Een allernietigst geschiedenisje. Na ’t bywonen van ’n middagmaal in de open lucht, wordt de lezer onthaald op ’n moeielyken tocht naar de derde verdieping, waarWouternog altyd niet vermoord wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten lezer zal de auteur zich weten te troosten.Quo non ascendam?Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in ’n stad, en wel bepaaldelyk naar ’t oude vrouwtje met die vygen.Zeker neem ik ’t háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen professer Oosterzee en andere steunpilaren van ’t ware Geloof. Inplaats daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de myne niet onwaard. Al zy ’t dan dat m’n intelligentie niet ontwikkeld genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere mysterien—getuige die duit van zoo-even—toch overvalt me soms ’n aanval van fierheid op m’n onwetendheid, tegenover de velen die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik, byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... ’n ziel heeft ze. En ’n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo lange baan zonder ten-minsteietsoptevangen van de indrukken die hy ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad, meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? ’t Moet zoo geweest zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was ’t dan ook maar met de uitverkorenheid van ’n enkel oogenblik. Velen van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by ’t doodbed gestaan van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen, heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en wegsleepen misschien, omdat er ’n Prins zou voorbykomen, omdat er ’n Keizer jarig was, omdat de christenen ’n Bededag wilden houden of ’n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z’n humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van ’t straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die door de groote-mannetjesdu jourworden geworpen in den oceaan der Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes bereiken? Veel is haar over ’t hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al dommer en dommer door u verheven te wanen boven ’t allerkleinste. En vooral... zit niet zoo uilig te wachten op ’t lichtstraaltjen uit de lantaarns van dePrescotten, en deMac-Auleysen deMills. De ware studie van den mensch is:de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt zoo’n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan ’n speetje.Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet—wàs ’t ’n gelaat?—het waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing waar ze verkoos. Is ’t wonder dat die overkompleete lappen wel eens misbruik maakten van ’t volslagen gemis aan tucht en kontrole?Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van ’n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, ’n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite en verlies naar den mond geleidde met ’n yzer drietandje, geleend misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen blik ’t onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook om den snoeplust van andere kinderen optewekken—wie toch doorgrondt de finesses van den handel?—neen... uit hartelyke genegenheid voor ’t jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy ’t kind ’n ristje van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan moest uitkeeren aan z’n zusje.—En mag ik dan ’t stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? ’t Heele stokje?—Ja, liewes, jy mag ’t stokje houden, heelemaal!De oogen van ’t kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes aangeregen, en: “ik mag ’t stokje houden!” juichte de kleine. Toen ’t oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan ’t kind terug, met liefkozingen en ’n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by ’n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn.Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die ’t smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op ’n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belastwas met ’n gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook inGloriosokwamen zeer oude vrouwtjes voor, die op ’t beslissend oogenblik in welgewapende mannen veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i “zaken” had, maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts nu-en-dan ’n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van de vygen- en zuurvrouw, moest naar z’n berekening de gezochte persoon wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger ’t onsmakelyk praedikaat van z’n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit ’n wissel kon betaald worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich ’n oogenblik afleiden van z’n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast als-i was, haalde het juichen van den knaap hemNumeri XIIIvoor den geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels en... vygen. “Ook dáár wordt gesproken van ’n stok, van ’ndraagstok,” dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets anders dan z’n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy ’t kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte.—Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder gewicht te hechten aan Wouter’s nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch m’nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle bemoeienis met de zaken van ’n ander verafschuwden, hadden besef van ’t genot der aandoening die de DuitschersMenschenfreundlichkeitnoemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. ’t Is iets als de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravendeMenschenliefdedie maar ’n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken, levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich ’n gelegenheid aanbood zich eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van Roebens, den man dien-i zocht.—M’n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met ’m? Chots seeche d’r op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust na-bove, en loop m’r deur tot ’t derde pertaal, waar je die dékes ziet hangen, en al dat beddechoed, en z’n sjabasjengels-hemt. En je klopt an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m’n êêche kleinsoon, en Racheltje’s fader, werachtich as Chot!Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben’s maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd voor dat de beschikker over ’n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, de kleinzoon wezen zou van ’n arme zuurvrouw, en Racheltje’s vader. Hy kende de eigenaardigheid niet die de Joden—zooals veel Aziaten—nog altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls ’n redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder uitzondering, maar—vooral in de lagere standen—heerscht by sommigen iets dat men het omgekeerde van bluf ofreklamezou kunnen noemen, en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed te-pas. Dat de kommissionair in lompen—een der schakels tusschen papierfabrikanten en voddenrapers—z’n grootmoeder daar op de straat liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht by den handel, bydienhandel, en daarby wou ze sterven. Ook was “zuur” en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander “vak” zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en zelfs met haar neus. Want zerookden graad van ontbinding waarin haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in ’t kader van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie—eens namelyk had ’n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje verboden... ’t is lang geleden!—de leerschool die ze had doorloopen met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor ’t aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting ontsnapt zyn—’t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden getuigen verzekerd—“als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in ’t knokenvak!” Maar ze troostte zich by ’t bedenken dat ook deze loopbaan wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, en Jehovah-zelf kon ’t niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, en de jongeheer Pompile dan, met z’n witte-gronden-driekleur, en z’n krieuweltjes? En m’nheer Wilkens met z’n diemetten? Welke ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar aanlanden, is toch zeker. Want Pompile wasvan de Walekerk, en Wilkens hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet.Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z’n rechterhand zich weten meester te maken van ’n touw. Na ’t stygen van ’n paar treden, was-i wel genoodzaakt z’n oogen te ontslaan van alle dienst, maar ’t gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z’n handen neer, die slechts van-tyd tot-tyd ’n oogenblik rust kregen als-i wat vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, ’n exercitie waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden aanbieden. Wouter hing daar—maar in ’t donker—als de “plukkers” van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van eiderdons in ’t hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in ’t XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z’n lot wezen zou als het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht aan, en werkte zich dapper tot ’n portaal hooger op. Hier hoopte hy dat-i zich ’n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo:nil sine labore!Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar helaas! Hy zag in, dat nog altyd z’n naastbyliggende plicht in stygen bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in ’t bochtig portaal, ’n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet ’n oog te slaan op ’t buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets, niets, niets te zien van ’n “sjabbasj engels-hemt.” Er hingen kousen en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo’n jongste-bediende op ’n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want de uienlucht werd sterker en sterker. Nog ’n beetje volharding, en hy zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond voelen, wel ’n halven palm in omtrek. En nòg ’n proef die goed afliep, en nòg een... hy had ietsonder zich, dat vergelykender-wys naar vasten bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al was er niets te zien van ’t feesthemd,hierzou ’t wezen! Hy klopte op den gis tegen den wand, en riep:m’nheerRoebens,m’nheerRoebens!—Nou, k’m m’r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in ’t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K’m in, en maak so’n lewaai niet. Me man is siek.Daar er ’n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw die zich vertoonde, beantwoordde z’n vraag of daarm’nheerRoebens woonde, bevestigend. En hy trad binnen.—Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met ’n mislukte poging om iets officieels te brengen in stem en houding.En hy haalde het smeerige briefje voor den dag.—Fader, zei de nog jonge vrouw, d’r binne ze-n-al met een f’n de wisseltjes... och Chot, de stumpert het ’r f’n nacht fan legge yle!Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van ’n bedstee.—Je heb ’m wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon.—Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke belangstelling dan z’n funktie meebracht of toeliet.Zeker, als ’t wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld ’n andermaal eens terug te komen.—Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f’n wie komt het?—Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith...—Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik fraag je wie de trekker is. Kyk jy ’ns Ribbetje, of ’t briefie is f’n Sjomele, of ’t briefie f’n Bussemakers, of ’t briefie f’n Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f’ndaag... een f’nsefen-en-dertig, sestien, acht, en een f’ndriehondert-drieen een f’nsevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater, Ribbetje, want ik heb so’n dorst f’n de koors.Sefehondert dertien, ses, twaalfis f’n Sjomele, en hier is ’t gelt.Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter verzocht haar ’t briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder ’t lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt niet beleedigd. Ze scheen ’t niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs dat ze ’r geen acht op sloeg.—’t Is f’n Sjomele, fader.—Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is ’t gelt.De zieke scheen bezig iets optedelven onder z’n matras. Men hoorde hem woelen en hygen, en weldra ’t geluid van gevulde geldzakken die tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter ’n latafel aan, waarop ter-nauwernood ’n plekje leeg was. Daar zou wel ’n pen liggen, zei ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken ’n aptekersfleschje met wat inkt.—Ja ... maar ... juffrouw ...—Ribbetje, ik hep weer so’n dorst, klaagde de zieke.Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op ’t bed van den zieke toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by ’t openen der gordynen ...—Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de opening niet grooter werd dan juist noodig was om ’t verlangde doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken geld aan.—Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me zou worden voorgeteld?—As ik je seg dâ ’k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil je? As ik heb geteekent m’n hant f’r betale, na, wâ sel ik doen? Ik betaal. En as ik teeken m’n hant f’r telle, sel ’k telle. Help ’m, Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so’n dorst f’n de koors. En tel ’m ’t gelt foor ...sefehondert dertien, ses, twaalf.Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit, en wilde beginnen te tellen. Maar ’t ging niet. Zyzelf kon niet wys worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te brengen. Men zou er ’n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het wel, en als ’n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de ooren, “als je ’r afkomt met ’n daalder, mag je van geluk spreken!” Hy werd zeer angstig.Daar stommelde iets op de trap, en ’t oude vygenvrouwtje vertoonde zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken en tellen.—Fader, d’r is grootemoe, en se seit ...Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig te maken tegen al die afgeknabbeldedertiend’halvenenschellingenen byna onherkenbare muntstukken.—Na, zei de zieke, ’k heb wel goet gelt ook as ’t weze mot. Hier, Ribbetje, neem an ...Hy reikte z’n vrouw ’n grooten zak over, die hy met blykbare moeite had opgegraven uit z’n beddegoed.—Neem an, Ribbetje, en tel er uit ...twee hondertstuks, en dan nog ...twintichstuks, en ...ses. En ... doe ’r ’nachtetwintichby, die goet is, en ... sesUiterseduiten, en laat ’m gaan met Chot! En geef me te drinken, Ribbetje, w’nt ik hep so’n dorst.Wouter ontving z’n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennenvan vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren mevrouw Kopperlith ...Zonder ’t minste opzet om ’t rimpelig moedertje natepraten, wenschte hy haar by ’t weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m’nheer Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal!Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin dat-i—sakkerloot, hoe jammer!—by het teekenen ... z’n krul vergeten had. Nu, dàt ’n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de mooiste krul.Alweer over ’t kleine.Wouterwordt op post gezet voor de zenuwen van “mevrouw.” Kent de lezerGus Hallemannog? Verhandeling over het denken. De auteur maakt tenslottefiascoincolloquia prava.1Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken reeds, byna zonder afwisseling rondleid op ’n tentoonstelling van nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak ... op die nietigheden zeker niet, maar op m’n arbeid. Een zeer groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit ’n aaneenschakeling van ’t geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik deze eigenaardigheid over ’t hoofd zag. En aan de goede trouw, als ik ’t deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare juistheid “aristokratie van den smaak” wordt genoemd. Ook ’t woord: tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m’n arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om evenwel ook de vele graven en markiezen onder m’n lezers tot moedhouden optewekken—onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere voornamigheid logeeren in stal of keuken—verbind ik my Wouter niet te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan ’t een of ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur ’n huis voor hem op deKeizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo’n sprong noodig is, wacht ik ’n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid af. In kalme stemming zou ’t niet lukken. Het is echter de vraag of hy—aangeland in zóó verheven sfeer—fyner dingen zal te zien krygen dan de aandoening die ’t oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt ’n herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus haar “handel” over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers, alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis van haar kleinzoon.Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeerburgerlykevoorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud, fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin—op de naïveteit na—nog altyd op de laagte stond van ’t kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den smaak. De eenige eisch is:waarheid. Den kunstenaar die hiernaar streeft, zal al ’t andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de toejuiching derkoprolithenna, die hy missen kan.Wouter oogstte by m’nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van z’n tocht, en vernam tot hartsterking: “dat-i ’t by-gelegenheid eens weer mocht doen.” Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m’nheer Pompile, het knippen en opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z’n werk, om nu niet te spreken van ’t vegen op de zolders en in ’t magazyn, lokalen waar, volgens m’nheer Wilkens, voor ’n jong-mensch altyd iets te leeren viel.Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen jongste-bediende in ’n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan ’t verheffen van z’n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming, als ’t in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem te beschikken hebben. De bekende spreuk:il n’y a pas de sot métier, il n’y a que de sottes gensacht ik hier van volkomen toepassing. Een geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van ’t handwerk, is de moeite der ontwikkeling niet waard.In-weerwil?Dit is de vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in mynMattheus XIXde hier behandelde stelling aan. “Uit de Schrift leert men strikvragen stellen, maar er is veel antwoords in ’t denken by ’t spinnewiel.”2Niemand staat voor ’t geringe te hoog, en zeker was dit dan ook ’t geval niet met onzen Wouter, die aan ’t breidelen van z’n begeerten zoo byzondere behoefte had. De kwestie was of-inetjesknipte en plakte, of z’n kopiekorrektwas? Hierin alleen lag z’n naastbyliggende plicht, en niet in’t onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet ook Jezus voor, getrouw te zyn in ’t kleine?Nog ’n andere bezigheid kwam—aanvankelyk nu-en-dan, later byna geregeld—voor Wouter’s rekening. Hoe weinig er ook in de zomermaanden “gehandeld” werd, toch kwam het by-uitzondering voor, dat er verzendingen moesten geschieden “naar buiten.” Het “pakken” van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in ’t voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, en de posten die deze interventie op ’t “weekbriefje” te-voorschyn bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van Gerrit’s rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over den uitslag van z’n eerste poging om dat werk te verrichten—men had het tot-nog-toe voor ’n vak gehouden dat zonder speciale opleiding ontoegankelyk was—dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch gebouwd—gemetseld, had ik byna gezegd—netjes genaaid, wèl bestand tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men kon ze “over ’n huis gooien” als ’n wel-ingepènd kraamkind uit de oude bakerschool. “Het is of-i ’t al z’n leven gedaan heeft!” betuigde zelfs m’nheer Wilkens in ’n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet erkennen dat ook Wouter schik had in ’n bekwaamheid die hem verraste, ’t Was hem ’n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z’n overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd ’n bezigheid voor hem uitgedacht... neen, ’n bezigheid was ’t eigenlyk niet. Het was ’n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de hier bedoelde zaak van ’n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het personeel op de gewone inleiding tot z’n belangryke gesprekken:—Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is.—Zoo, papa?—Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht gedroomd heeft!—Dat is zeker nogal heel akelig, papa!—Ze heeft gistr’avend kreeftensla gegeten, weetje?—Zoo, papa?—En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.—Dat is wel verdrietig, papa!—Niet waar?—Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie Krucker...—Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...—Hè, papa?—Ja, zóó erg is ’t! Want... het ophalen van de draad maakt zoo’n vreeselyk leven, zegt mama.—Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, papa? Ze zeggen...—Maar, Pompile, wat zullen wy ’r aan doen? Mama lust haar portwyn ook niet meer...—Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!—En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt.—Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig van madera?—Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar ’t helpt allemaal niet, als er zoo’n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile!—Ja, papa!—De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van.—Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan ’t venster, zieje? En je ziet... wie ’t is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als ’t dan iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als ’t voor “huis” is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m’nheer Eugène... niet waar, Eugène?—Hm!...dat er iemand voor “huis” is, zieje? En dan zeg je-n-aan m’nheer Eugènewieer is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan, dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten, papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd...Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan de Hockers gezegd had? Vorder ’t onmogelyke niet, lezer! Zonder nu juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter’s eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten’n groote rol in m’n geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van ’t gesprek waarop hier de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy stond reeds lang op-post achter de glasdeur van ’t magazyn, voor die teedere zoon z’n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie.Ja, daar stond-i! Met z’n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor ’t geval dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith’s zenuwachtigheid te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht voor mevrouw Kopperlith’s rust! Geen vlieg zou kunnen naderen zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht ’n schildknaap die zich voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie mee in z’n wapen-vigilie dan Wouter aan z’n afmattende taak ten-koste lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat z’n naastbyliggende plicht alweer met z’n wenschen noch met z’n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, en z’n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy, dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om “iets te worden in de wereld” en ’t kwam niet in hem op dat er misbruik werd gemaakt van z’n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling die hy te bestryden had—en den stank!—als zoovele vyanden die op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner gedachten ’n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen, maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting van de reien der straatsteenen, ’n voorbydryvend wolkjen... alles en ’t minste was voldoende om hem aan ’t denken te brengen en te houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van ’t besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds byna gereed met z’n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat wezen zouden ’n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z’n nalatigheid, en beloofde zich plechtig z’n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, redeneeren, te offeren op ’t altaar van z’n onverheven plicht. Zoo ver mogelyk liet hy z’n blikken rechts en links de straat beheerschen, om by-tyds—en liefst te vroeg—te kunnen beoordeelen welke onverlaat ’n storing der rust van mevrouw Kopperlith in ’t schild voerde. Maar zéér ver reikten z’n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen saamgedrongen tot ’n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, enhem telkens plaagde met den angst dat z’n waarschuwing te laat komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maarvoortdurendtikte, eniedereenvan ’t beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou gek staan! Wat zou ik zeggen? “M’nheer, ben je-n-ook misschien van plan hier aanteschellen aan de bovendeur?” Hy zag in, dat dit niet kon. En ook, dat er in den handel ’n groote mate van geduld noodig is. En dan... dat pynlyk slapen van z’n linkerbeen!Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z’n loopbaan slechts twee keer ’n fout. Eens had ’n bedelbrief-industrieel z’n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat zou er van hem worden by zoo’n slordige plichts-vervulling?Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor den neus dicht, en ging op ’t kantoor aan m’nheer Eugène zeggen: dat mevrouw Kalbb daar was: “voor huis” naar-i giste. Zeker, ze kwam voor “huis” en was zeer boos “dat die jongen ’t in z’n hersens had genomen, háár niet doortelaten.” Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht in ’t groote verschil tusschen: “papa’s eigen dochter, mevrouw Kalbb, weetje, de eigen vrouw van den konsul van ’t heele land Elsas, weetje, en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in ’t magazyn!”Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel inderdaad ’n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith’s aangaat... wat wistenzydaarvan? Het verslonsen eener ziel is geen handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan hielden ze treffende verhandelingen over ’t bederf der kleuren van de stapeltjes die vooraan in ’t magazyn beschenen werden door ’n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met ’n stuk zaklinnen of papier, want:—Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my!Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z’n oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z’n gemoed aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter wàs niet eens ’n broeder. Geen neef zelfs. Hy was ’n burgerjongetje, en de heeren Kopperlith woonden op deKeizersgracht. Ze behoefden ’t zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van ’t besef dat gekleurde lappen ’t licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen?Magnus Apollo!Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was ’t ergste niet! Aan veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen, of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen ’s weeks kwam hy met ledige handen op ’t kantoor. De toon waarop hem dan de jongeheer vroeg: “of eralweerniets was?” maakte den indruk alsofhy’t helpen kon dat niemand ’n wittegrondje-driekleur bestelde. Toch was hem die gang naar ’t postkantoor en ’t wachten daar, een der minst onaangename plichtjes van z’n betrekking, en hierin lag juist het gevaarlyke.De soort van ’t gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik reeds met ’n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling, zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste hoofdstuk van z’n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid—ook zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits:vermoeiend!—dan had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden, en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest genezen worden van z’n voorliefde voor ’tkontemplatieve, de klip waarop zoovelen—en de slechtsten niet!—te-gronde gaan, en die hen doet aanlanden in de buurt waar ze ’t minst te-huis behooren: by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste aanspraak op wetenschappelyken klank—maar de uitdrukking is er niet minder schilderachtig om—samenvatten in ’t huisbakken voorschrift: “zit niet te droomen, steek je handen uit!” Denken is voorwaar des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryfthandelingvoor. Demaatder splitsing tusschen ’n geoorloofd toegeven in bespiegeling, en dat: “handen-uitsteken” is evenwel geenszins voor allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de korrekte toepassing vanbeiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk niet hooger dan de domste “man van zaken.” We kunnen evenmin in de wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om aan ’t vervliegen van geest de voorkeur te geven boven ’t smoren van geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak, en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot overslaan, wanneer we onderscheiden individuenmet elkandervergelyken, maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In sommige perioden van het leven hebbenwy ons in acht te nemen tegen de gevaren van onberaden vlucht. ’n Andermaal moeten wy onszelf opwekken en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn.Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht met die vreeselyke “naastbyliggende plichtjes” vorderde wel zware inspanning, doch wortelde niet in ’n beginsel. Hy deed dit omdat-i by-uitstekdocielwas, en ’t werd hem voorgeschreven door iemand dien hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou ’t zichzelf hebben toegerekend als ’n goedige poging om dokter Holsma pleizier te doen. En deze beschouwde z’n voorschrift eenvoudig als ’n tydelyk middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen van z’n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: “handen-uitsteken” behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indienikover hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by ’n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit ambacht te bepalen—’n smid met Wouter’s gaven zou zich onmisbaar ontwikkelen tot ’nKrupp!—maar om z’n al te eenzydige neiging tot hetkontemplatievete-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan ’s avonds neervallen op z’n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na ’t uittrekken van z’n tweede kous, ja van z’n eerste misschien. En wat het opwekken, aanwakkeren en voeden van z’n zucht tot bespiegeling aangaat, juist dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting “halt!” toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men zich meent bezig te houden:alleen met denken.Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien had kunnen zetten waarvan z’n ziel vervuld was, doch die hy nu niet verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, by-gebreke van zoo’n handleiding liep hy gevaar...Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by ’t postkantoor! Zy zouden ’t hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter’s eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet voldaan werd. En wat de “heeren op ’t kantoor” aangaat... ze deden er niet in.Doch in gezelligheid werd wèl “gedaan” door die jongeluî aan ’t postkantoor. Nu ik eenmaal—met stoute miskenning der waarheid zoowel, als van de lokaal-kleur—de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot ’n “handelshuis” heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting met een der Hallemannen. Ook hy was: “jongste-bediende.” Wouter sprak hem aan, en zei: “Gus!”—Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik.Wouter keek vreemd op by dit “geloof”. Maar Pieterse wàs-i.—Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer?—Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen kinderachtigheid verdragen kan. ’t Lykt wel of we schooljongens zyn, zoo praat je!Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i:Hallemanhad moeten zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z’n eigen familienaam mannelyker en aanzienlyker te vinden dan:Wouter. Hy zag al zeer spoedig dien Gus voor ’n groot man aan, die ’n breede opvatting van ’t leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad ’n tweetal jaren ouder dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg.Ach, lezer, ik heb ’n verdrietig werk te doen. Vloek over de ellendelingen die m’n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking!—En by wie ben jy op ’t kantoor?—By de heeren Ouwetyd & Kopperlith...Keizersgracht, weetje?—Hm! Dat’s nu juist zoo’n heel groot huis niet! In ’t geheel niet.Wydoen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè?—Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas.—Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat’s ’n rare!Nieuw aangekomen “jongeluî” sloten zich aan, en hadden heusch als wezenlyke menschen gegroet met: “morge, heeren!” Misselyk en komiek, maar ’t was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich zoo’n verheffing zelfs in ’n droom niet durven voorstellen. Helaas, hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld ’n stukheerte zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets alsheerenwilden doorgaan!—Zeg, dàt’s ’n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vindjeluidie?De “heeren” vonden ’t byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was voor spot, werd verlegen.—Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt misschien?—Wyzyn op Portugal, zei ’n derde.—Enwyop de Oostzee. Granen, weetje?—Hoe héét dan je huis? vroeg ’n vyfde.Wouter noemde de firma.—Wel, wat bliksem...’t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele troepje. Toch ging ’t de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing van al hun mannelykheid. Dit was er ’t grappige van.—Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In manufakturen, zeg ik je.En de spreker-zelf betuigde dat-i “in” assurantie was.—Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje?En allen beschouwden met eerbied ’n pakje blanko-dokumenten, dat de loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had.—Ja, ja, polissen! zei Gus, met ’n nadruk die zooveel beduidde als: “ikweet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan.”—Kyk, wat ’n mooie meid!—Pst, pst! Hei! Kom ’reis hier!Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen.—’t Is Mie uit de bakkery, zei ’t huis op Portugal. Nou!Welke lezer verstaat dit “nou?”—Nou! zei ’n tweede.—Nou! herhaalde ’t koor.Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Konhy’t helpen dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon, die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith’s!Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z’n leermeesters vroeg hem:—Ben jy op ’n kantoor,jy?—Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter.—Weet je watikgeloof? Ik geloof dat je nog maar ’n nuchter kalf bent. Dàt geloof ik er van!En deze overtuiging werd bezegeld met ’n kernachtige heerenuitdrukking.—Hy is zoo onnoozel als...Als ’t een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat anders, wanneer ’t slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was.—Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan komen? Nou... dàt mankeert er maar aan!Goddank, dit wist Wouter! En als hy ’t niet geweten had, zou hy hier in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op ’n maniersui generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande mannelykheid hield hy zich alssedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en heel leelyk stond.’t Was ’n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust uitvoeriger te zyn.Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving, treurig genoeg.1= kwade samensprekingen.2I. 183.
Een allernietigst geschiedenisje. Na ’t bywonen van ’n middagmaal in de open lucht, wordt de lezer onthaald op ’n moeielyken tocht naar de derde verdieping, waarWouternog altyd niet vermoord wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten lezer zal de auteur zich weten te troosten.Quo non ascendam?Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in ’n stad, en wel bepaaldelyk naar ’t oude vrouwtje met die vygen.Zeker neem ik ’t háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen professer Oosterzee en andere steunpilaren van ’t ware Geloof. Inplaats daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de myne niet onwaard. Al zy ’t dan dat m’n intelligentie niet ontwikkeld genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere mysterien—getuige die duit van zoo-even—toch overvalt me soms ’n aanval van fierheid op m’n onwetendheid, tegenover de velen die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik, byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... ’n ziel heeft ze. En ’n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo lange baan zonder ten-minsteietsoptevangen van de indrukken die hy ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad, meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? ’t Moet zoo geweest zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was ’t dan ook maar met de uitverkorenheid van ’n enkel oogenblik. Velen van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by ’t doodbed gestaan van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen, heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en wegsleepen misschien, omdat er ’n Prins zou voorbykomen, omdat er ’n Keizer jarig was, omdat de christenen ’n Bededag wilden houden of ’n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z’n humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van ’t straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die door de groote-mannetjesdu jourworden geworpen in den oceaan der Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes bereiken? Veel is haar over ’t hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al dommer en dommer door u verheven te wanen boven ’t allerkleinste. En vooral... zit niet zoo uilig te wachten op ’t lichtstraaltjen uit de lantaarns van dePrescotten, en deMac-Auleysen deMills. De ware studie van den mensch is:de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt zoo’n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan ’n speetje.Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet—wàs ’t ’n gelaat?—het waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing waar ze verkoos. Is ’t wonder dat die overkompleete lappen wel eens misbruik maakten van ’t volslagen gemis aan tucht en kontrole?Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van ’n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, ’n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite en verlies naar den mond geleidde met ’n yzer drietandje, geleend misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen blik ’t onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook om den snoeplust van andere kinderen optewekken—wie toch doorgrondt de finesses van den handel?—neen... uit hartelyke genegenheid voor ’t jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy ’t kind ’n ristje van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan moest uitkeeren aan z’n zusje.—En mag ik dan ’t stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? ’t Heele stokje?—Ja, liewes, jy mag ’t stokje houden, heelemaal!De oogen van ’t kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes aangeregen, en: “ik mag ’t stokje houden!” juichte de kleine. Toen ’t oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan ’t kind terug, met liefkozingen en ’n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by ’n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn.Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die ’t smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op ’n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belastwas met ’n gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook inGloriosokwamen zeer oude vrouwtjes voor, die op ’t beslissend oogenblik in welgewapende mannen veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i “zaken” had, maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts nu-en-dan ’n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van de vygen- en zuurvrouw, moest naar z’n berekening de gezochte persoon wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger ’t onsmakelyk praedikaat van z’n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit ’n wissel kon betaald worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich ’n oogenblik afleiden van z’n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast als-i was, haalde het juichen van den knaap hemNumeri XIIIvoor den geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels en... vygen. “Ook dáár wordt gesproken van ’n stok, van ’ndraagstok,” dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets anders dan z’n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy ’t kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte.—Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder gewicht te hechten aan Wouter’s nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch m’nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle bemoeienis met de zaken van ’n ander verafschuwden, hadden besef van ’t genot der aandoening die de DuitschersMenschenfreundlichkeitnoemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. ’t Is iets als de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravendeMenschenliefdedie maar ’n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken, levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich ’n gelegenheid aanbood zich eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van Roebens, den man dien-i zocht.—M’n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met ’m? Chots seeche d’r op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust na-bove, en loop m’r deur tot ’t derde pertaal, waar je die dékes ziet hangen, en al dat beddechoed, en z’n sjabasjengels-hemt. En je klopt an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m’n êêche kleinsoon, en Racheltje’s fader, werachtich as Chot!Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben’s maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd voor dat de beschikker over ’n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, de kleinzoon wezen zou van ’n arme zuurvrouw, en Racheltje’s vader. Hy kende de eigenaardigheid niet die de Joden—zooals veel Aziaten—nog altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls ’n redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder uitzondering, maar—vooral in de lagere standen—heerscht by sommigen iets dat men het omgekeerde van bluf ofreklamezou kunnen noemen, en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed te-pas. Dat de kommissionair in lompen—een der schakels tusschen papierfabrikanten en voddenrapers—z’n grootmoeder daar op de straat liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht by den handel, bydienhandel, en daarby wou ze sterven. Ook was “zuur” en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander “vak” zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en zelfs met haar neus. Want zerookden graad van ontbinding waarin haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in ’t kader van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie—eens namelyk had ’n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje verboden... ’t is lang geleden!—de leerschool die ze had doorloopen met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor ’t aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting ontsnapt zyn—’t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden getuigen verzekerd—“als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in ’t knokenvak!” Maar ze troostte zich by ’t bedenken dat ook deze loopbaan wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, en Jehovah-zelf kon ’t niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, en de jongeheer Pompile dan, met z’n witte-gronden-driekleur, en z’n krieuweltjes? En m’nheer Wilkens met z’n diemetten? Welke ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar aanlanden, is toch zeker. Want Pompile wasvan de Walekerk, en Wilkens hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet.Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z’n rechterhand zich weten meester te maken van ’n touw. Na ’t stygen van ’n paar treden, was-i wel genoodzaakt z’n oogen te ontslaan van alle dienst, maar ’t gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z’n handen neer, die slechts van-tyd tot-tyd ’n oogenblik rust kregen als-i wat vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, ’n exercitie waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden aanbieden. Wouter hing daar—maar in ’t donker—als de “plukkers” van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van eiderdons in ’t hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in ’t XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z’n lot wezen zou als het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht aan, en werkte zich dapper tot ’n portaal hooger op. Hier hoopte hy dat-i zich ’n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo:nil sine labore!Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar helaas! Hy zag in, dat nog altyd z’n naastbyliggende plicht in stygen bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in ’t bochtig portaal, ’n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet ’n oog te slaan op ’t buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets, niets, niets te zien van ’n “sjabbasj engels-hemt.” Er hingen kousen en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo’n jongste-bediende op ’n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want de uienlucht werd sterker en sterker. Nog ’n beetje volharding, en hy zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond voelen, wel ’n halven palm in omtrek. En nòg ’n proef die goed afliep, en nòg een... hy had ietsonder zich, dat vergelykender-wys naar vasten bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al was er niets te zien van ’t feesthemd,hierzou ’t wezen! Hy klopte op den gis tegen den wand, en riep:m’nheerRoebens,m’nheerRoebens!—Nou, k’m m’r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in ’t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K’m in, en maak so’n lewaai niet. Me man is siek.Daar er ’n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw die zich vertoonde, beantwoordde z’n vraag of daarm’nheerRoebens woonde, bevestigend. En hy trad binnen.—Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met ’n mislukte poging om iets officieels te brengen in stem en houding.En hy haalde het smeerige briefje voor den dag.—Fader, zei de nog jonge vrouw, d’r binne ze-n-al met een f’n de wisseltjes... och Chot, de stumpert het ’r f’n nacht fan legge yle!Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van ’n bedstee.—Je heb ’m wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon.—Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke belangstelling dan z’n funktie meebracht of toeliet.Zeker, als ’t wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld ’n andermaal eens terug te komen.—Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f’n wie komt het?—Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith...—Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik fraag je wie de trekker is. Kyk jy ’ns Ribbetje, of ’t briefie is f’n Sjomele, of ’t briefie f’n Bussemakers, of ’t briefie f’n Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f’ndaag... een f’nsefen-en-dertig, sestien, acht, en een f’ndriehondert-drieen een f’nsevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater, Ribbetje, want ik heb so’n dorst f’n de koors.Sefehondert dertien, ses, twaalfis f’n Sjomele, en hier is ’t gelt.Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter verzocht haar ’t briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder ’t lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt niet beleedigd. Ze scheen ’t niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs dat ze ’r geen acht op sloeg.—’t Is f’n Sjomele, fader.—Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is ’t gelt.De zieke scheen bezig iets optedelven onder z’n matras. Men hoorde hem woelen en hygen, en weldra ’t geluid van gevulde geldzakken die tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter ’n latafel aan, waarop ter-nauwernood ’n plekje leeg was. Daar zou wel ’n pen liggen, zei ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken ’n aptekersfleschje met wat inkt.—Ja ... maar ... juffrouw ...—Ribbetje, ik hep weer so’n dorst, klaagde de zieke.Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op ’t bed van den zieke toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by ’t openen der gordynen ...—Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de opening niet grooter werd dan juist noodig was om ’t verlangde doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken geld aan.—Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me zou worden voorgeteld?—As ik je seg dâ ’k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil je? As ik heb geteekent m’n hant f’r betale, na, wâ sel ik doen? Ik betaal. En as ik teeken m’n hant f’r telle, sel ’k telle. Help ’m, Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so’n dorst f’n de koors. En tel ’m ’t gelt foor ...sefehondert dertien, ses, twaalf.Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit, en wilde beginnen te tellen. Maar ’t ging niet. Zyzelf kon niet wys worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te brengen. Men zou er ’n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het wel, en als ’n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de ooren, “als je ’r afkomt met ’n daalder, mag je van geluk spreken!” Hy werd zeer angstig.Daar stommelde iets op de trap, en ’t oude vygenvrouwtje vertoonde zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken en tellen.—Fader, d’r is grootemoe, en se seit ...Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig te maken tegen al die afgeknabbeldedertiend’halvenenschellingenen byna onherkenbare muntstukken.—Na, zei de zieke, ’k heb wel goet gelt ook as ’t weze mot. Hier, Ribbetje, neem an ...Hy reikte z’n vrouw ’n grooten zak over, die hy met blykbare moeite had opgegraven uit z’n beddegoed.—Neem an, Ribbetje, en tel er uit ...twee hondertstuks, en dan nog ...twintichstuks, en ...ses. En ... doe ’r ’nachtetwintichby, die goet is, en ... sesUiterseduiten, en laat ’m gaan met Chot! En geef me te drinken, Ribbetje, w’nt ik hep so’n dorst.Wouter ontving z’n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennenvan vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren mevrouw Kopperlith ...Zonder ’t minste opzet om ’t rimpelig moedertje natepraten, wenschte hy haar by ’t weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m’nheer Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal!Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin dat-i—sakkerloot, hoe jammer!—by het teekenen ... z’n krul vergeten had. Nu, dàt ’n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de mooiste krul.
Een allernietigst geschiedenisje. Na ’t bywonen van ’n middagmaal in de open lucht, wordt de lezer onthaald op ’n moeielyken tocht naar de derde verdieping, waarWouternog altyd niet vermoord wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten lezer zal de auteur zich weten te troosten.Quo non ascendam?
Een allernietigst geschiedenisje. Na ’t bywonen van ’n middagmaal in de open lucht, wordt de lezer onthaald op ’n moeielyken tocht naar de derde verdieping, waarWouternog altyd niet vermoord wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten lezer zal de auteur zich weten te troosten.Quo non ascendam?
Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in ’n stad, en wel bepaaldelyk naar ’t oude vrouwtje met die vygen.Zeker neem ik ’t háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen professer Oosterzee en andere steunpilaren van ’t ware Geloof. Inplaats daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de myne niet onwaard. Al zy ’t dan dat m’n intelligentie niet ontwikkeld genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere mysterien—getuige die duit van zoo-even—toch overvalt me soms ’n aanval van fierheid op m’n onwetendheid, tegenover de velen die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik, byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... ’n ziel heeft ze. En ’n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo lange baan zonder ten-minsteietsoptevangen van de indrukken die hy ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad, meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? ’t Moet zoo geweest zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was ’t dan ook maar met de uitverkorenheid van ’n enkel oogenblik. Velen van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by ’t doodbed gestaan van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen, heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en wegsleepen misschien, omdat er ’n Prins zou voorbykomen, omdat er ’n Keizer jarig was, omdat de christenen ’n Bededag wilden houden of ’n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z’n humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van ’t straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die door de groote-mannetjesdu jourworden geworpen in den oceaan der Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes bereiken? Veel is haar over ’t hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al dommer en dommer door u verheven te wanen boven ’t allerkleinste. En vooral... zit niet zoo uilig te wachten op ’t lichtstraaltjen uit de lantaarns van dePrescotten, en deMac-Auleysen deMills. De ware studie van den mensch is:de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt zoo’n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan ’n speetje.
Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet—wàs ’t ’n gelaat?—het waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing waar ze verkoos. Is ’t wonder dat die overkompleete lappen wel eens misbruik maakten van ’t volslagen gemis aan tucht en kontrole?
Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van ’n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, ’n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite en verlies naar den mond geleidde met ’n yzer drietandje, geleend misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen blik ’t onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook om den snoeplust van andere kinderen optewekken—wie toch doorgrondt de finesses van den handel?—neen... uit hartelyke genegenheid voor ’t jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy ’t kind ’n ristje van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan moest uitkeeren aan z’n zusje.
—En mag ik dan ’t stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? ’t Heele stokje?
—Ja, liewes, jy mag ’t stokje houden, heelemaal!
De oogen van ’t kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes aangeregen, en: “ik mag ’t stokje houden!” juichte de kleine. Toen ’t oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan ’t kind terug, met liefkozingen en ’n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by ’n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn.
Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die ’t smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op ’n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belastwas met ’n gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook inGloriosokwamen zeer oude vrouwtjes voor, die op ’t beslissend oogenblik in welgewapende mannen veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i “zaken” had, maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts nu-en-dan ’n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van de vygen- en zuurvrouw, moest naar z’n berekening de gezochte persoon wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger ’t onsmakelyk praedikaat van z’n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit ’n wissel kon betaald worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich ’n oogenblik afleiden van z’n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast als-i was, haalde het juichen van den knaap hemNumeri XIIIvoor den geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels en... vygen. “Ook dáár wordt gesproken van ’n stok, van ’ndraagstok,” dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets anders dan z’n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy ’t kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte.
—Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.
Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder gewicht te hechten aan Wouter’s nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch m’nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle bemoeienis met de zaken van ’n ander verafschuwden, hadden besef van ’t genot der aandoening die de DuitschersMenschenfreundlichkeitnoemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. ’t Is iets als de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravendeMenschenliefdedie maar ’n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken, levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich ’n gelegenheid aanbood zich eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van Roebens, den man dien-i zocht.
—M’n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met ’m? Chots seeche d’r op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust na-bove, en loop m’r deur tot ’t derde pertaal, waar je die dékes ziet hangen, en al dat beddechoed, en z’n sjabasjengels-hemt. En je klopt an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m’n êêche kleinsoon, en Racheltje’s fader, werachtich as Chot!
Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben’s maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd voor dat de beschikker over ’n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, de kleinzoon wezen zou van ’n arme zuurvrouw, en Racheltje’s vader. Hy kende de eigenaardigheid niet die de Joden—zooals veel Aziaten—nog altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls ’n redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder uitzondering, maar—vooral in de lagere standen—heerscht by sommigen iets dat men het omgekeerde van bluf ofreklamezou kunnen noemen, en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed te-pas. Dat de kommissionair in lompen—een der schakels tusschen papierfabrikanten en voddenrapers—z’n grootmoeder daar op de straat liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht by den handel, bydienhandel, en daarby wou ze sterven. Ook was “zuur” en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander “vak” zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en zelfs met haar neus. Want zerookden graad van ontbinding waarin haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in ’t kader van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie—eens namelyk had ’n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje verboden... ’t is lang geleden!—de leerschool die ze had doorloopen met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor ’t aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting ontsnapt zyn—’t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden getuigen verzekerd—“als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in ’t knokenvak!” Maar ze troostte zich by ’t bedenken dat ook deze loopbaan wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, en Jehovah-zelf kon ’t niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, en de jongeheer Pompile dan, met z’n witte-gronden-driekleur, en z’n krieuweltjes? En m’nheer Wilkens met z’n diemetten? Welke ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar aanlanden, is toch zeker. Want Pompile wasvan de Walekerk, en Wilkens hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet.
Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z’n rechterhand zich weten meester te maken van ’n touw. Na ’t stygen van ’n paar treden, was-i wel genoodzaakt z’n oogen te ontslaan van alle dienst, maar ’t gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z’n handen neer, die slechts van-tyd tot-tyd ’n oogenblik rust kregen als-i wat vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, ’n exercitie waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden aanbieden. Wouter hing daar—maar in ’t donker—als de “plukkers” van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van eiderdons in ’t hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in ’t XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z’n lot wezen zou als het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht aan, en werkte zich dapper tot ’n portaal hooger op. Hier hoopte hy dat-i zich ’n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo:nil sine labore!
Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar helaas! Hy zag in, dat nog altyd z’n naastbyliggende plicht in stygen bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in ’t bochtig portaal, ’n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet ’n oog te slaan op ’t buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets, niets, niets te zien van ’n “sjabbasj engels-hemt.” Er hingen kousen en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo’n jongste-bediende op ’n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want de uienlucht werd sterker en sterker. Nog ’n beetje volharding, en hy zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond voelen, wel ’n halven palm in omtrek. En nòg ’n proef die goed afliep, en nòg een... hy had ietsonder zich, dat vergelykender-wys naar vasten bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al was er niets te zien van ’t feesthemd,hierzou ’t wezen! Hy klopte op den gis tegen den wand, en riep:m’nheerRoebens,m’nheerRoebens!
—Nou, k’m m’r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in ’t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K’m in, en maak so’n lewaai niet. Me man is siek.
Daar er ’n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw die zich vertoonde, beantwoordde z’n vraag of daarm’nheerRoebens woonde, bevestigend. En hy trad binnen.
—Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met ’n mislukte poging om iets officieels te brengen in stem en houding.
En hy haalde het smeerige briefje voor den dag.
—Fader, zei de nog jonge vrouw, d’r binne ze-n-al met een f’n de wisseltjes... och Chot, de stumpert het ’r f’n nacht fan legge yle!
Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van ’n bedstee.
—Je heb ’m wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon.
—Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke belangstelling dan z’n funktie meebracht of toeliet.
Zeker, als ’t wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld ’n andermaal eens terug te komen.
—Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f’n wie komt het?
—Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith...
—Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik fraag je wie de trekker is. Kyk jy ’ns Ribbetje, of ’t briefie is f’n Sjomele, of ’t briefie f’n Bussemakers, of ’t briefie f’n Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f’ndaag... een f’nsefen-en-dertig, sestien, acht, en een f’ndriehondert-drieen een f’nsevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater, Ribbetje, want ik heb so’n dorst f’n de koors.Sefehondert dertien, ses, twaalfis f’n Sjomele, en hier is ’t gelt.
Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter verzocht haar ’t briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder ’t lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt niet beleedigd. Ze scheen ’t niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs dat ze ’r geen acht op sloeg.
—’t Is f’n Sjomele, fader.
—Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is ’t gelt.
De zieke scheen bezig iets optedelven onder z’n matras. Men hoorde hem woelen en hygen, en weldra ’t geluid van gevulde geldzakken die tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter ’n latafel aan, waarop ter-nauwernood ’n plekje leeg was. Daar zou wel ’n pen liggen, zei ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken ’n aptekersfleschje met wat inkt.
—Ja ... maar ... juffrouw ...
—Ribbetje, ik hep weer so’n dorst, klaagde de zieke.
Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op ’t bed van den zieke toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by ’t openen der gordynen ...
—Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de opening niet grooter werd dan juist noodig was om ’t verlangde doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken geld aan.
—Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me zou worden voorgeteld?
—As ik je seg dâ ’k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil je? As ik heb geteekent m’n hant f’r betale, na, wâ sel ik doen? Ik betaal. En as ik teeken m’n hant f’r telle, sel ’k telle. Help ’m, Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so’n dorst f’n de koors. En tel ’m ’t gelt foor ...sefehondert dertien, ses, twaalf.
Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit, en wilde beginnen te tellen. Maar ’t ging niet. Zyzelf kon niet wys worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te brengen. Men zou er ’n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het wel, en als ’n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de ooren, “als je ’r afkomt met ’n daalder, mag je van geluk spreken!” Hy werd zeer angstig.
Daar stommelde iets op de trap, en ’t oude vygenvrouwtje vertoonde zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken en tellen.
—Fader, d’r is grootemoe, en se seit ...
Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig te maken tegen al die afgeknabbeldedertiend’halvenenschellingenen byna onherkenbare muntstukken.
—Na, zei de zieke, ’k heb wel goet gelt ook as ’t weze mot. Hier, Ribbetje, neem an ...
Hy reikte z’n vrouw ’n grooten zak over, die hy met blykbare moeite had opgegraven uit z’n beddegoed.
—Neem an, Ribbetje, en tel er uit ...twee hondertstuks, en dan nog ...twintichstuks, en ...ses. En ... doe ’r ’nachtetwintichby, die goet is, en ... sesUiterseduiten, en laat ’m gaan met Chot! En geef me te drinken, Ribbetje, w’nt ik hep so’n dorst.
Wouter ontving z’n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennenvan vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren mevrouw Kopperlith ...
Zonder ’t minste opzet om ’t rimpelig moedertje natepraten, wenschte hy haar by ’t weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m’nheer Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal!
Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin dat-i—sakkerloot, hoe jammer!—by het teekenen ... z’n krul vergeten had. Nu, dàt ’n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de mooiste krul.
Alweer over ’t kleine.Wouterwordt op post gezet voor de zenuwen van “mevrouw.” Kent de lezerGus Hallemannog? Verhandeling over het denken. De auteur maakt tenslottefiascoincolloquia prava.1Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken reeds, byna zonder afwisseling rondleid op ’n tentoonstelling van nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak ... op die nietigheden zeker niet, maar op m’n arbeid. Een zeer groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit ’n aaneenschakeling van ’t geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik deze eigenaardigheid over ’t hoofd zag. En aan de goede trouw, als ik ’t deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare juistheid “aristokratie van den smaak” wordt genoemd. Ook ’t woord: tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m’n arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om evenwel ook de vele graven en markiezen onder m’n lezers tot moedhouden optewekken—onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere voornamigheid logeeren in stal of keuken—verbind ik my Wouter niet te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan ’t een of ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur ’n huis voor hem op deKeizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo’n sprong noodig is, wacht ik ’n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid af. In kalme stemming zou ’t niet lukken. Het is echter de vraag of hy—aangeland in zóó verheven sfeer—fyner dingen zal te zien krygen dan de aandoening die ’t oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt ’n herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus haar “handel” over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers, alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis van haar kleinzoon.Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeerburgerlykevoorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud, fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin—op de naïveteit na—nog altyd op de laagte stond van ’t kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den smaak. De eenige eisch is:waarheid. Den kunstenaar die hiernaar streeft, zal al ’t andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de toejuiching derkoprolithenna, die hy missen kan.Wouter oogstte by m’nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van z’n tocht, en vernam tot hartsterking: “dat-i ’t by-gelegenheid eens weer mocht doen.” Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m’nheer Pompile, het knippen en opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z’n werk, om nu niet te spreken van ’t vegen op de zolders en in ’t magazyn, lokalen waar, volgens m’nheer Wilkens, voor ’n jong-mensch altyd iets te leeren viel.Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen jongste-bediende in ’n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan ’t verheffen van z’n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming, als ’t in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem te beschikken hebben. De bekende spreuk:il n’y a pas de sot métier, il n’y a que de sottes gensacht ik hier van volkomen toepassing. Een geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van ’t handwerk, is de moeite der ontwikkeling niet waard.In-weerwil?Dit is de vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in mynMattheus XIXde hier behandelde stelling aan. “Uit de Schrift leert men strikvragen stellen, maar er is veel antwoords in ’t denken by ’t spinnewiel.”2Niemand staat voor ’t geringe te hoog, en zeker was dit dan ook ’t geval niet met onzen Wouter, die aan ’t breidelen van z’n begeerten zoo byzondere behoefte had. De kwestie was of-inetjesknipte en plakte, of z’n kopiekorrektwas? Hierin alleen lag z’n naastbyliggende plicht, en niet in’t onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet ook Jezus voor, getrouw te zyn in ’t kleine?Nog ’n andere bezigheid kwam—aanvankelyk nu-en-dan, later byna geregeld—voor Wouter’s rekening. Hoe weinig er ook in de zomermaanden “gehandeld” werd, toch kwam het by-uitzondering voor, dat er verzendingen moesten geschieden “naar buiten.” Het “pakken” van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in ’t voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, en de posten die deze interventie op ’t “weekbriefje” te-voorschyn bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van Gerrit’s rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over den uitslag van z’n eerste poging om dat werk te verrichten—men had het tot-nog-toe voor ’n vak gehouden dat zonder speciale opleiding ontoegankelyk was—dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch gebouwd—gemetseld, had ik byna gezegd—netjes genaaid, wèl bestand tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men kon ze “over ’n huis gooien” als ’n wel-ingepènd kraamkind uit de oude bakerschool. “Het is of-i ’t al z’n leven gedaan heeft!” betuigde zelfs m’nheer Wilkens in ’n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet erkennen dat ook Wouter schik had in ’n bekwaamheid die hem verraste, ’t Was hem ’n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z’n overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd ’n bezigheid voor hem uitgedacht... neen, ’n bezigheid was ’t eigenlyk niet. Het was ’n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de hier bedoelde zaak van ’n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het personeel op de gewone inleiding tot z’n belangryke gesprekken:—Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is.—Zoo, papa?—Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht gedroomd heeft!—Dat is zeker nogal heel akelig, papa!—Ze heeft gistr’avend kreeftensla gegeten, weetje?—Zoo, papa?—En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.—Dat is wel verdrietig, papa!—Niet waar?—Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie Krucker...—Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...—Hè, papa?—Ja, zóó erg is ’t! Want... het ophalen van de draad maakt zoo’n vreeselyk leven, zegt mama.—Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, papa? Ze zeggen...—Maar, Pompile, wat zullen wy ’r aan doen? Mama lust haar portwyn ook niet meer...—Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!—En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt.—Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig van madera?—Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar ’t helpt allemaal niet, als er zoo’n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile!—Ja, papa!—De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van.—Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan ’t venster, zieje? En je ziet... wie ’t is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als ’t dan iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als ’t voor “huis” is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m’nheer Eugène... niet waar, Eugène?—Hm!...dat er iemand voor “huis” is, zieje? En dan zeg je-n-aan m’nheer Eugènewieer is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan, dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten, papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd...Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan de Hockers gezegd had? Vorder ’t onmogelyke niet, lezer! Zonder nu juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter’s eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten’n groote rol in m’n geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van ’t gesprek waarop hier de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy stond reeds lang op-post achter de glasdeur van ’t magazyn, voor die teedere zoon z’n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie.Ja, daar stond-i! Met z’n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor ’t geval dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith’s zenuwachtigheid te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht voor mevrouw Kopperlith’s rust! Geen vlieg zou kunnen naderen zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht ’n schildknaap die zich voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie mee in z’n wapen-vigilie dan Wouter aan z’n afmattende taak ten-koste lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat z’n naastbyliggende plicht alweer met z’n wenschen noch met z’n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, en z’n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy, dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om “iets te worden in de wereld” en ’t kwam niet in hem op dat er misbruik werd gemaakt van z’n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling die hy te bestryden had—en den stank!—als zoovele vyanden die op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner gedachten ’n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen, maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting van de reien der straatsteenen, ’n voorbydryvend wolkjen... alles en ’t minste was voldoende om hem aan ’t denken te brengen en te houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van ’t besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds byna gereed met z’n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat wezen zouden ’n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z’n nalatigheid, en beloofde zich plechtig z’n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, redeneeren, te offeren op ’t altaar van z’n onverheven plicht. Zoo ver mogelyk liet hy z’n blikken rechts en links de straat beheerschen, om by-tyds—en liefst te vroeg—te kunnen beoordeelen welke onverlaat ’n storing der rust van mevrouw Kopperlith in ’t schild voerde. Maar zéér ver reikten z’n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen saamgedrongen tot ’n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, enhem telkens plaagde met den angst dat z’n waarschuwing te laat komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maarvoortdurendtikte, eniedereenvan ’t beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou gek staan! Wat zou ik zeggen? “M’nheer, ben je-n-ook misschien van plan hier aanteschellen aan de bovendeur?” Hy zag in, dat dit niet kon. En ook, dat er in den handel ’n groote mate van geduld noodig is. En dan... dat pynlyk slapen van z’n linkerbeen!Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z’n loopbaan slechts twee keer ’n fout. Eens had ’n bedelbrief-industrieel z’n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat zou er van hem worden by zoo’n slordige plichts-vervulling?Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor den neus dicht, en ging op ’t kantoor aan m’nheer Eugène zeggen: dat mevrouw Kalbb daar was: “voor huis” naar-i giste. Zeker, ze kwam voor “huis” en was zeer boos “dat die jongen ’t in z’n hersens had genomen, háár niet doortelaten.” Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht in ’t groote verschil tusschen: “papa’s eigen dochter, mevrouw Kalbb, weetje, de eigen vrouw van den konsul van ’t heele land Elsas, weetje, en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in ’t magazyn!”Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel inderdaad ’n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith’s aangaat... wat wistenzydaarvan? Het verslonsen eener ziel is geen handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan hielden ze treffende verhandelingen over ’t bederf der kleuren van de stapeltjes die vooraan in ’t magazyn beschenen werden door ’n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met ’n stuk zaklinnen of papier, want:—Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my!Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z’n oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z’n gemoed aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter wàs niet eens ’n broeder. Geen neef zelfs. Hy was ’n burgerjongetje, en de heeren Kopperlith woonden op deKeizersgracht. Ze behoefden ’t zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van ’t besef dat gekleurde lappen ’t licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen?Magnus Apollo!Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was ’t ergste niet! Aan veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen, of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen ’s weeks kwam hy met ledige handen op ’t kantoor. De toon waarop hem dan de jongeheer vroeg: “of eralweerniets was?” maakte den indruk alsofhy’t helpen kon dat niemand ’n wittegrondje-driekleur bestelde. Toch was hem die gang naar ’t postkantoor en ’t wachten daar, een der minst onaangename plichtjes van z’n betrekking, en hierin lag juist het gevaarlyke.De soort van ’t gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik reeds met ’n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling, zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste hoofdstuk van z’n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid—ook zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits:vermoeiend!—dan had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden, en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest genezen worden van z’n voorliefde voor ’tkontemplatieve, de klip waarop zoovelen—en de slechtsten niet!—te-gronde gaan, en die hen doet aanlanden in de buurt waar ze ’t minst te-huis behooren: by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste aanspraak op wetenschappelyken klank—maar de uitdrukking is er niet minder schilderachtig om—samenvatten in ’t huisbakken voorschrift: “zit niet te droomen, steek je handen uit!” Denken is voorwaar des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryfthandelingvoor. Demaatder splitsing tusschen ’n geoorloofd toegeven in bespiegeling, en dat: “handen-uitsteken” is evenwel geenszins voor allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de korrekte toepassing vanbeiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk niet hooger dan de domste “man van zaken.” We kunnen evenmin in de wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om aan ’t vervliegen van geest de voorkeur te geven boven ’t smoren van geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak, en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot overslaan, wanneer we onderscheiden individuenmet elkandervergelyken, maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In sommige perioden van het leven hebbenwy ons in acht te nemen tegen de gevaren van onberaden vlucht. ’n Andermaal moeten wy onszelf opwekken en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn.Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht met die vreeselyke “naastbyliggende plichtjes” vorderde wel zware inspanning, doch wortelde niet in ’n beginsel. Hy deed dit omdat-i by-uitstekdocielwas, en ’t werd hem voorgeschreven door iemand dien hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou ’t zichzelf hebben toegerekend als ’n goedige poging om dokter Holsma pleizier te doen. En deze beschouwde z’n voorschrift eenvoudig als ’n tydelyk middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen van z’n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: “handen-uitsteken” behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indienikover hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by ’n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit ambacht te bepalen—’n smid met Wouter’s gaven zou zich onmisbaar ontwikkelen tot ’nKrupp!—maar om z’n al te eenzydige neiging tot hetkontemplatievete-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan ’s avonds neervallen op z’n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na ’t uittrekken van z’n tweede kous, ja van z’n eerste misschien. En wat het opwekken, aanwakkeren en voeden van z’n zucht tot bespiegeling aangaat, juist dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting “halt!” toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men zich meent bezig te houden:alleen met denken.Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien had kunnen zetten waarvan z’n ziel vervuld was, doch die hy nu niet verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, by-gebreke van zoo’n handleiding liep hy gevaar...Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by ’t postkantoor! Zy zouden ’t hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter’s eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet voldaan werd. En wat de “heeren op ’t kantoor” aangaat... ze deden er niet in.Doch in gezelligheid werd wèl “gedaan” door die jongeluî aan ’t postkantoor. Nu ik eenmaal—met stoute miskenning der waarheid zoowel, als van de lokaal-kleur—de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot ’n “handelshuis” heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting met een der Hallemannen. Ook hy was: “jongste-bediende.” Wouter sprak hem aan, en zei: “Gus!”—Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik.Wouter keek vreemd op by dit “geloof”. Maar Pieterse wàs-i.—Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer?—Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen kinderachtigheid verdragen kan. ’t Lykt wel of we schooljongens zyn, zoo praat je!Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i:Hallemanhad moeten zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z’n eigen familienaam mannelyker en aanzienlyker te vinden dan:Wouter. Hy zag al zeer spoedig dien Gus voor ’n groot man aan, die ’n breede opvatting van ’t leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad ’n tweetal jaren ouder dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg.Ach, lezer, ik heb ’n verdrietig werk te doen. Vloek over de ellendelingen die m’n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking!—En by wie ben jy op ’t kantoor?—By de heeren Ouwetyd & Kopperlith...Keizersgracht, weetje?—Hm! Dat’s nu juist zoo’n heel groot huis niet! In ’t geheel niet.Wydoen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè?—Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas.—Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat’s ’n rare!Nieuw aangekomen “jongeluî” sloten zich aan, en hadden heusch als wezenlyke menschen gegroet met: “morge, heeren!” Misselyk en komiek, maar ’t was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich zoo’n verheffing zelfs in ’n droom niet durven voorstellen. Helaas, hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld ’n stukheerte zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets alsheerenwilden doorgaan!—Zeg, dàt’s ’n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vindjeluidie?De “heeren” vonden ’t byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was voor spot, werd verlegen.—Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt misschien?—Wyzyn op Portugal, zei ’n derde.—Enwyop de Oostzee. Granen, weetje?—Hoe héét dan je huis? vroeg ’n vyfde.Wouter noemde de firma.—Wel, wat bliksem...’t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele troepje. Toch ging ’t de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing van al hun mannelykheid. Dit was er ’t grappige van.—Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In manufakturen, zeg ik je.En de spreker-zelf betuigde dat-i “in” assurantie was.—Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje?En allen beschouwden met eerbied ’n pakje blanko-dokumenten, dat de loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had.—Ja, ja, polissen! zei Gus, met ’n nadruk die zooveel beduidde als: “ikweet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan.”—Kyk, wat ’n mooie meid!—Pst, pst! Hei! Kom ’reis hier!Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen.—’t Is Mie uit de bakkery, zei ’t huis op Portugal. Nou!Welke lezer verstaat dit “nou?”—Nou! zei ’n tweede.—Nou! herhaalde ’t koor.Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Konhy’t helpen dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon, die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith’s!Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z’n leermeesters vroeg hem:—Ben jy op ’n kantoor,jy?—Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter.—Weet je watikgeloof? Ik geloof dat je nog maar ’n nuchter kalf bent. Dàt geloof ik er van!En deze overtuiging werd bezegeld met ’n kernachtige heerenuitdrukking.—Hy is zoo onnoozel als...Als ’t een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat anders, wanneer ’t slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was.—Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan komen? Nou... dàt mankeert er maar aan!Goddank, dit wist Wouter! En als hy ’t niet geweten had, zou hy hier in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op ’n maniersui generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande mannelykheid hield hy zich alssedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en heel leelyk stond.’t Was ’n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust uitvoeriger te zyn.Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving, treurig genoeg.1= kwade samensprekingen.2I. 183.
Alweer over ’t kleine.Wouterwordt op post gezet voor de zenuwen van “mevrouw.” Kent de lezerGus Hallemannog? Verhandeling over het denken. De auteur maakt tenslottefiascoincolloquia prava.1
Alweer over ’t kleine.Wouterwordt op post gezet voor de zenuwen van “mevrouw.” Kent de lezerGus Hallemannog? Verhandeling over het denken. De auteur maakt tenslottefiascoincolloquia prava.1
Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken reeds, byna zonder afwisseling rondleid op ’n tentoonstelling van nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak ... op die nietigheden zeker niet, maar op m’n arbeid. Een zeer groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit ’n aaneenschakeling van ’t geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik deze eigenaardigheid over ’t hoofd zag. En aan de goede trouw, als ik ’t deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare juistheid “aristokratie van den smaak” wordt genoemd. Ook ’t woord: tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m’n arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om evenwel ook de vele graven en markiezen onder m’n lezers tot moedhouden optewekken—onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere voornamigheid logeeren in stal of keuken—verbind ik my Wouter niet te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan ’t een of ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur ’n huis voor hem op deKeizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo’n sprong noodig is, wacht ik ’n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid af. In kalme stemming zou ’t niet lukken. Het is echter de vraag of hy—aangeland in zóó verheven sfeer—fyner dingen zal te zien krygen dan de aandoening die ’t oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt ’n herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus haar “handel” over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers, alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis van haar kleinzoon.
Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeerburgerlykevoorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud, fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin—op de naïveteit na—nog altyd op de laagte stond van ’t kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den smaak. De eenige eisch is:waarheid. Den kunstenaar die hiernaar streeft, zal al ’t andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de toejuiching derkoprolithenna, die hy missen kan.
Wouter oogstte by m’nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van z’n tocht, en vernam tot hartsterking: “dat-i ’t by-gelegenheid eens weer mocht doen.” Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.
De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m’nheer Pompile, het knippen en opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z’n werk, om nu niet te spreken van ’t vegen op de zolders en in ’t magazyn, lokalen waar, volgens m’nheer Wilkens, voor ’n jong-mensch altyd iets te leeren viel.
Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen jongste-bediende in ’n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan ’t verheffen van z’n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming, als ’t in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem te beschikken hebben. De bekende spreuk:il n’y a pas de sot métier, il n’y a que de sottes gensacht ik hier van volkomen toepassing. Een geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van ’t handwerk, is de moeite der ontwikkeling niet waard.In-weerwil?Dit is de vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in mynMattheus XIXde hier behandelde stelling aan. “Uit de Schrift leert men strikvragen stellen, maar er is veel antwoords in ’t denken by ’t spinnewiel.”2Niemand staat voor ’t geringe te hoog, en zeker was dit dan ook ’t geval niet met onzen Wouter, die aan ’t breidelen van z’n begeerten zoo byzondere behoefte had. De kwestie was of-inetjesknipte en plakte, of z’n kopiekorrektwas? Hierin alleen lag z’n naastbyliggende plicht, en niet in’t onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet ook Jezus voor, getrouw te zyn in ’t kleine?
Nog ’n andere bezigheid kwam—aanvankelyk nu-en-dan, later byna geregeld—voor Wouter’s rekening. Hoe weinig er ook in de zomermaanden “gehandeld” werd, toch kwam het by-uitzondering voor, dat er verzendingen moesten geschieden “naar buiten.” Het “pakken” van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in ’t voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, en de posten die deze interventie op ’t “weekbriefje” te-voorschyn bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van Gerrit’s rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over den uitslag van z’n eerste poging om dat werk te verrichten—men had het tot-nog-toe voor ’n vak gehouden dat zonder speciale opleiding ontoegankelyk was—dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch gebouwd—gemetseld, had ik byna gezegd—netjes genaaid, wèl bestand tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men kon ze “over ’n huis gooien” als ’n wel-ingepènd kraamkind uit de oude bakerschool. “Het is of-i ’t al z’n leven gedaan heeft!” betuigde zelfs m’nheer Wilkens in ’n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet erkennen dat ook Wouter schik had in ’n bekwaamheid die hem verraste, ’t Was hem ’n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z’n overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd ’n bezigheid voor hem uitgedacht... neen, ’n bezigheid was ’t eigenlyk niet. Het was ’n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de hier bedoelde zaak van ’n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het personeel op de gewone inleiding tot z’n belangryke gesprekken:
—Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is.
—Zoo, papa?
—Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht gedroomd heeft!
—Dat is zeker nogal heel akelig, papa!
—Ze heeft gistr’avend kreeftensla gegeten, weetje?
—Zoo, papa?
—En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.
—Dat is wel verdrietig, papa!
—Niet waar?
—Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie Krucker...
—Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...
—Hè, papa?
—Ja, zóó erg is ’t! Want... het ophalen van de draad maakt zoo’n vreeselyk leven, zegt mama.
—Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, papa? Ze zeggen...
—Maar, Pompile, wat zullen wy ’r aan doen? Mama lust haar portwyn ook niet meer...
—Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!
—En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt.
—Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig van madera?
—Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar ’t helpt allemaal niet, als er zoo’n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile!
—Ja, papa!
—De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van.
—Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan ’t venster, zieje? En je ziet... wie ’t is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als ’t dan iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als ’t voor “huis” is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m’nheer Eugène... niet waar, Eugène?
—Hm!
...dat er iemand voor “huis” is, zieje? En dan zeg je-n-aan m’nheer Eugènewieer is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan, dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten, papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd...
Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan de Hockers gezegd had? Vorder ’t onmogelyke niet, lezer! Zonder nu juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter’s eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten’n groote rol in m’n geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van ’t gesprek waarop hier de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy stond reeds lang op-post achter de glasdeur van ’t magazyn, voor die teedere zoon z’n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie.
Ja, daar stond-i! Met z’n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor ’t geval dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith’s zenuwachtigheid te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht voor mevrouw Kopperlith’s rust! Geen vlieg zou kunnen naderen zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht ’n schildknaap die zich voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie mee in z’n wapen-vigilie dan Wouter aan z’n afmattende taak ten-koste lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat z’n naastbyliggende plicht alweer met z’n wenschen noch met z’n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, en z’n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy, dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om “iets te worden in de wereld” en ’t kwam niet in hem op dat er misbruik werd gemaakt van z’n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling die hy te bestryden had—en den stank!—als zoovele vyanden die op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner gedachten ’n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen, maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting van de reien der straatsteenen, ’n voorbydryvend wolkjen... alles en ’t minste was voldoende om hem aan ’t denken te brengen en te houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van ’t besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds byna gereed met z’n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat wezen zouden ’n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z’n nalatigheid, en beloofde zich plechtig z’n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, redeneeren, te offeren op ’t altaar van z’n onverheven plicht. Zoo ver mogelyk liet hy z’n blikken rechts en links de straat beheerschen, om by-tyds—en liefst te vroeg—te kunnen beoordeelen welke onverlaat ’n storing der rust van mevrouw Kopperlith in ’t schild voerde. Maar zéér ver reikten z’n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen saamgedrongen tot ’n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, enhem telkens plaagde met den angst dat z’n waarschuwing te laat komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maarvoortdurendtikte, eniedereenvan ’t beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou gek staan! Wat zou ik zeggen? “M’nheer, ben je-n-ook misschien van plan hier aanteschellen aan de bovendeur?” Hy zag in, dat dit niet kon. En ook, dat er in den handel ’n groote mate van geduld noodig is. En dan... dat pynlyk slapen van z’n linkerbeen!
Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z’n loopbaan slechts twee keer ’n fout. Eens had ’n bedelbrief-industrieel z’n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat zou er van hem worden by zoo’n slordige plichts-vervulling?
Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor den neus dicht, en ging op ’t kantoor aan m’nheer Eugène zeggen: dat mevrouw Kalbb daar was: “voor huis” naar-i giste. Zeker, ze kwam voor “huis” en was zeer boos “dat die jongen ’t in z’n hersens had genomen, háár niet doortelaten.” Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht in ’t groote verschil tusschen: “papa’s eigen dochter, mevrouw Kalbb, weetje, de eigen vrouw van den konsul van ’t heele land Elsas, weetje, en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in ’t magazyn!”
Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel inderdaad ’n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith’s aangaat... wat wistenzydaarvan? Het verslonsen eener ziel is geen handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan hielden ze treffende verhandelingen over ’t bederf der kleuren van de stapeltjes die vooraan in ’t magazyn beschenen werden door ’n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met ’n stuk zaklinnen of papier, want:
—Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my!
Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z’n oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z’n gemoed aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter wàs niet eens ’n broeder. Geen neef zelfs. Hy was ’n burgerjongetje, en de heeren Kopperlith woonden op deKeizersgracht. Ze behoefden ’t zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van ’t besef dat gekleurde lappen ’t licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen?Magnus Apollo!
Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was ’t ergste niet! Aan veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen, of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen ’s weeks kwam hy met ledige handen op ’t kantoor. De toon waarop hem dan de jongeheer vroeg: “of eralweerniets was?” maakte den indruk alsofhy’t helpen kon dat niemand ’n wittegrondje-driekleur bestelde. Toch was hem die gang naar ’t postkantoor en ’t wachten daar, een der minst onaangename plichtjes van z’n betrekking, en hierin lag juist het gevaarlyke.
De soort van ’t gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik reeds met ’n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling, zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste hoofdstuk van z’n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid—ook zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits:vermoeiend!—dan had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden, en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest genezen worden van z’n voorliefde voor ’tkontemplatieve, de klip waarop zoovelen—en de slechtsten niet!—te-gronde gaan, en die hen doet aanlanden in de buurt waar ze ’t minst te-huis behooren: by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste aanspraak op wetenschappelyken klank—maar de uitdrukking is er niet minder schilderachtig om—samenvatten in ’t huisbakken voorschrift: “zit niet te droomen, steek je handen uit!” Denken is voorwaar des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryfthandelingvoor. Demaatder splitsing tusschen ’n geoorloofd toegeven in bespiegeling, en dat: “handen-uitsteken” is evenwel geenszins voor allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de korrekte toepassing vanbeiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk niet hooger dan de domste “man van zaken.” We kunnen evenmin in de wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om aan ’t vervliegen van geest de voorkeur te geven boven ’t smoren van geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak, en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot overslaan, wanneer we onderscheiden individuenmet elkandervergelyken, maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In sommige perioden van het leven hebbenwy ons in acht te nemen tegen de gevaren van onberaden vlucht. ’n Andermaal moeten wy onszelf opwekken en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn.
Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht met die vreeselyke “naastbyliggende plichtjes” vorderde wel zware inspanning, doch wortelde niet in ’n beginsel. Hy deed dit omdat-i by-uitstekdocielwas, en ’t werd hem voorgeschreven door iemand dien hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou ’t zichzelf hebben toegerekend als ’n goedige poging om dokter Holsma pleizier te doen. En deze beschouwde z’n voorschrift eenvoudig als ’n tydelyk middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen van z’n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: “handen-uitsteken” behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indienikover hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by ’n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit ambacht te bepalen—’n smid met Wouter’s gaven zou zich onmisbaar ontwikkelen tot ’nKrupp!—maar om z’n al te eenzydige neiging tot hetkontemplatievete-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan ’s avonds neervallen op z’n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na ’t uittrekken van z’n tweede kous, ja van z’n eerste misschien. En wat het opwekken, aanwakkeren en voeden van z’n zucht tot bespiegeling aangaat, juist dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting “halt!” toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men zich meent bezig te houden:alleen met denken.
Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien had kunnen zetten waarvan z’n ziel vervuld was, doch die hy nu niet verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, by-gebreke van zoo’n handleiding liep hy gevaar...
Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by ’t postkantoor! Zy zouden ’t hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter’s eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet voldaan werd. En wat de “heeren op ’t kantoor” aangaat... ze deden er niet in.
Doch in gezelligheid werd wèl “gedaan” door die jongeluî aan ’t postkantoor. Nu ik eenmaal—met stoute miskenning der waarheid zoowel, als van de lokaal-kleur—de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot ’n “handelshuis” heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting met een der Hallemannen. Ook hy was: “jongste-bediende.” Wouter sprak hem aan, en zei: “Gus!”
—Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik.
Wouter keek vreemd op by dit “geloof”. Maar Pieterse wàs-i.
—Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer?
—Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen kinderachtigheid verdragen kan. ’t Lykt wel of we schooljongens zyn, zoo praat je!
Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i:Hallemanhad moeten zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z’n eigen familienaam mannelyker en aanzienlyker te vinden dan:Wouter. Hy zag al zeer spoedig dien Gus voor ’n groot man aan, die ’n breede opvatting van ’t leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad ’n tweetal jaren ouder dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg.
Ach, lezer, ik heb ’n verdrietig werk te doen. Vloek over de ellendelingen die m’n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking!
—En by wie ben jy op ’t kantoor?
—By de heeren Ouwetyd & Kopperlith...Keizersgracht, weetje?
—Hm! Dat’s nu juist zoo’n heel groot huis niet! In ’t geheel niet.Wydoen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè?
—Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas.
—Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat’s ’n rare!
Nieuw aangekomen “jongeluî” sloten zich aan, en hadden heusch als wezenlyke menschen gegroet met: “morge, heeren!” Misselyk en komiek, maar ’t was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich zoo’n verheffing zelfs in ’n droom niet durven voorstellen. Helaas, hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld ’n stukheerte zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets alsheerenwilden doorgaan!
—Zeg, dàt’s ’n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vindjeluidie?
De “heeren” vonden ’t byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was voor spot, werd verlegen.
—Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt misschien?
—Wyzyn op Portugal, zei ’n derde.
—Enwyop de Oostzee. Granen, weetje?
—Hoe héét dan je huis? vroeg ’n vyfde.
Wouter noemde de firma.
—Wel, wat bliksem...
’t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele troepje. Toch ging ’t de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing van al hun mannelykheid. Dit was er ’t grappige van.
—Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In manufakturen, zeg ik je.
En de spreker-zelf betuigde dat-i “in” assurantie was.
—Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje?
En allen beschouwden met eerbied ’n pakje blanko-dokumenten, dat de loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had.
—Ja, ja, polissen! zei Gus, met ’n nadruk die zooveel beduidde als: “ikweet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan.”
—Kyk, wat ’n mooie meid!
—Pst, pst! Hei! Kom ’reis hier!
Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen.
—’t Is Mie uit de bakkery, zei ’t huis op Portugal. Nou!
Welke lezer verstaat dit “nou?”
—Nou! zei ’n tweede.
—Nou! herhaalde ’t koor.
Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Konhy’t helpen dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon, die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith’s!
Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z’n leermeesters vroeg hem:
—Ben jy op ’n kantoor,jy?
—Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter.
—Weet je watikgeloof? Ik geloof dat je nog maar ’n nuchter kalf bent. Dàt geloof ik er van!
En deze overtuiging werd bezegeld met ’n kernachtige heerenuitdrukking.
—Hy is zoo onnoozel als...
Als ’t een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat anders, wanneer ’t slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was.
—Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan komen? Nou... dàt mankeert er maar aan!
Goddank, dit wist Wouter! En als hy ’t niet geweten had, zou hy hier in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op ’n maniersui generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande mannelykheid hield hy zich alssedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en heel leelyk stond.
’t Was ’n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust uitvoeriger te zyn.
Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving, treurig genoeg.
1= kwade samensprekingen.2I. 183.
1= kwade samensprekingen.
2I. 183.