, nooit, nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan ’n slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op ’n troon. De verhandelingen die hy hield over ’t gewicht en de strekking van ’n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik heb reeds gewezen op de rechters die in ’t laatste ressort over de vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy ’t zeer vreemd hebben gevondenindien men boerinnen of dienstmeiden zitting en stem had verleend in ’t koncilie dat hy prezideerde. En ... de hoogheid tegen zoo’n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is ’t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo’n ongelukkig wezen werd drie, vier keeren weggezonden, voor ’t m’nheer Wilkens en den jongeheer Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds groote bestellingen gedaan had aan andere “huizen.” Dat de markt slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk toegelaten, en de zitting nam ’n aanvang. Eugène, wiens woorden duur waren, stelde zich ’t minst bespottelyk aan. De beide anderen wedyverden in zotteklap, en decommis-voyageurbeantwoordde elke op- of aanmerking met ’n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn beurt z’n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en trekschuiten of aan detable-d’hôtemet woeker in. Daar publiceerde hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad te hebben, en ging by z’n kameraden onder verband van wederkeerigheid, voor ’n wezenlyken heer door.
By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der werkzaamheden op ’t kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in hollandsch geld. Deze berekening was zeer in ’t byzonder de taak van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond Pompile die kunst! By verkoop legde men ’n procent of vyftien op den inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op ’t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende winkeliers na. Ook in dit gedeelte van ’t “vak” was Pompile een eerste meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz.
Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen verzadigd. Zelfs ’t boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer te-boven. Z’n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn iets! Een van z’n hoofdbekwaamheden bestond in ’n byna onbedriegbare kennis der geldsoorten, en z’n “worpen” by het tellen waren monumenten van regelmatigheid. Het was jammer de zest’halven by-een te stryken, die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren verzen, waarlyk! En dan ’t nog altyd respectabel overschot van z’n handigheid in ’t pakken ... wel te verstaan, als ’t hem gelegen kwam niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde erkennen—en er bestondreden tot vooroordeel—dat Wouter hem hierin met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te zien krygen.
Tweemalen ’s jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te veroordeelen, die ’t ongeluk hadden van zyn welwillendheid en zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege bestraft in z’n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs toegang vragen—de door Moore bezongen paradys-peri!—om doortedringen tot het achterkamertjen in ’n lappenwinkel. Een andermaal liet men hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat ’n snibbig winkelmeisje—de “m’nheer Wilkens”loci—over hem zou gelieven te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z’n wasdoeken staalpak onder den arm—en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach op ’t gelaat—uren lang op de stoep in den regen te wachten: “omdat-i in den winkel de klanten in den weg stond.” Het spreekt vanzelf dat deze handels-liefkozing beantwoord werd met ’n allerbeleefdst:
—Met pleizier, juffrouw!
Van één hoedanigheid die dencommis-voyageurkenmerkt, moet ik Wilkens finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit ’n almanak. Het schynt dat z’n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z’n officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy zich tot het uitpluizen van ’n zeer interessant bankroet, waaruit hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z’n patroon ’n heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren ontvingen. Over ’t verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i, maar als ’t noodig was zou hy ’t nog altyd kunnen laten zien. En wie dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z’n tweede strydpaard aan ’t dessert, was de roerende levensgeschiedenis van drie stukken-bielefeldsch linnen die door ’n onkundige waren aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld ’n proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens—“want, heeren, dàt is nu eigenlyk m’n vak!”—als expert of arbiter de zaak tot ’n vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid meedeelden aan z’n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er zeer spaarzaam mede, want: “er zynreizigersen ...reizigers, zeide hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om ’n goed diskoers te waardeeren.”
—En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in den Jodenhoek? ’t Is ’n smeerig papiertje, jongeheer!
—Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je ’t niet aan papa? Die Gerrit ...
—Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ...
—Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!
En met z’n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan.
—Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?
Wouter’s gelaat helderde op by de gedachte dathyiets kunnen zou.
—’t Is zeer gevaarlyk, m’nheer, zei Wilkens.
—Aan den kassier durf ik ’t briefje niet geven, klaagde Dieper. ’t Is te smeerig! M’nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der direkteuren van de Kas ontmoet inDoctrina. En, zegt m’nheer, het stáát niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer!
Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante uitdrukking niet begrypen. Een “smeerigpapiertjen” is ’n accept van iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo’n man moge solide zyn, eerlyk, trouw aan z’n woord, het helpt niet. De door hem geteekende stukken zyn “smeerige papiertjes” en dezulken waren er dikwyls onder de remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van wien hier sprake was, woonde in ’n dwarsstraat van ’n dwarsgracht in den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen, klaagde dat-i “by dien kerel” al z’n muntkennis noodig had om niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in ’n donkere achterkamer waar ’n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht was: ’n hol, zei Gerrit. En ’n behoorlyke tafel om geld te tellen, was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was vol reten en gaten, en wanneer men ’t in-weerwil hiervan beproefde, liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen heen. Kortom, de woning van dien jood was ’n tuin der Hesperiden waar weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En: “hierop legt de kerel het toe!” zei Gerrit.
Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat “smeerige” briefje.
—Zie je, Dieper, ’t is nuttig voor hem dat-i alles leert.
—Zeker, jongeheer, maar ...
—En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i alles leeren moet.
De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z’n voorstel deed aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen Wouter ’n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er ’n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z’n eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die Wouter’s onbedrevenheid konden na zich slepen—en die met wat overleg wel op “huishouden” konden gewenteld worden—zou hy slechts deelen voor ’n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer brengen om verlost te raken van ’n knecht die hem als kleinen jongen gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in dechronique scandaleusevan z’n jeugd. Héél skandaleusnoem ik die kroniek alweer niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan z’n afwykingen van ’t pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met ’n paar zest’halven. Alle waar is naar z’n geld, tot de uitspattinkjes van zekere lieden toe.
Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving ’t smeerige papiertje dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met ingespannen zorg in z’n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem ’n geldzak mee, en veel vermaningen om—in zeer letterlyken zin—goed op z’n tellen te passen.
Binnen ’t uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op ’n weinig buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als ’n byzonderheid door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo te zien kreeg en dan ... “van zoo’n smeerigen jood!” Het ging z’n begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel, wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in ’n volgend hoofdstuk meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith ’n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk keeren wy ’t met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor ’t kiezen hebben.Mynnaastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de Dieren verbindt.
Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, Staathuishoudkunde enPetite Voirieuit den voortyd. Nieuw blyk der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van de beloofde dukatons, den lezer afscheept met ’n bespiegeling over gebrek aan Israëlitische kontroverse.De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen ging om zich te verfrisschen door ’n bad in ’t gemeene ... of wat voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren Ouwetyd & Kopperlith, al zy ’t dan dat we ons te reinigen hebben van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze onthouding van prinselyke excentriciteit is temeer gepast, omdat het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, of misschien in Juli, maar zeker lang voor ’t najaar. Het is den lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, verbuitende stad. In zekere toekomstige kritiek op m’n werk meen ik te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens te wyzen op m’n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied voorstelt, heeft ’n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z’n zaak zyn, en zóó vast staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan ’t onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... ’n evangelist. Ziedaar de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn boodschappen—bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn het toch!—behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe zou hetGeloofdienen, als ’n profeet, by al z’n andere plichten, zich nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om ’s hemels-wil, lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid—wat ik in ’t voorbygaan bewyzen wilde—heeft de schrandere lezer reeds lang kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel iets anders nog begaan dan guitenstukjes of ’n buitensporigheid, ze had iets onmogelyks verricht: ’n wonder! En zóóver had Wouter ’t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder ’t gewone, en had al z’n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder z’n overspannen plichtsbesef.Met ’n gewicht alsof ’t heele bedrag van ’t geaccepteerd wisseltjen in kopergeld aan z’n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z’n eer toevertrouwd pand rustte, en hield z’n rechtervuistje gebald om den eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, ’t had ’n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was!Glorioso, met al z’n makkers en in z’n besten tyd—vóór die verlammende liefde namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige landmeisjes—Gloriosozelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, staatmakende op dehartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat ... nu,Gloriosowas er niet, en de marteling van ’t konflikt tusschen zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van ’n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, en ... met ’n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen ’n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held ’n papiertje dat hem door z’n lastgevers was toevertrouwd!Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit z’n handen te geven: “voor-i geld zag.” En ... niet te kwiteeren: “voor-i dat geld hàd!” Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet niet waarom. Het was de gewoonte, en ’n gewoonte die hem verrukkelyk voorkwam: “ont...van...gen... Wou...ter ... Pie...ter...se.” Zóó zou er staan in z’n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter’s verbeelding, gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op ’n toekomst die zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy z’n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z’n punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat—tot nader order!—op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z’n gedachten maakte hy kant en klaar de krul gereed, waar-mede-i z’n handteekening bekrachtigen en sieren wilde, ’t Zou ’n slang wezen, zich slingerend om en door de spylen van ’n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in drie stippen, netjes in gelid tusschen ’n paar evenwydige lyntjes, en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het uitvaardigen van ’n manifest, waarby al de ongekroonde autografen die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in rechten noch in posthume heldenvereering.Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen!Eén, twee, drie, vier... dit zou wel gaan. ’t Bleef echter de vraag wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... depietjes?Dedertiend’halven?Deschellingen?Dezest’halven?Of—erger nog!—al die muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd& Kopperlith, en op dit oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van ’n groote som gelds. Dit was z’n naastbyliggende plicht, en hieraan slechts had hy dus te denken.Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo byzonder sterk doen gelyken op ’n verstoord mierennest. ’t Verschil ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken moet om wys te worden. Wouter had moeite z’n weg te vinden. Van bespiegelingen over ’t zonderling huishouden in de open lucht, dat daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak zyn. In z’n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al ’t onschoone dat hy te zien kreeg, als om belang te stellen in ’t karakteristieke van die leelykheid. Z’n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem ’n plaats aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue van dertigduizend man linie—zou ze in vertrouwen gezegd hebben—met vierd’halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche oudheden.1Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die—altyd toch met het eigenaardig voorkomen van lieden dieen voisinuit zyn—zich verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in die buurt—interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!—nog altyd zag men daar de orde of wanorde van ’n volksstam, zwervend in de woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor ’t zand der heide—want alsheivertoonen zich die zandzeeën—vergenoegden zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten te bewonen—vuistslagen in ’t gezicht der beschaving... in Wouter’s tyd!—waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens onvoorwaardelyk. Zoodra ’t zomerweer de begoocheling toeliet of aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken bevond, nam het zonderling volkje dit op als ’n sein dat de tyd weer was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot vóórkanaänschezeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van ’t etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, d.i. handelgedreven. Daarleefden zy.Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z’n hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z’n oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge markt de koopers waren bleef ’n mysterie. Kochten die straatkramers van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste spykers? Zoo ja, watatenze? Of liever, welke produktie leverde het excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- en vierdag?Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan zeker is het toeteschryven dat in Wouter’s tyd niemand zich de vraag voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden “rei” en “kraam” zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op ’n oud stuk zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman z’n goederen niet—neem er ’n voorbeeld aan, opgeblazenkropolithenvan de Keizersgracht!—hy noemde zich: handelaar in oud roest. De man beweerde niet,yzerte verkoopen, hy verkochtroestvan yzer. En zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze koopman. Hy nam den naam aan van de waren “waarin-i deed” en vond er niets vreemds in, wanneer menhemzelfaansprak als de hoogbejaardeoxydevan ’n voormaligen spyker: hyheetteOud-roest. Kan ’t nederiger?Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie protesteerend door ’n beroep op de klassieke beteekenis van hun naam... en ook wel ’n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, ’n jaar of zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer...Niobeesen weezen. Daar lagen eenzame pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandeloozezagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze eigenaardigheid gebonden door ’n artikel in de patentwet, volgens ’twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En nu sprak ik nog slechts van de dingen die ’n naam gehad hebben, of misschien eenmaal ’n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar ’n oogenblik stil voor de uitstalling van denOud-roestalleen. Het beschryven van ’t overig deel der “markt” gaat m’n talent nog verder te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar koopen—maar wie toch kocht er iets?—daar waren te bekomen: zure augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes in vieren of zessen geknipt, omen détailte worden aan-den-man gebracht voor ’t mogelyk geval dat ’n heel land of werelddeel de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen ’ntumulusvan zuurkool en ’ntropeevan hoeven en horens. Ginds stond ’n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig en voor niemand te gebruiken, wat toch ’t geval niet kan zyn, want dat volkjeleefdevan den handel in die prullen, en:ab esse ad posse valet illatio.2Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar hoe zou ’t wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het “nil humani alienum” moge dan al niet juist in wysgeerigen zin ’n artikel in hun dagelykschen kathechismuswezen, toch is dat woord op hen van volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, ook zielkundig gesproken, het zou ’n ongerymd waagstuk zyn, hun de aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de “deftige klasse.” Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze weten—zoo goed als anderen toch, en waaromniet?—wat liefde is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo’nOud-roesten in het oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met “zuur.” Vygen verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft gespietst op stokjes. Zoo’n stokje koopt de jeugd voor ’n duit. De winst is groot, want de heele ceroen is ’n onvrywillig geschenk van den kruidenier die ’t ding z’n winkel uitwierp, omdat de suiker na twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de jeugd die speetjes koopt.Als!want—en ziehier de oorzaak van m’n staathuishoudkundige bekommering—vanwaar komt die duit? De vaders en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen- en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaoschepienders.3Moet het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst—en wel boven ’t strikt-noodige voor levensonderhoud—òververdiend zyn op hun eigen waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokkenklapper, hoeveel van die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellenzynkroost op háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moetzyhebben gesleten aanzynkinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den koopprys van zynpiendersvoldoen? O diepte der verborgenheid, beide der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek!41De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over “echt-vaderlandsche” krantenschryvers en de burgervadery in Wouter’s tyd. (In I. 1223.)2= de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat het zoo is, moet het ook kunnen.3Pienders = pinda’s of apenootjes.4M. besluit ’t hoofdstuk met “’n bespiegeling over gebrek aan israëlitische kontroverse”; hy constateert, dat de Joden niet meer van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert er zich over, dat hun rabbi’s en geleerden evenmin het Christendom bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld begaan, door ’t erkennen van niet-Joodsche vorsten, ’t omgaan met onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden “even uitmuntend als de Christenen ’t kunstje van akkommodeeren verstaan.” (I. 1224.)
Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, Staathuishoudkunde enPetite Voirieuit den voortyd. Nieuw blyk der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van de beloofde dukatons, den lezer afscheept met ’n bespiegeling over gebrek aan Israëlitische kontroverse.
Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, Staathuishoudkunde enPetite Voirieuit den voortyd. Nieuw blyk der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van de beloofde dukatons, den lezer afscheept met ’n bespiegeling over gebrek aan Israëlitische kontroverse.
De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen ging om zich te verfrisschen door ’n bad in ’t gemeene ... of wat voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren Ouwetyd & Kopperlith, al zy ’t dan dat we ons te reinigen hebben van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze onthouding van prinselyke excentriciteit is temeer gepast, omdat het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, of misschien in Juli, maar zeker lang voor ’t najaar. Het is den lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, verbuitende stad. In zekere toekomstige kritiek op m’n werk meen ik te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens te wyzen op m’n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied voorstelt, heeft ’n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z’n zaak zyn, en zóó vast staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan ’t onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... ’n evangelist. Ziedaar de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn boodschappen—bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn het toch!—behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe zou hetGeloofdienen, als ’n profeet, by al z’n andere plichten, zich nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om ’s hemels-wil, lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid—wat ik in ’t voorbygaan bewyzen wilde—heeft de schrandere lezer reeds lang kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel iets anders nog begaan dan guitenstukjes of ’n buitensporigheid, ze had iets onmogelyks verricht: ’n wonder! En zóóver had Wouter ’t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder ’t gewone, en had al z’n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder z’n overspannen plichtsbesef.
Met ’n gewicht alsof ’t heele bedrag van ’t geaccepteerd wisseltjen in kopergeld aan z’n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z’n eer toevertrouwd pand rustte, en hield z’n rechtervuistje gebald om den eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, ’t had ’n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was!Glorioso, met al z’n makkers en in z’n besten tyd—vóór die verlammende liefde namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige landmeisjes—Gloriosozelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, staatmakende op dehartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat ... nu,Gloriosowas er niet, en de marteling van ’t konflikt tusschen zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van ’n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, en ... met ’n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen ’n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held ’n papiertje dat hem door z’n lastgevers was toevertrouwd!
Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit z’n handen te geven: “voor-i geld zag.” En ... niet te kwiteeren: “voor-i dat geld hàd!” Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet niet waarom. Het was de gewoonte, en ’n gewoonte die hem verrukkelyk voorkwam: “ont...van...gen... Wou...ter ... Pie...ter...se.” Zóó zou er staan in z’n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter’s verbeelding, gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op ’n toekomst die zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy z’n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z’n punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat—tot nader order!—op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z’n gedachten maakte hy kant en klaar de krul gereed, waar-mede-i z’n handteekening bekrachtigen en sieren wilde, ’t Zou ’n slang wezen, zich slingerend om en door de spylen van ’n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in drie stippen, netjes in gelid tusschen ’n paar evenwydige lyntjes, en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het uitvaardigen van ’n manifest, waarby al de ongekroonde autografen die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in rechten noch in posthume heldenvereering.
Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen!Eén, twee, drie, vier... dit zou wel gaan. ’t Bleef echter de vraag wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... depietjes?Dedertiend’halven?Deschellingen?Dezest’halven?Of—erger nog!—al die muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd& Kopperlith, en op dit oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van ’n groote som gelds. Dit was z’n naastbyliggende plicht, en hieraan slechts had hy dus te denken.
Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo byzonder sterk doen gelyken op ’n verstoord mierennest. ’t Verschil ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken moet om wys te worden. Wouter had moeite z’n weg te vinden. Van bespiegelingen over ’t zonderling huishouden in de open lucht, dat daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak zyn. In z’n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al ’t onschoone dat hy te zien kreeg, als om belang te stellen in ’t karakteristieke van die leelykheid. Z’n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem ’n plaats aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue van dertigduizend man linie—zou ze in vertrouwen gezegd hebben—met vierd’halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche oudheden.1
Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die—altyd toch met het eigenaardig voorkomen van lieden dieen voisinuit zyn—zich verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in die buurt—interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!—nog altyd zag men daar de orde of wanorde van ’n volksstam, zwervend in de woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor ’t zand der heide—want alsheivertoonen zich die zandzeeën—vergenoegden zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten te bewonen—vuistslagen in ’t gezicht der beschaving... in Wouter’s tyd!—waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens onvoorwaardelyk. Zoodra ’t zomerweer de begoocheling toeliet of aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken bevond, nam het zonderling volkje dit op als ’n sein dat de tyd weer was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot vóórkanaänschezeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van ’t etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, d.i. handelgedreven. Daarleefden zy.
Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z’n hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z’n oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge markt de koopers waren bleef ’n mysterie. Kochten die straatkramers van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste spykers? Zoo ja, watatenze? Of liever, welke produktie leverde het excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- en vierdag?
Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan zeker is het toeteschryven dat in Wouter’s tyd niemand zich de vraag voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden “rei” en “kraam” zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op ’n oud stuk zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman z’n goederen niet—neem er ’n voorbeeld aan, opgeblazenkropolithenvan de Keizersgracht!—hy noemde zich: handelaar in oud roest. De man beweerde niet,yzerte verkoopen, hy verkochtroestvan yzer. En zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze koopman. Hy nam den naam aan van de waren “waarin-i deed” en vond er niets vreemds in, wanneer menhemzelfaansprak als de hoogbejaardeoxydevan ’n voormaligen spyker: hyheetteOud-roest. Kan ’t nederiger?
Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie protesteerend door ’n beroep op de klassieke beteekenis van hun naam... en ook wel ’n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, ’n jaar of zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer...Niobeesen weezen. Daar lagen eenzame pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandeloozezagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze eigenaardigheid gebonden door ’n artikel in de patentwet, volgens ’twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En nu sprak ik nog slechts van de dingen die ’n naam gehad hebben, of misschien eenmaal ’n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar ’n oogenblik stil voor de uitstalling van denOud-roestalleen. Het beschryven van ’t overig deel der “markt” gaat m’n talent nog verder te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar koopen—maar wie toch kocht er iets?—daar waren te bekomen: zure augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes in vieren of zessen geknipt, omen détailte worden aan-den-man gebracht voor ’t mogelyk geval dat ’n heel land of werelddeel de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen ’ntumulusvan zuurkool en ’ntropeevan hoeven en horens. Ginds stond ’n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig en voor niemand te gebruiken, wat toch ’t geval niet kan zyn, want dat volkjeleefdevan den handel in die prullen, en:ab esse ad posse valet illatio.2
Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar hoe zou ’t wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het “nil humani alienum” moge dan al niet juist in wysgeerigen zin ’n artikel in hun dagelykschen kathechismuswezen, toch is dat woord op hen van volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, ook zielkundig gesproken, het zou ’n ongerymd waagstuk zyn, hun de aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de “deftige klasse.” Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze weten—zoo goed als anderen toch, en waaromniet?—wat liefde is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo’nOud-roesten in het oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met “zuur.” Vygen verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft gespietst op stokjes. Zoo’n stokje koopt de jeugd voor ’n duit. De winst is groot, want de heele ceroen is ’n onvrywillig geschenk van den kruidenier die ’t ding z’n winkel uitwierp, omdat de suiker na twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de jeugd die speetjes koopt.Als!want—en ziehier de oorzaak van m’n staathuishoudkundige bekommering—vanwaar komt die duit? De vaders en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen- en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaoschepienders.3Moet het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst—en wel boven ’t strikt-noodige voor levensonderhoud—òververdiend zyn op hun eigen waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokkenklapper, hoeveel van die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellenzynkroost op háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moetzyhebben gesleten aanzynkinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den koopprys van zynpiendersvoldoen? O diepte der verborgenheid, beide der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek!4
1De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over “echt-vaderlandsche” krantenschryvers en de burgervadery in Wouter’s tyd. (In I. 1223.)2= de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat het zoo is, moet het ook kunnen.3Pienders = pinda’s of apenootjes.4M. besluit ’t hoofdstuk met “’n bespiegeling over gebrek aan israëlitische kontroverse”; hy constateert, dat de Joden niet meer van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert er zich over, dat hun rabbi’s en geleerden evenmin het Christendom bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld begaan, door ’t erkennen van niet-Joodsche vorsten, ’t omgaan met onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden “even uitmuntend als de Christenen ’t kunstje van akkommodeeren verstaan.” (I. 1224.)
1De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over “echt-vaderlandsche” krantenschryvers en de burgervadery in Wouter’s tyd. (In I. 1223.)
2= de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat het zoo is, moet het ook kunnen.
3Pienders = pinda’s of apenootjes.
4M. besluit ’t hoofdstuk met “’n bespiegeling over gebrek aan israëlitische kontroverse”; hy constateert, dat de Joden niet meer van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert er zich over, dat hun rabbi’s en geleerden evenmin het Christendom bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld begaan, door ’t erkennen van niet-Joodsche vorsten, ’t omgaan met onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden “even uitmuntend als de Christenen ’t kunstje van akkommodeeren verstaan.” (I. 1224.)