Chapter 8

Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare halsboorden.Non omnibus licet...zonder de minste toespeling op Corinthe.Fancy’s luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk uitgenoodigd z’n verwachting op de leest van het dagelyksche te schoeien.De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan ’t meerendeel van z’n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of niet geslapen, en verliet z’n bedstee zoodra ’t licht werd, drie volle uren alzoo voor-i zich had aantemelden op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Wat z’n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, en vooral, zich uitsluitendbezig-houdenmet het dagelyksche, maar juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, voerde hy ’n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan delezer, die na al ’t vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, om belangtestellen in ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.—Zeker, zeker, dacht hy—nu-en-dan overluid—ik zal braaf oppassen, en terdeeg m’n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m’n plicht in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet waar ze m’n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet vragen aan Vrouw Claus, wie haar in ’t hoofd gezet heeft dat ik op ’n paard reed? En dat ik ’n sabel op-zy had... ’n kleintje, zei ze. Nu, klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze ’r aan?En... datStakkervrouwtje?En... dat portret!Ik wil en zàl denken aan m’n werk, alleen aan m’n werk, en aan de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den heelen “Strabbe” en moeielyker dan vanStrabbe, zullen de sommen op zoo’n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan vanStrabbezyn de sommen op zoo’n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den heelenStrabbedoorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord toen ze jong waren. Datikde eerste ben geworden by Pennewip, heb ik aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik ’t knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, in lang niet! Later... ja, toen ik ’t geworden was om haar pleizier te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m’n werk! Alle Grieken zullen vermoord zyn, voor ik ’n wezenlyke man ben. En... Femke zal trouwen met ’n matroos, of ’n timmerman, of... met ’n schipper die ’n bonte muts draagt, of... met ’n prins, als ze wil!Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in zoo’n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heeleScyllawas niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet.Zoodra ik heelemaal groot ben—ik meen: als ik den handel versta, want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl ik!—nu, later dan, wil ik ook eens ’n treurspel maken, en zóó dat ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en ’t Volk, en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van ’n geroofd schild,en ... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, zóó zal ’t wezen, juist andersom dan inScylla. En ik wou m’n stuk wat minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er volgen zou, want als de een wat zei van z’n hart, vertelde terstond ’n ander iets over z’n smart. ’n Enkele keer hindert het niet, maar op-den-duur is ’t heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus:weerhou die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat ’n grieksche held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen mee dat z’n beminde voor hem stierf—ikzou ’t ook niet toestaan—dat was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was ’t weer om ’t rym. Daarom zal ik niet rymen in m’n treurspel. Niet altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ...Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,My weglokt van de taak die op me rust.Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,En tracht me wegtestelen van m’n plicht ...Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heenOmdat ik altyd nog mezelf niet ben,En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept.En stom, als ’t hart me berst van drang tot uiting.Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...—Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op?—Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik was opgestaan omdat het zoo warm was in ’t bed, en ... en ... dáár sprak ik over!Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd!En nogeens dwaalden z’n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z’nStrabbe. Met dat boek bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van ’t ontbyt.Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, en was mild in ’t uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter zich in z’n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral heel fatsoenlyk wezen, en door z’n gedrag de heeren opwekken tot het besef der goede hoedanigheden van z’n moeder. Ook was ’t niet kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma’s op den Kolveniersburgwal gelogeerd had, en dat de schoenen van z’n vader ...—Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z’n tyd op ’t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van.—Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je boordje, en dat stáát niet voor ’n jongen die al op ’n kantoor is.Dat boordje—amsterdamismus voor: halskraag—had ’n groote rol gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De belangstellende lezer herinnert zich zeker ’t jukkraagje, waaronder Wouter gebukt ging toen we ’t eerst kennis met hem maakten in de Hartenstraat. Door ’n verdrietige gaping in m’n archief—daarvan zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!—ben ik niet in-staat met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar “den handel” ’n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten van juffrouw Pietersen’s hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z’n wangen bedykten, maakten op hem ’n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk dien van ’ntoga virilis. Vervolgens ’n paar roode streepen, die den weg wezen van z’n mondhoeken naar z’n ooren. Hy was er grootsch op, en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid ’n lastige keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich uit zien om z’n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem ’n zot voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar ’t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst moest winnen van z’n nieuwe chefs. Dus:—Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links, ’n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes—’t zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, Trui?—je moet je niet aanstellen als ’n wilde.Van wildheid was geen spraak, toen Wouter ’n kwartiertje na deze laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, helaas, ’t scheen wel of reeds z’n eerste aanraking met die firma ’n misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich—niet zeer oprecht uitlokkend, maar bruikbaar toch—den bezoeker aan. Een dubbele glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf ’n “opgaande stoep” gelegenheid om doortedringen tot ’n soort vanbel-étage. Wouter, vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg ’t geschiktste,en met niet zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op ’t bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde hy door ’t venster van de “zykamer” het gelaat eener bejaarde dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z’n figuurtje scheen te monsteren. ’t Scheen wel dat ze hem de stoep wou afkyken. Wouter had er ’n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo klein mogelyk. ’t Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die z’n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep te staan van ’n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van ’t geschut uit die zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan ’t herhalen van z’n klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was ’n moed noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte hem nu Holsma’s heerlyk voorschrift om altyd flink z’n naastbyliggenden plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die stoep? In ’s hemelsnaam: hy wachtte!Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannenen place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren zich zeer, waarin ik dan ook ’t heel eenig kenmerk vind, dat hen uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z’n hoede is, wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die deNatuurlyke Historie der Kleinstädtereitot onderwerp van hun studien kozen, verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op ’t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die door ’n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, zeer lang wachten op ’t openen van de huisdeur. Het schynt dat dead hocdienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, maar de aanzienlykheid draagt in myn mond ’n heel anderen naam. Ze komt my—met het oog op de van dit woord in m’n vorigen bundel gegeven definitie—ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftiggeduld. Heel eindelyk werd de deur door ’n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om Wouter toetesnauwen:—Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa’s je booschap? Je skelthuis, jonge! Ik ken niet f’r jou plessier den heelen dag de skel naloope. Waarom skel jehuis?By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: “je skelthuis”... wat is dàt?—Of skel jekeuke?Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren door de benamingen “keuken” en “huis.” Wie groente, vleesch, boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang tot hetsalon—’n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien zullen—mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch z’n opwachting maken wilde aan “mevrouw”—zouzy’t wezen, die zoo onlieftallig door ’t venster van de zykamer gegluurd had?—Wouter erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z’n identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.Door m’n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken tot ’n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak ik van ’n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was de waarheid, maar... eendeur? Vervloekte hyperbolen: ’t was ’n halve! De huisdeur waarachter ’n rechtgeaard Amsterdammer z’n vrouw, z’n effekten en z’n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd zyn, voor men hem door ’t openen van de onderste helft, den toegang vry laat. De zeer letterlyk-exklusievestrekking dezer byzonderheid ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken voorbyganger schynen toeteroepen: “mynhuis, je komt er niet in!” En nog zyn er gevoellooze bedillers, die ’t den Amsterdammer van zulk gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo’n benauwde levensopvatting in den regel ’n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan.En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door ’t venster van de zykamer. ’t Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar ’t venster, en wenkte Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z’nhoed af, en schoof blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook ’n bel, en daarnaast las hy ’t woord:magazyn.Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo omstreeks ’tzelfde zyn. En hy belde.De persoon die belast was met het “naloopen” van deze schel, zou alweer zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor ’n kurator of superintendent van ’t respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z’n denkvermogen, is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte—en op den klank af geoordeeld, eenigszins toornig—tegen ’n glasruit van de zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De m’nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door het afnemen van z’n hoed—had niet z’n moeder hem vóór alles, fatsoenlykheid aangeprezen?—en hy waagde nu ’n harder trekje, dat nog al tyd niet terstond door ’t openen van de deur gevolgd werd. Het scheen wel dat de Cerberus van ’t “magazyn” ’n zeer hoog denkbeeld koesterde van ’t respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig hadden. De man overdreef z’n yver. Dit begon zelfs de heer in de zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: “schel nògeens voor den drommel!” met ’n uitdrukking alsof Wouter ’t helpen kon dat er niemand kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef, vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet.Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken in ’t “magazyn.” Het was een van die lokalen welker afmetingen men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met ’n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van ’t huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten, werden bygestaan door ’t schuins hoekje venster dat z’n hypothenuze gemeen had met de stoep, en bovendien door ’n ander raampje dat aan de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit venstertje z’n licht ontving, heette “het kantoortje” in tegenstelling van ’t “kantoor” dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens de “laagte” van ’t magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op ’t peil van den vloer. Een volwassen man kon met z’n opgeheven hand de zoldering bereiken, en de bodem lag ’n voet of drie beneden den beganen grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht uitliepen, dan juist voor debewoners noodig was om niet te worden meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl ’t werk alleen kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van ’t midden, vry duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling van ’n boven de zoldering van ’t magazyn gelegen binnenplaatsje, iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet recht. Een lantaarn, of ’n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis van bekrompenheid—in alle beteekenissen!Voor-zoover Wouter’s blikken in ’t magazyn konden doordringen, bemerkte hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door ’n breede tafel, waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts ’n nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen aan ’t vooreind, tusschen ’t “kantoortjen” en de glasdeur, was eenige ruimte overgelaten, waar ’n meubel op schragen stond, dat hy later leerde kennen en waardeeren als “de paktafel.”Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die duisternis, maar wel kwam ’t hem voor, dat de duisternis zelf zich begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En dat zwarte werd—zonder overyling altyd—wat bruiner en gryzer en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en my niets, lezer, maar Wouter was aan ’t versteenen geraakt, en stond op het punt vasttegroeien in z’n wachtstemming. Alle verwondering over de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. ’t Scheelde weinig of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats daarvan echter, nam hy—voor de hoeveelste maal nu reeds!—z’n hoedjen af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets.—Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op ’t kantoor komen zou?—J...a...a, m’nheer!—Zoo? Je hoeft geen m’nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit ... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m’n naam Schlossmann, maar och ... wat heeft ’n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje, de kantoorknecht. Kom maar in!Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar het hol. Z’n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, was ’n onwillekeurige greep naar z’n neus. Want ... de stank was onverdragelyk.—O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat reukjen is niet van ’t magazyn—ik zeg maarkelder, weetje, want zoo zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed—die lucht is van den kelder niet, maar van de riolen, weetje!Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in ’t lyden!—O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in ’n geur. O ... zoo!—Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur op planken, zieje. Als ’t den grond raakte, zou ’t verrotten. Kom mee naar ’t kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder—de jongeheeren zeggen tegenwoordig:magazyn... fransche wind allemaal ... ’n engelschenotting, weetje! Nou, ze hebben ’t van dien mallen Wullekes!—je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal ’t je wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste keer is, en omdat je ’t niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ...Gelukkig!... maar anders, weetje, wie op ’t kantoor wezen mot, komt in door de Vellestraat. ’t Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-’t maar eens weet. En daarom zal ik ’t je wyzen. Kom maar mee. Maar zet je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen negenen. ’t Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik zei tegen de meid dat zy zou opendoen—in de bovengang, weetje—want dat het zeker ’n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i schellen moest. Maar ze wou niet—’n lui beest is ze!—en ik zei: ’t gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier ’n tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien?Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd & Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i ’t niet wist.—Nou, raad eens!Elk ander zou ’n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven ’n ander getal. Waaromtwintig? Waaromdertig? Waarom meer of minder? Hy bleef er by dat-i ’t “heusch” niet wist, en ook geen kans zag het te raden.—Zoo? Nou, dan zal ik ’t je zeggen. Verléje Pinkster was ’t drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan?—Hè!—Ja, ’t is ’n lange tyd, niet waar? Als je ’r vóór staat, denk je dat het wat is. En als ’t voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal ... ’n engelschenotting! Dat zal je zien, als je-n-’n ouwe kerel wordt, want nu ben je maar ’n jong borssie. ’t Zal me benieuwen of je-u-’t zult kunnen vinden met Wullekes, metm’nheerWullekes. Want tegen hem moet je “m’nheer” zeggen, schoon ik ’m gekend heb zoo kaal als ’n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z’n neus te snuiten, en hy liep me na als ’t horloge van ’n trekschipper die ’n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal wind! En wat is ’t? ’n engelschenotting! En z’n vrouw—ook ’n gekkin van de bovenste plank!—praat altyd over prinsessen die ze-n-eens gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie ’m kent, koopt ’m niet! Nou, je zal ’t zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder moet maar altyd z’n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar die Wullekes ...Kyk, hier is ’t. Tusschen de olievaten moet je door—’t is hier altyd even smerig, dat komt van ’t lekken, want die vaten lekken altyd—maar eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je vanzelf op ’t kantoor.Wanneer Gerrit Sloos met dit “vanzelf” bedoelde: gemakkelyk, geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op ’n niet onprettige manier ... ’t zy zoo! Over den smaak valt niet te twisten. Gerrit zal ’t maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben.Onder ’t luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en de gang naast het oliepakhuis diep in z’n geheugen, om zeker te zyn dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem zoo hadden gepynigd aan den voorkant van ’t huis. Dat die verheven stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de “zaak” waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er lag op dat terrein ’n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker moest gedoogen dat er op de deurpost van z’n lokaal ’n ovaal bordje pronkte met het opschrift: “Ingang naar ’t kantoor vanOuwetyd & Kopperlith.” Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, doch hy nam z’n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk niet dóór kon zonder ’n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw Pieterse heeftdaarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat gaat niet!Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor ’n fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de handelswereld.Multa tulit!By ’t nalezen der laatste helft van ’t vorig hoofdstuk, bemerk ik, ’n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar ’t “kantoor” leidde, te hebben overgeslagen. Na ’t voorbyworstelen van de glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis van ’n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, waarop ’t kantoor “uitzag.” De lezer die op nauwkeurigheid gesteld is—anderen zyn me onverschillig—wordt gewaarschuwd deze binnenplaats niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht meedeelde aan ’t magazyn. Tusschen die beide “open-luchtjes” in, lag ’n groot gedeelte van ’t huis, dat lang, smal en hoog was. Na de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar ’t kantoor, wees hem daar ’n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot “de heeren” zouden komen. En, zei de man:—Dat zal nog wel ’n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En ik ga m’n kommetje koffi drinken in de keuken. ’t Ga je goed, zoolang.Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.De voorwerpen die z’n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer geschikt om z’n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de twee verweerde vensters op de binnenplaats en ’t achterhuis, was—op ’t verschil in warmtegraad na—nova-zemblisch:Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden.Hier houdt geen sterfling ’t uit. Hier komt geen Noorman landen.Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, als-i niet door z’n vader was “gedaan” op ’n kantoor in verfwaren? Waar anders ving z’n oog zulke tinten op van iets droevigs, van ’t enge, benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in ’t hooge Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed halen kan by zoo’n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten wat-i deed, en ’t is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z’n plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien werd-i bedorven door ’n bloempotjen op z’n binnenplaats.Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel voorwerp trok z’n oogen tot zich, dat hem ’n voorwendsel aan dehand deed om iets anders te denken dan: “in den handel, in den handel, ik ben hier in den handel!”Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, naast de onderaardsche gang die naar ’t magazyn liep, eenig geruisch te maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z’n krukjen, om al wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er kwam niemand, en Wouter besteeg z’n troontje weer. Toch zorgde hy z’n hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen van ’n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste moet van ’n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de man dien-i had hooren noemen by de Holsma’s, de man op dat eiland, die zoo verschrikte by ’t ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, indezewildernis ...Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter verlegen maakten. Daar warenCognossementen,Fakturen,Vrachtbrieven, en zelfs:Diverse Nota’s.En die opschriften waren omgeven van ’n gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door ’n spiernaakten Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O & K, No... later in te vullen by eventueel gebruik.—Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo’n god ook begonnen zyn met leerlingetjen op ’n kantoor te worden? Hoe leî men het toch aan in ’t oude Griekenland, om iets te worden in de wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch ’n voorstelling gemaakt hbben van ’t begin der zaken. Van wie had die Merkurius rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen ...kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt geeft dàt, wat geeft dàt?En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is ’t, nu ja, maar ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m’n best doen, zooals de dokter gezegd heeft ...Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden ’n “luiwagen” buiten de keuken. Of ze smeet ’n “varken” de deur uit ...Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy had nog niets “in den handel” verricht, nog geen enkele evenredigheid opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor ’n heel ristje breuken tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas, negen. “Reeds” voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z’n gedachten. “Pas” negen uur, voor ’n werkmannetjedat zoo graag wou uitmunten, èn nu al vóór ’t aanvangen van den arbeid, zich geknakt voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door ’t denkbeeld dat z’n voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen zou—’t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen zich zouden ophouden met makkelyke “sommen”—legde hy zichzelf ’ntentamenop, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte op:zes maal acht is ... drie en ’n kwart, of ... niemendal. “O God, o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!”Elken keer dat een der beelden die ’n rol hadden gespeeld in de laatstverloopen dagen van z’n leven, zich aan zyn verbeelding vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, die ... ook geen kleeren aan ’t lyf had. Wèl ... gekleed of niet, hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy wàs er al in. Bevond hy zich niet op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen ’n kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden van de heele wereld? ’t Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy was juist, of ter-nauwernood, ’n klein weinigje bekwamer maar dan Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om ’t te brengen tot “patroon” van ’n amsterdamsch “huis.” Dat Femke’s bedoeling goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ...Weg, weg, weg met Femke ...drie maal negen is zeven-en-dertig: o god, daar is ’t weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ...1Ja, ’t was voor ’n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig te worden. Gelukkig hoorde Wouter ’n deur toeslaan, en daarop ’t geluid van voetstappen. Maar ’t was niet in het huis. Een oud heer vertoonde zich in ’t gangetje naast het achterhuis, en betrad het plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen, als om te zien wie daar al zoo vroeg op ’t kantoor was,verdween door ’n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer.’t Spreekt vanzelf dat Wouter ’n houding had aangenomen, die om vergeving scheen te smeeken voor z’n existentie. Och, zoo onnoodig! Die oude magere heer nam ’t hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond, en zelfs niet dat-i dáár was.—Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja, ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op ’t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak, en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ...Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i eens weer in den handel ging, z’n hoed op ’t hoofd te houden ... om dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z’n moeder had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z’n begroeting van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel ’n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam kwam verlossen uit z’n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens had toegevoegd: “houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder.”En alweer onderzocht Wouter niet, of deze maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: “ga nu maar zitten,nu! Straks als “de heeren” komen, is ’t wat anders!” Deze zin kon door hem onmogelyk aan Dieper’s woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, ’n boekhouder ter-nauwernood ’n minder verheven wezen was, dan de “patroon” zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte aan z’n waarnemingsvermogen, en hy zou dus—àls-i kon geroepen zyn tot schatting—hierin dezelfde fout gemaakt hebben als ’n kind dat verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de maan om?De uitdrukking van Dieper’s gelaat was één doorgaande vriendelykheid. Hy verdween ’n oogenblik in de alkoof die tegenover de vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform, d. i. in ’n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met ’n zwart kalotjen op z’n witte haren. Want: “soms was er tocht op ’t kantoor.” Zoo verzekerde hy aan Wouter, die ’n gebaar maakte alsof hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden zou by de eerste gelegenheid ...Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper ’n dienst gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op ’n engel geleek.—Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor ’n mensch zoo moet oppassen, als tocht.Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was niet genoeg, meende hy. Als ’n bliksem vloog hem de gedachte door de ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo’nvreeselyken vyand. Hoe was ’t mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden, grys haar te krygen in zoo’n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer lang reeds—als zuigeling zelfs—bezweken zyn? Er zyn taaie naturen, dit weet ik wel, maar wie drommel zou ’t den ouden Dieper hebben aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z’n voorkomen niets van ’n held, en vertoonde zich eer als ’n sukkelaar die zich zou laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de perpetueeletriumphatorover al de kamer-orkanen waaraan-i sedert byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i despolia opimain den vorm van “zinkings” in ’t hoofd droeg. Want lezer, daarmee beloont de afgod “Tocht” ieder die hem deemoedig vreest in onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is.“Deemoedig.” Dit woord bevalt me, en wanneer ik ’t recht had, de helden en heldinnen van m’n vertelling andere namen te geven, dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem niet: m’nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan ’n dubbele fout begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook.Na de korte verpoozing die ’t binnentreden van den boekhouder onzen Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte verveling aan. Dieper had ’n yzeren kist geopend, waaruit hy ’n half dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op ’t vlakke middelstuk van ’n dubbele kantoorlessenaar “voor twee personen” ook wel genaamd: ’nvis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder plaatsnam, stond ’n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde zich Wouter even te leunen—geschiedis’t!—telkens als-i ’n oogenblik vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen ’n anderen lessenaar dan den zynen.Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van ’t hoofdkwartier des handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees tusschen vreemde bezoekers van ’t kantoor, en de gelukkigen die er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van afleider van Wouter’s verveling. Het ding werd in deze eervolle taak bygestaan door ’n ronde opening in een der hoeken, waarin ’n yzeren ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z’n gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde iets: Dieper nam ’n snuifje, en Wouter stond als ’n paal.—De heeren komen wat laat, jongeheer.Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over z’n memoriaal.Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper’s komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zouhoehy zich verveelde, want—en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw—niemand verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet geoorloofd is zich te vervelen.Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z’n eenige zorg was, geen geluid te maken, om vooral m’nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu—o Holsma—z’n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan, hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in ’n hoestbui.Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!—’n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. ’n Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je ’t beet, in-ééns!’t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in Wouter’s keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der “heeren.” De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z’n patroons den rug toetekeeren, om hem niet in ’t gezicht te hoesten. Dit bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van oogenblikkelyke wanhoop, waaraan ’t leven zoo ryk is, doch die later blyken niet veer meer te zyn geweest dan ’n geringe oneffenheid op ons pad.—Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er nog niet?—Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de jongeheer Pieterse.—Zoo?Wouter hoestte.—Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens.Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld wachten zou op m’nheer Pompile of m’nheer Wilkens.—Neem ’n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper.—Wel ja, laat ’m ’n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène grootmoedig. Dáár staat water, en ’n glas ook.Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin ’s nachts de “boeken” werden geborgen, stond in ’n donker hoek’jn op ’n stoof, een verweerde waterkaraf, waarby ’n glas met groezelig oranjekleurigbezinksel. Wouter dronk ’n paar teugen, en behandelde de daartoe gebruikte gereedschappen met ’n eerbiedige teederheid, zuiver water en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele lessenaars in ’n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op z’n boeken lag, spreekt vanzelf.Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder zich in ’t minst te verroeren wachtte hy op m’nheer Pompile en op m’nheer Wilkens ...Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel?Neen!“Er moet veel leeds geleden zyn,Er moet veel stryds gestreden zyn!”Ik geloof juist niet dat altyd—zooals de goede Kamphuyzen, misschien om ’t rym slechts, beweert—het eind van dat alles: “vrede” wezen zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte die de belooning is van ’t:Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit!Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn, te ernstig, te klassisch voor desoortvan Wouter’s tegenspoedjes? Ze vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald in zulken stryd. Mozes en de “Heer” wisten ’t wel. Ze plaagden Egypte niet met tygers, maar met sprinkhanen.Dat Wouterleedis waar. Maar z’nstrydbeduidde niet veel. We kunnen in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te blyven, en de plicht te vervullen die ’t naast voor de hand lag. Zóó had Holsma gezegd, en zóó zou ’t wezen!—Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid in ’t uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd geheven van de artikulatie.Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep zeer snel, als om blyk te geven van ’n diligentie die niet precies overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn.—Dienaar, m’nheer! Dag, Dieper!—Gmorge! Dat’s de jonge Pieterse.—A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!Wilkens was ’n oude gek. Z’n geheel leven was één veroveringstocht geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i ’t op z’n ouden dag niet verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verlorenhebben. De voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in ’n langgerektaeofèèèè,of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde zich heel klein.—Jae, m’nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet wachten op m’nheer Pompile?De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z’n antwoord te worden opgenomen door m’nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in ’n lange kantoorjas.—Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, zeide hy, als om zich by z’n jongen patroon over z’n laat-komen te verontschuldigen.Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat juist even genoeg was om te kennen te geven: “ik heb gehoord wat je zei.” En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met ’ndeficitvan drie stuivers in de “kleine kas” en pynigde zich met zoeken naar de oorzaak van die vreeselyke gaping.—Maer, m’nheer, kan er ook misschien ’n brief zyn geweest voor “huishouden?”—Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op ’n toon van: “wat kan ’t my schelen!” Ook lag er iets in van: “maak toch zoo’n wind niet met je oogendienende stiptheid!”—Jae ... maer ...Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van ’t nabootsen der Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z’n lymerigeae’s. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich ’n verwaande kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben ’n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met het praedikaat: “jongeheer” lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op ’t volslagen heerschap van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn op maatschappelyke onderscheidingen—altyd slechts in toepassing op anderen, want zichzelf schatte hy ’n graad of zooveel te hoog—en noemde de jongelieden: “m’nheer Pompile en m’nheer Eugène” wanneer-i over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als vroeger: “jongeheeren” wanneer hy ’t woord richtte tot de oudere lyfstaffierenvan den huize. Dat iedereen—op den knecht na—tegenover Wouter volop: “m’nheer” was, spreekt vanzelf. Of ’t waar is dat men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is ’t, dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen.Wilkens becyferde de kolommetjes van z’n “kleine-kas-“boekjen, en zeide:—’t Is ienderdaed verbaezend!En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet.2—Maar, m’nheer, zouden we nu ’t jonge-mensch maar niet aan ’t werk zetten? Misschien komt m’nheer Pompile eerst na de koffi.—Wel ja. Ga je gang!Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na ’n paar gemaakte kuchjes:—Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar weg ...Al dezemarenhadden ’n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als ’t bekende spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen ’t heele land doortereizen, daar hy uren lang met z’n hoofddeksel in de hand had gestaan. Voor ’t oogenblik echter bewoog hy zich niet verder dan tot den lessenaar nummerdrie, tusschen Wilkens en ’t venster.—Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt: goed rekenen?—Ja, m’nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als ’n krygsman die de trom hoort. O ja, m’nheer!Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe!—Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en penningen. Zestien penningen maken ’n stuiver, zieje, en twintig stuivers ’n gulden. Dit weetje zeker wel?—O ja, m’nheer.—Zoo? Weetje dàt! Ei!En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z’n naastbyliggenden plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van ’n: “optellingsom” te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen enkele kolom sloot met de facitten van m’nheer Wilkens. Hy werd zeer verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde zaken op denZeedyk!Een heer stapte de binnenplaats over. ’t Was m’nheer Pompile, oudste zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd & Kopperlith.1In 1191a betoogt M. datordeenarbeidgeneesmiddelen zyn voor krankzinnigheid.2Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de “diepzinnige kwestie, of ’n auteur uitspraak en dialekt” zyner personen moet weergeven, naar aanleiding van ’t op een congres te Antwerpen verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194–1199.)

Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare halsboorden.Non omnibus licet...zonder de minste toespeling op Corinthe.Fancy’s luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk uitgenoodigd z’n verwachting op de leest van het dagelyksche te schoeien.De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan ’t meerendeel van z’n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of niet geslapen, en verliet z’n bedstee zoodra ’t licht werd, drie volle uren alzoo voor-i zich had aantemelden op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Wat z’n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, en vooral, zich uitsluitendbezig-houdenmet het dagelyksche, maar juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, voerde hy ’n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan delezer, die na al ’t vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, om belangtestellen in ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.—Zeker, zeker, dacht hy—nu-en-dan overluid—ik zal braaf oppassen, en terdeeg m’n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m’n plicht in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet waar ze m’n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet vragen aan Vrouw Claus, wie haar in ’t hoofd gezet heeft dat ik op ’n paard reed? En dat ik ’n sabel op-zy had... ’n kleintje, zei ze. Nu, klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze ’r aan?En... datStakkervrouwtje?En... dat portret!Ik wil en zàl denken aan m’n werk, alleen aan m’n werk, en aan de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den heelen “Strabbe” en moeielyker dan vanStrabbe, zullen de sommen op zoo’n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan vanStrabbezyn de sommen op zoo’n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den heelenStrabbedoorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord toen ze jong waren. Datikde eerste ben geworden by Pennewip, heb ik aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik ’t knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, in lang niet! Later... ja, toen ik ’t geworden was om haar pleizier te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m’n werk! Alle Grieken zullen vermoord zyn, voor ik ’n wezenlyke man ben. En... Femke zal trouwen met ’n matroos, of ’n timmerman, of... met ’n schipper die ’n bonte muts draagt, of... met ’n prins, als ze wil!Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in zoo’n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heeleScyllawas niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet.Zoodra ik heelemaal groot ben—ik meen: als ik den handel versta, want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl ik!—nu, later dan, wil ik ook eens ’n treurspel maken, en zóó dat ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en ’t Volk, en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van ’n geroofd schild,en ... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, zóó zal ’t wezen, juist andersom dan inScylla. En ik wou m’n stuk wat minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er volgen zou, want als de een wat zei van z’n hart, vertelde terstond ’n ander iets over z’n smart. ’n Enkele keer hindert het niet, maar op-den-duur is ’t heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus:weerhou die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat ’n grieksche held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen mee dat z’n beminde voor hem stierf—ikzou ’t ook niet toestaan—dat was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was ’t weer om ’t rym. Daarom zal ik niet rymen in m’n treurspel. Niet altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ...Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,My weglokt van de taak die op me rust.Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,En tracht me wegtestelen van m’n plicht ...Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heenOmdat ik altyd nog mezelf niet ben,En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept.En stom, als ’t hart me berst van drang tot uiting.Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...—Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op?—Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik was opgestaan omdat het zoo warm was in ’t bed, en ... en ... dáár sprak ik over!Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd!En nogeens dwaalden z’n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z’nStrabbe. Met dat boek bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van ’t ontbyt.Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, en was mild in ’t uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter zich in z’n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral heel fatsoenlyk wezen, en door z’n gedrag de heeren opwekken tot het besef der goede hoedanigheden van z’n moeder. Ook was ’t niet kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma’s op den Kolveniersburgwal gelogeerd had, en dat de schoenen van z’n vader ...—Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z’n tyd op ’t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van.—Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je boordje, en dat stáát niet voor ’n jongen die al op ’n kantoor is.Dat boordje—amsterdamismus voor: halskraag—had ’n groote rol gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De belangstellende lezer herinnert zich zeker ’t jukkraagje, waaronder Wouter gebukt ging toen we ’t eerst kennis met hem maakten in de Hartenstraat. Door ’n verdrietige gaping in m’n archief—daarvan zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!—ben ik niet in-staat met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar “den handel” ’n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten van juffrouw Pietersen’s hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z’n wangen bedykten, maakten op hem ’n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk dien van ’ntoga virilis. Vervolgens ’n paar roode streepen, die den weg wezen van z’n mondhoeken naar z’n ooren. Hy was er grootsch op, en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid ’n lastige keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich uit zien om z’n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem ’n zot voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar ’t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst moest winnen van z’n nieuwe chefs. Dus:—Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links, ’n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes—’t zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, Trui?—je moet je niet aanstellen als ’n wilde.Van wildheid was geen spraak, toen Wouter ’n kwartiertje na deze laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, helaas, ’t scheen wel of reeds z’n eerste aanraking met die firma ’n misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich—niet zeer oprecht uitlokkend, maar bruikbaar toch—den bezoeker aan. Een dubbele glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf ’n “opgaande stoep” gelegenheid om doortedringen tot ’n soort vanbel-étage. Wouter, vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg ’t geschiktste,en met niet zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op ’t bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde hy door ’t venster van de “zykamer” het gelaat eener bejaarde dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z’n figuurtje scheen te monsteren. ’t Scheen wel dat ze hem de stoep wou afkyken. Wouter had er ’n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo klein mogelyk. ’t Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die z’n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep te staan van ’n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van ’t geschut uit die zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan ’t herhalen van z’n klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was ’n moed noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte hem nu Holsma’s heerlyk voorschrift om altyd flink z’n naastbyliggenden plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die stoep? In ’s hemelsnaam: hy wachtte!Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannenen place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren zich zeer, waarin ik dan ook ’t heel eenig kenmerk vind, dat hen uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z’n hoede is, wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die deNatuurlyke Historie der Kleinstädtereitot onderwerp van hun studien kozen, verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op ’t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die door ’n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, zeer lang wachten op ’t openen van de huisdeur. Het schynt dat dead hocdienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, maar de aanzienlykheid draagt in myn mond ’n heel anderen naam. Ze komt my—met het oog op de van dit woord in m’n vorigen bundel gegeven definitie—ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftiggeduld. Heel eindelyk werd de deur door ’n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om Wouter toetesnauwen:—Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa’s je booschap? Je skelthuis, jonge! Ik ken niet f’r jou plessier den heelen dag de skel naloope. Waarom skel jehuis?By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: “je skelthuis”... wat is dàt?—Of skel jekeuke?Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren door de benamingen “keuken” en “huis.” Wie groente, vleesch, boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang tot hetsalon—’n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien zullen—mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch z’n opwachting maken wilde aan “mevrouw”—zouzy’t wezen, die zoo onlieftallig door ’t venster van de zykamer gegluurd had?—Wouter erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z’n identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.Door m’n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken tot ’n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak ik van ’n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was de waarheid, maar... eendeur? Vervloekte hyperbolen: ’t was ’n halve! De huisdeur waarachter ’n rechtgeaard Amsterdammer z’n vrouw, z’n effekten en z’n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd zyn, voor men hem door ’t openen van de onderste helft, den toegang vry laat. De zeer letterlyk-exklusievestrekking dezer byzonderheid ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken voorbyganger schynen toeteroepen: “mynhuis, je komt er niet in!” En nog zyn er gevoellooze bedillers, die ’t den Amsterdammer van zulk gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo’n benauwde levensopvatting in den regel ’n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan.En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door ’t venster van de zykamer. ’t Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar ’t venster, en wenkte Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z’nhoed af, en schoof blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook ’n bel, en daarnaast las hy ’t woord:magazyn.Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo omstreeks ’tzelfde zyn. En hy belde.De persoon die belast was met het “naloopen” van deze schel, zou alweer zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor ’n kurator of superintendent van ’t respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z’n denkvermogen, is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte—en op den klank af geoordeeld, eenigszins toornig—tegen ’n glasruit van de zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De m’nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door het afnemen van z’n hoed—had niet z’n moeder hem vóór alles, fatsoenlykheid aangeprezen?—en hy waagde nu ’n harder trekje, dat nog al tyd niet terstond door ’t openen van de deur gevolgd werd. Het scheen wel dat de Cerberus van ’t “magazyn” ’n zeer hoog denkbeeld koesterde van ’t respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig hadden. De man overdreef z’n yver. Dit begon zelfs de heer in de zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: “schel nògeens voor den drommel!” met ’n uitdrukking alsof Wouter ’t helpen kon dat er niemand kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef, vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet.Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken in ’t “magazyn.” Het was een van die lokalen welker afmetingen men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met ’n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van ’t huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten, werden bygestaan door ’t schuins hoekje venster dat z’n hypothenuze gemeen had met de stoep, en bovendien door ’n ander raampje dat aan de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit venstertje z’n licht ontving, heette “het kantoortje” in tegenstelling van ’t “kantoor” dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens de “laagte” van ’t magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op ’t peil van den vloer. Een volwassen man kon met z’n opgeheven hand de zoldering bereiken, en de bodem lag ’n voet of drie beneden den beganen grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht uitliepen, dan juist voor debewoners noodig was om niet te worden meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl ’t werk alleen kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van ’t midden, vry duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling van ’n boven de zoldering van ’t magazyn gelegen binnenplaatsje, iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet recht. Een lantaarn, of ’n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis van bekrompenheid—in alle beteekenissen!Voor-zoover Wouter’s blikken in ’t magazyn konden doordringen, bemerkte hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door ’n breede tafel, waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts ’n nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen aan ’t vooreind, tusschen ’t “kantoortjen” en de glasdeur, was eenige ruimte overgelaten, waar ’n meubel op schragen stond, dat hy later leerde kennen en waardeeren als “de paktafel.”Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die duisternis, maar wel kwam ’t hem voor, dat de duisternis zelf zich begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En dat zwarte werd—zonder overyling altyd—wat bruiner en gryzer en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en my niets, lezer, maar Wouter was aan ’t versteenen geraakt, en stond op het punt vasttegroeien in z’n wachtstemming. Alle verwondering over de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. ’t Scheelde weinig of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats daarvan echter, nam hy—voor de hoeveelste maal nu reeds!—z’n hoedjen af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets.—Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op ’t kantoor komen zou?—J...a...a, m’nheer!—Zoo? Je hoeft geen m’nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit ... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m’n naam Schlossmann, maar och ... wat heeft ’n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje, de kantoorknecht. Kom maar in!Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar het hol. Z’n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, was ’n onwillekeurige greep naar z’n neus. Want ... de stank was onverdragelyk.—O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat reukjen is niet van ’t magazyn—ik zeg maarkelder, weetje, want zoo zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed—die lucht is van den kelder niet, maar van de riolen, weetje!Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in ’t lyden!—O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in ’n geur. O ... zoo!—Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur op planken, zieje. Als ’t den grond raakte, zou ’t verrotten. Kom mee naar ’t kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder—de jongeheeren zeggen tegenwoordig:magazyn... fransche wind allemaal ... ’n engelschenotting, weetje! Nou, ze hebben ’t van dien mallen Wullekes!—je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal ’t je wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste keer is, en omdat je ’t niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ...Gelukkig!... maar anders, weetje, wie op ’t kantoor wezen mot, komt in door de Vellestraat. ’t Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-’t maar eens weet. En daarom zal ik ’t je wyzen. Kom maar mee. Maar zet je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen negenen. ’t Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik zei tegen de meid dat zy zou opendoen—in de bovengang, weetje—want dat het zeker ’n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i schellen moest. Maar ze wou niet—’n lui beest is ze!—en ik zei: ’t gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier ’n tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien?Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd & Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i ’t niet wist.—Nou, raad eens!Elk ander zou ’n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven ’n ander getal. Waaromtwintig? Waaromdertig? Waarom meer of minder? Hy bleef er by dat-i ’t “heusch” niet wist, en ook geen kans zag het te raden.—Zoo? Nou, dan zal ik ’t je zeggen. Verléje Pinkster was ’t drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan?—Hè!—Ja, ’t is ’n lange tyd, niet waar? Als je ’r vóór staat, denk je dat het wat is. En als ’t voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal ... ’n engelschenotting! Dat zal je zien, als je-n-’n ouwe kerel wordt, want nu ben je maar ’n jong borssie. ’t Zal me benieuwen of je-u-’t zult kunnen vinden met Wullekes, metm’nheerWullekes. Want tegen hem moet je “m’nheer” zeggen, schoon ik ’m gekend heb zoo kaal als ’n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z’n neus te snuiten, en hy liep me na als ’t horloge van ’n trekschipper die ’n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal wind! En wat is ’t? ’n engelschenotting! En z’n vrouw—ook ’n gekkin van de bovenste plank!—praat altyd over prinsessen die ze-n-eens gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie ’m kent, koopt ’m niet! Nou, je zal ’t zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder moet maar altyd z’n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar die Wullekes ...Kyk, hier is ’t. Tusschen de olievaten moet je door—’t is hier altyd even smerig, dat komt van ’t lekken, want die vaten lekken altyd—maar eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je vanzelf op ’t kantoor.Wanneer Gerrit Sloos met dit “vanzelf” bedoelde: gemakkelyk, geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op ’n niet onprettige manier ... ’t zy zoo! Over den smaak valt niet te twisten. Gerrit zal ’t maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben.Onder ’t luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en de gang naast het oliepakhuis diep in z’n geheugen, om zeker te zyn dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem zoo hadden gepynigd aan den voorkant van ’t huis. Dat die verheven stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de “zaak” waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er lag op dat terrein ’n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker moest gedoogen dat er op de deurpost van z’n lokaal ’n ovaal bordje pronkte met het opschrift: “Ingang naar ’t kantoor vanOuwetyd & Kopperlith.” Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, doch hy nam z’n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk niet dóór kon zonder ’n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw Pieterse heeftdaarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat gaat niet!

Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare halsboorden.Non omnibus licet...zonder de minste toespeling op Corinthe.

Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare halsboorden.Non omnibus licet...zonder de minste toespeling op Corinthe.

Fancy’s luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk uitgenoodigd z’n verwachting op de leest van het dagelyksche te schoeien.

De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan ’t meerendeel van z’n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of niet geslapen, en verliet z’n bedstee zoodra ’t licht werd, drie volle uren alzoo voor-i zich had aantemelden op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Wat z’n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, en vooral, zich uitsluitendbezig-houdenmet het dagelyksche, maar juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, voerde hy ’n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan delezer, die na al ’t vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, om belangtestellen in ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.

—Zeker, zeker, dacht hy—nu-en-dan overluid—ik zal braaf oppassen, en terdeeg m’n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m’n plicht in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet waar ze m’n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet vragen aan Vrouw Claus, wie haar in ’t hoofd gezet heeft dat ik op ’n paard reed? En dat ik ’n sabel op-zy had... ’n kleintje, zei ze. Nu, klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze ’r aan?

En... datStakkervrouwtje?

En... dat portret!

Ik wil en zàl denken aan m’n werk, alleen aan m’n werk, en aan de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den heelen “Strabbe” en moeielyker dan vanStrabbe, zullen de sommen op zoo’n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan vanStrabbezyn de sommen op zoo’n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den heelenStrabbedoorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord toen ze jong waren. Datikde eerste ben geworden by Pennewip, heb ik aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik ’t knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, in lang niet! Later... ja, toen ik ’t geworden was om haar pleizier te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m’n werk! Alle Grieken zullen vermoord zyn, voor ik ’n wezenlyke man ben. En... Femke zal trouwen met ’n matroos, of ’n timmerman, of... met ’n schipper die ’n bonte muts draagt, of... met ’n prins, als ze wil!

Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in zoo’n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heeleScyllawas niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet.

Zoodra ik heelemaal groot ben—ik meen: als ik den handel versta, want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl ik!—nu, later dan, wil ik ook eens ’n treurspel maken, en zóó dat ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en ’t Volk, en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van ’n geroofd schild,en ... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, zóó zal ’t wezen, juist andersom dan inScylla. En ik wou m’n stuk wat minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er volgen zou, want als de een wat zei van z’n hart, vertelde terstond ’n ander iets over z’n smart. ’n Enkele keer hindert het niet, maar op-den-duur is ’t heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus:weerhou die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat ’n grieksche held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen mee dat z’n beminde voor hem stierf—ikzou ’t ook niet toestaan—dat was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was ’t weer om ’t rym. Daarom zal ik niet rymen in m’n treurspel. Niet altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ...

Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,My weglokt van de taak die op me rust.Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,En tracht me wegtestelen van m’n plicht ...Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heenOmdat ik altyd nog mezelf niet ben,En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept.En stom, als ’t hart me berst van drang tot uiting.Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...

Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,

My weglokt van de taak die op me rust.

Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,

En tracht me wegtestelen van m’n plicht ...

Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen

Omdat ik altyd nog mezelf niet ben,

En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,

U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept.

En stom, als ’t hart me berst van drang tot uiting.

Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,

Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,

En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...

—Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op?

—Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik was opgestaan omdat het zoo warm was in ’t bed, en ... en ... dáár sprak ik over!

Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd!

En nogeens dwaalden z’n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z’nStrabbe. Met dat boek bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van ’t ontbyt.

Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, en was mild in ’t uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter zich in z’n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral heel fatsoenlyk wezen, en door z’n gedrag de heeren opwekken tot het besef der goede hoedanigheden van z’n moeder. Ook was ’t niet kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma’s op den Kolveniersburgwal gelogeerd had, en dat de schoenen van z’n vader ...

—Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z’n tyd op ’t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van.

—Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je boordje, en dat stáát niet voor ’n jongen die al op ’n kantoor is.

Dat boordje—amsterdamismus voor: halskraag—had ’n groote rol gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De belangstellende lezer herinnert zich zeker ’t jukkraagje, waaronder Wouter gebukt ging toen we ’t eerst kennis met hem maakten in de Hartenstraat. Door ’n verdrietige gaping in m’n archief—daarvan zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!—ben ik niet in-staat met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar “den handel” ’n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten van juffrouw Pietersen’s hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z’n wangen bedykten, maakten op hem ’n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk dien van ’ntoga virilis. Vervolgens ’n paar roode streepen, die den weg wezen van z’n mondhoeken naar z’n ooren. Hy was er grootsch op, en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid ’n lastige keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich uit zien om z’n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem ’n zot voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar ’t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst moest winnen van z’n nieuwe chefs. Dus:

—Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links, ’n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes—’t zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, Trui?—je moet je niet aanstellen als ’n wilde.

Van wildheid was geen spraak, toen Wouter ’n kwartiertje na deze laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, helaas, ’t scheen wel of reeds z’n eerste aanraking met die firma ’n misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich—niet zeer oprecht uitlokkend, maar bruikbaar toch—den bezoeker aan. Een dubbele glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf ’n “opgaande stoep” gelegenheid om doortedringen tot ’n soort vanbel-étage. Wouter, vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg ’t geschiktste,en met niet zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op ’t bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde hy door ’t venster van de “zykamer” het gelaat eener bejaarde dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z’n figuurtje scheen te monsteren. ’t Scheen wel dat ze hem de stoep wou afkyken. Wouter had er ’n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo klein mogelyk. ’t Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die z’n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep te staan van ’n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van ’t geschut uit die zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan ’t herhalen van z’n klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was ’n moed noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte hem nu Holsma’s heerlyk voorschrift om altyd flink z’n naastbyliggenden plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die stoep? In ’s hemelsnaam: hy wachtte!

Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannenen place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren zich zeer, waarin ik dan ook ’t heel eenig kenmerk vind, dat hen uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z’n hoede is, wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die deNatuurlyke Historie der Kleinstädtereitot onderwerp van hun studien kozen, verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op ’t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die door ’n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, zeer lang wachten op ’t openen van de huisdeur. Het schynt dat dead hocdienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, maar de aanzienlykheid draagt in myn mond ’n heel anderen naam. Ze komt my—met het oog op de van dit woord in m’n vorigen bundel gegeven definitie—ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftiggeduld. Heel eindelyk werd de deur door ’n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om Wouter toetesnauwen:

—Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa’s je booschap? Je skelthuis, jonge! Ik ken niet f’r jou plessier den heelen dag de skel naloope. Waarom skel jehuis?

By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: “je skelthuis”... wat is dàt?

—Of skel jekeuke?

Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren door de benamingen “keuken” en “huis.” Wie groente, vleesch, boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang tot hetsalon—’n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien zullen—mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch z’n opwachting maken wilde aan “mevrouw”—zouzy’t wezen, die zoo onlieftallig door ’t venster van de zykamer gegluurd had?—Wouter erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z’n identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.

Door m’n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken tot ’n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak ik van ’n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was de waarheid, maar... eendeur? Vervloekte hyperbolen: ’t was ’n halve! De huisdeur waarachter ’n rechtgeaard Amsterdammer z’n vrouw, z’n effekten en z’n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd zyn, voor men hem door ’t openen van de onderste helft, den toegang vry laat. De zeer letterlyk-exklusievestrekking dezer byzonderheid ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken voorbyganger schynen toeteroepen: “mynhuis, je komt er niet in!” En nog zyn er gevoellooze bedillers, die ’t den Amsterdammer van zulk gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo’n benauwde levensopvatting in den regel ’n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan.

En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door ’t venster van de zykamer. ’t Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar ’t venster, en wenkte Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z’nhoed af, en schoof blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook ’n bel, en daarnaast las hy ’t woord:magazyn.

Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo omstreeks ’tzelfde zyn. En hy belde.

De persoon die belast was met het “naloopen” van deze schel, zou alweer zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor ’n kurator of superintendent van ’t respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z’n denkvermogen, is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte—en op den klank af geoordeeld, eenigszins toornig—tegen ’n glasruit van de zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De m’nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door het afnemen van z’n hoed—had niet z’n moeder hem vóór alles, fatsoenlykheid aangeprezen?—en hy waagde nu ’n harder trekje, dat nog al tyd niet terstond door ’t openen van de deur gevolgd werd. Het scheen wel dat de Cerberus van ’t “magazyn” ’n zeer hoog denkbeeld koesterde van ’t respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig hadden. De man overdreef z’n yver. Dit begon zelfs de heer in de zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: “schel nògeens voor den drommel!” met ’n uitdrukking alsof Wouter ’t helpen kon dat er niemand kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef, vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet.

Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken in ’t “magazyn.” Het was een van die lokalen welker afmetingen men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met ’n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van ’t huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten, werden bygestaan door ’t schuins hoekje venster dat z’n hypothenuze gemeen had met de stoep, en bovendien door ’n ander raampje dat aan de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit venstertje z’n licht ontving, heette “het kantoortje” in tegenstelling van ’t “kantoor” dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens de “laagte” van ’t magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op ’t peil van den vloer. Een volwassen man kon met z’n opgeheven hand de zoldering bereiken, en de bodem lag ’n voet of drie beneden den beganen grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht uitliepen, dan juist voor debewoners noodig was om niet te worden meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl ’t werk alleen kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van ’t midden, vry duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling van ’n boven de zoldering van ’t magazyn gelegen binnenplaatsje, iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet recht. Een lantaarn, of ’n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis van bekrompenheid—in alle beteekenissen!

Voor-zoover Wouter’s blikken in ’t magazyn konden doordringen, bemerkte hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door ’n breede tafel, waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts ’n nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen aan ’t vooreind, tusschen ’t “kantoortjen” en de glasdeur, was eenige ruimte overgelaten, waar ’n meubel op schragen stond, dat hy later leerde kennen en waardeeren als “de paktafel.”

Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die duisternis, maar wel kwam ’t hem voor, dat de duisternis zelf zich begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En dat zwarte werd—zonder overyling altyd—wat bruiner en gryzer en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en my niets, lezer, maar Wouter was aan ’t versteenen geraakt, en stond op het punt vasttegroeien in z’n wachtstemming. Alle verwondering over de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. ’t Scheelde weinig of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats daarvan echter, nam hy—voor de hoeveelste maal nu reeds!—z’n hoedjen af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets.

—Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op ’t kantoor komen zou?

—J...a...a, m’nheer!

—Zoo? Je hoeft geen m’nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit ... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m’n naam Schlossmann, maar och ... wat heeft ’n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje, de kantoorknecht. Kom maar in!

Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar het hol. Z’n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, was ’n onwillekeurige greep naar z’n neus. Want ... de stank was onverdragelyk.

—O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat reukjen is niet van ’t magazyn—ik zeg maarkelder, weetje, want zoo zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed—die lucht is van den kelder niet, maar van de riolen, weetje!

Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in ’t lyden!

Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in ’t lyden!

—O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in ’n geur. O ... zoo!

—Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur op planken, zieje. Als ’t den grond raakte, zou ’t verrotten. Kom mee naar ’t kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder—de jongeheeren zeggen tegenwoordig:magazyn... fransche wind allemaal ... ’n engelschenotting, weetje! Nou, ze hebben ’t van dien mallen Wullekes!—je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal ’t je wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste keer is, en omdat je ’t niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ...

Gelukkig!

... maar anders, weetje, wie op ’t kantoor wezen mot, komt in door de Vellestraat. ’t Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-’t maar eens weet. En daarom zal ik ’t je wyzen. Kom maar mee. Maar zet je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen negenen. ’t Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik zei tegen de meid dat zy zou opendoen—in de bovengang, weetje—want dat het zeker ’n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i schellen moest. Maar ze wou niet—’n lui beest is ze!—en ik zei: ’t gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier ’n tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien?

Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd & Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i ’t niet wist.

—Nou, raad eens!

Elk ander zou ’n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven ’n ander getal. Waaromtwintig? Waaromdertig? Waarom meer of minder? Hy bleef er by dat-i ’t “heusch” niet wist, en ook geen kans zag het te raden.

—Zoo? Nou, dan zal ik ’t je zeggen. Verléje Pinkster was ’t drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan?

—Hè!

—Ja, ’t is ’n lange tyd, niet waar? Als je ’r vóór staat, denk je dat het wat is. En als ’t voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal ... ’n engelschenotting! Dat zal je zien, als je-n-’n ouwe kerel wordt, want nu ben je maar ’n jong borssie. ’t Zal me benieuwen of je-u-’t zult kunnen vinden met Wullekes, metm’nheerWullekes. Want tegen hem moet je “m’nheer” zeggen, schoon ik ’m gekend heb zoo kaal als ’n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z’n neus te snuiten, en hy liep me na als ’t horloge van ’n trekschipper die ’n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal wind! En wat is ’t? ’n engelschenotting! En z’n vrouw—ook ’n gekkin van de bovenste plank!—praat altyd over prinsessen die ze-n-eens gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie ’m kent, koopt ’m niet! Nou, je zal ’t zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder moet maar altyd z’n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar die Wullekes ...

Kyk, hier is ’t. Tusschen de olievaten moet je door—’t is hier altyd even smerig, dat komt van ’t lekken, want die vaten lekken altyd—maar eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je vanzelf op ’t kantoor.

Wanneer Gerrit Sloos met dit “vanzelf” bedoelde: gemakkelyk, geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op ’n niet onprettige manier ... ’t zy zoo! Over den smaak valt niet te twisten. Gerrit zal ’t maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben.

Onder ’t luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en de gang naast het oliepakhuis diep in z’n geheugen, om zeker te zyn dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem zoo hadden gepynigd aan den voorkant van ’t huis. Dat die verheven stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de “zaak” waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er lag op dat terrein ’n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker moest gedoogen dat er op de deurpost van z’n lokaal ’n ovaal bordje pronkte met het opschrift: “Ingang naar ’t kantoor vanOuwetyd & Kopperlith.” Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, doch hy nam z’n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk niet dóór kon zonder ’n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw Pieterse heeftdaarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat gaat niet!

Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor ’n fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de handelswereld.Multa tulit!By ’t nalezen der laatste helft van ’t vorig hoofdstuk, bemerk ik, ’n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar ’t “kantoor” leidde, te hebben overgeslagen. Na ’t voorbyworstelen van de glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis van ’n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, waarop ’t kantoor “uitzag.” De lezer die op nauwkeurigheid gesteld is—anderen zyn me onverschillig—wordt gewaarschuwd deze binnenplaats niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht meedeelde aan ’t magazyn. Tusschen die beide “open-luchtjes” in, lag ’n groot gedeelte van ’t huis, dat lang, smal en hoog was. Na de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar ’t kantoor, wees hem daar ’n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot “de heeren” zouden komen. En, zei de man:—Dat zal nog wel ’n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En ik ga m’n kommetje koffi drinken in de keuken. ’t Ga je goed, zoolang.Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.De voorwerpen die z’n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer geschikt om z’n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de twee verweerde vensters op de binnenplaats en ’t achterhuis, was—op ’t verschil in warmtegraad na—nova-zemblisch:Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden.Hier houdt geen sterfling ’t uit. Hier komt geen Noorman landen.Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, als-i niet door z’n vader was “gedaan” op ’n kantoor in verfwaren? Waar anders ving z’n oog zulke tinten op van iets droevigs, van ’t enge, benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in ’t hooge Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed halen kan by zoo’n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten wat-i deed, en ’t is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z’n plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien werd-i bedorven door ’n bloempotjen op z’n binnenplaats.Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel voorwerp trok z’n oogen tot zich, dat hem ’n voorwendsel aan dehand deed om iets anders te denken dan: “in den handel, in den handel, ik ben hier in den handel!”Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, naast de onderaardsche gang die naar ’t magazyn liep, eenig geruisch te maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z’n krukjen, om al wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er kwam niemand, en Wouter besteeg z’n troontje weer. Toch zorgde hy z’n hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen van ’n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste moet van ’n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de man dien-i had hooren noemen by de Holsma’s, de man op dat eiland, die zoo verschrikte by ’t ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, indezewildernis ...Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter verlegen maakten. Daar warenCognossementen,Fakturen,Vrachtbrieven, en zelfs:Diverse Nota’s.En die opschriften waren omgeven van ’n gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door ’n spiernaakten Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O & K, No... later in te vullen by eventueel gebruik.—Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo’n god ook begonnen zyn met leerlingetjen op ’n kantoor te worden? Hoe leî men het toch aan in ’t oude Griekenland, om iets te worden in de wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch ’n voorstelling gemaakt hbben van ’t begin der zaken. Van wie had die Merkurius rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen ...kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt geeft dàt, wat geeft dàt?En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is ’t, nu ja, maar ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m’n best doen, zooals de dokter gezegd heeft ...Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden ’n “luiwagen” buiten de keuken. Of ze smeet ’n “varken” de deur uit ...Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy had nog niets “in den handel” verricht, nog geen enkele evenredigheid opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor ’n heel ristje breuken tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas, negen. “Reeds” voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z’n gedachten. “Pas” negen uur, voor ’n werkmannetjedat zoo graag wou uitmunten, èn nu al vóór ’t aanvangen van den arbeid, zich geknakt voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door ’t denkbeeld dat z’n voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen zou—’t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen zich zouden ophouden met makkelyke “sommen”—legde hy zichzelf ’ntentamenop, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte op:zes maal acht is ... drie en ’n kwart, of ... niemendal. “O God, o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!”Elken keer dat een der beelden die ’n rol hadden gespeeld in de laatstverloopen dagen van z’n leven, zich aan zyn verbeelding vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, die ... ook geen kleeren aan ’t lyf had. Wèl ... gekleed of niet, hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy wàs er al in. Bevond hy zich niet op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen ’n kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden van de heele wereld? ’t Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy was juist, of ter-nauwernood, ’n klein weinigje bekwamer maar dan Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om ’t te brengen tot “patroon” van ’n amsterdamsch “huis.” Dat Femke’s bedoeling goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ...Weg, weg, weg met Femke ...drie maal negen is zeven-en-dertig: o god, daar is ’t weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ...1Ja, ’t was voor ’n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig te worden. Gelukkig hoorde Wouter ’n deur toeslaan, en daarop ’t geluid van voetstappen. Maar ’t was niet in het huis. Een oud heer vertoonde zich in ’t gangetje naast het achterhuis, en betrad het plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen, als om te zien wie daar al zoo vroeg op ’t kantoor was,verdween door ’n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer.’t Spreekt vanzelf dat Wouter ’n houding had aangenomen, die om vergeving scheen te smeeken voor z’n existentie. Och, zoo onnoodig! Die oude magere heer nam ’t hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond, en zelfs niet dat-i dáár was.—Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja, ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op ’t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak, en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ...Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i eens weer in den handel ging, z’n hoed op ’t hoofd te houden ... om dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z’n moeder had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z’n begroeting van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel ’n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam kwam verlossen uit z’n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens had toegevoegd: “houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder.”En alweer onderzocht Wouter niet, of deze maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: “ga nu maar zitten,nu! Straks als “de heeren” komen, is ’t wat anders!” Deze zin kon door hem onmogelyk aan Dieper’s woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, ’n boekhouder ter-nauwernood ’n minder verheven wezen was, dan de “patroon” zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte aan z’n waarnemingsvermogen, en hy zou dus—àls-i kon geroepen zyn tot schatting—hierin dezelfde fout gemaakt hebben als ’n kind dat verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de maan om?De uitdrukking van Dieper’s gelaat was één doorgaande vriendelykheid. Hy verdween ’n oogenblik in de alkoof die tegenover de vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform, d. i. in ’n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met ’n zwart kalotjen op z’n witte haren. Want: “soms was er tocht op ’t kantoor.” Zoo verzekerde hy aan Wouter, die ’n gebaar maakte alsof hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden zou by de eerste gelegenheid ...Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper ’n dienst gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op ’n engel geleek.—Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor ’n mensch zoo moet oppassen, als tocht.Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was niet genoeg, meende hy. Als ’n bliksem vloog hem de gedachte door de ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo’nvreeselyken vyand. Hoe was ’t mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden, grys haar te krygen in zoo’n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer lang reeds—als zuigeling zelfs—bezweken zyn? Er zyn taaie naturen, dit weet ik wel, maar wie drommel zou ’t den ouden Dieper hebben aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z’n voorkomen niets van ’n held, en vertoonde zich eer als ’n sukkelaar die zich zou laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de perpetueeletriumphatorover al de kamer-orkanen waaraan-i sedert byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i despolia opimain den vorm van “zinkings” in ’t hoofd droeg. Want lezer, daarmee beloont de afgod “Tocht” ieder die hem deemoedig vreest in onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is.“Deemoedig.” Dit woord bevalt me, en wanneer ik ’t recht had, de helden en heldinnen van m’n vertelling andere namen te geven, dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem niet: m’nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan ’n dubbele fout begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook.Na de korte verpoozing die ’t binnentreden van den boekhouder onzen Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte verveling aan. Dieper had ’n yzeren kist geopend, waaruit hy ’n half dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op ’t vlakke middelstuk van ’n dubbele kantoorlessenaar “voor twee personen” ook wel genaamd: ’nvis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder plaatsnam, stond ’n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde zich Wouter even te leunen—geschiedis’t!—telkens als-i ’n oogenblik vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen ’n anderen lessenaar dan den zynen.Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van ’t hoofdkwartier des handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees tusschen vreemde bezoekers van ’t kantoor, en de gelukkigen die er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van afleider van Wouter’s verveling. Het ding werd in deze eervolle taak bygestaan door ’n ronde opening in een der hoeken, waarin ’n yzeren ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z’n gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde iets: Dieper nam ’n snuifje, en Wouter stond als ’n paal.—De heeren komen wat laat, jongeheer.Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over z’n memoriaal.Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper’s komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zouhoehy zich verveelde, want—en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw—niemand verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet geoorloofd is zich te vervelen.Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z’n eenige zorg was, geen geluid te maken, om vooral m’nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu—o Holsma—z’n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan, hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in ’n hoestbui.Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!—’n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. ’n Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je ’t beet, in-ééns!’t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in Wouter’s keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der “heeren.” De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z’n patroons den rug toetekeeren, om hem niet in ’t gezicht te hoesten. Dit bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van oogenblikkelyke wanhoop, waaraan ’t leven zoo ryk is, doch die later blyken niet veer meer te zyn geweest dan ’n geringe oneffenheid op ons pad.—Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er nog niet?—Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de jongeheer Pieterse.—Zoo?Wouter hoestte.—Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens.Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld wachten zou op m’nheer Pompile of m’nheer Wilkens.—Neem ’n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper.—Wel ja, laat ’m ’n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène grootmoedig. Dáár staat water, en ’n glas ook.Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin ’s nachts de “boeken” werden geborgen, stond in ’n donker hoek’jn op ’n stoof, een verweerde waterkaraf, waarby ’n glas met groezelig oranjekleurigbezinksel. Wouter dronk ’n paar teugen, en behandelde de daartoe gebruikte gereedschappen met ’n eerbiedige teederheid, zuiver water en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele lessenaars in ’n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op z’n boeken lag, spreekt vanzelf.Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder zich in ’t minst te verroeren wachtte hy op m’nheer Pompile en op m’nheer Wilkens ...Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel?Neen!“Er moet veel leeds geleden zyn,Er moet veel stryds gestreden zyn!”Ik geloof juist niet dat altyd—zooals de goede Kamphuyzen, misschien om ’t rym slechts, beweert—het eind van dat alles: “vrede” wezen zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte die de belooning is van ’t:Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit!Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn, te ernstig, te klassisch voor desoortvan Wouter’s tegenspoedjes? Ze vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald in zulken stryd. Mozes en de “Heer” wisten ’t wel. Ze plaagden Egypte niet met tygers, maar met sprinkhanen.Dat Wouterleedis waar. Maar z’nstrydbeduidde niet veel. We kunnen in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te blyven, en de plicht te vervullen die ’t naast voor de hand lag. Zóó had Holsma gezegd, en zóó zou ’t wezen!—Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid in ’t uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd geheven van de artikulatie.Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep zeer snel, als om blyk te geven van ’n diligentie die niet precies overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn.—Dienaar, m’nheer! Dag, Dieper!—Gmorge! Dat’s de jonge Pieterse.—A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!Wilkens was ’n oude gek. Z’n geheel leven was één veroveringstocht geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i ’t op z’n ouden dag niet verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verlorenhebben. De voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in ’n langgerektaeofèèèè,of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde zich heel klein.—Jae, m’nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet wachten op m’nheer Pompile?De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z’n antwoord te worden opgenomen door m’nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in ’n lange kantoorjas.—Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, zeide hy, als om zich by z’n jongen patroon over z’n laat-komen te verontschuldigen.Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat juist even genoeg was om te kennen te geven: “ik heb gehoord wat je zei.” En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met ’ndeficitvan drie stuivers in de “kleine kas” en pynigde zich met zoeken naar de oorzaak van die vreeselyke gaping.—Maer, m’nheer, kan er ook misschien ’n brief zyn geweest voor “huishouden?”—Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op ’n toon van: “wat kan ’t my schelen!” Ook lag er iets in van: “maak toch zoo’n wind niet met je oogendienende stiptheid!”—Jae ... maer ...Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van ’t nabootsen der Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z’n lymerigeae’s. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich ’n verwaande kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben ’n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met het praedikaat: “jongeheer” lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op ’t volslagen heerschap van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn op maatschappelyke onderscheidingen—altyd slechts in toepassing op anderen, want zichzelf schatte hy ’n graad of zooveel te hoog—en noemde de jongelieden: “m’nheer Pompile en m’nheer Eugène” wanneer-i over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als vroeger: “jongeheeren” wanneer hy ’t woord richtte tot de oudere lyfstaffierenvan den huize. Dat iedereen—op den knecht na—tegenover Wouter volop: “m’nheer” was, spreekt vanzelf. Of ’t waar is dat men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is ’t, dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen.Wilkens becyferde de kolommetjes van z’n “kleine-kas-“boekjen, en zeide:—’t Is ienderdaed verbaezend!En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet.2—Maar, m’nheer, zouden we nu ’t jonge-mensch maar niet aan ’t werk zetten? Misschien komt m’nheer Pompile eerst na de koffi.—Wel ja. Ga je gang!Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na ’n paar gemaakte kuchjes:—Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar weg ...Al dezemarenhadden ’n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als ’t bekende spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen ’t heele land doortereizen, daar hy uren lang met z’n hoofddeksel in de hand had gestaan. Voor ’t oogenblik echter bewoog hy zich niet verder dan tot den lessenaar nummerdrie, tusschen Wilkens en ’t venster.—Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt: goed rekenen?—Ja, m’nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als ’n krygsman die de trom hoort. O ja, m’nheer!Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe!—Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en penningen. Zestien penningen maken ’n stuiver, zieje, en twintig stuivers ’n gulden. Dit weetje zeker wel?—O ja, m’nheer.—Zoo? Weetje dàt! Ei!En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z’n naastbyliggenden plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van ’n: “optellingsom” te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen enkele kolom sloot met de facitten van m’nheer Wilkens. Hy werd zeer verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde zaken op denZeedyk!Een heer stapte de binnenplaats over. ’t Was m’nheer Pompile, oudste zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd & Kopperlith.1In 1191a betoogt M. datordeenarbeidgeneesmiddelen zyn voor krankzinnigheid.2Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de “diepzinnige kwestie, of ’n auteur uitspraak en dialekt” zyner personen moet weergeven, naar aanleiding van ’t op een congres te Antwerpen verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194–1199.)

Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor ’n fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de handelswereld.Multa tulit!

Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor ’n fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de handelswereld.Multa tulit!

By ’t nalezen der laatste helft van ’t vorig hoofdstuk, bemerk ik, ’n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar ’t “kantoor” leidde, te hebben overgeslagen. Na ’t voorbyworstelen van de glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis van ’n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, waarop ’t kantoor “uitzag.” De lezer die op nauwkeurigheid gesteld is—anderen zyn me onverschillig—wordt gewaarschuwd deze binnenplaats niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht meedeelde aan ’t magazyn. Tusschen die beide “open-luchtjes” in, lag ’n groot gedeelte van ’t huis, dat lang, smal en hoog was. Na de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar ’t kantoor, wees hem daar ’n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot “de heeren” zouden komen. En, zei de man:

—Dat zal nog wel ’n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En ik ga m’n kommetje koffi drinken in de keuken. ’t Ga je goed, zoolang.

Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.

De voorwerpen die z’n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer geschikt om z’n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de twee verweerde vensters op de binnenplaats en ’t achterhuis, was—op ’t verschil in warmtegraad na—nova-zemblisch:

Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden.Hier houdt geen sterfling ’t uit. Hier komt geen Noorman landen.Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!

Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden.

Hier houdt geen sterfling ’t uit. Hier komt geen Noorman landen.

Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,

Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!

Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, als-i niet door z’n vader was “gedaan” op ’n kantoor in verfwaren? Waar anders ving z’n oog zulke tinten op van iets droevigs, van ’t enge, benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in ’t hooge Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed halen kan by zoo’n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten wat-i deed, en ’t is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z’n plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien werd-i bedorven door ’n bloempotjen op z’n binnenplaats.

Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel voorwerp trok z’n oogen tot zich, dat hem ’n voorwendsel aan dehand deed om iets anders te denken dan: “in den handel, in den handel, ik ben hier in den handel!”

Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, naast de onderaardsche gang die naar ’t magazyn liep, eenig geruisch te maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z’n krukjen, om al wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er kwam niemand, en Wouter besteeg z’n troontje weer. Toch zorgde hy z’n hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen van ’n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste moet van ’n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de man dien-i had hooren noemen by de Holsma’s, de man op dat eiland, die zoo verschrikte by ’t ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, indezewildernis ...

Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter verlegen maakten. Daar warenCognossementen,Fakturen,Vrachtbrieven, en zelfs:Diverse Nota’s.En die opschriften waren omgeven van ’n gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door ’n spiernaakten Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O & K, No... later in te vullen by eventueel gebruik.

—Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo’n god ook begonnen zyn met leerlingetjen op ’n kantoor te worden? Hoe leî men het toch aan in ’t oude Griekenland, om iets te worden in de wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch ’n voorstelling gemaakt hbben van ’t begin der zaken. Van wie had die Merkurius rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen ...kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt geeft dàt, wat geeft dàt?En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is ’t, nu ja, maar ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m’n best doen, zooals de dokter gezegd heeft ...

Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden ’n “luiwagen” buiten de keuken. Of ze smeet ’n “varken” de deur uit ...

Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy had nog niets “in den handel” verricht, nog geen enkele evenredigheid opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor ’n heel ristje breuken tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas, negen. “Reeds” voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z’n gedachten. “Pas” negen uur, voor ’n werkmannetjedat zoo graag wou uitmunten, èn nu al vóór ’t aanvangen van den arbeid, zich geknakt voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door ’t denkbeeld dat z’n voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen zou—’t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen zich zouden ophouden met makkelyke “sommen”—legde hy zichzelf ’ntentamenop, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte op:zes maal acht is ... drie en ’n kwart, of ... niemendal. “O God, o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!”

Elken keer dat een der beelden die ’n rol hadden gespeeld in de laatstverloopen dagen van z’n leven, zich aan zyn verbeelding vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, die ... ook geen kleeren aan ’t lyf had. Wèl ... gekleed of niet, hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy wàs er al in. Bevond hy zich niet op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen ’n kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden van de heele wereld? ’t Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!

Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy was juist, of ter-nauwernood, ’n klein weinigje bekwamer maar dan Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om ’t te brengen tot “patroon” van ’n amsterdamsch “huis.” Dat Femke’s bedoeling goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ...

Weg, weg, weg met Femke ...drie maal negen is zeven-en-dertig: o god, daar is ’t weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ...1

Ja, ’t was voor ’n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig te worden. Gelukkig hoorde Wouter ’n deur toeslaan, en daarop ’t geluid van voetstappen. Maar ’t was niet in het huis. Een oud heer vertoonde zich in ’t gangetje naast het achterhuis, en betrad het plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen, als om te zien wie daar al zoo vroeg op ’t kantoor was,verdween door ’n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer.

’t Spreekt vanzelf dat Wouter ’n houding had aangenomen, die om vergeving scheen te smeeken voor z’n existentie. Och, zoo onnoodig! Die oude magere heer nam ’t hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond, en zelfs niet dat-i dáár was.

—Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja, ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op ’t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak, en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ...

Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i eens weer in den handel ging, z’n hoed op ’t hoofd te houden ... om dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z’n moeder had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z’n begroeting van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel ’n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam kwam verlossen uit z’n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens had toegevoegd: “houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder.”

En alweer onderzocht Wouter niet, of deze maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: “ga nu maar zitten,nu! Straks als “de heeren” komen, is ’t wat anders!” Deze zin kon door hem onmogelyk aan Dieper’s woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, ’n boekhouder ter-nauwernood ’n minder verheven wezen was, dan de “patroon” zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte aan z’n waarnemingsvermogen, en hy zou dus—àls-i kon geroepen zyn tot schatting—hierin dezelfde fout gemaakt hebben als ’n kind dat verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de maan om?

De uitdrukking van Dieper’s gelaat was één doorgaande vriendelykheid. Hy verdween ’n oogenblik in de alkoof die tegenover de vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform, d. i. in ’n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met ’n zwart kalotjen op z’n witte haren. Want: “soms was er tocht op ’t kantoor.” Zoo verzekerde hy aan Wouter, die ’n gebaar maakte alsof hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden zou by de eerste gelegenheid ...

Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper ’n dienst gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op ’n engel geleek.

—Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor ’n mensch zoo moet oppassen, als tocht.

Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was niet genoeg, meende hy. Als ’n bliksem vloog hem de gedachte door de ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo’nvreeselyken vyand. Hoe was ’t mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden, grys haar te krygen in zoo’n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer lang reeds—als zuigeling zelfs—bezweken zyn? Er zyn taaie naturen, dit weet ik wel, maar wie drommel zou ’t den ouden Dieper hebben aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z’n voorkomen niets van ’n held, en vertoonde zich eer als ’n sukkelaar die zich zou laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de perpetueeletriumphatorover al de kamer-orkanen waaraan-i sedert byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i despolia opimain den vorm van “zinkings” in ’t hoofd droeg. Want lezer, daarmee beloont de afgod “Tocht” ieder die hem deemoedig vreest in onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is.

“Deemoedig.” Dit woord bevalt me, en wanneer ik ’t recht had, de helden en heldinnen van m’n vertelling andere namen te geven, dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem niet: m’nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan ’n dubbele fout begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook.

Na de korte verpoozing die ’t binnentreden van den boekhouder onzen Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte verveling aan. Dieper had ’n yzeren kist geopend, waaruit hy ’n half dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op ’t vlakke middelstuk van ’n dubbele kantoorlessenaar “voor twee personen” ook wel genaamd: ’nvis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder plaatsnam, stond ’n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde zich Wouter even te leunen—geschiedis’t!—telkens als-i ’n oogenblik vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen ’n anderen lessenaar dan den zynen.

Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van ’t hoofdkwartier des handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees tusschen vreemde bezoekers van ’t kantoor, en de gelukkigen die er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van afleider van Wouter’s verveling. Het ding werd in deze eervolle taak bygestaan door ’n ronde opening in een der hoeken, waarin ’n yzeren ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z’n gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde iets: Dieper nam ’n snuifje, en Wouter stond als ’n paal.

—De heeren komen wat laat, jongeheer.

Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over z’n memoriaal.

Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper’s komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zouhoehy zich verveelde, want—en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw—niemand verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet geoorloofd is zich te vervelen.

Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z’n eenige zorg was, geen geluid te maken, om vooral m’nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu—o Holsma—z’n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan, hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in ’n hoestbui.

Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!

—’n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. ’n Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je ’t beet, in-ééns!

’t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in Wouter’s keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der “heeren.” De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z’n patroons den rug toetekeeren, om hem niet in ’t gezicht te hoesten. Dit bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van oogenblikkelyke wanhoop, waaraan ’t leven zoo ryk is, doch die later blyken niet veer meer te zyn geweest dan ’n geringe oneffenheid op ons pad.

—Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er nog niet?

—Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de jongeheer Pieterse.

—Zoo?

Wouter hoestte.

—Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens.

Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld wachten zou op m’nheer Pompile of m’nheer Wilkens.

—Neem ’n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper.

—Wel ja, laat ’m ’n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène grootmoedig. Dáár staat water, en ’n glas ook.

Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin ’s nachts de “boeken” werden geborgen, stond in ’n donker hoek’jn op ’n stoof, een verweerde waterkaraf, waarby ’n glas met groezelig oranjekleurigbezinksel. Wouter dronk ’n paar teugen, en behandelde de daartoe gebruikte gereedschappen met ’n eerbiedige teederheid, zuiver water en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele lessenaars in ’n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op z’n boeken lag, spreekt vanzelf.

Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder zich in ’t minst te verroeren wachtte hy op m’nheer Pompile en op m’nheer Wilkens ...

Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel?

Neen!

“Er moet veel leeds geleden zyn,Er moet veel stryds gestreden zyn!”

“Er moet veel leeds geleden zyn,

Er moet veel stryds gestreden zyn!”

Ik geloof juist niet dat altyd—zooals de goede Kamphuyzen, misschien om ’t rym slechts, beweert—het eind van dat alles: “vrede” wezen zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte die de belooning is van ’t:

Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit!

Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit!

Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn, te ernstig, te klassisch voor desoortvan Wouter’s tegenspoedjes? Ze vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald in zulken stryd. Mozes en de “Heer” wisten ’t wel. Ze plaagden Egypte niet met tygers, maar met sprinkhanen.

Dat Wouterleedis waar. Maar z’nstrydbeduidde niet veel. We kunnen in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te blyven, en de plicht te vervullen die ’t naast voor de hand lag. Zóó had Holsma gezegd, en zóó zou ’t wezen!

—Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid in ’t uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd geheven van de artikulatie.

Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep zeer snel, als om blyk te geven van ’n diligentie die niet precies overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn.

—Dienaar, m’nheer! Dag, Dieper!

—Gmorge! Dat’s de jonge Pieterse.

—A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!

Wilkens was ’n oude gek. Z’n geheel leven was één veroveringstocht geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i ’t op z’n ouden dag niet verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verlorenhebben. De voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in ’n langgerektaeofèèèè,of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde zich heel klein.

—Jae, m’nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet wachten op m’nheer Pompile?

De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z’n antwoord te worden opgenomen door m’nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in ’n lange kantoorjas.

—Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, zeide hy, als om zich by z’n jongen patroon over z’n laat-komen te verontschuldigen.

Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat juist even genoeg was om te kennen te geven: “ik heb gehoord wat je zei.” En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met ’ndeficitvan drie stuivers in de “kleine kas” en pynigde zich met zoeken naar de oorzaak van die vreeselyke gaping.

—Maer, m’nheer, kan er ook misschien ’n brief zyn geweest voor “huishouden?”

—Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op ’n toon van: “wat kan ’t my schelen!” Ook lag er iets in van: “maak toch zoo’n wind niet met je oogendienende stiptheid!”

—Jae ... maer ...

Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van ’t nabootsen der Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z’n lymerigeae’s. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich ’n verwaande kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben ’n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met het praedikaat: “jongeheer” lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op ’t volslagen heerschap van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn op maatschappelyke onderscheidingen—altyd slechts in toepassing op anderen, want zichzelf schatte hy ’n graad of zooveel te hoog—en noemde de jongelieden: “m’nheer Pompile en m’nheer Eugène” wanneer-i over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als vroeger: “jongeheeren” wanneer hy ’t woord richtte tot de oudere lyfstaffierenvan den huize. Dat iedereen—op den knecht na—tegenover Wouter volop: “m’nheer” was, spreekt vanzelf. Of ’t waar is dat men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is ’t, dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen.

Wilkens becyferde de kolommetjes van z’n “kleine-kas-“boekjen, en zeide:

—’t Is ienderdaed verbaezend!

En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet.2

—Maar, m’nheer, zouden we nu ’t jonge-mensch maar niet aan ’t werk zetten? Misschien komt m’nheer Pompile eerst na de koffi.

—Wel ja. Ga je gang!

Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na ’n paar gemaakte kuchjes:

—Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar weg ...

Al dezemarenhadden ’n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als ’t bekende spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen ’t heele land doortereizen, daar hy uren lang met z’n hoofddeksel in de hand had gestaan. Voor ’t oogenblik echter bewoog hy zich niet verder dan tot den lessenaar nummerdrie, tusschen Wilkens en ’t venster.

—Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt: goed rekenen?

—Ja, m’nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als ’n krygsman die de trom hoort. O ja, m’nheer!

Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe!

—Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en penningen. Zestien penningen maken ’n stuiver, zieje, en twintig stuivers ’n gulden. Dit weetje zeker wel?

—O ja, m’nheer.

—Zoo? Weetje dàt! Ei!

En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z’n naastbyliggenden plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van ’n: “optellingsom” te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen enkele kolom sloot met de facitten van m’nheer Wilkens. Hy werd zeer verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde zaken op denZeedyk!

Een heer stapte de binnenplaats over. ’t Was m’nheer Pompile, oudste zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd & Kopperlith.

1In 1191a betoogt M. datordeenarbeidgeneesmiddelen zyn voor krankzinnigheid.2Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de “diepzinnige kwestie, of ’n auteur uitspraak en dialekt” zyner personen moet weergeven, naar aanleiding van ’t op een congres te Antwerpen verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194–1199.)

1In 1191a betoogt M. datordeenarbeidgeneesmiddelen zyn voor krankzinnigheid.

2Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de “diepzinnige kwestie, of ’n auteur uitspraak en dialekt” zyner personen moet weergeven, naar aanleiding van ’t op een congres te Antwerpen verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194–1199.)


Back to IndexNext