’t Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een stuk nederlandschen volksroem uit de17eeeuw, afhankelyk gemaakt van de vraag of paterJansenenWouterin dit hoofdstukHaarlembereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen.Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit ’n protestantsch jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt afgelegd by ’n katholiek priester? Zoo neen, dan zal ’t me moeielyk vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man z’n verblyf hield. ’t Was in ’n achterbuurt, en wie niet wist dat daar ’n kerk was, zou ’t waarlyk niet geraden hebben.1In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo’n buitensporigheid, maar er zal ’n tyd komen dat ’n schryver moeite hebben zal z’n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, maar zeker is ’t dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor ’t onaanzienlyk huis stilhield “waar z’n kerk was” naar-i zeide.—En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, ’n deur openende die den toegang afsloot naar ’n lange smalle gang naast het hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je nu niet eerst naar deKolveniersburgwalgaan?Met ’n blik op z’n kleeding smeekte Wouter om genade.—Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m’nheer! Heusch, dan zal ik terstond gaan, maar nu...—Zou je denken dat ’n jas van my...—Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m’nheer!Zeker ’t mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma’s ging bezoeken in de jurk van ’n pastoor!—Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen op reis! Ik doe ’t met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem geweest. Houd je van halletjes?De goede man geleidde Wouter in z’n woning die uit ’n paar kamertjes bestond, welke door ’n somber binnenplaatsje van den achterkant dier kerk gescheiden waren.—Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet ruilen wil met ’n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang ik hier aanzienlyke menschen—verleden week nog ’n advokaat—en ze zyn allemaal jaloersch op m’n woning, en... op ’t gemak, zieje. Want als ik ’s morgens opsta voor de vroegdienst—ja, ja, soms is ’t nacht nog!—kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden—maar spreek er niet over—vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn, ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan?Styn zei er niets van dan: “gut, pater!” en ’t was genoeg. Althans hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende, voort:—Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die z’n kamers hiernaast heeft... ’n man van belang! Dien moet je leeren kennen! Hy verstaat grieksch alsof ’t niets was. Jy zeker niet, hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen?—’t Was iets van Styntje, m’nheer, en dat de kerk zoo naby was.—’t Is gek in ’n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja, de kerk is vlak by, en als ik ’s morgens opsta... kyk, nu weet ik wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat laat wakker, en sprong ’t bed uit, en haastte me met kleeden, en wat doe ik—maar ik wist ’t niet, dat begryp je wel—ik vergeet een van m’n kousen aantetrekken, een van m’n zwarte overkousen. Maar Styn zag ’t, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep: “pater, pater!” en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen—omdat ik al in de kerk was, en je begrypt... dat is ’n huis Gods—en ik ben hard teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik ’t uit, en Styn ook. Maar in de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was nog geen mensch.Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter’s hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minderby de indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z’n verbeelding had nagelaten. Hy vertrouwde z’n ooren niet. Maar de goede pastoor bemerkte niets van z’n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den raad had gegeven zich den tyd te korten met ’n paar boeken die hy uit ’n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had Wouter geen behoefte. Hy zag ’t kamertje rond, en verbaasde zich over de verregaande eenvoudigheid waarmee ’t gemeubeld was. Een metalen Christusbeeldje en ’n paar Heiligen-printjes maakten met het eerste-kommuniebriefje van Jansen’s vader, daarvan de eenige versiering uit. Dit laatste hing achter glas in ’n lystje boven den schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en ’n viertal stoelen met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men dehortensiaen ’n paar maandrozen meerekene, die buiten ’t opgeschoven raam in de vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo’n inrichting. Kort voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan de hand van Anna Radcliffe en konsorten ’n lange galery van roomsche akeligheid doorloopen, waarin ’t wemelde van overdaad op allerlei gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking—gewoonlyk waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in ’t gebergte weten om ze te zien te krygen—kasteelen waarin weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die de Kerk behulpzaam was in ’t uit den weg ruimen van lastige personen, van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd had z’n bruid aftestaan aan ’n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo’n pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken, nu de emolumenten van ’t beroep zoo armoedigjes bleken verschraald te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om ’n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over ’t aanvankelyk mislukken van z’n poging, omdat de ware geheimheid van zoo’n deur toch eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot pater Jansen’s verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep er hier-en-daar ’n scheur door ’t gebloemd papier waarmee de wand bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van ’n onwillekeurige breuk in ’t metselwerk, dan dat daarby zou kunnen gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende soort groote lokalen weten te verbergen in ’n kleine ruimte. Bovendien:—Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in ’t grieksch, redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met ’r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, dehortensia, de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou ’t moeten wezen, àls er iets was. Maar...Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigsbedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten adem uitblaast. Daar knerste iets...Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid ’n alleronschuldigste oorzaak had....daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat...In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z’n geheimen zou ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen aan al de schatten en kasteelen die er aan ’t licht komen zouden, zoodra hy zou afgedaald zyn in ’t hol waar hem de schoone Isabella zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit dat gewelf. Maar... wàs er ’n gewelf? Wàs er ’n hol? Om zekerheid te hebben, stampte Wouter met den voet...—Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad, en Wouter’s grondig onderzoek niet best begreep.—Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. ’t Is maar dat... dat ik...—Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.—Dank u, dank u. ’t Was maar dat ik... dat m’n voet slaapt. Dàt was het!—Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb ’t ook wel eens gehad. Maar ’t gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u, om patersJézekiete schuren.En de goeie Styn nam ’t Christusbeeldje van den wand, en poetste het en wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van ’t afgodsbeeldje gesproken had, zou ’t zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben, maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haarJézekiemet niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde, schuurde, wreef en oppoetste.—Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net ’n kaarsenmakers kat in den maneschyn, vindje niet?Wouter had nooit ’n kat van de omschreven soort en in dat byzonder licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen er goed uitzag.—Ja, ’n mensch moet zindelyk op z’n goedje wezen! Ik heb wat te stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel, omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is ’n engel van God, en zou vergeten z’n neus te snuiten, als ik ’m niet zei: pater, je bent yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui daar doen? ’t Is ’n heele reis.Wouter verhaalde een-en-ander van ’t voorgevallene, maar slaagde er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem.—Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of...—’t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter.—O ja, dàt is ’t! Maar... och, kou vatten is ook ’t ergste niet. Ik voel me-n-altyd als ’n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan je me zeggen waar-i nu heen is?—Geld wisselen, zei Wouter.—Geld? Daar heb je-n-’t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou dat-i al goed en wel weerom was.Ze pakte het gereedschap waarmee ze ’t Christusbeeldje zoo verkwikt had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen was als van ’n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid waarmee ze sprak over haar meester—de man bleek tot het “goedje” te behooren dat ze zindelyk te houden had—bracht hem in de war. Styntje maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al kan ik verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd had. Er zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken waren van haar bekommering over paters reis en ’t geldwisselen. Er vertoonde zich ’n bedelaar voor ’t raam waar dehortensiaprykte. De man keek even naar-binnen, niet zoozeer als iemand dievraagt, maar als ’n verwachte persoon die te kennen geeft dat-i eris. Weldra werd hy door ’n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk gaven zich volkomen thuis te voelen op ’t binnenplaatsje dat den pater voor antichambre scheen te dienen. Velen maakten ’t zich gemakkelyk, en gingen op ’t een of ander uitstek zitten dat aan huis of kerk te vinden was, als wilden zy door ’ncharade en actionde waarheid uitdrukken: het pauperismus is ’n pestbuil van ’t geloof.Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie!Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over de afwezigheid van den huisheer, en wel op ’n toon die zekere ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z’n post moeten zyn!—Maar de meid is er toch, riep ’n jongen die den kost won met lam-zyn, maar nu toch ’t kozyn van een der lagere kerkvensters had weten te bereiken, waar-igargouillespeelde.—Ik wacht liever op den ouwe, zei ’n blinde.—Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent ’n dinsdagger.—Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt verleden by ’t uitgaan van de Jakobskerkdriegestaan, en je bent maarzeven.—Né,zes nou,want de ouwe Jonas is dood. Maar jy bent ’n dinsdagger. Ga heen, zeg ik je!—Je hebt opdriegestaan.—Jy bent ’n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, dringt ’m de gang uit. Hy steelt ons ’t brood uit den mond.—Wàt? ’n Dinsdagger? riep nu ’t uitwas van de kerk. Dat mag niet. Er uit met hem!En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om ’t geschonden bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de bedeelden van dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder ’t gezelschap dat zich ’s maandags om ondersteuning by pater Jansen aanmeldde. En wat die andere beschuldiging aangaat—”driestaan alszevenje plaats is”—ze doelde op ’t overweldigen van ’n rangnummer.Tena by ’t uitgaan van de kerk wordt voor onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen van beurs of porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in de eerste oogenblikken na ’n kerkdienst. Maar ’n standplaatstever van de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na twee of drie keeren iets aan ’n bedelaar gegeven te hebben, onverschillig door. Zonder ’t minste besef dat ze te veel deden—namelyk iets verkeerds—meenen ze toch genoeg verricht te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige schryvers die kanker en koudvuur tot ’n byzonder onderwerp van studie maakten, is er geen voordeeliger standplaats dan nummerdrie. Indien dus de man die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op pater Jansen’s dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal van dat nummer, was de ander volkomen in z’n recht hem ’t zwygen opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te verantwoorden, en wel by Styntje die op ’t rumoer naar buiten kwam. De man die zich ’n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde zich door de opmerking dat-i op dinsdag “zoovéél huizen had” en dat-i “z’n beenen uit het lyf moest loopen” om al z’n klanten behoorlyk te bedienen, denk ik.Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat de heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee werden afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. “Wie nog ’n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en ’n mensch moet toch zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en de gang uit, voort! ’t Is, dunkt me, wèl zoo!Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan, en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en gescholden werd. Als ’t weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis was, heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want zoo’n meid was toch ook maar ’n “loontrekkende dienaar, die niet weet wat ’n mensch toekomt.” ’t Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den mond van den arme, gebrek aan rykdom of laagte van stand ’n misdaad is. Volgens heeren bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin, of burgermeestersnicht, voor ze zich ’t recht mocht aanmatigen ’n woordje meetespreken en ’n hand uittesteken—want dit dééd ze, en Wouter had dapper geholpen—ter verdediging van paters erf: niets is aristokratischer dan ’t gemeen.Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd, volgde Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar voedsterkind.—Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is ’t veel?Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken die gewisseld moesten worden.—Goud? Och, lieve Jeessis, dat’s voor hem krek ’t zelfde. Och, waarom den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje voor hem uitgedacht, jongeheer? Slim is ’t niet van je! Waarom deed je ’t niet liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig wezen... ieder kan ’t gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam maar niemand tegenkomt die wat noodig heeft! Goud? ’t Kan hèm wat schelen! De gespen van z’n vaders broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig alle weken! Ik heb er ’n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen dag houden, maar denkje dat ze ’t doen? Neen! Want er zyn rakkers onder—dat ik zoo’n zondig woord zeg—ja, rakkers, die tweemaal komen, maar pater wil ’t niet gelooven. En of ik al zeg: “pater, ’t is slecht volk!” hy wil er niet van weten.—M’nheer Jansen is te goedig, zei Wouter.—Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op ’m passen. Drie duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar na! Daar waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op z’n brood. Nou, ik ook niet, maar dat’s tot dááraan toe. Maar dan alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar twee duiten gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by pater. ’t Is ’n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En hoe brutaler ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het niet, of hy wil ’t niet weten. En als ik zeg: “’t Zyn rakkers, pater!” dan zegt-i dat we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dathyook z’n fouten heeft, en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, en ’n mooie woning. Zondaars voor God? Nou ja, ’t heele menschdom, maarhy?Ik weet sekuur dat God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel!Styntje streek met ’n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God ’n oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater Jansen by hem in ’t kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, dan waren Styntjes gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen.—Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als ’n brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En “al die armen zyn z’n broeders” zegt-i.—Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter.—Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er vrede mee dat-i ’t ook zegt. Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat ’n mensch z’n eigen broêr moet wezen ook. Enhy?Hy is, om zoo te zeggen z’n eigen neef niet, z’n zwager niet, z’n eigen stiefkind niet, neen, dat is-iniet!Hy loopt weer op z’n tandvleesch. Heb je ’t niet gezien?’t Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde:—Nou ja, op ’t overleer, z’n schoenen zyn doorgesleten. ’t Is m-e-’n kruis! En z’n jas is ook niet van de nieuwsten.Wouter voelde schaamte over ’t gewicht dat-i aanzynkleeding hechtte.—Al vier jaar lang spaar ik voor ’n nieuwen, of... ikwousparen, maar ’t gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet zoo altyd alles weggeven?Wouter groeide.Hywerd aangesteld tot Mentor over ’n bejaard man, en wel door ’n vrouwspersoon die nog volwassener was dan z’n pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de zelf-genoegzame pedanterie van z’n antwoord. Styntje’s verzoek werd genadig opgenomen en geflatteerd:—Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al ’t mogelyke zal aanwenden om...—Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z’nderriére...Zoo vertelik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter en beter....de jongen die zoo-even met z’n... zitwerktuigen dan, in ’t venster van de kerk zat... ’n luiwammes is-i, ’n doeniet, ’n rekel! Zeg dat aan pater. Eerst was-i ’n blinde... jawel, zoolang-i ’n zusje had, dat hem leien kon. Maar nou ze van ’m weggeloopen is—god weet waarom? Misschien bedelt ze liever op ’r eigen houtje—nou is-i op-eens ’n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg ’t aan pater.—Ja, ja, juffrouw, ik zal ’t hem zeker zeggen!—En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb je ’r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: “veeg de sneeuw van de plaats, dan kryg je zes duiten.” Was ’t goed geprezenteerd, of niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde.—Huizen, juffrouw?—Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen schold ze me-n-uit over m’n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat zeid-i? “Och, zeid-i, ze is te oud, ’t mensch kan niet vegen.” Heb je van z’n leven! Ik zei: “pater ze is jonger dan ik!” Nou, ’t is de waarheid, want ik ben acht-en-zestig, Da’s oud, hè?Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te vinden, die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring waarin ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy voelde verlegenheid over z’n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i door studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z’n herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder die ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i meer wist dan hy in z’n kort leventje met eigen oogen kon gezien hebben.—Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de stad bygewoond?—Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet! Wat denk je dat pater deed! Hy zei: “och, Styn, je moet denken ze-n-is ’n arm mensch!” “Dat ’s waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook arm, pater, en ik ook.” Nou, dàt zei ik er maar zoo by, wantikheb ’t wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater soms droog brood eet, is ’n ware zonde voor god en menschen. Soms is er geen duit in huis, en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, die ook niet te veel heeft. Ook ’n goed mensch anders, dat moet ik zeggen, maar hy spreekt niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste man van de wereld is, en lang professer of bisschop had moeten wezen, als-i maar niet zoo... nou, dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar die luie Griet! Ze dééj ’t niet, en ze deej ’t niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en ik zei: “goed, pater, dan zal ik ’t doen.” En den volgenden morgen zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt zooin, weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik voor God niet verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw! Wat denk je dat er gebeurd was?—Dooi? vroeg Wouter.—Gut né, ’t vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen hoorde ik pater lachen in z’n kamer, want hy zag me daar staan als ’n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was vroeger opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat, jongeheer?—Hoor eens, juffrouw, als ’t weer gebeurt... roep my, dan zal ik ’t doen.—Was ’t geen schande? En dat voor zoo’n lui dier als die Griet! Nou, ik was kwaad als ’n spin, want ik heb den man zielslief, dat begryp je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen sprak hy weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m’n broêr niet was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo’n lui beest!Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak ’t hem niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de bladzy van ’t groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen, maar kon z’n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen vorm waarin hem ’t schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal veel aan Styntje veranderd worden voor ze, al was ’t dan maar heel uit de verte, gelyken kon op de schoone Isabella die hier in ’n diep gewelf op verlossing had behooren te liggen wachten. De goede oude vrouw zelf scheen geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van slachtofferige dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en priesterdwang, kreeg Wouter zoo’n priester-zelf te redden uit de klauwen van z’n eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die niet inzag hoe onaangenaam Styntje’s vertrouwelykheid prikkelde, en vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep had iets van ’n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich met het mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig, en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt, wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden wil van de Don Quichotten. Wouter was zoo tevreden dat-i z’n eigen jas niet meer zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde jonkvrouw in z’n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch:—Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft u hier ruimte genoeg?—Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap houden in m’n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor hiernaast ook voor m’n rekening heb. ’t Is ’n heel gedoe voor ’n mensen alleen.—En... kelders?—Ja, ’n beetje nat, maar anders best. We hebben er ’s winters aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf... ’t stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog kou lyden ook!De poging om zich te vermeien inkrypt-romantiek brak alzoo weer als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke nattigheid. Een “hol” mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een der vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O, Lafontaine! O, Radcliffe!—En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw?—Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m’n tyd. Beloof je me vasten zeker dat je ’n oogje houden zult op pater met al dat geld?—Wees gerust, juffrouw! Ik zal...—En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf te zorgen...—Zeker, juffrouw.... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik hoor nu dat er ’n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of Hamburg of zoo wat, en die zou hem bystaan...—Ah!... zoo, weet je ’r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde ’t van Femke Claus...—Ah!... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik.—Ah!—Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch ’n inkomen van honderden in de week, ’t zou niet genoeg wezen voor al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. ’t Is maar begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet ’n mensch niet werken voor de kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben ’n vondeling, weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet dat ook niet doen?’t Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan iets meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien ’t noemen van Femke’s naam—in-verband nogal met prinses Erika—op hem maken moest. Zou Styntje’s vader ’n ryke baron wezen? En teruggekeerd op ’t pad der deugd? Hy wilde meer van de zaak weten, en Styntje zei er dan ook nog wel iets van, maar alweer ’t rechte niet, naar Wouter’s meening. Ook hier wou ’t alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en misschien eenigen uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd had—er zyn er meer zoo!—z’n ontmoetingen op ’n afstand te zien. Wat ons in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, is eenmaalgewoongeweest.—Ja, jongeheer, ’n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag ’t weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik wel? Nou voor m’n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op de hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar ’n oud stuk mat om ’t lyfje. Maar je begrypt dat ik ’t maar van hooren-zeggen heb. Ja, ik was in ’n lap mat gerold, anders niet! En nu? God heeft me gezegend, dat zieje. Ik ben groot en sterkgeworden... neen, sterk ben ik geweest. Dat’s tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden...—Hè, zei Wouter.—Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er ’n twaalfde by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in ’n mat, en op de hei. En nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... ’t is waarachtig geen kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt. Zoolang ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie, want als de dienst wat druk is, hebben we hier ’n kapelaan ook. Ja, ja, er moet gewerkt worden in de wereld! Maar als je dàt doet, ben je klaar. Ik ken menigeen die in ’n huis geboren is, en God op z’n bloote knieën danken zou als-i by pater mocht wonen.—En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking dat deze byzonderheid Styntje’s genot nog aanmerkelyk verhoogen moest.—Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters goed... nu, anders kwam ik er niet. Want ’n mensch alleen... dat begryp jezelf wel. Ook worden m’n oogen slecht. Maar van pastoor hiernaast wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem houdt.—Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg ’t riddertje.—Wel neen! Waarom? ’n Mensch houdt van den een, en niet van den ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert ’n jaar of wat niet meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan ’t niet af. Ik heb al aan de menschen gezegd “ga toch liever by pastoor hiernaast, die man is ook goed” zei ik, maar ’t helpt niet, alleman wil altyd by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed by, dat moet ik zeggen. Hy is ’n beste! En zoo zal dat meisjen er ook over denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker woon je ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor lastig?—Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik te openbaren dat-i niet “van ’t geloof” was.—Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg gemakkelyk. Watdieman al zielen tot Onslieveheer geholpen heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou ’t er met m’n moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker dan pastoor hiernaast. Die is ’n beetje... hoe zal ik zeggen? Isegrimmig, ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal! Nou, alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard aangepakt worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens ’n man geweest is, die niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat?—Heel erg, juffrouw.—Zoo, vind je dat erg? Ja, ’tiserg! Maar ik ben er ook nietbang voor, want ik doe m’n werk, en ik zorg voor pater. Och, och, waar blyft-i?—Is u niet bang voor de hel, juffrouw?—Gut né, volstrekt niet, want ik doe m’n werk. Maar die man deed z’n werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en toch was-i niet bang voor de hel. Zie je,hyhad er bang voor moeten wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God ’t hem wel vergeven, zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan de hel, en dat kan ’n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo’n man wel eens op z’n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen, want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden zyn, want pater zal voor m’n bed zitten, en my de hand drukken. Dat heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor ’t leven dat-i my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb.De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden.—Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet altyd denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in ’t veld liep, en als ik in ’t dorp kwam—want ik ben maar van ’t boerenland—dan riepen de jongens: “vondeling, vondeling!” En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar by pater! Wat wil ’n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m’n moeder ook, dat begryp je.Wouter zette een vragend gezicht.—Ja, ’t moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar pater zei: “denk je dat ’n mensch voor z’n plezier z’n kind op de hei legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!” En ik heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i ’n mis aan m’n moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet me erg voor m’n moeder, en ook voor pater, want de man had z’n kousen broodnoodig. Maar de ziel van m’n moeder was ’t ergste, dat begryp je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of niet? Gut né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf-en-dertig jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man zegt zelf dat er ’n heele boel òver is.—En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na—of liever nog: ’n beetje vóór—z’n terugkeer op ’t pad der deugd. Gaarne had-i z’n vraag wat deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar ’t welvaren van wylen Styntje’s “papa” maar deze malle uitheemsheid die in Wouter’s tyd nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. ’t Bleef dus by: “de ziel van uw vader, juffrouw?” schoon dit woord inderdaad wel wat àl te burgerlyk klonk voor iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van meisjesverleider bekleed had, ’n funktie waartegen onrype jongetjes, eunuken en zeker soort vanbeunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo byster hoog—maar vooral begeerig, en met afgunst!—hebben opgezien.—Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en ’t scheen wel dat zy over Wouter’s vraag ’n beetje verstoord was. Een mensch kan niet alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was gevallen ook? De man heeft ’t werachtig druk genoeg. Voor m’n moeder is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m’n vader sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: “als je zoo begeerig bent, kryg je niemendal!” Nou, dit is maar by manier van spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man niet na om z’n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis, waar blyft pater met al dat geld?—Daar is-i, riep Wouter die Jansen’s vriendelyk gezicht langs dehortensiazag voorbygaan.Als om de gegrondheid van Styntje’s angst ditmaal eens te logenstraffen, telde de goede man ’n twintigtal ryksdaalders op de tafel. Ter verontschuldiging over z’n uitblyven, deelde hy mee dat men hem onder-weg by ’n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders van den hemel wilde weten voor-i er heen ging.—Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb ’n briefje gevraagd, waar ’t op staat. Nu kan jyzelf alles precies uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, en geld is... geld, wat zeg jy, Styn?Styn zei ja, en ’n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg ’n streek of wat met den borstel, doch ’t was blykbaar slechts ’n voorwendsel om hem nogeens nadrukkelyk in ’t oor te fluisteren:—Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet, jongeheer?—Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i ’t meende.Helaas!De weg naar... ’t verkeerde is geplaveid met goede voornemens en welgemeende beloften.1De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254–1259.)Preekjen over preeken, en hoeWouterniet aan ’t preeken raken kon. Preek van paterJansenover ’n preek van pastoorKoens,opgeluisterd door ’n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt.Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd had of niet ook ’n middelmatige preek iemandterdeeg bezwaren kan, zoud-i ’t zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief aan de opgeblazen Hersilia—jammer dat het niet gediend had—maar ’n preek... dat was wat anders! Hy wilde ’n paar keer beginnen, maar ’t vlotte niet. Telkens als-i op z’n: “m’nheer, hoor eens!” zoo goedmoedig ten antwoord kreeg: “wat blief je, jongeheer?” zonk hem ’t hart in de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen dat de haarlemmerdyk ’n lange straat was, en dat ieder die ’s avends laat buiten de stad bleef, ’n stuiver moest betalen, jazelfs als ’t héél laat was, ’n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe.Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees ’t makkelyk. Ze nemen ’n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door ’t voorgebed. Wel zeker: “steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden om uw woord te verkondigen!” Zoo komt ’n mensch op z’n dreef. En ’n dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren toon aan, en brengt ’n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan ’t preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam ’n gebed te doen: “steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen is opgetreden om ’t woord van Styntje te spreken!” maar hy wou doen wat-i beloofd had. Dat hy maar ’n domme jongen was, en die m’n-heer Jansen ’n eerwaardig man, kwam—juist omdat-i ’n domme jongen was—niet in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui, zoo van de schoolbank, volkomen ’t recht hadden oude menschen te kapittelen, als ze maar—door Styntje?—“bevestigd” waren, en de voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen.Ten-eerste:de spaarzaamheid is Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken wat er in zit.Ten-tweede:de spaarzaamheid is de wil van God... och, ’t lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken, leidde z’n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag:—Kan u zingen, m’nheer?Voor zoover ’t me vergund is, borg te staan voor Wouter’s bedoelingen, kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer daar op de publieke straat ’n psalm of gezang optegeven, met het verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen, maar hy had weer: “m’nheer, hoor eens!” geroepen, en moest tochietsantwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had?—Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m’n vak. Maar heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eenshooren, vooral in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er ’n heer uit Parys in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich wou laten aannemen by ’n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy zingt iemand het hart uit ’t lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z’n zingen of z’n preeken. Hy is ’n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In ’t geheel niet!Als ’n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van “pastoor hiernaast” hield, door Wouter’s gemoed. Lieve, beste, brave Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende!—Hy zingt ’nkyrie... weet je wat ’nkyrieis? Want je bent niet van de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó, en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat ’nkyrieis?—Neen, m’nheer!—Kyriebeteekent: “Heer” eneleisonis zooveel als: “verlos ons!” Nu, dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft ’nkyriedie expres voor hem gemaakt is door ’n Duitscher, ’n eerste man in z’n vak. Hy is orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen—nu, dàt zal je vreemd vinden!—ze zeggen dat-i eens voor ’t heele hof...Jansen hield even op om Wouter’s aandacht te spannen. Maar hiertoe was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek over spaarzaamheid....voor ’t heele hof, denk eens!—Ja, m’nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel..—Hy heeft voor ’t heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, jongeheer.—Op ’n stoel, m’nheer.—Ook, ook! En op ’n draaikruk ook... want hy had klavecimbel gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat ’n aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i gezeten. Hoe vindje dàt?Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van z’n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt metut, re, mi, fa, sol?Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat ’n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou.—Op haarschoot, m’nheer?—Ja.—’n Aartshertogin?—Ja, van Oostenryk.—Maar, m’nheer, hoe is dat mogelyk?—Kyk, ik dacht wel dat je ’t vreemd vinden zou, want zoo’n aartshertogin is ’n heele dame, en daarom vertel ik ’t je. Ik heb er wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon ’t raden voor ik ’t zei. Maar gebeurdishet, vraag ’t maar aan pastoor Koens, en Styn weet het ook, want ze was er by...—Aan ’t hof, m’nheer?—Neen, toen pastoor Koens ’t vertelde.De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter’s verbazing, die dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch z’n moeder noch een van z’n zusters, noch zelfs Leentje, die toch anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met ’n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er kwaad van denken kon. In ’n achterkamer niet!—Op haarschoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen...Nòg meer, o hemel?... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt geraden hebben?—Neen, m’nheer!—Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem gezoend...—Maar, m’nheer!... gezoend op allebei z’n wangen.“Naar Weenen, naar Weenen!” riep alles wat stem had in Wouter’s gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte zich kinderlyk met z’n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd—ach, vernietigd te-gelykertyd—door ’t vervolg en slot van de historie.—De keizerin stopte z’n zakken vol...—Hè?... vol suikerdemangelen.Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik in kregen. Maar ’t was moeielyk niet te lachen by ’t gekke gezicht dat Wouter zette, en hierom was ’t dan ook den goeden pater te doen geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe:—Ik zal ’t je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes jaren oud, en ’n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem gestudeerd—later, weetje—en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik zei je-n-immers al dat-i ’nkyrievoor hem gemaakt heeft? Ze hebben samen gestudeerd op ’t Jezuiten-kollegie...Wouter rilde protestantelyk....daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar ’t gaat niet altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek jegek, toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van diekyriezeggen. Als Koens hem zingt... o! In z’n kamer, meen ik, want in de kerk doet-i ’t niet graag. Styn heeft er van gehuild, want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik ’n prul by pastoor Koens!—Hè, m’nheer!—’t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor ondankbaarheid! Als m’n vader me op z’n smedery gedaan had, zou ik net zoo sterk geworden zyn als m’n broer, maar de theologie maakt ’n mensen ’n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis ’nVulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in ’t vierkant, en in leer gebonden... ’n heele vracht! En er zyn sloten aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m’n pink, en Styn zegtpatersop, en ik houd m’nVulgata—altyd met die ééne pink, moet je denken—totquotidianumvan de derde. En Styn is niet eens heel vlug met ’rpaters. Als ik ze zelf zei, bracht ik ’t zeker totremittevan de vierde, of misschien wel totamen. Maar ik moet je ’r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd ’n beetje. En... er is niets apokriefs in deVulgata. Met ’n protestantschen bybel zou ik ’t wel laten, dat vat je wel!Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep nietalles. Maar de konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen byzonder sterk in z’n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood gegaan zyn.—Ja, ’t is ’n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer niet. Zoo zieje dat God altyd ieder ’t zyne geeft. Maar ik heb Styn verboden ’t hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i ’t me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht schik van gehad... niet van dieVulgata, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeelje, ik was op ’t Simmenarie, en daar woonde-n-’n boer in de buurt, ’n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk, en hy had veel arbeiders in z’n dienst, meiden en knechts, allemaal boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n-’n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet je hooren!’t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan ’n boeremeisje. Hy was in de jarenque tout ce qui porte jupon intéresse, en in z’n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in “Femken” of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-iden goeden Jansen niet dwingen mocht in de keus van z’n onderwerpen, en hy luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, en zonder dat dit hem moeite kostte.—’t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar ’t was over goede behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over, maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat ’n man in de kerk—’t was ’n slachter, moet je begrypen—die kreeg ’n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat het van de warmte was. Maar ’t was niet van de warmte. Die man had stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind je dat niet sterk voor ’n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z’n stiefkinderen voor z’n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd, en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i ’n mand met worst aan pater Koens, met ’n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om die kinderen.—En, m’nheer, heeft die slachter woord gehouden?—Ik denk ’t wel, want hy zal ’t zeker prettig gevonden hebben, goed voor z’n stiefkinderen te wezen, en ’n mensch houdt van pret. Maar Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest ze terugbrengen, zeid-i.—Hè, riep Wouter die ’t jammer vond zoo’n geschenk aftewyzen.—Ja, niet waar, ’t zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook, en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want ik mag wel worst.—Maar, m’nheer, wat was er dan met die Trineke?—Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z’n naam niet moeten noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z’n dood.—Wat had-i gedaan met die Trineke?—Gedaan? Niets! Ik wil ’t je wel vertellen, maar spreek er nooit over. Misschien leven z’n kleinkinderen nog, en hoe zou jy ’t vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist niet erger dan andere boeren, en daarom zou ’t me leelyk staan z’n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed voor de kerk, o best! In onze kapel—want we hadden ’n kapel in ’t Simmenarie—hing ’n geelkoperenSebastiaanmet z’n lyf vol pylen, wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z’n twintigen... net ’n zoete-n-inval! En z’n dochters zetten rozynen op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het ’n aard had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z’n dochters trouwen—’t was al z’n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben—en wy kwamen gelukwenschen, en werdenbest onthaald, maar de bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was ’n pret van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je ’r nooit over spreken zult?—Nooit, nooit, m’nheer, op m’n woord van eer!—Wàt? Nu, je belooft het, dat ’s genoeg. Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt, ’n jongen intheologie-tweedeis anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk niet, en als ’t in ’n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maarRectorzag wat door de vingers als ’t by Koremans gebeurde, om dienSebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z’n wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in dien tyd. Nu zou ’t niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-’r altyd by, net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel ’t allereerst, omdat ik ’n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over sterkte. “Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met Lies.” “Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?” Want dàt wou ik weten. “En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet waar Trineken is.”Wouter verwachtte nu ’n landelyk drama met... iets als liefde er in. Heel véél kon ’t niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z’n nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom, die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje’s kant, den al te gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal dood te maken. In byna alleDorfgeschichtendie Wouter gelezen had, droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, en daarby zoo byzonder sterk.—Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...—Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende dat-i ’t geheim van ’n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen ’t verhaal afbreken zou.—O,ditmag je wel vertellen, ’t kan soms nuttig wezen datmen ’t weet. Ik wou je dan zeggen—maar ’t spyt me wel—dat de boeren... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...—Hè?... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was ’n beetje mank ook, maar ze had altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z’n ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was? “Ze is op ’r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!” En ze wenkte den speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof God me ingaf—dit gebeurt soms—dat ze slecht behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje denken omdat ze me naliep. ’t Was maar dat ze niet wou dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei ’t me niet—dat begryp je wel—maar ’t was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, en vroeg: “is ze hier?” maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies riep weer: “wat wil je toch met dat ouwe mensch?” Maar ik zei: “met jou dans ik niet!” en ’t speet ’r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de deuren van den stal wou openen? “Neen, zeid-i, en ze is er niet!” En ik zei dat ze ’r wèl was, en vroeg ’t hem nògeens, want men moet ’n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m’n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.—En Trineke, m’nheer?—Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit ’s heeren Schrift! ’t Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, maar... ze is toch behoorlyk gestorven op ’n kristelyk bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen, veel erger nog! En ik zei—met ’n zwaren vloek er op—dat ik bord noch beker in z’n huis zou aanroeren voor Trineke op ’n bed lag, met ’n dokter er voor, en medicyn op de plank. ’t Gebeurde, hoor! O, ik heb veel gezegd! Ook over dienSebastiaan... want daar was-i erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest het weten dat deSebastiaanin onze kapel van Koremans was. Ik zei: “denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt meer pylen in haar lyf danSebastiaanooit gehad heeft, want ze is er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo’n mensch op stroo leggen in je stal? Zet jy daar jouSebastiaanin, die zal er geen weet van hebben, want hyis maar van koper, en de levendige Trineken is je nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-’n dreumis was, en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? ’t Was ’n heilig man, ja, maar jy moet ook ’n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. ’t Is nu Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als ’t hem in z’n hoofd komt, keert-i ’t om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies meer. Wiljydan op stroo liggen als ’n varken?” Zoo heb ik gesproken, en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar kan ’n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar intheologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te weten van God en goddelyke zaken! ’t Is ’t zwaarste vak van de heele wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor Koens vóór zich moeten hebben, die had ’t hem ànders ingepeperd! Maar Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, daar lag-i! De hengsels waren verdraaid.—En Liesje, m’nheer?—Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen Trineken op ’n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineken ’n glas brandewyn met rozynen en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg ze weer of ik met ’r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel plezier. Ik schoof maar zoo’n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker om die weddingschap.Hier zweeg Jansen ’n oogenblik: en ’t scheen wel of z’n gedachten minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien “schoven ze maar zoo’n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier.” Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, ’nsaut périlleux. De onkunde der jeugd is wreed—cet âge est sans pitié, zei de fabeldichter—en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg:—En is Liesje met haar vryer getrouwd, m’nheer?—O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de hel, omdat ik nog maartheologie-tweedewas. Ja, niet waar, ik mocht me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo’n meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik ’t soms mocht mis hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd heel goed wezen zou als ze ’t my maar beloofdhad. Nu, ze méénde ’t wel, want ze gaf er my ’n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo!—Waarom huilde ze zoo, m’nheer?—Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want ’n kind moet altyd partytrekken voor z’n ouders. ’t Begon al toen ik Trineken opnam...—HadUdat gedaan, m’nheer?—Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en ’t bed was boven in huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder ’t mensch zeer te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. ’t Was Koremans z’n eigen bed...—Och!—Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest, of ik zou ’n omgekeerd Jeruzalem van z’n huis maken. En Lies wou háár bed afstaan, maar ik zei: “né, in ’t zyne, of ik kom hier nooit weer!” En ik zei er ’n heel ruw woord by, tegen haar vader—je bent maar ’n ruige Ezau! zei ik—en daarom zal ze misschien gehuild hebben.—Was ze-n-’n... lief meisje, m’nheer?Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling tusschen de varianten “mooi” en “schoon” deed hem telkens aarzelen. ’t Een kwam hem tegenover ’n geestelyke wat gemeenzaam voor—te gemeen ook misschien—’t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en hy kleedde z’n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak, zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter, of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z’n eigen vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet!—O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet vatten. ’t Is by ons ’n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik ’r daarin helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dathydat wel zou doen, en toen gaf ik hem ’n boek waar alles in stond. Maar, och, zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken ’t maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, en ’t zal Liesje zeker plezier gedaan hebben.—En, m’nheer, bezocht u Liesje niet?—Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen,dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In ’t dorp zei iedereen dat ze liever ’n ander gehad had, als ze ’t maar had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie ’t was, ook!—Hè? vroeg Wouter die ’t ook meende te weten.—Ja, maar zeg ’t niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, stond zy aan ’t venster. Ook soms aan ’t hek, maar zoodra we naderby kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als op ’n simmenarie. Nu, dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, ’n besten, besten jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m’n beste vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel!Tot zoover was Jansen gevorderd met z’n vertrouwelykheden, toen ’t paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld had dan-i zich veroorloofde te weten. Ofwisthy meer? Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en ’t spreken moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.—Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze ’r van tranen? En ik ben moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar ’n zitje. Maar... wat is dáár te doen?Inderdaad, er was ’n “standje” by de aanlegplaats van de schuit Onze wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk ’t rechte van te weten.Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de belofte dat ik eens ’n staaltje van pater Jansen’s preekmanier geven zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige in den waan te laten dat-i ’n idylle gelezen heeft.
’t Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een stuk nederlandschen volksroem uit de17eeeuw, afhankelyk gemaakt van de vraag of paterJansenenWouterin dit hoofdstukHaarlembereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen.Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit ’n protestantsch jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt afgelegd by ’n katholiek priester? Zoo neen, dan zal ’t me moeielyk vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man z’n verblyf hield. ’t Was in ’n achterbuurt, en wie niet wist dat daar ’n kerk was, zou ’t waarlyk niet geraden hebben.1In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo’n buitensporigheid, maar er zal ’n tyd komen dat ’n schryver moeite hebben zal z’n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, maar zeker is ’t dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor ’t onaanzienlyk huis stilhield “waar z’n kerk was” naar-i zeide.—En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, ’n deur openende die den toegang afsloot naar ’n lange smalle gang naast het hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je nu niet eerst naar deKolveniersburgwalgaan?Met ’n blik op z’n kleeding smeekte Wouter om genade.—Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m’nheer! Heusch, dan zal ik terstond gaan, maar nu...—Zou je denken dat ’n jas van my...—Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m’nheer!Zeker ’t mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma’s ging bezoeken in de jurk van ’n pastoor!—Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen op reis! Ik doe ’t met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem geweest. Houd je van halletjes?De goede man geleidde Wouter in z’n woning die uit ’n paar kamertjes bestond, welke door ’n somber binnenplaatsje van den achterkant dier kerk gescheiden waren.—Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet ruilen wil met ’n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang ik hier aanzienlyke menschen—verleden week nog ’n advokaat—en ze zyn allemaal jaloersch op m’n woning, en... op ’t gemak, zieje. Want als ik ’s morgens opsta voor de vroegdienst—ja, ja, soms is ’t nacht nog!—kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden—maar spreek er niet over—vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn, ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan?Styn zei er niets van dan: “gut, pater!” en ’t was genoeg. Althans hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende, voort:—Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die z’n kamers hiernaast heeft... ’n man van belang! Dien moet je leeren kennen! Hy verstaat grieksch alsof ’t niets was. Jy zeker niet, hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen?—’t Was iets van Styntje, m’nheer, en dat de kerk zoo naby was.—’t Is gek in ’n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja, de kerk is vlak by, en als ik ’s morgens opsta... kyk, nu weet ik wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat laat wakker, en sprong ’t bed uit, en haastte me met kleeden, en wat doe ik—maar ik wist ’t niet, dat begryp je wel—ik vergeet een van m’n kousen aantetrekken, een van m’n zwarte overkousen. Maar Styn zag ’t, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep: “pater, pater!” en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen—omdat ik al in de kerk was, en je begrypt... dat is ’n huis Gods—en ik ben hard teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik ’t uit, en Styn ook. Maar in de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was nog geen mensch.Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter’s hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minderby de indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z’n verbeelding had nagelaten. Hy vertrouwde z’n ooren niet. Maar de goede pastoor bemerkte niets van z’n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den raad had gegeven zich den tyd te korten met ’n paar boeken die hy uit ’n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had Wouter geen behoefte. Hy zag ’t kamertje rond, en verbaasde zich over de verregaande eenvoudigheid waarmee ’t gemeubeld was. Een metalen Christusbeeldje en ’n paar Heiligen-printjes maakten met het eerste-kommuniebriefje van Jansen’s vader, daarvan de eenige versiering uit. Dit laatste hing achter glas in ’n lystje boven den schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en ’n viertal stoelen met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men dehortensiaen ’n paar maandrozen meerekene, die buiten ’t opgeschoven raam in de vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo’n inrichting. Kort voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan de hand van Anna Radcliffe en konsorten ’n lange galery van roomsche akeligheid doorloopen, waarin ’t wemelde van overdaad op allerlei gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking—gewoonlyk waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in ’t gebergte weten om ze te zien te krygen—kasteelen waarin weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die de Kerk behulpzaam was in ’t uit den weg ruimen van lastige personen, van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd had z’n bruid aftestaan aan ’n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo’n pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken, nu de emolumenten van ’t beroep zoo armoedigjes bleken verschraald te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om ’n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over ’t aanvankelyk mislukken van z’n poging, omdat de ware geheimheid van zoo’n deur toch eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot pater Jansen’s verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep er hier-en-daar ’n scheur door ’t gebloemd papier waarmee de wand bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van ’n onwillekeurige breuk in ’t metselwerk, dan dat daarby zou kunnen gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende soort groote lokalen weten te verbergen in ’n kleine ruimte. Bovendien:—Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in ’t grieksch, redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met ’r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, dehortensia, de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou ’t moeten wezen, àls er iets was. Maar...Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigsbedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten adem uitblaast. Daar knerste iets...Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid ’n alleronschuldigste oorzaak had....daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat...In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z’n geheimen zou ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen aan al de schatten en kasteelen die er aan ’t licht komen zouden, zoodra hy zou afgedaald zyn in ’t hol waar hem de schoone Isabella zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit dat gewelf. Maar... wàs er ’n gewelf? Wàs er ’n hol? Om zekerheid te hebben, stampte Wouter met den voet...—Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad, en Wouter’s grondig onderzoek niet best begreep.—Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. ’t Is maar dat... dat ik...—Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.—Dank u, dank u. ’t Was maar dat ik... dat m’n voet slaapt. Dàt was het!—Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb ’t ook wel eens gehad. Maar ’t gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u, om patersJézekiete schuren.En de goeie Styn nam ’t Christusbeeldje van den wand, en poetste het en wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van ’t afgodsbeeldje gesproken had, zou ’t zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben, maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haarJézekiemet niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde, schuurde, wreef en oppoetste.—Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net ’n kaarsenmakers kat in den maneschyn, vindje niet?Wouter had nooit ’n kat van de omschreven soort en in dat byzonder licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen er goed uitzag.—Ja, ’n mensch moet zindelyk op z’n goedje wezen! Ik heb wat te stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel, omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is ’n engel van God, en zou vergeten z’n neus te snuiten, als ik ’m niet zei: pater, je bent yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui daar doen? ’t Is ’n heele reis.Wouter verhaalde een-en-ander van ’t voorgevallene, maar slaagde er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem.—Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of...—’t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter.—O ja, dàt is ’t! Maar... och, kou vatten is ook ’t ergste niet. Ik voel me-n-altyd als ’n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan je me zeggen waar-i nu heen is?—Geld wisselen, zei Wouter.—Geld? Daar heb je-n-’t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou dat-i al goed en wel weerom was.Ze pakte het gereedschap waarmee ze ’t Christusbeeldje zoo verkwikt had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen was als van ’n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid waarmee ze sprak over haar meester—de man bleek tot het “goedje” te behooren dat ze zindelyk te houden had—bracht hem in de war. Styntje maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al kan ik verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd had. Er zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken waren van haar bekommering over paters reis en ’t geldwisselen. Er vertoonde zich ’n bedelaar voor ’t raam waar dehortensiaprykte. De man keek even naar-binnen, niet zoozeer als iemand dievraagt, maar als ’n verwachte persoon die te kennen geeft dat-i eris. Weldra werd hy door ’n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk gaven zich volkomen thuis te voelen op ’t binnenplaatsje dat den pater voor antichambre scheen te dienen. Velen maakten ’t zich gemakkelyk, en gingen op ’t een of ander uitstek zitten dat aan huis of kerk te vinden was, als wilden zy door ’ncharade en actionde waarheid uitdrukken: het pauperismus is ’n pestbuil van ’t geloof.Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie!Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over de afwezigheid van den huisheer, en wel op ’n toon die zekere ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z’n post moeten zyn!—Maar de meid is er toch, riep ’n jongen die den kost won met lam-zyn, maar nu toch ’t kozyn van een der lagere kerkvensters had weten te bereiken, waar-igargouillespeelde.—Ik wacht liever op den ouwe, zei ’n blinde.—Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent ’n dinsdagger.—Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt verleden by ’t uitgaan van de Jakobskerkdriegestaan, en je bent maarzeven.—Né,zes nou,want de ouwe Jonas is dood. Maar jy bent ’n dinsdagger. Ga heen, zeg ik je!—Je hebt opdriegestaan.—Jy bent ’n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, dringt ’m de gang uit. Hy steelt ons ’t brood uit den mond.—Wàt? ’n Dinsdagger? riep nu ’t uitwas van de kerk. Dat mag niet. Er uit met hem!En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om ’t geschonden bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de bedeelden van dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder ’t gezelschap dat zich ’s maandags om ondersteuning by pater Jansen aanmeldde. En wat die andere beschuldiging aangaat—”driestaan alszevenje plaats is”—ze doelde op ’t overweldigen van ’n rangnummer.Tena by ’t uitgaan van de kerk wordt voor onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen van beurs of porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in de eerste oogenblikken na ’n kerkdienst. Maar ’n standplaatstever van de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na twee of drie keeren iets aan ’n bedelaar gegeven te hebben, onverschillig door. Zonder ’t minste besef dat ze te veel deden—namelyk iets verkeerds—meenen ze toch genoeg verricht te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige schryvers die kanker en koudvuur tot ’n byzonder onderwerp van studie maakten, is er geen voordeeliger standplaats dan nummerdrie. Indien dus de man die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op pater Jansen’s dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal van dat nummer, was de ander volkomen in z’n recht hem ’t zwygen opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te verantwoorden, en wel by Styntje die op ’t rumoer naar buiten kwam. De man die zich ’n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde zich door de opmerking dat-i op dinsdag “zoovéél huizen had” en dat-i “z’n beenen uit het lyf moest loopen” om al z’n klanten behoorlyk te bedienen, denk ik.Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat de heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee werden afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. “Wie nog ’n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en ’n mensch moet toch zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en de gang uit, voort! ’t Is, dunkt me, wèl zoo!Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan, en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en gescholden werd. Als ’t weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis was, heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want zoo’n meid was toch ook maar ’n “loontrekkende dienaar, die niet weet wat ’n mensch toekomt.” ’t Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den mond van den arme, gebrek aan rykdom of laagte van stand ’n misdaad is. Volgens heeren bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin, of burgermeestersnicht, voor ze zich ’t recht mocht aanmatigen ’n woordje meetespreken en ’n hand uittesteken—want dit dééd ze, en Wouter had dapper geholpen—ter verdediging van paters erf: niets is aristokratischer dan ’t gemeen.Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd, volgde Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar voedsterkind.—Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is ’t veel?Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken die gewisseld moesten worden.—Goud? Och, lieve Jeessis, dat’s voor hem krek ’t zelfde. Och, waarom den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje voor hem uitgedacht, jongeheer? Slim is ’t niet van je! Waarom deed je ’t niet liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig wezen... ieder kan ’t gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam maar niemand tegenkomt die wat noodig heeft! Goud? ’t Kan hèm wat schelen! De gespen van z’n vaders broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig alle weken! Ik heb er ’n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen dag houden, maar denkje dat ze ’t doen? Neen! Want er zyn rakkers onder—dat ik zoo’n zondig woord zeg—ja, rakkers, die tweemaal komen, maar pater wil ’t niet gelooven. En of ik al zeg: “pater, ’t is slecht volk!” hy wil er niet van weten.—M’nheer Jansen is te goedig, zei Wouter.—Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op ’m passen. Drie duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar na! Daar waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op z’n brood. Nou, ik ook niet, maar dat’s tot dááraan toe. Maar dan alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar twee duiten gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by pater. ’t Is ’n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En hoe brutaler ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het niet, of hy wil ’t niet weten. En als ik zeg: “’t Zyn rakkers, pater!” dan zegt-i dat we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dathyook z’n fouten heeft, en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, en ’n mooie woning. Zondaars voor God? Nou ja, ’t heele menschdom, maarhy?Ik weet sekuur dat God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel!Styntje streek met ’n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God ’n oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater Jansen by hem in ’t kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, dan waren Styntjes gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen.—Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als ’n brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En “al die armen zyn z’n broeders” zegt-i.—Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter.—Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er vrede mee dat-i ’t ook zegt. Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat ’n mensch z’n eigen broêr moet wezen ook. Enhy?Hy is, om zoo te zeggen z’n eigen neef niet, z’n zwager niet, z’n eigen stiefkind niet, neen, dat is-iniet!Hy loopt weer op z’n tandvleesch. Heb je ’t niet gezien?’t Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde:—Nou ja, op ’t overleer, z’n schoenen zyn doorgesleten. ’t Is m-e-’n kruis! En z’n jas is ook niet van de nieuwsten.Wouter voelde schaamte over ’t gewicht dat-i aanzynkleeding hechtte.—Al vier jaar lang spaar ik voor ’n nieuwen, of... ikwousparen, maar ’t gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet zoo altyd alles weggeven?Wouter groeide.Hywerd aangesteld tot Mentor over ’n bejaard man, en wel door ’n vrouwspersoon die nog volwassener was dan z’n pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de zelf-genoegzame pedanterie van z’n antwoord. Styntje’s verzoek werd genadig opgenomen en geflatteerd:—Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al ’t mogelyke zal aanwenden om...—Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z’nderriére...Zoo vertelik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter en beter....de jongen die zoo-even met z’n... zitwerktuigen dan, in ’t venster van de kerk zat... ’n luiwammes is-i, ’n doeniet, ’n rekel! Zeg dat aan pater. Eerst was-i ’n blinde... jawel, zoolang-i ’n zusje had, dat hem leien kon. Maar nou ze van ’m weggeloopen is—god weet waarom? Misschien bedelt ze liever op ’r eigen houtje—nou is-i op-eens ’n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg ’t aan pater.—Ja, ja, juffrouw, ik zal ’t hem zeker zeggen!—En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb je ’r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: “veeg de sneeuw van de plaats, dan kryg je zes duiten.” Was ’t goed geprezenteerd, of niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde.—Huizen, juffrouw?—Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen schold ze me-n-uit over m’n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat zeid-i? “Och, zeid-i, ze is te oud, ’t mensch kan niet vegen.” Heb je van z’n leven! Ik zei: “pater ze is jonger dan ik!” Nou, ’t is de waarheid, want ik ben acht-en-zestig, Da’s oud, hè?Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te vinden, die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring waarin ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy voelde verlegenheid over z’n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i door studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z’n herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder die ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i meer wist dan hy in z’n kort leventje met eigen oogen kon gezien hebben.—Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de stad bygewoond?—Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet! Wat denk je dat pater deed! Hy zei: “och, Styn, je moet denken ze-n-is ’n arm mensch!” “Dat ’s waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook arm, pater, en ik ook.” Nou, dàt zei ik er maar zoo by, wantikheb ’t wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater soms droog brood eet, is ’n ware zonde voor god en menschen. Soms is er geen duit in huis, en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, die ook niet te veel heeft. Ook ’n goed mensch anders, dat moet ik zeggen, maar hy spreekt niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste man van de wereld is, en lang professer of bisschop had moeten wezen, als-i maar niet zoo... nou, dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar die luie Griet! Ze dééj ’t niet, en ze deej ’t niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en ik zei: “goed, pater, dan zal ik ’t doen.” En den volgenden morgen zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt zooin, weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik voor God niet verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw! Wat denk je dat er gebeurd was?—Dooi? vroeg Wouter.—Gut né, ’t vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen hoorde ik pater lachen in z’n kamer, want hy zag me daar staan als ’n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was vroeger opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat, jongeheer?—Hoor eens, juffrouw, als ’t weer gebeurt... roep my, dan zal ik ’t doen.—Was ’t geen schande? En dat voor zoo’n lui dier als die Griet! Nou, ik was kwaad als ’n spin, want ik heb den man zielslief, dat begryp je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen sprak hy weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m’n broêr niet was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo’n lui beest!Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak ’t hem niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de bladzy van ’t groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen, maar kon z’n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen vorm waarin hem ’t schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal veel aan Styntje veranderd worden voor ze, al was ’t dan maar heel uit de verte, gelyken kon op de schoone Isabella die hier in ’n diep gewelf op verlossing had behooren te liggen wachten. De goede oude vrouw zelf scheen geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van slachtofferige dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en priesterdwang, kreeg Wouter zoo’n priester-zelf te redden uit de klauwen van z’n eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die niet inzag hoe onaangenaam Styntje’s vertrouwelykheid prikkelde, en vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep had iets van ’n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich met het mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig, en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt, wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden wil van de Don Quichotten. Wouter was zoo tevreden dat-i z’n eigen jas niet meer zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde jonkvrouw in z’n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch:—Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft u hier ruimte genoeg?—Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap houden in m’n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor hiernaast ook voor m’n rekening heb. ’t Is ’n heel gedoe voor ’n mensen alleen.—En... kelders?—Ja, ’n beetje nat, maar anders best. We hebben er ’s winters aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf... ’t stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog kou lyden ook!De poging om zich te vermeien inkrypt-romantiek brak alzoo weer als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke nattigheid. Een “hol” mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een der vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O, Lafontaine! O, Radcliffe!—En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw?—Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m’n tyd. Beloof je me vasten zeker dat je ’n oogje houden zult op pater met al dat geld?—Wees gerust, juffrouw! Ik zal...—En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf te zorgen...—Zeker, juffrouw.... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik hoor nu dat er ’n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of Hamburg of zoo wat, en die zou hem bystaan...—Ah!... zoo, weet je ’r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde ’t van Femke Claus...—Ah!... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik.—Ah!—Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch ’n inkomen van honderden in de week, ’t zou niet genoeg wezen voor al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. ’t Is maar begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet ’n mensch niet werken voor de kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben ’n vondeling, weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet dat ook niet doen?’t Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan iets meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien ’t noemen van Femke’s naam—in-verband nogal met prinses Erika—op hem maken moest. Zou Styntje’s vader ’n ryke baron wezen? En teruggekeerd op ’t pad der deugd? Hy wilde meer van de zaak weten, en Styntje zei er dan ook nog wel iets van, maar alweer ’t rechte niet, naar Wouter’s meening. Ook hier wou ’t alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en misschien eenigen uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd had—er zyn er meer zoo!—z’n ontmoetingen op ’n afstand te zien. Wat ons in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, is eenmaalgewoongeweest.—Ja, jongeheer, ’n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag ’t weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik wel? Nou voor m’n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op de hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar ’n oud stuk mat om ’t lyfje. Maar je begrypt dat ik ’t maar van hooren-zeggen heb. Ja, ik was in ’n lap mat gerold, anders niet! En nu? God heeft me gezegend, dat zieje. Ik ben groot en sterkgeworden... neen, sterk ben ik geweest. Dat’s tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden...—Hè, zei Wouter.—Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er ’n twaalfde by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in ’n mat, en op de hei. En nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... ’t is waarachtig geen kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt. Zoolang ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie, want als de dienst wat druk is, hebben we hier ’n kapelaan ook. Ja, ja, er moet gewerkt worden in de wereld! Maar als je dàt doet, ben je klaar. Ik ken menigeen die in ’n huis geboren is, en God op z’n bloote knieën danken zou als-i by pater mocht wonen.—En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking dat deze byzonderheid Styntje’s genot nog aanmerkelyk verhoogen moest.—Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters goed... nu, anders kwam ik er niet. Want ’n mensch alleen... dat begryp jezelf wel. Ook worden m’n oogen slecht. Maar van pastoor hiernaast wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem houdt.—Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg ’t riddertje.—Wel neen! Waarom? ’n Mensch houdt van den een, en niet van den ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert ’n jaar of wat niet meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan ’t niet af. Ik heb al aan de menschen gezegd “ga toch liever by pastoor hiernaast, die man is ook goed” zei ik, maar ’t helpt niet, alleman wil altyd by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed by, dat moet ik zeggen. Hy is ’n beste! En zoo zal dat meisjen er ook over denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker woon je ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor lastig?—Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik te openbaren dat-i niet “van ’t geloof” was.—Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg gemakkelyk. Watdieman al zielen tot Onslieveheer geholpen heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou ’t er met m’n moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker dan pastoor hiernaast. Die is ’n beetje... hoe zal ik zeggen? Isegrimmig, ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal! Nou, alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard aangepakt worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens ’n man geweest is, die niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat?—Heel erg, juffrouw.—Zoo, vind je dat erg? Ja, ’tiserg! Maar ik ben er ook nietbang voor, want ik doe m’n werk, en ik zorg voor pater. Och, och, waar blyft-i?—Is u niet bang voor de hel, juffrouw?—Gut né, volstrekt niet, want ik doe m’n werk. Maar die man deed z’n werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en toch was-i niet bang voor de hel. Zie je,hyhad er bang voor moeten wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God ’t hem wel vergeven, zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan de hel, en dat kan ’n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo’n man wel eens op z’n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen, want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden zyn, want pater zal voor m’n bed zitten, en my de hand drukken. Dat heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor ’t leven dat-i my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb.De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden.—Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet altyd denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in ’t veld liep, en als ik in ’t dorp kwam—want ik ben maar van ’t boerenland—dan riepen de jongens: “vondeling, vondeling!” En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar by pater! Wat wil ’n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m’n moeder ook, dat begryp je.Wouter zette een vragend gezicht.—Ja, ’t moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar pater zei: “denk je dat ’n mensch voor z’n plezier z’n kind op de hei legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!” En ik heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i ’n mis aan m’n moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet me erg voor m’n moeder, en ook voor pater, want de man had z’n kousen broodnoodig. Maar de ziel van m’n moeder was ’t ergste, dat begryp je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of niet? Gut né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf-en-dertig jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man zegt zelf dat er ’n heele boel òver is.—En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na—of liever nog: ’n beetje vóór—z’n terugkeer op ’t pad der deugd. Gaarne had-i z’n vraag wat deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar ’t welvaren van wylen Styntje’s “papa” maar deze malle uitheemsheid die in Wouter’s tyd nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. ’t Bleef dus by: “de ziel van uw vader, juffrouw?” schoon dit woord inderdaad wel wat àl te burgerlyk klonk voor iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van meisjesverleider bekleed had, ’n funktie waartegen onrype jongetjes, eunuken en zeker soort vanbeunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo byster hoog—maar vooral begeerig, en met afgunst!—hebben opgezien.—Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en ’t scheen wel dat zy over Wouter’s vraag ’n beetje verstoord was. Een mensch kan niet alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was gevallen ook? De man heeft ’t werachtig druk genoeg. Voor m’n moeder is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m’n vader sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: “als je zoo begeerig bent, kryg je niemendal!” Nou, dit is maar by manier van spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man niet na om z’n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis, waar blyft pater met al dat geld?—Daar is-i, riep Wouter die Jansen’s vriendelyk gezicht langs dehortensiazag voorbygaan.Als om de gegrondheid van Styntje’s angst ditmaal eens te logenstraffen, telde de goede man ’n twintigtal ryksdaalders op de tafel. Ter verontschuldiging over z’n uitblyven, deelde hy mee dat men hem onder-weg by ’n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders van den hemel wilde weten voor-i er heen ging.—Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb ’n briefje gevraagd, waar ’t op staat. Nu kan jyzelf alles precies uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, en geld is... geld, wat zeg jy, Styn?Styn zei ja, en ’n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg ’n streek of wat met den borstel, doch ’t was blykbaar slechts ’n voorwendsel om hem nogeens nadrukkelyk in ’t oor te fluisteren:—Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet, jongeheer?—Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i ’t meende.Helaas!De weg naar... ’t verkeerde is geplaveid met goede voornemens en welgemeende beloften.1De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254–1259.)
’t Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een stuk nederlandschen volksroem uit de17eeeuw, afhankelyk gemaakt van de vraag of paterJansenenWouterin dit hoofdstukHaarlembereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen.
’t Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een stuk nederlandschen volksroem uit de17eeeuw, afhankelyk gemaakt van de vraag of paterJansenenWouterin dit hoofdstukHaarlembereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen.
Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit ’n protestantsch jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt afgelegd by ’n katholiek priester? Zoo neen, dan zal ’t me moeielyk vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man z’n verblyf hield. ’t Was in ’n achterbuurt, en wie niet wist dat daar ’n kerk was, zou ’t waarlyk niet geraden hebben.1
In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo’n buitensporigheid, maar er zal ’n tyd komen dat ’n schryver moeite hebben zal z’n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, maar zeker is ’t dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor ’t onaanzienlyk huis stilhield “waar z’n kerk was” naar-i zeide.
—En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, ’n deur openende die den toegang afsloot naar ’n lange smalle gang naast het hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je nu niet eerst naar deKolveniersburgwalgaan?
Met ’n blik op z’n kleeding smeekte Wouter om genade.
—Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m’nheer! Heusch, dan zal ik terstond gaan, maar nu...
—Zou je denken dat ’n jas van my...
—Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m’nheer!
Zeker ’t mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma’s ging bezoeken in de jurk van ’n pastoor!
—Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen op reis! Ik doe ’t met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem geweest. Houd je van halletjes?
De goede man geleidde Wouter in z’n woning die uit ’n paar kamertjes bestond, welke door ’n somber binnenplaatsje van den achterkant dier kerk gescheiden waren.
—Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet ruilen wil met ’n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang ik hier aanzienlyke menschen—verleden week nog ’n advokaat—en ze zyn allemaal jaloersch op m’n woning, en... op ’t gemak, zieje. Want als ik ’s morgens opsta voor de vroegdienst—ja, ja, soms is ’t nacht nog!—kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden—maar spreek er niet over—vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn, ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan?
Styn zei er niets van dan: “gut, pater!” en ’t was genoeg. Althans hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende, voort:
—Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die z’n kamers hiernaast heeft... ’n man van belang! Dien moet je leeren kennen! Hy verstaat grieksch alsof ’t niets was. Jy zeker niet, hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen?
—’t Was iets van Styntje, m’nheer, en dat de kerk zoo naby was.
—’t Is gek in ’n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja, de kerk is vlak by, en als ik ’s morgens opsta... kyk, nu weet ik wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat laat wakker, en sprong ’t bed uit, en haastte me met kleeden, en wat doe ik—maar ik wist ’t niet, dat begryp je wel—ik vergeet een van m’n kousen aantetrekken, een van m’n zwarte overkousen. Maar Styn zag ’t, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep: “pater, pater!” en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen—omdat ik al in de kerk was, en je begrypt... dat is ’n huis Gods—en ik ben hard teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik ’t uit, en Styn ook. Maar in de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was nog geen mensch.
Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter’s hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minderby de indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z’n verbeelding had nagelaten. Hy vertrouwde z’n ooren niet. Maar de goede pastoor bemerkte niets van z’n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den raad had gegeven zich den tyd te korten met ’n paar boeken die hy uit ’n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had Wouter geen behoefte. Hy zag ’t kamertje rond, en verbaasde zich over de verregaande eenvoudigheid waarmee ’t gemeubeld was. Een metalen Christusbeeldje en ’n paar Heiligen-printjes maakten met het eerste-kommuniebriefje van Jansen’s vader, daarvan de eenige versiering uit. Dit laatste hing achter glas in ’n lystje boven den schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en ’n viertal stoelen met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men dehortensiaen ’n paar maandrozen meerekene, die buiten ’t opgeschoven raam in de vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo’n inrichting. Kort voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan de hand van Anna Radcliffe en konsorten ’n lange galery van roomsche akeligheid doorloopen, waarin ’t wemelde van overdaad op allerlei gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking—gewoonlyk waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in ’t gebergte weten om ze te zien te krygen—kasteelen waarin weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die de Kerk behulpzaam was in ’t uit den weg ruimen van lastige personen, van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd had z’n bruid aftestaan aan ’n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo’n pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken, nu de emolumenten van ’t beroep zoo armoedigjes bleken verschraald te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om ’n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over ’t aanvankelyk mislukken van z’n poging, omdat de ware geheimheid van zoo’n deur toch eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot pater Jansen’s verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep er hier-en-daar ’n scheur door ’t gebloemd papier waarmee de wand bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van ’n onwillekeurige breuk in ’t metselwerk, dan dat daarby zou kunnen gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende soort groote lokalen weten te verbergen in ’n kleine ruimte. Bovendien:
—Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in ’t grieksch, redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met ’r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, dehortensia, de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou ’t moeten wezen, àls er iets was. Maar...
Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigsbedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten adem uitblaast. Daar knerste iets...
Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid ’n alleronschuldigste oorzaak had.
...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat...
In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z’n geheimen zou ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen aan al de schatten en kasteelen die er aan ’t licht komen zouden, zoodra hy zou afgedaald zyn in ’t hol waar hem de schoone Isabella zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit dat gewelf. Maar... wàs er ’n gewelf? Wàs er ’n hol? Om zekerheid te hebben, stampte Wouter met den voet...
—Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad, en Wouter’s grondig onderzoek niet best begreep.
—Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. ’t Is maar dat... dat ik...
—Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.
—Dank u, dank u. ’t Was maar dat ik... dat m’n voet slaapt. Dàt was het!
—Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb ’t ook wel eens gehad. Maar ’t gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u, om patersJézekiete schuren.
En de goeie Styn nam ’t Christusbeeldje van den wand, en poetste het en wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van ’t afgodsbeeldje gesproken had, zou ’t zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben, maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haarJézekiemet niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde, schuurde, wreef en oppoetste.
—Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net ’n kaarsenmakers kat in den maneschyn, vindje niet?
Wouter had nooit ’n kat van de omschreven soort en in dat byzonder licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen er goed uitzag.
—Ja, ’n mensch moet zindelyk op z’n goedje wezen! Ik heb wat te stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel, omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is ’n engel van God, en zou vergeten z’n neus te snuiten, als ik ’m niet zei: pater, je bent yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui daar doen? ’t Is ’n heele reis.
Wouter verhaalde een-en-ander van ’t voorgevallene, maar slaagde er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem.
—Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of...
—’t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter.
—O ja, dàt is ’t! Maar... och, kou vatten is ook ’t ergste niet. Ik voel me-n-altyd als ’n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan je me zeggen waar-i nu heen is?
—Geld wisselen, zei Wouter.
—Geld? Daar heb je-n-’t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou dat-i al goed en wel weerom was.
Ze pakte het gereedschap waarmee ze ’t Christusbeeldje zoo verkwikt had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen was als van ’n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid waarmee ze sprak over haar meester—de man bleek tot het “goedje” te behooren dat ze zindelyk te houden had—bracht hem in de war. Styntje maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al kan ik verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd had. Er zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken waren van haar bekommering over paters reis en ’t geldwisselen. Er vertoonde zich ’n bedelaar voor ’t raam waar dehortensiaprykte. De man keek even naar-binnen, niet zoozeer als iemand dievraagt, maar als ’n verwachte persoon die te kennen geeft dat-i eris. Weldra werd hy door ’n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk gaven zich volkomen thuis te voelen op ’t binnenplaatsje dat den pater voor antichambre scheen te dienen. Velen maakten ’t zich gemakkelyk, en gingen op ’t een of ander uitstek zitten dat aan huis of kerk te vinden was, als wilden zy door ’ncharade en actionde waarheid uitdrukken: het pauperismus is ’n pestbuil van ’t geloof.
Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie!
Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over de afwezigheid van den huisheer, en wel op ’n toon die zekere ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z’n post moeten zyn!
—Maar de meid is er toch, riep ’n jongen die den kost won met lam-zyn, maar nu toch ’t kozyn van een der lagere kerkvensters had weten te bereiken, waar-igargouillespeelde.
—Ik wacht liever op den ouwe, zei ’n blinde.
—Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent ’n dinsdagger.
—Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt verleden by ’t uitgaan van de Jakobskerkdriegestaan, en je bent maarzeven.
—Né,zes nou,want de ouwe Jonas is dood. Maar jy bent ’n dinsdagger. Ga heen, zeg ik je!
—Je hebt opdriegestaan.
—Jy bent ’n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, dringt ’m de gang uit. Hy steelt ons ’t brood uit den mond.
—Wàt? ’n Dinsdagger? riep nu ’t uitwas van de kerk. Dat mag niet. Er uit met hem!
En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om ’t geschonden bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de bedeelden van dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder ’t gezelschap dat zich ’s maandags om ondersteuning by pater Jansen aanmeldde. En wat die andere beschuldiging aangaat—”driestaan alszevenje plaats is”—ze doelde op ’t overweldigen van ’n rangnummer.Tena by ’t uitgaan van de kerk wordt voor onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen van beurs of porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in de eerste oogenblikken na ’n kerkdienst. Maar ’n standplaatstever van de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na twee of drie keeren iets aan ’n bedelaar gegeven te hebben, onverschillig door. Zonder ’t minste besef dat ze te veel deden—namelyk iets verkeerds—meenen ze toch genoeg verricht te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige schryvers die kanker en koudvuur tot ’n byzonder onderwerp van studie maakten, is er geen voordeeliger standplaats dan nummerdrie. Indien dus de man die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op pater Jansen’s dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal van dat nummer, was de ander volkomen in z’n recht hem ’t zwygen opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te verantwoorden, en wel by Styntje die op ’t rumoer naar buiten kwam. De man die zich ’n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde zich door de opmerking dat-i op dinsdag “zoovéél huizen had” en dat-i “z’n beenen uit het lyf moest loopen” om al z’n klanten behoorlyk te bedienen, denk ik.
Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat de heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee werden afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. “Wie nog ’n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en ’n mensch moet toch zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en de gang uit, voort! ’t Is, dunkt me, wèl zoo!
Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan, en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en gescholden werd. Als ’t weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis was, heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want zoo’n meid was toch ook maar ’n “loontrekkende dienaar, die niet weet wat ’n mensch toekomt.” ’t Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den mond van den arme, gebrek aan rykdom of laagte van stand ’n misdaad is. Volgens heeren bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin, of burgermeestersnicht, voor ze zich ’t recht mocht aanmatigen ’n woordje meetespreken en ’n hand uittesteken—want dit dééd ze, en Wouter had dapper geholpen—ter verdediging van paters erf: niets is aristokratischer dan ’t gemeen.
Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd, volgde Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar voedsterkind.
—Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is ’t veel?
Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken die gewisseld moesten worden.
—Goud? Och, lieve Jeessis, dat’s voor hem krek ’t zelfde. Och, waarom den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje voor hem uitgedacht, jongeheer? Slim is ’t niet van je! Waarom deed je ’t niet liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig wezen... ieder kan ’t gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam maar niemand tegenkomt die wat noodig heeft! Goud? ’t Kan hèm wat schelen! De gespen van z’n vaders broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig alle weken! Ik heb er ’n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen dag houden, maar denkje dat ze ’t doen? Neen! Want er zyn rakkers onder—dat ik zoo’n zondig woord zeg—ja, rakkers, die tweemaal komen, maar pater wil ’t niet gelooven. En of ik al zeg: “pater, ’t is slecht volk!” hy wil er niet van weten.
—M’nheer Jansen is te goedig, zei Wouter.
—Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op ’m passen. Drie duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar na! Daar waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op z’n brood. Nou, ik ook niet, maar dat’s tot dááraan toe. Maar dan alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar twee duiten gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by pater. ’t Is ’n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En hoe brutaler ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het niet, of hy wil ’t niet weten. En als ik zeg: “’t Zyn rakkers, pater!” dan zegt-i dat we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dathyook z’n fouten heeft, en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, en ’n mooie woning. Zondaars voor God? Nou ja, ’t heele menschdom, maarhy?Ik weet sekuur dat God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel!
Styntje streek met ’n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God ’n oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater Jansen by hem in ’t kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, dan waren Styntjes gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen.
—Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als ’n brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En “al die armen zyn z’n broeders” zegt-i.
—Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter.
—Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er vrede mee dat-i ’t ook zegt. Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat ’n mensch z’n eigen broêr moet wezen ook. Enhy?Hy is, om zoo te zeggen z’n eigen neef niet, z’n zwager niet, z’n eigen stiefkind niet, neen, dat is-iniet!Hy loopt weer op z’n tandvleesch. Heb je ’t niet gezien?
’t Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde:
—Nou ja, op ’t overleer, z’n schoenen zyn doorgesleten. ’t Is m-e-’n kruis! En z’n jas is ook niet van de nieuwsten.
Wouter voelde schaamte over ’t gewicht dat-i aanzynkleeding hechtte.
—Al vier jaar lang spaar ik voor ’n nieuwen, of... ikwousparen, maar ’t gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet zoo altyd alles weggeven?
Wouter groeide.Hywerd aangesteld tot Mentor over ’n bejaard man, en wel door ’n vrouwspersoon die nog volwassener was dan z’n pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de zelf-genoegzame pedanterie van z’n antwoord. Styntje’s verzoek werd genadig opgenomen en geflatteerd:
—Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al ’t mogelyke zal aanwenden om...
—Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z’nderriére...
Zoo vertelik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter en beter.
...de jongen die zoo-even met z’n... zitwerktuigen dan, in ’t venster van de kerk zat... ’n luiwammes is-i, ’n doeniet, ’n rekel! Zeg dat aan pater. Eerst was-i ’n blinde... jawel, zoolang-i ’n zusje had, dat hem leien kon. Maar nou ze van ’m weggeloopen is—god weet waarom? Misschien bedelt ze liever op ’r eigen houtje—nou is-i op-eens ’n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg ’t aan pater.
—Ja, ja, juffrouw, ik zal ’t hem zeker zeggen!
—En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb je ’r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: “veeg de sneeuw van de plaats, dan kryg je zes duiten.” Was ’t goed geprezenteerd, of niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde.
—Huizen, juffrouw?
—Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen schold ze me-n-uit over m’n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat zeid-i? “Och, zeid-i, ze is te oud, ’t mensch kan niet vegen.” Heb je van z’n leven! Ik zei: “pater ze is jonger dan ik!” Nou, ’t is de waarheid, want ik ben acht-en-zestig, Da’s oud, hè?
Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te vinden, die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring waarin ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy voelde verlegenheid over z’n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i door studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z’n herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder die ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i meer wist dan hy in z’n kort leventje met eigen oogen kon gezien hebben.
—Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de stad bygewoond?
—Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet! Wat denk je dat pater deed! Hy zei: “och, Styn, je moet denken ze-n-is ’n arm mensch!” “Dat ’s waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook arm, pater, en ik ook.” Nou, dàt zei ik er maar zoo by, wantikheb ’t wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater soms droog brood eet, is ’n ware zonde voor god en menschen. Soms is er geen duit in huis, en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, die ook niet te veel heeft. Ook ’n goed mensch anders, dat moet ik zeggen, maar hy spreekt niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste man van de wereld is, en lang professer of bisschop had moeten wezen, als-i maar niet zoo... nou, dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar die luie Griet! Ze dééj ’t niet, en ze deej ’t niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en ik zei: “goed, pater, dan zal ik ’t doen.” En den volgenden morgen zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt zooin, weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik voor God niet verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw! Wat denk je dat er gebeurd was?
—Dooi? vroeg Wouter.
—Gut né, ’t vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen hoorde ik pater lachen in z’n kamer, want hy zag me daar staan als ’n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was vroeger opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat, jongeheer?
—Hoor eens, juffrouw, als ’t weer gebeurt... roep my, dan zal ik ’t doen.
—Was ’t geen schande? En dat voor zoo’n lui dier als die Griet! Nou, ik was kwaad als ’n spin, want ik heb den man zielslief, dat begryp je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen sprak hy weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m’n broêr niet was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo’n lui beest!
Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak ’t hem niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de bladzy van ’t groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen, maar kon z’n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen vorm waarin hem ’t schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal veel aan Styntje veranderd worden voor ze, al was ’t dan maar heel uit de verte, gelyken kon op de schoone Isabella die hier in ’n diep gewelf op verlossing had behooren te liggen wachten. De goede oude vrouw zelf scheen geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van slachtofferige dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en priesterdwang, kreeg Wouter zoo’n priester-zelf te redden uit de klauwen van z’n eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die niet inzag hoe onaangenaam Styntje’s vertrouwelykheid prikkelde, en vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep had iets van ’n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich met het mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig, en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt, wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden wil van de Don Quichotten. Wouter was zoo tevreden dat-i z’n eigen jas niet meer zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde jonkvrouw in z’n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch:
—Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft u hier ruimte genoeg?
—Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap houden in m’n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor hiernaast ook voor m’n rekening heb. ’t Is ’n heel gedoe voor ’n mensen alleen.
—En... kelders?
—Ja, ’n beetje nat, maar anders best. We hebben er ’s winters aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf... ’t stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog kou lyden ook!
De poging om zich te vermeien inkrypt-romantiek brak alzoo weer als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke nattigheid. Een “hol” mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een der vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O, Lafontaine! O, Radcliffe!
—En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw?
—Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m’n tyd. Beloof je me vasten zeker dat je ’n oogje houden zult op pater met al dat geld?
—Wees gerust, juffrouw! Ik zal...
—En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf te zorgen...
—Zeker, juffrouw.
... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik hoor nu dat er ’n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of Hamburg of zoo wat, en die zou hem bystaan...
—Ah!
... zoo, weet je ’r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde ’t van Femke Claus...
—Ah!
... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik.
—Ah!
—Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch ’n inkomen van honderden in de week, ’t zou niet genoeg wezen voor al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. ’t Is maar begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet ’n mensch niet werken voor de kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben ’n vondeling, weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet dat ook niet doen?
’t Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan iets meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien ’t noemen van Femke’s naam—in-verband nogal met prinses Erika—op hem maken moest. Zou Styntje’s vader ’n ryke baron wezen? En teruggekeerd op ’t pad der deugd? Hy wilde meer van de zaak weten, en Styntje zei er dan ook nog wel iets van, maar alweer ’t rechte niet, naar Wouter’s meening. Ook hier wou ’t alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en misschien eenigen uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd had—er zyn er meer zoo!—z’n ontmoetingen op ’n afstand te zien. Wat ons in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, is eenmaalgewoongeweest.
—Ja, jongeheer, ’n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag ’t weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik wel? Nou voor m’n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op de hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar ’n oud stuk mat om ’t lyfje. Maar je begrypt dat ik ’t maar van hooren-zeggen heb. Ja, ik was in ’n lap mat gerold, anders niet! En nu? God heeft me gezegend, dat zieje. Ik ben groot en sterkgeworden... neen, sterk ben ik geweest. Dat’s tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden...
—Hè, zei Wouter.
—Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er ’n twaalfde by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in ’n mat, en op de hei. En nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... ’t is waarachtig geen kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt. Zoolang ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie, want als de dienst wat druk is, hebben we hier ’n kapelaan ook. Ja, ja, er moet gewerkt worden in de wereld! Maar als je dàt doet, ben je klaar. Ik ken menigeen die in ’n huis geboren is, en God op z’n bloote knieën danken zou als-i by pater mocht wonen.
—En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking dat deze byzonderheid Styntje’s genot nog aanmerkelyk verhoogen moest.
—Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters goed... nu, anders kwam ik er niet. Want ’n mensch alleen... dat begryp jezelf wel. Ook worden m’n oogen slecht. Maar van pastoor hiernaast wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem houdt.
—Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg ’t riddertje.
—Wel neen! Waarom? ’n Mensch houdt van den een, en niet van den ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert ’n jaar of wat niet meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan ’t niet af. Ik heb al aan de menschen gezegd “ga toch liever by pastoor hiernaast, die man is ook goed” zei ik, maar ’t helpt niet, alleman wil altyd by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed by, dat moet ik zeggen. Hy is ’n beste! En zoo zal dat meisjen er ook over denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker woon je ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor lastig?
—Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik te openbaren dat-i niet “van ’t geloof” was.
—Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg gemakkelyk. Watdieman al zielen tot Onslieveheer geholpen heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou ’t er met m’n moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker dan pastoor hiernaast. Die is ’n beetje... hoe zal ik zeggen? Isegrimmig, ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal! Nou, alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard aangepakt worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens ’n man geweest is, die niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat?
—Heel erg, juffrouw.
—Zoo, vind je dat erg? Ja, ’tiserg! Maar ik ben er ook nietbang voor, want ik doe m’n werk, en ik zorg voor pater. Och, och, waar blyft-i?
—Is u niet bang voor de hel, juffrouw?
—Gut né, volstrekt niet, want ik doe m’n werk. Maar die man deed z’n werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en toch was-i niet bang voor de hel. Zie je,hyhad er bang voor moeten wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God ’t hem wel vergeven, zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan de hel, en dat kan ’n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo’n man wel eens op z’n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen, want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden zyn, want pater zal voor m’n bed zitten, en my de hand drukken. Dat heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor ’t leven dat-i my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb.
De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden.
—Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet altyd denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in ’t veld liep, en als ik in ’t dorp kwam—want ik ben maar van ’t boerenland—dan riepen de jongens: “vondeling, vondeling!” En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar by pater! Wat wil ’n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m’n moeder ook, dat begryp je.
Wouter zette een vragend gezicht.
—Ja, ’t moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar pater zei: “denk je dat ’n mensch voor z’n plezier z’n kind op de hei legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!” En ik heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i ’n mis aan m’n moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet me erg voor m’n moeder, en ook voor pater, want de man had z’n kousen broodnoodig. Maar de ziel van m’n moeder was ’t ergste, dat begryp je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of niet? Gut né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf-en-dertig jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man zegt zelf dat er ’n heele boel òver is.
—En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na—of liever nog: ’n beetje vóór—z’n terugkeer op ’t pad der deugd. Gaarne had-i z’n vraag wat deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar ’t welvaren van wylen Styntje’s “papa” maar deze malle uitheemsheid die in Wouter’s tyd nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. ’t Bleef dus by: “de ziel van uw vader, juffrouw?” schoon dit woord inderdaad wel wat àl te burgerlyk klonk voor iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van meisjesverleider bekleed had, ’n funktie waartegen onrype jongetjes, eunuken en zeker soort vanbeunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo byster hoog—maar vooral begeerig, en met afgunst!—hebben opgezien.
—Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en ’t scheen wel dat zy over Wouter’s vraag ’n beetje verstoord was. Een mensch kan niet alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was gevallen ook? De man heeft ’t werachtig druk genoeg. Voor m’n moeder is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m’n vader sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: “als je zoo begeerig bent, kryg je niemendal!” Nou, dit is maar by manier van spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man niet na om z’n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis, waar blyft pater met al dat geld?
—Daar is-i, riep Wouter die Jansen’s vriendelyk gezicht langs dehortensiazag voorbygaan.
Als om de gegrondheid van Styntje’s angst ditmaal eens te logenstraffen, telde de goede man ’n twintigtal ryksdaalders op de tafel. Ter verontschuldiging over z’n uitblyven, deelde hy mee dat men hem onder-weg by ’n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders van den hemel wilde weten voor-i er heen ging.
—Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb ’n briefje gevraagd, waar ’t op staat. Nu kan jyzelf alles precies uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, en geld is... geld, wat zeg jy, Styn?
Styn zei ja, en ’n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg ’n streek of wat met den borstel, doch ’t was blykbaar slechts ’n voorwendsel om hem nogeens nadrukkelyk in ’t oor te fluisteren:
—Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet, jongeheer?
—Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i ’t meende.
Helaas!
De weg naar... ’t verkeerde is geplaveid met goede voornemens en welgemeende beloften.
1De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254–1259.)
1De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254–1259.)
Preekjen over preeken, en hoeWouterniet aan ’t preeken raken kon. Preek van paterJansenover ’n preek van pastoorKoens,opgeluisterd door ’n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt.Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd had of niet ook ’n middelmatige preek iemandterdeeg bezwaren kan, zoud-i ’t zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief aan de opgeblazen Hersilia—jammer dat het niet gediend had—maar ’n preek... dat was wat anders! Hy wilde ’n paar keer beginnen, maar ’t vlotte niet. Telkens als-i op z’n: “m’nheer, hoor eens!” zoo goedmoedig ten antwoord kreeg: “wat blief je, jongeheer?” zonk hem ’t hart in de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen dat de haarlemmerdyk ’n lange straat was, en dat ieder die ’s avends laat buiten de stad bleef, ’n stuiver moest betalen, jazelfs als ’t héél laat was, ’n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe.Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees ’t makkelyk. Ze nemen ’n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door ’t voorgebed. Wel zeker: “steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden om uw woord te verkondigen!” Zoo komt ’n mensch op z’n dreef. En ’n dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren toon aan, en brengt ’n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan ’t preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam ’n gebed te doen: “steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen is opgetreden om ’t woord van Styntje te spreken!” maar hy wou doen wat-i beloofd had. Dat hy maar ’n domme jongen was, en die m’n-heer Jansen ’n eerwaardig man, kwam—juist omdat-i ’n domme jongen was—niet in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui, zoo van de schoolbank, volkomen ’t recht hadden oude menschen te kapittelen, als ze maar—door Styntje?—“bevestigd” waren, en de voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen.Ten-eerste:de spaarzaamheid is Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken wat er in zit.Ten-tweede:de spaarzaamheid is de wil van God... och, ’t lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken, leidde z’n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag:—Kan u zingen, m’nheer?Voor zoover ’t me vergund is, borg te staan voor Wouter’s bedoelingen, kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer daar op de publieke straat ’n psalm of gezang optegeven, met het verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen, maar hy had weer: “m’nheer, hoor eens!” geroepen, en moest tochietsantwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had?—Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m’n vak. Maar heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eenshooren, vooral in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er ’n heer uit Parys in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich wou laten aannemen by ’n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy zingt iemand het hart uit ’t lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z’n zingen of z’n preeken. Hy is ’n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In ’t geheel niet!Als ’n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van “pastoor hiernaast” hield, door Wouter’s gemoed. Lieve, beste, brave Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende!—Hy zingt ’nkyrie... weet je wat ’nkyrieis? Want je bent niet van de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó, en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat ’nkyrieis?—Neen, m’nheer!—Kyriebeteekent: “Heer” eneleisonis zooveel als: “verlos ons!” Nu, dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft ’nkyriedie expres voor hem gemaakt is door ’n Duitscher, ’n eerste man in z’n vak. Hy is orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen—nu, dàt zal je vreemd vinden!—ze zeggen dat-i eens voor ’t heele hof...Jansen hield even op om Wouter’s aandacht te spannen. Maar hiertoe was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek over spaarzaamheid....voor ’t heele hof, denk eens!—Ja, m’nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel..—Hy heeft voor ’t heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, jongeheer.—Op ’n stoel, m’nheer.—Ook, ook! En op ’n draaikruk ook... want hy had klavecimbel gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat ’n aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i gezeten. Hoe vindje dàt?Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van z’n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt metut, re, mi, fa, sol?Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat ’n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou.—Op haarschoot, m’nheer?—Ja.—’n Aartshertogin?—Ja, van Oostenryk.—Maar, m’nheer, hoe is dat mogelyk?—Kyk, ik dacht wel dat je ’t vreemd vinden zou, want zoo’n aartshertogin is ’n heele dame, en daarom vertel ik ’t je. Ik heb er wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon ’t raden voor ik ’t zei. Maar gebeurdishet, vraag ’t maar aan pastoor Koens, en Styn weet het ook, want ze was er by...—Aan ’t hof, m’nheer?—Neen, toen pastoor Koens ’t vertelde.De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter’s verbazing, die dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch z’n moeder noch een van z’n zusters, noch zelfs Leentje, die toch anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met ’n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er kwaad van denken kon. In ’n achterkamer niet!—Op haarschoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen...Nòg meer, o hemel?... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt geraden hebben?—Neen, m’nheer!—Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem gezoend...—Maar, m’nheer!... gezoend op allebei z’n wangen.“Naar Weenen, naar Weenen!” riep alles wat stem had in Wouter’s gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte zich kinderlyk met z’n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd—ach, vernietigd te-gelykertyd—door ’t vervolg en slot van de historie.—De keizerin stopte z’n zakken vol...—Hè?... vol suikerdemangelen.Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik in kregen. Maar ’t was moeielyk niet te lachen by ’t gekke gezicht dat Wouter zette, en hierom was ’t dan ook den goeden pater te doen geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe:—Ik zal ’t je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes jaren oud, en ’n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem gestudeerd—later, weetje—en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik zei je-n-immers al dat-i ’nkyrievoor hem gemaakt heeft? Ze hebben samen gestudeerd op ’t Jezuiten-kollegie...Wouter rilde protestantelyk....daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar ’t gaat niet altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek jegek, toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van diekyriezeggen. Als Koens hem zingt... o! In z’n kamer, meen ik, want in de kerk doet-i ’t niet graag. Styn heeft er van gehuild, want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik ’n prul by pastoor Koens!—Hè, m’nheer!—’t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor ondankbaarheid! Als m’n vader me op z’n smedery gedaan had, zou ik net zoo sterk geworden zyn als m’n broer, maar de theologie maakt ’n mensen ’n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis ’nVulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in ’t vierkant, en in leer gebonden... ’n heele vracht! En er zyn sloten aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m’n pink, en Styn zegtpatersop, en ik houd m’nVulgata—altyd met die ééne pink, moet je denken—totquotidianumvan de derde. En Styn is niet eens heel vlug met ’rpaters. Als ik ze zelf zei, bracht ik ’t zeker totremittevan de vierde, of misschien wel totamen. Maar ik moet je ’r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd ’n beetje. En... er is niets apokriefs in deVulgata. Met ’n protestantschen bybel zou ik ’t wel laten, dat vat je wel!Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep nietalles. Maar de konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen byzonder sterk in z’n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood gegaan zyn.—Ja, ’t is ’n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer niet. Zoo zieje dat God altyd ieder ’t zyne geeft. Maar ik heb Styn verboden ’t hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i ’t me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht schik van gehad... niet van dieVulgata, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeelje, ik was op ’t Simmenarie, en daar woonde-n-’n boer in de buurt, ’n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk, en hy had veel arbeiders in z’n dienst, meiden en knechts, allemaal boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n-’n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet je hooren!’t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan ’n boeremeisje. Hy was in de jarenque tout ce qui porte jupon intéresse, en in z’n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in “Femken” of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-iden goeden Jansen niet dwingen mocht in de keus van z’n onderwerpen, en hy luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, en zonder dat dit hem moeite kostte.—’t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar ’t was over goede behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over, maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat ’n man in de kerk—’t was ’n slachter, moet je begrypen—die kreeg ’n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat het van de warmte was. Maar ’t was niet van de warmte. Die man had stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind je dat niet sterk voor ’n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z’n stiefkinderen voor z’n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd, en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i ’n mand met worst aan pater Koens, met ’n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om die kinderen.—En, m’nheer, heeft die slachter woord gehouden?—Ik denk ’t wel, want hy zal ’t zeker prettig gevonden hebben, goed voor z’n stiefkinderen te wezen, en ’n mensch houdt van pret. Maar Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest ze terugbrengen, zeid-i.—Hè, riep Wouter die ’t jammer vond zoo’n geschenk aftewyzen.—Ja, niet waar, ’t zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook, en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want ik mag wel worst.—Maar, m’nheer, wat was er dan met die Trineke?—Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z’n naam niet moeten noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z’n dood.—Wat had-i gedaan met die Trineke?—Gedaan? Niets! Ik wil ’t je wel vertellen, maar spreek er nooit over. Misschien leven z’n kleinkinderen nog, en hoe zou jy ’t vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist niet erger dan andere boeren, en daarom zou ’t me leelyk staan z’n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed voor de kerk, o best! In onze kapel—want we hadden ’n kapel in ’t Simmenarie—hing ’n geelkoperenSebastiaanmet z’n lyf vol pylen, wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z’n twintigen... net ’n zoete-n-inval! En z’n dochters zetten rozynen op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het ’n aard had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z’n dochters trouwen—’t was al z’n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben—en wy kwamen gelukwenschen, en werdenbest onthaald, maar de bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was ’n pret van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je ’r nooit over spreken zult?—Nooit, nooit, m’nheer, op m’n woord van eer!—Wàt? Nu, je belooft het, dat ’s genoeg. Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt, ’n jongen intheologie-tweedeis anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk niet, en als ’t in ’n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maarRectorzag wat door de vingers als ’t by Koremans gebeurde, om dienSebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z’n wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in dien tyd. Nu zou ’t niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-’r altyd by, net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel ’t allereerst, omdat ik ’n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over sterkte. “Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met Lies.” “Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?” Want dàt wou ik weten. “En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet waar Trineken is.”Wouter verwachtte nu ’n landelyk drama met... iets als liefde er in. Heel véél kon ’t niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z’n nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom, die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje’s kant, den al te gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal dood te maken. In byna alleDorfgeschichtendie Wouter gelezen had, droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, en daarby zoo byzonder sterk.—Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...—Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende dat-i ’t geheim van ’n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen ’t verhaal afbreken zou.—O,ditmag je wel vertellen, ’t kan soms nuttig wezen datmen ’t weet. Ik wou je dan zeggen—maar ’t spyt me wel—dat de boeren... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...—Hè?... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was ’n beetje mank ook, maar ze had altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z’n ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was? “Ze is op ’r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!” En ze wenkte den speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof God me ingaf—dit gebeurt soms—dat ze slecht behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje denken omdat ze me naliep. ’t Was maar dat ze niet wou dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei ’t me niet—dat begryp je wel—maar ’t was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, en vroeg: “is ze hier?” maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies riep weer: “wat wil je toch met dat ouwe mensch?” Maar ik zei: “met jou dans ik niet!” en ’t speet ’r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de deuren van den stal wou openen? “Neen, zeid-i, en ze is er niet!” En ik zei dat ze ’r wèl was, en vroeg ’t hem nògeens, want men moet ’n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m’n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.—En Trineke, m’nheer?—Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit ’s heeren Schrift! ’t Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, maar... ze is toch behoorlyk gestorven op ’n kristelyk bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen, veel erger nog! En ik zei—met ’n zwaren vloek er op—dat ik bord noch beker in z’n huis zou aanroeren voor Trineke op ’n bed lag, met ’n dokter er voor, en medicyn op de plank. ’t Gebeurde, hoor! O, ik heb veel gezegd! Ook over dienSebastiaan... want daar was-i erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest het weten dat deSebastiaanin onze kapel van Koremans was. Ik zei: “denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt meer pylen in haar lyf danSebastiaanooit gehad heeft, want ze is er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo’n mensch op stroo leggen in je stal? Zet jy daar jouSebastiaanin, die zal er geen weet van hebben, want hyis maar van koper, en de levendige Trineken is je nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-’n dreumis was, en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? ’t Was ’n heilig man, ja, maar jy moet ook ’n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. ’t Is nu Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als ’t hem in z’n hoofd komt, keert-i ’t om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies meer. Wiljydan op stroo liggen als ’n varken?” Zoo heb ik gesproken, en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar kan ’n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar intheologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te weten van God en goddelyke zaken! ’t Is ’t zwaarste vak van de heele wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor Koens vóór zich moeten hebben, die had ’t hem ànders ingepeperd! Maar Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, daar lag-i! De hengsels waren verdraaid.—En Liesje, m’nheer?—Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen Trineken op ’n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineken ’n glas brandewyn met rozynen en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg ze weer of ik met ’r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel plezier. Ik schoof maar zoo’n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker om die weddingschap.Hier zweeg Jansen ’n oogenblik: en ’t scheen wel of z’n gedachten minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien “schoven ze maar zoo’n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier.” Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, ’nsaut périlleux. De onkunde der jeugd is wreed—cet âge est sans pitié, zei de fabeldichter—en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg:—En is Liesje met haar vryer getrouwd, m’nheer?—O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de hel, omdat ik nog maartheologie-tweedewas. Ja, niet waar, ik mocht me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo’n meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik ’t soms mocht mis hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd heel goed wezen zou als ze ’t my maar beloofdhad. Nu, ze méénde ’t wel, want ze gaf er my ’n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo!—Waarom huilde ze zoo, m’nheer?—Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want ’n kind moet altyd partytrekken voor z’n ouders. ’t Begon al toen ik Trineken opnam...—HadUdat gedaan, m’nheer?—Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en ’t bed was boven in huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder ’t mensch zeer te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. ’t Was Koremans z’n eigen bed...—Och!—Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest, of ik zou ’n omgekeerd Jeruzalem van z’n huis maken. En Lies wou háár bed afstaan, maar ik zei: “né, in ’t zyne, of ik kom hier nooit weer!” En ik zei er ’n heel ruw woord by, tegen haar vader—je bent maar ’n ruige Ezau! zei ik—en daarom zal ze misschien gehuild hebben.—Was ze-n-’n... lief meisje, m’nheer?Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling tusschen de varianten “mooi” en “schoon” deed hem telkens aarzelen. ’t Een kwam hem tegenover ’n geestelyke wat gemeenzaam voor—te gemeen ook misschien—’t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en hy kleedde z’n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak, zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter, of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z’n eigen vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet!—O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet vatten. ’t Is by ons ’n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik ’r daarin helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dathydat wel zou doen, en toen gaf ik hem ’n boek waar alles in stond. Maar, och, zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken ’t maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, en ’t zal Liesje zeker plezier gedaan hebben.—En, m’nheer, bezocht u Liesje niet?—Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen,dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In ’t dorp zei iedereen dat ze liever ’n ander gehad had, als ze ’t maar had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie ’t was, ook!—Hè? vroeg Wouter die ’t ook meende te weten.—Ja, maar zeg ’t niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, stond zy aan ’t venster. Ook soms aan ’t hek, maar zoodra we naderby kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als op ’n simmenarie. Nu, dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, ’n besten, besten jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m’n beste vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel!Tot zoover was Jansen gevorderd met z’n vertrouwelykheden, toen ’t paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld had dan-i zich veroorloofde te weten. Ofwisthy meer? Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en ’t spreken moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.—Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze ’r van tranen? En ik ben moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar ’n zitje. Maar... wat is dáár te doen?Inderdaad, er was ’n “standje” by de aanlegplaats van de schuit Onze wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk ’t rechte van te weten.Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de belofte dat ik eens ’n staaltje van pater Jansen’s preekmanier geven zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige in den waan te laten dat-i ’n idylle gelezen heeft.
Preekjen over preeken, en hoeWouterniet aan ’t preeken raken kon. Preek van paterJansenover ’n preek van pastoorKoens,opgeluisterd door ’n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt.
Preekjen over preeken, en hoeWouterniet aan ’t preeken raken kon. Preek van paterJansenover ’n preek van pastoorKoens,opgeluisterd door ’n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt.
Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd had of niet ook ’n middelmatige preek iemandterdeeg bezwaren kan, zoud-i ’t zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief aan de opgeblazen Hersilia—jammer dat het niet gediend had—maar ’n preek... dat was wat anders! Hy wilde ’n paar keer beginnen, maar ’t vlotte niet. Telkens als-i op z’n: “m’nheer, hoor eens!” zoo goedmoedig ten antwoord kreeg: “wat blief je, jongeheer?” zonk hem ’t hart in de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen dat de haarlemmerdyk ’n lange straat was, en dat ieder die ’s avends laat buiten de stad bleef, ’n stuiver moest betalen, jazelfs als ’t héél laat was, ’n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe.
Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees ’t makkelyk. Ze nemen ’n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door ’t voorgebed. Wel zeker: “steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden om uw woord te verkondigen!” Zoo komt ’n mensch op z’n dreef. En ’n dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren toon aan, en brengt ’n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan ’t preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam ’n gebed te doen: “steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen is opgetreden om ’t woord van Styntje te spreken!” maar hy wou doen wat-i beloofd had. Dat hy maar ’n domme jongen was, en die m’n-heer Jansen ’n eerwaardig man, kwam—juist omdat-i ’n domme jongen was—niet in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui, zoo van de schoolbank, volkomen ’t recht hadden oude menschen te kapittelen, als ze maar—door Styntje?—“bevestigd” waren, en de voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen.Ten-eerste:de spaarzaamheid is Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken wat er in zit.Ten-tweede:de spaarzaamheid is de wil van God... och, ’t lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken, leidde z’n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag:
—Kan u zingen, m’nheer?
Voor zoover ’t me vergund is, borg te staan voor Wouter’s bedoelingen, kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer daar op de publieke straat ’n psalm of gezang optegeven, met het verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen, maar hy had weer: “m’nheer, hoor eens!” geroepen, en moest tochietsantwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had?
—Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m’n vak. Maar heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eenshooren, vooral in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er ’n heer uit Parys in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich wou laten aannemen by ’n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy zingt iemand het hart uit ’t lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z’n zingen of z’n preeken. Hy is ’n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In ’t geheel niet!
Als ’n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van “pastoor hiernaast” hield, door Wouter’s gemoed. Lieve, beste, brave Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende!
—Hy zingt ’nkyrie... weet je wat ’nkyrieis? Want je bent niet van de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó, en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat ’nkyrieis?
—Neen, m’nheer!
—Kyriebeteekent: “Heer” eneleisonis zooveel als: “verlos ons!” Nu, dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft ’nkyriedie expres voor hem gemaakt is door ’n Duitscher, ’n eerste man in z’n vak. Hy is orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen—nu, dàt zal je vreemd vinden!—ze zeggen dat-i eens voor ’t heele hof...
Jansen hield even op om Wouter’s aandacht te spannen. Maar hiertoe was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek over spaarzaamheid.
...voor ’t heele hof, denk eens!
—Ja, m’nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel..
—Hy heeft voor ’t heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, jongeheer.
—Op ’n stoel, m’nheer.
—Ook, ook! En op ’n draaikruk ook... want hy had klavecimbel gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat ’n aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i gezeten. Hoe vindje dàt?
Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van z’n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt metut, re, mi, fa, sol?Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat ’n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou.
—Op haarschoot, m’nheer?
—Ja.
—’n Aartshertogin?
—Ja, van Oostenryk.
—Maar, m’nheer, hoe is dat mogelyk?
—Kyk, ik dacht wel dat je ’t vreemd vinden zou, want zoo’n aartshertogin is ’n heele dame, en daarom vertel ik ’t je. Ik heb er wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon ’t raden voor ik ’t zei. Maar gebeurdishet, vraag ’t maar aan pastoor Koens, en Styn weet het ook, want ze was er by...
—Aan ’t hof, m’nheer?
—Neen, toen pastoor Koens ’t vertelde.
De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter’s verbazing, die dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch z’n moeder noch een van z’n zusters, noch zelfs Leentje, die toch anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met ’n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er kwaad van denken kon. In ’n achterkamer niet!
—Op haarschoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen...
Nòg meer, o hemel?
... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt geraden hebben?
—Neen, m’nheer!
—Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem gezoend...
—Maar, m’nheer!
... gezoend op allebei z’n wangen.
“Naar Weenen, naar Weenen!” riep alles wat stem had in Wouter’s gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte zich kinderlyk met z’n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd—ach, vernietigd te-gelykertyd—door ’t vervolg en slot van de historie.
—De keizerin stopte z’n zakken vol...
—Hè?
... vol suikerdemangelen.
Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik in kregen. Maar ’t was moeielyk niet te lachen by ’t gekke gezicht dat Wouter zette, en hierom was ’t dan ook den goeden pater te doen geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe:
—Ik zal ’t je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes jaren oud, en ’n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem gestudeerd—later, weetje—en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik zei je-n-immers al dat-i ’nkyrievoor hem gemaakt heeft? Ze hebben samen gestudeerd op ’t Jezuiten-kollegie...
Wouter rilde protestantelyk.
...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar ’t gaat niet altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek jegek, toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van diekyriezeggen. Als Koens hem zingt... o! In z’n kamer, meen ik, want in de kerk doet-i ’t niet graag. Styn heeft er van gehuild, want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik ’n prul by pastoor Koens!
—Hè, m’nheer!
—’t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor ondankbaarheid! Als m’n vader me op z’n smedery gedaan had, zou ik net zoo sterk geworden zyn als m’n broer, maar de theologie maakt ’n mensen ’n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis ’nVulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in ’t vierkant, en in leer gebonden... ’n heele vracht! En er zyn sloten aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m’n pink, en Styn zegtpatersop, en ik houd m’nVulgata—altyd met die ééne pink, moet je denken—totquotidianumvan de derde. En Styn is niet eens heel vlug met ’rpaters. Als ik ze zelf zei, bracht ik ’t zeker totremittevan de vierde, of misschien wel totamen. Maar ik moet je ’r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd ’n beetje. En... er is niets apokriefs in deVulgata. Met ’n protestantschen bybel zou ik ’t wel laten, dat vat je wel!
Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep nietalles. Maar de konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen byzonder sterk in z’n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood gegaan zyn.
—Ja, ’t is ’n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer niet. Zoo zieje dat God altyd ieder ’t zyne geeft. Maar ik heb Styn verboden ’t hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i ’t me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht schik van gehad... niet van dieVulgata, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeelje, ik was op ’t Simmenarie, en daar woonde-n-’n boer in de buurt, ’n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk, en hy had veel arbeiders in z’n dienst, meiden en knechts, allemaal boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n-’n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet je hooren!
’t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan ’n boeremeisje. Hy was in de jarenque tout ce qui porte jupon intéresse, en in z’n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in “Femken” of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-iden goeden Jansen niet dwingen mocht in de keus van z’n onderwerpen, en hy luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, en zonder dat dit hem moeite kostte.
—’t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar ’t was over goede behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over, maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat ’n man in de kerk—’t was ’n slachter, moet je begrypen—die kreeg ’n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat het van de warmte was. Maar ’t was niet van de warmte. Die man had stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind je dat niet sterk voor ’n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z’n stiefkinderen voor z’n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd, en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i ’n mand met worst aan pater Koens, met ’n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om die kinderen.
—En, m’nheer, heeft die slachter woord gehouden?
—Ik denk ’t wel, want hy zal ’t zeker prettig gevonden hebben, goed voor z’n stiefkinderen te wezen, en ’n mensch houdt van pret. Maar Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest ze terugbrengen, zeid-i.
—Hè, riep Wouter die ’t jammer vond zoo’n geschenk aftewyzen.
—Ja, niet waar, ’t zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook, en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want ik mag wel worst.
—Maar, m’nheer, wat was er dan met die Trineke?
—Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z’n naam niet moeten noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z’n dood.
—Wat had-i gedaan met die Trineke?
—Gedaan? Niets! Ik wil ’t je wel vertellen, maar spreek er nooit over. Misschien leven z’n kleinkinderen nog, en hoe zou jy ’t vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist niet erger dan andere boeren, en daarom zou ’t me leelyk staan z’n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed voor de kerk, o best! In onze kapel—want we hadden ’n kapel in ’t Simmenarie—hing ’n geelkoperenSebastiaanmet z’n lyf vol pylen, wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z’n twintigen... net ’n zoete-n-inval! En z’n dochters zetten rozynen op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het ’n aard had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z’n dochters trouwen—’t was al z’n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben—en wy kwamen gelukwenschen, en werdenbest onthaald, maar de bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was ’n pret van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je ’r nooit over spreken zult?
—Nooit, nooit, m’nheer, op m’n woord van eer!
—Wàt? Nu, je belooft het, dat ’s genoeg. Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt, ’n jongen intheologie-tweedeis anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk niet, en als ’t in ’n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maarRectorzag wat door de vingers als ’t by Koremans gebeurde, om dienSebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z’n wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in dien tyd. Nu zou ’t niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-’r altyd by, net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel ’t allereerst, omdat ik ’n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over sterkte. “Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met Lies.” “Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?” Want dàt wou ik weten. “En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet waar Trineken is.”
Wouter verwachtte nu ’n landelyk drama met... iets als liefde er in. Heel véél kon ’t niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z’n nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom, die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje’s kant, den al te gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal dood te maken. In byna alleDorfgeschichtendie Wouter gelezen had, droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, en daarby zoo byzonder sterk.
—Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...
—Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende dat-i ’t geheim van ’n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen ’t verhaal afbreken zou.
—O,ditmag je wel vertellen, ’t kan soms nuttig wezen datmen ’t weet. Ik wou je dan zeggen—maar ’t spyt me wel—dat de boeren... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...
—Hè?
... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was ’n beetje mank ook, maar ze had altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z’n ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was? “Ze is op ’r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!” En ze wenkte den speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof God me ingaf—dit gebeurt soms—dat ze slecht behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje denken omdat ze me naliep. ’t Was maar dat ze niet wou dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei ’t me niet—dat begryp je wel—maar ’t was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, en vroeg: “is ze hier?” maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies riep weer: “wat wil je toch met dat ouwe mensch?” Maar ik zei: “met jou dans ik niet!” en ’t speet ’r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de deuren van den stal wou openen? “Neen, zeid-i, en ze is er niet!” En ik zei dat ze ’r wèl was, en vroeg ’t hem nògeens, want men moet ’n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m’n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.
—En Trineke, m’nheer?
—Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit ’s heeren Schrift! ’t Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, maar... ze is toch behoorlyk gestorven op ’n kristelyk bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen, veel erger nog! En ik zei—met ’n zwaren vloek er op—dat ik bord noch beker in z’n huis zou aanroeren voor Trineke op ’n bed lag, met ’n dokter er voor, en medicyn op de plank. ’t Gebeurde, hoor! O, ik heb veel gezegd! Ook over dienSebastiaan... want daar was-i erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest het weten dat deSebastiaanin onze kapel van Koremans was. Ik zei: “denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt meer pylen in haar lyf danSebastiaanooit gehad heeft, want ze is er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo’n mensch op stroo leggen in je stal? Zet jy daar jouSebastiaanin, die zal er geen weet van hebben, want hyis maar van koper, en de levendige Trineken is je nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-’n dreumis was, en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? ’t Was ’n heilig man, ja, maar jy moet ook ’n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. ’t Is nu Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als ’t hem in z’n hoofd komt, keert-i ’t om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies meer. Wiljydan op stroo liggen als ’n varken?” Zoo heb ik gesproken, en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar kan ’n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar intheologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te weten van God en goddelyke zaken! ’t Is ’t zwaarste vak van de heele wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor Koens vóór zich moeten hebben, die had ’t hem ànders ingepeperd! Maar Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, daar lag-i! De hengsels waren verdraaid.
—En Liesje, m’nheer?
—Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen Trineken op ’n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineken ’n glas brandewyn met rozynen en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg ze weer of ik met ’r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel plezier. Ik schoof maar zoo’n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker om die weddingschap.
Hier zweeg Jansen ’n oogenblik: en ’t scheen wel of z’n gedachten minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien “schoven ze maar zoo’n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier.” Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, ’nsaut périlleux. De onkunde der jeugd is wreed—cet âge est sans pitié, zei de fabeldichter—en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg:
—En is Liesje met haar vryer getrouwd, m’nheer?
—O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de hel, omdat ik nog maartheologie-tweedewas. Ja, niet waar, ik mocht me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo’n meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik ’t soms mocht mis hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd heel goed wezen zou als ze ’t my maar beloofdhad. Nu, ze méénde ’t wel, want ze gaf er my ’n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo!
—Waarom huilde ze zoo, m’nheer?
—Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want ’n kind moet altyd partytrekken voor z’n ouders. ’t Begon al toen ik Trineken opnam...
—HadUdat gedaan, m’nheer?
—Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en ’t bed was boven in huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder ’t mensch zeer te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. ’t Was Koremans z’n eigen bed...
—Och!
—Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest, of ik zou ’n omgekeerd Jeruzalem van z’n huis maken. En Lies wou háár bed afstaan, maar ik zei: “né, in ’t zyne, of ik kom hier nooit weer!” En ik zei er ’n heel ruw woord by, tegen haar vader—je bent maar ’n ruige Ezau! zei ik—en daarom zal ze misschien gehuild hebben.
—Was ze-n-’n... lief meisje, m’nheer?
Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling tusschen de varianten “mooi” en “schoon” deed hem telkens aarzelen. ’t Een kwam hem tegenover ’n geestelyke wat gemeenzaam voor—te gemeen ook misschien—’t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en hy kleedde z’n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak, zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter, of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z’n eigen vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet!
—O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet vatten. ’t Is by ons ’n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik ’r daarin helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dathydat wel zou doen, en toen gaf ik hem ’n boek waar alles in stond. Maar, och, zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken ’t maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, en ’t zal Liesje zeker plezier gedaan hebben.
—En, m’nheer, bezocht u Liesje niet?
—Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen,dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In ’t dorp zei iedereen dat ze liever ’n ander gehad had, als ze ’t maar had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie ’t was, ook!
—Hè? vroeg Wouter die ’t ook meende te weten.
—Ja, maar zeg ’t niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, stond zy aan ’t venster. Ook soms aan ’t hek, maar zoodra we naderby kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als op ’n simmenarie. Nu, dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, ’n besten, besten jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m’n beste vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel!
Tot zoover was Jansen gevorderd met z’n vertrouwelykheden, toen ’t paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld had dan-i zich veroorloofde te weten. Ofwisthy meer? Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en ’t spreken moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.
—Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze ’r van tranen? En ik ben moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar ’n zitje. Maar... wat is dáár te doen?
Inderdaad, er was ’n “standje” by de aanlegplaats van de schuit Onze wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk ’t rechte van te weten.
Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de belofte dat ik eens ’n staaltje van pater Jansen’s preekmanier geven zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige in den waan te laten dat-i ’n idylle gelezen heeft.