Hoofdstuk IV.

Hoofdstuk IV.Hoe de Spartanen macht verkregen.Indien de aardrijkskundige toestand van Griekenland anders geweest was, zou ook de geschiedenis der Grieken zich geheel anders hebben ontwikkeld dan inderdaad het geval is geweest. Het land was samengesteld uit rijen bergen en onzichtbare valleien. Het was niet gemakkelijk, die bergen over te trekken, en daarom waren er bijna evenveel nietige rijkjes als er valleien waren. De bevolking van ieder dier valleien had haar eigen landje en haar eigen zeden en gewoonten lief, en de Grieken zouden tevreden geweest zijn te huis te blijven, als de zee er niet was geweest; maar deze omspoelde Griekenland aan drie kanten, haar weg zoekend naar het binnenland in scherpe nauwe inhammen. In welke richting zij zich ook bewogen, zij waren nooit meer dan ongeveer zeventig kilometers van den oceaan verwijderd. De valleien riepen hun “halt” toe, maar de oceaan lokte hen steeds aan, verder te gaan.Er waren niet veel goede havens op de westkust van Griekenland, maar er waren er verscheidene op de oostkust. Bovendien, als de Grieken op de oostkust stonden en over het water heenzagen, konden zij dichtbij en in de verte eilanden zien, die ieder afzonderlijk haar tot een bezoek uitlokten. Als zij het ééne eiland bereikt hadden, waren er altijd weer andere, die iets verder verwijderd waren; het was dus voor hen uiterst gemakkelijk, hun weg te vinden over de Aegeïsche Zee naar Klein-Azië. Er was dus aan den éénen kant reden, waarom de Grieken niet hun geheele land, maar iedere stam zijn eigen hoekje moet hebben lief gehad; en aan den anderen kant, waarom zij er lust in gehad moesten hebben, reizen te makenen koloniën in andere landen te vestigen, en voornamelijk in oostelijke richting.Griekenland was een bijzonder mooi land. De zee was blauw en fonkelend; de bergen waren niet altijd bedekt met groene wouden, maar de harde gesteenten der bergtoppen teekenden zich scherp en duidelijk in rood en grijs tegen de lucht af. De rivieren stroomden snel, en verdwenen dikwijls in de diepte uit het gezicht in een kloof of onderaardschen doorgang, en kwamen weer in de ééne of andere min of meer verwijderde plaats borrelend te voorschijn. Het is dus niet te verwonderen, dat de Grieken die rivieren als levende wezens voorstelden, en gewoon waren offers te plengen bij het bouwen van een brug, opdat de stroomgod niet vertoornd mocht worden. In sommige gedeelten van het land vond men prachtige oude bosschen met eiken-,beuken- en kastanjeboomen; er waren olijf- en vijgeboomen; er waren verschillende soorten van bloemen, rozen, violen, krokussen, geraniums, narcissen, heliotropen en anemonen. Langs de rivieren groeiden oleanders; niet kleine heestertjes, maar echte boomen, met hun rooskleurige bloesems weerspiegelden zich in het water. Dat alles was zóó schoon, dat het in de Grieken den zin voor schoonheid op natuurlijke wijze ontwikkelde. In Attica hield een rij bergen de koude der noordenwinden tegen, terwijl de zeewind uit het zuiden en het oosten het land in den zomer koeler en in den winter warmer maakte. Een groot gedeelte van Griekenland had evenals Attica een helderen, schitterenden hemel, en was warm genoeg, om de bevolking in staat te stellen, het grootste gedeelte van hun tijd buitenshuis door te brengen.Het is dus niet te verwonderen, dat de Doriërs, die ver in het noorden woonden, van dat prachtige land hoorden, en vurig begeerden daar te wonen; zij trokken dan ook naar het zuiden, om het te ontrukken aan de bevolking, die het in bezit had, namelijk de Achaeërs en de Joniërs. Dit is de beteekenisvan het verhaal omtrent den terugkeer der Heracliden. De Achaeërs en de Joniërs waren niet sterk genoeg, om de Doriërs te verdrijven; van daar, dat velen van hen hun vaderland verlieten en kolonies stichtten op de kusten van Klein-Azië en de in de nabijheid daarvan gelegen eilanden. Dit geschiedde niet in eens; het proces duurde een reeks van jaren voort. Ten slotte kwamen berichten uit Griekenland terug, dat de landen, waar de kolonisten heengegaan waren, zelfs nog vruchtbaarder waren dan de Peloponnesus; en van dien tijd af begonnen zelfs sommige Doriërs koloniën te stichten op de kust van Klein-Azië en in Creta.Sparta.Sparta.Toen de Doriërs in den Peloponnesus kwamen, bevonden zij zich in een vrij moeilijken toestand. Zij waren krachtig, onverschrokken en oorlogszuchtig, en zij slaagden er in, een groot aantal koloniën te stichten; maar het aantal oorspronkelijke kolonisten was tienmaal zoo groot als hun eigen getal. De voornaamste stad der Doriërs was Sparta in Laconië, maar zelfs nadat zij het land hadden veroverd, waren zij in voortdurend gevaar voor de oude bewoners. Er waren van deze twee soorten: de Perioeki, wien wel werd toegestaan hun bezittingen te houden, maar die niets hadden in te brengen op het gebied van wetgeving; en de Heloten, of slaven. Men zegt, dat de Heloten behoord hadden tot de stad, die het langst den strijd tegen de Spartanen had volgehouden, en datde veroveraars in hun toorn verklaard hadden, dat de Heloten ten eeuwigen dage slaven zouden zijn. Die Heloten haatten hun meesters zóózeer, dat de bevolking van Sparta placht te zeggen: “Een Heloot zou met alle genoegen een Spartaan rauw willen opeten.”De Spartanen waren van hun kant blijde, dat zij slaven voor hun werk hadden; maar zij waren altijd eenigszins bevreesd, dat de Heloten zich tegen hen zouden vereenigen, en zij aarzelden geen oogenblik, iedereen ter dood te brengen, van wien zij meenden, dat hij een leider van het volk zou kunnen worden.Laconië was een land, dat gemakkelijk kon worden verdedigd, immers er waren bergen aan de oost- noord- en zuidzijde. Aan de oost- en de noordzijde waren er slechts twee of drie passen, waardoor een leger zonder groote moeilijkheid kon worden gevoerd, en aan de westzijde lag het veroverde land Messenië. Sparta was dus een natuurlijke vesting. Toch waren de Spartanen slechts een kleine volksstam te midden van vijanden, en de vraag was, hoe zij er voor konden zorgen, dat zij zeker waren, nooit door hun naburen te kunnen worden overvallen. Zij kwamen tot de overtuiging, dat daartoe slechts één weg openstond, en wel als zij den geheelen volksstam tot één leger maakten. Natuurlijk hadden de Grieken, wier verbeeldingskracht zoozeer ontwikkeld was, een verhaal, hoe dit in zijn werk was gegaan. Zij zeiden, dat in den eersten tijd hunner geschiedenis een zekere Lycurgus benoemd was tot voogd over hun koning, die toen nog in de kinderjaren verkeerde. Het volk bewees hem zóó hooge eer, dat zijn vijanden ijverzuchtig werden en het gerucht verspreidden, dat hij voornemens was de kroon te bemachtigen. Hij was daarover verontwaardigd en zeide tot het volk: “Ik zal het land verlaten en wegblijven totdat de koning volwassen is.”Hij had zijn vaderland echter lief, en gedurende al de jaren, die zijn ballingschap duurde, bezocht hij verschillende rijken, om na te gaanhoe zij hun macht hadden verkregen of waardoor zij verzwakt waren. Telkens weder, en wel met korte tusschenpoozen, zonden de Spartanen boden naar hem toe, die er op aandrongen, dat hij zou terugkeeren; ten slotte gaf hij aan dien aandrang gehoor, zijn geest vol plannen, hoe hij zijn land machtig zou kunnen maken. Onderweg was hij ook in Delphi geweest en had hij Apollo gevraagd, of hij wel bekwaam genoeg was om voor zijn volk verstandige wetten te maken. Het antwoord luidde: “De wetten, die gij van plan zijt te maken, zullen de beste zijn in de geheele wereld.”Natuurlijk hield hij dit niet geheim, en toen hij Sparta bereikte, vond hij daar een groot aantal menschen, die bereid waren alles wat hij voorstelde goed te keuren. De koning, die bij zijn vertrek nog een kind was, was volwassen geworden en had den troon in bezit genomen, of liever de helft van den troon; immers het was bij de Spartanen de gewoonte, twee koningen te hebben. Deze instelling schijnt niet veel practisch nut te hebben gehad; de ééne koning toch was veel te zachtzinnig en te toegevend, en kon er niet toe komen, misdadigers te straffen; het gevolg was, dat beide koningen het nooit met elkander eens waren, en zoo werd hun macht met den dag geringer. Zij hoopten, dat Lycurgus die macht zou versterken, en daarom heetten zij hem hartelijk welkom. Het geheele stadje was daarna in gespannen verwachting, wat de wijze man zou doen.Ten eerste liet hij een senaat, uit dertig leden bestaande, kiezen. Zij werden genomen uit de oudere mannen en werden voor hun leven gekozen. Vijf ephoren of opzichters (dwarskijkers) werden eveneens gekozen, doch vervulden hun betrekking slechts gedurende één jaar. In hun hand was in werkelijkheid het bestuur van den staat gelegen, want zij konden zelfs de koningen tot verantwoording roepen, zoo dikwijls zij dit noodig achtten; in belangrijke gevallen traden zij als rechters op; en zij beslisten, of er oorlog of vrede zoude zijn. Dekoningen waren leden van den senaat, en in oorlogstijden stonden zij aan het hoofd van het leger. Zij hadden slechts weinig minder macht dan de overige senatoren, maar zij moeten een veel rustiger leven gehad hebben dan vóór den terugkeer van Lycurgus, immers nu wisten zij volkomen, wat zij konden doen, en begrepen, dat zij steun zouden krijgen, als zij dat deden.Daarna hield Lycurgus zich bezig met een verdeeling van het land in gelijke deelen onder de burgers. Na veel onderhandelingen stemden zij daarin toe; maar toen hij voorstelde, het goud en zilver op dezelfde wijze te verdeelen, verzetten de rijkere burgers zich daartegen. Zij hadden echter een heerscher, die wist hoe hij op de ééne wijze kon verkrijgen wat hij wilde, als hij het niet op een andere wijze kon gedaan krijgen; en hij vaardigde eenvoudig een besluit uit, dat goud en zilver niet langer als geld zouden gerekend worden, maar dat daarvoor in de plaats ijzer zou worden gebruikt. Voor dat ijzer kon slechts weinig worden gekocht, immers de heerscher met zijn verzienden blik had er de hardheid aan ontnomen, zoodat het voor het dagelijksch gebruik ongeschikt was; en het was evenmin een bijzonder practische soort van schat om op te sparen, daar het zóó goedkoop was, dat men een bijzonder ruim vertrek niet volkomen kon vullen met een waarde van slechts enkele duizend guldens aan ijzer.Een Spartaansche voetknecht.Een Spartaansche voetknecht.Daarna nam Lycurgus maatregelen, om te zorgen, dat de Spartanen aan tafel geen lekkernijen gebruikten, en daarom liet hij ze allen, zoowel koningen als gewone burgers, in het publiek eten, en werden hun dezelfde gerechten voorgezet. Zelfs de meest hongerigen konden nauwelijks gesmuld hebben van hun maaltijden, als zij daaraan niet gewoon waren geraakt; immershet hoofdvoedsel was een zekere zwarte soep, die alleen de Spartanen eetbaar achtten. Een Athener, die eens die soep had geproefd, verklaarde, dat hij nu begreep, waarom de Spartanen zoo onbevreesd waren in den oorlog. “Zij wilden liever sterven,”zoo zeide hij, “dan te moeten leven van zulk een ellendig voedsel.”Ten einde te zorgen, dat de Spartanen hun huizen niet weelderig zouden inrichten met gouden bekers, helder gekleurde dekkleeden, of ledikanten met zilveren pooten, werd een wet uitgevaardigd, dat de zoldering gemaakt moest worden met geen ander gereedschap dan de bijl, en de deuren met geen ander werktuig dan de zaag. Lycurgus wist, dat de goede smaak van zijn landgenooten hen niet zou toestaan, kostbare meubels te brengen in een woning, waarvan de deuren niet goed zouden passen, en de zolderingen uit niets anders dan uit ruwe houtblokken zouden bestaan. Men verhaalt van een Spartaan, die in latere jaren gastvriendschap genoot in een schoone woning te Corinthe, en die naar de zoldering opkeek, welke uit zuiver glad gemaakte en schoon gesneden planken bestond, en die met een zekere minachting vroeg:“Groeien de boomen in uw land allemaal recht en vierkant?”Zoo kreeg Lycurgus zijn landgenooten er toe, eenvoudig en zonder eenige weelde te leven. Dit was nu voldoende, zoo dacht hij, voor het tegenwoordige, maar de geheele bevolking was vroeger aan een zekere weelde gewend geweest, en daarom was hij overtuigd, dat zij, zoodra hij gestorven was, langzamerhand weer zouden terugvallen in hun oude weelderige gewoonten. Hij wenschte een natie te doen opgroeien, die het niet alleen zou kunnen stellen zonder weelde, maar die er een heiligen afschuw van zou hebben; de eenige weg om dit te bereiken was, om aan te vangen met de kinderen.Dan zoude, als de jongens en meisjes volwassen geworden waren, Sparta bevolkt zijn met mannen en vrouwen, die altijdeenvoudig hadden geleefd en een minachting zouden hebben van een andere wijze van leven. Er was niet de minste twijfel aan, of zelfs een paar duizend van die mannen, voor den soldatenstand opgeleid, zouden in staat zijn, het in den strijd uit te houden tegen een heel wat grooter aantal van een vijandelijk leger. Om die reden vestigde hij veel meer zijn aandacht op de kinderen dan op de volwassenen. “Kinderen behooren aan den staat,”zoo zeide hij, “en de staat heeft behoefte aan mannen en vrouwen, die gezond en krachtig zijn.”Als dus een kind geboren was, deed een commissie van verstandige mannen een onderzoek, of het kind gezond was. Als het zwak of ziekelijk leek, werd het eenvoudig in een grot in de bergen geworpen, om daar te sterven. Als de commissie besliste, dat het kind naar alle waarschijnlijkheid tot een krachtig man zou opgroeien, werd het aan zijn vader en moeder teruggegeven. De knaap mocht slechts zeven jaar lang bij zijn ouders verblijf houden; na dien tijd moest iedere jonge knaap worden opgenomen in een groep jongens, die onder militaire tuchtstond. De jongen, die het dapperst leek, werd tot aanvoerder aangesteld, en de anderen hadden te gehoorzamen aan al zijn bevelen. Totdat de knapen twaalf jaar oud waren, liepen zij bijna naakt rond, opdat zij zouden gehard worden tegen elke weersverandering. Zelfs mochten zij na dien tijd niet meer dan één kleedingstuk dragen. Zij werden naar den oever der rivier gezonden om riet af te breken voor hun bedden. Als de winter aanbrak, werd het hun, als een groote weelde, toegestaan om wat dons over het riet te spreiden.Spartaansch soldaat, gereed voor den aanval.Spartaansch soldaat, gereed voor den aanval.Op den leeftijd van twaalf jaar werden de jongens gesteldonder toezicht van een jong man van twintig jaar, aan wiens bevelen zij moesten gehoorzamen. Dikwijls zond hij ze uit om voedsel of brandhout te halen; de bedoeling was, dat zij dit even listig zouden stelen, alsof zij waren in het land van den vijand. Als het hun gelukte, werden zij geprezen; maar als zij op heeterdaad werden betrapt, werden zij flink afgeranseld om hun onhandigheid. Na hun avondmaal riep hun leidsman hen dikwijls bijeen en legde hun verschillende proeven voor. Den éénen jongen beval hij dan “Zing een lied”. Tot een anderen jongen zeide hij: “Vertel mij, wie de beste staatsburger in de stad is”; of“hoe denkt gij over die daad?” De jongens moesten niet alleen op die vragen een antwoord geven, maar zij moesten ook voor hun antwoorden goede redenen opgeven; en indien zij dit niet naar behooren deden, hadden zij elke straf te ondergaan, die hun leidsman meenen mocht, dat zij verdiend hadden. Natuurlijk hielden de ouderen en magistraten streng toezicht op den jongen leidsman, en indien hij niet rechtvaardig en verstandig was opgetreden, werd hij, nadat de jongere knapen weggezonden waren, flink afgerost.Korte Zwaarden der Spartanen.Korte Zwaarden der Spartanen.De meisjes waren verplicht te rennen en te worstelen en schijven te werpen, maar werden niet half zoo streng behandeld als de knapen. Immers wat ook de knapen deden en waarheen zij gingen, steeds stond er iemand op wacht, om ze te straffen, als zij niet zoo goed oppasten, als men van hen mocht verwachten. Eén der redenen, waarom zij zoo dikwijls werden afgeranseld, was, dat zij zouden leeren, pijn licht te tellen. Minstens eenmaal werden de oudere knapen voor één der altaren gebracht en gegeeseld, en die knaap, die de pijn het langst uithield zonder te schreeuwen, ontving een prijs. Zij werden er zóó trotsch op, pijn te kunnen verdragen, dat somtijds eenjongen dood viel onder die geeseling, zonder eens te hebben geschreeuwd of zelfs maar gekreund.LycurgusLycurgus(in het Museum te Napels).Wat de studie betreft, de jongens werden onderwezen in muziek en poëzie en een weinig lezen, schrijven en rekenen; maar veel tijd werd besteed aan het onderwijs in het spreken. Men verwachtte van hen, dat zij zouden zwijgen, als zij niets te zeggen hadden; en als zij spraken, werd van hen geëischt, dat zij zoo weinig mogelijk woorden gebruikten en dat zij hun antwoorden scherp en puntig zouden formuleeren. Lycurgus zelf handelde in volkomen overeenstemming met zijn voorschriften. Toen een Athener bij een zekere gelegenheid schertste over de korte zwaarden der Spartanen, antwoordde hij: “En toch kunnen wij daarmede de harten onzer vijanden bereiken.”Toen men hem vroeg, of hij voornemens was een muur om Sparta te bouwen, antwoordde hij: “Die stad is goed versterkt, die een muur van mannen in plaats van een van steenen bezit.”Iemand vroeg een Spartaan, om naar iemand te komen hooren, die den slag van een nachtegaal kon nabootsen. “Ik heb den nachtegaal zelf gehoord,”was het antwoord. Die korte, puntige wijze van spreken ontleende daarom zijn naam aan dien van het land, en is van die dagen af tot op onzen tijd “lakoniek” genoemd.Na twintig jaren op die wijze te zijn geoefend, was de Spartaan gereed voor de taak van krijgsman; en hij meende, dat ieder ander beroep of iedere andere bezigheid beneden zijn waardigheid was. Zelfs op de taak van het bebouwen van zijn eigen akker zag hij met de grootste minachting neer. “Dat was het werk van Heloten,”beweerde hij.Op zekeren dag, nadat Lycurgus een oud man was geworden,riep hij het volk te zamen en zeide: “Er is nog één zaak, die noodig is voor het geluk van den staat. Die zaak is nog van veel meer gewicht dan alles wat geschied is; maar wat het is, kan ik niet vertellen, voordat ik uit Delphi ben teruggekeerd. Wilt gij plechtig zweren, dat gij aan de wetten zult gehoorzamen tot na mijn terugkomst?” Allen legden een plechtigen eed af, dat zij gehoorzaam zouden zijn, en daarna vertrok hij met zijn zoon en enkelen van zijn dierbaarste vrienden. Daar offerde hij aan Apollo en vroeg: “Zijn de wetten, die ik heb gemaakt en uitgevaardigd, voldoende om de deugd te bevorderen en het geluk van den staat te verzekeren?” “Zij zijn uitstekend, en de staat, die zich aan die wetten houdt, zal de meest roemrijke staat van de wereld zijn,”zoo luidde het antwoord. Lycurgus schreef dit orakel op en zond het naar Sparta; maar zelf keerde hij niet terug, daar hij het plan beraamd had te zorgen, dat de Spartanen zijn wetten eeuwig zouden in acht nemen. Hij bracht Apollo nog een laatste offer en nam afscheid van zijn zoon en zijn vrienden. Daarna weigerde hij alle voedsel en wachtte rustig en kalm den dood af. Nog één laatste verzoek deed hij. Het was dit, dat, nadat zijn lichaam zou zijn verbrand, de asch niet naar Sparta zou worden gebracht, maar in zee zou worden geworpen. “Dan” zoo sprak hij, “kan zeker niemand verklaren, dat ik ben teruggekeerd, en de Spartanen kunnen dan nooit beweren, dat zij van hun eed, om mijn wetten in stand te houden, zijn ontslagen.”Het lijkt veel waarschijnlijker, dat deze vreemde gewoonten eerst geleidelijk zich ontwikkelden, dan dat één enkel man de macht had, zijn landgenooten te dwingen, hun geheele manier van leven te veranderen. Hoe dat ook moge zijn, en hetzij een man als Lycurgus ooit heeft geleefd, hetzij niet, dit waren toch de zeden en gewoonten der Spartanen, en zij werden werkelijk een natie van krijgslieden. In Boeotië, een land, dat iets ten noorden van Sparta gelegen was, schreefeen dichter, Hesiodus, zijn ”Werken en Dagen”, een gedicht, waarin het kalme buitenleven werd beschreven, en de wijze, waarop op den juisten tijd het werk verricht werd, dat door het jaargetijde werd vereischt; maar de Spartanen zouden op dergelijke lessen met de grootste minachting hebben neergezien. Zij waren krijgslieden, en krijgsbedrijven waren voor hen een uitspanning. Als de vijand nabij was, offerde de koning een geit, de mannen deden bloemkransen om hun hoofd, de muzikanten speelden een marsch en het leger trok opgewekt en vroolijk op. Zij wisten, hoever zij de andere stammen als soldaten overtroffen, en liepen weinig gevaar verslagen te worden.Een legeraanvoerder.Een legeraanvoerder.Zij beschouwden oorlogen als een genot, maar het wil ons voorkomen, dat zij daarvan wel zooveel genoten hebben als zij konden verlangen. Hun eerste bezigheid was, zich in Laconië zóózeer te versterken, dat zij zich konden vrijmaken, om andere landen te veroveren. Dit gelukte hun, en daarna begonnen zij te denken aan de verovering van Messenië, het land, dat ten westen van Laconië lag. Het is niet te verwonderen, dat zij dat land begeerden, want het was het vruchtbaarste gedeelte in den Peloponnesus met heuvelen en grasland, overvloed van water en uitstekende weiden voor het vee. Na een langdurigen tijd van strijden namen de Spartanen Messenië in bezit. Dit staat ongetwijfeld vast, hoewel slechts weinig omtrent den oorlog zelf bekend is. Er is ons een verhaal overgeleverd, waarvan de waarheid niet meer is na te gaan,dat de zaken ten slotte zóó slecht stonden voor de Messeniërs, dat zij zich in Ithome opsloten en het orakel van Delphi raadpleegden, om te vragen, wat zij moesten doen. “Die stam, die het eerst honderd drievoeten plaatst op het altaarvan Zeus te Ithome, zal de overwinning behalen,” zoo sprak het orakel. De Messeniërs juichten daarom uitgelaten van vreugde, en gingen aan het werk, ten einde honderd houten drievoeten te vervaardigen. Ongelukkig voor hen, hadden ook de Spartanen bericht gekregen van het antwoord. “Wij zullen niet wachten met het maken van drievoeten van hout,”zoo spraken zij, “maar wij zullen ze van klei vervaardigen.” Het gevolg hiervan was, dat, terwijl de Messeniërs nog druk bezig waren met de vervaardiging van houten drievoeten, het een Spartaan gelukte op zekeren achtermiddag met een grooten zak op zijn rug in Ithome binnen te sluipen. Den volgenden morgen verloren de Messeniërs alle hoop, toen zij de Spartaansche drievoeten rondom het altaar geschaard zagen. Het duurde niet lang, of Ithome viel; de Spartanen hadden overwonnen. De Messeniërs mochten hun land behouden, maar moesten de helft van de opbrengst aan de veroveraars afstaan. Zij waren de slaven der Spartanen geworden.Het verhaal luidt verder, dat de kleinzonen van de verdedigers van Ithome heel wat jaren later besloten, zich niet langer de overheersching der Spartanen te laten welgevallen. Zij streden zóó dapper en woest, dat het spoedig de beurt van hun vijanden was, Apollo om raad te vragen. “Gij moet Athene vragen, om een aanvoerder te zenden,”zoo luidde het antwoord. Dit beviel de Spartanen wel niet, maar toch deden zij het verzoek. De Atheners, van hun kant, vonden het niet bijzonder aangenaam, Sparta te helpen, machtiger te worden, maar zij durfden Apollo niet ongehoorzaam te zijn. Eindelijk beraamden zij een plan, dat zij bijzonder listig uitgedacht vonden. Als aanvoerder zonden zij een man, Tyrtaeus genaamd, een schoolmeester van beroep, die totaal niets van krijgszaken afwist. Zij vergaten echter, dat Tyrtaeus tevens een dichter was; en terwijl zij zich verhieven op hun slimheid, maakte hij zóó uitstekende en luidklinkende oorlogszangenvoor de Spartanen, dat zij hun mismoedigheid totaal vergaten, maar opgewekt ten strijde trokken, onder het zingen van het volgende lied:“Komt, voeren wij den strijd voor kroost en vaderland,En sparen ’t leven niet, en vreezen niet den dood.Schept jongelingen moed, en houdt in ’t strijdperk stand,En treff’ u nooit de blaam, dat gij uit lafheid vloodt.”Ten slotte behaalden de Spartanen de overwinning; en zoo heerschten zij nu over het geheele zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus van zee tot zee.De Spartanen haastten zich in het minst niet, het oorlogvoeren te staken, en voordat vele jaren voorbij waren, vonden zij een voorwendsel, Arcadië binnen te vallen, de landstreek, die ten noorden van Laconië gelegen is. Er is een verhaal, dat de Messeniërs tijdens den oorlog eenige afdeelingen Arcadische soldaten hadden gehuurd, en dat de Arcadiërs, nadat de oorlog geëindigd was, enkelen der Messeniërs hadden toegestaan, zich in Arcadië te vestigen. Dit was voor de Spartanen een voldoende voorwendsel; daarom trokken zij uit met hun wapenen, kransen en oorlogszangen, en tevens met enkele ketenen, om daarmede de gevangenen te boeien, die zij zeker verwachtten te zullen maken.Arcadië was een rustige, liefelijke landstreek, met ruwe bergen en snel stroomende beken in het noorden, en frissche groene weilanden in het zuiden. De bevolking, die daar huisde, hield kudden groot en klein vee. Zij hielden van het fluitspel en leefden naar de oude, eenvoudige gebruiken. Zij hadden tevens de vrijheid lief, en zij waren krachtige bergbewoners; en zoo gebeurde het tot groote verbazing van de Spartanen, dat enkelen van hen met hun eigen ketenen werden geboeid. Wel wonnen de invallende troepen verschillendeoverwinningen, maar nooit konden zij het kleine bergachtige land werkelijk ten onder brengen. Beide legers ondervonden, dat ook aan de andere zijde dappere mannen streden, en daarom sloten ten slotte beide volken een verdrag, waarbij zij afspraken, elkander in den oorlog bij te staan. Sparta zou de leiding nemen op het slagveld, maar de Arcadiërs zouden steeds den linkervleugel, de eereplaats, bezetten.De grootste eer echter, die eenigen Griekschen volksstam kon te beurt vallen, was voor te zitten bij de Olympische spelen. Olympia lag in Pisatis, en in de eerste tijden waren de Pisatiërs de machtigsten. Doch na verloop van tijd overwonnen de bewoners van Elis de Pisatiërs in den oorlog, en met trots namen toen de bewoners van Elis den eersten rang in. Herhaaldelijk stonden de bewoners van Pisatis op, en zij vonden ten slotte een machtigen vriend in Pheidon, den heerscher van Argos; deze toch wenschte gaarne zijn macht in het westen uit te breiden. De Spartanen hadden er evenmin bezwaar in, hun macht uit te breiden; zij verdedigden de belangen van de bewoners van Elis, en behaalden de overwinning.Zoo werd Sparta een machtige staat. Tegen het midden der zesde eeuw vóór Christus, beheerschten de Spartanen het zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus; zij hadden een verbond gesloten met Arcadië en waren zeer bevriend met de bewoners van Elis. Tevens hadden zij de macht van Argos gefnuikt, den staat, die eertijds de machtigste van het schiereiland was geweest. De laatste slag werd geleverd bij Thyrea, welke stad door de Spartanen werd ingenomen; maar de bewoners van Argos leden eenige jaren later een nog veel ernstiger verlies. Zij waren voor de Spartanen gevlucht naar een gewijd boschje, en daar werden zij door hun vijanden omsingeld, die het boschje in brand staken. Twee derde gedeelten van hun geheele leger kwam om. Nog altijd beweerden zij, dat Argos een vrije stad was; maar de Spartanen trokken zich dit volstrektniet aan, daar Argos te zwak was geworden, om zich met hen te bemoeien.Dit is de geschiedenis van Sparta van de vroegste tijden af tot aan het midden van de zesde eeuw vóór Christus—de geschiedenis van een kleinen, zwervenden stam, die zijn weg vond in het gebied van zijn vijanden en wien het gelukte, het machtigste volk van het land te worden.Een Spinnende Vrouw.Een Spinnende Vrouw.Hoofdstuk V.De eerste dagen van Athene: de wetten van Solon.Sparta was de voornaamste staat van den Peloponnesus, en zelfs ten noorden van den Peloponnesus werd die beschouwd als de voornaamste van geheel Griekenland, die dan ook de leiding gaf. Hun voornaamste mededinger was Attica. Attica was een schiereiland, dat een lengte had van ongeveer 140 kilometers, en dat aan de noordzijde en de westzijde door bergen werd begrensd. Er waren enkele rivieren in dat land, maar zelfs de grootste van deze liep in den zomer bij warm weder droog. De grond was schraal en onvruchtbaar. De Grieken konden zich volkomen tevreden stellen met een maaltijd, bestaande uit een stuk brood, een beker wijn en een handvol olijven; maar zelfs deze konden in Attica lang zoo gemakkelijk niet verkregen worden als in den naburigen staat Boeotië; immers de bodem moest, om deze voort te brengen, met groote zorg worden bebouwd. Daar tegenover stond echter een groot voordeel, dat tegen die nadeelen ruimschoots opwoog, en dat was het heerlijke klimaat. Attica was in den winter warmer, en in den zomer koeler dan Boeotië. De lucht was zóó zuiver, dat verwijderde voorwerpen op veel grooteren afstand konden worden onderscheiden dan ergens anders. De hemel was zóó helder en schitterend, dat het een genot was daarin te staren, en zelfs al waren de bergen eenigszins kaal, de lucht gloeide zóó prachtig bij zonsondergang, dat de fijne vormen der toppen daartegen schitterend mooi uitkwamen. De bevolking was van Jonischen stam. Met zelfverheffing zeiden zij: “Nooit hebben vreemde veroveraars ons overwonnen. Wij zijn uit den grond zelf ontsproten.”Daarom droegen de Atheensche vrouwen zoo gaarne sieraden in den vorm van een krekel,—omdat men meende, dat ook de krekel uit den grond was geboren.Het Theseüm, zoals dit er thans uitziet. (Een tempel te Athene, waar, zooals de legende luidt, de overblijfselen van Theseus zijn begraven.)Het Theseüm, zoals dit er thans uitziet. (Een tempel te Athene, waar, zooals de legende luidt, de overblijfselen van Theseus zijn begraven.)Van Attica was in de vroegste tijden weinig bekend; maar daar er in dien staat geen slaven gevonden werden, was de meening waarschijnlijk juist, dat het land nooit door vreemdelingen was veroverd, maar dat de staat was gevormd uit een vereeniging van mannen van hetzelfde ras. De Grieken leefden in de overtuiging, dat die vereeniging was tot stand gebracht door den held Theseus, die eertijds hun koning was; en er loopen omtrent diens heldendaden ontelbare verhalen. Men verhaalde, dat hij niet alleen den Minotaurus had gedood, maar dat hij ook op een oorlogsexpeditie was uitgetrokken met Heracles, en dat hij met het schip Argo was uitgezeild om de Gouden Vacht te halen. Ook verhaalt men, dat hij zich als jongmensch zóó opgesmukt kleedde, met zijn sierlijke kleeren, zijn juweelen en zijn reukwerken dat eenige werklieden, die hij eens voorbij liep, eerst verbaasd bleven staan, en daarna lachten en zeiden; “Dat jonge meisje is oud genoeg om te trouwen; hoe komt het, dat zij zoo alleen langs de straten loopt?” Theseus hoorde dit gesprek, en om te toonen, dat hij werkelijk iets meer was dan een modegek, hield hij een kar tegen, die juist voorbij kwam, spande de ossen uit het juk en slingerde die over een tempel. Toen hij koning geworden was, noodigde hij, zoo luidt het verhaal, niet alleen menschen die in Attica woonden, maar zelfs vreemdelingen uit, huizen voor zich te doen bouwen in Athene. De stad was toen niets anders dan een troep kleine woningen op een groote rots met een breeden, vlakken top; maar het was een uiterst veilige plaats, daar het voor vijandenniet gemakkelijk zou zijn, om de rots te beklimmen en zoo de stad binnen te trekken. Theseus was volstrekt niet begeerig naar macht; immers toen de bewoners van de overige gedeelten van Attica aarzelden er in toe te stemmen, te worden geregeerd door een Atheensch vorst, zeide hij tot hen: “Als gij dit wilt doen, zal ik van mijn rechten afstand doen. Gij zult even goed koning zijn als ik, behalve dat ik waken zal over de handhaving der wetten, en als er oorlog komt, zal ik het leger aanvoeren.” Het is niet te verwonderen, dat zij toegaven aan een zoo edelmoedigen vorst. Theseus richtte een zuil op, om de plaats te bepalen, waar de grenzen van Attica begonnen. Daarna stelde hij schitterende feesten in ter eere van de vereeniging der Attische dorpen.De volgende beroemde koning was volgens de legenden koning Codrus. Hij had een tijd lang rustig geregeerd, toen hij in moeilijkheden geraakte. De Spartanen en enkele andere Doriërs verbonden zich met elkander, ten einde Athene aan te vallen, en sloegen hun kamp op vóór de muren der stad. Zij waren vol vertrouwen op den uitslag, daar het orakel gezegd had: “Indien gij het leven van Codrus spaart, zult gij ongetwijfeld de overwinning behalen.” Natuurlijk waren zij nu van plan het leven van Codrus te sparen—dit was een geringe prijs, dien zij voor de overwinning moesten betalen—en spoedig zou Athene in hun macht zijn. Als zij geweten hadden, wat voor man Codrus was, zouden zij niet zoo gerust en vol zelfvertrouwen geweest zijn. Een vriend van den koning, die te Delphi woonde, vertelde hem, wat het orakel gezegd had; en oogenblikkelijk had de dappere en opofferende koning een besluit genomen, hoe hij moest handelen. Hij vermomde zich als een houthakker, sloop de poorten der stad uit, en begaf zich daarheen, waar hij zeker was eenige Doriërs te zullen ontmoeten. Het duurde niet lang, of hij kwam er twee tegen. Eén van dezen sloeg hij met zijn bijl en doodde hem. Daaropdoodde de andere Codrus. Korten tijd daarna vernamen de Atheners, dat de koning voor hen het leven had gelaten, en zij zonden een bode, om te vragen of de Doriërs zijn lijk wilden afstaan. De Doriërs schrikten, toen zij hoorden, wat zij gedaan hadden. “Het helpt niet, of wij Athene aanvallen,”zeiden zij, “immers de goden zullen tegen ons zijn,”en daarom gingen zij weg en trokken over de landengte van Corinthe terug naar den Peloponnesus, zoodat Athene gered was. De Atheners waren zóó dankbaar, dat zij besloten, dat er nooit meer een andere koning over Athene zou heerschen, opdat de titel ten eeuwigen dage aan den edelen vaderlander Codrus gewijd zou zijn.Er waren later echter wel koningen, doch deze moesten het gezag deelen met acht andere magistraten, archonten of heerschers genaamd, totdat op het laatst de koning-archont weinig meer te doen had dan de openbare offers aan de goden te brengen. De negen archonten te zamen hadden in de verste verte niet zooveel te zeggen als een beroemde raad, de Areopagus genoemd, welke naam samenhing met het feit, dat hij vergaderde op den Heuvel van Mars, of Ares; die Areopagus vervaardigde alle wetten en velde vonnis over alle personen, die van een misdaad werden beschuldigd.Oppervlakkig zou men meenen, dat dit een goede inrichting van het staatsbestuur was, maar er kwam één factor bij, die een zoodanige instelling hoogst onrechtvaardig maakte; al die archonten en leden van den Areopagus waren Eupatriden, dat wil zeggen: mannen van hooge geboorte. Meestal waren zij zeer vermogend, en zij maakten wetten, die zeer voordeelig en gemakkelijk waren voor de rijken, maar die zwaar drukten op de armen. De regeeringsvorm was dus een oligarchie, of “regeering van weinigen”; en een oligarchie is slechts zelden billijk tegenover het gewone volk. Sommigen van de behoeftige burgers leefden op de goederen der Eupatriden, en als zij deverschuldigde pacht niet betaalden, hadden de eigenaars dier goederen het recht, hen en hun gezin als slaven te verkoopen. Zelfs zij, die kleine boerderijen in eigendom hadden, waren er niet veel beter aan toe, want een groot aantal van hen waren genoodzaakt geweest, geld van de aanzienlijken te leenen, terwijl zij slechts weinig hoop hadden, hun schuld af te lossen. Daarom was op een aantal boerderijen een pilaar geplaatst, waarin het bedrag gegrift was, dat de boer verschuldigd was, en de naam van den man, aan wien de boerderij verpand was. Somtijds werden de arme boeren zóó ontmoedigd, dat zij hun kinderen als slaven verkochten, om nog slechts de rente van de schuld, die op hun goederen rustte, te kunnen betalen. De Eupatriden hadden een genoegelijk leven, maar het behoeft niet te verwonderen, dat de arme lieden hoe langer hoe ellendiger werden. Enkelen gingen als kolonisten naar andere streken, en zij, die achterbleven, werden met den dag meer ontevreden.Ten slotte zagen zelfs de Eupatriden, die het leven luchthartig opnamen, dat iets moest gedaan worden, om de moeilijkheden te verminderen. Er was één feit, dat het volk ontzettend onbillijk vond, en wel: dat de wetten nooit openlijk waren afgekondigd; indien dus een Eupatride het eigendom van iemand uit het volk wegnam, was er voor dezen geen middel, om te ontdekken, of in overeenstemming dan wel in strijd met de wetten was gehandeld. “Indien wij de wetten openlijk afkondigen, zullen zij tevreden zijn,”meenden de edelen; en zij kozen een Eupatride, Draco genaamd, om alles te verzamelen en te herzien, wat tot nu toe naar de algemeene overtuiging wetten genoemd werd. Langen tijd na Draco was de wetgeving zóóveel zachter en menschelijker geworden, dat men zeide, dat de wetten van Draco “in bloed waren geschreven,”maar dat zij toch veel redelijker en rechtvaardiger waren dan de ongeschreven wetten, die vóór dien tijd van kracht waren geweest. Bovendien gaf zijn wetboek veel grooter macht aan het volk, dat niet tot deaanzienlijken behoorde “de menigte,”zooals de Eupatriden hen noemde; immers het bevatte de bepaling, dat de overheidspersonen niet tot de Eupatriden behoefden te behooren, maar konden gekozen worden uit de leden der Ecclesia, of de algemeene vergadering, dat waren die lieden, die een zeker inkomen uit het land trokken. Het wetboek stond zelfs de Ecclesia toe, de overheidspersonen te kiezen. Dit was voor “de Menigte” een groote vooruitgang, want iedereen die in staat was zich zelf wapenen aan te schaffen voor den strijd, had het recht tot de Ecclesia te behooren.De Acropolis te Athene, (zooals zij zich voordeed op het toppunt van Athene’s roem.)De Acropolis te Athene, (zooals zij zich voordeed op het toppunt van Athene’s roem.)Draco vormde bovendien uit het geheel der burgers een Raad, die onder andere tot taak had, aan de Ecclesia wetten voor te stellen.Die wetgeving van Draco was in sommige opzichten voortreffelijk; maar hij vergat één belangrijk feit, en wel, dat dielagen der bevolking, die arm en hongerig waren, en in voortdurend gevaar verkeerden om als slaven te worden verkocht, zich niet veel tevredener zouden gevoelen, omdat zij wisten, dat enkele anderen, die het iets beter hadden dan zij, nu het recht hadden deel te nemen aan de stemming voor overheidspersonen.Een borstbeeld in het Museum te Napels, dat geacht wordt een beeld van Solon te zijn.Een borstbeeld in het Museum te Napels, dat geacht wordt een beeld van Solon te zijn.Één der Eupatriden, Cylon genaamd, meende, dat het een gunstig oogenblik was, zich zelf tot tyran uit te roepen. Hij zelf en zijn volgelingen bezetten den grooten burcht, de Acropolis, in de verwachting, dat het lagere volk zich bij hen zou voegen. Dit gebeurde echter niet, en spoedig waren zij omsingeld door den archont Megacles en het staatsleger. Cylon ontsnapte, terwijl zijn volgelingen zich terugtrokken in den tempel van Athene, die op de Acropolis stond. Megacles was daardoor in een moeilijken tweestrijd. Het zou een misdaad zijn jegens de godheid, als hij zelfs opstandelingen aanviel, als zij in den tempel der godin gevlucht waren onder haar bescherming; en het zou den tempel bezoedelen en onrein maken, als manschappen daarin aan den hongerdood werden prijs gegeven. Eindelijk zond hij een boodschap aan de opstandelingen in deze bewoordingen: “Indien gij u overgeeft, zal ik uw leven sparen.”De opstandelingen stemden daarin toe, maar zij waren er niet volkomen zeker van, dat de archont zijn woord zou houden; daarom bonden zij, toen zij den tempel verlieten, een touw aan het altaar van Athene, en daalden van de Acropolis af, met het touw in de hand. Waarschijnlijk hielden zij het touw iets te stevig vast, immers het brak plotseling. “De godin weigert u te beschermen,”riep Megacles uit, en viel de ongelukkige slachtoffers aan. Enkelen werden op slag gedood, anderen gesteenigd. Daarna was hetde beurt der Atheners, om beangst te worden. “De godin Athene zal zeker de stad straffen,”zoo kermden zij, en zij eischten, dat Megacles zou worden verbannen. Sommigen der edelen waren van dezelfde meening, doch anderen waren niet geneigd, een bondgenoot op te offeren. Ten slotte werd, door den invloed van een wijzen Eupatride, Solon genaamd, Megacles in staat van beschuldiging gesteld. Het eindigde er mede, dat hij met zijn geheele geslacht, de Alcmaeoniden, verbannen werd.Solon was volstrekt geen vreemdeling voor zijn landgenooten. Het was door zijn toedoen, dat het eiland Salamis toen aan Attica toebehoorde. Zoowel Athene als de stad Megara hadden er aanspraak op gemaakt, en toen uit dien twist een oorlog ontstond, werden de Atheners zóó vreeselijk verslagen, en waren zij zóó wanhopig, dat zij een wet uitvaardigden, die luidde, dat iedereen, die voorstelde, den oorlog met Megara te hernieuwen, ter dood zou worden gebracht. Solon was er van doordrongen, dat het een schande voor zijn vaderland zou zijn, Salamis op te geven, maar hij had er volstrekt geen lust in, ter dood gebracht te worden. Ten slotte maakte hij een plan, zijn landgenooten wakker te schudden. Hij sloot zich op in zijn eigen huis en liet het gerucht verspreiden, dat hij krankzinnig was. In werkelijkheid hield hij zich bezig met de vervaardiging van een gedicht over Salamis, dat de gemoederen in opstand moest brengen. Op zekeren dag ijlde hij plotseling naar de marktplaats, waar altijd een menigte gereed stond, verlangend wat nieuws te hooren, en zeide hij zijn gedicht op. Dit begon aldus:“Hoor en let op: ik kwam van Salamis,Om van uw dwaling u te overtuigen.”Een krankzinnige kon niet gestraft worden wegens de overtreding van een wet, en de Atheners waren door dit gedicht zóózeer wakker geschud, dat zij besloten, den oorlog te hernieuwen. Zij schijnen overtuigd geweest te zijn, dat Solon zóókrankzinnig was, dat hij niet kon worden gestraft, maar tevens toch genoeg bij zijn verstand, om een goed legeraanvoerder te zijn; daarom droegen zij hem het opperbevel over hun troepen op. Eindelijk viel Salamis in de handen der Atheners.Om die redenen stelden zoowel de Eupatriden als de groote menigte een groot vertrouwen in Solon, en gaven zij hem het recht alles te doen, wat naar zijn oordeel zou kunnen bijdragen tot verbetering van den toestand. Er was ongetwijfeld behoefte aan iemand met een groot verstand, want geheel Attica was in beroering. Behalve de moeilijkheden tusschen de armen en de rijken, waren er voortdurend drie partijen, die aanhoudend met elkander twistten: de bevolking der vlakten, die woonde in de meest vruchtbare landstreek; de menschen, die aan de kust woonden, die dus dicht bij de zee leefden, en visschers en handelslieden waren; en de bergbewoners of schaapherders, die woonden aan de ruwe hellingen der heuvels, waar zij hun kudden weidden.Die verschillende soorten van menschen hadden ook verschillende doeleinden en begeerten; en niemand, hoe verstandig hij ook mocht zijn, kon allen tevreden hebben gesteld. Solon schonk slechts zeer weinig aandacht aan wat een bepaalde klasse van menschen verlangde, maar deed, wat hij dacht, dat het meest in het belang was van den geheelen staat. De grootste en meest dringende moeilijkheid was, dat zoovele menschen in schulden staken. De kleine boeren, die een eigen boerderij bezaten, verloren snel hun boerderijen en werden daglooners, terwijl daglooners als slaven verkocht werden. Een zóó groot aantal was als slaven verkocht, dat hun afwezigheid een groot verlies was voor het land. De eerste besluiten van Solon waren nu deze, dat men zijn schulden kon afdoen in een nieuwe munt, die een vierde minder woog dan de oude, maar die toch gerekend zou worden de vroegere waarde te hebben gehouden; dat de schulden der landbouwers,die geld van den staat hadden geleend, zouden worden vrijgeschonken; dat hij, die er in had toegestemd, de slaaf te worden van een ander, als hij geleend geld niet op tijd teruggaf, niet aan zijn verplichting gehouden zou zijn; en dat zij, die naar vreemde landen zouden zijn verkocht, teruggebracht zouden worden op kosten van den staat of van hen, die hen had verkocht.Gereedmaken voor de Begrafenis. (Naar een beschilderde vaas.)Gereedmaken voor de Begrafenis. (Naar een beschilderde vaas.)Op het eerste gezicht schijnen die wetten tamelijk onbillijk geweest te zijn tegenover de schuldeischers; maar in het algemeen was het zeker, dat, als een rijk man geld leende aan een arme, hij zeer goed wist, dat hij nooit zijn geld kon terugkrijgen; zijn doel was, den man zelf in zijn macht te krijgen, dat is, vrije burgers tot slaven te maken, en het was niet goed, dat dit door de wetten werd bekrachtigd.Solon was zelf een Eupatride, maar hij kon niet goedkeuren, dat de wetten uitsluitend door de Eupatriden werden gemaakt. Hij verdeelde het volk in vier klassen, in verband met het inkomen, dat zij uit hun landerijen trokken. De rijken bezetten meer ambten, maar moesten ook hoogere belastingen betalen. Zij, die tot de laagste klasse behoorden, dat warenzij, die te arm waren om wapenen en een wapenrusting voor zich zelf te koopen, waren tot geen ambt verkiesbaar, maar zij betaalden geen belasting; en iedereen, zoowel armen als rijken, behoorde tot de Ecclesia en had stemrecht. Zoo maakte Solon de instellingen in overeenstemming met zijn geliefde lijfspreuk: “Gelijkheid veroorzaakt geen oorlogen.”Met die nieuwe wetten stond voor iedereen de gelegenheid open, om van de ééne klasse tot een andere op te klimmen, en ten slotte de hoogste ambten in den staat te bekleeden. Iedereen kon zelfs lid van den Areopagus worden, en in de oogen van den Athener was dit het hoogste der staatsambten. De meeste wetten van Draco werden afgeschaft, en Solon vervaardigde een nieuw wetboek. Ten slotte schonk hij amnestie aan de Alcmaeoniden en stond hen toe, naar Athene terug te keeren. Hij bepaalde niet naar vaste regelen, hoe kinderen moesten worden opgevoed, maar blijkbaar wenschte hij niet, dat zij hun tijd in lediggang doorbrachten, immers hij bepaalde, dat niemand verplicht was zijn vader in diens ouderdom te ondersteunen, tenzij de vader hem als knaap geleerd had zich zelf door het ééne of andere bedrijf te onderhouden. Solon wijdde al zijn gedachten aan het heil van den staat. Hij was niet, evenals Lycurgus, van meening, dat men het geld moest minachten, maar veeleer, dat men het zóó zorgzaam en verstandig moest gebruiken, dat er geen gebrek aan was, als men het noodig had. Op dien grond maakte hij enkele bepalingen, waarbij het bedrag werd beperkt, dat bij begrafenissen mocht worden besteed, waar meestal heel wat geld voor werd uitgegeven, en zoo maakte hij ook enkele bepalingen omtrent de kleeding der vrouwen; indien bij voorbeeld een vrouw op reis ging, mocht zij niet meer dan drie gewaden medenemen. De wetten werden op houten tafels geschreven, en die werden daar geplaatst, waar iedereen ze kon lezen.Er waren zóóveel verschillende partijen in Athene, dat niemandvan deze volkomen voldaan was. Gedurig zochten zij Solon dan ook op. “Wat beteekent die wet?”vroegen zij dan, of “Waarom wordt die wet niet veranderd?” Ten slotte besloot Solon weg te gaan, en het volk en de wetten een tijd lang met rust te laten. Toen hij echter naar Athene terugkeerde, bleek het hem, dat de burgers evenmin tevreden waren als toen hij ze had verlaten. De aanzienlijken hadden gedacht, dat alles rustig en kalm zou zijn, nadat de schulden waren kwijtgescholden, terwijl het hun bleek, dat dit niets had geholpen. Een aantal arme lieden waren van hun kant vreeselijk teleurgesteld, daar zij verwacht hadden, dat hun vriend Solon hen allen op de ééne of andere geheimzinnige wijze rijk zou maken. De aanzienlijken waren het ook onderling oneens, en de drie gedeelten, de mannen uit de vlakten, die der kusten en die der bergen, waren nog steeds oneenig.Atheensche kom.Atheensche kom.

Hoofdstuk IV.Hoe de Spartanen macht verkregen.Indien de aardrijkskundige toestand van Griekenland anders geweest was, zou ook de geschiedenis der Grieken zich geheel anders hebben ontwikkeld dan inderdaad het geval is geweest. Het land was samengesteld uit rijen bergen en onzichtbare valleien. Het was niet gemakkelijk, die bergen over te trekken, en daarom waren er bijna evenveel nietige rijkjes als er valleien waren. De bevolking van ieder dier valleien had haar eigen landje en haar eigen zeden en gewoonten lief, en de Grieken zouden tevreden geweest zijn te huis te blijven, als de zee er niet was geweest; maar deze omspoelde Griekenland aan drie kanten, haar weg zoekend naar het binnenland in scherpe nauwe inhammen. In welke richting zij zich ook bewogen, zij waren nooit meer dan ongeveer zeventig kilometers van den oceaan verwijderd. De valleien riepen hun “halt” toe, maar de oceaan lokte hen steeds aan, verder te gaan.Er waren niet veel goede havens op de westkust van Griekenland, maar er waren er verscheidene op de oostkust. Bovendien, als de Grieken op de oostkust stonden en over het water heenzagen, konden zij dichtbij en in de verte eilanden zien, die ieder afzonderlijk haar tot een bezoek uitlokten. Als zij het ééne eiland bereikt hadden, waren er altijd weer andere, die iets verder verwijderd waren; het was dus voor hen uiterst gemakkelijk, hun weg te vinden over de Aegeïsche Zee naar Klein-Azië. Er was dus aan den éénen kant reden, waarom de Grieken niet hun geheele land, maar iedere stam zijn eigen hoekje moet hebben lief gehad; en aan den anderen kant, waarom zij er lust in gehad moesten hebben, reizen te makenen koloniën in andere landen te vestigen, en voornamelijk in oostelijke richting.Griekenland was een bijzonder mooi land. De zee was blauw en fonkelend; de bergen waren niet altijd bedekt met groene wouden, maar de harde gesteenten der bergtoppen teekenden zich scherp en duidelijk in rood en grijs tegen de lucht af. De rivieren stroomden snel, en verdwenen dikwijls in de diepte uit het gezicht in een kloof of onderaardschen doorgang, en kwamen weer in de ééne of andere min of meer verwijderde plaats borrelend te voorschijn. Het is dus niet te verwonderen, dat de Grieken die rivieren als levende wezens voorstelden, en gewoon waren offers te plengen bij het bouwen van een brug, opdat de stroomgod niet vertoornd mocht worden. In sommige gedeelten van het land vond men prachtige oude bosschen met eiken-,beuken- en kastanjeboomen; er waren olijf- en vijgeboomen; er waren verschillende soorten van bloemen, rozen, violen, krokussen, geraniums, narcissen, heliotropen en anemonen. Langs de rivieren groeiden oleanders; niet kleine heestertjes, maar echte boomen, met hun rooskleurige bloesems weerspiegelden zich in het water. Dat alles was zóó schoon, dat het in de Grieken den zin voor schoonheid op natuurlijke wijze ontwikkelde. In Attica hield een rij bergen de koude der noordenwinden tegen, terwijl de zeewind uit het zuiden en het oosten het land in den zomer koeler en in den winter warmer maakte. Een groot gedeelte van Griekenland had evenals Attica een helderen, schitterenden hemel, en was warm genoeg, om de bevolking in staat te stellen, het grootste gedeelte van hun tijd buitenshuis door te brengen.Het is dus niet te verwonderen, dat de Doriërs, die ver in het noorden woonden, van dat prachtige land hoorden, en vurig begeerden daar te wonen; zij trokken dan ook naar het zuiden, om het te ontrukken aan de bevolking, die het in bezit had, namelijk de Achaeërs en de Joniërs. Dit is de beteekenisvan het verhaal omtrent den terugkeer der Heracliden. De Achaeërs en de Joniërs waren niet sterk genoeg, om de Doriërs te verdrijven; van daar, dat velen van hen hun vaderland verlieten en kolonies stichtten op de kusten van Klein-Azië en de in de nabijheid daarvan gelegen eilanden. Dit geschiedde niet in eens; het proces duurde een reeks van jaren voort. Ten slotte kwamen berichten uit Griekenland terug, dat de landen, waar de kolonisten heengegaan waren, zelfs nog vruchtbaarder waren dan de Peloponnesus; en van dien tijd af begonnen zelfs sommige Doriërs koloniën te stichten op de kust van Klein-Azië en in Creta.Sparta.Sparta.Toen de Doriërs in den Peloponnesus kwamen, bevonden zij zich in een vrij moeilijken toestand. Zij waren krachtig, onverschrokken en oorlogszuchtig, en zij slaagden er in, een groot aantal koloniën te stichten; maar het aantal oorspronkelijke kolonisten was tienmaal zoo groot als hun eigen getal. De voornaamste stad der Doriërs was Sparta in Laconië, maar zelfs nadat zij het land hadden veroverd, waren zij in voortdurend gevaar voor de oude bewoners. Er waren van deze twee soorten: de Perioeki, wien wel werd toegestaan hun bezittingen te houden, maar die niets hadden in te brengen op het gebied van wetgeving; en de Heloten, of slaven. Men zegt, dat de Heloten behoord hadden tot de stad, die het langst den strijd tegen de Spartanen had volgehouden, en datde veroveraars in hun toorn verklaard hadden, dat de Heloten ten eeuwigen dage slaven zouden zijn. Die Heloten haatten hun meesters zóózeer, dat de bevolking van Sparta placht te zeggen: “Een Heloot zou met alle genoegen een Spartaan rauw willen opeten.”De Spartanen waren van hun kant blijde, dat zij slaven voor hun werk hadden; maar zij waren altijd eenigszins bevreesd, dat de Heloten zich tegen hen zouden vereenigen, en zij aarzelden geen oogenblik, iedereen ter dood te brengen, van wien zij meenden, dat hij een leider van het volk zou kunnen worden.Laconië was een land, dat gemakkelijk kon worden verdedigd, immers er waren bergen aan de oost- noord- en zuidzijde. Aan de oost- en de noordzijde waren er slechts twee of drie passen, waardoor een leger zonder groote moeilijkheid kon worden gevoerd, en aan de westzijde lag het veroverde land Messenië. Sparta was dus een natuurlijke vesting. Toch waren de Spartanen slechts een kleine volksstam te midden van vijanden, en de vraag was, hoe zij er voor konden zorgen, dat zij zeker waren, nooit door hun naburen te kunnen worden overvallen. Zij kwamen tot de overtuiging, dat daartoe slechts één weg openstond, en wel als zij den geheelen volksstam tot één leger maakten. Natuurlijk hadden de Grieken, wier verbeeldingskracht zoozeer ontwikkeld was, een verhaal, hoe dit in zijn werk was gegaan. Zij zeiden, dat in den eersten tijd hunner geschiedenis een zekere Lycurgus benoemd was tot voogd over hun koning, die toen nog in de kinderjaren verkeerde. Het volk bewees hem zóó hooge eer, dat zijn vijanden ijverzuchtig werden en het gerucht verspreidden, dat hij voornemens was de kroon te bemachtigen. Hij was daarover verontwaardigd en zeide tot het volk: “Ik zal het land verlaten en wegblijven totdat de koning volwassen is.”Hij had zijn vaderland echter lief, en gedurende al de jaren, die zijn ballingschap duurde, bezocht hij verschillende rijken, om na te gaanhoe zij hun macht hadden verkregen of waardoor zij verzwakt waren. Telkens weder, en wel met korte tusschenpoozen, zonden de Spartanen boden naar hem toe, die er op aandrongen, dat hij zou terugkeeren; ten slotte gaf hij aan dien aandrang gehoor, zijn geest vol plannen, hoe hij zijn land machtig zou kunnen maken. Onderweg was hij ook in Delphi geweest en had hij Apollo gevraagd, of hij wel bekwaam genoeg was om voor zijn volk verstandige wetten te maken. Het antwoord luidde: “De wetten, die gij van plan zijt te maken, zullen de beste zijn in de geheele wereld.”Natuurlijk hield hij dit niet geheim, en toen hij Sparta bereikte, vond hij daar een groot aantal menschen, die bereid waren alles wat hij voorstelde goed te keuren. De koning, die bij zijn vertrek nog een kind was, was volwassen geworden en had den troon in bezit genomen, of liever de helft van den troon; immers het was bij de Spartanen de gewoonte, twee koningen te hebben. Deze instelling schijnt niet veel practisch nut te hebben gehad; de ééne koning toch was veel te zachtzinnig en te toegevend, en kon er niet toe komen, misdadigers te straffen; het gevolg was, dat beide koningen het nooit met elkander eens waren, en zoo werd hun macht met den dag geringer. Zij hoopten, dat Lycurgus die macht zou versterken, en daarom heetten zij hem hartelijk welkom. Het geheele stadje was daarna in gespannen verwachting, wat de wijze man zou doen.Ten eerste liet hij een senaat, uit dertig leden bestaande, kiezen. Zij werden genomen uit de oudere mannen en werden voor hun leven gekozen. Vijf ephoren of opzichters (dwarskijkers) werden eveneens gekozen, doch vervulden hun betrekking slechts gedurende één jaar. In hun hand was in werkelijkheid het bestuur van den staat gelegen, want zij konden zelfs de koningen tot verantwoording roepen, zoo dikwijls zij dit noodig achtten; in belangrijke gevallen traden zij als rechters op; en zij beslisten, of er oorlog of vrede zoude zijn. Dekoningen waren leden van den senaat, en in oorlogstijden stonden zij aan het hoofd van het leger. Zij hadden slechts weinig minder macht dan de overige senatoren, maar zij moeten een veel rustiger leven gehad hebben dan vóór den terugkeer van Lycurgus, immers nu wisten zij volkomen, wat zij konden doen, en begrepen, dat zij steun zouden krijgen, als zij dat deden.Daarna hield Lycurgus zich bezig met een verdeeling van het land in gelijke deelen onder de burgers. Na veel onderhandelingen stemden zij daarin toe; maar toen hij voorstelde, het goud en zilver op dezelfde wijze te verdeelen, verzetten de rijkere burgers zich daartegen. Zij hadden echter een heerscher, die wist hoe hij op de ééne wijze kon verkrijgen wat hij wilde, als hij het niet op een andere wijze kon gedaan krijgen; en hij vaardigde eenvoudig een besluit uit, dat goud en zilver niet langer als geld zouden gerekend worden, maar dat daarvoor in de plaats ijzer zou worden gebruikt. Voor dat ijzer kon slechts weinig worden gekocht, immers de heerscher met zijn verzienden blik had er de hardheid aan ontnomen, zoodat het voor het dagelijksch gebruik ongeschikt was; en het was evenmin een bijzonder practische soort van schat om op te sparen, daar het zóó goedkoop was, dat men een bijzonder ruim vertrek niet volkomen kon vullen met een waarde van slechts enkele duizend guldens aan ijzer.Een Spartaansche voetknecht.Een Spartaansche voetknecht.Daarna nam Lycurgus maatregelen, om te zorgen, dat de Spartanen aan tafel geen lekkernijen gebruikten, en daarom liet hij ze allen, zoowel koningen als gewone burgers, in het publiek eten, en werden hun dezelfde gerechten voorgezet. Zelfs de meest hongerigen konden nauwelijks gesmuld hebben van hun maaltijden, als zij daaraan niet gewoon waren geraakt; immershet hoofdvoedsel was een zekere zwarte soep, die alleen de Spartanen eetbaar achtten. Een Athener, die eens die soep had geproefd, verklaarde, dat hij nu begreep, waarom de Spartanen zoo onbevreesd waren in den oorlog. “Zij wilden liever sterven,”zoo zeide hij, “dan te moeten leven van zulk een ellendig voedsel.”Ten einde te zorgen, dat de Spartanen hun huizen niet weelderig zouden inrichten met gouden bekers, helder gekleurde dekkleeden, of ledikanten met zilveren pooten, werd een wet uitgevaardigd, dat de zoldering gemaakt moest worden met geen ander gereedschap dan de bijl, en de deuren met geen ander werktuig dan de zaag. Lycurgus wist, dat de goede smaak van zijn landgenooten hen niet zou toestaan, kostbare meubels te brengen in een woning, waarvan de deuren niet goed zouden passen, en de zolderingen uit niets anders dan uit ruwe houtblokken zouden bestaan. Men verhaalt van een Spartaan, die in latere jaren gastvriendschap genoot in een schoone woning te Corinthe, en die naar de zoldering opkeek, welke uit zuiver glad gemaakte en schoon gesneden planken bestond, en die met een zekere minachting vroeg:“Groeien de boomen in uw land allemaal recht en vierkant?”Zoo kreeg Lycurgus zijn landgenooten er toe, eenvoudig en zonder eenige weelde te leven. Dit was nu voldoende, zoo dacht hij, voor het tegenwoordige, maar de geheele bevolking was vroeger aan een zekere weelde gewend geweest, en daarom was hij overtuigd, dat zij, zoodra hij gestorven was, langzamerhand weer zouden terugvallen in hun oude weelderige gewoonten. Hij wenschte een natie te doen opgroeien, die het niet alleen zou kunnen stellen zonder weelde, maar die er een heiligen afschuw van zou hebben; de eenige weg om dit te bereiken was, om aan te vangen met de kinderen.Dan zoude, als de jongens en meisjes volwassen geworden waren, Sparta bevolkt zijn met mannen en vrouwen, die altijdeenvoudig hadden geleefd en een minachting zouden hebben van een andere wijze van leven. Er was niet de minste twijfel aan, of zelfs een paar duizend van die mannen, voor den soldatenstand opgeleid, zouden in staat zijn, het in den strijd uit te houden tegen een heel wat grooter aantal van een vijandelijk leger. Om die reden vestigde hij veel meer zijn aandacht op de kinderen dan op de volwassenen. “Kinderen behooren aan den staat,”zoo zeide hij, “en de staat heeft behoefte aan mannen en vrouwen, die gezond en krachtig zijn.”Als dus een kind geboren was, deed een commissie van verstandige mannen een onderzoek, of het kind gezond was. Als het zwak of ziekelijk leek, werd het eenvoudig in een grot in de bergen geworpen, om daar te sterven. Als de commissie besliste, dat het kind naar alle waarschijnlijkheid tot een krachtig man zou opgroeien, werd het aan zijn vader en moeder teruggegeven. De knaap mocht slechts zeven jaar lang bij zijn ouders verblijf houden; na dien tijd moest iedere jonge knaap worden opgenomen in een groep jongens, die onder militaire tuchtstond. De jongen, die het dapperst leek, werd tot aanvoerder aangesteld, en de anderen hadden te gehoorzamen aan al zijn bevelen. Totdat de knapen twaalf jaar oud waren, liepen zij bijna naakt rond, opdat zij zouden gehard worden tegen elke weersverandering. Zelfs mochten zij na dien tijd niet meer dan één kleedingstuk dragen. Zij werden naar den oever der rivier gezonden om riet af te breken voor hun bedden. Als de winter aanbrak, werd het hun, als een groote weelde, toegestaan om wat dons over het riet te spreiden.Spartaansch soldaat, gereed voor den aanval.Spartaansch soldaat, gereed voor den aanval.Op den leeftijd van twaalf jaar werden de jongens gesteldonder toezicht van een jong man van twintig jaar, aan wiens bevelen zij moesten gehoorzamen. Dikwijls zond hij ze uit om voedsel of brandhout te halen; de bedoeling was, dat zij dit even listig zouden stelen, alsof zij waren in het land van den vijand. Als het hun gelukte, werden zij geprezen; maar als zij op heeterdaad werden betrapt, werden zij flink afgeranseld om hun onhandigheid. Na hun avondmaal riep hun leidsman hen dikwijls bijeen en legde hun verschillende proeven voor. Den éénen jongen beval hij dan “Zing een lied”. Tot een anderen jongen zeide hij: “Vertel mij, wie de beste staatsburger in de stad is”; of“hoe denkt gij over die daad?” De jongens moesten niet alleen op die vragen een antwoord geven, maar zij moesten ook voor hun antwoorden goede redenen opgeven; en indien zij dit niet naar behooren deden, hadden zij elke straf te ondergaan, die hun leidsman meenen mocht, dat zij verdiend hadden. Natuurlijk hielden de ouderen en magistraten streng toezicht op den jongen leidsman, en indien hij niet rechtvaardig en verstandig was opgetreden, werd hij, nadat de jongere knapen weggezonden waren, flink afgerost.Korte Zwaarden der Spartanen.Korte Zwaarden der Spartanen.De meisjes waren verplicht te rennen en te worstelen en schijven te werpen, maar werden niet half zoo streng behandeld als de knapen. Immers wat ook de knapen deden en waarheen zij gingen, steeds stond er iemand op wacht, om ze te straffen, als zij niet zoo goed oppasten, als men van hen mocht verwachten. Eén der redenen, waarom zij zoo dikwijls werden afgeranseld, was, dat zij zouden leeren, pijn licht te tellen. Minstens eenmaal werden de oudere knapen voor één der altaren gebracht en gegeeseld, en die knaap, die de pijn het langst uithield zonder te schreeuwen, ontving een prijs. Zij werden er zóó trotsch op, pijn te kunnen verdragen, dat somtijds eenjongen dood viel onder die geeseling, zonder eens te hebben geschreeuwd of zelfs maar gekreund.LycurgusLycurgus(in het Museum te Napels).Wat de studie betreft, de jongens werden onderwezen in muziek en poëzie en een weinig lezen, schrijven en rekenen; maar veel tijd werd besteed aan het onderwijs in het spreken. Men verwachtte van hen, dat zij zouden zwijgen, als zij niets te zeggen hadden; en als zij spraken, werd van hen geëischt, dat zij zoo weinig mogelijk woorden gebruikten en dat zij hun antwoorden scherp en puntig zouden formuleeren. Lycurgus zelf handelde in volkomen overeenstemming met zijn voorschriften. Toen een Athener bij een zekere gelegenheid schertste over de korte zwaarden der Spartanen, antwoordde hij: “En toch kunnen wij daarmede de harten onzer vijanden bereiken.”Toen men hem vroeg, of hij voornemens was een muur om Sparta te bouwen, antwoordde hij: “Die stad is goed versterkt, die een muur van mannen in plaats van een van steenen bezit.”Iemand vroeg een Spartaan, om naar iemand te komen hooren, die den slag van een nachtegaal kon nabootsen. “Ik heb den nachtegaal zelf gehoord,”was het antwoord. Die korte, puntige wijze van spreken ontleende daarom zijn naam aan dien van het land, en is van die dagen af tot op onzen tijd “lakoniek” genoemd.Na twintig jaren op die wijze te zijn geoefend, was de Spartaan gereed voor de taak van krijgsman; en hij meende, dat ieder ander beroep of iedere andere bezigheid beneden zijn waardigheid was. Zelfs op de taak van het bebouwen van zijn eigen akker zag hij met de grootste minachting neer. “Dat was het werk van Heloten,”beweerde hij.Op zekeren dag, nadat Lycurgus een oud man was geworden,riep hij het volk te zamen en zeide: “Er is nog één zaak, die noodig is voor het geluk van den staat. Die zaak is nog van veel meer gewicht dan alles wat geschied is; maar wat het is, kan ik niet vertellen, voordat ik uit Delphi ben teruggekeerd. Wilt gij plechtig zweren, dat gij aan de wetten zult gehoorzamen tot na mijn terugkomst?” Allen legden een plechtigen eed af, dat zij gehoorzaam zouden zijn, en daarna vertrok hij met zijn zoon en enkelen van zijn dierbaarste vrienden. Daar offerde hij aan Apollo en vroeg: “Zijn de wetten, die ik heb gemaakt en uitgevaardigd, voldoende om de deugd te bevorderen en het geluk van den staat te verzekeren?” “Zij zijn uitstekend, en de staat, die zich aan die wetten houdt, zal de meest roemrijke staat van de wereld zijn,”zoo luidde het antwoord. Lycurgus schreef dit orakel op en zond het naar Sparta; maar zelf keerde hij niet terug, daar hij het plan beraamd had te zorgen, dat de Spartanen zijn wetten eeuwig zouden in acht nemen. Hij bracht Apollo nog een laatste offer en nam afscheid van zijn zoon en zijn vrienden. Daarna weigerde hij alle voedsel en wachtte rustig en kalm den dood af. Nog één laatste verzoek deed hij. Het was dit, dat, nadat zijn lichaam zou zijn verbrand, de asch niet naar Sparta zou worden gebracht, maar in zee zou worden geworpen. “Dan” zoo sprak hij, “kan zeker niemand verklaren, dat ik ben teruggekeerd, en de Spartanen kunnen dan nooit beweren, dat zij van hun eed, om mijn wetten in stand te houden, zijn ontslagen.”Het lijkt veel waarschijnlijker, dat deze vreemde gewoonten eerst geleidelijk zich ontwikkelden, dan dat één enkel man de macht had, zijn landgenooten te dwingen, hun geheele manier van leven te veranderen. Hoe dat ook moge zijn, en hetzij een man als Lycurgus ooit heeft geleefd, hetzij niet, dit waren toch de zeden en gewoonten der Spartanen, en zij werden werkelijk een natie van krijgslieden. In Boeotië, een land, dat iets ten noorden van Sparta gelegen was, schreefeen dichter, Hesiodus, zijn ”Werken en Dagen”, een gedicht, waarin het kalme buitenleven werd beschreven, en de wijze, waarop op den juisten tijd het werk verricht werd, dat door het jaargetijde werd vereischt; maar de Spartanen zouden op dergelijke lessen met de grootste minachting hebben neergezien. Zij waren krijgslieden, en krijgsbedrijven waren voor hen een uitspanning. Als de vijand nabij was, offerde de koning een geit, de mannen deden bloemkransen om hun hoofd, de muzikanten speelden een marsch en het leger trok opgewekt en vroolijk op. Zij wisten, hoever zij de andere stammen als soldaten overtroffen, en liepen weinig gevaar verslagen te worden.Een legeraanvoerder.Een legeraanvoerder.Zij beschouwden oorlogen als een genot, maar het wil ons voorkomen, dat zij daarvan wel zooveel genoten hebben als zij konden verlangen. Hun eerste bezigheid was, zich in Laconië zóózeer te versterken, dat zij zich konden vrijmaken, om andere landen te veroveren. Dit gelukte hun, en daarna begonnen zij te denken aan de verovering van Messenië, het land, dat ten westen van Laconië lag. Het is niet te verwonderen, dat zij dat land begeerden, want het was het vruchtbaarste gedeelte in den Peloponnesus met heuvelen en grasland, overvloed van water en uitstekende weiden voor het vee. Na een langdurigen tijd van strijden namen de Spartanen Messenië in bezit. Dit staat ongetwijfeld vast, hoewel slechts weinig omtrent den oorlog zelf bekend is. Er is ons een verhaal overgeleverd, waarvan de waarheid niet meer is na te gaan,dat de zaken ten slotte zóó slecht stonden voor de Messeniërs, dat zij zich in Ithome opsloten en het orakel van Delphi raadpleegden, om te vragen, wat zij moesten doen. “Die stam, die het eerst honderd drievoeten plaatst op het altaarvan Zeus te Ithome, zal de overwinning behalen,” zoo sprak het orakel. De Messeniërs juichten daarom uitgelaten van vreugde, en gingen aan het werk, ten einde honderd houten drievoeten te vervaardigen. Ongelukkig voor hen, hadden ook de Spartanen bericht gekregen van het antwoord. “Wij zullen niet wachten met het maken van drievoeten van hout,”zoo spraken zij, “maar wij zullen ze van klei vervaardigen.” Het gevolg hiervan was, dat, terwijl de Messeniërs nog druk bezig waren met de vervaardiging van houten drievoeten, het een Spartaan gelukte op zekeren achtermiddag met een grooten zak op zijn rug in Ithome binnen te sluipen. Den volgenden morgen verloren de Messeniërs alle hoop, toen zij de Spartaansche drievoeten rondom het altaar geschaard zagen. Het duurde niet lang, of Ithome viel; de Spartanen hadden overwonnen. De Messeniërs mochten hun land behouden, maar moesten de helft van de opbrengst aan de veroveraars afstaan. Zij waren de slaven der Spartanen geworden.Het verhaal luidt verder, dat de kleinzonen van de verdedigers van Ithome heel wat jaren later besloten, zich niet langer de overheersching der Spartanen te laten welgevallen. Zij streden zóó dapper en woest, dat het spoedig de beurt van hun vijanden was, Apollo om raad te vragen. “Gij moet Athene vragen, om een aanvoerder te zenden,”zoo luidde het antwoord. Dit beviel de Spartanen wel niet, maar toch deden zij het verzoek. De Atheners, van hun kant, vonden het niet bijzonder aangenaam, Sparta te helpen, machtiger te worden, maar zij durfden Apollo niet ongehoorzaam te zijn. Eindelijk beraamden zij een plan, dat zij bijzonder listig uitgedacht vonden. Als aanvoerder zonden zij een man, Tyrtaeus genaamd, een schoolmeester van beroep, die totaal niets van krijgszaken afwist. Zij vergaten echter, dat Tyrtaeus tevens een dichter was; en terwijl zij zich verhieven op hun slimheid, maakte hij zóó uitstekende en luidklinkende oorlogszangenvoor de Spartanen, dat zij hun mismoedigheid totaal vergaten, maar opgewekt ten strijde trokken, onder het zingen van het volgende lied:“Komt, voeren wij den strijd voor kroost en vaderland,En sparen ’t leven niet, en vreezen niet den dood.Schept jongelingen moed, en houdt in ’t strijdperk stand,En treff’ u nooit de blaam, dat gij uit lafheid vloodt.”Ten slotte behaalden de Spartanen de overwinning; en zoo heerschten zij nu over het geheele zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus van zee tot zee.De Spartanen haastten zich in het minst niet, het oorlogvoeren te staken, en voordat vele jaren voorbij waren, vonden zij een voorwendsel, Arcadië binnen te vallen, de landstreek, die ten noorden van Laconië gelegen is. Er is een verhaal, dat de Messeniërs tijdens den oorlog eenige afdeelingen Arcadische soldaten hadden gehuurd, en dat de Arcadiërs, nadat de oorlog geëindigd was, enkelen der Messeniërs hadden toegestaan, zich in Arcadië te vestigen. Dit was voor de Spartanen een voldoende voorwendsel; daarom trokken zij uit met hun wapenen, kransen en oorlogszangen, en tevens met enkele ketenen, om daarmede de gevangenen te boeien, die zij zeker verwachtten te zullen maken.Arcadië was een rustige, liefelijke landstreek, met ruwe bergen en snel stroomende beken in het noorden, en frissche groene weilanden in het zuiden. De bevolking, die daar huisde, hield kudden groot en klein vee. Zij hielden van het fluitspel en leefden naar de oude, eenvoudige gebruiken. Zij hadden tevens de vrijheid lief, en zij waren krachtige bergbewoners; en zoo gebeurde het tot groote verbazing van de Spartanen, dat enkelen van hen met hun eigen ketenen werden geboeid. Wel wonnen de invallende troepen verschillendeoverwinningen, maar nooit konden zij het kleine bergachtige land werkelijk ten onder brengen. Beide legers ondervonden, dat ook aan de andere zijde dappere mannen streden, en daarom sloten ten slotte beide volken een verdrag, waarbij zij afspraken, elkander in den oorlog bij te staan. Sparta zou de leiding nemen op het slagveld, maar de Arcadiërs zouden steeds den linkervleugel, de eereplaats, bezetten.De grootste eer echter, die eenigen Griekschen volksstam kon te beurt vallen, was voor te zitten bij de Olympische spelen. Olympia lag in Pisatis, en in de eerste tijden waren de Pisatiërs de machtigsten. Doch na verloop van tijd overwonnen de bewoners van Elis de Pisatiërs in den oorlog, en met trots namen toen de bewoners van Elis den eersten rang in. Herhaaldelijk stonden de bewoners van Pisatis op, en zij vonden ten slotte een machtigen vriend in Pheidon, den heerscher van Argos; deze toch wenschte gaarne zijn macht in het westen uit te breiden. De Spartanen hadden er evenmin bezwaar in, hun macht uit te breiden; zij verdedigden de belangen van de bewoners van Elis, en behaalden de overwinning.Zoo werd Sparta een machtige staat. Tegen het midden der zesde eeuw vóór Christus, beheerschten de Spartanen het zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus; zij hadden een verbond gesloten met Arcadië en waren zeer bevriend met de bewoners van Elis. Tevens hadden zij de macht van Argos gefnuikt, den staat, die eertijds de machtigste van het schiereiland was geweest. De laatste slag werd geleverd bij Thyrea, welke stad door de Spartanen werd ingenomen; maar de bewoners van Argos leden eenige jaren later een nog veel ernstiger verlies. Zij waren voor de Spartanen gevlucht naar een gewijd boschje, en daar werden zij door hun vijanden omsingeld, die het boschje in brand staken. Twee derde gedeelten van hun geheele leger kwam om. Nog altijd beweerden zij, dat Argos een vrije stad was; maar de Spartanen trokken zich dit volstrektniet aan, daar Argos te zwak was geworden, om zich met hen te bemoeien.Dit is de geschiedenis van Sparta van de vroegste tijden af tot aan het midden van de zesde eeuw vóór Christus—de geschiedenis van een kleinen, zwervenden stam, die zijn weg vond in het gebied van zijn vijanden en wien het gelukte, het machtigste volk van het land te worden.Een Spinnende Vrouw.Een Spinnende Vrouw.

Indien de aardrijkskundige toestand van Griekenland anders geweest was, zou ook de geschiedenis der Grieken zich geheel anders hebben ontwikkeld dan inderdaad het geval is geweest. Het land was samengesteld uit rijen bergen en onzichtbare valleien. Het was niet gemakkelijk, die bergen over te trekken, en daarom waren er bijna evenveel nietige rijkjes als er valleien waren. De bevolking van ieder dier valleien had haar eigen landje en haar eigen zeden en gewoonten lief, en de Grieken zouden tevreden geweest zijn te huis te blijven, als de zee er niet was geweest; maar deze omspoelde Griekenland aan drie kanten, haar weg zoekend naar het binnenland in scherpe nauwe inhammen. In welke richting zij zich ook bewogen, zij waren nooit meer dan ongeveer zeventig kilometers van den oceaan verwijderd. De valleien riepen hun “halt” toe, maar de oceaan lokte hen steeds aan, verder te gaan.

Er waren niet veel goede havens op de westkust van Griekenland, maar er waren er verscheidene op de oostkust. Bovendien, als de Grieken op de oostkust stonden en over het water heenzagen, konden zij dichtbij en in de verte eilanden zien, die ieder afzonderlijk haar tot een bezoek uitlokten. Als zij het ééne eiland bereikt hadden, waren er altijd weer andere, die iets verder verwijderd waren; het was dus voor hen uiterst gemakkelijk, hun weg te vinden over de Aegeïsche Zee naar Klein-Azië. Er was dus aan den éénen kant reden, waarom de Grieken niet hun geheele land, maar iedere stam zijn eigen hoekje moet hebben lief gehad; en aan den anderen kant, waarom zij er lust in gehad moesten hebben, reizen te makenen koloniën in andere landen te vestigen, en voornamelijk in oostelijke richting.

Griekenland was een bijzonder mooi land. De zee was blauw en fonkelend; de bergen waren niet altijd bedekt met groene wouden, maar de harde gesteenten der bergtoppen teekenden zich scherp en duidelijk in rood en grijs tegen de lucht af. De rivieren stroomden snel, en verdwenen dikwijls in de diepte uit het gezicht in een kloof of onderaardschen doorgang, en kwamen weer in de ééne of andere min of meer verwijderde plaats borrelend te voorschijn. Het is dus niet te verwonderen, dat de Grieken die rivieren als levende wezens voorstelden, en gewoon waren offers te plengen bij het bouwen van een brug, opdat de stroomgod niet vertoornd mocht worden. In sommige gedeelten van het land vond men prachtige oude bosschen met eiken-,beuken- en kastanjeboomen; er waren olijf- en vijgeboomen; er waren verschillende soorten van bloemen, rozen, violen, krokussen, geraniums, narcissen, heliotropen en anemonen. Langs de rivieren groeiden oleanders; niet kleine heestertjes, maar echte boomen, met hun rooskleurige bloesems weerspiegelden zich in het water. Dat alles was zóó schoon, dat het in de Grieken den zin voor schoonheid op natuurlijke wijze ontwikkelde. In Attica hield een rij bergen de koude der noordenwinden tegen, terwijl de zeewind uit het zuiden en het oosten het land in den zomer koeler en in den winter warmer maakte. Een groot gedeelte van Griekenland had evenals Attica een helderen, schitterenden hemel, en was warm genoeg, om de bevolking in staat te stellen, het grootste gedeelte van hun tijd buitenshuis door te brengen.

Het is dus niet te verwonderen, dat de Doriërs, die ver in het noorden woonden, van dat prachtige land hoorden, en vurig begeerden daar te wonen; zij trokken dan ook naar het zuiden, om het te ontrukken aan de bevolking, die het in bezit had, namelijk de Achaeërs en de Joniërs. Dit is de beteekenisvan het verhaal omtrent den terugkeer der Heracliden. De Achaeërs en de Joniërs waren niet sterk genoeg, om de Doriërs te verdrijven; van daar, dat velen van hen hun vaderland verlieten en kolonies stichtten op de kusten van Klein-Azië en de in de nabijheid daarvan gelegen eilanden. Dit geschiedde niet in eens; het proces duurde een reeks van jaren voort. Ten slotte kwamen berichten uit Griekenland terug, dat de landen, waar de kolonisten heengegaan waren, zelfs nog vruchtbaarder waren dan de Peloponnesus; en van dien tijd af begonnen zelfs sommige Doriërs koloniën te stichten op de kust van Klein-Azië en in Creta.

Sparta.Sparta.

Sparta.

Toen de Doriërs in den Peloponnesus kwamen, bevonden zij zich in een vrij moeilijken toestand. Zij waren krachtig, onverschrokken en oorlogszuchtig, en zij slaagden er in, een groot aantal koloniën te stichten; maar het aantal oorspronkelijke kolonisten was tienmaal zoo groot als hun eigen getal. De voornaamste stad der Doriërs was Sparta in Laconië, maar zelfs nadat zij het land hadden veroverd, waren zij in voortdurend gevaar voor de oude bewoners. Er waren van deze twee soorten: de Perioeki, wien wel werd toegestaan hun bezittingen te houden, maar die niets hadden in te brengen op het gebied van wetgeving; en de Heloten, of slaven. Men zegt, dat de Heloten behoord hadden tot de stad, die het langst den strijd tegen de Spartanen had volgehouden, en datde veroveraars in hun toorn verklaard hadden, dat de Heloten ten eeuwigen dage slaven zouden zijn. Die Heloten haatten hun meesters zóózeer, dat de bevolking van Sparta placht te zeggen: “Een Heloot zou met alle genoegen een Spartaan rauw willen opeten.”De Spartanen waren van hun kant blijde, dat zij slaven voor hun werk hadden; maar zij waren altijd eenigszins bevreesd, dat de Heloten zich tegen hen zouden vereenigen, en zij aarzelden geen oogenblik, iedereen ter dood te brengen, van wien zij meenden, dat hij een leider van het volk zou kunnen worden.

Laconië was een land, dat gemakkelijk kon worden verdedigd, immers er waren bergen aan de oost- noord- en zuidzijde. Aan de oost- en de noordzijde waren er slechts twee of drie passen, waardoor een leger zonder groote moeilijkheid kon worden gevoerd, en aan de westzijde lag het veroverde land Messenië. Sparta was dus een natuurlijke vesting. Toch waren de Spartanen slechts een kleine volksstam te midden van vijanden, en de vraag was, hoe zij er voor konden zorgen, dat zij zeker waren, nooit door hun naburen te kunnen worden overvallen. Zij kwamen tot de overtuiging, dat daartoe slechts één weg openstond, en wel als zij den geheelen volksstam tot één leger maakten. Natuurlijk hadden de Grieken, wier verbeeldingskracht zoozeer ontwikkeld was, een verhaal, hoe dit in zijn werk was gegaan. Zij zeiden, dat in den eersten tijd hunner geschiedenis een zekere Lycurgus benoemd was tot voogd over hun koning, die toen nog in de kinderjaren verkeerde. Het volk bewees hem zóó hooge eer, dat zijn vijanden ijverzuchtig werden en het gerucht verspreidden, dat hij voornemens was de kroon te bemachtigen. Hij was daarover verontwaardigd en zeide tot het volk: “Ik zal het land verlaten en wegblijven totdat de koning volwassen is.”Hij had zijn vaderland echter lief, en gedurende al de jaren, die zijn ballingschap duurde, bezocht hij verschillende rijken, om na te gaanhoe zij hun macht hadden verkregen of waardoor zij verzwakt waren. Telkens weder, en wel met korte tusschenpoozen, zonden de Spartanen boden naar hem toe, die er op aandrongen, dat hij zou terugkeeren; ten slotte gaf hij aan dien aandrang gehoor, zijn geest vol plannen, hoe hij zijn land machtig zou kunnen maken. Onderweg was hij ook in Delphi geweest en had hij Apollo gevraagd, of hij wel bekwaam genoeg was om voor zijn volk verstandige wetten te maken. Het antwoord luidde: “De wetten, die gij van plan zijt te maken, zullen de beste zijn in de geheele wereld.”Natuurlijk hield hij dit niet geheim, en toen hij Sparta bereikte, vond hij daar een groot aantal menschen, die bereid waren alles wat hij voorstelde goed te keuren. De koning, die bij zijn vertrek nog een kind was, was volwassen geworden en had den troon in bezit genomen, of liever de helft van den troon; immers het was bij de Spartanen de gewoonte, twee koningen te hebben. Deze instelling schijnt niet veel practisch nut te hebben gehad; de ééne koning toch was veel te zachtzinnig en te toegevend, en kon er niet toe komen, misdadigers te straffen; het gevolg was, dat beide koningen het nooit met elkander eens waren, en zoo werd hun macht met den dag geringer. Zij hoopten, dat Lycurgus die macht zou versterken, en daarom heetten zij hem hartelijk welkom. Het geheele stadje was daarna in gespannen verwachting, wat de wijze man zou doen.

Ten eerste liet hij een senaat, uit dertig leden bestaande, kiezen. Zij werden genomen uit de oudere mannen en werden voor hun leven gekozen. Vijf ephoren of opzichters (dwarskijkers) werden eveneens gekozen, doch vervulden hun betrekking slechts gedurende één jaar. In hun hand was in werkelijkheid het bestuur van den staat gelegen, want zij konden zelfs de koningen tot verantwoording roepen, zoo dikwijls zij dit noodig achtten; in belangrijke gevallen traden zij als rechters op; en zij beslisten, of er oorlog of vrede zoude zijn. Dekoningen waren leden van den senaat, en in oorlogstijden stonden zij aan het hoofd van het leger. Zij hadden slechts weinig minder macht dan de overige senatoren, maar zij moeten een veel rustiger leven gehad hebben dan vóór den terugkeer van Lycurgus, immers nu wisten zij volkomen, wat zij konden doen, en begrepen, dat zij steun zouden krijgen, als zij dat deden.

Daarna hield Lycurgus zich bezig met een verdeeling van het land in gelijke deelen onder de burgers. Na veel onderhandelingen stemden zij daarin toe; maar toen hij voorstelde, het goud en zilver op dezelfde wijze te verdeelen, verzetten de rijkere burgers zich daartegen. Zij hadden echter een heerscher, die wist hoe hij op de ééne wijze kon verkrijgen wat hij wilde, als hij het niet op een andere wijze kon gedaan krijgen; en hij vaardigde eenvoudig een besluit uit, dat goud en zilver niet langer als geld zouden gerekend worden, maar dat daarvoor in de plaats ijzer zou worden gebruikt. Voor dat ijzer kon slechts weinig worden gekocht, immers de heerscher met zijn verzienden blik had er de hardheid aan ontnomen, zoodat het voor het dagelijksch gebruik ongeschikt was; en het was evenmin een bijzonder practische soort van schat om op te sparen, daar het zóó goedkoop was, dat men een bijzonder ruim vertrek niet volkomen kon vullen met een waarde van slechts enkele duizend guldens aan ijzer.

Een Spartaansche voetknecht.Een Spartaansche voetknecht.

Een Spartaansche voetknecht.

Daarna nam Lycurgus maatregelen, om te zorgen, dat de Spartanen aan tafel geen lekkernijen gebruikten, en daarom liet hij ze allen, zoowel koningen als gewone burgers, in het publiek eten, en werden hun dezelfde gerechten voorgezet. Zelfs de meest hongerigen konden nauwelijks gesmuld hebben van hun maaltijden, als zij daaraan niet gewoon waren geraakt; immershet hoofdvoedsel was een zekere zwarte soep, die alleen de Spartanen eetbaar achtten. Een Athener, die eens die soep had geproefd, verklaarde, dat hij nu begreep, waarom de Spartanen zoo onbevreesd waren in den oorlog. “Zij wilden liever sterven,”zoo zeide hij, “dan te moeten leven van zulk een ellendig voedsel.”

Ten einde te zorgen, dat de Spartanen hun huizen niet weelderig zouden inrichten met gouden bekers, helder gekleurde dekkleeden, of ledikanten met zilveren pooten, werd een wet uitgevaardigd, dat de zoldering gemaakt moest worden met geen ander gereedschap dan de bijl, en de deuren met geen ander werktuig dan de zaag. Lycurgus wist, dat de goede smaak van zijn landgenooten hen niet zou toestaan, kostbare meubels te brengen in een woning, waarvan de deuren niet goed zouden passen, en de zolderingen uit niets anders dan uit ruwe houtblokken zouden bestaan. Men verhaalt van een Spartaan, die in latere jaren gastvriendschap genoot in een schoone woning te Corinthe, en die naar de zoldering opkeek, welke uit zuiver glad gemaakte en schoon gesneden planken bestond, en die met een zekere minachting vroeg:“Groeien de boomen in uw land allemaal recht en vierkant?”

Zoo kreeg Lycurgus zijn landgenooten er toe, eenvoudig en zonder eenige weelde te leven. Dit was nu voldoende, zoo dacht hij, voor het tegenwoordige, maar de geheele bevolking was vroeger aan een zekere weelde gewend geweest, en daarom was hij overtuigd, dat zij, zoodra hij gestorven was, langzamerhand weer zouden terugvallen in hun oude weelderige gewoonten. Hij wenschte een natie te doen opgroeien, die het niet alleen zou kunnen stellen zonder weelde, maar die er een heiligen afschuw van zou hebben; de eenige weg om dit te bereiken was, om aan te vangen met de kinderen.

Dan zoude, als de jongens en meisjes volwassen geworden waren, Sparta bevolkt zijn met mannen en vrouwen, die altijdeenvoudig hadden geleefd en een minachting zouden hebben van een andere wijze van leven. Er was niet de minste twijfel aan, of zelfs een paar duizend van die mannen, voor den soldatenstand opgeleid, zouden in staat zijn, het in den strijd uit te houden tegen een heel wat grooter aantal van een vijandelijk leger. Om die reden vestigde hij veel meer zijn aandacht op de kinderen dan op de volwassenen. “Kinderen behooren aan den staat,”zoo zeide hij, “en de staat heeft behoefte aan mannen en vrouwen, die gezond en krachtig zijn.”Als dus een kind geboren was, deed een commissie van verstandige mannen een onderzoek, of het kind gezond was. Als het zwak of ziekelijk leek, werd het eenvoudig in een grot in de bergen geworpen, om daar te sterven. Als de commissie besliste, dat het kind naar alle waarschijnlijkheid tot een krachtig man zou opgroeien, werd het aan zijn vader en moeder teruggegeven. De knaap mocht slechts zeven jaar lang bij zijn ouders verblijf houden; na dien tijd moest iedere jonge knaap worden opgenomen in een groep jongens, die onder militaire tuchtstond. De jongen, die het dapperst leek, werd tot aanvoerder aangesteld, en de anderen hadden te gehoorzamen aan al zijn bevelen. Totdat de knapen twaalf jaar oud waren, liepen zij bijna naakt rond, opdat zij zouden gehard worden tegen elke weersverandering. Zelfs mochten zij na dien tijd niet meer dan één kleedingstuk dragen. Zij werden naar den oever der rivier gezonden om riet af te breken voor hun bedden. Als de winter aanbrak, werd het hun, als een groote weelde, toegestaan om wat dons over het riet te spreiden.

Spartaansch soldaat, gereed voor den aanval.Spartaansch soldaat, gereed voor den aanval.

Spartaansch soldaat, gereed voor den aanval.

Op den leeftijd van twaalf jaar werden de jongens gesteldonder toezicht van een jong man van twintig jaar, aan wiens bevelen zij moesten gehoorzamen. Dikwijls zond hij ze uit om voedsel of brandhout te halen; de bedoeling was, dat zij dit even listig zouden stelen, alsof zij waren in het land van den vijand. Als het hun gelukte, werden zij geprezen; maar als zij op heeterdaad werden betrapt, werden zij flink afgeranseld om hun onhandigheid. Na hun avondmaal riep hun leidsman hen dikwijls bijeen en legde hun verschillende proeven voor. Den éénen jongen beval hij dan “Zing een lied”. Tot een anderen jongen zeide hij: “Vertel mij, wie de beste staatsburger in de stad is”; of“hoe denkt gij over die daad?” De jongens moesten niet alleen op die vragen een antwoord geven, maar zij moesten ook voor hun antwoorden goede redenen opgeven; en indien zij dit niet naar behooren deden, hadden zij elke straf te ondergaan, die hun leidsman meenen mocht, dat zij verdiend hadden. Natuurlijk hielden de ouderen en magistraten streng toezicht op den jongen leidsman, en indien hij niet rechtvaardig en verstandig was opgetreden, werd hij, nadat de jongere knapen weggezonden waren, flink afgerost.

Korte Zwaarden der Spartanen.Korte Zwaarden der Spartanen.

Korte Zwaarden der Spartanen.

De meisjes waren verplicht te rennen en te worstelen en schijven te werpen, maar werden niet half zoo streng behandeld als de knapen. Immers wat ook de knapen deden en waarheen zij gingen, steeds stond er iemand op wacht, om ze te straffen, als zij niet zoo goed oppasten, als men van hen mocht verwachten. Eén der redenen, waarom zij zoo dikwijls werden afgeranseld, was, dat zij zouden leeren, pijn licht te tellen. Minstens eenmaal werden de oudere knapen voor één der altaren gebracht en gegeeseld, en die knaap, die de pijn het langst uithield zonder te schreeuwen, ontving een prijs. Zij werden er zóó trotsch op, pijn te kunnen verdragen, dat somtijds eenjongen dood viel onder die geeseling, zonder eens te hebben geschreeuwd of zelfs maar gekreund.

LycurgusLycurgus(in het Museum te Napels).

Lycurgus

(in het Museum te Napels).

Wat de studie betreft, de jongens werden onderwezen in muziek en poëzie en een weinig lezen, schrijven en rekenen; maar veel tijd werd besteed aan het onderwijs in het spreken. Men verwachtte van hen, dat zij zouden zwijgen, als zij niets te zeggen hadden; en als zij spraken, werd van hen geëischt, dat zij zoo weinig mogelijk woorden gebruikten en dat zij hun antwoorden scherp en puntig zouden formuleeren. Lycurgus zelf handelde in volkomen overeenstemming met zijn voorschriften. Toen een Athener bij een zekere gelegenheid schertste over de korte zwaarden der Spartanen, antwoordde hij: “En toch kunnen wij daarmede de harten onzer vijanden bereiken.”Toen men hem vroeg, of hij voornemens was een muur om Sparta te bouwen, antwoordde hij: “Die stad is goed versterkt, die een muur van mannen in plaats van een van steenen bezit.”Iemand vroeg een Spartaan, om naar iemand te komen hooren, die den slag van een nachtegaal kon nabootsen. “Ik heb den nachtegaal zelf gehoord,”was het antwoord. Die korte, puntige wijze van spreken ontleende daarom zijn naam aan dien van het land, en is van die dagen af tot op onzen tijd “lakoniek” genoemd.

Na twintig jaren op die wijze te zijn geoefend, was de Spartaan gereed voor de taak van krijgsman; en hij meende, dat ieder ander beroep of iedere andere bezigheid beneden zijn waardigheid was. Zelfs op de taak van het bebouwen van zijn eigen akker zag hij met de grootste minachting neer. “Dat was het werk van Heloten,”beweerde hij.

Op zekeren dag, nadat Lycurgus een oud man was geworden,riep hij het volk te zamen en zeide: “Er is nog één zaak, die noodig is voor het geluk van den staat. Die zaak is nog van veel meer gewicht dan alles wat geschied is; maar wat het is, kan ik niet vertellen, voordat ik uit Delphi ben teruggekeerd. Wilt gij plechtig zweren, dat gij aan de wetten zult gehoorzamen tot na mijn terugkomst?” Allen legden een plechtigen eed af, dat zij gehoorzaam zouden zijn, en daarna vertrok hij met zijn zoon en enkelen van zijn dierbaarste vrienden. Daar offerde hij aan Apollo en vroeg: “Zijn de wetten, die ik heb gemaakt en uitgevaardigd, voldoende om de deugd te bevorderen en het geluk van den staat te verzekeren?” “Zij zijn uitstekend, en de staat, die zich aan die wetten houdt, zal de meest roemrijke staat van de wereld zijn,”zoo luidde het antwoord. Lycurgus schreef dit orakel op en zond het naar Sparta; maar zelf keerde hij niet terug, daar hij het plan beraamd had te zorgen, dat de Spartanen zijn wetten eeuwig zouden in acht nemen. Hij bracht Apollo nog een laatste offer en nam afscheid van zijn zoon en zijn vrienden. Daarna weigerde hij alle voedsel en wachtte rustig en kalm den dood af. Nog één laatste verzoek deed hij. Het was dit, dat, nadat zijn lichaam zou zijn verbrand, de asch niet naar Sparta zou worden gebracht, maar in zee zou worden geworpen. “Dan” zoo sprak hij, “kan zeker niemand verklaren, dat ik ben teruggekeerd, en de Spartanen kunnen dan nooit beweren, dat zij van hun eed, om mijn wetten in stand te houden, zijn ontslagen.”

Het lijkt veel waarschijnlijker, dat deze vreemde gewoonten eerst geleidelijk zich ontwikkelden, dan dat één enkel man de macht had, zijn landgenooten te dwingen, hun geheele manier van leven te veranderen. Hoe dat ook moge zijn, en hetzij een man als Lycurgus ooit heeft geleefd, hetzij niet, dit waren toch de zeden en gewoonten der Spartanen, en zij werden werkelijk een natie van krijgslieden. In Boeotië, een land, dat iets ten noorden van Sparta gelegen was, schreefeen dichter, Hesiodus, zijn ”Werken en Dagen”, een gedicht, waarin het kalme buitenleven werd beschreven, en de wijze, waarop op den juisten tijd het werk verricht werd, dat door het jaargetijde werd vereischt; maar de Spartanen zouden op dergelijke lessen met de grootste minachting hebben neergezien. Zij waren krijgslieden, en krijgsbedrijven waren voor hen een uitspanning. Als de vijand nabij was, offerde de koning een geit, de mannen deden bloemkransen om hun hoofd, de muzikanten speelden een marsch en het leger trok opgewekt en vroolijk op. Zij wisten, hoever zij de andere stammen als soldaten overtroffen, en liepen weinig gevaar verslagen te worden.

Een legeraanvoerder.Een legeraanvoerder.

Een legeraanvoerder.

Zij beschouwden oorlogen als een genot, maar het wil ons voorkomen, dat zij daarvan wel zooveel genoten hebben als zij konden verlangen. Hun eerste bezigheid was, zich in Laconië zóózeer te versterken, dat zij zich konden vrijmaken, om andere landen te veroveren. Dit gelukte hun, en daarna begonnen zij te denken aan de verovering van Messenië, het land, dat ten westen van Laconië lag. Het is niet te verwonderen, dat zij dat land begeerden, want het was het vruchtbaarste gedeelte in den Peloponnesus met heuvelen en grasland, overvloed van water en uitstekende weiden voor het vee. Na een langdurigen tijd van strijden namen de Spartanen Messenië in bezit. Dit staat ongetwijfeld vast, hoewel slechts weinig omtrent den oorlog zelf bekend is. Er is ons een verhaal overgeleverd, waarvan de waarheid niet meer is na te gaan,dat de zaken ten slotte zóó slecht stonden voor de Messeniërs, dat zij zich in Ithome opsloten en het orakel van Delphi raadpleegden, om te vragen, wat zij moesten doen. “Die stam, die het eerst honderd drievoeten plaatst op het altaarvan Zeus te Ithome, zal de overwinning behalen,” zoo sprak het orakel. De Messeniërs juichten daarom uitgelaten van vreugde, en gingen aan het werk, ten einde honderd houten drievoeten te vervaardigen. Ongelukkig voor hen, hadden ook de Spartanen bericht gekregen van het antwoord. “Wij zullen niet wachten met het maken van drievoeten van hout,”zoo spraken zij, “maar wij zullen ze van klei vervaardigen.” Het gevolg hiervan was, dat, terwijl de Messeniërs nog druk bezig waren met de vervaardiging van houten drievoeten, het een Spartaan gelukte op zekeren achtermiddag met een grooten zak op zijn rug in Ithome binnen te sluipen. Den volgenden morgen verloren de Messeniërs alle hoop, toen zij de Spartaansche drievoeten rondom het altaar geschaard zagen. Het duurde niet lang, of Ithome viel; de Spartanen hadden overwonnen. De Messeniërs mochten hun land behouden, maar moesten de helft van de opbrengst aan de veroveraars afstaan. Zij waren de slaven der Spartanen geworden.

Het verhaal luidt verder, dat de kleinzonen van de verdedigers van Ithome heel wat jaren later besloten, zich niet langer de overheersching der Spartanen te laten welgevallen. Zij streden zóó dapper en woest, dat het spoedig de beurt van hun vijanden was, Apollo om raad te vragen. “Gij moet Athene vragen, om een aanvoerder te zenden,”zoo luidde het antwoord. Dit beviel de Spartanen wel niet, maar toch deden zij het verzoek. De Atheners, van hun kant, vonden het niet bijzonder aangenaam, Sparta te helpen, machtiger te worden, maar zij durfden Apollo niet ongehoorzaam te zijn. Eindelijk beraamden zij een plan, dat zij bijzonder listig uitgedacht vonden. Als aanvoerder zonden zij een man, Tyrtaeus genaamd, een schoolmeester van beroep, die totaal niets van krijgszaken afwist. Zij vergaten echter, dat Tyrtaeus tevens een dichter was; en terwijl zij zich verhieven op hun slimheid, maakte hij zóó uitstekende en luidklinkende oorlogszangenvoor de Spartanen, dat zij hun mismoedigheid totaal vergaten, maar opgewekt ten strijde trokken, onder het zingen van het volgende lied:

“Komt, voeren wij den strijd voor kroost en vaderland,En sparen ’t leven niet, en vreezen niet den dood.Schept jongelingen moed, en houdt in ’t strijdperk stand,En treff’ u nooit de blaam, dat gij uit lafheid vloodt.”

“Komt, voeren wij den strijd voor kroost en vaderland,

En sparen ’t leven niet, en vreezen niet den dood.

Schept jongelingen moed, en houdt in ’t strijdperk stand,

En treff’ u nooit de blaam, dat gij uit lafheid vloodt.”

Ten slotte behaalden de Spartanen de overwinning; en zoo heerschten zij nu over het geheele zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus van zee tot zee.

De Spartanen haastten zich in het minst niet, het oorlogvoeren te staken, en voordat vele jaren voorbij waren, vonden zij een voorwendsel, Arcadië binnen te vallen, de landstreek, die ten noorden van Laconië gelegen is. Er is een verhaal, dat de Messeniërs tijdens den oorlog eenige afdeelingen Arcadische soldaten hadden gehuurd, en dat de Arcadiërs, nadat de oorlog geëindigd was, enkelen der Messeniërs hadden toegestaan, zich in Arcadië te vestigen. Dit was voor de Spartanen een voldoende voorwendsel; daarom trokken zij uit met hun wapenen, kransen en oorlogszangen, en tevens met enkele ketenen, om daarmede de gevangenen te boeien, die zij zeker verwachtten te zullen maken.

Arcadië was een rustige, liefelijke landstreek, met ruwe bergen en snel stroomende beken in het noorden, en frissche groene weilanden in het zuiden. De bevolking, die daar huisde, hield kudden groot en klein vee. Zij hielden van het fluitspel en leefden naar de oude, eenvoudige gebruiken. Zij hadden tevens de vrijheid lief, en zij waren krachtige bergbewoners; en zoo gebeurde het tot groote verbazing van de Spartanen, dat enkelen van hen met hun eigen ketenen werden geboeid. Wel wonnen de invallende troepen verschillendeoverwinningen, maar nooit konden zij het kleine bergachtige land werkelijk ten onder brengen. Beide legers ondervonden, dat ook aan de andere zijde dappere mannen streden, en daarom sloten ten slotte beide volken een verdrag, waarbij zij afspraken, elkander in den oorlog bij te staan. Sparta zou de leiding nemen op het slagveld, maar de Arcadiërs zouden steeds den linkervleugel, de eereplaats, bezetten.

De grootste eer echter, die eenigen Griekschen volksstam kon te beurt vallen, was voor te zitten bij de Olympische spelen. Olympia lag in Pisatis, en in de eerste tijden waren de Pisatiërs de machtigsten. Doch na verloop van tijd overwonnen de bewoners van Elis de Pisatiërs in den oorlog, en met trots namen toen de bewoners van Elis den eersten rang in. Herhaaldelijk stonden de bewoners van Pisatis op, en zij vonden ten slotte een machtigen vriend in Pheidon, den heerscher van Argos; deze toch wenschte gaarne zijn macht in het westen uit te breiden. De Spartanen hadden er evenmin bezwaar in, hun macht uit te breiden; zij verdedigden de belangen van de bewoners van Elis, en behaalden de overwinning.

Zoo werd Sparta een machtige staat. Tegen het midden der zesde eeuw vóór Christus, beheerschten de Spartanen het zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus; zij hadden een verbond gesloten met Arcadië en waren zeer bevriend met de bewoners van Elis. Tevens hadden zij de macht van Argos gefnuikt, den staat, die eertijds de machtigste van het schiereiland was geweest. De laatste slag werd geleverd bij Thyrea, welke stad door de Spartanen werd ingenomen; maar de bewoners van Argos leden eenige jaren later een nog veel ernstiger verlies. Zij waren voor de Spartanen gevlucht naar een gewijd boschje, en daar werden zij door hun vijanden omsingeld, die het boschje in brand staken. Twee derde gedeelten van hun geheele leger kwam om. Nog altijd beweerden zij, dat Argos een vrije stad was; maar de Spartanen trokken zich dit volstrektniet aan, daar Argos te zwak was geworden, om zich met hen te bemoeien.

Dit is de geschiedenis van Sparta van de vroegste tijden af tot aan het midden van de zesde eeuw vóór Christus—de geschiedenis van een kleinen, zwervenden stam, die zijn weg vond in het gebied van zijn vijanden en wien het gelukte, het machtigste volk van het land te worden.

Een Spinnende Vrouw.Een Spinnende Vrouw.

Een Spinnende Vrouw.

Hoofdstuk V.De eerste dagen van Athene: de wetten van Solon.Sparta was de voornaamste staat van den Peloponnesus, en zelfs ten noorden van den Peloponnesus werd die beschouwd als de voornaamste van geheel Griekenland, die dan ook de leiding gaf. Hun voornaamste mededinger was Attica. Attica was een schiereiland, dat een lengte had van ongeveer 140 kilometers, en dat aan de noordzijde en de westzijde door bergen werd begrensd. Er waren enkele rivieren in dat land, maar zelfs de grootste van deze liep in den zomer bij warm weder droog. De grond was schraal en onvruchtbaar. De Grieken konden zich volkomen tevreden stellen met een maaltijd, bestaande uit een stuk brood, een beker wijn en een handvol olijven; maar zelfs deze konden in Attica lang zoo gemakkelijk niet verkregen worden als in den naburigen staat Boeotië; immers de bodem moest, om deze voort te brengen, met groote zorg worden bebouwd. Daar tegenover stond echter een groot voordeel, dat tegen die nadeelen ruimschoots opwoog, en dat was het heerlijke klimaat. Attica was in den winter warmer, en in den zomer koeler dan Boeotië. De lucht was zóó zuiver, dat verwijderde voorwerpen op veel grooteren afstand konden worden onderscheiden dan ergens anders. De hemel was zóó helder en schitterend, dat het een genot was daarin te staren, en zelfs al waren de bergen eenigszins kaal, de lucht gloeide zóó prachtig bij zonsondergang, dat de fijne vormen der toppen daartegen schitterend mooi uitkwamen. De bevolking was van Jonischen stam. Met zelfverheffing zeiden zij: “Nooit hebben vreemde veroveraars ons overwonnen. Wij zijn uit den grond zelf ontsproten.”Daarom droegen de Atheensche vrouwen zoo gaarne sieraden in den vorm van een krekel,—omdat men meende, dat ook de krekel uit den grond was geboren.Het Theseüm, zoals dit er thans uitziet. (Een tempel te Athene, waar, zooals de legende luidt, de overblijfselen van Theseus zijn begraven.)Het Theseüm, zoals dit er thans uitziet. (Een tempel te Athene, waar, zooals de legende luidt, de overblijfselen van Theseus zijn begraven.)Van Attica was in de vroegste tijden weinig bekend; maar daar er in dien staat geen slaven gevonden werden, was de meening waarschijnlijk juist, dat het land nooit door vreemdelingen was veroverd, maar dat de staat was gevormd uit een vereeniging van mannen van hetzelfde ras. De Grieken leefden in de overtuiging, dat die vereeniging was tot stand gebracht door den held Theseus, die eertijds hun koning was; en er loopen omtrent diens heldendaden ontelbare verhalen. Men verhaalde, dat hij niet alleen den Minotaurus had gedood, maar dat hij ook op een oorlogsexpeditie was uitgetrokken met Heracles, en dat hij met het schip Argo was uitgezeild om de Gouden Vacht te halen. Ook verhaalt men, dat hij zich als jongmensch zóó opgesmukt kleedde, met zijn sierlijke kleeren, zijn juweelen en zijn reukwerken dat eenige werklieden, die hij eens voorbij liep, eerst verbaasd bleven staan, en daarna lachten en zeiden; “Dat jonge meisje is oud genoeg om te trouwen; hoe komt het, dat zij zoo alleen langs de straten loopt?” Theseus hoorde dit gesprek, en om te toonen, dat hij werkelijk iets meer was dan een modegek, hield hij een kar tegen, die juist voorbij kwam, spande de ossen uit het juk en slingerde die over een tempel. Toen hij koning geworden was, noodigde hij, zoo luidt het verhaal, niet alleen menschen die in Attica woonden, maar zelfs vreemdelingen uit, huizen voor zich te doen bouwen in Athene. De stad was toen niets anders dan een troep kleine woningen op een groote rots met een breeden, vlakken top; maar het was een uiterst veilige plaats, daar het voor vijandenniet gemakkelijk zou zijn, om de rots te beklimmen en zoo de stad binnen te trekken. Theseus was volstrekt niet begeerig naar macht; immers toen de bewoners van de overige gedeelten van Attica aarzelden er in toe te stemmen, te worden geregeerd door een Atheensch vorst, zeide hij tot hen: “Als gij dit wilt doen, zal ik van mijn rechten afstand doen. Gij zult even goed koning zijn als ik, behalve dat ik waken zal over de handhaving der wetten, en als er oorlog komt, zal ik het leger aanvoeren.” Het is niet te verwonderen, dat zij toegaven aan een zoo edelmoedigen vorst. Theseus richtte een zuil op, om de plaats te bepalen, waar de grenzen van Attica begonnen. Daarna stelde hij schitterende feesten in ter eere van de vereeniging der Attische dorpen.De volgende beroemde koning was volgens de legenden koning Codrus. Hij had een tijd lang rustig geregeerd, toen hij in moeilijkheden geraakte. De Spartanen en enkele andere Doriërs verbonden zich met elkander, ten einde Athene aan te vallen, en sloegen hun kamp op vóór de muren der stad. Zij waren vol vertrouwen op den uitslag, daar het orakel gezegd had: “Indien gij het leven van Codrus spaart, zult gij ongetwijfeld de overwinning behalen.” Natuurlijk waren zij nu van plan het leven van Codrus te sparen—dit was een geringe prijs, dien zij voor de overwinning moesten betalen—en spoedig zou Athene in hun macht zijn. Als zij geweten hadden, wat voor man Codrus was, zouden zij niet zoo gerust en vol zelfvertrouwen geweest zijn. Een vriend van den koning, die te Delphi woonde, vertelde hem, wat het orakel gezegd had; en oogenblikkelijk had de dappere en opofferende koning een besluit genomen, hoe hij moest handelen. Hij vermomde zich als een houthakker, sloop de poorten der stad uit, en begaf zich daarheen, waar hij zeker was eenige Doriërs te zullen ontmoeten. Het duurde niet lang, of hij kwam er twee tegen. Eén van dezen sloeg hij met zijn bijl en doodde hem. Daaropdoodde de andere Codrus. Korten tijd daarna vernamen de Atheners, dat de koning voor hen het leven had gelaten, en zij zonden een bode, om te vragen of de Doriërs zijn lijk wilden afstaan. De Doriërs schrikten, toen zij hoorden, wat zij gedaan hadden. “Het helpt niet, of wij Athene aanvallen,”zeiden zij, “immers de goden zullen tegen ons zijn,”en daarom gingen zij weg en trokken over de landengte van Corinthe terug naar den Peloponnesus, zoodat Athene gered was. De Atheners waren zóó dankbaar, dat zij besloten, dat er nooit meer een andere koning over Athene zou heerschen, opdat de titel ten eeuwigen dage aan den edelen vaderlander Codrus gewijd zou zijn.Er waren later echter wel koningen, doch deze moesten het gezag deelen met acht andere magistraten, archonten of heerschers genaamd, totdat op het laatst de koning-archont weinig meer te doen had dan de openbare offers aan de goden te brengen. De negen archonten te zamen hadden in de verste verte niet zooveel te zeggen als een beroemde raad, de Areopagus genoemd, welke naam samenhing met het feit, dat hij vergaderde op den Heuvel van Mars, of Ares; die Areopagus vervaardigde alle wetten en velde vonnis over alle personen, die van een misdaad werden beschuldigd.Oppervlakkig zou men meenen, dat dit een goede inrichting van het staatsbestuur was, maar er kwam één factor bij, die een zoodanige instelling hoogst onrechtvaardig maakte; al die archonten en leden van den Areopagus waren Eupatriden, dat wil zeggen: mannen van hooge geboorte. Meestal waren zij zeer vermogend, en zij maakten wetten, die zeer voordeelig en gemakkelijk waren voor de rijken, maar die zwaar drukten op de armen. De regeeringsvorm was dus een oligarchie, of “regeering van weinigen”; en een oligarchie is slechts zelden billijk tegenover het gewone volk. Sommigen van de behoeftige burgers leefden op de goederen der Eupatriden, en als zij deverschuldigde pacht niet betaalden, hadden de eigenaars dier goederen het recht, hen en hun gezin als slaven te verkoopen. Zelfs zij, die kleine boerderijen in eigendom hadden, waren er niet veel beter aan toe, want een groot aantal van hen waren genoodzaakt geweest, geld van de aanzienlijken te leenen, terwijl zij slechts weinig hoop hadden, hun schuld af te lossen. Daarom was op een aantal boerderijen een pilaar geplaatst, waarin het bedrag gegrift was, dat de boer verschuldigd was, en de naam van den man, aan wien de boerderij verpand was. Somtijds werden de arme boeren zóó ontmoedigd, dat zij hun kinderen als slaven verkochten, om nog slechts de rente van de schuld, die op hun goederen rustte, te kunnen betalen. De Eupatriden hadden een genoegelijk leven, maar het behoeft niet te verwonderen, dat de arme lieden hoe langer hoe ellendiger werden. Enkelen gingen als kolonisten naar andere streken, en zij, die achterbleven, werden met den dag meer ontevreden.Ten slotte zagen zelfs de Eupatriden, die het leven luchthartig opnamen, dat iets moest gedaan worden, om de moeilijkheden te verminderen. Er was één feit, dat het volk ontzettend onbillijk vond, en wel: dat de wetten nooit openlijk waren afgekondigd; indien dus een Eupatride het eigendom van iemand uit het volk wegnam, was er voor dezen geen middel, om te ontdekken, of in overeenstemming dan wel in strijd met de wetten was gehandeld. “Indien wij de wetten openlijk afkondigen, zullen zij tevreden zijn,”meenden de edelen; en zij kozen een Eupatride, Draco genaamd, om alles te verzamelen en te herzien, wat tot nu toe naar de algemeene overtuiging wetten genoemd werd. Langen tijd na Draco was de wetgeving zóóveel zachter en menschelijker geworden, dat men zeide, dat de wetten van Draco “in bloed waren geschreven,”maar dat zij toch veel redelijker en rechtvaardiger waren dan de ongeschreven wetten, die vóór dien tijd van kracht waren geweest. Bovendien gaf zijn wetboek veel grooter macht aan het volk, dat niet tot deaanzienlijken behoorde “de menigte,”zooals de Eupatriden hen noemde; immers het bevatte de bepaling, dat de overheidspersonen niet tot de Eupatriden behoefden te behooren, maar konden gekozen worden uit de leden der Ecclesia, of de algemeene vergadering, dat waren die lieden, die een zeker inkomen uit het land trokken. Het wetboek stond zelfs de Ecclesia toe, de overheidspersonen te kiezen. Dit was voor “de Menigte” een groote vooruitgang, want iedereen die in staat was zich zelf wapenen aan te schaffen voor den strijd, had het recht tot de Ecclesia te behooren.De Acropolis te Athene, (zooals zij zich voordeed op het toppunt van Athene’s roem.)De Acropolis te Athene, (zooals zij zich voordeed op het toppunt van Athene’s roem.)Draco vormde bovendien uit het geheel der burgers een Raad, die onder andere tot taak had, aan de Ecclesia wetten voor te stellen.Die wetgeving van Draco was in sommige opzichten voortreffelijk; maar hij vergat één belangrijk feit, en wel, dat dielagen der bevolking, die arm en hongerig waren, en in voortdurend gevaar verkeerden om als slaven te worden verkocht, zich niet veel tevredener zouden gevoelen, omdat zij wisten, dat enkele anderen, die het iets beter hadden dan zij, nu het recht hadden deel te nemen aan de stemming voor overheidspersonen.Een borstbeeld in het Museum te Napels, dat geacht wordt een beeld van Solon te zijn.Een borstbeeld in het Museum te Napels, dat geacht wordt een beeld van Solon te zijn.Één der Eupatriden, Cylon genaamd, meende, dat het een gunstig oogenblik was, zich zelf tot tyran uit te roepen. Hij zelf en zijn volgelingen bezetten den grooten burcht, de Acropolis, in de verwachting, dat het lagere volk zich bij hen zou voegen. Dit gebeurde echter niet, en spoedig waren zij omsingeld door den archont Megacles en het staatsleger. Cylon ontsnapte, terwijl zijn volgelingen zich terugtrokken in den tempel van Athene, die op de Acropolis stond. Megacles was daardoor in een moeilijken tweestrijd. Het zou een misdaad zijn jegens de godheid, als hij zelfs opstandelingen aanviel, als zij in den tempel der godin gevlucht waren onder haar bescherming; en het zou den tempel bezoedelen en onrein maken, als manschappen daarin aan den hongerdood werden prijs gegeven. Eindelijk zond hij een boodschap aan de opstandelingen in deze bewoordingen: “Indien gij u overgeeft, zal ik uw leven sparen.”De opstandelingen stemden daarin toe, maar zij waren er niet volkomen zeker van, dat de archont zijn woord zou houden; daarom bonden zij, toen zij den tempel verlieten, een touw aan het altaar van Athene, en daalden van de Acropolis af, met het touw in de hand. Waarschijnlijk hielden zij het touw iets te stevig vast, immers het brak plotseling. “De godin weigert u te beschermen,”riep Megacles uit, en viel de ongelukkige slachtoffers aan. Enkelen werden op slag gedood, anderen gesteenigd. Daarna was hetde beurt der Atheners, om beangst te worden. “De godin Athene zal zeker de stad straffen,”zoo kermden zij, en zij eischten, dat Megacles zou worden verbannen. Sommigen der edelen waren van dezelfde meening, doch anderen waren niet geneigd, een bondgenoot op te offeren. Ten slotte werd, door den invloed van een wijzen Eupatride, Solon genaamd, Megacles in staat van beschuldiging gesteld. Het eindigde er mede, dat hij met zijn geheele geslacht, de Alcmaeoniden, verbannen werd.Solon was volstrekt geen vreemdeling voor zijn landgenooten. Het was door zijn toedoen, dat het eiland Salamis toen aan Attica toebehoorde. Zoowel Athene als de stad Megara hadden er aanspraak op gemaakt, en toen uit dien twist een oorlog ontstond, werden de Atheners zóó vreeselijk verslagen, en waren zij zóó wanhopig, dat zij een wet uitvaardigden, die luidde, dat iedereen, die voorstelde, den oorlog met Megara te hernieuwen, ter dood zou worden gebracht. Solon was er van doordrongen, dat het een schande voor zijn vaderland zou zijn, Salamis op te geven, maar hij had er volstrekt geen lust in, ter dood gebracht te worden. Ten slotte maakte hij een plan, zijn landgenooten wakker te schudden. Hij sloot zich op in zijn eigen huis en liet het gerucht verspreiden, dat hij krankzinnig was. In werkelijkheid hield hij zich bezig met de vervaardiging van een gedicht over Salamis, dat de gemoederen in opstand moest brengen. Op zekeren dag ijlde hij plotseling naar de marktplaats, waar altijd een menigte gereed stond, verlangend wat nieuws te hooren, en zeide hij zijn gedicht op. Dit begon aldus:“Hoor en let op: ik kwam van Salamis,Om van uw dwaling u te overtuigen.”Een krankzinnige kon niet gestraft worden wegens de overtreding van een wet, en de Atheners waren door dit gedicht zóózeer wakker geschud, dat zij besloten, den oorlog te hernieuwen. Zij schijnen overtuigd geweest te zijn, dat Solon zóókrankzinnig was, dat hij niet kon worden gestraft, maar tevens toch genoeg bij zijn verstand, om een goed legeraanvoerder te zijn; daarom droegen zij hem het opperbevel over hun troepen op. Eindelijk viel Salamis in de handen der Atheners.Om die redenen stelden zoowel de Eupatriden als de groote menigte een groot vertrouwen in Solon, en gaven zij hem het recht alles te doen, wat naar zijn oordeel zou kunnen bijdragen tot verbetering van den toestand. Er was ongetwijfeld behoefte aan iemand met een groot verstand, want geheel Attica was in beroering. Behalve de moeilijkheden tusschen de armen en de rijken, waren er voortdurend drie partijen, die aanhoudend met elkander twistten: de bevolking der vlakten, die woonde in de meest vruchtbare landstreek; de menschen, die aan de kust woonden, die dus dicht bij de zee leefden, en visschers en handelslieden waren; en de bergbewoners of schaapherders, die woonden aan de ruwe hellingen der heuvels, waar zij hun kudden weidden.Die verschillende soorten van menschen hadden ook verschillende doeleinden en begeerten; en niemand, hoe verstandig hij ook mocht zijn, kon allen tevreden hebben gesteld. Solon schonk slechts zeer weinig aandacht aan wat een bepaalde klasse van menschen verlangde, maar deed, wat hij dacht, dat het meest in het belang was van den geheelen staat. De grootste en meest dringende moeilijkheid was, dat zoovele menschen in schulden staken. De kleine boeren, die een eigen boerderij bezaten, verloren snel hun boerderijen en werden daglooners, terwijl daglooners als slaven verkocht werden. Een zóó groot aantal was als slaven verkocht, dat hun afwezigheid een groot verlies was voor het land. De eerste besluiten van Solon waren nu deze, dat men zijn schulden kon afdoen in een nieuwe munt, die een vierde minder woog dan de oude, maar die toch gerekend zou worden de vroegere waarde te hebben gehouden; dat de schulden der landbouwers,die geld van den staat hadden geleend, zouden worden vrijgeschonken; dat hij, die er in had toegestemd, de slaaf te worden van een ander, als hij geleend geld niet op tijd teruggaf, niet aan zijn verplichting gehouden zou zijn; en dat zij, die naar vreemde landen zouden zijn verkocht, teruggebracht zouden worden op kosten van den staat of van hen, die hen had verkocht.Gereedmaken voor de Begrafenis. (Naar een beschilderde vaas.)Gereedmaken voor de Begrafenis. (Naar een beschilderde vaas.)Op het eerste gezicht schijnen die wetten tamelijk onbillijk geweest te zijn tegenover de schuldeischers; maar in het algemeen was het zeker, dat, als een rijk man geld leende aan een arme, hij zeer goed wist, dat hij nooit zijn geld kon terugkrijgen; zijn doel was, den man zelf in zijn macht te krijgen, dat is, vrije burgers tot slaven te maken, en het was niet goed, dat dit door de wetten werd bekrachtigd.Solon was zelf een Eupatride, maar hij kon niet goedkeuren, dat de wetten uitsluitend door de Eupatriden werden gemaakt. Hij verdeelde het volk in vier klassen, in verband met het inkomen, dat zij uit hun landerijen trokken. De rijken bezetten meer ambten, maar moesten ook hoogere belastingen betalen. Zij, die tot de laagste klasse behoorden, dat warenzij, die te arm waren om wapenen en een wapenrusting voor zich zelf te koopen, waren tot geen ambt verkiesbaar, maar zij betaalden geen belasting; en iedereen, zoowel armen als rijken, behoorde tot de Ecclesia en had stemrecht. Zoo maakte Solon de instellingen in overeenstemming met zijn geliefde lijfspreuk: “Gelijkheid veroorzaakt geen oorlogen.”Met die nieuwe wetten stond voor iedereen de gelegenheid open, om van de ééne klasse tot een andere op te klimmen, en ten slotte de hoogste ambten in den staat te bekleeden. Iedereen kon zelfs lid van den Areopagus worden, en in de oogen van den Athener was dit het hoogste der staatsambten. De meeste wetten van Draco werden afgeschaft, en Solon vervaardigde een nieuw wetboek. Ten slotte schonk hij amnestie aan de Alcmaeoniden en stond hen toe, naar Athene terug te keeren. Hij bepaalde niet naar vaste regelen, hoe kinderen moesten worden opgevoed, maar blijkbaar wenschte hij niet, dat zij hun tijd in lediggang doorbrachten, immers hij bepaalde, dat niemand verplicht was zijn vader in diens ouderdom te ondersteunen, tenzij de vader hem als knaap geleerd had zich zelf door het ééne of andere bedrijf te onderhouden. Solon wijdde al zijn gedachten aan het heil van den staat. Hij was niet, evenals Lycurgus, van meening, dat men het geld moest minachten, maar veeleer, dat men het zóó zorgzaam en verstandig moest gebruiken, dat er geen gebrek aan was, als men het noodig had. Op dien grond maakte hij enkele bepalingen, waarbij het bedrag werd beperkt, dat bij begrafenissen mocht worden besteed, waar meestal heel wat geld voor werd uitgegeven, en zoo maakte hij ook enkele bepalingen omtrent de kleeding der vrouwen; indien bij voorbeeld een vrouw op reis ging, mocht zij niet meer dan drie gewaden medenemen. De wetten werden op houten tafels geschreven, en die werden daar geplaatst, waar iedereen ze kon lezen.Er waren zóóveel verschillende partijen in Athene, dat niemandvan deze volkomen voldaan was. Gedurig zochten zij Solon dan ook op. “Wat beteekent die wet?”vroegen zij dan, of “Waarom wordt die wet niet veranderd?” Ten slotte besloot Solon weg te gaan, en het volk en de wetten een tijd lang met rust te laten. Toen hij echter naar Athene terugkeerde, bleek het hem, dat de burgers evenmin tevreden waren als toen hij ze had verlaten. De aanzienlijken hadden gedacht, dat alles rustig en kalm zou zijn, nadat de schulden waren kwijtgescholden, terwijl het hun bleek, dat dit niets had geholpen. Een aantal arme lieden waren van hun kant vreeselijk teleurgesteld, daar zij verwacht hadden, dat hun vriend Solon hen allen op de ééne of andere geheimzinnige wijze rijk zou maken. De aanzienlijken waren het ook onderling oneens, en de drie gedeelten, de mannen uit de vlakten, die der kusten en die der bergen, waren nog steeds oneenig.Atheensche kom.Atheensche kom.

Sparta was de voornaamste staat van den Peloponnesus, en zelfs ten noorden van den Peloponnesus werd die beschouwd als de voornaamste van geheel Griekenland, die dan ook de leiding gaf. Hun voornaamste mededinger was Attica. Attica was een schiereiland, dat een lengte had van ongeveer 140 kilometers, en dat aan de noordzijde en de westzijde door bergen werd begrensd. Er waren enkele rivieren in dat land, maar zelfs de grootste van deze liep in den zomer bij warm weder droog. De grond was schraal en onvruchtbaar. De Grieken konden zich volkomen tevreden stellen met een maaltijd, bestaande uit een stuk brood, een beker wijn en een handvol olijven; maar zelfs deze konden in Attica lang zoo gemakkelijk niet verkregen worden als in den naburigen staat Boeotië; immers de bodem moest, om deze voort te brengen, met groote zorg worden bebouwd. Daar tegenover stond echter een groot voordeel, dat tegen die nadeelen ruimschoots opwoog, en dat was het heerlijke klimaat. Attica was in den winter warmer, en in den zomer koeler dan Boeotië. De lucht was zóó zuiver, dat verwijderde voorwerpen op veel grooteren afstand konden worden onderscheiden dan ergens anders. De hemel was zóó helder en schitterend, dat het een genot was daarin te staren, en zelfs al waren de bergen eenigszins kaal, de lucht gloeide zóó prachtig bij zonsondergang, dat de fijne vormen der toppen daartegen schitterend mooi uitkwamen. De bevolking was van Jonischen stam. Met zelfverheffing zeiden zij: “Nooit hebben vreemde veroveraars ons overwonnen. Wij zijn uit den grond zelf ontsproten.”Daarom droegen de Atheensche vrouwen zoo gaarne sieraden in den vorm van een krekel,—omdat men meende, dat ook de krekel uit den grond was geboren.

Het Theseüm, zoals dit er thans uitziet. (Een tempel te Athene, waar, zooals de legende luidt, de overblijfselen van Theseus zijn begraven.)Het Theseüm, zoals dit er thans uitziet. (Een tempel te Athene, waar, zooals de legende luidt, de overblijfselen van Theseus zijn begraven.)

Het Theseüm, zoals dit er thans uitziet. (Een tempel te Athene, waar, zooals de legende luidt, de overblijfselen van Theseus zijn begraven.)

Van Attica was in de vroegste tijden weinig bekend; maar daar er in dien staat geen slaven gevonden werden, was de meening waarschijnlijk juist, dat het land nooit door vreemdelingen was veroverd, maar dat de staat was gevormd uit een vereeniging van mannen van hetzelfde ras. De Grieken leefden in de overtuiging, dat die vereeniging was tot stand gebracht door den held Theseus, die eertijds hun koning was; en er loopen omtrent diens heldendaden ontelbare verhalen. Men verhaalde, dat hij niet alleen den Minotaurus had gedood, maar dat hij ook op een oorlogsexpeditie was uitgetrokken met Heracles, en dat hij met het schip Argo was uitgezeild om de Gouden Vacht te halen. Ook verhaalt men, dat hij zich als jongmensch zóó opgesmukt kleedde, met zijn sierlijke kleeren, zijn juweelen en zijn reukwerken dat eenige werklieden, die hij eens voorbij liep, eerst verbaasd bleven staan, en daarna lachten en zeiden; “Dat jonge meisje is oud genoeg om te trouwen; hoe komt het, dat zij zoo alleen langs de straten loopt?” Theseus hoorde dit gesprek, en om te toonen, dat hij werkelijk iets meer was dan een modegek, hield hij een kar tegen, die juist voorbij kwam, spande de ossen uit het juk en slingerde die over een tempel. Toen hij koning geworden was, noodigde hij, zoo luidt het verhaal, niet alleen menschen die in Attica woonden, maar zelfs vreemdelingen uit, huizen voor zich te doen bouwen in Athene. De stad was toen niets anders dan een troep kleine woningen op een groote rots met een breeden, vlakken top; maar het was een uiterst veilige plaats, daar het voor vijandenniet gemakkelijk zou zijn, om de rots te beklimmen en zoo de stad binnen te trekken. Theseus was volstrekt niet begeerig naar macht; immers toen de bewoners van de overige gedeelten van Attica aarzelden er in toe te stemmen, te worden geregeerd door een Atheensch vorst, zeide hij tot hen: “Als gij dit wilt doen, zal ik van mijn rechten afstand doen. Gij zult even goed koning zijn als ik, behalve dat ik waken zal over de handhaving der wetten, en als er oorlog komt, zal ik het leger aanvoeren.” Het is niet te verwonderen, dat zij toegaven aan een zoo edelmoedigen vorst. Theseus richtte een zuil op, om de plaats te bepalen, waar de grenzen van Attica begonnen. Daarna stelde hij schitterende feesten in ter eere van de vereeniging der Attische dorpen.

De volgende beroemde koning was volgens de legenden koning Codrus. Hij had een tijd lang rustig geregeerd, toen hij in moeilijkheden geraakte. De Spartanen en enkele andere Doriërs verbonden zich met elkander, ten einde Athene aan te vallen, en sloegen hun kamp op vóór de muren der stad. Zij waren vol vertrouwen op den uitslag, daar het orakel gezegd had: “Indien gij het leven van Codrus spaart, zult gij ongetwijfeld de overwinning behalen.” Natuurlijk waren zij nu van plan het leven van Codrus te sparen—dit was een geringe prijs, dien zij voor de overwinning moesten betalen—en spoedig zou Athene in hun macht zijn. Als zij geweten hadden, wat voor man Codrus was, zouden zij niet zoo gerust en vol zelfvertrouwen geweest zijn. Een vriend van den koning, die te Delphi woonde, vertelde hem, wat het orakel gezegd had; en oogenblikkelijk had de dappere en opofferende koning een besluit genomen, hoe hij moest handelen. Hij vermomde zich als een houthakker, sloop de poorten der stad uit, en begaf zich daarheen, waar hij zeker was eenige Doriërs te zullen ontmoeten. Het duurde niet lang, of hij kwam er twee tegen. Eén van dezen sloeg hij met zijn bijl en doodde hem. Daaropdoodde de andere Codrus. Korten tijd daarna vernamen de Atheners, dat de koning voor hen het leven had gelaten, en zij zonden een bode, om te vragen of de Doriërs zijn lijk wilden afstaan. De Doriërs schrikten, toen zij hoorden, wat zij gedaan hadden. “Het helpt niet, of wij Athene aanvallen,”zeiden zij, “immers de goden zullen tegen ons zijn,”en daarom gingen zij weg en trokken over de landengte van Corinthe terug naar den Peloponnesus, zoodat Athene gered was. De Atheners waren zóó dankbaar, dat zij besloten, dat er nooit meer een andere koning over Athene zou heerschen, opdat de titel ten eeuwigen dage aan den edelen vaderlander Codrus gewijd zou zijn.

Er waren later echter wel koningen, doch deze moesten het gezag deelen met acht andere magistraten, archonten of heerschers genaamd, totdat op het laatst de koning-archont weinig meer te doen had dan de openbare offers aan de goden te brengen. De negen archonten te zamen hadden in de verste verte niet zooveel te zeggen als een beroemde raad, de Areopagus genoemd, welke naam samenhing met het feit, dat hij vergaderde op den Heuvel van Mars, of Ares; die Areopagus vervaardigde alle wetten en velde vonnis over alle personen, die van een misdaad werden beschuldigd.

Oppervlakkig zou men meenen, dat dit een goede inrichting van het staatsbestuur was, maar er kwam één factor bij, die een zoodanige instelling hoogst onrechtvaardig maakte; al die archonten en leden van den Areopagus waren Eupatriden, dat wil zeggen: mannen van hooge geboorte. Meestal waren zij zeer vermogend, en zij maakten wetten, die zeer voordeelig en gemakkelijk waren voor de rijken, maar die zwaar drukten op de armen. De regeeringsvorm was dus een oligarchie, of “regeering van weinigen”; en een oligarchie is slechts zelden billijk tegenover het gewone volk. Sommigen van de behoeftige burgers leefden op de goederen der Eupatriden, en als zij deverschuldigde pacht niet betaalden, hadden de eigenaars dier goederen het recht, hen en hun gezin als slaven te verkoopen. Zelfs zij, die kleine boerderijen in eigendom hadden, waren er niet veel beter aan toe, want een groot aantal van hen waren genoodzaakt geweest, geld van de aanzienlijken te leenen, terwijl zij slechts weinig hoop hadden, hun schuld af te lossen. Daarom was op een aantal boerderijen een pilaar geplaatst, waarin het bedrag gegrift was, dat de boer verschuldigd was, en de naam van den man, aan wien de boerderij verpand was. Somtijds werden de arme boeren zóó ontmoedigd, dat zij hun kinderen als slaven verkochten, om nog slechts de rente van de schuld, die op hun goederen rustte, te kunnen betalen. De Eupatriden hadden een genoegelijk leven, maar het behoeft niet te verwonderen, dat de arme lieden hoe langer hoe ellendiger werden. Enkelen gingen als kolonisten naar andere streken, en zij, die achterbleven, werden met den dag meer ontevreden.

Ten slotte zagen zelfs de Eupatriden, die het leven luchthartig opnamen, dat iets moest gedaan worden, om de moeilijkheden te verminderen. Er was één feit, dat het volk ontzettend onbillijk vond, en wel: dat de wetten nooit openlijk waren afgekondigd; indien dus een Eupatride het eigendom van iemand uit het volk wegnam, was er voor dezen geen middel, om te ontdekken, of in overeenstemming dan wel in strijd met de wetten was gehandeld. “Indien wij de wetten openlijk afkondigen, zullen zij tevreden zijn,”meenden de edelen; en zij kozen een Eupatride, Draco genaamd, om alles te verzamelen en te herzien, wat tot nu toe naar de algemeene overtuiging wetten genoemd werd. Langen tijd na Draco was de wetgeving zóóveel zachter en menschelijker geworden, dat men zeide, dat de wetten van Draco “in bloed waren geschreven,”maar dat zij toch veel redelijker en rechtvaardiger waren dan de ongeschreven wetten, die vóór dien tijd van kracht waren geweest. Bovendien gaf zijn wetboek veel grooter macht aan het volk, dat niet tot deaanzienlijken behoorde “de menigte,”zooals de Eupatriden hen noemde; immers het bevatte de bepaling, dat de overheidspersonen niet tot de Eupatriden behoefden te behooren, maar konden gekozen worden uit de leden der Ecclesia, of de algemeene vergadering, dat waren die lieden, die een zeker inkomen uit het land trokken. Het wetboek stond zelfs de Ecclesia toe, de overheidspersonen te kiezen. Dit was voor “de Menigte” een groote vooruitgang, want iedereen die in staat was zich zelf wapenen aan te schaffen voor den strijd, had het recht tot de Ecclesia te behooren.

De Acropolis te Athene, (zooals zij zich voordeed op het toppunt van Athene’s roem.)De Acropolis te Athene, (zooals zij zich voordeed op het toppunt van Athene’s roem.)

De Acropolis te Athene, (zooals zij zich voordeed op het toppunt van Athene’s roem.)

Draco vormde bovendien uit het geheel der burgers een Raad, die onder andere tot taak had, aan de Ecclesia wetten voor te stellen.

Die wetgeving van Draco was in sommige opzichten voortreffelijk; maar hij vergat één belangrijk feit, en wel, dat dielagen der bevolking, die arm en hongerig waren, en in voortdurend gevaar verkeerden om als slaven te worden verkocht, zich niet veel tevredener zouden gevoelen, omdat zij wisten, dat enkele anderen, die het iets beter hadden dan zij, nu het recht hadden deel te nemen aan de stemming voor overheidspersonen.

Een borstbeeld in het Museum te Napels, dat geacht wordt een beeld van Solon te zijn.Een borstbeeld in het Museum te Napels, dat geacht wordt een beeld van Solon te zijn.

Een borstbeeld in het Museum te Napels, dat geacht wordt een beeld van Solon te zijn.

Één der Eupatriden, Cylon genaamd, meende, dat het een gunstig oogenblik was, zich zelf tot tyran uit te roepen. Hij zelf en zijn volgelingen bezetten den grooten burcht, de Acropolis, in de verwachting, dat het lagere volk zich bij hen zou voegen. Dit gebeurde echter niet, en spoedig waren zij omsingeld door den archont Megacles en het staatsleger. Cylon ontsnapte, terwijl zijn volgelingen zich terugtrokken in den tempel van Athene, die op de Acropolis stond. Megacles was daardoor in een moeilijken tweestrijd. Het zou een misdaad zijn jegens de godheid, als hij zelfs opstandelingen aanviel, als zij in den tempel der godin gevlucht waren onder haar bescherming; en het zou den tempel bezoedelen en onrein maken, als manschappen daarin aan den hongerdood werden prijs gegeven. Eindelijk zond hij een boodschap aan de opstandelingen in deze bewoordingen: “Indien gij u overgeeft, zal ik uw leven sparen.”De opstandelingen stemden daarin toe, maar zij waren er niet volkomen zeker van, dat de archont zijn woord zou houden; daarom bonden zij, toen zij den tempel verlieten, een touw aan het altaar van Athene, en daalden van de Acropolis af, met het touw in de hand. Waarschijnlijk hielden zij het touw iets te stevig vast, immers het brak plotseling. “De godin weigert u te beschermen,”riep Megacles uit, en viel de ongelukkige slachtoffers aan. Enkelen werden op slag gedood, anderen gesteenigd. Daarna was hetde beurt der Atheners, om beangst te worden. “De godin Athene zal zeker de stad straffen,”zoo kermden zij, en zij eischten, dat Megacles zou worden verbannen. Sommigen der edelen waren van dezelfde meening, doch anderen waren niet geneigd, een bondgenoot op te offeren. Ten slotte werd, door den invloed van een wijzen Eupatride, Solon genaamd, Megacles in staat van beschuldiging gesteld. Het eindigde er mede, dat hij met zijn geheele geslacht, de Alcmaeoniden, verbannen werd.

Solon was volstrekt geen vreemdeling voor zijn landgenooten. Het was door zijn toedoen, dat het eiland Salamis toen aan Attica toebehoorde. Zoowel Athene als de stad Megara hadden er aanspraak op gemaakt, en toen uit dien twist een oorlog ontstond, werden de Atheners zóó vreeselijk verslagen, en waren zij zóó wanhopig, dat zij een wet uitvaardigden, die luidde, dat iedereen, die voorstelde, den oorlog met Megara te hernieuwen, ter dood zou worden gebracht. Solon was er van doordrongen, dat het een schande voor zijn vaderland zou zijn, Salamis op te geven, maar hij had er volstrekt geen lust in, ter dood gebracht te worden. Ten slotte maakte hij een plan, zijn landgenooten wakker te schudden. Hij sloot zich op in zijn eigen huis en liet het gerucht verspreiden, dat hij krankzinnig was. In werkelijkheid hield hij zich bezig met de vervaardiging van een gedicht over Salamis, dat de gemoederen in opstand moest brengen. Op zekeren dag ijlde hij plotseling naar de marktplaats, waar altijd een menigte gereed stond, verlangend wat nieuws te hooren, en zeide hij zijn gedicht op. Dit begon aldus:

“Hoor en let op: ik kwam van Salamis,Om van uw dwaling u te overtuigen.”

“Hoor en let op: ik kwam van Salamis,

Om van uw dwaling u te overtuigen.”

Een krankzinnige kon niet gestraft worden wegens de overtreding van een wet, en de Atheners waren door dit gedicht zóózeer wakker geschud, dat zij besloten, den oorlog te hernieuwen. Zij schijnen overtuigd geweest te zijn, dat Solon zóókrankzinnig was, dat hij niet kon worden gestraft, maar tevens toch genoeg bij zijn verstand, om een goed legeraanvoerder te zijn; daarom droegen zij hem het opperbevel over hun troepen op. Eindelijk viel Salamis in de handen der Atheners.

Om die redenen stelden zoowel de Eupatriden als de groote menigte een groot vertrouwen in Solon, en gaven zij hem het recht alles te doen, wat naar zijn oordeel zou kunnen bijdragen tot verbetering van den toestand. Er was ongetwijfeld behoefte aan iemand met een groot verstand, want geheel Attica was in beroering. Behalve de moeilijkheden tusschen de armen en de rijken, waren er voortdurend drie partijen, die aanhoudend met elkander twistten: de bevolking der vlakten, die woonde in de meest vruchtbare landstreek; de menschen, die aan de kust woonden, die dus dicht bij de zee leefden, en visschers en handelslieden waren; en de bergbewoners of schaapherders, die woonden aan de ruwe hellingen der heuvels, waar zij hun kudden weidden.

Die verschillende soorten van menschen hadden ook verschillende doeleinden en begeerten; en niemand, hoe verstandig hij ook mocht zijn, kon allen tevreden hebben gesteld. Solon schonk slechts zeer weinig aandacht aan wat een bepaalde klasse van menschen verlangde, maar deed, wat hij dacht, dat het meest in het belang was van den geheelen staat. De grootste en meest dringende moeilijkheid was, dat zoovele menschen in schulden staken. De kleine boeren, die een eigen boerderij bezaten, verloren snel hun boerderijen en werden daglooners, terwijl daglooners als slaven verkocht werden. Een zóó groot aantal was als slaven verkocht, dat hun afwezigheid een groot verlies was voor het land. De eerste besluiten van Solon waren nu deze, dat men zijn schulden kon afdoen in een nieuwe munt, die een vierde minder woog dan de oude, maar die toch gerekend zou worden de vroegere waarde te hebben gehouden; dat de schulden der landbouwers,die geld van den staat hadden geleend, zouden worden vrijgeschonken; dat hij, die er in had toegestemd, de slaaf te worden van een ander, als hij geleend geld niet op tijd teruggaf, niet aan zijn verplichting gehouden zou zijn; en dat zij, die naar vreemde landen zouden zijn verkocht, teruggebracht zouden worden op kosten van den staat of van hen, die hen had verkocht.

Gereedmaken voor de Begrafenis. (Naar een beschilderde vaas.)Gereedmaken voor de Begrafenis. (Naar een beschilderde vaas.)

Gereedmaken voor de Begrafenis. (Naar een beschilderde vaas.)

Op het eerste gezicht schijnen die wetten tamelijk onbillijk geweest te zijn tegenover de schuldeischers; maar in het algemeen was het zeker, dat, als een rijk man geld leende aan een arme, hij zeer goed wist, dat hij nooit zijn geld kon terugkrijgen; zijn doel was, den man zelf in zijn macht te krijgen, dat is, vrije burgers tot slaven te maken, en het was niet goed, dat dit door de wetten werd bekrachtigd.

Solon was zelf een Eupatride, maar hij kon niet goedkeuren, dat de wetten uitsluitend door de Eupatriden werden gemaakt. Hij verdeelde het volk in vier klassen, in verband met het inkomen, dat zij uit hun landerijen trokken. De rijken bezetten meer ambten, maar moesten ook hoogere belastingen betalen. Zij, die tot de laagste klasse behoorden, dat warenzij, die te arm waren om wapenen en een wapenrusting voor zich zelf te koopen, waren tot geen ambt verkiesbaar, maar zij betaalden geen belasting; en iedereen, zoowel armen als rijken, behoorde tot de Ecclesia en had stemrecht. Zoo maakte Solon de instellingen in overeenstemming met zijn geliefde lijfspreuk: “Gelijkheid veroorzaakt geen oorlogen.”Met die nieuwe wetten stond voor iedereen de gelegenheid open, om van de ééne klasse tot een andere op te klimmen, en ten slotte de hoogste ambten in den staat te bekleeden. Iedereen kon zelfs lid van den Areopagus worden, en in de oogen van den Athener was dit het hoogste der staatsambten. De meeste wetten van Draco werden afgeschaft, en Solon vervaardigde een nieuw wetboek. Ten slotte schonk hij amnestie aan de Alcmaeoniden en stond hen toe, naar Athene terug te keeren. Hij bepaalde niet naar vaste regelen, hoe kinderen moesten worden opgevoed, maar blijkbaar wenschte hij niet, dat zij hun tijd in lediggang doorbrachten, immers hij bepaalde, dat niemand verplicht was zijn vader in diens ouderdom te ondersteunen, tenzij de vader hem als knaap geleerd had zich zelf door het ééne of andere bedrijf te onderhouden. Solon wijdde al zijn gedachten aan het heil van den staat. Hij was niet, evenals Lycurgus, van meening, dat men het geld moest minachten, maar veeleer, dat men het zóó zorgzaam en verstandig moest gebruiken, dat er geen gebrek aan was, als men het noodig had. Op dien grond maakte hij enkele bepalingen, waarbij het bedrag werd beperkt, dat bij begrafenissen mocht worden besteed, waar meestal heel wat geld voor werd uitgegeven, en zoo maakte hij ook enkele bepalingen omtrent de kleeding der vrouwen; indien bij voorbeeld een vrouw op reis ging, mocht zij niet meer dan drie gewaden medenemen. De wetten werden op houten tafels geschreven, en die werden daar geplaatst, waar iedereen ze kon lezen.

Er waren zóóveel verschillende partijen in Athene, dat niemandvan deze volkomen voldaan was. Gedurig zochten zij Solon dan ook op. “Wat beteekent die wet?”vroegen zij dan, of “Waarom wordt die wet niet veranderd?” Ten slotte besloot Solon weg te gaan, en het volk en de wetten een tijd lang met rust te laten. Toen hij echter naar Athene terugkeerde, bleek het hem, dat de burgers evenmin tevreden waren als toen hij ze had verlaten. De aanzienlijken hadden gedacht, dat alles rustig en kalm zou zijn, nadat de schulden waren kwijtgescholden, terwijl het hun bleek, dat dit niets had geholpen. Een aantal arme lieden waren van hun kant vreeselijk teleurgesteld, daar zij verwacht hadden, dat hun vriend Solon hen allen op de ééne of andere geheimzinnige wijze rijk zou maken. De aanzienlijken waren het ook onderling oneens, en de drie gedeelten, de mannen uit de vlakten, die der kusten en die der bergen, waren nog steeds oneenig.

Atheensche kom.Atheensche kom.

Atheensche kom.


Back to IndexNext