Femke,nogeensFemke,en—na ’n roerende complainte over den dood van twee geniën—weerFemke!Alles opgeluisterd met teleologische opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere menschelyke zwakheden.Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken weg Holsma’s koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te beroepen op m’n volslagen gebrek aan lokaal-memorie—er is geen stad, vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet—ga ik gebukt onder ’n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche beroemdheid.Holsma’s koetsier gaf blyk van ’n begaafdheid die we haast voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z’n paard. Het stomme dier—even als ik toch maar in Holland geboren—bleef met buitenlandsche scherpzinnigheid staan op ’t juiste oogenblik om de keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet zonder angst schoof ze Wouter’s knieën voorby, en achtte zich gelukkig dat-i haar niet ’n beet meegaf tot afscheid.Wouter scheen te meenen dat nu ’t oogenblik was aangebroken om wat inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke mededeeling. Toen de jongen ’n verward verhaal begon van z’n ontmoetingen, viel hy hem in de rede:—En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan?—Ja, m’nheer... overmorgen!—Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze moeten je veel laten werken! Dat ’s heel nuttig voor ’n jongen als jy...En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat byzonders:...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning.Alle jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen!Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de dokter bezig-was hem ’n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy, dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist te meenen dat Holsma hem die geven kon, was ’t hem reeds ’n ontlasting geweest iets te mogen verhalen van z’n wedervaren, al wist-i dan nog niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z’n deugd zou overspringen, wat toch z’n ridderlyk plan was.Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z’n relaas af, door by de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen:—Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds in. Hoofdzaak voor ’n jong mensch—en voor oude menschen ook!—is dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag...Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt gestroomd zyn, en daar...Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist worden. Lezer, bedenk eens...Neen, neen, ’t was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en ’t venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige gevolgen...Alweer niet waar! De heele zaak was—dùs of zóó afloopend—van weinig beteekenis.Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de beoefening van de beteekenisleer deropdatten, ’n allermoeielykst vak is.Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door ’n dekkleed van ys, zegt zeker “Natuurkundig Schoolboek” zouden ze... bevriezen. Ziedaar, voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek derteleologie!—Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by ’t uitstappen.—O, zeker, m’nheer!—Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand hangt. Bekyk maar alles op je gemak...De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling z’n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen worden. Dààrom die verwyzing naar de zykamer.Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding.En zelfs was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden, die de anderen ternauwernood onderscheidt. By “één heer met één hond en één haas” zag-i ’n heer met ’n hond en ’n haas. Toch zou juist hy beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen “heer” ’n geschiedenis toetedichten, en ’t stuk overteschilderen met de kleuren van z’n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft hem ’n vrouweportret... ’n koningin, of ’n fee, of ’n toovergodin, of ’n burgemeestersdochter, of ’n dame uit ’n boek...’t Was Femke!Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy ’n diadeem van glinsterende steenen, neen... ’n straalkrans, neen... ’t was ’n kroon van sterren, of...—Vader en moeder laten je roepen. ’t Eten staat op tafel! Heb je geen pyn van je val?Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z’n fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z’n olympische toorn was òp! Hy antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus...—Zóó? Niet gereden? Niet op ’n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in ’t koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman, jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje?Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als ’n hapje suiker.—Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m’n moeder!—Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt altyd alles terecht. Kom maar mee...Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, bracht haar terug voor ’t portret in de zykamer, en vroeg:—Sietske, zeg me, wie is dat?—Wel, ’n over- over- over-grootmoeder van ons.—Maar ’t lykt op...—Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op elkaar. Als Herman ’n amelander kap opzet, kan je ’m niet van Fem onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten.En, hem by de hand nemende, trok ze ’m de gang door, de trap op, en de eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z’n gemak te zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan ’t denkbeeld dat hy ’t onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde dat Wouter de gelykenis vandat oude portret met Femke had opgemerkt, zei Holsma nuchter:—Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi niet. Dat scheelt veel!Hu, ’n drogedouche!Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy meende alleen dat er gebrek aan... ’t hoogste moest bestaan in alles wat niet op haar geleek. En dat “hoogste” openbaarde zich... in haar trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan die trekken vastknoopte. Toen-i op z’n laatst examen die moeielyke “som” zoo korrekt oploste, was ’t Femke of iets van Femke, dat hem aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had:zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z’n denkvermogen in den weg gezeten, als ’n zandkorl de radertjes van ’n fyn uurwerk. Z’n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem—hem die onder aanroeping van Femke’s naam, de eerste was gewordem op Pennewip’s school—iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens ’n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders oordeelen over Femke’s “mooiheid.” Heerlyk schoon wàs ’t portret, o zeker! Maar lag niet juist hierin ’n reden om precies op háár te gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo’n ding zoud-i immers ook háár opzetten, zoodra hy...Ja, wanneer?Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of ’n heel firmament haar beter kleedde dan de noordhollandsche kap?Maar al deze overleggingen—nu-en-dan afgebroken door: “wil je wat saus, Wouter?” of: “houd je van sjalotten by je vleesch?”—betraden de wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in ’t celletje waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten...—Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma.Och, juist was-i bezig met ’n sterk gekruid: “ze heeft mybroedergenoemd!” En—zonderling niet, maar toch verrassend voor hem!—op-eens vond-i dat het woord: “broedèr” beter paste by diademen en sterrenkransen, dan by ’n hoofdtooisel dat gedragen wordt door melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by ’n... dame met eelt in de handen. Want dàt had Femke endamewas ze toch: dezyne! Ach, had ze maar liever:broergezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in de zykamer de hand uitstrekken... als ’n portret de hand uitstrekken kòn. Kyk, zóó:En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i ’n schotel scheen aantewyzen.—Sla? vroeg Sietske.De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaaktdoor ’n paar eenvoudige woorden van de moeder, over ’t weêr, inverband met het voorgenomen uitgaan van dien avend.—’t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen en prinsen zien. ’t Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je wilt immers wel mee, mannetje?’t Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in ’n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van ’n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst ’n meisje verleidt. “Zóó noemt men zulks” had Stoffel gezegd, en Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet zonder toejuiching van z’n eigen deugd. Want—dáár ging hem ’n licht op!—hyhad zich met juffrouw Laps niet gedragen als ’n slechte baron, volstrekt niet! Hy was gebleven op ’t pad der deugd... zoo noemt men zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm!Hem, en dien zevenklapper zeker!—We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma, en dozynen kandidaten, die misschien nooit...Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande dominees. Hy gaf halfluid z’n bevreemding te kennen, dat zulke personen de komedie bezochten...—Wel neen, zei Sietske, ’n kandidaat is iemand die... wat worden wil. Koning, by-voorbeeld.Wouter voelde zich allerkandidaatst.Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z’nAntiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over z’n gebrek aan kennis. Dit leidde z’n gedachten op den verloopen schooltyd—hy had toch waarlyk z’n best gedaan!—op z’n huis, op z’n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de verstoordheid van z’n moeder over z’n lang uitblyven. Holsma beloofde hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor ’t vertrek naar de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen hadden dit aldus bepaald om de warmte.Na Holsma’s vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang inboezemde, omdat Femke’s naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen ’t gezin dat hem zoo aanzienlyk was voorgekomen, en ’t betrekkelyk arme bleekmeisje, allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan ’t spelen was. “Erik?” dacht Wouter.—Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook wasze van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by ’t bedje van den kleinen jongen.—Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te lang aan-tafel zitten.—De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze is ’n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama?—Ieder moet handelen naar z’n overtuiging, en mag handelen naar z’n smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets te dwingen.—Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie.—Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. ’t Blyft nog altyd de vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar ’t moet wel!Wouter bespeurde dat er ’n byzondere reden bestond, waarom de moeder “anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had” ditmaal de familie vergezellen zou naar ’tLeidsche-Plein. Slechts ’n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje zou dan met hem terugkomen. “Als ze wil” werd er telkens by gezegd, alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden.—Ik noem ’t koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon aantrekken, en met ons op-en-neer gaan...—Ja, antwoordde de moeder, ’n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat is er aan te doen?—Koppigheid!—Dat ’s de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in, dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van stand verwisselde.—En met tante Siet! riep Herman.Dat is zeker ’tStakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En: “’n zonderlinge familie!” dacht-i er by.—Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren...Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten zyn, en hoe men zoo’n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden was-i zoo-even gestruikeld....als onze Fem dat gewild had—of liever, als haar moeder ’t gewild had toen Femke nog ’n kind was—dan hadden we daarmee heel vroeg moeten beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit ’r handen hebben gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart, om te betreuren dat ze maar ’n bleekmeisjen is.—Ze is...intenstrotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i dit mooieadverbiumeens terdege plaatsen kon.—Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotschom iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met ’n prinses...Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin, keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy vond het onderscheid...intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al geregeld waren naar z’n zin, dan ... nu ja, dàn mocht prinses Femke van pozitie ruilen met ’n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde om stand?Zoo liet hy zich foppen door z’n nog altyd kinderachtigen en dus zeer onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z’n liefde: zoogenaamd. Hy moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop voorbygaande aandoeningen hem voor ’n oogenblik plaatsten.—En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend?—Ja delogeis... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie zakt van-avend naar ’tparterreaf, en misschien zelfs de burgemeester.—Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden...—Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de keizerlyke loge...—Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... denFloris! En Z. M. kan er uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten...—En van Volkeren!—En van dichters!—En dat men nooit ’n souverein vermoorden mag!—Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst voor koningen en keizers.—Als-i de zaak maar goed vat!—We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor ’n duidelyke fransche vertaling!—Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met ’n knikje.—Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen.—Zeker! “Sire, pas-op, dat gaat jou aan!” En dan moet de Keizer zich houden alsof hy wat van ’t stuk verstaat. Wat ’n treurigmétier!—Wat moet-i wel denken van onze dichters!—En van onze vaderlandsliefde!—En van ons karakter!—Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat niet kruipt, komt niet tòt hen.—’t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar aftemeten.—Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk ’n heele kerel is!—Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid!En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van ’n romeinschen keizer die ’t menschelyk geslacht één kop toewenschte, om het te kunnen onthoofden met één slag...—’t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste woorden gehoord had. Maar alsboutadeis zoo’n uiting begrypelyk. De tyd nadert dat de Volkeren ’n gelyk lot zullen toewenschen aan de souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand.—Gaat deFlorisdoor?—Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op deScyllavan Rotgans, met ’nKloris en Roosjenachterna. Men zal hun vertellen dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche “school.” Dus zal ’t wel goed wezen! En... deKloris? Wel, dat’s ’nidylle! ’n Arkadisch-laaglandschebergerie! Virgilius in ’t amsterdamsch vertaald!O, Meliboee, deus nobis haec...Eklogemet kuitgespenfecit!1In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we ’nharangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat, inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me, jongens, die Caligula was zoo gek niet!Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i weer veel nieuws hoorde. En...Scylla. Zou dat ’n onechte dochter wezen? Of was ’t misschien de naam van de oude vrouw die in den achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van ’n schatryken baron werd teruggebracht op ’t pad der deugd? Zoo noemt men zulks.Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z’n bezoek by de Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar ’t gebouw waar “der kunsten god” in die dagen werd aangebeden met—zeer amsterdamsche—geestdrift. Het was ’n waar Apollo’s-welvaren, en dit is nòg zoo.Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z’n moeder “geheel in orde” was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan ’t hem wachtend genot. De hoogst-onechteScylla... in de komedie zitten ... morgen zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde zaken bywonen—heel wat ànders nog dan artisjokken!—en ... nu ja, al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte onechtheid vanScyllableef hem ’t voornaamste.Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z’n nabyheid te zien?Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by ’t instygen in een der rytuigen had hooren mompelen:—Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank erhartelyk voor, door studenten te worden gezien naast ’n boeredeern. Als ik groen word in September, zouden zy ’t me inpeperen, dat is zeker!Wouter begreep noch dat “groen-worden” noch de daarby behoorende “peper.” Maar ... boeredeern?Hy wierp ’t met z’n geweten op ’n akkoordje, door zich zoowel van vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen naarScylla’sonechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z’n gemoed.Helaas! Het was voor ’t meisjen in Vrouw Gooremest’s kroeg wel de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als ’n koningin, om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wàt eigenlyk? Femke’s kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan ’n parysche modiste verzinnen kan... maar dit was ’t geval niet. En hierin lag dan ook geenszins de reden van Willem’s nuffigheid. Femke’s schuld was zwaarder dan dit. Ze zag er uit als ’n meisje dat met haar handen den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou!En—heel in ’t voorbygaan, willen wy hopen—Wouter voelde zich aangestoken door die kinderachtigheid. ’t Was jammer, ’t was verdrietig, ’t was kleingeestig enondichterlyk, maar—o, Caligula!—we zyn zoo! En wie ieder ’t hoofd wou afslaan, die zich ooit schuldig maakte aan zoo’n... menschelykheid, zou veel te doen hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken, vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn.1= O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt.Tekstverklaring vanOvidius,doorWillem Holsma. IdemdoorRotgansen den auteur. Konflikt op ’t Leidsche-Plein tusschen twee potentaten:Napoleon I,enMinosvan Kreta.Verdienste van ’t succes met geestdrift aangebeên,Kweekt in ’t armzalig koor, laaghartigheid alleen.Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door het leveren eener toelichting van ’t stuk dat men straks zou te zien krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: “omdat verzen zoo moeielyk te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft willen zeggen.” Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de “taal der goden”—er ligt ’nRotgansin kwarto voor me—kostbaar te noemen.Maar ook de pedante Willem kendeScyllaniet anders dan uit z’n Ovidius—zonder onzenVecht-zwaan zou ik ’t mensch in ’t geheel niet kennen—en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z’n relaas optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, omdat men door ’t hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn sprak. Ziehier iets van z’n verhaal... vry overgezet.Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor medeplichtig hield aan den moord op z’n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met z’n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op ’n stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den vyand gelegenheid ook van zyn kant ’n vesting te belegeren, waaruit de heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard gebleven. Slechts enkele botterikken—Napoleon I, byv.—hielden zich niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven zich in zoo’n geval—behoudens krygseer natuurlyk—ongedeerd over, zonder andere heldendaden te hebben verricht dan ’t beredeneeren der mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... àls ze belegerd waren geworden.De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was met-een ’n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd door zekeren Nisus, ’n allerbraafst man die aan den dood van Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou Minos—vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de Onderwereld—billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor Alkathoë. Maar men is niet volmaakt.Koning Nisus was in ’t bezit van twee byzonderheden. Hy had ’n indelikate dochter—deScyllavan ’t stuk—en ’n purperen haartjen op z’n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft er vryheid toe. Ook is ’t geoorloofd zich den man voortestellen als prykende met ’n dikken haarbos van gewone kleur—spierwit kleedt antieke koningen het best—mits slechts dat eene haartje ... kortom ’t was ’n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen van koning Nisus—volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf meegerekend, drie dozyn—zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch op dat haartje, meer dan trotsch: ’t was ’n waarborg voor welvaart, ’n pand van de welwillendheid der goden, ’npalladium. Iets als onze Kieswet alzoo.Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat ’n purperen Kieswet, als dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon ... maar laat ons Willem’s verhaal niet vooruit loopen.Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een flinke schildwacht op de kruin van z’n hoofd, moest voldoende geweest zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo’s, krygsliederen en naaldgeweren. Als ik ’n heidensche god was geweest, zou ik dit wantrouwen in de kracht van m’n bescherming heel kwalyk genomen hebben, en ik had ieder in den steek gelaten, die my ’t werk uit de hand nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige vruchten gedragen. In alle landen waar men door ’n waar Geloof ’t recht verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en de begrooting van “Oorlog” begrepen in ’t budget van “Eeredienst.” Dit is zuinig en rationeel. Maar Nisus was ’n heiden, en had dus verkeerde begrippen over ’t gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele stumpert zette z’n heele leger achter de wallen van z’n ... Ryk, om zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers.De ondeugendeScyllanu was niet afkeerig vandas Militär, en wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z’n eerbiedwaardige ouderdom, z’n gebukte houding, z’n lange gryze baard, en misschien ook z’n aanstaande verheffing in de onderwereld—onzeScyllakende haar mythologie op ’r duimpje!—dit alles was wel in-staat het hart van ’n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen, als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen.Zielkundig gesproken, er bestond voorScyllanòg ’n reden om den ouden Minos byzonder interessant te vinden. Venus’ dartel wicht heeft veel koorden op z’n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe.Met ’n heelen stoet soldaten—men telde in dien tyd duizend krygslieden op één onderdaan: ’n byzonderheid die ’t regelen van de konskriptie tot ’n moeilyk vak maakte!—met ’n groot leger dan, was de man van heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens alle regels van de kunst, en ’t was háár bekend dat-i het strand ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos!Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z’n oorlogsverklaring nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot ’n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met’n minister die op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van Nisus aan Androgeos’ dood, weten te verydelen. Decasus bellidie hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z’n ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragenwaarom? Zoo-iets zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden dat deres publicabeheerd werd door zulk soort van ministers.Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren, werkteScylla’sal te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy, zou ik den man niet beminnen, die op z’n ouden dag zóó’n minister te torschen heeft? En zonder Parlement nogal!Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid ’n ware deugd was. Zoo waren de meisjes in die dagen.Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die ’t gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de ontvlambaarheid van ’t vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop hy, redelyk scherpzinnig voor ’n heiden—Ovidius was Hollander noch Christen—z’n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf, dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door ’n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van ’n pyl uit den boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou heden-ten-dage kans zien ’t hart van ’n maagd te treffen op meer danchassepot-afstand?Aan ’n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, en plukt hem—heu facinus: o gruwel ... ja, ’t wàs gemeen!—dat ééne kostbare haartjen uit, enprogressa porta per medios hostes, komt ze by Minos aan:pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje.Vorst Minos was ’nkreuzbraver Kerldie o.a. zelf kinderen had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z’n eigen haren, en aan ’t malle figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid.Misschien ook vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy,principiis obsta: hy noemde haar kort en goed ’n monster, en gebood...—Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat ’n drukte! Ik wou dat ik al weer goed en wel thuis zat by m’n kleinen Erik!Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar ’t uittrekken van dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het purper was?—’t Staat er zoo,kind!Crinis purpureus.Stap uit, en hou je jurk wat by-een, om ’t wagensmeer...puelletje!De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in ’t parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen.Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoodeKomedie, de ware!Hy verslikte z’n teleurstelling over de blykbaar echte geboorte van Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z’n gedachten wiegden zich op ’t gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar heen. Men verschikte z’n kleeren. Men vertelde ’t nieuwste nieuws van ’t hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie ’t eerst zou komen, wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men berekende waar de prinsen zouden zitten—die ééne ook, wiens vader herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde—en wat de hooge heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om ’n stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen, en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat het gekozen was...—Rotgans is ’n eerste dichter!—Hm! Eigenlyk ’n tweede of ... derde!Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in ’t verzenmakersgild, is dit alles zoowat hetzelfde.—Hy is maar ’n dichter van den zevenden rang, zei ’n ander.—Waarom dan ’n stuk van hèm? We hebben toch ànderen, mannen die ... klinken als klokken!—Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, ’n ware feniks!—Waarom dan Rotgans?—Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen laten spelen wat we willen.—’t Is jammer van denFloris...—Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn.—Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren.Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze Bilderdyk is ’n vaderlander...—Van belang!—’n Hollander in z’n hart!—’n Echte!—Zeker heeft-i in z’n stuk die vreemde kerels...—Sjt!... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander!—Neen, dat doet geen Hollander ... nooit!—Sjt!Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens wel behoorlyk op de fauteuils lagen.—Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor ’n lakei, voor ’n mostertjongen!Aldus spraken sommigen, die toch precies ’tzelfde hadden gedaan als de ons reeds eenigszins bekende zondebok:Ze, en Wouter werd hier weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de “massa”. Ook maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen indruk en uiting. “Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de wereld?” Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote koopluî ... misschien wel m’nheer Kopperlith in eigen persoon. Met eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door ’t plaats-nemen van nieuw aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet.—Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans?—Z’nBoerenkermisis heel aardig.—Man, hoe kan je ’t zeggen! ’t Is ’n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene woorden.—Nu ja, maar ... aardig toch!—Dat weet ik niet. Ik heb ’t nooit gelezen, omdat het zoo gemeen is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig is...—Och, wat geeft zoo’n Keizer daarom?—Ik begryp heel goed waarom ze van-avend ’n stuk van Rotgans spelen. Hy droeg altyd z’n stukken op aan een van de Huydekopers. Dàt is de zaak!—Hy was van de familie.—Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer ’t stuk mooi vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die...Scylla, of hoe heet de man?—die Scylla is ’n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen.—Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met ’n man die komedies maakt?—Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders!—Bovendien, Rotgans was zoo’n minne man niet. Hy had ’n buitenplaats aan de Vecht.—Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen.—De hoofdzaak komt neer...Weer ’n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit ’nsurprise-doosje. En alles—op de zwygende Holsma’s na—schimpte weer op de verdoemelyke karakterloosheid van “ze”....de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zegikmaar!—Daarin zal dezen keer ’n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar ik hoor.—Ja... echt-vaderlandsch! ’t Moet heel mooi zyn. De prefekt van policie heeft ’t zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven zou voor ’n prul?—Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister heeft er eigenhandig op geschreven:approuvé!—’t Is toch maar altyd ’n zékere waarheid, dat ze-n-in ’t buitenland eerbied hebben voor onze letterkunde.—O ja, en voor ons karakter!—Er is geen beter volkskarakter dan ’t hollandsche.—En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal.—Dat zegt dePréfet de Policeook. Hy laat alles vertalen wat er uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ...—Nu ja, en ’t karakter!—Zeker, ’t karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die van Racine, en dat ’s juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de maat vanThomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen...—Hm! Bellamy’sRoosjedan?—Ja, en z’n:Schoone maan, zeg, ziet gy heden...—En z’n:’t Was nacht toen u uw moeder baarde...—Mooi, hoor!—En z’n:Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den Engelschman te bestryden. Dat’s óók geen gekheid!—En z’n toespraak:Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in, hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt:Indien ik ooit ontaardeVan Vaderlandsche fierheid,Dan moet gy, waardste Fillis...Weer kwam ’n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die byzonder graag op ’r gemak zat. Als door ’n veer bewogen, stond het heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ...—Och, ’t is weer zoo’n doodeter. ’k Wou dat de vent...En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korteverzen waarin echt-vaderlandsche “pit” zat, liet zich niet van z’n stuk brengen:Indien ik ooit ontaarde,Dan moet gy my verachten,Dan moet gy my vervloeken!—Dat’s táál, hè?—Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd percent deftiger, dunkt me.Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende—’n foppery die telkens op ’n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan kwam—waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht, zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan.Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke ontleding van z’n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem overstelpten, de aandoeningen van ’n oogenblik te-voren. Hy was er duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het zyne by tot verdooving van z’n begrip. Zoo-even in ’t rytuig nog, had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem’s vertellinkje, en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt, of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op ’t lang gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen ’t later schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op ’n palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst deed als afstandwyzer van germaans-romeinschecastra, vervolgens ’n spikspelder nieuw systeem van—nogal oude—wysbegeerte op z’n rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd,gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe—en scheikunde—om al dat overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu, gelyk hier ’t behandeld palimpsest, zelf ’n mensch is... ’ncodex, zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift...Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen, òf erger. De Holsma’s waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts hoorde hy Oom Sybrand die naar ’n loge wees, iets zeggen, en ’t kort gesprek dat daaruit voortvloeide:—Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt!—’t Zou me leed doen, als ik m’n kleinen Erik had alleen gelaten voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.—Nu, Femke is vertrouwd!—O ja! Maar ’t drukt me dat ik hier zit, terwyl m’n kind ziek is. Lang wacht ik niet op haar...—’t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoordezeggen dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort ze zich niet. Dat schynt in ’t bloed te zitten.—Als ze ’r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel ik niet in de zaak...De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal staan ...Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder ’n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden...Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit.Vivat sequens!...hy had daarna ’n oogenblik—één oogenblik maar—in de zaal rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om te zeggen: “’t is wel!” en daarna z’n fauteuil met ’n ruk schuins naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en ’t Publiek kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.Ook de andere loges werden nu als door ’n tooverslag gevuld. Men zag zonderlinge kostumes: de “Wede. Maaskamp en Zonen!” Dames met lyven van drie duim, en ’n schoot van byna zooveel ellen. De boezems zweefden tusschen kin enceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op ’t hoofd droegen de dames tulbanden,toques, bloemtuinen... dáár was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel.De muziek speelde...’t Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den dapperenDunois!Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja, van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...Debout... debout!werd er geroepen. Een der hardste schreeuwerswas de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche “pit” zat. En alles schreeuwde mee:debout!Men moest opstaan voor den:jeune et beau Dunois!Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe:de bénir ses exploits, toen er met ’n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer zat. De Holsma’s recht naar-boven ziende, werden slechts ’n stuk van den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg...De maat? ’t Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de maat! Ieder die in ’t parterre zat, kon aan de angstige blikken die uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen, duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden, zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord van haarjoujoukrinkelde, en ’t ding bleef levenloos hangen, als ’n geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen!De Keizer stond op, en tokkelde met z’n rol papier als ’n razende.Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie ’t opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en ’tperfide Albion.Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als ’n izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op ’t fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten,aides de camp, schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den roffel ’n oogenblik aftebreken, om met z’n papieren trommelstok naar ’t orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend staan, met z’n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. ’n Plotselinge stilte verving nu ’t geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk ’n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In den engelenbak namelyk—dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers, want alle standen waren ’n graad of tien in waarde gedaald, omdat de markt van rang overvoerd was—in den engelenbak had ’n onverlaat zich de magere voldoening gegund:al is ons prinssiete zingen, wèl bedekt natuurlyk onder de noten van koningin Hortense’s prachtstuk.Waszyde dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan deHistorie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met datums te doen, en trachten slechtsmogelyke indrukkente schetsen, en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze geweest zyn.De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur kommandeerde eindelyk in den angst van z’n hart: “où peut-on être mieux.” De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de muziek toetelichten met de bekende romance van ’n “sleepersknol... op hol” toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. ’t Moest: “veillons au salut de l’empire” wezen! Dacht hy er aan, dat het huiselyke: “waar kan men beter zyn” bewaard moest blyven voor deBeresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is ’t—o bloedig sarkasme!—gespeeld.“Veillons” dus! Weer het knikje: ’t is wèl! en weer liet hy zich vallen in z’n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken by Huisduinen. Toen ’t “Veillons” behoorlyk was afgespeeld, mochten al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank!Het scherm ging op, en ’t woord was aan Rotgans:Ja, Minos, aan ’t geschenk dat ik u heb gegeven,En uit de kerk geschaakt...—Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? ’t Purper haartjen uit de kerk? Ik meende...—Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit beteekent. Misschien ’nlicentia poetica, weetje.Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigencrinis purpureusheel handig omgesmeed in ’n schild dat door Scylla geroofd wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk?...hangt Nisus’ kroon en leven!”—Qu’est-ze qu’elle changte?riep de Paltsgravin.Il barait que zela zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite est attivée d’une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié, quelle langue! Za m’égorssche les oreiglles!Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... opSint Helena!Wouter luisterde als ’n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te vreemd om niet z’n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z’n wangen rustten op beide vuisten, en z’n elbogen op de leuning der bank vóór hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla’s tocht in ’t kamp van Koning Minos.Een schild in-plaats van ’t haartje? Dacht hy. Wie weet of niet de dichter, als-i toch aan ’t verzinnen gaat, ook iets zegt van onechte zoons, en van het terugkeeren op ’t pad der deugd, dat de menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om het terugkeeren mogelyk te maken.Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m’n handen in onschuld.
Femke,nogeensFemke,en—na ’n roerende complainte over den dood van twee geniën—weerFemke!Alles opgeluisterd met teleologische opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere menschelyke zwakheden.Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken weg Holsma’s koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te beroepen op m’n volslagen gebrek aan lokaal-memorie—er is geen stad, vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet—ga ik gebukt onder ’n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche beroemdheid.Holsma’s koetsier gaf blyk van ’n begaafdheid die we haast voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z’n paard. Het stomme dier—even als ik toch maar in Holland geboren—bleef met buitenlandsche scherpzinnigheid staan op ’t juiste oogenblik om de keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet zonder angst schoof ze Wouter’s knieën voorby, en achtte zich gelukkig dat-i haar niet ’n beet meegaf tot afscheid.Wouter scheen te meenen dat nu ’t oogenblik was aangebroken om wat inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke mededeeling. Toen de jongen ’n verward verhaal begon van z’n ontmoetingen, viel hy hem in de rede:—En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan?—Ja, m’nheer... overmorgen!—Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze moeten je veel laten werken! Dat ’s heel nuttig voor ’n jongen als jy...En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat byzonders:...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning.Alle jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen!Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de dokter bezig-was hem ’n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy, dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist te meenen dat Holsma hem die geven kon, was ’t hem reeds ’n ontlasting geweest iets te mogen verhalen van z’n wedervaren, al wist-i dan nog niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z’n deugd zou overspringen, wat toch z’n ridderlyk plan was.Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z’n relaas af, door by de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen:—Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds in. Hoofdzaak voor ’n jong mensch—en voor oude menschen ook!—is dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag...Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt gestroomd zyn, en daar...Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist worden. Lezer, bedenk eens...Neen, neen, ’t was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en ’t venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige gevolgen...Alweer niet waar! De heele zaak was—dùs of zóó afloopend—van weinig beteekenis.Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de beoefening van de beteekenisleer deropdatten, ’n allermoeielykst vak is.Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door ’n dekkleed van ys, zegt zeker “Natuurkundig Schoolboek” zouden ze... bevriezen. Ziedaar, voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek derteleologie!—Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by ’t uitstappen.—O, zeker, m’nheer!—Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand hangt. Bekyk maar alles op je gemak...De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling z’n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen worden. Dààrom die verwyzing naar de zykamer.Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding.En zelfs was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden, die de anderen ternauwernood onderscheidt. By “één heer met één hond en één haas” zag-i ’n heer met ’n hond en ’n haas. Toch zou juist hy beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen “heer” ’n geschiedenis toetedichten, en ’t stuk overteschilderen met de kleuren van z’n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft hem ’n vrouweportret... ’n koningin, of ’n fee, of ’n toovergodin, of ’n burgemeestersdochter, of ’n dame uit ’n boek...’t Was Femke!Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy ’n diadeem van glinsterende steenen, neen... ’n straalkrans, neen... ’t was ’n kroon van sterren, of...—Vader en moeder laten je roepen. ’t Eten staat op tafel! Heb je geen pyn van je val?Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z’n fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z’n olympische toorn was òp! Hy antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus...—Zóó? Niet gereden? Niet op ’n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in ’t koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman, jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje?Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als ’n hapje suiker.—Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m’n moeder!—Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt altyd alles terecht. Kom maar mee...Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, bracht haar terug voor ’t portret in de zykamer, en vroeg:—Sietske, zeg me, wie is dat?—Wel, ’n over- over- over-grootmoeder van ons.—Maar ’t lykt op...—Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op elkaar. Als Herman ’n amelander kap opzet, kan je ’m niet van Fem onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten.En, hem by de hand nemende, trok ze ’m de gang door, de trap op, en de eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z’n gemak te zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan ’t denkbeeld dat hy ’t onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde dat Wouter de gelykenis vandat oude portret met Femke had opgemerkt, zei Holsma nuchter:—Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi niet. Dat scheelt veel!Hu, ’n drogedouche!Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy meende alleen dat er gebrek aan... ’t hoogste moest bestaan in alles wat niet op haar geleek. En dat “hoogste” openbaarde zich... in haar trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan die trekken vastknoopte. Toen-i op z’n laatst examen die moeielyke “som” zoo korrekt oploste, was ’t Femke of iets van Femke, dat hem aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had:zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z’n denkvermogen in den weg gezeten, als ’n zandkorl de radertjes van ’n fyn uurwerk. Z’n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem—hem die onder aanroeping van Femke’s naam, de eerste was gewordem op Pennewip’s school—iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens ’n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders oordeelen over Femke’s “mooiheid.” Heerlyk schoon wàs ’t portret, o zeker! Maar lag niet juist hierin ’n reden om precies op háár te gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo’n ding zoud-i immers ook háár opzetten, zoodra hy...Ja, wanneer?Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of ’n heel firmament haar beter kleedde dan de noordhollandsche kap?Maar al deze overleggingen—nu-en-dan afgebroken door: “wil je wat saus, Wouter?” of: “houd je van sjalotten by je vleesch?”—betraden de wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in ’t celletje waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten...—Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma.Och, juist was-i bezig met ’n sterk gekruid: “ze heeft mybroedergenoemd!” En—zonderling niet, maar toch verrassend voor hem!—op-eens vond-i dat het woord: “broedèr” beter paste by diademen en sterrenkransen, dan by ’n hoofdtooisel dat gedragen wordt door melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by ’n... dame met eelt in de handen. Want dàt had Femke endamewas ze toch: dezyne! Ach, had ze maar liever:broergezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in de zykamer de hand uitstrekken... als ’n portret de hand uitstrekken kòn. Kyk, zóó:En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i ’n schotel scheen aantewyzen.—Sla? vroeg Sietske.De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaaktdoor ’n paar eenvoudige woorden van de moeder, over ’t weêr, inverband met het voorgenomen uitgaan van dien avend.—’t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen en prinsen zien. ’t Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je wilt immers wel mee, mannetje?’t Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in ’n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van ’n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst ’n meisje verleidt. “Zóó noemt men zulks” had Stoffel gezegd, en Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet zonder toejuiching van z’n eigen deugd. Want—dáár ging hem ’n licht op!—hyhad zich met juffrouw Laps niet gedragen als ’n slechte baron, volstrekt niet! Hy was gebleven op ’t pad der deugd... zoo noemt men zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm!Hem, en dien zevenklapper zeker!—We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma, en dozynen kandidaten, die misschien nooit...Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande dominees. Hy gaf halfluid z’n bevreemding te kennen, dat zulke personen de komedie bezochten...—Wel neen, zei Sietske, ’n kandidaat is iemand die... wat worden wil. Koning, by-voorbeeld.Wouter voelde zich allerkandidaatst.Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z’nAntiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over z’n gebrek aan kennis. Dit leidde z’n gedachten op den verloopen schooltyd—hy had toch waarlyk z’n best gedaan!—op z’n huis, op z’n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de verstoordheid van z’n moeder over z’n lang uitblyven. Holsma beloofde hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor ’t vertrek naar de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen hadden dit aldus bepaald om de warmte.Na Holsma’s vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang inboezemde, omdat Femke’s naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen ’t gezin dat hem zoo aanzienlyk was voorgekomen, en ’t betrekkelyk arme bleekmeisje, allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan ’t spelen was. “Erik?” dacht Wouter.—Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook wasze van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by ’t bedje van den kleinen jongen.—Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te lang aan-tafel zitten.—De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze is ’n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama?—Ieder moet handelen naar z’n overtuiging, en mag handelen naar z’n smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets te dwingen.—Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie.—Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. ’t Blyft nog altyd de vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar ’t moet wel!Wouter bespeurde dat er ’n byzondere reden bestond, waarom de moeder “anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had” ditmaal de familie vergezellen zou naar ’tLeidsche-Plein. Slechts ’n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje zou dan met hem terugkomen. “Als ze wil” werd er telkens by gezegd, alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden.—Ik noem ’t koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon aantrekken, en met ons op-en-neer gaan...—Ja, antwoordde de moeder, ’n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat is er aan te doen?—Koppigheid!—Dat ’s de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in, dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van stand verwisselde.—En met tante Siet! riep Herman.Dat is zeker ’tStakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En: “’n zonderlinge familie!” dacht-i er by.—Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren...Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten zyn, en hoe men zoo’n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden was-i zoo-even gestruikeld....als onze Fem dat gewild had—of liever, als haar moeder ’t gewild had toen Femke nog ’n kind was—dan hadden we daarmee heel vroeg moeten beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit ’r handen hebben gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart, om te betreuren dat ze maar ’n bleekmeisjen is.—Ze is...intenstrotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i dit mooieadverbiumeens terdege plaatsen kon.—Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotschom iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met ’n prinses...Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin, keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy vond het onderscheid...intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al geregeld waren naar z’n zin, dan ... nu ja, dàn mocht prinses Femke van pozitie ruilen met ’n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde om stand?Zoo liet hy zich foppen door z’n nog altyd kinderachtigen en dus zeer onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z’n liefde: zoogenaamd. Hy moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop voorbygaande aandoeningen hem voor ’n oogenblik plaatsten.—En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend?—Ja delogeis... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie zakt van-avend naar ’tparterreaf, en misschien zelfs de burgemeester.—Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden...—Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de keizerlyke loge...—Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... denFloris! En Z. M. kan er uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten...—En van Volkeren!—En van dichters!—En dat men nooit ’n souverein vermoorden mag!—Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst voor koningen en keizers.—Als-i de zaak maar goed vat!—We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor ’n duidelyke fransche vertaling!—Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met ’n knikje.—Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen.—Zeker! “Sire, pas-op, dat gaat jou aan!” En dan moet de Keizer zich houden alsof hy wat van ’t stuk verstaat. Wat ’n treurigmétier!—Wat moet-i wel denken van onze dichters!—En van onze vaderlandsliefde!—En van ons karakter!—Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat niet kruipt, komt niet tòt hen.—’t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar aftemeten.—Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk ’n heele kerel is!—Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid!En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van ’n romeinschen keizer die ’t menschelyk geslacht één kop toewenschte, om het te kunnen onthoofden met één slag...—’t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste woorden gehoord had. Maar alsboutadeis zoo’n uiting begrypelyk. De tyd nadert dat de Volkeren ’n gelyk lot zullen toewenschen aan de souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand.—Gaat deFlorisdoor?—Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op deScyllavan Rotgans, met ’nKloris en Roosjenachterna. Men zal hun vertellen dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche “school.” Dus zal ’t wel goed wezen! En... deKloris? Wel, dat’s ’nidylle! ’n Arkadisch-laaglandschebergerie! Virgilius in ’t amsterdamsch vertaald!O, Meliboee, deus nobis haec...Eklogemet kuitgespenfecit!1In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we ’nharangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat, inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me, jongens, die Caligula was zoo gek niet!Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i weer veel nieuws hoorde. En...Scylla. Zou dat ’n onechte dochter wezen? Of was ’t misschien de naam van de oude vrouw die in den achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van ’n schatryken baron werd teruggebracht op ’t pad der deugd? Zoo noemt men zulks.Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z’n bezoek by de Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar ’t gebouw waar “der kunsten god” in die dagen werd aangebeden met—zeer amsterdamsche—geestdrift. Het was ’n waar Apollo’s-welvaren, en dit is nòg zoo.Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z’n moeder “geheel in orde” was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan ’t hem wachtend genot. De hoogst-onechteScylla... in de komedie zitten ... morgen zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde zaken bywonen—heel wat ànders nog dan artisjokken!—en ... nu ja, al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte onechtheid vanScyllableef hem ’t voornaamste.Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z’n nabyheid te zien?Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by ’t instygen in een der rytuigen had hooren mompelen:—Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank erhartelyk voor, door studenten te worden gezien naast ’n boeredeern. Als ik groen word in September, zouden zy ’t me inpeperen, dat is zeker!Wouter begreep noch dat “groen-worden” noch de daarby behoorende “peper.” Maar ... boeredeern?Hy wierp ’t met z’n geweten op ’n akkoordje, door zich zoowel van vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen naarScylla’sonechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z’n gemoed.Helaas! Het was voor ’t meisjen in Vrouw Gooremest’s kroeg wel de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als ’n koningin, om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wàt eigenlyk? Femke’s kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan ’n parysche modiste verzinnen kan... maar dit was ’t geval niet. En hierin lag dan ook geenszins de reden van Willem’s nuffigheid. Femke’s schuld was zwaarder dan dit. Ze zag er uit als ’n meisje dat met haar handen den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou!En—heel in ’t voorbygaan, willen wy hopen—Wouter voelde zich aangestoken door die kinderachtigheid. ’t Was jammer, ’t was verdrietig, ’t was kleingeestig enondichterlyk, maar—o, Caligula!—we zyn zoo! En wie ieder ’t hoofd wou afslaan, die zich ooit schuldig maakte aan zoo’n... menschelykheid, zou veel te doen hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken, vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn.1= O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt.
Femke,nogeensFemke,en—na ’n roerende complainte over den dood van twee geniën—weerFemke!Alles opgeluisterd met teleologische opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere menschelyke zwakheden.
Femke,nogeensFemke,en—na ’n roerende complainte over den dood van twee geniën—weerFemke!Alles opgeluisterd met teleologische opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere menschelyke zwakheden.
Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken weg Holsma’s koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te beroepen op m’n volslagen gebrek aan lokaal-memorie—er is geen stad, vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet—ga ik gebukt onder ’n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche beroemdheid.
Holsma’s koetsier gaf blyk van ’n begaafdheid die we haast voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z’n paard. Het stomme dier—even als ik toch maar in Holland geboren—bleef met buitenlandsche scherpzinnigheid staan op ’t juiste oogenblik om de keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet zonder angst schoof ze Wouter’s knieën voorby, en achtte zich gelukkig dat-i haar niet ’n beet meegaf tot afscheid.
Wouter scheen te meenen dat nu ’t oogenblik was aangebroken om wat inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke mededeeling. Toen de jongen ’n verward verhaal begon van z’n ontmoetingen, viel hy hem in de rede:
—En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan?
—Ja, m’nheer... overmorgen!
—Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze moeten je veel laten werken! Dat ’s heel nuttig voor ’n jongen als jy...
En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat byzonders:
...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning.Alle jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen!
Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de dokter bezig-was hem ’n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy, dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist te meenen dat Holsma hem die geven kon, was ’t hem reeds ’n ontlasting geweest iets te mogen verhalen van z’n wedervaren, al wist-i dan nog niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z’n deugd zou overspringen, wat toch z’n ridderlyk plan was.
Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z’n relaas af, door by de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen:
—Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds in. Hoofdzaak voor ’n jong mensch—en voor oude menschen ook!—is dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag...
Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt gestroomd zyn, en daar...
Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist worden. Lezer, bedenk eens...
Neen, neen, ’t was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en ’t venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige gevolgen...
Alweer niet waar! De heele zaak was—dùs of zóó afloopend—van weinig beteekenis.
Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de beoefening van de beteekenisleer deropdatten, ’n allermoeielykst vak is.
Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door ’n dekkleed van ys, zegt zeker “Natuurkundig Schoolboek” zouden ze... bevriezen. Ziedaar, voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek derteleologie!
—Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by ’t uitstappen.
—O, zeker, m’nheer!
—Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand hangt. Bekyk maar alles op je gemak...
De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling z’n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen worden. Dààrom die verwyzing naar de zykamer.
Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding.En zelfs was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden, die de anderen ternauwernood onderscheidt. By “één heer met één hond en één haas” zag-i ’n heer met ’n hond en ’n haas. Toch zou juist hy beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen “heer” ’n geschiedenis toetedichten, en ’t stuk overteschilderen met de kleuren van z’n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft hem ’n vrouweportret... ’n koningin, of ’n fee, of ’n toovergodin, of ’n burgemeestersdochter, of ’n dame uit ’n boek...
’t Was Femke!
Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy ’n diadeem van glinsterende steenen, neen... ’n straalkrans, neen... ’t was ’n kroon van sterren, of...
—Vader en moeder laten je roepen. ’t Eten staat op tafel! Heb je geen pyn van je val?
Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z’n fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z’n olympische toorn was òp! Hy antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus...
—Zóó? Niet gereden? Niet op ’n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in ’t koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman, jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje?
Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als ’n hapje suiker.
—Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m’n moeder!
—Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt altyd alles terecht. Kom maar mee...
Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, bracht haar terug voor ’t portret in de zykamer, en vroeg:
—Sietske, zeg me, wie is dat?
—Wel, ’n over- over- over-grootmoeder van ons.
—Maar ’t lykt op...
—Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op elkaar. Als Herman ’n amelander kap opzet, kan je ’m niet van Fem onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten.
En, hem by de hand nemende, trok ze ’m de gang door, de trap op, en de eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z’n gemak te zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan ’t denkbeeld dat hy ’t onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde dat Wouter de gelykenis vandat oude portret met Femke had opgemerkt, zei Holsma nuchter:
—Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi niet. Dat scheelt veel!
Hu, ’n drogedouche!
Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy meende alleen dat er gebrek aan... ’t hoogste moest bestaan in alles wat niet op haar geleek. En dat “hoogste” openbaarde zich... in haar trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan die trekken vastknoopte. Toen-i op z’n laatst examen die moeielyke “som” zoo korrekt oploste, was ’t Femke of iets van Femke, dat hem aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had:zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z’n denkvermogen in den weg gezeten, als ’n zandkorl de radertjes van ’n fyn uurwerk. Z’n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem—hem die onder aanroeping van Femke’s naam, de eerste was gewordem op Pennewip’s school—iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens ’n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders oordeelen over Femke’s “mooiheid.” Heerlyk schoon wàs ’t portret, o zeker! Maar lag niet juist hierin ’n reden om precies op háár te gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo’n ding zoud-i immers ook háár opzetten, zoodra hy...
Ja, wanneer?
Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of ’n heel firmament haar beter kleedde dan de noordhollandsche kap?
Maar al deze overleggingen—nu-en-dan afgebroken door: “wil je wat saus, Wouter?” of: “houd je van sjalotten by je vleesch?”—betraden de wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in ’t celletje waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten...
—Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma.
Och, juist was-i bezig met ’n sterk gekruid: “ze heeft mybroedergenoemd!” En—zonderling niet, maar toch verrassend voor hem!—op-eens vond-i dat het woord: “broedèr” beter paste by diademen en sterrenkransen, dan by ’n hoofdtooisel dat gedragen wordt door melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by ’n... dame met eelt in de handen. Want dàt had Femke endamewas ze toch: dezyne! Ach, had ze maar liever:broergezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in de zykamer de hand uitstrekken... als ’n portret de hand uitstrekken kòn. Kyk, zóó:
En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i ’n schotel scheen aantewyzen.
—Sla? vroeg Sietske.
De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaaktdoor ’n paar eenvoudige woorden van de moeder, over ’t weêr, inverband met het voorgenomen uitgaan van dien avend.
—’t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen en prinsen zien. ’t Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je wilt immers wel mee, mannetje?
’t Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in ’n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van ’n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst ’n meisje verleidt. “Zóó noemt men zulks” had Stoffel gezegd, en Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet zonder toejuiching van z’n eigen deugd. Want—dáár ging hem ’n licht op!—hyhad zich met juffrouw Laps niet gedragen als ’n slechte baron, volstrekt niet! Hy was gebleven op ’t pad der deugd... zoo noemt men zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm!
Hem, en dien zevenklapper zeker!
—We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma, en dozynen kandidaten, die misschien nooit...
Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande dominees. Hy gaf halfluid z’n bevreemding te kennen, dat zulke personen de komedie bezochten...
—Wel neen, zei Sietske, ’n kandidaat is iemand die... wat worden wil. Koning, by-voorbeeld.
Wouter voelde zich allerkandidaatst.
Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z’nAntiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over z’n gebrek aan kennis. Dit leidde z’n gedachten op den verloopen schooltyd—hy had toch waarlyk z’n best gedaan!—op z’n huis, op z’n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de verstoordheid van z’n moeder over z’n lang uitblyven. Holsma beloofde hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor ’t vertrek naar de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen hadden dit aldus bepaald om de warmte.
Na Holsma’s vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang inboezemde, omdat Femke’s naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen ’t gezin dat hem zoo aanzienlyk was voorgekomen, en ’t betrekkelyk arme bleekmeisje, allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan ’t spelen was. “Erik?” dacht Wouter.
—Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook wasze van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by ’t bedje van den kleinen jongen.
—Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te lang aan-tafel zitten.
—De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze is ’n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama?
—Ieder moet handelen naar z’n overtuiging, en mag handelen naar z’n smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets te dwingen.
—Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie.
—Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. ’t Blyft nog altyd de vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar ’t moet wel!
Wouter bespeurde dat er ’n byzondere reden bestond, waarom de moeder “anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had” ditmaal de familie vergezellen zou naar ’tLeidsche-Plein. Slechts ’n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje zou dan met hem terugkomen. “Als ze wil” werd er telkens by gezegd, alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden.
—Ik noem ’t koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon aantrekken, en met ons op-en-neer gaan...
—Ja, antwoordde de moeder, ’n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat is er aan te doen?
—Koppigheid!
—Dat ’s de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in, dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van stand verwisselde.
—En met tante Siet! riep Herman.
Dat is zeker ’tStakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En: “’n zonderlinge familie!” dacht-i er by.
—Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren...
Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten zyn, en hoe men zoo’n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden was-i zoo-even gestruikeld.
...als onze Fem dat gewild had—of liever, als haar moeder ’t gewild had toen Femke nog ’n kind was—dan hadden we daarmee heel vroeg moeten beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit ’r handen hebben gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart, om te betreuren dat ze maar ’n bleekmeisjen is.
—Ze is...intenstrotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i dit mooieadverbiumeens terdege plaatsen kon.
—Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotschom iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met ’n prinses...
Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin, keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy vond het onderscheid...intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al geregeld waren naar z’n zin, dan ... nu ja, dàn mocht prinses Femke van pozitie ruilen met ’n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde om stand?
Zoo liet hy zich foppen door z’n nog altyd kinderachtigen en dus zeer onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z’n liefde: zoogenaamd. Hy moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop voorbygaande aandoeningen hem voor ’n oogenblik plaatsten.
—En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend?
—Ja delogeis... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie zakt van-avend naar ’tparterreaf, en misschien zelfs de burgemeester.
—Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden...
—Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de keizerlyke loge...
—Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... denFloris! En Z. M. kan er uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten...
—En van Volkeren!
—En van dichters!
—En dat men nooit ’n souverein vermoorden mag!
—Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst voor koningen en keizers.
—Als-i de zaak maar goed vat!
—We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor ’n duidelyke fransche vertaling!
—Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met ’n knikje.
—Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen.
—Zeker! “Sire, pas-op, dat gaat jou aan!” En dan moet de Keizer zich houden alsof hy wat van ’t stuk verstaat. Wat ’n treurigmétier!
—Wat moet-i wel denken van onze dichters!
—En van onze vaderlandsliefde!
—En van ons karakter!
—Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat niet kruipt, komt niet tòt hen.
—’t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar aftemeten.
—Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk ’n heele kerel is!
—Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid!
En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van ’n romeinschen keizer die ’t menschelyk geslacht één kop toewenschte, om het te kunnen onthoofden met één slag...
—’t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste woorden gehoord had. Maar alsboutadeis zoo’n uiting begrypelyk. De tyd nadert dat de Volkeren ’n gelyk lot zullen toewenschen aan de souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand.
—Gaat deFlorisdoor?
—Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op deScyllavan Rotgans, met ’nKloris en Roosjenachterna. Men zal hun vertellen dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche “school.” Dus zal ’t wel goed wezen! En... deKloris? Wel, dat’s ’nidylle! ’n Arkadisch-laaglandschebergerie! Virgilius in ’t amsterdamsch vertaald!O, Meliboee, deus nobis haec...Eklogemet kuitgespenfecit!1In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we ’nharangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat, inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me, jongens, die Caligula was zoo gek niet!
Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i weer veel nieuws hoorde. En...Scylla. Zou dat ’n onechte dochter wezen? Of was ’t misschien de naam van de oude vrouw die in den achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van ’n schatryken baron werd teruggebracht op ’t pad der deugd? Zoo noemt men zulks.
Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z’n bezoek by de Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar ’t gebouw waar “der kunsten god” in die dagen werd aangebeden met—zeer amsterdamsche—geestdrift. Het was ’n waar Apollo’s-welvaren, en dit is nòg zoo.
Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z’n moeder “geheel in orde” was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan ’t hem wachtend genot. De hoogst-onechteScylla... in de komedie zitten ... morgen zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde zaken bywonen—heel wat ànders nog dan artisjokken!—en ... nu ja, al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte onechtheid vanScyllableef hem ’t voornaamste.
Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z’n nabyheid te zien?
Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by ’t instygen in een der rytuigen had hooren mompelen:
—Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank erhartelyk voor, door studenten te worden gezien naast ’n boeredeern. Als ik groen word in September, zouden zy ’t me inpeperen, dat is zeker!
Wouter begreep noch dat “groen-worden” noch de daarby behoorende “peper.” Maar ... boeredeern?
Hy wierp ’t met z’n geweten op ’n akkoordje, door zich zoowel van vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen naarScylla’sonechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z’n gemoed.
Helaas! Het was voor ’t meisjen in Vrouw Gooremest’s kroeg wel de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als ’n koningin, om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wàt eigenlyk? Femke’s kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan ’n parysche modiste verzinnen kan... maar dit was ’t geval niet. En hierin lag dan ook geenszins de reden van Willem’s nuffigheid. Femke’s schuld was zwaarder dan dit. Ze zag er uit als ’n meisje dat met haar handen den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou!
En—heel in ’t voorbygaan, willen wy hopen—Wouter voelde zich aangestoken door die kinderachtigheid. ’t Was jammer, ’t was verdrietig, ’t was kleingeestig enondichterlyk, maar—o, Caligula!—we zyn zoo! En wie ieder ’t hoofd wou afslaan, die zich ooit schuldig maakte aan zoo’n... menschelykheid, zou veel te doen hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken, vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn.
1= O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt.
1= O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt.
Tekstverklaring vanOvidius,doorWillem Holsma. IdemdoorRotgansen den auteur. Konflikt op ’t Leidsche-Plein tusschen twee potentaten:Napoleon I,enMinosvan Kreta.Verdienste van ’t succes met geestdrift aangebeên,Kweekt in ’t armzalig koor, laaghartigheid alleen.Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door het leveren eener toelichting van ’t stuk dat men straks zou te zien krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: “omdat verzen zoo moeielyk te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft willen zeggen.” Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de “taal der goden”—er ligt ’nRotgansin kwarto voor me—kostbaar te noemen.Maar ook de pedante Willem kendeScyllaniet anders dan uit z’n Ovidius—zonder onzenVecht-zwaan zou ik ’t mensch in ’t geheel niet kennen—en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z’n relaas optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, omdat men door ’t hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn sprak. Ziehier iets van z’n verhaal... vry overgezet.Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor medeplichtig hield aan den moord op z’n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met z’n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op ’n stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den vyand gelegenheid ook van zyn kant ’n vesting te belegeren, waaruit de heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard gebleven. Slechts enkele botterikken—Napoleon I, byv.—hielden zich niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven zich in zoo’n geval—behoudens krygseer natuurlyk—ongedeerd over, zonder andere heldendaden te hebben verricht dan ’t beredeneeren der mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... àls ze belegerd waren geworden.De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was met-een ’n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd door zekeren Nisus, ’n allerbraafst man die aan den dood van Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou Minos—vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de Onderwereld—billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor Alkathoë. Maar men is niet volmaakt.Koning Nisus was in ’t bezit van twee byzonderheden. Hy had ’n indelikate dochter—deScyllavan ’t stuk—en ’n purperen haartjen op z’n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft er vryheid toe. Ook is ’t geoorloofd zich den man voortestellen als prykende met ’n dikken haarbos van gewone kleur—spierwit kleedt antieke koningen het best—mits slechts dat eene haartje ... kortom ’t was ’n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen van koning Nisus—volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf meegerekend, drie dozyn—zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch op dat haartje, meer dan trotsch: ’t was ’n waarborg voor welvaart, ’n pand van de welwillendheid der goden, ’npalladium. Iets als onze Kieswet alzoo.Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat ’n purperen Kieswet, als dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon ... maar laat ons Willem’s verhaal niet vooruit loopen.Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een flinke schildwacht op de kruin van z’n hoofd, moest voldoende geweest zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo’s, krygsliederen en naaldgeweren. Als ik ’n heidensche god was geweest, zou ik dit wantrouwen in de kracht van m’n bescherming heel kwalyk genomen hebben, en ik had ieder in den steek gelaten, die my ’t werk uit de hand nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige vruchten gedragen. In alle landen waar men door ’n waar Geloof ’t recht verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en de begrooting van “Oorlog” begrepen in ’t budget van “Eeredienst.” Dit is zuinig en rationeel. Maar Nisus was ’n heiden, en had dus verkeerde begrippen over ’t gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele stumpert zette z’n heele leger achter de wallen van z’n ... Ryk, om zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers.De ondeugendeScyllanu was niet afkeerig vandas Militär, en wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z’n eerbiedwaardige ouderdom, z’n gebukte houding, z’n lange gryze baard, en misschien ook z’n aanstaande verheffing in de onderwereld—onzeScyllakende haar mythologie op ’r duimpje!—dit alles was wel in-staat het hart van ’n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen, als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen.Zielkundig gesproken, er bestond voorScyllanòg ’n reden om den ouden Minos byzonder interessant te vinden. Venus’ dartel wicht heeft veel koorden op z’n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe.Met ’n heelen stoet soldaten—men telde in dien tyd duizend krygslieden op één onderdaan: ’n byzonderheid die ’t regelen van de konskriptie tot ’n moeilyk vak maakte!—met ’n groot leger dan, was de man van heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens alle regels van de kunst, en ’t was háár bekend dat-i het strand ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos!Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z’n oorlogsverklaring nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot ’n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met’n minister die op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van Nisus aan Androgeos’ dood, weten te verydelen. Decasus bellidie hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z’n ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragenwaarom? Zoo-iets zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden dat deres publicabeheerd werd door zulk soort van ministers.Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren, werkteScylla’sal te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy, zou ik den man niet beminnen, die op z’n ouden dag zóó’n minister te torschen heeft? En zonder Parlement nogal!Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid ’n ware deugd was. Zoo waren de meisjes in die dagen.Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die ’t gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de ontvlambaarheid van ’t vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop hy, redelyk scherpzinnig voor ’n heiden—Ovidius was Hollander noch Christen—z’n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf, dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door ’n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van ’n pyl uit den boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou heden-ten-dage kans zien ’t hart van ’n maagd te treffen op meer danchassepot-afstand?Aan ’n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, en plukt hem—heu facinus: o gruwel ... ja, ’t wàs gemeen!—dat ééne kostbare haartjen uit, enprogressa porta per medios hostes, komt ze by Minos aan:pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje.Vorst Minos was ’nkreuzbraver Kerldie o.a. zelf kinderen had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z’n eigen haren, en aan ’t malle figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid.Misschien ook vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy,principiis obsta: hy noemde haar kort en goed ’n monster, en gebood...—Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat ’n drukte! Ik wou dat ik al weer goed en wel thuis zat by m’n kleinen Erik!Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar ’t uittrekken van dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het purper was?—’t Staat er zoo,kind!Crinis purpureus.Stap uit, en hou je jurk wat by-een, om ’t wagensmeer...puelletje!De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in ’t parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen.Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoodeKomedie, de ware!Hy verslikte z’n teleurstelling over de blykbaar echte geboorte van Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z’n gedachten wiegden zich op ’t gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar heen. Men verschikte z’n kleeren. Men vertelde ’t nieuwste nieuws van ’t hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie ’t eerst zou komen, wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men berekende waar de prinsen zouden zitten—die ééne ook, wiens vader herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde—en wat de hooge heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om ’n stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen, en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat het gekozen was...—Rotgans is ’n eerste dichter!—Hm! Eigenlyk ’n tweede of ... derde!Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in ’t verzenmakersgild, is dit alles zoowat hetzelfde.—Hy is maar ’n dichter van den zevenden rang, zei ’n ander.—Waarom dan ’n stuk van hèm? We hebben toch ànderen, mannen die ... klinken als klokken!—Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, ’n ware feniks!—Waarom dan Rotgans?—Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen laten spelen wat we willen.—’t Is jammer van denFloris...—Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn.—Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren.Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze Bilderdyk is ’n vaderlander...—Van belang!—’n Hollander in z’n hart!—’n Echte!—Zeker heeft-i in z’n stuk die vreemde kerels...—Sjt!... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander!—Neen, dat doet geen Hollander ... nooit!—Sjt!Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens wel behoorlyk op de fauteuils lagen.—Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor ’n lakei, voor ’n mostertjongen!Aldus spraken sommigen, die toch precies ’tzelfde hadden gedaan als de ons reeds eenigszins bekende zondebok:Ze, en Wouter werd hier weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de “massa”. Ook maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen indruk en uiting. “Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de wereld?” Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote koopluî ... misschien wel m’nheer Kopperlith in eigen persoon. Met eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door ’t plaats-nemen van nieuw aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet.—Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans?—Z’nBoerenkermisis heel aardig.—Man, hoe kan je ’t zeggen! ’t Is ’n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene woorden.—Nu ja, maar ... aardig toch!—Dat weet ik niet. Ik heb ’t nooit gelezen, omdat het zoo gemeen is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig is...—Och, wat geeft zoo’n Keizer daarom?—Ik begryp heel goed waarom ze van-avend ’n stuk van Rotgans spelen. Hy droeg altyd z’n stukken op aan een van de Huydekopers. Dàt is de zaak!—Hy was van de familie.—Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer ’t stuk mooi vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die...Scylla, of hoe heet de man?—die Scylla is ’n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen.—Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met ’n man die komedies maakt?—Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders!—Bovendien, Rotgans was zoo’n minne man niet. Hy had ’n buitenplaats aan de Vecht.—Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen.—De hoofdzaak komt neer...Weer ’n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit ’nsurprise-doosje. En alles—op de zwygende Holsma’s na—schimpte weer op de verdoemelyke karakterloosheid van “ze”....de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zegikmaar!—Daarin zal dezen keer ’n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar ik hoor.—Ja... echt-vaderlandsch! ’t Moet heel mooi zyn. De prefekt van policie heeft ’t zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven zou voor ’n prul?—Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister heeft er eigenhandig op geschreven:approuvé!—’t Is toch maar altyd ’n zékere waarheid, dat ze-n-in ’t buitenland eerbied hebben voor onze letterkunde.—O ja, en voor ons karakter!—Er is geen beter volkskarakter dan ’t hollandsche.—En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal.—Dat zegt dePréfet de Policeook. Hy laat alles vertalen wat er uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ...—Nu ja, en ’t karakter!—Zeker, ’t karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die van Racine, en dat ’s juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de maat vanThomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen...—Hm! Bellamy’sRoosjedan?—Ja, en z’n:Schoone maan, zeg, ziet gy heden...—En z’n:’t Was nacht toen u uw moeder baarde...—Mooi, hoor!—En z’n:Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den Engelschman te bestryden. Dat’s óók geen gekheid!—En z’n toespraak:Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in, hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt:Indien ik ooit ontaardeVan Vaderlandsche fierheid,Dan moet gy, waardste Fillis...Weer kwam ’n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die byzonder graag op ’r gemak zat. Als door ’n veer bewogen, stond het heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ...—Och, ’t is weer zoo’n doodeter. ’k Wou dat de vent...En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korteverzen waarin echt-vaderlandsche “pit” zat, liet zich niet van z’n stuk brengen:Indien ik ooit ontaarde,Dan moet gy my verachten,Dan moet gy my vervloeken!—Dat’s táál, hè?—Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd percent deftiger, dunkt me.Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende—’n foppery die telkens op ’n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan kwam—waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht, zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan.Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke ontleding van z’n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem overstelpten, de aandoeningen van ’n oogenblik te-voren. Hy was er duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het zyne by tot verdooving van z’n begrip. Zoo-even in ’t rytuig nog, had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem’s vertellinkje, en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt, of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op ’t lang gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen ’t later schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op ’n palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst deed als afstandwyzer van germaans-romeinschecastra, vervolgens ’n spikspelder nieuw systeem van—nogal oude—wysbegeerte op z’n rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd,gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe—en scheikunde—om al dat overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu, gelyk hier ’t behandeld palimpsest, zelf ’n mensch is... ’ncodex, zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift...Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen, òf erger. De Holsma’s waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts hoorde hy Oom Sybrand die naar ’n loge wees, iets zeggen, en ’t kort gesprek dat daaruit voortvloeide:—Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt!—’t Zou me leed doen, als ik m’n kleinen Erik had alleen gelaten voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.—Nu, Femke is vertrouwd!—O ja! Maar ’t drukt me dat ik hier zit, terwyl m’n kind ziek is. Lang wacht ik niet op haar...—’t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoordezeggen dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort ze zich niet. Dat schynt in ’t bloed te zitten.—Als ze ’r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel ik niet in de zaak...De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal staan ...Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder ’n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden...Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit.Vivat sequens!...hy had daarna ’n oogenblik—één oogenblik maar—in de zaal rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om te zeggen: “’t is wel!” en daarna z’n fauteuil met ’n ruk schuins naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en ’t Publiek kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.Ook de andere loges werden nu als door ’n tooverslag gevuld. Men zag zonderlinge kostumes: de “Wede. Maaskamp en Zonen!” Dames met lyven van drie duim, en ’n schoot van byna zooveel ellen. De boezems zweefden tusschen kin enceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op ’t hoofd droegen de dames tulbanden,toques, bloemtuinen... dáár was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel.De muziek speelde...’t Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den dapperenDunois!Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja, van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...Debout... debout!werd er geroepen. Een der hardste schreeuwerswas de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche “pit” zat. En alles schreeuwde mee:debout!Men moest opstaan voor den:jeune et beau Dunois!Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe:de bénir ses exploits, toen er met ’n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer zat. De Holsma’s recht naar-boven ziende, werden slechts ’n stuk van den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg...De maat? ’t Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de maat! Ieder die in ’t parterre zat, kon aan de angstige blikken die uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen, duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden, zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord van haarjoujoukrinkelde, en ’t ding bleef levenloos hangen, als ’n geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen!De Keizer stond op, en tokkelde met z’n rol papier als ’n razende.Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie ’t opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en ’tperfide Albion.Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als ’n izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op ’t fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten,aides de camp, schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den roffel ’n oogenblik aftebreken, om met z’n papieren trommelstok naar ’t orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend staan, met z’n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. ’n Plotselinge stilte verving nu ’t geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk ’n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In den engelenbak namelyk—dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers, want alle standen waren ’n graad of tien in waarde gedaald, omdat de markt van rang overvoerd was—in den engelenbak had ’n onverlaat zich de magere voldoening gegund:al is ons prinssiete zingen, wèl bedekt natuurlyk onder de noten van koningin Hortense’s prachtstuk.Waszyde dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan deHistorie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met datums te doen, en trachten slechtsmogelyke indrukkente schetsen, en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze geweest zyn.De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur kommandeerde eindelyk in den angst van z’n hart: “où peut-on être mieux.” De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de muziek toetelichten met de bekende romance van ’n “sleepersknol... op hol” toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. ’t Moest: “veillons au salut de l’empire” wezen! Dacht hy er aan, dat het huiselyke: “waar kan men beter zyn” bewaard moest blyven voor deBeresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is ’t—o bloedig sarkasme!—gespeeld.“Veillons” dus! Weer het knikje: ’t is wèl! en weer liet hy zich vallen in z’n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken by Huisduinen. Toen ’t “Veillons” behoorlyk was afgespeeld, mochten al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank!Het scherm ging op, en ’t woord was aan Rotgans:Ja, Minos, aan ’t geschenk dat ik u heb gegeven,En uit de kerk geschaakt...—Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? ’t Purper haartjen uit de kerk? Ik meende...—Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit beteekent. Misschien ’nlicentia poetica, weetje.Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigencrinis purpureusheel handig omgesmeed in ’n schild dat door Scylla geroofd wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk?...hangt Nisus’ kroon en leven!”—Qu’est-ze qu’elle changte?riep de Paltsgravin.Il barait que zela zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite est attivée d’une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié, quelle langue! Za m’égorssche les oreiglles!Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... opSint Helena!Wouter luisterde als ’n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te vreemd om niet z’n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z’n wangen rustten op beide vuisten, en z’n elbogen op de leuning der bank vóór hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla’s tocht in ’t kamp van Koning Minos.Een schild in-plaats van ’t haartje? Dacht hy. Wie weet of niet de dichter, als-i toch aan ’t verzinnen gaat, ook iets zegt van onechte zoons, en van het terugkeeren op ’t pad der deugd, dat de menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om het terugkeeren mogelyk te maken.Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m’n handen in onschuld.
Tekstverklaring vanOvidius,doorWillem Holsma. IdemdoorRotgansen den auteur. Konflikt op ’t Leidsche-Plein tusschen twee potentaten:Napoleon I,enMinosvan Kreta.
Tekstverklaring vanOvidius,doorWillem Holsma. IdemdoorRotgansen den auteur. Konflikt op ’t Leidsche-Plein tusschen twee potentaten:Napoleon I,enMinosvan Kreta.
Verdienste van ’t succes met geestdrift aangebeên,Kweekt in ’t armzalig koor, laaghartigheid alleen.
Verdienste van ’t succes met geestdrift aangebeên,Kweekt in ’t armzalig koor, laaghartigheid alleen.
Verdienste van ’t succes met geestdrift aangebeên,
Kweekt in ’t armzalig koor, laaghartigheid alleen.
Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door het leveren eener toelichting van ’t stuk dat men straks zou te zien krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: “omdat verzen zoo moeielyk te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft willen zeggen.” Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de “taal der goden”—er ligt ’nRotgansin kwarto voor me—kostbaar te noemen.
Maar ook de pedante Willem kendeScyllaniet anders dan uit z’n Ovidius—zonder onzenVecht-zwaan zou ik ’t mensch in ’t geheel niet kennen—en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z’n relaas optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, omdat men door ’t hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn sprak. Ziehier iets van z’n verhaal... vry overgezet.
Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor medeplichtig hield aan den moord op z’n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met z’n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op ’n stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den vyand gelegenheid ook van zyn kant ’n vesting te belegeren, waaruit de heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard gebleven. Slechts enkele botterikken—Napoleon I, byv.—hielden zich niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven zich in zoo’n geval—behoudens krygseer natuurlyk—ongedeerd over, zonder andere heldendaden te hebben verricht dan ’t beredeneeren der mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... àls ze belegerd waren geworden.
De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was met-een ’n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd door zekeren Nisus, ’n allerbraafst man die aan den dood van Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou Minos—vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de Onderwereld—billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor Alkathoë. Maar men is niet volmaakt.
Koning Nisus was in ’t bezit van twee byzonderheden. Hy had ’n indelikate dochter—deScyllavan ’t stuk—en ’n purperen haartjen op z’n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft er vryheid toe. Ook is ’t geoorloofd zich den man voortestellen als prykende met ’n dikken haarbos van gewone kleur—spierwit kleedt antieke koningen het best—mits slechts dat eene haartje ... kortom ’t was ’n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen van koning Nisus—volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf meegerekend, drie dozyn—zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch op dat haartje, meer dan trotsch: ’t was ’n waarborg voor welvaart, ’n pand van de welwillendheid der goden, ’npalladium. Iets als onze Kieswet alzoo.
Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat ’n purperen Kieswet, als dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon ... maar laat ons Willem’s verhaal niet vooruit loopen.
Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een flinke schildwacht op de kruin van z’n hoofd, moest voldoende geweest zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo’s, krygsliederen en naaldgeweren. Als ik ’n heidensche god was geweest, zou ik dit wantrouwen in de kracht van m’n bescherming heel kwalyk genomen hebben, en ik had ieder in den steek gelaten, die my ’t werk uit de hand nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige vruchten gedragen. In alle landen waar men door ’n waar Geloof ’t recht verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en de begrooting van “Oorlog” begrepen in ’t budget van “Eeredienst.” Dit is zuinig en rationeel. Maar Nisus was ’n heiden, en had dus verkeerde begrippen over ’t gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele stumpert zette z’n heele leger achter de wallen van z’n ... Ryk, om zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers.
De ondeugendeScyllanu was niet afkeerig vandas Militär, en wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z’n eerbiedwaardige ouderdom, z’n gebukte houding, z’n lange gryze baard, en misschien ook z’n aanstaande verheffing in de onderwereld—onzeScyllakende haar mythologie op ’r duimpje!—dit alles was wel in-staat het hart van ’n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen, als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen.
Zielkundig gesproken, er bestond voorScyllanòg ’n reden om den ouden Minos byzonder interessant te vinden. Venus’ dartel wicht heeft veel koorden op z’n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe.
Met ’n heelen stoet soldaten—men telde in dien tyd duizend krygslieden op één onderdaan: ’n byzonderheid die ’t regelen van de konskriptie tot ’n moeilyk vak maakte!—met ’n groot leger dan, was de man van heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens alle regels van de kunst, en ’t was háár bekend dat-i het strand ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos!
Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z’n oorlogsverklaring nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot ’n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met’n minister die op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van Nisus aan Androgeos’ dood, weten te verydelen. Decasus bellidie hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z’n ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragenwaarom? Zoo-iets zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden dat deres publicabeheerd werd door zulk soort van ministers.
Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren, werkteScylla’sal te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy, zou ik den man niet beminnen, die op z’n ouden dag zóó’n minister te torschen heeft? En zonder Parlement nogal!
Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid ’n ware deugd was. Zoo waren de meisjes in die dagen.
Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die ’t gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de ontvlambaarheid van ’t vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop hy, redelyk scherpzinnig voor ’n heiden—Ovidius was Hollander noch Christen—z’n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf, dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door ’n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van ’n pyl uit den boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou heden-ten-dage kans zien ’t hart van ’n maagd te treffen op meer danchassepot-afstand?
Aan ’n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, en plukt hem—heu facinus: o gruwel ... ja, ’t wàs gemeen!—dat ééne kostbare haartjen uit, enprogressa porta per medios hostes, komt ze by Minos aan:pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje.
Vorst Minos was ’nkreuzbraver Kerldie o.a. zelf kinderen had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z’n eigen haren, en aan ’t malle figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid.Misschien ook vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy,principiis obsta: hy noemde haar kort en goed ’n monster, en gebood...
—Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat ’n drukte! Ik wou dat ik al weer goed en wel thuis zat by m’n kleinen Erik!
Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar ’t uittrekken van dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het purper was?
—’t Staat er zoo,kind!Crinis purpureus.Stap uit, en hou je jurk wat by-een, om ’t wagensmeer...puelletje!
De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in ’t parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen.
Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoodeKomedie, de ware!
Hy verslikte z’n teleurstelling over de blykbaar echte geboorte van Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z’n gedachten wiegden zich op ’t gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar heen. Men verschikte z’n kleeren. Men vertelde ’t nieuwste nieuws van ’t hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie ’t eerst zou komen, wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men berekende waar de prinsen zouden zitten—die ééne ook, wiens vader herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde—en wat de hooge heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om ’n stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen, en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat het gekozen was...
—Rotgans is ’n eerste dichter!
—Hm! Eigenlyk ’n tweede of ... derde!
Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in ’t verzenmakersgild, is dit alles zoowat hetzelfde.
—Hy is maar ’n dichter van den zevenden rang, zei ’n ander.
—Waarom dan ’n stuk van hèm? We hebben toch ànderen, mannen die ... klinken als klokken!
—Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, ’n ware feniks!
—Waarom dan Rotgans?
—Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen laten spelen wat we willen.
—’t Is jammer van denFloris...
—Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn.
—Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren.
Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze Bilderdyk is ’n vaderlander...
—Van belang!
—’n Hollander in z’n hart!
—’n Echte!
—Zeker heeft-i in z’n stuk die vreemde kerels...
—Sjt!
... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander!
—Neen, dat doet geen Hollander ... nooit!
—Sjt!
Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens wel behoorlyk op de fauteuils lagen.
—Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor ’n lakei, voor ’n mostertjongen!
Aldus spraken sommigen, die toch precies ’tzelfde hadden gedaan als de ons reeds eenigszins bekende zondebok:Ze, en Wouter werd hier weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de “massa”. Ook maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen indruk en uiting. “Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de wereld?” Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote koopluî ... misschien wel m’nheer Kopperlith in eigen persoon. Met eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door ’t plaats-nemen van nieuw aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet.
—Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans?
—Z’nBoerenkermisis heel aardig.
—Man, hoe kan je ’t zeggen! ’t Is ’n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene woorden.
—Nu ja, maar ... aardig toch!
—Dat weet ik niet. Ik heb ’t nooit gelezen, omdat het zoo gemeen is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig is...
—Och, wat geeft zoo’n Keizer daarom?
—Ik begryp heel goed waarom ze van-avend ’n stuk van Rotgans spelen. Hy droeg altyd z’n stukken op aan een van de Huydekopers. Dàt is de zaak!
—Hy was van de familie.
—Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer ’t stuk mooi vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die...Scylla, of hoe heet de man?—die Scylla is ’n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen.
—Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met ’n man die komedies maakt?
—Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders!
—Bovendien, Rotgans was zoo’n minne man niet. Hy had ’n buitenplaats aan de Vecht.
—Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen.
—De hoofdzaak komt neer...
Weer ’n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit ’nsurprise-doosje. En alles—op de zwygende Holsma’s na—schimpte weer op de verdoemelyke karakterloosheid van “ze”.
...de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zegikmaar!
—Daarin zal dezen keer ’n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar ik hoor.
—Ja... echt-vaderlandsch! ’t Moet heel mooi zyn. De prefekt van policie heeft ’t zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven zou voor ’n prul?
—Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister heeft er eigenhandig op geschreven:approuvé!
—’t Is toch maar altyd ’n zékere waarheid, dat ze-n-in ’t buitenland eerbied hebben voor onze letterkunde.
—O ja, en voor ons karakter!
—Er is geen beter volkskarakter dan ’t hollandsche.
—En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal.
—Dat zegt dePréfet de Policeook. Hy laat alles vertalen wat er uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ...
—Nu ja, en ’t karakter!
—Zeker, ’t karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die van Racine, en dat ’s juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de maat vanThomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen...
—Hm! Bellamy’sRoosjedan?
—Ja, en z’n:Schoone maan, zeg, ziet gy heden...
—En z’n:’t Was nacht toen u uw moeder baarde...
—Mooi, hoor!
—En z’n:Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den Engelschman te bestryden. Dat’s óók geen gekheid!
—En z’n toespraak:Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in, hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt:
Indien ik ooit ontaardeVan Vaderlandsche fierheid,Dan moet gy, waardste Fillis...
Indien ik ooit ontaarde
Van Vaderlandsche fierheid,
Dan moet gy, waardste Fillis...
Weer kwam ’n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die byzonder graag op ’r gemak zat. Als door ’n veer bewogen, stond het heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ...
—Och, ’t is weer zoo’n doodeter. ’k Wou dat de vent...
En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korteverzen waarin echt-vaderlandsche “pit” zat, liet zich niet van z’n stuk brengen:
Indien ik ooit ontaarde,Dan moet gy my verachten,Dan moet gy my vervloeken!
Indien ik ooit ontaarde,
Dan moet gy my verachten,
Dan moet gy my vervloeken!
—Dat’s táál, hè?
—Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd percent deftiger, dunkt me.
Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende—’n foppery die telkens op ’n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan kwam—waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht, zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan.
Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke ontleding van z’n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem overstelpten, de aandoeningen van ’n oogenblik te-voren. Hy was er duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het zyne by tot verdooving van z’n begrip. Zoo-even in ’t rytuig nog, had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem’s vertellinkje, en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt, of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op ’t lang gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen ’t later schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op ’n palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst deed als afstandwyzer van germaans-romeinschecastra, vervolgens ’n spikspelder nieuw systeem van—nogal oude—wysbegeerte op z’n rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd,gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe—en scheikunde—om al dat overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu, gelyk hier ’t behandeld palimpsest, zelf ’n mensch is... ’ncodex, zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift...
Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen, òf erger. De Holsma’s waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts hoorde hy Oom Sybrand die naar ’n loge wees, iets zeggen, en ’t kort gesprek dat daaruit voortvloeide:
—Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt!
—’t Zou me leed doen, als ik m’n kleinen Erik had alleen gelaten voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.
—Nu, Femke is vertrouwd!
—O ja! Maar ’t drukt me dat ik hier zit, terwyl m’n kind ziek is. Lang wacht ik niet op haar...
—’t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoordezeggen dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort ze zich niet. Dat schynt in ’t bloed te zitten.
—Als ze ’r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel ik niet in de zaak...
De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.
Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal staan ...
Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder ’n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden...
Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit.Vivat sequens!
...hy had daarna ’n oogenblik—één oogenblik maar—in de zaal rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om te zeggen: “’t is wel!” en daarna z’n fauteuil met ’n ruk schuins naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en ’t Publiek kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.
Ook de andere loges werden nu als door ’n tooverslag gevuld. Men zag zonderlinge kostumes: de “Wede. Maaskamp en Zonen!” Dames met lyven van drie duim, en ’n schoot van byna zooveel ellen. De boezems zweefden tusschen kin enceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op ’t hoofd droegen de dames tulbanden,toques, bloemtuinen... dáár was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel.
De muziek speelde...
’t Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den dapperenDunois!
Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja, van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...
Debout... debout!werd er geroepen. Een der hardste schreeuwerswas de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche “pit” zat. En alles schreeuwde mee:debout!Men moest opstaan voor den:jeune et beau Dunois!
Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe:de bénir ses exploits, toen er met ’n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer zat. De Holsma’s recht naar-boven ziende, werden slechts ’n stuk van den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg...
De maat? ’t Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de maat! Ieder die in ’t parterre zat, kon aan de angstige blikken die uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen, duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden, zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord van haarjoujoukrinkelde, en ’t ding bleef levenloos hangen, als ’n geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen!
De Keizer stond op, en tokkelde met z’n rol papier als ’n razende.
Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie ’t opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en ’tperfide Albion.
Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als ’n izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op ’t fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten,aides de camp, schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den roffel ’n oogenblik aftebreken, om met z’n papieren trommelstok naar ’t orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend staan, met z’n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. ’n Plotselinge stilte verving nu ’t geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk ’n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In den engelenbak namelyk—dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers, want alle standen waren ’n graad of tien in waarde gedaald, omdat de markt van rang overvoerd was—in den engelenbak had ’n onverlaat zich de magere voldoening gegund:al is ons prinssiete zingen, wèl bedekt natuurlyk onder de noten van koningin Hortense’s prachtstuk.
Waszyde dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan deHistorie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met datums te doen, en trachten slechtsmogelyke indrukkente schetsen, en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze geweest zyn.
De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur kommandeerde eindelyk in den angst van z’n hart: “où peut-on être mieux.” De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de muziek toetelichten met de bekende romance van ’n “sleepersknol... op hol” toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. ’t Moest: “veillons au salut de l’empire” wezen! Dacht hy er aan, dat het huiselyke: “waar kan men beter zyn” bewaard moest blyven voor deBeresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is ’t—o bloedig sarkasme!—gespeeld.
“Veillons” dus! Weer het knikje: ’t is wèl! en weer liet hy zich vallen in z’n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken by Huisduinen. Toen ’t “Veillons” behoorlyk was afgespeeld, mochten al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank!
Het scherm ging op, en ’t woord was aan Rotgans:
Ja, Minos, aan ’t geschenk dat ik u heb gegeven,En uit de kerk geschaakt...
Ja, Minos, aan ’t geschenk dat ik u heb gegeven,
En uit de kerk geschaakt...
—Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? ’t Purper haartjen uit de kerk? Ik meende...
—Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit beteekent. Misschien ’nlicentia poetica, weetje.
Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigencrinis purpureusheel handig omgesmeed in ’n schild dat door Scylla geroofd wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk?
...hangt Nisus’ kroon en leven!”
...hangt Nisus’ kroon en leven!”
—Qu’est-ze qu’elle changte?riep de Paltsgravin.Il barait que zela zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite est attivée d’une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié, quelle langue! Za m’égorssche les oreiglles!
Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... opSint Helena!
Wouter luisterde als ’n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te vreemd om niet z’n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z’n wangen rustten op beide vuisten, en z’n elbogen op de leuning der bank vóór hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla’s tocht in ’t kamp van Koning Minos.
Een schild in-plaats van ’t haartje? Dacht hy. Wie weet of niet de dichter, als-i toch aan ’t verzinnen gaat, ook iets zegt van onechte zoons, en van het terugkeeren op ’t pad der deugd, dat de menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om het terugkeeren mogelyk te maken.
Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m’n handen in onschuld.