Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit hoofdstuk weer overslaan. ’t Is vol prozaïsch realismus, zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van ’n kastalische-fonteinnimf—tevens van beroep:waschvrouw—met ’n ridder in de luur, die ’n brief ontvangt uit den hemel:mirakel!Toen Wouter zich in ’t gras zette met z’n rug tegen ’n boom, was z’n voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in Femke’s huisje. Al was ’t dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, toch immers zou hy danietsvernemen. In-allen-geval kon haar moeder hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was ze geweest, dit had-i duidelyk gezien.Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma’s—’nnicht... hoe zàt dat in elkaar!—op de Kolveniersburgwal sliep, of ’s avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht,ietszou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om, en lag daar alleronfatsoenlykst. Z’n petje rolde in de sloot, en verdween langzaam maar zeker onder ’t kroos.De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar ’n beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen te maken over de al te vroege rypheid van zoo’n jong ventje. Een onderzoek naar de oorzaken van ’t geval—hy toch kon ziek, gewond of dood wezen—lag niet in de zeden. Dat zynpolitiezaken. ’t Was volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.Gelukkig was ’t aantal voorbygangers, om ’t vroege morgenuur, nog zeer gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door ’t grasveldje kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker.Z’n droomen blyven—als ’t wakend leven-zelf—’n zonderling mengsel van schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als dichters en lasteraars!—vinden ze niets uit, en bepalen zich tot eenige verandering in ’t rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander ’t heterogeenste. Wouter droomde precies als ’n ander in zyn geval zou gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z’n lenden waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en kippenhokken. Z’n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje: honderd krommepietjes. Klaas Verlaan droeg ’n fluweelen mantel, en zat schrylings op ’n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i heensprong over ’n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: “massa”—persoon geworden—met ’n pruim in den mond, en verklaarde dat-i Gooremest heette en op deKeizersgrachtwoonde, waar-i “met God” in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong:honneur au plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid ’n wolk van toegeworpen lauwerkransen opving op ’n yzeren leerlineaal.Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in werkelykheid, krygt z’n deel in ’n anderen droom.Maar, in-weerwil van ’t vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven en bont dooreen gemengde beelden van z’n herinnering, behield één figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat aan Wouter’s verbeelding voorbyschoof. ’t Was die van ’t meisje dat op ’n tafel stond, en haar armen kruiste.—Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar?Zoo sprak ’n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra zelfs aan z’n oor. Hy had ’n flauw besef dat iemand bezig was hem opterichten.—Sietske! mompelde de slapende.—Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat?—Sietske... Holsma!—Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel fatsoenlyk is ’t niet!Ben je dronken? ’t Is ’n groote schande voor zoo’n jong bloedje!Ja, zeker was-i dronken. Maar ’t was nog altyd van den slaap. En nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit.—’t Kan me niet schelen dat je me by m’n voornaam noemt, maar ... hoe kom je ’r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? ’t Is ’n ware schand voor god, dat ie hier zoo ligt als... ’n zwyn, dat zegikje! En zoo-even nog... geen uur geleden, zat je d’r op als ’n banjer... ’t Is schande, zeg ik!De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze wel genoodzaakt was, hem weer in ’t gras te leggen.—Och, och, och, ’n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo gruweloos aan ’t verpieteren!De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan met de niet ongewone fout, ’n beschonkene z’n schandelyken toestand te verwyten op ’n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens bedacht ze zich, en, van toon veranderend:—Och, lieve god, ’t is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! ’t Kind is van ’t paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat ben ik ’n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo’n beest! En... waar is je skos-mussie? ’t Stond je zoo aardig! En je sabeltje? ’t Rinkelde zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god, hy is dood, en... van z’n paard gevallen! Ben je dood?—Sietske! mompelde Wouter.—Goed, goed, noem jy me gerust by m’n naam. Ik geef er niets om, want groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och, och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was!Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Waszy’t? Femke? Was ’t niet Sietske?—Sietske benik, zei... Vrouw Claus.Deze vreemde mededeeling was de moeite van ’t oog-opslaan waard! Maar ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan.—Je mag me noemen zooals je wilt—gut, waarom niet? Ik ben waschvrouw—als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of ’t erg is? En waar is je geruite muts? ’t Is schande van je moeder, dat ze je-n-op zoo’n beest zet ... ’n ware schande! Zeker heb je armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg ’t maar, jongen! Ja ’t is schande van je moeder! Zoo-even zag je ’r nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat wezen, en... ik ook!Wouter richtte zich ’n weinig op, en wreef zich de oogen uit.—Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansenlaat roepen? Och, ’t wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk?—Stuk? Gebroken? Aan my?—Ja, stumpert, zeg ’t maar!Wouter betastte zich. Toen z’n hand de plek bereikte, waar die boomwortel z’n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z’n gelaat ’n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten z’n weten had geradbraakt, was-i niet!—Gebroken? Stuk? Ik?—Wie anders?—En... wie zou dat gedaan hebben?—Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert!—Ik?—Wat doe je-n-op zoo’n beest!—Op ’n beest?Ikop ’n beest?—Weet je dan niet dat je d’r afgevallen bent?—Ik? Van ’n beest gevallen? Van welk beest?—Van ’n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan toch... misschien... ’n beetje... dronken ook?—Ik? Dronken? Van ’t paard gevallen?Ik?En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst, als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid hier de rede was:—Ik?Benikdronken? Benikvan ’t paard gevallen?—Wat ànders? Wie ànders?—God, god, hoe is dàt mogelyk?En nogeens betastte hy z’n rib die ’t cachet droeg van den boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde, op elk woord drukkende:—Je... zegt... dat... ik... van... ’n paard... ben... gevallen?—Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard!Nu sloeg Wouter de handen aan z’n hoofd, misschien begrypende dat dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van z’n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk:—Ik wou me graag eens wasschen!—Wel, dàt ’s goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk niets aan je kapot zyn? En waar is je muts?—Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water!—Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen kunt? Heb je je beenen niet gebroken?Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling:—Ik... geloof... het... niet!—En je ribben?—Ook... niet!—En je nek?—N...e...e...n!Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam ’t hoofd, maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering te beproeven. ’t Mocht eens niet lukken!—Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet,ben je altemet niet ’n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid!Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na konscientieuze raadpleging van z’n herinneringen:—Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel, heel, heel koud water... koud als ys!Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar ’t erf daarachter, waar ’n groote pomp stond.—Kleed jy je maar gerust uit, m’n jongen! Niemand kan je hier zien. Maar... hoe kwam je ’r toe, my zoo op-eens by m’n voornaam te noemen? Niet dat ik ’t kwalyk neem, gut né, maar...Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z’n herinneringen te regelen, en ’t werkelyk gebeurde te zuiveren van de laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in ’t minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om Wouter gerust te stellen, door ’n paar lakens over den rand van ’n latten-schutting te slaan, zoodat nu ’t erfjen, op de zoldering na, vry wel naar ’n afgesloten kamer geleek.—Zie zoo, m’n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie dáár overheen kykt, moet knap wezen!Geen “mensch” geen “sterveling?” Enzydan? Wouter wist waarlyk niet hoe hy ’t had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg...Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En ’n beetje wyzer ook! En dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus?—Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo’n beest!En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z’n kleeren, en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest was. ’t Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was, loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z’n baker opgevat als kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! ’t Scheelde weinig, of ze had er ’n “suia, suia, kindje” by gezongen. Want—honni soit qui mal y pense!—zoo bakerlyk was haar indruk by ’t uitkleeden van den jongen ridder.Toen ze gereed was, zette zy hem op ’n laag bankjen onder de pomp, en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en weldra klaterde ’n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw Claus vatte z’n “brrr!” dat misschien beteekenen moest: “genoeg, genoeg!” als ’n betuiging van tevredenheid op.—Ja, zieje, na zoo’n val stygt het bloed...’n Pompslag!—Brrr!...naar je hoofd! En de kou van ’t water...’n Pompslag!—Brrr!...als je maar niet je nek gebroken hebt...’n Pompslag!—Brrr!...want dan helpt het niemendal! En...’n Pompslag!—Brrr!...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...’n Pompslag!—Brrr!...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...’n Pompslag!—Brrr!...pyn in m’n milt! Maar anders, ik...’n Pompslag!—Brrr!...ik wil wel! Zoo lang als je maar...’n Pompslag!—Brrr!... als je maar wilt!Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt het verlangen mocht.—Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt...—Brrr!...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, weetje? ’t Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... ’n ware spiegel, kompleet ’n spiegel!Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd hebben? Femke’s rug, een... spiegel?—Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, flink! Maar ben jy gewoon ’t zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik ook wel...En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger rees...—Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, bibberde Wouter.En hy kreeg ’n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet verstaan kon.—Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...—Brrr!...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, want dan...—Brrr!...is er niks an ’n mensch te doen.Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en gebiologeerd, het waagde zich en z’n bankje eventjes van onder den straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En bovendien... de goeie vrouw had z’n kleeren over ’n droogstok geslagen, die niet onder z’n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon schaamte te voelen over z’n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z’n kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam inGenesisIII ook zoo-iets gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.—Wou je nog wat? vroeg z’n goedige Najade.—Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat ’n nieuwe straal—de slinger rees al!—hem weer de spraak zou afsnyden. Neen, maar...De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als ’n klomp en in-een gedoken zat:—Heb je véél pyn? vroeg ze.—Neen! Pyn juist niet, maar ...—Ben je misschien moe van ’t ryden?—Van ’t ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!—Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb ’t wurm in z’n slaap gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk ik er van.En met ’n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den lezer—zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?—droogde zy Wouter af. Ze trok ’n beddelaken van de schutting, wikkelde hem—zoo opgevouwen als-i was—daarin, en droeg ’m weg als ’n pakje waschgoed.Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...—Strek jy je beenen gerust uit, m’n jongen, als ze maar... in-godsnaam niet gebroken zyn.Wouter deed wat ze gelastte, en voelde ’n onbeschryfelyke gewaarwording van welbehagelykheid. Z’n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking, toen z’n voedster de dekens naast hem “instoppende” de heerlyke woorden uitte:—Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is ’t bedje van onze Fem, weetje!Op Femke’s bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou doen! Was ’t niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als kleine man en als ridder, maar hy bezweek als ’n mensch.Doch hoe plezierig ’t wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap—nu van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er naast—werkte weldadig. Straks by ’t ontwaken, zoud-i heel op z’n gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had, nam hy niets meer waar, zelfs z’n droomen niet.Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy’s leiding, al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch...Want—onder ons, lezer—dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd!Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd, hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te verstaan wat er gezegd werd.Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z’n gemoed ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen:—Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo’n paard! Alsikz’n moeder was...En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde:—Nicht, ik denk dat z’n moeder er niets van weet. Herman heeft het ook eens gedaan, want, nicht, de jongenszynzoo!Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette ook Sietske! En... ’t meisje dat op de tafel stond...Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar in ’t geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z’n aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit...Nooit had-i zóó ’n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel spanning en vermoeienis!...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de verwarring van z’n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of was ’tnietwaar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien zou men hem komen vertellen dat-i op ’t bed lag van Klaas Verlaan, of van de liefelyke weduw Gooremest!Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag wel inderdaad in Femke’s kamertjen, of in haar bed toch, want ’n byzondere kamer had ze zeker niet.—Als ik nu ’n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen zien en tasten, en zeker te zyn?En hy bracht erSamuel 26by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te dienen als getuigen tegen háár—’n spies zag hy niet, maar ’nRebekkastond er—doch alleen om zichzelf ’t zwygen te kunnen opleggen, als hy eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen...Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld ’n slip snyden wilde... ’t was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van ’t byzonder grove te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig te zyn voor schoonheid in ’t geringe. Was-i niet nog kinderachtig verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof voor z’n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i ’n prinses laten slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich—behoudens alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet—Koninklyk-Keizerlyke Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien ’n prinses zich te gering achten zou, om Femke’s bedje te schudden.Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig genoegen ’t kamertje rond, en ademde den geur in, die z’n verbeelding meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat, den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van ’t àllergemeenste, om die eenvoudigheid hooger te schatten dan ’t benauwd-burgerlyke waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen—die hy nog nooit gezien had—bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven ’n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z’n smaak onvoorwaardelyk over naar den kant van ’t geringste.En, alweer bedroog zich z’n smaak! Om nu niet te spreken van ’t onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: “burgerlykheid” noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard, te verheffen tottype—hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma’s voor ryk en voornaam aan—in veel wyder opzicht beging-i ’n fout. Noch hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch zelfs... de puistjes van ’n Palatine, bedingen—d. i. veroorzaken of weren—de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt haar voedsel in ’t schynbaar geringe, niet meer—maar vooral niet minder ook!—dan in voornaamheid. Gelyk ’n godin—ditisze, en... de eenige!—alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte, haarWezen.’t Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in ’t kamertje van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hydat er nòg een slaapplaats was: ’n “bedstee.” Daar sliep zeker Femke’s moeder. Tegen een der wanden van ’t vertrek was ’n wyde gemetselde schoorsteen, alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by ’n vorige gelegenheid in kennis bracht1ontbrak niet. Wouter voelde zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit dan anders ’t geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke’s oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor ’t bed stond, met z’n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd, er op. Zelfs z’n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus!In ’t midden van de kamer zag hy ’n vierkante tafel, waarin ’n lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit, en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien!Wouter sloot z’n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja, dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z’n oogen te sluiten. We willen hopen dat-i ’t maar deed om ’n voorwendsel te hebben tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy dat er ’n eind moest komen aan z’nCapua. Niet zonder inspanning sloeg hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan den wand by ’t hoofdeneind van z’n kribbe—heel veel meer was Femke’s bedje niet—hing ’n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen, waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in ’t gansche vertrek te vinden was. Het rustte tegen ’n vierkant schildje van haakwerk, dat op ’n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes.“Daarmee zegende zy zich” dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de hand in ’t bakje...Het was droog. Nu, om ’t water was het ons protestantsch jongetje niet te doen. Hy wilde slechts z’n hand... wyden door aanraking met iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische precizigheid—lieve god, op z’n katechizatie was-i de eerste in die zaken, en had er mooie pryzen mee behaald—datRoomschen zeer dom zyn, en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy dus zeer goed dat zoo’n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid, en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten...Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders in Wouters oog. Aan z’n eigen afgodery met háár, dacht-i in ’t geheel niet. Daarvan stond niets in z’n katechismus, en hy hoefde er dus niet tegen te waken.Heel onprotestants sloot-i z’n vingers om den rand van ’t schulpjen, en trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat steenen ding was wel Femke niet, maar ’t kwam hem te-hulp in ’t aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo...Wat is dàt?Iets als ’n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd, viel van achter ’t karton uit, en op z’n bed. Wouter nam het op, en zocht—’n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing—naar ’t adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te zeggen, naar ’t scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk?Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, ’n datum van ’n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich ’n oogenblik bezon, voor hy den omslag losbrak. Reeds was z’n onbescheiden vinger daartoe gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden bovendien noch Femke weten—hy vergiste zich: ze wist het—noch dat steenen poppetje.Maar... ’n wonder? Gekheid! De “Heere” doet geen wonderen dan... op zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen Protestant bekend.Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat de geheimzinnigedépêcheonmogelyk voor hem kon bestemd zyn...Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z’n wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen, in zich optezuigen...Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy ’t kostbaar stuk—ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy ’t!—op de oude plaats, en sprong ’t bed uit.Hy had den gesloten brief tegen ’t licht gehouden, en... zyn gekleurde Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige der Heiligen...Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na ’t ontvangen van zóó’n brief uit den Hemel?1In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart!Nieuwe blyken der verdorvenheid van VrouwClaus—en van den auteur—in-zake:aesthetika.Een weerbarstige verloren zoon. Verschyning van ’n muts en ’nSybille.Geroepen, en... àls geroepen!Wouterbegint iets van de “vier windstreken” te zien.Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z’n gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje was zeker na ’n kort bezoek by haar “nicht” reeds weder vertrokken.En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch ze deed het niet zonder ’n eigenaardig kenmerk achter te laten van haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen!Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd had! Op ’n klein witwerks-tafeltje, waarby ’n stoel stond aangeschoven als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de ons bekende soort op ’n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op ’n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud, maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat zoo’n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: “dominee die terstond bemerkte dat er watinzat” gekuischt was met latynsche verzen! Zonder maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen:—Tast toe, m’n jongen! Je moet honger hebben!Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde flinkweg naar z’n overtuiging, door ze met smaak te verslinden, waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één mondvol meer, en ’t was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt, en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke proza! Zoo’n namiddag-ontbyt...’t Is waar ook! Eigenlyk was ’t plan geweest, dat-i zou ontbeten hebben by...Hy ontstelde, en verviel—nu door honger noch slaap gekweld—in angst voor den afloop van z’n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse torende als ’n verzwelgende waterhoos voor z’n verbeelding op, en verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die hem omstrikten.Naar huis? Hy durfde niet!Z’n moeder, Stoffel, z’n zusters... zy allen vertoonden zich als Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het hoofd. Zelfs Leentje, z’n goedig advokaatjen anders, zou hem—als by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis—verraderlyk afvallen, en zeggen:—Ja, maar... zieje, Wouter, dat ’s ook geen fatsoenlyke manier van doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetjewat je doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je ’t nooit weer zult doen.Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef ’t je-n-in drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid...Een oogenblik dacht Wouter aan ’t vierde tafereel van denVerloren Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en kalfsvleesch zou uitloopen. “Vader—dit werd: “moeder” hier,maar ’t variantje doet niet tot de zaak—moeder en Stoffel dan, ik heb gezondigd...Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat verkwist? M’n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup!De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest, wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter wezen konden, hadden ’t recht hem aanteklagen van bovenmatige spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daaromprodigue, of...verlorendan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen tekst, die nog altyd—volgens juffrouw Pieterse—de eenig-ware is?Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan, hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z’n zonden, en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde hy niet.Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht:—Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de eetzaal? Neen! Heb ik al m’n goederen op ’n kameel gepakt? Neen! Heb ik ’n zwarten knecht gehad, die m’n paard hield? Ben ik er op gaan zitten? Weggereden...Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht, maar... ’n paard? En... ryden?Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z’n paard gezien... ja of neen? Had-i op zoo’n beest gezeten... ja of neen? Zoo neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen likeur... dan was àlles schyn,verblinding, droom, goochelspel, waan, bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets geweest zyn dan ’n sarrend spook?Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy ’t moest aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse,waartoe hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde...Hy pluisde de kruimels van z’n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel:—Ik wou—...........—dat ik zoo’n kruimel was! Dan wist ik ten-minste waar ik heen moest!En hy stak ’t ding in z’n mond.Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn geworden door ’n heertje van de Schepping.—Naar... Amerika?Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in ’t bezit was geweest van de fameuze honderd guldens, waarmee men—volgens z’n moeder—in dat land kan leven als ’n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers ’t huisje van Vrouw Claus niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten ’t leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z’n post verlaten, hy die aanvankelyk was uitgetrokken—’t is waar ook, maar ’t was hem ontgaan—tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag te denken, was ’t geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke’s wywaterbakje—en wat daar achter stak!—bloottestellen aan den ongewyden blik van nieuwsgierigen?—Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet naar Amerika!Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer Motto vertrokken was in z’n eentje, was zyn zaak—ieder moet handelen naar z’n overtuiging!—maar hy, Wouter, ’n nieuw werelddeel betreden, zonder by ’t aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik ’t expres veroverd voor jou... dat nooit!Amerika zelf zou ’r geen vrede mee hebben! Wat is ’n ridder zonder dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met ’n zoo gebrekkig toegerusten veroveraar?De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op ’n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing ’n noordhollandsch-friesche kap op ’n mutsebol, maar...De deur werd behoedzaam geopend, en ’n onzichtbare hand die om den rand boog, hield Wouter ’n elegant mutsje voor... precies geschikt voor veroveraars, en jongeluî die ’t worden willen. Wouter sperde mond en oogen op, en stond daar als ’n verbaasdeTerm...Wouter’s verbazing was gegrond. Hy staarde ’t geheimzinnige mutsjen aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met ’n levend voorwerp:—Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me?’t Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, ’t onschuldig voorwerp iets naar den kop keilde. Z’n boterambordje, byv. dat zeer geschikt was voor zoo’n worp.Er was beweging in de deur, en ook ’t mutsje trilde. Nogeens vroeg Wouter vry onthutst—’t klonk inderdaad als ’nvade retro!—wat het wilde?Als ’t mutsje zelf geantwoord had, zoud-i ’t op dit oogenblik niet vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend stemmetje van achter de deur:—Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat moet ik eerst weten.Wouter bekeek zich. “Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik de rechte?” Dit scheen-i niet te weten.Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken tot op ’n kier.—Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy.—Ik ben ’tStakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik breng je je mussie... as jy ’t bent, de rechte!Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge boodschapster aan ...’n Heks, ’n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den Macbeth op z’n printen, was treffend.Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen geboren worden op ’t vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in ’t leven te houden—in wèlk leven!—om dáár op haar post te zyn met ’n muts in de hand, juist toen hy om zoo’n kleedingstuk verlegen was. O, domme ondankbare Wouter! Want:—Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk.De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit.—Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet?—Heere-krrristis, wyf—de lapsische verbazings-terminologie had school gemaakt—wat wil je van me?Ze bekeek Wouter van ’t hoofd tot de voeten.—Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had...—Wàt op m’n kraag?—Rooie làppies. En ’n sabeltje!—En dat ze je-n-onder de pomp had gezet...Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel....en heelemaal naakt had uitgekleed... as ’n wurm. En dat ik niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes áánhad. Waar is je sabeltje?Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze ’t niet zou afgeven voor ze dat sabeltje zag.Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z’n verstand. Na eenig zwygen:—Wie bèn je?—En wie benjydan, jongeheer? Ben jy ’t matroossie die van ’t paard is gevallen? Je ziet er niet uit als ’n matroos, en ik geef je de muts niet! Vrouw Claus zou me...De naam van z’n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy meende ’n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens van toon veranderend, noodigde hy ’t oude vrouwtjen uit, binnen te komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken tegen den onderkant van haar bochel.—Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje?En hy schoof haar ’n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein, om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys.—Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m’n eigen manier. Heb je niet ’n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat er een...Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag ’n drietal stoven op ’n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z’n sybille zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant, in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe ànders? Die vrouw spysde driemaal ’s weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar stoofje. Wie er mee gespot had, was ’n gek. En ook hy ging nu zitten, en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich ’n uitersten wil laten voorzeggen.—Je komt dus van Vrouw Claus?—Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer.—Wouter Pieterse.—Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van ’t paard gevallen is? Dàt mot ik weten.Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van ’n nooit geleden ongeluk. En dus:—Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van ’t paard gevallen, wel... zesmaal!—Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel wezenlyk ’n beetje dronken?—Ja, o ja, ik was dronken... heel erg!—Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze zei dat ze je-n-onder de pomp...—Ik heb me weer aangekleed.Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te vinden. Maar op-eens:—En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè?Luk-raak antwoordde Wouter dat “die dingen”—hy wist waarachtig niet wat ze bedoelde—in de sloot gevallen waren.—Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap maar! Ik ben heusch van ’t paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut, zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och, zeg me nu asjeblieft je boodschap!Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon:—Ik ben ’tStakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken, by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk ’n nicht van me ...O goden, alweer ’n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk “bekroond” wordt, wat aan my staat...Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze heeten?Causaliteit, misschien?...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in ’n zeer groote familie komen zou.—Ja, ’n nicht, of... ’n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als ik m’n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... ’r grootmoeder. En de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m’n overgrootmoeder eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè?—Sybrand?—Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken...Op-eens doorschoot Wouter de gedachte—te vroeg was ’t niet!—dat die vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek.—Achter de planken? vroeg Wouter.—Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat het de molen is van m’n grootvader. Vraag maar aan alle menschen, of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... denStoereman? Want zóó werd-i genoemd. Dàt was ’n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! ’t Is eigenlykmynmolen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen mag achter de planken...Notaris Wouter keek vragend....ja, omdat ik daar ’n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i!Zeker, die vrouw was krankzinnig!...’n vryertje, weetje! ’n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet deugt. Enhykrygt den molen van me... ’t is ’n bovenkruier. Met paltrokken houd ik me niet op. En jy?Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo’n gesprek? Te weinig ontwikkeld nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die hem belang inboezemden.—Ja, ja, ’n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor ’n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen?—Wel, ze had me geroepen, om met ’r meetegaan om in de Halsteeg ’t mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. ’n Mussie van fyn laken, en ’n rand van allerlei kleur, en ’n kwast van bonte wol. DeStoeremandroeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i ’n prins, en heette Erik.—En wat zei Vrouw Claus?—Dat ik je ’t mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je heelemaal naakt was. En ze had zooveel “wasschen” thuis te brengen. En ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep...De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat daarop lag....als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in ’t voorhuis... dat is hier, weetje?—Ja, ja, dat is hier!—Daar zou ’n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze, als je... wakker was.—Ja, zeker! Die zou ik eten...—Als je wakker was!Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte ’n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig gedragen had. Ze hurkte weer neder.—Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om je naaktheid, zieje!Hywas ook naakt...—Wie toch?—Prins Erik.—Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze.—Neen, neen, dankje wel! En geef me ’t mutsje maar, en ga nu maar heen.Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug.—Ben jy ’t jongetje dat van ’t paard is gevallen?—Wel zeker! Geef op, de muts!—Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van ’t paard zie vallen. Ik moet het eerst met m’n eigen oogen zien. Denk... jy...dat... ik... mal... ben?Hy wou haar ’t begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween.Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met ’n verschyning?Hy werd moe van ’t ongewone, en begon intezien dat ook ’t eentonig-banale z’n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee, voeldehy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling in zich opkomen.—In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik ’t niet langer uithouden!Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw geopend werd. Er trad iemand binnen. ’t Was dokter’s Kaatje. Wouter herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk:—Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden?—Gut jongeheer! Ik kom van Femke...—Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... ’n grootmoeder van je, hè?En met dreigend gebaar deed hy ’n stap vooruit.—Ben... jy... de vryster... van...Stoeremanden molenaar, hè?Weer ’n stap vooruit. EnKaatjeterug!—Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... heelemaal... naakt... ben, hè?—Och, jongeheer, wat ’n praat!—Wil jy... me... ook... van ’t paard zien vallen... hè?Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten.—Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je?—Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden, dàt mankeert me! Versta je dàt?Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z’n woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen—komiek om te zien, maar voor hèm de maatslag van z’n verwenschingen—drong hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze gekomen was, het padje door ’t bleekveld.—Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam!—Waar... zie... jy... me... voor... aan?—O god, o god...—Wat... denk... je... van me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben?—Neen, neen, o neen... volstrekt niet!—Of... gek?—Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter!Twee gelykluidende kreten maakten ’n eind aan den zonderlingen wedloop. Atalante riep:—Daar is-i, goddank!Meleager:—Daar is-i, goddank!De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar kikkers vischten, z’n pet hadden opgehaald.Wouter nam zonder omslag z’n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma te-gemoet, en deed ’n jammerklagend relaas van haar wedervaren.—Zou ’t zóó erg wezen? zei de goede man.Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z’n petje te zuiveren van modder en kroos, en sprak hem aan.Wouter zag verschrikt op.—Zoo, m’n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust hebt, ten-minste.Dàt was de toon die vereischt werd!Wouter berstte in tranen uit—de weerslag van z’n woede—en vloog den dokter om den hals.—Asjeblieft, asjeblieft, m’nheer! Dat ’s met-een goed voor m’n moeder!Holsma wenkte Kaatje die—bang voor Wouter—op eerbiedigen afstand het tooneeltjen aanzag.—Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den heelen avend blyft.—Ja, riep Wouter haastig, en...De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter’s oog spelde niets verdachts. En z’n woorden ook niet:—M’nheer, mag ze ’r asjeblieft byzeggen...—Welnu, m’n jongen, spreek op! Wàt moet ze ’r byzeggen? Wat heb je-n-op je hart?—Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag!Holsma bedacht zich even.—Wel zeker, zeid-i, den heelen dag.—Van van-morgen... zeven uur af?—Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter.—Ik heb... by u ontbeten?—Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje.En Wouter in ’t koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden voor ’t huis Pieterse: “waar ’t meisjen ’n boodschap had.” Toen hy naast Wouter plaatsnam, greep deze z’n hand, en riep:—Och, m’nheer, wat ’n geluk dat ik u zie!—Vind je! ’t Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is...—’n Nicht? viel Wouter haastig in.—Ja, en ’n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met ’n eenvoudigheid, waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als zezynnicht geweest was.—Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, jongen! Je zult er geen kwaad leeren.—M’nheer, riep Wouter—en hy bloosde—ik houd zoo erg veel van Femke!—Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook.De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z’n keukenmeid zich vergist had in dediagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma bemerkte dat z’n ziel aan ’t groeien was. En dit moest wel. Fancy scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit noemen zy: “de vier windstreken laten zien.”
Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit hoofdstuk weer overslaan. ’t Is vol prozaïsch realismus, zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van ’n kastalische-fonteinnimf—tevens van beroep:waschvrouw—met ’n ridder in de luur, die ’n brief ontvangt uit den hemel:mirakel!Toen Wouter zich in ’t gras zette met z’n rug tegen ’n boom, was z’n voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in Femke’s huisje. Al was ’t dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, toch immers zou hy danietsvernemen. In-allen-geval kon haar moeder hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was ze geweest, dit had-i duidelyk gezien.Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma’s—’nnicht... hoe zàt dat in elkaar!—op de Kolveniersburgwal sliep, of ’s avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht,ietszou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om, en lag daar alleronfatsoenlykst. Z’n petje rolde in de sloot, en verdween langzaam maar zeker onder ’t kroos.De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar ’n beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen te maken over de al te vroege rypheid van zoo’n jong ventje. Een onderzoek naar de oorzaken van ’t geval—hy toch kon ziek, gewond of dood wezen—lag niet in de zeden. Dat zynpolitiezaken. ’t Was volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.Gelukkig was ’t aantal voorbygangers, om ’t vroege morgenuur, nog zeer gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door ’t grasveldje kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker.Z’n droomen blyven—als ’t wakend leven-zelf—’n zonderling mengsel van schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als dichters en lasteraars!—vinden ze niets uit, en bepalen zich tot eenige verandering in ’t rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander ’t heterogeenste. Wouter droomde precies als ’n ander in zyn geval zou gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z’n lenden waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en kippenhokken. Z’n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje: honderd krommepietjes. Klaas Verlaan droeg ’n fluweelen mantel, en zat schrylings op ’n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i heensprong over ’n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: “massa”—persoon geworden—met ’n pruim in den mond, en verklaarde dat-i Gooremest heette en op deKeizersgrachtwoonde, waar-i “met God” in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong:honneur au plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid ’n wolk van toegeworpen lauwerkransen opving op ’n yzeren leerlineaal.Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in werkelykheid, krygt z’n deel in ’n anderen droom.Maar, in-weerwil van ’t vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven en bont dooreen gemengde beelden van z’n herinnering, behield één figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat aan Wouter’s verbeelding voorbyschoof. ’t Was die van ’t meisje dat op ’n tafel stond, en haar armen kruiste.—Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar?Zoo sprak ’n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra zelfs aan z’n oor. Hy had ’n flauw besef dat iemand bezig was hem opterichten.—Sietske! mompelde de slapende.—Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat?—Sietske... Holsma!—Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel fatsoenlyk is ’t niet!Ben je dronken? ’t Is ’n groote schande voor zoo’n jong bloedje!Ja, zeker was-i dronken. Maar ’t was nog altyd van den slaap. En nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit.—’t Kan me niet schelen dat je me by m’n voornaam noemt, maar ... hoe kom je ’r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? ’t Is ’n ware schand voor god, dat ie hier zoo ligt als... ’n zwyn, dat zegikje! En zoo-even nog... geen uur geleden, zat je d’r op als ’n banjer... ’t Is schande, zeg ik!De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze wel genoodzaakt was, hem weer in ’t gras te leggen.—Och, och, och, ’n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo gruweloos aan ’t verpieteren!De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan met de niet ongewone fout, ’n beschonkene z’n schandelyken toestand te verwyten op ’n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens bedacht ze zich, en, van toon veranderend:—Och, lieve god, ’t is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! ’t Kind is van ’t paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat ben ik ’n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo’n beest! En... waar is je skos-mussie? ’t Stond je zoo aardig! En je sabeltje? ’t Rinkelde zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god, hy is dood, en... van z’n paard gevallen! Ben je dood?—Sietske! mompelde Wouter.—Goed, goed, noem jy me gerust by m’n naam. Ik geef er niets om, want groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och, och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was!Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Waszy’t? Femke? Was ’t niet Sietske?—Sietske benik, zei... Vrouw Claus.Deze vreemde mededeeling was de moeite van ’t oog-opslaan waard! Maar ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan.—Je mag me noemen zooals je wilt—gut, waarom niet? Ik ben waschvrouw—als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of ’t erg is? En waar is je geruite muts? ’t Is schande van je moeder, dat ze je-n-op zoo’n beest zet ... ’n ware schande! Zeker heb je armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg ’t maar, jongen! Ja ’t is schande van je moeder! Zoo-even zag je ’r nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat wezen, en... ik ook!Wouter richtte zich ’n weinig op, en wreef zich de oogen uit.—Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansenlaat roepen? Och, ’t wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk?—Stuk? Gebroken? Aan my?—Ja, stumpert, zeg ’t maar!Wouter betastte zich. Toen z’n hand de plek bereikte, waar die boomwortel z’n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z’n gelaat ’n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten z’n weten had geradbraakt, was-i niet!—Gebroken? Stuk? Ik?—Wie anders?—En... wie zou dat gedaan hebben?—Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert!—Ik?—Wat doe je-n-op zoo’n beest!—Op ’n beest?Ikop ’n beest?—Weet je dan niet dat je d’r afgevallen bent?—Ik? Van ’n beest gevallen? Van welk beest?—Van ’n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan toch... misschien... ’n beetje... dronken ook?—Ik? Dronken? Van ’t paard gevallen?Ik?En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst, als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid hier de rede was:—Ik?Benikdronken? Benikvan ’t paard gevallen?—Wat ànders? Wie ànders?—God, god, hoe is dàt mogelyk?En nogeens betastte hy z’n rib die ’t cachet droeg van den boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde, op elk woord drukkende:—Je... zegt... dat... ik... van... ’n paard... ben... gevallen?—Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard!Nu sloeg Wouter de handen aan z’n hoofd, misschien begrypende dat dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van z’n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk:—Ik wou me graag eens wasschen!—Wel, dàt ’s goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk niets aan je kapot zyn? En waar is je muts?—Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water!—Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen kunt? Heb je je beenen niet gebroken?Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling:—Ik... geloof... het... niet!—En je ribben?—Ook... niet!—En je nek?—N...e...e...n!Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam ’t hoofd, maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering te beproeven. ’t Mocht eens niet lukken!—Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet,ben je altemet niet ’n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid!Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na konscientieuze raadpleging van z’n herinneringen:—Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel, heel, heel koud water... koud als ys!Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar ’t erf daarachter, waar ’n groote pomp stond.—Kleed jy je maar gerust uit, m’n jongen! Niemand kan je hier zien. Maar... hoe kwam je ’r toe, my zoo op-eens by m’n voornaam te noemen? Niet dat ik ’t kwalyk neem, gut né, maar...Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z’n herinneringen te regelen, en ’t werkelyk gebeurde te zuiveren van de laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in ’t minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om Wouter gerust te stellen, door ’n paar lakens over den rand van ’n latten-schutting te slaan, zoodat nu ’t erfjen, op de zoldering na, vry wel naar ’n afgesloten kamer geleek.—Zie zoo, m’n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie dáár overheen kykt, moet knap wezen!Geen “mensch” geen “sterveling?” Enzydan? Wouter wist waarlyk niet hoe hy ’t had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg...Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En ’n beetje wyzer ook! En dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus?—Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo’n beest!En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z’n kleeren, en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest was. ’t Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was, loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z’n baker opgevat als kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! ’t Scheelde weinig, of ze had er ’n “suia, suia, kindje” by gezongen. Want—honni soit qui mal y pense!—zoo bakerlyk was haar indruk by ’t uitkleeden van den jongen ridder.Toen ze gereed was, zette zy hem op ’n laag bankjen onder de pomp, en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en weldra klaterde ’n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw Claus vatte z’n “brrr!” dat misschien beteekenen moest: “genoeg, genoeg!” als ’n betuiging van tevredenheid op.—Ja, zieje, na zoo’n val stygt het bloed...’n Pompslag!—Brrr!...naar je hoofd! En de kou van ’t water...’n Pompslag!—Brrr!...als je maar niet je nek gebroken hebt...’n Pompslag!—Brrr!...want dan helpt het niemendal! En...’n Pompslag!—Brrr!...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...’n Pompslag!—Brrr!...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...’n Pompslag!—Brrr!...pyn in m’n milt! Maar anders, ik...’n Pompslag!—Brrr!...ik wil wel! Zoo lang als je maar...’n Pompslag!—Brrr!... als je maar wilt!Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt het verlangen mocht.—Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt...—Brrr!...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, weetje? ’t Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... ’n ware spiegel, kompleet ’n spiegel!Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd hebben? Femke’s rug, een... spiegel?—Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, flink! Maar ben jy gewoon ’t zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik ook wel...En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger rees...—Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, bibberde Wouter.En hy kreeg ’n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet verstaan kon.—Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...—Brrr!...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, want dan...—Brrr!...is er niks an ’n mensch te doen.Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en gebiologeerd, het waagde zich en z’n bankje eventjes van onder den straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En bovendien... de goeie vrouw had z’n kleeren over ’n droogstok geslagen, die niet onder z’n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon schaamte te voelen over z’n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z’n kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam inGenesisIII ook zoo-iets gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.—Wou je nog wat? vroeg z’n goedige Najade.—Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat ’n nieuwe straal—de slinger rees al!—hem weer de spraak zou afsnyden. Neen, maar...De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als ’n klomp en in-een gedoken zat:—Heb je véél pyn? vroeg ze.—Neen! Pyn juist niet, maar ...—Ben je misschien moe van ’t ryden?—Van ’t ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!—Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb ’t wurm in z’n slaap gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk ik er van.En met ’n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den lezer—zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?—droogde zy Wouter af. Ze trok ’n beddelaken van de schutting, wikkelde hem—zoo opgevouwen als-i was—daarin, en droeg ’m weg als ’n pakje waschgoed.Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...—Strek jy je beenen gerust uit, m’n jongen, als ze maar... in-godsnaam niet gebroken zyn.Wouter deed wat ze gelastte, en voelde ’n onbeschryfelyke gewaarwording van welbehagelykheid. Z’n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking, toen z’n voedster de dekens naast hem “instoppende” de heerlyke woorden uitte:—Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is ’t bedje van onze Fem, weetje!Op Femke’s bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou doen! Was ’t niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als kleine man en als ridder, maar hy bezweek als ’n mensch.Doch hoe plezierig ’t wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap—nu van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er naast—werkte weldadig. Straks by ’t ontwaken, zoud-i heel op z’n gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had, nam hy niets meer waar, zelfs z’n droomen niet.Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy’s leiding, al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch...Want—onder ons, lezer—dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd!Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd, hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te verstaan wat er gezegd werd.Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z’n gemoed ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen:—Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo’n paard! Alsikz’n moeder was...En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde:—Nicht, ik denk dat z’n moeder er niets van weet. Herman heeft het ook eens gedaan, want, nicht, de jongenszynzoo!Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette ook Sietske! En... ’t meisje dat op de tafel stond...Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar in ’t geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z’n aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit...Nooit had-i zóó ’n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel spanning en vermoeienis!...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de verwarring van z’n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of was ’tnietwaar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien zou men hem komen vertellen dat-i op ’t bed lag van Klaas Verlaan, of van de liefelyke weduw Gooremest!Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag wel inderdaad in Femke’s kamertjen, of in haar bed toch, want ’n byzondere kamer had ze zeker niet.—Als ik nu ’n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen zien en tasten, en zeker te zyn?En hy bracht erSamuel 26by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te dienen als getuigen tegen háár—’n spies zag hy niet, maar ’nRebekkastond er—doch alleen om zichzelf ’t zwygen te kunnen opleggen, als hy eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen...Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld ’n slip snyden wilde... ’t was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van ’t byzonder grove te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig te zyn voor schoonheid in ’t geringe. Was-i niet nog kinderachtig verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof voor z’n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i ’n prinses laten slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich—behoudens alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet—Koninklyk-Keizerlyke Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien ’n prinses zich te gering achten zou, om Femke’s bedje te schudden.Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig genoegen ’t kamertje rond, en ademde den geur in, die z’n verbeelding meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat, den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van ’t àllergemeenste, om die eenvoudigheid hooger te schatten dan ’t benauwd-burgerlyke waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen—die hy nog nooit gezien had—bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven ’n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z’n smaak onvoorwaardelyk over naar den kant van ’t geringste.En, alweer bedroog zich z’n smaak! Om nu niet te spreken van ’t onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: “burgerlykheid” noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard, te verheffen tottype—hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma’s voor ryk en voornaam aan—in veel wyder opzicht beging-i ’n fout. Noch hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch zelfs... de puistjes van ’n Palatine, bedingen—d. i. veroorzaken of weren—de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt haar voedsel in ’t schynbaar geringe, niet meer—maar vooral niet minder ook!—dan in voornaamheid. Gelyk ’n godin—ditisze, en... de eenige!—alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte, haarWezen.’t Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in ’t kamertje van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hydat er nòg een slaapplaats was: ’n “bedstee.” Daar sliep zeker Femke’s moeder. Tegen een der wanden van ’t vertrek was ’n wyde gemetselde schoorsteen, alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by ’n vorige gelegenheid in kennis bracht1ontbrak niet. Wouter voelde zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit dan anders ’t geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke’s oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor ’t bed stond, met z’n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd, er op. Zelfs z’n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus!In ’t midden van de kamer zag hy ’n vierkante tafel, waarin ’n lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit, en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien!Wouter sloot z’n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja, dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z’n oogen te sluiten. We willen hopen dat-i ’t maar deed om ’n voorwendsel te hebben tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy dat er ’n eind moest komen aan z’nCapua. Niet zonder inspanning sloeg hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan den wand by ’t hoofdeneind van z’n kribbe—heel veel meer was Femke’s bedje niet—hing ’n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen, waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in ’t gansche vertrek te vinden was. Het rustte tegen ’n vierkant schildje van haakwerk, dat op ’n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes.“Daarmee zegende zy zich” dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de hand in ’t bakje...Het was droog. Nu, om ’t water was het ons protestantsch jongetje niet te doen. Hy wilde slechts z’n hand... wyden door aanraking met iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische precizigheid—lieve god, op z’n katechizatie was-i de eerste in die zaken, en had er mooie pryzen mee behaald—datRoomschen zeer dom zyn, en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy dus zeer goed dat zoo’n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid, en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten...Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders in Wouters oog. Aan z’n eigen afgodery met háár, dacht-i in ’t geheel niet. Daarvan stond niets in z’n katechismus, en hy hoefde er dus niet tegen te waken.Heel onprotestants sloot-i z’n vingers om den rand van ’t schulpjen, en trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat steenen ding was wel Femke niet, maar ’t kwam hem te-hulp in ’t aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo...Wat is dàt?Iets als ’n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd, viel van achter ’t karton uit, en op z’n bed. Wouter nam het op, en zocht—’n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing—naar ’t adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te zeggen, naar ’t scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk?Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, ’n datum van ’n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich ’n oogenblik bezon, voor hy den omslag losbrak. Reeds was z’n onbescheiden vinger daartoe gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden bovendien noch Femke weten—hy vergiste zich: ze wist het—noch dat steenen poppetje.Maar... ’n wonder? Gekheid! De “Heere” doet geen wonderen dan... op zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen Protestant bekend.Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat de geheimzinnigedépêcheonmogelyk voor hem kon bestemd zyn...Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z’n wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen, in zich optezuigen...Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy ’t kostbaar stuk—ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy ’t!—op de oude plaats, en sprong ’t bed uit.Hy had den gesloten brief tegen ’t licht gehouden, en... zyn gekleurde Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige der Heiligen...Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na ’t ontvangen van zóó’n brief uit den Hemel?1In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart!
Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit hoofdstuk weer overslaan. ’t Is vol prozaïsch realismus, zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van ’n kastalische-fonteinnimf—tevens van beroep:waschvrouw—met ’n ridder in de luur, die ’n brief ontvangt uit den hemel:mirakel!
Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit hoofdstuk weer overslaan. ’t Is vol prozaïsch realismus, zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van ’n kastalische-fonteinnimf—tevens van beroep:waschvrouw—met ’n ridder in de luur, die ’n brief ontvangt uit den hemel:mirakel!
Toen Wouter zich in ’t gras zette met z’n rug tegen ’n boom, was z’n voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in Femke’s huisje. Al was ’t dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, toch immers zou hy danietsvernemen. In-allen-geval kon haar moeder hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was ze geweest, dit had-i duidelyk gezien.
Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma’s—’nnicht... hoe zàt dat in elkaar!—op de Kolveniersburgwal sliep, of ’s avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht,ietszou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...
Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om, en lag daar alleronfatsoenlykst. Z’n petje rolde in de sloot, en verdween langzaam maar zeker onder ’t kroos.
De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar ’n beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen te maken over de al te vroege rypheid van zoo’n jong ventje. Een onderzoek naar de oorzaken van ’t geval—hy toch kon ziek, gewond of dood wezen—lag niet in de zeden. Dat zynpolitiezaken. ’t Was volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.
Gelukkig was ’t aantal voorbygangers, om ’t vroege morgenuur, nog zeer gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door ’t grasveldje kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker.
Z’n droomen blyven—als ’t wakend leven-zelf—’n zonderling mengsel van schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als dichters en lasteraars!—vinden ze niets uit, en bepalen zich tot eenige verandering in ’t rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander ’t heterogeenste. Wouter droomde precies als ’n ander in zyn geval zou gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z’n lenden waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en kippenhokken. Z’n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje: honderd krommepietjes. Klaas Verlaan droeg ’n fluweelen mantel, en zat schrylings op ’n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i heensprong over ’n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: “massa”—persoon geworden—met ’n pruim in den mond, en verklaarde dat-i Gooremest heette en op deKeizersgrachtwoonde, waar-i “met God” in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong:honneur au plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid ’n wolk van toegeworpen lauwerkransen opving op ’n yzeren leerlineaal.
Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in werkelykheid, krygt z’n deel in ’n anderen droom.
Maar, in-weerwil van ’t vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven en bont dooreen gemengde beelden van z’n herinnering, behield één figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat aan Wouter’s verbeelding voorbyschoof. ’t Was die van ’t meisje dat op ’n tafel stond, en haar armen kruiste.
—Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar?
Zoo sprak ’n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra zelfs aan z’n oor. Hy had ’n flauw besef dat iemand bezig was hem opterichten.
—Sietske! mompelde de slapende.
—Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat?
—Sietske... Holsma!
—Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel fatsoenlyk is ’t niet!Ben je dronken? ’t Is ’n groote schande voor zoo’n jong bloedje!
Ja, zeker was-i dronken. Maar ’t was nog altyd van den slaap. En nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit.
—’t Kan me niet schelen dat je me by m’n voornaam noemt, maar ... hoe kom je ’r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? ’t Is ’n ware schand voor god, dat ie hier zoo ligt als... ’n zwyn, dat zegikje! En zoo-even nog... geen uur geleden, zat je d’r op als ’n banjer... ’t Is schande, zeg ik!
De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze wel genoodzaakt was, hem weer in ’t gras te leggen.
—Och, och, och, ’n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo gruweloos aan ’t verpieteren!
De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan met de niet ongewone fout, ’n beschonkene z’n schandelyken toestand te verwyten op ’n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens bedacht ze zich, en, van toon veranderend:
—Och, lieve god, ’t is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! ’t Kind is van ’t paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat ben ik ’n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo’n beest! En... waar is je skos-mussie? ’t Stond je zoo aardig! En je sabeltje? ’t Rinkelde zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god, hy is dood, en... van z’n paard gevallen! Ben je dood?
—Sietske! mompelde Wouter.
—Goed, goed, noem jy me gerust by m’n naam. Ik geef er niets om, want groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och, och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was!
Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Waszy’t? Femke? Was ’t niet Sietske?
—Sietske benik, zei... Vrouw Claus.
Deze vreemde mededeeling was de moeite van ’t oog-opslaan waard! Maar ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan.
—Je mag me noemen zooals je wilt—gut, waarom niet? Ik ben waschvrouw—als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of ’t erg is? En waar is je geruite muts? ’t Is schande van je moeder, dat ze je-n-op zoo’n beest zet ... ’n ware schande! Zeker heb je armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg ’t maar, jongen! Ja ’t is schande van je moeder! Zoo-even zag je ’r nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat wezen, en... ik ook!
Wouter richtte zich ’n weinig op, en wreef zich de oogen uit.
—Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansenlaat roepen? Och, ’t wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk?
—Stuk? Gebroken? Aan my?
—Ja, stumpert, zeg ’t maar!
Wouter betastte zich. Toen z’n hand de plek bereikte, waar die boomwortel z’n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z’n gelaat ’n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten z’n weten had geradbraakt, was-i niet!
—Gebroken? Stuk? Ik?
—Wie anders?
—En... wie zou dat gedaan hebben?
—Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert!
—Ik?
—Wat doe je-n-op zoo’n beest!
—Op ’n beest?Ikop ’n beest?
—Weet je dan niet dat je d’r afgevallen bent?
—Ik? Van ’n beest gevallen? Van welk beest?
—Van ’n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan toch... misschien... ’n beetje... dronken ook?
—Ik? Dronken? Van ’t paard gevallen?Ik?
En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst, als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid hier de rede was:
—Ik?Benikdronken? Benikvan ’t paard gevallen?
—Wat ànders? Wie ànders?
—God, god, hoe is dàt mogelyk?
En nogeens betastte hy z’n rib die ’t cachet droeg van den boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde, op elk woord drukkende:
—Je... zegt... dat... ik... van... ’n paard... ben... gevallen?
—Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard!
Nu sloeg Wouter de handen aan z’n hoofd, misschien begrypende dat dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van z’n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk:
—Ik wou me graag eens wasschen!
—Wel, dàt ’s goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk niets aan je kapot zyn? En waar is je muts?
—Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water!
—Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen kunt? Heb je je beenen niet gebroken?
Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling:
—Ik... geloof... het... niet!
—En je ribben?
—Ook... niet!
—En je nek?
—N...e...e...n!
Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam ’t hoofd, maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering te beproeven. ’t Mocht eens niet lukken!
—Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet,ben je altemet niet ’n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid!
Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na konscientieuze raadpleging van z’n herinneringen:
—Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel, heel, heel koud water... koud als ys!
Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar ’t erf daarachter, waar ’n groote pomp stond.
—Kleed jy je maar gerust uit, m’n jongen! Niemand kan je hier zien. Maar... hoe kwam je ’r toe, my zoo op-eens by m’n voornaam te noemen? Niet dat ik ’t kwalyk neem, gut né, maar...
Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z’n herinneringen te regelen, en ’t werkelyk gebeurde te zuiveren van de laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in ’t minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om Wouter gerust te stellen, door ’n paar lakens over den rand van ’n latten-schutting te slaan, zoodat nu ’t erfjen, op de zoldering na, vry wel naar ’n afgesloten kamer geleek.
—Zie zoo, m’n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie dáár overheen kykt, moet knap wezen!
Geen “mensch” geen “sterveling?” Enzydan? Wouter wist waarlyk niet hoe hy ’t had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg...
Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En ’n beetje wyzer ook! En dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus?
—Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo’n beest!
En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z’n kleeren, en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest was. ’t Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was, loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z’n baker opgevat als kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! ’t Scheelde weinig, of ze had er ’n “suia, suia, kindje” by gezongen. Want—honni soit qui mal y pense!—zoo bakerlyk was haar indruk by ’t uitkleeden van den jongen ridder.
Toen ze gereed was, zette zy hem op ’n laag bankjen onder de pomp, en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en weldra klaterde ’n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw Claus vatte z’n “brrr!” dat misschien beteekenen moest: “genoeg, genoeg!” als ’n betuiging van tevredenheid op.
—Ja, zieje, na zoo’n val stygt het bloed...
’n Pompslag!
—Brrr!
...naar je hoofd! En de kou van ’t water...
’n Pompslag!
—Brrr!
...als je maar niet je nek gebroken hebt...
’n Pompslag!
—Brrr!
...want dan helpt het niemendal! En...
’n Pompslag!
—Brrr!
...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...
’n Pompslag!
—Brrr!
...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...
’n Pompslag!
—Brrr!
...pyn in m’n milt! Maar anders, ik...
’n Pompslag!
—Brrr!
...ik wil wel! Zoo lang als je maar...
’n Pompslag!
—Brrr!
... als je maar wilt!
Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt het verlangen mocht.
—Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt...
—Brrr!
...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, weetje? ’t Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... ’n ware spiegel, kompleet ’n spiegel!
Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd hebben? Femke’s rug, een... spiegel?
—Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, flink! Maar ben jy gewoon ’t zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik ook wel...
En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger rees...
—Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, bibberde Wouter.
En hy kreeg ’n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet verstaan kon.
—Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...
—Brrr!
...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, want dan...
—Brrr!
...is er niks an ’n mensch te doen.
Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en gebiologeerd, het waagde zich en z’n bankje eventjes van onder den straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En bovendien... de goeie vrouw had z’n kleeren over ’n droogstok geslagen, die niet onder z’n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon schaamte te voelen over z’n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z’n kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam inGenesisIII ook zoo-iets gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.
—Wou je nog wat? vroeg z’n goedige Najade.
—Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat ’n nieuwe straal—de slinger rees al!—hem weer de spraak zou afsnyden. Neen, maar...
De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als ’n klomp en in-een gedoken zat:
—Heb je véél pyn? vroeg ze.
—Neen! Pyn juist niet, maar ...
—Ben je misschien moe van ’t ryden?
—Van ’t ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!
—Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb ’t wurm in z’n slaap gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk ik er van.
En met ’n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den lezer—zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?—droogde zy Wouter af. Ze trok ’n beddelaken van de schutting, wikkelde hem—zoo opgevouwen als-i was—daarin, en droeg ’m weg als ’n pakje waschgoed.
Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...
—Strek jy je beenen gerust uit, m’n jongen, als ze maar... in-godsnaam niet gebroken zyn.
Wouter deed wat ze gelastte, en voelde ’n onbeschryfelyke gewaarwording van welbehagelykheid. Z’n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking, toen z’n voedster de dekens naast hem “instoppende” de heerlyke woorden uitte:
—Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is ’t bedje van onze Fem, weetje!
Op Femke’s bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou doen! Was ’t niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als kleine man en als ridder, maar hy bezweek als ’n mensch.
Doch hoe plezierig ’t wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap—nu van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er naast—werkte weldadig. Straks by ’t ontwaken, zoud-i heel op z’n gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had, nam hy niets meer waar, zelfs z’n droomen niet.
Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy’s leiding, al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch...
Want—onder ons, lezer—dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd!
Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd, hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te verstaan wat er gezegd werd.
Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z’n gemoed ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen:
—Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo’n paard! Alsikz’n moeder was...
En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde:
—Nicht, ik denk dat z’n moeder er niets van weet. Herman heeft het ook eens gedaan, want, nicht, de jongenszynzoo!
Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette ook Sietske! En... ’t meisje dat op de tafel stond...
Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar in ’t geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z’n aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit...
Nooit had-i zóó ’n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel spanning en vermoeienis!
...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de verwarring van z’n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of was ’tnietwaar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien zou men hem komen vertellen dat-i op ’t bed lag van Klaas Verlaan, of van de liefelyke weduw Gooremest!
Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag wel inderdaad in Femke’s kamertjen, of in haar bed toch, want ’n byzondere kamer had ze zeker niet.
—Als ik nu ’n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen zien en tasten, en zeker te zyn?
En hy bracht erSamuel 26by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te dienen als getuigen tegen háár—’n spies zag hy niet, maar ’nRebekkastond er—doch alleen om zichzelf ’t zwygen te kunnen opleggen, als hy eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen...
Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld ’n slip snyden wilde... ’t was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van ’t byzonder grove te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig te zyn voor schoonheid in ’t geringe. Was-i niet nog kinderachtig verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof voor z’n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i ’n prinses laten slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich—behoudens alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet—Koninklyk-Keizerlyke Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien ’n prinses zich te gering achten zou, om Femke’s bedje te schudden.
Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig genoegen ’t kamertje rond, en ademde den geur in, die z’n verbeelding meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat, den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van ’t àllergemeenste, om die eenvoudigheid hooger te schatten dan ’t benauwd-burgerlyke waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen—die hy nog nooit gezien had—bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven ’n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z’n smaak onvoorwaardelyk over naar den kant van ’t geringste.
En, alweer bedroog zich z’n smaak! Om nu niet te spreken van ’t onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: “burgerlykheid” noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard, te verheffen tottype—hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma’s voor ryk en voornaam aan—in veel wyder opzicht beging-i ’n fout. Noch hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch zelfs... de puistjes van ’n Palatine, bedingen—d. i. veroorzaken of weren—de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt haar voedsel in ’t schynbaar geringe, niet meer—maar vooral niet minder ook!—dan in voornaamheid. Gelyk ’n godin—ditisze, en... de eenige!—alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte, haarWezen.
’t Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in ’t kamertje van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hydat er nòg een slaapplaats was: ’n “bedstee.” Daar sliep zeker Femke’s moeder. Tegen een der wanden van ’t vertrek was ’n wyde gemetselde schoorsteen, alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by ’n vorige gelegenheid in kennis bracht1ontbrak niet. Wouter voelde zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit dan anders ’t geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke’s oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor ’t bed stond, met z’n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd, er op. Zelfs z’n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus!
In ’t midden van de kamer zag hy ’n vierkante tafel, waarin ’n lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit, en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien!
Wouter sloot z’n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja, dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z’n oogen te sluiten. We willen hopen dat-i ’t maar deed om ’n voorwendsel te hebben tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy dat er ’n eind moest komen aan z’nCapua. Niet zonder inspanning sloeg hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan den wand by ’t hoofdeneind van z’n kribbe—heel veel meer was Femke’s bedje niet—hing ’n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen, waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in ’t gansche vertrek te vinden was. Het rustte tegen ’n vierkant schildje van haakwerk, dat op ’n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes.
“Daarmee zegende zy zich” dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de hand in ’t bakje...
Het was droog. Nu, om ’t water was het ons protestantsch jongetje niet te doen. Hy wilde slechts z’n hand... wyden door aanraking met iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische precizigheid—lieve god, op z’n katechizatie was-i de eerste in die zaken, en had er mooie pryzen mee behaald—datRoomschen zeer dom zyn, en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy dus zeer goed dat zoo’n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid, en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten...
Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders in Wouters oog. Aan z’n eigen afgodery met háár, dacht-i in ’t geheel niet. Daarvan stond niets in z’n katechismus, en hy hoefde er dus niet tegen te waken.
Heel onprotestants sloot-i z’n vingers om den rand van ’t schulpjen, en trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat steenen ding was wel Femke niet, maar ’t kwam hem te-hulp in ’t aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo...
Wat is dàt?
Iets als ’n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd, viel van achter ’t karton uit, en op z’n bed. Wouter nam het op, en zocht—’n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing—naar ’t adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te zeggen, naar ’t scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk?
Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, ’n datum van ’n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich ’n oogenblik bezon, voor hy den omslag losbrak. Reeds was z’n onbescheiden vinger daartoe gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden bovendien noch Femke weten—hy vergiste zich: ze wist het—noch dat steenen poppetje.
Maar... ’n wonder? Gekheid! De “Heere” doet geen wonderen dan... op zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen Protestant bekend.
Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat de geheimzinnigedépêcheonmogelyk voor hem kon bestemd zyn...
Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z’n wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen, in zich optezuigen...
Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy ’t kostbaar stuk—ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy ’t!—op de oude plaats, en sprong ’t bed uit.
Hy had den gesloten brief tegen ’t licht gehouden, en... zyn gekleurde Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige der Heiligen...
Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na ’t ontvangen van zóó’n brief uit den Hemel?
1In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart!
1In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart!
Nieuwe blyken der verdorvenheid van VrouwClaus—en van den auteur—in-zake:aesthetika.Een weerbarstige verloren zoon. Verschyning van ’n muts en ’nSybille.Geroepen, en... àls geroepen!Wouterbegint iets van de “vier windstreken” te zien.Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z’n gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje was zeker na ’n kort bezoek by haar “nicht” reeds weder vertrokken.En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch ze deed het niet zonder ’n eigenaardig kenmerk achter te laten van haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen!Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd had! Op ’n klein witwerks-tafeltje, waarby ’n stoel stond aangeschoven als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de ons bekende soort op ’n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op ’n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud, maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat zoo’n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: “dominee die terstond bemerkte dat er watinzat” gekuischt was met latynsche verzen! Zonder maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen:—Tast toe, m’n jongen! Je moet honger hebben!Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde flinkweg naar z’n overtuiging, door ze met smaak te verslinden, waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één mondvol meer, en ’t was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt, en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke proza! Zoo’n namiddag-ontbyt...’t Is waar ook! Eigenlyk was ’t plan geweest, dat-i zou ontbeten hebben by...Hy ontstelde, en verviel—nu door honger noch slaap gekweld—in angst voor den afloop van z’n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse torende als ’n verzwelgende waterhoos voor z’n verbeelding op, en verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die hem omstrikten.Naar huis? Hy durfde niet!Z’n moeder, Stoffel, z’n zusters... zy allen vertoonden zich als Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het hoofd. Zelfs Leentje, z’n goedig advokaatjen anders, zou hem—als by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis—verraderlyk afvallen, en zeggen:—Ja, maar... zieje, Wouter, dat ’s ook geen fatsoenlyke manier van doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetjewat je doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je ’t nooit weer zult doen.Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef ’t je-n-in drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid...Een oogenblik dacht Wouter aan ’t vierde tafereel van denVerloren Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en kalfsvleesch zou uitloopen. “Vader—dit werd: “moeder” hier,maar ’t variantje doet niet tot de zaak—moeder en Stoffel dan, ik heb gezondigd...Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat verkwist? M’n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup!De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest, wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter wezen konden, hadden ’t recht hem aanteklagen van bovenmatige spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daaromprodigue, of...verlorendan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen tekst, die nog altyd—volgens juffrouw Pieterse—de eenig-ware is?Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan, hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z’n zonden, en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde hy niet.Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht:—Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de eetzaal? Neen! Heb ik al m’n goederen op ’n kameel gepakt? Neen! Heb ik ’n zwarten knecht gehad, die m’n paard hield? Ben ik er op gaan zitten? Weggereden...Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht, maar... ’n paard? En... ryden?Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z’n paard gezien... ja of neen? Had-i op zoo’n beest gezeten... ja of neen? Zoo neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen likeur... dan was àlles schyn,verblinding, droom, goochelspel, waan, bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets geweest zyn dan ’n sarrend spook?Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy ’t moest aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse,waartoe hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde...Hy pluisde de kruimels van z’n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel:—Ik wou—...........—dat ik zoo’n kruimel was! Dan wist ik ten-minste waar ik heen moest!En hy stak ’t ding in z’n mond.Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn geworden door ’n heertje van de Schepping.—Naar... Amerika?Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in ’t bezit was geweest van de fameuze honderd guldens, waarmee men—volgens z’n moeder—in dat land kan leven als ’n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers ’t huisje van Vrouw Claus niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten ’t leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z’n post verlaten, hy die aanvankelyk was uitgetrokken—’t is waar ook, maar ’t was hem ontgaan—tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag te denken, was ’t geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke’s wywaterbakje—en wat daar achter stak!—bloottestellen aan den ongewyden blik van nieuwsgierigen?—Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet naar Amerika!Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer Motto vertrokken was in z’n eentje, was zyn zaak—ieder moet handelen naar z’n overtuiging!—maar hy, Wouter, ’n nieuw werelddeel betreden, zonder by ’t aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik ’t expres veroverd voor jou... dat nooit!Amerika zelf zou ’r geen vrede mee hebben! Wat is ’n ridder zonder dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met ’n zoo gebrekkig toegerusten veroveraar?De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op ’n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing ’n noordhollandsch-friesche kap op ’n mutsebol, maar...De deur werd behoedzaam geopend, en ’n onzichtbare hand die om den rand boog, hield Wouter ’n elegant mutsje voor... precies geschikt voor veroveraars, en jongeluî die ’t worden willen. Wouter sperde mond en oogen op, en stond daar als ’n verbaasdeTerm...Wouter’s verbazing was gegrond. Hy staarde ’t geheimzinnige mutsjen aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met ’n levend voorwerp:—Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me?’t Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, ’t onschuldig voorwerp iets naar den kop keilde. Z’n boterambordje, byv. dat zeer geschikt was voor zoo’n worp.Er was beweging in de deur, en ook ’t mutsje trilde. Nogeens vroeg Wouter vry onthutst—’t klonk inderdaad als ’nvade retro!—wat het wilde?Als ’t mutsje zelf geantwoord had, zoud-i ’t op dit oogenblik niet vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend stemmetje van achter de deur:—Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat moet ik eerst weten.Wouter bekeek zich. “Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik de rechte?” Dit scheen-i niet te weten.Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken tot op ’n kier.—Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy.—Ik ben ’tStakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik breng je je mussie... as jy ’t bent, de rechte!Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge boodschapster aan ...’n Heks, ’n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den Macbeth op z’n printen, was treffend.Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen geboren worden op ’t vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in ’t leven te houden—in wèlk leven!—om dáár op haar post te zyn met ’n muts in de hand, juist toen hy om zoo’n kleedingstuk verlegen was. O, domme ondankbare Wouter! Want:—Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk.De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit.—Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet?—Heere-krrristis, wyf—de lapsische verbazings-terminologie had school gemaakt—wat wil je van me?Ze bekeek Wouter van ’t hoofd tot de voeten.—Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had...—Wàt op m’n kraag?—Rooie làppies. En ’n sabeltje!—En dat ze je-n-onder de pomp had gezet...Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel....en heelemaal naakt had uitgekleed... as ’n wurm. En dat ik niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes áánhad. Waar is je sabeltje?Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze ’t niet zou afgeven voor ze dat sabeltje zag.Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z’n verstand. Na eenig zwygen:—Wie bèn je?—En wie benjydan, jongeheer? Ben jy ’t matroossie die van ’t paard is gevallen? Je ziet er niet uit als ’n matroos, en ik geef je de muts niet! Vrouw Claus zou me...De naam van z’n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy meende ’n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens van toon veranderend, noodigde hy ’t oude vrouwtjen uit, binnen te komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken tegen den onderkant van haar bochel.—Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje?En hy schoof haar ’n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein, om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys.—Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m’n eigen manier. Heb je niet ’n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat er een...Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag ’n drietal stoven op ’n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z’n sybille zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant, in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe ànders? Die vrouw spysde driemaal ’s weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar stoofje. Wie er mee gespot had, was ’n gek. En ook hy ging nu zitten, en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich ’n uitersten wil laten voorzeggen.—Je komt dus van Vrouw Claus?—Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer.—Wouter Pieterse.—Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van ’t paard gevallen is? Dàt mot ik weten.Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van ’n nooit geleden ongeluk. En dus:—Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van ’t paard gevallen, wel... zesmaal!—Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel wezenlyk ’n beetje dronken?—Ja, o ja, ik was dronken... heel erg!—Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze zei dat ze je-n-onder de pomp...—Ik heb me weer aangekleed.Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te vinden. Maar op-eens:—En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè?Luk-raak antwoordde Wouter dat “die dingen”—hy wist waarachtig niet wat ze bedoelde—in de sloot gevallen waren.—Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap maar! Ik ben heusch van ’t paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut, zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och, zeg me nu asjeblieft je boodschap!Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon:—Ik ben ’tStakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken, by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk ’n nicht van me ...O goden, alweer ’n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk “bekroond” wordt, wat aan my staat...Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze heeten?Causaliteit, misschien?...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in ’n zeer groote familie komen zou.—Ja, ’n nicht, of... ’n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als ik m’n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... ’r grootmoeder. En de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m’n overgrootmoeder eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè?—Sybrand?—Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken...Op-eens doorschoot Wouter de gedachte—te vroeg was ’t niet!—dat die vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek.—Achter de planken? vroeg Wouter.—Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat het de molen is van m’n grootvader. Vraag maar aan alle menschen, of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... denStoereman? Want zóó werd-i genoemd. Dàt was ’n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! ’t Is eigenlykmynmolen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen mag achter de planken...Notaris Wouter keek vragend....ja, omdat ik daar ’n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i!Zeker, die vrouw was krankzinnig!...’n vryertje, weetje! ’n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet deugt. Enhykrygt den molen van me... ’t is ’n bovenkruier. Met paltrokken houd ik me niet op. En jy?Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo’n gesprek? Te weinig ontwikkeld nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die hem belang inboezemden.—Ja, ja, ’n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor ’n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen?—Wel, ze had me geroepen, om met ’r meetegaan om in de Halsteeg ’t mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. ’n Mussie van fyn laken, en ’n rand van allerlei kleur, en ’n kwast van bonte wol. DeStoeremandroeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i ’n prins, en heette Erik.—En wat zei Vrouw Claus?—Dat ik je ’t mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je heelemaal naakt was. En ze had zooveel “wasschen” thuis te brengen. En ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep...De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat daarop lag....als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in ’t voorhuis... dat is hier, weetje?—Ja, ja, dat is hier!—Daar zou ’n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze, als je... wakker was.—Ja, zeker! Die zou ik eten...—Als je wakker was!Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte ’n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig gedragen had. Ze hurkte weer neder.—Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om je naaktheid, zieje!Hywas ook naakt...—Wie toch?—Prins Erik.—Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze.—Neen, neen, dankje wel! En geef me ’t mutsje maar, en ga nu maar heen.Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug.—Ben jy ’t jongetje dat van ’t paard is gevallen?—Wel zeker! Geef op, de muts!—Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van ’t paard zie vallen. Ik moet het eerst met m’n eigen oogen zien. Denk... jy...dat... ik... mal... ben?Hy wou haar ’t begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween.Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met ’n verschyning?Hy werd moe van ’t ongewone, en begon intezien dat ook ’t eentonig-banale z’n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee, voeldehy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling in zich opkomen.—In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik ’t niet langer uithouden!Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw geopend werd. Er trad iemand binnen. ’t Was dokter’s Kaatje. Wouter herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk:—Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden?—Gut jongeheer! Ik kom van Femke...—Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... ’n grootmoeder van je, hè?En met dreigend gebaar deed hy ’n stap vooruit.—Ben... jy... de vryster... van...Stoeremanden molenaar, hè?Weer ’n stap vooruit. EnKaatjeterug!—Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... heelemaal... naakt... ben, hè?—Och, jongeheer, wat ’n praat!—Wil jy... me... ook... van ’t paard zien vallen... hè?Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten.—Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je?—Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden, dàt mankeert me! Versta je dàt?Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z’n woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen—komiek om te zien, maar voor hèm de maatslag van z’n verwenschingen—drong hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze gekomen was, het padje door ’t bleekveld.—Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam!—Waar... zie... jy... me... voor... aan?—O god, o god...—Wat... denk... je... van me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben?—Neen, neen, o neen... volstrekt niet!—Of... gek?—Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter!Twee gelykluidende kreten maakten ’n eind aan den zonderlingen wedloop. Atalante riep:—Daar is-i, goddank!Meleager:—Daar is-i, goddank!De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar kikkers vischten, z’n pet hadden opgehaald.Wouter nam zonder omslag z’n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma te-gemoet, en deed ’n jammerklagend relaas van haar wedervaren.—Zou ’t zóó erg wezen? zei de goede man.Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z’n petje te zuiveren van modder en kroos, en sprak hem aan.Wouter zag verschrikt op.—Zoo, m’n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust hebt, ten-minste.Dàt was de toon die vereischt werd!Wouter berstte in tranen uit—de weerslag van z’n woede—en vloog den dokter om den hals.—Asjeblieft, asjeblieft, m’nheer! Dat ’s met-een goed voor m’n moeder!Holsma wenkte Kaatje die—bang voor Wouter—op eerbiedigen afstand het tooneeltjen aanzag.—Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den heelen avend blyft.—Ja, riep Wouter haastig, en...De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter’s oog spelde niets verdachts. En z’n woorden ook niet:—M’nheer, mag ze ’r asjeblieft byzeggen...—Welnu, m’n jongen, spreek op! Wàt moet ze ’r byzeggen? Wat heb je-n-op je hart?—Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag!Holsma bedacht zich even.—Wel zeker, zeid-i, den heelen dag.—Van van-morgen... zeven uur af?—Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter.—Ik heb... by u ontbeten?—Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje.En Wouter in ’t koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden voor ’t huis Pieterse: “waar ’t meisjen ’n boodschap had.” Toen hy naast Wouter plaatsnam, greep deze z’n hand, en riep:—Och, m’nheer, wat ’n geluk dat ik u zie!—Vind je! ’t Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is...—’n Nicht? viel Wouter haastig in.—Ja, en ’n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met ’n eenvoudigheid, waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als zezynnicht geweest was.—Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, jongen! Je zult er geen kwaad leeren.—M’nheer, riep Wouter—en hy bloosde—ik houd zoo erg veel van Femke!—Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook.De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z’n keukenmeid zich vergist had in dediagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma bemerkte dat z’n ziel aan ’t groeien was. En dit moest wel. Fancy scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit noemen zy: “de vier windstreken laten zien.”
Nieuwe blyken der verdorvenheid van VrouwClaus—en van den auteur—in-zake:aesthetika.Een weerbarstige verloren zoon. Verschyning van ’n muts en ’nSybille.Geroepen, en... àls geroepen!Wouterbegint iets van de “vier windstreken” te zien.
Nieuwe blyken der verdorvenheid van VrouwClaus—en van den auteur—in-zake:aesthetika.Een weerbarstige verloren zoon. Verschyning van ’n muts en ’nSybille.Geroepen, en... àls geroepen!Wouterbegint iets van de “vier windstreken” te zien.
Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z’n gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje was zeker na ’n kort bezoek by haar “nicht” reeds weder vertrokken.
En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch ze deed het niet zonder ’n eigenaardig kenmerk achter te laten van haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen!
Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd had! Op ’n klein witwerks-tafeltje, waarby ’n stoel stond aangeschoven als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de ons bekende soort op ’n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op ’n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud, maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat zoo’n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: “dominee die terstond bemerkte dat er watinzat” gekuischt was met latynsche verzen! Zonder maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen:
—Tast toe, m’n jongen! Je moet honger hebben!
Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde flinkweg naar z’n overtuiging, door ze met smaak te verslinden, waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één mondvol meer, en ’t was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt, en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke proza! Zoo’n namiddag-ontbyt...
’t Is waar ook! Eigenlyk was ’t plan geweest, dat-i zou ontbeten hebben by...
Hy ontstelde, en verviel—nu door honger noch slaap gekweld—in angst voor den afloop van z’n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse torende als ’n verzwelgende waterhoos voor z’n verbeelding op, en verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die hem omstrikten.
Naar huis? Hy durfde niet!
Z’n moeder, Stoffel, z’n zusters... zy allen vertoonden zich als Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het hoofd. Zelfs Leentje, z’n goedig advokaatjen anders, zou hem—als by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis—verraderlyk afvallen, en zeggen:
—Ja, maar... zieje, Wouter, dat ’s ook geen fatsoenlyke manier van doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetjewat je doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je ’t nooit weer zult doen.
Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef ’t je-n-in drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid...
Een oogenblik dacht Wouter aan ’t vierde tafereel van denVerloren Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en kalfsvleesch zou uitloopen. “Vader—dit werd: “moeder” hier,maar ’t variantje doet niet tot de zaak—moeder en Stoffel dan, ik heb gezondigd...
Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat verkwist? M’n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup!
De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest, wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter wezen konden, hadden ’t recht hem aanteklagen van bovenmatige spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daaromprodigue, of...verlorendan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen tekst, die nog altyd—volgens juffrouw Pieterse—de eenig-ware is?
Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan, hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z’n zonden, en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde hy niet.
Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht:
—Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de eetzaal? Neen! Heb ik al m’n goederen op ’n kameel gepakt? Neen! Heb ik ’n zwarten knecht gehad, die m’n paard hield? Ben ik er op gaan zitten? Weggereden...
Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht, maar... ’n paard? En... ryden?
Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z’n paard gezien... ja of neen? Had-i op zoo’n beest gezeten... ja of neen? Zoo neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen likeur... dan was àlles schyn,verblinding, droom, goochelspel, waan, bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets geweest zyn dan ’n sarrend spook?
Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy ’t moest aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse,waartoe hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde...
Hy pluisde de kruimels van z’n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel:
—Ik wou—...........—dat ik zoo’n kruimel was! Dan wist ik ten-minste waar ik heen moest!
En hy stak ’t ding in z’n mond.
Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn geworden door ’n heertje van de Schepping.
—Naar... Amerika?
Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in ’t bezit was geweest van de fameuze honderd guldens, waarmee men—volgens z’n moeder—in dat land kan leven als ’n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers ’t huisje van Vrouw Claus niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten ’t leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z’n post verlaten, hy die aanvankelyk was uitgetrokken—’t is waar ook, maar ’t was hem ontgaan—tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag te denken, was ’t geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke’s wywaterbakje—en wat daar achter stak!—bloottestellen aan den ongewyden blik van nieuwsgierigen?
—Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet naar Amerika!
Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer Motto vertrokken was in z’n eentje, was zyn zaak—ieder moet handelen naar z’n overtuiging!—maar hy, Wouter, ’n nieuw werelddeel betreden, zonder by ’t aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik ’t expres veroverd voor jou... dat nooit!
Amerika zelf zou ’r geen vrede mee hebben! Wat is ’n ridder zonder dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met ’n zoo gebrekkig toegerusten veroveraar?
De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op ’n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing ’n noordhollandsch-friesche kap op ’n mutsebol, maar...
De deur werd behoedzaam geopend, en ’n onzichtbare hand die om den rand boog, hield Wouter ’n elegant mutsje voor... precies geschikt voor veroveraars, en jongeluî die ’t worden willen. Wouter sperde mond en oogen op, en stond daar als ’n verbaasdeTerm...
Wouter’s verbazing was gegrond. Hy staarde ’t geheimzinnige mutsjen aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met ’n levend voorwerp:
—Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me?
’t Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, ’t onschuldig voorwerp iets naar den kop keilde. Z’n boterambordje, byv. dat zeer geschikt was voor zoo’n worp.
Er was beweging in de deur, en ook ’t mutsje trilde. Nogeens vroeg Wouter vry onthutst—’t klonk inderdaad als ’nvade retro!—wat het wilde?
Als ’t mutsje zelf geantwoord had, zoud-i ’t op dit oogenblik niet vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend stemmetje van achter de deur:
—Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat moet ik eerst weten.
Wouter bekeek zich. “Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik de rechte?” Dit scheen-i niet te weten.
Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken tot op ’n kier.
—Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy.
—Ik ben ’tStakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik breng je je mussie... as jy ’t bent, de rechte!
Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge boodschapster aan ...
’n Heks, ’n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den Macbeth op z’n printen, was treffend.
Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen geboren worden op ’t vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in ’t leven te houden—in wèlk leven!—om dáár op haar post te zyn met ’n muts in de hand, juist toen hy om zoo’n kleedingstuk verlegen was. O, domme ondankbare Wouter! Want:
—Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk.
De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit.
—Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet?
—Heere-krrristis, wyf—de lapsische verbazings-terminologie had school gemaakt—wat wil je van me?
Ze bekeek Wouter van ’t hoofd tot de voeten.
—Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had...
—Wàt op m’n kraag?
—Rooie làppies. En ’n sabeltje!
—En dat ze je-n-onder de pomp had gezet...
Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel.
...en heelemaal naakt had uitgekleed... as ’n wurm. En dat ik niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes áánhad. Waar is je sabeltje?
Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze ’t niet zou afgeven voor ze dat sabeltje zag.
Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z’n verstand. Na eenig zwygen:
—Wie bèn je?
—En wie benjydan, jongeheer? Ben jy ’t matroossie die van ’t paard is gevallen? Je ziet er niet uit als ’n matroos, en ik geef je de muts niet! Vrouw Claus zou me...
De naam van z’n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy meende ’n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens van toon veranderend, noodigde hy ’t oude vrouwtjen uit, binnen te komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken tegen den onderkant van haar bochel.
—Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje?
En hy schoof haar ’n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein, om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys.
—Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m’n eigen manier. Heb je niet ’n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat er een...
Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag ’n drietal stoven op ’n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z’n sybille zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant, in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe ànders? Die vrouw spysde driemaal ’s weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar stoofje. Wie er mee gespot had, was ’n gek. En ook hy ging nu zitten, en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich ’n uitersten wil laten voorzeggen.
—Je komt dus van Vrouw Claus?
—Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer.
—Wouter Pieterse.
—Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van ’t paard gevallen is? Dàt mot ik weten.
Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van ’n nooit geleden ongeluk. En dus:
—Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van ’t paard gevallen, wel... zesmaal!
—Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel wezenlyk ’n beetje dronken?
—Ja, o ja, ik was dronken... heel erg!
—Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze zei dat ze je-n-onder de pomp...
—Ik heb me weer aangekleed.
Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te vinden. Maar op-eens:
—En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè?
Luk-raak antwoordde Wouter dat “die dingen”—hy wist waarachtig niet wat ze bedoelde—in de sloot gevallen waren.
—Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap maar! Ik ben heusch van ’t paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut, zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och, zeg me nu asjeblieft je boodschap!
Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon:
—Ik ben ’tStakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken, by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk ’n nicht van me ...
O goden, alweer ’n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk “bekroond” wordt, wat aan my staat...
Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze heeten?Causaliteit, misschien?
...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in ’n zeer groote familie komen zou.
—Ja, ’n nicht, of... ’n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als ik m’n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... ’r grootmoeder. En de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m’n overgrootmoeder eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè?
—Sybrand?
—Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken...
Op-eens doorschoot Wouter de gedachte—te vroeg was ’t niet!—dat die vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek.
—Achter de planken? vroeg Wouter.
—Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat het de molen is van m’n grootvader. Vraag maar aan alle menschen, of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... denStoereman? Want zóó werd-i genoemd. Dàt was ’n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! ’t Is eigenlykmynmolen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen mag achter de planken...
Notaris Wouter keek vragend.
...ja, omdat ik daar ’n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i!
Zeker, die vrouw was krankzinnig!
...’n vryertje, weetje! ’n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet deugt. Enhykrygt den molen van me... ’t is ’n bovenkruier. Met paltrokken houd ik me niet op. En jy?
Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo’n gesprek? Te weinig ontwikkeld nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die hem belang inboezemden.
—Ja, ja, ’n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor ’n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen?
—Wel, ze had me geroepen, om met ’r meetegaan om in de Halsteeg ’t mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. ’n Mussie van fyn laken, en ’n rand van allerlei kleur, en ’n kwast van bonte wol. DeStoeremandroeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i ’n prins, en heette Erik.
—En wat zei Vrouw Claus?
—Dat ik je ’t mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je heelemaal naakt was. En ze had zooveel “wasschen” thuis te brengen. En ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep...
De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat daarop lag.
...als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in ’t voorhuis... dat is hier, weetje?
—Ja, ja, dat is hier!
—Daar zou ’n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze, als je... wakker was.
—Ja, zeker! Die zou ik eten...
—Als je wakker was!
Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte ’n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig gedragen had. Ze hurkte weer neder.
—Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om je naaktheid, zieje!Hywas ook naakt...
—Wie toch?
—Prins Erik.
—Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze.
—Neen, neen, dankje wel! En geef me ’t mutsje maar, en ga nu maar heen.
Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug.
—Ben jy ’t jongetje dat van ’t paard is gevallen?
—Wel zeker! Geef op, de muts!
—Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van ’t paard zie vallen. Ik moet het eerst met m’n eigen oogen zien. Denk... jy...dat... ik... mal... ben?
Hy wou haar ’t begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween.
Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met ’n verschyning?
Hy werd moe van ’t ongewone, en begon intezien dat ook ’t eentonig-banale z’n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee, voeldehy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling in zich opkomen.
—In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik ’t niet langer uithouden!
Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw geopend werd. Er trad iemand binnen. ’t Was dokter’s Kaatje. Wouter herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk:
—Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden?
—Gut jongeheer! Ik kom van Femke...
—Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... ’n grootmoeder van je, hè?
En met dreigend gebaar deed hy ’n stap vooruit.
—Ben... jy... de vryster... van...Stoeremanden molenaar, hè?
Weer ’n stap vooruit. EnKaatjeterug!
—Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... heelemaal... naakt... ben, hè?
—Och, jongeheer, wat ’n praat!
—Wil jy... me... ook... van ’t paard zien vallen... hè?
Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten.
—Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je?
—Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden, dàt mankeert me! Versta je dàt?
Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z’n woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen—komiek om te zien, maar voor hèm de maatslag van z’n verwenschingen—drong hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze gekomen was, het padje door ’t bleekveld.
—Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam!
—Waar... zie... jy... me... voor... aan?
—O god, o god...
—Wat... denk... je... van me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben?
—Neen, neen, o neen... volstrekt niet!
—Of... gek?
—Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter!
Twee gelykluidende kreten maakten ’n eind aan den zonderlingen wedloop. Atalante riep:
—Daar is-i, goddank!
Meleager:
—Daar is-i, goddank!
De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar kikkers vischten, z’n pet hadden opgehaald.
Wouter nam zonder omslag z’n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma te-gemoet, en deed ’n jammerklagend relaas van haar wedervaren.
—Zou ’t zóó erg wezen? zei de goede man.
Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z’n petje te zuiveren van modder en kroos, en sprak hem aan.
Wouter zag verschrikt op.
—Zoo, m’n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust hebt, ten-minste.
Dàt was de toon die vereischt werd!
Wouter berstte in tranen uit—de weerslag van z’n woede—en vloog den dokter om den hals.
—Asjeblieft, asjeblieft, m’nheer! Dat ’s met-een goed voor m’n moeder!
Holsma wenkte Kaatje die—bang voor Wouter—op eerbiedigen afstand het tooneeltjen aanzag.
—Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den heelen avend blyft.
—Ja, riep Wouter haastig, en...
De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter’s oog spelde niets verdachts. En z’n woorden ook niet:
—M’nheer, mag ze ’r asjeblieft byzeggen...
—Welnu, m’n jongen, spreek op! Wàt moet ze ’r byzeggen? Wat heb je-n-op je hart?
—Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag!
Holsma bedacht zich even.
—Wel zeker, zeid-i, den heelen dag.
—Van van-morgen... zeven uur af?
—Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter.
—Ik heb... by u ontbeten?
—Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje.
En Wouter in ’t koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden voor ’t huis Pieterse: “waar ’t meisjen ’n boodschap had.” Toen hy naast Wouter plaatsnam, greep deze z’n hand, en riep:
—Och, m’nheer, wat ’n geluk dat ik u zie!
—Vind je! ’t Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is...
—’n Nicht? viel Wouter haastig in.
—Ja, en ’n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met ’n eenvoudigheid, waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als zezynnicht geweest was.
—Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, jongen! Je zult er geen kwaad leeren.
—M’nheer, riep Wouter—en hy bloosde—ik houd zoo erg veel van Femke!
—Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook.
De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z’n keukenmeid zich vergist had in dediagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma bemerkte dat z’n ziel aan ’t groeien was. En dit moest wel. Fancy scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit noemen zy: “de vier windstreken laten zien.”