Over zekere volksverhuizing die—by groote uitzondering, voorzeker!—inderdaad heeft plaats gehad.Wouter,al lager en lager zakkende, komt eindelyk te-land achter de “britschkavan Papa.”Op zekeren dag was er ’n groote beweging op de Keizergracht by de Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig verhevener standpunt intenemen, door ’n kykgaatjen in de gordynen der beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden of voortvarendheid, bleven staan by ’n schouwspel...Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten volgen. Helaas, lezer, wat zal ’n arme auteur doen? Er was, om de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen, was maar ’n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.)“De Kopperlith’s gaan naar buiten” verhaalden elkander de Grietjes en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde toonen, kwam ’n half-uurtje na ’t ontvangen van die boodschap terug met de vraag: “zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith’s naar-buiten gaan?”Ik zou ’n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich hier-en-daar ’n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen “juffrouwen”, zeven-en-twintig kameniers—tevens linnen- en kindermeiden—verzekerden niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of ’t wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith’s naar-buiten zouden gaan?Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith’s zouden inderdaad naar-buiten gaan. Er lag ’n zolderschuit voor de deur. Om nu den niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat ’n “zolderschuit” is, als wat “voor de deur liggen” beteekent, te doen verlangen naar ’n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat ’n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar met ’n vloer. “Voor de deur” beduidt hier zooveel als in de gracht “waarop” het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk van zekere bekwaamheid, maar ’n Paryzenaar of andere buitenmanmoet zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal ’t ware begrip hebben kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam.Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den inboedel. Oppervlakkig kan hetbourgeoisvoorkomen, dat de begrooting van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve, om dat verhuizen was ’t juist te doen! De buren en voorbygangers moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de beeremuts van Holsma’s koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens geschieden in ’t laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer zou de heele buurt zeggen: “weet je wel dat de Kopperlith’s weer in de stad zyn?” Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in ’n anderen stand. Wie er een kent, kent ze allen.Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met z’n kameraden. Ook de koetsier met ’n paar geïmprovizeerde noodhulpen. Gerrit’s rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk lenig, misschien wel omdat “die Wullekes” niet in de zaak betrokken was. Zelfs—o hemel!—werd er meegeholpen door de kamenier, en—o, honderd hemels!—door de “juffrouw.” Ieder ligtte, schoof, reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep: “voorzichtig!” De intelligente lezer begrypt dat de “juffrouw” die ’n ontzettendquantumfatsoen had optehouden of... te veroveren, zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan ’t lyf had. En de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z’n stand ontzien, en ze kwam dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld.Al die meubels moesten naarGroenenhuize. “Mama” zou volgen met byzondere gelegenheid. Hoe ’t gelukt is, haar uittepellen... neen, deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburgerpeteunekes, maar die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam ’t in dit byzonder geval juist aan. Met ’n speld pluist men zulke alikruikjes by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor den dag gehaald... integraal! Dit slechts weetik, dat zy weinige dagen later den bodem vanGroenenhuizebezwaarde, en dat ook de oudeheer z’n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de stad, en kwamen meestal ’s maandags terug. Gerrit en z’n egae Jans werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken en de jongeheer Pompile kon z’n woord lossen aan de Pleiers en de Hockers en de Kruckers... goddank!Intusschen was Wouter’s verveling op ’t kantoor, op de zolders, en in ’t magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat uitvoerde. Want m’nheer Wilkens beweerde dat er voor ’n jong-mensch altyd iets te doen was: “leer dàt van my!”Dit is waar, o m’nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat er ook voor ’n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was de vraag niet. De vraag was wàt men aan Wouter te doen gaf. Of er voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor ’t lichaam? Geveegd hàd-i. Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt en opgeplakt, hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met ’n gebroken kruisjen en ’n wipjen of ’n brokkelig moesjen op ’n blauwig marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond, en ’t wipje wipte wat minder. En die diemetten, en diefancy-checksen diefancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elkeninchvan schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet meer moeielyk: “zooveelpounds,shillingsenpence, tegentwaalf en drie.” En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld werd met ditjargonvan den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem eenmaal had gelieven uitteleggen. In z’nStrabbekwamen moeielyker “sommen” voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z’n stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop ’n jongmensch z’n ziel verkwisten kan. En ’n oud mensch ook. Voor Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de “gezelligheid” by ’t postkantoor op al te willigen bodem viel.Reeds jaren geleden1heb ik er op gewezen hoe het horror vacui2der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de opvoeding. De ziel heeft ’n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor geen ruimte heeft.3Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aanbegrypenen weldra zal ’t hem stuiten iets aantenemen dat, met z’n weten en begrip in-stryd, zoowel ’n miskenning van z’noordeelwezen zal, als ’n beleediging van z’nsmaak.Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z’n aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen.Zoolang hy kind was, had z’n fantazie ’t noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van ’t vruchteloos grypen naar ’t onmogelyke. Z’n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende wat er te verslinden viel... och, alweer ’n beeld dat niet deugt! Er werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op ’t weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, ’t Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z’n toestand. Ieder ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy, en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden hadden onder ’n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht van Wouter’s gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan ’t preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af, dat-i—opgeblazen nu van z’n recente postkantoorsche wysheid—berouw voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte zich optedringen dat-i ’n volgenden keer... hm! Zou die volgende keer ooit komen! ’t Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z’n vroeger onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich ’t leven draait. De lezer weet misschien dat zulkmisgrypen in schatting van belangrykheidnog steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele derwarezedelykheid, ’n zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld’sceux qui s’appliquent(trop?)aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden.Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over ’t gebrek aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z’n herinneringen aan de indrukken die Femke hem meedeelde, z’n eerzucht, z’n lust om met ’n beetje almacht het goede te bevorderen, z’n onverzadelyke begeerte om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde hem. Even ontevreden als immer met z’n tegenwoordigen toestand, had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met ’n toekomst waarover ’t bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is ’t grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met straf, meenden behoefte te hebben aan ’n àndere hel dan ’t verlies van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is ’n ware sinekuur.Eens, op-straat—boodschappen doende voor den jongeheer Pompile, natuurlyk—bepeinsde Wouter ’t nieuwste nieuwtje van ontwikkeling, dat dien morgen door een van z’n kameraadjes aan ’t Postkantoor was ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy keerde zich om en sloeg ’n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot ’n beetje vermindering van z’n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon, en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als slapen. ’t Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wàt?Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z’n naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... ’n slecht teeken!—Toch zou ik wel ’ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor zoo doof is aan z’n linkeroor?Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap.’t Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op ’t kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden dag zich te komen verlustigen opGroenenhuize. De jongeheer Pompile verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens ’n wenk te geven dat de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op:huishouden.—Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken aangaan wat je noemt dezaken?—Hm!—Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper?—Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, ’t zyn kleinigheden, niet waar?—Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van plan zyn morgen opGroenenhuizete komen? En of ze papa’sbritschkagevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de goedheid hebben even by m’nheer Calbb te gaan, en doe’t kompliment van my—van m’nheer Pompile, moet je zeggen—en vragen of m’nheer Calbb...—Calbb is niet thuis, bromde Eugène.—Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m’nheer Calbb z’n huis te gaan, en... je schelthuis, weetje? En je doet het kompliment van my, van m’nheer Pompile, en je zegt—aan de meid, weetje, die je opendoet—dat je morgen buiten mag komen—buiten, opGroenenhuize, moet je maar zeggen—en dat ik vragen laat of mevrouw Calbb en m’nheer Calbb en de jongeheerBonifaz—want Ludwig-Bonifaz heet het zoontje van m’n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?—nu, dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met papa’sbritschka—met debritschkavan m’nheer Kopperlith, moet je zeggen—met huurpaarden...—Hm, bromde Eugène.—Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m’nheer Calbb en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe laat? En... of ie mee mag ryden? Maar...asjeblieft, moet je zeggen, niet waar, Eugène?—Hm!—Juist!Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van my doen. Zeg, Eugène, vind jy ’t niet wat indiskreet van Calbb, zoo altyd met debritschkavan papa...Vóór Wouter Eugène’s meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z’n boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg ten-antwoord dat mevrouw en m’nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz Calbb zoo tusschen negenen en twaalven deHaarlemmer Poortpasseeren zouden. “Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z’n tyd dáár te zyn, en men zou hem ’n plaatsjen inruimen. Maar... lastig was ’t wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten vergezellen van z’n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in.”Wouter had den moed niet, m’nheer Pompile voortestellen den weg naar Haarlem te voet te maken, al zy ’t dan dat de onsmakelyke wys waarop hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis gekomen, bemerkte dat z’n moeder opgetogen was van de eer die in hem de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist had in ’t beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb’s plompheid by hem te-weeg bracht.—Gut, in ’nbritschka!Dat ’s zeker ’n koets, Trui, ’n staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als ’n banjerheer, den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele wereld te zien krygen...—Met ’n hobbelpaard, moeder!—Nu ja, met ’n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen sterveling! Niemand zal ’t merken dat je met ’n hobbelpaard in die... koets zit. Weetje watikzou doen in jou plaats? Ik nam ’t tusschen m’n knieën...—Gut, moeder!—Wel zeker! En je legt ’n zakdoek op je schoot, dan kraait er geen haan na. Je bent ’n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja,dat zouden ze, als ze ook zoo ’reis naar-buiten mochten gaan, naar ’n wezenlykBuiten.—Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort!—Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo’n heer als m’nheer Calbb zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m’nheer? En de jongeheer... hoe heet-i?—Zoo’n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet je wat je bent, Wouter? Je bent ’n rechte izegrim. Als je vader ’t beleefd had, die zoo zuur voor z’n brood...Den volgenden morgen stond Wouter op z’n post. ’t Was nog niet volkomen middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in debritschkavan papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door ’n menigte pakken en pakjes was opengelaten in ’n achterbakje. Heel grootsch was-i niet toen hy bemerkte dat z’n inscheping de aandacht trok van den accynsman aan de poort, en van ’t half dozyn straatjongetjes dat uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt ’n heele gebeurtenis te zien in ’t stilhouden van ’n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf tusschen de knieën genomen, en... ’n zakdoek er over! Hy haalde adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar zat tusschen al die bagage. Dat was’n àndere tocht voorwaar, dan de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z’n oogen, en trachtte in ’t sukkelig schokken van den wagen, de kadans te vinden van z’n eigen galoppeerend rooverslied:met m’n zwaard... hop, hop, hop...enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem ’t voortzetten van z’n vruchtelooze pogingen, door ’n vermaning:—Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met soezen? En... hou toch die mand wat tegen! ’t Ding schommelt zoo tegen m’n hoededoos.Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen kwamen onbeschadigd opGroenenhuizeaan.41In I. 144 en 464.2= afkeer van leegte.3Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding van het geloof aan spoken en wonderen: “daar het kind geen stap in de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen,” is het “ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door onthouding.” (I. 1233.)4Wouters tocht naar het “buiten” der Kopperliths leidt M. in met een schooneverhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en 18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo Ramirez. (I. 1236–1242.)Wouterwordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door ’n vereerende zending naar de mangelkamer.De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek vanebenbürtigeoptrekmenschen, maar liever van hooger geplaatsten. Men maakterytoeren in den omtrek, waarby de tentoonstelling van “eigen equipage” hoofddoel was, en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van ’t Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z’n “Buiten” door vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z’nPleiersen z’nHockersen z’nKruckersop na, jazelfs z’n “jongste-bedienden” wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen—heidensche, grieksche en christelyke—als ’n eigenaardigheid der goden vinden aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als ’n menschenkind zich op hun grootheid stom, blind en gek staart.Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om opGroenenhuizede rol van lamgeschitterd Serafyntje te spelen.De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z’n buiten lag vlak by “de Logementen.” Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste ontvluchters van ’t stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het “buiten-zyn” geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z’n fantazie hadden opgewekt. By ’t rondzien uit z’n achterbakjen op ’t rytuig, bespeurde hy geen enkel plekje waar ’n verloren zoon ’t kleinste biggetje had kunnen deelgenoot maken van z’n berouw. Herderinnen met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis, zoo aantrekkelyk door ’t verondersteld gemis aan conventie, zich maar niet aan hem vertoonen. By ’t omslaan van ’n hoek, had de fameuze “britschka van papa” byna ’n half-blinden vioolspeler overreden... was dàt de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met aard en stof overdekt... was dàt de fluweelen dansvloer van de landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dàt de mildheid der gulle buitennatuur? En... en—komaan, hy moest zichzelf bekennen dat-i teleurgesteld was—gedurende de reis had geen enkel aventuur de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te hebben, of althans men had zich ’n oogenblik kunnen opdringen dat-i wat anders was dan ’nvreedzame landlooper, maar ’n nietig tikje met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, en Wouter zat weer alleen met z’n soezen en z’n hoededoos. Juist was hy aan ’t bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die ’n “Buiten” bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen ’t rytuig het hek vanGroenenhuizebinnenreed, en voor de open voorgalery stilstond. Pompile kwam met z’n gewone schichtigheid te voorschyn:—Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat komt van de droogte. Als ’t regenen gaat, zal je zien dat ’t minder stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag er uit komen... stap maar op ’t wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z’n hobbelpaard meegebracht? Zeg: dag, oom! ’t Kan in de mangelkamer staan, of in ’t tuinhuis... want mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben deKruckershier, en van-middag komen deHockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen op ’n maderaatje. “Met veel pleizier!” hebben ze laten zeggen, want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, weetje, met deKruckers, maar mama blyft thuis—vreeselyke hoofdpyn, weetje?—ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène zegt...Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van z’n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de familie volgen, die ’t huis was ingetreden, en weldra aanlandde in de achtergalery waar ’t hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en z’n spruit Eugène. Daar zat deKrucker-familie. En daar ook namen de nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter, die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan de vrouw des huizes voorgesteld met ’n onachtzaamheid waarin niets laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z’n onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging voor Pompile’s lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag omdat-i te doen had met ’n kantoorbediende, met ’n wezen van lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid door van “voorstellen” te spreken. De waarheid is dat Wouter met ’n vingerbeweging werd aangewezen als “de jonge Pieterse” en toen ’n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot iets als ’n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard door ’n snelle vermelding van Wouter’s maatschappelyk standpuntje:—Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op ’n toon die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten jagen van beleefdheid.Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de verheven gesprekken die de achtergalery vanGroenenhuizezoo byzonder weinig deden gelyken op ’nbureau d’esprit.Deréunionsdie eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met ’n beraamd plan om geestigheden uittekramen, of al ware ’t zelfs geest. Misselyker nog komt my ’t uitstallen van—nagemaakte!—geleerdheid voor, zooals die welke door Molière wordt gehekeld in z’nFemmes savantesenPrécieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen—en de overgroote meerderheid!—middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer ’n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van pater Jansen’s gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken van de burgerlui onderscheidt. Helaas!Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op ’t meegebrachte hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen.—Hy wou ’t absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als ’t kind z’n zin niet krygt...—Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. ’t Kind heeft kolossaal viel karakter.—Maar... mama heeft zoo’n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw?De juffrouw getuigde naar Pompile’s zin, en de nogal fameus-erg zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd weggezonden, met verzoek z’n beestje niet anders te behobbelen dan in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en ’t huis dreunde er van. Het gezelschap stelde zich schadeloos door ’n gesprek over weer en wind, waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de “zaken” op ’t tapyt, en ’t vrouwelyk deel der vergadering kon zich als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke mevrouw stelde zich schadeloos door ’t onophoudelyk mummelen van soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de dokter gezegd. Julie “werkte” aan haar hooggekleurden jachthond, dien Wouter by deze gelegenheidmet genoegen weerzag. De juffrouw knutselde aan ’n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met voortdurende handhaving van ’t glimlachje waarmede hy gewoon was z’n existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z’n stoel en verkneuterde zich in de verrukking van z’nKruckers. Elk zyner blikken scheen te vragen: “welnu, is ’t waar of niet, dat papa ’n eigenBuitenheeft?” Om hem te bedanken, maakte een hunner de opmerking “dat lynwaden zoo’n belangryk vak was.”—Een heel belangryk vak, m’nheer Kopperlith!—Zeker, zeker! Maar “kurken” zyn ook niet te versmaden, kaatste de oudeheer terug.De scherpzinnige lezer begrypt dat deKrucker-familie “in” kurk en kurken “was.”—Als ik het voor ’t kiezen had, was ik liever “in” lynwaden, zei een hunner zediglyk.—Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u...—Daarin is altyd iets te doen.—Zeker, zeker, altyd iets!—En in kurken heeft men soms...—Ja, dit is waar.—Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak.—Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van ’n vak hebben...—Juist! En er by opgebracht zyn.’t Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al deKruckersaan, die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht.—Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig voor kurken?—Julie! riep de oude mevrouw verwytend.—Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél verstand!—We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker.Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde.—Ja, op Spanje!—U spreekt dan zeker spaansch?Deze vraag gold voor ’n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden ’t minst luid niet, misschien wel om ’t antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch op de verrukkelyke geestigheid van z’n vrouwtje.—Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in kurk doet, heeft ’n kantoor op Spanje.—De reizigers uit Barcelona loopen ’t land af, zei de familie Krucker.—Ja, papa, ’t is ’n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem aangebrachte gasten wat wilde ophemelen.—Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een derKruckers, vreeselyk, m’nheer!—De menschen kunnen ’t kladden niet laten.—Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier, m’nheer Kopperlith!—Een nekslag voor den handel!—Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène?—Hm, zei Eugène.—Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt niets! Wy, grossiers, visschen achter ’t net.—En hoe staat de wissel op Spanje?—Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat’s makkelyker.—Parys staat hoog, zei gister m’n boekhouder, niet waar Pompile?—Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat.—Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?Algemeen gelach om Julie’s geestigheid. Pompile wreef zich de handen van plezier.—Wel, dit beduidt ...—Wel zeker, ’t beduidt dat ...—Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat.—De fransche wissel, weetje?—Ah! zei Julie, als voldaan.—Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staattwaalf en drie.—Ah, zoo!—Juist, zoo is het! Engeland staattwaalf en drie. En Frankryk ...—Frankryk staat zeker wel ...—Ja, ja, Frankryk staat heel hoog.—Papa,waaromstaat Frankryk zoo hoog?Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist ’n behoorlyk antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over z’n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest, stootte een derKruckerstegen de knie, alsof hy zeggen wilde: “wel, wat zeg je van m’n vrouwtje?” Julie meende uit het algemeen gegiechel te mogen opmaken dat ze ’n vraag had gedaan, die de moeite van ’t herhalen waard was. Nogeens alzoo:—Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van uitrekeningen voor ’t faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan ’t ryzen en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op ’t kantoor durfde hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen met ’n bar: “dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!” Zeer diep had hy dan ook nog niet over ’t vraagstuk nagedacht, maar z’n belangstelling werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop ’t hier ter-tafel gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat ze drang voeldetot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben.—Die Julie! had de oude mevrouw geroepen.—Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat?—Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De wissel, weetje?—Juist, riepen deKruckers, ’t is de wissel!—Zieje, Julie, ’t is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z’n gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet tevreden voor ze alles weet!—Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog?—Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk.—Juist, Julie! Zieje, ’t is de wissel op Frankryk.—Maar ... wat bedoelt men dan daarmee?—Wel, dat de wissel duur is.—Maar ... waarom is-i duur?—Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ...—Ja, Julie, dat zyn vragen ...En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die vragen zyn ...Er spookte een duiveltjen in Wouter’s gemoed. Het niet-weten der anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy misschien ’t vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde, en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn van z’n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer nam de taak van uitlegger op zich.—De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd staat.—Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène?Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al deKruckersknikten toestemmend.—Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen bevredigd was.—Het zyn ...zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot overmaat van helderheid.—Daar heb je ’t juist, riepen deKruckers,’t ligt ’m in dezaken, lieve mevrouwtje!En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer begon te gelooven dat-i wat degelykers over ’t onderwerp zou kunnen meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z’n eigen stem, begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in ’t aanroeren van Julie’s prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van ’n kind. Onwillekeurig dacht hy aan z’n kornuiten by ’t postkantoor, z’n vraagbaken sedert ’n maand of wat.Zyzouden ’t weten, meende hy, waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen,niet mogen worden aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z’n mond te houden. Hy werd uit z’n spanning verlost door Pompile:—Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen naar de mangelkamer te gaan—niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?—en speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. ’t Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo’n fameus erge hoofdpyn heeft, dát is het maar!Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen ’t beneden de waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken dan in den salon. Wouter verslikte z’n wysheid over de oorzaken van den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op ’t geluid af. Hier vervulde hy z’n naastbyliggend plichtje, door den jongeheer Bonifaz aftelokken van z’n hobbelpaard.Merkwaardige genoegens van hetBuitenleven.Treurig uiteinde van ’n romantischen droom over wisselkoers, en van ’n parasol.Woutergaat de wereld in omzeven gulden dertiente zoeken.Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd wezen z’n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling die ’t “Buiten-zyn” hem berokkende. Zeker, de roeping om by ’n ondeugend knaapje de rol van hobbelsurrogaat te vervullen, was noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk, noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in ’t bezit wezen zou van ’n Buitenplaats, of al was ’t dan maar van ’nOptrek. Maar teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor “de wereld” houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden die vroeger z’n inwendig leven schoon, en daardoor ’t andere dragelyk maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan ’t verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z’n geknakte vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods te vervormen.Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen aan ’t geringste dat z’n dor leventje hem aanbood? Had hy nietop ’n benauwd achterkamertje de kracht gehad, zich ’n ganschse wereld vol heerlykheid in ’t aanzyn te tooveren tot eigen gebruik? Waarom kon hy dit nu niet meer?Z’n onzalige kennismaking met ’n dozyn kwajongens was hiervan de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit, benevelde z’n dichterblik. De voelhorens van z’n zedelykheid verloren ’t vermogen om hem te waarschuwen tegen vuil, om hem den weg te wyzen naar ’t verhevene. Z’n vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van ’t zweven àlles—tot zelfs den lust daartoe—verloren te hebben. Maar al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen opdringen—wat hy zeker beproeven zou—dat slechts aanhoudende teleurstelling de oorzaak was van z’n moedeloosheid, ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben indien hy zich z’n reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp kan helder terugkaatsen uit ’n verweerden spiegel, en ’n bedorven menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is me zeer wel bekend—en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan de bewyzen—dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of althans voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen behooren, op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te trekken van de zoo-even gebruikte vergelyking met ’n spiegel, en tevens de stelling aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept uit bevuilde bron.Mykomen de bronnen-zelf waaruit zulke stellingen vloeien, niet zeer zuiver voor.Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy durfde ’t niet, omdat hy reden had zich te schamen voor ’t liefelyke. Wel hygde hy soms naar ’t verlorene terug, wel betrapte hy zich telkens op bittere droefgeestigheid, maar er scheen ’n stoot van-buiten-af noodig te zyn om met de vereischte kracht z’n gewaarwordingen terugteleiden in ’t oude spoor. Deze stoot zou dan ook gegeven worden—wie anders dan Femke kon het doen, of iemand die zeer op haar geleek?—maar zoo ver zyn we nog niet.Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien ’t gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, vereenzelvigde met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik niet alleen voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in Wouter’s bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner voorbeschiktheid tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware hy opgevoed geweest door ontwikkelde ouders, die hem met wetenschappelyken ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte meetedeelen valt, waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de geestigheden van àllerlaagste orde, waarmee men nu z’n zucht tot weten had geprikkeld en bedrogen. Nietkennismaakt onrein, maar ’t aanhooren vanvuile praat overkennis... Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren overlaten aan ’t gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te ontvangen op ’n wys die ze tot ’n pest maakt!Doch ik zeide reeds dat Wouter’s verdriet over de zonderlingewyze waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van ’t Buitenleven, ditmaal ’n andere oorzaak had—of ’n andere onmiddellyke aanleiding ten-minste—dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z’n gewone teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde, was voor ’t eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in ’n kring van zeer onontwikkelde menschen. Nog kort geleden zoud-i by de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven van dien eb en vloed in den prys der remises naar ’t Buitenland, en eerst door Julie’s klakkeloos vragen werd hy zich z’n onkunde bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door ’n ander, was-i nieuwsgierig naar ’t antwoord. Het hakkelen en stamelen der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in dien kring ontvangen was, en tevens met z’n laag standpuntjen over ’t geheel. “Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke menschen weten geen reden te geven van ’n verschynsel dat zich dagelyks aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie ik ’n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is door hèn dat ik behandeld wordt met ’n minachting die ... die ...Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet, maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan den oudeheer, en aan m’nheer Pompile en aan al dieKruckers’n bewys te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie’s vraag reeds lang vergeten was in de achtergalery, waar ’t onderhoud nog altyd op de bekende belangwekkende manier z’n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich, al spelend met den kleinen Bonifaz, in ’t opgegeven raadsel. De zaak begon hem voortekomen als ’n uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht was in ’t kryt te verschynen, teneinde aan de verheven dame die het tournooi had uitgeschreven ...Wel zeker, er was ’n hooggeboren dame in ’t spel, en ’n tournooi ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter noopten tot opscherping van z’n denkvermogen. Ach, hy had z’n roman gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o goden, was zy ’t niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als ’npersoon, door hem z’n gevoelen te vragen over haar liggenden jachthond? Een jong ridder die zùlke onderscheiding vergeten zou ... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z’n gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo’n verheven blyk van vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen in ’t strydperk. Want ... aldus begon zich de zaak te kleuren. Metlans en zwaard strydt men niet meer—helaas!—maar de Dame die in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet ’n beroep op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy ’n onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar beneden wachten leeuwen en tygers... neen, deze soort van kampioenen behooren tot ’n vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker, maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd, verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy ’t waagstuk aan, dat er van hen gevorderd wordt. “Aanstaren” is ’t juiste woord niet, want ze wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en beroepen zich op de onmogelykheid om ’t pand ongeschonden terugtebrengen, en als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft z’n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en Prinsen, zoo-even nog vast in ’t zaal, en tegen elkander zoo dapper de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan ’t schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun geest. Sire Kopperlith-zelf had er z’n glimlach by ingeschoten, en ridder Pompile z’n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om ’t hart geslagen, en hy stond op ’t punt—akelig!—méér te zeggen dan z’n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftigeclanderKruckers—van-ouds toch zoo vermaard om z’n onvergelykelyke prouessen in kurk!—genoodzaakt geworden z’n veldgeschrei ’n oktaaf lager te stemmen, en zich te bepalen tot ’n deemoedig: “ja, ziet u, dat zyn zoo van die zaken... m’n lieve mevrouwtje?” En heette dit niet in Wouter’s overzetting allerduidelykst: “Schoone dame, als je op òns rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken ongesluierd naar huis te gaan!”“Dat nooit!” riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen.Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ookinderdaad—zooals de meeste vraagstukken—is werkelyk ’n struikelblok voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. Wie meenen mocht dat ik de geestelyke gelaatstrekken derKopperlithsenKruckerste afzichtelyk schilder, neme eens de proef by “mannen van ’t vak.” En men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by ’t “vak” waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren.Overalzal den oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten van sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische buitensporigheid.Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van ’t nogal triviale gegeven in ’n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van ’t vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z’n geest—geheel-en-al uitvloeisel van ’n karakter dat slechts vrede had met eenvoudige waarheid—leidde hem aldra tot de primitiviteitvan opvatting, waaraan alle vraagstukken—ook de moralistische—behooren getoetst te worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp, en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z’n verbeelding al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zooishet, meende hy. En hy redeneerde: “we zenden... kaas en boter naar Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo ’n koopman ginds, moet iemand zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... wittegrondjes-driekleur of diemet—’n moeielyk vak, zegt m’nheer Wilkens!—en dan betalen wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu te weinig kaas hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft van ’n Engelschman. En deze moeielykheid moet overwonnen worden door hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer noodig is. Wie dus ’n wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan...Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd in landen en provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z’n wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, dáár Nederland met z’n stereotiepe kaas en boter... jazelfs Spanje kreeg ’n plaatsje met z’n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep ’n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs decrisisniet. Bonifaz had er ’t recht begrip niet van, en schopte wel-eens ’nstockofentrepôtuit elkaar op ’n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor ’n revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z’n overleggingen werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van ’t fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar ’t oogenblik dat-i onder de oogen zyner dame...du jour, z’n tegenstanders uit het zadel ligten zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond hem de helft van z’n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie, die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook, Wouter schonk hem ’t leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en al deKruckers, mits ze driemaal ’t schoeisel kusten van Wouter’s dame. Eén onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z’n vyanden uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z’n wapenfeit uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden ze verdiend! Was ’t onheusch of niet van al die verwaten ridders, zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of uithangbord, misschien de inkognite spruitwezen kon van edelen stam? Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z’n prikkelende onbekendheid? “Onze jongste bediende, onze jongste bediende!” had wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele Julia—god zegene haar!—roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid en tournooi-instinkt, om onder ’t palletootje van den kantoorklerk ’n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof en blind en idioot, al die anderen? Te-wapen, te-wapen! riep alles Wouter toe. “Jongste-bediende... hm! Ik zàl ze bedienen, jong of oud dan, maar bedienen zàl ik ze! En aan de wereld en m’n Dame wil ik toonen... sakkerloot!”Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel werd geroepen, en “Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen.” Wouter stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in, waar ’t gezelschap dineeren zou. By ’t binnentreden kon-i zich niet weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als: “wees gerust, dame van m’n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder is hier!”Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken aan wanbegrip omtrent z’n bedoelingen. Hy gloeide als ’n kool en brandde van strydlust, maar... hoe z’n wysheid aan-den-man te brengen? Eigenlyk was ’t Julie’s plicht geweest hem op den weg te helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy ’n ridder op allergevaarlykst terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om tegronde te gaan in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten op ’n blik? Och, och, och... als-i maar door ’t eerste woord heen was!Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i ’n paar keer: “de wisselkoers, m’nheer... maar de woorden stikten hem in de keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit ’n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze vermaakte het gezelschap met haar naïveteit—of met de onnoozelheid die daarvoor doorging—en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit de klauwen van ’n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets was meer geschied, meende hy.De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De oudeheer begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, dien Wouter had leeren kennen by z’n namiddagbezoeken op ’t kantoor. Zelfs tot hèm richtte de oude babbelaar ’t woord, natuurlyk tot groote ergernis van Pompile, die telkens beproefde den vloedvan papa’s spraakzaamheid te doen afloopen in voornamer bedding.—En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe ’t jebuitenbevalt? Want, jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer Krucker, hy meende dat-ibuitenwas op den singel by de Aschpoort! Hi, hi, hi, dàt meende-n-i!DeKruckersvonden dit byzonder dwaas.—En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard te Rome verteerde in ’n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat ’m begaan! Luister, m’nheer Krucker! In ’n heel jaar, weetje! M’n zoon Flodoard te Rome!—Maar, papa...—Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m’nheer Krucker dàt eens hooren.Wouter zweette. Hy zocht Julie’s oogen te ontmoeten, maar ’t lukte niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vóór z’n dame:—De wisselkoers, m’nheer...—Néééééén, dàt is nu de vraag niet! M’nheer Krucker wou zoo graag weten hoeveel je dacht dat m’n zoon Flodoard... te Rome...Pompile viel z’n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z’n belangrykentopicaftebrengen. Ook een derKruckershielp ’n handje, door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen.—Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je wel gelooven, m’nheer Krucker, dat-i al ’n titel heeft van... o, zoo’n langen titel! En... hy isweledelgestreng, wat zeg je daarvan?Wel...e...del...ge...streng, m’nheer Krucker! Is ’t niet waar, Pompile?—O ja, papa!—En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m’nheer Krucker eens zoo’n brief van Leon laten zien.—Zeker, papa!—En, uw zoon de zeeofficier, m’nheer Kopperlith?—Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het ook weer, Pompile?—Te Amboina, papa.—Juist! En, m’nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... den... gouverneur!De armeKruckerskwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier ’n bewerking ondergingen, van de soort die men op hèm had toegepast, toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven vanSignoreFlodoardo. En deze opmerking bracht hem ’n stapje verder in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen wat-i begreep. Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z’n verlegenheid om ’t kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te vatten. Maar nu hy op ’t gelaat der gasten iets meende te ontdekken dat naar spot geleek,viel hem ’t doordenken iets gemakkelyker. Ook zonder terugzicht op de schipbreuk die ’t geheele gezelschap geleden had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid intezien, dat die heele familie Kopperlith met haarbuiteneneigen rytuigen verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. Hy kon de vergelyking met den onderhoudenden, gezonden toon die er by deHolsma’sheerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van z’n “heeren patroons” uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen recht te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis, hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van debritschka, hoe kleingeestig die bekommering over ’n hoedendoos en ’n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar verheffing op... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met de dochter van ’n gouverneur... gouverneur van wàt, eigenlyk? Lieve hemel, deHolsma’shadden prinsessen in hun familie, en waren er niet grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige Femke na aan hen verwant was... zy, ’n waschmeisje!Maar hier brak Wouter z’n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den heldentyd van z’n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. Het liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts kracht tot eigenaardige zwakheid die den naam draagt van wrevel: dieKopperlith’s! Het duurde dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z’n gelaat vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op elkander, en zag een derKruckers—die ’t niet helpen kon!—uitdagend aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z’n zuurkyken te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen, en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als ’t wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, deKruckers, Eugène, de “juffrouw” en Hersilie. Met al wat ’n eigenBuitenhad, en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar!Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden beschouwer van z’n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd waarlyk tyd.Na ’t eten werden deKruckersonthaald op den traditioneelen toer. En ook Wouter mocht meeryden... in ’t achterbakjen alweer, waar men hem ’t aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. ’t Kind mocht erdurchausniet uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door, en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef het ’n zekerheid dat zy de eenige van ’t gezelschapwas, die blyk had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch... ’n beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al dieKruckers, ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest, ze scheen zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile haar domste uitvallen vereerde... kortom, Wouter wist niet hoe hy ’t had met z’nDame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar ’n oogenblik alleen te spreken... hm, ’n voetval zou er niet kwaad by staan! Maar... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i ’t huis in brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al deKopperlithsenKruckersgeschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd, enhyde redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte, háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar hield hy in de armen, háár fluisterde hy toe: “wees gerust, edele dame van m’n hart, al die stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier,ik, Wouter, die uw dorst naar kennis lesschen wil met m’n laatsten druppel bloed en ’n verhandeling over den wisselkoers...—Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m’n parasol wat over ’t kind. De zon steekt zoo!Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam ’t ding werktuigelyk aan...—Schuif ’t op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de veer in ’t stokje! Versta je me niet? Wat ’n onhandig jongetje, Pompile!Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan.—Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in ’t stokje, schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat “de jonge Pieterse” z’n zuster niet verstaan had.—Doe ’t ’m eens voor, Pompile, zei de oudeheer.Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over ’t gezelschap heen, om den “jongen Pieterse” les te geven in ’t openen van ’n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte, schoof, en schoof wat krachtig...—Ik kàn wel, m’nheer, zeid-i.... en ’t ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als ’n vlag! Het heele gezelschap was “ontdaan.” Men keek elkander verbaasd aan, als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met ’n gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven aan onlydelyke pyn.—’t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet waar, Calbb?—Je moet altyd begrypen Hersilie, ’t is ’n burgerjongetje, riep Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken, ’t is ’n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt het van!—Zeven gulden, dertien!Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van ’t rytuig toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor ’t laatst te bewonderen hoe het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog ’n paar maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: “zeven gulden, dertien” en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan “de juffrouw.” Ze had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak...—Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama...—Hy stond mevrouw zoodélicieusby die gelebergère, maseurde de juffrouw.—Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama...—’t Is ’n warebalourdise. m’nheer!—Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten, doen, mama. Want zoo’n jongen...—Fi donc, zoo lomp te zyn!—Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw Calbb had moeten begrypen dat zoo’n jongetje...—’t Is infaam!...dat zoo’n jongetje maar... ’n burgerjongetjen is! Dàt wou ik maar zeggen aan mama.En dit alles moest Wouter aanhooren! Z’n woede was gebroken. Hy voelde zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent.Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i “groot” was? Wanneer hy op dit oogenblik z’n ouden vyand Slachterskeesjen ontmoet had, hy zou hem aan ’t hart hebben gesloten als ’n bode uit hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds te verlangen naar ’t weerzien van de grove gestalten die hem in die dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus.Wouter was wanhopig. En z’n stemming werd er niet beter op, toen-i bemerkte dat ook Julie tot z’n vyanden behoorde, want “vyandschap” meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite hem op ’n parapluie te wyzen hoe men ’n parasol opent, en ten-laatste was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z’n zonderlingen handgreep onder woorden tebrengen, wel genoodzaakt zich aantestellen alsof hy werkelyk voor ’t eerst te weten kwam dat men by zoo’n gelegenheid op ’n veertje moet drukken. Pompile scheen zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat “de jonge Pieterse” de zaak nu volkomen verstond, en zeker by ’n volgende gelegenheid...—Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia.De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden dertien te zoeken.A la bonne heure!
Over zekere volksverhuizing die—by groote uitzondering, voorzeker!—inderdaad heeft plaats gehad.Wouter,al lager en lager zakkende, komt eindelyk te-land achter de “britschkavan Papa.”Op zekeren dag was er ’n groote beweging op de Keizergracht by de Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig verhevener standpunt intenemen, door ’n kykgaatjen in de gordynen der beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden of voortvarendheid, bleven staan by ’n schouwspel...Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten volgen. Helaas, lezer, wat zal ’n arme auteur doen? Er was, om de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen, was maar ’n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.)“De Kopperlith’s gaan naar buiten” verhaalden elkander de Grietjes en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde toonen, kwam ’n half-uurtje na ’t ontvangen van die boodschap terug met de vraag: “zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith’s naar-buiten gaan?”Ik zou ’n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich hier-en-daar ’n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen “juffrouwen”, zeven-en-twintig kameniers—tevens linnen- en kindermeiden—verzekerden niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of ’t wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith’s naar-buiten zouden gaan?Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith’s zouden inderdaad naar-buiten gaan. Er lag ’n zolderschuit voor de deur. Om nu den niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat ’n “zolderschuit” is, als wat “voor de deur liggen” beteekent, te doen verlangen naar ’n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat ’n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar met ’n vloer. “Voor de deur” beduidt hier zooveel als in de gracht “waarop” het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk van zekere bekwaamheid, maar ’n Paryzenaar of andere buitenmanmoet zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal ’t ware begrip hebben kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam.Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den inboedel. Oppervlakkig kan hetbourgeoisvoorkomen, dat de begrooting van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve, om dat verhuizen was ’t juist te doen! De buren en voorbygangers moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de beeremuts van Holsma’s koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens geschieden in ’t laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer zou de heele buurt zeggen: “weet je wel dat de Kopperlith’s weer in de stad zyn?” Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in ’n anderen stand. Wie er een kent, kent ze allen.Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met z’n kameraden. Ook de koetsier met ’n paar geïmprovizeerde noodhulpen. Gerrit’s rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk lenig, misschien wel omdat “die Wullekes” niet in de zaak betrokken was. Zelfs—o hemel!—werd er meegeholpen door de kamenier, en—o, honderd hemels!—door de “juffrouw.” Ieder ligtte, schoof, reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep: “voorzichtig!” De intelligente lezer begrypt dat de “juffrouw” die ’n ontzettendquantumfatsoen had optehouden of... te veroveren, zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan ’t lyf had. En de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z’n stand ontzien, en ze kwam dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld.Al die meubels moesten naarGroenenhuize. “Mama” zou volgen met byzondere gelegenheid. Hoe ’t gelukt is, haar uittepellen... neen, deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburgerpeteunekes, maar die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam ’t in dit byzonder geval juist aan. Met ’n speld pluist men zulke alikruikjes by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor den dag gehaald... integraal! Dit slechts weetik, dat zy weinige dagen later den bodem vanGroenenhuizebezwaarde, en dat ook de oudeheer z’n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de stad, en kwamen meestal ’s maandags terug. Gerrit en z’n egae Jans werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken en de jongeheer Pompile kon z’n woord lossen aan de Pleiers en de Hockers en de Kruckers... goddank!Intusschen was Wouter’s verveling op ’t kantoor, op de zolders, en in ’t magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat uitvoerde. Want m’nheer Wilkens beweerde dat er voor ’n jong-mensch altyd iets te doen was: “leer dàt van my!”Dit is waar, o m’nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat er ook voor ’n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was de vraag niet. De vraag was wàt men aan Wouter te doen gaf. Of er voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor ’t lichaam? Geveegd hàd-i. Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt en opgeplakt, hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met ’n gebroken kruisjen en ’n wipjen of ’n brokkelig moesjen op ’n blauwig marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond, en ’t wipje wipte wat minder. En die diemetten, en diefancy-checksen diefancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elkeninchvan schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet meer moeielyk: “zooveelpounds,shillingsenpence, tegentwaalf en drie.” En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld werd met ditjargonvan den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem eenmaal had gelieven uitteleggen. In z’nStrabbekwamen moeielyker “sommen” voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z’n stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop ’n jongmensch z’n ziel verkwisten kan. En ’n oud mensch ook. Voor Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de “gezelligheid” by ’t postkantoor op al te willigen bodem viel.Reeds jaren geleden1heb ik er op gewezen hoe het horror vacui2der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de opvoeding. De ziel heeft ’n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor geen ruimte heeft.3Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aanbegrypenen weldra zal ’t hem stuiten iets aantenemen dat, met z’n weten en begrip in-stryd, zoowel ’n miskenning van z’noordeelwezen zal, als ’n beleediging van z’nsmaak.Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z’n aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen.Zoolang hy kind was, had z’n fantazie ’t noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van ’t vruchteloos grypen naar ’t onmogelyke. Z’n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende wat er te verslinden viel... och, alweer ’n beeld dat niet deugt! Er werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op ’t weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, ’t Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z’n toestand. Ieder ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy, en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden hadden onder ’n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht van Wouter’s gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan ’t preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af, dat-i—opgeblazen nu van z’n recente postkantoorsche wysheid—berouw voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte zich optedringen dat-i ’n volgenden keer... hm! Zou die volgende keer ooit komen! ’t Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z’n vroeger onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich ’t leven draait. De lezer weet misschien dat zulkmisgrypen in schatting van belangrykheidnog steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele derwarezedelykheid, ’n zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld’sceux qui s’appliquent(trop?)aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden.Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over ’t gebrek aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z’n herinneringen aan de indrukken die Femke hem meedeelde, z’n eerzucht, z’n lust om met ’n beetje almacht het goede te bevorderen, z’n onverzadelyke begeerte om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde hem. Even ontevreden als immer met z’n tegenwoordigen toestand, had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met ’n toekomst waarover ’t bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is ’t grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met straf, meenden behoefte te hebben aan ’n àndere hel dan ’t verlies van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is ’n ware sinekuur.Eens, op-straat—boodschappen doende voor den jongeheer Pompile, natuurlyk—bepeinsde Wouter ’t nieuwste nieuwtje van ontwikkeling, dat dien morgen door een van z’n kameraadjes aan ’t Postkantoor was ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy keerde zich om en sloeg ’n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot ’n beetje vermindering van z’n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon, en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als slapen. ’t Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wàt?Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z’n naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... ’n slecht teeken!—Toch zou ik wel ’ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor zoo doof is aan z’n linkeroor?Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap.’t Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op ’t kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden dag zich te komen verlustigen opGroenenhuize. De jongeheer Pompile verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens ’n wenk te geven dat de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op:huishouden.—Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken aangaan wat je noemt dezaken?—Hm!—Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper?—Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, ’t zyn kleinigheden, niet waar?—Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van plan zyn morgen opGroenenhuizete komen? En of ze papa’sbritschkagevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de goedheid hebben even by m’nheer Calbb te gaan, en doe’t kompliment van my—van m’nheer Pompile, moet je zeggen—en vragen of m’nheer Calbb...—Calbb is niet thuis, bromde Eugène.—Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m’nheer Calbb z’n huis te gaan, en... je schelthuis, weetje? En je doet het kompliment van my, van m’nheer Pompile, en je zegt—aan de meid, weetje, die je opendoet—dat je morgen buiten mag komen—buiten, opGroenenhuize, moet je maar zeggen—en dat ik vragen laat of mevrouw Calbb en m’nheer Calbb en de jongeheerBonifaz—want Ludwig-Bonifaz heet het zoontje van m’n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?—nu, dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met papa’sbritschka—met debritschkavan m’nheer Kopperlith, moet je zeggen—met huurpaarden...—Hm, bromde Eugène.—Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m’nheer Calbb en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe laat? En... of ie mee mag ryden? Maar...asjeblieft, moet je zeggen, niet waar, Eugène?—Hm!—Juist!Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van my doen. Zeg, Eugène, vind jy ’t niet wat indiskreet van Calbb, zoo altyd met debritschkavan papa...Vóór Wouter Eugène’s meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z’n boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg ten-antwoord dat mevrouw en m’nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz Calbb zoo tusschen negenen en twaalven deHaarlemmer Poortpasseeren zouden. “Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z’n tyd dáár te zyn, en men zou hem ’n plaatsjen inruimen. Maar... lastig was ’t wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten vergezellen van z’n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in.”Wouter had den moed niet, m’nheer Pompile voortestellen den weg naar Haarlem te voet te maken, al zy ’t dan dat de onsmakelyke wys waarop hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis gekomen, bemerkte dat z’n moeder opgetogen was van de eer die in hem de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist had in ’t beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb’s plompheid by hem te-weeg bracht.—Gut, in ’nbritschka!Dat ’s zeker ’n koets, Trui, ’n staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als ’n banjerheer, den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele wereld te zien krygen...—Met ’n hobbelpaard, moeder!—Nu ja, met ’n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen sterveling! Niemand zal ’t merken dat je met ’n hobbelpaard in die... koets zit. Weetje watikzou doen in jou plaats? Ik nam ’t tusschen m’n knieën...—Gut, moeder!—Wel zeker! En je legt ’n zakdoek op je schoot, dan kraait er geen haan na. Je bent ’n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja,dat zouden ze, als ze ook zoo ’reis naar-buiten mochten gaan, naar ’n wezenlykBuiten.—Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort!—Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo’n heer als m’nheer Calbb zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m’nheer? En de jongeheer... hoe heet-i?—Zoo’n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet je wat je bent, Wouter? Je bent ’n rechte izegrim. Als je vader ’t beleefd had, die zoo zuur voor z’n brood...Den volgenden morgen stond Wouter op z’n post. ’t Was nog niet volkomen middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in debritschkavan papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door ’n menigte pakken en pakjes was opengelaten in ’n achterbakje. Heel grootsch was-i niet toen hy bemerkte dat z’n inscheping de aandacht trok van den accynsman aan de poort, en van ’t half dozyn straatjongetjes dat uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt ’n heele gebeurtenis te zien in ’t stilhouden van ’n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf tusschen de knieën genomen, en... ’n zakdoek er over! Hy haalde adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar zat tusschen al die bagage. Dat was’n àndere tocht voorwaar, dan de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z’n oogen, en trachtte in ’t sukkelig schokken van den wagen, de kadans te vinden van z’n eigen galoppeerend rooverslied:met m’n zwaard... hop, hop, hop...enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem ’t voortzetten van z’n vruchtelooze pogingen, door ’n vermaning:—Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met soezen? En... hou toch die mand wat tegen! ’t Ding schommelt zoo tegen m’n hoededoos.Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen kwamen onbeschadigd opGroenenhuizeaan.41In I. 144 en 464.2= afkeer van leegte.3Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding van het geloof aan spoken en wonderen: “daar het kind geen stap in de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen,” is het “ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door onthouding.” (I. 1233.)4Wouters tocht naar het “buiten” der Kopperliths leidt M. in met een schooneverhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en 18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo Ramirez. (I. 1236–1242.)
Over zekere volksverhuizing die—by groote uitzondering, voorzeker!—inderdaad heeft plaats gehad.Wouter,al lager en lager zakkende, komt eindelyk te-land achter de “britschkavan Papa.”
Over zekere volksverhuizing die—by groote uitzondering, voorzeker!—inderdaad heeft plaats gehad.Wouter,al lager en lager zakkende, komt eindelyk te-land achter de “britschkavan Papa.”
Op zekeren dag was er ’n groote beweging op de Keizergracht by de Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig verhevener standpunt intenemen, door ’n kykgaatjen in de gordynen der beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden of voortvarendheid, bleven staan by ’n schouwspel...
Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten volgen. Helaas, lezer, wat zal ’n arme auteur doen? Er was, om de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen, was maar ’n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.)
“De Kopperlith’s gaan naar buiten” verhaalden elkander de Grietjes en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde toonen, kwam ’n half-uurtje na ’t ontvangen van die boodschap terug met de vraag: “zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith’s naar-buiten gaan?”
Ik zou ’n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich hier-en-daar ’n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen “juffrouwen”, zeven-en-twintig kameniers—tevens linnen- en kindermeiden—verzekerden niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of ’t wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith’s naar-buiten zouden gaan?
Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith’s zouden inderdaad naar-buiten gaan. Er lag ’n zolderschuit voor de deur. Om nu den niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat ’n “zolderschuit” is, als wat “voor de deur liggen” beteekent, te doen verlangen naar ’n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat ’n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar met ’n vloer. “Voor de deur” beduidt hier zooveel als in de gracht “waarop” het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk van zekere bekwaamheid, maar ’n Paryzenaar of andere buitenmanmoet zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal ’t ware begrip hebben kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam.
Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den inboedel. Oppervlakkig kan hetbourgeoisvoorkomen, dat de begrooting van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve, om dat verhuizen was ’t juist te doen! De buren en voorbygangers moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de beeremuts van Holsma’s koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens geschieden in ’t laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer zou de heele buurt zeggen: “weet je wel dat de Kopperlith’s weer in de stad zyn?” Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in ’n anderen stand. Wie er een kent, kent ze allen.
Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met z’n kameraden. Ook de koetsier met ’n paar geïmprovizeerde noodhulpen. Gerrit’s rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk lenig, misschien wel omdat “die Wullekes” niet in de zaak betrokken was. Zelfs—o hemel!—werd er meegeholpen door de kamenier, en—o, honderd hemels!—door de “juffrouw.” Ieder ligtte, schoof, reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep: “voorzichtig!” De intelligente lezer begrypt dat de “juffrouw” die ’n ontzettendquantumfatsoen had optehouden of... te veroveren, zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan ’t lyf had. En de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z’n stand ontzien, en ze kwam dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld.
Al die meubels moesten naarGroenenhuize. “Mama” zou volgen met byzondere gelegenheid. Hoe ’t gelukt is, haar uittepellen... neen, deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburgerpeteunekes, maar die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam ’t in dit byzonder geval juist aan. Met ’n speld pluist men zulke alikruikjes by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor den dag gehaald... integraal! Dit slechts weetik, dat zy weinige dagen later den bodem vanGroenenhuizebezwaarde, en dat ook de oudeheer z’n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de stad, en kwamen meestal ’s maandags terug. Gerrit en z’n egae Jans werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken en de jongeheer Pompile kon z’n woord lossen aan de Pleiers en de Hockers en de Kruckers... goddank!
Intusschen was Wouter’s verveling op ’t kantoor, op de zolders, en in ’t magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat uitvoerde. Want m’nheer Wilkens beweerde dat er voor ’n jong-mensch altyd iets te doen was: “leer dàt van my!”
Dit is waar, o m’nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat er ook voor ’n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was de vraag niet. De vraag was wàt men aan Wouter te doen gaf. Of er voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor ’t lichaam? Geveegd hàd-i. Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt en opgeplakt, hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met ’n gebroken kruisjen en ’n wipjen of ’n brokkelig moesjen op ’n blauwig marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond, en ’t wipje wipte wat minder. En die diemetten, en diefancy-checksen diefancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elkeninchvan schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet meer moeielyk: “zooveelpounds,shillingsenpence, tegentwaalf en drie.” En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld werd met ditjargonvan den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem eenmaal had gelieven uitteleggen. In z’nStrabbekwamen moeielyker “sommen” voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z’n stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop ’n jongmensch z’n ziel verkwisten kan. En ’n oud mensch ook. Voor Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de “gezelligheid” by ’t postkantoor op al te willigen bodem viel.
Reeds jaren geleden1heb ik er op gewezen hoe het horror vacui2der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de opvoeding. De ziel heeft ’n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor geen ruimte heeft.3
Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aanbegrypenen weldra zal ’t hem stuiten iets aantenemen dat, met z’n weten en begrip in-stryd, zoowel ’n miskenning van z’noordeelwezen zal, als ’n beleediging van z’nsmaak.
Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z’n aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen.Zoolang hy kind was, had z’n fantazie ’t noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van ’t vruchteloos grypen naar ’t onmogelyke. Z’n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende wat er te verslinden viel... och, alweer ’n beeld dat niet deugt! Er werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op ’t weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, ’t Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z’n toestand. Ieder ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy, en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden hadden onder ’n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht van Wouter’s gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan ’t preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af, dat-i—opgeblazen nu van z’n recente postkantoorsche wysheid—berouw voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte zich optedringen dat-i ’n volgenden keer... hm! Zou die volgende keer ooit komen! ’t Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z’n vroeger onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich ’t leven draait. De lezer weet misschien dat zulkmisgrypen in schatting van belangrykheidnog steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele derwarezedelykheid, ’n zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld’sceux qui s’appliquent(trop?)aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden.
Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over ’t gebrek aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z’n herinneringen aan de indrukken die Femke hem meedeelde, z’n eerzucht, z’n lust om met ’n beetje almacht het goede te bevorderen, z’n onverzadelyke begeerte om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde hem. Even ontevreden als immer met z’n tegenwoordigen toestand, had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met ’n toekomst waarover ’t bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is ’t grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met straf, meenden behoefte te hebben aan ’n àndere hel dan ’t verlies van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is ’n ware sinekuur.
Eens, op-straat—boodschappen doende voor den jongeheer Pompile, natuurlyk—bepeinsde Wouter ’t nieuwste nieuwtje van ontwikkeling, dat dien morgen door een van z’n kameraadjes aan ’t Postkantoor was ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy keerde zich om en sloeg ’n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot ’n beetje vermindering van z’n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon, en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als slapen. ’t Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wàt?
Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z’n naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... ’n slecht teeken!
—Toch zou ik wel ’ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor zoo doof is aan z’n linkeroor?
Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap.
’t Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op ’t kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden dag zich te komen verlustigen opGroenenhuize. De jongeheer Pompile verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens ’n wenk te geven dat de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op:huishouden.
—Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken aangaan wat je noemt dezaken?
—Hm!
—Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper?
—Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, ’t zyn kleinigheden, niet waar?
—Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van plan zyn morgen opGroenenhuizete komen? En of ze papa’sbritschkagevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de goedheid hebben even by m’nheer Calbb te gaan, en doe’t kompliment van my—van m’nheer Pompile, moet je zeggen—en vragen of m’nheer Calbb...
—Calbb is niet thuis, bromde Eugène.
—Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m’nheer Calbb z’n huis te gaan, en... je schelthuis, weetje? En je doet het kompliment van my, van m’nheer Pompile, en je zegt—aan de meid, weetje, die je opendoet—dat je morgen buiten mag komen—buiten, opGroenenhuize, moet je maar zeggen—en dat ik vragen laat of mevrouw Calbb en m’nheer Calbb en de jongeheerBonifaz—want Ludwig-Bonifaz heet het zoontje van m’n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?—nu, dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met papa’sbritschka—met debritschkavan m’nheer Kopperlith, moet je zeggen—met huurpaarden...
—Hm, bromde Eugène.
—Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m’nheer Calbb en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe laat? En... of ie mee mag ryden? Maar...asjeblieft, moet je zeggen, niet waar, Eugène?
—Hm!
—Juist!Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van my doen. Zeg, Eugène, vind jy ’t niet wat indiskreet van Calbb, zoo altyd met debritschkavan papa...
Vóór Wouter Eugène’s meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z’n boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg ten-antwoord dat mevrouw en m’nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz Calbb zoo tusschen negenen en twaalven deHaarlemmer Poortpasseeren zouden. “Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z’n tyd dáár te zyn, en men zou hem ’n plaatsjen inruimen. Maar... lastig was ’t wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten vergezellen van z’n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in.”
Wouter had den moed niet, m’nheer Pompile voortestellen den weg naar Haarlem te voet te maken, al zy ’t dan dat de onsmakelyke wys waarop hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis gekomen, bemerkte dat z’n moeder opgetogen was van de eer die in hem de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist had in ’t beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb’s plompheid by hem te-weeg bracht.
—Gut, in ’nbritschka!Dat ’s zeker ’n koets, Trui, ’n staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als ’n banjerheer, den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele wereld te zien krygen...
—Met ’n hobbelpaard, moeder!
—Nu ja, met ’n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen sterveling! Niemand zal ’t merken dat je met ’n hobbelpaard in die... koets zit. Weetje watikzou doen in jou plaats? Ik nam ’t tusschen m’n knieën...
—Gut, moeder!
—Wel zeker! En je legt ’n zakdoek op je schoot, dan kraait er geen haan na. Je bent ’n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja,dat zouden ze, als ze ook zoo ’reis naar-buiten mochten gaan, naar ’n wezenlykBuiten.
—Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort!
—Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo’n heer als m’nheer Calbb zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m’nheer? En de jongeheer... hoe heet-i?
—Zoo’n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet je wat je bent, Wouter? Je bent ’n rechte izegrim. Als je vader ’t beleefd had, die zoo zuur voor z’n brood...
Den volgenden morgen stond Wouter op z’n post. ’t Was nog niet volkomen middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in debritschkavan papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door ’n menigte pakken en pakjes was opengelaten in ’n achterbakje. Heel grootsch was-i niet toen hy bemerkte dat z’n inscheping de aandacht trok van den accynsman aan de poort, en van ’t half dozyn straatjongetjes dat uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt ’n heele gebeurtenis te zien in ’t stilhouden van ’n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf tusschen de knieën genomen, en... ’n zakdoek er over! Hy haalde adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar zat tusschen al die bagage. Dat was’n àndere tocht voorwaar, dan de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z’n oogen, en trachtte in ’t sukkelig schokken van den wagen, de kadans te vinden van z’n eigen galoppeerend rooverslied:met m’n zwaard... hop, hop, hop...enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem ’t voortzetten van z’n vruchtelooze pogingen, door ’n vermaning:
—Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met soezen? En... hou toch die mand wat tegen! ’t Ding schommelt zoo tegen m’n hoededoos.
Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen kwamen onbeschadigd opGroenenhuizeaan.4
1In I. 144 en 464.2= afkeer van leegte.3Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding van het geloof aan spoken en wonderen: “daar het kind geen stap in de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen,” is het “ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door onthouding.” (I. 1233.)4Wouters tocht naar het “buiten” der Kopperliths leidt M. in met een schooneverhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en 18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo Ramirez. (I. 1236–1242.)
1In I. 144 en 464.
2= afkeer van leegte.
3Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding van het geloof aan spoken en wonderen: “daar het kind geen stap in de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen,” is het “ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door onthouding.” (I. 1233.)
4Wouters tocht naar het “buiten” der Kopperliths leidt M. in met een schooneverhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en 18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo Ramirez. (I. 1236–1242.)
Wouterwordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door ’n vereerende zending naar de mangelkamer.De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek vanebenbürtigeoptrekmenschen, maar liever van hooger geplaatsten. Men maakterytoeren in den omtrek, waarby de tentoonstelling van “eigen equipage” hoofddoel was, en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van ’t Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z’n “Buiten” door vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z’nPleiersen z’nHockersen z’nKruckersop na, jazelfs z’n “jongste-bedienden” wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen—heidensche, grieksche en christelyke—als ’n eigenaardigheid der goden vinden aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als ’n menschenkind zich op hun grootheid stom, blind en gek staart.Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om opGroenenhuizede rol van lamgeschitterd Serafyntje te spelen.De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z’n buiten lag vlak by “de Logementen.” Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste ontvluchters van ’t stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het “buiten-zyn” geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z’n fantazie hadden opgewekt. By ’t rondzien uit z’n achterbakjen op ’t rytuig, bespeurde hy geen enkel plekje waar ’n verloren zoon ’t kleinste biggetje had kunnen deelgenoot maken van z’n berouw. Herderinnen met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis, zoo aantrekkelyk door ’t verondersteld gemis aan conventie, zich maar niet aan hem vertoonen. By ’t omslaan van ’n hoek, had de fameuze “britschka van papa” byna ’n half-blinden vioolspeler overreden... was dàt de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met aard en stof overdekt... was dàt de fluweelen dansvloer van de landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dàt de mildheid der gulle buitennatuur? En... en—komaan, hy moest zichzelf bekennen dat-i teleurgesteld was—gedurende de reis had geen enkel aventuur de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te hebben, of althans men had zich ’n oogenblik kunnen opdringen dat-i wat anders was dan ’nvreedzame landlooper, maar ’n nietig tikje met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, en Wouter zat weer alleen met z’n soezen en z’n hoededoos. Juist was hy aan ’t bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die ’n “Buiten” bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen ’t rytuig het hek vanGroenenhuizebinnenreed, en voor de open voorgalery stilstond. Pompile kwam met z’n gewone schichtigheid te voorschyn:—Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat komt van de droogte. Als ’t regenen gaat, zal je zien dat ’t minder stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag er uit komen... stap maar op ’t wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z’n hobbelpaard meegebracht? Zeg: dag, oom! ’t Kan in de mangelkamer staan, of in ’t tuinhuis... want mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben deKruckershier, en van-middag komen deHockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen op ’n maderaatje. “Met veel pleizier!” hebben ze laten zeggen, want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, weetje, met deKruckers, maar mama blyft thuis—vreeselyke hoofdpyn, weetje?—ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène zegt...Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van z’n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de familie volgen, die ’t huis was ingetreden, en weldra aanlandde in de achtergalery waar ’t hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en z’n spruit Eugène. Daar zat deKrucker-familie. En daar ook namen de nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter, die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan de vrouw des huizes voorgesteld met ’n onachtzaamheid waarin niets laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z’n onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging voor Pompile’s lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag omdat-i te doen had met ’n kantoorbediende, met ’n wezen van lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid door van “voorstellen” te spreken. De waarheid is dat Wouter met ’n vingerbeweging werd aangewezen als “de jonge Pieterse” en toen ’n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot iets als ’n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard door ’n snelle vermelding van Wouter’s maatschappelyk standpuntje:—Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op ’n toon die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten jagen van beleefdheid.Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de verheven gesprekken die de achtergalery vanGroenenhuizezoo byzonder weinig deden gelyken op ’nbureau d’esprit.Deréunionsdie eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met ’n beraamd plan om geestigheden uittekramen, of al ware ’t zelfs geest. Misselyker nog komt my ’t uitstallen van—nagemaakte!—geleerdheid voor, zooals die welke door Molière wordt gehekeld in z’nFemmes savantesenPrécieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen—en de overgroote meerderheid!—middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer ’n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van pater Jansen’s gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken van de burgerlui onderscheidt. Helaas!Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op ’t meegebrachte hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen.—Hy wou ’t absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als ’t kind z’n zin niet krygt...—Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. ’t Kind heeft kolossaal viel karakter.—Maar... mama heeft zoo’n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw?De juffrouw getuigde naar Pompile’s zin, en de nogal fameus-erg zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd weggezonden, met verzoek z’n beestje niet anders te behobbelen dan in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en ’t huis dreunde er van. Het gezelschap stelde zich schadeloos door ’n gesprek over weer en wind, waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de “zaken” op ’t tapyt, en ’t vrouwelyk deel der vergadering kon zich als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke mevrouw stelde zich schadeloos door ’t onophoudelyk mummelen van soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de dokter gezegd. Julie “werkte” aan haar hooggekleurden jachthond, dien Wouter by deze gelegenheidmet genoegen weerzag. De juffrouw knutselde aan ’n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met voortdurende handhaving van ’t glimlachje waarmede hy gewoon was z’n existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z’n stoel en verkneuterde zich in de verrukking van z’nKruckers. Elk zyner blikken scheen te vragen: “welnu, is ’t waar of niet, dat papa ’n eigenBuitenheeft?” Om hem te bedanken, maakte een hunner de opmerking “dat lynwaden zoo’n belangryk vak was.”—Een heel belangryk vak, m’nheer Kopperlith!—Zeker, zeker! Maar “kurken” zyn ook niet te versmaden, kaatste de oudeheer terug.De scherpzinnige lezer begrypt dat deKrucker-familie “in” kurk en kurken “was.”—Als ik het voor ’t kiezen had, was ik liever “in” lynwaden, zei een hunner zediglyk.—Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u...—Daarin is altyd iets te doen.—Zeker, zeker, altyd iets!—En in kurken heeft men soms...—Ja, dit is waar.—Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak.—Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van ’n vak hebben...—Juist! En er by opgebracht zyn.’t Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al deKruckersaan, die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht.—Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig voor kurken?—Julie! riep de oude mevrouw verwytend.—Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél verstand!—We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker.Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde.—Ja, op Spanje!—U spreekt dan zeker spaansch?Deze vraag gold voor ’n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden ’t minst luid niet, misschien wel om ’t antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch op de verrukkelyke geestigheid van z’n vrouwtje.—Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in kurk doet, heeft ’n kantoor op Spanje.—De reizigers uit Barcelona loopen ’t land af, zei de familie Krucker.—Ja, papa, ’t is ’n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem aangebrachte gasten wat wilde ophemelen.—Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een derKruckers, vreeselyk, m’nheer!—De menschen kunnen ’t kladden niet laten.—Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier, m’nheer Kopperlith!—Een nekslag voor den handel!—Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène?—Hm, zei Eugène.—Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt niets! Wy, grossiers, visschen achter ’t net.—En hoe staat de wissel op Spanje?—Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat’s makkelyker.—Parys staat hoog, zei gister m’n boekhouder, niet waar Pompile?—Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat.—Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?Algemeen gelach om Julie’s geestigheid. Pompile wreef zich de handen van plezier.—Wel, dit beduidt ...—Wel zeker, ’t beduidt dat ...—Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat.—De fransche wissel, weetje?—Ah! zei Julie, als voldaan.—Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staattwaalf en drie.—Ah, zoo!—Juist, zoo is het! Engeland staattwaalf en drie. En Frankryk ...—Frankryk staat zeker wel ...—Ja, ja, Frankryk staat heel hoog.—Papa,waaromstaat Frankryk zoo hoog?Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist ’n behoorlyk antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over z’n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest, stootte een derKruckerstegen de knie, alsof hy zeggen wilde: “wel, wat zeg je van m’n vrouwtje?” Julie meende uit het algemeen gegiechel te mogen opmaken dat ze ’n vraag had gedaan, die de moeite van ’t herhalen waard was. Nogeens alzoo:—Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van uitrekeningen voor ’t faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan ’t ryzen en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op ’t kantoor durfde hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen met ’n bar: “dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!” Zeer diep had hy dan ook nog niet over ’t vraagstuk nagedacht, maar z’n belangstelling werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop ’t hier ter-tafel gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat ze drang voeldetot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben.—Die Julie! had de oude mevrouw geroepen.—Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat?—Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De wissel, weetje?—Juist, riepen deKruckers, ’t is de wissel!—Zieje, Julie, ’t is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z’n gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet tevreden voor ze alles weet!—Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog?—Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk.—Juist, Julie! Zieje, ’t is de wissel op Frankryk.—Maar ... wat bedoelt men dan daarmee?—Wel, dat de wissel duur is.—Maar ... waarom is-i duur?—Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ...—Ja, Julie, dat zyn vragen ...En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die vragen zyn ...Er spookte een duiveltjen in Wouter’s gemoed. Het niet-weten der anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy misschien ’t vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde, en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn van z’n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer nam de taak van uitlegger op zich.—De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd staat.—Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène?Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al deKruckersknikten toestemmend.—Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen bevredigd was.—Het zyn ...zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot overmaat van helderheid.—Daar heb je ’t juist, riepen deKruckers,’t ligt ’m in dezaken, lieve mevrouwtje!En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer begon te gelooven dat-i wat degelykers over ’t onderwerp zou kunnen meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z’n eigen stem, begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in ’t aanroeren van Julie’s prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van ’n kind. Onwillekeurig dacht hy aan z’n kornuiten by ’t postkantoor, z’n vraagbaken sedert ’n maand of wat.Zyzouden ’t weten, meende hy, waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen,niet mogen worden aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z’n mond te houden. Hy werd uit z’n spanning verlost door Pompile:—Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen naar de mangelkamer te gaan—niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?—en speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. ’t Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo’n fameus erge hoofdpyn heeft, dát is het maar!Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen ’t beneden de waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken dan in den salon. Wouter verslikte z’n wysheid over de oorzaken van den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op ’t geluid af. Hier vervulde hy z’n naastbyliggend plichtje, door den jongeheer Bonifaz aftelokken van z’n hobbelpaard.
Wouterwordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door ’n vereerende zending naar de mangelkamer.
Wouterwordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door ’n vereerende zending naar de mangelkamer.
De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek vanebenbürtigeoptrekmenschen, maar liever van hooger geplaatsten. Men maakterytoeren in den omtrek, waarby de tentoonstelling van “eigen equipage” hoofddoel was, en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van ’t Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z’n “Buiten” door vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z’nPleiersen z’nHockersen z’nKruckersop na, jazelfs z’n “jongste-bedienden” wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen—heidensche, grieksche en christelyke—als ’n eigenaardigheid der goden vinden aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als ’n menschenkind zich op hun grootheid stom, blind en gek staart.
Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om opGroenenhuizede rol van lamgeschitterd Serafyntje te spelen.
De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z’n buiten lag vlak by “de Logementen.” Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste ontvluchters van ’t stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het “buiten-zyn” geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z’n fantazie hadden opgewekt. By ’t rondzien uit z’n achterbakjen op ’t rytuig, bespeurde hy geen enkel plekje waar ’n verloren zoon ’t kleinste biggetje had kunnen deelgenoot maken van z’n berouw. Herderinnen met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis, zoo aantrekkelyk door ’t verondersteld gemis aan conventie, zich maar niet aan hem vertoonen. By ’t omslaan van ’n hoek, had de fameuze “britschka van papa” byna ’n half-blinden vioolspeler overreden... was dàt de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met aard en stof overdekt... was dàt de fluweelen dansvloer van de landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dàt de mildheid der gulle buitennatuur? En... en—komaan, hy moest zichzelf bekennen dat-i teleurgesteld was—gedurende de reis had geen enkel aventuur de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te hebben, of althans men had zich ’n oogenblik kunnen opdringen dat-i wat anders was dan ’nvreedzame landlooper, maar ’n nietig tikje met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, en Wouter zat weer alleen met z’n soezen en z’n hoededoos. Juist was hy aan ’t bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die ’n “Buiten” bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen ’t rytuig het hek vanGroenenhuizebinnenreed, en voor de open voorgalery stilstond. Pompile kwam met z’n gewone schichtigheid te voorschyn:
—Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat komt van de droogte. Als ’t regenen gaat, zal je zien dat ’t minder stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag er uit komen... stap maar op ’t wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z’n hobbelpaard meegebracht? Zeg: dag, oom! ’t Kan in de mangelkamer staan, of in ’t tuinhuis... want mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben deKruckershier, en van-middag komen deHockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen op ’n maderaatje. “Met veel pleizier!” hebben ze laten zeggen, want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, weetje, met deKruckers, maar mama blyft thuis—vreeselyke hoofdpyn, weetje?—ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène zegt...
Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van z’n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de familie volgen, die ’t huis was ingetreden, en weldra aanlandde in de achtergalery waar ’t hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en z’n spruit Eugène. Daar zat deKrucker-familie. En daar ook namen de nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter, die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan de vrouw des huizes voorgesteld met ’n onachtzaamheid waarin niets laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z’n onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging voor Pompile’s lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag omdat-i te doen had met ’n kantoorbediende, met ’n wezen van lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid door van “voorstellen” te spreken. De waarheid is dat Wouter met ’n vingerbeweging werd aangewezen als “de jonge Pieterse” en toen ’n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot iets als ’n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard door ’n snelle vermelding van Wouter’s maatschappelyk standpuntje:
—Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op ’n toon die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten jagen van beleefdheid.
Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de verheven gesprekken die de achtergalery vanGroenenhuizezoo byzonder weinig deden gelyken op ’nbureau d’esprit.
Deréunionsdie eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met ’n beraamd plan om geestigheden uittekramen, of al ware ’t zelfs geest. Misselyker nog komt my ’t uitstallen van—nagemaakte!—geleerdheid voor, zooals die welke door Molière wordt gehekeld in z’nFemmes savantesenPrécieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen—en de overgroote meerderheid!—middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer ’n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van pater Jansen’s gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken van de burgerlui onderscheidt. Helaas!
Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op ’t meegebrachte hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen.
—Hy wou ’t absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als ’t kind z’n zin niet krygt...
—Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. ’t Kind heeft kolossaal viel karakter.
—Maar... mama heeft zoo’n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw?
De juffrouw getuigde naar Pompile’s zin, en de nogal fameus-erg zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd weggezonden, met verzoek z’n beestje niet anders te behobbelen dan in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en ’t huis dreunde er van. Het gezelschap stelde zich schadeloos door ’n gesprek over weer en wind, waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de “zaken” op ’t tapyt, en ’t vrouwelyk deel der vergadering kon zich als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke mevrouw stelde zich schadeloos door ’t onophoudelyk mummelen van soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de dokter gezegd. Julie “werkte” aan haar hooggekleurden jachthond, dien Wouter by deze gelegenheidmet genoegen weerzag. De juffrouw knutselde aan ’n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met voortdurende handhaving van ’t glimlachje waarmede hy gewoon was z’n existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z’n stoel en verkneuterde zich in de verrukking van z’nKruckers. Elk zyner blikken scheen te vragen: “welnu, is ’t waar of niet, dat papa ’n eigenBuitenheeft?” Om hem te bedanken, maakte een hunner de opmerking “dat lynwaden zoo’n belangryk vak was.”
—Een heel belangryk vak, m’nheer Kopperlith!
—Zeker, zeker! Maar “kurken” zyn ook niet te versmaden, kaatste de oudeheer terug.
De scherpzinnige lezer begrypt dat deKrucker-familie “in” kurk en kurken “was.”
—Als ik het voor ’t kiezen had, was ik liever “in” lynwaden, zei een hunner zediglyk.
—Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u...
—Daarin is altyd iets te doen.
—Zeker, zeker, altyd iets!
—En in kurken heeft men soms...
—Ja, dit is waar.
—Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak.
—Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van ’n vak hebben...
—Juist! En er by opgebracht zyn.
’t Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al deKruckersaan, die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht.
—Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig voor kurken?
—Julie! riep de oude mevrouw verwytend.
—Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél verstand!
—We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker.
Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde.
—Ja, op Spanje!
—U spreekt dan zeker spaansch?
Deze vraag gold voor ’n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden ’t minst luid niet, misschien wel om ’t antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch op de verrukkelyke geestigheid van z’n vrouwtje.
—Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in kurk doet, heeft ’n kantoor op Spanje.
—De reizigers uit Barcelona loopen ’t land af, zei de familie Krucker.
—Ja, papa, ’t is ’n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem aangebrachte gasten wat wilde ophemelen.
—Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een derKruckers, vreeselyk, m’nheer!
—De menschen kunnen ’t kladden niet laten.
—Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier, m’nheer Kopperlith!
—Een nekslag voor den handel!
—Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène?
—Hm, zei Eugène.
—Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt niets! Wy, grossiers, visschen achter ’t net.
—En hoe staat de wissel op Spanje?
—Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat’s makkelyker.
—Parys staat hoog, zei gister m’n boekhouder, niet waar Pompile?
—Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat.
—Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?
Algemeen gelach om Julie’s geestigheid. Pompile wreef zich de handen van plezier.
—Wel, dit beduidt ...
—Wel zeker, ’t beduidt dat ...
—Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat.
—De fransche wissel, weetje?
—Ah! zei Julie, als voldaan.
—Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staattwaalf en drie.
—Ah, zoo!
—Juist, zoo is het! Engeland staattwaalf en drie. En Frankryk ...
—Frankryk staat zeker wel ...
—Ja, ja, Frankryk staat heel hoog.
—Papa,waaromstaat Frankryk zoo hoog?
Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist ’n behoorlyk antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over z’n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest, stootte een derKruckerstegen de knie, alsof hy zeggen wilde: “wel, wat zeg je van m’n vrouwtje?” Julie meende uit het algemeen gegiechel te mogen opmaken dat ze ’n vraag had gedaan, die de moeite van ’t herhalen waard was. Nogeens alzoo:
—Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van uitrekeningen voor ’t faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan ’t ryzen en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op ’t kantoor durfde hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen met ’n bar: “dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!” Zeer diep had hy dan ook nog niet over ’t vraagstuk nagedacht, maar z’n belangstelling werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop ’t hier ter-tafel gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat ze drang voeldetot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben.
—Die Julie! had de oude mevrouw geroepen.
—Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat?
—Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De wissel, weetje?
—Juist, riepen deKruckers, ’t is de wissel!
—Zieje, Julie, ’t is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z’n gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet tevreden voor ze alles weet!
—Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog?
—Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk.
—Juist, Julie! Zieje, ’t is de wissel op Frankryk.
—Maar ... wat bedoelt men dan daarmee?
—Wel, dat de wissel duur is.
—Maar ... waarom is-i duur?
—Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ...
—Ja, Julie, dat zyn vragen ...
En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die vragen zyn ...
Er spookte een duiveltjen in Wouter’s gemoed. Het niet-weten der anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy misschien ’t vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde, en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn van z’n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer nam de taak van uitlegger op zich.
—De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd staat.
—Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène?
Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al deKruckersknikten toestemmend.
—Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen bevredigd was.
—Het zyn ...zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot overmaat van helderheid.
—Daar heb je ’t juist, riepen deKruckers,’t ligt ’m in dezaken, lieve mevrouwtje!
En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer begon te gelooven dat-i wat degelykers over ’t onderwerp zou kunnen meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z’n eigen stem, begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in ’t aanroeren van Julie’s prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van ’n kind. Onwillekeurig dacht hy aan z’n kornuiten by ’t postkantoor, z’n vraagbaken sedert ’n maand of wat.Zyzouden ’t weten, meende hy, waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen,niet mogen worden aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z’n mond te houden. Hy werd uit z’n spanning verlost door Pompile:
—Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen naar de mangelkamer te gaan—niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?—en speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. ’t Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo’n fameus erge hoofdpyn heeft, dát is het maar!
Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen ’t beneden de waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken dan in den salon. Wouter verslikte z’n wysheid over de oorzaken van den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op ’t geluid af. Hier vervulde hy z’n naastbyliggend plichtje, door den jongeheer Bonifaz aftelokken van z’n hobbelpaard.
Merkwaardige genoegens van hetBuitenleven.Treurig uiteinde van ’n romantischen droom over wisselkoers, en van ’n parasol.Woutergaat de wereld in omzeven gulden dertiente zoeken.Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd wezen z’n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling die ’t “Buiten-zyn” hem berokkende. Zeker, de roeping om by ’n ondeugend knaapje de rol van hobbelsurrogaat te vervullen, was noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk, noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in ’t bezit wezen zou van ’n Buitenplaats, of al was ’t dan maar van ’nOptrek. Maar teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor “de wereld” houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden die vroeger z’n inwendig leven schoon, en daardoor ’t andere dragelyk maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan ’t verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z’n geknakte vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods te vervormen.Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen aan ’t geringste dat z’n dor leventje hem aanbood? Had hy nietop ’n benauwd achterkamertje de kracht gehad, zich ’n ganschse wereld vol heerlykheid in ’t aanzyn te tooveren tot eigen gebruik? Waarom kon hy dit nu niet meer?Z’n onzalige kennismaking met ’n dozyn kwajongens was hiervan de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit, benevelde z’n dichterblik. De voelhorens van z’n zedelykheid verloren ’t vermogen om hem te waarschuwen tegen vuil, om hem den weg te wyzen naar ’t verhevene. Z’n vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van ’t zweven àlles—tot zelfs den lust daartoe—verloren te hebben. Maar al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen opdringen—wat hy zeker beproeven zou—dat slechts aanhoudende teleurstelling de oorzaak was van z’n moedeloosheid, ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben indien hy zich z’n reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp kan helder terugkaatsen uit ’n verweerden spiegel, en ’n bedorven menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is me zeer wel bekend—en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan de bewyzen—dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of althans voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen behooren, op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te trekken van de zoo-even gebruikte vergelyking met ’n spiegel, en tevens de stelling aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept uit bevuilde bron.Mykomen de bronnen-zelf waaruit zulke stellingen vloeien, niet zeer zuiver voor.Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy durfde ’t niet, omdat hy reden had zich te schamen voor ’t liefelyke. Wel hygde hy soms naar ’t verlorene terug, wel betrapte hy zich telkens op bittere droefgeestigheid, maar er scheen ’n stoot van-buiten-af noodig te zyn om met de vereischte kracht z’n gewaarwordingen terugteleiden in ’t oude spoor. Deze stoot zou dan ook gegeven worden—wie anders dan Femke kon het doen, of iemand die zeer op haar geleek?—maar zoo ver zyn we nog niet.Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien ’t gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, vereenzelvigde met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik niet alleen voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in Wouter’s bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner voorbeschiktheid tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware hy opgevoed geweest door ontwikkelde ouders, die hem met wetenschappelyken ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte meetedeelen valt, waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de geestigheden van àllerlaagste orde, waarmee men nu z’n zucht tot weten had geprikkeld en bedrogen. Nietkennismaakt onrein, maar ’t aanhooren vanvuile praat overkennis... Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren overlaten aan ’t gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te ontvangen op ’n wys die ze tot ’n pest maakt!Doch ik zeide reeds dat Wouter’s verdriet over de zonderlingewyze waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van ’t Buitenleven, ditmaal ’n andere oorzaak had—of ’n andere onmiddellyke aanleiding ten-minste—dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z’n gewone teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde, was voor ’t eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in ’n kring van zeer onontwikkelde menschen. Nog kort geleden zoud-i by de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven van dien eb en vloed in den prys der remises naar ’t Buitenland, en eerst door Julie’s klakkeloos vragen werd hy zich z’n onkunde bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door ’n ander, was-i nieuwsgierig naar ’t antwoord. Het hakkelen en stamelen der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in dien kring ontvangen was, en tevens met z’n laag standpuntjen over ’t geheel. “Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke menschen weten geen reden te geven van ’n verschynsel dat zich dagelyks aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie ik ’n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is door hèn dat ik behandeld wordt met ’n minachting die ... die ...Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet, maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan den oudeheer, en aan m’nheer Pompile en aan al dieKruckers’n bewys te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie’s vraag reeds lang vergeten was in de achtergalery, waar ’t onderhoud nog altyd op de bekende belangwekkende manier z’n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich, al spelend met den kleinen Bonifaz, in ’t opgegeven raadsel. De zaak begon hem voortekomen als ’n uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht was in ’t kryt te verschynen, teneinde aan de verheven dame die het tournooi had uitgeschreven ...Wel zeker, er was ’n hooggeboren dame in ’t spel, en ’n tournooi ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter noopten tot opscherping van z’n denkvermogen. Ach, hy had z’n roman gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o goden, was zy ’t niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als ’npersoon, door hem z’n gevoelen te vragen over haar liggenden jachthond? Een jong ridder die zùlke onderscheiding vergeten zou ... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z’n gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo’n verheven blyk van vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen in ’t strydperk. Want ... aldus begon zich de zaak te kleuren. Metlans en zwaard strydt men niet meer—helaas!—maar de Dame die in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet ’n beroep op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy ’n onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar beneden wachten leeuwen en tygers... neen, deze soort van kampioenen behooren tot ’n vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker, maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd, verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy ’t waagstuk aan, dat er van hen gevorderd wordt. “Aanstaren” is ’t juiste woord niet, want ze wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en beroepen zich op de onmogelykheid om ’t pand ongeschonden terugtebrengen, en als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft z’n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en Prinsen, zoo-even nog vast in ’t zaal, en tegen elkander zoo dapper de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan ’t schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun geest. Sire Kopperlith-zelf had er z’n glimlach by ingeschoten, en ridder Pompile z’n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om ’t hart geslagen, en hy stond op ’t punt—akelig!—méér te zeggen dan z’n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftigeclanderKruckers—van-ouds toch zoo vermaard om z’n onvergelykelyke prouessen in kurk!—genoodzaakt geworden z’n veldgeschrei ’n oktaaf lager te stemmen, en zich te bepalen tot ’n deemoedig: “ja, ziet u, dat zyn zoo van die zaken... m’n lieve mevrouwtje?” En heette dit niet in Wouter’s overzetting allerduidelykst: “Schoone dame, als je op òns rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken ongesluierd naar huis te gaan!”“Dat nooit!” riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen.Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ookinderdaad—zooals de meeste vraagstukken—is werkelyk ’n struikelblok voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. Wie meenen mocht dat ik de geestelyke gelaatstrekken derKopperlithsenKruckerste afzichtelyk schilder, neme eens de proef by “mannen van ’t vak.” En men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by ’t “vak” waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren.Overalzal den oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten van sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische buitensporigheid.Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van ’t nogal triviale gegeven in ’n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van ’t vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z’n geest—geheel-en-al uitvloeisel van ’n karakter dat slechts vrede had met eenvoudige waarheid—leidde hem aldra tot de primitiviteitvan opvatting, waaraan alle vraagstukken—ook de moralistische—behooren getoetst te worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp, en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z’n verbeelding al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zooishet, meende hy. En hy redeneerde: “we zenden... kaas en boter naar Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo ’n koopman ginds, moet iemand zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... wittegrondjes-driekleur of diemet—’n moeielyk vak, zegt m’nheer Wilkens!—en dan betalen wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu te weinig kaas hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft van ’n Engelschman. En deze moeielykheid moet overwonnen worden door hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer noodig is. Wie dus ’n wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan...Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd in landen en provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z’n wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, dáár Nederland met z’n stereotiepe kaas en boter... jazelfs Spanje kreeg ’n plaatsje met z’n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep ’n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs decrisisniet. Bonifaz had er ’t recht begrip niet van, en schopte wel-eens ’nstockofentrepôtuit elkaar op ’n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor ’n revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z’n overleggingen werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van ’t fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar ’t oogenblik dat-i onder de oogen zyner dame...du jour, z’n tegenstanders uit het zadel ligten zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond hem de helft van z’n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie, die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook, Wouter schonk hem ’t leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en al deKruckers, mits ze driemaal ’t schoeisel kusten van Wouter’s dame. Eén onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z’n vyanden uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z’n wapenfeit uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden ze verdiend! Was ’t onheusch of niet van al die verwaten ridders, zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of uithangbord, misschien de inkognite spruitwezen kon van edelen stam? Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z’n prikkelende onbekendheid? “Onze jongste bediende, onze jongste bediende!” had wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele Julia—god zegene haar!—roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid en tournooi-instinkt, om onder ’t palletootje van den kantoorklerk ’n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof en blind en idioot, al die anderen? Te-wapen, te-wapen! riep alles Wouter toe. “Jongste-bediende... hm! Ik zàl ze bedienen, jong of oud dan, maar bedienen zàl ik ze! En aan de wereld en m’n Dame wil ik toonen... sakkerloot!”Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel werd geroepen, en “Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen.” Wouter stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in, waar ’t gezelschap dineeren zou. By ’t binnentreden kon-i zich niet weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als: “wees gerust, dame van m’n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder is hier!”Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken aan wanbegrip omtrent z’n bedoelingen. Hy gloeide als ’n kool en brandde van strydlust, maar... hoe z’n wysheid aan-den-man te brengen? Eigenlyk was ’t Julie’s plicht geweest hem op den weg te helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy ’n ridder op allergevaarlykst terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om tegronde te gaan in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten op ’n blik? Och, och, och... als-i maar door ’t eerste woord heen was!Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i ’n paar keer: “de wisselkoers, m’nheer... maar de woorden stikten hem in de keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit ’n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze vermaakte het gezelschap met haar naïveteit—of met de onnoozelheid die daarvoor doorging—en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit de klauwen van ’n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets was meer geschied, meende hy.De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De oudeheer begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, dien Wouter had leeren kennen by z’n namiddagbezoeken op ’t kantoor. Zelfs tot hèm richtte de oude babbelaar ’t woord, natuurlyk tot groote ergernis van Pompile, die telkens beproefde den vloedvan papa’s spraakzaamheid te doen afloopen in voornamer bedding.—En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe ’t jebuitenbevalt? Want, jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer Krucker, hy meende dat-ibuitenwas op den singel by de Aschpoort! Hi, hi, hi, dàt meende-n-i!DeKruckersvonden dit byzonder dwaas.—En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard te Rome verteerde in ’n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat ’m begaan! Luister, m’nheer Krucker! In ’n heel jaar, weetje! M’n zoon Flodoard te Rome!—Maar, papa...—Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m’nheer Krucker dàt eens hooren.Wouter zweette. Hy zocht Julie’s oogen te ontmoeten, maar ’t lukte niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vóór z’n dame:—De wisselkoers, m’nheer...—Néééééén, dàt is nu de vraag niet! M’nheer Krucker wou zoo graag weten hoeveel je dacht dat m’n zoon Flodoard... te Rome...Pompile viel z’n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z’n belangrykentopicaftebrengen. Ook een derKruckershielp ’n handje, door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen.—Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je wel gelooven, m’nheer Krucker, dat-i al ’n titel heeft van... o, zoo’n langen titel! En... hy isweledelgestreng, wat zeg je daarvan?Wel...e...del...ge...streng, m’nheer Krucker! Is ’t niet waar, Pompile?—O ja, papa!—En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m’nheer Krucker eens zoo’n brief van Leon laten zien.—Zeker, papa!—En, uw zoon de zeeofficier, m’nheer Kopperlith?—Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het ook weer, Pompile?—Te Amboina, papa.—Juist! En, m’nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... den... gouverneur!De armeKruckerskwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier ’n bewerking ondergingen, van de soort die men op hèm had toegepast, toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven vanSignoreFlodoardo. En deze opmerking bracht hem ’n stapje verder in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen wat-i begreep. Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z’n verlegenheid om ’t kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te vatten. Maar nu hy op ’t gelaat der gasten iets meende te ontdekken dat naar spot geleek,viel hem ’t doordenken iets gemakkelyker. Ook zonder terugzicht op de schipbreuk die ’t geheele gezelschap geleden had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid intezien, dat die heele familie Kopperlith met haarbuiteneneigen rytuigen verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. Hy kon de vergelyking met den onderhoudenden, gezonden toon die er by deHolsma’sheerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van z’n “heeren patroons” uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen recht te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis, hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van debritschka, hoe kleingeestig die bekommering over ’n hoedendoos en ’n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar verheffing op... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met de dochter van ’n gouverneur... gouverneur van wàt, eigenlyk? Lieve hemel, deHolsma’shadden prinsessen in hun familie, en waren er niet grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige Femke na aan hen verwant was... zy, ’n waschmeisje!Maar hier brak Wouter z’n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den heldentyd van z’n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. Het liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts kracht tot eigenaardige zwakheid die den naam draagt van wrevel: dieKopperlith’s! Het duurde dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z’n gelaat vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op elkander, en zag een derKruckers—die ’t niet helpen kon!—uitdagend aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z’n zuurkyken te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen, en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als ’t wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, deKruckers, Eugène, de “juffrouw” en Hersilie. Met al wat ’n eigenBuitenhad, en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar!Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden beschouwer van z’n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd waarlyk tyd.Na ’t eten werden deKruckersonthaald op den traditioneelen toer. En ook Wouter mocht meeryden... in ’t achterbakjen alweer, waar men hem ’t aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. ’t Kind mocht erdurchausniet uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door, en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef het ’n zekerheid dat zy de eenige van ’t gezelschapwas, die blyk had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch... ’n beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al dieKruckers, ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest, ze scheen zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile haar domste uitvallen vereerde... kortom, Wouter wist niet hoe hy ’t had met z’nDame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar ’n oogenblik alleen te spreken... hm, ’n voetval zou er niet kwaad by staan! Maar... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i ’t huis in brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al deKopperlithsenKruckersgeschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd, enhyde redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte, háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar hield hy in de armen, háár fluisterde hy toe: “wees gerust, edele dame van m’n hart, al die stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier,ik, Wouter, die uw dorst naar kennis lesschen wil met m’n laatsten druppel bloed en ’n verhandeling over den wisselkoers...—Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m’n parasol wat over ’t kind. De zon steekt zoo!Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam ’t ding werktuigelyk aan...—Schuif ’t op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de veer in ’t stokje! Versta je me niet? Wat ’n onhandig jongetje, Pompile!Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan.—Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in ’t stokje, schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat “de jonge Pieterse” z’n zuster niet verstaan had.—Doe ’t ’m eens voor, Pompile, zei de oudeheer.Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over ’t gezelschap heen, om den “jongen Pieterse” les te geven in ’t openen van ’n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte, schoof, en schoof wat krachtig...—Ik kàn wel, m’nheer, zeid-i.... en ’t ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als ’n vlag! Het heele gezelschap was “ontdaan.” Men keek elkander verbaasd aan, als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met ’n gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven aan onlydelyke pyn.—’t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet waar, Calbb?—Je moet altyd begrypen Hersilie, ’t is ’n burgerjongetje, riep Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken, ’t is ’n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt het van!—Zeven gulden, dertien!Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van ’t rytuig toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor ’t laatst te bewonderen hoe het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog ’n paar maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: “zeven gulden, dertien” en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan “de juffrouw.” Ze had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak...—Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama...—Hy stond mevrouw zoodélicieusby die gelebergère, maseurde de juffrouw.—Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama...—’t Is ’n warebalourdise. m’nheer!—Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten, doen, mama. Want zoo’n jongen...—Fi donc, zoo lomp te zyn!—Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw Calbb had moeten begrypen dat zoo’n jongetje...—’t Is infaam!...dat zoo’n jongetje maar... ’n burgerjongetjen is! Dàt wou ik maar zeggen aan mama.En dit alles moest Wouter aanhooren! Z’n woede was gebroken. Hy voelde zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent.Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i “groot” was? Wanneer hy op dit oogenblik z’n ouden vyand Slachterskeesjen ontmoet had, hy zou hem aan ’t hart hebben gesloten als ’n bode uit hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds te verlangen naar ’t weerzien van de grove gestalten die hem in die dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus.Wouter was wanhopig. En z’n stemming werd er niet beter op, toen-i bemerkte dat ook Julie tot z’n vyanden behoorde, want “vyandschap” meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite hem op ’n parapluie te wyzen hoe men ’n parasol opent, en ten-laatste was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z’n zonderlingen handgreep onder woorden tebrengen, wel genoodzaakt zich aantestellen alsof hy werkelyk voor ’t eerst te weten kwam dat men by zoo’n gelegenheid op ’n veertje moet drukken. Pompile scheen zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat “de jonge Pieterse” de zaak nu volkomen verstond, en zeker by ’n volgende gelegenheid...—Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia.De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden dertien te zoeken.A la bonne heure!
Merkwaardige genoegens van hetBuitenleven.Treurig uiteinde van ’n romantischen droom over wisselkoers, en van ’n parasol.Woutergaat de wereld in omzeven gulden dertiente zoeken.
Merkwaardige genoegens van hetBuitenleven.Treurig uiteinde van ’n romantischen droom over wisselkoers, en van ’n parasol.Woutergaat de wereld in omzeven gulden dertiente zoeken.
Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd wezen z’n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling die ’t “Buiten-zyn” hem berokkende. Zeker, de roeping om by ’n ondeugend knaapje de rol van hobbelsurrogaat te vervullen, was noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk, noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in ’t bezit wezen zou van ’n Buitenplaats, of al was ’t dan maar van ’nOptrek. Maar teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor “de wereld” houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden die vroeger z’n inwendig leven schoon, en daardoor ’t andere dragelyk maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan ’t verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z’n geknakte vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods te vervormen.
Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen aan ’t geringste dat z’n dor leventje hem aanbood? Had hy nietop ’n benauwd achterkamertje de kracht gehad, zich ’n ganschse wereld vol heerlykheid in ’t aanzyn te tooveren tot eigen gebruik? Waarom kon hy dit nu niet meer?
Z’n onzalige kennismaking met ’n dozyn kwajongens was hiervan de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit, benevelde z’n dichterblik. De voelhorens van z’n zedelykheid verloren ’t vermogen om hem te waarschuwen tegen vuil, om hem den weg te wyzen naar ’t verhevene. Z’n vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van ’t zweven àlles—tot zelfs den lust daartoe—verloren te hebben. Maar al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen opdringen—wat hy zeker beproeven zou—dat slechts aanhoudende teleurstelling de oorzaak was van z’n moedeloosheid, ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben indien hy zich z’n reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp kan helder terugkaatsen uit ’n verweerden spiegel, en ’n bedorven menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is me zeer wel bekend—en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan de bewyzen—dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of althans voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen behooren, op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te trekken van de zoo-even gebruikte vergelyking met ’n spiegel, en tevens de stelling aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept uit bevuilde bron.Mykomen de bronnen-zelf waaruit zulke stellingen vloeien, niet zeer zuiver voor.
Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy durfde ’t niet, omdat hy reden had zich te schamen voor ’t liefelyke. Wel hygde hy soms naar ’t verlorene terug, wel betrapte hy zich telkens op bittere droefgeestigheid, maar er scheen ’n stoot van-buiten-af noodig te zyn om met de vereischte kracht z’n gewaarwordingen terugteleiden in ’t oude spoor. Deze stoot zou dan ook gegeven worden—wie anders dan Femke kon het doen, of iemand die zeer op haar geleek?—maar zoo ver zyn we nog niet.
Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien ’t gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, vereenzelvigde met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik niet alleen voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in Wouter’s bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner voorbeschiktheid tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware hy opgevoed geweest door ontwikkelde ouders, die hem met wetenschappelyken ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte meetedeelen valt, waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de geestigheden van àllerlaagste orde, waarmee men nu z’n zucht tot weten had geprikkeld en bedrogen. Nietkennismaakt onrein, maar ’t aanhooren vanvuile praat overkennis... Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren overlaten aan ’t gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te ontvangen op ’n wys die ze tot ’n pest maakt!
Doch ik zeide reeds dat Wouter’s verdriet over de zonderlingewyze waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van ’t Buitenleven, ditmaal ’n andere oorzaak had—of ’n andere onmiddellyke aanleiding ten-minste—dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z’n gewone teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde, was voor ’t eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in ’n kring van zeer onontwikkelde menschen. Nog kort geleden zoud-i by de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven van dien eb en vloed in den prys der remises naar ’t Buitenland, en eerst door Julie’s klakkeloos vragen werd hy zich z’n onkunde bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door ’n ander, was-i nieuwsgierig naar ’t antwoord. Het hakkelen en stamelen der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in dien kring ontvangen was, en tevens met z’n laag standpuntjen over ’t geheel. “Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke menschen weten geen reden te geven van ’n verschynsel dat zich dagelyks aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie ik ’n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is door hèn dat ik behandeld wordt met ’n minachting die ... die ...
Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet, maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan den oudeheer, en aan m’nheer Pompile en aan al dieKruckers’n bewys te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie’s vraag reeds lang vergeten was in de achtergalery, waar ’t onderhoud nog altyd op de bekende belangwekkende manier z’n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich, al spelend met den kleinen Bonifaz, in ’t opgegeven raadsel. De zaak begon hem voortekomen als ’n uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht was in ’t kryt te verschynen, teneinde aan de verheven dame die het tournooi had uitgeschreven ...
Wel zeker, er was ’n hooggeboren dame in ’t spel, en ’n tournooi ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter noopten tot opscherping van z’n denkvermogen. Ach, hy had z’n roman gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o goden, was zy ’t niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als ’npersoon, door hem z’n gevoelen te vragen over haar liggenden jachthond? Een jong ridder die zùlke onderscheiding vergeten zou ... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z’n gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo’n verheven blyk van vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen in ’t strydperk. Want ... aldus begon zich de zaak te kleuren. Metlans en zwaard strydt men niet meer—helaas!—maar de Dame die in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet ’n beroep op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy ’n onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar beneden wachten leeuwen en tygers... neen, deze soort van kampioenen behooren tot ’n vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker, maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd, verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy ’t waagstuk aan, dat er van hen gevorderd wordt. “Aanstaren” is ’t juiste woord niet, want ze wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en beroepen zich op de onmogelykheid om ’t pand ongeschonden terugtebrengen, en als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft z’n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en Prinsen, zoo-even nog vast in ’t zaal, en tegen elkander zoo dapper de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan ’t schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun geest. Sire Kopperlith-zelf had er z’n glimlach by ingeschoten, en ridder Pompile z’n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om ’t hart geslagen, en hy stond op ’t punt—akelig!—méér te zeggen dan z’n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftigeclanderKruckers—van-ouds toch zoo vermaard om z’n onvergelykelyke prouessen in kurk!—genoodzaakt geworden z’n veldgeschrei ’n oktaaf lager te stemmen, en zich te bepalen tot ’n deemoedig: “ja, ziet u, dat zyn zoo van die zaken... m’n lieve mevrouwtje?” En heette dit niet in Wouter’s overzetting allerduidelykst: “Schoone dame, als je op òns rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken ongesluierd naar huis te gaan!”
“Dat nooit!” riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen.
Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ookinderdaad—zooals de meeste vraagstukken—is werkelyk ’n struikelblok voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. Wie meenen mocht dat ik de geestelyke gelaatstrekken derKopperlithsenKruckerste afzichtelyk schilder, neme eens de proef by “mannen van ’t vak.” En men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by ’t “vak” waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren.Overalzal den oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten van sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische buitensporigheid.
Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van ’t nogal triviale gegeven in ’n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van ’t vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z’n geest—geheel-en-al uitvloeisel van ’n karakter dat slechts vrede had met eenvoudige waarheid—leidde hem aldra tot de primitiviteitvan opvatting, waaraan alle vraagstukken—ook de moralistische—behooren getoetst te worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp, en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z’n verbeelding al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zooishet, meende hy. En hy redeneerde: “we zenden... kaas en boter naar Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo ’n koopman ginds, moet iemand zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... wittegrondjes-driekleur of diemet—’n moeielyk vak, zegt m’nheer Wilkens!—en dan betalen wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu te weinig kaas hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft van ’n Engelschman. En deze moeielykheid moet overwonnen worden door hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer noodig is. Wie dus ’n wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan...
Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd in landen en provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z’n wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, dáár Nederland met z’n stereotiepe kaas en boter... jazelfs Spanje kreeg ’n plaatsje met z’n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep ’n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs decrisisniet. Bonifaz had er ’t recht begrip niet van, en schopte wel-eens ’nstockofentrepôtuit elkaar op ’n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor ’n revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z’n overleggingen werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van ’t fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar ’t oogenblik dat-i onder de oogen zyner dame...du jour, z’n tegenstanders uit het zadel ligten zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond hem de helft van z’n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie, die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook, Wouter schonk hem ’t leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en al deKruckers, mits ze driemaal ’t schoeisel kusten van Wouter’s dame. Eén onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z’n vyanden uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z’n wapenfeit uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden ze verdiend! Was ’t onheusch of niet van al die verwaten ridders, zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of uithangbord, misschien de inkognite spruitwezen kon van edelen stam? Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z’n prikkelende onbekendheid? “Onze jongste bediende, onze jongste bediende!” had wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele Julia—god zegene haar!—roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid en tournooi-instinkt, om onder ’t palletootje van den kantoorklerk ’n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof en blind en idioot, al die anderen? Te-wapen, te-wapen! riep alles Wouter toe. “Jongste-bediende... hm! Ik zàl ze bedienen, jong of oud dan, maar bedienen zàl ik ze! En aan de wereld en m’n Dame wil ik toonen... sakkerloot!”
Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel werd geroepen, en “Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen.” Wouter stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in, waar ’t gezelschap dineeren zou. By ’t binnentreden kon-i zich niet weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als: “wees gerust, dame van m’n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder is hier!”
Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken aan wanbegrip omtrent z’n bedoelingen. Hy gloeide als ’n kool en brandde van strydlust, maar... hoe z’n wysheid aan-den-man te brengen? Eigenlyk was ’t Julie’s plicht geweest hem op den weg te helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy ’n ridder op allergevaarlykst terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om tegronde te gaan in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten op ’n blik? Och, och, och... als-i maar door ’t eerste woord heen was!
Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i ’n paar keer: “de wisselkoers, m’nheer... maar de woorden stikten hem in de keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit ’n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze vermaakte het gezelschap met haar naïveteit—of met de onnoozelheid die daarvoor doorging—en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit de klauwen van ’n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets was meer geschied, meende hy.
De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De oudeheer begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, dien Wouter had leeren kennen by z’n namiddagbezoeken op ’t kantoor. Zelfs tot hèm richtte de oude babbelaar ’t woord, natuurlyk tot groote ergernis van Pompile, die telkens beproefde den vloedvan papa’s spraakzaamheid te doen afloopen in voornamer bedding.
—En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe ’t jebuitenbevalt? Want, jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer Krucker, hy meende dat-ibuitenwas op den singel by de Aschpoort! Hi, hi, hi, dàt meende-n-i!
DeKruckersvonden dit byzonder dwaas.
—En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard te Rome verteerde in ’n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat ’m begaan! Luister, m’nheer Krucker! In ’n heel jaar, weetje! M’n zoon Flodoard te Rome!
—Maar, papa...
—Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m’nheer Krucker dàt eens hooren.
Wouter zweette. Hy zocht Julie’s oogen te ontmoeten, maar ’t lukte niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vóór z’n dame:
—De wisselkoers, m’nheer...
—Néééééén, dàt is nu de vraag niet! M’nheer Krucker wou zoo graag weten hoeveel je dacht dat m’n zoon Flodoard... te Rome...
Pompile viel z’n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z’n belangrykentopicaftebrengen. Ook een derKruckershielp ’n handje, door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen.
—Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je wel gelooven, m’nheer Krucker, dat-i al ’n titel heeft van... o, zoo’n langen titel! En... hy isweledelgestreng, wat zeg je daarvan?Wel...e...del...ge...streng, m’nheer Krucker! Is ’t niet waar, Pompile?
—O ja, papa!
—En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m’nheer Krucker eens zoo’n brief van Leon laten zien.
—Zeker, papa!
—En, uw zoon de zeeofficier, m’nheer Kopperlith?
—Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het ook weer, Pompile?
—Te Amboina, papa.
—Juist! En, m’nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... den... gouverneur!
De armeKruckerskwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier ’n bewerking ondergingen, van de soort die men op hèm had toegepast, toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven vanSignoreFlodoardo. En deze opmerking bracht hem ’n stapje verder in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen wat-i begreep. Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z’n verlegenheid om ’t kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te vatten. Maar nu hy op ’t gelaat der gasten iets meende te ontdekken dat naar spot geleek,viel hem ’t doordenken iets gemakkelyker. Ook zonder terugzicht op de schipbreuk die ’t geheele gezelschap geleden had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid intezien, dat die heele familie Kopperlith met haarbuiteneneigen rytuigen verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. Hy kon de vergelyking met den onderhoudenden, gezonden toon die er by deHolsma’sheerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van z’n “heeren patroons” uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen recht te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis, hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van debritschka, hoe kleingeestig die bekommering over ’n hoedendoos en ’n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar verheffing op... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met de dochter van ’n gouverneur... gouverneur van wàt, eigenlyk? Lieve hemel, deHolsma’shadden prinsessen in hun familie, en waren er niet grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige Femke na aan hen verwant was... zy, ’n waschmeisje!
Maar hier brak Wouter z’n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den heldentyd van z’n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. Het liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts kracht tot eigenaardige zwakheid die den naam draagt van wrevel: dieKopperlith’s! Het duurde dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z’n gelaat vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op elkander, en zag een derKruckers—die ’t niet helpen kon!—uitdagend aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z’n zuurkyken te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen, en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als ’t wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, deKruckers, Eugène, de “juffrouw” en Hersilie. Met al wat ’n eigenBuitenhad, en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar!
Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden beschouwer van z’n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd waarlyk tyd.
Na ’t eten werden deKruckersonthaald op den traditioneelen toer. En ook Wouter mocht meeryden... in ’t achterbakjen alweer, waar men hem ’t aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. ’t Kind mocht erdurchausniet uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door, en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef het ’n zekerheid dat zy de eenige van ’t gezelschapwas, die blyk had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch... ’n beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al dieKruckers, ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest, ze scheen zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile haar domste uitvallen vereerde... kortom, Wouter wist niet hoe hy ’t had met z’nDame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar ’n oogenblik alleen te spreken... hm, ’n voetval zou er niet kwaad by staan! Maar... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i ’t huis in brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al deKopperlithsenKruckersgeschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd, enhyde redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte, háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar hield hy in de armen, háár fluisterde hy toe: “wees gerust, edele dame van m’n hart, al die stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier,ik, Wouter, die uw dorst naar kennis lesschen wil met m’n laatsten druppel bloed en ’n verhandeling over den wisselkoers...
—Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m’n parasol wat over ’t kind. De zon steekt zoo!
Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam ’t ding werktuigelyk aan...
—Schuif ’t op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de veer in ’t stokje! Versta je me niet? Wat ’n onhandig jongetje, Pompile!
Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan.
—Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in ’t stokje, schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat “de jonge Pieterse” z’n zuster niet verstaan had.
—Doe ’t ’m eens voor, Pompile, zei de oudeheer.
Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over ’t gezelschap heen, om den “jongen Pieterse” les te geven in ’t openen van ’n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte, schoof, en schoof wat krachtig...
—Ik kàn wel, m’nheer, zeid-i.
... en ’t ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als ’n vlag! Het heele gezelschap was “ontdaan.” Men keek elkander verbaasd aan, als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met ’n gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven aan onlydelyke pyn.
—’t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet waar, Calbb?
—Je moet altyd begrypen Hersilie, ’t is ’n burgerjongetje, riep Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken, ’t is ’n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt het van!
—Zeven gulden, dertien!
Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van ’t rytuig toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor ’t laatst te bewonderen hoe het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog ’n paar maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: “zeven gulden, dertien” en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan “de juffrouw.” Ze had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak...
—Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama...
—Hy stond mevrouw zoodélicieusby die gelebergère, maseurde de juffrouw.
—Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama...
—’t Is ’n warebalourdise. m’nheer!
—Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten, doen, mama. Want zoo’n jongen...
—Fi donc, zoo lomp te zyn!
—Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw Calbb had moeten begrypen dat zoo’n jongetje...
—’t Is infaam!
...dat zoo’n jongetje maar... ’n burgerjongetjen is! Dàt wou ik maar zeggen aan mama.
En dit alles moest Wouter aanhooren! Z’n woede was gebroken. Hy voelde zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent.
Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i “groot” was? Wanneer hy op dit oogenblik z’n ouden vyand Slachterskeesjen ontmoet had, hy zou hem aan ’t hart hebben gesloten als ’n bode uit hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds te verlangen naar ’t weerzien van de grove gestalten die hem in die dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus.
Wouter was wanhopig. En z’n stemming werd er niet beter op, toen-i bemerkte dat ook Julie tot z’n vyanden behoorde, want “vyandschap” meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite hem op ’n parapluie te wyzen hoe men ’n parasol opent, en ten-laatste was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z’n zonderlingen handgreep onder woorden tebrengen, wel genoodzaakt zich aantestellen alsof hy werkelyk voor ’t eerst te weten kwam dat men by zoo’n gelegenheid op ’n veertje moet drukken. Pompile scheen zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat “de jonge Pieterse” de zaak nu volkomen verstond, en zeker by ’n volgende gelegenheid...
—Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia.
De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden dertien te zoeken.
A la bonne heure!