Hoofdstuk I.

Hoofdstuk I.In de dagen der mythen.Het moet voor de knapen en meisjes, die voor drieduizend jaar in Griekenland leefden, een bijzonder genot geweest zijn, dat zoovele van de vragen, door hen gedaan omtrent natuurverschijnselen of omtrent aardrijkskundige benamingen, met een boeiend verhaal of een pakkende mededeeling konden worden beantwoord. Indien bij voorbeeld een jongen vroeg naar den naam van een berg, welks top ver in het noorden werd gezien, zou zijn moeder kunnen antwoorden: “Dit is de berg Olympus. Op zijn top is het schoonste paleis, dat men zich kan voorstellen. Het is gebouwd van witte, rooskleurige en gouden wolken, en het is de woonplaats van Zeus, den Koning der Goden. Dikwijls ontbiedt hij de andere goden naar zijn paleis; en dan gaan zij op reis van de aarde, het water en de onderwereld, en komen samen in de groote zaal van het paleis. Daar worden zij gespijzigd met ambrosia en drinken zij nectar, de Muzen zingen en Apollo tokkelt de lier. Als de zon ondergaat, verlaten zij weder het paleis door de uit wolken bestaande poorten en keeren zij naar hun woningen terug. De zon is een schitterende gouden wagen. Apollo ment dien wagen iederen morgen hoog in de lucht naar boven, en iederen avond weer naar beneden. Hij schittert in het schelste licht door de fonkelende diamanten, waarmede hij bezet is, en het is daardoor, dat de zon uw oogen verblindt, wanneer gij er in wilt zien.”Zeus, de Koning der GodenZeus, de Koning der Goden“Ik zou den wagen wel willen mennen” zou misschien de jeugdige Grieksche knaap hebben geantwoord; en dan zou zijn moeder hem kunnen vertellen van den tijd, toen eens een jeugdige knaap den zonnewagen wilde mennen, en van het lot, dat hij toen onderging.Apollo in zijn Zonnewagen.Apollo in zijn Zonnewagen.“Hij werd geacht de zoon van Apollo te zijn,”zoo luidde het verhaal, “en hij heette Phaëthon. Op zekeren dag werd een speelmakker boos op hem en riep uit “Gij zijt van lage afkomst! Het is niet waar, dat gij de zoon van Apollo zijt!” Phaëthon antwoordde met geen enkel woord, maar vertrok onmiddellijk naar het uiteinde van Indië, en liep stoutmoedig naar het paleis van Apollo. De zoldering was van ivoor en de deuren waren van zilver. Aan het andere uiteinde der lange zaal stond een troon, die schitterde en glinsterde en licht verspreidde als de zonnestralen, die fonkelden in het water. Op dien troon zat de Zonnegod zelf. Deze droeg een karmozijnkleurig kleed, en op zijn hoofd droeg hij een kroon, gemaakt van lange stralen van gouden licht, die nog veel schitterender flikkerde en lichtte dan de zon op het midden van den dag. Phaëthon doorschreed de geheele lengte der zaal en stond voor den troon. Apollo zag vriendelijk op hem neder en zeide: “Zeg mij wie gij zijt, en waarom gij mij hebt opgezocht.” Daarop vertelde hem de knaap, hoe zijn speelmakker hem had gehoond, door te zeggen, dat hij geen kind van Apollo was. “En ik ben gekomen” zeide hij “om u te smeeken, dat gij, als ik werkelijkuw zoon ben, mij eenig bewijs daarvan zult willen geven.”De Raad der Goden, Zeus is op den troon gezeten.De Raad der Goden, Zeus is op den troon gezeten.Apollo had schik in den moed van den knaap. Hij sloeg zijn armen om den nek van Phaëthon en sprak: “Gij zijt werkelijk mijn zoon, en om u dit te bewijzen, zal ik u alles schenken, wat gij maar vraagt.” De jonge knaap vroeg nu in zijn onverstand, dat het hem zou worden toegestaan, één enkelen dag den vurigen wagen te mogen mennen. Apollo keek zeer ernstig. “Zelfs de andere goden kunnen dat niet doen,”zoo sprak hij. “Zeus zelf zou het niet durven beproeven. Ik bid u, vraag een ander geschenk.” Maar Phaëthon had nu eenmaal zijn zinnen gezet op de vervulling van dien éénen wensch; en daar Apollo zijn woord had gegeven, moest hij toegeven. De stijfhoofdige knaap sprong in den wagen en greep de teugels. Aurora wierp de oostelijke poort open, die glinsterde van purper, karmozijnrood en goud, en de paarden galoppeerden het pad op door de lucht. Iedereen kon gissen, wat moest gebeuren. De vermetele knaap zou even gemakkelijk een storm hebben kunnenin bedwang houden als die vurige paarden. Hij kon ze niet langs den voortgeschreven weg leiden, en daardoor renden zij wild door de lucht, nu eens in de ééne, dan weer in de andere richting. De lichte vracht van den wagenmenner beteekende voor hen niets, en de wagen werd heen en weer geslingerd als een schip in den storm. Phaëthon durfde niet naar beneden te zien, want hij vreesde duizelig te worden, daar de aarde zoo diep onder hem lag. Hij durfde niet naar boven te zien, daar de hemel zoo vol monsters was, zooals de Groote Beer, de Kleine Beer, de Slang en de Schorpioen. Hij liet de teugels glippen, en de paarden vlogen nog woester vooruit dan te voren. De vurige wagen bewoog zich slingerend hoe langer hoe dichter naar de aarde toe. De bergen begonnen te rooken, de rivieren trachtten zich in het zand te verbergen, de Oceaan slonk tot een meer, steden verbrandden tot asch. “Help mij, help mij, vader Zeus!” riep de Aarde. Daarna slingerde Zeus zijn bliksemflitsen naar Phaëthon, en hij viel van den wagen neer in denEridanus-Vloed. Zijn zusters stonden aan den oever en weenden om hem, en langzamerhand werden zij veranderd in populieren; en zelfs nog heden ten dage, kunt gij, als gij naar de populieren luistert, ze zacht en droevig samen hooren fluisteren over het lot van haar verongelukten broeder Phaëthon.”Hera, de echtgenoote van Zeus.Hera, de echtgenoote van Zeus.Zoo ontwikkelde zich het ééne verhaal uit het andere, zoodat men zich er over moet verbazen, dat de vertellers ooit tot een einde kwamen. Als de Grieksche jongens en meisjes vroegen, wie de dikke muren gemaakt hadden, die reeds in die tijden eeuwen oud waren en uit reusachtige steenen warensamengesteld, luidde het antwoord: “de Cyclopen”; en dan volgde er een onafgebroken reeks van verhalen over die wonderlijke éénoogige reuzen. “Maar waar komen wij zelf van daan?” vroeg een kind wel eens, en dan werd ook daarover een merkwaardig verhaal medegedeeld. “In vroegere dagen was het volk op aarde zeer misdadig,”zoo luidde het verhaal, “en daarom zond Zeus een ontzaglijken vloed, om hen te verdelgen. Alleen Deucalion en zijn vrouw Pyrrha waren deugdzaam, en daarom beloofde Zeus, dat zij gered zouden worden. Nadat de vloed verdwenen was en alle andere stervelingen waren verdronken, waren Deucalion en Pyrrha eenzaam achtergebleven. “Laat ons de goden bidden, om menschen op aarde te zenden,”zoo spraken zij; en zij gingen op weg naar een tempel, die nog was blijven staan. Er was geen priester meer, geen vuur brandde meer op het altaar, en de grond was bedekt met modder en steenen en met afval, dat door den vloed was binnengespoeld. Door die hindernissen heen drongen Deucalion en Pyrrha voort naar het altaar en baden, dat de aarde weder mocht worden bevolkt. Zij kregen het volgende antwoord: “Vertrekt van den tempel en werpt de beenderen uwer moeder achter u weg.”“De overblijfselen van onze ouders ontheiligen!” riep Pyrrha vol ontzetting uit: “laten wij liever eeuwig alleen blijven dan dat te doen.”Deucalion bewaarde het stilzwijgen, maar ten slotte zeide hij, in nadenken verzonken: “De aarde is ons aller moeder, en de steenen zouden de beenderen der aarde kunnen worden genoemd. Ik geloof, dat het bevel beteekent, dat wij steenen moeten oprapen en achter onze hoofden moeten werpen. In ieder geval kunnen wij het beproeven en zien wat er zal gebeuren.”Zoo deden zij, en spoedig waren zij niet langer alleen, immers uit iederen steen, die door Deucalion geworpen werd, ontstond een man, en uit iederen steen, door Pyrrha geworpen, ontstond een vrouw. Een der zonen van het echtpaarheette Hellen, en wij, Hellenen, stammen allen van hem af. Hellen had twee zonen en twee kleinzonen. De namen der zonen waren Aeolus en Dorus, die der kleinzonen waren Ion en Achaeus. Dit is de reden, dat wij Hellenen uit vier verschillende volksstammen bestaan—de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs. De andere volkeren zijn barbaren; hun geheele taal is “baba”, en niemand kan hen verstaan.”Theseus voor Koning Minos.Theseus voor Koning Minos.Theseus doodt den Minotaurus.Theseus doodt den Minotaurus.Er waren bijna evenveel verhalen omtrent helden als omtrent goden. De helden waren mannen, die de ééne of andere daad van groote dapperheid hadden verricht. Gewoonlijkwaren zij de zonen van een god of godin en van een sterfelijk wezen. Bijna iedere stad van Griekenland, hoe klein ook, had haar held. De lievelingsheld van Athene bij voorbeeld was Theseus; en ieder Athener, hoe jong ook, kende de geschiedenis van zijn bewonderenswaardige heldendaden en kon verhalen van de oude tijden, toen Athene jaarlijks zeven dappere jongelingen en zeven schoone maagden naar het eiland Creta moest zenden om verslonden te worden door den Minotaurus, een afschuwlijk monster met het lichaam van een man en den kop van een stier. Ten slotte drong Theseus, de zoon van Koning Aegeus, er op aan, dat hij zou gekozen worden als één der zeven jongelingen; en hij verliet Athene in het schip met zwarte zeilen, dat de met schrik vervulde jongelingen en meisjes hun afschuwlijk noodlot zou tegemoet voeren. Theseus had niet het minste plan zich door den Minotaurus of eenig ander monster te laten verslinden, als hij dat door hardnekkig vechten kon verhinderen. Hij was vast besloten het monster te dooden en zijn vrienden te redden of zelf te bezwijken; zoodra dus het schip Creta bereikte en de jongelingen en meisjes voor den koning werden gebracht, ging hij aan het hoofd van de slachtoffers staan en zeide: “Koning Minos, ik verzoek het voorrecht te mogen hebben, het eerst den Minotaurus tegemoet te gaan. Ik ben een vorst, en het is mijn recht de leidsman en aanvoerder van mijn volk te zijn.”Koning Minos lachte onaangenaam en op smadelijke wijze, en zeide: “Ga, als gij wilt, gerust het eerst, en ik zal er op letten, dat de deelgenooten van uw lot u volgen; gij kunt daarop rekenen.”Theseus was een dapper strijder, en zou ongetwijfeld nooit het monster uit den weg zijn gegaan; maar het is een andere vraag, of hij ooit in staat zou geweest zijn, het monster te dooden, als hij niet onverwachts hulp had gekregen. Op ééne of andere wijze was hij in kennis gekomen met Ariadne, de schoone dochter van den koning, en zij waren in liefde voor elkander ontstoken. Gelukkig voor hem wist Ariadne, waar zij een zwaard kon vinden, dat in de handen van een dapper man den monsterachtigen kop van den Minotaurus kon afslaan; maar er was nog een tweede gevaar te overwinnen, dat zelfs nog verschrikkelijker en verontrustender was dan een ontmoeting met het monster, en dat was de doolhof, waarin de Minotaurus huisde. Die doolhof was vervaardigd door een hoogst bekwaam bouwmeester, Daedalus genaamd, en was zóó vernuftig aangelegd met zijn dwaalwegen en krommingen en wendingen en kronkelingen, dat niemand, die er eenmaal was binnengedrongen, den weg naar buiten kon terugvinden. Zelfs geen tooverwapen kon daar van eenigen dienst zijn; maar het heldere vernuft van Ariadne zelf was heel wat beter dan eenig zwaard. “Pak het ééne uiteinde van dit zijden touw stevig vast,”zoo sprak zij tot Theseus, “en ik zal het kluwen vasthouden, terwijl het wordt afgewikkeld. Wanneer gij daarna den terugtocht aanvaardt, moet gij het koord weer opwinden, en het zal u recht naar mij terugvoeren.” Het geschiedde volkomen, zooals zij hadden afgesproken. Theseus doodde het monster, daarna volgde hij het zijden kluwen, totdat het hem naar Ariadne terugleidde. Daarna zeilde hij met de prinses en de Atheensche jongelingen en meisjes snel naar Athene terug; en nooit meer behoefden de Atheners de vreeselijke schatting te betalen.Minos zelf was één van de helden der Grieken, hoewel hij een zoo ijselijk monster hield als den Minotaurus, dat zich voedde met de lichamen van ongelukkige jongelingen en maagden; en er zijn een aantal legenden, die getuigenis aflegdenvan de verstandige wetten, die hij uitvaardigde. Ook vertelden de Grieken veel van de groote gevaren, waaraan zeelieden blootstonden van de zijde van zeeroovers, en van de wijze, hoe koning Minos die zeeroovers volkomen had uitgeroeid. “Hij was een machtig koning,”zoo zeiden zij,“en daarbij was hij zóó rechtvaardig, dat het niet te verwonderen is, dat hij na zijn dood werd aangesteld tot één der rechters van de onderwereld.”Koning Minos was de zoon van Zeus en Europa. Er is een verhaal, dat Europa, toen zij nog een klein meisje was, eens aan het spelen was op een weide, die rijk voorzien was van bloemen. Een prachtige witte stier verscheen, en het eerste oogenblik was zij daardoor verschrikt; maar de stier was zóó vriendelijk speelsch, dat zij al haar angst vergat. Zij hing bloemkransen om zijn nek en sprong eindelijk op zijn rug. Plotseling draaide de stier om, holde in vliegende vaart naar het strand en sprong in het water. Hij zwom ver weg tot aan het eiland Creta. Daarna hernam hij zijn vroegeren vorm, en de jeugdige Europa ontdekte toen, dat zij gespeeld had met den Koning der Goden, en dat hij haar had geschaakt en haar naar dat eiland had gevoerd, dat ver over de zee gelegen was, omdat hij haar zoo innig lief had.Een andere held, die volstrekt niet minder beroemd was dan Theseus, heette Oedipus. Hij woonde in Thebe, en juist buiten Thebe was een monster, dat niet minder ontzagwekkend en afgrijselijk was dan de Minotaurus. Het heette de Sphinx. Het had het hoofd van een vrouw en het lichaam van een leeuw. Het lag op een hoogte ter zijde van den weg, en zoodra het een reiziger in het gezicht kreeg, kwam het niet voor den dag om een eerlijken strijd te leveren, maar gaf het den reiziger een raadsel op, en als deze het antwoord niet kon raden, sprong het monster op hem af en verslond het hem. Het raadsel luidde: “Welk dier loopt des morgens op vier voeten, des middags op twee, en des avonds op drie”? Niemand had het ooit opgelost;maar toen Oedipus het hoorde, zeide hij kalm: “Het is de mensch, die in zijn kindertijd op handen en voeten kruipt, op den mannelijken leeftijd rechtop loopt, en in den ouderdom met behulp van een stok loopt.” De Sphinx was zóó vertoornd dat het raadsel was opgelost, dat hij zich van de rots neerwierp en op die wijze omkwam.De Driekoppige Hond Cerberus.De Driekoppige Hond Cerberus.(Van een bronzen standbeeld).Misschien de allerberoemdste van alle Grieksche helden was Heracles, die reeds een held begon te zijn, toen hij nog een zuigeling was van acht maanden. Twee vurige slangen waren door één der godinnen op hem afgezonden om hem te dooden; maar het kind stak zijn kleine armpjes uit over den rand van zijn wieg, greep in iedere hand een slang en drukte ze dood. Dit was voldoende, om zijn roem te vestigen, maar het was slechts de geringste van de heldendaden van Heracles. Op zekeren dag kwam een bevel van Zeus tot hem: “Ga naar koning Eurystheus en gehoorzaam gedurende twaalf jaar aan ieder bevel, dat hij u geeft.”Eurystheus nu was een vijand van Heracles, en zelfs een zoo stoutmoedige held als Heracles mocht wel angstig zijn, nu hij twaalf lange jaren in zijn macht moest staan. Heracles echter trok moedig naar het rijk van Eurystheus. Hij was goed gewapend, immers hij was een gunsteling der goden, en verscheidenen van hen hadden hem geschenken gegeven. Apollo had hem een boog en Hermes een zwaard gegeven. Hephaestus, de manke god, die alle mogelijke voorwerpen van metaal kon vervaardigen, had een gouden borstharnas voor hem vervaardigd. Poseidon, de beheerscher van het gebied van den oceaan, had hem een span paarden geschonken; en Athene, de godin der wijsheid en de meest bekwame weefster op de geheele wereld, had een kleed voor hem geweven. Spoedig bereikte hij Mycene, envertelde hij aan koning Eurystheus, dat hij bereid was zijn wil te gehoorzamen. Eurystheus wist, dat zijn rijk van rechtswege aan Heracles toekwam, en daarom zond hij hem telkens weg, om hem aan de meest gevaarlijke avonturen bloot te stellen, waarvan hij kennis kon krijgen, in de hoop dat Heracles bij één van die avonturen gedood zou worden. Het allereerst zeide hij: “Ga naar het Nemeïsche woud, en dood den monsterachtigen leeuw, die mijn rijk verwoest.”Heracles begaf zich naar het bosch, en keerde spoedig terug met de huid van den leeuw over zijn schouders. De koning was zóó verbaasd, toen hij ontdekte, hoe sterk Heracles was, en zóó bevreesd, dat deze zijn kracht tegen hem zou gebruiken, dat hij een klein vertrek onder den grond als schuilplaats liet graven en de muren bedekte met zware koperen platen.Hij zond Heracles op andere avonturen uit, en dacht iederen keer, dat het nu wel de laatste maal zou zijn, dat hij hem te zien kreeg, en zoo dikwijls dan ook het volk begon te schreeuwen: “De held komt daar aan, Koning Eurystheus! Heracles is bijna hier!” sloop de teleurgestelde koning weg, om zich in zijn onderaardsche kamer te verbergen. Hij eischte twaalf heldendaden of werken van Heracles; maar ten slotte waren zij alle volbracht. De held had een hert met gouden horens, een woest wild zwijn en een woedenden wilden stier gevangen, en die medegesleept naar de poorten van Mycene. Hij had alle mogelijke soorten van monsters gedood, één met zes pooten en een ander met negen koppen, zóó geschapen, dat indien één der koppen was afgesneden, er twee voor in de plaats groeiden; en hij had uit de onderwereld een driekoppigen hond gehaald met den staart van een draak, om niet te spreken van andere ondernemingen, als het dooden van een zwerm wilde vogels, die mannen en dieren verslonden, en het dragen van de zuilen des hemels in den tijd dat Atlas, wiens taak dit was, eenige gouden appels voor hem haalde uit den tuin der Hesperiden.Waarlijk, hij verdiende wel de belooning, hem door Zeus gegeven, om naar den hemel te worden overgebracht en onder de goden te worden geplaatst.Eurystheus vervolgde de kinderen van Heracles en verjoeg ze uit het rijk. Hij voerde zelfs oorlog tegen Athene, omdat die stad ze had opgenomen. In dien oorlog werd hij gedood; en toen viel het koninkrijk ten deel aan Hyllus, den oudsten zoon van Heracles; dat wil zeggen, het zou hem toebehooren, als hij er bezit van kon nemen. Het scheen, alsof er heel wat bloedig moest worden gestreden, voordat de zaak geregeld kon worden; maar ten slotte kwamen beide partijen overeen, dat Hyllus en de kampioen onder zijn vijanden in een tweegevecht elkander zouden ontmoeten.Indien Hyllus de overwinning behaalde, moest hij het koninkrijk verkrijgen; maar indien de kampioen den strijd won, moesten Hyllus en zijn vrienden honderd jaar lang wachten, voordat zij weer zouden mogen trachten zich meester te maken van de kroon. Al de manschappen van beide partijen wachtten verlangend den uitslag af; maar spoedig waren de zonen van Hyllus van groote droefheid vervuld, daar Hyllus gedood werd. Zij hielden getrouw hun belofte, immers noch zij, noch hun kinderen of kleinkinderen, deden een enkele poging om het koninkrijk te bemachtigen. Eindelijk echter was er aan het tijdperk van honderd jaar een einde gekomen, en de drie achterkleinzoons van Hyllus, of, zooals zij genoemd werden, de Heracliden, trokken er met hun vrienden op uit, om de landen te herwinnen, die oorspronkelijk aan hun geslacht hadden toebehoord. Toen was de fortuin hun gunstig, en hun tocht wordt genoemd de terugkeer der Heracliden.Hoofdstuk II.In de dagen der mythen, (vervolg).Met honderden dergelijke verhalen hadden de jeugdige Grieken geen boeken met sproken noodig, zelfs al waren dergelijke boeken in die dagen voorhanden geweest. Maar, indien wij letten op onze tegenwoordige jongens, dan komt het ons voor, dat de verhalen, die zij het liefst lazen, die waren van de wonderlijke reizen, die waren afgelegd vóór de tijden, die hun grootouders of overgrootouders zich konden herinneren. Eén van die reisverhalen was bekend als de tocht om de Gouden Vacht. Die gouden vacht had gehangen in een boschje in Colchis, een landstreek, die heel ver van Griekenland was verwijderd; en meer dan één jonge held had bij zich zelf gedacht: “Hoe gaarne zou ik die vacht bemachtigen!” De moeilijkheid was hierin gelegen, dat zij bewaakt werd door een vuurspuwenden draak, die nooit een enkel oogenblik in slaap viel; en menig dapper man, die ieder oogenblik gereed stond, om den strijd te aanvaarden tegen twee of drie, ja zelfs tegen vier of vijf dappere krijgslieden, deinsde terug voor het gevaar, in sintels te veranderen.Er was echter een jonge held, Jason genaamd, die de erfgenaam was van een koning in Thessalië. Zijn oom Pelias was tot regent van het koninkrijk aangesteld gedurende de jeugd van den vorst, en toen Jason, die nu was opgegroeid tot een dapper, forsch en gespierd jongmensch, aan het hof verscheen en zeide, dat hij gekomen was om bezit tenemenvan zijn troon, verzon zijn oom alle mogelijke listen, om een middel te vinden, waardoor hij de regeering zou kunnen behouden. Hij deed het voorkomen, alsof hij gaarne bereid was, van het gezag afstand te doen. “Maar” zoo sprak hij, “gij zijtnog jong, en zoudt gij dus niet, voordat gij de zorgen der regeering op u neemt, eerst nog eenigen roem willen verwerven? Hoe zoudt gij het vinden, als gij u eerst wikkeldet in de ééne of andere schitterende onderneming, zoodat uw onderdanen nog honderden jaren na uw dood over uw grootsche daden zouden kunnen spreken?”Jason eischt de regeering op.Jason eischt de regeering op.Pelias zag, hoe de oogen van Jason schitterden, en de sluwe koning sprak toen van den tocht om de Gouden Vacht te halen, als van het roemrijkste avontuur, waaraan een held zich kon wijden. Jason verheugde zich in die gedachte, en begon onmiddellijk de voorbereidselen te treffen, en een schip uit te rusten, dat vijftig man kon bevatten. Dit was op zich zelf reeds een bewonderenswaardige onderneming, immers de schepen uit dien tijd waren niets dan kleine kano’s, die vervaardigdwerden, door boomstammen uit te hollen. Het schip werd de Argo genaamd, naar den bouwmeester Argus, en de vijftig jongelieden, die daarin wegzeilden, werden de Argonauten genoemd. Aan de sneb van het schip was een stuk van een sprekenden eik bevestigd, dat Jason antwoord zou geven, als hij in tijden van moeilijkheden om raad vroeg.Jason ondervraagt het hout aan de sneb.Jason ondervraagt het hout aan de sneb.Toen zij gereed waren, was het strand overal bezet met menschen, die het schip wilden zien wegvaren. Natuurlijk was onder dezen ook koning Pelias. Hij deed het voorkomen, alsof hij zeer ongerust was, omdat zijn neef een zoo gevaarlijken tocht ging ondernemen; maar voortdurend dacht hij bij zich zelf: “Nooit, nooit keert hij terug en het koninkrijk zal mij toebehooren.”De vijftig jonge mannen waren spoedig uit het gezicht, en groot was het aantal van hun avonturen, voordat zij het Colchische rijk hadden bereikt. Toen zij eenmaal daar waren aangekomen, ging Jason onmiddellijk naar koning Aeëtes en vertelde hem, dat hij daar was gekomen, om de Gouden Vacht te halen. Men moet echter weten, dat Aeëtes, ten einde in het bezit van dien schat te komen, den vroegeren eigenaar daarvan had doen dooden; hij was dan ook absoluut niet van plan, de vacht af te staan. Hij was echter een even sluw heerscher alskoning Pelias; van daar dan ook, dat hij niet kortaf weigerde, haar af te staan. “Het is billijk,”zoo sprak hij tot Jason, “dat gij mij eerst twee kleine gunsten bewijst. Indien gij daartoe bereid zijt, hebt gij mijn toestemming, om tegen den draak te strijden en de vacht weg te voeren.” De twee kleine diensten waren, ten eerste om twee vuurademende stieren voor het juk te spannen, en ten tweede om de tanden te zaaien van een draak, die door Cadmus, een held, die lang vóór dien tijd had geleefd, was verslagen.Jason en Medea.Jason en Medea.Evenals het geval geweest was met den Minotaurus, was hier wederom een prinses in het spel, en wel Medea, die in liefde ontstoken was voor den held van het avontuur; zij gaf daarom Jason een toovermiddel, waardoor de stieren zoo zacht als lammeren werden. Zij waren dan ook spoedig voor het juk gespannen, zoodat Jason gereed was voor de tweede proef, het zaaien van de drakentanden. Hij wist zeer goed, wat geschieden zou, maar toch ging hij even rustig voort, als wanneer hij graankorrels moest zaaien. In minder tijd dan noodig was om deze geschiedenis te verhalen, was uit iederen tand niet koren, maar een gewapende man te voorschijn gekomen, die een oogenblik woest bleef staan brommen en rondzag, of hij iemand kon vinden, dien hij kon dooden. Zoodra de mannen Jason in het gezicht kregen, trokken zij hun zwaarden en stormden woest op hem los. De prinses had hem echter daarop voorbereid, en hem gezegd, hoe hij zich zou kunnen redden; hij raapte dus volgens haar raad een steen op en wierp dien onder de woedende strijders. Ieder van hen meende, dat zijn buurman hem door den steen had geraakt, en in een ondeelbaar tijdsoogenblik waren zij op elkander losgestormd. Binnen een minuut tijds waren allen gedood.Nadat Jason de vuursnuivende stieren had weten te bedwingen, zou hij wel in staat geweest zijn, ook den draak te overwinnen, die de Gouden Vacht bewaakte, maar hij dacht, dat het beter was dien te besprenkelen met den tooverdrank, dien Medea had gereed gemaakt. In een oogenblik tijds was de draak in een diepen slaap gevallen, zoodat niets gemakkelijker was dan de vacht van den boom te halen, waaraan zij gehangen was. Hij was te verstandig, om naar koning Aeëtes te gaan, om afscheid te nemen; daarom haastte hij zich naar zijn eigen rijk, zoo snel zijn roeiriemen en zeilen hem konden wegvoeren.Paris.Paris.Een ander oud verhaal, het meest bekende van alle, is datvan den Trojaanschen oorlog. Die oorlog had zijn ontstaan te danken aan Helena, de schoonste vrouw uit Griekenland. Deze had een groot aantal aanbidders; haar vader liet deze allen een duren eed zweren, dat alle overige aanbidders hem, dien zij zou kiezen, zouden beschermen en in alle moeilijkheden des levens zouden bijstaan. Zij vestigde haar keuze op Menelaüs, den koning van Sparta, en verscheidene jaren ging alles voortreffelijk. Maar eindelijk kwam Paris, de zoon van den koning van Troje, op Sparta, doch toen hij vertrok, nam hij Helena met zich mede. Nu was het oogenblik voor de andere vorsten aangebroken, om Menelaüs te helpen, maar er waren er enkelen onder, die liever hadden willen thuisblijven. Odysseus bij voorbeeld wenschte niet mede te gaan, en meende, dat hij zich aan den tocht kon onttrekken, door zich als krankzinnig voor te doen. Hij spande een os en een ezel samen voor den ploeg en begon zout te zaaien. Spoedig echter kwam zijn bedrog aan het licht; immers toen zijn jeugdig zoontje op den grond gelegd werd vóór den ploeg, ging hij veel te voorzichtig op zijde, om nog langer zijn geveinsde krankzinnigheid te kunnen volhouden.Het duurde twee jaar, eer de schepen gebouwd en uitgerust waren; maar eindelijk waren de schepen de zee overgestoken en hadden zij hun kamp vóór de wallen van Troje opgeslagen. Hun aanvoerder was Agamemnon, de broeder van Menelaüs. Negen jaren duurde de oorlog, en nog steeds konden de Grieken Troje niet veroveren, en de Trojanen konden evenmin de Grieken verdrijven. Aan beide zijden streden de dappersten van alle helden, en ook de goden namen deel aan den strijd. Aphrodite begunstigde de Trojanen, en dat wel op goedegronden, daar haar zoon Aeneas één der dapperste verdedigers van Troje was. Bovendien overreedde zij Ares den oorlogsgod, hen te helpen. Apollo was eerst op de hand der ééne partij en daarna op die der andere. Athene, de godin der wijsheid, en Hera, de echtgenoote van Zeus, haatten de Trojanen, en in de eerste plaats Paris; immers deze had indertijd den prijs der schoonheid toegekend aan Aphrodite, in plaats van aan één van haar beiden. De arme Zeus had een ellendigen tijd in zijn schitterend paleis op den Olympus, immers Aphrodite kwam telkens weenend bij hem en smeekte hem, haar geliefden Aeneas te beschermen; doch nauwelijks had hij haar met vriendelijke beloften getroost, of zijn vrouw Hera wist op de ééne of andere slinksche wijze zijn oogen af te leiden van Troje; en dan wonnen de Grieken telkens een overwinning of doodden zij den een of anderen beroemden Trojaanschen strijder.Aanvoerders der Grieken vóór Troje.Aanvoerders der Grieken vóór Troje.Gedurende al die jaren van strijd hadden de Trojanen er nooit een oogenblik aan gedacht, dat het mogelijk zou kunnen zijn, dat Troje werd ingenomen, immers de stad werd beschermddoor een beeld van Athene, waarvan verhaald werd, dat het uit den hemel was gevallen. De Grieken waren niet onkundig van het bestaan van dat beeld. Zij waren overtuigd, dat, indien zij dat konden bemachtigen, Troje zou vallen; en eindelijk gelukte het den listigen Odysseus en zijn vriend Diomedes, het te stelen. Maar toch bezweek Troje nog niet en nog steeds duurde de strijd voort.Na eenigen tijd begonnen de Grieken een ontzaglijk groot houten paard te bouwen op de vlakte, die juist buiten de wallen der stad gelegen was. Zij slaagden er in, het bericht uit te strooien, dat zij het beleg hadden opgegeven en op het punt stonden naar huis terug te keeren; daarna zeilden zij weg, doch lieten het groote houten paard achter.De Trojanen konden niet ontdekken, met welk doel de Grieken dat reusachtige gedierte hadden gebouwd; terwijl zij daarover druk aan het redeneeren waren, en het stonden aan te gapen, brachten eenige herders een jongen Griek, Sinon genaamd, dien zij hadden gevangen genomen, in de stad. Hij vertelde een droevig verhaal. Hij zeide namelijk, dat Odysseus hem haatte, en den Griekschen waarzegger had overgehaald te verkondigen, dat hij moest worden ter dood gebracht als een offer voor hun veiligen terugkeer naar Griekenland. Hij was ontsnapt en had zich in een moeras verborgen gehouden totdat de Grieken vertrokken waren.De Trojanen waren van nature vriendelijk voor iedereen, die door Odysseus werd gehaat. Koning Priamus beval, dat hij onmiddellijk van zijn boeien zou worden bevrijd, en overreedde hem de Grieken te vergeten en een Trojaan te worden. “Maar vertel ons, waarom dat reusachtige paard gebouwd is,”zoo sprak hij; en Sinon deelde mede, dat het een offer aan Athene was, omdat zij vertoornd was op de Grieken, daar zij met bloedige handen haar beeld hadden aangeraakt. “Het is zóó groot gemaakt, dat het onmogelijk door de poorten uwerstad kan worden getrokken,”legde hij den koning uit, “immers de Grieken weten, dat het, indien het eenmaal binnen de muren der stad zou zijn gekomen, u zou beschermen, en dat de overwinning door de Trojanen zou worden behaald, in plaats van door de Grieken.Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.De Trojanen geloofden ieder woord, dat door Sinon werd gesproken. Zij bonden touwen vast aan het reusachtige gevaarte en begonnen het naar de stad te trekken. Zelfs haalden zij een deel der stadsmuren neer, om het paard een doorgang te verschaffen. In dien nacht opende de verraderlijke Sinon een deur in het lichaam van het paard, en een aantal gewapende Grieken, die daar binnen verborgen waren, lieten een touw neer en lieten zich onder doodsche stilte op den grond afzakken. De Trojanen waren in slaap, en het was een zeer gemakkelijk werk, de wachten te dooden en de poorten voor de overige Grieken open te werpen; immers zij waren niet naar Griekenland weggezeild, maar hadden zich alleen verborgen gehouden achter een klein eiland, dat op enkele mijlen van Troje verwijderd was.Grieksch krijgsman.Grieksch krijgsman.Dit is het beroemde verhaal van den val van Troje of Ilium. Het is ons overgeleverd in een groot episch gedicht, de Ilias, en wij kunnen het lezen in dezelfde bewoordingen, waarin het bij de Grieken bekend was. De Ilias verhaalt ons die geschiedenis tot aan den dood van Hector, een dapper Trojaansch krijgsman, die door Achilles werd gedood; maar het verhaalvan het reusachtige houten paard is tot ons gekomen uit een ander heldendicht, de Aeneïs, dat vervaardigd is door den Latijnschen dichter Virgilius. De Grieken meenden, dat de Ilias vervaardigd was door een blinden dichter, Homerus genaamd, die geboren was op het eiland Chios, en die het land doortrok, zijn gedichten voordragend of zingend. Hij was een bedelaar, maar toch was hij een welkome gast in het huis van iederen aanzienlijken Griek, immers op de feesten kon hij spelen op zijn harp met vier snaren en zingen van de bewonderenswaardige daden uit den ouden tijd. Hij vervaardigde ook een tweede heldendicht, de Odyssee, dat verhaalt van de zwerftochten van Odysseus; immers het jonge kind, dat vóór den ploeg was gelegd, was opgegroeid tot een stevigen en rijzigen jongeling, voordat de goden den held hadden toegestaan, naar zijn huis terug te keeren. Odysseus had de meest wonderlijke avonturen. Hij bezocht het land der Lotos-eters of Lotophagen. Zij die van de Lotosplant aten, vergaten alles van hun huis en hun vrienden, en Odysseus moest enkelen van zijn manschappen, die er van gegeten hadden, met geweld wegsleepen. Hij werd in een hol opgesloten door één der Cyclopen; hij vertoefde een tijdlang op het eiland der toovenares Circe, die menschen in dieren veranderde; met de grootste voorzichtigheid zeilde hij door tusschen de twee monsters, Scylla en Charybdis. Eén der zeenimfen beloofde hem de onsterfelijkheid, als hij slechts zijn woonplaats wilde vergeten en op haar eiland wilde achterblijven, maar hij verlangde vurig naar zijn vrouw en zijn zoon op het eiland Ithaca, en eindelijk gelukte het hem, zijn weg daarheen te vinden. Hij maakte zich aan zijnzoon bekend, en samen straften zij de vrijers, die zijn bezittingen hadden verkwist en zijn echtgenoote waren lastig gevallen.Het houten Trojaansche paard.Het houten Trojaansche paard.Die oude verhalen zijn de moeite wel waard, gekend te worden, omdat het zeer schoone en dichterlijke verhalen zijn; maar bovendien ligt aan ieder dier verhalen een spoor van waarheid ten grondslag. De geest der Grieken was rijk aan een dichterlijke fantaisie; het was, bij voorbeeld, gemakkelijk, de herinnering aan een warmen, drogen zomer, die in een donderbui eindigde, om te werken tot het verhaal van Phaëthon; of het verhaal van den een of anderen tocht van zeeroovers om te werken tot het poëtische verhaal van den tocht der Argonauten. De geschiedenis van Theseus beteekent waarschijnlijk, dat op zekeren tijd door de Atheners aan Creta een schattingmoest worden betaald. De terugkeer der Heracliden moet slaan op de tijden, toen de Doriërs tot in den Peloponnesus doordrongen en een groot gedeelte van dat schiereiland in hun bezit kregen.Homerus leest zijn gedichten voor.Homerus leest zijn gedichten voor.Zelfs met behulp van deze verhalen, weten wij op verre na niet zooveel van de oude geschiedenis van Griekenland als wij wel zouden willen. Wij kunnen echter bijna zeker zijn van enkele feiten en wel:Dat de Grieken behoorden tot het Arische ras, dat toen leefde in Centraal-Azië; dat zij in kleine troepen van landverhuizers in Griekenland kwamen; dat zij in vier stammenverdeeld waren, de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs; dat de Doriërs in den Peloponnesus binnendrongen en een groot aantal Achaeërs verjoegen; dat die Achaeërs hun weg richtten naar het noorden en de Aeoliërs verdreven, die daarna de Aegeïsche Zee overstaken en koloniën stichtten op de kusten van Klein-Azië; dat zij gevolgd werden door de Joniërs, en eindelijk door enkele Doriërs, die geen voldoende plaats vonden in den Peloponnesus; dat er gedurende honderden jaren voortdurend met enkele tusschenpoozen gestreden werd tusschen Griekenland en Klein-Azië, totdat Griekenland ten slotte veroverd werd door Philippus, den koning van Macedonië. De verovering geschiedde echter eerst drie eeuwen vóór Christus.Hoofdstuk III.Hoe de oudste Grieken leefden.Zooals wij hebben opgemerkt, weten wij niet veel van hetgeen in Griekenland in de oudste tijden gebeurde, welke oorlogen de Grieken voerden of welke volksstammen zij overwonnen. Wij weten wel echter, hoe zij leefden, hoe zij zich vermaakten, en wat zij over verschillende onderwerpen dachten; en dit is toch veel merkwaardiger en belangrijker dan het overige.Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).Indien gij het huis van één der Grieksche vorsten uit de oudste tijden waart binnengetreden, dan zoudt gij eerst gekomen zijn aan een hoogen, dikken steenen muur met een stevige, openslaande deur. Als de deur was opengeslagen, en gij in den hof waart binnengestapt, zou een groote hond uit zijn hok zijn gesprongen, om te zien, of hij, even goed als zijn meester, van oordeel was, dat gij mocht worden toegelaten. Als de meester een vermogende vorst was, kon het zijn, dat hij geen werkelijken hond had, maar het beeld van een hond, van goud of zilver vervaardigd.Huisdeur.Huisdeur.Dicht bij de poort stonden steenen banken, gebeeldhouwd en gepolijst, waarop men kon gaan zitten praten. Verder op in den hof waren stallen voor de paarden en de ossen, en voor de wagens, en evenzoo plaatsen voor zwijnen, ganzen en schapen. De hof was groot genoeg voor een tuin en zelfs voor een boomgaard met peren- appel- vijgen- en olijfboomen. In werkelijkheid was het huis met zijn hof en stevigen muur als het ware een versterkt dorp. Er was natuurlijk ook een fontein; en door den overvloed aan water, de kudden kleinvee en runderen, en het graan, dat in voorraadschuren was opgehoopt, kon zulk een plaats een langdurig beleg uithouden, zonder dat er sprake was van uithongeren.Oude Grieksche vaas.Oude Grieksche vaas.De woning zelf bevatte gaanderijen en pilaren en een aantal vertrekken. Er was nog een tweede verdieping, en daar was een voorraadkamer, waar de schatten van den vorst werden bewaard. Daar was geen geld in; immers de oude Grieken hadden geen gemunt geld; zij telden de waarde hunner bezittingen in ossen. Een slaaf was bij voorbeeld van vier tot twintig ossen waard. Er was echter overvloed aan edele metalen in andere vormen dan geld; immers er waren vazen, kommen, bekers en schotels van stevig goud en zilver. Zij hadden sierlijke en schoone vormen, immers de Grieken schepten er zóózeer behagen in, om alles om zich heen liefelijk voor het oog te hebben, dat zelfs het meest gewone aarden vat dikwijls een rand had, die schoon genoeg was voor een zilveren vaas; somtijds was er een dans van faunen op geschilderd of een wedloop, of Jason met zijn vijftig metgezellen, op het punt de Gouden Vacht te gaan halen. In die voorraadkamer wareneveneens groote houten kisten, versierd met goud, zilver en ivoor, en in die kisten werden kostbare kleederen en mantels en vloerkleeden en fijn linnen en geweven dekkleeden voor de banken en bedden bewaard. Er waren verschillende soorten van armbanden en halskettingen; en, wat nog meer waard was dan al die kostbaarheden, er werden daarin de zwaarden en speren en messen en bogen en pijlen bewaard, waarmede de vorst en zijn manschappen hun schatten beschermden, indien de woning door vijanden werd aangevallen. Het metaal, waarvan de wapenen gemaakt waren, was somtijds brons en somtijds koper; maar het koper was op de ééne of andere wijze, die wij niet kennen, hard gemaakt.De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.De vorsten, die in zoodanige huizen woonden, hadden slaven, van wie sommige in den oorlog waren gevangen genomen en andere uit hun huizen waren geroofd; maar de meesters ontzagen zich evenmin met eigen handen te werken als de arme lieden, die in hun hutten leefden. Homerus verhaalt ons, dat de koninklijke Odysseus zijn eigen legerstede vervaardigde; en één van de aardigste verhalen van den dichter is dat vande schoone jonge prinses Nausicaä, die uittrekt met hare vriendinnen en een mand met voedsel naar den oever der rivier, om hare kleederen te wasschen, en om daarna met hare vriendinnen met den bal te spelen, even vroolijk en uitgelaten als ieder ander meisje, dat niet van vorstelijken bloede was, dat zoude doen. Het is jammer, dat wij onmogelijk kunnen nagaan, wat was medegenomen in die mand, die, zooals Homerus het uitdrukte, “alle soorten van voedsel bevatte, die het hart begeert.” Er moeten lekkernijen in zijn geweest, die uitsluitend bereid waren, om de jonge meisjes te bekoren, immers zelfs op de groote feesten schenen er niets dan de eenvoudigste spijzen te worden opgedischt, nauwelijks iets anders dan brood en vleesch. De Grieken begeerden evenmin als eenig ander volk honger te lijden; maar als zij naar een feest gingen, dachten zij minder aan de spijzen, die hun zouden worden voorgelegd, dan aan de medegasten, met wie zij onderhoudende gesprekken konden voeren.Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)Indien het ons mogelijk was, een blik te slaan op één van hun feestmalen, zouden wij een vertrek zien, vol met gasten, en met bedienden, die daar kleine tafeltjes zouden plaatsen, die niet meer ruimte aanboden dan voor één persoon. Voor ieder dier tafeltjes werd een stoel geplaatst, en de gasten namen hun zitplaatsen in. Daarna werden groote stukken vleesch binnengebracht,en vóór den voorsnijder geplaatst, die het vleesch in heel kleine hapjes sneed, wat inderdaad een hoogst noodzakelijk iets was, immers in die dagen had men nog geen vorken, zoodat men de spijzen in de handen moest nemen en zoo aan den mond moest brengen. Voor ieder der gasten werd een schotel met vleesch geplaatst, en daarna werden manden met brood rondgegeven. De dranken bestonden uit wijn, maar dikwijls werd in den beker driemaal zooveel water als wijn geschonken. De wijn werd eerst geboden aan de oudsten der gasten, zelfs al was hij slechts een gewoon burger, en al waren er jonge prinsen onder de gasten. Het werd als iets onbehoorlijks beschouwd te veel te drinken; immers de Grieken hadden een grooten afschuw van een dronken man, en niets werd als een grooter beleediging beschouwd dan iemand te verwijten, dat hij te veel wijn had gedronken. Natuurlijk was ook de zanger aanwezig, en hij was steeds een hoogst welkome gast. Homerus beschrijft zijn ontvangst in de volgende bewoordingen:Een Grieksche Zanger.Een Grieksche Zanger.“De dienaar kwam nader en leidde den gevierden zanger binnen. De muze had hem zeer lief gehad en had hem goed en kwaad geschonken: zij had hem het gezicht benomen, maar had hem den heerlijken zang geschonken. Pontonöus plaatste voor hem onder de feestgenooten een zetel met zilveren knoppen beslagen, die steunde tegen een hoogen pilaar, enhing de schoon gestemde lier aan een pen boven zijn hoofd, en de dienaar wees hem, hoe hij er met zijn handen bij kon komen. Naast hem plaatste hij een mandje en een schoone tafel, en daarop zette hij een beker wijn om te drinken, zoo dikwijls zijn gemoed hem daartoe aandreef.”Indien een vreemdeling verscheen en om voedsel vroeg, werd hij als een vriend behandeld, en niemand vroeg er naar, wie hij was of waarheen hij ging, voordat hij gegeten had van alles wat hij begeerde. Zelfs als iemands ergste vijand aan zijn deur kwam met een olijftak in zijn hand, of het huis binnentrad en aan den haard nederknielde, moest hem voedsel en een beschutting worden verleend, en niemand mocht hem eenig nadeel berokkenen.Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.De kinderen uit den ouden Griekschen tijd gingen niet naar school. Waarom zouden zij naar school gaan, als de voornaamste plicht van een meisje was, te leeren de huishouding te besturen zooals haar moeder dat deed; en van een jongen, te leeren, hoe hij later het werk zou kunnen doen, dat nu zijn vader deed? Daarom ging het meisje met de moeder het huis rond, en leerde zij, hoe dit moest worden bestuurd en hoe zij de slaven en slavinnen kon leeren, op welke wijze zij hun werk moesten verrichten. Zij moest natuurlijk leeren spinnen en weven, en ook zingen en dansen. Ook de jongens moesten leeren zingen en dansen; maar zij moesten ook leeren zorgen voor de kudden groot en klein vee, zij moesten het land leeren bebouwen en de wapenen hanteeren. Het was volstrekt niet noodig, lezen of schrijven te leeren, want er was weinig of niets te studeeren. De geheele rekenkunde bestond uit het tellen van het aantal dieren, die men te verzorgen had. Degeschiedenis bestond alleen uit mythen en legenden, die niet moeilijker te onthouden waren dan de meeste sprookjes. Ook de aardrijkskunde moet op de Grieksche jeugd uit die dagen den indruk hebben gemaakt van een sprookje; immers de oude Grieken waren van meening, dat de aarde een vlakte was, waar omheen de Oceaan, een breede rivier, voortdurend stroomde. Aan gene zijde van dien stroomenden oceaan was duisternis, en ook een ongehoord aantal vreeselijke monsters. De hemel boven hen bestond uit twee reusachtige koepels; de ééne, die helder was, was over dag boven het hoofd; de donkere sloot des nachts het licht uit. De Grieksche kinderen kenden natuurlijk ook verschillende spelen, en sommige kwamen overeen met die, welke tegenwoordig nog gespeeld worden. Eén dier spelen heette het “vijfsteentjesspel”. Daarbij wierp het kind vijf steentjes in de hoogte en trachtte zooveel mogelijk daarvan op de buitenzijde van zijn hand op te vangen. De steentjes, die op den grond vielen, mocht hij oprapen, maar dan mocht hij de andere niet weer laten vallen.Een Grieksche Knaap.Een Grieksche Knaap.De Grieken genoten van het leven, en beschouwden den dood als het einde van al hun genoegens. Zij geloofden in de onsterfelijkheid van den mensch, maar zij verwachtten niet, in het leven hier namaals gelukkig te zijn. Groote helden werden wel is waar overgebracht naar een prachtige plaats, de Elyseesche velden genaamd, die ver in het westen gelegen waren, dicht bij den stroomenden oceaan. Homerus zeide er van: “Daar is geen sneeuw, geen lange winter, geen regen; maar de stroomende oceaan zendt den luidklinkenden en hardblazendenwestenwind, om de menschen koelte te brengen.”Daar bleven de helden zich bezighouden met alles, waarmede zij op aarde zich het liefst hadden beziggehouden, en daar genoten zij alle mogelijke genoegens; maar een zoodanig geluk was de gewone menschen niet beschoren. Zij verwachtten, dat zij gezonden werden naar een droevige en sombere plaats, de Hades genaamd. Daar zouden zij zich het licht der zon blijven herinneren, en er naar verlangen, dat licht terug te zien; zij zouden zich hun vrienden en woonplaatsen voor den geest halen, maar als het ware slechts in een droom. Niets zou wezenlijk schijnen, en alles zou zich somber en vreugdeloos voordoen. Zij zouden daar eeuwig ronddwalen als schimmen in de sombere schemering, en daar niets te hopen, niets te genieten hebben.Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).Daar dus de Grieken geen geluk na den dood verwachtten, verlangden zij er des te meer naar, zooveel mogelijk te genieten tijdens hun leven. Zij meenden, dat de goden de macht hadden, hun alles te schenken wat zij wenschten, als ten minste de schikgodinnen het niet verboden; daarom aanbaden zij haar, ten einde gunsten voor zich zelf te verwerven. Niet dikwijls dachten zij zich de goden als wezens beter dan de menschen, maar alleen als wezens, die machtiger waren dan de stervelingen. Ouders zeiden niet tot hun kinderen: “Zeus is goed, en daarom moet gij uw best doen hem te evenaren”; maar wel zeiden zij: “Zeus kan u alles schenken wat gij wenscht, en daarom moet gij hem offers brengen.”Zij waren overtuigd, dat de ééne godheid demacht had, te zorgen, dat men veilig van een lange reis terugkeerde; dat een andere godheid herstel van een ernstige ziekte kon schenken; een andere de overwinning over vijanden; en daarom baden zij tot dien god, van wien zij het ’t waarschijnlijkst achtten, dat hij juist die gunst zou verleenen, die zij begeerden.Het was een hoogst gewichtige vraag, hoe zij de goden konden behagen en aldus hun wenschen vervuld konden zien. De Grieken, die leefden in de dagen, waarin Homerus geacht werd zijn heldendichten te hebben gezongen, plachten samen te spreken van de gouden tijden, toen de goden onder hen wandelden, en hun wel is waar somtijds leed berokkenden, maar hen dikwijls van goeden raad dienden en hen hielpen. Zij wisten, dat zij niet meer konden verwachten goden en godinnen te ontmoeten, als zij in de bosschen rondwandelden, en dus waren zij verplicht, om de bevelen en gedachten der goden te leeren kennen, te letten op teekenen en wenken der goden. Als een offer aan Zeus gebracht werd, dan beteekende het neerdalen van een bliksemflits, dat hij zich in het offer verheugde en het gebed zou verhooren. Een plotselinge storm was een teeken, dat Zeus vertoornd was. Vogels, die hoog in de lucht opvlogen, zouden naar hun meening de geheimen der goden hebben geleerd; van daar dan ook, dat de vlucht der vogels met groote zorg werd nagegaan.Er was echter een zekerder middel om den wil der goden te leeren kennen, en dat was, door een orakel te gaan raadplegen, of een plaats door de goden uitgekozen om hun wil bekend te maken. Er waren in Griekenland een aantal orakels, die meestal gelegen waren in woeste, onherbergzame en sombere streken, in de diepten van een bosch of te midden der moeilijkst te beklimmen rotsen of in de diepste afgronden. Het oudste orakel was dat van Zeus, in de nauwe vallei van Dodona in Epirus. Ieder die dat orakel wenschte te raadplegen, begon met giften te schenken aan de priesters. Zij droegen offers op, en luisterdendan toe, om te hooren, welk antwoord zou gegeven worden. De eenige geluiden, die werden gehoord, waren het gekir der duiven, het ruischen van den wind tusschen de takken der heilige eiken, of het gemurmel der beken aan hun voet; maar de priesters beweerden, dat zij die geluiden konden verstaan en verklaren. Er was geen vraag zóó gewichtig, of zij kon in Dodona worden beantwoord, en evenmin was eenige vraag daartoe te onbeduidend. Men verhaalt zelfs, dat Heracles naar Dodona is gegaan, om te vragen, wanneer zijn moeilijkheden tot een einde zouden komen; maar aan den anderen kant is het verhaal bekend van dien bezorgden huisvader, die ging vragen, of zijn verdwenen dekens en kussens verloren waren gegaan of gestolen waren.Delphische Sibylle.Delphische Sibylle.(Naar Michael Angelo).Het beroemdste orakel was dat van Apollo, te Delphi in Phocis. Hier was een diepe kloof in de rotsen van den Parnassus, en uit een spleet kwam een bedwelmende damp naar boven. De priesteres was op een drievoet gezeten, die over die spleet was geplaatst, en spoedig maakte het ontwijkende gas haar half bewusteloos. Zoodra dit het geval was, letten de priesters op al haar geprevel, en verklaarden dit aan hem, die gekomen was, om het orakel te raadplegen.Die priesters moesten heel wat geleerd hebben van alles wat er in de wereld omging; hun antwoorden toch waren buitengewoon spitsvondig en geslepen. Zij waren bijzonder bekwaam in het geven van hun antwoorden in zóódanige bewoordingen, dat die antwoorden zeer verschillend konden worden opgevat; en als de uitkomst niet overeenkwam metde verwachting van hem, die het orakel had geraadpleegd, konden zij altijd zeggen, dat het zijn eigen schuld was, daar hij het antwoord niet goed had opgevat. Zoo, bij voorbeeld, vroeg Croesus, de koning van Lydië: “Als ik een inval doe in Perzië, zal ik dan slagen in mijn onderneming?” Het antwoord luidde : “Als gij een inval doet in Perzië, zult gij een machtig rijk te gronde richten”; en dit was inderdaad het geval, maar het was zijn eigen rijk, en niet, zooals hij verwacht had, het Perzische rijk. Zoo was ook eens de vraag aan het orakel gesteld: “Is er iemand in de wereld, wijzer dan Socrates?” en het antwoord luidde: “Neen.” Toen de wijsgeer daarover een tijd lang had nagedacht, zeide hij: “Het orakel heeft gelijk. Niemand onzer weet, wat werkelijk goed en fatsoenlijk is, maar ik zie mijn onkunde in, terwijl dit bij anderen niet het geval is; daarom ben ik verstandiger dan deze.”Overal waar een orakel was, was ook een tempel gebouwd. Smeekelingen waren gewoon rijke geschenken aan die tempels te brengen, en daardoor waren deze zeer rijk; dit was vooral het geval te Delphi. Alle Grieken beschouwden die orakels als heilig, en ten einde te vermijden, dat die tempels, met hun grooten rijkdom aan schatten, schade zouden lijden, begonnen groepen van steden zich te vereenigen, om in staat te zijn, die tempels te beschermen, als de noodzakelijkheid daartoe zich voordeed. Die genootschappen werden “Amphictyonen” of “groepen naburen” genoemd. De Delphische amphictyone was, zooals ook te verwachten was, de sterkste van alle. Deze was samengesteld uit twaalf stammen, die alle woonden ten noorden van de landengte van Corinthe. Zij waren overeengekomen den tempel van Apollo te Delphi te beschermen, en iedereen te bestraffen, die zou trachten de schatten uit dien tempel te stelen. Zij droegen eveneens zorg voor de wegen, die naar den tempel leidden; en als iemand het waagde de smeekelingen te hinderen, die op weg daarheen waren, had hijmet de geheele Delphische amphictyone rekening te houden. In weerwil van die verbintenis behielden de stammen toch het recht, elkander, zoo zij dit verkozen, te beoorlogen, maar zij verbonden zich onderling, om, als zij met elkander in oorlog waren, elkanders steden niet te zullen verwoesten, of niet te zullen trachten, die steden van stroomend water af te snijden; dit was trouwens een belangrijke vooruitgang in vergelijking met de gewone wijze van oorlog voeren in die dagen, toen men meende, dat ieder middel, om een vijand te overwinnen, gewettigd en gewenscht was.Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.De Amphictyonen droegen er veel toe bij, dat de Grieken het gevoel hadden, van één en hetzelfde ras te zijn, en dat zij, zelfs wanneer zij twistten, toch tot dezelfde familie behoorden. Dit gevoel werd nog hierdoor versterkt, dat zij dezelfde taal spraken. Een andere band, die hen veel steviger onderling verbonddan met de “barbaren”, waren de “spelen”, waarin alleen Grieken mochten mededingen. Zelfs in de dagen van Homerus, en niemand weet hoeveel vroeger reeds, geloofden de Grieken, dat de goden met genoegen toeschouwers waren bij athletische spelen; en daarom waren bij alle eenigszins uitgebreide feesten ter eere van een godheid, de kampspelen even belangrijk als de offers. Vier van die feestelijke spelen werden beroemd, en de spelen, te Olympia gehouden ter eere van Zeus, waren het beroemdst van alle. In latere tijden werden, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen uiteenzetten, verschillende soorten van wedstrijden gehouden, maar de wedloopen waren altijd de gewichtigste gebeurtenis; in de vroegste tijden waren zij zelfs de eenige wedstrijden. In het jaar 776 vóór Christus begonnen de Grieken de namen der overwinnaars op te teekenen. Met dien datum eindigen de mythische tijden, en van die periode af dagteekent de werkelijke geschiedenis van Griekenland.Grieksche vaas.

Hoofdstuk I.In de dagen der mythen.Het moet voor de knapen en meisjes, die voor drieduizend jaar in Griekenland leefden, een bijzonder genot geweest zijn, dat zoovele van de vragen, door hen gedaan omtrent natuurverschijnselen of omtrent aardrijkskundige benamingen, met een boeiend verhaal of een pakkende mededeeling konden worden beantwoord. Indien bij voorbeeld een jongen vroeg naar den naam van een berg, welks top ver in het noorden werd gezien, zou zijn moeder kunnen antwoorden: “Dit is de berg Olympus. Op zijn top is het schoonste paleis, dat men zich kan voorstellen. Het is gebouwd van witte, rooskleurige en gouden wolken, en het is de woonplaats van Zeus, den Koning der Goden. Dikwijls ontbiedt hij de andere goden naar zijn paleis; en dan gaan zij op reis van de aarde, het water en de onderwereld, en komen samen in de groote zaal van het paleis. Daar worden zij gespijzigd met ambrosia en drinken zij nectar, de Muzen zingen en Apollo tokkelt de lier. Als de zon ondergaat, verlaten zij weder het paleis door de uit wolken bestaande poorten en keeren zij naar hun woningen terug. De zon is een schitterende gouden wagen. Apollo ment dien wagen iederen morgen hoog in de lucht naar boven, en iederen avond weer naar beneden. Hij schittert in het schelste licht door de fonkelende diamanten, waarmede hij bezet is, en het is daardoor, dat de zon uw oogen verblindt, wanneer gij er in wilt zien.”Zeus, de Koning der GodenZeus, de Koning der Goden“Ik zou den wagen wel willen mennen” zou misschien de jeugdige Grieksche knaap hebben geantwoord; en dan zou zijn moeder hem kunnen vertellen van den tijd, toen eens een jeugdige knaap den zonnewagen wilde mennen, en van het lot, dat hij toen onderging.Apollo in zijn Zonnewagen.Apollo in zijn Zonnewagen.“Hij werd geacht de zoon van Apollo te zijn,”zoo luidde het verhaal, “en hij heette Phaëthon. Op zekeren dag werd een speelmakker boos op hem en riep uit “Gij zijt van lage afkomst! Het is niet waar, dat gij de zoon van Apollo zijt!” Phaëthon antwoordde met geen enkel woord, maar vertrok onmiddellijk naar het uiteinde van Indië, en liep stoutmoedig naar het paleis van Apollo. De zoldering was van ivoor en de deuren waren van zilver. Aan het andere uiteinde der lange zaal stond een troon, die schitterde en glinsterde en licht verspreidde als de zonnestralen, die fonkelden in het water. Op dien troon zat de Zonnegod zelf. Deze droeg een karmozijnkleurig kleed, en op zijn hoofd droeg hij een kroon, gemaakt van lange stralen van gouden licht, die nog veel schitterender flikkerde en lichtte dan de zon op het midden van den dag. Phaëthon doorschreed de geheele lengte der zaal en stond voor den troon. Apollo zag vriendelijk op hem neder en zeide: “Zeg mij wie gij zijt, en waarom gij mij hebt opgezocht.” Daarop vertelde hem de knaap, hoe zijn speelmakker hem had gehoond, door te zeggen, dat hij geen kind van Apollo was. “En ik ben gekomen” zeide hij “om u te smeeken, dat gij, als ik werkelijkuw zoon ben, mij eenig bewijs daarvan zult willen geven.”De Raad der Goden, Zeus is op den troon gezeten.De Raad der Goden, Zeus is op den troon gezeten.Apollo had schik in den moed van den knaap. Hij sloeg zijn armen om den nek van Phaëthon en sprak: “Gij zijt werkelijk mijn zoon, en om u dit te bewijzen, zal ik u alles schenken, wat gij maar vraagt.” De jonge knaap vroeg nu in zijn onverstand, dat het hem zou worden toegestaan, één enkelen dag den vurigen wagen te mogen mennen. Apollo keek zeer ernstig. “Zelfs de andere goden kunnen dat niet doen,”zoo sprak hij. “Zeus zelf zou het niet durven beproeven. Ik bid u, vraag een ander geschenk.” Maar Phaëthon had nu eenmaal zijn zinnen gezet op de vervulling van dien éénen wensch; en daar Apollo zijn woord had gegeven, moest hij toegeven. De stijfhoofdige knaap sprong in den wagen en greep de teugels. Aurora wierp de oostelijke poort open, die glinsterde van purper, karmozijnrood en goud, en de paarden galoppeerden het pad op door de lucht. Iedereen kon gissen, wat moest gebeuren. De vermetele knaap zou even gemakkelijk een storm hebben kunnenin bedwang houden als die vurige paarden. Hij kon ze niet langs den voortgeschreven weg leiden, en daardoor renden zij wild door de lucht, nu eens in de ééne, dan weer in de andere richting. De lichte vracht van den wagenmenner beteekende voor hen niets, en de wagen werd heen en weer geslingerd als een schip in den storm. Phaëthon durfde niet naar beneden te zien, want hij vreesde duizelig te worden, daar de aarde zoo diep onder hem lag. Hij durfde niet naar boven te zien, daar de hemel zoo vol monsters was, zooals de Groote Beer, de Kleine Beer, de Slang en de Schorpioen. Hij liet de teugels glippen, en de paarden vlogen nog woester vooruit dan te voren. De vurige wagen bewoog zich slingerend hoe langer hoe dichter naar de aarde toe. De bergen begonnen te rooken, de rivieren trachtten zich in het zand te verbergen, de Oceaan slonk tot een meer, steden verbrandden tot asch. “Help mij, help mij, vader Zeus!” riep de Aarde. Daarna slingerde Zeus zijn bliksemflitsen naar Phaëthon, en hij viel van den wagen neer in denEridanus-Vloed. Zijn zusters stonden aan den oever en weenden om hem, en langzamerhand werden zij veranderd in populieren; en zelfs nog heden ten dage, kunt gij, als gij naar de populieren luistert, ze zacht en droevig samen hooren fluisteren over het lot van haar verongelukten broeder Phaëthon.”Hera, de echtgenoote van Zeus.Hera, de echtgenoote van Zeus.Zoo ontwikkelde zich het ééne verhaal uit het andere, zoodat men zich er over moet verbazen, dat de vertellers ooit tot een einde kwamen. Als de Grieksche jongens en meisjes vroegen, wie de dikke muren gemaakt hadden, die reeds in die tijden eeuwen oud waren en uit reusachtige steenen warensamengesteld, luidde het antwoord: “de Cyclopen”; en dan volgde er een onafgebroken reeks van verhalen over die wonderlijke éénoogige reuzen. “Maar waar komen wij zelf van daan?” vroeg een kind wel eens, en dan werd ook daarover een merkwaardig verhaal medegedeeld. “In vroegere dagen was het volk op aarde zeer misdadig,”zoo luidde het verhaal, “en daarom zond Zeus een ontzaglijken vloed, om hen te verdelgen. Alleen Deucalion en zijn vrouw Pyrrha waren deugdzaam, en daarom beloofde Zeus, dat zij gered zouden worden. Nadat de vloed verdwenen was en alle andere stervelingen waren verdronken, waren Deucalion en Pyrrha eenzaam achtergebleven. “Laat ons de goden bidden, om menschen op aarde te zenden,”zoo spraken zij; en zij gingen op weg naar een tempel, die nog was blijven staan. Er was geen priester meer, geen vuur brandde meer op het altaar, en de grond was bedekt met modder en steenen en met afval, dat door den vloed was binnengespoeld. Door die hindernissen heen drongen Deucalion en Pyrrha voort naar het altaar en baden, dat de aarde weder mocht worden bevolkt. Zij kregen het volgende antwoord: “Vertrekt van den tempel en werpt de beenderen uwer moeder achter u weg.”“De overblijfselen van onze ouders ontheiligen!” riep Pyrrha vol ontzetting uit: “laten wij liever eeuwig alleen blijven dan dat te doen.”Deucalion bewaarde het stilzwijgen, maar ten slotte zeide hij, in nadenken verzonken: “De aarde is ons aller moeder, en de steenen zouden de beenderen der aarde kunnen worden genoemd. Ik geloof, dat het bevel beteekent, dat wij steenen moeten oprapen en achter onze hoofden moeten werpen. In ieder geval kunnen wij het beproeven en zien wat er zal gebeuren.”Zoo deden zij, en spoedig waren zij niet langer alleen, immers uit iederen steen, die door Deucalion geworpen werd, ontstond een man, en uit iederen steen, door Pyrrha geworpen, ontstond een vrouw. Een der zonen van het echtpaarheette Hellen, en wij, Hellenen, stammen allen van hem af. Hellen had twee zonen en twee kleinzonen. De namen der zonen waren Aeolus en Dorus, die der kleinzonen waren Ion en Achaeus. Dit is de reden, dat wij Hellenen uit vier verschillende volksstammen bestaan—de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs. De andere volkeren zijn barbaren; hun geheele taal is “baba”, en niemand kan hen verstaan.”Theseus voor Koning Minos.Theseus voor Koning Minos.Theseus doodt den Minotaurus.Theseus doodt den Minotaurus.Er waren bijna evenveel verhalen omtrent helden als omtrent goden. De helden waren mannen, die de ééne of andere daad van groote dapperheid hadden verricht. Gewoonlijkwaren zij de zonen van een god of godin en van een sterfelijk wezen. Bijna iedere stad van Griekenland, hoe klein ook, had haar held. De lievelingsheld van Athene bij voorbeeld was Theseus; en ieder Athener, hoe jong ook, kende de geschiedenis van zijn bewonderenswaardige heldendaden en kon verhalen van de oude tijden, toen Athene jaarlijks zeven dappere jongelingen en zeven schoone maagden naar het eiland Creta moest zenden om verslonden te worden door den Minotaurus, een afschuwlijk monster met het lichaam van een man en den kop van een stier. Ten slotte drong Theseus, de zoon van Koning Aegeus, er op aan, dat hij zou gekozen worden als één der zeven jongelingen; en hij verliet Athene in het schip met zwarte zeilen, dat de met schrik vervulde jongelingen en meisjes hun afschuwlijk noodlot zou tegemoet voeren. Theseus had niet het minste plan zich door den Minotaurus of eenig ander monster te laten verslinden, als hij dat door hardnekkig vechten kon verhinderen. Hij was vast besloten het monster te dooden en zijn vrienden te redden of zelf te bezwijken; zoodra dus het schip Creta bereikte en de jongelingen en meisjes voor den koning werden gebracht, ging hij aan het hoofd van de slachtoffers staan en zeide: “Koning Minos, ik verzoek het voorrecht te mogen hebben, het eerst den Minotaurus tegemoet te gaan. Ik ben een vorst, en het is mijn recht de leidsman en aanvoerder van mijn volk te zijn.”Koning Minos lachte onaangenaam en op smadelijke wijze, en zeide: “Ga, als gij wilt, gerust het eerst, en ik zal er op letten, dat de deelgenooten van uw lot u volgen; gij kunt daarop rekenen.”Theseus was een dapper strijder, en zou ongetwijfeld nooit het monster uit den weg zijn gegaan; maar het is een andere vraag, of hij ooit in staat zou geweest zijn, het monster te dooden, als hij niet onverwachts hulp had gekregen. Op ééne of andere wijze was hij in kennis gekomen met Ariadne, de schoone dochter van den koning, en zij waren in liefde voor elkander ontstoken. Gelukkig voor hem wist Ariadne, waar zij een zwaard kon vinden, dat in de handen van een dapper man den monsterachtigen kop van den Minotaurus kon afslaan; maar er was nog een tweede gevaar te overwinnen, dat zelfs nog verschrikkelijker en verontrustender was dan een ontmoeting met het monster, en dat was de doolhof, waarin de Minotaurus huisde. Die doolhof was vervaardigd door een hoogst bekwaam bouwmeester, Daedalus genaamd, en was zóó vernuftig aangelegd met zijn dwaalwegen en krommingen en wendingen en kronkelingen, dat niemand, die er eenmaal was binnengedrongen, den weg naar buiten kon terugvinden. Zelfs geen tooverwapen kon daar van eenigen dienst zijn; maar het heldere vernuft van Ariadne zelf was heel wat beter dan eenig zwaard. “Pak het ééne uiteinde van dit zijden touw stevig vast,”zoo sprak zij tot Theseus, “en ik zal het kluwen vasthouden, terwijl het wordt afgewikkeld. Wanneer gij daarna den terugtocht aanvaardt, moet gij het koord weer opwinden, en het zal u recht naar mij terugvoeren.” Het geschiedde volkomen, zooals zij hadden afgesproken. Theseus doodde het monster, daarna volgde hij het zijden kluwen, totdat het hem naar Ariadne terugleidde. Daarna zeilde hij met de prinses en de Atheensche jongelingen en meisjes snel naar Athene terug; en nooit meer behoefden de Atheners de vreeselijke schatting te betalen.Minos zelf was één van de helden der Grieken, hoewel hij een zoo ijselijk monster hield als den Minotaurus, dat zich voedde met de lichamen van ongelukkige jongelingen en maagden; en er zijn een aantal legenden, die getuigenis aflegdenvan de verstandige wetten, die hij uitvaardigde. Ook vertelden de Grieken veel van de groote gevaren, waaraan zeelieden blootstonden van de zijde van zeeroovers, en van de wijze, hoe koning Minos die zeeroovers volkomen had uitgeroeid. “Hij was een machtig koning,”zoo zeiden zij,“en daarbij was hij zóó rechtvaardig, dat het niet te verwonderen is, dat hij na zijn dood werd aangesteld tot één der rechters van de onderwereld.”Koning Minos was de zoon van Zeus en Europa. Er is een verhaal, dat Europa, toen zij nog een klein meisje was, eens aan het spelen was op een weide, die rijk voorzien was van bloemen. Een prachtige witte stier verscheen, en het eerste oogenblik was zij daardoor verschrikt; maar de stier was zóó vriendelijk speelsch, dat zij al haar angst vergat. Zij hing bloemkransen om zijn nek en sprong eindelijk op zijn rug. Plotseling draaide de stier om, holde in vliegende vaart naar het strand en sprong in het water. Hij zwom ver weg tot aan het eiland Creta. Daarna hernam hij zijn vroegeren vorm, en de jeugdige Europa ontdekte toen, dat zij gespeeld had met den Koning der Goden, en dat hij haar had geschaakt en haar naar dat eiland had gevoerd, dat ver over de zee gelegen was, omdat hij haar zoo innig lief had.Een andere held, die volstrekt niet minder beroemd was dan Theseus, heette Oedipus. Hij woonde in Thebe, en juist buiten Thebe was een monster, dat niet minder ontzagwekkend en afgrijselijk was dan de Minotaurus. Het heette de Sphinx. Het had het hoofd van een vrouw en het lichaam van een leeuw. Het lag op een hoogte ter zijde van den weg, en zoodra het een reiziger in het gezicht kreeg, kwam het niet voor den dag om een eerlijken strijd te leveren, maar gaf het den reiziger een raadsel op, en als deze het antwoord niet kon raden, sprong het monster op hem af en verslond het hem. Het raadsel luidde: “Welk dier loopt des morgens op vier voeten, des middags op twee, en des avonds op drie”? Niemand had het ooit opgelost;maar toen Oedipus het hoorde, zeide hij kalm: “Het is de mensch, die in zijn kindertijd op handen en voeten kruipt, op den mannelijken leeftijd rechtop loopt, en in den ouderdom met behulp van een stok loopt.” De Sphinx was zóó vertoornd dat het raadsel was opgelost, dat hij zich van de rots neerwierp en op die wijze omkwam.De Driekoppige Hond Cerberus.De Driekoppige Hond Cerberus.(Van een bronzen standbeeld).Misschien de allerberoemdste van alle Grieksche helden was Heracles, die reeds een held begon te zijn, toen hij nog een zuigeling was van acht maanden. Twee vurige slangen waren door één der godinnen op hem afgezonden om hem te dooden; maar het kind stak zijn kleine armpjes uit over den rand van zijn wieg, greep in iedere hand een slang en drukte ze dood. Dit was voldoende, om zijn roem te vestigen, maar het was slechts de geringste van de heldendaden van Heracles. Op zekeren dag kwam een bevel van Zeus tot hem: “Ga naar koning Eurystheus en gehoorzaam gedurende twaalf jaar aan ieder bevel, dat hij u geeft.”Eurystheus nu was een vijand van Heracles, en zelfs een zoo stoutmoedige held als Heracles mocht wel angstig zijn, nu hij twaalf lange jaren in zijn macht moest staan. Heracles echter trok moedig naar het rijk van Eurystheus. Hij was goed gewapend, immers hij was een gunsteling der goden, en verscheidenen van hen hadden hem geschenken gegeven. Apollo had hem een boog en Hermes een zwaard gegeven. Hephaestus, de manke god, die alle mogelijke voorwerpen van metaal kon vervaardigen, had een gouden borstharnas voor hem vervaardigd. Poseidon, de beheerscher van het gebied van den oceaan, had hem een span paarden geschonken; en Athene, de godin der wijsheid en de meest bekwame weefster op de geheele wereld, had een kleed voor hem geweven. Spoedig bereikte hij Mycene, envertelde hij aan koning Eurystheus, dat hij bereid was zijn wil te gehoorzamen. Eurystheus wist, dat zijn rijk van rechtswege aan Heracles toekwam, en daarom zond hij hem telkens weg, om hem aan de meest gevaarlijke avonturen bloot te stellen, waarvan hij kennis kon krijgen, in de hoop dat Heracles bij één van die avonturen gedood zou worden. Het allereerst zeide hij: “Ga naar het Nemeïsche woud, en dood den monsterachtigen leeuw, die mijn rijk verwoest.”Heracles begaf zich naar het bosch, en keerde spoedig terug met de huid van den leeuw over zijn schouders. De koning was zóó verbaasd, toen hij ontdekte, hoe sterk Heracles was, en zóó bevreesd, dat deze zijn kracht tegen hem zou gebruiken, dat hij een klein vertrek onder den grond als schuilplaats liet graven en de muren bedekte met zware koperen platen.Hij zond Heracles op andere avonturen uit, en dacht iederen keer, dat het nu wel de laatste maal zou zijn, dat hij hem te zien kreeg, en zoo dikwijls dan ook het volk begon te schreeuwen: “De held komt daar aan, Koning Eurystheus! Heracles is bijna hier!” sloop de teleurgestelde koning weg, om zich in zijn onderaardsche kamer te verbergen. Hij eischte twaalf heldendaden of werken van Heracles; maar ten slotte waren zij alle volbracht. De held had een hert met gouden horens, een woest wild zwijn en een woedenden wilden stier gevangen, en die medegesleept naar de poorten van Mycene. Hij had alle mogelijke soorten van monsters gedood, één met zes pooten en een ander met negen koppen, zóó geschapen, dat indien één der koppen was afgesneden, er twee voor in de plaats groeiden; en hij had uit de onderwereld een driekoppigen hond gehaald met den staart van een draak, om niet te spreken van andere ondernemingen, als het dooden van een zwerm wilde vogels, die mannen en dieren verslonden, en het dragen van de zuilen des hemels in den tijd dat Atlas, wiens taak dit was, eenige gouden appels voor hem haalde uit den tuin der Hesperiden.Waarlijk, hij verdiende wel de belooning, hem door Zeus gegeven, om naar den hemel te worden overgebracht en onder de goden te worden geplaatst.Eurystheus vervolgde de kinderen van Heracles en verjoeg ze uit het rijk. Hij voerde zelfs oorlog tegen Athene, omdat die stad ze had opgenomen. In dien oorlog werd hij gedood; en toen viel het koninkrijk ten deel aan Hyllus, den oudsten zoon van Heracles; dat wil zeggen, het zou hem toebehooren, als hij er bezit van kon nemen. Het scheen, alsof er heel wat bloedig moest worden gestreden, voordat de zaak geregeld kon worden; maar ten slotte kwamen beide partijen overeen, dat Hyllus en de kampioen onder zijn vijanden in een tweegevecht elkander zouden ontmoeten.Indien Hyllus de overwinning behaalde, moest hij het koninkrijk verkrijgen; maar indien de kampioen den strijd won, moesten Hyllus en zijn vrienden honderd jaar lang wachten, voordat zij weer zouden mogen trachten zich meester te maken van de kroon. Al de manschappen van beide partijen wachtten verlangend den uitslag af; maar spoedig waren de zonen van Hyllus van groote droefheid vervuld, daar Hyllus gedood werd. Zij hielden getrouw hun belofte, immers noch zij, noch hun kinderen of kleinkinderen, deden een enkele poging om het koninkrijk te bemachtigen. Eindelijk echter was er aan het tijdperk van honderd jaar een einde gekomen, en de drie achterkleinzoons van Hyllus, of, zooals zij genoemd werden, de Heracliden, trokken er met hun vrienden op uit, om de landen te herwinnen, die oorspronkelijk aan hun geslacht hadden toebehoord. Toen was de fortuin hun gunstig, en hun tocht wordt genoemd de terugkeer der Heracliden.

Het moet voor de knapen en meisjes, die voor drieduizend jaar in Griekenland leefden, een bijzonder genot geweest zijn, dat zoovele van de vragen, door hen gedaan omtrent natuurverschijnselen of omtrent aardrijkskundige benamingen, met een boeiend verhaal of een pakkende mededeeling konden worden beantwoord. Indien bij voorbeeld een jongen vroeg naar den naam van een berg, welks top ver in het noorden werd gezien, zou zijn moeder kunnen antwoorden: “Dit is de berg Olympus. Op zijn top is het schoonste paleis, dat men zich kan voorstellen. Het is gebouwd van witte, rooskleurige en gouden wolken, en het is de woonplaats van Zeus, den Koning der Goden. Dikwijls ontbiedt hij de andere goden naar zijn paleis; en dan gaan zij op reis van de aarde, het water en de onderwereld, en komen samen in de groote zaal van het paleis. Daar worden zij gespijzigd met ambrosia en drinken zij nectar, de Muzen zingen en Apollo tokkelt de lier. Als de zon ondergaat, verlaten zij weder het paleis door de uit wolken bestaande poorten en keeren zij naar hun woningen terug. De zon is een schitterende gouden wagen. Apollo ment dien wagen iederen morgen hoog in de lucht naar boven, en iederen avond weer naar beneden. Hij schittert in het schelste licht door de fonkelende diamanten, waarmede hij bezet is, en het is daardoor, dat de zon uw oogen verblindt, wanneer gij er in wilt zien.”

Zeus, de Koning der GodenZeus, de Koning der Goden

Zeus, de Koning der Goden

“Ik zou den wagen wel willen mennen” zou misschien de jeugdige Grieksche knaap hebben geantwoord; en dan zou zijn moeder hem kunnen vertellen van den tijd, toen eens een jeugdige knaap den zonnewagen wilde mennen, en van het lot, dat hij toen onderging.

Apollo in zijn Zonnewagen.Apollo in zijn Zonnewagen.

Apollo in zijn Zonnewagen.

“Hij werd geacht de zoon van Apollo te zijn,”zoo luidde het verhaal, “en hij heette Phaëthon. Op zekeren dag werd een speelmakker boos op hem en riep uit “Gij zijt van lage afkomst! Het is niet waar, dat gij de zoon van Apollo zijt!” Phaëthon antwoordde met geen enkel woord, maar vertrok onmiddellijk naar het uiteinde van Indië, en liep stoutmoedig naar het paleis van Apollo. De zoldering was van ivoor en de deuren waren van zilver. Aan het andere uiteinde der lange zaal stond een troon, die schitterde en glinsterde en licht verspreidde als de zonnestralen, die fonkelden in het water. Op dien troon zat de Zonnegod zelf. Deze droeg een karmozijnkleurig kleed, en op zijn hoofd droeg hij een kroon, gemaakt van lange stralen van gouden licht, die nog veel schitterender flikkerde en lichtte dan de zon op het midden van den dag. Phaëthon doorschreed de geheele lengte der zaal en stond voor den troon. Apollo zag vriendelijk op hem neder en zeide: “Zeg mij wie gij zijt, en waarom gij mij hebt opgezocht.” Daarop vertelde hem de knaap, hoe zijn speelmakker hem had gehoond, door te zeggen, dat hij geen kind van Apollo was. “En ik ben gekomen” zeide hij “om u te smeeken, dat gij, als ik werkelijkuw zoon ben, mij eenig bewijs daarvan zult willen geven.”

De Raad der Goden, Zeus is op den troon gezeten.De Raad der Goden, Zeus is op den troon gezeten.

De Raad der Goden, Zeus is op den troon gezeten.

Apollo had schik in den moed van den knaap. Hij sloeg zijn armen om den nek van Phaëthon en sprak: “Gij zijt werkelijk mijn zoon, en om u dit te bewijzen, zal ik u alles schenken, wat gij maar vraagt.” De jonge knaap vroeg nu in zijn onverstand, dat het hem zou worden toegestaan, één enkelen dag den vurigen wagen te mogen mennen. Apollo keek zeer ernstig. “Zelfs de andere goden kunnen dat niet doen,”zoo sprak hij. “Zeus zelf zou het niet durven beproeven. Ik bid u, vraag een ander geschenk.” Maar Phaëthon had nu eenmaal zijn zinnen gezet op de vervulling van dien éénen wensch; en daar Apollo zijn woord had gegeven, moest hij toegeven. De stijfhoofdige knaap sprong in den wagen en greep de teugels. Aurora wierp de oostelijke poort open, die glinsterde van purper, karmozijnrood en goud, en de paarden galoppeerden het pad op door de lucht. Iedereen kon gissen, wat moest gebeuren. De vermetele knaap zou even gemakkelijk een storm hebben kunnenin bedwang houden als die vurige paarden. Hij kon ze niet langs den voortgeschreven weg leiden, en daardoor renden zij wild door de lucht, nu eens in de ééne, dan weer in de andere richting. De lichte vracht van den wagenmenner beteekende voor hen niets, en de wagen werd heen en weer geslingerd als een schip in den storm. Phaëthon durfde niet naar beneden te zien, want hij vreesde duizelig te worden, daar de aarde zoo diep onder hem lag. Hij durfde niet naar boven te zien, daar de hemel zoo vol monsters was, zooals de Groote Beer, de Kleine Beer, de Slang en de Schorpioen. Hij liet de teugels glippen, en de paarden vlogen nog woester vooruit dan te voren. De vurige wagen bewoog zich slingerend hoe langer hoe dichter naar de aarde toe. De bergen begonnen te rooken, de rivieren trachtten zich in het zand te verbergen, de Oceaan slonk tot een meer, steden verbrandden tot asch. “Help mij, help mij, vader Zeus!” riep de Aarde. Daarna slingerde Zeus zijn bliksemflitsen naar Phaëthon, en hij viel van den wagen neer in denEridanus-Vloed. Zijn zusters stonden aan den oever en weenden om hem, en langzamerhand werden zij veranderd in populieren; en zelfs nog heden ten dage, kunt gij, als gij naar de populieren luistert, ze zacht en droevig samen hooren fluisteren over het lot van haar verongelukten broeder Phaëthon.”

Hera, de echtgenoote van Zeus.Hera, de echtgenoote van Zeus.

Hera, de echtgenoote van Zeus.

Zoo ontwikkelde zich het ééne verhaal uit het andere, zoodat men zich er over moet verbazen, dat de vertellers ooit tot een einde kwamen. Als de Grieksche jongens en meisjes vroegen, wie de dikke muren gemaakt hadden, die reeds in die tijden eeuwen oud waren en uit reusachtige steenen warensamengesteld, luidde het antwoord: “de Cyclopen”; en dan volgde er een onafgebroken reeks van verhalen over die wonderlijke éénoogige reuzen. “Maar waar komen wij zelf van daan?” vroeg een kind wel eens, en dan werd ook daarover een merkwaardig verhaal medegedeeld. “In vroegere dagen was het volk op aarde zeer misdadig,”zoo luidde het verhaal, “en daarom zond Zeus een ontzaglijken vloed, om hen te verdelgen. Alleen Deucalion en zijn vrouw Pyrrha waren deugdzaam, en daarom beloofde Zeus, dat zij gered zouden worden. Nadat de vloed verdwenen was en alle andere stervelingen waren verdronken, waren Deucalion en Pyrrha eenzaam achtergebleven. “Laat ons de goden bidden, om menschen op aarde te zenden,”zoo spraken zij; en zij gingen op weg naar een tempel, die nog was blijven staan. Er was geen priester meer, geen vuur brandde meer op het altaar, en de grond was bedekt met modder en steenen en met afval, dat door den vloed was binnengespoeld. Door die hindernissen heen drongen Deucalion en Pyrrha voort naar het altaar en baden, dat de aarde weder mocht worden bevolkt. Zij kregen het volgende antwoord: “Vertrekt van den tempel en werpt de beenderen uwer moeder achter u weg.”“De overblijfselen van onze ouders ontheiligen!” riep Pyrrha vol ontzetting uit: “laten wij liever eeuwig alleen blijven dan dat te doen.”Deucalion bewaarde het stilzwijgen, maar ten slotte zeide hij, in nadenken verzonken: “De aarde is ons aller moeder, en de steenen zouden de beenderen der aarde kunnen worden genoemd. Ik geloof, dat het bevel beteekent, dat wij steenen moeten oprapen en achter onze hoofden moeten werpen. In ieder geval kunnen wij het beproeven en zien wat er zal gebeuren.”Zoo deden zij, en spoedig waren zij niet langer alleen, immers uit iederen steen, die door Deucalion geworpen werd, ontstond een man, en uit iederen steen, door Pyrrha geworpen, ontstond een vrouw. Een der zonen van het echtpaarheette Hellen, en wij, Hellenen, stammen allen van hem af. Hellen had twee zonen en twee kleinzonen. De namen der zonen waren Aeolus en Dorus, die der kleinzonen waren Ion en Achaeus. Dit is de reden, dat wij Hellenen uit vier verschillende volksstammen bestaan—de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs. De andere volkeren zijn barbaren; hun geheele taal is “baba”, en niemand kan hen verstaan.”

Theseus voor Koning Minos.Theseus voor Koning Minos.

Theseus voor Koning Minos.

Theseus doodt den Minotaurus.Theseus doodt den Minotaurus.

Theseus doodt den Minotaurus.

Er waren bijna evenveel verhalen omtrent helden als omtrent goden. De helden waren mannen, die de ééne of andere daad van groote dapperheid hadden verricht. Gewoonlijkwaren zij de zonen van een god of godin en van een sterfelijk wezen. Bijna iedere stad van Griekenland, hoe klein ook, had haar held. De lievelingsheld van Athene bij voorbeeld was Theseus; en ieder Athener, hoe jong ook, kende de geschiedenis van zijn bewonderenswaardige heldendaden en kon verhalen van de oude tijden, toen Athene jaarlijks zeven dappere jongelingen en zeven schoone maagden naar het eiland Creta moest zenden om verslonden te worden door den Minotaurus, een afschuwlijk monster met het lichaam van een man en den kop van een stier. Ten slotte drong Theseus, de zoon van Koning Aegeus, er op aan, dat hij zou gekozen worden als één der zeven jongelingen; en hij verliet Athene in het schip met zwarte zeilen, dat de met schrik vervulde jongelingen en meisjes hun afschuwlijk noodlot zou tegemoet voeren. Theseus had niet het minste plan zich door den Minotaurus of eenig ander monster te laten verslinden, als hij dat door hardnekkig vechten kon verhinderen. Hij was vast besloten het monster te dooden en zijn vrienden te redden of zelf te bezwijken; zoodra dus het schip Creta bereikte en de jongelingen en meisjes voor den koning werden gebracht, ging hij aan het hoofd van de slachtoffers staan en zeide: “Koning Minos, ik verzoek het voorrecht te mogen hebben, het eerst den Minotaurus tegemoet te gaan. Ik ben een vorst, en het is mijn recht de leidsman en aanvoerder van mijn volk te zijn.”Koning Minos lachte onaangenaam en op smadelijke wijze, en zeide: “Ga, als gij wilt, gerust het eerst, en ik zal er op letten, dat de deelgenooten van uw lot u volgen; gij kunt daarop rekenen.”

Theseus was een dapper strijder, en zou ongetwijfeld nooit het monster uit den weg zijn gegaan; maar het is een andere vraag, of hij ooit in staat zou geweest zijn, het monster te dooden, als hij niet onverwachts hulp had gekregen. Op ééne of andere wijze was hij in kennis gekomen met Ariadne, de schoone dochter van den koning, en zij waren in liefde voor elkander ontstoken. Gelukkig voor hem wist Ariadne, waar zij een zwaard kon vinden, dat in de handen van een dapper man den monsterachtigen kop van den Minotaurus kon afslaan; maar er was nog een tweede gevaar te overwinnen, dat zelfs nog verschrikkelijker en verontrustender was dan een ontmoeting met het monster, en dat was de doolhof, waarin de Minotaurus huisde. Die doolhof was vervaardigd door een hoogst bekwaam bouwmeester, Daedalus genaamd, en was zóó vernuftig aangelegd met zijn dwaalwegen en krommingen en wendingen en kronkelingen, dat niemand, die er eenmaal was binnengedrongen, den weg naar buiten kon terugvinden. Zelfs geen tooverwapen kon daar van eenigen dienst zijn; maar het heldere vernuft van Ariadne zelf was heel wat beter dan eenig zwaard. “Pak het ééne uiteinde van dit zijden touw stevig vast,”zoo sprak zij tot Theseus, “en ik zal het kluwen vasthouden, terwijl het wordt afgewikkeld. Wanneer gij daarna den terugtocht aanvaardt, moet gij het koord weer opwinden, en het zal u recht naar mij terugvoeren.” Het geschiedde volkomen, zooals zij hadden afgesproken. Theseus doodde het monster, daarna volgde hij het zijden kluwen, totdat het hem naar Ariadne terugleidde. Daarna zeilde hij met de prinses en de Atheensche jongelingen en meisjes snel naar Athene terug; en nooit meer behoefden de Atheners de vreeselijke schatting te betalen.

Minos zelf was één van de helden der Grieken, hoewel hij een zoo ijselijk monster hield als den Minotaurus, dat zich voedde met de lichamen van ongelukkige jongelingen en maagden; en er zijn een aantal legenden, die getuigenis aflegdenvan de verstandige wetten, die hij uitvaardigde. Ook vertelden de Grieken veel van de groote gevaren, waaraan zeelieden blootstonden van de zijde van zeeroovers, en van de wijze, hoe koning Minos die zeeroovers volkomen had uitgeroeid. “Hij was een machtig koning,”zoo zeiden zij,“en daarbij was hij zóó rechtvaardig, dat het niet te verwonderen is, dat hij na zijn dood werd aangesteld tot één der rechters van de onderwereld.”

Koning Minos was de zoon van Zeus en Europa. Er is een verhaal, dat Europa, toen zij nog een klein meisje was, eens aan het spelen was op een weide, die rijk voorzien was van bloemen. Een prachtige witte stier verscheen, en het eerste oogenblik was zij daardoor verschrikt; maar de stier was zóó vriendelijk speelsch, dat zij al haar angst vergat. Zij hing bloemkransen om zijn nek en sprong eindelijk op zijn rug. Plotseling draaide de stier om, holde in vliegende vaart naar het strand en sprong in het water. Hij zwom ver weg tot aan het eiland Creta. Daarna hernam hij zijn vroegeren vorm, en de jeugdige Europa ontdekte toen, dat zij gespeeld had met den Koning der Goden, en dat hij haar had geschaakt en haar naar dat eiland had gevoerd, dat ver over de zee gelegen was, omdat hij haar zoo innig lief had.

Een andere held, die volstrekt niet minder beroemd was dan Theseus, heette Oedipus. Hij woonde in Thebe, en juist buiten Thebe was een monster, dat niet minder ontzagwekkend en afgrijselijk was dan de Minotaurus. Het heette de Sphinx. Het had het hoofd van een vrouw en het lichaam van een leeuw. Het lag op een hoogte ter zijde van den weg, en zoodra het een reiziger in het gezicht kreeg, kwam het niet voor den dag om een eerlijken strijd te leveren, maar gaf het den reiziger een raadsel op, en als deze het antwoord niet kon raden, sprong het monster op hem af en verslond het hem. Het raadsel luidde: “Welk dier loopt des morgens op vier voeten, des middags op twee, en des avonds op drie”? Niemand had het ooit opgelost;maar toen Oedipus het hoorde, zeide hij kalm: “Het is de mensch, die in zijn kindertijd op handen en voeten kruipt, op den mannelijken leeftijd rechtop loopt, en in den ouderdom met behulp van een stok loopt.” De Sphinx was zóó vertoornd dat het raadsel was opgelost, dat hij zich van de rots neerwierp en op die wijze omkwam.

De Driekoppige Hond Cerberus.De Driekoppige Hond Cerberus.(Van een bronzen standbeeld).

De Driekoppige Hond Cerberus.

(Van een bronzen standbeeld).

Misschien de allerberoemdste van alle Grieksche helden was Heracles, die reeds een held begon te zijn, toen hij nog een zuigeling was van acht maanden. Twee vurige slangen waren door één der godinnen op hem afgezonden om hem te dooden; maar het kind stak zijn kleine armpjes uit over den rand van zijn wieg, greep in iedere hand een slang en drukte ze dood. Dit was voldoende, om zijn roem te vestigen, maar het was slechts de geringste van de heldendaden van Heracles. Op zekeren dag kwam een bevel van Zeus tot hem: “Ga naar koning Eurystheus en gehoorzaam gedurende twaalf jaar aan ieder bevel, dat hij u geeft.”Eurystheus nu was een vijand van Heracles, en zelfs een zoo stoutmoedige held als Heracles mocht wel angstig zijn, nu hij twaalf lange jaren in zijn macht moest staan. Heracles echter trok moedig naar het rijk van Eurystheus. Hij was goed gewapend, immers hij was een gunsteling der goden, en verscheidenen van hen hadden hem geschenken gegeven. Apollo had hem een boog en Hermes een zwaard gegeven. Hephaestus, de manke god, die alle mogelijke voorwerpen van metaal kon vervaardigen, had een gouden borstharnas voor hem vervaardigd. Poseidon, de beheerscher van het gebied van den oceaan, had hem een span paarden geschonken; en Athene, de godin der wijsheid en de meest bekwame weefster op de geheele wereld, had een kleed voor hem geweven. Spoedig bereikte hij Mycene, envertelde hij aan koning Eurystheus, dat hij bereid was zijn wil te gehoorzamen. Eurystheus wist, dat zijn rijk van rechtswege aan Heracles toekwam, en daarom zond hij hem telkens weg, om hem aan de meest gevaarlijke avonturen bloot te stellen, waarvan hij kennis kon krijgen, in de hoop dat Heracles bij één van die avonturen gedood zou worden. Het allereerst zeide hij: “Ga naar het Nemeïsche woud, en dood den monsterachtigen leeuw, die mijn rijk verwoest.”Heracles begaf zich naar het bosch, en keerde spoedig terug met de huid van den leeuw over zijn schouders. De koning was zóó verbaasd, toen hij ontdekte, hoe sterk Heracles was, en zóó bevreesd, dat deze zijn kracht tegen hem zou gebruiken, dat hij een klein vertrek onder den grond als schuilplaats liet graven en de muren bedekte met zware koperen platen.

Hij zond Heracles op andere avonturen uit, en dacht iederen keer, dat het nu wel de laatste maal zou zijn, dat hij hem te zien kreeg, en zoo dikwijls dan ook het volk begon te schreeuwen: “De held komt daar aan, Koning Eurystheus! Heracles is bijna hier!” sloop de teleurgestelde koning weg, om zich in zijn onderaardsche kamer te verbergen. Hij eischte twaalf heldendaden of werken van Heracles; maar ten slotte waren zij alle volbracht. De held had een hert met gouden horens, een woest wild zwijn en een woedenden wilden stier gevangen, en die medegesleept naar de poorten van Mycene. Hij had alle mogelijke soorten van monsters gedood, één met zes pooten en een ander met negen koppen, zóó geschapen, dat indien één der koppen was afgesneden, er twee voor in de plaats groeiden; en hij had uit de onderwereld een driekoppigen hond gehaald met den staart van een draak, om niet te spreken van andere ondernemingen, als het dooden van een zwerm wilde vogels, die mannen en dieren verslonden, en het dragen van de zuilen des hemels in den tijd dat Atlas, wiens taak dit was, eenige gouden appels voor hem haalde uit den tuin der Hesperiden.Waarlijk, hij verdiende wel de belooning, hem door Zeus gegeven, om naar den hemel te worden overgebracht en onder de goden te worden geplaatst.

Eurystheus vervolgde de kinderen van Heracles en verjoeg ze uit het rijk. Hij voerde zelfs oorlog tegen Athene, omdat die stad ze had opgenomen. In dien oorlog werd hij gedood; en toen viel het koninkrijk ten deel aan Hyllus, den oudsten zoon van Heracles; dat wil zeggen, het zou hem toebehooren, als hij er bezit van kon nemen. Het scheen, alsof er heel wat bloedig moest worden gestreden, voordat de zaak geregeld kon worden; maar ten slotte kwamen beide partijen overeen, dat Hyllus en de kampioen onder zijn vijanden in een tweegevecht elkander zouden ontmoeten.

Indien Hyllus de overwinning behaalde, moest hij het koninkrijk verkrijgen; maar indien de kampioen den strijd won, moesten Hyllus en zijn vrienden honderd jaar lang wachten, voordat zij weer zouden mogen trachten zich meester te maken van de kroon. Al de manschappen van beide partijen wachtten verlangend den uitslag af; maar spoedig waren de zonen van Hyllus van groote droefheid vervuld, daar Hyllus gedood werd. Zij hielden getrouw hun belofte, immers noch zij, noch hun kinderen of kleinkinderen, deden een enkele poging om het koninkrijk te bemachtigen. Eindelijk echter was er aan het tijdperk van honderd jaar een einde gekomen, en de drie achterkleinzoons van Hyllus, of, zooals zij genoemd werden, de Heracliden, trokken er met hun vrienden op uit, om de landen te herwinnen, die oorspronkelijk aan hun geslacht hadden toebehoord. Toen was de fortuin hun gunstig, en hun tocht wordt genoemd de terugkeer der Heracliden.

Hoofdstuk II.In de dagen der mythen, (vervolg).Met honderden dergelijke verhalen hadden de jeugdige Grieken geen boeken met sproken noodig, zelfs al waren dergelijke boeken in die dagen voorhanden geweest. Maar, indien wij letten op onze tegenwoordige jongens, dan komt het ons voor, dat de verhalen, die zij het liefst lazen, die waren van de wonderlijke reizen, die waren afgelegd vóór de tijden, die hun grootouders of overgrootouders zich konden herinneren. Eén van die reisverhalen was bekend als de tocht om de Gouden Vacht. Die gouden vacht had gehangen in een boschje in Colchis, een landstreek, die heel ver van Griekenland was verwijderd; en meer dan één jonge held had bij zich zelf gedacht: “Hoe gaarne zou ik die vacht bemachtigen!” De moeilijkheid was hierin gelegen, dat zij bewaakt werd door een vuurspuwenden draak, die nooit een enkel oogenblik in slaap viel; en menig dapper man, die ieder oogenblik gereed stond, om den strijd te aanvaarden tegen twee of drie, ja zelfs tegen vier of vijf dappere krijgslieden, deinsde terug voor het gevaar, in sintels te veranderen.Er was echter een jonge held, Jason genaamd, die de erfgenaam was van een koning in Thessalië. Zijn oom Pelias was tot regent van het koninkrijk aangesteld gedurende de jeugd van den vorst, en toen Jason, die nu was opgegroeid tot een dapper, forsch en gespierd jongmensch, aan het hof verscheen en zeide, dat hij gekomen was om bezit tenemenvan zijn troon, verzon zijn oom alle mogelijke listen, om een middel te vinden, waardoor hij de regeering zou kunnen behouden. Hij deed het voorkomen, alsof hij gaarne bereid was, van het gezag afstand te doen. “Maar” zoo sprak hij, “gij zijtnog jong, en zoudt gij dus niet, voordat gij de zorgen der regeering op u neemt, eerst nog eenigen roem willen verwerven? Hoe zoudt gij het vinden, als gij u eerst wikkeldet in de ééne of andere schitterende onderneming, zoodat uw onderdanen nog honderden jaren na uw dood over uw grootsche daden zouden kunnen spreken?”Jason eischt de regeering op.Jason eischt de regeering op.Pelias zag, hoe de oogen van Jason schitterden, en de sluwe koning sprak toen van den tocht om de Gouden Vacht te halen, als van het roemrijkste avontuur, waaraan een held zich kon wijden. Jason verheugde zich in die gedachte, en begon onmiddellijk de voorbereidselen te treffen, en een schip uit te rusten, dat vijftig man kon bevatten. Dit was op zich zelf reeds een bewonderenswaardige onderneming, immers de schepen uit dien tijd waren niets dan kleine kano’s, die vervaardigdwerden, door boomstammen uit te hollen. Het schip werd de Argo genaamd, naar den bouwmeester Argus, en de vijftig jongelieden, die daarin wegzeilden, werden de Argonauten genoemd. Aan de sneb van het schip was een stuk van een sprekenden eik bevestigd, dat Jason antwoord zou geven, als hij in tijden van moeilijkheden om raad vroeg.Jason ondervraagt het hout aan de sneb.Jason ondervraagt het hout aan de sneb.Toen zij gereed waren, was het strand overal bezet met menschen, die het schip wilden zien wegvaren. Natuurlijk was onder dezen ook koning Pelias. Hij deed het voorkomen, alsof hij zeer ongerust was, omdat zijn neef een zoo gevaarlijken tocht ging ondernemen; maar voortdurend dacht hij bij zich zelf: “Nooit, nooit keert hij terug en het koninkrijk zal mij toebehooren.”De vijftig jonge mannen waren spoedig uit het gezicht, en groot was het aantal van hun avonturen, voordat zij het Colchische rijk hadden bereikt. Toen zij eenmaal daar waren aangekomen, ging Jason onmiddellijk naar koning Aeëtes en vertelde hem, dat hij daar was gekomen, om de Gouden Vacht te halen. Men moet echter weten, dat Aeëtes, ten einde in het bezit van dien schat te komen, den vroegeren eigenaar daarvan had doen dooden; hij was dan ook absoluut niet van plan, de vacht af te staan. Hij was echter een even sluw heerscher alskoning Pelias; van daar dan ook, dat hij niet kortaf weigerde, haar af te staan. “Het is billijk,”zoo sprak hij tot Jason, “dat gij mij eerst twee kleine gunsten bewijst. Indien gij daartoe bereid zijt, hebt gij mijn toestemming, om tegen den draak te strijden en de vacht weg te voeren.” De twee kleine diensten waren, ten eerste om twee vuurademende stieren voor het juk te spannen, en ten tweede om de tanden te zaaien van een draak, die door Cadmus, een held, die lang vóór dien tijd had geleefd, was verslagen.Jason en Medea.Jason en Medea.Evenals het geval geweest was met den Minotaurus, was hier wederom een prinses in het spel, en wel Medea, die in liefde ontstoken was voor den held van het avontuur; zij gaf daarom Jason een toovermiddel, waardoor de stieren zoo zacht als lammeren werden. Zij waren dan ook spoedig voor het juk gespannen, zoodat Jason gereed was voor de tweede proef, het zaaien van de drakentanden. Hij wist zeer goed, wat geschieden zou, maar toch ging hij even rustig voort, als wanneer hij graankorrels moest zaaien. In minder tijd dan noodig was om deze geschiedenis te verhalen, was uit iederen tand niet koren, maar een gewapende man te voorschijn gekomen, die een oogenblik woest bleef staan brommen en rondzag, of hij iemand kon vinden, dien hij kon dooden. Zoodra de mannen Jason in het gezicht kregen, trokken zij hun zwaarden en stormden woest op hem los. De prinses had hem echter daarop voorbereid, en hem gezegd, hoe hij zich zou kunnen redden; hij raapte dus volgens haar raad een steen op en wierp dien onder de woedende strijders. Ieder van hen meende, dat zijn buurman hem door den steen had geraakt, en in een ondeelbaar tijdsoogenblik waren zij op elkander losgestormd. Binnen een minuut tijds waren allen gedood.Nadat Jason de vuursnuivende stieren had weten te bedwingen, zou hij wel in staat geweest zijn, ook den draak te overwinnen, die de Gouden Vacht bewaakte, maar hij dacht, dat het beter was dien te besprenkelen met den tooverdrank, dien Medea had gereed gemaakt. In een oogenblik tijds was de draak in een diepen slaap gevallen, zoodat niets gemakkelijker was dan de vacht van den boom te halen, waaraan zij gehangen was. Hij was te verstandig, om naar koning Aeëtes te gaan, om afscheid te nemen; daarom haastte hij zich naar zijn eigen rijk, zoo snel zijn roeiriemen en zeilen hem konden wegvoeren.Paris.Paris.Een ander oud verhaal, het meest bekende van alle, is datvan den Trojaanschen oorlog. Die oorlog had zijn ontstaan te danken aan Helena, de schoonste vrouw uit Griekenland. Deze had een groot aantal aanbidders; haar vader liet deze allen een duren eed zweren, dat alle overige aanbidders hem, dien zij zou kiezen, zouden beschermen en in alle moeilijkheden des levens zouden bijstaan. Zij vestigde haar keuze op Menelaüs, den koning van Sparta, en verscheidene jaren ging alles voortreffelijk. Maar eindelijk kwam Paris, de zoon van den koning van Troje, op Sparta, doch toen hij vertrok, nam hij Helena met zich mede. Nu was het oogenblik voor de andere vorsten aangebroken, om Menelaüs te helpen, maar er waren er enkelen onder, die liever hadden willen thuisblijven. Odysseus bij voorbeeld wenschte niet mede te gaan, en meende, dat hij zich aan den tocht kon onttrekken, door zich als krankzinnig voor te doen. Hij spande een os en een ezel samen voor den ploeg en begon zout te zaaien. Spoedig echter kwam zijn bedrog aan het licht; immers toen zijn jeugdig zoontje op den grond gelegd werd vóór den ploeg, ging hij veel te voorzichtig op zijde, om nog langer zijn geveinsde krankzinnigheid te kunnen volhouden.Het duurde twee jaar, eer de schepen gebouwd en uitgerust waren; maar eindelijk waren de schepen de zee overgestoken en hadden zij hun kamp vóór de wallen van Troje opgeslagen. Hun aanvoerder was Agamemnon, de broeder van Menelaüs. Negen jaren duurde de oorlog, en nog steeds konden de Grieken Troje niet veroveren, en de Trojanen konden evenmin de Grieken verdrijven. Aan beide zijden streden de dappersten van alle helden, en ook de goden namen deel aan den strijd. Aphrodite begunstigde de Trojanen, en dat wel op goedegronden, daar haar zoon Aeneas één der dapperste verdedigers van Troje was. Bovendien overreedde zij Ares den oorlogsgod, hen te helpen. Apollo was eerst op de hand der ééne partij en daarna op die der andere. Athene, de godin der wijsheid, en Hera, de echtgenoote van Zeus, haatten de Trojanen, en in de eerste plaats Paris; immers deze had indertijd den prijs der schoonheid toegekend aan Aphrodite, in plaats van aan één van haar beiden. De arme Zeus had een ellendigen tijd in zijn schitterend paleis op den Olympus, immers Aphrodite kwam telkens weenend bij hem en smeekte hem, haar geliefden Aeneas te beschermen; doch nauwelijks had hij haar met vriendelijke beloften getroost, of zijn vrouw Hera wist op de ééne of andere slinksche wijze zijn oogen af te leiden van Troje; en dan wonnen de Grieken telkens een overwinning of doodden zij den een of anderen beroemden Trojaanschen strijder.Aanvoerders der Grieken vóór Troje.Aanvoerders der Grieken vóór Troje.Gedurende al die jaren van strijd hadden de Trojanen er nooit een oogenblik aan gedacht, dat het mogelijk zou kunnen zijn, dat Troje werd ingenomen, immers de stad werd beschermddoor een beeld van Athene, waarvan verhaald werd, dat het uit den hemel was gevallen. De Grieken waren niet onkundig van het bestaan van dat beeld. Zij waren overtuigd, dat, indien zij dat konden bemachtigen, Troje zou vallen; en eindelijk gelukte het den listigen Odysseus en zijn vriend Diomedes, het te stelen. Maar toch bezweek Troje nog niet en nog steeds duurde de strijd voort.Na eenigen tijd begonnen de Grieken een ontzaglijk groot houten paard te bouwen op de vlakte, die juist buiten de wallen der stad gelegen was. Zij slaagden er in, het bericht uit te strooien, dat zij het beleg hadden opgegeven en op het punt stonden naar huis terug te keeren; daarna zeilden zij weg, doch lieten het groote houten paard achter.De Trojanen konden niet ontdekken, met welk doel de Grieken dat reusachtige gedierte hadden gebouwd; terwijl zij daarover druk aan het redeneeren waren, en het stonden aan te gapen, brachten eenige herders een jongen Griek, Sinon genaamd, dien zij hadden gevangen genomen, in de stad. Hij vertelde een droevig verhaal. Hij zeide namelijk, dat Odysseus hem haatte, en den Griekschen waarzegger had overgehaald te verkondigen, dat hij moest worden ter dood gebracht als een offer voor hun veiligen terugkeer naar Griekenland. Hij was ontsnapt en had zich in een moeras verborgen gehouden totdat de Grieken vertrokken waren.De Trojanen waren van nature vriendelijk voor iedereen, die door Odysseus werd gehaat. Koning Priamus beval, dat hij onmiddellijk van zijn boeien zou worden bevrijd, en overreedde hem de Grieken te vergeten en een Trojaan te worden. “Maar vertel ons, waarom dat reusachtige paard gebouwd is,”zoo sprak hij; en Sinon deelde mede, dat het een offer aan Athene was, omdat zij vertoornd was op de Grieken, daar zij met bloedige handen haar beeld hadden aangeraakt. “Het is zóó groot gemaakt, dat het onmogelijk door de poorten uwerstad kan worden getrokken,”legde hij den koning uit, “immers de Grieken weten, dat het, indien het eenmaal binnen de muren der stad zou zijn gekomen, u zou beschermen, en dat de overwinning door de Trojanen zou worden behaald, in plaats van door de Grieken.Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.De Trojanen geloofden ieder woord, dat door Sinon werd gesproken. Zij bonden touwen vast aan het reusachtige gevaarte en begonnen het naar de stad te trekken. Zelfs haalden zij een deel der stadsmuren neer, om het paard een doorgang te verschaffen. In dien nacht opende de verraderlijke Sinon een deur in het lichaam van het paard, en een aantal gewapende Grieken, die daar binnen verborgen waren, lieten een touw neer en lieten zich onder doodsche stilte op den grond afzakken. De Trojanen waren in slaap, en het was een zeer gemakkelijk werk, de wachten te dooden en de poorten voor de overige Grieken open te werpen; immers zij waren niet naar Griekenland weggezeild, maar hadden zich alleen verborgen gehouden achter een klein eiland, dat op enkele mijlen van Troje verwijderd was.Grieksch krijgsman.Grieksch krijgsman.Dit is het beroemde verhaal van den val van Troje of Ilium. Het is ons overgeleverd in een groot episch gedicht, de Ilias, en wij kunnen het lezen in dezelfde bewoordingen, waarin het bij de Grieken bekend was. De Ilias verhaalt ons die geschiedenis tot aan den dood van Hector, een dapper Trojaansch krijgsman, die door Achilles werd gedood; maar het verhaalvan het reusachtige houten paard is tot ons gekomen uit een ander heldendicht, de Aeneïs, dat vervaardigd is door den Latijnschen dichter Virgilius. De Grieken meenden, dat de Ilias vervaardigd was door een blinden dichter, Homerus genaamd, die geboren was op het eiland Chios, en die het land doortrok, zijn gedichten voordragend of zingend. Hij was een bedelaar, maar toch was hij een welkome gast in het huis van iederen aanzienlijken Griek, immers op de feesten kon hij spelen op zijn harp met vier snaren en zingen van de bewonderenswaardige daden uit den ouden tijd. Hij vervaardigde ook een tweede heldendicht, de Odyssee, dat verhaalt van de zwerftochten van Odysseus; immers het jonge kind, dat vóór den ploeg was gelegd, was opgegroeid tot een stevigen en rijzigen jongeling, voordat de goden den held hadden toegestaan, naar zijn huis terug te keeren. Odysseus had de meest wonderlijke avonturen. Hij bezocht het land der Lotos-eters of Lotophagen. Zij die van de Lotosplant aten, vergaten alles van hun huis en hun vrienden, en Odysseus moest enkelen van zijn manschappen, die er van gegeten hadden, met geweld wegsleepen. Hij werd in een hol opgesloten door één der Cyclopen; hij vertoefde een tijdlang op het eiland der toovenares Circe, die menschen in dieren veranderde; met de grootste voorzichtigheid zeilde hij door tusschen de twee monsters, Scylla en Charybdis. Eén der zeenimfen beloofde hem de onsterfelijkheid, als hij slechts zijn woonplaats wilde vergeten en op haar eiland wilde achterblijven, maar hij verlangde vurig naar zijn vrouw en zijn zoon op het eiland Ithaca, en eindelijk gelukte het hem, zijn weg daarheen te vinden. Hij maakte zich aan zijnzoon bekend, en samen straften zij de vrijers, die zijn bezittingen hadden verkwist en zijn echtgenoote waren lastig gevallen.Het houten Trojaansche paard.Het houten Trojaansche paard.Die oude verhalen zijn de moeite wel waard, gekend te worden, omdat het zeer schoone en dichterlijke verhalen zijn; maar bovendien ligt aan ieder dier verhalen een spoor van waarheid ten grondslag. De geest der Grieken was rijk aan een dichterlijke fantaisie; het was, bij voorbeeld, gemakkelijk, de herinnering aan een warmen, drogen zomer, die in een donderbui eindigde, om te werken tot het verhaal van Phaëthon; of het verhaal van den een of anderen tocht van zeeroovers om te werken tot het poëtische verhaal van den tocht der Argonauten. De geschiedenis van Theseus beteekent waarschijnlijk, dat op zekeren tijd door de Atheners aan Creta een schattingmoest worden betaald. De terugkeer der Heracliden moet slaan op de tijden, toen de Doriërs tot in den Peloponnesus doordrongen en een groot gedeelte van dat schiereiland in hun bezit kregen.Homerus leest zijn gedichten voor.Homerus leest zijn gedichten voor.Zelfs met behulp van deze verhalen, weten wij op verre na niet zooveel van de oude geschiedenis van Griekenland als wij wel zouden willen. Wij kunnen echter bijna zeker zijn van enkele feiten en wel:Dat de Grieken behoorden tot het Arische ras, dat toen leefde in Centraal-Azië; dat zij in kleine troepen van landverhuizers in Griekenland kwamen; dat zij in vier stammenverdeeld waren, de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs; dat de Doriërs in den Peloponnesus binnendrongen en een groot aantal Achaeërs verjoegen; dat die Achaeërs hun weg richtten naar het noorden en de Aeoliërs verdreven, die daarna de Aegeïsche Zee overstaken en koloniën stichtten op de kusten van Klein-Azië; dat zij gevolgd werden door de Joniërs, en eindelijk door enkele Doriërs, die geen voldoende plaats vonden in den Peloponnesus; dat er gedurende honderden jaren voortdurend met enkele tusschenpoozen gestreden werd tusschen Griekenland en Klein-Azië, totdat Griekenland ten slotte veroverd werd door Philippus, den koning van Macedonië. De verovering geschiedde echter eerst drie eeuwen vóór Christus.

Met honderden dergelijke verhalen hadden de jeugdige Grieken geen boeken met sproken noodig, zelfs al waren dergelijke boeken in die dagen voorhanden geweest. Maar, indien wij letten op onze tegenwoordige jongens, dan komt het ons voor, dat de verhalen, die zij het liefst lazen, die waren van de wonderlijke reizen, die waren afgelegd vóór de tijden, die hun grootouders of overgrootouders zich konden herinneren. Eén van die reisverhalen was bekend als de tocht om de Gouden Vacht. Die gouden vacht had gehangen in een boschje in Colchis, een landstreek, die heel ver van Griekenland was verwijderd; en meer dan één jonge held had bij zich zelf gedacht: “Hoe gaarne zou ik die vacht bemachtigen!” De moeilijkheid was hierin gelegen, dat zij bewaakt werd door een vuurspuwenden draak, die nooit een enkel oogenblik in slaap viel; en menig dapper man, die ieder oogenblik gereed stond, om den strijd te aanvaarden tegen twee of drie, ja zelfs tegen vier of vijf dappere krijgslieden, deinsde terug voor het gevaar, in sintels te veranderen.

Er was echter een jonge held, Jason genaamd, die de erfgenaam was van een koning in Thessalië. Zijn oom Pelias was tot regent van het koninkrijk aangesteld gedurende de jeugd van den vorst, en toen Jason, die nu was opgegroeid tot een dapper, forsch en gespierd jongmensch, aan het hof verscheen en zeide, dat hij gekomen was om bezit tenemenvan zijn troon, verzon zijn oom alle mogelijke listen, om een middel te vinden, waardoor hij de regeering zou kunnen behouden. Hij deed het voorkomen, alsof hij gaarne bereid was, van het gezag afstand te doen. “Maar” zoo sprak hij, “gij zijtnog jong, en zoudt gij dus niet, voordat gij de zorgen der regeering op u neemt, eerst nog eenigen roem willen verwerven? Hoe zoudt gij het vinden, als gij u eerst wikkeldet in de ééne of andere schitterende onderneming, zoodat uw onderdanen nog honderden jaren na uw dood over uw grootsche daden zouden kunnen spreken?”

Jason eischt de regeering op.Jason eischt de regeering op.

Jason eischt de regeering op.

Pelias zag, hoe de oogen van Jason schitterden, en de sluwe koning sprak toen van den tocht om de Gouden Vacht te halen, als van het roemrijkste avontuur, waaraan een held zich kon wijden. Jason verheugde zich in die gedachte, en begon onmiddellijk de voorbereidselen te treffen, en een schip uit te rusten, dat vijftig man kon bevatten. Dit was op zich zelf reeds een bewonderenswaardige onderneming, immers de schepen uit dien tijd waren niets dan kleine kano’s, die vervaardigdwerden, door boomstammen uit te hollen. Het schip werd de Argo genaamd, naar den bouwmeester Argus, en de vijftig jongelieden, die daarin wegzeilden, werden de Argonauten genoemd. Aan de sneb van het schip was een stuk van een sprekenden eik bevestigd, dat Jason antwoord zou geven, als hij in tijden van moeilijkheden om raad vroeg.

Jason ondervraagt het hout aan de sneb.Jason ondervraagt het hout aan de sneb.

Jason ondervraagt het hout aan de sneb.

Toen zij gereed waren, was het strand overal bezet met menschen, die het schip wilden zien wegvaren. Natuurlijk was onder dezen ook koning Pelias. Hij deed het voorkomen, alsof hij zeer ongerust was, omdat zijn neef een zoo gevaarlijken tocht ging ondernemen; maar voortdurend dacht hij bij zich zelf: “Nooit, nooit keert hij terug en het koninkrijk zal mij toebehooren.”

De vijftig jonge mannen waren spoedig uit het gezicht, en groot was het aantal van hun avonturen, voordat zij het Colchische rijk hadden bereikt. Toen zij eenmaal daar waren aangekomen, ging Jason onmiddellijk naar koning Aeëtes en vertelde hem, dat hij daar was gekomen, om de Gouden Vacht te halen. Men moet echter weten, dat Aeëtes, ten einde in het bezit van dien schat te komen, den vroegeren eigenaar daarvan had doen dooden; hij was dan ook absoluut niet van plan, de vacht af te staan. Hij was echter een even sluw heerscher alskoning Pelias; van daar dan ook, dat hij niet kortaf weigerde, haar af te staan. “Het is billijk,”zoo sprak hij tot Jason, “dat gij mij eerst twee kleine gunsten bewijst. Indien gij daartoe bereid zijt, hebt gij mijn toestemming, om tegen den draak te strijden en de vacht weg te voeren.” De twee kleine diensten waren, ten eerste om twee vuurademende stieren voor het juk te spannen, en ten tweede om de tanden te zaaien van een draak, die door Cadmus, een held, die lang vóór dien tijd had geleefd, was verslagen.

Jason en Medea.Jason en Medea.

Jason en Medea.

Evenals het geval geweest was met den Minotaurus, was hier wederom een prinses in het spel, en wel Medea, die in liefde ontstoken was voor den held van het avontuur; zij gaf daarom Jason een toovermiddel, waardoor de stieren zoo zacht als lammeren werden. Zij waren dan ook spoedig voor het juk gespannen, zoodat Jason gereed was voor de tweede proef, het zaaien van de drakentanden. Hij wist zeer goed, wat geschieden zou, maar toch ging hij even rustig voort, als wanneer hij graankorrels moest zaaien. In minder tijd dan noodig was om deze geschiedenis te verhalen, was uit iederen tand niet koren, maar een gewapende man te voorschijn gekomen, die een oogenblik woest bleef staan brommen en rondzag, of hij iemand kon vinden, dien hij kon dooden. Zoodra de mannen Jason in het gezicht kregen, trokken zij hun zwaarden en stormden woest op hem los. De prinses had hem echter daarop voorbereid, en hem gezegd, hoe hij zich zou kunnen redden; hij raapte dus volgens haar raad een steen op en wierp dien onder de woedende strijders. Ieder van hen meende, dat zijn buurman hem door den steen had geraakt, en in een ondeelbaar tijdsoogenblik waren zij op elkander losgestormd. Binnen een minuut tijds waren allen gedood.

Nadat Jason de vuursnuivende stieren had weten te bedwingen, zou hij wel in staat geweest zijn, ook den draak te overwinnen, die de Gouden Vacht bewaakte, maar hij dacht, dat het beter was dien te besprenkelen met den tooverdrank, dien Medea had gereed gemaakt. In een oogenblik tijds was de draak in een diepen slaap gevallen, zoodat niets gemakkelijker was dan de vacht van den boom te halen, waaraan zij gehangen was. Hij was te verstandig, om naar koning Aeëtes te gaan, om afscheid te nemen; daarom haastte hij zich naar zijn eigen rijk, zoo snel zijn roeiriemen en zeilen hem konden wegvoeren.

Paris.Paris.

Paris.

Een ander oud verhaal, het meest bekende van alle, is datvan den Trojaanschen oorlog. Die oorlog had zijn ontstaan te danken aan Helena, de schoonste vrouw uit Griekenland. Deze had een groot aantal aanbidders; haar vader liet deze allen een duren eed zweren, dat alle overige aanbidders hem, dien zij zou kiezen, zouden beschermen en in alle moeilijkheden des levens zouden bijstaan. Zij vestigde haar keuze op Menelaüs, den koning van Sparta, en verscheidene jaren ging alles voortreffelijk. Maar eindelijk kwam Paris, de zoon van den koning van Troje, op Sparta, doch toen hij vertrok, nam hij Helena met zich mede. Nu was het oogenblik voor de andere vorsten aangebroken, om Menelaüs te helpen, maar er waren er enkelen onder, die liever hadden willen thuisblijven. Odysseus bij voorbeeld wenschte niet mede te gaan, en meende, dat hij zich aan den tocht kon onttrekken, door zich als krankzinnig voor te doen. Hij spande een os en een ezel samen voor den ploeg en begon zout te zaaien. Spoedig echter kwam zijn bedrog aan het licht; immers toen zijn jeugdig zoontje op den grond gelegd werd vóór den ploeg, ging hij veel te voorzichtig op zijde, om nog langer zijn geveinsde krankzinnigheid te kunnen volhouden.

Het duurde twee jaar, eer de schepen gebouwd en uitgerust waren; maar eindelijk waren de schepen de zee overgestoken en hadden zij hun kamp vóór de wallen van Troje opgeslagen. Hun aanvoerder was Agamemnon, de broeder van Menelaüs. Negen jaren duurde de oorlog, en nog steeds konden de Grieken Troje niet veroveren, en de Trojanen konden evenmin de Grieken verdrijven. Aan beide zijden streden de dappersten van alle helden, en ook de goden namen deel aan den strijd. Aphrodite begunstigde de Trojanen, en dat wel op goedegronden, daar haar zoon Aeneas één der dapperste verdedigers van Troje was. Bovendien overreedde zij Ares den oorlogsgod, hen te helpen. Apollo was eerst op de hand der ééne partij en daarna op die der andere. Athene, de godin der wijsheid, en Hera, de echtgenoote van Zeus, haatten de Trojanen, en in de eerste plaats Paris; immers deze had indertijd den prijs der schoonheid toegekend aan Aphrodite, in plaats van aan één van haar beiden. De arme Zeus had een ellendigen tijd in zijn schitterend paleis op den Olympus, immers Aphrodite kwam telkens weenend bij hem en smeekte hem, haar geliefden Aeneas te beschermen; doch nauwelijks had hij haar met vriendelijke beloften getroost, of zijn vrouw Hera wist op de ééne of andere slinksche wijze zijn oogen af te leiden van Troje; en dan wonnen de Grieken telkens een overwinning of doodden zij den een of anderen beroemden Trojaanschen strijder.

Aanvoerders der Grieken vóór Troje.Aanvoerders der Grieken vóór Troje.

Aanvoerders der Grieken vóór Troje.

Gedurende al die jaren van strijd hadden de Trojanen er nooit een oogenblik aan gedacht, dat het mogelijk zou kunnen zijn, dat Troje werd ingenomen, immers de stad werd beschermddoor een beeld van Athene, waarvan verhaald werd, dat het uit den hemel was gevallen. De Grieken waren niet onkundig van het bestaan van dat beeld. Zij waren overtuigd, dat, indien zij dat konden bemachtigen, Troje zou vallen; en eindelijk gelukte het den listigen Odysseus en zijn vriend Diomedes, het te stelen. Maar toch bezweek Troje nog niet en nog steeds duurde de strijd voort.

Na eenigen tijd begonnen de Grieken een ontzaglijk groot houten paard te bouwen op de vlakte, die juist buiten de wallen der stad gelegen was. Zij slaagden er in, het bericht uit te strooien, dat zij het beleg hadden opgegeven en op het punt stonden naar huis terug te keeren; daarna zeilden zij weg, doch lieten het groote houten paard achter.

De Trojanen konden niet ontdekken, met welk doel de Grieken dat reusachtige gedierte hadden gebouwd; terwijl zij daarover druk aan het redeneeren waren, en het stonden aan te gapen, brachten eenige herders een jongen Griek, Sinon genaamd, dien zij hadden gevangen genomen, in de stad. Hij vertelde een droevig verhaal. Hij zeide namelijk, dat Odysseus hem haatte, en den Griekschen waarzegger had overgehaald te verkondigen, dat hij moest worden ter dood gebracht als een offer voor hun veiligen terugkeer naar Griekenland. Hij was ontsnapt en had zich in een moeras verborgen gehouden totdat de Grieken vertrokken waren.

De Trojanen waren van nature vriendelijk voor iedereen, die door Odysseus werd gehaat. Koning Priamus beval, dat hij onmiddellijk van zijn boeien zou worden bevrijd, en overreedde hem de Grieken te vergeten en een Trojaan te worden. “Maar vertel ons, waarom dat reusachtige paard gebouwd is,”zoo sprak hij; en Sinon deelde mede, dat het een offer aan Athene was, omdat zij vertoornd was op de Grieken, daar zij met bloedige handen haar beeld hadden aangeraakt. “Het is zóó groot gemaakt, dat het onmogelijk door de poorten uwerstad kan worden getrokken,”legde hij den koning uit, “immers de Grieken weten, dat het, indien het eenmaal binnen de muren der stad zou zijn gekomen, u zou beschermen, en dat de overwinning door de Trojanen zou worden behaald, in plaats van door de Grieken.

Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.

Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.

De Trojanen geloofden ieder woord, dat door Sinon werd gesproken. Zij bonden touwen vast aan het reusachtige gevaarte en begonnen het naar de stad te trekken. Zelfs haalden zij een deel der stadsmuren neer, om het paard een doorgang te verschaffen. In dien nacht opende de verraderlijke Sinon een deur in het lichaam van het paard, en een aantal gewapende Grieken, die daar binnen verborgen waren, lieten een touw neer en lieten zich onder doodsche stilte op den grond afzakken. De Trojanen waren in slaap, en het was een zeer gemakkelijk werk, de wachten te dooden en de poorten voor de overige Grieken open te werpen; immers zij waren niet naar Griekenland weggezeild, maar hadden zich alleen verborgen gehouden achter een klein eiland, dat op enkele mijlen van Troje verwijderd was.

Grieksch krijgsman.Grieksch krijgsman.

Grieksch krijgsman.

Dit is het beroemde verhaal van den val van Troje of Ilium. Het is ons overgeleverd in een groot episch gedicht, de Ilias, en wij kunnen het lezen in dezelfde bewoordingen, waarin het bij de Grieken bekend was. De Ilias verhaalt ons die geschiedenis tot aan den dood van Hector, een dapper Trojaansch krijgsman, die door Achilles werd gedood; maar het verhaalvan het reusachtige houten paard is tot ons gekomen uit een ander heldendicht, de Aeneïs, dat vervaardigd is door den Latijnschen dichter Virgilius. De Grieken meenden, dat de Ilias vervaardigd was door een blinden dichter, Homerus genaamd, die geboren was op het eiland Chios, en die het land doortrok, zijn gedichten voordragend of zingend. Hij was een bedelaar, maar toch was hij een welkome gast in het huis van iederen aanzienlijken Griek, immers op de feesten kon hij spelen op zijn harp met vier snaren en zingen van de bewonderenswaardige daden uit den ouden tijd. Hij vervaardigde ook een tweede heldendicht, de Odyssee, dat verhaalt van de zwerftochten van Odysseus; immers het jonge kind, dat vóór den ploeg was gelegd, was opgegroeid tot een stevigen en rijzigen jongeling, voordat de goden den held hadden toegestaan, naar zijn huis terug te keeren. Odysseus had de meest wonderlijke avonturen. Hij bezocht het land der Lotos-eters of Lotophagen. Zij die van de Lotosplant aten, vergaten alles van hun huis en hun vrienden, en Odysseus moest enkelen van zijn manschappen, die er van gegeten hadden, met geweld wegsleepen. Hij werd in een hol opgesloten door één der Cyclopen; hij vertoefde een tijdlang op het eiland der toovenares Circe, die menschen in dieren veranderde; met de grootste voorzichtigheid zeilde hij door tusschen de twee monsters, Scylla en Charybdis. Eén der zeenimfen beloofde hem de onsterfelijkheid, als hij slechts zijn woonplaats wilde vergeten en op haar eiland wilde achterblijven, maar hij verlangde vurig naar zijn vrouw en zijn zoon op het eiland Ithaca, en eindelijk gelukte het hem, zijn weg daarheen te vinden. Hij maakte zich aan zijnzoon bekend, en samen straften zij de vrijers, die zijn bezittingen hadden verkwist en zijn echtgenoote waren lastig gevallen.

Het houten Trojaansche paard.Het houten Trojaansche paard.

Het houten Trojaansche paard.

Die oude verhalen zijn de moeite wel waard, gekend te worden, omdat het zeer schoone en dichterlijke verhalen zijn; maar bovendien ligt aan ieder dier verhalen een spoor van waarheid ten grondslag. De geest der Grieken was rijk aan een dichterlijke fantaisie; het was, bij voorbeeld, gemakkelijk, de herinnering aan een warmen, drogen zomer, die in een donderbui eindigde, om te werken tot het verhaal van Phaëthon; of het verhaal van den een of anderen tocht van zeeroovers om te werken tot het poëtische verhaal van den tocht der Argonauten. De geschiedenis van Theseus beteekent waarschijnlijk, dat op zekeren tijd door de Atheners aan Creta een schattingmoest worden betaald. De terugkeer der Heracliden moet slaan op de tijden, toen de Doriërs tot in den Peloponnesus doordrongen en een groot gedeelte van dat schiereiland in hun bezit kregen.

Homerus leest zijn gedichten voor.Homerus leest zijn gedichten voor.

Homerus leest zijn gedichten voor.

Zelfs met behulp van deze verhalen, weten wij op verre na niet zooveel van de oude geschiedenis van Griekenland als wij wel zouden willen. Wij kunnen echter bijna zeker zijn van enkele feiten en wel:

Dat de Grieken behoorden tot het Arische ras, dat toen leefde in Centraal-Azië; dat zij in kleine troepen van landverhuizers in Griekenland kwamen; dat zij in vier stammenverdeeld waren, de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs; dat de Doriërs in den Peloponnesus binnendrongen en een groot aantal Achaeërs verjoegen; dat die Achaeërs hun weg richtten naar het noorden en de Aeoliërs verdreven, die daarna de Aegeïsche Zee overstaken en koloniën stichtten op de kusten van Klein-Azië; dat zij gevolgd werden door de Joniërs, en eindelijk door enkele Doriërs, die geen voldoende plaats vonden in den Peloponnesus; dat er gedurende honderden jaren voortdurend met enkele tusschenpoozen gestreden werd tusschen Griekenland en Klein-Azië, totdat Griekenland ten slotte veroverd werd door Philippus, den koning van Macedonië. De verovering geschiedde echter eerst drie eeuwen vóór Christus.

Hoofdstuk III.Hoe de oudste Grieken leefden.Zooals wij hebben opgemerkt, weten wij niet veel van hetgeen in Griekenland in de oudste tijden gebeurde, welke oorlogen de Grieken voerden of welke volksstammen zij overwonnen. Wij weten wel echter, hoe zij leefden, hoe zij zich vermaakten, en wat zij over verschillende onderwerpen dachten; en dit is toch veel merkwaardiger en belangrijker dan het overige.Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).Indien gij het huis van één der Grieksche vorsten uit de oudste tijden waart binnengetreden, dan zoudt gij eerst gekomen zijn aan een hoogen, dikken steenen muur met een stevige, openslaande deur. Als de deur was opengeslagen, en gij in den hof waart binnengestapt, zou een groote hond uit zijn hok zijn gesprongen, om te zien, of hij, even goed als zijn meester, van oordeel was, dat gij mocht worden toegelaten. Als de meester een vermogende vorst was, kon het zijn, dat hij geen werkelijken hond had, maar het beeld van een hond, van goud of zilver vervaardigd.Huisdeur.Huisdeur.Dicht bij de poort stonden steenen banken, gebeeldhouwd en gepolijst, waarop men kon gaan zitten praten. Verder op in den hof waren stallen voor de paarden en de ossen, en voor de wagens, en evenzoo plaatsen voor zwijnen, ganzen en schapen. De hof was groot genoeg voor een tuin en zelfs voor een boomgaard met peren- appel- vijgen- en olijfboomen. In werkelijkheid was het huis met zijn hof en stevigen muur als het ware een versterkt dorp. Er was natuurlijk ook een fontein; en door den overvloed aan water, de kudden kleinvee en runderen, en het graan, dat in voorraadschuren was opgehoopt, kon zulk een plaats een langdurig beleg uithouden, zonder dat er sprake was van uithongeren.Oude Grieksche vaas.Oude Grieksche vaas.De woning zelf bevatte gaanderijen en pilaren en een aantal vertrekken. Er was nog een tweede verdieping, en daar was een voorraadkamer, waar de schatten van den vorst werden bewaard. Daar was geen geld in; immers de oude Grieken hadden geen gemunt geld; zij telden de waarde hunner bezittingen in ossen. Een slaaf was bij voorbeeld van vier tot twintig ossen waard. Er was echter overvloed aan edele metalen in andere vormen dan geld; immers er waren vazen, kommen, bekers en schotels van stevig goud en zilver. Zij hadden sierlijke en schoone vormen, immers de Grieken schepten er zóózeer behagen in, om alles om zich heen liefelijk voor het oog te hebben, dat zelfs het meest gewone aarden vat dikwijls een rand had, die schoon genoeg was voor een zilveren vaas; somtijds was er een dans van faunen op geschilderd of een wedloop, of Jason met zijn vijftig metgezellen, op het punt de Gouden Vacht te gaan halen. In die voorraadkamer wareneveneens groote houten kisten, versierd met goud, zilver en ivoor, en in die kisten werden kostbare kleederen en mantels en vloerkleeden en fijn linnen en geweven dekkleeden voor de banken en bedden bewaard. Er waren verschillende soorten van armbanden en halskettingen; en, wat nog meer waard was dan al die kostbaarheden, er werden daarin de zwaarden en speren en messen en bogen en pijlen bewaard, waarmede de vorst en zijn manschappen hun schatten beschermden, indien de woning door vijanden werd aangevallen. Het metaal, waarvan de wapenen gemaakt waren, was somtijds brons en somtijds koper; maar het koper was op de ééne of andere wijze, die wij niet kennen, hard gemaakt.De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.De vorsten, die in zoodanige huizen woonden, hadden slaven, van wie sommige in den oorlog waren gevangen genomen en andere uit hun huizen waren geroofd; maar de meesters ontzagen zich evenmin met eigen handen te werken als de arme lieden, die in hun hutten leefden. Homerus verhaalt ons, dat de koninklijke Odysseus zijn eigen legerstede vervaardigde; en één van de aardigste verhalen van den dichter is dat vande schoone jonge prinses Nausicaä, die uittrekt met hare vriendinnen en een mand met voedsel naar den oever der rivier, om hare kleederen te wasschen, en om daarna met hare vriendinnen met den bal te spelen, even vroolijk en uitgelaten als ieder ander meisje, dat niet van vorstelijken bloede was, dat zoude doen. Het is jammer, dat wij onmogelijk kunnen nagaan, wat was medegenomen in die mand, die, zooals Homerus het uitdrukte, “alle soorten van voedsel bevatte, die het hart begeert.” Er moeten lekkernijen in zijn geweest, die uitsluitend bereid waren, om de jonge meisjes te bekoren, immers zelfs op de groote feesten schenen er niets dan de eenvoudigste spijzen te worden opgedischt, nauwelijks iets anders dan brood en vleesch. De Grieken begeerden evenmin als eenig ander volk honger te lijden; maar als zij naar een feest gingen, dachten zij minder aan de spijzen, die hun zouden worden voorgelegd, dan aan de medegasten, met wie zij onderhoudende gesprekken konden voeren.Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)Indien het ons mogelijk was, een blik te slaan op één van hun feestmalen, zouden wij een vertrek zien, vol met gasten, en met bedienden, die daar kleine tafeltjes zouden plaatsen, die niet meer ruimte aanboden dan voor één persoon. Voor ieder dier tafeltjes werd een stoel geplaatst, en de gasten namen hun zitplaatsen in. Daarna werden groote stukken vleesch binnengebracht,en vóór den voorsnijder geplaatst, die het vleesch in heel kleine hapjes sneed, wat inderdaad een hoogst noodzakelijk iets was, immers in die dagen had men nog geen vorken, zoodat men de spijzen in de handen moest nemen en zoo aan den mond moest brengen. Voor ieder der gasten werd een schotel met vleesch geplaatst, en daarna werden manden met brood rondgegeven. De dranken bestonden uit wijn, maar dikwijls werd in den beker driemaal zooveel water als wijn geschonken. De wijn werd eerst geboden aan de oudsten der gasten, zelfs al was hij slechts een gewoon burger, en al waren er jonge prinsen onder de gasten. Het werd als iets onbehoorlijks beschouwd te veel te drinken; immers de Grieken hadden een grooten afschuw van een dronken man, en niets werd als een grooter beleediging beschouwd dan iemand te verwijten, dat hij te veel wijn had gedronken. Natuurlijk was ook de zanger aanwezig, en hij was steeds een hoogst welkome gast. Homerus beschrijft zijn ontvangst in de volgende bewoordingen:Een Grieksche Zanger.Een Grieksche Zanger.“De dienaar kwam nader en leidde den gevierden zanger binnen. De muze had hem zeer lief gehad en had hem goed en kwaad geschonken: zij had hem het gezicht benomen, maar had hem den heerlijken zang geschonken. Pontonöus plaatste voor hem onder de feestgenooten een zetel met zilveren knoppen beslagen, die steunde tegen een hoogen pilaar, enhing de schoon gestemde lier aan een pen boven zijn hoofd, en de dienaar wees hem, hoe hij er met zijn handen bij kon komen. Naast hem plaatste hij een mandje en een schoone tafel, en daarop zette hij een beker wijn om te drinken, zoo dikwijls zijn gemoed hem daartoe aandreef.”Indien een vreemdeling verscheen en om voedsel vroeg, werd hij als een vriend behandeld, en niemand vroeg er naar, wie hij was of waarheen hij ging, voordat hij gegeten had van alles wat hij begeerde. Zelfs als iemands ergste vijand aan zijn deur kwam met een olijftak in zijn hand, of het huis binnentrad en aan den haard nederknielde, moest hem voedsel en een beschutting worden verleend, en niemand mocht hem eenig nadeel berokkenen.Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.De kinderen uit den ouden Griekschen tijd gingen niet naar school. Waarom zouden zij naar school gaan, als de voornaamste plicht van een meisje was, te leeren de huishouding te besturen zooals haar moeder dat deed; en van een jongen, te leeren, hoe hij later het werk zou kunnen doen, dat nu zijn vader deed? Daarom ging het meisje met de moeder het huis rond, en leerde zij, hoe dit moest worden bestuurd en hoe zij de slaven en slavinnen kon leeren, op welke wijze zij hun werk moesten verrichten. Zij moest natuurlijk leeren spinnen en weven, en ook zingen en dansen. Ook de jongens moesten leeren zingen en dansen; maar zij moesten ook leeren zorgen voor de kudden groot en klein vee, zij moesten het land leeren bebouwen en de wapenen hanteeren. Het was volstrekt niet noodig, lezen of schrijven te leeren, want er was weinig of niets te studeeren. De geheele rekenkunde bestond uit het tellen van het aantal dieren, die men te verzorgen had. Degeschiedenis bestond alleen uit mythen en legenden, die niet moeilijker te onthouden waren dan de meeste sprookjes. Ook de aardrijkskunde moet op de Grieksche jeugd uit die dagen den indruk hebben gemaakt van een sprookje; immers de oude Grieken waren van meening, dat de aarde een vlakte was, waar omheen de Oceaan, een breede rivier, voortdurend stroomde. Aan gene zijde van dien stroomenden oceaan was duisternis, en ook een ongehoord aantal vreeselijke monsters. De hemel boven hen bestond uit twee reusachtige koepels; de ééne, die helder was, was over dag boven het hoofd; de donkere sloot des nachts het licht uit. De Grieksche kinderen kenden natuurlijk ook verschillende spelen, en sommige kwamen overeen met die, welke tegenwoordig nog gespeeld worden. Eén dier spelen heette het “vijfsteentjesspel”. Daarbij wierp het kind vijf steentjes in de hoogte en trachtte zooveel mogelijk daarvan op de buitenzijde van zijn hand op te vangen. De steentjes, die op den grond vielen, mocht hij oprapen, maar dan mocht hij de andere niet weer laten vallen.Een Grieksche Knaap.Een Grieksche Knaap.De Grieken genoten van het leven, en beschouwden den dood als het einde van al hun genoegens. Zij geloofden in de onsterfelijkheid van den mensch, maar zij verwachtten niet, in het leven hier namaals gelukkig te zijn. Groote helden werden wel is waar overgebracht naar een prachtige plaats, de Elyseesche velden genaamd, die ver in het westen gelegen waren, dicht bij den stroomenden oceaan. Homerus zeide er van: “Daar is geen sneeuw, geen lange winter, geen regen; maar de stroomende oceaan zendt den luidklinkenden en hardblazendenwestenwind, om de menschen koelte te brengen.”Daar bleven de helden zich bezighouden met alles, waarmede zij op aarde zich het liefst hadden beziggehouden, en daar genoten zij alle mogelijke genoegens; maar een zoodanig geluk was de gewone menschen niet beschoren. Zij verwachtten, dat zij gezonden werden naar een droevige en sombere plaats, de Hades genaamd. Daar zouden zij zich het licht der zon blijven herinneren, en er naar verlangen, dat licht terug te zien; zij zouden zich hun vrienden en woonplaatsen voor den geest halen, maar als het ware slechts in een droom. Niets zou wezenlijk schijnen, en alles zou zich somber en vreugdeloos voordoen. Zij zouden daar eeuwig ronddwalen als schimmen in de sombere schemering, en daar niets te hopen, niets te genieten hebben.Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).Daar dus de Grieken geen geluk na den dood verwachtten, verlangden zij er des te meer naar, zooveel mogelijk te genieten tijdens hun leven. Zij meenden, dat de goden de macht hadden, hun alles te schenken wat zij wenschten, als ten minste de schikgodinnen het niet verboden; daarom aanbaden zij haar, ten einde gunsten voor zich zelf te verwerven. Niet dikwijls dachten zij zich de goden als wezens beter dan de menschen, maar alleen als wezens, die machtiger waren dan de stervelingen. Ouders zeiden niet tot hun kinderen: “Zeus is goed, en daarom moet gij uw best doen hem te evenaren”; maar wel zeiden zij: “Zeus kan u alles schenken wat gij wenscht, en daarom moet gij hem offers brengen.”Zij waren overtuigd, dat de ééne godheid demacht had, te zorgen, dat men veilig van een lange reis terugkeerde; dat een andere godheid herstel van een ernstige ziekte kon schenken; een andere de overwinning over vijanden; en daarom baden zij tot dien god, van wien zij het ’t waarschijnlijkst achtten, dat hij juist die gunst zou verleenen, die zij begeerden.Het was een hoogst gewichtige vraag, hoe zij de goden konden behagen en aldus hun wenschen vervuld konden zien. De Grieken, die leefden in de dagen, waarin Homerus geacht werd zijn heldendichten te hebben gezongen, plachten samen te spreken van de gouden tijden, toen de goden onder hen wandelden, en hun wel is waar somtijds leed berokkenden, maar hen dikwijls van goeden raad dienden en hen hielpen. Zij wisten, dat zij niet meer konden verwachten goden en godinnen te ontmoeten, als zij in de bosschen rondwandelden, en dus waren zij verplicht, om de bevelen en gedachten der goden te leeren kennen, te letten op teekenen en wenken der goden. Als een offer aan Zeus gebracht werd, dan beteekende het neerdalen van een bliksemflits, dat hij zich in het offer verheugde en het gebed zou verhooren. Een plotselinge storm was een teeken, dat Zeus vertoornd was. Vogels, die hoog in de lucht opvlogen, zouden naar hun meening de geheimen der goden hebben geleerd; van daar dan ook, dat de vlucht der vogels met groote zorg werd nagegaan.Er was echter een zekerder middel om den wil der goden te leeren kennen, en dat was, door een orakel te gaan raadplegen, of een plaats door de goden uitgekozen om hun wil bekend te maken. Er waren in Griekenland een aantal orakels, die meestal gelegen waren in woeste, onherbergzame en sombere streken, in de diepten van een bosch of te midden der moeilijkst te beklimmen rotsen of in de diepste afgronden. Het oudste orakel was dat van Zeus, in de nauwe vallei van Dodona in Epirus. Ieder die dat orakel wenschte te raadplegen, begon met giften te schenken aan de priesters. Zij droegen offers op, en luisterdendan toe, om te hooren, welk antwoord zou gegeven worden. De eenige geluiden, die werden gehoord, waren het gekir der duiven, het ruischen van den wind tusschen de takken der heilige eiken, of het gemurmel der beken aan hun voet; maar de priesters beweerden, dat zij die geluiden konden verstaan en verklaren. Er was geen vraag zóó gewichtig, of zij kon in Dodona worden beantwoord, en evenmin was eenige vraag daartoe te onbeduidend. Men verhaalt zelfs, dat Heracles naar Dodona is gegaan, om te vragen, wanneer zijn moeilijkheden tot een einde zouden komen; maar aan den anderen kant is het verhaal bekend van dien bezorgden huisvader, die ging vragen, of zijn verdwenen dekens en kussens verloren waren gegaan of gestolen waren.Delphische Sibylle.Delphische Sibylle.(Naar Michael Angelo).Het beroemdste orakel was dat van Apollo, te Delphi in Phocis. Hier was een diepe kloof in de rotsen van den Parnassus, en uit een spleet kwam een bedwelmende damp naar boven. De priesteres was op een drievoet gezeten, die over die spleet was geplaatst, en spoedig maakte het ontwijkende gas haar half bewusteloos. Zoodra dit het geval was, letten de priesters op al haar geprevel, en verklaarden dit aan hem, die gekomen was, om het orakel te raadplegen.Die priesters moesten heel wat geleerd hebben van alles wat er in de wereld omging; hun antwoorden toch waren buitengewoon spitsvondig en geslepen. Zij waren bijzonder bekwaam in het geven van hun antwoorden in zóódanige bewoordingen, dat die antwoorden zeer verschillend konden worden opgevat; en als de uitkomst niet overeenkwam metde verwachting van hem, die het orakel had geraadpleegd, konden zij altijd zeggen, dat het zijn eigen schuld was, daar hij het antwoord niet goed had opgevat. Zoo, bij voorbeeld, vroeg Croesus, de koning van Lydië: “Als ik een inval doe in Perzië, zal ik dan slagen in mijn onderneming?” Het antwoord luidde : “Als gij een inval doet in Perzië, zult gij een machtig rijk te gronde richten”; en dit was inderdaad het geval, maar het was zijn eigen rijk, en niet, zooals hij verwacht had, het Perzische rijk. Zoo was ook eens de vraag aan het orakel gesteld: “Is er iemand in de wereld, wijzer dan Socrates?” en het antwoord luidde: “Neen.” Toen de wijsgeer daarover een tijd lang had nagedacht, zeide hij: “Het orakel heeft gelijk. Niemand onzer weet, wat werkelijk goed en fatsoenlijk is, maar ik zie mijn onkunde in, terwijl dit bij anderen niet het geval is; daarom ben ik verstandiger dan deze.”Overal waar een orakel was, was ook een tempel gebouwd. Smeekelingen waren gewoon rijke geschenken aan die tempels te brengen, en daardoor waren deze zeer rijk; dit was vooral het geval te Delphi. Alle Grieken beschouwden die orakels als heilig, en ten einde te vermijden, dat die tempels, met hun grooten rijkdom aan schatten, schade zouden lijden, begonnen groepen van steden zich te vereenigen, om in staat te zijn, die tempels te beschermen, als de noodzakelijkheid daartoe zich voordeed. Die genootschappen werden “Amphictyonen” of “groepen naburen” genoemd. De Delphische amphictyone was, zooals ook te verwachten was, de sterkste van alle. Deze was samengesteld uit twaalf stammen, die alle woonden ten noorden van de landengte van Corinthe. Zij waren overeengekomen den tempel van Apollo te Delphi te beschermen, en iedereen te bestraffen, die zou trachten de schatten uit dien tempel te stelen. Zij droegen eveneens zorg voor de wegen, die naar den tempel leidden; en als iemand het waagde de smeekelingen te hinderen, die op weg daarheen waren, had hijmet de geheele Delphische amphictyone rekening te houden. In weerwil van die verbintenis behielden de stammen toch het recht, elkander, zoo zij dit verkozen, te beoorlogen, maar zij verbonden zich onderling, om, als zij met elkander in oorlog waren, elkanders steden niet te zullen verwoesten, of niet te zullen trachten, die steden van stroomend water af te snijden; dit was trouwens een belangrijke vooruitgang in vergelijking met de gewone wijze van oorlog voeren in die dagen, toen men meende, dat ieder middel, om een vijand te overwinnen, gewettigd en gewenscht was.Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.De Amphictyonen droegen er veel toe bij, dat de Grieken het gevoel hadden, van één en hetzelfde ras te zijn, en dat zij, zelfs wanneer zij twistten, toch tot dezelfde familie behoorden. Dit gevoel werd nog hierdoor versterkt, dat zij dezelfde taal spraken. Een andere band, die hen veel steviger onderling verbonddan met de “barbaren”, waren de “spelen”, waarin alleen Grieken mochten mededingen. Zelfs in de dagen van Homerus, en niemand weet hoeveel vroeger reeds, geloofden de Grieken, dat de goden met genoegen toeschouwers waren bij athletische spelen; en daarom waren bij alle eenigszins uitgebreide feesten ter eere van een godheid, de kampspelen even belangrijk als de offers. Vier van die feestelijke spelen werden beroemd, en de spelen, te Olympia gehouden ter eere van Zeus, waren het beroemdst van alle. In latere tijden werden, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen uiteenzetten, verschillende soorten van wedstrijden gehouden, maar de wedloopen waren altijd de gewichtigste gebeurtenis; in de vroegste tijden waren zij zelfs de eenige wedstrijden. In het jaar 776 vóór Christus begonnen de Grieken de namen der overwinnaars op te teekenen. Met dien datum eindigen de mythische tijden, en van die periode af dagteekent de werkelijke geschiedenis van Griekenland.Grieksche vaas.

Zooals wij hebben opgemerkt, weten wij niet veel van hetgeen in Griekenland in de oudste tijden gebeurde, welke oorlogen de Grieken voerden of welke volksstammen zij overwonnen. Wij weten wel echter, hoe zij leefden, hoe zij zich vermaakten, en wat zij over verschillende onderwerpen dachten; en dit is toch veel merkwaardiger en belangrijker dan het overige.

Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).

Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).

Indien gij het huis van één der Grieksche vorsten uit de oudste tijden waart binnengetreden, dan zoudt gij eerst gekomen zijn aan een hoogen, dikken steenen muur met een stevige, openslaande deur. Als de deur was opengeslagen, en gij in den hof waart binnengestapt, zou een groote hond uit zijn hok zijn gesprongen, om te zien, of hij, even goed als zijn meester, van oordeel was, dat gij mocht worden toegelaten. Als de meester een vermogende vorst was, kon het zijn, dat hij geen werkelijken hond had, maar het beeld van een hond, van goud of zilver vervaardigd.

Huisdeur.Huisdeur.

Huisdeur.

Dicht bij de poort stonden steenen banken, gebeeldhouwd en gepolijst, waarop men kon gaan zitten praten. Verder op in den hof waren stallen voor de paarden en de ossen, en voor de wagens, en evenzoo plaatsen voor zwijnen, ganzen en schapen. De hof was groot genoeg voor een tuin en zelfs voor een boomgaard met peren- appel- vijgen- en olijfboomen. In werkelijkheid was het huis met zijn hof en stevigen muur als het ware een versterkt dorp. Er was natuurlijk ook een fontein; en door den overvloed aan water, de kudden kleinvee en runderen, en het graan, dat in voorraadschuren was opgehoopt, kon zulk een plaats een langdurig beleg uithouden, zonder dat er sprake was van uithongeren.

Oude Grieksche vaas.Oude Grieksche vaas.

Oude Grieksche vaas.

De woning zelf bevatte gaanderijen en pilaren en een aantal vertrekken. Er was nog een tweede verdieping, en daar was een voorraadkamer, waar de schatten van den vorst werden bewaard. Daar was geen geld in; immers de oude Grieken hadden geen gemunt geld; zij telden de waarde hunner bezittingen in ossen. Een slaaf was bij voorbeeld van vier tot twintig ossen waard. Er was echter overvloed aan edele metalen in andere vormen dan geld; immers er waren vazen, kommen, bekers en schotels van stevig goud en zilver. Zij hadden sierlijke en schoone vormen, immers de Grieken schepten er zóózeer behagen in, om alles om zich heen liefelijk voor het oog te hebben, dat zelfs het meest gewone aarden vat dikwijls een rand had, die schoon genoeg was voor een zilveren vaas; somtijds was er een dans van faunen op geschilderd of een wedloop, of Jason met zijn vijftig metgezellen, op het punt de Gouden Vacht te gaan halen. In die voorraadkamer wareneveneens groote houten kisten, versierd met goud, zilver en ivoor, en in die kisten werden kostbare kleederen en mantels en vloerkleeden en fijn linnen en geweven dekkleeden voor de banken en bedden bewaard. Er waren verschillende soorten van armbanden en halskettingen; en, wat nog meer waard was dan al die kostbaarheden, er werden daarin de zwaarden en speren en messen en bogen en pijlen bewaard, waarmede de vorst en zijn manschappen hun schatten beschermden, indien de woning door vijanden werd aangevallen. Het metaal, waarvan de wapenen gemaakt waren, was somtijds brons en somtijds koper; maar het koper was op de ééne of andere wijze, die wij niet kennen, hard gemaakt.

De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.

De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.

De vorsten, die in zoodanige huizen woonden, hadden slaven, van wie sommige in den oorlog waren gevangen genomen en andere uit hun huizen waren geroofd; maar de meesters ontzagen zich evenmin met eigen handen te werken als de arme lieden, die in hun hutten leefden. Homerus verhaalt ons, dat de koninklijke Odysseus zijn eigen legerstede vervaardigde; en één van de aardigste verhalen van den dichter is dat vande schoone jonge prinses Nausicaä, die uittrekt met hare vriendinnen en een mand met voedsel naar den oever der rivier, om hare kleederen te wasschen, en om daarna met hare vriendinnen met den bal te spelen, even vroolijk en uitgelaten als ieder ander meisje, dat niet van vorstelijken bloede was, dat zoude doen. Het is jammer, dat wij onmogelijk kunnen nagaan, wat was medegenomen in die mand, die, zooals Homerus het uitdrukte, “alle soorten van voedsel bevatte, die het hart begeert.” Er moeten lekkernijen in zijn geweest, die uitsluitend bereid waren, om de jonge meisjes te bekoren, immers zelfs op de groote feesten schenen er niets dan de eenvoudigste spijzen te worden opgedischt, nauwelijks iets anders dan brood en vleesch. De Grieken begeerden evenmin als eenig ander volk honger te lijden; maar als zij naar een feest gingen, dachten zij minder aan de spijzen, die hun zouden worden voorgelegd, dan aan de medegasten, met wie zij onderhoudende gesprekken konden voeren.

Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)

Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)

Indien het ons mogelijk was, een blik te slaan op één van hun feestmalen, zouden wij een vertrek zien, vol met gasten, en met bedienden, die daar kleine tafeltjes zouden plaatsen, die niet meer ruimte aanboden dan voor één persoon. Voor ieder dier tafeltjes werd een stoel geplaatst, en de gasten namen hun zitplaatsen in. Daarna werden groote stukken vleesch binnengebracht,en vóór den voorsnijder geplaatst, die het vleesch in heel kleine hapjes sneed, wat inderdaad een hoogst noodzakelijk iets was, immers in die dagen had men nog geen vorken, zoodat men de spijzen in de handen moest nemen en zoo aan den mond moest brengen. Voor ieder der gasten werd een schotel met vleesch geplaatst, en daarna werden manden met brood rondgegeven. De dranken bestonden uit wijn, maar dikwijls werd in den beker driemaal zooveel water als wijn geschonken. De wijn werd eerst geboden aan de oudsten der gasten, zelfs al was hij slechts een gewoon burger, en al waren er jonge prinsen onder de gasten. Het werd als iets onbehoorlijks beschouwd te veel te drinken; immers de Grieken hadden een grooten afschuw van een dronken man, en niets werd als een grooter beleediging beschouwd dan iemand te verwijten, dat hij te veel wijn had gedronken. Natuurlijk was ook de zanger aanwezig, en hij was steeds een hoogst welkome gast. Homerus beschrijft zijn ontvangst in de volgende bewoordingen:

Een Grieksche Zanger.Een Grieksche Zanger.

Een Grieksche Zanger.

“De dienaar kwam nader en leidde den gevierden zanger binnen. De muze had hem zeer lief gehad en had hem goed en kwaad geschonken: zij had hem het gezicht benomen, maar had hem den heerlijken zang geschonken. Pontonöus plaatste voor hem onder de feestgenooten een zetel met zilveren knoppen beslagen, die steunde tegen een hoogen pilaar, enhing de schoon gestemde lier aan een pen boven zijn hoofd, en de dienaar wees hem, hoe hij er met zijn handen bij kon komen. Naast hem plaatste hij een mandje en een schoone tafel, en daarop zette hij een beker wijn om te drinken, zoo dikwijls zijn gemoed hem daartoe aandreef.”

Indien een vreemdeling verscheen en om voedsel vroeg, werd hij als een vriend behandeld, en niemand vroeg er naar, wie hij was of waarheen hij ging, voordat hij gegeten had van alles wat hij begeerde. Zelfs als iemands ergste vijand aan zijn deur kwam met een olijftak in zijn hand, of het huis binnentrad en aan den haard nederknielde, moest hem voedsel en een beschutting worden verleend, en niemand mocht hem eenig nadeel berokkenen.

Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.

Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.

De kinderen uit den ouden Griekschen tijd gingen niet naar school. Waarom zouden zij naar school gaan, als de voornaamste plicht van een meisje was, te leeren de huishouding te besturen zooals haar moeder dat deed; en van een jongen, te leeren, hoe hij later het werk zou kunnen doen, dat nu zijn vader deed? Daarom ging het meisje met de moeder het huis rond, en leerde zij, hoe dit moest worden bestuurd en hoe zij de slaven en slavinnen kon leeren, op welke wijze zij hun werk moesten verrichten. Zij moest natuurlijk leeren spinnen en weven, en ook zingen en dansen. Ook de jongens moesten leeren zingen en dansen; maar zij moesten ook leeren zorgen voor de kudden groot en klein vee, zij moesten het land leeren bebouwen en de wapenen hanteeren. Het was volstrekt niet noodig, lezen of schrijven te leeren, want er was weinig of niets te studeeren. De geheele rekenkunde bestond uit het tellen van het aantal dieren, die men te verzorgen had. Degeschiedenis bestond alleen uit mythen en legenden, die niet moeilijker te onthouden waren dan de meeste sprookjes. Ook de aardrijkskunde moet op de Grieksche jeugd uit die dagen den indruk hebben gemaakt van een sprookje; immers de oude Grieken waren van meening, dat de aarde een vlakte was, waar omheen de Oceaan, een breede rivier, voortdurend stroomde. Aan gene zijde van dien stroomenden oceaan was duisternis, en ook een ongehoord aantal vreeselijke monsters. De hemel boven hen bestond uit twee reusachtige koepels; de ééne, die helder was, was over dag boven het hoofd; de donkere sloot des nachts het licht uit. De Grieksche kinderen kenden natuurlijk ook verschillende spelen, en sommige kwamen overeen met die, welke tegenwoordig nog gespeeld worden. Eén dier spelen heette het “vijfsteentjesspel”. Daarbij wierp het kind vijf steentjes in de hoogte en trachtte zooveel mogelijk daarvan op de buitenzijde van zijn hand op te vangen. De steentjes, die op den grond vielen, mocht hij oprapen, maar dan mocht hij de andere niet weer laten vallen.

Een Grieksche Knaap.Een Grieksche Knaap.

Een Grieksche Knaap.

De Grieken genoten van het leven, en beschouwden den dood als het einde van al hun genoegens. Zij geloofden in de onsterfelijkheid van den mensch, maar zij verwachtten niet, in het leven hier namaals gelukkig te zijn. Groote helden werden wel is waar overgebracht naar een prachtige plaats, de Elyseesche velden genaamd, die ver in het westen gelegen waren, dicht bij den stroomenden oceaan. Homerus zeide er van: “Daar is geen sneeuw, geen lange winter, geen regen; maar de stroomende oceaan zendt den luidklinkenden en hardblazendenwestenwind, om de menschen koelte te brengen.”Daar bleven de helden zich bezighouden met alles, waarmede zij op aarde zich het liefst hadden beziggehouden, en daar genoten zij alle mogelijke genoegens; maar een zoodanig geluk was de gewone menschen niet beschoren. Zij verwachtten, dat zij gezonden werden naar een droevige en sombere plaats, de Hades genaamd. Daar zouden zij zich het licht der zon blijven herinneren, en er naar verlangen, dat licht terug te zien; zij zouden zich hun vrienden en woonplaatsen voor den geest halen, maar als het ware slechts in een droom. Niets zou wezenlijk schijnen, en alles zou zich somber en vreugdeloos voordoen. Zij zouden daar eeuwig ronddwalen als schimmen in de sombere schemering, en daar niets te hopen, niets te genieten hebben.

Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).

Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).

Daar dus de Grieken geen geluk na den dood verwachtten, verlangden zij er des te meer naar, zooveel mogelijk te genieten tijdens hun leven. Zij meenden, dat de goden de macht hadden, hun alles te schenken wat zij wenschten, als ten minste de schikgodinnen het niet verboden; daarom aanbaden zij haar, ten einde gunsten voor zich zelf te verwerven. Niet dikwijls dachten zij zich de goden als wezens beter dan de menschen, maar alleen als wezens, die machtiger waren dan de stervelingen. Ouders zeiden niet tot hun kinderen: “Zeus is goed, en daarom moet gij uw best doen hem te evenaren”; maar wel zeiden zij: “Zeus kan u alles schenken wat gij wenscht, en daarom moet gij hem offers brengen.”Zij waren overtuigd, dat de ééne godheid demacht had, te zorgen, dat men veilig van een lange reis terugkeerde; dat een andere godheid herstel van een ernstige ziekte kon schenken; een andere de overwinning over vijanden; en daarom baden zij tot dien god, van wien zij het ’t waarschijnlijkst achtten, dat hij juist die gunst zou verleenen, die zij begeerden.

Het was een hoogst gewichtige vraag, hoe zij de goden konden behagen en aldus hun wenschen vervuld konden zien. De Grieken, die leefden in de dagen, waarin Homerus geacht werd zijn heldendichten te hebben gezongen, plachten samen te spreken van de gouden tijden, toen de goden onder hen wandelden, en hun wel is waar somtijds leed berokkenden, maar hen dikwijls van goeden raad dienden en hen hielpen. Zij wisten, dat zij niet meer konden verwachten goden en godinnen te ontmoeten, als zij in de bosschen rondwandelden, en dus waren zij verplicht, om de bevelen en gedachten der goden te leeren kennen, te letten op teekenen en wenken der goden. Als een offer aan Zeus gebracht werd, dan beteekende het neerdalen van een bliksemflits, dat hij zich in het offer verheugde en het gebed zou verhooren. Een plotselinge storm was een teeken, dat Zeus vertoornd was. Vogels, die hoog in de lucht opvlogen, zouden naar hun meening de geheimen der goden hebben geleerd; van daar dan ook, dat de vlucht der vogels met groote zorg werd nagegaan.

Er was echter een zekerder middel om den wil der goden te leeren kennen, en dat was, door een orakel te gaan raadplegen, of een plaats door de goden uitgekozen om hun wil bekend te maken. Er waren in Griekenland een aantal orakels, die meestal gelegen waren in woeste, onherbergzame en sombere streken, in de diepten van een bosch of te midden der moeilijkst te beklimmen rotsen of in de diepste afgronden. Het oudste orakel was dat van Zeus, in de nauwe vallei van Dodona in Epirus. Ieder die dat orakel wenschte te raadplegen, begon met giften te schenken aan de priesters. Zij droegen offers op, en luisterdendan toe, om te hooren, welk antwoord zou gegeven worden. De eenige geluiden, die werden gehoord, waren het gekir der duiven, het ruischen van den wind tusschen de takken der heilige eiken, of het gemurmel der beken aan hun voet; maar de priesters beweerden, dat zij die geluiden konden verstaan en verklaren. Er was geen vraag zóó gewichtig, of zij kon in Dodona worden beantwoord, en evenmin was eenige vraag daartoe te onbeduidend. Men verhaalt zelfs, dat Heracles naar Dodona is gegaan, om te vragen, wanneer zijn moeilijkheden tot een einde zouden komen; maar aan den anderen kant is het verhaal bekend van dien bezorgden huisvader, die ging vragen, of zijn verdwenen dekens en kussens verloren waren gegaan of gestolen waren.

Delphische Sibylle.Delphische Sibylle.(Naar Michael Angelo).

Delphische Sibylle.

(Naar Michael Angelo).

Het beroemdste orakel was dat van Apollo, te Delphi in Phocis. Hier was een diepe kloof in de rotsen van den Parnassus, en uit een spleet kwam een bedwelmende damp naar boven. De priesteres was op een drievoet gezeten, die over die spleet was geplaatst, en spoedig maakte het ontwijkende gas haar half bewusteloos. Zoodra dit het geval was, letten de priesters op al haar geprevel, en verklaarden dit aan hem, die gekomen was, om het orakel te raadplegen.

Die priesters moesten heel wat geleerd hebben van alles wat er in de wereld omging; hun antwoorden toch waren buitengewoon spitsvondig en geslepen. Zij waren bijzonder bekwaam in het geven van hun antwoorden in zóódanige bewoordingen, dat die antwoorden zeer verschillend konden worden opgevat; en als de uitkomst niet overeenkwam metde verwachting van hem, die het orakel had geraadpleegd, konden zij altijd zeggen, dat het zijn eigen schuld was, daar hij het antwoord niet goed had opgevat. Zoo, bij voorbeeld, vroeg Croesus, de koning van Lydië: “Als ik een inval doe in Perzië, zal ik dan slagen in mijn onderneming?” Het antwoord luidde : “Als gij een inval doet in Perzië, zult gij een machtig rijk te gronde richten”; en dit was inderdaad het geval, maar het was zijn eigen rijk, en niet, zooals hij verwacht had, het Perzische rijk. Zoo was ook eens de vraag aan het orakel gesteld: “Is er iemand in de wereld, wijzer dan Socrates?” en het antwoord luidde: “Neen.” Toen de wijsgeer daarover een tijd lang had nagedacht, zeide hij: “Het orakel heeft gelijk. Niemand onzer weet, wat werkelijk goed en fatsoenlijk is, maar ik zie mijn onkunde in, terwijl dit bij anderen niet het geval is; daarom ben ik verstandiger dan deze.”

Overal waar een orakel was, was ook een tempel gebouwd. Smeekelingen waren gewoon rijke geschenken aan die tempels te brengen, en daardoor waren deze zeer rijk; dit was vooral het geval te Delphi. Alle Grieken beschouwden die orakels als heilig, en ten einde te vermijden, dat die tempels, met hun grooten rijkdom aan schatten, schade zouden lijden, begonnen groepen van steden zich te vereenigen, om in staat te zijn, die tempels te beschermen, als de noodzakelijkheid daartoe zich voordeed. Die genootschappen werden “Amphictyonen” of “groepen naburen” genoemd. De Delphische amphictyone was, zooals ook te verwachten was, de sterkste van alle. Deze was samengesteld uit twaalf stammen, die alle woonden ten noorden van de landengte van Corinthe. Zij waren overeengekomen den tempel van Apollo te Delphi te beschermen, en iedereen te bestraffen, die zou trachten de schatten uit dien tempel te stelen. Zij droegen eveneens zorg voor de wegen, die naar den tempel leidden; en als iemand het waagde de smeekelingen te hinderen, die op weg daarheen waren, had hijmet de geheele Delphische amphictyone rekening te houden. In weerwil van die verbintenis behielden de stammen toch het recht, elkander, zoo zij dit verkozen, te beoorlogen, maar zij verbonden zich onderling, om, als zij met elkander in oorlog waren, elkanders steden niet te zullen verwoesten, of niet te zullen trachten, die steden van stroomend water af te snijden; dit was trouwens een belangrijke vooruitgang in vergelijking met de gewone wijze van oorlog voeren in die dagen, toen men meende, dat ieder middel, om een vijand te overwinnen, gewettigd en gewenscht was.

Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.

Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.

De Amphictyonen droegen er veel toe bij, dat de Grieken het gevoel hadden, van één en hetzelfde ras te zijn, en dat zij, zelfs wanneer zij twistten, toch tot dezelfde familie behoorden. Dit gevoel werd nog hierdoor versterkt, dat zij dezelfde taal spraken. Een andere band, die hen veel steviger onderling verbonddan met de “barbaren”, waren de “spelen”, waarin alleen Grieken mochten mededingen. Zelfs in de dagen van Homerus, en niemand weet hoeveel vroeger reeds, geloofden de Grieken, dat de goden met genoegen toeschouwers waren bij athletische spelen; en daarom waren bij alle eenigszins uitgebreide feesten ter eere van een godheid, de kampspelen even belangrijk als de offers. Vier van die feestelijke spelen werden beroemd, en de spelen, te Olympia gehouden ter eere van Zeus, waren het beroemdst van alle. In latere tijden werden, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen uiteenzetten, verschillende soorten van wedstrijden gehouden, maar de wedloopen waren altijd de gewichtigste gebeurtenis; in de vroegste tijden waren zij zelfs de eenige wedstrijden. In het jaar 776 vóór Christus begonnen de Grieken de namen der overwinnaars op te teekenen. Met dien datum eindigen de mythische tijden, en van die periode af dagteekent de werkelijke geschiedenis van Griekenland.

Grieksche vaas.


Back to IndexNext