De tuchtelooze auteur—gebrek aan school!—vertelt niets van ’t purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in ’n roman niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in de kommeny waarLeentjezout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met des auteurs schryfmanier.Die arme Rotgans! ’t Was wèl de moeite waard ’n paarduizend verzen by elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet.1Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van ’t stuk te volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z’n ontevredenheid op tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De aan Ovidius ontleendehandelingvan ’t stuk mocht dan in zekeren zin hoofdzaak zyn,tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend regels noodig. Aan “gaan en komen” waren meer verzen besteed dan aan menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van ’t onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt ’n dichter? vroeg Wouter.2Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes alleen om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die tusschen Oom Sybrand met z’n broeder en zuster gewisseld werden, scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot zich getrokken.—Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma.—Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we haar van-hier niet zien.—Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit ’n kwartier achtereenop dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár...En met ’n bescheiden beweging van den uit z’n vuist opgestoken duim, wees Holsma ’n paar der zyloges aan.—Ze komt soms in ’t parterre ook, naar ik hoor.—Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M’n kleine Erik is my meer waard dan duizend...Wouter meende te verstaan: “dan duizend nichten.” Ja, zóó zal ’t ook wel geweest zyn. Want:—Van den koning, voegde Holsma er by.Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke bedoeld werd. En nu:van den koning? Waarom was juistdieprinses zoo belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke:—Als ze wil! voegde hy er by, op ’n toon die twyfel te kennen gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte.O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op de Botermarkt moeten zien, en in degekroonde Jeneverbes! Maar zulke dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus.De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat’s mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op ’n oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus ’n held was, maar heel hoffelyk was de man niet:“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er gevochten werd, maar dit scheen toch ’t geval niet te zyn. Na eenig dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van ’n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite iets wilde begrypelyk maken aan ’n paar mannen op de voorste bank. Het scheen dat ze van ’n ander gevoelen waren dan hy. Om z’n fransch of italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van ’t gezag die beide personen by den arm, en trachtte hun aan ’t verstand te brengen dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar dat ze hun plaatsen moesten ruimen.“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...—Qu’y a-t-il encore?vroeg de keizer weer.En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal, want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde, en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs de keizer stond op, boog zich over den rand van z’n loge, en keek rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet, wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in ’t parterre, kregen voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van ’t gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy met iemand die in ’t paradys nog altyd op den achtergrond scheen te blyven. Het stuk van Rotgans... och!“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...De Palatine groette met haarjoujou. Wien of wie groette zy? Het scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte hoofden niets dan de kruin. Blyf eensbegeistert... achter zoo’n Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in ’t byzonder tot de Palatine:... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ...De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen—ook de keizer had gelachen: het mocht dus!—en ze scheen maar niet tot bedaren te kunnen komen van plezier.Nu moest ik ’n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht, en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van den stryd.—Waar is Femke? vroeg Holsma.—Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel.—O God, daar is ze! riep Wouter.—Wie?—Femke, m’nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu wel wezenlyk Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie!Hm... ’t had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo onbarmhartig gescheiden had.—’t Is Femke, m’nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen kwaad doet!Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg ’t meisje met den noordhollandschen kap in ’t oog, en knikte haar toe...—Maar, m’nheer Holsma, het is Femke...onzeFemke!En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met denjoujou, als om haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje...—Maar, m’nheer, ’t is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg.Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter, die zich by ’t hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was?—Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder vertellen dat we haar gezien hebben.En, zich tot Wouter keerende:—Dat meisjen is ’n nicht van ons...—O ja... Femke!—Neen, ze heet anders, en...—M’nheer, ’t is Femke! ZouikFemke niet kennen!Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die meid? Of... dan zelfs dàt niet!Op-eens kreeg ’t vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in ’t gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem ’n kushand toe...Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar ’t geheel parterre was ditmaal al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo’n boeredeern—in hoofdsteden heet elk provinciaal ’n boer—en de meer vroolyk gestemden beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat ’s konings nicht, prinses Erika, ’n blyk willende geven van sympathie voor ’t Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in “nationaal kostuum” of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat.—O god, geloof er niets van, m’nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen.—Neen, m’n jongen, dat meisjen is Femke niet.—Maar... ze heeft my gegroet!—En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje groeten zou?Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam het Wouter voor, dat die... prinses ’n nicht wezen zou van dokter Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte, en dat ze haar lippen bewoog. Naar diebeweging te oordeelen, kon ze best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om ’n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd.In-weerwil van z’n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z’n drift aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot ’n zonderling bericht van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk: voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van ’nidée fixe. Daarom ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke’s voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in ’t parterre. ’t Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had, en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge ’n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ...Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te welwillende uitoefening van z’n funktie? Hem ’t gezag uit de hand nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte van z’n gemoed bedreigen kon?—Och, m’nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen, daar-boven onder al die ruwe menschen!Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z’n meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door eenige onverschillige opmerkingen z’n aandacht en gewaarwordingen afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby ’t woord “engelenbak” gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt, omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren Wouter geheel vreemd was.—Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U ziet dus wel, m’nheer, dat het Femke is!Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma’s oor. Al te zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe.—Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar ’n beetje plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar ’n waschmeisjenis. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap zieje!—O, m’nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet!Ei, Petrus!—Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is, hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar ’t stuk, m’n jongen.Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z’n oogen afscheid hadden genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy wenkte hem toe, nam ’t takje met drie rozeknopjes van de borst, hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het kwam—niet te-recht, o goden, maar neer toch!—op ’n dikken heer in Wouter’s buurt, die ’t aangreep, en heel verwonderd keek. De man leek niet op rozeknopjes, en z’n verbaasd gezicht scheen te vragen: wat doeikdaarmee? Vóór-i evenwel zichzelf ’n bruikbaar antwoord op deze vraag geven kon, was Wouter van z’n plaats gesprongen. Hy wipte langs en over ’n paar buren en banken, greep ’t gulden vlies dat den valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende naar den engelenbak, aan z’n lippen. Overal elders dan te Amsterdam, zou ’t publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine, vooral toen prinses Erika knikte: “dat ze ’t juist zóó gemeend had!”Dit was meer dan Wouter’s geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou hyzelf zich ’t verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken ten-aanzien van ’t gansche Volk! O, dààrom wilde zy bóven zitten, zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z’n ziel gewischt, z’n geschonden riddereer hersteld ...By deze gedachten die hem als bliksems door ’t hoofd schoten, viel hy flauw. Was ’t wonder?Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse berichten dat de jongeheer Wouter ...—Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag ’t weten: het kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui, denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny, want ... werachtig, ’t kind leseert er!1In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en Napoleon’s tooneelbegaafdheid.2In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans’ stuk als navolging van navolging.Ariadnismemet modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen.Wouterkrygt les, en wordt—als de lezer—uitgenoodigd zich ’n tydje te spenen van romantiek.Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m’n lezers genoeg menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt wel dat de belezen mensch onzer dagen z’n gevoelighedensheeft opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich moê getreurd op ’t legio modellen van verlatenheid, die ons sedert eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo waarop juffrouw Laps ’n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars, van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn met sierlyke spraakwending: “de ongelukkigste der vrouwen” te noemen, en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- insteekkamer, ’n ware tempel van verschillende smarten.Het is geenszins m’n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de “belangwekkendste der stervelingen” doet zien. De lezer zal erkennen dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m’n jongetje nu-en-dan niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter’s verdienste zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf voedde haar verdriet niet uitsluitend met ’n droevig staren op de waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen die ze ’t weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel, en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die andere dames, meen ik te mogen in ’t midden brengen, dat er onder die gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo’n gek figuur maakte tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z’n familie. Dàt was het!De zonderlingste plannen gingen haar door ’t hoofd. Hoe zou ’t zyn, als ze vertelde dat-i was “weggenomen” van voor de oogen des Volks, en opgevaren in ’n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld, uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik, als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit zy gezegd zonder ’t minste wantrouwen op de historische grondslagen van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder in elkaar te storten als ’n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht geheel-en-al ’t gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (ICorinthen,XV, vs 14.)Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend verstand! Maar... wat dan?Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel gebleven was onder de volksmenigte die er vóórstond. Misschien ook had deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe vèr? ’t Land uit? Naar... Amerika of ’t peperland? Dit zou zoo kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig voor z’n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z’n verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z’n medeplichtigheid niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z’n eigen belang, en ’t schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten uit oorzaken van anderen aard.Om by ’t schriftuurlyke te blyven, zon ze, na ’t verwerpen van de gedemodeerde luchtvaart, op ’t aanwenden der egyptische methode van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch Stoffel, noch z’n moeder, noch zelfs een van Wouter’s zusters, onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in ’n strik van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend “Geloof” eer ’n wapen tégen haar opleverde, dan ’n schild waarachter ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter’s ... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met “Schrift” of “Heer” en hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal: “ziedaar iemand dienietgelooft, en toch ’n schelm is.” Dit “toch” zal beter op z’n plaats staan dan ’t arme woordje gewoon is, daar we ’t nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl gelooven—zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfsidentischzyn—in tegenstellend verband te brengen.Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van ’n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken met de hoop haar deserteur in ’t oog te krygen, en nam zich voor, als ’t lukte, hemunguibus et rostrisin haar nest te slepen, niet om ’t genoegen van z’n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z’n eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren schoof ze eindelyk haar venster toe, juist ’n oogenblik te vroeg om den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar ’t paleis op den Dam.Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien ... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in ’t holst van den nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet reeds ’t heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef’s net? Och, hoe pynlyk!Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog ’n paar uurtjes overtelaten aan den “Heer.” Met deze verzuchting besteeg ze haarmaagdelyke koets, ’tfrigidum lectumwaarover ’n latynsch dichter de eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat voorafgaan, luidde nu in háár mond: “ik wou liever dat de kwajongen z’n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in1 Samuel, IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte zevenklapper!”En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my in, wat daar geschiedde gedurende Wouter’s romantische omzwerving, en zorg dat m’n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van ’t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, maar ’n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem...Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me niets gebleken. In m’n archieven vind ik geen spoor van angst over ’t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, misschien wel omdat dit gevaar z’n verwanten ten-eenen-male onbekend was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo fyn intekleeden, en ’t overslaan van Wouter’s naam by ’t oproepen van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was ’n overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere lieden zouden omtrentMenschenWereldveel te leeren hebben, voor ze ’t standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze gewoon waren in ’t geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste van ’t vertrouwen, met Wouter’s muts die er ook geen kwaad in zag, juffrouw Laps ’n paar uurtjes gezelschap te houden.1—Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei de moeder.—Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by ’t ontbyt ’n kapittel uit de Schrift lezen.Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning ’n half-uurtjen in die bemoediging.—Wat zou je-n-’r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde eindelyk juffrouw Pieterse voor.—’t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in den weg van m’n school.Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit iets doen wat niet op z’n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten van ’n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep de zin was van z’n staatkundig grondbeginsel.—Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar de jongen blyft?Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de boodschap dat “Wouter waarschynlyk ’n wandelingetje maakte.”Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En ’t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z’n vertrek uit haar woning, terdeeg aan ’t wandelen geraakt... de lezer weet het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy ’n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i niet was uitgetogen in ’t holste van den nacht. En zóó ook werd de zaak door z’n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich zoo dikwyls te verwonderen had.—Daar heb je ’t weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind heb ... kyk! ’n Ander maakt ’n kuiertje na den eten, niet waar? En hy ... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf nu, Stoffel, of dat ’n manier van doen is?—Né, moeder!—En ons hier in angst te laten zitten!—Ja, moeder!—Zieje, ’t is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu weer rondloopt?—Zeker, moeder! En nu is ’t tyd voor m’n school. Dag, moeder!Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet de minste blyken gevende van bekommering over Wouter’s lot. Ook hier alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het kòn immers zyn dat den knaap ’n ongeluk overkomen was? Z’n moeder vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag, dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het, tot dokter’s Kaatje kwam.De lezer weet hoe Holsma z’n koetsier gelastte ’n oogenblik optehouden voor Wouter’s woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot uitstappen. Alles was haastig naar ’t venster geloopen ...—Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om ’t hardst, hy zit zoowaar in dokter’s koets!Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje’s geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven te zeggen. ’t Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ...nureed hy in ’n koetsje. In’s hemelsnaam, wat wil men meer?—By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom heeft de koetsier z’n beeremuts niet op?De verwonderde Kaatje beriep zich op ’t saizoen, en vond de ontvangst die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde omtrent Wouter’s geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde manier waarop haar boodschap beantwoord werd. ’t Scheen wel dat de heele familie ... ’n beetje ...—En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui ... ontbeten!—J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten ... m’nheer heeft het gezegd.—By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal?—Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat?—En ... is-i wel fatsoenlyk geweest?—Gut ja, juffrouw, maar ...—En nu zit hy met den dokter in de koets?—Wel zeker, juffrouw! Maar ...—Hoor ’ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet er niemand overspreken. Hy is ’n zonderling kind, weetje ...—Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik!—Zoo? Weetje ’t? En weetje-n-ook waarom? Dàt zalikje nu eens vertellen. Hy is zoo’n zonderling kind, omdat—ga jy even op-zy, Petrò, en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!—hy is zoo zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van ’m was ...—Gut, juffrouw!—Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van ’n kapel die ’n olifant voorttrok. Begryp je ’t nu?—O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp ’t nu heel best.—Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg dat ik wel laat bedanken. ’t Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo’n muts alleen in den winter?Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen en olifanten te droomen. Zoo’n uitspatting van den geest kwam haar zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts ’n klein staaltje gezien had.Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter’s verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, en maakte van z’n opmerkingen gebruik by ’t bepalen van den geestelyken leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, eendieetdat hy nog meende te moeten inkrimpen na ’t voorgevallene in den Schouwburg.Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met onnoodig gepeins over de mogelykheid om ’t ding te redden, dat ze—wel eenigszins met verkrachting van den zin—haar “eer” noemde. Daar zy evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor ’t nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben dan de eisch was. Ze deed niets, en door ’n byzondere welwillendheid van ’t lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. ’t Spyt me voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy ’t gemeene schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze verdiend had. Een paar dagen angst was voor haarpeccadillevolkomen genoeg. ’t Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter haar aanklagen zou.Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma’s gebleven. Den volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan, hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z’n gemoed omging, doch onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen brengen dat-ibyzonderwas. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy luisterde naar Wouter’s ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, en stelde z’n onbegrensde eerzucht—of liever z’n voorbarige en overspannen zucht naar ’t goede: z’nGod-zyn—als ’n gewoon verschynsel voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest worden geruimd. Ook Wouter’s liefde voor Femke, behandelde hy als ’n zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z’n eigen ondervinding aan, en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over ’t hoofd gezien dat men zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende heiligheid aangewreven door vervalschers? Meendenzymisschien dat de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z’n goddelyke natuur moest worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing tot méér danMensch, ’n verlaging was beneden ’t peilder Mensheid, die juist aan den specifisch-menschelykenstryd tegen afdwaling, haar hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer ’t onbruikbaar-goddelykeuitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf.Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig enwaar, zette zich niet op ’n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in z’n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het kwam hem voor, dat z’n patiënt aan zulke behandeling behoefte had, en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z’n gemoed uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den ongeoefenden spreker bemerken—en hierom was ’t Holsma te doen—dat z’n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: “is ’t anders niet?” en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk:—Zeker, zeker, m’n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... allesgoed-maken, niet waar? Je hebt ’n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy ... o ja, ja, ik ken dat zeer goed!Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste staan. Hoe zou je ’t aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg.—Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen, dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die ’tzelfde wenschen als jy. Waarom veranderenzyde wereld niet?Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde hem. Maar Holsma drong op antwoord aan.—Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je datik’n goed mensch ben?—O ja, riep Wouter hartelyk.—Ei? Nu, ik geloof ’t ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde zeggen. Waarom dan veranderikde wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls van Afrika—omdat je dat land niet kent, m’n jongen!—welnu, ik die ’n goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom niet, denkje? Antwoord eens.Wouter was volstrekt geendebater. ’t Lag niet in z’n eerlyken aard, het geven van ’n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen demeening die hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma bezig was met ’n amputatie. Is ’t wonder dat de patiënt het deel van z’n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok?—Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van ’n smedery hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert?—By ziekte?—Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik dat niet?—Omdat ... u niet kan, m’nheer.—Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie, toen je onwel was—’t was er warm!—nam ik je mee, en ik heb je verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m’n plicht, niet waar?—O, m’nheer...—Geen dank, m’n jongen! ’t Kwam me voor, dat het m’n plicht was, en ik deed het:omdat het kòn. Watnietkan, is m’n plicht niet! En daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te verzetten naar ’n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je weleens op-school je les niet gekend?—O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke...—Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit nu is de fout van veel jongeluî, en—word er niet boos om: ik was ook zoo!—ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker zich te verbeelden dat men zweeft boven ’n berg die heel in de verte ligt, dan in werkelykheid z’n voet optelichten om over ’n steentje te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudtwillendoen, zyn er slechts weinigen die je zoudtkunnendoen. Bemoei ie voorloopig alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd jezelf af: “wat wordt erop dit oogenblikvan me gevorderd?” en gebruik niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je tegenwoordig standpunt? Wel, maak je ’n beter standpunt waard! Dit is de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf by elke gelegenheid af: wat is m’nnaast-byliggendeplicht? Kun je me dit beloven?Wouter gaf er de hand op.—En je wou zoo graag meerweten? Ik ook, m’n jongen! Laatons zien wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu zeer in ’t byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... ’t is op dit oogenblik je naast-byliggende plichtniet! ’t Beetje latyn dat onze Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in ’n paar maanden geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in ’twillen.Wat zou ’t nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn vanzelf, en ’t grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet, die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van ’n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over ’t hoofd groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het leven ’n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen leven is. Begryp je dit?Wouter knikte toestemmend.—De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat men doen moet, zelfs ’t geringe. Wat zou je zeggen van ridders die zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet ’n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom my over ’n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, maar... dàt eerst! Zal je ’t doen?—O zeker, zeker! Maar... m’nheer, mag ik u nu vragen naar...—Naar Femke? Wel, dat is ’n best meisjen, ’n heel braaf kind, en ’n nichtje van me.—Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze...—Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant waren. Hierin is niets byzonders, kereltje!—Een wezenlyke prinses?—Ja, en Fem is ’n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht toch aan zulke dingen zoo’n gewicht niet. Men ziet dat afwyken van familievertakkingen dagelyks. Of, alzietmen ’t niet, hetiszoo. Er moet ’n tyd geweest zyn dat Erika’s voorouders zich in beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy ’t weet dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Datwy’t weten... nu ja, m’n broer Sybrand schept genoegen in ’t opsporen der overeenstemming van schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by ’t kippenhok gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent:alles raakt elkaar! Wie weet of ’t niet invloed heeft op de Geschiedenis, dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook?—Ouwetyd en Kopperlith, m’nheer....dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar me luisteren wilt. Zal je ’t doen?—Heusch, m’nheer! Maar... Femke?—Daar heb je ’t al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht te maken. De eenige dame die je voor ’t oogenblik dienen moogt, is... nu, wie?—De... handel?—Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken dan aan je werk...—O, ik zàl, ik zàl!—Nog wel tien jaren lang.—Tien jaren?Tien?—Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist, en zoo weinig kon.—Tienjaren?—Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen.—Tienjaren?—Zóó zei ze.—Ik zàl!—Heel goed, m’n jongen. ’t Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste maand. Zoo breek je den tyd. Over ’n week of vyf wacht ik je hier. Dan zullen we verder zien.Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i “alle gekheid” uit z’n gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy bewaarde z’n rozeknopjes, al was ’t hem niet helder of de vereering van deze reliek—het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche stormperiode overbleef—’n prinses gold, of ’n bleekmeisjen, of beiden, of de kleine Sietske Holsma, of ’t portret uit de zykamer, of z’n ideaal dat hyzelf samentooverde door ’t onwillekeurig ineensmelten van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met heldhaftigheid z’n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren van z’n eigen gemoed? Omdezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men zich slechts aftevragen, of z’n fantazie werkeloos zou gebleven zyn, indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, dezucht om goed te zynhem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z’n overspannen eerzucht en de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten.Onder de aandoeningen die hy na ’t gesprek met Holsma moest terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar ’n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma’s verzekering óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn, die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te vertoonen als kindermeisjen of als dochter van ’n waschvrouw. Een prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde, eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, of liever... ’t was er geen. Als ’n bliksem schoot hem nu ook de indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige kwam zoo juist overeen met z’n droomen en luchtbeelden, dat het hem meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing vanGenesis, nu eens-vooral meenen te weten: “waar alles vandaan gekomen is” en geen lust hebben in ’n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor zekere gemoederen slechts de fabel ’t kenmerk van de waarheid draagt.Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd ontvankelyk voor ’t buitengewone, voor ’t wonderbare, voor ’t onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen wasaan gewone aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen, als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen die ’t onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht hooger stond, maar of ’t hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen als neerbuiging om-zynentwil, als ’n poging om ’n taal te spreken die verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. “Ze houdt zich zoo om my niet afteschrikken” zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z’n geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging hy voort, al was dan ook ’t punt van uitgang sedert lang uit het oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van ’t Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee ons Geslacht in z’n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over ’t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten.Wouter vroeg niet meer: “zouzy’t zusje wezen, dat ik zoek?” maar de behoefte aan ineensmelting met ’n wezen, dat hy wilde toebehooren—in-verband altyd met z’n zucht naar kennis en stryd—bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze neiging bevredigend op z’n begeerte om de vele byzaken die hy niet begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om zich aftevragen: “wat wàs er toch?” als om zich toeteroepen: “zeker, zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!” Dat mysterieuze-zelf was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd ’n blyk van z’n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als ’n bewogen water waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zienwil, hoe onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling van den door haarzelf in roering gebrachten vloed!Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet—uit weeldeliefhebbery dan—’n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld op die tafel, noch de een noch de ander... ’n derde verschyning dus! Drie? ’t Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te bevredigen van ’n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke beminde, maar... deLiefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren, en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z’n menschkundigen vriend gegrond.Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs opteklimmen tot dePoëzie der Werkelykheiddie zooveel hooger staat dan liefelyk-bontgekleurde—maar kinderachtige, onvoedzame en dus verderfelyke—droomery!Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals sommige romanschryvers—hofmakend aan ’t gemeen—weleens voorgeven te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk “van de familie” was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon.Voor ’t ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben we—precies weer als Wouter zelf—vervelender dingen te behandelen. Zóó immers moet m’n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet op ’t leven te gelyken, wat ’n fout wezen zou, ’n groote fout... de gewone!1Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der meisjes Pieterse betoogt M. aan ’t slot van I. 1184, dat alle studieascetismevordert: een oratio pro domo!
De tuchtelooze auteur—gebrek aan school!—vertelt niets van ’t purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in ’n roman niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in de kommeny waarLeentjezout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met des auteurs schryfmanier.Die arme Rotgans! ’t Was wèl de moeite waard ’n paarduizend verzen by elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet.1Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van ’t stuk te volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z’n ontevredenheid op tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De aan Ovidius ontleendehandelingvan ’t stuk mocht dan in zekeren zin hoofdzaak zyn,tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend regels noodig. Aan “gaan en komen” waren meer verzen besteed dan aan menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van ’t onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt ’n dichter? vroeg Wouter.2Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes alleen om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die tusschen Oom Sybrand met z’n broeder en zuster gewisseld werden, scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot zich getrokken.—Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma.—Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we haar van-hier niet zien.—Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit ’n kwartier achtereenop dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár...En met ’n bescheiden beweging van den uit z’n vuist opgestoken duim, wees Holsma ’n paar der zyloges aan.—Ze komt soms in ’t parterre ook, naar ik hoor.—Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M’n kleine Erik is my meer waard dan duizend...Wouter meende te verstaan: “dan duizend nichten.” Ja, zóó zal ’t ook wel geweest zyn. Want:—Van den koning, voegde Holsma er by.Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke bedoeld werd. En nu:van den koning? Waarom was juistdieprinses zoo belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke:—Als ze wil! voegde hy er by, op ’n toon die twyfel te kennen gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte.O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op de Botermarkt moeten zien, en in degekroonde Jeneverbes! Maar zulke dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus.De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat’s mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op ’n oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus ’n held was, maar heel hoffelyk was de man niet:“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er gevochten werd, maar dit scheen toch ’t geval niet te zyn. Na eenig dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van ’n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite iets wilde begrypelyk maken aan ’n paar mannen op de voorste bank. Het scheen dat ze van ’n ander gevoelen waren dan hy. Om z’n fransch of italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van ’t gezag die beide personen by den arm, en trachtte hun aan ’t verstand te brengen dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar dat ze hun plaatsen moesten ruimen.“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...—Qu’y a-t-il encore?vroeg de keizer weer.En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal, want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde, en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs de keizer stond op, boog zich over den rand van z’n loge, en keek rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet, wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in ’t parterre, kregen voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van ’t gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy met iemand die in ’t paradys nog altyd op den achtergrond scheen te blyven. Het stuk van Rotgans... och!“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...De Palatine groette met haarjoujou. Wien of wie groette zy? Het scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte hoofden niets dan de kruin. Blyf eensbegeistert... achter zoo’n Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in ’t byzonder tot de Palatine:... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ...De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen—ook de keizer had gelachen: het mocht dus!—en ze scheen maar niet tot bedaren te kunnen komen van plezier.Nu moest ik ’n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht, en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van den stryd.—Waar is Femke? vroeg Holsma.—Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel.—O God, daar is ze! riep Wouter.—Wie?—Femke, m’nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu wel wezenlyk Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie!Hm... ’t had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo onbarmhartig gescheiden had.—’t Is Femke, m’nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen kwaad doet!Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg ’t meisje met den noordhollandschen kap in ’t oog, en knikte haar toe...—Maar, m’nheer Holsma, het is Femke...onzeFemke!En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met denjoujou, als om haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje...—Maar, m’nheer, ’t is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg.Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter, die zich by ’t hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was?—Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder vertellen dat we haar gezien hebben.En, zich tot Wouter keerende:—Dat meisjen is ’n nicht van ons...—O ja... Femke!—Neen, ze heet anders, en...—M’nheer, ’t is Femke! ZouikFemke niet kennen!Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die meid? Of... dan zelfs dàt niet!Op-eens kreeg ’t vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in ’t gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem ’n kushand toe...Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar ’t geheel parterre was ditmaal al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo’n boeredeern—in hoofdsteden heet elk provinciaal ’n boer—en de meer vroolyk gestemden beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat ’s konings nicht, prinses Erika, ’n blyk willende geven van sympathie voor ’t Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in “nationaal kostuum” of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat.—O god, geloof er niets van, m’nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen.—Neen, m’n jongen, dat meisjen is Femke niet.—Maar... ze heeft my gegroet!—En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje groeten zou?Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam het Wouter voor, dat die... prinses ’n nicht wezen zou van dokter Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte, en dat ze haar lippen bewoog. Naar diebeweging te oordeelen, kon ze best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om ’n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd.In-weerwil van z’n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z’n drift aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot ’n zonderling bericht van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk: voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van ’nidée fixe. Daarom ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke’s voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in ’t parterre. ’t Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had, en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge ’n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ...Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te welwillende uitoefening van z’n funktie? Hem ’t gezag uit de hand nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte van z’n gemoed bedreigen kon?—Och, m’nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen, daar-boven onder al die ruwe menschen!Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z’n meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door eenige onverschillige opmerkingen z’n aandacht en gewaarwordingen afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby ’t woord “engelenbak” gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt, omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren Wouter geheel vreemd was.—Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U ziet dus wel, m’nheer, dat het Femke is!Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma’s oor. Al te zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe.—Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar ’n beetje plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar ’n waschmeisjenis. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap zieje!—O, m’nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet!Ei, Petrus!—Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is, hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar ’t stuk, m’n jongen.Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z’n oogen afscheid hadden genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy wenkte hem toe, nam ’t takje met drie rozeknopjes van de borst, hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het kwam—niet te-recht, o goden, maar neer toch!—op ’n dikken heer in Wouter’s buurt, die ’t aangreep, en heel verwonderd keek. De man leek niet op rozeknopjes, en z’n verbaasd gezicht scheen te vragen: wat doeikdaarmee? Vóór-i evenwel zichzelf ’n bruikbaar antwoord op deze vraag geven kon, was Wouter van z’n plaats gesprongen. Hy wipte langs en over ’n paar buren en banken, greep ’t gulden vlies dat den valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende naar den engelenbak, aan z’n lippen. Overal elders dan te Amsterdam, zou ’t publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine, vooral toen prinses Erika knikte: “dat ze ’t juist zóó gemeend had!”Dit was meer dan Wouter’s geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou hyzelf zich ’t verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken ten-aanzien van ’t gansche Volk! O, dààrom wilde zy bóven zitten, zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z’n ziel gewischt, z’n geschonden riddereer hersteld ...By deze gedachten die hem als bliksems door ’t hoofd schoten, viel hy flauw. Was ’t wonder?Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse berichten dat de jongeheer Wouter ...—Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag ’t weten: het kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui, denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny, want ... werachtig, ’t kind leseert er!1In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en Napoleon’s tooneelbegaafdheid.2In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans’ stuk als navolging van navolging.
De tuchtelooze auteur—gebrek aan school!—vertelt niets van ’t purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in ’n roman niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in de kommeny waarLeentjezout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met des auteurs schryfmanier.
De tuchtelooze auteur—gebrek aan school!—vertelt niets van ’t purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in ’n roman niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in de kommeny waarLeentjezout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met des auteurs schryfmanier.
Die arme Rotgans! ’t Was wèl de moeite waard ’n paarduizend verzen by elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet.1
Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van ’t stuk te volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z’n ontevredenheid op tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De aan Ovidius ontleendehandelingvan ’t stuk mocht dan in zekeren zin hoofdzaak zyn,tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend regels noodig. Aan “gaan en komen” waren meer verzen besteed dan aan menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van ’t onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt ’n dichter? vroeg Wouter.2
Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes alleen om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die tusschen Oom Sybrand met z’n broeder en zuster gewisseld werden, scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot zich getrokken.
—Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma.
—Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we haar van-hier niet zien.
—Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit ’n kwartier achtereenop dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár...
En met ’n bescheiden beweging van den uit z’n vuist opgestoken duim, wees Holsma ’n paar der zyloges aan.
—Ze komt soms in ’t parterre ook, naar ik hoor.
—Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M’n kleine Erik is my meer waard dan duizend...
Wouter meende te verstaan: “dan duizend nichten.” Ja, zóó zal ’t ook wel geweest zyn. Want:
—Van den koning, voegde Holsma er by.
Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke bedoeld werd. En nu:van den koning? Waarom was juistdieprinses zoo belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke:
—Als ze wil! voegde hy er by, op ’n toon die twyfel te kennen gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte.
O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op de Botermarkt moeten zien, en in degekroonde Jeneverbes! Maar zulke dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus.
De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat’s mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op ’n oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus ’n held was, maar heel hoffelyk was de man niet:
“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er gevochten werd, maar dit scheen toch ’t geval niet te zyn. Na eenig dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van ’n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite iets wilde begrypelyk maken aan ’n paar mannen op de voorste bank. Het scheen dat ze van ’n ander gevoelen waren dan hy. Om z’n fransch of italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van ’t gezag die beide personen by den arm, en trachtte hun aan ’t verstand te brengen dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar dat ze hun plaatsen moesten ruimen.
“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
—Qu’y a-t-il encore?vroeg de keizer weer.
En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal, want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde, en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs de keizer stond op, boog zich over den rand van z’n loge, en keek rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet, wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in ’t parterre, kregen voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van ’t gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy met iemand die in ’t paradys nog altyd op den achtergrond scheen te blyven. Het stuk van Rotgans... och!
“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
“Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
De Palatine groette met haarjoujou. Wien of wie groette zy? Het scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte hoofden niets dan de kruin. Blyf eensbegeistert... achter zoo’n Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in ’t byzonder tot de Palatine:
... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ...
... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ...
De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen—ook de keizer had gelachen: het mocht dus!—en ze scheen maar niet tot bedaren te kunnen komen van plezier.
Nu moest ik ’n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht, en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van den stryd.
—Waar is Femke? vroeg Holsma.
—Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel.
—O God, daar is ze! riep Wouter.
—Wie?
—Femke, m’nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu wel wezenlyk Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie!
Hm... ’t had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo onbarmhartig gescheiden had.
—’t Is Femke, m’nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen kwaad doet!
Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg ’t meisje met den noordhollandschen kap in ’t oog, en knikte haar toe...
—Maar, m’nheer Holsma, het is Femke...onzeFemke!
En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met denjoujou, als om haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje...
—Maar, m’nheer, ’t is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg.
Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter, die zich by ’t hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was?
—Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder vertellen dat we haar gezien hebben.
En, zich tot Wouter keerende:
—Dat meisjen is ’n nicht van ons...
—O ja... Femke!
—Neen, ze heet anders, en...
—M’nheer, ’t is Femke! ZouikFemke niet kennen!
Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die meid? Of... dan zelfs dàt niet!
Op-eens kreeg ’t vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in ’t gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem ’n kushand toe...
Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar ’t geheel parterre was ditmaal al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo’n boeredeern—in hoofdsteden heet elk provinciaal ’n boer—en de meer vroolyk gestemden beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat ’s konings nicht, prinses Erika, ’n blyk willende geven van sympathie voor ’t Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in “nationaal kostuum” of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat.
—O god, geloof er niets van, m’nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen.
—Neen, m’n jongen, dat meisjen is Femke niet.
—Maar... ze heeft my gegroet!
—En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje groeten zou?
Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam het Wouter voor, dat die... prinses ’n nicht wezen zou van dokter Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte, en dat ze haar lippen bewoog. Naar diebeweging te oordeelen, kon ze best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om ’n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd.
In-weerwil van z’n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z’n drift aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot ’n zonderling bericht van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk: voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van ’nidée fixe. Daarom ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke’s voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in ’t parterre. ’t Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had, en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge ’n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ...
Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te welwillende uitoefening van z’n funktie? Hem ’t gezag uit de hand nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte van z’n gemoed bedreigen kon?
—Och, m’nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen, daar-boven onder al die ruwe menschen!
Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z’n meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door eenige onverschillige opmerkingen z’n aandacht en gewaarwordingen afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby ’t woord “engelenbak” gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt, omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren Wouter geheel vreemd was.
—Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U ziet dus wel, m’nheer, dat het Femke is!
Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma’s oor. Al te zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe.
—Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar ’n beetje plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar ’n waschmeisjenis. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap zieje!
—O, m’nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet!
Ei, Petrus!
—Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is, hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar ’t stuk, m’n jongen.
Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z’n oogen afscheid hadden genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy wenkte hem toe, nam ’t takje met drie rozeknopjes van de borst, hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het kwam—niet te-recht, o goden, maar neer toch!—op ’n dikken heer in Wouter’s buurt, die ’t aangreep, en heel verwonderd keek. De man leek niet op rozeknopjes, en z’n verbaasd gezicht scheen te vragen: wat doeikdaarmee? Vóór-i evenwel zichzelf ’n bruikbaar antwoord op deze vraag geven kon, was Wouter van z’n plaats gesprongen. Hy wipte langs en over ’n paar buren en banken, greep ’t gulden vlies dat den valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende naar den engelenbak, aan z’n lippen. Overal elders dan te Amsterdam, zou ’t publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine, vooral toen prinses Erika knikte: “dat ze ’t juist zóó gemeend had!”
Dit was meer dan Wouter’s geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou hyzelf zich ’t verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken ten-aanzien van ’t gansche Volk! O, dààrom wilde zy bóven zitten, zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z’n ziel gewischt, z’n geschonden riddereer hersteld ...
By deze gedachten die hem als bliksems door ’t hoofd schoten, viel hy flauw. Was ’t wonder?
Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse berichten dat de jongeheer Wouter ...
—Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag ’t weten: het kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui, denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny, want ... werachtig, ’t kind leseert er!
1In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en Napoleon’s tooneelbegaafdheid.2In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans’ stuk als navolging van navolging.
1In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en Napoleon’s tooneelbegaafdheid.
2In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans’ stuk als navolging van navolging.
Ariadnismemet modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen.Wouterkrygt les, en wordt—als de lezer—uitgenoodigd zich ’n tydje te spenen van romantiek.Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m’n lezers genoeg menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt wel dat de belezen mensch onzer dagen z’n gevoelighedensheeft opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich moê getreurd op ’t legio modellen van verlatenheid, die ons sedert eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo waarop juffrouw Laps ’n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars, van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn met sierlyke spraakwending: “de ongelukkigste der vrouwen” te noemen, en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- insteekkamer, ’n ware tempel van verschillende smarten.Het is geenszins m’n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de “belangwekkendste der stervelingen” doet zien. De lezer zal erkennen dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m’n jongetje nu-en-dan niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter’s verdienste zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf voedde haar verdriet niet uitsluitend met ’n droevig staren op de waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen die ze ’t weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel, en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die andere dames, meen ik te mogen in ’t midden brengen, dat er onder die gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo’n gek figuur maakte tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z’n familie. Dàt was het!De zonderlingste plannen gingen haar door ’t hoofd. Hoe zou ’t zyn, als ze vertelde dat-i was “weggenomen” van voor de oogen des Volks, en opgevaren in ’n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld, uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik, als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit zy gezegd zonder ’t minste wantrouwen op de historische grondslagen van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder in elkaar te storten als ’n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht geheel-en-al ’t gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (ICorinthen,XV, vs 14.)Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend verstand! Maar... wat dan?Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel gebleven was onder de volksmenigte die er vóórstond. Misschien ook had deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe vèr? ’t Land uit? Naar... Amerika of ’t peperland? Dit zou zoo kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig voor z’n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z’n verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z’n medeplichtigheid niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z’n eigen belang, en ’t schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten uit oorzaken van anderen aard.Om by ’t schriftuurlyke te blyven, zon ze, na ’t verwerpen van de gedemodeerde luchtvaart, op ’t aanwenden der egyptische methode van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch Stoffel, noch z’n moeder, noch zelfs een van Wouter’s zusters, onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in ’n strik van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend “Geloof” eer ’n wapen tégen haar opleverde, dan ’n schild waarachter ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter’s ... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met “Schrift” of “Heer” en hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal: “ziedaar iemand dienietgelooft, en toch ’n schelm is.” Dit “toch” zal beter op z’n plaats staan dan ’t arme woordje gewoon is, daar we ’t nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl gelooven—zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfsidentischzyn—in tegenstellend verband te brengen.Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van ’n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken met de hoop haar deserteur in ’t oog te krygen, en nam zich voor, als ’t lukte, hemunguibus et rostrisin haar nest te slepen, niet om ’t genoegen van z’n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z’n eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren schoof ze eindelyk haar venster toe, juist ’n oogenblik te vroeg om den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar ’t paleis op den Dam.Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien ... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in ’t holst van den nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet reeds ’t heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef’s net? Och, hoe pynlyk!Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog ’n paar uurtjes overtelaten aan den “Heer.” Met deze verzuchting besteeg ze haarmaagdelyke koets, ’tfrigidum lectumwaarover ’n latynsch dichter de eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat voorafgaan, luidde nu in háár mond: “ik wou liever dat de kwajongen z’n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in1 Samuel, IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte zevenklapper!”En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my in, wat daar geschiedde gedurende Wouter’s romantische omzwerving, en zorg dat m’n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van ’t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, maar ’n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem...Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me niets gebleken. In m’n archieven vind ik geen spoor van angst over ’t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, misschien wel omdat dit gevaar z’n verwanten ten-eenen-male onbekend was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo fyn intekleeden, en ’t overslaan van Wouter’s naam by ’t oproepen van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was ’n overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere lieden zouden omtrentMenschenWereldveel te leeren hebben, voor ze ’t standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze gewoon waren in ’t geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste van ’t vertrouwen, met Wouter’s muts die er ook geen kwaad in zag, juffrouw Laps ’n paar uurtjes gezelschap te houden.1—Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei de moeder.—Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by ’t ontbyt ’n kapittel uit de Schrift lezen.Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning ’n half-uurtjen in die bemoediging.—Wat zou je-n-’r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde eindelyk juffrouw Pieterse voor.—’t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in den weg van m’n school.Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit iets doen wat niet op z’n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten van ’n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep de zin was van z’n staatkundig grondbeginsel.—Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar de jongen blyft?Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de boodschap dat “Wouter waarschynlyk ’n wandelingetje maakte.”Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En ’t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z’n vertrek uit haar woning, terdeeg aan ’t wandelen geraakt... de lezer weet het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy ’n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i niet was uitgetogen in ’t holste van den nacht. En zóó ook werd de zaak door z’n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich zoo dikwyls te verwonderen had.—Daar heb je ’t weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind heb ... kyk! ’n Ander maakt ’n kuiertje na den eten, niet waar? En hy ... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf nu, Stoffel, of dat ’n manier van doen is?—Né, moeder!—En ons hier in angst te laten zitten!—Ja, moeder!—Zieje, ’t is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu weer rondloopt?—Zeker, moeder! En nu is ’t tyd voor m’n school. Dag, moeder!Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet de minste blyken gevende van bekommering over Wouter’s lot. Ook hier alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het kòn immers zyn dat den knaap ’n ongeluk overkomen was? Z’n moeder vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag, dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het, tot dokter’s Kaatje kwam.De lezer weet hoe Holsma z’n koetsier gelastte ’n oogenblik optehouden voor Wouter’s woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot uitstappen. Alles was haastig naar ’t venster geloopen ...—Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om ’t hardst, hy zit zoowaar in dokter’s koets!Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje’s geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven te zeggen. ’t Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ...nureed hy in ’n koetsje. In’s hemelsnaam, wat wil men meer?—By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom heeft de koetsier z’n beeremuts niet op?De verwonderde Kaatje beriep zich op ’t saizoen, en vond de ontvangst die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde omtrent Wouter’s geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde manier waarop haar boodschap beantwoord werd. ’t Scheen wel dat de heele familie ... ’n beetje ...—En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui ... ontbeten!—J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten ... m’nheer heeft het gezegd.—By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal?—Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat?—En ... is-i wel fatsoenlyk geweest?—Gut ja, juffrouw, maar ...—En nu zit hy met den dokter in de koets?—Wel zeker, juffrouw! Maar ...—Hoor ’ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet er niemand overspreken. Hy is ’n zonderling kind, weetje ...—Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik!—Zoo? Weetje ’t? En weetje-n-ook waarom? Dàt zalikje nu eens vertellen. Hy is zoo’n zonderling kind, omdat—ga jy even op-zy, Petrò, en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!—hy is zoo zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van ’m was ...—Gut, juffrouw!—Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van ’n kapel die ’n olifant voorttrok. Begryp je ’t nu?—O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp ’t nu heel best.—Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg dat ik wel laat bedanken. ’t Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo’n muts alleen in den winter?Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen en olifanten te droomen. Zoo’n uitspatting van den geest kwam haar zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts ’n klein staaltje gezien had.Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter’s verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, en maakte van z’n opmerkingen gebruik by ’t bepalen van den geestelyken leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, eendieetdat hy nog meende te moeten inkrimpen na ’t voorgevallene in den Schouwburg.Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met onnoodig gepeins over de mogelykheid om ’t ding te redden, dat ze—wel eenigszins met verkrachting van den zin—haar “eer” noemde. Daar zy evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor ’t nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben dan de eisch was. Ze deed niets, en door ’n byzondere welwillendheid van ’t lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. ’t Spyt me voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy ’t gemeene schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze verdiend had. Een paar dagen angst was voor haarpeccadillevolkomen genoeg. ’t Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter haar aanklagen zou.Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma’s gebleven. Den volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan, hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z’n gemoed omging, doch onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen brengen dat-ibyzonderwas. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy luisterde naar Wouter’s ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, en stelde z’n onbegrensde eerzucht—of liever z’n voorbarige en overspannen zucht naar ’t goede: z’nGod-zyn—als ’n gewoon verschynsel voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest worden geruimd. Ook Wouter’s liefde voor Femke, behandelde hy als ’n zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z’n eigen ondervinding aan, en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over ’t hoofd gezien dat men zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende heiligheid aangewreven door vervalschers? Meendenzymisschien dat de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z’n goddelyke natuur moest worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing tot méér danMensch, ’n verlaging was beneden ’t peilder Mensheid, die juist aan den specifisch-menschelykenstryd tegen afdwaling, haar hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer ’t onbruikbaar-goddelykeuitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf.Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig enwaar, zette zich niet op ’n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in z’n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het kwam hem voor, dat z’n patiënt aan zulke behandeling behoefte had, en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z’n gemoed uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den ongeoefenden spreker bemerken—en hierom was ’t Holsma te doen—dat z’n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: “is ’t anders niet?” en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk:—Zeker, zeker, m’n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... allesgoed-maken, niet waar? Je hebt ’n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy ... o ja, ja, ik ken dat zeer goed!Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste staan. Hoe zou je ’t aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg.—Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen, dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die ’tzelfde wenschen als jy. Waarom veranderenzyde wereld niet?Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde hem. Maar Holsma drong op antwoord aan.—Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je datik’n goed mensch ben?—O ja, riep Wouter hartelyk.—Ei? Nu, ik geloof ’t ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde zeggen. Waarom dan veranderikde wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls van Afrika—omdat je dat land niet kent, m’n jongen!—welnu, ik die ’n goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom niet, denkje? Antwoord eens.Wouter was volstrekt geendebater. ’t Lag niet in z’n eerlyken aard, het geven van ’n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen demeening die hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma bezig was met ’n amputatie. Is ’t wonder dat de patiënt het deel van z’n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok?—Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van ’n smedery hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert?—By ziekte?—Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik dat niet?—Omdat ... u niet kan, m’nheer.—Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie, toen je onwel was—’t was er warm!—nam ik je mee, en ik heb je verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m’n plicht, niet waar?—O, m’nheer...—Geen dank, m’n jongen! ’t Kwam me voor, dat het m’n plicht was, en ik deed het:omdat het kòn. Watnietkan, is m’n plicht niet! En daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te verzetten naar ’n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je weleens op-school je les niet gekend?—O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke...—Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit nu is de fout van veel jongeluî, en—word er niet boos om: ik was ook zoo!—ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker zich te verbeelden dat men zweeft boven ’n berg die heel in de verte ligt, dan in werkelykheid z’n voet optelichten om over ’n steentje te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudtwillendoen, zyn er slechts weinigen die je zoudtkunnendoen. Bemoei ie voorloopig alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd jezelf af: “wat wordt erop dit oogenblikvan me gevorderd?” en gebruik niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je tegenwoordig standpunt? Wel, maak je ’n beter standpunt waard! Dit is de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf by elke gelegenheid af: wat is m’nnaast-byliggendeplicht? Kun je me dit beloven?Wouter gaf er de hand op.—En je wou zoo graag meerweten? Ik ook, m’n jongen! Laatons zien wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu zeer in ’t byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... ’t is op dit oogenblik je naast-byliggende plichtniet! ’t Beetje latyn dat onze Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in ’n paar maanden geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in ’twillen.Wat zou ’t nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn vanzelf, en ’t grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet, die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van ’n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over ’t hoofd groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het leven ’n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen leven is. Begryp je dit?Wouter knikte toestemmend.—De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat men doen moet, zelfs ’t geringe. Wat zou je zeggen van ridders die zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet ’n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom my over ’n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, maar... dàt eerst! Zal je ’t doen?—O zeker, zeker! Maar... m’nheer, mag ik u nu vragen naar...—Naar Femke? Wel, dat is ’n best meisjen, ’n heel braaf kind, en ’n nichtje van me.—Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze...—Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant waren. Hierin is niets byzonders, kereltje!—Een wezenlyke prinses?—Ja, en Fem is ’n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht toch aan zulke dingen zoo’n gewicht niet. Men ziet dat afwyken van familievertakkingen dagelyks. Of, alzietmen ’t niet, hetiszoo. Er moet ’n tyd geweest zyn dat Erika’s voorouders zich in beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy ’t weet dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Datwy’t weten... nu ja, m’n broer Sybrand schept genoegen in ’t opsporen der overeenstemming van schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by ’t kippenhok gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent:alles raakt elkaar! Wie weet of ’t niet invloed heeft op de Geschiedenis, dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook?—Ouwetyd en Kopperlith, m’nheer....dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar me luisteren wilt. Zal je ’t doen?—Heusch, m’nheer! Maar... Femke?—Daar heb je ’t al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht te maken. De eenige dame die je voor ’t oogenblik dienen moogt, is... nu, wie?—De... handel?—Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken dan aan je werk...—O, ik zàl, ik zàl!—Nog wel tien jaren lang.—Tien jaren?Tien?—Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist, en zoo weinig kon.—Tienjaren?—Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen.—Tienjaren?—Zóó zei ze.—Ik zàl!—Heel goed, m’n jongen. ’t Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste maand. Zoo breek je den tyd. Over ’n week of vyf wacht ik je hier. Dan zullen we verder zien.Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i “alle gekheid” uit z’n gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy bewaarde z’n rozeknopjes, al was ’t hem niet helder of de vereering van deze reliek—het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche stormperiode overbleef—’n prinses gold, of ’n bleekmeisjen, of beiden, of de kleine Sietske Holsma, of ’t portret uit de zykamer, of z’n ideaal dat hyzelf samentooverde door ’t onwillekeurig ineensmelten van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met heldhaftigheid z’n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren van z’n eigen gemoed? Omdezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men zich slechts aftevragen, of z’n fantazie werkeloos zou gebleven zyn, indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, dezucht om goed te zynhem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z’n overspannen eerzucht en de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten.Onder de aandoeningen die hy na ’t gesprek met Holsma moest terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar ’n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma’s verzekering óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn, die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te vertoonen als kindermeisjen of als dochter van ’n waschvrouw. Een prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde, eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, of liever... ’t was er geen. Als ’n bliksem schoot hem nu ook de indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige kwam zoo juist overeen met z’n droomen en luchtbeelden, dat het hem meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing vanGenesis, nu eens-vooral meenen te weten: “waar alles vandaan gekomen is” en geen lust hebben in ’n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor zekere gemoederen slechts de fabel ’t kenmerk van de waarheid draagt.Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd ontvankelyk voor ’t buitengewone, voor ’t wonderbare, voor ’t onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen wasaan gewone aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen, als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen die ’t onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht hooger stond, maar of ’t hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen als neerbuiging om-zynentwil, als ’n poging om ’n taal te spreken die verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. “Ze houdt zich zoo om my niet afteschrikken” zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z’n geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging hy voort, al was dan ook ’t punt van uitgang sedert lang uit het oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van ’t Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee ons Geslacht in z’n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over ’t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten.Wouter vroeg niet meer: “zouzy’t zusje wezen, dat ik zoek?” maar de behoefte aan ineensmelting met ’n wezen, dat hy wilde toebehooren—in-verband altyd met z’n zucht naar kennis en stryd—bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze neiging bevredigend op z’n begeerte om de vele byzaken die hy niet begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om zich aftevragen: “wat wàs er toch?” als om zich toeteroepen: “zeker, zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!” Dat mysterieuze-zelf was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd ’n blyk van z’n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als ’n bewogen water waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zienwil, hoe onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling van den door haarzelf in roering gebrachten vloed!Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet—uit weeldeliefhebbery dan—’n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld op die tafel, noch de een noch de ander... ’n derde verschyning dus! Drie? ’t Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te bevredigen van ’n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke beminde, maar... deLiefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren, en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z’n menschkundigen vriend gegrond.Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs opteklimmen tot dePoëzie der Werkelykheiddie zooveel hooger staat dan liefelyk-bontgekleurde—maar kinderachtige, onvoedzame en dus verderfelyke—droomery!Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals sommige romanschryvers—hofmakend aan ’t gemeen—weleens voorgeven te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk “van de familie” was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon.Voor ’t ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben we—precies weer als Wouter zelf—vervelender dingen te behandelen. Zóó immers moet m’n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet op ’t leven te gelyken, wat ’n fout wezen zou, ’n groote fout... de gewone!1Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der meisjes Pieterse betoogt M. aan ’t slot van I. 1184, dat alle studieascetismevordert: een oratio pro domo!
Ariadnismemet modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen.Wouterkrygt les, en wordt—als de lezer—uitgenoodigd zich ’n tydje te spenen van romantiek.
Ariadnismemet modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen.Wouterkrygt les, en wordt—als de lezer—uitgenoodigd zich ’n tydje te spenen van romantiek.
Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m’n lezers genoeg menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt wel dat de belezen mensch onzer dagen z’n gevoelighedensheeft opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich moê getreurd op ’t legio modellen van verlatenheid, die ons sedert eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo waarop juffrouw Laps ’n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars, van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn met sierlyke spraakwending: “de ongelukkigste der vrouwen” te noemen, en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- insteekkamer, ’n ware tempel van verschillende smarten.
Het is geenszins m’n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de “belangwekkendste der stervelingen” doet zien. De lezer zal erkennen dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m’n jongetje nu-en-dan niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter’s verdienste zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf voedde haar verdriet niet uitsluitend met ’n droevig staren op de waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen die ze ’t weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel, en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die andere dames, meen ik te mogen in ’t midden brengen, dat er onder die gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo’n gek figuur maakte tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z’n familie. Dàt was het!
De zonderlingste plannen gingen haar door ’t hoofd. Hoe zou ’t zyn, als ze vertelde dat-i was “weggenomen” van voor de oogen des Volks, en opgevaren in ’n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld, uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik, als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit zy gezegd zonder ’t minste wantrouwen op de historische grondslagen van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder in elkaar te storten als ’n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht geheel-en-al ’t gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (ICorinthen,XV, vs 14.)
Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend verstand! Maar... wat dan?
Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel gebleven was onder de volksmenigte die er vóórstond. Misschien ook had deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe vèr? ’t Land uit? Naar... Amerika of ’t peperland? Dit zou zoo kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig voor z’n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z’n verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z’n medeplichtigheid niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z’n eigen belang, en ’t schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten uit oorzaken van anderen aard.
Om by ’t schriftuurlyke te blyven, zon ze, na ’t verwerpen van de gedemodeerde luchtvaart, op ’t aanwenden der egyptische methode van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch Stoffel, noch z’n moeder, noch zelfs een van Wouter’s zusters, onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in ’n strik van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend “Geloof” eer ’n wapen tégen haar opleverde, dan ’n schild waarachter ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter’s ... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met “Schrift” of “Heer” en hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal: “ziedaar iemand dienietgelooft, en toch ’n schelm is.” Dit “toch” zal beter op z’n plaats staan dan ’t arme woordje gewoon is, daar we ’t nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl gelooven—zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfsidentischzyn—in tegenstellend verband te brengen.
Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van ’n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken met de hoop haar deserteur in ’t oog te krygen, en nam zich voor, als ’t lukte, hemunguibus et rostrisin haar nest te slepen, niet om ’t genoegen van z’n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z’n eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren schoof ze eindelyk haar venster toe, juist ’n oogenblik te vroeg om den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar ’t paleis op den Dam.
Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien ... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in ’t holst van den nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet reeds ’t heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef’s net? Och, hoe pynlyk!
Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog ’n paar uurtjes overtelaten aan den “Heer.” Met deze verzuchting besteeg ze haarmaagdelyke koets, ’tfrigidum lectumwaarover ’n latynsch dichter de eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat voorafgaan, luidde nu in háár mond: “ik wou liever dat de kwajongen z’n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in1 Samuel, IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte zevenklapper!”
En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my in, wat daar geschiedde gedurende Wouter’s romantische omzwerving, en zorg dat m’n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van ’t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, maar ’n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem...
Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me niets gebleken. In m’n archieven vind ik geen spoor van angst over ’t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, misschien wel omdat dit gevaar z’n verwanten ten-eenen-male onbekend was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo fyn intekleeden, en ’t overslaan van Wouter’s naam by ’t oproepen van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was ’n overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere lieden zouden omtrentMenschenWereldveel te leeren hebben, voor ze ’t standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.
En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze gewoon waren in ’t geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste van ’t vertrouwen, met Wouter’s muts die er ook geen kwaad in zag, juffrouw Laps ’n paar uurtjes gezelschap te houden.1
—Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei de moeder.
—Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by ’t ontbyt ’n kapittel uit de Schrift lezen.
Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning ’n half-uurtjen in die bemoediging.
—Wat zou je-n-’r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde eindelyk juffrouw Pieterse voor.
—’t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in den weg van m’n school.
Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit iets doen wat niet op z’n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten van ’n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep de zin was van z’n staatkundig grondbeginsel.
—Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar de jongen blyft?
Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de boodschap dat “Wouter waarschynlyk ’n wandelingetje maakte.”
Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En ’t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z’n vertrek uit haar woning, terdeeg aan ’t wandelen geraakt... de lezer weet het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy ’n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i niet was uitgetogen in ’t holste van den nacht. En zóó ook werd de zaak door z’n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich zoo dikwyls te verwonderen had.
—Daar heb je ’t weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind heb ... kyk! ’n Ander maakt ’n kuiertje na den eten, niet waar? En hy ... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf nu, Stoffel, of dat ’n manier van doen is?
—Né, moeder!
—En ons hier in angst te laten zitten!
—Ja, moeder!
—Zieje, ’t is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu weer rondloopt?
—Zeker, moeder! En nu is ’t tyd voor m’n school. Dag, moeder!
Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet de minste blyken gevende van bekommering over Wouter’s lot. Ook hier alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het kòn immers zyn dat den knaap ’n ongeluk overkomen was? Z’n moeder vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag, dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het, tot dokter’s Kaatje kwam.
De lezer weet hoe Holsma z’n koetsier gelastte ’n oogenblik optehouden voor Wouter’s woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot uitstappen. Alles was haastig naar ’t venster geloopen ...
—Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om ’t hardst, hy zit zoowaar in dokter’s koets!
Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje’s geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven te zeggen. ’t Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ...nureed hy in ’n koetsje. In’s hemelsnaam, wat wil men meer?
—By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom heeft de koetsier z’n beeremuts niet op?
De verwonderde Kaatje beriep zich op ’t saizoen, en vond de ontvangst die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde omtrent Wouter’s geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde manier waarop haar boodschap beantwoord werd. ’t Scheen wel dat de heele familie ... ’n beetje ...
—En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui ... ontbeten!
—J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten ... m’nheer heeft het gezegd.
—By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal?
—Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat?
—En ... is-i wel fatsoenlyk geweest?
—Gut ja, juffrouw, maar ...
—En nu zit hy met den dokter in de koets?
—Wel zeker, juffrouw! Maar ...
—Hoor ’ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet er niemand overspreken. Hy is ’n zonderling kind, weetje ...
—Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik!
—Zoo? Weetje ’t? En weetje-n-ook waarom? Dàt zalikje nu eens vertellen. Hy is zoo’n zonderling kind, omdat—ga jy even op-zy, Petrò, en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!—hy is zoo zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van ’m was ...
—Gut, juffrouw!
—Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van ’n kapel die ’n olifant voorttrok. Begryp je ’t nu?
—O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp ’t nu heel best.
—Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg dat ik wel laat bedanken. ’t Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo’n muts alleen in den winter?
Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen en olifanten te droomen. Zoo’n uitspatting van den geest kwam haar zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts ’n klein staaltje gezien had.
Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter’s verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, en maakte van z’n opmerkingen gebruik by ’t bepalen van den geestelyken leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, eendieetdat hy nog meende te moeten inkrimpen na ’t voorgevallene in den Schouwburg.
Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met onnoodig gepeins over de mogelykheid om ’t ding te redden, dat ze—wel eenigszins met verkrachting van den zin—haar “eer” noemde. Daar zy evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor ’t nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben dan de eisch was. Ze deed niets, en door ’n byzondere welwillendheid van ’t lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. ’t Spyt me voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy ’t gemeene schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze verdiend had. Een paar dagen angst was voor haarpeccadillevolkomen genoeg. ’t Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter haar aanklagen zou.
Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma’s gebleven. Den volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan, hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z’n gemoed omging, doch onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen brengen dat-ibyzonderwas. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy luisterde naar Wouter’s ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, en stelde z’n onbegrensde eerzucht—of liever z’n voorbarige en overspannen zucht naar ’t goede: z’nGod-zyn—als ’n gewoon verschynsel voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest worden geruimd. Ook Wouter’s liefde voor Femke, behandelde hy als ’n zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z’n eigen ondervinding aan, en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over ’t hoofd gezien dat men zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende heiligheid aangewreven door vervalschers? Meendenzymisschien dat de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z’n goddelyke natuur moest worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing tot méér danMensch, ’n verlaging was beneden ’t peilder Mensheid, die juist aan den specifisch-menschelykenstryd tegen afdwaling, haar hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer ’t onbruikbaar-goddelykeuitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf.
Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig enwaar, zette zich niet op ’n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in z’n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het kwam hem voor, dat z’n patiënt aan zulke behandeling behoefte had, en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z’n gemoed uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den ongeoefenden spreker bemerken—en hierom was ’t Holsma te doen—dat z’n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: “is ’t anders niet?” en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk:
—Zeker, zeker, m’n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... allesgoed-maken, niet waar? Je hebt ’n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy ... o ja, ja, ik ken dat zeer goed!
Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste staan. Hoe zou je ’t aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg.
—Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen, dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die ’tzelfde wenschen als jy. Waarom veranderenzyde wereld niet?
Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde hem. Maar Holsma drong op antwoord aan.
—Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je datik’n goed mensch ben?
—O ja, riep Wouter hartelyk.
—Ei? Nu, ik geloof ’t ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde zeggen. Waarom dan veranderikde wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls van Afrika—omdat je dat land niet kent, m’n jongen!—welnu, ik die ’n goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom niet, denkje? Antwoord eens.
Wouter was volstrekt geendebater. ’t Lag niet in z’n eerlyken aard, het geven van ’n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen demeening die hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma bezig was met ’n amputatie. Is ’t wonder dat de patiënt het deel van z’n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok?
—Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van ’n smedery hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert?
—By ziekte?
—Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik dat niet?
—Omdat ... u niet kan, m’nheer.
—Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie, toen je onwel was—’t was er warm!—nam ik je mee, en ik heb je verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m’n plicht, niet waar?
—O, m’nheer...
—Geen dank, m’n jongen! ’t Kwam me voor, dat het m’n plicht was, en ik deed het:omdat het kòn. Watnietkan, is m’n plicht niet! En daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te verzetten naar ’n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je weleens op-school je les niet gekend?
—O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke...
—Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit nu is de fout van veel jongeluî, en—word er niet boos om: ik was ook zoo!—ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker zich te verbeelden dat men zweeft boven ’n berg die heel in de verte ligt, dan in werkelykheid z’n voet optelichten om over ’n steentje te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudtwillendoen, zyn er slechts weinigen die je zoudtkunnendoen. Bemoei ie voorloopig alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd jezelf af: “wat wordt erop dit oogenblikvan me gevorderd?” en gebruik niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je tegenwoordig standpunt? Wel, maak je ’n beter standpunt waard! Dit is de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf by elke gelegenheid af: wat is m’nnaast-byliggendeplicht? Kun je me dit beloven?
Wouter gaf er de hand op.
—En je wou zoo graag meerweten? Ik ook, m’n jongen! Laatons zien wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu zeer in ’t byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... ’t is op dit oogenblik je naast-byliggende plichtniet! ’t Beetje latyn dat onze Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in ’n paar maanden geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in ’twillen.Wat zou ’t nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn vanzelf, en ’t grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet, die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van ’n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over ’t hoofd groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het leven ’n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen leven is. Begryp je dit?
Wouter knikte toestemmend.
—De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat men doen moet, zelfs ’t geringe. Wat zou je zeggen van ridders die zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet ’n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom my over ’n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, maar... dàt eerst! Zal je ’t doen?
—O zeker, zeker! Maar... m’nheer, mag ik u nu vragen naar...
—Naar Femke? Wel, dat is ’n best meisjen, ’n heel braaf kind, en ’n nichtje van me.
—Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze...
—Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant waren. Hierin is niets byzonders, kereltje!
—Een wezenlyke prinses?
—Ja, en Fem is ’n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht toch aan zulke dingen zoo’n gewicht niet. Men ziet dat afwyken van familievertakkingen dagelyks. Of, alzietmen ’t niet, hetiszoo. Er moet ’n tyd geweest zyn dat Erika’s voorouders zich in beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy ’t weet dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Datwy’t weten... nu ja, m’n broer Sybrand schept genoegen in ’t opsporen der overeenstemming van schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by ’t kippenhok gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent:alles raakt elkaar! Wie weet of ’t niet invloed heeft op de Geschiedenis, dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook?
—Ouwetyd en Kopperlith, m’nheer.
...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar me luisteren wilt. Zal je ’t doen?
—Heusch, m’nheer! Maar... Femke?
—Daar heb je ’t al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht te maken. De eenige dame die je voor ’t oogenblik dienen moogt, is... nu, wie?
—De... handel?
—Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken dan aan je werk...
—O, ik zàl, ik zàl!
—Nog wel tien jaren lang.
—Tien jaren?Tien?
—Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist, en zoo weinig kon.
—Tienjaren?
—Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen.
—Tienjaren?
—Zóó zei ze.
—Ik zàl!
—Heel goed, m’n jongen. ’t Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste maand. Zoo breek je den tyd. Over ’n week of vyf wacht ik je hier. Dan zullen we verder zien.
Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i “alle gekheid” uit z’n gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy bewaarde z’n rozeknopjes, al was ’t hem niet helder of de vereering van deze reliek—het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche stormperiode overbleef—’n prinses gold, of ’n bleekmeisjen, of beiden, of de kleine Sietske Holsma, of ’t portret uit de zykamer, of z’n ideaal dat hyzelf samentooverde door ’t onwillekeurig ineensmelten van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met heldhaftigheid z’n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren van z’n eigen gemoed? Omdezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men zich slechts aftevragen, of z’n fantazie werkeloos zou gebleven zyn, indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, dezucht om goed te zynhem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z’n overspannen eerzucht en de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten.
Onder de aandoeningen die hy na ’t gesprek met Holsma moest terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar ’n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma’s verzekering óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn, die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te vertoonen als kindermeisjen of als dochter van ’n waschvrouw. Een prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde, eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, of liever... ’t was er geen. Als ’n bliksem schoot hem nu ook de indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige kwam zoo juist overeen met z’n droomen en luchtbeelden, dat het hem meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing vanGenesis, nu eens-vooral meenen te weten: “waar alles vandaan gekomen is” en geen lust hebben in ’n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor zekere gemoederen slechts de fabel ’t kenmerk van de waarheid draagt.
Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd ontvankelyk voor ’t buitengewone, voor ’t wonderbare, voor ’t onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen wasaan gewone aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen, als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen die ’t onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht hooger stond, maar of ’t hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen als neerbuiging om-zynentwil, als ’n poging om ’n taal te spreken die verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. “Ze houdt zich zoo om my niet afteschrikken” zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z’n geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging hy voort, al was dan ook ’t punt van uitgang sedert lang uit het oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van ’t Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee ons Geslacht in z’n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over ’t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten.
Wouter vroeg niet meer: “zouzy’t zusje wezen, dat ik zoek?” maar de behoefte aan ineensmelting met ’n wezen, dat hy wilde toebehooren—in-verband altyd met z’n zucht naar kennis en stryd—bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze neiging bevredigend op z’n begeerte om de vele byzaken die hy niet begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om zich aftevragen: “wat wàs er toch?” als om zich toeteroepen: “zeker, zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!” Dat mysterieuze-zelf was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd ’n blyk van z’n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als ’n bewogen water waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zienwil, hoe onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling van den door haarzelf in roering gebrachten vloed!
Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet—uit weeldeliefhebbery dan—’n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld op die tafel, noch de een noch de ander... ’n derde verschyning dus! Drie? ’t Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te bevredigen van ’n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke beminde, maar... deLiefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren, en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z’n menschkundigen vriend gegrond.Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs opteklimmen tot dePoëzie der Werkelykheiddie zooveel hooger staat dan liefelyk-bontgekleurde—maar kinderachtige, onvoedzame en dus verderfelyke—droomery!
Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals sommige romanschryvers—hofmakend aan ’t gemeen—weleens voorgeven te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk “van de familie” was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon.
Voor ’t ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben we—precies weer als Wouter zelf—vervelender dingen te behandelen. Zóó immers moet m’n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet op ’t leven te gelyken, wat ’n fout wezen zou, ’n groote fout... de gewone!
1Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der meisjes Pieterse betoogt M. aan ’t slot van I. 1184, dat alle studieascetismevordert: een oratio pro domo!
1Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der meisjes Pieterse betoogt M. aan ’t slot van I. 1184, dat alle studieascetismevordert: een oratio pro domo!