Chapter 4

De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door ’t achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, arme, arme,Laps!Mysterieus standbeeld in de “Gekroonde Jeneverbes.” Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht.Wouterkrygt ’n zusje.Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden.Ja, ze was groot, en ... praktisch!O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps mocht haar “sinnigheid” niet krygen!En dáárom was ’t zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster moeten opschuiven, wat anders ’n fatsoenlyk nederlandsch mensch—liever stikken!—niet doet. Dáárom bleef de hardzeileryin den steek! Dáárom verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat volk—en zy mee!—met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper- en Amstelstraten door, naar de Botermarkt...Want op dat plein woonde deCaesarineLaps die ’n zevenklapper in ’t gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigstvenit, tetigi, en... “heere-krrristis wat is dat?”Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, ’t is fantastische doeleindenleer. Al die koningen, prinsen, prinsessen—en zelfs de Paltsgravin met haar puistjes,joujouen hooge geboorte—zyn op dien warmen dag door ’n hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is uw plicht dit te gelooven... o, geloofster!Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den “Heer” beschikt om de Joden aan ’n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar die nydige zevenklapper...Ze vloog naar ’t venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was, want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van ’t straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd, en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid nog te-hulp, door ’t licht uitteblazen—’n voorzorg die door den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk verzuimd was—en Wouter vermaakte zich kinderlyk by ’t aanzien van de pret. Hy vergat z’n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid, om naar ’t gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder “Heer” en liet de “genade” wat rusten. Zelfs scheen ze—voor ’n oogenblikje maar, denk ik—haar plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien.1—Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen, zonder zelf te weten waarom, zeide hy.—Och, ze hebben plezier in ’t zingen en joelen, en in de voetzoekers ... kyk, daar vliegt er weer een, paf!Klik-klik! antwoordde hierop ’n zevenklapper die z’n domicilie koos tusschen ’n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar?—Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... ’t is twee uur in den nacht, weetje!—Och, nog ’n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen slaap. Volstrekt niet! heusch niet!Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van ’t onverwachte brengen zou.—Ik ben maar zoo bang, m’n lieveling, dat je kou vat aan ’t venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo’n heeten dag...Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid, rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede gevolg, dat Wouter z’n jasje weer aankreeg, ’n verbetering van pozitie die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy!—En zet ook je petjen op, m’n beste jongen. Ik wou voor alle wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in ’t hoofd sloeg, want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een!“Amour à la plus belle,Honneur au plus vaillant...—Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat vreemde geseur? Begrypjyer wat van?Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den “schoonen Dunois” die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter belooning trouwen mocht met de dochter van: “le comte son seigneur!” Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander traktement dan ’n bruid? En hoe maakten ’t deseigneursdie geen dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen nemen met ’n ridder die maar ’t meest Saraceenen had doodgeslagen, op één na?Wat al moeielyke vragen!Juist begon hy z’n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen, schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de in-eensmeltende geluiden van ’t gejoel. Er was “ruzie.” In een der groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen.Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen, schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor ’n publiek dat z’n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten.De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd.Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen dood-liepen en ’n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk lag ’n zeer populaire herberg, die ’t doelwit scheen van ’n hossende volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende benden, almede in dezelfde engte gedreven werd.By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende zich in zoo’n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de kern der samenpakking—’t vallen was onmogelyk—maar des te grooter aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en beenen breken of liggend vertrapt worden, in ’t midden slechts staande gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien, daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ...—Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van!Dit scheen ook met Wouter ’t geval. Op-eens greep hy haar arm, en meende iets te zien, dat... iemand, die...—Heel goed, m’n jongen, houd jy me maar vast! ’t Is daar, zoo zondig als ik hier sta—’t eedsformulier was zoo gek niet—’t is daar moord en doodslag in dien hoek!Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de overweldiging van z’n ... verleidster, of hoe moet het heeten? ’t Scheen nu wel of Afrika voor ’t caesarinnetjen openlag...—Is ’t niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou!Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z’n “eigen Kristien!” Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch...—Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, ’t kind is er zoo ontsteld van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... bymy, weetje!Hy kneep haar boven z’n kracht in den arm, en geen ander blyk van leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt...—Trek ’t je niet zoo aan, m’n lieveling! Maar... akeligis’t! Zie je daar die meid wel, met ’r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in ’r plaats wezen! En jy?—Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke!En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom vlak voor de herberg.Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ...fancy?Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z’n jasjen aanhad? Wat ’n gekke historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe zoud-i zoo’n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z’n moeder?De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z’n gemoed—en waszydit niet?—zich als ’n razende door de menigte wist heenteslaan.Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel den man met den bonten muts en ’t schippersbuis, die hem vanboven gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende bemerkt te hebben dat ze metdienman gearmd uit de Amstelstraat gekomen was. En dit was ook zoo, maar:—Is hier geen meisje met ’n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo duidelyk de vreeselyke drukte toeliet.De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen—dit deed “iedereen” ook, en Wouter moest wel meedoen: ’t was ’n gezelschap Kaïns op groote schaal!—de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op dat z’n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan, daar binnengestuwd was.Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra ’t jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!Ziedaar, lezer, ’t waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die Wouter heel in ’t begin van z’n loopbaan maakten tot ’n kroeg- en koffihuislooper. Gister in “Polen”, heden in “de gekroonde Jeneverbes”... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door ’t een-of-ander geperst... ’t is te veel!Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.Hy meende haar te ontdekken heel achter in ’t niet groote vertrek, op ’n tafeltje dat in ’n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in haar trekken, zag ’t meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap hing haar aan flarden in den nek—zy, zoo net altyd!—en, erger nog, Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve, lieve, lieve gezicht van Femke!Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep, maar ze hoorde niet.Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een: ze wilde hem niet kennen!—O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor m’n lafheid by de Holsma’s!—Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen wilt, ga dan na je moeder!Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet verzetten. De aandrang by ’t buvet waar-i stond, klemde hem tegen de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in ’t oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van wrevel en smart vloeiden hem over de wangen.—Wat doe ie dan in de drukte, zei ’t jeneverwyf, as je d’r niet tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet ’r ’n borrel op, jongen, of ga heen!Lust of niet, hy had heel graag ’n “borrel” besteld om z’n plaats te betalen. Maar—“daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had”—hy bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht der waardin afgeleid door de drukte van ’t gevecht, dat al nader en nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot “operatie-bazis” zooals dit in ’tjargonder krygskunde genoemd wordt. De ware reden was dat elk der strydenden in ’t byzonder zich aan de slagen van z’n tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste “krygskundige evolutien” hebben van ouds-her geen anderen grond.Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde: wie durft?Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan ’n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders voelde hy niet!Och, hoe gaarne had hy in ’t bywezen van al die menschen de zolen van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis, waarop-i wel geen aanspraak had—naar-i meende—maar zonder welke hy niet leven kon!——Femke! riep hy, als ’t roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo zacht dat z’n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers, er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die zoo... wreed—nu ja, maar rechtvaardig toch—had blyk gegeven van haar tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens riep hy, maar ’t was weer fluisterend:—Femke! Femke!Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en ’t schippersbuis aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z’n kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk.Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in dekroeg, dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z’n dame die vóór hem dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter niet duidelyk. Er bestond ’ntertiumdat hy niet raden kon, maar dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van ’t geheim.Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde zelfs ’t verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z’n steunpunt afgerukt, want waar velen ’t zelfde begeeren, is ’t verkrygen moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy slechts betrekkelyke veiligheid zochten—en jenever misschien—terwyl hy werd aangespoord door... nu ja, ’t nog altyd onbekendetertium.Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?Op ’n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in ’t oog te krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe, Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z’n pogingen om tot haar doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als ’n verzekering dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als ’n godin der kalmte, of althans als ’n standbeeld dat vastberadenheid kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die haar te na mocht komen.En die glimlach! Over Wouter’s hoofd heen had de wreedaard z’n weg genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want de man knikte terug...—Hyheeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. ’t Is toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft.Op dit oogenblik kreeg ’t wyf dat de kroeg hield, den worstelenden schipper in ’t oog. Er bleek dat-i ’n goede bekende was, want ze schreeuwde van achter de toonbank:—Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè?En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich ’n paar stappen buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van Wouter, in de nabyheid van ’t buvet te staan kwam.—Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad!’t Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen dat niemand zeker van z’n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen in den hoek geblokkeerd stond.—Hebje-n-’n goeien dag gehad, vroeg ’t wyf. Met de zeilery was ’t miesserabel, hè?Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer byzonders.—’n Glas klare?Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der zeer byzondere. ’t Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet gelukkiger toen ze ’t onderzoek naar Verlaan’s wenschen voortzette:—Skille?Ook niet!—Rooie dan?Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in ’t bepalen van de soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy ’t hoofd, en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen dan de drukte toeliet.“Amour à la plus belle!” galmde het buiten de deur, en eenige heesche keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen.—Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar!“Wel ja, we benne Hollanders...“En al is ons Prinssie...“Sjt!”—Ikverkies nu te zingen:al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet...De prinsman sloeg op z’n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i ieder slaan die niet meezong: “al is ons prinssie.”Misschien volgens de theorie van ’t onbewuste meegaan—Wouter maakte weer bespiegelingen over “massa”—de meerderheid werd op eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen patriottery en keezigheid, nam men ’t nu zoo nauw niet. Hoofdzaak scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich zoo aantestellen. Het “Prinssie” liep behoorlyk van stapel. Een der gasten ging verder, en stelde ’n soort van toost in, op de zeer vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van “al die fransche flikkers!” Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel de bekende “eeuwige verdommenis” toe.“Hoerah!”—Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ...“Ja, toen we nog Hollanders waren!”—En onder de Republiek ...“Leve de Republiek!”—Toenhad je-n-’ns ’n hardzeilery moeten zien! Maar nou!“Al is ons Prinssie!” en: “Leve de Republiek!”—Onder de Republiek waren alle menschen gelyk!“Allemaal gelyk!”—Zoo’n koning, zoo’n prins, al die tirannen...“Weg met die tirannen!”—Ze benne geen haar beter als wy!“Dat’s waar! Ze benne geen haar beter!”—En ze zuigen ’t arme Volk uit!“Ja,ze zuigen ’t Volk uit!”—En weetje waarom? Omdat jeluî—om nou ’reis de gulle waarheid te zeggen—allemaal lamme... enz. bent!“Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz.”—Jelui buigt je nek onder ’t juk...“Juist! “Ze” buigen den nek onder ’t juk!”—Als ’r ’n koning komt, of ’n keizer, of ’n prins, dan slaat de-n-angst jelui in de buik als seneblade!”“Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!”—En, als jelui kerels was...“Precies, as “ze” kerels wasse...—Dan zou jelui...“Ja, dan zouwen “ze”...—’n Mensch is vry gebore...“We benne vry gebore!”—En ’t hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? ’n dochter van... m’nheer...Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te besterven. Hy werd bleek.—’n Dochter van... m’nheer...—Wel zeker! Vraag jy ’t maar aan Verlaan.De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den schipper. Deze knikte toestemmend.—Is ’t waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft ze zich dan zoo... angekleed als ’n gemeene meid?—Och, ’t benne de spulle van m’n dochter Geert, zieje. ’t Is ’n rykeluîs grap...—Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen, ’n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal!“Weg met de tirannen!” “’n Mensch is vry geboren!” “Alle menschen zyn gelyk!” “Het hollandsch hart”... enz.—Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw...“Wàt? Die meid? Wat zou ze?”“Sjt! Ze is de dochter van—maar mondje toe, hoorje!—van... m’nheer—ja, hoe donder is ’t mogelyk, niet waar?—de dochter van m’nheer... Kopperlith!”“Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van m’nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?”—Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit!“Z’n... eigen dochter?”Alsof ’n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had!—Z’n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp jelui! Er uit, er uit!De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters, vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde honden de kroeg uit.De uitvinding om z’n beschermeling te verheffen tot ’n bewoonster van deKeizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer “moffedukaten” op, dan-i liefst aan z’n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze den lezer te-hulp by ’t zoeken naar zekertertium, naar de oorzaak die den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in ’t bestormen van die kroeg.Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van ’t meisje dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag, dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later ’n dergelyke manoeuvre met den Republikein...Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou hy overmorgen...Z’n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik...Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is ’t niet. Voor-i hieromtrent tot ’n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in één greep met ’n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan en den hollandschen Republikein.Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus plaats-maken voor de “bloed-eigen” dochter van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht.De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van de herberg die hem tot ’n tempel was geworden, om te zien waar z’n godinnetje belanden zou. De braking was aan ’t bedaren. Nog altyd evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die, belust op de vreemdheid van ’t geval, nog zoo graag ’n beetje had willen blyven om ’t wonder te zien. Men krygt niet elken dag ’n “bloed-eigen” dochter van m’nheer Kopperlith te aanschouwen.Sommigen dan wilden zich aansluiten by ’t driemanschap Verlaan, Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde zich sterk genoeg, en vond geen reden om ’t aantal deelhebbers in de vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig was. Menigeen die mee-schreeuwde: “er uit! er uit!” ontving zelf ’n handtastelyke vermaning om ’t voorbeeld by de les te voegen.Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist toen Wouter zich verstouten wilde om door ’n spleet te glurenvan de gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep:—Dáár ergens op ’n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar eens niet op ’n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan den sleeper ...Het woord: “sleeper”—een nu verouderd amsterdamismus voor wagenverhuurder of huurkoetsier—gaf Wouter ’n licht van betwistbare helderheid. Dat de Republikein ’n rytuig bestellen moest, was duidelyk, maar... Femke in ’n koets of brommer? Of ... al was ’t maar in ’n sleê...zy?Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu ’n bruikbaar licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat?Na lang wachten kwam er ’n rytuig aanrollen. De Republikein sprong er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde zich met z’n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel...—Femke,ikben hier! riep Wouter, wild toeschietend,ikben hier! O God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen!—Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben jy? Wat wil jy?—Femke, ga niet mee met die vreemde mannen.Ikzal je thuis brengen, ik, Wouter!—Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat ’m los. Hy heeft hier al den heelen avend staan huilebalken als ’n kalf, en geen duit verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is.Wouter trachtte de hand van ’t meisje te vatten, en bemerkte nu dat ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo veel voor ’n bloed-eigen dochter van m’nheer Kopperlith! Toch was de edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan, dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na ’t sluiten van de eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen ’n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te werpen. En nu...Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de omtrekken van die gestalte...—Bist du es, Erich?—Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde mannen mee!En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die met tranen en kussen...—Watikje zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek!—Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen!—Licht!riep ’t meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden tongval.De Republikein nam ’t smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar werd. Het meisje staarde door ’n spleet van haar mantelkap op hem neer, en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de hand niet terug, die Wouter aan z’n lippen geklemd hield...Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken...Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter’s hoofd, wees den schipper terug, en zeide:—Mein Bruder!—Ook alweer ’n bloed-eigen zoon dus van m’nheer Kopperlith, mompelde de republikein. Wat die jongelui ’n rare manier hebben om hun nachten doortebrengen!De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden liet. Al z’n hoorders wisten waar de “bloed-eigen” vader van die twee vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men had al byzonder ongemanierd moeten wezen—of geen republikeinsche Amsterdammer—om dit niet te begrypen.Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit wist-i niet. Maar ’t bekommerde hem nu minder ...Zyhad hem haar broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was hem genoeg!—O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en vergevensgezind... o myn God, ik dank u!en:—Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel innig gemeend hebben... anders zou ze “broêr” hebben gezegd, zooals we gewoon zyn.En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden “in den handel.” Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog, van Femke te worden, dan haar broer...Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet, al voelde hy geheel anders dan gister nog.Voor ’t oogenblik was-i opgetogen met z’n nieuwen titel. Hoe toch kwam zy aan zoo’n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders!—Ik ben Femke’s broeder! juichte z’n hart, en—hoe vermoeid ook—hy liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i ’t hoofd niet stootte aan de wolken.1I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen.Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen door elken lezer dien ’t om voortzetting van de geschiedenis te doen is. Alleen op ’t slot wordt de eentonigheid eenigszins afgebroken door ’t zonderling lotgeval van ’n kruiwagen en ’n onbillyken droom, ’t eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal leveren kan.Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs zóó ver, dat-i de opgetogenheid over ’t opgaan der zon, aanbeveelt als graadmeter van de “deugd.” Wouter kende dit axioma niet, en veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere vingers te droomen, dan de “roosverwige” van Aurora. Hy dacht aan de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z’n “deugd” was er niet minder om.Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z’n omgeving. De volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door ’t verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden, als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst als alle gelukkigen, kwam ’t hem heel natuurlyk voor, dat al wat het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in ’t Heelal slechts twee dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als ’n trouwende vrouw, haar naam by ’t huwelyk met die ééne gewaarwording, met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.Wouter’s oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de hoeken der straten. Z’n onverschillige blik las: “Botermarkt” en: “hier gaat men uit porren.” Ook kon-i te weten komen waar kousen te-koop waren, of wagens te-huur, en wie ’n smid was, of ’n timmerman, of... “in” ’t een-of-ander...Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke’s hand gekust! Welk verstandig wezen kon ’t in z’n hoofd krygen dat er, na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter verkocht, of schoensmeer? Of die man “uit porren” ging, of “in” effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch—wáár was het!—hy had Femke’s vingertoppen gekust, en zy had hem “broeder” genoemd!’t Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien zomernacht. Horatius had er ’n aardige illustratie by gewonnen voor z’nfractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo’n kataklysme zou overeind gebleven zyn, en—voor ’t byna ondenkbaar geval dat-i notitie van de zaak had genomen—hoogstens gevraagd hebben: ofzyzich bezeerd had?Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z’n tyd is, bekend zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydagnacht naar oude gewoonte ’n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van z’n soort is gebleven.Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman dat-i “in” effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo gelukkig voelde.Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te zyn dat nergens ’n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers had kunnen meenemen—de pink was genoeg geweest, die lieve pink!—als tastbaar getuigenis van ’t gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit weer haar hand aan z’n lippen voelde!Doch neen, ook zonder zoo’n verslindende zorg voor ’t bewaren van ’n tastbaar blyk... ’t was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem “broeder” genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen, porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen.Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar bent voor den triumf van ’t allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal niets veranderen aan het feit...Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke hèm ’n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan de oude betrekking van “vrindje” waarop hy altyd zoo had aangedrongen, en die hem nooit geweigerd was?Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de kreditposten van z’n geluk voor—men bedenke dat-i “in den handel” geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou—en trachtte hoog gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor ’t verloochenen.Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert gister op dit punt ’n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert z’n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden dreigde z’n gemoed te bezwyken onder Femke’s verachting, en nu... nu...Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z’n geluk, omdat hy ’t niet begrypen kon.De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang, zoowel der gebeurtenissen, als van z’n aandoeningen. Hy was als iemand die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt standpunt heeft ’n andere meteorologischebeteekenis, dan datzelfde standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen, en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der traagheid. Wie zich toelegt op genezing van ’n fout, en ten-halve geslaagd is, staat hooger dan ’n ander die in gelyksoortige fout verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed, of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy te doen. ’t Was karakteristiek van Wouter, dat-i—niet tevreden met z’n veronderstelden rykdom—zich zooveel moeite gaf z’n kapitaal natetellen.En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in ’t gebeurde betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander tydsgewricht van z’n leven, na àndere voorbereiding, op ’n àndere plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou ’t nachttooneeltjen in die vuile herberg, waarby Wouter ’n hoofdrol speelde, hem veel minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink’s likeur—zoo ontzenuwend anders!—verhoogde het schynbaar of wezenlyk gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt, had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na ’t ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek, moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was ’n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Nadieinspanning weer, haar... glimlach aan ’n ander, haar verachting voor hèm! Toen had-i geschreid als ’n kinderachtig jongetje. En, nà deze reeks vanRückschlägeendéfaillances—ik zoek ’n goed hollandsch woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting—na dit alles hield z’n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren uit z’n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke’s voeten, haar te bezweren: “Femke, Femke,ikben hier... ik Wouter! Om-godswil, ga met die vreemde mannen niet mee!”Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig.1Wouter had het recht veroverd—’n recht dat zoovelen zich aanmatigen zònder grond—dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling, zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan.Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing ’n kind, meer kindzelfs dan byna ieder die even ver als hy van ’t uur zyner geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... ’n kind inallebeteekenissen van ’t woord.Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan ’n “opvreter van Stad en Land.” Tot Wouter’s groote verbazing voelde hy in zichzelf de kracht—en den lust zelfs—die waarschuwing te trotseeren. Zeker was geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls “brutale bliksems” gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja, van ’n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich by die gelegenheid voorgedaan als ’n persoonlykheid, eenigszins als ’n persoon... jazelfs—op ’n beetje na!—als ’n wezenlyke man.Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door ’n beroep op z’n ridderlykheid. “Dieven, moordenaars, en... ’n vrouw in nood!” De gekste zotternyen die uit al die boeken in z’n gemoed gezaaid waren, werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z’n woord zou gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der belaagde onschuld. Dat-i gedurende z’n heldentocht geleden had aan ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo’n onthaal werkt niet bezielend. Om ons ’t recht te geven, Wouter te verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben waargenomen als z’n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy, de jongen, of ’t kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken als n man. En... juffrouw Laps—’n volwassen persoon toch!—had hem als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i haar welkomer was in z’n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever had dan Stoffel, ’n persoonlykheid die toch nog altyd—waarheid bovenal!—’n paar duim langer was dan hy.Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven zich in veel opzichten “groot” te voelen. Maar toch zou er ’n gaping bestaan hebben in z’n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér geschied was. Z’n zonderlinge gastvrouw—hoe afschuwelyk ook vroeger in zyn oog—had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na ’t verlaten van haar woning bleven doortrillen in z’n gemoed. Ze had hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste—’n màn!Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met z’n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in ’t bevestigen van z’n mondigheid. ’t Was zeker al iets heel schoons—en niet elk protestantsch handelsjongetje gegeven!—te kunnendienen als schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid aangetoond, dat hy—hy, Wouter!—kon bemind worden als verloofde, als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in ’n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó—ànders ook, God weet het!—maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z’n verregaande onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg dien z’n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet als ’n Virgilische by, honig vergaard voor ’n ander? Was ’t niet ’n pynigend:sic illae—Femke!—non mihi?2Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem, met den vinger als ’t ware, gewezen had op ’n vroeger onbekende plek in z’n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond met z’n eerzucht zoowel, als met z’n begeerte om teweten, en “het Lot uittedagen”. En over dit alles lag de gloed—we moeten oprecht zyn!—niet van z’n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden.Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich tot den hoogmoed die by z’n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als ’n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit, o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze “maagd” was, en ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle woordwulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf, en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in den mond van ’n “man.”Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z’n genegenheid voor ’t meisje, ’n gevoel dat voor ’t minst zeer hartelyk was...Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat de onvoedzame dorheid van z’n huiselyken kring hem voorbeschikte tot het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste....dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen had op z’n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf ’n vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de prettige promotie. Maar zóó ver ging z’n erkentelykheid niet. Het was al veel dat z’n afkeer veranderde in iets als medelyden, en wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van z’n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z’n heelen broer Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom danháár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen tot wat hy aanzag voor z’n eigen geluk?Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al z’n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug voor z’n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De werelddeelen die van hem hun geluk wachtten...Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z’n ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand...’t Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger dat ze ruwer was, steviger...Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy—ja, ja, ja, want gedroomd had-i niet!—nu wist hy, dat de hand die zoo flink ’n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als ’t boordsel van Hamlet’s mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel gom had besteed om ’t ding behoorlyk te doen glimmen.En ook had-i zich vroeger vergist in Femke’s stem. En in haar toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets nauwkeurig willende zien in ’t donker, zou gevraagd hebben nàar... licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze zou—zoo meende Wouter in de dagen van z’n onkunde—ze zou by zoo’n gelegenheid gezegd hebben:“Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?”En de houding? Die heele Klaas Verlaan—’n man as ’n boom toch!—en z’n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En toch alweer... ’n droom was ’t niet, al geleek het dan precies op ’n droom! By ’t openslaan van den mantel, had-i duidelyk den blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets!Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels!Wat beteekenden die praatjes van den schipper over ’n m’nheer Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar te... verlagen tot ’n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene wyf uit de kroeg aan z’n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z’n bede, met die mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet, gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op dat uur by de Holsma’s te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden ... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in ’n brommer! En uit welke fondsen zouden de “daaldertjes” betaald worden, waarover die schipper gesproken had met ’n voorname onachtzaamheid alsof ’t maar duiten waren?Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst haar broeder genoemd had.Dit stond vast als ’n rots. Al ’t overige? By de eerste gelegenheidzoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm, haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze!Wat overigens ’t gevaar aanging—of liever ... ’t onbehagelyke—van haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit zou hy, Wouter, ook doen—met byzonder veel genoegen, waarlyk!—als-i maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand reiken tot ’n kus...Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden—want hy voelde zich zeer vermoeid!—door de als uitgestorven straten der stad.Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar stond ’n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor bewaard voor de zonde van ’t verwensenen der hooge gasten, die zich blykbaar hadden voorgenomen ’n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen, en er was prins noch prinses te zien.Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de “kleine steentjes van ’t Paleis.” En gepraat werd er onder dat schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben.Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite hebben getroost om ’n wezenlyken koning te zien te krygen—zeker om te weten of zoo’n wezen opMacbeth,ArthurenKing Leargelykt—maar nu... och, hy gaf er zoo weinig om.Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in ’t styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen aan ’t lyf, als iemand die zichzelf ’n stoot met den elleboog in de lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: “datzenou wel gauw komme zouwe.”Die “ze” waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo’n schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als bruine boonen op den elst van z’n tong.De olykert had juist geraden. “Ze” kwamen inderdaad, en bestegen de meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter ’t gelaat van al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één bejaarde dame gaf op ’t oogenblik van wegrydenden koetsier met haar zonnescherm ’n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden als: wacht even!—Ze het wat vergeten, diagnozeerde ’t krispyntje.Drie, vier “Kavaliere” vlogen als weerlichten ’t paleis in, en schenen ’n wedloop te houden om den achtergelatenjoujou de Normandiete halen. Een hunner—de ongelukkige!—kon den ingang niet vinden. Vreemder is ’t dat de anderen wèl wisten binnen te komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft, ’n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan, en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met ’n behoorlyke deur of poort kan men overal te zien krygen.Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van ’t veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk aanloopen met denjoujou. Ze schenen ’ncompromiste hebben gesloten, en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om ’t gouden doosje waarin ’t kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by ’t aanbieden, met gelykeallerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op ’n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren gewogen had...Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel, procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in ’n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z’n wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter aanspraak op...Gekheid! riepen de afstammelingen van z’n mededinger B. Onze voorvader heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten miskennen... enz.—Zieje wel dat ze puissies in d’r gezicht het! riep de schoenmakersleerling.’t Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke puisten! Dit had geen der poppen op Wouter’s printen. Al z’n gekleurde prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en ’t viel hem zeer tegen, dat ’n dame die tot den stoet van koningen en keizers bleek te behooren, zoo bitter weinig op z’n printen geleek. Alshy’t mensch gekleurd had, zou ze ’r beter uitzien, meende hy.Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher gelaat dan-i met al z’n vleeschkleur schilderen kon. En ’n houding! Nu kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by ’t flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist!Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best ’n waschvrouwwezen, ’n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den koop toe, en zoekgeraaktemansettente vergoeden kreeg.Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk op Wouter’s verbeelding, en ’t kwam hem niet heel waardig voor, prinses te wezen, als men daarby puistjes in ’t gezicht hebben kon gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook.Wel voelde hy eenige yverzucht op ’n zeer jong mensch die kort na ’t wegryden van de Paltsgravin, ’n opening in ’t Paleis scheen gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk ’n deel der andereKavaliere—de meesten torschten ’n witte pruik, met ’n staartjen in den nek—droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om de schouders slingerde. Z’n kleeding was ’n eenigszins fantastische variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z’n buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch zonder ’t minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al de andere heeren, zeer in ’t oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde, en scheen dus ’n gedistingeerd persoon te wezen, al ware ’t hierom alleen dat-i minder dan alle anderen op ’n begunstigde koninklyke kamerdienaar of ’n hansworst geleek. Op z’n hoofd had-i ’n zoogenaamd schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Tweejockey’sbrachten ’n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield.—Dat ’s god-straf-me-n-’n jonker! zei ’n sjouwerman. As de bliksem zes man ’t grietje-want in, om dat vet in ’t blok te klaren!—Mothyop dat paard? vroeg ’n oud-kavallerist, die ’t in zyn vak gebracht had tot “oppasser” van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat ik zeg? Ik zeg: ’n zeeman op ’n paard, is ’n gruwel in Gods oog!Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat “vet in ’t blok” en dien “gruwel” sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend, op den goudvos. De toeschouwers schrikten van ’t steigeren, en maakten zich gereed om wegtestuiven zoodra ’t wilde beest blyk mocht geven dat de “kleine steentjes” te nauw waren voor den stryd dien ’t met z’n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde de manen, schopte, trachtte z’n ruiter over-kop te werpen ... alles te-vergeefs! Of prins Erik ’n gruwel in Gods oog was, weet ik niet, maar hy zat vast in ’t zaal, dit is zeker.—Dàt ’n zeeman? riep de oud-matroos—die in zyn tyd den welverdienden bynaam droeg van “lamstralige snertmalènger”—dàt ’n zeeman? ’t Is de vraag of-i ’t verschil kent tusschen’n bezaan en ’n fok! Al die rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en ’n ander kruipen door de kluisgaten, zieje! Dat ’s ’t ware!En, als om op deze diepzinnige meening ’t zegel te zetten, verschikte hy z’n tabakspruim van rechts naar links.—Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer ’n paard tusschen de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo’n pallas van anderhalf verrel, ’r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen.Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z’n paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier te plagen, en kittelde het met de sporen, onder ’t inhouden van den toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf te-goed te hebben voor z’n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z’n zin, en schoot vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond zich de ruiter voor ’n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter z’n paard even in, maar toch... ’t was te laat om te wyken. Op-eens liet hy den teugel schieten, en ’t vlugge dier sprong welberaden over ’t beletsel heen.De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de kalverstraat verdwenen was.Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte van hofzaken te wezen, beweerde dat “ze” den Diemermeer zouden doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door de Haarlemmerpoort weer naar ’t Paleis.Wouter verheugde zich hartelyk in z’n afkeer van de puistige Prinses. ’t Was hem als ’n geschenk van ’t lot, dat hy eens eindelyk iets had te zien gekregen uit ’n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed verschilde, en dat toch z’n begeerigheid niet opwekte.Met dat schoone paard was ’t iets anders! Wat ’n sprong! En wat die jonge ruiter ’n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór ’t kleuren! Zoo’n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op goeden voet bleef met Femke...Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk!...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i niet eens ’n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! ’t Was immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z’n beest zulke sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen!In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig op z’n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke’s huisje.Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in ’t gras, en peinsde, en voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in ’n slaap die meer onrustig dan verkwikkend was.Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak wasdat ’n jong meisjen op ’n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of ’t ballen waren...—Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt zy de lucht in ... ze ziet niet op ’n daalder... en daarom... al is ’t nu maar ’n droom...En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in ’n droom kan, en hy onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma!Zéker waszyhet! Want ze riep heel verstaanbaar: ’n “massa” is ’n heele troep, weetje!En met zoo’n massa—die precies geleek op Klaas Verlaan en de zynen—kaatste zy...—Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te pakken, en ’t gaat vanzelf. Ik zal ’t opschryven, want zoo’n droom...Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen, als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot zoo’n valsheid?1In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk.2= zoo voor haar, niet voor my.

De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door ’t achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, arme, arme,Laps!Mysterieus standbeeld in de “Gekroonde Jeneverbes.” Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht.Wouterkrygt ’n zusje.Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden.Ja, ze was groot, en ... praktisch!O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps mocht haar “sinnigheid” niet krygen!En dáárom was ’t zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster moeten opschuiven, wat anders ’n fatsoenlyk nederlandsch mensch—liever stikken!—niet doet. Dáárom bleef de hardzeileryin den steek! Dáárom verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat volk—en zy mee!—met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper- en Amstelstraten door, naar de Botermarkt...Want op dat plein woonde deCaesarineLaps die ’n zevenklapper in ’t gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigstvenit, tetigi, en... “heere-krrristis wat is dat?”Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, ’t is fantastische doeleindenleer. Al die koningen, prinsen, prinsessen—en zelfs de Paltsgravin met haar puistjes,joujouen hooge geboorte—zyn op dien warmen dag door ’n hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is uw plicht dit te gelooven... o, geloofster!Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den “Heer” beschikt om de Joden aan ’n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar die nydige zevenklapper...Ze vloog naar ’t venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was, want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van ’t straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd, en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid nog te-hulp, door ’t licht uitteblazen—’n voorzorg die door den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk verzuimd was—en Wouter vermaakte zich kinderlyk by ’t aanzien van de pret. Hy vergat z’n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid, om naar ’t gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder “Heer” en liet de “genade” wat rusten. Zelfs scheen ze—voor ’n oogenblikje maar, denk ik—haar plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien.1—Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen, zonder zelf te weten waarom, zeide hy.—Och, ze hebben plezier in ’t zingen en joelen, en in de voetzoekers ... kyk, daar vliegt er weer een, paf!Klik-klik! antwoordde hierop ’n zevenklapper die z’n domicilie koos tusschen ’n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar?—Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... ’t is twee uur in den nacht, weetje!—Och, nog ’n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen slaap. Volstrekt niet! heusch niet!Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van ’t onverwachte brengen zou.—Ik ben maar zoo bang, m’n lieveling, dat je kou vat aan ’t venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo’n heeten dag...Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid, rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede gevolg, dat Wouter z’n jasje weer aankreeg, ’n verbetering van pozitie die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy!—En zet ook je petjen op, m’n beste jongen. Ik wou voor alle wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in ’t hoofd sloeg, want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een!“Amour à la plus belle,Honneur au plus vaillant...—Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat vreemde geseur? Begrypjyer wat van?Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den “schoonen Dunois” die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter belooning trouwen mocht met de dochter van: “le comte son seigneur!” Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander traktement dan ’n bruid? En hoe maakten ’t deseigneursdie geen dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen nemen met ’n ridder die maar ’t meest Saraceenen had doodgeslagen, op één na?Wat al moeielyke vragen!Juist begon hy z’n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen, schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de in-eensmeltende geluiden van ’t gejoel. Er was “ruzie.” In een der groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen.Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen, schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor ’n publiek dat z’n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten.De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd.Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen dood-liepen en ’n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk lag ’n zeer populaire herberg, die ’t doelwit scheen van ’n hossende volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende benden, almede in dezelfde engte gedreven werd.By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende zich in zoo’n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de kern der samenpakking—’t vallen was onmogelyk—maar des te grooter aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en beenen breken of liggend vertrapt worden, in ’t midden slechts staande gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien, daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ...—Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van!Dit scheen ook met Wouter ’t geval. Op-eens greep hy haar arm, en meende iets te zien, dat... iemand, die...—Heel goed, m’n jongen, houd jy me maar vast! ’t Is daar, zoo zondig als ik hier sta—’t eedsformulier was zoo gek niet—’t is daar moord en doodslag in dien hoek!Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de overweldiging van z’n ... verleidster, of hoe moet het heeten? ’t Scheen nu wel of Afrika voor ’t caesarinnetjen openlag...—Is ’t niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou!Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z’n “eigen Kristien!” Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch...—Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, ’t kind is er zoo ontsteld van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... bymy, weetje!Hy kneep haar boven z’n kracht in den arm, en geen ander blyk van leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt...—Trek ’t je niet zoo aan, m’n lieveling! Maar... akeligis’t! Zie je daar die meid wel, met ’r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in ’r plaats wezen! En jy?—Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke!En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom vlak voor de herberg.Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ...fancy?Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z’n jasjen aanhad? Wat ’n gekke historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe zoud-i zoo’n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z’n moeder?De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z’n gemoed—en waszydit niet?—zich als ’n razende door de menigte wist heenteslaan.Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel den man met den bonten muts en ’t schippersbuis, die hem vanboven gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende bemerkt te hebben dat ze metdienman gearmd uit de Amstelstraat gekomen was. En dit was ook zoo, maar:—Is hier geen meisje met ’n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo duidelyk de vreeselyke drukte toeliet.De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen—dit deed “iedereen” ook, en Wouter moest wel meedoen: ’t was ’n gezelschap Kaïns op groote schaal!—de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op dat z’n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan, daar binnengestuwd was.Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra ’t jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!Ziedaar, lezer, ’t waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die Wouter heel in ’t begin van z’n loopbaan maakten tot ’n kroeg- en koffihuislooper. Gister in “Polen”, heden in “de gekroonde Jeneverbes”... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door ’t een-of-ander geperst... ’t is te veel!Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.Hy meende haar te ontdekken heel achter in ’t niet groote vertrek, op ’n tafeltje dat in ’n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in haar trekken, zag ’t meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap hing haar aan flarden in den nek—zy, zoo net altyd!—en, erger nog, Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve, lieve, lieve gezicht van Femke!Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep, maar ze hoorde niet.Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een: ze wilde hem niet kennen!—O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor m’n lafheid by de Holsma’s!—Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen wilt, ga dan na je moeder!Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet verzetten. De aandrang by ’t buvet waar-i stond, klemde hem tegen de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in ’t oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van wrevel en smart vloeiden hem over de wangen.—Wat doe ie dan in de drukte, zei ’t jeneverwyf, as je d’r niet tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet ’r ’n borrel op, jongen, of ga heen!Lust of niet, hy had heel graag ’n “borrel” besteld om z’n plaats te betalen. Maar—“daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had”—hy bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht der waardin afgeleid door de drukte van ’t gevecht, dat al nader en nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot “operatie-bazis” zooals dit in ’tjargonder krygskunde genoemd wordt. De ware reden was dat elk der strydenden in ’t byzonder zich aan de slagen van z’n tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste “krygskundige evolutien” hebben van ouds-her geen anderen grond.Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde: wie durft?Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan ’n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders voelde hy niet!Och, hoe gaarne had hy in ’t bywezen van al die menschen de zolen van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis, waarop-i wel geen aanspraak had—naar-i meende—maar zonder welke hy niet leven kon!——Femke! riep hy, als ’t roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo zacht dat z’n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers, er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die zoo... wreed—nu ja, maar rechtvaardig toch—had blyk gegeven van haar tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens riep hy, maar ’t was weer fluisterend:—Femke! Femke!Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en ’t schippersbuis aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z’n kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk.Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in dekroeg, dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z’n dame die vóór hem dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter niet duidelyk. Er bestond ’ntertiumdat hy niet raden kon, maar dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van ’t geheim.Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde zelfs ’t verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z’n steunpunt afgerukt, want waar velen ’t zelfde begeeren, is ’t verkrygen moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy slechts betrekkelyke veiligheid zochten—en jenever misschien—terwyl hy werd aangespoord door... nu ja, ’t nog altyd onbekendetertium.Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?Op ’n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in ’t oog te krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe, Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z’n pogingen om tot haar doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als ’n verzekering dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als ’n godin der kalmte, of althans als ’n standbeeld dat vastberadenheid kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die haar te na mocht komen.En die glimlach! Over Wouter’s hoofd heen had de wreedaard z’n weg genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want de man knikte terug...—Hyheeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. ’t Is toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft.Op dit oogenblik kreeg ’t wyf dat de kroeg hield, den worstelenden schipper in ’t oog. Er bleek dat-i ’n goede bekende was, want ze schreeuwde van achter de toonbank:—Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè?En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich ’n paar stappen buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van Wouter, in de nabyheid van ’t buvet te staan kwam.—Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad!’t Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen dat niemand zeker van z’n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen in den hoek geblokkeerd stond.—Hebje-n-’n goeien dag gehad, vroeg ’t wyf. Met de zeilery was ’t miesserabel, hè?Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer byzonders.—’n Glas klare?Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der zeer byzondere. ’t Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet gelukkiger toen ze ’t onderzoek naar Verlaan’s wenschen voortzette:—Skille?Ook niet!—Rooie dan?Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in ’t bepalen van de soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy ’t hoofd, en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen dan de drukte toeliet.“Amour à la plus belle!” galmde het buiten de deur, en eenige heesche keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen.—Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar!“Wel ja, we benne Hollanders...“En al is ons Prinssie...“Sjt!”—Ikverkies nu te zingen:al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet...De prinsman sloeg op z’n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i ieder slaan die niet meezong: “al is ons prinssie.”Misschien volgens de theorie van ’t onbewuste meegaan—Wouter maakte weer bespiegelingen over “massa”—de meerderheid werd op eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen patriottery en keezigheid, nam men ’t nu zoo nauw niet. Hoofdzaak scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich zoo aantestellen. Het “Prinssie” liep behoorlyk van stapel. Een der gasten ging verder, en stelde ’n soort van toost in, op de zeer vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van “al die fransche flikkers!” Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel de bekende “eeuwige verdommenis” toe.“Hoerah!”—Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ...“Ja, toen we nog Hollanders waren!”—En onder de Republiek ...“Leve de Republiek!”—Toenhad je-n-’ns ’n hardzeilery moeten zien! Maar nou!“Al is ons Prinssie!” en: “Leve de Republiek!”—Onder de Republiek waren alle menschen gelyk!“Allemaal gelyk!”—Zoo’n koning, zoo’n prins, al die tirannen...“Weg met die tirannen!”—Ze benne geen haar beter als wy!“Dat’s waar! Ze benne geen haar beter!”—En ze zuigen ’t arme Volk uit!“Ja,ze zuigen ’t Volk uit!”—En weetje waarom? Omdat jeluî—om nou ’reis de gulle waarheid te zeggen—allemaal lamme... enz. bent!“Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz.”—Jelui buigt je nek onder ’t juk...“Juist! “Ze” buigen den nek onder ’t juk!”—Als ’r ’n koning komt, of ’n keizer, of ’n prins, dan slaat de-n-angst jelui in de buik als seneblade!”“Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!”—En, als jelui kerels was...“Precies, as “ze” kerels wasse...—Dan zou jelui...“Ja, dan zouwen “ze”...—’n Mensch is vry gebore...“We benne vry gebore!”—En ’t hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? ’n dochter van... m’nheer...Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te besterven. Hy werd bleek.—’n Dochter van... m’nheer...—Wel zeker! Vraag jy ’t maar aan Verlaan.De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den schipper. Deze knikte toestemmend.—Is ’t waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft ze zich dan zoo... angekleed als ’n gemeene meid?—Och, ’t benne de spulle van m’n dochter Geert, zieje. ’t Is ’n rykeluîs grap...—Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen, ’n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal!“Weg met de tirannen!” “’n Mensch is vry geboren!” “Alle menschen zyn gelyk!” “Het hollandsch hart”... enz.—Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw...“Wàt? Die meid? Wat zou ze?”“Sjt! Ze is de dochter van—maar mondje toe, hoorje!—van... m’nheer—ja, hoe donder is ’t mogelyk, niet waar?—de dochter van m’nheer... Kopperlith!”“Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van m’nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?”—Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit!“Z’n... eigen dochter?”Alsof ’n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had!—Z’n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp jelui! Er uit, er uit!De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters, vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde honden de kroeg uit.De uitvinding om z’n beschermeling te verheffen tot ’n bewoonster van deKeizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer “moffedukaten” op, dan-i liefst aan z’n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze den lezer te-hulp by ’t zoeken naar zekertertium, naar de oorzaak die den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in ’t bestormen van die kroeg.Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van ’t meisje dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag, dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later ’n dergelyke manoeuvre met den Republikein...Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou hy overmorgen...Z’n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik...Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is ’t niet. Voor-i hieromtrent tot ’n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in één greep met ’n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan en den hollandschen Republikein.Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus plaats-maken voor de “bloed-eigen” dochter van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht.De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van de herberg die hem tot ’n tempel was geworden, om te zien waar z’n godinnetje belanden zou. De braking was aan ’t bedaren. Nog altyd evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die, belust op de vreemdheid van ’t geval, nog zoo graag ’n beetje had willen blyven om ’t wonder te zien. Men krygt niet elken dag ’n “bloed-eigen” dochter van m’nheer Kopperlith te aanschouwen.Sommigen dan wilden zich aansluiten by ’t driemanschap Verlaan, Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde zich sterk genoeg, en vond geen reden om ’t aantal deelhebbers in de vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig was. Menigeen die mee-schreeuwde: “er uit! er uit!” ontving zelf ’n handtastelyke vermaning om ’t voorbeeld by de les te voegen.Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist toen Wouter zich verstouten wilde om door ’n spleet te glurenvan de gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep:—Dáár ergens op ’n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar eens niet op ’n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan den sleeper ...Het woord: “sleeper”—een nu verouderd amsterdamismus voor wagenverhuurder of huurkoetsier—gaf Wouter ’n licht van betwistbare helderheid. Dat de Republikein ’n rytuig bestellen moest, was duidelyk, maar... Femke in ’n koets of brommer? Of ... al was ’t maar in ’n sleê...zy?Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu ’n bruikbaar licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat?Na lang wachten kwam er ’n rytuig aanrollen. De Republikein sprong er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde zich met z’n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel...—Femke,ikben hier! riep Wouter, wild toeschietend,ikben hier! O God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen!—Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben jy? Wat wil jy?—Femke, ga niet mee met die vreemde mannen.Ikzal je thuis brengen, ik, Wouter!—Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat ’m los. Hy heeft hier al den heelen avend staan huilebalken als ’n kalf, en geen duit verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is.Wouter trachtte de hand van ’t meisje te vatten, en bemerkte nu dat ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo veel voor ’n bloed-eigen dochter van m’nheer Kopperlith! Toch was de edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan, dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na ’t sluiten van de eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen ’n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te werpen. En nu...Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de omtrekken van die gestalte...—Bist du es, Erich?—Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde mannen mee!En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die met tranen en kussen...—Watikje zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek!—Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen!—Licht!riep ’t meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden tongval.De Republikein nam ’t smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar werd. Het meisje staarde door ’n spleet van haar mantelkap op hem neer, en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de hand niet terug, die Wouter aan z’n lippen geklemd hield...Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken...Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter’s hoofd, wees den schipper terug, en zeide:—Mein Bruder!—Ook alweer ’n bloed-eigen zoon dus van m’nheer Kopperlith, mompelde de republikein. Wat die jongelui ’n rare manier hebben om hun nachten doortebrengen!De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden liet. Al z’n hoorders wisten waar de “bloed-eigen” vader van die twee vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men had al byzonder ongemanierd moeten wezen—of geen republikeinsche Amsterdammer—om dit niet te begrypen.Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit wist-i niet. Maar ’t bekommerde hem nu minder ...Zyhad hem haar broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was hem genoeg!—O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en vergevensgezind... o myn God, ik dank u!en:—Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel innig gemeend hebben... anders zou ze “broêr” hebben gezegd, zooals we gewoon zyn.En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden “in den handel.” Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog, van Femke te worden, dan haar broer...Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet, al voelde hy geheel anders dan gister nog.Voor ’t oogenblik was-i opgetogen met z’n nieuwen titel. Hoe toch kwam zy aan zoo’n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders!—Ik ben Femke’s broeder! juichte z’n hart, en—hoe vermoeid ook—hy liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i ’t hoofd niet stootte aan de wolken.1I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen.

De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door ’t achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, arme, arme,Laps!Mysterieus standbeeld in de “Gekroonde Jeneverbes.” Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht.Wouterkrygt ’n zusje.

De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door ’t achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, arme, arme,Laps!Mysterieus standbeeld in de “Gekroonde Jeneverbes.” Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht.Wouterkrygt ’n zusje.

Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden.

Ja, ze was groot, en ... praktisch!

O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps mocht haar “sinnigheid” niet krygen!

En dáárom was ’t zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster moeten opschuiven, wat anders ’n fatsoenlyk nederlandsch mensch—liever stikken!—niet doet. Dáárom bleef de hardzeileryin den steek! Dáárom verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat volk—en zy mee!—met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper- en Amstelstraten door, naar de Botermarkt...

Want op dat plein woonde deCaesarineLaps die ’n zevenklapper in ’t gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigstvenit, tetigi, en... “heere-krrristis wat is dat?”

Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, ’t is fantastische doeleindenleer. Al die koningen, prinsen, prinsessen—en zelfs de Paltsgravin met haar puistjes,joujouen hooge geboorte—zyn op dien warmen dag door ’n hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is uw plicht dit te gelooven... o, geloofster!

Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den “Heer” beschikt om de Joden aan ’n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar die nydige zevenklapper...

Ze vloog naar ’t venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was, want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van ’t straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd, en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid nog te-hulp, door ’t licht uitteblazen—’n voorzorg die door den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk verzuimd was—en Wouter vermaakte zich kinderlyk by ’t aanzien van de pret. Hy vergat z’n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid, om naar ’t gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder “Heer” en liet de “genade” wat rusten. Zelfs scheen ze—voor ’n oogenblikje maar, denk ik—haar plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien.1

—Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen, zonder zelf te weten waarom, zeide hy.

—Och, ze hebben plezier in ’t zingen en joelen, en in de voetzoekers ... kyk, daar vliegt er weer een, paf!

Klik-klik! antwoordde hierop ’n zevenklapper die z’n domicilie koos tusschen ’n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar?

—Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... ’t is twee uur in den nacht, weetje!

—Och, nog ’n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen slaap. Volstrekt niet! heusch niet!

Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van ’t onverwachte brengen zou.

—Ik ben maar zoo bang, m’n lieveling, dat je kou vat aan ’t venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo’n heeten dag...

Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid, rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede gevolg, dat Wouter z’n jasje weer aankreeg, ’n verbetering van pozitie die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy!

—En zet ook je petjen op, m’n beste jongen. Ik wou voor alle wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in ’t hoofd sloeg, want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een!

“Amour à la plus belle,Honneur au plus vaillant...

“Amour à la plus belle,

Honneur au plus vaillant...

—Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat vreemde geseur? Begrypjyer wat van?

Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den “schoonen Dunois” die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter belooning trouwen mocht met de dochter van: “le comte son seigneur!” Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander traktement dan ’n bruid? En hoe maakten ’t deseigneursdie geen dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen nemen met ’n ridder die maar ’t meest Saraceenen had doodgeslagen, op één na?

Wat al moeielyke vragen!

Juist begon hy z’n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen, schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de in-eensmeltende geluiden van ’t gejoel. Er was “ruzie.” In een der groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen.

Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen, schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor ’n publiek dat z’n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten.

De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd.

Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen dood-liepen en ’n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk lag ’n zeer populaire herberg, die ’t doelwit scheen van ’n hossende volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende benden, almede in dezelfde engte gedreven werd.

By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende zich in zoo’n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de kern der samenpakking—’t vallen was onmogelyk—maar des te grooter aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en beenen breken of liggend vertrapt worden, in ’t midden slechts staande gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien, daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ...

—Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van!

Dit scheen ook met Wouter ’t geval. Op-eens greep hy haar arm, en meende iets te zien, dat... iemand, die...

—Heel goed, m’n jongen, houd jy me maar vast! ’t Is daar, zoo zondig als ik hier sta—’t eedsformulier was zoo gek niet—’t is daar moord en doodslag in dien hoek!

Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de overweldiging van z’n ... verleidster, of hoe moet het heeten? ’t Scheen nu wel of Afrika voor ’t caesarinnetjen openlag...

—Is ’t niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou!

Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z’n “eigen Kristien!” Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch...

—Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, ’t kind is er zoo ontsteld van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... bymy, weetje!

Hy kneep haar boven z’n kracht in den arm, en geen ander blyk van leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt...

—Trek ’t je niet zoo aan, m’n lieveling! Maar... akeligis’t! Zie je daar die meid wel, met ’r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in ’r plaats wezen! En jy?

—Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke!

En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom vlak voor de herberg.

Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ...fancy?

Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z’n jasjen aanhad? Wat ’n gekke historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe zoud-i zoo’n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z’n moeder?

De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z’n gemoed—en waszydit niet?—zich als ’n razende door de menigte wist heenteslaan.

Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel den man met den bonten muts en ’t schippersbuis, die hem vanboven gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende bemerkt te hebben dat ze metdienman gearmd uit de Amstelstraat gekomen was. En dit was ook zoo, maar:

—Is hier geen meisje met ’n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo duidelyk de vreeselyke drukte toeliet.

De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen—dit deed “iedereen” ook, en Wouter moest wel meedoen: ’t was ’n gezelschap Kaïns op groote schaal!—de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op dat z’n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan, daar binnengestuwd was.

Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra ’t jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!

Ziedaar, lezer, ’t waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die Wouter heel in ’t begin van z’n loopbaan maakten tot ’n kroeg- en koffihuislooper. Gister in “Polen”, heden in “de gekroonde Jeneverbes”... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door ’t een-of-ander geperst... ’t is te veel!

Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.

Hy meende haar te ontdekken heel achter in ’t niet groote vertrek, op ’n tafeltje dat in ’n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in haar trekken, zag ’t meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap hing haar aan flarden in den nek—zy, zoo net altyd!—en, erger nog, Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve, lieve, lieve gezicht van Femke!

Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep, maar ze hoorde niet.

Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een: ze wilde hem niet kennen!

—O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor m’n lafheid by de Holsma’s!

—Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen wilt, ga dan na je moeder!

Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet verzetten. De aandrang by ’t buvet waar-i stond, klemde hem tegen de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in ’t oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van wrevel en smart vloeiden hem over de wangen.

—Wat doe ie dan in de drukte, zei ’t jeneverwyf, as je d’r niet tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet ’r ’n borrel op, jongen, of ga heen!

Lust of niet, hy had heel graag ’n “borrel” besteld om z’n plaats te betalen. Maar—“daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had”—hy bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht der waardin afgeleid door de drukte van ’t gevecht, dat al nader en nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot “operatie-bazis” zooals dit in ’tjargonder krygskunde genoemd wordt. De ware reden was dat elk der strydenden in ’t byzonder zich aan de slagen van z’n tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste “krygskundige evolutien” hebben van ouds-her geen anderen grond.

Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde: wie durft?

Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan ’n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders voelde hy niet!

Och, hoe gaarne had hy in ’t bywezen van al die menschen de zolen van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis, waarop-i wel geen aanspraak had—naar-i meende—maar zonder welke hy niet leven kon!—

—Femke! riep hy, als ’t roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo zacht dat z’n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers, er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die zoo... wreed—nu ja, maar rechtvaardig toch—had blyk gegeven van haar tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens riep hy, maar ’t was weer fluisterend:

—Femke! Femke!

Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en ’t schippersbuis aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z’n kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk.

Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in dekroeg, dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z’n dame die vóór hem dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter niet duidelyk. Er bestond ’ntertiumdat hy niet raden kon, maar dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van ’t geheim.

Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde zelfs ’t verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z’n steunpunt afgerukt, want waar velen ’t zelfde begeeren, is ’t verkrygen moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy slechts betrekkelyke veiligheid zochten—en jenever misschien—terwyl hy werd aangespoord door... nu ja, ’t nog altyd onbekendetertium.

Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?

Op ’n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in ’t oog te krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe, Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z’n pogingen om tot haar doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als ’n verzekering dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als ’n godin der kalmte, of althans als ’n standbeeld dat vastberadenheid kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die haar te na mocht komen.

En die glimlach! Over Wouter’s hoofd heen had de wreedaard z’n weg genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want de man knikte terug...

—Hyheeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. ’t Is toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft.

Op dit oogenblik kreeg ’t wyf dat de kroeg hield, den worstelenden schipper in ’t oog. Er bleek dat-i ’n goede bekende was, want ze schreeuwde van achter de toonbank:

—Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè?

En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich ’n paar stappen buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van Wouter, in de nabyheid van ’t buvet te staan kwam.

—Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad!

’t Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen dat niemand zeker van z’n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen in den hoek geblokkeerd stond.

—Hebje-n-’n goeien dag gehad, vroeg ’t wyf. Met de zeilery was ’t miesserabel, hè?

Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer byzonders.

—’n Glas klare?

Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der zeer byzondere. ’t Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet gelukkiger toen ze ’t onderzoek naar Verlaan’s wenschen voortzette:

—Skille?

Ook niet!

—Rooie dan?

Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in ’t bepalen van de soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy ’t hoofd, en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen dan de drukte toeliet.

“Amour à la plus belle!” galmde het buiten de deur, en eenige heesche keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen.

—Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar!

“Wel ja, we benne Hollanders...

“En al is ons Prinssie...

“Sjt!”

—Ikverkies nu te zingen:al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet...

De prinsman sloeg op z’n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i ieder slaan die niet meezong: “al is ons prinssie.”

Misschien volgens de theorie van ’t onbewuste meegaan—Wouter maakte weer bespiegelingen over “massa”—de meerderheid werd op eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen patriottery en keezigheid, nam men ’t nu zoo nauw niet. Hoofdzaak scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich zoo aantestellen. Het “Prinssie” liep behoorlyk van stapel. Een der gasten ging verder, en stelde ’n soort van toost in, op de zeer vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van “al die fransche flikkers!” Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel de bekende “eeuwige verdommenis” toe.

“Hoerah!”

—Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ...

“Ja, toen we nog Hollanders waren!”

—En onder de Republiek ...

“Leve de Republiek!”

—Toenhad je-n-’ns ’n hardzeilery moeten zien! Maar nou!

“Al is ons Prinssie!” en: “Leve de Republiek!”

—Onder de Republiek waren alle menschen gelyk!

“Allemaal gelyk!”

—Zoo’n koning, zoo’n prins, al die tirannen...

“Weg met die tirannen!”

—Ze benne geen haar beter als wy!

“Dat’s waar! Ze benne geen haar beter!”

—En ze zuigen ’t arme Volk uit!

“Ja,ze zuigen ’t Volk uit!”

—En weetje waarom? Omdat jeluî—om nou ’reis de gulle waarheid te zeggen—allemaal lamme... enz. bent!

“Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz.”

—Jelui buigt je nek onder ’t juk...

“Juist! “Ze” buigen den nek onder ’t juk!”

—Als ’r ’n koning komt, of ’n keizer, of ’n prins, dan slaat de-n-angst jelui in de buik als seneblade!”

“Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!”

—En, als jelui kerels was...

“Precies, as “ze” kerels wasse...

—Dan zou jelui...

“Ja, dan zouwen “ze”...

—’n Mensch is vry gebore...

“We benne vry gebore!”

—En ’t hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? ’n dochter van... m’nheer...

Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te besterven. Hy werd bleek.

—’n Dochter van... m’nheer...

—Wel zeker! Vraag jy ’t maar aan Verlaan.

De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den schipper. Deze knikte toestemmend.

—Is ’t waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft ze zich dan zoo... angekleed als ’n gemeene meid?

—Och, ’t benne de spulle van m’n dochter Geert, zieje. ’t Is ’n rykeluîs grap...

—Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen, ’n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal!

“Weg met de tirannen!” “’n Mensch is vry geboren!” “Alle menschen zyn gelyk!” “Het hollandsch hart”... enz.

—Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw...

“Wàt? Die meid? Wat zou ze?”

“Sjt! Ze is de dochter van—maar mondje toe, hoorje!—van... m’nheer—ja, hoe donder is ’t mogelyk, niet waar?—de dochter van m’nheer... Kopperlith!”

“Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van m’nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?”

—Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit!

“Z’n... eigen dochter?”

Alsof ’n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had!

—Z’n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp jelui! Er uit, er uit!

De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters, vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde honden de kroeg uit.

De uitvinding om z’n beschermeling te verheffen tot ’n bewoonster van deKeizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer “moffedukaten” op, dan-i liefst aan z’n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze den lezer te-hulp by ’t zoeken naar zekertertium, naar de oorzaak die den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in ’t bestormen van die kroeg.

Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van ’t meisje dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag, dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later ’n dergelyke manoeuvre met den Republikein...

Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou hy overmorgen...

Z’n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik...

Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is ’t niet. Voor-i hieromtrent tot ’n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in één greep met ’n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan en den hollandschen Republikein.

Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus plaats-maken voor de “bloed-eigen” dochter van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht.

De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van de herberg die hem tot ’n tempel was geworden, om te zien waar z’n godinnetje belanden zou. De braking was aan ’t bedaren. Nog altyd evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die, belust op de vreemdheid van ’t geval, nog zoo graag ’n beetje had willen blyven om ’t wonder te zien. Men krygt niet elken dag ’n “bloed-eigen” dochter van m’nheer Kopperlith te aanschouwen.

Sommigen dan wilden zich aansluiten by ’t driemanschap Verlaan, Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde zich sterk genoeg, en vond geen reden om ’t aantal deelhebbers in de vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig was. Menigeen die mee-schreeuwde: “er uit! er uit!” ontving zelf ’n handtastelyke vermaning om ’t voorbeeld by de les te voegen.

Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist toen Wouter zich verstouten wilde om door ’n spleet te glurenvan de gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep:

—Dáár ergens op ’n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar eens niet op ’n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan den sleeper ...

Het woord: “sleeper”—een nu verouderd amsterdamismus voor wagenverhuurder of huurkoetsier—gaf Wouter ’n licht van betwistbare helderheid. Dat de Republikein ’n rytuig bestellen moest, was duidelyk, maar... Femke in ’n koets of brommer? Of ... al was ’t maar in ’n sleê...zy?

Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu ’n bruikbaar licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat?

Na lang wachten kwam er ’n rytuig aanrollen. De Republikein sprong er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde zich met z’n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel...

—Femke,ikben hier! riep Wouter, wild toeschietend,ikben hier! O God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen!

—Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben jy? Wat wil jy?

—Femke, ga niet mee met die vreemde mannen.Ikzal je thuis brengen, ik, Wouter!

—Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat ’m los. Hy heeft hier al den heelen avend staan huilebalken als ’n kalf, en geen duit verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is.

Wouter trachtte de hand van ’t meisje te vatten, en bemerkte nu dat ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo veel voor ’n bloed-eigen dochter van m’nheer Kopperlith! Toch was de edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan, dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na ’t sluiten van de eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen ’n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te werpen. En nu...

Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de omtrekken van die gestalte...

—Bist du es, Erich?

—Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde mannen mee!

En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die met tranen en kussen...

—Watikje zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek!

—Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen!

—Licht!riep ’t meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden tongval.

De Republikein nam ’t smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar werd. Het meisje staarde door ’n spleet van haar mantelkap op hem neer, en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de hand niet terug, die Wouter aan z’n lippen geklemd hield...

Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken...

Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter’s hoofd, wees den schipper terug, en zeide:

—Mein Bruder!

—Ook alweer ’n bloed-eigen zoon dus van m’nheer Kopperlith, mompelde de republikein. Wat die jongelui ’n rare manier hebben om hun nachten doortebrengen!

De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden liet. Al z’n hoorders wisten waar de “bloed-eigen” vader van die twee vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men had al byzonder ongemanierd moeten wezen—of geen republikeinsche Amsterdammer—om dit niet te begrypen.

Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit wist-i niet. Maar ’t bekommerde hem nu minder ...Zyhad hem haar broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was hem genoeg!

—O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en vergevensgezind... o myn God, ik dank u!

en:

—Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel innig gemeend hebben... anders zou ze “broêr” hebben gezegd, zooals we gewoon zyn.

En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden “in den handel.” Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog, van Femke te worden, dan haar broer...

Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet, al voelde hy geheel anders dan gister nog.

Voor ’t oogenblik was-i opgetogen met z’n nieuwen titel. Hoe toch kwam zy aan zoo’n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders!

—Ik ben Femke’s broeder! juichte z’n hart, en—hoe vermoeid ook—hy liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i ’t hoofd niet stootte aan de wolken.

1I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen.

1I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen.

Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen door elken lezer dien ’t om voortzetting van de geschiedenis te doen is. Alleen op ’t slot wordt de eentonigheid eenigszins afgebroken door ’t zonderling lotgeval van ’n kruiwagen en ’n onbillyken droom, ’t eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal leveren kan.Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs zóó ver, dat-i de opgetogenheid over ’t opgaan der zon, aanbeveelt als graadmeter van de “deugd.” Wouter kende dit axioma niet, en veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere vingers te droomen, dan de “roosverwige” van Aurora. Hy dacht aan de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z’n “deugd” was er niet minder om.Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z’n omgeving. De volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door ’t verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden, als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst als alle gelukkigen, kwam ’t hem heel natuurlyk voor, dat al wat het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in ’t Heelal slechts twee dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als ’n trouwende vrouw, haar naam by ’t huwelyk met die ééne gewaarwording, met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.Wouter’s oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de hoeken der straten. Z’n onverschillige blik las: “Botermarkt” en: “hier gaat men uit porren.” Ook kon-i te weten komen waar kousen te-koop waren, of wagens te-huur, en wie ’n smid was, of ’n timmerman, of... “in” ’t een-of-ander...Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke’s hand gekust! Welk verstandig wezen kon ’t in z’n hoofd krygen dat er, na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter verkocht, of schoensmeer? Of die man “uit porren” ging, of “in” effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch—wáár was het!—hy had Femke’s vingertoppen gekust, en zy had hem “broeder” genoemd!’t Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien zomernacht. Horatius had er ’n aardige illustratie by gewonnen voor z’nfractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo’n kataklysme zou overeind gebleven zyn, en—voor ’t byna ondenkbaar geval dat-i notitie van de zaak had genomen—hoogstens gevraagd hebben: ofzyzich bezeerd had?Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z’n tyd is, bekend zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydagnacht naar oude gewoonte ’n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van z’n soort is gebleven.Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman dat-i “in” effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo gelukkig voelde.Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te zyn dat nergens ’n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers had kunnen meenemen—de pink was genoeg geweest, die lieve pink!—als tastbaar getuigenis van ’t gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit weer haar hand aan z’n lippen voelde!Doch neen, ook zonder zoo’n verslindende zorg voor ’t bewaren van ’n tastbaar blyk... ’t was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem “broeder” genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen, porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen.Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar bent voor den triumf van ’t allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal niets veranderen aan het feit...Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke hèm ’n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan de oude betrekking van “vrindje” waarop hy altyd zoo had aangedrongen, en die hem nooit geweigerd was?Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de kreditposten van z’n geluk voor—men bedenke dat-i “in den handel” geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou—en trachtte hoog gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor ’t verloochenen.Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert gister op dit punt ’n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert z’n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden dreigde z’n gemoed te bezwyken onder Femke’s verachting, en nu... nu...Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z’n geluk, omdat hy ’t niet begrypen kon.De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang, zoowel der gebeurtenissen, als van z’n aandoeningen. Hy was als iemand die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt standpunt heeft ’n andere meteorologischebeteekenis, dan datzelfde standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen, en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der traagheid. Wie zich toelegt op genezing van ’n fout, en ten-halve geslaagd is, staat hooger dan ’n ander die in gelyksoortige fout verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed, of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy te doen. ’t Was karakteristiek van Wouter, dat-i—niet tevreden met z’n veronderstelden rykdom—zich zooveel moeite gaf z’n kapitaal natetellen.En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in ’t gebeurde betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander tydsgewricht van z’n leven, na àndere voorbereiding, op ’n àndere plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou ’t nachttooneeltjen in die vuile herberg, waarby Wouter ’n hoofdrol speelde, hem veel minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink’s likeur—zoo ontzenuwend anders!—verhoogde het schynbaar of wezenlyk gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt, had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na ’t ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek, moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was ’n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Nadieinspanning weer, haar... glimlach aan ’n ander, haar verachting voor hèm! Toen had-i geschreid als ’n kinderachtig jongetje. En, nà deze reeks vanRückschlägeendéfaillances—ik zoek ’n goed hollandsch woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting—na dit alles hield z’n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren uit z’n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke’s voeten, haar te bezweren: “Femke, Femke,ikben hier... ik Wouter! Om-godswil, ga met die vreemde mannen niet mee!”Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig.1Wouter had het recht veroverd—’n recht dat zoovelen zich aanmatigen zònder grond—dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling, zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan.Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing ’n kind, meer kindzelfs dan byna ieder die even ver als hy van ’t uur zyner geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... ’n kind inallebeteekenissen van ’t woord.Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan ’n “opvreter van Stad en Land.” Tot Wouter’s groote verbazing voelde hy in zichzelf de kracht—en den lust zelfs—die waarschuwing te trotseeren. Zeker was geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls “brutale bliksems” gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja, van ’n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich by die gelegenheid voorgedaan als ’n persoonlykheid, eenigszins als ’n persoon... jazelfs—op ’n beetje na!—als ’n wezenlyke man.Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door ’n beroep op z’n ridderlykheid. “Dieven, moordenaars, en... ’n vrouw in nood!” De gekste zotternyen die uit al die boeken in z’n gemoed gezaaid waren, werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z’n woord zou gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der belaagde onschuld. Dat-i gedurende z’n heldentocht geleden had aan ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo’n onthaal werkt niet bezielend. Om ons ’t recht te geven, Wouter te verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben waargenomen als z’n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy, de jongen, of ’t kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken als n man. En... juffrouw Laps—’n volwassen persoon toch!—had hem als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i haar welkomer was in z’n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever had dan Stoffel, ’n persoonlykheid die toch nog altyd—waarheid bovenal!—’n paar duim langer was dan hy.Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven zich in veel opzichten “groot” te voelen. Maar toch zou er ’n gaping bestaan hebben in z’n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér geschied was. Z’n zonderlinge gastvrouw—hoe afschuwelyk ook vroeger in zyn oog—had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na ’t verlaten van haar woning bleven doortrillen in z’n gemoed. Ze had hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste—’n màn!Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met z’n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in ’t bevestigen van z’n mondigheid. ’t Was zeker al iets heel schoons—en niet elk protestantsch handelsjongetje gegeven!—te kunnendienen als schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid aangetoond, dat hy—hy, Wouter!—kon bemind worden als verloofde, als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in ’n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó—ànders ook, God weet het!—maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z’n verregaande onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg dien z’n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet als ’n Virgilische by, honig vergaard voor ’n ander? Was ’t niet ’n pynigend:sic illae—Femke!—non mihi?2Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem, met den vinger als ’t ware, gewezen had op ’n vroeger onbekende plek in z’n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond met z’n eerzucht zoowel, als met z’n begeerte om teweten, en “het Lot uittedagen”. En over dit alles lag de gloed—we moeten oprecht zyn!—niet van z’n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden.Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich tot den hoogmoed die by z’n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als ’n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit, o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze “maagd” was, en ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle woordwulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf, en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in den mond van ’n “man.”Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z’n genegenheid voor ’t meisje, ’n gevoel dat voor ’t minst zeer hartelyk was...Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat de onvoedzame dorheid van z’n huiselyken kring hem voorbeschikte tot het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste....dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen had op z’n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf ’n vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de prettige promotie. Maar zóó ver ging z’n erkentelykheid niet. Het was al veel dat z’n afkeer veranderde in iets als medelyden, en wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van z’n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z’n heelen broer Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom danháár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen tot wat hy aanzag voor z’n eigen geluk?Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al z’n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug voor z’n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De werelddeelen die van hem hun geluk wachtten...Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z’n ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand...’t Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger dat ze ruwer was, steviger...Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy—ja, ja, ja, want gedroomd had-i niet!—nu wist hy, dat de hand die zoo flink ’n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als ’t boordsel van Hamlet’s mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel gom had besteed om ’t ding behoorlyk te doen glimmen.En ook had-i zich vroeger vergist in Femke’s stem. En in haar toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets nauwkeurig willende zien in ’t donker, zou gevraagd hebben nàar... licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze zou—zoo meende Wouter in de dagen van z’n onkunde—ze zou by zoo’n gelegenheid gezegd hebben:“Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?”En de houding? Die heele Klaas Verlaan—’n man as ’n boom toch!—en z’n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En toch alweer... ’n droom was ’t niet, al geleek het dan precies op ’n droom! By ’t openslaan van den mantel, had-i duidelyk den blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets!Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels!Wat beteekenden die praatjes van den schipper over ’n m’nheer Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar te... verlagen tot ’n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene wyf uit de kroeg aan z’n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z’n bede, met die mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet, gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op dat uur by de Holsma’s te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden ... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in ’n brommer! En uit welke fondsen zouden de “daaldertjes” betaald worden, waarover die schipper gesproken had met ’n voorname onachtzaamheid alsof ’t maar duiten waren?Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst haar broeder genoemd had.Dit stond vast als ’n rots. Al ’t overige? By de eerste gelegenheidzoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm, haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze!Wat overigens ’t gevaar aanging—of liever ... ’t onbehagelyke—van haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit zou hy, Wouter, ook doen—met byzonder veel genoegen, waarlyk!—als-i maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand reiken tot ’n kus...Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden—want hy voelde zich zeer vermoeid!—door de als uitgestorven straten der stad.Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar stond ’n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor bewaard voor de zonde van ’t verwensenen der hooge gasten, die zich blykbaar hadden voorgenomen ’n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen, en er was prins noch prinses te zien.Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de “kleine steentjes van ’t Paleis.” En gepraat werd er onder dat schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben.Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite hebben getroost om ’n wezenlyken koning te zien te krygen—zeker om te weten of zoo’n wezen opMacbeth,ArthurenKing Leargelykt—maar nu... och, hy gaf er zoo weinig om.Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in ’t styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen aan ’t lyf, als iemand die zichzelf ’n stoot met den elleboog in de lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: “datzenou wel gauw komme zouwe.”Die “ze” waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo’n schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als bruine boonen op den elst van z’n tong.De olykert had juist geraden. “Ze” kwamen inderdaad, en bestegen de meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter ’t gelaat van al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één bejaarde dame gaf op ’t oogenblik van wegrydenden koetsier met haar zonnescherm ’n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden als: wacht even!—Ze het wat vergeten, diagnozeerde ’t krispyntje.Drie, vier “Kavaliere” vlogen als weerlichten ’t paleis in, en schenen ’n wedloop te houden om den achtergelatenjoujou de Normandiete halen. Een hunner—de ongelukkige!—kon den ingang niet vinden. Vreemder is ’t dat de anderen wèl wisten binnen te komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft, ’n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan, en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met ’n behoorlyke deur of poort kan men overal te zien krygen.Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van ’t veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk aanloopen met denjoujou. Ze schenen ’ncompromiste hebben gesloten, en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om ’t gouden doosje waarin ’t kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by ’t aanbieden, met gelykeallerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op ’n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren gewogen had...Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel, procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in ’n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z’n wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter aanspraak op...Gekheid! riepen de afstammelingen van z’n mededinger B. Onze voorvader heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten miskennen... enz.—Zieje wel dat ze puissies in d’r gezicht het! riep de schoenmakersleerling.’t Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke puisten! Dit had geen der poppen op Wouter’s printen. Al z’n gekleurde prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en ’t viel hem zeer tegen, dat ’n dame die tot den stoet van koningen en keizers bleek te behooren, zoo bitter weinig op z’n printen geleek. Alshy’t mensch gekleurd had, zou ze ’r beter uitzien, meende hy.Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher gelaat dan-i met al z’n vleeschkleur schilderen kon. En ’n houding! Nu kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by ’t flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist!Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best ’n waschvrouwwezen, ’n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den koop toe, en zoekgeraaktemansettente vergoeden kreeg.Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk op Wouter’s verbeelding, en ’t kwam hem niet heel waardig voor, prinses te wezen, als men daarby puistjes in ’t gezicht hebben kon gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook.Wel voelde hy eenige yverzucht op ’n zeer jong mensch die kort na ’t wegryden van de Paltsgravin, ’n opening in ’t Paleis scheen gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk ’n deel der andereKavaliere—de meesten torschten ’n witte pruik, met ’n staartjen in den nek—droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om de schouders slingerde. Z’n kleeding was ’n eenigszins fantastische variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z’n buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch zonder ’t minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al de andere heeren, zeer in ’t oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde, en scheen dus ’n gedistingeerd persoon te wezen, al ware ’t hierom alleen dat-i minder dan alle anderen op ’n begunstigde koninklyke kamerdienaar of ’n hansworst geleek. Op z’n hoofd had-i ’n zoogenaamd schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Tweejockey’sbrachten ’n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield.—Dat ’s god-straf-me-n-’n jonker! zei ’n sjouwerman. As de bliksem zes man ’t grietje-want in, om dat vet in ’t blok te klaren!—Mothyop dat paard? vroeg ’n oud-kavallerist, die ’t in zyn vak gebracht had tot “oppasser” van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat ik zeg? Ik zeg: ’n zeeman op ’n paard, is ’n gruwel in Gods oog!Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat “vet in ’t blok” en dien “gruwel” sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend, op den goudvos. De toeschouwers schrikten van ’t steigeren, en maakten zich gereed om wegtestuiven zoodra ’t wilde beest blyk mocht geven dat de “kleine steentjes” te nauw waren voor den stryd dien ’t met z’n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde de manen, schopte, trachtte z’n ruiter over-kop te werpen ... alles te-vergeefs! Of prins Erik ’n gruwel in Gods oog was, weet ik niet, maar hy zat vast in ’t zaal, dit is zeker.—Dàt ’n zeeman? riep de oud-matroos—die in zyn tyd den welverdienden bynaam droeg van “lamstralige snertmalènger”—dàt ’n zeeman? ’t Is de vraag of-i ’t verschil kent tusschen’n bezaan en ’n fok! Al die rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en ’n ander kruipen door de kluisgaten, zieje! Dat ’s ’t ware!En, als om op deze diepzinnige meening ’t zegel te zetten, verschikte hy z’n tabakspruim van rechts naar links.—Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer ’n paard tusschen de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo’n pallas van anderhalf verrel, ’r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen.Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z’n paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier te plagen, en kittelde het met de sporen, onder ’t inhouden van den toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf te-goed te hebben voor z’n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z’n zin, en schoot vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond zich de ruiter voor ’n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter z’n paard even in, maar toch... ’t was te laat om te wyken. Op-eens liet hy den teugel schieten, en ’t vlugge dier sprong welberaden over ’t beletsel heen.De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de kalverstraat verdwenen was.Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte van hofzaken te wezen, beweerde dat “ze” den Diemermeer zouden doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door de Haarlemmerpoort weer naar ’t Paleis.Wouter verheugde zich hartelyk in z’n afkeer van de puistige Prinses. ’t Was hem als ’n geschenk van ’t lot, dat hy eens eindelyk iets had te zien gekregen uit ’n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed verschilde, en dat toch z’n begeerigheid niet opwekte.Met dat schoone paard was ’t iets anders! Wat ’n sprong! En wat die jonge ruiter ’n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór ’t kleuren! Zoo’n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op goeden voet bleef met Femke...Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk!...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i niet eens ’n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! ’t Was immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z’n beest zulke sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen!In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig op z’n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke’s huisje.Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in ’t gras, en peinsde, en voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in ’n slaap die meer onrustig dan verkwikkend was.Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak wasdat ’n jong meisjen op ’n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of ’t ballen waren...—Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt zy de lucht in ... ze ziet niet op ’n daalder... en daarom... al is ’t nu maar ’n droom...En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in ’n droom kan, en hy onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma!Zéker waszyhet! Want ze riep heel verstaanbaar: ’n “massa” is ’n heele troep, weetje!En met zoo’n massa—die precies geleek op Klaas Verlaan en de zynen—kaatste zy...—Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te pakken, en ’t gaat vanzelf. Ik zal ’t opschryven, want zoo’n droom...Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen, als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot zoo’n valsheid?1In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk.2= zoo voor haar, niet voor my.

Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen door elken lezer dien ’t om voortzetting van de geschiedenis te doen is. Alleen op ’t slot wordt de eentonigheid eenigszins afgebroken door ’t zonderling lotgeval van ’n kruiwagen en ’n onbillyken droom, ’t eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal leveren kan.

Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen door elken lezer dien ’t om voortzetting van de geschiedenis te doen is. Alleen op ’t slot wordt de eentonigheid eenigszins afgebroken door ’t zonderling lotgeval van ’n kruiwagen en ’n onbillyken droom, ’t eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal leveren kan.

Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs zóó ver, dat-i de opgetogenheid over ’t opgaan der zon, aanbeveelt als graadmeter van de “deugd.” Wouter kende dit axioma niet, en veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere vingers te droomen, dan de “roosverwige” van Aurora. Hy dacht aan de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z’n “deugd” was er niet minder om.

Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z’n omgeving. De volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door ’t verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden, als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst als alle gelukkigen, kwam ’t hem heel natuurlyk voor, dat al wat het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in ’t Heelal slechts twee dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als ’n trouwende vrouw, haar naam by ’t huwelyk met die ééne gewaarwording, met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.

Wouter’s oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de hoeken der straten. Z’n onverschillige blik las: “Botermarkt” en: “hier gaat men uit porren.” Ook kon-i te weten komen waar kousen te-koop waren, of wagens te-huur, en wie ’n smid was, of ’n timmerman, of... “in” ’t een-of-ander...

Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke’s hand gekust! Welk verstandig wezen kon ’t in z’n hoofd krygen dat er, na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter verkocht, of schoensmeer? Of die man “uit porren” ging, of “in” effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch—wáár was het!—hy had Femke’s vingertoppen gekust, en zy had hem “broeder” genoemd!

’t Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien zomernacht. Horatius had er ’n aardige illustratie by gewonnen voor z’nfractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo’n kataklysme zou overeind gebleven zyn, en—voor ’t byna ondenkbaar geval dat-i notitie van de zaak had genomen—hoogstens gevraagd hebben: ofzyzich bezeerd had?

Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z’n tyd is, bekend zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydagnacht naar oude gewoonte ’n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van z’n soort is gebleven.

Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman dat-i “in” effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo gelukkig voelde.

Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te zyn dat nergens ’n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers had kunnen meenemen—de pink was genoeg geweest, die lieve pink!—als tastbaar getuigenis van ’t gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit weer haar hand aan z’n lippen voelde!

Doch neen, ook zonder zoo’n verslindende zorg voor ’t bewaren van ’n tastbaar blyk... ’t was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem “broeder” genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen, porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen.

Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar bent voor den triumf van ’t allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal niets veranderen aan het feit...

Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke hèm ’n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan de oude betrekking van “vrindje” waarop hy altyd zoo had aangedrongen, en die hem nooit geweigerd was?

Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de kreditposten van z’n geluk voor—men bedenke dat-i “in den handel” geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou—en trachtte hoog gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor ’t verloochenen.

Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert gister op dit punt ’n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert z’n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden dreigde z’n gemoed te bezwyken onder Femke’s verachting, en nu... nu...

Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z’n geluk, omdat hy ’t niet begrypen kon.

De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang, zoowel der gebeurtenissen, als van z’n aandoeningen. Hy was als iemand die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt standpunt heeft ’n andere meteorologischebeteekenis, dan datzelfde standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen, en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der traagheid. Wie zich toelegt op genezing van ’n fout, en ten-halve geslaagd is, staat hooger dan ’n ander die in gelyksoortige fout verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed, of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy te doen. ’t Was karakteristiek van Wouter, dat-i—niet tevreden met z’n veronderstelden rykdom—zich zooveel moeite gaf z’n kapitaal natetellen.

En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in ’t gebeurde betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander tydsgewricht van z’n leven, na àndere voorbereiding, op ’n àndere plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou ’t nachttooneeltjen in die vuile herberg, waarby Wouter ’n hoofdrol speelde, hem veel minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink’s likeur—zoo ontzenuwend anders!—verhoogde het schynbaar of wezenlyk gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt, had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na ’t ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek, moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was ’n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Nadieinspanning weer, haar... glimlach aan ’n ander, haar verachting voor hèm! Toen had-i geschreid als ’n kinderachtig jongetje. En, nà deze reeks vanRückschlägeendéfaillances—ik zoek ’n goed hollandsch woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting—na dit alles hield z’n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren uit z’n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke’s voeten, haar te bezweren: “Femke, Femke,ikben hier... ik Wouter! Om-godswil, ga met die vreemde mannen niet mee!”

Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig.1

Wouter had het recht veroverd—’n recht dat zoovelen zich aanmatigen zònder grond—dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling, zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan.

Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing ’n kind, meer kindzelfs dan byna ieder die even ver als hy van ’t uur zyner geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... ’n kind inallebeteekenissen van ’t woord.

Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan ’n “opvreter van Stad en Land.” Tot Wouter’s groote verbazing voelde hy in zichzelf de kracht—en den lust zelfs—die waarschuwing te trotseeren. Zeker was geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls “brutale bliksems” gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja, van ’n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich by die gelegenheid voorgedaan als ’n persoonlykheid, eenigszins als ’n persoon... jazelfs—op ’n beetje na!—als ’n wezenlyke man.

Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door ’n beroep op z’n ridderlykheid. “Dieven, moordenaars, en... ’n vrouw in nood!” De gekste zotternyen die uit al die boeken in z’n gemoed gezaaid waren, werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z’n woord zou gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der belaagde onschuld. Dat-i gedurende z’n heldentocht geleden had aan ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo’n onthaal werkt niet bezielend. Om ons ’t recht te geven, Wouter te verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben waargenomen als z’n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy, de jongen, of ’t kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken als n man. En... juffrouw Laps—’n volwassen persoon toch!—had hem als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i haar welkomer was in z’n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever had dan Stoffel, ’n persoonlykheid die toch nog altyd—waarheid bovenal!—’n paar duim langer was dan hy.

Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven zich in veel opzichten “groot” te voelen. Maar toch zou er ’n gaping bestaan hebben in z’n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér geschied was. Z’n zonderlinge gastvrouw—hoe afschuwelyk ook vroeger in zyn oog—had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na ’t verlaten van haar woning bleven doortrillen in z’n gemoed. Ze had hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste—’n màn!

Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met z’n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in ’t bevestigen van z’n mondigheid. ’t Was zeker al iets heel schoons—en niet elk protestantsch handelsjongetje gegeven!—te kunnendienen als schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid aangetoond, dat hy—hy, Wouter!—kon bemind worden als verloofde, als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in ’n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó—ànders ook, God weet het!—maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z’n verregaande onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg dien z’n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet als ’n Virgilische by, honig vergaard voor ’n ander? Was ’t niet ’n pynigend:sic illae—Femke!—non mihi?2

Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem, met den vinger als ’t ware, gewezen had op ’n vroeger onbekende plek in z’n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond met z’n eerzucht zoowel, als met z’n begeerte om teweten, en “het Lot uittedagen”. En over dit alles lag de gloed—we moeten oprecht zyn!—niet van z’n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden.

Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich tot den hoogmoed die by z’n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als ’n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit, o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze “maagd” was, en ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle woordwulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf, en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in den mond van ’n “man.”

Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z’n genegenheid voor ’t meisje, ’n gevoel dat voor ’t minst zeer hartelyk was...

Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat de onvoedzame dorheid van z’n huiselyken kring hem voorbeschikte tot het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste.

...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen had op z’n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf ’n vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de prettige promotie. Maar zóó ver ging z’n erkentelykheid niet. Het was al veel dat z’n afkeer veranderde in iets als medelyden, en wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van z’n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z’n heelen broer Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom danháár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen tot wat hy aanzag voor z’n eigen geluk?

Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al z’n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug voor z’n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De werelddeelen die van hem hun geluk wachtten...

Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z’n ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand...

’t Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger dat ze ruwer was, steviger...

Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy—ja, ja, ja, want gedroomd had-i niet!—nu wist hy, dat de hand die zoo flink ’n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als ’t boordsel van Hamlet’s mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel gom had besteed om ’t ding behoorlyk te doen glimmen.

En ook had-i zich vroeger vergist in Femke’s stem. En in haar toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets nauwkeurig willende zien in ’t donker, zou gevraagd hebben nàar... licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze zou—zoo meende Wouter in de dagen van z’n onkunde—ze zou by zoo’n gelegenheid gezegd hebben:

“Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?”

En de houding? Die heele Klaas Verlaan—’n man as ’n boom toch!—en z’n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En toch alweer... ’n droom was ’t niet, al geleek het dan precies op ’n droom! By ’t openslaan van den mantel, had-i duidelyk den blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets!

Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels!

Wat beteekenden die praatjes van den schipper over ’n m’nheer Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar te... verlagen tot ’n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene wyf uit de kroeg aan z’n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z’n bede, met die mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet, gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op dat uur by de Holsma’s te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden ... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in ’n brommer! En uit welke fondsen zouden de “daaldertjes” betaald worden, waarover die schipper gesproken had met ’n voorname onachtzaamheid alsof ’t maar duiten waren?

Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst haar broeder genoemd had.

Dit stond vast als ’n rots. Al ’t overige? By de eerste gelegenheidzoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm, haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze!

Wat overigens ’t gevaar aanging—of liever ... ’t onbehagelyke—van haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit zou hy, Wouter, ook doen—met byzonder veel genoegen, waarlyk!—als-i maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand reiken tot ’n kus...

Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden—want hy voelde zich zeer vermoeid!—door de als uitgestorven straten der stad.

Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar stond ’n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor bewaard voor de zonde van ’t verwensenen der hooge gasten, die zich blykbaar hadden voorgenomen ’n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen, en er was prins noch prinses te zien.

Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de “kleine steentjes van ’t Paleis.” En gepraat werd er onder dat schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben.

Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite hebben getroost om ’n wezenlyken koning te zien te krygen—zeker om te weten of zoo’n wezen opMacbeth,ArthurenKing Leargelykt—maar nu... och, hy gaf er zoo weinig om.

Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in ’t styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen aan ’t lyf, als iemand die zichzelf ’n stoot met den elleboog in de lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: “datzenou wel gauw komme zouwe.”

Die “ze” waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo’n schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als bruine boonen op den elst van z’n tong.

De olykert had juist geraden. “Ze” kwamen inderdaad, en bestegen de meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter ’t gelaat van al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één bejaarde dame gaf op ’t oogenblik van wegrydenden koetsier met haar zonnescherm ’n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden als: wacht even!

—Ze het wat vergeten, diagnozeerde ’t krispyntje.

Drie, vier “Kavaliere” vlogen als weerlichten ’t paleis in, en schenen ’n wedloop te houden om den achtergelatenjoujou de Normandiete halen. Een hunner—de ongelukkige!—kon den ingang niet vinden. Vreemder is ’t dat de anderen wèl wisten binnen te komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft, ’n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan, en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met ’n behoorlyke deur of poort kan men overal te zien krygen.

Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van ’t veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk aanloopen met denjoujou. Ze schenen ’ncompromiste hebben gesloten, en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om ’t gouden doosje waarin ’t kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by ’t aanbieden, met gelykeallerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op ’n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren gewogen had...

Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel, procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in ’n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z’n wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter aanspraak op...

Gekheid! riepen de afstammelingen van z’n mededinger B. Onze voorvader heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten miskennen... enz.

—Zieje wel dat ze puissies in d’r gezicht het! riep de schoenmakersleerling.

’t Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke puisten! Dit had geen der poppen op Wouter’s printen. Al z’n gekleurde prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en ’t viel hem zeer tegen, dat ’n dame die tot den stoet van koningen en keizers bleek te behooren, zoo bitter weinig op z’n printen geleek. Alshy’t mensch gekleurd had, zou ze ’r beter uitzien, meende hy.

Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher gelaat dan-i met al z’n vleeschkleur schilderen kon. En ’n houding! Nu kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by ’t flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist!

Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best ’n waschvrouwwezen, ’n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den koop toe, en zoekgeraaktemansettente vergoeden kreeg.

Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk op Wouter’s verbeelding, en ’t kwam hem niet heel waardig voor, prinses te wezen, als men daarby puistjes in ’t gezicht hebben kon gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook.

Wel voelde hy eenige yverzucht op ’n zeer jong mensch die kort na ’t wegryden van de Paltsgravin, ’n opening in ’t Paleis scheen gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk ’n deel der andereKavaliere—de meesten torschten ’n witte pruik, met ’n staartjen in den nek—droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om de schouders slingerde. Z’n kleeding was ’n eenigszins fantastische variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z’n buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch zonder ’t minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al de andere heeren, zeer in ’t oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde, en scheen dus ’n gedistingeerd persoon te wezen, al ware ’t hierom alleen dat-i minder dan alle anderen op ’n begunstigde koninklyke kamerdienaar of ’n hansworst geleek. Op z’n hoofd had-i ’n zoogenaamd schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Tweejockey’sbrachten ’n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield.

—Dat ’s god-straf-me-n-’n jonker! zei ’n sjouwerman. As de bliksem zes man ’t grietje-want in, om dat vet in ’t blok te klaren!

—Mothyop dat paard? vroeg ’n oud-kavallerist, die ’t in zyn vak gebracht had tot “oppasser” van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat ik zeg? Ik zeg: ’n zeeman op ’n paard, is ’n gruwel in Gods oog!

Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat “vet in ’t blok” en dien “gruwel” sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend, op den goudvos. De toeschouwers schrikten van ’t steigeren, en maakten zich gereed om wegtestuiven zoodra ’t wilde beest blyk mocht geven dat de “kleine steentjes” te nauw waren voor den stryd dien ’t met z’n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde de manen, schopte, trachtte z’n ruiter over-kop te werpen ... alles te-vergeefs! Of prins Erik ’n gruwel in Gods oog was, weet ik niet, maar hy zat vast in ’t zaal, dit is zeker.

—Dàt ’n zeeman? riep de oud-matroos—die in zyn tyd den welverdienden bynaam droeg van “lamstralige snertmalènger”—dàt ’n zeeman? ’t Is de vraag of-i ’t verschil kent tusschen’n bezaan en ’n fok! Al die rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en ’n ander kruipen door de kluisgaten, zieje! Dat ’s ’t ware!

En, als om op deze diepzinnige meening ’t zegel te zetten, verschikte hy z’n tabakspruim van rechts naar links.

—Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer ’n paard tusschen de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo’n pallas van anderhalf verrel, ’r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen.

Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z’n paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier te plagen, en kittelde het met de sporen, onder ’t inhouden van den toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf te-goed te hebben voor z’n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z’n zin, en schoot vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond zich de ruiter voor ’n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter z’n paard even in, maar toch... ’t was te laat om te wyken. Op-eens liet hy den teugel schieten, en ’t vlugge dier sprong welberaden over ’t beletsel heen.

De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de kalverstraat verdwenen was.

Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte van hofzaken te wezen, beweerde dat “ze” den Diemermeer zouden doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door de Haarlemmerpoort weer naar ’t Paleis.

Wouter verheugde zich hartelyk in z’n afkeer van de puistige Prinses. ’t Was hem als ’n geschenk van ’t lot, dat hy eens eindelyk iets had te zien gekregen uit ’n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed verschilde, en dat toch z’n begeerigheid niet opwekte.

Met dat schoone paard was ’t iets anders! Wat ’n sprong! En wat die jonge ruiter ’n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór ’t kleuren! Zoo’n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op goeden voet bleef met Femke...

Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk!

...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i niet eens ’n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! ’t Was immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z’n beest zulke sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen!

In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig op z’n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke’s huisje.

Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in ’t gras, en peinsde, en voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in ’n slaap die meer onrustig dan verkwikkend was.

Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak wasdat ’n jong meisjen op ’n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of ’t ballen waren...

—Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt zy de lucht in ... ze ziet niet op ’n daalder... en daarom... al is ’t nu maar ’n droom...

En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in ’n droom kan, en hy onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma!

Zéker waszyhet! Want ze riep heel verstaanbaar: ’n “massa” is ’n heele troep, weetje!

En met zoo’n massa—die precies geleek op Klaas Verlaan en de zynen—kaatste zy...

—Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te pakken, en ’t gaat vanzelf. Ik zal ’t opschryven, want zoo’n droom...

Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen, als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot zoo’n valsheid?

1In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk.2= zoo voor haar, niet voor my.

1In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk.

2= zoo voor haar, niet voor my.


Back to IndexNext