Chapter 14

Wouterspekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van den verloren broeder.Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet duidelyk. By ’t verlaten vanGroenenhuizeblies de wanhoop hem in, met den meesten spoed ’n eind aan z’n leven te maken, en nog altyd kwam hem dit voornemen als ’n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die hem drukte. ’t Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door ’t uitstallen van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep ’n koekbakkerswinkel in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen.—Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam?—Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z’n ouwe kleeren? Dàt wil ik weten!De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z’n aangeboren beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter’s toon zoo kortaf en gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als ’t ware om hulp, en er verscheen dan ook ’n manspersoon, die haar vroeg wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i “hebbe” wou?—Hebben? Niets m’nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren koopt?De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk ’n klein meisje dat hem bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z’n jasjen uit, wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoorgeven wilde. Het kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen ’t licht gehouden, en ’t eerste bod luidde: vier gulden!—Zeven gulden, dertien! riep Wouter.—Nah, w’rom nie liefer dertien gilde sefe, as je ’t m’r foor ’t seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan!—Ik moet zeven gulden dertien hebben!—Wat je hebbe mot, sel je wel ’reis kryche, as je m’r iemant fint die ’t je chefe mot. M’r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou, ses gilde! Trek jespille m’r weer an, anders, en cha mê chot!Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men ’t hem kwalyk nemen, by zoo’n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? ’t Was al zeer edelmoedig dat-i by zoo’n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor Wouter’s jasje dat—dit is waar!—zonder die ongelukkige mededinging der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest zyn. Het was ’t eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, ’n glansryke loopbaan om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was detoga virilisdie—en wel zondags alleen—hem plechtig om de schouders werd geworpen ter viering van z’n promotie tot jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith.Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouweDame... hy zou hun toonen dat-i... dat-i...Hy smeet nu ook z’n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na eenig dingen en bieden was ’t kapitaal kompleet, waarmee hy de edele vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers ’n kool vuurs wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z’n schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden, in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op.Hoe nu? Zèlf naarGroenenhuizeterugkeeren? Dat nooit! Het schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z’n kordaatheid meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten kwam door welke middelen hy geslaagd was in ’t afbetalen van z’n drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z’n ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z’n vyandin moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van ’n brief die op pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te schryven? Als-i eens in zoo’n halletjeswinkel naar pen, papier en inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Vande humaniteit der haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag als ’n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu hy zich vertoonde in ’n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon hem moeielyk voortekomen.Z’n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen daarvan allengs de plaats in. Z’n wrok over de ondergane miskenning, jazelfs het verdriet over Julie’s trouweloosheid, moest telkens wyken voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by ’t schemerlicht van den zomeravend ’n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die even overwipt om ’n buurman goeden-avend te zeggen. Maar ’t baatte niet. Daar kwamen ’n paar straatjongens hem sarren met den roep: “heb je ’t zoo warm, jongeheer?” ’t Was om razend te worden!Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar ’n gelegenheid zocht om ’t staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar ’t was uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat z’n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst.Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven kwam:Weledelgeboren Mevrouw...Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z’n mama. Dit zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen dat-i wist hoe ’t behoort, en dat de manieren der “groote wereld” niet onbereikbaar waren voor ’n burgerjongetje.“Weledelgeboren Mevrouw!”alzoo, en verder:“Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van zeven guldens en achttien stuivers voor ’n nieuwen parasol. Myn eer, Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te maken, en daarom...“Heb jy je jas in den lommert gebracht?” vroegen hier op de welbekende zangwys van ’t vroolyke patertje ’n paar belangstellende dienstmeiden, die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken als er maar eenigszins van te trekken was.Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere plekken. Z’n gedachten keerden terug naar ’t punt van uitgang: dien fameuzen brief!“Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk ik Uweledelgeboren als ’n blyk van... van...Hy weifelde tusschen “goedertierenheid” en “genade.” Een troepje Amsterdammers dieKraantje-Lekbezocht hadden, en in de stemming verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber in ’t oog en nam hem in ’t ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel, hem byzonder moeielyk werd gemaakt.Gedurig mompelde hy zich voor: ikwil’n brief schryven, ikwil!Als ik maar wist, wáár? En hy monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan ’n winkel in, maar hy bereikte z’n doel niet. Z’n vreemd voorkomen en de schichtigheid waarmed-i z’n ongewoon verzoek uitte, schrikten de menschen af. “Als ik in-godsnaam maar ’n jas aan had!” zuchtte hy.Eindelyk—welke booze geest speelde hem dezen trek?—eindelyk stond hy op-eenmaal weer voor ’t huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. “In ’s hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat ik me vertoonen kan! O God, wat is ’n mensch die geen jas aan heeft!”De jood zag vreemd op toen z’n klantje van zoo-even hem de verkwanselde kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen.—Maar zoo-even zei je...—So-efe-n-is f’rby, en wat cheweest is,isniet. Ik sech je dat ouwe-kleeren d’r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika teugeswoordig! Daar sit ’t ’m! Maar ik wil je wel ’n jas ferkoope-n-en ’n hoet ook. Mooie waar, kyk hier!Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van den schacheraar, met ’n jas aan, en ’n hoed op... modellen! De kleedingstukken die hy ’n uur te-voren in z’n opgewondenheid had afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen al ’t geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die m’nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen Pompile had uitbetaald voor z’n terugreis naar Amsterdam, en die geaffekteerd zouden worden op “huishouding.” De huishoudelykheid nu van Wouter’s transaktie...—As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust by me.En hy gaf Wouter ’n adreskaartje dat deze werktuigelyk in den zak stak. Op-straat gekomen—nuwas-i gekleed, o goden!—betrapte hy zich op ’n volkomen overbodige repetitie van z’n redaktie-plannen. “Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer Uweledelgeboren aantebieden...Aantebieden! Wàt?Hy sloeg zich voor ’t hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe zei ook altyd z’n moeder? “Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm komt nooit wat te-recht?”Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er zich geen reden van geven, maar aanUvraag ik, wat toch de oorzaak was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan wie hy verantwoording schuldigwas, had reden van bestaan in ieder ander, maar niet in hèm. Z’n moeder was z’nmoeder, de heeren Ouwetyd & Kopperlith warenzynpatroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig te verbreken en zich vry te maken: om “de wereld integaan” zooals dit heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar ’n oogenblik want hy was te week om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z’n lessenaar op ’t kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd gezegd... van háár. Wie deze “haar” was, doet er niet toe. Het is te betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al droegen z’n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z’n liefde voor háár schetste. Niemand zou ’n waschmeisje zoeken in ’t origineel van de wolkerige portretten die hy leverde. ’t Wemelde in z’n poëzie van prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien, en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten, dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen zin waren alzoo Wouter’s dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens zouden by ’t vinden der achtergelaten rymelary, op ’t denkbeeld gekomen zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot ’n dame die men noemen kon. Hoogstens zou ’n beetje scherpzinnigheid hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter’s ongedisciplineerde hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z’n gevoel, en in verbeelding zag hy reeds z’n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er ’t meest onder lyden, want aan hoven is de eer ’n teedere zaak. En ook Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk—koupletten van acht regels met slechts twee rymklanken, denk eens!—had-i zich niet kunnen onthouden, ’n zwevenden engel uittedosschen in ’n zwierig rykleed van bruine taf, en van zoo’n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z’n verrukking over haar neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van ’t wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg—want ze was op dien merkwaardigen stond ’n beetje verkouden—maar de eischen van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by ’t ontdekken en beoordeelen zyner rymschatten,de goedheid hebben Pompile aftebrengen van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die zwevende engel en z’n wederhelft? Och, op zoo’n boekhouder valt niet te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z’n pen neerleggen, z’n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen, en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren:—Juist, jongeheer! Ik heb de intiemefictiedat de jongen met dat schimpdicht bedoeld heeft...—Schimpdicht, Dieper? ’t Is geen schimpdicht? Wàs ’t dat maar! De kwajongen is verliefd, en wel op...—Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld heeft. ’n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die engel in ’t bruin is de jonge mevrouw! Vindt u ’t niet erg... brutaal, jongeheer?Wouter’s verbeelding tooverde hem ’t kantoor voor, en dwalend door denHoutwas-i getuige van de woede, van de minachting, van de vernederingen die ’t burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens blaette afkeuring, Eugène bromde z’n: hm! Daar kwam ook de oudeheer aansloffen:—Zieje, Pompile, ’t is de schuld van Dieper. Waarom zoo’n deugniet te rekommandeeren?En Dieper beloofde deemoedig dat-i ’t nooit weer zou doen.De oude Gerrit? Nu,zyntusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor Wouter, dat-i eindelyk ’n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z’n angst hem voormaalde, wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: “wat ’n geseur over die liedjes! Allemaal wind en ’n engelschenotting!” Lieve Gerrit!Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z’n wegblyven z’n archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z’n zeer behoorlyk jasje verruilt voor ’n schanslooper van de vreemdste soort, en z’n fonkelnieuw hoedje voor ’n rooden kalen gedeuktentromblondie hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden zich in Wouter’s geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy begaan had, en toch zou ’t onrecht wezen hen daarom voor verstandiger te houden. Voor ’t meerendeel hadden ze slechts door onthouding van ’t excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter’s fouten te staan. Kon hy ’t helpen dat-i z’n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er ’n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg en de wereld waarin hy leefde?De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had, kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas die in den waan verkeert dat z’n beenen van glaszyn, is niet verder van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals zy inderdaadis, z’n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar ’tschemadat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld schoon waren, en dat alzooin alle opzichtende werkelykheid beneden z’n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die niet in ’t een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, ’t geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in denHaarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, ’t is onzedelyk ’n nieuwe jas te verruilen voor ’n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend in haar onwaarde, zéker is ’t dat onze held even beschaamd was over ’t verkwanselen van z’n kleeren, als-i over diefstal zou geweest zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter schaamte nog gevoeld hebben over z’n dwaasheid dan over eigenlyke misdaad. Deze immers wordtbegrepen, omdat ieder deelt in de aandrift die daartoe leiden kan. Met ’n vroom: “God zy by ons... wie staat, zie toe!” bekruist men zich—en hangt den dief op, nu ja—maar men deelt volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot ’n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal verwanten in geestesarmoed, of ze ’t voor mogelyk houden dat zy een der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar ’n artikel uit het Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: “de mensch is zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!” Heel goed, ik mag lyden dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor oogen dat zy ’n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in ’n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel ’t mensch niet brengen, al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van den Hemel.En nog ’n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat Wouter’s manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde inzaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is ’t geval met velen die zich vermeten minachtend neertezien op ’t eigenaardig gebrek aan praktyk, dat ’n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid.Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid had zich vasttewarren in ’n net van verdrietelykheden. Gelyk de meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van plan... wezen zou daaraan ’n kordaat einde te maken, als-i maar niet zoo terugschrikte voor ’t denkbeeld dat die vervloekteKopperlithsin z’n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd, dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i ’t niet kon uithouden in zóó’n wereld! In den hemel was zeker wel deze of gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op z’n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou ’t zyn als-i zich in z’n tegenwoordigen nood—ei, zonder sterven, alzoo?—tot hèm wendde?Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom Sybrand! En Willem... nu ja, z’n wyzigheid was drukkend, maar kon hy ’t helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z’n moeder hem dàt maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter, of minister... allemaal menschen die ’n behoorlyke jas aanhebben, en precies weten waar ze belanden moeten als ’t nacht wordt! Dit namelyk wist Wouter nog altyd niet, en ’t bezwaarde hem zeer. Maar al was ’t dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam.Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil van deze onzekerheid stond z’n voornemen byna vast. Byna! Want het afscheidnemen van z’n plannen, van z’n droombeelden, van z’n toekomst, viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook, bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel, de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z’n lessenaar op ’t kantoor, geborgen in z’n zakboek, in ’t zakboek dat-i anders altyd op ’t hart droeg—schoon ’t hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by ’t postkantoor!—maar dat-i nu voor ’t eerst had weggesloten om er niet mee bezwaard te zyn op z’n voorgenomen tocht naar “buiten.” Mocht-i aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was ’t niet al te jammer, van deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak in Femke, hoeveel van ’n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen, en vond het onverantwoordelyk zoo’n raadsel onopgelost achtertelaten.Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten hadwaar-i slapen zou? En... eten! Z’n sarrende fantazie hield hem ’n monster-boterham van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden dat z’n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de overhand op smart van anderen aard—daarisze voor!—en hy begon afgunstig te worden op ’t lot van Jakob Claesz. Want, meende hy, in zoo’n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen, en er groeide niets eetbaars in denHaarlemmer-Hout. Die Laurens Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten—of al waren ’t dan maar burgerlyke appels en peren geweest!—dan zich bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat heeft ’n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z’n braaf oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde naar ’n voorwerp waarop-i z’n woede kon koelen, al ware het, byv. ’n bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat hy—onder aanroeping van deze of gene dame: ’t was meer gebeurd!—de overwinning behaalde, z’n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te bezoeken zoodra hy te beschikken had over ’n vlootje. Dan zoud-i...Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder ’n boom, en viel in slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i wakker werd, was ’t volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas, hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te houden, en z’n verdriet weer aanteknoopen waar ’t eenige uren geleden was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan beter dwong hy zich dien optevatten als ’n wenk. Hy besloot dus naar Amsterdam te gaan en zich onder Femke’s hoede te stellen. Al zag hy niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, ’t zou hem reeds verluchten indien hy iemand kon deelgenoot maken van z’n verdriet. En de schaamte die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker, dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia’s parasol ook.Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in ’t achterbakje van de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. Ennu!Naar Femke, naar Femke! riep hy, alsof ’t meisjen ’n toovergodin was die maar te bevelen had om verandering te brengen in z’n verdrietigen toestand. En ongegrond was Wouter’s vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan zeker geen reden geven kon. Femke’s eenvoudige kalmte—uitvloeisel der harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten—maakten haar inderdaad tot ’n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem ’n zonderlinge verrassing... o, die ondeugende Fancy!De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het nog zeer vroeg was. Maar wel was z’n verbazing groot, toen hy bemerkte dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas, zou ze dáár wezen? Moed om ’t meisjen optezoeken by de Holsma’s, had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien, hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem ’t denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel—indien ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers te voorzien was—haar tot vertrouwelinge van z’n kommer te maken, om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als ’t meisjen in de stad gewoond had, en niet op ’n buitensingel waar ze bereikt worden kon zonder ’n spitsroedengang tusschen de reien van ’t straatpubliek. By ’t opsporen van de oorzaken onzer handelingen, moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou gevoeld hebben zich in z’n allerzonderlingst kostuum te vertoonen aan de uitverkorene van z’n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich rekenschap van z’n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden z’n aandoeningen op die grens die ’t kind overschryden moet om mensch te worden, en ’t was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan ’n jongen, en wanneer-i met wat meer juistheid z’n standpuntje begrepen had, zoud-i ontheven zyn geweest van ’n groot deel der schaamte over z’n bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam ’t er nog drommels weinig op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om onbewust de voordeelen van z’n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy, de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan ’t ontmoeten van iets liefs, iets vriendelyks, na al ’t leelyke waarmee men hem sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen, noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen, noch hem te verzoenen met z’n moeder die woedend wezen zou als ze te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken, en fortuinenmet voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was.Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar ’n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z’n nood klagen, en... ’n dikken boteram eten. Dàt zou hem de kracht geven om afscheid van ’t leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar niet zoo’n honger gehad had! Dááraan eerst ’n eind gemaakt, en dan...Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z’n aandacht werd getrokken door ’n luid gelach. Het kwam van verre. Over ’t bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om ’t gevreesd binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de omtrekken duidelyker. De een scheen ’n jong zeeman en de ander... myn God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? ’t Was wel waarlyk ’n matroos: wie anders draagt zoo’n gelakt-leeren hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen morgen—byna was ’t nacht nog—met ’n matroos! Ach, Wouter zou minder tydmeterig-fatsoenlyk met z’n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden ’s jaars had kunnen dragen aan busrecht!Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter’s meening, met ’n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan ’t gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond, om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De arme jongen had ’n gevoel alsof hem ’n gloeiende dolk in ’t hart werd gestoken. Z’n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van ’t schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of liever ’t scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden opgemaakt uit ’n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den jongeling los, en viel hem om den hals, en ’t duurde wel ’n eeuw, vond Wouter, of ’n uur, of zooiets,maar ’n zéér langen tyd in allen geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy onderging omschreven met de woorden: “onze held stierf duizend dooden” maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, waarop dan ook eenige malen door ’t meisje gewezen werd alsof ze daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich in om iets van hun gesprek te verstaan, maar ’t lukte niet. Als om hem ’t begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens om als-i juist op ’t punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te zien aan z’n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs ’t niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z’n verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover ’n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer ’t paartje weer wat verder-af was, hoorde hy slechts ’t geschater. Er ontbrak maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, ’t scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte ’n paar malen den jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en ’t meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar ’t huisjen in. Eens nog stond ze stil, wuifde met ’n doek, en ontving haar groet behoorlyk van ’t zeemannetje terug, die driemaal met z’n hoed zwaaide. Voor evenwel ’t meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer zwerven, waarby hem z’n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet ook over den honger dien-i zich toedichtte om ’n afleider te hebben van z’n velerlei wanhopen... kortom, ’n half uur daarna stond-i weer voor ’t huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De tafel droeg toebereidselen tot ’n flink ontbyt—goddank!—maar hy zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, klonk ’n stem—’n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!—die hem begroette met ’n soldatesk:werda!Wouter antwoordde niet, of byna niet, want het onnoozele “ik” dat-i zeer verwonderd uit-piepte, mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo’n militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, die hem wat burgerlyker toesprak.—Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je.Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: “datis nou ’t jongetje van ’t paard, weetje?” Hierop volgde iets als teruggehouden lachen en daarop ’n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy ’t had. Na eenig wachten waagde hy ’t even in de kamer te gluren, waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op ’t erf by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op ’t ontbyt.—Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke niet komt?—Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet, want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje wat jy doet? Eet ’n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu eens gauw hoe ’t met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, ’n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op.—M’n moeder is heel wel, maar...—En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op ’n paard gezeten. Hoe kan ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, ’n mensch z’n hoofd loopt wel ’reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat’s best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was ’t koorts, of wat was het?—M’n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben ’n beetje...—Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar ’n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan?—Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde...Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z’n stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle kanten te bekyken.—Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel ’n sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes, dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest?Toen de goede vrouw zich bukte om ’t stof van z’n schoenen te slaan, kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter’s hoed in ’t oog, dien-i by ’t plaatsnemen had verstopt onder z’n stoel.—Heeremensch, wat ’n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger was je zoo’n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op ’n paard heb je nooit gezeten, maar toch, je zag ’r vroeger aardig uit. En nu? ’t Is ’n ware schand zooals je moeder je toetakelt!—Moeder kan ’t waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen, juffrouw.—Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat het schande-n-is, ’n ware schande, ja... ’n schandaal!Hoor eens, ik ben maar ’n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu, dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou, schamen, jaschamen, hoorje!—M’n moeder weet het niet...—Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze dan moeder voor?—Neen, juffrouw, maar...—Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil ’t niet wezen.—Och, Vrouw Claus, m’n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem, en...—Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je ’r daarom zoo verpieterd uitzien? Als Fem hier was, zou ze...—Is ze danniethier, vroeg Wouter haastig, is Femkeniethier? En ik heb ’r gezien!De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met ’n zonderling gerekt “ja” dat heel best kon gelden voor ’n ontkenning.—Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m’n nicht op denKolveniersburgwalook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog ’n boteram of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria, wat lieg ik!Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en ’t achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had, want Wouter bemerkte tot z’n verbazing dat zy de deur achter zich sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik lang meende hy ’n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in ’t oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar z’n wereldwysheid was aan ’t groeien, en wel als naar gewoonte den verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter gedaan zich te houden aan z’n kinderlykheid, want de wysheid van deze wereld is dwaasheid by Fancy.Wouter bleef niet zeer lang met z’n boterammen alleen. De buitendeur werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden met ’n handkar waarop ’n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze ’t voertuig had zien aankomen, en tevens dat zy de bestemming daarvankende, want voor nog Wouter tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst—sommigen beweren dat-i grooten lust had er naar te vragen—kwam de goede oude vrouw haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z’n gewone dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in ’t afladen, en droeg met den kruier ’t vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, en met één vaart naar de achterkamer door. Indien ’t haar plan was, den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden—en zoo scheen ’t wel—liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier die op haar vraag naar ’t bedrag van ’t veerloon, ten antwoord gaf dat de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond den naam niet! Na ’t vertrek van den man met de handkar voelde hy zich verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw ’n stoel aanwees.—Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou waarom je ’r zoo mal uitziet, en wat je toch in ’s heere-menschen-naam te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en waarom heb je zoo’n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ...—Femke? vroeg Wouter.—Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch, wat verveelt me dat liegen...ah!Deze uitroep gold pater Jansen, die z’n goedig gezicht aan de deur vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op ’n ontstemd gemoed.—Wel, dat ’s goed, pater! Ga zitten, en eet ’n stuk. Heb je-n-’n zieke-n-in de buurt.—Dat ook. Maar ik kom ’ns hooren of ze ’t gedaan heeft?—Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus maar niet over voor-i weg is.Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend, z’n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe.—Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater ’t hoort wat je hebt uitgevoerd. Kyk ’t kind er ’ns disselaat uitzien, pater!De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu juist de rechte man niet om den snit van ’n jas te-beoordeelen, en toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk zou geweest zyn.—Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is ’n fatsoenlyk mans kind, en ziet er uit als ’n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem geweest zonder dat z’n moeder er van weet. Maar vertel dan toch, jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater ’t ook!Wouter begon z’n relaas hakkelend en verward, en sprak nogveel slechter dan over ’t algemeen de hollandsche gewoonte is, ’n fout die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin ’t gevolg is van den rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning van z’n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen van z’n hoorders, ’n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i ter verklaring van z’n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die hemzelf niet zeer duidelyk waren. ’t Is waar ook, waaròm toch voelde hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig “thuis” in ’t wereldje dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen—over de minachting, byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had—was gemakkelyker te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon.—Als ’t kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, ’t is niet om ’t verkwanselen van z’n kleeren alleen, en ook niet om dien perresol, maar z’n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat er aan te doen is.Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar ’t achterkamertje, alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter’s kwalen moesten gezocht worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk ’t geval te zyn.—Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie je kans, ’t huis van dien man terugtevinden?Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in ’t uit- en aankleeden. Hy maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar...—Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m’n broer die daar smid is, en ’t gaat ’m goed. En ’n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dàt moet je zien, vooral als ’t kermis is. Een pret... je leven zoo niet!De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men ziet. Of liever, ’t waren geen preeken, en misschien zelfs was z’n taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden zonder afschuw, ’n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van ’n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde hy zulke dingen aan, als ’t zyn beurt was alleen te praten in de kerk, wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had zich aantestellen alsof-i beter wasen meer wist dan ’n ander. Voor schryver zou hy in ’t geheel niet gedeugd hebben. Hy wasgoedin den uitgestrektsten zin van ’t woord, tenzy men het toekennen van deze hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon nu eenmaal met pater Jansen ’t geval niet wezen omdat hy niet wist wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z’n voorkomen, z’n manier van spreken en vooral, waar ’t noodig was, z’n handelwys, in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel onbewust, ’n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z’n overigens zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben.Hy verhaalde nog een-en-ander van z’n dorp, en Wouter die behoefte voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke, zachte, onhartstochtelyketoondie hem goeddeed, en telkens betrapte hy zich op de verzuchting: “och, was ik maar te Vucht by dien smid!” De herberg en ’t dansen hoefde er niet eens by om naar zoo’n heerlyk land te verlangen.—Je moet ’m zien staan in z’n travalje, zei de pastoor. Klik, klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z’n mouwen opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo’n smid werkt in z’n hemdsmouwen.Wouter voelde neiging z’n pronkjas uittetrekken, en aan ’t smeden te gaan. Wat zoo’n smid toch ’n gelukkig mensch is, enhy...—Och, m’nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen met dit vervloekte ding aan m’n lyf.—O, we moeten niet vloeken. Zoo’n jas heeft er geen weet van of-i mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld willen hebben, want van z’n winst moet-i leven, zieje, en zulke menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan ’n horlogemaker?—Neen, stamelde Wouter.—Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater, terwyl-i ’n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar ’t is niet best van loop... als we maar wisten wie ’t koopen wou! Waarom huilje?Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen.—O neen, neen, dàt niet, m’nheer, dat kan niet!—Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. ’t Is heel lastig, ’n horloge dat niet goed gaat, maar ’t is van m’n vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als je-n-’ns by me komt, zal je ’t zien. ’t Briefje van z’n eerste kommunie hangt boven den schoorsteen. Hy was ook ’n smid, en nog veel sterker dan m’n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet, omdat ik pas ’n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie ’t koopen wou!De goede man woog ’t horloge op de hand.—Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen had wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en ’t is niet noodig ook, ging ze voort, ’n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, dan zou ikzelf nog wel raad weten voor ’n dukaton of tien. Hoor eens, jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, ’t moet er nu maar uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig. Zeg, jongen, kan je zwygen?—Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid.—Nu dan, Fem is niet hier, en ’t meiske dat je zeker gezien hebt op den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je ’r gezien hebt...’t Is waar dat Wouter ’n eigenaardig gezicht zette by ’t ontwaren van wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend.... ja, ja, ik begryp heel goed dat je ’r naar gekeken hebt! Nu, dat was onze Fem niet, jongen! Dat is, om ’t nu maar zoo eens uittedrukken, ’n juffer die—hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, dat begryp je wel, anders deed ik ’t niet!—dat is ’n juffer die van staat veranderen wil.—Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, o God, ik wist het wel!—Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks!—Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet naar me gevraagd heeft?—’t Is ’n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my ’t wasschen leeren wil. Maar ze wil ’t niet weten voor de menschen en voor ’r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit ’n woord over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je ’t beloofde. Je schynt iets met ’r gehad te hebben...—Ja, o ja, riep Wouter.—Men moet altyd z’n woord houden, zei pater Jansen.—Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus.—Ja, by God! riep Wouter.—Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die als ’n eed opnam wat in Wouter’s mond slechts ’n romanfraze was, al meende hy ’t dan even goed alsof-i eenvoudig “ja” gezegd had.Hy’n dame verraden, en háár nogal!—Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal.—O, alles, alles!—Kyk, hier is geld voor je kleertjes—steek je horloge gerust weer in je zak, pater—maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut, pater, als de jongen ’t nu maar niet weer verdoet!—Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die muntwel. We hebben er eens precies zoo een in ’t zakje gehad... verleden, weetje, toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren.’t Waren goudenfriedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had teruggehouden uit vrees voor ’t “verdoen.” Die glinsterende stukken herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg op de Botermarkt. Er ging hem ’n lichtjen op, waarvan-i gebruik maakte om ’n schrede voorwaarts te doen op ’t gebied van munt- en menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. “Ze noemde my broeder...” begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z’n gedachten afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want ook zy sprak van ’n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk.Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z’n trekken haar byzonder belang inboezemden.—Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. ’t Was misschien voor jou ook wel ’reis goed als ie ’t zeegat uitging—want, pater, hy wil naar zee... haar broer, meen ik—je ziet erg bleek, jongen, wat zeg jy, pater? Zoo’n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef Holsma zei ’t ook. Maar nu dat geld, weetje waar ’t gewisseld worden kan? En zal je ’t niet verdoen?—Neen, juffrouw, zeker niet! Maar...—’t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dàt maken?—Alsikvan dienst wezen kan, zei pater Jansen.—Wel, pater, als je met den jongen meeging?—Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten waar we wezen moeten.Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer ’t adreskaartje voor den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z’n woning vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan zouden ze tezamen naar Haarlem gaan.—Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen zal, want ze wou ’n brief schryven.Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan ’t schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich ’n oogenblik naar ’t achterkamertje verwyderd had, kwam met ’n briefjen in de hand terug.—Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En nu, gaat heen, allebei. Ik heb ’n drukte, je leven zooniet! En dat vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje, ze heeft nooit ’n hand uitgestoken. ’t Is onze Fem niet, moet je denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, en nu, goeien dag! Pater, pas op ’t verdoen, want de jongen steekt vol rarigheid.De beide bezoekers verlieten ’t huisje. Wouter bezag met begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van ’n zeer bekende koopmansfirma, van “’n huis op Archangel” zouden z’n postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te begrypen: “want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in Rusland geweest.” Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z’n rechterzy te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z’n jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam ’t gesprek ’n andere wending, zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten waarom pater Jansen zoo doof was aan z’n linkeroor.

Wouterspekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van den verloren broeder.Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet duidelyk. By ’t verlaten vanGroenenhuizeblies de wanhoop hem in, met den meesten spoed ’n eind aan z’n leven te maken, en nog altyd kwam hem dit voornemen als ’n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die hem drukte. ’t Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door ’t uitstallen van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep ’n koekbakkerswinkel in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen.—Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam?—Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z’n ouwe kleeren? Dàt wil ik weten!De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z’n aangeboren beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter’s toon zoo kortaf en gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als ’t ware om hulp, en er verscheen dan ook ’n manspersoon, die haar vroeg wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i “hebbe” wou?—Hebben? Niets m’nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren koopt?De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk ’n klein meisje dat hem bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z’n jasjen uit, wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoorgeven wilde. Het kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen ’t licht gehouden, en ’t eerste bod luidde: vier gulden!—Zeven gulden, dertien! riep Wouter.—Nah, w’rom nie liefer dertien gilde sefe, as je ’t m’r foor ’t seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan!—Ik moet zeven gulden dertien hebben!—Wat je hebbe mot, sel je wel ’reis kryche, as je m’r iemant fint die ’t je chefe mot. M’r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou, ses gilde! Trek jespille m’r weer an, anders, en cha mê chot!Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men ’t hem kwalyk nemen, by zoo’n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? ’t Was al zeer edelmoedig dat-i by zoo’n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor Wouter’s jasje dat—dit is waar!—zonder die ongelukkige mededinging der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest zyn. Het was ’t eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, ’n glansryke loopbaan om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was detoga virilisdie—en wel zondags alleen—hem plechtig om de schouders werd geworpen ter viering van z’n promotie tot jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith.Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouweDame... hy zou hun toonen dat-i... dat-i...Hy smeet nu ook z’n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na eenig dingen en bieden was ’t kapitaal kompleet, waarmee hy de edele vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers ’n kool vuurs wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z’n schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden, in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op.Hoe nu? Zèlf naarGroenenhuizeterugkeeren? Dat nooit! Het schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z’n kordaatheid meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten kwam door welke middelen hy geslaagd was in ’t afbetalen van z’n drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z’n ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z’n vyandin moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van ’n brief die op pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te schryven? Als-i eens in zoo’n halletjeswinkel naar pen, papier en inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Vande humaniteit der haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag als ’n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu hy zich vertoonde in ’n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon hem moeielyk voortekomen.Z’n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen daarvan allengs de plaats in. Z’n wrok over de ondergane miskenning, jazelfs het verdriet over Julie’s trouweloosheid, moest telkens wyken voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by ’t schemerlicht van den zomeravend ’n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die even overwipt om ’n buurman goeden-avend te zeggen. Maar ’t baatte niet. Daar kwamen ’n paar straatjongens hem sarren met den roep: “heb je ’t zoo warm, jongeheer?” ’t Was om razend te worden!Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar ’n gelegenheid zocht om ’t staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar ’t was uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat z’n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst.Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven kwam:Weledelgeboren Mevrouw...Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z’n mama. Dit zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen dat-i wist hoe ’t behoort, en dat de manieren der “groote wereld” niet onbereikbaar waren voor ’n burgerjongetje.“Weledelgeboren Mevrouw!”alzoo, en verder:“Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van zeven guldens en achttien stuivers voor ’n nieuwen parasol. Myn eer, Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te maken, en daarom...“Heb jy je jas in den lommert gebracht?” vroegen hier op de welbekende zangwys van ’t vroolyke patertje ’n paar belangstellende dienstmeiden, die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken als er maar eenigszins van te trekken was.Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere plekken. Z’n gedachten keerden terug naar ’t punt van uitgang: dien fameuzen brief!“Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk ik Uweledelgeboren als ’n blyk van... van...Hy weifelde tusschen “goedertierenheid” en “genade.” Een troepje Amsterdammers dieKraantje-Lekbezocht hadden, en in de stemming verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber in ’t oog en nam hem in ’t ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel, hem byzonder moeielyk werd gemaakt.Gedurig mompelde hy zich voor: ikwil’n brief schryven, ikwil!Als ik maar wist, wáár? En hy monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan ’n winkel in, maar hy bereikte z’n doel niet. Z’n vreemd voorkomen en de schichtigheid waarmed-i z’n ongewoon verzoek uitte, schrikten de menschen af. “Als ik in-godsnaam maar ’n jas aan had!” zuchtte hy.Eindelyk—welke booze geest speelde hem dezen trek?—eindelyk stond hy op-eenmaal weer voor ’t huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. “In ’s hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat ik me vertoonen kan! O God, wat is ’n mensch die geen jas aan heeft!”De jood zag vreemd op toen z’n klantje van zoo-even hem de verkwanselde kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen.—Maar zoo-even zei je...—So-efe-n-is f’rby, en wat cheweest is,isniet. Ik sech je dat ouwe-kleeren d’r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika teugeswoordig! Daar sit ’t ’m! Maar ik wil je wel ’n jas ferkoope-n-en ’n hoet ook. Mooie waar, kyk hier!Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van den schacheraar, met ’n jas aan, en ’n hoed op... modellen! De kleedingstukken die hy ’n uur te-voren in z’n opgewondenheid had afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen al ’t geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die m’nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen Pompile had uitbetaald voor z’n terugreis naar Amsterdam, en die geaffekteerd zouden worden op “huishouding.” De huishoudelykheid nu van Wouter’s transaktie...—As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust by me.En hy gaf Wouter ’n adreskaartje dat deze werktuigelyk in den zak stak. Op-straat gekomen—nuwas-i gekleed, o goden!—betrapte hy zich op ’n volkomen overbodige repetitie van z’n redaktie-plannen. “Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer Uweledelgeboren aantebieden...Aantebieden! Wàt?Hy sloeg zich voor ’t hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe zei ook altyd z’n moeder? “Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm komt nooit wat te-recht?”Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er zich geen reden van geven, maar aanUvraag ik, wat toch de oorzaak was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan wie hy verantwoording schuldigwas, had reden van bestaan in ieder ander, maar niet in hèm. Z’n moeder was z’nmoeder, de heeren Ouwetyd & Kopperlith warenzynpatroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig te verbreken en zich vry te maken: om “de wereld integaan” zooals dit heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar ’n oogenblik want hy was te week om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z’n lessenaar op ’t kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd gezegd... van háár. Wie deze “haar” was, doet er niet toe. Het is te betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al droegen z’n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z’n liefde voor háár schetste. Niemand zou ’n waschmeisje zoeken in ’t origineel van de wolkerige portretten die hy leverde. ’t Wemelde in z’n poëzie van prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien, en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten, dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen zin waren alzoo Wouter’s dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens zouden by ’t vinden der achtergelaten rymelary, op ’t denkbeeld gekomen zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot ’n dame die men noemen kon. Hoogstens zou ’n beetje scherpzinnigheid hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter’s ongedisciplineerde hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z’n gevoel, en in verbeelding zag hy reeds z’n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er ’t meest onder lyden, want aan hoven is de eer ’n teedere zaak. En ook Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk—koupletten van acht regels met slechts twee rymklanken, denk eens!—had-i zich niet kunnen onthouden, ’n zwevenden engel uittedosschen in ’n zwierig rykleed van bruine taf, en van zoo’n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z’n verrukking over haar neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van ’t wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg—want ze was op dien merkwaardigen stond ’n beetje verkouden—maar de eischen van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by ’t ontdekken en beoordeelen zyner rymschatten,de goedheid hebben Pompile aftebrengen van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die zwevende engel en z’n wederhelft? Och, op zoo’n boekhouder valt niet te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z’n pen neerleggen, z’n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen, en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren:—Juist, jongeheer! Ik heb de intiemefictiedat de jongen met dat schimpdicht bedoeld heeft...—Schimpdicht, Dieper? ’t Is geen schimpdicht? Wàs ’t dat maar! De kwajongen is verliefd, en wel op...—Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld heeft. ’n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die engel in ’t bruin is de jonge mevrouw! Vindt u ’t niet erg... brutaal, jongeheer?Wouter’s verbeelding tooverde hem ’t kantoor voor, en dwalend door denHoutwas-i getuige van de woede, van de minachting, van de vernederingen die ’t burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens blaette afkeuring, Eugène bromde z’n: hm! Daar kwam ook de oudeheer aansloffen:—Zieje, Pompile, ’t is de schuld van Dieper. Waarom zoo’n deugniet te rekommandeeren?En Dieper beloofde deemoedig dat-i ’t nooit weer zou doen.De oude Gerrit? Nu,zyntusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor Wouter, dat-i eindelyk ’n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z’n angst hem voormaalde, wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: “wat ’n geseur over die liedjes! Allemaal wind en ’n engelschenotting!” Lieve Gerrit!Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z’n wegblyven z’n archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z’n zeer behoorlyk jasje verruilt voor ’n schanslooper van de vreemdste soort, en z’n fonkelnieuw hoedje voor ’n rooden kalen gedeuktentromblondie hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden zich in Wouter’s geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy begaan had, en toch zou ’t onrecht wezen hen daarom voor verstandiger te houden. Voor ’t meerendeel hadden ze slechts door onthouding van ’t excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter’s fouten te staan. Kon hy ’t helpen dat-i z’n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er ’n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg en de wereld waarin hy leefde?De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had, kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas die in den waan verkeert dat z’n beenen van glaszyn, is niet verder van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals zy inderdaadis, z’n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar ’tschemadat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld schoon waren, en dat alzooin alle opzichtende werkelykheid beneden z’n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die niet in ’t een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, ’t geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in denHaarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, ’t is onzedelyk ’n nieuwe jas te verruilen voor ’n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend in haar onwaarde, zéker is ’t dat onze held even beschaamd was over ’t verkwanselen van z’n kleeren, als-i over diefstal zou geweest zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter schaamte nog gevoeld hebben over z’n dwaasheid dan over eigenlyke misdaad. Deze immers wordtbegrepen, omdat ieder deelt in de aandrift die daartoe leiden kan. Met ’n vroom: “God zy by ons... wie staat, zie toe!” bekruist men zich—en hangt den dief op, nu ja—maar men deelt volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot ’n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal verwanten in geestesarmoed, of ze ’t voor mogelyk houden dat zy een der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar ’n artikel uit het Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: “de mensch is zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!” Heel goed, ik mag lyden dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor oogen dat zy ’n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in ’n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel ’t mensch niet brengen, al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van den Hemel.En nog ’n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat Wouter’s manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde inzaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is ’t geval met velen die zich vermeten minachtend neertezien op ’t eigenaardig gebrek aan praktyk, dat ’n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid.Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid had zich vasttewarren in ’n net van verdrietelykheden. Gelyk de meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van plan... wezen zou daaraan ’n kordaat einde te maken, als-i maar niet zoo terugschrikte voor ’t denkbeeld dat die vervloekteKopperlithsin z’n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd, dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i ’t niet kon uithouden in zóó’n wereld! In den hemel was zeker wel deze of gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op z’n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou ’t zyn als-i zich in z’n tegenwoordigen nood—ei, zonder sterven, alzoo?—tot hèm wendde?Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom Sybrand! En Willem... nu ja, z’n wyzigheid was drukkend, maar kon hy ’t helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z’n moeder hem dàt maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter, of minister... allemaal menschen die ’n behoorlyke jas aanhebben, en precies weten waar ze belanden moeten als ’t nacht wordt! Dit namelyk wist Wouter nog altyd niet, en ’t bezwaarde hem zeer. Maar al was ’t dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam.Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil van deze onzekerheid stond z’n voornemen byna vast. Byna! Want het afscheidnemen van z’n plannen, van z’n droombeelden, van z’n toekomst, viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook, bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel, de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z’n lessenaar op ’t kantoor, geborgen in z’n zakboek, in ’t zakboek dat-i anders altyd op ’t hart droeg—schoon ’t hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by ’t postkantoor!—maar dat-i nu voor ’t eerst had weggesloten om er niet mee bezwaard te zyn op z’n voorgenomen tocht naar “buiten.” Mocht-i aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was ’t niet al te jammer, van deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak in Femke, hoeveel van ’n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen, en vond het onverantwoordelyk zoo’n raadsel onopgelost achtertelaten.Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten hadwaar-i slapen zou? En... eten! Z’n sarrende fantazie hield hem ’n monster-boterham van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden dat z’n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de overhand op smart van anderen aard—daarisze voor!—en hy begon afgunstig te worden op ’t lot van Jakob Claesz. Want, meende hy, in zoo’n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen, en er groeide niets eetbaars in denHaarlemmer-Hout. Die Laurens Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten—of al waren ’t dan maar burgerlyke appels en peren geweest!—dan zich bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat heeft ’n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z’n braaf oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde naar ’n voorwerp waarop-i z’n woede kon koelen, al ware het, byv. ’n bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat hy—onder aanroeping van deze of gene dame: ’t was meer gebeurd!—de overwinning behaalde, z’n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te bezoeken zoodra hy te beschikken had over ’n vlootje. Dan zoud-i...Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder ’n boom, en viel in slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i wakker werd, was ’t volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas, hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te houden, en z’n verdriet weer aanteknoopen waar ’t eenige uren geleden was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan beter dwong hy zich dien optevatten als ’n wenk. Hy besloot dus naar Amsterdam te gaan en zich onder Femke’s hoede te stellen. Al zag hy niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, ’t zou hem reeds verluchten indien hy iemand kon deelgenoot maken van z’n verdriet. En de schaamte die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker, dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia’s parasol ook.Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in ’t achterbakje van de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. Ennu!Naar Femke, naar Femke! riep hy, alsof ’t meisjen ’n toovergodin was die maar te bevelen had om verandering te brengen in z’n verdrietigen toestand. En ongegrond was Wouter’s vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan zeker geen reden geven kon. Femke’s eenvoudige kalmte—uitvloeisel der harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten—maakten haar inderdaad tot ’n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem ’n zonderlinge verrassing... o, die ondeugende Fancy!De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het nog zeer vroeg was. Maar wel was z’n verbazing groot, toen hy bemerkte dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas, zou ze dáár wezen? Moed om ’t meisjen optezoeken by de Holsma’s, had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien, hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem ’t denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel—indien ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers te voorzien was—haar tot vertrouwelinge van z’n kommer te maken, om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als ’t meisjen in de stad gewoond had, en niet op ’n buitensingel waar ze bereikt worden kon zonder ’n spitsroedengang tusschen de reien van ’t straatpubliek. By ’t opsporen van de oorzaken onzer handelingen, moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou gevoeld hebben zich in z’n allerzonderlingst kostuum te vertoonen aan de uitverkorene van z’n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich rekenschap van z’n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden z’n aandoeningen op die grens die ’t kind overschryden moet om mensch te worden, en ’t was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan ’n jongen, en wanneer-i met wat meer juistheid z’n standpuntje begrepen had, zoud-i ontheven zyn geweest van ’n groot deel der schaamte over z’n bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam ’t er nog drommels weinig op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om onbewust de voordeelen van z’n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy, de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan ’t ontmoeten van iets liefs, iets vriendelyks, na al ’t leelyke waarmee men hem sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen, noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen, noch hem te verzoenen met z’n moeder die woedend wezen zou als ze te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken, en fortuinenmet voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was.Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar ’n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z’n nood klagen, en... ’n dikken boteram eten. Dàt zou hem de kracht geven om afscheid van ’t leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar niet zoo’n honger gehad had! Dááraan eerst ’n eind gemaakt, en dan...Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z’n aandacht werd getrokken door ’n luid gelach. Het kwam van verre. Over ’t bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om ’t gevreesd binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de omtrekken duidelyker. De een scheen ’n jong zeeman en de ander... myn God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? ’t Was wel waarlyk ’n matroos: wie anders draagt zoo’n gelakt-leeren hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen morgen—byna was ’t nacht nog—met ’n matroos! Ach, Wouter zou minder tydmeterig-fatsoenlyk met z’n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden ’s jaars had kunnen dragen aan busrecht!Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter’s meening, met ’n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan ’t gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond, om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De arme jongen had ’n gevoel alsof hem ’n gloeiende dolk in ’t hart werd gestoken. Z’n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van ’t schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of liever ’t scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden opgemaakt uit ’n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den jongeling los, en viel hem om den hals, en ’t duurde wel ’n eeuw, vond Wouter, of ’n uur, of zooiets,maar ’n zéér langen tyd in allen geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy onderging omschreven met de woorden: “onze held stierf duizend dooden” maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, waarop dan ook eenige malen door ’t meisje gewezen werd alsof ze daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich in om iets van hun gesprek te verstaan, maar ’t lukte niet. Als om hem ’t begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens om als-i juist op ’t punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te zien aan z’n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs ’t niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z’n verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover ’n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer ’t paartje weer wat verder-af was, hoorde hy slechts ’t geschater. Er ontbrak maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, ’t scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte ’n paar malen den jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en ’t meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar ’t huisjen in. Eens nog stond ze stil, wuifde met ’n doek, en ontving haar groet behoorlyk van ’t zeemannetje terug, die driemaal met z’n hoed zwaaide. Voor evenwel ’t meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer zwerven, waarby hem z’n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet ook over den honger dien-i zich toedichtte om ’n afleider te hebben van z’n velerlei wanhopen... kortom, ’n half uur daarna stond-i weer voor ’t huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De tafel droeg toebereidselen tot ’n flink ontbyt—goddank!—maar hy zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, klonk ’n stem—’n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!—die hem begroette met ’n soldatesk:werda!Wouter antwoordde niet, of byna niet, want het onnoozele “ik” dat-i zeer verwonderd uit-piepte, mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo’n militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, die hem wat burgerlyker toesprak.—Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je.Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: “datis nou ’t jongetje van ’t paard, weetje?” Hierop volgde iets als teruggehouden lachen en daarop ’n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy ’t had. Na eenig wachten waagde hy ’t even in de kamer te gluren, waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op ’t erf by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op ’t ontbyt.—Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke niet komt?—Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet, want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje wat jy doet? Eet ’n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu eens gauw hoe ’t met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, ’n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op.—M’n moeder is heel wel, maar...—En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op ’n paard gezeten. Hoe kan ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, ’n mensch z’n hoofd loopt wel ’reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat’s best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was ’t koorts, of wat was het?—M’n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben ’n beetje...—Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar ’n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan?—Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde...Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z’n stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle kanten te bekyken.—Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel ’n sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes, dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest?Toen de goede vrouw zich bukte om ’t stof van z’n schoenen te slaan, kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter’s hoed in ’t oog, dien-i by ’t plaatsnemen had verstopt onder z’n stoel.—Heeremensch, wat ’n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger was je zoo’n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op ’n paard heb je nooit gezeten, maar toch, je zag ’r vroeger aardig uit. En nu? ’t Is ’n ware schand zooals je moeder je toetakelt!—Moeder kan ’t waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen, juffrouw.—Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat het schande-n-is, ’n ware schande, ja... ’n schandaal!Hoor eens, ik ben maar ’n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu, dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou, schamen, jaschamen, hoorje!—M’n moeder weet het niet...—Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze dan moeder voor?—Neen, juffrouw, maar...—Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil ’t niet wezen.—Och, Vrouw Claus, m’n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem, en...—Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je ’r daarom zoo verpieterd uitzien? Als Fem hier was, zou ze...—Is ze danniethier, vroeg Wouter haastig, is Femkeniethier? En ik heb ’r gezien!De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met ’n zonderling gerekt “ja” dat heel best kon gelden voor ’n ontkenning.—Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m’n nicht op denKolveniersburgwalook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog ’n boteram of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria, wat lieg ik!Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en ’t achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had, want Wouter bemerkte tot z’n verbazing dat zy de deur achter zich sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik lang meende hy ’n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in ’t oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar z’n wereldwysheid was aan ’t groeien, en wel als naar gewoonte den verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter gedaan zich te houden aan z’n kinderlykheid, want de wysheid van deze wereld is dwaasheid by Fancy.Wouter bleef niet zeer lang met z’n boterammen alleen. De buitendeur werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden met ’n handkar waarop ’n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze ’t voertuig had zien aankomen, en tevens dat zy de bestemming daarvankende, want voor nog Wouter tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst—sommigen beweren dat-i grooten lust had er naar te vragen—kwam de goede oude vrouw haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z’n gewone dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in ’t afladen, en droeg met den kruier ’t vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, en met één vaart naar de achterkamer door. Indien ’t haar plan was, den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden—en zoo scheen ’t wel—liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier die op haar vraag naar ’t bedrag van ’t veerloon, ten antwoord gaf dat de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond den naam niet! Na ’t vertrek van den man met de handkar voelde hy zich verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw ’n stoel aanwees.—Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou waarom je ’r zoo mal uitziet, en wat je toch in ’s heere-menschen-naam te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en waarom heb je zoo’n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ...—Femke? vroeg Wouter.—Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch, wat verveelt me dat liegen...ah!Deze uitroep gold pater Jansen, die z’n goedig gezicht aan de deur vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op ’n ontstemd gemoed.—Wel, dat ’s goed, pater! Ga zitten, en eet ’n stuk. Heb je-n-’n zieke-n-in de buurt.—Dat ook. Maar ik kom ’ns hooren of ze ’t gedaan heeft?—Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus maar niet over voor-i weg is.Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend, z’n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe.—Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater ’t hoort wat je hebt uitgevoerd. Kyk ’t kind er ’ns disselaat uitzien, pater!De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu juist de rechte man niet om den snit van ’n jas te-beoordeelen, en toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk zou geweest zyn.—Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is ’n fatsoenlyk mans kind, en ziet er uit als ’n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem geweest zonder dat z’n moeder er van weet. Maar vertel dan toch, jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater ’t ook!Wouter begon z’n relaas hakkelend en verward, en sprak nogveel slechter dan over ’t algemeen de hollandsche gewoonte is, ’n fout die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin ’t gevolg is van den rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning van z’n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen van z’n hoorders, ’n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i ter verklaring van z’n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die hemzelf niet zeer duidelyk waren. ’t Is waar ook, waaròm toch voelde hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig “thuis” in ’t wereldje dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen—over de minachting, byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had—was gemakkelyker te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon.—Als ’t kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, ’t is niet om ’t verkwanselen van z’n kleeren alleen, en ook niet om dien perresol, maar z’n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat er aan te doen is.Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar ’t achterkamertje, alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter’s kwalen moesten gezocht worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk ’t geval te zyn.—Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie je kans, ’t huis van dien man terugtevinden?Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in ’t uit- en aankleeden. Hy maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar...—Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m’n broer die daar smid is, en ’t gaat ’m goed. En ’n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dàt moet je zien, vooral als ’t kermis is. Een pret... je leven zoo niet!De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men ziet. Of liever, ’t waren geen preeken, en misschien zelfs was z’n taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden zonder afschuw, ’n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van ’n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde hy zulke dingen aan, als ’t zyn beurt was alleen te praten in de kerk, wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had zich aantestellen alsof-i beter wasen meer wist dan ’n ander. Voor schryver zou hy in ’t geheel niet gedeugd hebben. Hy wasgoedin den uitgestrektsten zin van ’t woord, tenzy men het toekennen van deze hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon nu eenmaal met pater Jansen ’t geval niet wezen omdat hy niet wist wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z’n voorkomen, z’n manier van spreken en vooral, waar ’t noodig was, z’n handelwys, in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel onbewust, ’n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z’n overigens zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben.Hy verhaalde nog een-en-ander van z’n dorp, en Wouter die behoefte voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke, zachte, onhartstochtelyketoondie hem goeddeed, en telkens betrapte hy zich op de verzuchting: “och, was ik maar te Vucht by dien smid!” De herberg en ’t dansen hoefde er niet eens by om naar zoo’n heerlyk land te verlangen.—Je moet ’m zien staan in z’n travalje, zei de pastoor. Klik, klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z’n mouwen opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo’n smid werkt in z’n hemdsmouwen.Wouter voelde neiging z’n pronkjas uittetrekken, en aan ’t smeden te gaan. Wat zoo’n smid toch ’n gelukkig mensch is, enhy...—Och, m’nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen met dit vervloekte ding aan m’n lyf.—O, we moeten niet vloeken. Zoo’n jas heeft er geen weet van of-i mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld willen hebben, want van z’n winst moet-i leven, zieje, en zulke menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan ’n horlogemaker?—Neen, stamelde Wouter.—Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater, terwyl-i ’n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar ’t is niet best van loop... als we maar wisten wie ’t koopen wou! Waarom huilje?Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen.—O neen, neen, dàt niet, m’nheer, dat kan niet!—Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. ’t Is heel lastig, ’n horloge dat niet goed gaat, maar ’t is van m’n vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als je-n-’ns by me komt, zal je ’t zien. ’t Briefje van z’n eerste kommunie hangt boven den schoorsteen. Hy was ook ’n smid, en nog veel sterker dan m’n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet, omdat ik pas ’n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie ’t koopen wou!De goede man woog ’t horloge op de hand.—Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen had wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en ’t is niet noodig ook, ging ze voort, ’n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, dan zou ikzelf nog wel raad weten voor ’n dukaton of tien. Hoor eens, jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, ’t moet er nu maar uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig. Zeg, jongen, kan je zwygen?—Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid.—Nu dan, Fem is niet hier, en ’t meiske dat je zeker gezien hebt op den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je ’r gezien hebt...’t Is waar dat Wouter ’n eigenaardig gezicht zette by ’t ontwaren van wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend.... ja, ja, ik begryp heel goed dat je ’r naar gekeken hebt! Nu, dat was onze Fem niet, jongen! Dat is, om ’t nu maar zoo eens uittedrukken, ’n juffer die—hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, dat begryp je wel, anders deed ik ’t niet!—dat is ’n juffer die van staat veranderen wil.—Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, o God, ik wist het wel!—Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks!—Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet naar me gevraagd heeft?—’t Is ’n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my ’t wasschen leeren wil. Maar ze wil ’t niet weten voor de menschen en voor ’r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit ’n woord over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je ’t beloofde. Je schynt iets met ’r gehad te hebben...—Ja, o ja, riep Wouter.—Men moet altyd z’n woord houden, zei pater Jansen.—Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus.—Ja, by God! riep Wouter.—Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die als ’n eed opnam wat in Wouter’s mond slechts ’n romanfraze was, al meende hy ’t dan even goed alsof-i eenvoudig “ja” gezegd had.Hy’n dame verraden, en háár nogal!—Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal.—O, alles, alles!—Kyk, hier is geld voor je kleertjes—steek je horloge gerust weer in je zak, pater—maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut, pater, als de jongen ’t nu maar niet weer verdoet!—Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die muntwel. We hebben er eens precies zoo een in ’t zakje gehad... verleden, weetje, toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren.’t Waren goudenfriedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had teruggehouden uit vrees voor ’t “verdoen.” Die glinsterende stukken herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg op de Botermarkt. Er ging hem ’n lichtjen op, waarvan-i gebruik maakte om ’n schrede voorwaarts te doen op ’t gebied van munt- en menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. “Ze noemde my broeder...” begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z’n gedachten afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want ook zy sprak van ’n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk.Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z’n trekken haar byzonder belang inboezemden.—Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. ’t Was misschien voor jou ook wel ’reis goed als ie ’t zeegat uitging—want, pater, hy wil naar zee... haar broer, meen ik—je ziet erg bleek, jongen, wat zeg jy, pater? Zoo’n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef Holsma zei ’t ook. Maar nu dat geld, weetje waar ’t gewisseld worden kan? En zal je ’t niet verdoen?—Neen, juffrouw, zeker niet! Maar...—’t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dàt maken?—Alsikvan dienst wezen kan, zei pater Jansen.—Wel, pater, als je met den jongen meeging?—Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten waar we wezen moeten.Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer ’t adreskaartje voor den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z’n woning vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan zouden ze tezamen naar Haarlem gaan.—Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen zal, want ze wou ’n brief schryven.Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan ’t schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich ’n oogenblik naar ’t achterkamertje verwyderd had, kwam met ’n briefjen in de hand terug.—Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En nu, gaat heen, allebei. Ik heb ’n drukte, je leven zooniet! En dat vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje, ze heeft nooit ’n hand uitgestoken. ’t Is onze Fem niet, moet je denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, en nu, goeien dag! Pater, pas op ’t verdoen, want de jongen steekt vol rarigheid.De beide bezoekers verlieten ’t huisje. Wouter bezag met begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van ’n zeer bekende koopmansfirma, van “’n huis op Archangel” zouden z’n postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te begrypen: “want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in Rusland geweest.” Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z’n rechterzy te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z’n jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam ’t gesprek ’n andere wending, zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten waarom pater Jansen zoo doof was aan z’n linkeroor.

Wouterspekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van den verloren broeder.

Wouterspekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van den verloren broeder.

Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet duidelyk. By ’t verlaten vanGroenenhuizeblies de wanhoop hem in, met den meesten spoed ’n eind aan z’n leven te maken, en nog altyd kwam hem dit voornemen als ’n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die hem drukte. ’t Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door ’t uitstallen van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep ’n koekbakkerswinkel in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen.

—Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam?

—Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z’n ouwe kleeren? Dàt wil ik weten!

De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z’n aangeboren beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter’s toon zoo kortaf en gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als ’t ware om hulp, en er verscheen dan ook ’n manspersoon, die haar vroeg wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i “hebbe” wou?

—Hebben? Niets m’nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren koopt?

De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk ’n klein meisje dat hem bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z’n jasjen uit, wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoorgeven wilde. Het kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen ’t licht gehouden, en ’t eerste bod luidde: vier gulden!

—Zeven gulden, dertien! riep Wouter.

—Nah, w’rom nie liefer dertien gilde sefe, as je ’t m’r foor ’t seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan!

—Ik moet zeven gulden dertien hebben!

—Wat je hebbe mot, sel je wel ’reis kryche, as je m’r iemant fint die ’t je chefe mot. M’r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou, ses gilde! Trek jespille m’r weer an, anders, en cha mê chot!

Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men ’t hem kwalyk nemen, by zoo’n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? ’t Was al zeer edelmoedig dat-i by zoo’n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor Wouter’s jasje dat—dit is waar!—zonder die ongelukkige mededinging der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest zyn. Het was ’t eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, ’n glansryke loopbaan om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was detoga virilisdie—en wel zondags alleen—hem plechtig om de schouders werd geworpen ter viering van z’n promotie tot jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith.

Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouweDame... hy zou hun toonen dat-i... dat-i...

Hy smeet nu ook z’n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na eenig dingen en bieden was ’t kapitaal kompleet, waarmee hy de edele vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers ’n kool vuurs wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z’n schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden, in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op.

Hoe nu? Zèlf naarGroenenhuizeterugkeeren? Dat nooit! Het schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z’n kordaatheid meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten kwam door welke middelen hy geslaagd was in ’t afbetalen van z’n drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z’n ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z’n vyandin moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van ’n brief die op pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te schryven? Als-i eens in zoo’n halletjeswinkel naar pen, papier en inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Vande humaniteit der haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag als ’n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu hy zich vertoonde in ’n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon hem moeielyk voortekomen.

Z’n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen daarvan allengs de plaats in. Z’n wrok over de ondergane miskenning, jazelfs het verdriet over Julie’s trouweloosheid, moest telkens wyken voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by ’t schemerlicht van den zomeravend ’n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die even overwipt om ’n buurman goeden-avend te zeggen. Maar ’t baatte niet. Daar kwamen ’n paar straatjongens hem sarren met den roep: “heb je ’t zoo warm, jongeheer?” ’t Was om razend te worden!

Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar ’n gelegenheid zocht om ’t staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar ’t was uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat z’n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst.

Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven kwam:

Weledelgeboren Mevrouw...

Weledelgeboren Mevrouw...

Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z’n mama. Dit zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen dat-i wist hoe ’t behoort, en dat de manieren der “groote wereld” niet onbereikbaar waren voor ’n burgerjongetje.“Weledelgeboren Mevrouw!”alzoo, en verder:

“Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van zeven guldens en achttien stuivers voor ’n nieuwen parasol. Myn eer, Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te maken, en daarom...

“Heb jy je jas in den lommert gebracht?” vroegen hier op de welbekende zangwys van ’t vroolyke patertje ’n paar belangstellende dienstmeiden, die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken als er maar eenigszins van te trekken was.

Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere plekken. Z’n gedachten keerden terug naar ’t punt van uitgang: dien fameuzen brief!

“Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk ik Uweledelgeboren als ’n blyk van... van...

Hy weifelde tusschen “goedertierenheid” en “genade.” Een troepje Amsterdammers dieKraantje-Lekbezocht hadden, en in de stemming verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber in ’t oog en nam hem in ’t ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel, hem byzonder moeielyk werd gemaakt.Gedurig mompelde hy zich voor: ikwil’n brief schryven, ikwil!Als ik maar wist, wáár? En hy monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan ’n winkel in, maar hy bereikte z’n doel niet. Z’n vreemd voorkomen en de schichtigheid waarmed-i z’n ongewoon verzoek uitte, schrikten de menschen af. “Als ik in-godsnaam maar ’n jas aan had!” zuchtte hy.

Eindelyk—welke booze geest speelde hem dezen trek?—eindelyk stond hy op-eenmaal weer voor ’t huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. “In ’s hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat ik me vertoonen kan! O God, wat is ’n mensch die geen jas aan heeft!”

De jood zag vreemd op toen z’n klantje van zoo-even hem de verkwanselde kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen.

—Maar zoo-even zei je...

—So-efe-n-is f’rby, en wat cheweest is,isniet. Ik sech je dat ouwe-kleeren d’r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika teugeswoordig! Daar sit ’t ’m! Maar ik wil je wel ’n jas ferkoope-n-en ’n hoet ook. Mooie waar, kyk hier!

Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van den schacheraar, met ’n jas aan, en ’n hoed op... modellen! De kleedingstukken die hy ’n uur te-voren in z’n opgewondenheid had afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen al ’t geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die m’nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen Pompile had uitbetaald voor z’n terugreis naar Amsterdam, en die geaffekteerd zouden worden op “huishouding.” De huishoudelykheid nu van Wouter’s transaktie...

—As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust by me.

En hy gaf Wouter ’n adreskaartje dat deze werktuigelyk in den zak stak. Op-straat gekomen—nuwas-i gekleed, o goden!—betrapte hy zich op ’n volkomen overbodige repetitie van z’n redaktie-plannen. “Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer Uweledelgeboren aantebieden...

Aantebieden! Wàt?

Hy sloeg zich voor ’t hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe zei ook altyd z’n moeder? “Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm komt nooit wat te-recht?”

Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er zich geen reden van geven, maar aanUvraag ik, wat toch de oorzaak was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan wie hy verantwoording schuldigwas, had reden van bestaan in ieder ander, maar niet in hèm. Z’n moeder was z’nmoeder, de heeren Ouwetyd & Kopperlith warenzynpatroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig te verbreken en zich vry te maken: om “de wereld integaan” zooals dit heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar ’n oogenblik want hy was te week om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z’n lessenaar op ’t kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd gezegd... van háár. Wie deze “haar” was, doet er niet toe. Het is te betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al droegen z’n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z’n liefde voor háár schetste. Niemand zou ’n waschmeisje zoeken in ’t origineel van de wolkerige portretten die hy leverde. ’t Wemelde in z’n poëzie van prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien, en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten, dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen zin waren alzoo Wouter’s dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens zouden by ’t vinden der achtergelaten rymelary, op ’t denkbeeld gekomen zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot ’n dame die men noemen kon. Hoogstens zou ’n beetje scherpzinnigheid hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter’s ongedisciplineerde hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z’n gevoel, en in verbeelding zag hy reeds z’n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er ’t meest onder lyden, want aan hoven is de eer ’n teedere zaak. En ook Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk—koupletten van acht regels met slechts twee rymklanken, denk eens!—had-i zich niet kunnen onthouden, ’n zwevenden engel uittedosschen in ’n zwierig rykleed van bruine taf, en van zoo’n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z’n verrukking over haar neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van ’t wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg—want ze was op dien merkwaardigen stond ’n beetje verkouden—maar de eischen van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by ’t ontdekken en beoordeelen zyner rymschatten,de goedheid hebben Pompile aftebrengen van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die zwevende engel en z’n wederhelft? Och, op zoo’n boekhouder valt niet te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z’n pen neerleggen, z’n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen, en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren:

—Juist, jongeheer! Ik heb de intiemefictiedat de jongen met dat schimpdicht bedoeld heeft...

—Schimpdicht, Dieper? ’t Is geen schimpdicht? Wàs ’t dat maar! De kwajongen is verliefd, en wel op...

—Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld heeft. ’n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die engel in ’t bruin is de jonge mevrouw! Vindt u ’t niet erg... brutaal, jongeheer?

Wouter’s verbeelding tooverde hem ’t kantoor voor, en dwalend door denHoutwas-i getuige van de woede, van de minachting, van de vernederingen die ’t burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens blaette afkeuring, Eugène bromde z’n: hm! Daar kwam ook de oudeheer aansloffen:

—Zieje, Pompile, ’t is de schuld van Dieper. Waarom zoo’n deugniet te rekommandeeren?

En Dieper beloofde deemoedig dat-i ’t nooit weer zou doen.

De oude Gerrit? Nu,zyntusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor Wouter, dat-i eindelyk ’n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z’n angst hem voormaalde, wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: “wat ’n geseur over die liedjes! Allemaal wind en ’n engelschenotting!” Lieve Gerrit!

Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z’n wegblyven z’n archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z’n zeer behoorlyk jasje verruilt voor ’n schanslooper van de vreemdste soort, en z’n fonkelnieuw hoedje voor ’n rooden kalen gedeuktentromblondie hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden zich in Wouter’s geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy begaan had, en toch zou ’t onrecht wezen hen daarom voor verstandiger te houden. Voor ’t meerendeel hadden ze slechts door onthouding van ’t excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter’s fouten te staan. Kon hy ’t helpen dat-i z’n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er ’n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg en de wereld waarin hy leefde?

De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had, kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas die in den waan verkeert dat z’n beenen van glaszyn, is niet verder van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals zy inderdaadis, z’n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar ’tschemadat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld schoon waren, en dat alzooin alle opzichtende werkelykheid beneden z’n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die niet in ’t een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, ’t geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in denHaarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, ’t is onzedelyk ’n nieuwe jas te verruilen voor ’n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend in haar onwaarde, zéker is ’t dat onze held even beschaamd was over ’t verkwanselen van z’n kleeren, als-i over diefstal zou geweest zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter schaamte nog gevoeld hebben over z’n dwaasheid dan over eigenlyke misdaad. Deze immers wordtbegrepen, omdat ieder deelt in de aandrift die daartoe leiden kan. Met ’n vroom: “God zy by ons... wie staat, zie toe!” bekruist men zich—en hangt den dief op, nu ja—maar men deelt volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot ’n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal verwanten in geestesarmoed, of ze ’t voor mogelyk houden dat zy een der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar ’n artikel uit het Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: “de mensch is zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!” Heel goed, ik mag lyden dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor oogen dat zy ’n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in ’n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel ’t mensch niet brengen, al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van den Hemel.

En nog ’n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat Wouter’s manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde inzaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is ’t geval met velen die zich vermeten minachtend neertezien op ’t eigenaardig gebrek aan praktyk, dat ’n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid.

Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid had zich vasttewarren in ’n net van verdrietelykheden. Gelyk de meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van plan... wezen zou daaraan ’n kordaat einde te maken, als-i maar niet zoo terugschrikte voor ’t denkbeeld dat die vervloekteKopperlithsin z’n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd, dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i ’t niet kon uithouden in zóó’n wereld! In den hemel was zeker wel deze of gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op z’n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou ’t zyn als-i zich in z’n tegenwoordigen nood—ei, zonder sterven, alzoo?—tot hèm wendde?

Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom Sybrand! En Willem... nu ja, z’n wyzigheid was drukkend, maar kon hy ’t helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z’n moeder hem dàt maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter, of minister... allemaal menschen die ’n behoorlyke jas aanhebben, en precies weten waar ze belanden moeten als ’t nacht wordt! Dit namelyk wist Wouter nog altyd niet, en ’t bezwaarde hem zeer. Maar al was ’t dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam.

Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil van deze onzekerheid stond z’n voornemen byna vast. Byna! Want het afscheidnemen van z’n plannen, van z’n droombeelden, van z’n toekomst, viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook, bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel, de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z’n lessenaar op ’t kantoor, geborgen in z’n zakboek, in ’t zakboek dat-i anders altyd op ’t hart droeg—schoon ’t hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by ’t postkantoor!—maar dat-i nu voor ’t eerst had weggesloten om er niet mee bezwaard te zyn op z’n voorgenomen tocht naar “buiten.” Mocht-i aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was ’t niet al te jammer, van deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak in Femke, hoeveel van ’n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen, en vond het onverantwoordelyk zoo’n raadsel onopgelost achtertelaten.

Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten hadwaar-i slapen zou? En... eten! Z’n sarrende fantazie hield hem ’n monster-boterham van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden dat z’n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de overhand op smart van anderen aard—daarisze voor!—en hy begon afgunstig te worden op ’t lot van Jakob Claesz. Want, meende hy, in zoo’n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen, en er groeide niets eetbaars in denHaarlemmer-Hout. Die Laurens Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten—of al waren ’t dan maar burgerlyke appels en peren geweest!—dan zich bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat heeft ’n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z’n braaf oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde naar ’n voorwerp waarop-i z’n woede kon koelen, al ware het, byv. ’n bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat hy—onder aanroeping van deze of gene dame: ’t was meer gebeurd!—de overwinning behaalde, z’n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te bezoeken zoodra hy te beschikken had over ’n vlootje. Dan zoud-i...

Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder ’n boom, en viel in slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i wakker werd, was ’t volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas, hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te houden, en z’n verdriet weer aanteknoopen waar ’t eenige uren geleden was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan beter dwong hy zich dien optevatten als ’n wenk. Hy besloot dus naar Amsterdam te gaan en zich onder Femke’s hoede te stellen. Al zag hy niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, ’t zou hem reeds verluchten indien hy iemand kon deelgenoot maken van z’n verdriet. En de schaamte die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker, dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia’s parasol ook.

Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in ’t achterbakje van de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. Ennu!Naar Femke, naar Femke! riep hy, alsof ’t meisjen ’n toovergodin was die maar te bevelen had om verandering te brengen in z’n verdrietigen toestand. En ongegrond was Wouter’s vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan zeker geen reden geven kon. Femke’s eenvoudige kalmte—uitvloeisel der harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten—maakten haar inderdaad tot ’n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem ’n zonderlinge verrassing... o, die ondeugende Fancy!

De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het nog zeer vroeg was. Maar wel was z’n verbazing groot, toen hy bemerkte dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas, zou ze dáár wezen? Moed om ’t meisjen optezoeken by de Holsma’s, had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien, hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem ’t denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel—indien ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers te voorzien was—haar tot vertrouwelinge van z’n kommer te maken, om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als ’t meisjen in de stad gewoond had, en niet op ’n buitensingel waar ze bereikt worden kon zonder ’n spitsroedengang tusschen de reien van ’t straatpubliek. By ’t opsporen van de oorzaken onzer handelingen, moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou gevoeld hebben zich in z’n allerzonderlingst kostuum te vertoonen aan de uitverkorene van z’n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich rekenschap van z’n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden z’n aandoeningen op die grens die ’t kind overschryden moet om mensch te worden, en ’t was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan ’n jongen, en wanneer-i met wat meer juistheid z’n standpuntje begrepen had, zoud-i ontheven zyn geweest van ’n groot deel der schaamte over z’n bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam ’t er nog drommels weinig op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om onbewust de voordeelen van z’n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy, de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan ’t ontmoeten van iets liefs, iets vriendelyks, na al ’t leelyke waarmee men hem sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen, noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen, noch hem te verzoenen met z’n moeder die woedend wezen zou als ze te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken, en fortuinenmet voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was.

Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar ’n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z’n nood klagen, en... ’n dikken boteram eten. Dàt zou hem de kracht geven om afscheid van ’t leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar niet zoo’n honger gehad had! Dááraan eerst ’n eind gemaakt, en dan...

Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z’n aandacht werd getrokken door ’n luid gelach. Het kwam van verre. Over ’t bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om ’t gevreesd binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de omtrekken duidelyker. De een scheen ’n jong zeeman en de ander... myn God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? ’t Was wel waarlyk ’n matroos: wie anders draagt zoo’n gelakt-leeren hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen morgen—byna was ’t nacht nog—met ’n matroos! Ach, Wouter zou minder tydmeterig-fatsoenlyk met z’n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden ’s jaars had kunnen dragen aan busrecht!

Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter’s meening, met ’n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan ’t gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond, om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De arme jongen had ’n gevoel alsof hem ’n gloeiende dolk in ’t hart werd gestoken. Z’n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van ’t schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of liever ’t scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden opgemaakt uit ’n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den jongeling los, en viel hem om den hals, en ’t duurde wel ’n eeuw, vond Wouter, of ’n uur, of zooiets,maar ’n zéér langen tyd in allen geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy onderging omschreven met de woorden: “onze held stierf duizend dooden” maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, waarop dan ook eenige malen door ’t meisje gewezen werd alsof ze daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich in om iets van hun gesprek te verstaan, maar ’t lukte niet. Als om hem ’t begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens om als-i juist op ’t punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te zien aan z’n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs ’t niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z’n verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover ’n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer ’t paartje weer wat verder-af was, hoorde hy slechts ’t geschater. Er ontbrak maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, ’t scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte ’n paar malen den jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en ’t meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar ’t huisjen in. Eens nog stond ze stil, wuifde met ’n doek, en ontving haar groet behoorlyk van ’t zeemannetje terug, die driemaal met z’n hoed zwaaide. Voor evenwel ’t meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer zwerven, waarby hem z’n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet ook over den honger dien-i zich toedichtte om ’n afleider te hebben van z’n velerlei wanhopen... kortom, ’n half uur daarna stond-i weer voor ’t huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De tafel droeg toebereidselen tot ’n flink ontbyt—goddank!—maar hy zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, klonk ’n stem—’n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!—die hem begroette met ’n soldatesk:werda!Wouter antwoordde niet, of byna niet, want het onnoozele “ik” dat-i zeer verwonderd uit-piepte, mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo’n militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, die hem wat burgerlyker toesprak.

—Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je.

Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: “datis nou ’t jongetje van ’t paard, weetje?” Hierop volgde iets als teruggehouden lachen en daarop ’n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy ’t had. Na eenig wachten waagde hy ’t even in de kamer te gluren, waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op ’t erf by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op ’t ontbyt.

—Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke niet komt?

—Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet, want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje wat jy doet? Eet ’n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu eens gauw hoe ’t met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, ’n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op.

—M’n moeder is heel wel, maar...

—En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op ’n paard gezeten. Hoe kan ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, ’n mensch z’n hoofd loopt wel ’reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat’s best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was ’t koorts, of wat was het?

—M’n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben ’n beetje...

—Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar ’n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan?

—Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde...

Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z’n stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle kanten te bekyken.

—Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel ’n sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes, dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest?

Toen de goede vrouw zich bukte om ’t stof van z’n schoenen te slaan, kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter’s hoed in ’t oog, dien-i by ’t plaatsnemen had verstopt onder z’n stoel.

—Heeremensch, wat ’n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger was je zoo’n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op ’n paard heb je nooit gezeten, maar toch, je zag ’r vroeger aardig uit. En nu? ’t Is ’n ware schand zooals je moeder je toetakelt!

—Moeder kan ’t waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen, juffrouw.

—Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat het schande-n-is, ’n ware schande, ja... ’n schandaal!Hoor eens, ik ben maar ’n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu, dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou, schamen, jaschamen, hoorje!

—M’n moeder weet het niet...

—Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze dan moeder voor?

—Neen, juffrouw, maar...

—Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil ’t niet wezen.

—Och, Vrouw Claus, m’n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem, en...

—Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je ’r daarom zoo verpieterd uitzien? Als Fem hier was, zou ze...

—Is ze danniethier, vroeg Wouter haastig, is Femkeniethier? En ik heb ’r gezien!

De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met ’n zonderling gerekt “ja” dat heel best kon gelden voor ’n ontkenning.

—Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m’n nicht op denKolveniersburgwalook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog ’n boteram of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria, wat lieg ik!

Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en ’t achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had, want Wouter bemerkte tot z’n verbazing dat zy de deur achter zich sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik lang meende hy ’n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in ’t oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar z’n wereldwysheid was aan ’t groeien, en wel als naar gewoonte den verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter gedaan zich te houden aan z’n kinderlykheid, want de wysheid van deze wereld is dwaasheid by Fancy.

Wouter bleef niet zeer lang met z’n boterammen alleen. De buitendeur werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden met ’n handkar waarop ’n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze ’t voertuig had zien aankomen, en tevens dat zy de bestemming daarvankende, want voor nog Wouter tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst—sommigen beweren dat-i grooten lust had er naar te vragen—kwam de goede oude vrouw haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z’n gewone dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in ’t afladen, en droeg met den kruier ’t vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, en met één vaart naar de achterkamer door. Indien ’t haar plan was, den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden—en zoo scheen ’t wel—liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier die op haar vraag naar ’t bedrag van ’t veerloon, ten antwoord gaf dat de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond den naam niet! Na ’t vertrek van den man met de handkar voelde hy zich verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw ’n stoel aanwees.

—Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou waarom je ’r zoo mal uitziet, en wat je toch in ’s heere-menschen-naam te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en waarom heb je zoo’n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ...

—Femke? vroeg Wouter.

—Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch, wat verveelt me dat liegen...ah!

Deze uitroep gold pater Jansen, die z’n goedig gezicht aan de deur vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op ’n ontstemd gemoed.

—Wel, dat ’s goed, pater! Ga zitten, en eet ’n stuk. Heb je-n-’n zieke-n-in de buurt.

—Dat ook. Maar ik kom ’ns hooren of ze ’t gedaan heeft?

—Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus maar niet over voor-i weg is.

Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend, z’n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe.

—Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater ’t hoort wat je hebt uitgevoerd. Kyk ’t kind er ’ns disselaat uitzien, pater!

De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu juist de rechte man niet om den snit van ’n jas te-beoordeelen, en toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk zou geweest zyn.

—Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is ’n fatsoenlyk mans kind, en ziet er uit als ’n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem geweest zonder dat z’n moeder er van weet. Maar vertel dan toch, jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater ’t ook!

Wouter begon z’n relaas hakkelend en verward, en sprak nogveel slechter dan over ’t algemeen de hollandsche gewoonte is, ’n fout die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin ’t gevolg is van den rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning van z’n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen van z’n hoorders, ’n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i ter verklaring van z’n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die hemzelf niet zeer duidelyk waren. ’t Is waar ook, waaròm toch voelde hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig “thuis” in ’t wereldje dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen—over de minachting, byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had—was gemakkelyker te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon.

—Als ’t kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, ’t is niet om ’t verkwanselen van z’n kleeren alleen, en ook niet om dien perresol, maar z’n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat er aan te doen is.

Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar ’t achterkamertje, alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter’s kwalen moesten gezocht worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk ’t geval te zyn.

—Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie je kans, ’t huis van dien man terugtevinden?

Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in ’t uit- en aankleeden. Hy maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar...

—Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m’n broer die daar smid is, en ’t gaat ’m goed. En ’n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dàt moet je zien, vooral als ’t kermis is. Een pret... je leven zoo niet!

De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men ziet. Of liever, ’t waren geen preeken, en misschien zelfs was z’n taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden zonder afschuw, ’n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van ’n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde hy zulke dingen aan, als ’t zyn beurt was alleen te praten in de kerk, wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had zich aantestellen alsof-i beter wasen meer wist dan ’n ander. Voor schryver zou hy in ’t geheel niet gedeugd hebben. Hy wasgoedin den uitgestrektsten zin van ’t woord, tenzy men het toekennen van deze hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon nu eenmaal met pater Jansen ’t geval niet wezen omdat hy niet wist wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z’n voorkomen, z’n manier van spreken en vooral, waar ’t noodig was, z’n handelwys, in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel onbewust, ’n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z’n overigens zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben.

Hy verhaalde nog een-en-ander van z’n dorp, en Wouter die behoefte voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke, zachte, onhartstochtelyketoondie hem goeddeed, en telkens betrapte hy zich op de verzuchting: “och, was ik maar te Vucht by dien smid!” De herberg en ’t dansen hoefde er niet eens by om naar zoo’n heerlyk land te verlangen.

—Je moet ’m zien staan in z’n travalje, zei de pastoor. Klik, klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z’n mouwen opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo’n smid werkt in z’n hemdsmouwen.

Wouter voelde neiging z’n pronkjas uittetrekken, en aan ’t smeden te gaan. Wat zoo’n smid toch ’n gelukkig mensch is, enhy...

—Och, m’nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen met dit vervloekte ding aan m’n lyf.

—O, we moeten niet vloeken. Zoo’n jas heeft er geen weet van of-i mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld willen hebben, want van z’n winst moet-i leven, zieje, en zulke menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan ’n horlogemaker?

—Neen, stamelde Wouter.

—Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater, terwyl-i ’n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar ’t is niet best van loop... als we maar wisten wie ’t koopen wou! Waarom huilje?

Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen.

—O neen, neen, dàt niet, m’nheer, dat kan niet!

—Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. ’t Is heel lastig, ’n horloge dat niet goed gaat, maar ’t is van m’n vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als je-n-’ns by me komt, zal je ’t zien. ’t Briefje van z’n eerste kommunie hangt boven den schoorsteen. Hy was ook ’n smid, en nog veel sterker dan m’n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet, omdat ik pas ’n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie ’t koopen wou!

De goede man woog ’t horloge op de hand.

—Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen had wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en ’t is niet noodig ook, ging ze voort, ’n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, dan zou ikzelf nog wel raad weten voor ’n dukaton of tien. Hoor eens, jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, ’t moet er nu maar uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig. Zeg, jongen, kan je zwygen?

—Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid.

—Nu dan, Fem is niet hier, en ’t meiske dat je zeker gezien hebt op den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je ’r gezien hebt...

’t Is waar dat Wouter ’n eigenaardig gezicht zette by ’t ontwaren van wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend.

... ja, ja, ik begryp heel goed dat je ’r naar gekeken hebt! Nu, dat was onze Fem niet, jongen! Dat is, om ’t nu maar zoo eens uittedrukken, ’n juffer die—hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, dat begryp je wel, anders deed ik ’t niet!—dat is ’n juffer die van staat veranderen wil.

—Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, o God, ik wist het wel!

—Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks!

—Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet naar me gevraagd heeft?

—’t Is ’n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my ’t wasschen leeren wil. Maar ze wil ’t niet weten voor de menschen en voor ’r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit ’n woord over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je ’t beloofde. Je schynt iets met ’r gehad te hebben...

—Ja, o ja, riep Wouter.

—Men moet altyd z’n woord houden, zei pater Jansen.

—Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus.

—Ja, by God! riep Wouter.

—Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die als ’n eed opnam wat in Wouter’s mond slechts ’n romanfraze was, al meende hy ’t dan even goed alsof-i eenvoudig “ja” gezegd had.Hy’n dame verraden, en háár nogal!

—Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal.

—O, alles, alles!

—Kyk, hier is geld voor je kleertjes—steek je horloge gerust weer in je zak, pater—maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut, pater, als de jongen ’t nu maar niet weer verdoet!

—Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die muntwel. We hebben er eens precies zoo een in ’t zakje gehad... verleden, weetje, toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren.

’t Waren goudenfriedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had teruggehouden uit vrees voor ’t “verdoen.” Die glinsterende stukken herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg op de Botermarkt. Er ging hem ’n lichtjen op, waarvan-i gebruik maakte om ’n schrede voorwaarts te doen op ’t gebied van munt- en menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. “Ze noemde my broeder...” begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z’n gedachten afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want ook zy sprak van ’n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk.

Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z’n trekken haar byzonder belang inboezemden.

—Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. ’t Was misschien voor jou ook wel ’reis goed als ie ’t zeegat uitging—want, pater, hy wil naar zee... haar broer, meen ik—je ziet erg bleek, jongen, wat zeg jy, pater? Zoo’n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef Holsma zei ’t ook. Maar nu dat geld, weetje waar ’t gewisseld worden kan? En zal je ’t niet verdoen?

—Neen, juffrouw, zeker niet! Maar...

—’t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dàt maken?

—Alsikvan dienst wezen kan, zei pater Jansen.

—Wel, pater, als je met den jongen meeging?

—Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten waar we wezen moeten.

Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer ’t adreskaartje voor den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z’n woning vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan zouden ze tezamen naar Haarlem gaan.

—Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen zal, want ze wou ’n brief schryven.

Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan ’t schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich ’n oogenblik naar ’t achterkamertje verwyderd had, kwam met ’n briefjen in de hand terug.

—Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En nu, gaat heen, allebei. Ik heb ’n drukte, je leven zooniet! En dat vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje, ze heeft nooit ’n hand uitgestoken. ’t Is onze Fem niet, moet je denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, en nu, goeien dag! Pater, pas op ’t verdoen, want de jongen steekt vol rarigheid.

De beide bezoekers verlieten ’t huisje. Wouter bezag met begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van ’n zeer bekende koopmansfirma, van “’n huis op Archangel” zouden z’n postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te begrypen: “want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in Rusland geweest.” Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z’n rechterzy te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z’n jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam ’t gesprek ’n andere wending, zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten waarom pater Jansen zoo doof was aan z’n linkeroor.


Back to IndexNext