De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders van deze eeuw. “En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan hem uit.” Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van beschermengelen.—Tast jy maar gerust toe, m’n jongen, en seneer je niet! Of wil je misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht hier blyft, zieje, om op me te passen...Wouter hield z’n jasje voorloopig aan.En... ’n lekker likeurtje heb ik ook voor je... ’t is beste! Van Fockink, weetje, die z’n fabriek heeft in... die nauwe straat, je weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonengemeene vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat ’s niet goed voor ’n jonkman als jy.De “jonkman” Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid hem ’n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z’n eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot jonkman was streelender nog dan ’t “in den handel” zyn.Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z’n nieuwbakken hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort worden toegemeten.—Wel wis en zeker, Wouter, je bent ’n jonkman, wist je dat niet? ’t Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen.Ikzeg dat je-n-’n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt niet! In ’t geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-’n pyp rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet ’n pypie rooken, net als andere mannen?“Mannen!”Help, Fancy!Wouter antwoordde dat-i “nog niet” rooken kon. ’t Kostte hem moeite dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar hy moest wel oprecht zyn omdat ’n eerste poging om Stoffel natedoen in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg.—Zóó? Rook je niet...Ze liet het, “nog” weg....rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is ’t ’n verkeerde gewoonte van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel—hy is zoo oud als jy, maar wat kleiner, en vryt met ’n nichtje van me—die rookt ook niet.Iemand zoo oud alshy, maarkleiner, en die al aan “vryen” deed: help, Fancy!—Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-’n effetieve jonkman bent. ’t Is heel mal dat ze je-n-altyd behandelen als ’n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om ’reis te noemen... zooeven op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar ’n zwakke vrouw ben, weetje? En ’t was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon dat ik ’n manspersoon by me had. Ik had je best ’n arm kunnen geven—je bent heusch grooter dan ik—maar ik deed het niet, omdat je-n-’n pakje droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht had hetkunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik ’s nachts met ’n heer liep.“Met ’n heer!”Fancy!—Want ’n mensch moet altyd zorgen voor z’n fatsoen! Hier binnen’skamers is ’t wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie ’n vrouw bekladt, is geen ware man, dit weet je-n-ook wel.Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z’n besef van loyauteit, dan helderheid in ’t begrip van: “bekladden.” Hy vertaalde juffrouw Laps’ maxime in z’n boekentermen, en las voor: “vrouw” en: “man” de hem gemeenzamer uitdrukkingen:dameen:ridder.’t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest over de likeur—par impossible, want ze was van Fockink—of dat de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had gesmaakt—onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie meebrengt—jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps zou hebben geschandvlekt? Nooit... “by m’n zwaard!”De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien, of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was ’t inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om de belegerde vesting. Had zeinderdaadmenschkunde bezeten, ze zou geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan had ze tevens—door geestelyke oefening veredeld!—geen lust gevoeld in zulke krygstochtjes en dus ’t heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde, maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar ’n mikroskopisch doeltje.Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op ’t zielkundig terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens ’t hare was. Want—wie zal dit begrypen?—haar scherpzinnigheid was minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou ’nman—overigens gelyk begaafd—uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, wanneer niet haar kinderachtigplannetjen in-verband had gestaan met verwrongen geslachtsdrift.Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van ’n paar gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand verdediging mogelyk was?En... Fancy? Wendde ze treurig ’t hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?Teekent haar de artist—die m’n werken illustreeren... zou, als ik ’t geluk had geen Hollander te zyn—wordt ze hier door den schilder voorgesteld in gebogen houding, handenwringend?Vlucht ze heen?Wat toch doet hier onze Fancy?Komaan, artisten—die m’n werken niet illustreert, omdat ik maar ’n Hollander ben, in-plaats van ’n zevende-klas buitenlandsche beroemdheid!—komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy’s wangen...Een geest weent niet om zoo weinig...Weg met die geknakte gestalte...Geesten bukken niet onder zoo geringen last!Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van dit alles!Kalm en ernstig—’n glimlach misstond er niet by!—zette zy haar kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier!Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort komen omdat haar feiten òpraken.Aventuur op aventuur! Is ’t u te veel? Ei, ziedaar... ’n nieuwen schok!Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn ’n nieuwen takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen, en knappen zal ze niet!Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst met ’n orkaan!En ze glimlacht!Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde voor ’t gelukken der menschenkennige kunstjes vanjuffrouw Laps. En ik verzoek hem uit-bestwil, z’n deel te nemen van die kalmte.Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan!Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was ’t slagen zéker?Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor ’t goede dan de verleidbaarheid van ’n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de zoetigheid van Fockink’s likeurtjes, en de nog zoeter drang van gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze!Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden “val”—och, arm!—blyft het misschien de vraag, of ’t Fancy de moeite waard wezen zou de wapens aantegorden in ’n stryd van zoo weinig belang? Dat... “booze” was maarordinair.Wanneer ze ’tdoet, geschiedt het waarschynlyk uit luim alleen. Want... luimig is ze. Luimig als ’t spel, als ’t weder, als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van ’trerum cognoscere causas!1En àls nu eens onze Fancy—uit zoogenaamden luim dan!—mocht blyven versmaden ’t belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls...Juffrouw Laps was ’n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling ligt aan de vermeende eischen van ’t boekmakers-ambacht. Sedert onheugelyke tyden gebruiken de heeren van ’tmétier, dergelyke zaakjes als hoofd-katastroof. ’t Afgezaagd: “en ze viel!” is de lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.Ze, ja,ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de daaruit voortspruitende behoefte aan ’n “fatsoenlyk huwelyk”—ik erken volmondig die behoefte, doch alleen: “omdat uwe harten boos zyn”—is ’t vallend voorwerp gewoonlyk ’n stumperige “zy.”Welnu, die “zy” begaat ’n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al vinden de lezers—die de zaak hardschreeuwend afkeuren!—zoo’n “val” allerplezierigst, en ’t onmisbaar element in ’n “mooi” boek:men moet niet vallen!En wanneer by uitzondering de valler ’n “hy” is ...Minder pikant, omdat demaatschappelykepozitie daardoor niet aan ’t wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter voor den “handel” geworden zyn wanneer-i z’n jasje had uitgetrokken, en z’n... vestjen er by!... als er ’n “hy” valt...Wèl,dan heeft-i ’n fout begaan, ’n Menschmoet niet vallen. Hy heeft beter dingen te doen.Doch—“hy” of “zy” dan—leugenis ’t, zulke nietigheidjes voortestellen als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen, de oude stumpert!Leugenachtigdus is die triumfelyke voorstelling van ’t kwade. Zoo overdryven kwakzalvers ’t gevaar van ’n lichte ongesteldheid, om hun poeiertjes aan-den-man te brengen.Enleugenis ’t ook uit ’n aesthetisch oogpunt, als men van zulke armzalige gegeventjes alleen, ’t zedelyk schoon of de leelykheid eener figuur wil laten afhangen.Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps ’n handje te helpen in haar plannetjes—’t staat aan my!—om te doen in ’t oog springen dat m’n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan worden gebracht. Maar ik heb ’t recht niet, m’n Fancy vóórtegrypen, die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen dat zulke valgeschiedenissen...Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!Vlek isvlek, bezoedeling isbezoedeling: geen genade voor de minste afwyking van de wetten derzedelyke logika...Zóó immers wordt “deugd” by denkers genoemd?Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde machtsverheffing van ’n zweertje tot kanker.’t Is lasteren van de deugd, haarby-uitsluitingte zoeken in ’t vermyden van zulke mis... greepjes.En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloekenpour si peu!Goddank, er zyn—’t geringe niet minachtend—verhevener dingen te bejagen!Goddank, er zyn—zonder de minste vergoelyking van pekelzondjes—vreeselyker zaken te vermyden!De te grypen eerekroon in ’t strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En wel is ’t jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys dien ze deelen met ’n eunuuk.Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur!Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht, of al wàre ze ’s morgens ontmoedigd weggeklept naar ’t hof van Wouter’s moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon gestruikeld was...Zou ze niet met ’n strenge vermaning zyn teruggezonden naar ’t zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar—zyzelf nu, de wachtster!—veranderd te worden in ’n zandkorrel, wegens al te grove miskenning van haar plicht?Er hoorde moed toe—krankzinnigheid liever!—dáár aantekomen met de boodschap:Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten:’t Hemelsche Ryk heeft ’n eind ... maak voor uw meerdere plaats!Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert,Met ’ncompositum mixtum.2van vleipraat en Fockink’s likeur!Wat de geesten zouden gelachen hebben!Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter was inderdaad opweg om ’n jonkman te worden. Misschien wàs-i ’t al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z’n bovenlip begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch.—Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als je-n-’n kind was, zou ’t geen kwaad kunnen, want ’n kind heeft geen erg. Maarjy!Zeker,hymoest “erg” hebben! En z’n jeugdig kneveltje was er volstrekt niet tegen om “erg” te krygen. “Al wat van zelven wast, behoeft men niet te zaaien!” zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig van ’t begieten.—Laat my je nu reis inschenken...Wouter dronk.En ... Fancy?Ze glimlachte!Allerlichtzinnigst voor ’n hofdame uit het gebied der geesten?Toch niet!—Hoe vind je nu dàt likeurtje?Wouter erkende...Fancy, Fancy!Wouter erkende dat-i smaak vond in deparfait-amouruit de steeg die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich welstaanshalve te onthouden van “erg”.En ’t winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote noten dan.—En, je moest er wat by eten ook, m’n allerbeste jongen—gut, ik heb altyd zooveel van je gehouden—dat ’s zoo gezond by ’n likeurtje!God-vergeef-’m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog ’n oogenblik, en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis!Fancy, ben je blind?—En trek jy gerust je jasjen uit, m’n lieveling! Je moet denken, we zyn hier onder ons beidjes.Een koninkryk voor ’n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok waarachtig z’n jasjen uit!Fancy!—Heelemaal met ons beidjes, zieje!Fancy, ben je doof?—En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo’n lieve beste jongen bent...Fancy... deern!Wouter schikte by.Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben!Och neen!Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond voor z’n hoop!“Maar, eilieve... dat is de ware echte oude:zal-i, zal-i-niet-litteratuur!”Ja, lezer! In stipt-letterlykenzin, ja! Maar overigens?Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden?Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder zou kunnen innemen zonder in ’t leger der Menschheid als rekruut te hebben dienst gedaan van de patroontasch af?Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy’s leiding, dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie ’t loochent, liegt even misdadig als de miskenner van ’t hoogere, van ’t goede, want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar.Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in ’tsierlyk aankleedenvan ’t gemeene, en vooral in ’tbelangryk makenvan onnoozele lapsische platheid.Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over ’t veldtochtje van haar stumperige vyandin?De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo’n wyf niet. En ook onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was, zelfs aan de nuchterheid van ’n kind.Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt in z’n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd hebben, als-i genoopt ware geworden z’n indruk te vertolken in ’n woord.Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak,als zoodanig, niet tot ’n wereldberoerende kalamiteit, tot ’ncasus diluvii! Och, wat zouden we weinig droge jaren hebben als er ’n god was die regenplassend toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen!Nogeens, juffrouw Laps wàs ’n slecht schepsel. Om ’t beoogde feit niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen omdàt ze nu eenmaal ’n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging, zittende levenswys, en ’n tal van dusdanige ziekten meer, zouden kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld.Ik kan me zelfs ’n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd tot finale vryspraak.Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was inderdaad ’n slecht schepsel, en daarmee voor ’t oogenblik: uit! Of zou men misschien...Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten, noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel...Och, in myn oog zou ’t mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te hebben op ’n goedig: “uw zonden zyn u vergeven, ga heen en...arbeid!”Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken.Misschien had juffrouw Laps de “deugd” van ons kereltje met rust gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen, schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, ’t verstellen der onderbroeken van ’n pastoor.Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben toegeschenen aan besmette zieken!Ziek, ziek ... ziedaar ’t woord! Juffrouw Laps was ziek!Hoe is ’t mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd ziekteverschynselsvan erger soortte schetsen. Ik zal me die laten leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van ’n aard, dat men byna achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers opgemerkt dat ze haar “God” wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis van ’t gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees alzoo voor—vermeenden—wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had het schepsel de verdienste derSancta Simplicitas. Ze theologizeerde er niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of genen “Heer” ’n pleizier deed door ’t uittrekken van z’n jasje. Dit, of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes, huiselyke namiddagkoortsjes van... pest!Wouter, overigens...goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou ’r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den hoogstberoemden Nederlander Fockink nog ’n graad of wat sterker geweest.Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong zich nog altyd de handen in ’t minst niet, zy die toch blyk gaf van strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter’sfélonievan den vorigen dag!Fancy was, enis... liberaal!Teliberaal?Voyons!Beste lezer—ik bedoel: gy die onder al m’n lezers de minst onoprechte zyt—stel u eens op ’n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En houd boek!Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de legioenen opengereten boezems...Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich op ’t hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die eenmaal voor elk hunner de traditioneele “eerste” was...Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al ’t geween, ’nde profundisuit het gekners der tanden...Bevolk ’n zoölogisch muzeum met al de wurmen die ’t gezelschap inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid...En dan...Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als ’n vóórhel? Als ’n pleisterplaats van verdoemden?Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd, van krizes als waaraan hy was blootgesteld.Want... zulke krizes en zulke nederlagenbestaan! Ze liggen in den aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen—’t kinderachtig wègdenken helpt niet!—als ’n atoom of ’n zon. Zoomin loochenen als wiskunstige waarheid.Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akelighedennietontwaart, wienietstuit op de sporen die “zonde” nalaat, op zùlke sporen van zùlke zonden...Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis iknietontkennen mag, helaas!Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes optenemen, en niet den minsten last te geven tot hetilicoop-stapel zetten van ’n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek.Onder ons gezegd—en niet gebleven, naar ik hoop!—het komt me voor, dat de god vanGenesis VIzich kleingeestig aanstelde, en dat het z’n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy.Maar sterk wàs de likeur, dit is waar!En dat Wouter er meer van dronk dan goed was—voor z’n maag vooral!—is ook waar.Hy verloor dan ook iets van z’n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit denzelfden sleutel zongen.Dat zou straks wel beteren, hoopte ze.Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z’n komst, of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z’n gastvrouw scheen alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en spreidde by Wouter’s herinnering daaraan, ’n dapperheid ten-toon, die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken.’t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z’n aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z’n slecht gezelschap.—Ikzou ze... denk je dat ik bang ben voor ’n kerel? zei juffrouw Laps. In ’t geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de heele wereld niet! Ik zou ze...Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefdehyniet te... zouwen.Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel kind.—Blyf jy hier, riep ’t wyf,ikga kyken,ik! Denk je dat ik jou wil laten slaan of steken of vermoorden, m’n jongen ... dat nooit! Wie aan jou komt, komt aan my ... aanmy, hoorje, dàt zullen ze ondervinden!En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom ergens ’n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in ’t donker alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begonen quenouillete vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en wering zoeken onder haar voorschoot.—Maar, juffrouw ...—Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien tegen me zeggen.Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief.—Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?—Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak was dat je hier zou blyven... ontbyten.Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert ’n uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om te rillen!—Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal ’n kermisbedje voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen ben—ik, als vrouw, weetje—met al die dieven en moordenaars, dan wordt ik zoo... griezelig.Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend gelast werd...Hy weifelde...Zy hield aan...Hy begon...Men bedenke dat het kind beneveld was!O Fancy! Liberalismus is ’n goede zaak, en na de bemoedigende statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan zou al...Maar toch...franchement, Fancy, is ’t niet jammer van den jongen?1= het kennen van de oorzaken der dingen.2= mengsel.Dit hoofdstuk is gekopieerd uit ’n oud Register der handelingen en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld.(De lezer kan staatmaken op meer.)’t Verhaal vanKlaas Verlaan, den “Amstelhavenknecht.” Geleerde verhandeling over voetzoekers. JuffrouwLapswikt, Fancy beschikt.Om van Fancy’s spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is ’t noodzakelyk eenige uren terug te gaan.De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met ’n bezoek, ’n hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat de zaak mislukt was door ’n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige gevolgen moge gehad hebben voor ’t evenwicht van haar ziel.Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van ’t vak beweerden “dat er geen zuchtjen aan de lucht was.” Wie zich anders uitdrukte, werd voor ’n landkrab gehouden.Het plezier-roeien was nog niet in de mode—de mode had ongelyk, want het is ’n flinke mannelyke oefening—doch al ware dit anders geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van ’t gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers.In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo’n matrozige inspanning ’n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in ’n stuurstoel lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen, en had dus eigenlyk alleen aanspraak op ’t plezier.Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z’n werkniet. Hy scheen elders bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters ’n spotdeuntje voor, op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam heen-en-weer pauwden in stof en hitte.Ja, ’t was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als menschen. Dejoujoux de Normandie—’t speel- en groettuig derbeau-mondevan dien tyd—klommen al trager en trager by hun koordjes op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toonschreef voor, dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets, heette:morbidezza. De beweging der vingers, die ’t kleine rukje moest meedeelen waardoor ’t stygen werd te-weeg gebracht, behoorde onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand, en zelfs by-mangel aan beter, voor genie.Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin ’n groot gedeelte van ’tprestigein hofkringen, dat haar inderdaad niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee ze wist omtegaan met denjoujou de Normandie. Volgens Stuart Mill was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en ’t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in ’t bezit was van ’t geheim om ’t belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen, en zeer langzaam te laten dalen langs de door ’n onnaspeurlyke oorzaak gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is dus afgesneden.Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven—op één na, want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!—mag waar zyn, maar toch... haar virtuoziteit op denjoujouwas en bleef hoofdzaak.En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men ’t helpen kan—dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval geweest—terwyl er tot het wel besturen van ’n paar palmhouten schyfjes aan ’n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor ’n koning zeggen:Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas me faire l’amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que mon diable d’... allié vient de loger dans ma capitale?Of:Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest und chouchouirtest?Nu spreekt ’n prinsje:—Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt widerhält mich ... auf Ehre!Clotho,ich beehre mich Ihr Sclave zu sein.Lachesis,Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, oAthropos!Schicke den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheuteParkewie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken, verehrungswürdigsteParkeDurchlaucht!Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid ishier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen, en toch de moeite van ’t aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo’n leegte. Ik heb kooplieden gekend jazelfs werkluî, die praten konden als ’n... prins nà den bloei van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo:Een prinsesje spreekt:—Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe zusammen fischen, Cousine!’nSterveling van lager soort:—Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche Hoheit’s göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste Wahrheit.Enz. Enz.Al deze menschen logen ’n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom dan ’n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad ’n aanstelling by ’nköniglich-kaiserlichehofkeuken. Wat wil men meer?Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou ’n blyk van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel—men weet reeds dat ze roode puistjes in ’t gezicht had, en ik voeg er nu by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen: dit isiets!—welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen zyn wanneer ik m’n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk,of als bekwaam in belangryker zaken dan ’t op-en-neerwippen van ’njoujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig.Een ruiter naderde haar koets.—Eh bieng, zjefalier, n’est-ze-pas qu’il fait affreussemang chaud dang ze pays?—Wie K. K. Hoheit befehlen.—Ch’étouve!—Zu dienen.—Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist sie vor? Wo ist sie?De “chevalier” werd door ’n toedringende volksmenigte van de koets gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oudeschool, en hy durfde zich niet wagen aan ’t duitsche hoffransch van de Palatine, waaraan-iadmirablemangwèl deed. Ten-tweede bezat-i te veelroutinevan nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de “wilde kat.” Dit katje namelyk was ’n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een groep welwillende zangers kwam z’n verschrikte diplomatie te-hulp:“Amour à la plus belle,Honneur au plus vaillant...Ja, ja, lezer, er is ’n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche jenever—amsterdamsche proef—zich openbaarde in fransche romances. Of onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de bedoeling van den auteur, vandeauteur, liever...De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haarjoujouriep zy ’n zeer elegant jongmensch van ’n jaar of achttien tot zich; dien zy in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groetteganz rittermässigmet z’n karwats terug, en drong door de menigte heen.—Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh, mong Dié, quelle pronongziaziong!—Vous avez l’oreille si délicate, ma Cousine!—Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir ’nmal, wo ist denn Ihre Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen?—Ma foi il y a plus d’une heure que je ne l’ai vue! Elle s’amuse peut-être là-bas, au village d’Awercric. Qui sait si elle n’a pas passé l’eau. Vous savez, Palatine, qu’elle n’a pas l’habitude de se gêner...Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets van te zien krygen,parole d’honneur!Honneur au plus vaillant!schreeuwde nu weer ’n troep al te opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw ’n oogenblik onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen “kavalier” naar zich toe, en knoopte dan ’n gesprek aan, dat echter telkens door de volte werd afgebroken.Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van ’t woord “kavalier” te rymen op: “duitsche manier” in welk geval ’t niet “ruiter” beteekent, maar ’n “heer van den hove” ’nhoffähiger gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: ’nedelman. Niet zonder deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy ’t dan dat in dit geval de “kavaliere” werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan ’t uitleggen ben... ’t woord: “harken” is van my. Ik nam de vryheid daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp met denjoujou.De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het kon niet anders, om de volte.Bovendien, de souvereinen verkeerden in ’n ziekelyke bui van “Volksthümlichkeit.” De mode van den dag bracht ’n misselyke neerbuigings-maniemee, en de meeste rangmenschen overdreven de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat vroeger de hoepelrokken, en latercrinolines,vryen-arbeidofchignons. Rousseau—die beter wist, of althans beter weten kon—had de afgezaagde theorie van “ce bon peuple” op frazen gezet, en wie te arm was om gedachten te bezitten op z’n eigen hand, neuriede die frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En dit is nòg zoo.’t Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag, gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen heette dat “goede Volk” zeer dikwyls doodeenvoudig:la canaille, ’n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau.1Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde betreft, vergeten we nooit dat ook “ce bon peuple” geen grein oprechter is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van ’t Volk zeggen kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt “vivat!” en denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met m’n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan ’n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin was de laatste die op ’t denkbeeld komen zou—’t was zoo warm!—dat deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door ’n lakei op ’n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z’n zuster—’t Waldkätzchen?—hem ’n boodschap had gezonden uit “Awercric.” En:—Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics à me prêter?vroeg hy.—Che parie que z’est pour elle!—Si!—Elle fait donc angcore l’angrachée, che pangse!—C’est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans l’embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je n’ai qu’une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad te-boven in K. K. Hoogheid. En ’t “boschkatje” was de verloofde van ’n Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien hebben zou. De Paltsgravin—”Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!”—was dus wel genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik ’n goudbeursjen overtereiken. Deze gaf ’tden lakei, die ’r mee wegreed zoo snel de volte gedoogde.Prins Erik’s zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet ik niet, maar zeker is ’t dat de dankbaarheid—d. i. de betuiging van die aandoening—haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond verstand toelieten.We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk ’n zware brand was geweest—men assureerde niet in die dagen—of... ’n landman had al z’n koeien verloren aan de veepest—Thorbecke was nog niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien—of... ’n ongehuwde kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige verlossing—de zedekundige lezer weet misschien dat de “deugd” dit niet gedoogde in Wouter’s tyd—of...Hoe ’t zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid uitgericht, ’n soort vandébauchewaaraan ze zich zeer dikwyls tebuiten ging. Goed was ’t zeker niet, maar er zyn erger ondeugden, en ik ken velen die ’t recht niet hebben zulke karakterfouten te laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan ’t waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in ’t karakter van prinses Erika.By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar gevolg afgeraakt.Om de menigte te ontwyken, die—juichend, dankend en... vooral lastig—op haar toedrong, was zy in ’n roeischuitje gesprongen, dat aan ’n steiger lag, en waarin ’n man zat te slapen of nagenoeg. ’t Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de “Amstelhavenknecht.”De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers berstten in lachen uit om ’t malle gezicht dat-i zette.Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg ’n vuurrood satynen kleed met ’n langen sleep dien zy echter—zoo-even reeds by den brand zeker, of by de kraamvrouw, of by de koeien—had opgeg...—Opgegeid, noemde ’t Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de historie vertelde aan z’n kleinkinderen.’t Was depièce de résistancevan z’n ondervinding. Nu, sommigen hebben minder beleefd!—Se sag er uit as ’n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er ’n ster in m’n jol was gefalle, so flamde ze!Komaan, we zullen Klaas Verlaan ’t woord geven, maar ik heb geen lust z’n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man moet gesproken hebben.—Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in ’n doosje by de Staten-overzetting. ’t Lykt wel ’n kinderkousje. Want haar vingers waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! Enop ’t hoofd ’n toren van poeier ... net ’n grooten sneeuwbal! Maar ’t gezichtje was lief, dat moet ik zeggen!En ik was ’n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist waarachtig niet wat ik in m’n schuit had, en of ik moest vloeken ofsiveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist hoe ik ’t had, pakt ze me-n-’n-riem, en zet m’ flink tegen den wal, en zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by ’t uithalen, want het ding zat wel half-blads in den modder, en ’t zóóg als de bliks... lager. Maar ze liet ’m steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we!Maar ik was kwaad as ’n spin, en zei—met ’n vloek, want ik vloekte nog in dien tyd—dat ik baas op m’n jol was. Ja, dat zei ik.—Ich rudern!riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was miserabel. En ze greep naar m’n anderen riem. Maar dáár was ik als de kippen by!—Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen, maar weetje wat ik zei? Ik zei: m’n vader is geen breeuwer, zei ik, en ik hou m’n riem!Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien als ’n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en grabbelde-n-in haar tasch—’n fluweelen ding met gouden knip, dat met ’n haak in haar middel zat—en ze haalde-n-er ’n stuk geld uit, en wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om ’t geld, weetje, dat ze me wees, want, dacht ik, wat kan ’t my schelen of de menschen lachen aan-wal? ’t Kon m’n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. ’t Zag er uit als ’n dukaat, maar ’t ding was meer waard. Dat heb ik later gemerkt toen ik ’t wisselde op den Vygendam... met al de anderen, want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.—Rücken?riep ze.—Wrikken, riep ik. Kyk... zóó!En ik wou ’t haar wyzen.Maar ’t ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien roeiers te krygen tegen één wrikker.Ik wees haar hoe ze d’r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan ’n vuist, maar ze liep er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als ’n kievit zoo vlug.Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m’n hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut, op vechten af!Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik ’t vroeg, riep ze: “rücken, rücken!”Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! ’n Mensch moet toch weten waar-i heen wil!We sukkelden stroom-af—meest gatje-voor!—en naderden de Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m’n dukaat, en de grap is uit. Maar jawèl!Op-eens houdt ze met wrikken op—’t zweet liep haar by droppels van ’t gezicht!—en leî den riem op den doften. Toen wou ik ’t ding grypen, omdat ik ’n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen ... ik zal ’t jelui maar zeggen, ze wou te-water!Ik schrok er van! ’t Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... zewou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo’n moffendukaat in de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor ’t stuk, en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by ’m te-recht. Dáárvan is ’t zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de waarheid vertel. Ook ’t gouden ooryzer van m’n oudje—dat nu jeluî Grietje-meu draagt—is van dien tyd.Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek wordenwilt, of sterven, of rimmetiek krygen...Ze trok ’r schoentjes uit, en ’r satynen kleed, en meer nog. Maar ze hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-’t hoofd als ’n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had nog nooit zoo-iets gezien... van ’n vrouwmensch, weet jelui? Flink koppie-over!Eerst was ik bang voor ’n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet, en als ’t mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar ’t hoefde niet, wantzyzwom wel. Als ’n eend! Of liever als ’n paling, want ze kronkelde-n-onder m’n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere zy... als ’n dobber hoor! ’t Speet me toch evel dat ik niet ook zoo thuis was in ’t water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo de gewoonte niet. Zy was zeker uit ’n land waar de menschen niet zoo zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m’n pyjekker die in de jol lag, en sloeg zich ’t ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag ’n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net’n wilde kat.Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar ik durfde niet binnengaan, omdat het ’t huisje was van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou ’t heel kwalyk hebben genomen dat ik met zoo’n vreemd schepsel in z’n jacht-huisje gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat, dat kàn—om den dukaat, weetje—maar... m’nheer Kopperlith woont op de Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens teweten. Hoor eens, kinderen, wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat’s maar zeker!Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-’t bruggetje niet over, met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.En daar stond ik!De menschen van de brug riepen: “dat is ’t huisje van m’nheer Kopperlith, denk er om!”Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m’n dochter Geert kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is...Maar toen was ze-n-’n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei:—Vader, laat ’r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren.Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie van de Jachthaven. ’t Kon my m’n ontslag kosten als ik rare dingen deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes.Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in ’t oog. Ze vliegt ’t huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met ’r heen.Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?Maar... ’n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z’n dag goed is, voor bedtyd!Zoo eindigde Solon Verlaan ’t eerste hoofdstuk van z’n verhaal. Het tweede en laatste zalikvertellen, of vanzelf laten spreken. We laten dus ’t boschkatje voor ’t oogenblik onder de hoede van de aanstaande Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te “klaren”. Nu, dit deed ze. Sint Maarten was er niets by.Op den ryweg langs den Amstel joelde ’t Volk maar altyd voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor ’t mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks voor alle mogelyke prinsen en prinsessen.Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en proesten en sissen en glinsteren.Ook zwermers—de Amsterdammers noemen ze “voetzoekers.” Wie kan me zeggen: waarom?—ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen...De Paltsgravin gelóófde het. Heusch!Maar ze had ongelyk, precies als die kranten.Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen, en vuur spuwen, en ’n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na, die z’n heele wysheid heeft opgemaakt aan ’t bedenken der diepzinnige spreuk van zoo-even.Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op hun tronen...Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want ’n zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo’n knetterend geluid geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord—zeker omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens over de ware beteekenis van ’n voetzoeker—toch is het zoo!Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd die er uit vuurwerk te halen is, in ’t afsteken—zèlf afsteken!—van zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een “groot vuurwerk” is ’n ellendig ding, ’n menschonteerende foppery. Eigenlyk ’n schimp, ’n beleediging, ’nlaesio dignitatis generis humani!2Om dit intezien, behoeft men zich maar ’n oogenblik te verbeelden zoo’n vertooning bytewonen...In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik voorsla, zyt ge in zyn opinie ’n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze ’t proces winnen voor elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde.Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo’n vuurwerk aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister—ingodsnaam zóó zacht dat gyzelf uw eenige hoorder zyt—fluister ’t onvermydelyke:hè...è...è...En houd u ’n spiegeltje voor!Dan, lezer—al waart gy de verfoeielykste atheïst—ontsnapt u de verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my dáártoe geschapen?En by zoo’n gelegenheid voelt men—tenzy men onvatbaar werd voor èlke gewaarwording—yverzucht op de intelligentie van z’n paraplui of laarzentrekker!Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaardebêtise! Men is handig by ’t aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Menwerptze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de hand! Allergevaarlykst!Eens namelyk heeft de traditioneele “iemand” die de hoofdpersoon is van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers houden van ’n zwermer, ’t even traditioneele “groot ongeluk” op den ... hals gehaald, dat ... enz.Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk!Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen verbieden zulke ruwe vermaken ... om ’t brandgevaar, sedert alle huizen met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu?En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis—byna zelfs kwam ze niet thuis—met ’n verbrande jurk! Gilde ze niet van de pret? En ’n jongen—altyd “de jongen die ook overal met z’n neus by moet wezen”—had-i niet eens—byna,alweer—’n volle lading in ’t gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest—nogeens:byna—dat z’n oogen ’t gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus?En... ’tmikkenmet zoo’n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders dan ’njoujou de Normandie!Ik weet—en betreur het van-harte!—dat er nog altyd hier-en-daar menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met schyfschieten, ’t ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, ’n naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. ’t Is waarachtig niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles ’n jongetje was, en of-i z’n opvoeding ontving in ’t pensionaat van Chiron!Zündnadels,Beaumonts,Chassepotszyn verachtelyke voorwerpen. Ze spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z’n eentje de parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo slaafs zich hielden aan deroutinedie ze meenamen uit den loop ...Sakkerloot, ziedaar ’t geheim opgelost van de verregaande ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende kogels zyn op-reis in den...aether, en willenaërolithspelen op deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan “aërolithen” en “aether” te gelooven.De voetzoeker—hoeden af, lezer!—geeft den drommel van zoo’n bekrompen loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z’n eigensenie... zou juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z’n weg. Hy spuwt vuur, en deinst voor ’treculvan z’n eigen strydlust. Hy kampt om ’t verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en wendt z’n grilligen loop, en kronkelt als ’n vliegende lintwurm. Hy schryft z’n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was, komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend, schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachtehuppeling, altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van ’t onverwachte, maar altyd de drager ook van ’n herhaalde opwekking tot gillend plezier.En de zevenklappers! ’t Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van z’n worp! En ... éénmaal ’n openstaand venster ingekeild, werden ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten ze—sarkastische demonen!—de kaars uit...De Archimedes die de evolutien van ’n rechtgeaarden zevenklapper weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg, omdat ik voor ditmaal aan ’t zeer byzonder effekt van ’n eerste uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter’s linkerwang, juist op ’t oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven: haarRubicon!Heel aangenaam zou ’t Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer ’t haar gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar ’t blyft de vraag of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden om zich te verzetten tegen finale verovering.De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat die prinses Erika mikken kon!Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep:—Heere Krrristis, wat’s dàt?Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet te vragen.Wat het wàs?Wèl... ’n brokstuk uit het “Register der Handelingen en Besluiten” van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en de lezer wordt uitgenoodigd, als by ’n vuurwerk, te blazen:hè...è...è!1Idee 1149 besluit M. met de overweging, datde massanoch goed noch slecht is.2= schennis van de menschelyke waardigheid.
De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders van deze eeuw. “En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan hem uit.” Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van beschermengelen.—Tast jy maar gerust toe, m’n jongen, en seneer je niet! Of wil je misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht hier blyft, zieje, om op me te passen...Wouter hield z’n jasje voorloopig aan.En... ’n lekker likeurtje heb ik ook voor je... ’t is beste! Van Fockink, weetje, die z’n fabriek heeft in... die nauwe straat, je weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonengemeene vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat ’s niet goed voor ’n jonkman als jy.De “jonkman” Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid hem ’n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z’n eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot jonkman was streelender nog dan ’t “in den handel” zyn.Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z’n nieuwbakken hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort worden toegemeten.—Wel wis en zeker, Wouter, je bent ’n jonkman, wist je dat niet? ’t Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen.Ikzeg dat je-n-’n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt niet! In ’t geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-’n pyp rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet ’n pypie rooken, net als andere mannen?“Mannen!”Help, Fancy!Wouter antwoordde dat-i “nog niet” rooken kon. ’t Kostte hem moeite dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar hy moest wel oprecht zyn omdat ’n eerste poging om Stoffel natedoen in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg.—Zóó? Rook je niet...Ze liet het, “nog” weg....rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is ’t ’n verkeerde gewoonte van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel—hy is zoo oud als jy, maar wat kleiner, en vryt met ’n nichtje van me—die rookt ook niet.Iemand zoo oud alshy, maarkleiner, en die al aan “vryen” deed: help, Fancy!—Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-’n effetieve jonkman bent. ’t Is heel mal dat ze je-n-altyd behandelen als ’n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om ’reis te noemen... zooeven op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar ’n zwakke vrouw ben, weetje? En ’t was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon dat ik ’n manspersoon by me had. Ik had je best ’n arm kunnen geven—je bent heusch grooter dan ik—maar ik deed het niet, omdat je-n-’n pakje droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht had hetkunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik ’s nachts met ’n heer liep.“Met ’n heer!”Fancy!—Want ’n mensch moet altyd zorgen voor z’n fatsoen! Hier binnen’skamers is ’t wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie ’n vrouw bekladt, is geen ware man, dit weet je-n-ook wel.Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z’n besef van loyauteit, dan helderheid in ’t begrip van: “bekladden.” Hy vertaalde juffrouw Laps’ maxime in z’n boekentermen, en las voor: “vrouw” en: “man” de hem gemeenzamer uitdrukkingen:dameen:ridder.’t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest over de likeur—par impossible, want ze was van Fockink—of dat de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had gesmaakt—onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie meebrengt—jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps zou hebben geschandvlekt? Nooit... “by m’n zwaard!”De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien, of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was ’t inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om de belegerde vesting. Had zeinderdaadmenschkunde bezeten, ze zou geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan had ze tevens—door geestelyke oefening veredeld!—geen lust gevoeld in zulke krygstochtjes en dus ’t heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde, maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar ’n mikroskopisch doeltje.Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op ’t zielkundig terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens ’t hare was. Want—wie zal dit begrypen?—haar scherpzinnigheid was minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou ’nman—overigens gelyk begaafd—uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, wanneer niet haar kinderachtigplannetjen in-verband had gestaan met verwrongen geslachtsdrift.Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van ’n paar gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand verdediging mogelyk was?En... Fancy? Wendde ze treurig ’t hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?Teekent haar de artist—die m’n werken illustreeren... zou, als ik ’t geluk had geen Hollander te zyn—wordt ze hier door den schilder voorgesteld in gebogen houding, handenwringend?Vlucht ze heen?Wat toch doet hier onze Fancy?Komaan, artisten—die m’n werken niet illustreert, omdat ik maar ’n Hollander ben, in-plaats van ’n zevende-klas buitenlandsche beroemdheid!—komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy’s wangen...Een geest weent niet om zoo weinig...Weg met die geknakte gestalte...Geesten bukken niet onder zoo geringen last!Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van dit alles!Kalm en ernstig—’n glimlach misstond er niet by!—zette zy haar kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier!Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort komen omdat haar feiten òpraken.Aventuur op aventuur! Is ’t u te veel? Ei, ziedaar... ’n nieuwen schok!Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn ’n nieuwen takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen, en knappen zal ze niet!Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst met ’n orkaan!En ze glimlacht!Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde voor ’t gelukken der menschenkennige kunstjes vanjuffrouw Laps. En ik verzoek hem uit-bestwil, z’n deel te nemen van die kalmte.Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan!Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was ’t slagen zéker?Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor ’t goede dan de verleidbaarheid van ’n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de zoetigheid van Fockink’s likeurtjes, en de nog zoeter drang van gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze!Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden “val”—och, arm!—blyft het misschien de vraag, of ’t Fancy de moeite waard wezen zou de wapens aantegorden in ’n stryd van zoo weinig belang? Dat... “booze” was maarordinair.Wanneer ze ’tdoet, geschiedt het waarschynlyk uit luim alleen. Want... luimig is ze. Luimig als ’t spel, als ’t weder, als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van ’trerum cognoscere causas!1En àls nu eens onze Fancy—uit zoogenaamden luim dan!—mocht blyven versmaden ’t belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls...Juffrouw Laps was ’n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling ligt aan de vermeende eischen van ’t boekmakers-ambacht. Sedert onheugelyke tyden gebruiken de heeren van ’tmétier, dergelyke zaakjes als hoofd-katastroof. ’t Afgezaagd: “en ze viel!” is de lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.Ze, ja,ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de daaruit voortspruitende behoefte aan ’n “fatsoenlyk huwelyk”—ik erken volmondig die behoefte, doch alleen: “omdat uwe harten boos zyn”—is ’t vallend voorwerp gewoonlyk ’n stumperige “zy.”Welnu, die “zy” begaat ’n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al vinden de lezers—die de zaak hardschreeuwend afkeuren!—zoo’n “val” allerplezierigst, en ’t onmisbaar element in ’n “mooi” boek:men moet niet vallen!En wanneer by uitzondering de valler ’n “hy” is ...Minder pikant, omdat demaatschappelykepozitie daardoor niet aan ’t wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter voor den “handel” geworden zyn wanneer-i z’n jasje had uitgetrokken, en z’n... vestjen er by!... als er ’n “hy” valt...Wèl,dan heeft-i ’n fout begaan, ’n Menschmoet niet vallen. Hy heeft beter dingen te doen.Doch—“hy” of “zy” dan—leugenis ’t, zulke nietigheidjes voortestellen als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen, de oude stumpert!Leugenachtigdus is die triumfelyke voorstelling van ’t kwade. Zoo overdryven kwakzalvers ’t gevaar van ’n lichte ongesteldheid, om hun poeiertjes aan-den-man te brengen.Enleugenis ’t ook uit ’n aesthetisch oogpunt, als men van zulke armzalige gegeventjes alleen, ’t zedelyk schoon of de leelykheid eener figuur wil laten afhangen.Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps ’n handje te helpen in haar plannetjes—’t staat aan my!—om te doen in ’t oog springen dat m’n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan worden gebracht. Maar ik heb ’t recht niet, m’n Fancy vóórtegrypen, die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen dat zulke valgeschiedenissen...Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!Vlek isvlek, bezoedeling isbezoedeling: geen genade voor de minste afwyking van de wetten derzedelyke logika...Zóó immers wordt “deugd” by denkers genoemd?Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde machtsverheffing van ’n zweertje tot kanker.’t Is lasteren van de deugd, haarby-uitsluitingte zoeken in ’t vermyden van zulke mis... greepjes.En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloekenpour si peu!Goddank, er zyn—’t geringe niet minachtend—verhevener dingen te bejagen!Goddank, er zyn—zonder de minste vergoelyking van pekelzondjes—vreeselyker zaken te vermyden!De te grypen eerekroon in ’t strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En wel is ’t jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys dien ze deelen met ’n eunuuk.Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur!Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht, of al wàre ze ’s morgens ontmoedigd weggeklept naar ’t hof van Wouter’s moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon gestruikeld was...Zou ze niet met ’n strenge vermaning zyn teruggezonden naar ’t zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar—zyzelf nu, de wachtster!—veranderd te worden in ’n zandkorrel, wegens al te grove miskenning van haar plicht?Er hoorde moed toe—krankzinnigheid liever!—dáár aantekomen met de boodschap:Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten:’t Hemelsche Ryk heeft ’n eind ... maak voor uw meerdere plaats!Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert,Met ’ncompositum mixtum.2van vleipraat en Fockink’s likeur!Wat de geesten zouden gelachen hebben!Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter was inderdaad opweg om ’n jonkman te worden. Misschien wàs-i ’t al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z’n bovenlip begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch.—Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als je-n-’n kind was, zou ’t geen kwaad kunnen, want ’n kind heeft geen erg. Maarjy!Zeker,hymoest “erg” hebben! En z’n jeugdig kneveltje was er volstrekt niet tegen om “erg” te krygen. “Al wat van zelven wast, behoeft men niet te zaaien!” zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig van ’t begieten.—Laat my je nu reis inschenken...Wouter dronk.En ... Fancy?Ze glimlachte!Allerlichtzinnigst voor ’n hofdame uit het gebied der geesten?Toch niet!—Hoe vind je nu dàt likeurtje?Wouter erkende...Fancy, Fancy!Wouter erkende dat-i smaak vond in deparfait-amouruit de steeg die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich welstaanshalve te onthouden van “erg”.En ’t winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote noten dan.—En, je moest er wat by eten ook, m’n allerbeste jongen—gut, ik heb altyd zooveel van je gehouden—dat ’s zoo gezond by ’n likeurtje!God-vergeef-’m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog ’n oogenblik, en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis!Fancy, ben je blind?—En trek jy gerust je jasjen uit, m’n lieveling! Je moet denken, we zyn hier onder ons beidjes.Een koninkryk voor ’n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok waarachtig z’n jasjen uit!Fancy!—Heelemaal met ons beidjes, zieje!Fancy, ben je doof?—En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo’n lieve beste jongen bent...Fancy... deern!Wouter schikte by.Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben!Och neen!Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond voor z’n hoop!“Maar, eilieve... dat is de ware echte oude:zal-i, zal-i-niet-litteratuur!”Ja, lezer! In stipt-letterlykenzin, ja! Maar overigens?Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden?Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder zou kunnen innemen zonder in ’t leger der Menschheid als rekruut te hebben dienst gedaan van de patroontasch af?Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy’s leiding, dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie ’t loochent, liegt even misdadig als de miskenner van ’t hoogere, van ’t goede, want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar.Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in ’tsierlyk aankleedenvan ’t gemeene, en vooral in ’tbelangryk makenvan onnoozele lapsische platheid.Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over ’t veldtochtje van haar stumperige vyandin?De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo’n wyf niet. En ook onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was, zelfs aan de nuchterheid van ’n kind.Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt in z’n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd hebben, als-i genoopt ware geworden z’n indruk te vertolken in ’n woord.Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak,als zoodanig, niet tot ’n wereldberoerende kalamiteit, tot ’ncasus diluvii! Och, wat zouden we weinig droge jaren hebben als er ’n god was die regenplassend toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen!Nogeens, juffrouw Laps wàs ’n slecht schepsel. Om ’t beoogde feit niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen omdàt ze nu eenmaal ’n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging, zittende levenswys, en ’n tal van dusdanige ziekten meer, zouden kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld.Ik kan me zelfs ’n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd tot finale vryspraak.Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was inderdaad ’n slecht schepsel, en daarmee voor ’t oogenblik: uit! Of zou men misschien...Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten, noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel...Och, in myn oog zou ’t mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te hebben op ’n goedig: “uw zonden zyn u vergeven, ga heen en...arbeid!”Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken.Misschien had juffrouw Laps de “deugd” van ons kereltje met rust gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen, schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, ’t verstellen der onderbroeken van ’n pastoor.Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben toegeschenen aan besmette zieken!Ziek, ziek ... ziedaar ’t woord! Juffrouw Laps was ziek!Hoe is ’t mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd ziekteverschynselsvan erger soortte schetsen. Ik zal me die laten leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van ’n aard, dat men byna achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers opgemerkt dat ze haar “God” wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis van ’t gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees alzoo voor—vermeenden—wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had het schepsel de verdienste derSancta Simplicitas. Ze theologizeerde er niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of genen “Heer” ’n pleizier deed door ’t uittrekken van z’n jasje. Dit, of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes, huiselyke namiddagkoortsjes van... pest!Wouter, overigens...goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou ’r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den hoogstberoemden Nederlander Fockink nog ’n graad of wat sterker geweest.Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong zich nog altyd de handen in ’t minst niet, zy die toch blyk gaf van strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter’sfélonievan den vorigen dag!Fancy was, enis... liberaal!Teliberaal?Voyons!Beste lezer—ik bedoel: gy die onder al m’n lezers de minst onoprechte zyt—stel u eens op ’n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En houd boek!Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de legioenen opengereten boezems...Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich op ’t hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die eenmaal voor elk hunner de traditioneele “eerste” was...Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al ’t geween, ’nde profundisuit het gekners der tanden...Bevolk ’n zoölogisch muzeum met al de wurmen die ’t gezelschap inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid...En dan...Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als ’n vóórhel? Als ’n pleisterplaats van verdoemden?Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd, van krizes als waaraan hy was blootgesteld.Want... zulke krizes en zulke nederlagenbestaan! Ze liggen in den aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen—’t kinderachtig wègdenken helpt niet!—als ’n atoom of ’n zon. Zoomin loochenen als wiskunstige waarheid.Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akelighedennietontwaart, wienietstuit op de sporen die “zonde” nalaat, op zùlke sporen van zùlke zonden...Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis iknietontkennen mag, helaas!Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes optenemen, en niet den minsten last te geven tot hetilicoop-stapel zetten van ’n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek.Onder ons gezegd—en niet gebleven, naar ik hoop!—het komt me voor, dat de god vanGenesis VIzich kleingeestig aanstelde, en dat het z’n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy.Maar sterk wàs de likeur, dit is waar!En dat Wouter er meer van dronk dan goed was—voor z’n maag vooral!—is ook waar.Hy verloor dan ook iets van z’n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit denzelfden sleutel zongen.Dat zou straks wel beteren, hoopte ze.Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z’n komst, of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z’n gastvrouw scheen alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en spreidde by Wouter’s herinnering daaraan, ’n dapperheid ten-toon, die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken.’t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z’n aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z’n slecht gezelschap.—Ikzou ze... denk je dat ik bang ben voor ’n kerel? zei juffrouw Laps. In ’t geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de heele wereld niet! Ik zou ze...Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefdehyniet te... zouwen.Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel kind.—Blyf jy hier, riep ’t wyf,ikga kyken,ik! Denk je dat ik jou wil laten slaan of steken of vermoorden, m’n jongen ... dat nooit! Wie aan jou komt, komt aan my ... aanmy, hoorje, dàt zullen ze ondervinden!En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom ergens ’n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in ’t donker alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begonen quenouillete vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en wering zoeken onder haar voorschoot.—Maar, juffrouw ...—Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien tegen me zeggen.Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief.—Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?—Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak was dat je hier zou blyven... ontbyten.Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert ’n uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om te rillen!—Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal ’n kermisbedje voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen ben—ik, als vrouw, weetje—met al die dieven en moordenaars, dan wordt ik zoo... griezelig.Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend gelast werd...Hy weifelde...Zy hield aan...Hy begon...Men bedenke dat het kind beneveld was!O Fancy! Liberalismus is ’n goede zaak, en na de bemoedigende statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan zou al...Maar toch...franchement, Fancy, is ’t niet jammer van den jongen?1= het kennen van de oorzaken der dingen.2= mengsel.
De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders van deze eeuw. “En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan hem uit.” Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van beschermengelen.
De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders van deze eeuw. “En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan hem uit.” Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van beschermengelen.
—Tast jy maar gerust toe, m’n jongen, en seneer je niet! Of wil je misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht hier blyft, zieje, om op me te passen...
Wouter hield z’n jasje voorloopig aan.
En... ’n lekker likeurtje heb ik ook voor je... ’t is beste! Van Fockink, weetje, die z’n fabriek heeft in... die nauwe straat, je weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonengemeene vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat ’s niet goed voor ’n jonkman als jy.
De “jonkman” Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid hem ’n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z’n eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot jonkman was streelender nog dan ’t “in den handel” zyn.
Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z’n nieuwbakken hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort worden toegemeten.
—Wel wis en zeker, Wouter, je bent ’n jonkman, wist je dat niet? ’t Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen.Ikzeg dat je-n-’n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt niet! In ’t geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-’n pyp rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet ’n pypie rooken, net als andere mannen?
“Mannen!”
Help, Fancy!
Wouter antwoordde dat-i “nog niet” rooken kon. ’t Kostte hem moeite dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar hy moest wel oprecht zyn omdat ’n eerste poging om Stoffel natedoen in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg.
—Zóó? Rook je niet...
Ze liet het, “nog” weg.
...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is ’t ’n verkeerde gewoonte van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel—hy is zoo oud als jy, maar wat kleiner, en vryt met ’n nichtje van me—die rookt ook niet.
Iemand zoo oud alshy, maarkleiner, en die al aan “vryen” deed: help, Fancy!
—Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-’n effetieve jonkman bent. ’t Is heel mal dat ze je-n-altyd behandelen als ’n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om ’reis te noemen... zooeven op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar ’n zwakke vrouw ben, weetje? En ’t was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon dat ik ’n manspersoon by me had. Ik had je best ’n arm kunnen geven—je bent heusch grooter dan ik—maar ik deed het niet, omdat je-n-’n pakje droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht had hetkunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik ’s nachts met ’n heer liep.
“Met ’n heer!”
Fancy!
—Want ’n mensch moet altyd zorgen voor z’n fatsoen! Hier binnen’skamers is ’t wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie ’n vrouw bekladt, is geen ware man, dit weet je-n-ook wel.
Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z’n besef van loyauteit, dan helderheid in ’t begrip van: “bekladden.” Hy vertaalde juffrouw Laps’ maxime in z’n boekentermen, en las voor: “vrouw” en: “man” de hem gemeenzamer uitdrukkingen:dameen:ridder.
’t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest over de likeur—par impossible, want ze was van Fockink—of dat de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had gesmaakt—onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie meebrengt—jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps zou hebben geschandvlekt? Nooit... “by m’n zwaard!”
De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien, of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was ’t inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om de belegerde vesting. Had zeinderdaadmenschkunde bezeten, ze zou geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan had ze tevens—door geestelyke oefening veredeld!—geen lust gevoeld in zulke krygstochtjes en dus ’t heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde, maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar ’n mikroskopisch doeltje.
Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op ’t zielkundig terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens ’t hare was. Want—wie zal dit begrypen?—haar scherpzinnigheid was minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou ’nman—overigens gelyk begaafd—uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, wanneer niet haar kinderachtigplannetjen in-verband had gestaan met verwrongen geslachtsdrift.
Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van ’n paar gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand verdediging mogelyk was?
En... Fancy? Wendde ze treurig ’t hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?
Teekent haar de artist—die m’n werken illustreeren... zou, als ik ’t geluk had geen Hollander te zyn—wordt ze hier door den schilder voorgesteld in gebogen houding, handenwringend?
Vlucht ze heen?
Wat toch doet hier onze Fancy?
Komaan, artisten—die m’n werken niet illustreert, omdat ik maar ’n Hollander ben, in-plaats van ’n zevende-klas buitenlandsche beroemdheid!—komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy’s wangen...
Een geest weent niet om zoo weinig...
Weg met die geknakte gestalte...
Geesten bukken niet onder zoo geringen last!
Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van dit alles!
Kalm en ernstig—’n glimlach misstond er niet by!—zette zy haar kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier!
Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...
Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort komen omdat haar feiten òpraken.
Aventuur op aventuur! Is ’t u te veel? Ei, ziedaar... ’n nieuwen schok!
Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn ’n nieuwen takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen, en knappen zal ze niet!
Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst met ’n orkaan!
En ze glimlacht!
Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!
Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.
Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.
De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde voor ’t gelukken der menschenkennige kunstjes vanjuffrouw Laps. En ik verzoek hem uit-bestwil, z’n deel te nemen van die kalmte.
Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan!
Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was ’t slagen zéker?
Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor ’t goede dan de verleidbaarheid van ’n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de zoetigheid van Fockink’s likeurtjes, en de nog zoeter drang van gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze!
Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden “val”—och, arm!—blyft het misschien de vraag, of ’t Fancy de moeite waard wezen zou de wapens aantegorden in ’n stryd van zoo weinig belang? Dat... “booze” was maarordinair.
Wanneer ze ’tdoet, geschiedt het waarschynlyk uit luim alleen. Want... luimig is ze. Luimig als ’t spel, als ’t weder, als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van ’trerum cognoscere causas!1
En àls nu eens onze Fancy—uit zoogenaamden luim dan!—mocht blyven versmaden ’t belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls...
Juffrouw Laps was ’n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling ligt aan de vermeende eischen van ’t boekmakers-ambacht. Sedert onheugelyke tyden gebruiken de heeren van ’tmétier, dergelyke zaakjes als hoofd-katastroof. ’t Afgezaagd: “en ze viel!” is de lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.
Ze, ja,ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de daaruit voortspruitende behoefte aan ’n “fatsoenlyk huwelyk”—ik erken volmondig die behoefte, doch alleen: “omdat uwe harten boos zyn”—is ’t vallend voorwerp gewoonlyk ’n stumperige “zy.”
Welnu, die “zy” begaat ’n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al vinden de lezers—die de zaak hardschreeuwend afkeuren!—zoo’n “val” allerplezierigst, en ’t onmisbaar element in ’n “mooi” boek:men moet niet vallen!
En wanneer by uitzondering de valler ’n “hy” is ...
Minder pikant, omdat demaatschappelykepozitie daardoor niet aan ’t wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter voor den “handel” geworden zyn wanneer-i z’n jasje had uitgetrokken, en z’n... vestjen er by!
... als er ’n “hy” valt...
Wèl,dan heeft-i ’n fout begaan, ’n Menschmoet niet vallen. Hy heeft beter dingen te doen.
Doch—“hy” of “zy” dan—leugenis ’t, zulke nietigheidjes voortestellen als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!
Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.
Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen, de oude stumpert!
Leugenachtigdus is die triumfelyke voorstelling van ’t kwade. Zoo overdryven kwakzalvers ’t gevaar van ’n lichte ongesteldheid, om hun poeiertjes aan-den-man te brengen.
Enleugenis ’t ook uit ’n aesthetisch oogpunt, als men van zulke armzalige gegeventjes alleen, ’t zedelyk schoon of de leelykheid eener figuur wil laten afhangen.
Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps ’n handje te helpen in haar plannetjes—’t staat aan my!—om te doen in ’t oog springen dat m’n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan worden gebracht. Maar ik heb ’t recht niet, m’n Fancy vóórtegrypen, die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen dat zulke valgeschiedenissen...
Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.
En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!
Vlek isvlek, bezoedeling isbezoedeling: geen genade voor de minste afwyking van de wetten derzedelyke logika...
Zóó immers wordt “deugd” by denkers genoemd?
Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde machtsverheffing van ’n zweertje tot kanker.
’t Is lasteren van de deugd, haarby-uitsluitingte zoeken in ’t vermyden van zulke mis... greepjes.
En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloekenpour si peu!
Goddank, er zyn—’t geringe niet minachtend—verhevener dingen te bejagen!
Goddank, er zyn—zonder de minste vergoelyking van pekelzondjes—vreeselyker zaken te vermyden!
De te grypen eerekroon in ’t strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En wel is ’t jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys dien ze deelen met ’n eunuuk.
Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur!
Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht, of al wàre ze ’s morgens ontmoedigd weggeklept naar ’t hof van Wouter’s moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon gestruikeld was...
Zou ze niet met ’n strenge vermaning zyn teruggezonden naar ’t zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar—zyzelf nu, de wachtster!—veranderd te worden in ’n zandkorrel, wegens al te grove miskenning van haar plicht?
Er hoorde moed toe—krankzinnigheid liever!—dáár aantekomen met de boodschap:
Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten:’t Hemelsche Ryk heeft ’n eind ... maak voor uw meerdere plaats!Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert,Met ’ncompositum mixtum.2van vleipraat en Fockink’s likeur!
Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten:
’t Hemelsche Ryk heeft ’n eind ... maak voor uw meerdere plaats!
Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert,
Met ’ncompositum mixtum.2van vleipraat en Fockink’s likeur!
Wat de geesten zouden gelachen hebben!
Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter was inderdaad opweg om ’n jonkman te worden. Misschien wàs-i ’t al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z’n bovenlip begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch.
—Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als je-n-’n kind was, zou ’t geen kwaad kunnen, want ’n kind heeft geen erg. Maarjy!
Zeker,hymoest “erg” hebben! En z’n jeugdig kneveltje was er volstrekt niet tegen om “erg” te krygen. “Al wat van zelven wast, behoeft men niet te zaaien!” zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig van ’t begieten.
—Laat my je nu reis inschenken...
Wouter dronk.
En ... Fancy?
Ze glimlachte!
Allerlichtzinnigst voor ’n hofdame uit het gebied der geesten?
Toch niet!
—Hoe vind je nu dàt likeurtje?
Wouter erkende...
Fancy, Fancy!
Wouter erkende dat-i smaak vond in deparfait-amouruit de steeg die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich welstaanshalve te onthouden van “erg”.
En ’t winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote noten dan.
—En, je moest er wat by eten ook, m’n allerbeste jongen—gut, ik heb altyd zooveel van je gehouden—dat ’s zoo gezond by ’n likeurtje!
God-vergeef-’m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog ’n oogenblik, en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis!
Fancy, ben je blind?
—En trek jy gerust je jasjen uit, m’n lieveling! Je moet denken, we zyn hier onder ons beidjes.
Een koninkryk voor ’n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok waarachtig z’n jasjen uit!
Fancy!
—Heelemaal met ons beidjes, zieje!
Fancy, ben je doof?
—En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo’n lieve beste jongen bent...
Fancy... deern!
Wouter schikte by.
Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben!
Och neen!
Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond voor z’n hoop!
“Maar, eilieve... dat is de ware echte oude:zal-i, zal-i-niet-litteratuur!”
Ja, lezer! In stipt-letterlykenzin, ja! Maar overigens?
Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden?
Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder zou kunnen innemen zonder in ’t leger der Menschheid als rekruut te hebben dienst gedaan van de patroontasch af?
Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy’s leiding, dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie ’t loochent, liegt even misdadig als de miskenner van ’t hoogere, van ’t goede, want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar.
Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in ’tsierlyk aankleedenvan ’t gemeene, en vooral in ’tbelangryk makenvan onnoozele lapsische platheid.
Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over ’t veldtochtje van haar stumperige vyandin?
De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo’n wyf niet. En ook onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was, zelfs aan de nuchterheid van ’n kind.
Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt in z’n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd hebben, als-i genoopt ware geworden z’n indruk te vertolken in ’n woord.
Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak,als zoodanig, niet tot ’n wereldberoerende kalamiteit, tot ’ncasus diluvii! Och, wat zouden we weinig droge jaren hebben als er ’n god was die regenplassend toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen!
Nogeens, juffrouw Laps wàs ’n slecht schepsel. Om ’t beoogde feit niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen omdàt ze nu eenmaal ’n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging, zittende levenswys, en ’n tal van dusdanige ziekten meer, zouden kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld.Ik kan me zelfs ’n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd tot finale vryspraak.
Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was inderdaad ’n slecht schepsel, en daarmee voor ’t oogenblik: uit! Of zou men misschien...
Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten, noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel...
Och, in myn oog zou ’t mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te hebben op ’n goedig: “uw zonden zyn u vergeven, ga heen en...arbeid!”
Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken.
Misschien had juffrouw Laps de “deugd” van ons kereltje met rust gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen, schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, ’t verstellen der onderbroeken van ’n pastoor.
Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben toegeschenen aan besmette zieken!
Ziek, ziek ... ziedaar ’t woord! Juffrouw Laps was ziek!
Hoe is ’t mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd ziekteverschynselsvan erger soortte schetsen. Ik zal me die laten leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van ’n aard, dat men byna achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers opgemerkt dat ze haar “God” wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis van ’t gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees alzoo voor—vermeenden—wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had het schepsel de verdienste derSancta Simplicitas. Ze theologizeerde er niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of genen “Heer” ’n pleizier deed door ’t uittrekken van z’n jasje. Dit, of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes, huiselyke namiddagkoortsjes van... pest!
Wouter, overigens...goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou ’r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den hoogstberoemden Nederlander Fockink nog ’n graad of wat sterker geweest.
Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong zich nog altyd de handen in ’t minst niet, zy die toch blyk gaf van strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter’sfélonievan den vorigen dag!
Fancy was, enis... liberaal!
Teliberaal?
Voyons!
Beste lezer—ik bedoel: gy die onder al m’n lezers de minst onoprechte zyt—stel u eens op ’n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En houd boek!
Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de legioenen opengereten boezems...
Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich op ’t hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die eenmaal voor elk hunner de traditioneele “eerste” was...
Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al ’t geween, ’nde profundisuit het gekners der tanden...
Bevolk ’n zoölogisch muzeum met al de wurmen die ’t gezelschap inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid...
En dan...
Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als ’n vóórhel? Als ’n pleisterplaats van verdoemden?
Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd, van krizes als waaraan hy was blootgesteld.
Want... zulke krizes en zulke nederlagenbestaan! Ze liggen in den aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen—’t kinderachtig wègdenken helpt niet!—als ’n atoom of ’n zon. Zoomin loochenen als wiskunstige waarheid.
Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akelighedennietontwaart, wienietstuit op de sporen die “zonde” nalaat, op zùlke sporen van zùlke zonden...
Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis iknietontkennen mag, helaas!
Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes optenemen, en niet den minsten last te geven tot hetilicoop-stapel zetten van ’n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek.
Onder ons gezegd—en niet gebleven, naar ik hoop!—het komt me voor, dat de god vanGenesis VIzich kleingeestig aanstelde, en dat het z’n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy.
Maar sterk wàs de likeur, dit is waar!
En dat Wouter er meer van dronk dan goed was—voor z’n maag vooral!—is ook waar.
Hy verloor dan ook iets van z’n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit denzelfden sleutel zongen.
Dat zou straks wel beteren, hoopte ze.
Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z’n komst, of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z’n gastvrouw scheen alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en spreidde by Wouter’s herinnering daaraan, ’n dapperheid ten-toon, die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken.
’t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z’n aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z’n slecht gezelschap.
—Ikzou ze... denk je dat ik bang ben voor ’n kerel? zei juffrouw Laps. In ’t geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de heele wereld niet! Ik zou ze...
Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefdehyniet te... zouwen.
Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel kind.
—Blyf jy hier, riep ’t wyf,ikga kyken,ik! Denk je dat ik jou wil laten slaan of steken of vermoorden, m’n jongen ... dat nooit! Wie aan jou komt, komt aan my ... aanmy, hoorje, dàt zullen ze ondervinden!
En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom ergens ’n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in ’t donker alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begonen quenouillete vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en wering zoeken onder haar voorschoot.
—Maar, juffrouw ...
—Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien tegen me zeggen.
Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief.
—Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?
—Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak was dat je hier zou blyven... ontbyten.
Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert ’n uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om te rillen!
—Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal ’n kermisbedje voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen ben—ik, als vrouw, weetje—met al die dieven en moordenaars, dan wordt ik zoo... griezelig.
Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend gelast werd...
Hy weifelde...
Zy hield aan...
Hy begon...
Men bedenke dat het kind beneveld was!
O Fancy! Liberalismus is ’n goede zaak, en na de bemoedigende statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan zou al...
Maar toch...franchement, Fancy, is ’t niet jammer van den jongen?
1= het kennen van de oorzaken der dingen.2= mengsel.
1= het kennen van de oorzaken der dingen.
2= mengsel.
Dit hoofdstuk is gekopieerd uit ’n oud Register der handelingen en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld.(De lezer kan staatmaken op meer.)’t Verhaal vanKlaas Verlaan, den “Amstelhavenknecht.” Geleerde verhandeling over voetzoekers. JuffrouwLapswikt, Fancy beschikt.Om van Fancy’s spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is ’t noodzakelyk eenige uren terug te gaan.De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met ’n bezoek, ’n hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat de zaak mislukt was door ’n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige gevolgen moge gehad hebben voor ’t evenwicht van haar ziel.Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van ’t vak beweerden “dat er geen zuchtjen aan de lucht was.” Wie zich anders uitdrukte, werd voor ’n landkrab gehouden.Het plezier-roeien was nog niet in de mode—de mode had ongelyk, want het is ’n flinke mannelyke oefening—doch al ware dit anders geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van ’t gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers.In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo’n matrozige inspanning ’n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in ’n stuurstoel lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen, en had dus eigenlyk alleen aanspraak op ’t plezier.Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z’n werkniet. Hy scheen elders bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters ’n spotdeuntje voor, op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam heen-en-weer pauwden in stof en hitte.Ja, ’t was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als menschen. Dejoujoux de Normandie—’t speel- en groettuig derbeau-mondevan dien tyd—klommen al trager en trager by hun koordjes op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toonschreef voor, dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets, heette:morbidezza. De beweging der vingers, die ’t kleine rukje moest meedeelen waardoor ’t stygen werd te-weeg gebracht, behoorde onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand, en zelfs by-mangel aan beter, voor genie.Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin ’n groot gedeelte van ’tprestigein hofkringen, dat haar inderdaad niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee ze wist omtegaan met denjoujou de Normandie. Volgens Stuart Mill was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en ’t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in ’t bezit was van ’t geheim om ’t belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen, en zeer langzaam te laten dalen langs de door ’n onnaspeurlyke oorzaak gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is dus afgesneden.Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven—op één na, want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!—mag waar zyn, maar toch... haar virtuoziteit op denjoujouwas en bleef hoofdzaak.En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men ’t helpen kan—dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval geweest—terwyl er tot het wel besturen van ’n paar palmhouten schyfjes aan ’n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor ’n koning zeggen:Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas me faire l’amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que mon diable d’... allié vient de loger dans ma capitale?Of:Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest und chouchouirtest?Nu spreekt ’n prinsje:—Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt widerhält mich ... auf Ehre!Clotho,ich beehre mich Ihr Sclave zu sein.Lachesis,Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, oAthropos!Schicke den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheuteParkewie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken, verehrungswürdigsteParkeDurchlaucht!Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid ishier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen, en toch de moeite van ’t aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo’n leegte. Ik heb kooplieden gekend jazelfs werkluî, die praten konden als ’n... prins nà den bloei van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo:Een prinsesje spreekt:—Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe zusammen fischen, Cousine!’nSterveling van lager soort:—Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche Hoheit’s göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste Wahrheit.Enz. Enz.Al deze menschen logen ’n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom dan ’n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad ’n aanstelling by ’nköniglich-kaiserlichehofkeuken. Wat wil men meer?Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou ’n blyk van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel—men weet reeds dat ze roode puistjes in ’t gezicht had, en ik voeg er nu by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen: dit isiets!—welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen zyn wanneer ik m’n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk,of als bekwaam in belangryker zaken dan ’t op-en-neerwippen van ’njoujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig.Een ruiter naderde haar koets.—Eh bieng, zjefalier, n’est-ze-pas qu’il fait affreussemang chaud dang ze pays?—Wie K. K. Hoheit befehlen.—Ch’étouve!—Zu dienen.—Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist sie vor? Wo ist sie?De “chevalier” werd door ’n toedringende volksmenigte van de koets gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oudeschool, en hy durfde zich niet wagen aan ’t duitsche hoffransch van de Palatine, waaraan-iadmirablemangwèl deed. Ten-tweede bezat-i te veelroutinevan nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de “wilde kat.” Dit katje namelyk was ’n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een groep welwillende zangers kwam z’n verschrikte diplomatie te-hulp:“Amour à la plus belle,Honneur au plus vaillant...Ja, ja, lezer, er is ’n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche jenever—amsterdamsche proef—zich openbaarde in fransche romances. Of onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de bedoeling van den auteur, vandeauteur, liever...De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haarjoujouriep zy ’n zeer elegant jongmensch van ’n jaar of achttien tot zich; dien zy in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groetteganz rittermässigmet z’n karwats terug, en drong door de menigte heen.—Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh, mong Dié, quelle pronongziaziong!—Vous avez l’oreille si délicate, ma Cousine!—Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir ’nmal, wo ist denn Ihre Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen?—Ma foi il y a plus d’une heure que je ne l’ai vue! Elle s’amuse peut-être là-bas, au village d’Awercric. Qui sait si elle n’a pas passé l’eau. Vous savez, Palatine, qu’elle n’a pas l’habitude de se gêner...Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets van te zien krygen,parole d’honneur!Honneur au plus vaillant!schreeuwde nu weer ’n troep al te opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw ’n oogenblik onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen “kavalier” naar zich toe, en knoopte dan ’n gesprek aan, dat echter telkens door de volte werd afgebroken.Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van ’t woord “kavalier” te rymen op: “duitsche manier” in welk geval ’t niet “ruiter” beteekent, maar ’n “heer van den hove” ’nhoffähiger gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: ’nedelman. Niet zonder deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy ’t dan dat in dit geval de “kavaliere” werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan ’t uitleggen ben... ’t woord: “harken” is van my. Ik nam de vryheid daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp met denjoujou.De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het kon niet anders, om de volte.Bovendien, de souvereinen verkeerden in ’n ziekelyke bui van “Volksthümlichkeit.” De mode van den dag bracht ’n misselyke neerbuigings-maniemee, en de meeste rangmenschen overdreven de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat vroeger de hoepelrokken, en latercrinolines,vryen-arbeidofchignons. Rousseau—die beter wist, of althans beter weten kon—had de afgezaagde theorie van “ce bon peuple” op frazen gezet, en wie te arm was om gedachten te bezitten op z’n eigen hand, neuriede die frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En dit is nòg zoo.’t Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag, gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen heette dat “goede Volk” zeer dikwyls doodeenvoudig:la canaille, ’n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau.1Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde betreft, vergeten we nooit dat ook “ce bon peuple” geen grein oprechter is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van ’t Volk zeggen kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt “vivat!” en denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met m’n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan ’n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin was de laatste die op ’t denkbeeld komen zou—’t was zoo warm!—dat deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door ’n lakei op ’n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z’n zuster—’t Waldkätzchen?—hem ’n boodschap had gezonden uit “Awercric.” En:—Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics à me prêter?vroeg hy.—Che parie que z’est pour elle!—Si!—Elle fait donc angcore l’angrachée, che pangse!—C’est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans l’embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je n’ai qu’une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad te-boven in K. K. Hoogheid. En ’t “boschkatje” was de verloofde van ’n Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien hebben zou. De Paltsgravin—”Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!”—was dus wel genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik ’n goudbeursjen overtereiken. Deze gaf ’tden lakei, die ’r mee wegreed zoo snel de volte gedoogde.Prins Erik’s zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet ik niet, maar zeker is ’t dat de dankbaarheid—d. i. de betuiging van die aandoening—haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond verstand toelieten.We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk ’n zware brand was geweest—men assureerde niet in die dagen—of... ’n landman had al z’n koeien verloren aan de veepest—Thorbecke was nog niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien—of... ’n ongehuwde kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige verlossing—de zedekundige lezer weet misschien dat de “deugd” dit niet gedoogde in Wouter’s tyd—of...Hoe ’t zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid uitgericht, ’n soort vandébauchewaaraan ze zich zeer dikwyls tebuiten ging. Goed was ’t zeker niet, maar er zyn erger ondeugden, en ik ken velen die ’t recht niet hebben zulke karakterfouten te laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan ’t waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in ’t karakter van prinses Erika.By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar gevolg afgeraakt.Om de menigte te ontwyken, die—juichend, dankend en... vooral lastig—op haar toedrong, was zy in ’n roeischuitje gesprongen, dat aan ’n steiger lag, en waarin ’n man zat te slapen of nagenoeg. ’t Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de “Amstelhavenknecht.”De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers berstten in lachen uit om ’t malle gezicht dat-i zette.Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg ’n vuurrood satynen kleed met ’n langen sleep dien zy echter—zoo-even reeds by den brand zeker, of by de kraamvrouw, of by de koeien—had opgeg...—Opgegeid, noemde ’t Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de historie vertelde aan z’n kleinkinderen.’t Was depièce de résistancevan z’n ondervinding. Nu, sommigen hebben minder beleefd!—Se sag er uit as ’n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er ’n ster in m’n jol was gefalle, so flamde ze!Komaan, we zullen Klaas Verlaan ’t woord geven, maar ik heb geen lust z’n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man moet gesproken hebben.—Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in ’n doosje by de Staten-overzetting. ’t Lykt wel ’n kinderkousje. Want haar vingers waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! Enop ’t hoofd ’n toren van poeier ... net ’n grooten sneeuwbal! Maar ’t gezichtje was lief, dat moet ik zeggen!En ik was ’n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist waarachtig niet wat ik in m’n schuit had, en of ik moest vloeken ofsiveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist hoe ik ’t had, pakt ze me-n-’n-riem, en zet m’ flink tegen den wal, en zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by ’t uithalen, want het ding zat wel half-blads in den modder, en ’t zóóg als de bliks... lager. Maar ze liet ’m steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we!Maar ik was kwaad as ’n spin, en zei—met ’n vloek, want ik vloekte nog in dien tyd—dat ik baas op m’n jol was. Ja, dat zei ik.—Ich rudern!riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was miserabel. En ze greep naar m’n anderen riem. Maar dáár was ik als de kippen by!—Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen, maar weetje wat ik zei? Ik zei: m’n vader is geen breeuwer, zei ik, en ik hou m’n riem!Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien als ’n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en grabbelde-n-in haar tasch—’n fluweelen ding met gouden knip, dat met ’n haak in haar middel zat—en ze haalde-n-er ’n stuk geld uit, en wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om ’t geld, weetje, dat ze me wees, want, dacht ik, wat kan ’t my schelen of de menschen lachen aan-wal? ’t Kon m’n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. ’t Zag er uit als ’n dukaat, maar ’t ding was meer waard. Dat heb ik later gemerkt toen ik ’t wisselde op den Vygendam... met al de anderen, want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.—Rücken?riep ze.—Wrikken, riep ik. Kyk... zóó!En ik wou ’t haar wyzen.Maar ’t ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien roeiers te krygen tegen één wrikker.Ik wees haar hoe ze d’r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan ’n vuist, maar ze liep er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als ’n kievit zoo vlug.Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m’n hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut, op vechten af!Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik ’t vroeg, riep ze: “rücken, rücken!”Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! ’n Mensch moet toch weten waar-i heen wil!We sukkelden stroom-af—meest gatje-voor!—en naderden de Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m’n dukaat, en de grap is uit. Maar jawèl!Op-eens houdt ze met wrikken op—’t zweet liep haar by droppels van ’t gezicht!—en leî den riem op den doften. Toen wou ik ’t ding grypen, omdat ik ’n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen ... ik zal ’t jelui maar zeggen, ze wou te-water!Ik schrok er van! ’t Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... zewou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo’n moffendukaat in de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor ’t stuk, en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by ’m te-recht. Dáárvan is ’t zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de waarheid vertel. Ook ’t gouden ooryzer van m’n oudje—dat nu jeluî Grietje-meu draagt—is van dien tyd.Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek wordenwilt, of sterven, of rimmetiek krygen...Ze trok ’r schoentjes uit, en ’r satynen kleed, en meer nog. Maar ze hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-’t hoofd als ’n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had nog nooit zoo-iets gezien... van ’n vrouwmensch, weet jelui? Flink koppie-over!Eerst was ik bang voor ’n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet, en als ’t mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar ’t hoefde niet, wantzyzwom wel. Als ’n eend! Of liever als ’n paling, want ze kronkelde-n-onder m’n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere zy... als ’n dobber hoor! ’t Speet me toch evel dat ik niet ook zoo thuis was in ’t water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo de gewoonte niet. Zy was zeker uit ’n land waar de menschen niet zoo zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m’n pyjekker die in de jol lag, en sloeg zich ’t ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag ’n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net’n wilde kat.Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar ik durfde niet binnengaan, omdat het ’t huisje was van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou ’t heel kwalyk hebben genomen dat ik met zoo’n vreemd schepsel in z’n jacht-huisje gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat, dat kàn—om den dukaat, weetje—maar... m’nheer Kopperlith woont op de Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens teweten. Hoor eens, kinderen, wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat’s maar zeker!Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-’t bruggetje niet over, met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.En daar stond ik!De menschen van de brug riepen: “dat is ’t huisje van m’nheer Kopperlith, denk er om!”Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m’n dochter Geert kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is...Maar toen was ze-n-’n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei:—Vader, laat ’r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren.Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie van de Jachthaven. ’t Kon my m’n ontslag kosten als ik rare dingen deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes.Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in ’t oog. Ze vliegt ’t huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met ’r heen.Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?Maar... ’n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z’n dag goed is, voor bedtyd!Zoo eindigde Solon Verlaan ’t eerste hoofdstuk van z’n verhaal. Het tweede en laatste zalikvertellen, of vanzelf laten spreken. We laten dus ’t boschkatje voor ’t oogenblik onder de hoede van de aanstaande Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te “klaren”. Nu, dit deed ze. Sint Maarten was er niets by.Op den ryweg langs den Amstel joelde ’t Volk maar altyd voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor ’t mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks voor alle mogelyke prinsen en prinsessen.Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en proesten en sissen en glinsteren.Ook zwermers—de Amsterdammers noemen ze “voetzoekers.” Wie kan me zeggen: waarom?—ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen...De Paltsgravin gelóófde het. Heusch!Maar ze had ongelyk, precies als die kranten.Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen, en vuur spuwen, en ’n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na, die z’n heele wysheid heeft opgemaakt aan ’t bedenken der diepzinnige spreuk van zoo-even.Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op hun tronen...Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want ’n zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo’n knetterend geluid geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord—zeker omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens over de ware beteekenis van ’n voetzoeker—toch is het zoo!Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd die er uit vuurwerk te halen is, in ’t afsteken—zèlf afsteken!—van zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een “groot vuurwerk” is ’n ellendig ding, ’n menschonteerende foppery. Eigenlyk ’n schimp, ’n beleediging, ’nlaesio dignitatis generis humani!2Om dit intezien, behoeft men zich maar ’n oogenblik te verbeelden zoo’n vertooning bytewonen...In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik voorsla, zyt ge in zyn opinie ’n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze ’t proces winnen voor elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde.Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo’n vuurwerk aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister—ingodsnaam zóó zacht dat gyzelf uw eenige hoorder zyt—fluister ’t onvermydelyke:hè...è...è...En houd u ’n spiegeltje voor!Dan, lezer—al waart gy de verfoeielykste atheïst—ontsnapt u de verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my dáártoe geschapen?En by zoo’n gelegenheid voelt men—tenzy men onvatbaar werd voor èlke gewaarwording—yverzucht op de intelligentie van z’n paraplui of laarzentrekker!Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaardebêtise! Men is handig by ’t aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Menwerptze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de hand! Allergevaarlykst!Eens namelyk heeft de traditioneele “iemand” die de hoofdpersoon is van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers houden van ’n zwermer, ’t even traditioneele “groot ongeluk” op den ... hals gehaald, dat ... enz.Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk!Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen verbieden zulke ruwe vermaken ... om ’t brandgevaar, sedert alle huizen met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu?En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis—byna zelfs kwam ze niet thuis—met ’n verbrande jurk! Gilde ze niet van de pret? En ’n jongen—altyd “de jongen die ook overal met z’n neus by moet wezen”—had-i niet eens—byna,alweer—’n volle lading in ’t gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest—nogeens:byna—dat z’n oogen ’t gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus?En... ’tmikkenmet zoo’n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders dan ’njoujou de Normandie!Ik weet—en betreur het van-harte!—dat er nog altyd hier-en-daar menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met schyfschieten, ’t ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, ’n naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. ’t Is waarachtig niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles ’n jongetje was, en of-i z’n opvoeding ontving in ’t pensionaat van Chiron!Zündnadels,Beaumonts,Chassepotszyn verachtelyke voorwerpen. Ze spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z’n eentje de parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo slaafs zich hielden aan deroutinedie ze meenamen uit den loop ...Sakkerloot, ziedaar ’t geheim opgelost van de verregaande ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende kogels zyn op-reis in den...aether, en willenaërolithspelen op deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan “aërolithen” en “aether” te gelooven.De voetzoeker—hoeden af, lezer!—geeft den drommel van zoo’n bekrompen loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z’n eigensenie... zou juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z’n weg. Hy spuwt vuur, en deinst voor ’treculvan z’n eigen strydlust. Hy kampt om ’t verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en wendt z’n grilligen loop, en kronkelt als ’n vliegende lintwurm. Hy schryft z’n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was, komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend, schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachtehuppeling, altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van ’t onverwachte, maar altyd de drager ook van ’n herhaalde opwekking tot gillend plezier.En de zevenklappers! ’t Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van z’n worp! En ... éénmaal ’n openstaand venster ingekeild, werden ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten ze—sarkastische demonen!—de kaars uit...De Archimedes die de evolutien van ’n rechtgeaarden zevenklapper weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg, omdat ik voor ditmaal aan ’t zeer byzonder effekt van ’n eerste uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter’s linkerwang, juist op ’t oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven: haarRubicon!Heel aangenaam zou ’t Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer ’t haar gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar ’t blyft de vraag of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden om zich te verzetten tegen finale verovering.De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat die prinses Erika mikken kon!Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep:—Heere Krrristis, wat’s dàt?Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet te vragen.Wat het wàs?Wèl... ’n brokstuk uit het “Register der Handelingen en Besluiten” van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en de lezer wordt uitgenoodigd, als by ’n vuurwerk, te blazen:hè...è...è!1Idee 1149 besluit M. met de overweging, datde massanoch goed noch slecht is.2= schennis van de menschelyke waardigheid.
Dit hoofdstuk is gekopieerd uit ’n oud Register der handelingen en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld.(De lezer kan staatmaken op meer.)’t Verhaal vanKlaas Verlaan, den “Amstelhavenknecht.” Geleerde verhandeling over voetzoekers. JuffrouwLapswikt, Fancy beschikt.
Dit hoofdstuk is gekopieerd uit ’n oud Register der handelingen en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld.(De lezer kan staatmaken op meer.)’t Verhaal vanKlaas Verlaan, den “Amstelhavenknecht.” Geleerde verhandeling over voetzoekers. JuffrouwLapswikt, Fancy beschikt.
Om van Fancy’s spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is ’t noodzakelyk eenige uren terug te gaan.
De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met ’n bezoek, ’n hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat de zaak mislukt was door ’n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige gevolgen moge gehad hebben voor ’t evenwicht van haar ziel.
Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van ’t vak beweerden “dat er geen zuchtjen aan de lucht was.” Wie zich anders uitdrukte, werd voor ’n landkrab gehouden.
Het plezier-roeien was nog niet in de mode—de mode had ongelyk, want het is ’n flinke mannelyke oefening—doch al ware dit anders geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van ’t gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers.
In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo’n matrozige inspanning ’n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in ’n stuurstoel lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen, en had dus eigenlyk alleen aanspraak op ’t plezier.
Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z’n werkniet. Hy scheen elders bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters ’n spotdeuntje voor, op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam heen-en-weer pauwden in stof en hitte.
Ja, ’t was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als menschen. Dejoujoux de Normandie—’t speel- en groettuig derbeau-mondevan dien tyd—klommen al trager en trager by hun koordjes op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toonschreef voor, dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets, heette:morbidezza. De beweging der vingers, die ’t kleine rukje moest meedeelen waardoor ’t stygen werd te-weeg gebracht, behoorde onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand, en zelfs by-mangel aan beter, voor genie.
Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin ’n groot gedeelte van ’tprestigein hofkringen, dat haar inderdaad niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee ze wist omtegaan met denjoujou de Normandie. Volgens Stuart Mill was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en ’t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in ’t bezit was van ’t geheim om ’t belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen, en zeer langzaam te laten dalen langs de door ’n onnaspeurlyke oorzaak gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is dus afgesneden.
Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven—op één na, want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!—mag waar zyn, maar toch... haar virtuoziteit op denjoujouwas en bleef hoofdzaak.
En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men ’t helpen kan—dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval geweest—terwyl er tot het wel besturen van ’n paar palmhouten schyfjes aan ’n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor ’n koning zeggen:
Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas me faire l’amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que mon diable d’... allié vient de loger dans ma capitale?
Of:
Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest und chouchouirtest?
Nu spreekt ’n prinsje:
—Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt widerhält mich ... auf Ehre!Clotho,ich beehre mich Ihr Sclave zu sein.Lachesis,Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, oAthropos!Schicke den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheuteParkewie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken, verehrungswürdigsteParkeDurchlaucht!
Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid ishier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen, en toch de moeite van ’t aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo’n leegte. Ik heb kooplieden gekend jazelfs werkluî, die praten konden als ’n... prins nà den bloei van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo:
Een prinsesje spreekt:
—Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe zusammen fischen, Cousine!
’nSterveling van lager soort:
—Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche Hoheit’s göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste Wahrheit.
Enz. Enz.
Al deze menschen logen ’n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom dan ’n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad ’n aanstelling by ’nköniglich-kaiserlichehofkeuken. Wat wil men meer?
Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou ’n blyk van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel—men weet reeds dat ze roode puistjes in ’t gezicht had, en ik voeg er nu by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen: dit isiets!—welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen zyn wanneer ik m’n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk,of als bekwaam in belangryker zaken dan ’t op-en-neerwippen van ’njoujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig.
Een ruiter naderde haar koets.
—Eh bieng, zjefalier, n’est-ze-pas qu’il fait affreussemang chaud dang ze pays?
—Wie K. K. Hoheit befehlen.
—Ch’étouve!
—Zu dienen.
—Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist sie vor? Wo ist sie?
De “chevalier” werd door ’n toedringende volksmenigte van de koets gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oudeschool, en hy durfde zich niet wagen aan ’t duitsche hoffransch van de Palatine, waaraan-iadmirablemangwèl deed. Ten-tweede bezat-i te veelroutinevan nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de “wilde kat.” Dit katje namelyk was ’n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een groep welwillende zangers kwam z’n verschrikte diplomatie te-hulp:
“Amour à la plus belle,Honneur au plus vaillant...
“Amour à la plus belle,
Honneur au plus vaillant...
Ja, ja, lezer, er is ’n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche jenever—amsterdamsche proef—zich openbaarde in fransche romances. Of onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de bedoeling van den auteur, vandeauteur, liever...
De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haarjoujouriep zy ’n zeer elegant jongmensch van ’n jaar of achttien tot zich; dien zy in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groetteganz rittermässigmet z’n karwats terug, en drong door de menigte heen.
—Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh, mong Dié, quelle pronongziaziong!
—Vous avez l’oreille si délicate, ma Cousine!
—Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir ’nmal, wo ist denn Ihre Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen?
—Ma foi il y a plus d’une heure que je ne l’ai vue! Elle s’amuse peut-être là-bas, au village d’Awercric. Qui sait si elle n’a pas passé l’eau. Vous savez, Palatine, qu’elle n’a pas l’habitude de se gêner...
Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets van te zien krygen,parole d’honneur!
Honneur au plus vaillant!schreeuwde nu weer ’n troep al te opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw ’n oogenblik onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen “kavalier” naar zich toe, en knoopte dan ’n gesprek aan, dat echter telkens door de volte werd afgebroken.
Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van ’t woord “kavalier” te rymen op: “duitsche manier” in welk geval ’t niet “ruiter” beteekent, maar ’n “heer van den hove” ’nhoffähiger gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: ’nedelman. Niet zonder deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy ’t dan dat in dit geval de “kavaliere” werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan ’t uitleggen ben... ’t woord: “harken” is van my. Ik nam de vryheid daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp met denjoujou.
De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het kon niet anders, om de volte.
Bovendien, de souvereinen verkeerden in ’n ziekelyke bui van “Volksthümlichkeit.” De mode van den dag bracht ’n misselyke neerbuigings-maniemee, en de meeste rangmenschen overdreven de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat vroeger de hoepelrokken, en latercrinolines,vryen-arbeidofchignons. Rousseau—die beter wist, of althans beter weten kon—had de afgezaagde theorie van “ce bon peuple” op frazen gezet, en wie te arm was om gedachten te bezitten op z’n eigen hand, neuriede die frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En dit is nòg zoo.
’t Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag, gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen heette dat “goede Volk” zeer dikwyls doodeenvoudig:la canaille, ’n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau.1
Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde betreft, vergeten we nooit dat ook “ce bon peuple” geen grein oprechter is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van ’t Volk zeggen kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt “vivat!” en denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.
By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met m’n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan ’n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin was de laatste die op ’t denkbeeld komen zou—’t was zoo warm!—dat deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.
Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door ’n lakei op ’n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z’n zuster—’t Waldkätzchen?—hem ’n boodschap had gezonden uit “Awercric.” En:
—Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics à me prêter?vroeg hy.
—Che parie que z’est pour elle!
—Si!
—Elle fait donc angcore l’angrachée, che pangse!
—C’est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans l’embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je n’ai qu’une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!
Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad te-boven in K. K. Hoogheid. En ’t “boschkatje” was de verloofde van ’n Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien hebben zou. De Paltsgravin—”Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!”—was dus wel genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik ’n goudbeursjen overtereiken. Deze gaf ’tden lakei, die ’r mee wegreed zoo snel de volte gedoogde.
Prins Erik’s zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet ik niet, maar zeker is ’t dat de dankbaarheid—d. i. de betuiging van die aandoening—haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond verstand toelieten.
We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk ’n zware brand was geweest—men assureerde niet in die dagen—of... ’n landman had al z’n koeien verloren aan de veepest—Thorbecke was nog niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien—of... ’n ongehuwde kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige verlossing—de zedekundige lezer weet misschien dat de “deugd” dit niet gedoogde in Wouter’s tyd—of...
Hoe ’t zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid uitgericht, ’n soort vandébauchewaaraan ze zich zeer dikwyls tebuiten ging. Goed was ’t zeker niet, maar er zyn erger ondeugden, en ik ken velen die ’t recht niet hebben zulke karakterfouten te laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan ’t waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in ’t karakter van prinses Erika.
By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar gevolg afgeraakt.Om de menigte te ontwyken, die—juichend, dankend en... vooral lastig—op haar toedrong, was zy in ’n roeischuitje gesprongen, dat aan ’n steiger lag, en waarin ’n man zat te slapen of nagenoeg. ’t Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de “Amstelhavenknecht.”
De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers berstten in lachen uit om ’t malle gezicht dat-i zette.
Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg ’n vuurrood satynen kleed met ’n langen sleep dien zy echter—zoo-even reeds by den brand zeker, of by de kraamvrouw, of by de koeien—had opgeg...
—Opgegeid, noemde ’t Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de historie vertelde aan z’n kleinkinderen.
’t Was depièce de résistancevan z’n ondervinding. Nu, sommigen hebben minder beleefd!
—Se sag er uit as ’n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er ’n ster in m’n jol was gefalle, so flamde ze!
Komaan, we zullen Klaas Verlaan ’t woord geven, maar ik heb geen lust z’n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man moet gesproken hebben.
—Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in ’n doosje by de Staten-overzetting. ’t Lykt wel ’n kinderkousje. Want haar vingers waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! Enop ’t hoofd ’n toren van poeier ... net ’n grooten sneeuwbal! Maar ’t gezichtje was lief, dat moet ik zeggen!
En ik was ’n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist waarachtig niet wat ik in m’n schuit had, en of ik moest vloeken ofsiveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist hoe ik ’t had, pakt ze me-n-’n-riem, en zet m’ flink tegen den wal, en zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by ’t uithalen, want het ding zat wel half-blads in den modder, en ’t zóóg als de bliks... lager. Maar ze liet ’m steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we!
Maar ik was kwaad as ’n spin, en zei—met ’n vloek, want ik vloekte nog in dien tyd—dat ik baas op m’n jol was. Ja, dat zei ik.
—Ich rudern!riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was miserabel. En ze greep naar m’n anderen riem. Maar dáár was ik als de kippen by!
—Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?
Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen, maar weetje wat ik zei? Ik zei: m’n vader is geen breeuwer, zei ik, en ik hou m’n riem!
Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien als ’n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en grabbelde-n-in haar tasch—’n fluweelen ding met gouden knip, dat met ’n haak in haar middel zat—en ze haalde-n-er ’n stuk geld uit, en wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om ’t geld, weetje, dat ze me wees, want, dacht ik, wat kan ’t my schelen of de menschen lachen aan-wal? ’t Kon m’n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. ’t Zag er uit als ’n dukaat, maar ’t ding was meer waard. Dat heb ik later gemerkt toen ik ’t wisselde op den Vygendam... met al de anderen, want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.
Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.
—Rücken?riep ze.
—Wrikken, riep ik. Kyk... zóó!
En ik wou ’t haar wyzen.
Maar ’t ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien roeiers te krygen tegen één wrikker.
Ik wees haar hoe ze d’r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan ’n vuist, maar ze liep er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als ’n kievit zoo vlug.
Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m’n hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut, op vechten af!
Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik ’t vroeg, riep ze: “rücken, rücken!”
Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! ’n Mensch moet toch weten waar-i heen wil!
We sukkelden stroom-af—meest gatje-voor!—en naderden de Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m’n dukaat, en de grap is uit. Maar jawèl!
Op-eens houdt ze met wrikken op—’t zweet liep haar by droppels van ’t gezicht!—en leî den riem op den doften. Toen wou ik ’t ding grypen, omdat ik ’n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen ... ik zal ’t jelui maar zeggen, ze wou te-water!
Ik schrok er van! ’t Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... zewou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo’n moffendukaat in de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor ’t stuk, en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by ’m te-recht. Dáárvan is ’t zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de waarheid vertel. Ook ’t gouden ooryzer van m’n oudje—dat nu jeluî Grietje-meu draagt—is van dien tyd.
Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek wordenwilt, of sterven, of rimmetiek krygen...
Ze trok ’r schoentjes uit, en ’r satynen kleed, en meer nog. Maar ze hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-’t hoofd als ’n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had nog nooit zoo-iets gezien... van ’n vrouwmensch, weet jelui? Flink koppie-over!
Eerst was ik bang voor ’n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet, en als ’t mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar ’t hoefde niet, wantzyzwom wel. Als ’n eend! Of liever als ’n paling, want ze kronkelde-n-onder m’n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere zy... als ’n dobber hoor! ’t Speet me toch evel dat ik niet ook zoo thuis was in ’t water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo de gewoonte niet. Zy was zeker uit ’n land waar de menschen niet zoo zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.
Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m’n pyjekker die in de jol lag, en sloeg zich ’t ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag ’n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net’n wilde kat.
Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar ik durfde niet binnengaan, omdat het ’t huisje was van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou ’t heel kwalyk hebben genomen dat ik met zoo’n vreemd schepsel in z’n jacht-huisje gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat, dat kàn—om den dukaat, weetje—maar... m’nheer Kopperlith woont op de Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens teweten. Hoor eens, kinderen, wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat’s maar zeker!
Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-’t bruggetje niet over, met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.
En daar stond ik!
De menschen van de brug riepen: “dat is ’t huisje van m’nheer Kopperlith, denk er om!”
Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m’n dochter Geert kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is...
Maar toen was ze-n-’n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei:
—Vader, laat ’r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren.
Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie van de Jachthaven. ’t Kon my m’n ontslag kosten als ik rare dingen deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes.
Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in ’t oog. Ze vliegt ’t huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met ’r heen.
Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?
Maar... ’n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z’n dag goed is, voor bedtyd!
Zoo eindigde Solon Verlaan ’t eerste hoofdstuk van z’n verhaal. Het tweede en laatste zalikvertellen, of vanzelf laten spreken. We laten dus ’t boschkatje voor ’t oogenblik onder de hoede van de aanstaande Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te “klaren”. Nu, dit deed ze. Sint Maarten was er niets by.
Op den ryweg langs den Amstel joelde ’t Volk maar altyd voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor ’t mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks voor alle mogelyke prinsen en prinsessen.
Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en proesten en sissen en glinsteren.
Ook zwermers—de Amsterdammers noemen ze “voetzoekers.” Wie kan me zeggen: waarom?—ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen...
De Paltsgravin gelóófde het. Heusch!
Maar ze had ongelyk, precies als die kranten.
Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen, en vuur spuwen, en ’n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na, die z’n heele wysheid heeft opgemaakt aan ’t bedenken der diepzinnige spreuk van zoo-even.
Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op hun tronen...
Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want ’n zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo’n knetterend geluid geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord—zeker omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens over de ware beteekenis van ’n voetzoeker—toch is het zoo!
Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd die er uit vuurwerk te halen is, in ’t afsteken—zèlf afsteken!—van zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een “groot vuurwerk” is ’n ellendig ding, ’n menschonteerende foppery. Eigenlyk ’n schimp, ’n beleediging, ’nlaesio dignitatis generis humani!2
Om dit intezien, behoeft men zich maar ’n oogenblik te verbeelden zoo’n vertooning bytewonen...
In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik voorsla, zyt ge in zyn opinie ’n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze ’t proces winnen voor elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde.
Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo’n vuurwerk aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister—ingodsnaam zóó zacht dat gyzelf uw eenige hoorder zyt—fluister ’t onvermydelyke:hè...è...è...
En houd u ’n spiegeltje voor!
Dan, lezer—al waart gy de verfoeielykste atheïst—ontsnapt u de verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my dáártoe geschapen?
En by zoo’n gelegenheid voelt men—tenzy men onvatbaar werd voor èlke gewaarwording—yverzucht op de intelligentie van z’n paraplui of laarzentrekker!
Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaardebêtise! Men is handig by ’t aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Menwerptze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de hand! Allergevaarlykst!
Eens namelyk heeft de traditioneele “iemand” die de hoofdpersoon is van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers houden van ’n zwermer, ’t even traditioneele “groot ongeluk” op den ... hals gehaald, dat ... enz.
Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk!
Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen verbieden zulke ruwe vermaken ... om ’t brandgevaar, sedert alle huizen met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu?
En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis—byna zelfs kwam ze niet thuis—met ’n verbrande jurk! Gilde ze niet van de pret? En ’n jongen—altyd “de jongen die ook overal met z’n neus by moet wezen”—had-i niet eens—byna,alweer—’n volle lading in ’t gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest—nogeens:byna—dat z’n oogen ’t gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus?
En... ’tmikkenmet zoo’n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders dan ’njoujou de Normandie!
Ik weet—en betreur het van-harte!—dat er nog altyd hier-en-daar menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met schyfschieten, ’t ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, ’n naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. ’t Is waarachtig niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles ’n jongetje was, en of-i z’n opvoeding ontving in ’t pensionaat van Chiron!
Zündnadels,Beaumonts,Chassepotszyn verachtelyke voorwerpen. Ze spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z’n eentje de parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo slaafs zich hielden aan deroutinedie ze meenamen uit den loop ...
Sakkerloot, ziedaar ’t geheim opgelost van de verregaande ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende kogels zyn op-reis in den...aether, en willenaërolithspelen op deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan “aërolithen” en “aether” te gelooven.
De voetzoeker—hoeden af, lezer!—geeft den drommel van zoo’n bekrompen loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z’n eigensenie... zou juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z’n weg. Hy spuwt vuur, en deinst voor ’treculvan z’n eigen strydlust. Hy kampt om ’t verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en wendt z’n grilligen loop, en kronkelt als ’n vliegende lintwurm. Hy schryft z’n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was, komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend, schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachtehuppeling, altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van ’t onverwachte, maar altyd de drager ook van ’n herhaalde opwekking tot gillend plezier.
En de zevenklappers! ’t Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van z’n worp! En ... éénmaal ’n openstaand venster ingekeild, werden ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten ze—sarkastische demonen!—de kaars uit...
De Archimedes die de evolutien van ’n rechtgeaarden zevenklapper weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg, omdat ik voor ditmaal aan ’t zeer byzonder effekt van ’n eerste uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter’s linkerwang, juist op ’t oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven: haarRubicon!
Heel aangenaam zou ’t Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer ’t haar gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar ’t blyft de vraag of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden om zich te verzetten tegen finale verovering.
De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat die prinses Erika mikken kon!
Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep:
—Heere Krrristis, wat’s dàt?
Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet te vragen.
Wat het wàs?
Wèl... ’n brokstuk uit het “Register der Handelingen en Besluiten” van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en de lezer wordt uitgenoodigd, als by ’n vuurwerk, te blazen:hè...è...è!
1Idee 1149 besluit M. met de overweging, datde massanoch goed noch slecht is.2= schennis van de menschelyke waardigheid.
1Idee 1149 besluit M. met de overweging, datde massanoch goed noch slecht is.
2= schennis van de menschelyke waardigheid.