Chapter 9

De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z’n opleiding in ’t vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in ’n windblaas.Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op ’n boven-voorkamer bezig is met z’n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks zullen zien verschynen ...... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en ’n stuk of drie “dag’“s uitstoot, alsof ’t beschuitkruimels waren die hem in de keel prikkelden ...... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z’n romannetje gebukt zit, en in knotwilgstyl z’n: “bsjoer Pompile!” laat glippen ...... indien àl de Kopperlith’s, als daar zyn: de jongeheer Rodomont, en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ...... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia, en “de” juffrouw ...... indien ...Sakkerloot, lezer, m’n galery wordt te vol! Wat ’n arbeid, al die portretten afteteekenen! Toch zal ik ’t beproeven. Maar eerst dit: indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ...Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche vertaling van m’n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is ’t me dus niet onaangenaam dat hun litterarische ontwikkeling by ’t fransch is blyven staan, en dat de kans op vertaling van m’n werken in dat onwysgeerig idioom, allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood.Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is waarschynlyk begaafd met ’n buitengewone verbeeldingskracht, en ik wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de aandoening voortestellen van ’n familie die, vele jaren na haar universeel overlyden, van ’n edelmoedigen schryver drie graden amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want, al kost het m’n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de waarheid bovenal: onze Kopperlith’s woondennietop de Keizersgracht, en patriciërs waren zeniet... ziedaar!De oorzaak van m’n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar ’n dwalingishet. Toen ik, ’n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde de oudeheer voor m’n schryversoogen op. Nooit zag ik ’n grysaard met deftiger voorkomen. Op z’n eenigszins te dikken buik na, vertoonde hy ’t model van ’n genueschenDoge... uit ’n roman, namelyk. Van ’n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op ’n schildery.En ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend: “dat is m’nheer Kopperlith!” dat ik—al te oppervlakkige waarnemer op dat oogenblik—men bedenke dat m’n aandacht werd afgeleid door ’t kyken naar prinses Erika, die ’r lief uitzag—in ’s hemelsnaam, ik vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar ànders? Voor ’n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo’n zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op ’n rotspiek. Bovendien, z’n harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, en maakte plaats voor den buik dien-i als ’n marskraampje voor zich uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep ik my op ’t publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn dwaling deelden. Klaas Verlaan en z’n kornuiten waren òf Amsterdammers van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z’n rangbepaling ’n paar straten of grachten uit den koers dwaalt.Hoe dit zy, ’n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren oudheidskenner die m’n integriteit kwam aantasten, en meende my omvèr te gooien met ’n adresboek van ’t jaar zooveel, de verheven uitdrukking naar ’t hoofd te werpen:“Indien de Kopperlith’s niet woonden op de Keizersgracht, m’n-heer ... dan, m’nheer, dan ... welnu, m’nheer, dan hadden ze verdiend te wonen op de Keizersgracht, m’nheer!”En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in ’t vervolg van m’n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het kantoor “ging in” in de Vellestraat, of in ’n andere straat, of ... in ’t geheel geen straat, en dus “op” ’n gracht. En dat de heele familie ’n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar.“Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door ’n peloton afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de Keizersgracht woonden!”Het is deze koorzang die my den moed geeft, m’n topografische dwaling voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan, jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die ’n abonnement kan betalen aan Wouter’s boekenman in de Hartenstraat! En jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En Flodoard! En de rest! Veroorloof me—of niet, naar verkiezing!—u ’n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen en dood-liggen als ’n meikever. Spreek,Pompile! Ratel en snater, Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze Keizersgracht!—Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier zyn de brieven ... een voor huishouden—van Leon, Eugène!—waar is Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee wittegrondjes-driekleur—je weet wel, Wilkens, dieVictoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds—maar hy wil dat ouwe krieuweltje met ’n oogjen ... is ’t er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is ’t met mama, Eugène? Zou ’t lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? ’t Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’S vragen opGroenehuize. Die briefbesteller is ’n lap ... de vent wil altyd geld voor ’n borrel als-i de brieven op-straat afgeeft, want ... hy mag ’t niet doen, dat weetje. Als ’t gemerkt wordt, krygt-i z’n ontslag. Ik heb ’m dezen keer ’n stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet ’m op huishouden, want er is ’n brief van Leon ook. Dus ... ’t kan wel op huishouden: wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat voor Gerrit vandaag, Dieper?Ikheb veel boodschappen. Wilkens, je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als ’t krieuweltje ’r niet meer is—met dat oogje, weetje?—dan zenden wy ’t moesjen, of ’t slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je weet wel, ’t zyn de witte-grondjes-driekleur,Victoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want ... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen, weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat’s goed, want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt, zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z’n brieven aan mama ...Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op ’t adres van een brief aan ’n gehuwde vrouw, is plaats voor twee weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m’nheer Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken van ’n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch vóór haar huwelykNiemendalheette, doet niet ter-zake. De postklerk te Tjanjor—daar werden die epistels uitgebroed—was niet zeer bedreven in ’t hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z’n mama te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: “postklerken zyn praterig” hoopte de kwast juffrouw Pieterse na.Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z’ntegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en maakte—ook in zeer letterlyken zin—zooveel wind als maar eenigszins mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon’s brief in de hand de kamer verlaten had, keerde hy terug.—A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken vandaag? Ik zit andersen peine,zeer, zééren peine, weetje ... ergen peine, met de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s, die ik allemaal geinviteerd heb opGroenehuize. En ... ik heb de kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg—grof volk, zulke kruiers!—of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in ’n leuningstoel, en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s. Dat is het maar, weetje!En hierop verliet hy weder ’t kantoor.’t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had staan toeluisteren. Na ’t vertrek van m’nheer Pompile verdiepte hy zich op-nieuw in z’n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z’n naast-byliggend plicht je doen. Was ’tzynschuld dat-i zich zeer onbekwaam voelde, en telkens rekende:drie en acht is vier-en-twintig, of wat anders?Wilkens ging naar ’t magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de moesjes of de blokjes die ’t huis Kopperlith den winkelier Krimp zou trachten in de maag te stoppen, in plaats van ’t verlangde krieuweltje met ’n oogje.“Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ...’t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in:—Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg, Eugène, hoor eens, ’t wordt àl te erg! Weet jelui ’t al, van Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op m’n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè?—Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ...De boekhouder sloeg ’n kleine agenda op.... morgen heb ik ’n wisseltjen in den jodenhoek, ’n smerig dingetje.—Zoo? Morgen? Nu dat’s goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg ’t aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg veel boodschappen.—Ja, jongeheer Pompile, ik zal ’t zeker aan m’nheer zeggen. En ... hoe vaart de jongeheer Leon?Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z’n vele boodschappen, zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door’n andere hand dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den vóórtyd, ’ncoprolithischeverwantschap die ontzien moest worden. En daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op ’t welvaren van den jongeheer Leon.—Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy klaagt dat allerlei gemeen volk hem over ’t hoofd springt ...—Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met ’n treurigheid in z’n stem, die wel eenige verhooging van traktement waard was.—Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z’n rhumathiek! En ik heb juist zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse—je heet immers Pieterse?—je moet eens zoo goed wezen ’n paar boodschappen voor me te doen.Wouter stond marschvaardig, met z’n hoed in de hand, en ’n verheugd: “asjeblieft, m’nheer!” op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de opdracht die hy te-gemoet zag, was hem ’n verademing. De jongeheer Pompile nam plaats tegenover Dieper—daar namelyk was de lessenaar van den “patroon”—en hy wenkte Wouter tot zich.—Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- ’n zakboekje? Een portefeuille-n-of zoo-iets?—N... e... e... n, m’nheer.—Zoo? Heb je dàt niet? ’n Kantoorbediende moet ’n portefeuille hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je ’t. Nu, voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m’nheer Hocker, en daar doe je-n-’t kompliment van my—van den jongen m’nheer Kopperlith, moet je zeggen, van m’nheer Pompile, weetje?—en je vraagt, of de juffrouwen Pleier uit Frankfort—want die logeeren by m’nheer Hocker, weetje?—of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m’n vrouw—zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan weten ze-n ’t wel—ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben, met ons en de familie Krucker ...—Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar Hocker woont.—Ah...ja! Dat’s waar! M’nheer Hocker woont ...En Wouter’s handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige kennis van de plek waar m’nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden kunnen verheugen in ’t gezelschap vanmevrouw Kopperlith-Huddewitz, ook wel genaamd: de jonge mevrouw.—En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar naar den stal van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want ... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob—dat is de koetsier—daar zeg je ...Volgt: ’n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is.—En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan, in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw Kopperlith—je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz—en je zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-’t tapisseriepatroon te geven ... ’t is ’n liggende jachthond, kan je dit onthouden?—J...a, m’nheer!—Goed! ’n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz, begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt aan de meid dat je van my komt—van “m’nheer” weetje—en je doet het kompliment, en je zegt ...—Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is?—Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar de deftige huizen staan. ’t Is ’n huis met opgaande stoep, en ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ... m’n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt—’t is ’n jachthond op ’n kussen, weetje?—dan breng je-n-’t weerom aan juffrouw Lins, en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens te gaan by m’n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe je-n-’t kompliment van my—van m’nheer Kopperlith van de Leliegracht, moet je maar zeggen—en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen ochtend negen uur, de maat te komen nemen van ’n paar pantoffels. En dan ga je by m’nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en je vraagt hoe de oude mevrouw vaart—want ze-n-is ziek, weetje, ze heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar hoe ze vaart?—en dan breng je daar ’t antwoord van de juffrouwen Pleier uit Frankfort, die by de Hocker’s logeeren. Maar als nu de juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo goed wezen even aanteloopen by m’nheer Kruis op de Engelsche-kaai, en zeggen daar—maar je moet eerst het kompliment van my doen—dat ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ...—God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden!—Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo’n jongmensch geen zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-’n zakboekje krygt, om ... alles opteschryven, weetje? Want ... ’n kantoorbediende moet altyd ’n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef, zou je ze maar vergeten—wat zeg jy, Eugène?—omdat je geen zakboekje hebt, weetje?Oef!Wouter deed z’n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem ’n fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m’n innigsten spyt mag ik niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier waarop men over z’n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet, en voelde zich in ’t minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd de buitenlucht inteademen, en z’n leedjes eens te kunnen uitstrekken, ’t Kwam hem voor, dat z’n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat ’n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, ’n bordjen om z’n hals te hangen, met het opschrift: “deze jongeling wandelt langs ’s heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith” en niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht hadden op zoo’n bordje.Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de Leliegracht—de hééle deftige zy!—en aangescheld had aan ’t fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed—het huis, meen ik—bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd werd, evenals ’n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar de dame die hem begluurde, had ’n veel aangenamer uiterlyk dan de “oude mevrouw” van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was ’n jong ding dat nog altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat ’n jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen, en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan Wouter de vraag richtte, hoehy’t patroon vond? Een der oorzaken van haar wangedrag lag hierin, dat haar vader—’n Duitscher die “mooie slagen in koffi” gedaan had—zelf kantoorbediende geweest, en nog niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich met zoo’n wezen nergens anders inlaat dan op ’t kantoor. In vreemde landen namelyk, beschouwt de “patroon” zich eerst dan van andere klei gekneed, wanneer de “bediende” door ’n huwelyk zich voorgoed laat inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft hyzelf zich z’n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemtdie uitsluiting lang voor ’t huwelyk ’n aanvang, en eigenlyk reeds voor de geboorte. Voor ’n jongeling die daar de eerste levensduisterheid aanschouwen mocht—verzenmakers, die ’t zoo nauw niet nemen met de waarheid, noemen ’t licht!—bestaat kans om generaal te worden, zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou, om dat te beleven, z’n eigen kleinzoon moeten worden, want—dit erken ik—in ’t derde geslacht gelukt het soms ’n handig aventurier, zich te doen vergeven dat z’n overgrootvader de vreeselyke misdaad begaan had, iets anders te wezen dan “patroon.” Dit alles nu wist Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen, en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf, zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter’s opinie over dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht, maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten.Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by ’t intreden van z’n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame in ’n huis met spiegelglas, op de Leliegracht—heele deftige zy—had hèm z’n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i op ’t punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden bedacht worden. Maar ze kwam hem voor:—Drie gulden, zestien? Vindje ’t niet wat duur?—O, mevrouw ...En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: “mag ik ’n paar dubbeltjes van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?” Maar hy bedacht nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen verstand had van borduurpatroontjes. ’t Spreekt vanzelf dat-i zich ernstig voornam dien tak van wetenschap tot ’n onderwerp van byzondere studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag:—Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ...—Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of ’t niet wat minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als ’t mogelyk is, voor drie gulden, tien?En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z’n naast-byliggenden plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield.Juffrouw Lins vroeg, na z’n vertrek, aan haar adjudantjes:—Wat scheelde dat jongetje toch? ’t Leek wel of-i me kussen of ... vermoorden wou om die paar stuivers?Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z’n zegevierend wedervaren, voor den tweeden keer de stoep van ’t huis met spiegelglas afstapte, stond er ’n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de “jonge mevrouw” kwam de meid hem achterna roepen dat dit debritschkavan m’nheer Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy ’n boodschap had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de “nieuwe jongste-bediende” van ’t kantoor, en zei wat-i te zeggen had. Uit debritschkagolfde een vleeschklomp, ’n reuzin, Hersilia Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich Kalbb, die te Amsterdam konsul van z’n land was, en tevens chef van ’n handelshuis. Met andere woorden: de man “deed” in katoentjes. Maar heel in ’t deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele voornaamheid, of er blyft ’n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze maakten vlek op ’t Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de heele Keizersgracht.Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd’s uit de wereldgeschiedenis verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met ’n leedvermaak alsof de “Heer” ’n byzonderen hekel aan die stad had, en of ’t koelen van z’n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook de oorsprong van de Kopperlith’s is moeielyk nategaan, en ik wraak elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door ’n grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by ’n bloemist, en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van z’n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den aspirant-tuinier ’n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna, wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de Keizersgracht, en wel in ’tzelfde huis waar we vandaag Wouter hebben ingeleid. De tegenwoordige “oude-heer” erfde van z’n vader ’n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de “zaken” terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt, en engelsche wevers en drukkers van ’t fabrikaat. Het naderschuiven van de bron bedierf ’t monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere liefhebberswaren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van ’n “man met fortuin, zooals m’nheer Kopperlith”. Zoo luidde Dieper’s plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van den “ouden-heer” met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel “in” effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze had hieraan op ’t kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy geenszins versmaadde, en z’n aanzien stond tot dat van Wilkens nagenoeg in rede, als ’n vod van papier tot ’n vod van katoen. Men weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat.De “handel” in katoentjes—waarachtig, ze deden indiemet,shirtingensheetingook!—heette te strekken tot ’n bezigheid voor de jongeluî, want: “om-den-broode hoefden zy ’t niet te doen! Waarlyk niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!”Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes—en met de zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens ’n specialiteit was—moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden, kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van die jongeheeren zeer goedkoop in ’t leven waren te houden. De ziel van ’n muis zou by zoo’n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel, dit wil ik wel gelooven. Maar de “mannen van zaken” worden beleefd verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hiercoram populoverklaar, dat hun “zaken” gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van ’n heel klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter’s bekwaamheden overdryven zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, het schryven van ’n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken hebben, maar overigens? Och, zoo’n “handel” is zoo eenvoudig. Men koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor ’n beetje meer, liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door ’n inhaligheid, die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen ’t vilproces waaraan men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe wordtkennisvereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou naar Wilkens, kon allicht op ’t idee komen dat er eens ’n huis te-gronde was gegaan door ’t bestellen van ’n “haarstreep-diemet” te veel, en ’n stuk of wat “dubbel-gebroken-streep” te weinig. Ook Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van “zaken” naar aanleiding van ’n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun “vak” bovenmenschelykeinspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid zocht buiten hun magazyn en kantoor, ’n zeer slecht figuur maken zou in de “zaken.” Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu, lezer, ’t is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken, verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wiein ’t laatste ressortal die verbazende verstanden keuren en vonnissen moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer Pompile en van m’nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by ’n dienstmaagd die ’n bont jak kocht, by ’n boeremeid die haar vryer ’n gekleurden halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid zal wèl doen, ’n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens: er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling, en zéker is ’t dat zy tot de uitoefening van hun “vak” aan die ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor ’n levensdoel, zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden zich dit jaar zullen opmooien met ’n ruitjen of met ’n streepje? Met ’n witte-grond-driekleur of ’n bruin palmpje? Of men de “dames” zal kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche distinktie van ’t saizoen—haute nouveauté, heusch!—zich openbaren zal in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in ’n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad?Toch neem ik ’t niemand kwalyk dat-i ’n onbeduidend wezen is. Ook dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die ’r anders bestaan zou tusschen den Mensch en z’n pantoffel. Maar ... die pantoffel mag zich niet uitgeven voor ’n rylaars. Ik ken iemand die—hoed en hooge hakken meegerekend—maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z’n pretentie afwyzen, wanneer-i zich aan my wou opdringen als ’n reus. En wèl word ik boos by ’t ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets degelyks hebbende uitgericht, ’n plaats in de Maatschappy innemen, welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte, gaf my aanleiding, in dit en ’n paar der volgende hoofdstukken het bekende draadjen om den poot der Kopperlith’s te slaan. Wie nu niet in gedrukte katoentjes “doet” maar “in tabak is” of “in” gort, krenten,mixed pickleof schoensmeer—wie schoensmeermaaktstaat hooger!—wie niet precies “in” die katoentjes rondkruipt, behoeft nu niet te denken dat het verboden is m’n opmerkingen toetepassen op zichzelf. Lieve hemel, wat zou m’n uitgever verdrietig zyn, wanneer m’n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche lynwaden:wittegrond-driekleur-victoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds,met ’nkrabbeltjenof ’nloovertjenof ’nmoesjen, of metblokjesof ’nslangetjenof ’nkrieuweltjemet ’noogjen... altyd ’n volslagen niemendalletje!En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan zou z’nzielworden besteed.Is ’t niet, om de dagen te betreuren van Pennewip’s afsnydende teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z’n gehuurden snuifpot, en wat er verder op dienZeedyk’t “voornaamste” mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs—ik word daar byna onzedelyk—byna zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m’n heldje terug te wenschen op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwylhier...M’n bedoeling is nagenoeg, dat ’n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk voorkomt dan ’t stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer, dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in ’n atmosfeer als die der Kopperlith’s? Maak liever ’n ambachtsman van uw jongen, of ’n matroos!Over al de rytuigen van “papa” en de hoogheid van ’n elsasser konsul “die m’n zwager is.” Engelschenottingsen onderscheiden windsoorten, uitloopende in ’n lange verhandeling over ’t parelduiken.Toen Wouter, na ’n paar uur dravens, het kantoor weder betrad—Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke volgorde al de stadien dervia dolorosaterug, die Gerrit hem dien ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!—toen hy bezweet terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op ’t kantoor. De laatste was half weggedoken in ’n kast, die naast den ingang tot de alkoof in ’n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i daar naar ’t staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren binnentreden, zoodat deze vergast werd op ’t onsmakelyk staartje van ’n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak:—Je zult zien:ikzal den schoolmeester moeten spelen! Opmyzal alles neerkomen! Ze zullenmytot plakmonarch willen maken,my! Dat’s m’n vak niet ... dat’s m’n karakter niet! In ’t geheel niet!Toen de man die zoo bang was dat men ’n schoolmeester van hem maken wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerendecomplainteover ’t gevreesd verkrachten van z’n roeping af.—Daar staat ’n tas koffie voor je, zeide hy met ’n majesteit in toon en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield, ’n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op ’n tafeltje was koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: ’n bak. Maar “tas” kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z’n schik met het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht engratismocht leeren kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo’n ding ’n spoelkom.—E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in ’t vervolg ’n kadetje meebracht, of zoo-iets.Alweer wat nieuws voor ’t jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z’n onkunde zou aanzien voor ’n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit:—O zeker, m’nheer! Dat zal ik zeker doen!Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk moest worden meegebracht in ’t vervolg? Gelukkig dat-i uit het vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza op ’t kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf ’t verlangd voorwerp geweest ... de kleine Simson zou’t geleverd hebben, waarachtig! Want ... men moet altyd z’n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter’s plicht was nu, te doen wat ’m geboden werd door ... iedereen. Er bleek evenwel dat Wilkens niet aan z’n moeder gedacht had, want—wetende dat Wouter gespeend was—liet hy op z’n onbegrepen vermaning de sententieuze kommentaar volgen: dat ’n jongmensch niet zeer lang zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter’s vermoeden werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van ’n zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, in gezelschap van ’n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper en Wilkens alzoo, schenen zich ’n oogenblik geleden gedragen te hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de welwillende voorzorg gebruikt hunkiökkenmöddingachtertelaten, om ’n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat de benaming van ’t voorwerp dat hy in ’t vervolg moest meebrengen—hoe drommel heette het ook?—weleens de zeer aristokratische ambtstitel wezen kon, waarmee men “in de zaken” ’n boteram aanspreekt. In ’n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z’n maag en door den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z’n oor bereikte, al ware het ’n engelenzang geweest, of ’n preek. Wat Strabbe aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat ’n spoelkom, in kantoorstyl “tas” heet ... het onbekende ding zal dus wel ’n boteram zyn! Men ziet, het was een soort vanregula de tri, en juist daarin was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip.De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het kantoor ’n uurtje te verlaten, om te gaan “koffiedrinken en ’n broodjen eten by mama.” Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, waarmede hy aan de “heeren van ’t kantoor” verlof scheen te geven ook iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want “kadetjes” of boterammen werden niet verstrekt door het huisOuwetyd & Kopperlith, waarvan de “papa” zoo byzonder ryk was. De “heeren van ’t kantoor” mochten, indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was, voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan ’t oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze ’r zoo heel onoogelyk uitzagen, en vooral ’t rantsoen van Wilkens die, wys geworden door treurige ervaring, gewoon was z’n “kadetjes” warm te houden tusschen den linker voorpand van z’n vest, en z’n edel hart. Eens namelyk hadden ’n paar neefjes van den huize—ze wisten niet, de onzaligen, dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met ’n kantoorbediende!—ze hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z’n met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt met ’n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z’n “vak” verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der “neefjes van m’nheer”—z’n naastbyliggend plichtje, naar-i meende—maar droeg voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z’n maag by zich, tot de finale exekutie toe. En eenmaal is ’t gebeurd dat hy ze ongegeten weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met “mama” en was op ’t kantoor gebleven. De “heeren” hadden den moed niet hun spaarkruimels voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid van Klaas Kolyn aan ’t licht te brengen, die als eerroovend voor ’n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith’s menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat “de heeren van ’t kantoor” ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de “booien” zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dienkakolyntelkens zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel.Juist was Wouter van meening ’n aanval te wagen op den hem aangewezen spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z’n gewone schichtige haast het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z’n vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was ’t niet opmerkelyk dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om ’t ding niet te laten vallen?—Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is ’t? Wat zei de schoenmaker? En de juffrouwen Pleier? En heb je m’n huis gevonden? Je moet maar altyd kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m’n zykamer zyn van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i?Aan ’t poetsen, zeker? Zeker aan ’t poetsen, hè? Want ... papa heeft ’nbritschka, en ’nlandauwer, en ’n tentwagen, en ’n koets, en dat alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen Pleier geantwoord hebben?De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het scheen dat z’n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen begunstigen met meer boodschappen. By ’n aanleg als die welke Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn van Pompile’s tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste kantoorbediende—mits in leven blyvende—eenmaal den rang van alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat tyd noodig.—Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo, heb je die gezien? Juist, precies, dat was debritschkavan papa, want ... papa houdt rytuig. Had ze d’r huurpaarden voor ... och, dat weet je nog niet. Maar anders ... ’t is maar, weetje, dat papa niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet alles goed onthouden ... en ’n zakboekje koopen, ’n klein zakboekjen, en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m’nheer Wilkens je zegt, niet waar, Wilkens?—Ja, m’nheer!—Juist. Mevrouw Kalbb is m’n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith—zóó moet je zeggen!—en denk er aan dat m’nheer Kalbb z’n naam met tweeb’s spelt. Onthoud dat, en schryf ’t op als je-n-’n zakboekje hebt ... met tweeb’s weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten met éénb, geringe menschen, heel geringe menschen ... ’n leerkooper, geloof ik. Wat zeg jy, Dieper?Dieper legde langzaam en voorzichtig z’n pen neer, trad ’n stap achterwaarts—hy boekhouwerde altyd overeind—snoot z’n neus, hèmde z’n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed gemaakte organen:—Ja, jongeheer, heel geringe menschen!—Zieje, ging Pompile voort, m’nheer Dieper zegt het ook, en ... die leerkooper schryft z’n naam met éénb. Maar myn zwager heet Kalbb ... met tweeb’s, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de Koning:eh bien, m’sieur le consul, comment vont les affaires? En dan antwoordt m’nheer Kalbb ... ook in ’t fransch. En dan heeft-i ’n rok aan met ’n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning—’t is eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!—en m’nheer Kalbb ... is m’n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze?—Ze zei niets, m’nheer.—Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of ... ’n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze ism’n zuster, weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is ’t afgeloopen met dat borduurpatroon?Wouter’s triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins gematigd door ’t gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de buitensporigheid van z’n lichtzinnige wederhelft te weten kwam:—Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei ... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest?—M’nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i ’n fout begaan had, m’nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik ... binnenkomen moest.—De meid, de meid! Wat geef je-n-om ’n meid? Zoo’n meid kan wel zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan moetje-n-altyd ...Men hoorde een sloffenden tred in de gang. ’t Spyt me. Want ik had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in ’t vervolg zou te gedragen hebben, wanneer “de jonge-mevrouw” hem door de meid liet binnenroepen? Pompile brak op-eens z’n onderricht af:—Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa!De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof ’t kantoor in. Met ’n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af, van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet.—Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons gerekommandeerd door m’nheer Dieper ...De boekhouder trad ’n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i nogmaals verschooning vroeg voor ’n stoutheid die hy scheen begaan te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou voorloopig niet geradbraakt worden.—Ja, door m’nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer?—Och, m’nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer Kopperlith. Och, m’nheer, ’t jonge mensch is my aanbevolen door ... zekeren Kalb, ’n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet heb ... m’nheer!Kalb was z’n neef, en z’n beste vriend, voor-zoo-ver het kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden te hebben.—Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat’s hetzelfde. Je zult hier veel werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in ’t magazyn geweest? Op de zolders? Zeker zet je ’m aan ’t kopyboek, Pompile?Op al deze vragen had Pompile ’n dozyn: “O ja,papa’s”ten-beste gegeven.—En schryft-i ’n mooie hand?—O ja, papa!Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile’s doorzicht. De vereerende hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z’n boodschappen by dePleiers, of deKruckers, of deHockers, of den schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn!—Zoo? Ei! ’n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je ’r van, als we hem den brief van Leon ’n keer of wat lieten overschryven voor Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers?—O ja, papa!—Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun kinderpartytjes. Ze zullen ’t aardig vinden dat-i zoo’n man geworden is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier, op heel dun papier! ’t Is om de port naar Rome, weetje ... op héél dun papier!—O ja, papa!—Zieje, dan kan ’t mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl, vind je niet, Pompile?—O ja, papa!En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in ’t best van hun fatsoen. Na ’t eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de ware manier om ’n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan ’t werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z’n werk leek op ’n gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z’n naastbyliggend plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith,surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java, in Nederlandsch lndië—aldus onderteekende die verre jongeheer ’n brief aan z’n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny—wel bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins beleedigd—meer dan door die boodschappen!—dat men hèm al die fouten te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl.Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon niet helpen. Hy had ’n vreeselyken honger.Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op ’t kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en ’t daarop volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel waaraan hy zich twaalf uren in ’t etmaal schuldigmaakte, jaar-in, jaar-uit. Hoe zou ’t anders kunnen? De man was leeg. Misschien herinnert zich de lezer ’t portret van den baronVan Een-en-ander, dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m’n “Specialiteiten.” Ook daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo’nEen-en-ander-baron is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, ’n ware Humboldt, ’n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlithseniorwas nòch ’t een, nòch ’t ander. Hy was niets.Z’n komst op ’t kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin gezien, omdat hy—voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel—de bedienden van ’t werk hield door z’n eindeloos gebabbel. Dit was, vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter’s menschenkennis had dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook in den “stillen tyd”, in ’t saizoen dat z’n botanischen naam aan decucurbitaceënontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang tot z’n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen, en deze noodlottige waan verleidde hem soms—vooral nà tafel!—tot inbreuk op ’tdecorumvan het kantoor. Dit beviel de jongeheeren niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van “papa” een element van bederf meenden te ontdekken voor ’t verheven standpunt dat zy wilden blyven innemen. Wie ’n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd in den toon dien de jongeheeren terstond na ’t vertrek van “papa” aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan kon: “denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich zoo met je gekompromitteerd heeft.” Het: “je moet eens zoo goed wezen” van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z’n linksgedragen hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van ’n groot man. Déze, dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy ’n briefbesteller paaide voor ’t verzaken van z’n plicht, niet wilde doen drukken op de “zaken” waarin hy ’nvierdeaandeel had, terwyl-i als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor ’n geringer deel zou betrokken zyn in ’t wel of wee van “huishouden.” En veel hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, noch in kennis, noch in verstand, noch in hart.Het spreekt vanzelf dat Wouter—in ’t oordeelen nog altyd belemmerd door naïveteit—dit alles niet dan zeer langzaam opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z’n eigen verwondering kwalyk. Hoe trager evenwel z’n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hyslechts z’n nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er ’n nieuw hoekjen opgelicht van de gordyn die de Maatschappy—of het nietig onderdeel er van dat hy nu te beschouwen kreeg—tot-nog-toe voor z’n oogen bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit ten-slotte de hoogmoed voortkwam die ’t doel van ons streven moet zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist z’n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers Leon. Daarin kwam ’n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, gegeten en ... och, Wouter had zoo’n honger! Hy kende het dokument nu van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren naar alles wat er gesproken werd door de “heeren van ’t kantoor.” Maar dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit “de handel” hem aan “brood” helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen.Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in ’t volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar.De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt—en misschien niet zonder eenig medelyden met den auteur—dat er onder al de personen die ik in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel ook uit hetWetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur.De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was ’t een voorbarige spruit van z’n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds sedert ruim ’n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken, en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort kwamen in z’n “kleine kas” niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes, maar verder ging z’n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In z’n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die boeken—wat ik verstandig vind—maar toch, hy vermoordde nooit iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van ’n halven dukaton te-boven ging. Dit was ’n principe van hem. Hy was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk gedrag, en zou—wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op den gerekwireerden “lust in werken”—best geschikt zyn geweest voor de betrekking van winkeljongetje by m’nheer Motto. De oude Gerrit was ’n pruttelaar, maar overigens bestond z’n grootste fout—op de rhumatiek na—in ’t koketteeren mèt die rhumatiek, ’n begaafdheid die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan ’n boodschap voor den jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare vlek in de eentonige schildery van ’t gewone. Gelukkig dus dat ik geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik ’t aanleggen, om straks wat licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo’n totaal gemis van ’t krimineel-zwarte?Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen op zoo’n vaalgryzen grond?Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege blyven—ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!—dan toch ... vanhier, vanhier, gy die meent ’nromante halen uit den huize Kopperlith!Als ik ’nromanschryverwas, zou m’n taak ligter zyn. Dan immers had ik slechts den gek Wilkens te verdoopen in ’n bandiet, hem ’n roovermantel van diemet enshirtingom den schouder te slaan, z’n kantoortjen onder de stoep te veranderen in ’n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen bloed, z’n kadetjes in zakpistolen, z’n pedante praatjes in moord- en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker dan dat alles, maar ... ’t is nu eenmaal bepaald dat m’n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... ’n romanschryver ben ik niet!Ware ik ’n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia op-weg naarGretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers te-kort, die volstrekt noodig zyn omsous d’autres climatszalig te wezen met ’n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen ’t allerjongst kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds verstout had integaan tot z’n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver ... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van ’t wanbedryf: Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige welgedaanheid ...Maar, helaas, ’n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is ’t niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat ’n boek lezenswaard maakt—uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud nog bovendien op den koop toe—wanneer ik me veroorloofde dat alles te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot ’n bondig:—Je kunt me gelooven, Pieterse,ikben ’n oud man, en jy ’n jonk borssie, maar ... watikje zeg: ’t is allemaal wind en ’n engelschenotting!Sloos had nog ’n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van Kotzebue, en laafde gedurende al z’n vele boodschappen zyn kunstzin aan de tooneelbriefjes die de opvoering vanArmuth und Edelsinnaankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met den meer hollands-klinkenden titel:Armoede en Grootheid.Onze Gerrit had wel dien naam diep in z’n geheugen geprent, doch—eenigszins tegen de bedoeling van den schryver en vertaler—in den zin van:kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z’n eigen woorden, en indien de oude Sloos nog leefde ...Komaan, z’n engelschenottingis mooier. En z’n wind ook. De oudeheer was ’n neerbuigend-winderigenotting. Eugène’snotting-wind woei naar-binnen. Pompile was ’nnottingmet kinderachtigen wind. Denottingvan Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm, ’n volslagennottingwas deze niet, maar toch, de wind die daarby zou behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van ’t kantoor komende, de brug bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, liet-izynwind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog—op ’t horloge-n-af, altyd kwart over vieren—gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts- en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de Jordaan er van daverde. Die kuch was ’n jerichoosch trompetgeschal dat schetterend verkondigde: “de Kopperlith van déze buurt ben ik!” Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want als eens onze Dieper in zoo’n huisbui van overmoedige handlichting den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan hadik’n natuurtooneel tebeschryvengehad, en in deze hoofdstukken iets anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid!Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó’n kring ’n paar van z’n “Lehrjahre” moest doorbrengen ...Fancy had gelyk!Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel àndere wapenen dan zwaard, lans enEdelsinn, om niet ondertegaan in den stryd tegen ’t geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen ’t kleine.Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in ’t oog te houden ... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als ’n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven ... in één woord: steedszichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele Wouter-geschiedenis:Een parelduiker vreest den modder niet.

De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z’n opleiding in ’t vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in ’n windblaas.Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op ’n boven-voorkamer bezig is met z’n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks zullen zien verschynen ...... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en ’n stuk of drie “dag’“s uitstoot, alsof ’t beschuitkruimels waren die hem in de keel prikkelden ...... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z’n romannetje gebukt zit, en in knotwilgstyl z’n: “bsjoer Pompile!” laat glippen ...... indien àl de Kopperlith’s, als daar zyn: de jongeheer Rodomont, en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ...... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia, en “de” juffrouw ...... indien ...Sakkerloot, lezer, m’n galery wordt te vol! Wat ’n arbeid, al die portretten afteteekenen! Toch zal ik ’t beproeven. Maar eerst dit: indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ...Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche vertaling van m’n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is ’t me dus niet onaangenaam dat hun litterarische ontwikkeling by ’t fransch is blyven staan, en dat de kans op vertaling van m’n werken in dat onwysgeerig idioom, allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood.Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is waarschynlyk begaafd met ’n buitengewone verbeeldingskracht, en ik wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de aandoening voortestellen van ’n familie die, vele jaren na haar universeel overlyden, van ’n edelmoedigen schryver drie graden amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want, al kost het m’n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de waarheid bovenal: onze Kopperlith’s woondennietop de Keizersgracht, en patriciërs waren zeniet... ziedaar!De oorzaak van m’n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar ’n dwalingishet. Toen ik, ’n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde de oudeheer voor m’n schryversoogen op. Nooit zag ik ’n grysaard met deftiger voorkomen. Op z’n eenigszins te dikken buik na, vertoonde hy ’t model van ’n genueschenDoge... uit ’n roman, namelyk. Van ’n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op ’n schildery.En ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend: “dat is m’nheer Kopperlith!” dat ik—al te oppervlakkige waarnemer op dat oogenblik—men bedenke dat m’n aandacht werd afgeleid door ’t kyken naar prinses Erika, die ’r lief uitzag—in ’s hemelsnaam, ik vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar ànders? Voor ’n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo’n zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op ’n rotspiek. Bovendien, z’n harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, en maakte plaats voor den buik dien-i als ’n marskraampje voor zich uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep ik my op ’t publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn dwaling deelden. Klaas Verlaan en z’n kornuiten waren òf Amsterdammers van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z’n rangbepaling ’n paar straten of grachten uit den koers dwaalt.Hoe dit zy, ’n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren oudheidskenner die m’n integriteit kwam aantasten, en meende my omvèr te gooien met ’n adresboek van ’t jaar zooveel, de verheven uitdrukking naar ’t hoofd te werpen:“Indien de Kopperlith’s niet woonden op de Keizersgracht, m’n-heer ... dan, m’nheer, dan ... welnu, m’nheer, dan hadden ze verdiend te wonen op de Keizersgracht, m’nheer!”En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in ’t vervolg van m’n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het kantoor “ging in” in de Vellestraat, of in ’n andere straat, of ... in ’t geheel geen straat, en dus “op” ’n gracht. En dat de heele familie ’n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar.“Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door ’n peloton afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de Keizersgracht woonden!”Het is deze koorzang die my den moed geeft, m’n topografische dwaling voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan, jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die ’n abonnement kan betalen aan Wouter’s boekenman in de Hartenstraat! En jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En Flodoard! En de rest! Veroorloof me—of niet, naar verkiezing!—u ’n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen en dood-liggen als ’n meikever. Spreek,Pompile! Ratel en snater, Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze Keizersgracht!—Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier zyn de brieven ... een voor huishouden—van Leon, Eugène!—waar is Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee wittegrondjes-driekleur—je weet wel, Wilkens, dieVictoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds—maar hy wil dat ouwe krieuweltje met ’n oogjen ... is ’t er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is ’t met mama, Eugène? Zou ’t lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? ’t Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’S vragen opGroenehuize. Die briefbesteller is ’n lap ... de vent wil altyd geld voor ’n borrel als-i de brieven op-straat afgeeft, want ... hy mag ’t niet doen, dat weetje. Als ’t gemerkt wordt, krygt-i z’n ontslag. Ik heb ’m dezen keer ’n stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet ’m op huishouden, want er is ’n brief van Leon ook. Dus ... ’t kan wel op huishouden: wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat voor Gerrit vandaag, Dieper?Ikheb veel boodschappen. Wilkens, je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als ’t krieuweltje ’r niet meer is—met dat oogje, weetje?—dan zenden wy ’t moesjen, of ’t slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je weet wel, ’t zyn de witte-grondjes-driekleur,Victoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want ... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen, weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat’s goed, want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt, zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z’n brieven aan mama ...Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op ’t adres van een brief aan ’n gehuwde vrouw, is plaats voor twee weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m’nheer Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken van ’n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch vóór haar huwelykNiemendalheette, doet niet ter-zake. De postklerk te Tjanjor—daar werden die epistels uitgebroed—was niet zeer bedreven in ’t hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z’n mama te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: “postklerken zyn praterig” hoopte de kwast juffrouw Pieterse na.Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z’ntegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en maakte—ook in zeer letterlyken zin—zooveel wind als maar eenigszins mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon’s brief in de hand de kamer verlaten had, keerde hy terug.—A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken vandaag? Ik zit andersen peine,zeer, zééren peine, weetje ... ergen peine, met de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s, die ik allemaal geinviteerd heb opGroenehuize. En ... ik heb de kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg—grof volk, zulke kruiers!—of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in ’n leuningstoel, en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s. Dat is het maar, weetje!En hierop verliet hy weder ’t kantoor.’t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had staan toeluisteren. Na ’t vertrek van m’nheer Pompile verdiepte hy zich op-nieuw in z’n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z’n naast-byliggend plicht je doen. Was ’tzynschuld dat-i zich zeer onbekwaam voelde, en telkens rekende:drie en acht is vier-en-twintig, of wat anders?Wilkens ging naar ’t magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de moesjes of de blokjes die ’t huis Kopperlith den winkelier Krimp zou trachten in de maag te stoppen, in plaats van ’t verlangde krieuweltje met ’n oogje.“Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ...’t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in:—Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg, Eugène, hoor eens, ’t wordt àl te erg! Weet jelui ’t al, van Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op m’n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè?—Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ...De boekhouder sloeg ’n kleine agenda op.... morgen heb ik ’n wisseltjen in den jodenhoek, ’n smerig dingetje.—Zoo? Morgen? Nu dat’s goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg ’t aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg veel boodschappen.—Ja, jongeheer Pompile, ik zal ’t zeker aan m’nheer zeggen. En ... hoe vaart de jongeheer Leon?Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z’n vele boodschappen, zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door’n andere hand dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den vóórtyd, ’ncoprolithischeverwantschap die ontzien moest worden. En daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op ’t welvaren van den jongeheer Leon.—Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy klaagt dat allerlei gemeen volk hem over ’t hoofd springt ...—Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met ’n treurigheid in z’n stem, die wel eenige verhooging van traktement waard was.—Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z’n rhumathiek! En ik heb juist zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse—je heet immers Pieterse?—je moet eens zoo goed wezen ’n paar boodschappen voor me te doen.Wouter stond marschvaardig, met z’n hoed in de hand, en ’n verheugd: “asjeblieft, m’nheer!” op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de opdracht die hy te-gemoet zag, was hem ’n verademing. De jongeheer Pompile nam plaats tegenover Dieper—daar namelyk was de lessenaar van den “patroon”—en hy wenkte Wouter tot zich.—Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- ’n zakboekje? Een portefeuille-n-of zoo-iets?—N... e... e... n, m’nheer.—Zoo? Heb je dàt niet? ’n Kantoorbediende moet ’n portefeuille hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je ’t. Nu, voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m’nheer Hocker, en daar doe je-n-’t kompliment van my—van den jongen m’nheer Kopperlith, moet je zeggen, van m’nheer Pompile, weetje?—en je vraagt, of de juffrouwen Pleier uit Frankfort—want die logeeren by m’nheer Hocker, weetje?—of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m’n vrouw—zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan weten ze-n ’t wel—ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben, met ons en de familie Krucker ...—Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar Hocker woont.—Ah...ja! Dat’s waar! M’nheer Hocker woont ...En Wouter’s handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige kennis van de plek waar m’nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden kunnen verheugen in ’t gezelschap vanmevrouw Kopperlith-Huddewitz, ook wel genaamd: de jonge mevrouw.—En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar naar den stal van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want ... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob—dat is de koetsier—daar zeg je ...Volgt: ’n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is.—En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan, in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw Kopperlith—je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz—en je zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-’t tapisseriepatroon te geven ... ’t is ’n liggende jachthond, kan je dit onthouden?—J...a, m’nheer!—Goed! ’n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz, begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt aan de meid dat je van my komt—van “m’nheer” weetje—en je doet het kompliment, en je zegt ...—Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is?—Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar de deftige huizen staan. ’t Is ’n huis met opgaande stoep, en ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ... m’n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt—’t is ’n jachthond op ’n kussen, weetje?—dan breng je-n-’t weerom aan juffrouw Lins, en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens te gaan by m’n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe je-n-’t kompliment van my—van m’nheer Kopperlith van de Leliegracht, moet je maar zeggen—en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen ochtend negen uur, de maat te komen nemen van ’n paar pantoffels. En dan ga je by m’nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en je vraagt hoe de oude mevrouw vaart—want ze-n-is ziek, weetje, ze heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar hoe ze vaart?—en dan breng je daar ’t antwoord van de juffrouwen Pleier uit Frankfort, die by de Hocker’s logeeren. Maar als nu de juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo goed wezen even aanteloopen by m’nheer Kruis op de Engelsche-kaai, en zeggen daar—maar je moet eerst het kompliment van my doen—dat ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ...—God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden!—Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo’n jongmensch geen zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-’n zakboekje krygt, om ... alles opteschryven, weetje? Want ... ’n kantoorbediende moet altyd ’n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef, zou je ze maar vergeten—wat zeg jy, Eugène?—omdat je geen zakboekje hebt, weetje?Oef!Wouter deed z’n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem ’n fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m’n innigsten spyt mag ik niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier waarop men over z’n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet, en voelde zich in ’t minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd de buitenlucht inteademen, en z’n leedjes eens te kunnen uitstrekken, ’t Kwam hem voor, dat z’n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat ’n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, ’n bordjen om z’n hals te hangen, met het opschrift: “deze jongeling wandelt langs ’s heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith” en niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht hadden op zoo’n bordje.Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de Leliegracht—de hééle deftige zy!—en aangescheld had aan ’t fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed—het huis, meen ik—bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd werd, evenals ’n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar de dame die hem begluurde, had ’n veel aangenamer uiterlyk dan de “oude mevrouw” van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was ’n jong ding dat nog altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat ’n jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen, en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan Wouter de vraag richtte, hoehy’t patroon vond? Een der oorzaken van haar wangedrag lag hierin, dat haar vader—’n Duitscher die “mooie slagen in koffi” gedaan had—zelf kantoorbediende geweest, en nog niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich met zoo’n wezen nergens anders inlaat dan op ’t kantoor. In vreemde landen namelyk, beschouwt de “patroon” zich eerst dan van andere klei gekneed, wanneer de “bediende” door ’n huwelyk zich voorgoed laat inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft hyzelf zich z’n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemtdie uitsluiting lang voor ’t huwelyk ’n aanvang, en eigenlyk reeds voor de geboorte. Voor ’n jongeling die daar de eerste levensduisterheid aanschouwen mocht—verzenmakers, die ’t zoo nauw niet nemen met de waarheid, noemen ’t licht!—bestaat kans om generaal te worden, zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou, om dat te beleven, z’n eigen kleinzoon moeten worden, want—dit erken ik—in ’t derde geslacht gelukt het soms ’n handig aventurier, zich te doen vergeven dat z’n overgrootvader de vreeselyke misdaad begaan had, iets anders te wezen dan “patroon.” Dit alles nu wist Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen, en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf, zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter’s opinie over dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht, maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten.Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by ’t intreden van z’n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame in ’n huis met spiegelglas, op de Leliegracht—heele deftige zy—had hèm z’n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i op ’t punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden bedacht worden. Maar ze kwam hem voor:—Drie gulden, zestien? Vindje ’t niet wat duur?—O, mevrouw ...En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: “mag ik ’n paar dubbeltjes van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?” Maar hy bedacht nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen verstand had van borduurpatroontjes. ’t Spreekt vanzelf dat-i zich ernstig voornam dien tak van wetenschap tot ’n onderwerp van byzondere studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag:—Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ...—Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of ’t niet wat minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als ’t mogelyk is, voor drie gulden, tien?En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z’n naast-byliggenden plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield.Juffrouw Lins vroeg, na z’n vertrek, aan haar adjudantjes:—Wat scheelde dat jongetje toch? ’t Leek wel of-i me kussen of ... vermoorden wou om die paar stuivers?Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z’n zegevierend wedervaren, voor den tweeden keer de stoep van ’t huis met spiegelglas afstapte, stond er ’n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de “jonge mevrouw” kwam de meid hem achterna roepen dat dit debritschkavan m’nheer Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy ’n boodschap had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de “nieuwe jongste-bediende” van ’t kantoor, en zei wat-i te zeggen had. Uit debritschkagolfde een vleeschklomp, ’n reuzin, Hersilia Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich Kalbb, die te Amsterdam konsul van z’n land was, en tevens chef van ’n handelshuis. Met andere woorden: de man “deed” in katoentjes. Maar heel in ’t deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele voornaamheid, of er blyft ’n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze maakten vlek op ’t Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de heele Keizersgracht.Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd’s uit de wereldgeschiedenis verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met ’n leedvermaak alsof de “Heer” ’n byzonderen hekel aan die stad had, en of ’t koelen van z’n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook de oorsprong van de Kopperlith’s is moeielyk nategaan, en ik wraak elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door ’n grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by ’n bloemist, en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van z’n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den aspirant-tuinier ’n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna, wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de Keizersgracht, en wel in ’tzelfde huis waar we vandaag Wouter hebben ingeleid. De tegenwoordige “oude-heer” erfde van z’n vader ’n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de “zaken” terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt, en engelsche wevers en drukkers van ’t fabrikaat. Het naderschuiven van de bron bedierf ’t monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere liefhebberswaren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van ’n “man met fortuin, zooals m’nheer Kopperlith”. Zoo luidde Dieper’s plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van den “ouden-heer” met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel “in” effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze had hieraan op ’t kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy geenszins versmaadde, en z’n aanzien stond tot dat van Wilkens nagenoeg in rede, als ’n vod van papier tot ’n vod van katoen. Men weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat.De “handel” in katoentjes—waarachtig, ze deden indiemet,shirtingensheetingook!—heette te strekken tot ’n bezigheid voor de jongeluî, want: “om-den-broode hoefden zy ’t niet te doen! Waarlyk niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!”Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes—en met de zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens ’n specialiteit was—moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden, kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van die jongeheeren zeer goedkoop in ’t leven waren te houden. De ziel van ’n muis zou by zoo’n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel, dit wil ik wel gelooven. Maar de “mannen van zaken” worden beleefd verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hiercoram populoverklaar, dat hun “zaken” gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van ’n heel klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter’s bekwaamheden overdryven zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, het schryven van ’n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken hebben, maar overigens? Och, zoo’n “handel” is zoo eenvoudig. Men koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor ’n beetje meer, liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door ’n inhaligheid, die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen ’t vilproces waaraan men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe wordtkennisvereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou naar Wilkens, kon allicht op ’t idee komen dat er eens ’n huis te-gronde was gegaan door ’t bestellen van ’n “haarstreep-diemet” te veel, en ’n stuk of wat “dubbel-gebroken-streep” te weinig. Ook Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van “zaken” naar aanleiding van ’n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun “vak” bovenmenschelykeinspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid zocht buiten hun magazyn en kantoor, ’n zeer slecht figuur maken zou in de “zaken.” Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu, lezer, ’t is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken, verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wiein ’t laatste ressortal die verbazende verstanden keuren en vonnissen moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer Pompile en van m’nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by ’n dienstmaagd die ’n bont jak kocht, by ’n boeremeid die haar vryer ’n gekleurden halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid zal wèl doen, ’n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens: er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling, en zéker is ’t dat zy tot de uitoefening van hun “vak” aan die ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor ’n levensdoel, zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden zich dit jaar zullen opmooien met ’n ruitjen of met ’n streepje? Met ’n witte-grond-driekleur of ’n bruin palmpje? Of men de “dames” zal kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche distinktie van ’t saizoen—haute nouveauté, heusch!—zich openbaren zal in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in ’n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad?Toch neem ik ’t niemand kwalyk dat-i ’n onbeduidend wezen is. Ook dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die ’r anders bestaan zou tusschen den Mensch en z’n pantoffel. Maar ... die pantoffel mag zich niet uitgeven voor ’n rylaars. Ik ken iemand die—hoed en hooge hakken meegerekend—maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z’n pretentie afwyzen, wanneer-i zich aan my wou opdringen als ’n reus. En wèl word ik boos by ’t ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets degelyks hebbende uitgericht, ’n plaats in de Maatschappy innemen, welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte, gaf my aanleiding, in dit en ’n paar der volgende hoofdstukken het bekende draadjen om den poot der Kopperlith’s te slaan. Wie nu niet in gedrukte katoentjes “doet” maar “in tabak is” of “in” gort, krenten,mixed pickleof schoensmeer—wie schoensmeermaaktstaat hooger!—wie niet precies “in” die katoentjes rondkruipt, behoeft nu niet te denken dat het verboden is m’n opmerkingen toetepassen op zichzelf. Lieve hemel, wat zou m’n uitgever verdrietig zyn, wanneer m’n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche lynwaden:wittegrond-driekleur-victoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds,met ’nkrabbeltjenof ’nloovertjenof ’nmoesjen, of metblokjesof ’nslangetjenof ’nkrieuweltjemet ’noogjen... altyd ’n volslagen niemendalletje!En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan zou z’nzielworden besteed.Is ’t niet, om de dagen te betreuren van Pennewip’s afsnydende teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z’n gehuurden snuifpot, en wat er verder op dienZeedyk’t “voornaamste” mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs—ik word daar byna onzedelyk—byna zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m’n heldje terug te wenschen op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwylhier...M’n bedoeling is nagenoeg, dat ’n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk voorkomt dan ’t stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer, dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in ’n atmosfeer als die der Kopperlith’s? Maak liever ’n ambachtsman van uw jongen, of ’n matroos!

De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z’n opleiding in ’t vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in ’n windblaas.

De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z’n opleiding in ’t vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in ’n windblaas.

Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op ’n boven-voorkamer bezig is met z’n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks zullen zien verschynen ...

... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en ’n stuk of drie “dag’“s uitstoot, alsof ’t beschuitkruimels waren die hem in de keel prikkelden ...

... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z’n romannetje gebukt zit, en in knotwilgstyl z’n: “bsjoer Pompile!” laat glippen ...

... indien àl de Kopperlith’s, als daar zyn: de jongeheer Rodomont, en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ...

... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia, en “de” juffrouw ...

... indien ...

Sakkerloot, lezer, m’n galery wordt te vol! Wat ’n arbeid, al die portretten afteteekenen! Toch zal ik ’t beproeven. Maar eerst dit: indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ...

Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche vertaling van m’n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is ’t me dus niet onaangenaam dat hun litterarische ontwikkeling by ’t fransch is blyven staan, en dat de kans op vertaling van m’n werken in dat onwysgeerig idioom, allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood.

Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is waarschynlyk begaafd met ’n buitengewone verbeeldingskracht, en ik wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de aandoening voortestellen van ’n familie die, vele jaren na haar universeel overlyden, van ’n edelmoedigen schryver drie graden amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want, al kost het m’n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de waarheid bovenal: onze Kopperlith’s woondennietop de Keizersgracht, en patriciërs waren zeniet... ziedaar!

De oorzaak van m’n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar ’n dwalingishet. Toen ik, ’n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde de oudeheer voor m’n schryversoogen op. Nooit zag ik ’n grysaard met deftiger voorkomen. Op z’n eenigszins te dikken buik na, vertoonde hy ’t model van ’n genueschenDoge... uit ’n roman, namelyk. Van ’n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op ’n schildery.En ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend: “dat is m’nheer Kopperlith!” dat ik—al te oppervlakkige waarnemer op dat oogenblik—men bedenke dat m’n aandacht werd afgeleid door ’t kyken naar prinses Erika, die ’r lief uitzag—in ’s hemelsnaam, ik vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar ànders? Voor ’n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo’n zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op ’n rotspiek. Bovendien, z’n harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, en maakte plaats voor den buik dien-i als ’n marskraampje voor zich uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep ik my op ’t publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn dwaling deelden. Klaas Verlaan en z’n kornuiten waren òf Amsterdammers van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z’n rangbepaling ’n paar straten of grachten uit den koers dwaalt.

Hoe dit zy, ’n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren oudheidskenner die m’n integriteit kwam aantasten, en meende my omvèr te gooien met ’n adresboek van ’t jaar zooveel, de verheven uitdrukking naar ’t hoofd te werpen:

“Indien de Kopperlith’s niet woonden op de Keizersgracht, m’n-heer ... dan, m’nheer, dan ... welnu, m’nheer, dan hadden ze verdiend te wonen op de Keizersgracht, m’nheer!”

En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in ’t vervolg van m’n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het kantoor “ging in” in de Vellestraat, of in ’n andere straat, of ... in ’t geheel geen straat, en dus “op” ’n gracht. En dat de heele familie ’n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar.

“Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door ’n peloton afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de Keizersgracht woonden!”

Het is deze koorzang die my den moed geeft, m’n topografische dwaling voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan, jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die ’n abonnement kan betalen aan Wouter’s boekenman in de Hartenstraat! En jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En Flodoard! En de rest! Veroorloof me—of niet, naar verkiezing!—u ’n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen en dood-liggen als ’n meikever. Spreek,Pompile! Ratel en snater, Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze Keizersgracht!

—Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier zyn de brieven ... een voor huishouden—van Leon, Eugène!—waar is Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee wittegrondjes-driekleur—je weet wel, Wilkens, dieVictoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds—maar hy wil dat ouwe krieuweltje met ’n oogjen ... is ’t er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is ’t met mama, Eugène? Zou ’t lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? ’t Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’S vragen opGroenehuize. Die briefbesteller is ’n lap ... de vent wil altyd geld voor ’n borrel als-i de brieven op-straat afgeeft, want ... hy mag ’t niet doen, dat weetje. Als ’t gemerkt wordt, krygt-i z’n ontslag. Ik heb ’m dezen keer ’n stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet ’m op huishouden, want er is ’n brief van Leon ook. Dus ... ’t kan wel op huishouden: wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat voor Gerrit vandaag, Dieper?Ikheb veel boodschappen. Wilkens, je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als ’t krieuweltje ’r niet meer is—met dat oogje, weetje?—dan zenden wy ’t moesjen, of ’t slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je weet wel, ’t zyn de witte-grondjes-driekleur,Victoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want ... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen, weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat’s goed, want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt, zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z’n brieven aan mama ...

Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op ’t adres van een brief aan ’n gehuwde vrouw, is plaats voor twee weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m’nheer Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken van ’n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch vóór haar huwelykNiemendalheette, doet niet ter-zake. De postklerk te Tjanjor—daar werden die epistels uitgebroed—was niet zeer bedreven in ’t hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z’n mama te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: “postklerken zyn praterig” hoopte de kwast juffrouw Pieterse na.

Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z’ntegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en maakte—ook in zeer letterlyken zin—zooveel wind als maar eenigszins mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon’s brief in de hand de kamer verlaten had, keerde hy terug.

—A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken vandaag? Ik zit andersen peine,zeer, zééren peine, weetje ... ergen peine, met de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s, die ik allemaal geinviteerd heb opGroenehuize. En ... ik heb de kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg—grof volk, zulke kruiers!—of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in ’n leuningstoel, en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s. Dat is het maar, weetje!

En hierop verliet hy weder ’t kantoor.

’t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had staan toeluisteren. Na ’t vertrek van m’nheer Pompile verdiepte hy zich op-nieuw in z’n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z’n naast-byliggend plicht je doen. Was ’tzynschuld dat-i zich zeer onbekwaam voelde, en telkens rekende:drie en acht is vier-en-twintig, of wat anders?

Wilkens ging naar ’t magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de moesjes of de blokjes die ’t huis Kopperlith den winkelier Krimp zou trachten in de maag te stoppen, in plaats van ’t verlangde krieuweltje met ’n oogje.

“Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ...

’t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in:

—Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg, Eugène, hoor eens, ’t wordt àl te erg! Weet jelui ’t al, van Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op m’n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè?

—Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ...

De boekhouder sloeg ’n kleine agenda op.

... morgen heb ik ’n wisseltjen in den jodenhoek, ’n smerig dingetje.

—Zoo? Morgen? Nu dat’s goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg ’t aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg veel boodschappen.

—Ja, jongeheer Pompile, ik zal ’t zeker aan m’nheer zeggen. En ... hoe vaart de jongeheer Leon?

Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z’n vele boodschappen, zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door’n andere hand dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den vóórtyd, ’ncoprolithischeverwantschap die ontzien moest worden. En daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op ’t welvaren van den jongeheer Leon.

—Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy klaagt dat allerlei gemeen volk hem over ’t hoofd springt ...

—Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met ’n treurigheid in z’n stem, die wel eenige verhooging van traktement waard was.

—Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z’n rhumathiek! En ik heb juist zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse—je heet immers Pieterse?—je moet eens zoo goed wezen ’n paar boodschappen voor me te doen.

Wouter stond marschvaardig, met z’n hoed in de hand, en ’n verheugd: “asjeblieft, m’nheer!” op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de opdracht die hy te-gemoet zag, was hem ’n verademing. De jongeheer Pompile nam plaats tegenover Dieper—daar namelyk was de lessenaar van den “patroon”—en hy wenkte Wouter tot zich.

—Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- ’n zakboekje? Een portefeuille-n-of zoo-iets?

—N... e... e... n, m’nheer.

—Zoo? Heb je dàt niet? ’n Kantoorbediende moet ’n portefeuille hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je ’t. Nu, voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m’nheer Hocker, en daar doe je-n-’t kompliment van my—van den jongen m’nheer Kopperlith, moet je zeggen, van m’nheer Pompile, weetje?—en je vraagt, of de juffrouwen Pleier uit Frankfort—want die logeeren by m’nheer Hocker, weetje?—of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m’n vrouw—zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan weten ze-n ’t wel—ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben, met ons en de familie Krucker ...

—Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar Hocker woont.

—Ah...ja! Dat’s waar! M’nheer Hocker woont ...

En Wouter’s handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige kennis van de plek waar m’nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden kunnen verheugen in ’t gezelschap vanmevrouw Kopperlith-Huddewitz, ook wel genaamd: de jonge mevrouw.

—En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar naar den stal van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want ... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob—dat is de koetsier—daar zeg je ...

Volgt: ’n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is.

—En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan, in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw Kopperlith—je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz—en je zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-’t tapisseriepatroon te geven ... ’t is ’n liggende jachthond, kan je dit onthouden?

—J...a, m’nheer!

—Goed! ’n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz, begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt aan de meid dat je van my komt—van “m’nheer” weetje—en je doet het kompliment, en je zegt ...

—Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is?

—Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar de deftige huizen staan. ’t Is ’n huis met opgaande stoep, en ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ... m’n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt—’t is ’n jachthond op ’n kussen, weetje?—dan breng je-n-’t weerom aan juffrouw Lins, en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens te gaan by m’n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe je-n-’t kompliment van my—van m’nheer Kopperlith van de Leliegracht, moet je maar zeggen—en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen ochtend negen uur, de maat te komen nemen van ’n paar pantoffels. En dan ga je by m’nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en je vraagt hoe de oude mevrouw vaart—want ze-n-is ziek, weetje, ze heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar hoe ze vaart?—en dan breng je daar ’t antwoord van de juffrouwen Pleier uit Frankfort, die by de Hocker’s logeeren. Maar als nu de juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo goed wezen even aanteloopen by m’nheer Kruis op de Engelsche-kaai, en zeggen daar—maar je moet eerst het kompliment van my doen—dat ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ...

—God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden!

—Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo’n jongmensch geen zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-’n zakboekje krygt, om ... alles opteschryven, weetje? Want ... ’n kantoorbediende moet altyd ’n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef, zou je ze maar vergeten—wat zeg jy, Eugène?—omdat je geen zakboekje hebt, weetje?

Oef!

Wouter deed z’n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem ’n fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m’n innigsten spyt mag ik niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier waarop men over z’n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet, en voelde zich in ’t minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd de buitenlucht inteademen, en z’n leedjes eens te kunnen uitstrekken, ’t Kwam hem voor, dat z’n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat ’n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, ’n bordjen om z’n hals te hangen, met het opschrift: “deze jongeling wandelt langs ’s heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith” en niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht hadden op zoo’n bordje.

Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de Leliegracht—de hééle deftige zy!—en aangescheld had aan ’t fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed—het huis, meen ik—bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd werd, evenals ’n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar de dame die hem begluurde, had ’n veel aangenamer uiterlyk dan de “oude mevrouw” van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was ’n jong ding dat nog altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat ’n jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen, en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan Wouter de vraag richtte, hoehy’t patroon vond? Een der oorzaken van haar wangedrag lag hierin, dat haar vader—’n Duitscher die “mooie slagen in koffi” gedaan had—zelf kantoorbediende geweest, en nog niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich met zoo’n wezen nergens anders inlaat dan op ’t kantoor. In vreemde landen namelyk, beschouwt de “patroon” zich eerst dan van andere klei gekneed, wanneer de “bediende” door ’n huwelyk zich voorgoed laat inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft hyzelf zich z’n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemtdie uitsluiting lang voor ’t huwelyk ’n aanvang, en eigenlyk reeds voor de geboorte. Voor ’n jongeling die daar de eerste levensduisterheid aanschouwen mocht—verzenmakers, die ’t zoo nauw niet nemen met de waarheid, noemen ’t licht!—bestaat kans om generaal te worden, zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou, om dat te beleven, z’n eigen kleinzoon moeten worden, want—dit erken ik—in ’t derde geslacht gelukt het soms ’n handig aventurier, zich te doen vergeven dat z’n overgrootvader de vreeselyke misdaad begaan had, iets anders te wezen dan “patroon.” Dit alles nu wist Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen, en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf, zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter’s opinie over dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht, maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten.

Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by ’t intreden van z’n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame in ’n huis met spiegelglas, op de Leliegracht—heele deftige zy—had hèm z’n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i op ’t punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden bedacht worden. Maar ze kwam hem voor:

—Drie gulden, zestien? Vindje ’t niet wat duur?

—O, mevrouw ...

En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: “mag ik ’n paar dubbeltjes van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?” Maar hy bedacht nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen verstand had van borduurpatroontjes. ’t Spreekt vanzelf dat-i zich ernstig voornam dien tak van wetenschap tot ’n onderwerp van byzondere studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag:

—Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ...

—Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of ’t niet wat minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als ’t mogelyk is, voor drie gulden, tien?

En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z’n naast-byliggenden plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield.

Juffrouw Lins vroeg, na z’n vertrek, aan haar adjudantjes:

—Wat scheelde dat jongetje toch? ’t Leek wel of-i me kussen of ... vermoorden wou om die paar stuivers?

Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z’n zegevierend wedervaren, voor den tweeden keer de stoep van ’t huis met spiegelglas afstapte, stond er ’n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de “jonge mevrouw” kwam de meid hem achterna roepen dat dit debritschkavan m’nheer Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy ’n boodschap had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de “nieuwe jongste-bediende” van ’t kantoor, en zei wat-i te zeggen had. Uit debritschkagolfde een vleeschklomp, ’n reuzin, Hersilia Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich Kalbb, die te Amsterdam konsul van z’n land was, en tevens chef van ’n handelshuis. Met andere woorden: de man “deed” in katoentjes. Maar heel in ’t deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele voornaamheid, of er blyft ’n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze maakten vlek op ’t Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de heele Keizersgracht.

Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd’s uit de wereldgeschiedenis verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met ’n leedvermaak alsof de “Heer” ’n byzonderen hekel aan die stad had, en of ’t koelen van z’n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook de oorsprong van de Kopperlith’s is moeielyk nategaan, en ik wraak elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door ’n grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by ’n bloemist, en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van z’n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den aspirant-tuinier ’n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna, wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de Keizersgracht, en wel in ’tzelfde huis waar we vandaag Wouter hebben ingeleid. De tegenwoordige “oude-heer” erfde van z’n vader ’n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de “zaken” terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt, en engelsche wevers en drukkers van ’t fabrikaat. Het naderschuiven van de bron bedierf ’t monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere liefhebberswaren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van ’n “man met fortuin, zooals m’nheer Kopperlith”. Zoo luidde Dieper’s plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van den “ouden-heer” met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel “in” effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze had hieraan op ’t kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy geenszins versmaadde, en z’n aanzien stond tot dat van Wilkens nagenoeg in rede, als ’n vod van papier tot ’n vod van katoen. Men weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat.

De “handel” in katoentjes—waarachtig, ze deden indiemet,shirtingensheetingook!—heette te strekken tot ’n bezigheid voor de jongeluî, want: “om-den-broode hoefden zy ’t niet te doen! Waarlyk niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!”

Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes—en met de zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens ’n specialiteit was—moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden, kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van die jongeheeren zeer goedkoop in ’t leven waren te houden. De ziel van ’n muis zou by zoo’n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel, dit wil ik wel gelooven. Maar de “mannen van zaken” worden beleefd verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hiercoram populoverklaar, dat hun “zaken” gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van ’n heel klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter’s bekwaamheden overdryven zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, het schryven van ’n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken hebben, maar overigens? Och, zoo’n “handel” is zoo eenvoudig. Men koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor ’n beetje meer, liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door ’n inhaligheid, die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen ’t vilproces waaraan men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe wordtkennisvereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou naar Wilkens, kon allicht op ’t idee komen dat er eens ’n huis te-gronde was gegaan door ’t bestellen van ’n “haarstreep-diemet” te veel, en ’n stuk of wat “dubbel-gebroken-streep” te weinig. Ook Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van “zaken” naar aanleiding van ’n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun “vak” bovenmenschelykeinspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid zocht buiten hun magazyn en kantoor, ’n zeer slecht figuur maken zou in de “zaken.” Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu, lezer, ’t is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken, verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wiein ’t laatste ressortal die verbazende verstanden keuren en vonnissen moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer Pompile en van m’nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by ’n dienstmaagd die ’n bont jak kocht, by ’n boeremeid die haar vryer ’n gekleurden halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid zal wèl doen, ’n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens: er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling, en zéker is ’t dat zy tot de uitoefening van hun “vak” aan die ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor ’n levensdoel, zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden zich dit jaar zullen opmooien met ’n ruitjen of met ’n streepje? Met ’n witte-grond-driekleur of ’n bruin palmpje? Of men de “dames” zal kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche distinktie van ’t saizoen—haute nouveauté, heusch!—zich openbaren zal in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in ’n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad?

Toch neem ik ’t niemand kwalyk dat-i ’n onbeduidend wezen is. Ook dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die ’r anders bestaan zou tusschen den Mensch en z’n pantoffel. Maar ... die pantoffel mag zich niet uitgeven voor ’n rylaars. Ik ken iemand die—hoed en hooge hakken meegerekend—maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z’n pretentie afwyzen, wanneer-i zich aan my wou opdringen als ’n reus. En wèl word ik boos by ’t ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets degelyks hebbende uitgericht, ’n plaats in de Maatschappy innemen, welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte, gaf my aanleiding, in dit en ’n paar der volgende hoofdstukken het bekende draadjen om den poot der Kopperlith’s te slaan. Wie nu niet in gedrukte katoentjes “doet” maar “in tabak is” of “in” gort, krenten,mixed pickleof schoensmeer—wie schoensmeermaaktstaat hooger!—wie niet precies “in” die katoentjes rondkruipt, behoeft nu niet te denken dat het verboden is m’n opmerkingen toetepassen op zichzelf. Lieve hemel, wat zou m’n uitgever verdrietig zyn, wanneer m’n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche lynwaden:wittegrond-driekleur-victoria-fanciesvanCrawfurth-Leeds,met ’nkrabbeltjenof ’nloovertjenof ’nmoesjen, of metblokjesof ’nslangetjenof ’nkrieuweltjemet ’noogjen... altyd ’n volslagen niemendalletje!

En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan zou z’nzielworden besteed.

Is ’t niet, om de dagen te betreuren van Pennewip’s afsnydende teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z’n gehuurden snuifpot, en wat er verder op dienZeedyk’t “voornaamste” mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs—ik word daar byna onzedelyk—byna zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m’n heldje terug te wenschen op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwylhier...

M’n bedoeling is nagenoeg, dat ’n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk voorkomt dan ’t stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer, dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in ’n atmosfeer als die der Kopperlith’s? Maak liever ’n ambachtsman van uw jongen, of ’n matroos!

Over al de rytuigen van “papa” en de hoogheid van ’n elsasser konsul “die m’n zwager is.” Engelschenottingsen onderscheiden windsoorten, uitloopende in ’n lange verhandeling over ’t parelduiken.Toen Wouter, na ’n paar uur dravens, het kantoor weder betrad—Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke volgorde al de stadien dervia dolorosaterug, die Gerrit hem dien ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!—toen hy bezweet terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op ’t kantoor. De laatste was half weggedoken in ’n kast, die naast den ingang tot de alkoof in ’n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i daar naar ’t staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren binnentreden, zoodat deze vergast werd op ’t onsmakelyk staartje van ’n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak:—Je zult zien:ikzal den schoolmeester moeten spelen! Opmyzal alles neerkomen! Ze zullenmytot plakmonarch willen maken,my! Dat’s m’n vak niet ... dat’s m’n karakter niet! In ’t geheel niet!Toen de man die zoo bang was dat men ’n schoolmeester van hem maken wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerendecomplainteover ’t gevreesd verkrachten van z’n roeping af.—Daar staat ’n tas koffie voor je, zeide hy met ’n majesteit in toon en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield, ’n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op ’n tafeltje was koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: ’n bak. Maar “tas” kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z’n schik met het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht engratismocht leeren kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo’n ding ’n spoelkom.—E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in ’t vervolg ’n kadetje meebracht, of zoo-iets.Alweer wat nieuws voor ’t jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z’n onkunde zou aanzien voor ’n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit:—O zeker, m’nheer! Dat zal ik zeker doen!Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk moest worden meegebracht in ’t vervolg? Gelukkig dat-i uit het vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza op ’t kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf ’t verlangd voorwerp geweest ... de kleine Simson zou’t geleverd hebben, waarachtig! Want ... men moet altyd z’n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter’s plicht was nu, te doen wat ’m geboden werd door ... iedereen. Er bleek evenwel dat Wilkens niet aan z’n moeder gedacht had, want—wetende dat Wouter gespeend was—liet hy op z’n onbegrepen vermaning de sententieuze kommentaar volgen: dat ’n jongmensch niet zeer lang zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter’s vermoeden werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van ’n zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, in gezelschap van ’n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper en Wilkens alzoo, schenen zich ’n oogenblik geleden gedragen te hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de welwillende voorzorg gebruikt hunkiökkenmöddingachtertelaten, om ’n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat de benaming van ’t voorwerp dat hy in ’t vervolg moest meebrengen—hoe drommel heette het ook?—weleens de zeer aristokratische ambtstitel wezen kon, waarmee men “in de zaken” ’n boteram aanspreekt. In ’n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z’n maag en door den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z’n oor bereikte, al ware het ’n engelenzang geweest, of ’n preek. Wat Strabbe aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat ’n spoelkom, in kantoorstyl “tas” heet ... het onbekende ding zal dus wel ’n boteram zyn! Men ziet, het was een soort vanregula de tri, en juist daarin was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip.De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het kantoor ’n uurtje te verlaten, om te gaan “koffiedrinken en ’n broodjen eten by mama.” Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, waarmede hy aan de “heeren van ’t kantoor” verlof scheen te geven ook iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want “kadetjes” of boterammen werden niet verstrekt door het huisOuwetyd & Kopperlith, waarvan de “papa” zoo byzonder ryk was. De “heeren van ’t kantoor” mochten, indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was, voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan ’t oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze ’r zoo heel onoogelyk uitzagen, en vooral ’t rantsoen van Wilkens die, wys geworden door treurige ervaring, gewoon was z’n “kadetjes” warm te houden tusschen den linker voorpand van z’n vest, en z’n edel hart. Eens namelyk hadden ’n paar neefjes van den huize—ze wisten niet, de onzaligen, dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met ’n kantoorbediende!—ze hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z’n met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt met ’n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z’n “vak” verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der “neefjes van m’nheer”—z’n naastbyliggend plichtje, naar-i meende—maar droeg voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z’n maag by zich, tot de finale exekutie toe. En eenmaal is ’t gebeurd dat hy ze ongegeten weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met “mama” en was op ’t kantoor gebleven. De “heeren” hadden den moed niet hun spaarkruimels voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid van Klaas Kolyn aan ’t licht te brengen, die als eerroovend voor ’n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith’s menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat “de heeren van ’t kantoor” ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de “booien” zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dienkakolyntelkens zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel.Juist was Wouter van meening ’n aanval te wagen op den hem aangewezen spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z’n gewone schichtige haast het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z’n vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was ’t niet opmerkelyk dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om ’t ding niet te laten vallen?—Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is ’t? Wat zei de schoenmaker? En de juffrouwen Pleier? En heb je m’n huis gevonden? Je moet maar altyd kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m’n zykamer zyn van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i?Aan ’t poetsen, zeker? Zeker aan ’t poetsen, hè? Want ... papa heeft ’nbritschka, en ’nlandauwer, en ’n tentwagen, en ’n koets, en dat alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen Pleier geantwoord hebben?De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het scheen dat z’n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen begunstigen met meer boodschappen. By ’n aanleg als die welke Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn van Pompile’s tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste kantoorbediende—mits in leven blyvende—eenmaal den rang van alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat tyd noodig.—Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo, heb je die gezien? Juist, precies, dat was debritschkavan papa, want ... papa houdt rytuig. Had ze d’r huurpaarden voor ... och, dat weet je nog niet. Maar anders ... ’t is maar, weetje, dat papa niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet alles goed onthouden ... en ’n zakboekje koopen, ’n klein zakboekjen, en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m’nheer Wilkens je zegt, niet waar, Wilkens?—Ja, m’nheer!—Juist. Mevrouw Kalbb is m’n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith—zóó moet je zeggen!—en denk er aan dat m’nheer Kalbb z’n naam met tweeb’s spelt. Onthoud dat, en schryf ’t op als je-n-’n zakboekje hebt ... met tweeb’s weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten met éénb, geringe menschen, heel geringe menschen ... ’n leerkooper, geloof ik. Wat zeg jy, Dieper?Dieper legde langzaam en voorzichtig z’n pen neer, trad ’n stap achterwaarts—hy boekhouwerde altyd overeind—snoot z’n neus, hèmde z’n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed gemaakte organen:—Ja, jongeheer, heel geringe menschen!—Zieje, ging Pompile voort, m’nheer Dieper zegt het ook, en ... die leerkooper schryft z’n naam met éénb. Maar myn zwager heet Kalbb ... met tweeb’s, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de Koning:eh bien, m’sieur le consul, comment vont les affaires? En dan antwoordt m’nheer Kalbb ... ook in ’t fransch. En dan heeft-i ’n rok aan met ’n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning—’t is eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!—en m’nheer Kalbb ... is m’n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze?—Ze zei niets, m’nheer.—Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of ... ’n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze ism’n zuster, weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is ’t afgeloopen met dat borduurpatroon?Wouter’s triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins gematigd door ’t gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de buitensporigheid van z’n lichtzinnige wederhelft te weten kwam:—Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei ... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest?—M’nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i ’n fout begaan had, m’nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik ... binnenkomen moest.—De meid, de meid! Wat geef je-n-om ’n meid? Zoo’n meid kan wel zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan moetje-n-altyd ...Men hoorde een sloffenden tred in de gang. ’t Spyt me. Want ik had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in ’t vervolg zou te gedragen hebben, wanneer “de jonge-mevrouw” hem door de meid liet binnenroepen? Pompile brak op-eens z’n onderricht af:—Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa!De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof ’t kantoor in. Met ’n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af, van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet.—Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons gerekommandeerd door m’nheer Dieper ...De boekhouder trad ’n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i nogmaals verschooning vroeg voor ’n stoutheid die hy scheen begaan te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou voorloopig niet geradbraakt worden.—Ja, door m’nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer?—Och, m’nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer Kopperlith. Och, m’nheer, ’t jonge mensch is my aanbevolen door ... zekeren Kalb, ’n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet heb ... m’nheer!Kalb was z’n neef, en z’n beste vriend, voor-zoo-ver het kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden te hebben.—Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat’s hetzelfde. Je zult hier veel werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in ’t magazyn geweest? Op de zolders? Zeker zet je ’m aan ’t kopyboek, Pompile?Op al deze vragen had Pompile ’n dozyn: “O ja,papa’s”ten-beste gegeven.—En schryft-i ’n mooie hand?—O ja, papa!Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile’s doorzicht. De vereerende hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z’n boodschappen by dePleiers, of deKruckers, of deHockers, of den schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn!—Zoo? Ei! ’n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je ’r van, als we hem den brief van Leon ’n keer of wat lieten overschryven voor Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers?—O ja, papa!—Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun kinderpartytjes. Ze zullen ’t aardig vinden dat-i zoo’n man geworden is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier, op heel dun papier! ’t Is om de port naar Rome, weetje ... op héél dun papier!—O ja, papa!—Zieje, dan kan ’t mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl, vind je niet, Pompile?—O ja, papa!En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in ’t best van hun fatsoen. Na ’t eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de ware manier om ’n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan ’t werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z’n werk leek op ’n gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z’n naastbyliggend plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith,surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java, in Nederlandsch lndië—aldus onderteekende die verre jongeheer ’n brief aan z’n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny—wel bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins beleedigd—meer dan door die boodschappen!—dat men hèm al die fouten te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl.Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon niet helpen. Hy had ’n vreeselyken honger.Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op ’t kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en ’t daarop volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel waaraan hy zich twaalf uren in ’t etmaal schuldigmaakte, jaar-in, jaar-uit. Hoe zou ’t anders kunnen? De man was leeg. Misschien herinnert zich de lezer ’t portret van den baronVan Een-en-ander, dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m’n “Specialiteiten.” Ook daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo’nEen-en-ander-baron is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, ’n ware Humboldt, ’n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlithseniorwas nòch ’t een, nòch ’t ander. Hy was niets.Z’n komst op ’t kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin gezien, omdat hy—voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel—de bedienden van ’t werk hield door z’n eindeloos gebabbel. Dit was, vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter’s menschenkennis had dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook in den “stillen tyd”, in ’t saizoen dat z’n botanischen naam aan decucurbitaceënontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang tot z’n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen, en deze noodlottige waan verleidde hem soms—vooral nà tafel!—tot inbreuk op ’tdecorumvan het kantoor. Dit beviel de jongeheeren niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van “papa” een element van bederf meenden te ontdekken voor ’t verheven standpunt dat zy wilden blyven innemen. Wie ’n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd in den toon dien de jongeheeren terstond na ’t vertrek van “papa” aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan kon: “denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich zoo met je gekompromitteerd heeft.” Het: “je moet eens zoo goed wezen” van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z’n linksgedragen hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van ’n groot man. Déze, dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy ’n briefbesteller paaide voor ’t verzaken van z’n plicht, niet wilde doen drukken op de “zaken” waarin hy ’nvierdeaandeel had, terwyl-i als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor ’n geringer deel zou betrokken zyn in ’t wel of wee van “huishouden.” En veel hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, noch in kennis, noch in verstand, noch in hart.Het spreekt vanzelf dat Wouter—in ’t oordeelen nog altyd belemmerd door naïveteit—dit alles niet dan zeer langzaam opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z’n eigen verwondering kwalyk. Hoe trager evenwel z’n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hyslechts z’n nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er ’n nieuw hoekjen opgelicht van de gordyn die de Maatschappy—of het nietig onderdeel er van dat hy nu te beschouwen kreeg—tot-nog-toe voor z’n oogen bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit ten-slotte de hoogmoed voortkwam die ’t doel van ons streven moet zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist z’n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers Leon. Daarin kwam ’n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, gegeten en ... och, Wouter had zoo’n honger! Hy kende het dokument nu van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren naar alles wat er gesproken werd door de “heeren van ’t kantoor.” Maar dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit “de handel” hem aan “brood” helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen.Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in ’t volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar.De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt—en misschien niet zonder eenig medelyden met den auteur—dat er onder al de personen die ik in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel ook uit hetWetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur.De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was ’t een voorbarige spruit van z’n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds sedert ruim ’n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken, en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort kwamen in z’n “kleine kas” niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes, maar verder ging z’n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In z’n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die boeken—wat ik verstandig vind—maar toch, hy vermoordde nooit iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van ’n halven dukaton te-boven ging. Dit was ’n principe van hem. Hy was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk gedrag, en zou—wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op den gerekwireerden “lust in werken”—best geschikt zyn geweest voor de betrekking van winkeljongetje by m’nheer Motto. De oude Gerrit was ’n pruttelaar, maar overigens bestond z’n grootste fout—op de rhumatiek na—in ’t koketteeren mèt die rhumatiek, ’n begaafdheid die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan ’n boodschap voor den jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare vlek in de eentonige schildery van ’t gewone. Gelukkig dus dat ik geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik ’t aanleggen, om straks wat licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo’n totaal gemis van ’t krimineel-zwarte?Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen op zoo’n vaalgryzen grond?Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege blyven—ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!—dan toch ... vanhier, vanhier, gy die meent ’nromante halen uit den huize Kopperlith!Als ik ’nromanschryverwas, zou m’n taak ligter zyn. Dan immers had ik slechts den gek Wilkens te verdoopen in ’n bandiet, hem ’n roovermantel van diemet enshirtingom den schouder te slaan, z’n kantoortjen onder de stoep te veranderen in ’n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen bloed, z’n kadetjes in zakpistolen, z’n pedante praatjes in moord- en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker dan dat alles, maar ... ’t is nu eenmaal bepaald dat m’n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... ’n romanschryver ben ik niet!Ware ik ’n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia op-weg naarGretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers te-kort, die volstrekt noodig zyn omsous d’autres climatszalig te wezen met ’n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen ’t allerjongst kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds verstout had integaan tot z’n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver ... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van ’t wanbedryf: Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige welgedaanheid ...Maar, helaas, ’n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is ’t niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat ’n boek lezenswaard maakt—uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud nog bovendien op den koop toe—wanneer ik me veroorloofde dat alles te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot ’n bondig:—Je kunt me gelooven, Pieterse,ikben ’n oud man, en jy ’n jonk borssie, maar ... watikje zeg: ’t is allemaal wind en ’n engelschenotting!Sloos had nog ’n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van Kotzebue, en laafde gedurende al z’n vele boodschappen zyn kunstzin aan de tooneelbriefjes die de opvoering vanArmuth und Edelsinnaankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met den meer hollands-klinkenden titel:Armoede en Grootheid.Onze Gerrit had wel dien naam diep in z’n geheugen geprent, doch—eenigszins tegen de bedoeling van den schryver en vertaler—in den zin van:kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z’n eigen woorden, en indien de oude Sloos nog leefde ...Komaan, z’n engelschenottingis mooier. En z’n wind ook. De oudeheer was ’n neerbuigend-winderigenotting. Eugène’snotting-wind woei naar-binnen. Pompile was ’nnottingmet kinderachtigen wind. Denottingvan Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm, ’n volslagennottingwas deze niet, maar toch, de wind die daarby zou behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van ’t kantoor komende, de brug bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, liet-izynwind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog—op ’t horloge-n-af, altyd kwart over vieren—gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts- en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de Jordaan er van daverde. Die kuch was ’n jerichoosch trompetgeschal dat schetterend verkondigde: “de Kopperlith van déze buurt ben ik!” Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want als eens onze Dieper in zoo’n huisbui van overmoedige handlichting den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan hadik’n natuurtooneel tebeschryvengehad, en in deze hoofdstukken iets anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid!Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó’n kring ’n paar van z’n “Lehrjahre” moest doorbrengen ...Fancy had gelyk!Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel àndere wapenen dan zwaard, lans enEdelsinn, om niet ondertegaan in den stryd tegen ’t geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen ’t kleine.Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in ’t oog te houden ... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als ’n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven ... in één woord: steedszichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele Wouter-geschiedenis:Een parelduiker vreest den modder niet.

Over al de rytuigen van “papa” en de hoogheid van ’n elsasser konsul “die m’n zwager is.” Engelschenottingsen onderscheiden windsoorten, uitloopende in ’n lange verhandeling over ’t parelduiken.

Over al de rytuigen van “papa” en de hoogheid van ’n elsasser konsul “die m’n zwager is.” Engelschenottingsen onderscheiden windsoorten, uitloopende in ’n lange verhandeling over ’t parelduiken.

Toen Wouter, na ’n paar uur dravens, het kantoor weder betrad—Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke volgorde al de stadien dervia dolorosaterug, die Gerrit hem dien ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!—toen hy bezweet terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op ’t kantoor. De laatste was half weggedoken in ’n kast, die naast den ingang tot de alkoof in ’n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i daar naar ’t staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren binnentreden, zoodat deze vergast werd op ’t onsmakelyk staartje van ’n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak:

—Je zult zien:ikzal den schoolmeester moeten spelen! Opmyzal alles neerkomen! Ze zullenmytot plakmonarch willen maken,my! Dat’s m’n vak niet ... dat’s m’n karakter niet! In ’t geheel niet!

Toen de man die zoo bang was dat men ’n schoolmeester van hem maken wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerendecomplainteover ’t gevreesd verkrachten van z’n roeping af.

—Daar staat ’n tas koffie voor je, zeide hy met ’n majesteit in toon en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield, ’n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op ’n tafeltje was koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: ’n bak. Maar “tas” kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z’n schik met het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht engratismocht leeren kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo’n ding ’n spoelkom.

—E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in ’t vervolg ’n kadetje meebracht, of zoo-iets.

Alweer wat nieuws voor ’t jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z’n onkunde zou aanzien voor ’n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit:

—O zeker, m’nheer! Dat zal ik zeker doen!

Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk moest worden meegebracht in ’t vervolg? Gelukkig dat-i uit het vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza op ’t kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf ’t verlangd voorwerp geweest ... de kleine Simson zou’t geleverd hebben, waarachtig! Want ... men moet altyd z’n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter’s plicht was nu, te doen wat ’m geboden werd door ... iedereen. Er bleek evenwel dat Wilkens niet aan z’n moeder gedacht had, want—wetende dat Wouter gespeend was—liet hy op z’n onbegrepen vermaning de sententieuze kommentaar volgen: dat ’n jongmensch niet zeer lang zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter’s vermoeden werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van ’n zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, in gezelschap van ’n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper en Wilkens alzoo, schenen zich ’n oogenblik geleden gedragen te hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de welwillende voorzorg gebruikt hunkiökkenmöddingachtertelaten, om ’n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat de benaming van ’t voorwerp dat hy in ’t vervolg moest meebrengen—hoe drommel heette het ook?—weleens de zeer aristokratische ambtstitel wezen kon, waarmee men “in de zaken” ’n boteram aanspreekt. In ’n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z’n maag en door den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z’n oor bereikte, al ware het ’n engelenzang geweest, of ’n preek. Wat Strabbe aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat ’n spoelkom, in kantoorstyl “tas” heet ... het onbekende ding zal dus wel ’n boteram zyn! Men ziet, het was een soort vanregula de tri, en juist daarin was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip.

De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het kantoor ’n uurtje te verlaten, om te gaan “koffiedrinken en ’n broodjen eten by mama.” Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, waarmede hy aan de “heeren van ’t kantoor” verlof scheen te geven ook iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want “kadetjes” of boterammen werden niet verstrekt door het huisOuwetyd & Kopperlith, waarvan de “papa” zoo byzonder ryk was. De “heeren van ’t kantoor” mochten, indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was, voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan ’t oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze ’r zoo heel onoogelyk uitzagen, en vooral ’t rantsoen van Wilkens die, wys geworden door treurige ervaring, gewoon was z’n “kadetjes” warm te houden tusschen den linker voorpand van z’n vest, en z’n edel hart. Eens namelyk hadden ’n paar neefjes van den huize—ze wisten niet, de onzaligen, dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met ’n kantoorbediende!—ze hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z’n met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt met ’n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z’n “vak” verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der “neefjes van m’nheer”—z’n naastbyliggend plichtje, naar-i meende—maar droeg voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z’n maag by zich, tot de finale exekutie toe. En eenmaal is ’t gebeurd dat hy ze ongegeten weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met “mama” en was op ’t kantoor gebleven. De “heeren” hadden den moed niet hun spaarkruimels voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid van Klaas Kolyn aan ’t licht te brengen, die als eerroovend voor ’n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith’s menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat “de heeren van ’t kantoor” ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de “booien” zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dienkakolyntelkens zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel.

Juist was Wouter van meening ’n aanval te wagen op den hem aangewezen spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z’n gewone schichtige haast het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z’n vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was ’t niet opmerkelyk dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om ’t ding niet te laten vallen?

—Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is ’t? Wat zei de schoenmaker? En de juffrouwen Pleier? En heb je m’n huis gevonden? Je moet maar altyd kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m’n zykamer zyn van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i?Aan ’t poetsen, zeker? Zeker aan ’t poetsen, hè? Want ... papa heeft ’nbritschka, en ’nlandauwer, en ’n tentwagen, en ’n koets, en dat alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen Pleier geantwoord hebben?

De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het scheen dat z’n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen begunstigen met meer boodschappen. By ’n aanleg als die welke Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn van Pompile’s tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste kantoorbediende—mits in leven blyvende—eenmaal den rang van alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat tyd noodig.

—Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo, heb je die gezien? Juist, precies, dat was debritschkavan papa, want ... papa houdt rytuig. Had ze d’r huurpaarden voor ... och, dat weet je nog niet. Maar anders ... ’t is maar, weetje, dat papa niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet alles goed onthouden ... en ’n zakboekje koopen, ’n klein zakboekjen, en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m’nheer Wilkens je zegt, niet waar, Wilkens?

—Ja, m’nheer!

—Juist. Mevrouw Kalbb is m’n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith—zóó moet je zeggen!—en denk er aan dat m’nheer Kalbb z’n naam met tweeb’s spelt. Onthoud dat, en schryf ’t op als je-n-’n zakboekje hebt ... met tweeb’s weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten met éénb, geringe menschen, heel geringe menschen ... ’n leerkooper, geloof ik. Wat zeg jy, Dieper?

Dieper legde langzaam en voorzichtig z’n pen neer, trad ’n stap achterwaarts—hy boekhouwerde altyd overeind—snoot z’n neus, hèmde z’n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed gemaakte organen:

—Ja, jongeheer, heel geringe menschen!

—Zieje, ging Pompile voort, m’nheer Dieper zegt het ook, en ... die leerkooper schryft z’n naam met éénb. Maar myn zwager heet Kalbb ... met tweeb’s, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de Koning:eh bien, m’sieur le consul, comment vont les affaires? En dan antwoordt m’nheer Kalbb ... ook in ’t fransch. En dan heeft-i ’n rok aan met ’n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning—’t is eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!—en m’nheer Kalbb ... is m’n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze?

—Ze zei niets, m’nheer.

—Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of ... ’n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze ism’n zuster, weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is ’t afgeloopen met dat borduurpatroon?

Wouter’s triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins gematigd door ’t gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de buitensporigheid van z’n lichtzinnige wederhelft te weten kwam:

—Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei ... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest?

—M’nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i ’n fout begaan had, m’nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik ... binnenkomen moest.

—De meid, de meid! Wat geef je-n-om ’n meid? Zoo’n meid kan wel zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan moetje-n-altyd ...

Men hoorde een sloffenden tred in de gang. ’t Spyt me. Want ik had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in ’t vervolg zou te gedragen hebben, wanneer “de jonge-mevrouw” hem door de meid liet binnenroepen? Pompile brak op-eens z’n onderricht af:

—Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa!

De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof ’t kantoor in. Met ’n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af, van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet.

—Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons gerekommandeerd door m’nheer Dieper ...

De boekhouder trad ’n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i nogmaals verschooning vroeg voor ’n stoutheid die hy scheen begaan te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou voorloopig niet geradbraakt worden.

—Ja, door m’nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer?

—Och, m’nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer Kopperlith. Och, m’nheer, ’t jonge mensch is my aanbevolen door ... zekeren Kalb, ’n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet heb ... m’nheer!

Kalb was z’n neef, en z’n beste vriend, voor-zoo-ver het kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden te hebben.

—Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat’s hetzelfde. Je zult hier veel werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in ’t magazyn geweest? Op de zolders? Zeker zet je ’m aan ’t kopyboek, Pompile?

Op al deze vragen had Pompile ’n dozyn: “O ja,papa’s”ten-beste gegeven.

—En schryft-i ’n mooie hand?

—O ja, papa!

Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile’s doorzicht. De vereerende hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z’n boodschappen by dePleiers, of deKruckers, of deHockers, of den schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn!

—Zoo? Ei! ’n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je ’r van, als we hem den brief van Leon ’n keer of wat lieten overschryven voor Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers?

—O ja, papa!

—Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun kinderpartytjes. Ze zullen ’t aardig vinden dat-i zoo’n man geworden is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier, op heel dun papier! ’t Is om de port naar Rome, weetje ... op héél dun papier!

—O ja, papa!

—Zieje, dan kan ’t mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl, vind je niet, Pompile?

—O ja, papa!

En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in ’t best van hun fatsoen. Na ’t eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de ware manier om ’n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan ’t werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z’n werk leek op ’n gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z’n naastbyliggend plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith,surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java, in Nederlandsch lndië—aldus onderteekende die verre jongeheer ’n brief aan z’n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny—wel bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins beleedigd—meer dan door die boodschappen!—dat men hèm al die fouten te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl.

Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon niet helpen. Hy had ’n vreeselyken honger.

Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op ’t kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en ’t daarop volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel waaraan hy zich twaalf uren in ’t etmaal schuldigmaakte, jaar-in, jaar-uit. Hoe zou ’t anders kunnen? De man was leeg. Misschien herinnert zich de lezer ’t portret van den baronVan Een-en-ander, dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m’n “Specialiteiten.” Ook daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo’nEen-en-ander-baron is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, ’n ware Humboldt, ’n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlithseniorwas nòch ’t een, nòch ’t ander. Hy was niets.

Z’n komst op ’t kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin gezien, omdat hy—voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel—de bedienden van ’t werk hield door z’n eindeloos gebabbel. Dit was, vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter’s menschenkennis had dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook in den “stillen tyd”, in ’t saizoen dat z’n botanischen naam aan decucurbitaceënontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang tot z’n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen, en deze noodlottige waan verleidde hem soms—vooral nà tafel!—tot inbreuk op ’tdecorumvan het kantoor. Dit beviel de jongeheeren niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van “papa” een element van bederf meenden te ontdekken voor ’t verheven standpunt dat zy wilden blyven innemen. Wie ’n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd in den toon dien de jongeheeren terstond na ’t vertrek van “papa” aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan kon: “denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich zoo met je gekompromitteerd heeft.” Het: “je moet eens zoo goed wezen” van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z’n linksgedragen hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van ’n groot man. Déze, dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy ’n briefbesteller paaide voor ’t verzaken van z’n plicht, niet wilde doen drukken op de “zaken” waarin hy ’nvierdeaandeel had, terwyl-i als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor ’n geringer deel zou betrokken zyn in ’t wel of wee van “huishouden.” En veel hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, noch in kennis, noch in verstand, noch in hart.

Het spreekt vanzelf dat Wouter—in ’t oordeelen nog altyd belemmerd door naïveteit—dit alles niet dan zeer langzaam opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z’n eigen verwondering kwalyk. Hoe trager evenwel z’n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hyslechts z’n nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er ’n nieuw hoekjen opgelicht van de gordyn die de Maatschappy—of het nietig onderdeel er van dat hy nu te beschouwen kreeg—tot-nog-toe voor z’n oogen bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit ten-slotte de hoogmoed voortkwam die ’t doel van ons streven moet zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist z’n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers Leon. Daarin kwam ’n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, gegeten en ... och, Wouter had zoo’n honger! Hy kende het dokument nu van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren naar alles wat er gesproken werd door de “heeren van ’t kantoor.” Maar dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit “de handel” hem aan “brood” helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen.

Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in ’t volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar.

De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt—en misschien niet zonder eenig medelyden met den auteur—dat er onder al de personen die ik in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel ook uit hetWetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur.

De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was ’t een voorbarige spruit van z’n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds sedert ruim ’n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken, en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort kwamen in z’n “kleine kas” niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes, maar verder ging z’n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In z’n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die boeken—wat ik verstandig vind—maar toch, hy vermoordde nooit iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van ’n halven dukaton te-boven ging. Dit was ’n principe van hem. Hy was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk gedrag, en zou—wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op den gerekwireerden “lust in werken”—best geschikt zyn geweest voor de betrekking van winkeljongetje by m’nheer Motto. De oude Gerrit was ’n pruttelaar, maar overigens bestond z’n grootste fout—op de rhumatiek na—in ’t koketteeren mèt die rhumatiek, ’n begaafdheid die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan ’n boodschap voor den jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare vlek in de eentonige schildery van ’t gewone. Gelukkig dus dat ik geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik ’t aanleggen, om straks wat licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo’n totaal gemis van ’t krimineel-zwarte?Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen op zoo’n vaalgryzen grond?

Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege blyven—ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!—dan toch ... vanhier, vanhier, gy die meent ’nromante halen uit den huize Kopperlith!

Als ik ’nromanschryverwas, zou m’n taak ligter zyn. Dan immers had ik slechts den gek Wilkens te verdoopen in ’n bandiet, hem ’n roovermantel van diemet enshirtingom den schouder te slaan, z’n kantoortjen onder de stoep te veranderen in ’n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen bloed, z’n kadetjes in zakpistolen, z’n pedante praatjes in moord- en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker dan dat alles, maar ... ’t is nu eenmaal bepaald dat m’n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... ’n romanschryver ben ik niet!

Ware ik ’n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia op-weg naarGretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers te-kort, die volstrekt noodig zyn omsous d’autres climatszalig te wezen met ’n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen ’t allerjongst kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds verstout had integaan tot z’n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver ... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van ’t wanbedryf: Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige welgedaanheid ...

Maar, helaas, ’n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is ’t niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat ’n boek lezenswaard maakt—uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud nog bovendien op den koop toe—wanneer ik me veroorloofde dat alles te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot ’n bondig:

—Je kunt me gelooven, Pieterse,ikben ’n oud man, en jy ’n jonk borssie, maar ... watikje zeg: ’t is allemaal wind en ’n engelschenotting!

Sloos had nog ’n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van Kotzebue, en laafde gedurende al z’n vele boodschappen zyn kunstzin aan de tooneelbriefjes die de opvoering vanArmuth und Edelsinnaankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met den meer hollands-klinkenden titel:Armoede en Grootheid.Onze Gerrit had wel dien naam diep in z’n geheugen geprent, doch—eenigszins tegen de bedoeling van den schryver en vertaler—in den zin van:kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z’n eigen woorden, en indien de oude Sloos nog leefde ...

Komaan, z’n engelschenottingis mooier. En z’n wind ook. De oudeheer was ’n neerbuigend-winderigenotting. Eugène’snotting-wind woei naar-binnen. Pompile was ’nnottingmet kinderachtigen wind. Denottingvan Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm, ’n volslagennottingwas deze niet, maar toch, de wind die daarby zou behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van ’t kantoor komende, de brug bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, liet-izynwind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog—op ’t horloge-n-af, altyd kwart over vieren—gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts- en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de Jordaan er van daverde. Die kuch was ’n jerichoosch trompetgeschal dat schetterend verkondigde: “de Kopperlith van déze buurt ben ik!” Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want als eens onze Dieper in zoo’n huisbui van overmoedige handlichting den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan hadik’n natuurtooneel tebeschryvengehad, en in deze hoofdstukken iets anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid!

Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó’n kring ’n paar van z’n “Lehrjahre” moest doorbrengen ...

Fancy had gelyk!

Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel àndere wapenen dan zwaard, lans enEdelsinn, om niet ondertegaan in den stryd tegen ’t geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen ’t kleine.

Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in ’t oog te houden ... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als ’n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven ... in één woord: steedszichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!

Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele Wouter-geschiedenis:

Een parelduiker vreest den modder niet.


Back to IndexNext