Hoofdstuk X.De groote Perzische inval.Terwijl de Atheners zich nog steeds verheugden over de overwinning bij Marathon, en tot elkander zeiden: “Eindelijk zijn wij voor goed bevrijd van de Perzen,”waren er sommigen onder hen, die er niet zoo zeker van waren, dat hun vijanden niet zouden terugkeeren. De leider van die partij was een zekere Themistocles. Zijn vader was een Griek, maar zijn moeder was een vreemdelinge, en daarom zagen, toen hij nog een knaap was, de andere knapen, die van zuiver Grieksch bloed waren, op hem neer. Hij maakte den toestand voor zich nog wat moeilijker, daar hij zich niet naar hun gewoonten en handelingen wilde schikken. Hij was bij voorbeeld van meening, dat het dwaas was, die talenten tot ontwikkeling te brengen, waaraan in Griekenland gewicht werd gehecht. Het verhaal is overgeleverd, dat op zekeren dag, toen iemand een gezelschap door zijn gezang had vermaakt, eenigszins schamper de opmerking tegen Themistocles gemaakt werd: “Van u schijnen wij geen liederen te zullen hooren”; waarop hij antwoordde: “Neen, ik heb in het geheel geen verstand van muziek en van zang, maar wel weet ik, hoe een kleine stad groot gemaakt kan worden.”Themistocles had deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij geloofde niet alleen, dat de Perzen zouden terugkeeren, en dat wel met nog grootere legermacht, maar tevens, dat, als de Atheners zichzelf moesten verdedigen, zij evenzeer te water als te land moesten leeren strijden. “Bouwt schepen, bouwt schepen,”zeide hij voortdurend.De aanvoerder van hen, die een andere meening hadden dan Themistocles, was Aristides, een man van een zóó oprechten eerlijk karakter, dat hij dikwijls “de Rechtvaardige” werd genoemd. Hij had evenals Themistocles deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij was eerlijk overtuigd, dat Themistocles ongelijk had. “Het zijn onze overwinningen te land, die ons zoo krachtig hebben gemaakt,” zoo dacht hij, “en zullen wij nu onze veiligheid toevertrouwen aan de gevaren van den Oceaan?” Hij en zijn partijgenooten bestreden Themistocles zóó krachtig, dat er misschien geen enkel nieuw schip zou zijn gebouwd, indien er geen oorlog ware uitgebroken tusschen Athene en Aegina. Aegina was zóóveel beter voorzien van schepen dan Athene, en Athene gevoelde zóózeer de noodzakelijkheid, dat er schepen in den oorlog werden aangeschaft, dat de Atheners langzamerhand tot de meening begonnen over te hellen, dat Themistocles wel eens gelijk kon hebben. Ten slotte werd de strijd tusschen beide partijen zóó heftig, dat de zaak door het schervengerecht moest worden beslist. Men verhaalt dat, terwijl Aristides toezag, toen de stemmers hun scherven in de urnen wierpen, een vreemdeling hem zeide: “Ik kan niet schrijven. Wilt gij den naam van Aristides op mijn scherf zetten?” “Wat voor kwaad heeft hij u ooit gedaan?” vroeg Aristides. De man antwoordde: “Niets, maar het verveelt mij, hem altijd “de Rechtvaardige” te hooren noemen?” Aristides zeide niets meer, maar schreef rustig zijn eigen naam op de scherf. De stemming viel ten zijnen nadeele uit, en zoo ging hij in ballingschap.Themistocles.Themistocles.Zelfs toen werden de schepen niet dadelijk gebouwd, want het bouwen van schepen is altijd een kostbare geschiedenis, en het was zeer de vraag, waar het geld vandaan moest komen. Gelukkig kwam juist in die dagen een aanzienlijkesom in de Atheensche schatkist uit sommige rijke zilvermijnen. “Geeft dit geld om een vloot te bouwen,”zoo pleitte Themistocles, en eindelijk werden de schepen gebouwd. De Piraeus, de haven van Athene—de stad toch was ongeveer zes kilometers van de zee verwijderd—werd versterkt, of liever gedeeltelijk versterkt; immers voordat het werk voltooid was, waren de Perzen op weg, om hun derden inval in Griekenland te doen.Toen de schepen van Darius te huis gekomen waren zonder den buit en de menigte gevangenen, die de koning had verwacht, en toen hij de tijding ontving van den slag bij Marathon, was hij heftig vertoornd. Tweemaal waren de Perzische troepen naar Europa overgestoken, tweemaal waren zij teruggedreven. Zij zouden nu ten derden male oversteken, en hij zelf zou nu medetrekken. Die verwaande Atheners zouden nu eens leeren, hoe Perzische koningen de vermetele volksstammen behandelden, die zich tegen hen durfden verzetten. Hij begon alle noodzakelijke toebereidselen te maken. Hij zond boden naar de steden, die hij had veroverd, en beval hun manschappen, paarden en schepen bijeen te brengen, en groote hoeveelheden koren te verschaffen. Gedurende drie jaar werden de voorbereidselen voortgezet; doch toen stierf Darius plotseling.Xerxes, de zoon van Darius, werd nu koning. Hij was tevreden met de uitgestrektheid van zijn rijk, en zou veel liever thuis gebleven zijn. Zijn raadgevers waren echter van een andere meening. Mardonius in het bijzonder, die de eerste expeditie tegen de Grieken had aangevoerd, brandde van verlangen, te laten zien, dat hij, al had hij eens het onderspit gedolven, toch een bekwaam legeraanvoerder was.Het oversteken van den Hellespont.Het oversteken van den Hellespont.Xerxes besloot, den tocht te ondernemen, en stelde alles in het werk, te zorgen dat die tocht gelukte. Er moest geen schipbreuk geleden worden op den berg Athos, daarom liet hij dwars door het schiereiland een kanaal graven. De landmachtmoest den Hellespont oversteken, en daar liet hij twee schipbruggen bouwen. Korten tijd daarna ontstak de koning in groote woede, daar een storm zijn schipbruggen had vernield. Hij beval zijn manschappen, den Hellespont driehonderd zweepslagen te geven, omdat deze zoo vermetel geweest was, het werk van den koning te vernietigen, en hij liet de bouwmeesters der schipbruggen onthoofden. Daarna deed hij iets, wat ongetwijfeld heel wat verstandiger en practischer was—hij zette zich aan het werk, om steviger bruggen te bouwen. Eerst werden schepen naast elkander geankerd, totdat de ruimte tusschen de beide kusten met schepen was bezet. Daarna werden van de ééne naar de andere kust, zes ontzaglijke kabels gespannen die op de dekken der schepen rustten. Daarop werden groote blokken hout gelegd, daarop wederplanken, en vervolgens aarde. Alles werd stevig bevestigd; en ten slotte werd nog een palissade aan weerszijden gebouwd, die zóó hoog was, dat paarden en vee niet konden schrikken, als zij zagen, dat er water onder hen was. De tweede brug werd op dezelfde wijze vervaardigd.Toen de bruggen voltooid waren, het kanaal was gegraven, en groote hoeveelheden levensmiddelen waren opgestapeld op verschillende plaatsen langs den weg, dien Xerxes voornemens was te volgen, verliet hij de hoofdstad van zijn rijk. Een tijdlang was hij doodelijk ontsteld, daar de zon verduisterd werd. “Wat beteekent dit?” vroeg hij in vreeselijken angst aan de wijzen, die hem vergezelden. “Vrees niet, o groote Koning” was hun antwoord; “de zon waarschuwt de Grieken, de maan echter de Perzen. De zon is van den hemel verdwenen, en dus zullen de steden der Grieken van de aarde verdwijnen.” Daarop marcheerde de koning verder.De zoogenaamde “Troon van Xerxes”.De zoogenaamde “Troon van Xerxes”.Toen het leger aan den Hellespont kwam, stond op den top van den heuvel een witte marmeren troon, dien Xerxes voor zich had laten gereed zetten. Daarop zette hij zich neder. Onder hem zag hij honderden schepen en ontelbare duizenden manschappen, de grootste land- en zeemacht, die ooit was bijeengebracht. Xerxes had altijd groot genot in een schoon schouwspel. Hij staarde naar alle richtingen, naar de zee, de kust en weer naar de zee; en de gedachte, die toen in de eerste plaats opkwam in den geest van dien koninklijken aanvoerder was, dat hier een uitstekende gelegenheid was voor een roeiwedstrijd! De roeiwedstrijd werd werkelijk gehouden, en de koning genoot er ontzaglijk van. Hij was nog meer verheugd, toen hij weer op zijn troepenneerzag. Maar plotseling begon hij te weenen. “Mij beving,”zoo sprak hij, “een groot medelijden, toen ik dacht aan de kortheid van ’s menschen leven, en daarbij overwoog, dat van die geheele troepenmacht, hoe talrijk zij ook moge zijn, niemand meer over zal zijn, als er honderd jaar verstreken zijn.” Dit was volkomen juist opgemerkt, maar geen deugdelijk legeraanvoerder zou zich op zulk een tijdstip den tijd genomen hebben hetzij voor roeiwedstrijden, hetzij voor philofische beschouwingen.Den volgenden dag moesten de invallende troepen den Hellespont oversteken. Reeds lang vóór het aanbreken van den dag brandden de Perzen reeds specerijen op de schipbrug en bestrooiden zij den weg met mirtekransen. Zij letten met de grootste aandacht op den oostelijken hemel, daar de zon hun god was, en zij, als deze helder en schitterend opkwam, op de overwinning mochten hopen. Toen de eerste zonnestralen hun oogen verblindden, juichten zij luide van vreugde, en Xerxes plengde een offer van wijn uit een gouden beker. “O Ormuzd,”riep hij, “ik bid u, dat geen ramp mij tegenhoude bij mijn veroveringstocht, totdat ik de uiterste grenzen van Europa heb bereikt.”Hij wierp den gouden beker, een gouden schaal en een zwaard in den Hellespont; en daarna begon het leger den Hellespont over te trekken.Voetknecht in het Leger van Xerxes.Voetknecht in het Leger van Xerxes.Soldaat in het leger van Xerxes.Soldaat in het leger van Xerxes.Het was de schitterendste optocht, die ooit is gezien. Daar waren de Tien Duizend Onsterfelijken, de uitsluitend voor den koning bestemde lijfwacht, die ernstig en statig voorttrok, met kronen op hun hoofd. Duizend van hen droegen speren met gouden granaatappels aan het benedeneinde, en negenduizend droegen speren, beslagen met zilveren granaatappels.En dan waren er de tien gewijde paarden, alle met rijke schabrakken getooid. Dan was er de heilige wagen van Ormuzd, den zonnegod, getrokken door acht melkwitte hengsten. Die wagen van Ormuzd werd als zóó heilig beschouwd, dat zelfs de wagenmenner dien niet mocht bestijgen, maar dien zoo goed mogelijk moest besturen door er achter te loopen. Achter den wagen van Ormuzd kwam die van Xerxes, door groote paarden getrokken. Er waren daar Perzen en Meden met ijzeren maliënkolders, met bogen en pijlen, korte speren en dolken, en groote teenen schilden. Er waren daar Assyriërs met bronzen helmen en linnen borststukken, en stokken met ijzeren knoppen. Er waren daar Saciërs met hooge, puntige mutsen, Sarangiërs in de meest bont gekleurde kleederen; soldaten uit West-Ethiopië, die hun lichamen half rood en half wit verfden; soldaten uit Oost-Ethiopië, die op hun hoofden de huiden droegen van paardekoppen, met de ooren gespitst en de manen als kuif. Er waren daar Colchiërs met houten helmen, en kleine met leer bedekte schilden; Thraciërs met hun lange mantels en met hun vossenhuiden op het hoofd; Chalybiërs, wier bronzen helmen den vorm hadden van ossekoppen. Er waren wagens en paarden en kameelen en bedienden en een lange trein met levensmiddelen. Al wat van metaal was, was gepolitoerd en glinsterend; en vooral de Perzen droegen zóóveel gouden versierselen, dat hun gelederen in de zon flikkerden en glinsterden. Zij trokken over de bruggen, en gedurende zeven dagen en nachten hoorden zij, die aan de kust van den Hellespont woonden, het getrappel en gestamp van marcheerende voeten. Nadat zij de bruggen waren overgetrokken, trok het landvolk verder naar Doriscus in Thracië, waar ook de schepen zichmoesten verzamelen. Hier monsterde Xerxes zijn geheele legermacht. Hij deed dit op de volgende wijze. Tienduizend man werden in een cirkel opgehoopt. Daarna werd een omheining gemaakt, die de grootte had van dien cirkel, en met manschappen gevuld. Er waren genoeg voetknechten, om dien honderdzeventig maal te vullen, zoodat het aantal voetknechten 1700000 bedroeg. De ruiterij was 80000 man sterk. Xerxes reed in zijn wagen over de vlakte van den éénen stam naar den anderen. Daarna besteeg hij een galei, en, gezeten onder een gouden troonhemel, volgde hij met het oog de schepen, die hem achter elkander voorbij voeren. De vlootrevue moet hem na eenigen tijd wel hebben verveeld, immers er waren 1207 oorlogsschepen, behalve omstreeks 3000 kleine schepen en vrachtbooten.Wagen, in het Leger van Xerxes.Wagen, in het Leger van Xerxes.Het scheen, dat er genoeg troepen waren, om het kleine Griekenland van de oppervlakte der aarde weg te vegen. Xerxes ontbood een Griek, die door zijn landgenooten van den troon van Sparta was verdreven, en zeide: “Demaratus, ik ben van meening, dat, zelfs indien alle Grieken waren samengebracht, zij mijn aanval niet zouden kunnen weerstaan, maar wat denkt gij er over?” Demaratus vroeg: “O koning, zal ik u een juist antwoord geven, of verlangt gij van mij alleen een antwoord, dat u welgevallig is?” “Spreek de zuivere waarheid,”zeide de koning, “en ik zal er u niet minderdankbaar om zijn.” Toen zeide hem Demaratus, dat, hoe het ook met de andere stammen gesteld mocht zijn, de Spartanen zeker nooit zijn slaven zouden worden. “Indien er slechts duizend van hen waren,”zoo verklaarde hij, “zouden zij niet vluchten, maar zouden zij moedig te velde trekken en tegen uw geheele leger slag leveren.”Koning Xerxes lachte en zond hem vriendelijk weg.Bereden Boogschutter in het Leger van Xerxes.Bereden Boogschutter in het Leger van Xerxes.Het leger werd onder het marcheeren nog voortdurend grooter, immers de stammen, die door de Perzen overwonnen waren tijdens vroegere invallen, werden gedwongen, soldaten te leveren. Reeds lang te voren was het bevel gezonden naar de steden langs den weg, dat zij levensmiddelen voor het leger moesten verschaffen. Zij durfden dit niet te weigeren, en gedurende een aantal maanden hadden zij druk werk gehad, om alles gereed te maken. Tarwe en gerst moest gemalen worden; vee en gevogelte moest worden gekocht en vet gemest. Deze dienden voor het leger; maar de bewoners der steden wisten zeer goed, dat zij bovendien een schitterend feestmaal voor den koning en zijn vrienden moesten gereed maken, indien zij diens gunst wilden winnen. Een enkele stad legde aan een dergelijk feestmaal meer dan een millioen gulden ten koste, en andere steden niet zooveel minder. Het leger verslond den geheelen voorraad, die op de akkers en het land aanwezig was, en dronk als het ware de rivieren droog, zoodat zij niets achter zich lieten dan kleine modderbeekjes, die zich langs de ledige beddingen voortsleepten.Het was de vraag, of zij door de bergengte van Tempe in Thessalië zouden trekken, of door een andere, die verder van de kust verwijderd was. Xerxes ging aan boord van één van zijn schepen, en deed een korten tocht, ten einde van uit het water Tempe te kunnen zien. Hij liet het anker vallen aan de kust van Thessalië, en staarde naar het strand. Vóór hem verrezen hooge klippen. Tusschen die klippen was een nauwe kloof, waardoor een rivier in zee stroomde. “Is er geen andere uitweg voor de rivier?” vroeg hij. “Neen, o Koning” luidde het antwoord, “want Thessalië is geheel omgord door een kring van bergen.”“De Thessaliërs waren dan verstandige mannen,”zeide de koning,“dat zij zich tijdig aan mij onderworpen hebben. Ik zou gemakkelijk die engte kunnen vullen en het geheele land in een meer kunnen veranderen.”Xerxes zeilde naar zijn leger terug, maar voordat hij verder ging, zond hij afgezanten naar de verschillende staten, om aarde en water te vragen. Maar naar Athene en Sparta werden geen herauten gezonden, omdat daar de afgezanten, die vroeger gezonden waren, zoo schandelijk waren behandeld.De Grieken hadden de beweging van Xerxes gevolgd, zooals een muis die van een kat volgt. “Hij maakt groote toebereidselen; hij is in Sardes in Lydië, hij is aan den Hellespont: hij is dien overgetrokken”; dit waren de berichten, die hen bereikten. Er waren enkele staten, die besloten, zich maar dadelijk over te geven aan de genade van den Perzischen Koning, en die hun aarde en water zonden. De Atheners wisten zeer goed, dat hun geen genade zou worden geschonken. Zij wisten eveneens, dat er geen kans op de overwinning bestond, als zij op zichzelf moesten staan. Daarom noodigden zij de verschillende staten uit, afgevaardigden te zenden naar een bijeenkomst, die te Corinthe zou worden gehouden. Sommige staten zonden afgevaardigden; andere deden dit niet. De Spartanen werden beschouwd als de beste soldaten van Griekenland;en zij zouden natuurlijk het geheele leger aanvoeren; maar Argos wilde niets weten van een bondgenootschap, indien niet de koning van Argos zijn deel kreeg in het opperbevel. Thebe wilde van niets weten, wat door Athene werd voorgesteld. Ook waren boodschappers gezonden naar de grootere koloniën, om hulp te vragen, ten einde het moederland te bevrijden van de barbaren. “Als Griekenland veroverd is,”zoo spraken zij, “zullen de Perzen op u losrukken. Redt u zelf, door Griekenland te redden.”Gelo, de tyran van Syracuse in Sicilië, luisterde met aandacht naar de boodschap. Hij antwoordde: “Ja, ik zal u tweehonderd oorlogsschepen enacht-en-twintigduizend manschappen zenden, en ik zal voedsel voor het geheele leger verschaffen, zoolang de oorlog duurt; maar ik, Gelo van Syracuse, moet dan leider en opperbevelhebber zijn.” “Het opperbevel komt Sparta toe,” verklaarden de afgezanten. “Als gij u niet onder onze leiding wilt stellen, moet gij ons geen troepen zenden.”“Ik heb veel meer manschappen dan de Spartanen,”zeide Gelo, “maar ik zal toegeven en tevreden zijn met het opperbevel, òf te land òf ter zee.”Doch ook de Atheensche afgezanten wilden van hun rechten geen afstand doen. “Wij zijn de oudste natie van Griekenland,”zoo zeiden zij, “wij bezitten de grootste vloot; zelfs te Troje was onze aanvoerder beroemd om zijn geschiktheid; en als de Spartanen het opperbevel ter zee afstaan, dan komt het ons toe.”Gelo antwoordde: “Gij hebt naar alle waarschijnlijkheid meer aanvoerders dan manschappen. Hoe sneller gij terugkeert, des te beter.”Athene, Sparta, Plataea en andere staten, die waren overeengekomen, gemeene zaak te maken, zagen nu, dat zij op niemands hulp konden rekenen, maar aan eigen kracht waren overgelaten. De Atheners zonden boden naar Delphi. Het orakel was even onduidelijk als de orakels gewoonlijk waren, en de eenige mededeeling, die zeker scheen te zijn, was, dat de vijandAthene zou innemen. Eén zinsnede in het bijzonder werd door de Atheners herhaaldelijk besproken en van alle kanten bekeken. Zij luidde: “De houten muren zullen veilig blijven voor u en uw kinderen.”Sommigen brachten het feit in herinnering, dat in de oudste tijden de Acropolis door een houten palissade versterkt was. “Wat er ook geschiede,”zoo zeiden zij “wij kunnen ons op de Acropolis terugtrekken.” Themistocles echter zeide, dat naar zijn meening “de houten muren” hun schepen beteekenden; en ten slotte waren het de meeste Atheners met hem eens.Kling van een Dolk (Jachtspeer).Kling van een Dolk (Jachtspeer).Hoofdstuk XI.De groote Perzische inval. (vervolg).En nu was Xerxes goed en wel op weg. De Thraciërs wisten, dat hij het allereerst door hun land zou trekken, en daarom zonden zij boden naar de vergadering te Corinthe, die moesten zeggen: “Mannen Grieken, het is niet gepast, dat wij ter uwer verdediging alleen en zonder bijstand aan den dood worden prijsgegeven. Zendt ons troepen, om den bergpas te Tempe te bewaken, of anders zullen wij onderhandelingen openen met de Perzen.”Een leger werd gezonden, maar toen zij vernamen, dat er nog een tweede bergpas was, waardoor de vijand zou kunnen binnenkomen, verlieten zij Tempe om naar Corinthe terug tekeeren.Grieksche krijgslieden.Grieksche krijgslieden.Er moest toch ergens tegen de Perzen stand gehouden worden, maar wat was de meest geschikte plaats? Natuurlijk zou Xerxes zoo dicht mogelijk bij de zee blijven. Zij moesten dus een pas vinden in de nabijheid der kust, waardoor hij gedwongen kon worden heen te trekken, en zóó nauw, dat slechts enkelen van zijn manschappen daar te gelijk zouden kunnen vechten. Zij lieten de keus vallen op de Thermopylae, omdat de bergen daar zóózeer in zee vooruitstaken, dat slechts een zeer nauwe doortocht tusschen die bergen en de zee overbleef. Hier hielden de Grieken stand. Hun aanvoerder was Leonidas, de koning der Spartanen.Met hem waren driehonderd Spartanen, die hij één voor één had uitgezocht om hun moed en vaderlandsliefde. Er waren bovendien omstreeks zesduizend man uit verschillende stammen. Dit was een bespottelijk klein leger, om aan de honderdduizenden van Xerxes te gemoet te zenden; maar het was juist de tijd der Olympische spelen, en tevens van een feest ter eere van Apollo. Zoodra die feesten voorbij waren, zouden meer manschappen worden gezonden. Niemand vermoedde, dat de strijd bij de Thermopylae zoo spoedig zou komen; en in ieder geval kon een natie, die verzuimde haar goden te eeren, geen voorspoed in den oorlog verwachten.Xerxes zou misschien zijn manschappen hebben doen inschepen en hen ten zuiden van de Thermopylae doen landen; maar vierhonderd van zijn oorlogsschepen hadden tijdens een storm schipbreuk geleden, en de vloot der Grieken hield de wacht bij de straat van Artemisium, om de overige schepen tegen te houden. Indien hij dus Griekenland wilde binnenkomen, moest hij de Thermopylae doortrekken. Dit leek hem een eenvoudige zaak toe. Hij had wel gehoord, dat er enkele manschappen aan den pas geplaatst waren, maar hij was overtuigd, dat deze spoedig zouden wegloopen. Inderdaad waren er enkelen, die er over spraken, dit te willen doen. “Laat ons naar Corinthe terugkeeren,”drongen zij aan. “Het hoogste, wat wij kunnen bereiken, is den Peloponnesus te verdedigen.”“Neen,”riep Leonidas, “laat diegenen onder u, die dit wenschen, zich terugtrekken; maar wat mij en mijn Spartanen betreft, wij zijn gezonden, om dezen pas te verdedigen, en hier houden wij dan ook stond.”De Graftombe van Leonidas.De Graftombe van Leonidas.Daarna ontstond een gevecht, zóó verschrikkelijk, als de wereld nog nooit had aanschouwd. Het duurde van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, en den volgenden dag nog eens even lang. Doch daarna kwam verraad in het spel. Een Maliër, Ephialtes genaamd, lichte Xerxes in omtrent een voetpad, datover de bergen voerde, en om den pas heen liep; en tegen het vallen van den avond leidde die verrader de Perzen uit het kamp, liet hen een nietig riviertje overtrekken en den berg beklimmen. De Grieksche wachten op den top konden hen niet zien, daar de helling van den berg overal met dikke eiken was bedekt; zij wisten dus niets af van de komst van den vijand, totdat zij in de stilte van den vroegen morgen het getrappel hoorden van duizenden voeten. De kleine legermacht kon niets anders doen, dan zich voorbereiden voor den dood; maar de vijand stormde langs hen voort, daar hij de Grieken aan den pas wilde omsingelen. Toen Leonidas hoorde, dat het bergpad ontdekt was, wist hij, dat er geen kans was de Thermopylae te houden. “Keert naar den Isthmus terug, als gij wilt,”zeide hij tot zijn bondgenooten, “maar wat mij en mijn Spartanen betreft, de wetten van ons land verbieden ons de plaats te verlaten,ter welker verdediging wij aangewezen zijn.”Ook de Thespiërs weigerden terugtetrekken. De strijd werd voortgezet, zoo het mogelijk was nog feller dan te voren. De Spartanen en de Thespiërs trokken midden op de Perzische strijdmacht los. Een aantal manschappen werden in zee geworpen, bij tientallen en honderdtallen werden strijders doodgetrapt. De speren braken, maar dan streden zij met hun zwaarden; hun zwaarden braken, maar dan vochten zij met hun handen, met hun vuisten, met steenen, met alles waarmede zij konden treffen, totdat zij dood ter neder lagen, begraven onder hoopen Perzische werptuigen. Ook na dien slag werden de gesneuvelden begraven, waar zij gevallen waren. Ter herinnering aan de dapperheid van Leonidas werd een marmeren leeuw opgericht aan den ingang van den pas. Zuilen werden opgericht ter eere van de soldaten. Op de ééne was geschreven:“Vierduizend man vol heldenmoed, uit Pelops’ landZij hielden tegen ’t honderdvoud tot ’t laatst toe stand.”Een andere zuil was uitsluitend ter eere der Spartanen opgericht. Daarop was geschreven:“Ga vreemdeling naar ons geboorteland verkonden,Dat wij den dood, volbrengend hun bevel, hier vonden.”Dit afschrift was afkomstig van Simonides, een dichter van Ceos, één der Cycladen. Hij kon zulke regels neerschrijven, getuigend van diepen ernst en groote bewondering, en daarenboven kon hij zóó sierlijk en teeder schrijven, dat zijn vrienden hem “de liefelijke dichter” noemden. Eén van zijn gezegden draagt zóózeer den stempel der waarheid, dat het gedurende alle eeuwen na zijn dood beroemd is gebleven. Het luidt:“Poëzie is het schilderen door klanken, zooals schilderen het dichten zonder klanken is.”Grieksche opschriften op steen.Grieksche opschriften op steen.Terwijl de beroemde kleine schare Grieken alles in het werk stelde, om de Perzische krachten bij de Thermopylae tegen tehouden, waren de Grieksche schepen niet werkeloos gebleven. Zij beletten de Perzische vloot den Euripus binnen te zeilen, de straat tusschen Euboea en het vasteland gelegen. De Perzen meenden, dat het een goede zet zoude zijn, tweehonderd van hun schepen om Euboea heen te voeren en van het zuiden uit den Euripus in. “Wij zullen dan de Grieksche schepen in de zeeëngte opgesloten hebben,”zoo was hun redeneering, “en met onze vloot zal het gemakkelijk zijn, ze alle te vernietigen.”Zij zonden dus hun tweehonderd schepen, maar spoedig werd de vloot door een storm overvallen en vernield. Gedurende één, twee, drie dagen duurde de zeeslag voort, waarbij de Perzen door de zeeëngte bij Artemisium trachtten door te breken, en de Grieken hen tegenhielden. Tegen den avond van den derden dag kwam een snelzeilend schip aan, dat bij de Thermopylae den gang van zaken had waargenomen; en nu hoorden de manschappen aan boord van de Grieksche schepen, dat de pas verloren was en dat de Perzen tegen Athene optrokken. Er was dus nu geen reden meer om de zeeëngte te verdedigen; het was verreweg beter, door den Euripus in zuidelijke richting over te varen. De aanvoerder van de Grieksche vloot was een Spartaan, maar Themistocles had het commando over de schepen der Atheners. De winden hadden de partij der Grieken gekozen, en nu was het zijn voornemen, te zorgen dat ook het land op zijn hand was. Overal waar de gelegenheid daartoe geschikt was, zond hij mannen uit, om in de rotsen opschriften te snijden, welke door de Joniërs, die in het leger van Xerxes waren, zouden worden gelezen. “Jonische mannen,”zoo luidden zij, “loopt, zoo gij kunt, naar onze zijde over; als u dat niet mogelijk is, onthoudt u dan van den strijd, smeeken wij u, often minste vecht schoorvoetend.”Themistocles meende, dat, zelfs al zagen de Joniërs de opschriften niet, zij toch zeker door enkelen onder de Perzen zouden gelezen worden, en dat Xerxes het niet zou wagen, van de hulp der Joniërs in de gevechten gebruik te maken. De Grieksche vloot zeilde toen Sunium, de zuidelijke punt van Attica, om, en liet het anker vallen tusschen Athene en het eiland Salamis.De Perzen hadden Athene tot einddoel; maar iets ten westen van hun marschroute lag Delphi; en daar bevond zich de tempel van Apollo, rijk voorzien van kostbare schatten. Zij konden, zoo meenden zij, die niet onaangetast laten; daarom verliet een deel van het leger de kust en trok in westelijke richting voort. De inwoners van Delphi waren wanhopig. “O Apollo,”zoo baden zij, “zeg ons, smeeken wij u, wat wij met uw heilige schatten moeten doen. Zullen wij ze in den grond begraven, of ze naar een ander land wegvoeren?” “Vreest niet,”zoo luidde het antwoord, “Apollo heeft niemand noodig, om zijn eigendommen te beschermen.”Daarna vertrokken de meeste bewoners van Delphi met vrouwen en kinderen uit de stad. Zij die achterbleven, verhaalden, dat de heilige wapenrusting van Apollo, zonder de hulp van menschenhanden, uit het binnenste van den tempel was weggedragen en vóór den tempel was geplaatst. Hoe dit ook moge zijn, een feit is het, dat er een vreeselijk onweder losbarstte. Van den Parnassus werden twee reusachtige rotsblokken afgeslagen, die op de Perzen neervielen en een groot aantal onder hun gewicht verpletterden. Het is niet te verwonderen, dat de barbaren na het gebeurde doodelijk verschrikt wegvluchtten en zelfs den aanval van de weinige nog aanwezige inwoners van Delphi niet durfden weerstaan, of dat zij in hun ontsteltenis de wonderlijkste verhalen deden over wat hun was overkomen. “Het waren geen sterfelijke wezens, met wie wij streden,”zeiden zij, “het waren gewapende krijgslieden met meer danmenschelijke gestalte, die op ons losstormden en enkelen der onzen versloegen.”Die troepen trokken haastig Boeotië binnen, om zich te vereenigen met het overige gedeelte van het leger, dat op Athene aanrukte; en Athene was hulpeloos, daar de Grieken van den Peloponnesus haar rustig aan haar lot hadden overgelaten en dag en nacht aan het werk waren, en een hoogen muur over de landengte van Corinthe bouwden, om de Perzen te beletten hun steden aan te vallen.Salamis, van de overzijde der baai gezien.Salamis, van de overzijde der baai gezien.Athene had al het mogelijke gedaan om de Grieksche staten tot eensgezindheid te brengen en hen over te halen een bondgenootschap te sluiten. Zij had de bijeenkomst op de landengte van Corinthe op touw gezet; zij had het opperbevel van het leger niet voor zich opgeëischt; en hoewel zij heel wat meer schepen bezat dan alle andere staten te zamen, had zij er in toegestemd, dat het opperbevel over den vloot in handen der Spartanen werd gelegd. Nu was zij door geheel Griekenland verlaten. Haar eenige hoop en bemoediging lag in die ééne zinsnede van het orakel; “De houten muren zullen veilig blijven voor u en uwe kinderen”; doch de burgers konden het niet eens worden over de beteekenis dier uitdrukking. Een ander gezegde, dat hen zeer in verlegenheid bracht, luidde: “Heilig Salamis, gij zult het kroost van vrouwen verdelgen.” Themistocles hield vol, dat “het kroost der vrouwen” de Perzen beteekende. “Indien het de Grieken had moeten beteekenen,”zoo redeneerde hij, “zou het orakel Salamis niet “heilig”,maar veeleer, “ongelukkig” hebben genoemd; het beteekende ongetwijfeld, dat de Perzen bij Salamis een vreeselijke ramp moest treffen. Wat het orakel ook mocht bedoelen, het stond vast, dat de stad niet kon gered worden. Toen begon een heen en weer vliegen, een opeenhoopen van vrouwen en kinderen in de booten, en een haastig over het water trekken naar veiliger plaatsen. Zij waren nauwelijks uit het gezicht van Athene, toen reeds de Perzen op Athene aanstormden. Zij wierpen de stad ten onderste boven, plunderden en verbrandden haar, totdat er niets anders overbleef dan torenhooge brandende puinhoopen. De eenige hoop der Grieken was in Salamis en in Themistocles gelegen. “Wij zullen den vijand bij den Isthmus bestrijden,”riepen de mannen van den Peloponnesus, “en als wij dan verslagen worden, kunnen wij naar onze woonplaatsen terugwijken.”Themistocles bewoog hemel en aarde, om hen van dit besluit af te brengen. “Wij kunnen de Perzen te gemoet trekken in de nauwe zeestraat bij Salamis,”zoo sprak hij, “en dan doet het er niet toe, hoeveel schepen zij hebben, nu er voor hen daar geen plaats is, om meer dan enkele te gebruiken. Een overwinning bij Salamis zal den Peleponnesus even goed beschermen als een overwinning bij den Isthmus; en het is bij Salamis, dat de godheid ons een overwinning heeft beloofd.” Hier viel een Corinthiër hem in de rede, met den uitroep: “Gij zijt niets anders dan een man zonder stad! Laat ons zien, van welken staat gij een afgezant zijt.” Themistocles had zich kalm gehouden bij alle andere ergerlijke en tergende redevoeringen, maar nu viel hij tegen zijn tegenstanders uit. “Geen vaderland!” riep hij uit. “Ik heb tweehonderd schepen onder mijn bevelen, die alle gereed zijn voor den strijd. Welke staat van Griekenland kan mij weerstaan, als ik verkies een landing te doen? Weest door mijn woorden overtuigd. Zoo niet, dan zullen wij onze gezinnen medenemen en voor ons woonplaatsen zoeken in Italië. Als gij ons als bondgenootenverloren hebt, zult gij u herinneren, wat ik gezegd heb.”De staten begonnen overtuigd te worden van de kracht der Atheners, en hadden volstrekt geen verlangen, hen te verliezen. Zij besloten eindelijk bij meerderheid van stemmen, de Perzen bij Salamis af te wachten; maar nog steeds bleven de mannen van den Peloponnesus protesteeren. “Dit is goed voor de Atheners” morden zij, “maar voor ons is het volstrekt geen voordeel.” Het gelukte hun, een tweede vergadering te doen bijeenroepen, en Themistocles zag, dat de stemming nu weer anders zou uitvallen. Daarom besloot hij van een list gebruik te maken. Hij zond een vertrouwden slaaf naar de Perzen, die hun een boodschap moest overbrengen. “Een Atheensche bevelhebber, die u goed gezind is, zendt u de volgende boodschap: “De Grieken zijn verdeeld. Enkelen zullen u tegenstand bieden, anderen zullen uw partij kiezen. Gij hebt nu een prachtige gelegenheid een roemrijke overwinning te behalen.”Daarna keerde hij ongemerkt in de vergaderzaal terug. De debatten duurden voort tot lang na middernacht. Midden onder de besprekingen werd Themistocles een boodschap gebracht: “Er is iemand buiten de zaal, die u wenscht te spreken.”Het was Aristides, die uit de ballingschap wasteruggekeerd, daar allen, die verbannen waren, waren teruggeroepen, uit vrees dat zij met de Perzen gemeene zaak zouden maken. Hij verlangde vurig, zijn mededinger te helpen, roem en eer te verwerven, als slechts Griekenland gered werd. “De Perzische schepen zijn bij den ingang der zeeëngte,”fluisterde hij. Themistocles zag, dat de vijand zich door hem had laten verschalken, en dat de Grieken nu gedwongen zouden worden te strijden, tegen hun wensch.Des morgens begon de slag bij Salamis. De gevechtslinie der Grieksche schepen strekte zich uit van Salamis tot Attica. Iets meer zuidelijk, aan den ingang der zeeëngte, lagen de Perzische schepen. Op de kust van Attica, op een hoogen heuvel, die over de zeeëngte uitzag, zat Xerxes op zijn troon, gereediedere beweging met de oogen te volgen. Den geheelen dag door woedde de slag. De Perzen hadden een zóó groote menigte schepen, dat zij in elkander verward geraakten. Zij dreven hulpeloos voort met gebroken riemen en zonder roer. De Grieken deden ze één voor één zinken; zij verjoegen den vijand uit de zeeëngte; zelfs zeilden ze om de Perzische schepen heen en vielen hen van de andere zijde aan. Toen de nacht gevallen was, hadden de Grieken den zeeslag luisterrijk gewonnen. Het beteekende veel meer dan het winnen van een eenvoudigen zeeslag, immers Xerxes was reeds naar huis vertrokken, zoo snel varende als een schip hem kon wegvoeren, uit vrees dat de Grieken de bruggen zouden afbreken, die over den Hellespont geslagen waren, voordat zijn troepen daarover heen konden trekken. Hij was bitter teleurgesteld en had van de geheele onderneming genoeg, zoodat hij volkomen bereid was te luisteren naar zijn veldheer Mardonius. “Gij hebt gedaan, wat gij wildet,”zoo sprak Mardonius, “gij hebt Athene gestraft en kunt dus gerust naar Perzië terugkeeren. Laat mij met driehonderdduizend manschappen achter, en ik kan spoedig het overige gedeelte van Griekenland veroveren.”De overwinnaars bij Salamis.De overwinnaars bij Salamis.Het middel, dat Mardonius bij die verovering toepaste was, dat hij trachtte Athene om te koopen, om zich bij hem aan te sluiten. “Xerxes zal vergeven wat geschied is,”zoo sprak hij. “Hij zal tempels voor u bouwen, zal u helpen, land te veroveren, en zal u vrijlaten, als gij onze bondgenooten wilt worden.” Hierop antwoordden de Atheners: “Zoolang de zon haar loop aan den hemel blijft volgen, zullen de Atheners nooit met Xerxes tot een vergelijk komen.”Toen marcheerde Mardonius recht op Athene aan. Het land was daar nog, en de gedeeltelijk opgebouwde huizen; maar de Atheners waren ten tweeden male uit de stad gevlucht; zij waren allen bij Salamis. Een tijdlang scheen het, of de staten van den Peloponnesus nergens belang in stelden dan in hun eigen veiligheid;maar ten slotte zagen zij in, dat zij moesten helpen bij de bestrijding van Mardonius, als zij zich zelf wilden redden. Zij vervolgden hem tot inBoeotië. Daarop volgde een woedend gevecht bij Plataea, waar Mardonius sneuvelde. Wat van de Perzische schepen was overgebleven, was naar Samos vertrokken, en hield nauwlettend toezicht op de Jonische koloniën, daar het duidelijk was, dat deze zich zouden vrijmaken, zoodra zij daartoe de kans gunstig zagen. De Grieksche schepen lagen bij Delos. Drie mannen uit Samos kwamen heimelijk daarheen. “Komt en helpt deJoniërs, om zich vrij te maken,” zoo vroegen zij met aandrang. “Gij kunt gemakkelijk de barbaren verdrijven, want hun schepen kunnen het tegen de onze niet volhouden. Zoodra gij in het gezicht gekomen zijt, zullen de Joniërs opstaan.” De Grieken besloten koers te zetten naar Jonië. Zij verwachtten een zeeslag te moeten leveren, maar het bleek hun, dat zij op het droge hadden te strijden, daar de Perzen hun schepen bij Mycale in Jonië op het strand hadden getrokken, en daaromheen een muur van houtblokken en steenen hadden opgeworpen. Toen de Grieken dit zagen, gingen zij aan land. De barbaren waren spoedig uiteen gedreven, terwijl de Jonische volksplantingen zich aansloten bij het Grieksche statenverbond. Dit was de slag bij Mycale, die op denzelfden dag geleverd werd als de slag bij Plataea. Zoo waren dan de Grieken verlost van de vrees voor de Perzen; immers nooit meer na dien tijd heeft een Perzisch leger den voet gezet op Griekschen bodem.Kop van Zeus—Munt uit Elis.Kop van Zeus—Munt uit Elis.Hoofdstuk XII.Na den Perzischen oorlog.Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.De Grieken waren gewoon, nadat zij een veldslag hadden gewonnen, belooningen te schenken aan dien staat en aan dien veldheer, die het meest had bijgedragen tot het behalen der overwinning. Het is duidelijk genoeg, dat de eerbewijzen, die na den slag bij Salamis zouden worden uitgereikt, moesten worden toegekend aan Attica en aan Themistocles; maar de Peloponnesus was naijverig op Attica, en daarom werd de hoogste belooning aan een staat, aan Aegina toegekend. De poging, om den dappersten aanvoerder aan te wijzen, was nog al vermakelijk, immers iedere veldheer zette Themistocles op de tweede plaats, terwijl hij zijn eigen naam bovenaan plaatste. Bij de verdeeling van den oorlogsbuit werden de goden niet vergeten. Drie oorlogsschepen werden hun gewijd. Een tiende deel van den buit werd naar Delphi gebracht, en daarvan werd een standbeeld van Apollo vervaardigd met afmetingen, driemaal zoo groot als een man, en dat in zijn ééne hand den voorsteven van een schip hield. Na den slag bij Plataea bleek het, dat de tenten, die door de Perzen waren achtergelaten, vol waren van de kostbaarste schatten. Er waren daar schalen en bekers en zelfs ketels van zwaar goud; er waren daar rustbedden, bedekt met gouden platen; er warendaar gouden armbanden en kettingen; en er waren daar lange en korte zwaarden, met gouden handvatsels. Bovendien waren er prachtige geborduurde mantels, benevens gordijnen en karpetten in zóó groote hoeveelheid, dat niemand er aandacht aan schonk. Ook daarvan kregen de goden een ruim aandeel. Van het gedeelte, dat naar Delphi gezonden werd, werd een gouden drievoet vervaardigd, die stond op een vast ineengekronkelde driekoppige bronzen slang. Nog jaren na den slag plachten bewoners van Plataea, die over het slagveld ronddoolden, gouden en zilveren schatten te vinden, die men eerst niet had opgemerkt. Welke staat den prijs voor dapperheid te Plataea zou krijgen, was moeilijk uit te maken, want zoowel Athene als Sparta maakten er aanspraak op. Om een einde aan den twist te maken, besloot men den prijs aan Plataea te schenken. Hier werden tempels voor Athene en Zeus opgericht. Een orakel verklaarde, dat de gewijde vuren niet langer heilig waren, daar zij door de barbaren bezoedeld waren. Zij werden daarom alle uitgedoofd, en een renbode, om de snelheid van zijn loopen bekend, bracht kolen uit Delphi, waardoor de vuren weer opnieuw werden ontstoken. De Grieken bepaalden onderling, dat het grondgebied van Plataea ten eeuwigen dagen als gewijde grond zou worden beschouwd, en dat het de plicht zou zijn van de inwoners van Plataea, telken jare een offer te brengen, ter herinnering aan de soldaten, die op hun grond gesneuveld waren. Dit werd minstens drie eeuwen volgehouden. Als de dag van het offer was aangebroken, deden de trompetten haar krijgsgeschal in den vroegen morgen weerklinken. Dan vertrok de optocht. Deze bestond uit vrijgeboren jonge mannen, die welriekende oliën en reukwerken droegen, benevens melk en honig. Zij voerden een zwarten stier met zich mede, en wagensgevuld met mirtekransen en mirtetakken. Achteraan liep de archont, met slepend purperen gewaad, en met zwaard en gieter. Op de gedenkteekenen der helden stonden kleine zuilen, waarop hun vrienden plachten bloemen te plaatsen. De archont waschte die zuilen met eigen hand en wreef ze in met reukwerk. Hij offerde den stier, en verdeelde de mirte. Daarna vulde hij een kom met wijn en plengde een offer, onder het uitspreken dezer woorden: “Ik bied dit offer aan ter eere van de mannen, die voor de vrijheid van Griekenland hun leven hebben opgeofferd.”Bij het begin van den oorlog, toen de Spartanen het opperbevel over de vloot opeischten, zeide Themistocles tot de Atheners: “Gedraagt u als mannen tijdens den oorlog, dan zullen, zoodra deze geëindigd is, de Grieken u den eersten rang toekennen.”De oorlog was nu geëindigd, en zijn woorden werden bewaarheid; want wat ook de vele staten mochten zeggen, zij wisten al te wel, dat Athene de leidende staat onder de Grieken was. De dichters hadden Athene altijd lief gehad. Pindarus, hoewel zelf een Thebaan, kon bijna nooit den naam der stad noemen zonder haar, “heerlijk” of “geliefd” of “roemrijk” te noemen. In één opzicht behoorde Pindarus niet alleen aan Thebe, maar aan geheel Griekenland; immers veel van zijn gedichten zijn vervaardigd ter eere van de overwinnaars bij de spelen of van Apollo zelf. Hij placht naar Delphi te gaan en zijn gedichten te zingen. Gedurende meer dan zeshonderd jaar werd de ijzeren stoel, waarin hij gezeten was, in den tempel bewaard als een van zijn grootste schatten.Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.Athene.Athene.Zelfs de liefde van een zoo beroemd dichter als Pindarus zou een stad niet kunnen beschermen. Themistocles was eenverstandig man. Hij wist, dat de overige staten afgunstig op Athene zouden zijn, en haar waarschijnlijk zouden beoorlogen. De eenige hoop om die staten te kunnen weerstaan, bestond hierin, dat men de stad de sterkste van het geheele land maakte. Zij lag nu nog in puinhoopen. Het grootste gedeelte van den muur was neergehaald, en de Atheners waren over verschillende plaatsen verstrooid, waar zij maar een schuilplaats vonden. Zij waren blijde te kunnen terugkeeren, zelfs naar de hoopen asch en steen, het eenige, dat van hun huizen was overgebleven; en met moed en opgewektheid begonnen zij hun huizen op te bouwen. Er was echter ander werk, dat gedaan moest worden, zelfs vóór het opbouwen der huizen. In dat warme klimaat was het geen groote opoffering, een tijd lang buitenshuis door te brengen, en Themistocles zeide hun, dat eerst de muur weer moest worden opgebouwd. Zij keurden dit goed, en zij gaven gevolg aan zijn raad, om dien muur een lengte te geven van elf kilometers, zóó, dat hij de Acropolis omgaf en een voldoende hoeveelheid grond, om al het landvolk op te nemen, indien ooit een aanval op Attica werd gedaan.De Spartanen waren daarover niets gesticht. Zij zonden afgezanten naar de Atheners, om hen er aan te herinneren, dat Sparta geen muren had. “Het is niet verstandig voor eenige Grieksche stad, zich met muren te omgeven,”zoo redeneerden zij; “immers indien er overweldigers kwamen, zouden zij misschien de stad in bezit nemen en door de muren zóó goed beschermd zijn, dat zij verder zouden kunnen gaan en den éénen staat vóór, den anderen na op hun gemak konden overweldigen.” Themistocles antwoordde met veel overleg; “Ongetwijfeld is er veel te zeggen voor uw redeneering, wij zullen daarom afgezanten naar Sparta zenden, om die zaak degelijk met u te bespreken.”De Spartanen hadden altijd veel van Themistocles gehouden, en zij gingen dan ook tevreden naar huis.Toen deelde de slimme Themistocles de Atheners zijnplan mede. De muur moest zonder één oogenblik verwijl worden opgebouwd. Zij gebruikten voor het werk niet alleen steenblokken, afkomstig van de verwoeste huizen en tempels, maar zelfs grafsteenen. De vrouwen werkten mede als mannen, en zelfs de hulp van een kind, dat een handvol aarde kon aandragen of een stuk gereedschap aan een werkman kon geven, was welkom. Het werk werd dag en nacht voortgezet. Themistocles en twee anderen waren aangewezen als afgezanten naar de Spartanen, en na zóólang gewacht te hebben, als hij maar met mogelijkheid kon, ging Themistocles naar Sparta. Hij vertelde de Spartanen, dat zijn beide ambtgenooten waren opgehouden, doch spoedig zouden verschijnen, en dat dan de geheele zaak gemakkelijk kon worden geschikt. Terwijl zij daarop wachtten, begonnen de Spartanen geruchten te vernemen, dat de Atheensche muren met groote snelheid verrezen. “Wat beteekent dit?” vroegen zij Themistocles. “Schenkt toch geen geloof aan losse geruchten,”antwoordde hij. “Zendt afgezanten naar Athene, en dan kunt ge uit eigen beschouwing de waarheid leeren kennen.”Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.Intusschen waren de beide andere gezanten uit Athene naar Sparta gekomen en hadden Themistocles verteld, dat de muren reeds hoog genoeg waren opgetrokken, om ter verdediging te kunnen dienen. Hij had zich verzekerd, dat tegen zijn veiligen terugkeer geen bezwaar zou kunnen worden gemaakt, door aan de Atheners te schrijven: “Houdt de Spartanen als gijzelaars vast, totdat ik met de overige afgezanten veilig in Athene terug ben.”Nu deelde hij de Spartanen mede, dat Athene moestdoen, wat zij in haar eigen belang het best achtte. “Als gij en uw bondgenooten van oordeel zijt, dat geen enkele Grieksche stad muren moet hebben, begint dan allen met uw eigen muren neer te halen.”De Spartanen waren boos, maar konden er niets aan doen, en de Atheners voltooiden hun muur.De uitslag van den oorlog had het duidelijk gemaakt, dat het noodzakelijk was, dat Athene sterk was, niet alleen te land, maar ook ter zee. Het moest een groote vloot bezitten en eveneens een veilige haven, die de schepen kon beschermen tegen stormen of aanvallen van den vijand. Phalerum was de oude haven, maar reeds vóór den oorlog had Themistocles het oog gevestigd op de haven van den Piraeus, zeven of acht kilometers van Athene verwijderd, en was hij begonnen die te versterken. Die haven was een bekken, dat groot genoeg was, om wel driehonderd schepen te bevatten. Daar omheen kromde zich een schiereiland, dat in een rotsmassa eindigde, zoodat alleen een nauwe toegang was vrijgelaten. Langs den rand van dat schiereiland bouwden de Atheners een muur van meer dan elf kilometers. En wat voor een muur was dat! Dertig voet hoog, breed genoeg voor twee wagens, om langs elkander heen te rijden, en dat alles van stevige steenen vervaardigd, met ijzer vastgeklampt.Dit alles geschiedde tusschen de jaren 479 en 477 vóór Christus. Gedurende dien tijd werd nog ander werk voortgezet, immers in één opzicht was de Perzische oorlog nog niet tot een einde gekomen. De Jonische volkplantingen waren ten tijde van den slag bij Mycale vrij geworden, maar de Perzen hielden nog een aantal andere kleinere plaatsen bezet langs de kust van Klein-Azië en in Thracië. De belangrijkste van die plaatsen was Byzantium, het tegenwoordige Constantinopel. Er kon geen veiligheid en rust zijn, zoolang de Perzen nog vestingen hadden in de nabijheid van Griekenland, waar zij troepen en schepen konden bijeen brengen, en van waar zij konden optrekken omde Grieken aan te vallen. Bovendien had Griekenland meer koren noodig dan het land voortbracht. Tot nu toe was het koren daarheen gebracht door de Propontis, wat nu de zee van Marmora is; maar terwijl de Perzen Byzantium in bezit hielden, kon geen koren uit die streken zijn weg vinden naar Griekenland. Een vloot werd nu uitgezonden, die Byzantium belegerde en innam.Aristides stond aan het hoofd van de Atheensche schepen; maar de Spartaan Pausanias, die de troepen bij Plataea had aangevoerd, was opperbevelhebber der vloot. Indien Pausanias bij Plataea zou zijn gesneuveld, dan zou van hem de herinnering bewaard zijn als van een dapper en vaderlandslievend veldheer; doch nu is hij in de herinnering gebleven als een verrader. Na de overwinning bij Plataea gedroeg hij zich, alsof niemand dan hij zelf iets in den strijd had uitgericht; en na de inneming van Byzantium dacht hij zich den grootsten man ter wereld. Griekenland was voor een zoo machtig veldheer naar zijn opvatting een te klein land: Zijn roem zou heel wat meer op prijs gesteld worden in het machtige Perzische rijk. Hij deed daarom zijn best, zich de achting te verwerven van Xerxes, door hem de aanzienlijkste mannen terug te zenden, die bij Byzantium waren gevangen genomen. Nog erger dan dit, hij gaf hun een brief aan Xerxes mede van den volgenden inhoud: “Indien gij mij uw dochter ten huwelijk wilt geven, zal ik Griekenland voor u veroveren.”Xerxes beloofde hem niet, hem zijn dochter te geven, maar stemde erin toe, hem alle manschappen en al het geld te verschaffen, dat hij voor de verovering mocht noodig hebben. Toen geraakte Pausanias geheel buitenzinnen. Hij begon op te treden als ware hij een hoog staatsambtenaar in Perzië. Hij kende geen Spartaanschen eenvoud meer; hij droeg de rijkste Perzische kleederen en leefde zoo weelderig mogelijk. Toen Aristides daarop aanmerkingen maakte, draaide hij zich om, terwijl hij zeide, dat hij geen tijd had naar hem te luisteren.Toen de Spartanen bericht hadden ontvangen omtrent hetgedrag van Pausanias, bevalen zij hem, naar huis terug te keeren. Zij konden niet bewijzen, dat hij verraad smeedde, maar na korten tijd bleek het duidelijk, dat hij de Heloten opstookte, om tegen hun meesters op te staan. Hij vluchtte naar een vertrek, dat grensde aan den tempel van Athene, en werd daar door de Spartanen ingesloten, om den hongerdood te sterven. Om de vergiffenis van Athene te verwerven voor de verontreiniging van haar tempel, schonken zij haar twee bronzen standbeelden.Grieksch soldaat.Grieksch soldaat.De laatste levensjaren van Themistocles waren niet veel eervoller dan die van Pausanias. Na zijn bedrog in verband met de muren van Athene haatten hem de Spartanen; en het is mogelijk, dat deze niet vreemd waren aan het scheidsgerecht, dat omstreeks een jaar vóór den dood van Pausanias gehouden werd. Er was reden te gelooven, dat hij medeplichtig was aan het komplot van Pausanias om Griekenland voor de Perzen te veroveren. Het was algemeen bekend, dat hij van de Perzen geschenken had aangenomen; en men begon te mompelen over den door hem op het einde van den oorlog gegeven raad, om Xerxes niet te vervolgen of de brug over den Hellespont niet af te breken. “Het is inderdaad waar, dat hij zeide, dat het beter was de Perzen buiten Europa te krijgen en hen dan in Azië aan te vallen,”zoo redeneerden zij; “maar het zou hem niet moeilijk vallen, Xerxes er van te overtuigen, dat dit plan werd aangeraden als een hem bewezen gunst.” Dit was dan ook juist wat Themistocles deed. Hij was van de ééne plaats naar de andere gevlucht, en ten slotte naar het hof van Xerxes. Hij bracht den koning dien door hem bewezen dienst in herinnering, en eindigde zijn beroep op zijn gunst met de woorden: “Indien gij mij uit den weg ruimt, ruimt gij den vijand vanGriekenland uit den weg.”De koning had er niet aan gedacht, hem uit den weg te ruimen. Hij was ten zeerste verheugd, een zoo schitterend man aan zijn hof te hebben, en hij riep uit: “Moge de geest van het kwade het altijd in de harten mijner vijanden leggen, hun grootste mannen te straffen!” Driemaal vloog hij dien nacht in zijn slaap op, terwijl hij uitriep: “Ik heb Themistocles, den Athener, bij mij.”Aristides.Aristides.Themistocles werd een groot gunsteling van den koning, en leerde Perzisch, opdat zij zonder de tusschenkomst van een tolk met elkander zouden kunnen spreken. Drie steden werden hem in handen gegeven, om hem van “brood, wijn en vleesch” te voorzien—hetgeen schijnt te hebben beteekend, dat hij het recht had, daaruit zooveel vandaan te halen als hij begeerde. Hij bracht zijn laatste levensjaren in weelde en ledigheid door. Ten slotte verzocht de koning hem, zich aan het hoofd te stellen van een expeditie tegen de vloot der Grieken. Hij kon er niet toe besluiten, dat te doen; en toch kon hij het den koning niet weigeren. Hij kwam dus tot de overtuiging, dat er geen andere uitkomst mogelijk was, dan zich het leven te benemen. Dit was het einde van den man, dien de Grieken zóózeer hadden bewonderd, dat toen hij bij de Olympische spelen verscheen, de geheele talrijke menigte alle onderlinge twisten vergat en zich omwendde, om naar hem te zien en hem aan te wijzen aan hen, die hem niet herkenden.Bronzen munten met het beeld van Themistocles.Bronzen munten met het beeld van Themistocles.(Ter zijner eere vervaardigd na den slag bij Salamis.)Themistocles was een hoogst bekwaam man, en veel heeft hij gedaan voor Athene en voor Griekenland; maar zelfs in dedagen van zijn grootsten roem vertrouwden hem de Grieken nooit zóó, als zij Aristides hadden vertrouwd. Eens vertelde hij de Atheners, dat hij een plan had beraamd, om hun stad de machtigste in Griekenland te maken, maar dat hij dat plan niet in een zoo groote vergadering kon vertellen. “Vertel het Aristides,”zeide het volk. “Als hij het plan goedkeurt, zal het worden uitgevoerd.”Aristides rapporteerde, dat het plan inderdaad Athene de eerste plaats onder de Grieken zou geven, maar dat het een schandelijk verradelijk plan was; men liet het toen oogenblikkelijk varen.Atheensche stemschijven.Atheensche stemschijven.(Deze waren van brons gemaakt, en droegen tot opschrift:“Publieke stemschijf”).Toen Pausanias werd teruggeroepen, werd Aristides met het opperbevel der vloot belast. Hij stichtte den beroemden Bond van Delos, die zoo heette, omdat de vergaderingen te Delos werden gehouden, en daar ook de bondskas werd bewaard. Het doel van dien Bond was, de Grieksche steden te bevrijden, die nog steeds in de macht der Perzen waren, en om de Aegeïsche Zee vrij te houden van zeeroovers. Bijna alle steden op de eilanden en op de noordelijke en oostelijke kusten der Aegeïsche Zee sloten zich bij den Bond aan. Athene zou aan het hoofd van den Bond staan, maar zou niet meer macht hebben dan de overige leden. Aan Aristides werd de beslissing gelaten, te bepalen, hoeveel iedere staat had bij te dragen. Een andere zaak, die Aristides voor Athene deed,was, dat hij den invloed van den vierden stand in Athene uitbreidde. Door zijn invloed werd een wet uitgevaardigd, die leden van dien stand toestond tot magistraten te worden gekozen. Een paar jaar na de stichting van den bond te Delos stierf Aristides. Hij had iedere gelegenheid, door omkooperij een rijk man te worden, toch stierf hij arm. De staat bouwde zijn graftombe en zorgde voor zijn kinderen en kleinkinderen. Hij was een verstandig staatsman en een bekwaam veldheer, maar grooter titel dan deze is die, waarbij hij altijd in de herinnering zal voortleven: “De Rechtvaardige”.Cimon.Cimon.Toen Aristides het opperbevel over de vloot neerlegde, kwam het in handen van iemand naar zijn eigen hart, Cimon, den zoon van Miltiades. Het gerucht liep in Griekenland, dat de Perzen schepen en manschappen in grooten getale bijeen brachten bij de monding van den Eurymedon in Pamphylië. Dit deed vermoeden, dat zij van plan waren een nieuwen inval in Griekenland te doen. Cimon zeilde recht op Pamphylië af en zag, dat de Perzische vloot zich bij de monding van de rivier ophield. Zij verwachtten nog tachtig schepen meer, en waren er volstrekt niet op gesteld te vechten, voordat die schepen waren aangekomen. Ongelukkig voor hen vroeg Cimon niet, wat zij liever wilden, maar viel hij hen onmiddellijk aan. De manschappen vluchtten uit de schepen, en ijlden aan land. Daar lag het kamp van het Perzische leger; maar Cimon en zijn manschappen stormden daar op los als een wervelstorm. Na een tijd van heftigen strijd behaalden de Grieken de overwinning. Zij hadden tweehonderd schepen bemachtigd en hadden nu de overhand zoowel te land als ter zee. De meeste mannen zouden zich tevreden hebben gesteld met twee overwinningen op één dag, maar Cimon was niet van plan naar huis terug te keeren, zoolang hij de overige tachtig schepen niet had ontmoet.Hij trok weg, vond ze, viel ze aan en had spoedig zijn derde overwinning behaald. De Perzen hadden bij hun vlucht een onmetelijk bedrag aan schatten achtergelaten. De Grieken pakten die in hun schepen, en keerden naar huis terug. “Ik houd er van, mijn vaderland te verrijken ten koste van zijn vijanden,”zeide Cimon eens, en Athene werd inderdaad met al die schatten verrijkt.De “Schildpad”.De “Schildpad”.(Een middel, om een muur te beklimmen).Athene werd dan voortdurend krachtiger, gedeeltelijk ook ten gevolge van den Bond van Delos. Deze nam dagelijks in kracht toe, immers zoodra een stad bevrijd was, werd zij lid van den Bond. Toen de Bond was gesticht, was afgesproken, dat de kleinere staten hun aandeel in geld, de grootere in schepen zouden betalen. Langzamerhand vonden ook vele der grootere steden het gemakkelijker hun aandeel in geld te betalen. De stad Athene had daar niet het minste bezwaar tegen. Zij nam het geld, bouwde de schepen en voegde die bij haar vloot. Eindelijk werd de schatkist van Delos naar Athene overgebracht, onder voorwendsel, dat deze te Delos niet veilig was voor de barbaren. Het duurde eenigen tijd, voordat de overige leden tot de overtuiging kwamen, dat zij in weerwil van de bescherming van Athene hoe langer hoe armer en zwakker werden, terwijl Athene voortdurend rijker en machtiger werd. De ééne staat vóór, de andere na, trachtte den Bond te verlaten, maar Athene wilde dit niet toestaan, en verplichtte hen, een nog grootere schatting te betalen. Zoo kwam het, dat de Bond, die oorspronkelijk een vereeniging van Staten geweest was, een machtig rijk was geworden met Athene tot despotischen heerscher.Natuurlijk behaagde dit Sparta niet, en gaarne zou die staat een leger hebben willen zenden tegen zijn Attischen buurman.Doch in plaats daarvan moest zij afgezanten zenden en onderdanig vragen: “Ach, Athene, wilt gij ons niet komen helpen?” Sparta was dan ook in groote zorg en verlegenheid. In de eerste plaats was de stad zóózeer geteisterd door aardbevingen, datslechtsvijf huizen in de stad waren blijven staan, en duizenden der inwoners gedood waren. Dit was een uitnemende gelegenheid voor de Heloten om op te staan, en zij vielen dan ook Sparta aan. Zij werden wel is waar teruggeslagen, maar nu stonden de Messeniërs op, en deze werden niet zoo gemakkelijk onderdrukt. Zij sloten zich op te Ithome in Messenië, in welke plaats hun voorvaderen eens opgestaan waren tegen hun Spartaansche meesters. De Spartanen waren niet op de hoogte van de kunst van belegeren, evenmin als de overige steden op den Peloponnesus, terwijl daarentegen de Atheners daarin groote oefening bezaten; daarom besloot Sparta Athene te hulp te roepen. De Atheners hadden den tijd niet vergeten, toen zij Sparta om hulp hadden gevraagd en die stad hun zoo weinig deelneming had betoond in hun moeilijkheden. “Laat ons weigeren,”zeide de ééne partij in Athene. De andere partij echter verdedigde met kracht de tegenovergestelde meening: “Neen, laat ons zorgen, dat Griekenland niet verlamd worde en Athene beroofd worde van haar lotgenoot.”Cimon was de aanvoerder van de laatste partij. Het kwam hem in het belang der Grieksche staten veel verstandiger voor, Perzië te bestrijden dan met elkander te twisten. De Atheners waren trotsch op Cimon, zoodat het hem niet veel moeite kostte hen te overreden, hem naar Messenië te zenden, ten einde de Spartanen te hulp te komen. Doch toen de Spartanen de strijdmacht van vierduizend man zagen met den grootsten Atheenschen veldheer aan hun hoofd, begonnen zij de zaak te wantrouwen, en meenden zij, dat er de ééne of andere list achter zat. Ithome viel niet onmiddellijk, zooals zij hadden verwacht, en toen kregen zij de overtuiging, dat Cimon met de Messeniërs had samengezworen, om Spartate overweldigen. Kortaf deelden zij hem mede, dat zij hem en zijn troepen niet noodig hadden en dat hij naar huis kon terugkeeren, hoewel zij de troepen der overige steden vroegen te blijven en hen te helpen. De Atheners waren over zulk een beleediging ten hoogste verontwaardigd. Zij gevoelden de behoefte, iemand, wien ook, de schuld te geven, en hun woede koelde zich op den populairen aanvoerder. “Hij bewonderde altijd de Spartanen,”zeide de één. “Eén van zijn kinderen noemde hij Lacedaemonius,”zeide een ander. “En als er één der bondgenooten iets deed, dat hem mishaagde, zeide hij altijd, dat de Spartanen zoo niet zouden gedaan hebben,”voegde een derde er aan toe. Ten slotte werd Cimon door het schervengericht verbannen, zooals dit ook met Aristides en Themistocles het geval was geweest. Sparta bracht eindelijk de Messeniërs ten onder en verjoeg hen uit den Peloponnesus, doch Athene schikte het zóó, dat zij te Naupactus konden wonen. Het was voor de Atheners geschikt, een bevriende volkplanting aan de noordelijke zijde van de Golf van Corinthe te hebben; maar de zaak droeg er niet toe bij, Sparta welwillend jegens Athene te maken.Pericles.Pericles.Velen onder de Atheners waren tot de gevolgtrekking gekomen, dat het volstrekt geen nut had, te trachten op vriendschappelijken voet te staan met Sparta, dat op den één of anderen dag tusschen beide staten een oorlog zou uitbreken, en dat het voor Athene het verstandigst zou zijn, zich zoo sterk mogelijk te maken. Het hoofd van die partij heette Pericles. Hij werd nu de meest populaire man van Athene, en de Atheners waren bereid alles te doen wat hij aanraadde. Zij sloten een verbond met Argos en vervolgens met Megara, totdat hun invloed zich uitstrekte tot voor de poorten van Sparta. De bewoners van den Peloponnesus zagen dit metleede oogen aan, maar het liet de Atheners absoluut koud, hoe de Spartanen er over dachten. Zij hielden vol met het sluiten van verbonden en het winnen van veldslagen, zoodra het tot veldslagen kwam, totdat de invloed van Athene zich uitstrekte van de Thermopylae tot den Isthmus; en als hoofd van den Bond van Delos, of juister gezegd van het Rijk van Delos, strekte haar macht zich ook uit over de steden en eilanden der Aegeïsche zee. Athene was oppermachtig te land en evenzoo ter zee. Zij had een stad, met een stevigen muur omringd, en had een uitnemend beschermde haven. Er was nog slechts één ding te doen over, en dat was het maken van een veiligen weg, om van de stad naar de haven te gaan. Daartoe werden twee reusachtige muren gebouwd tusschen de stad en de zee, die niet alleen de haven van den Piraeus maar ook de oude haven van Phalerum omsloot. Na verloop van tijd werd nog een derde muur gebouwd tusschen Athene en den Piraeus. Dit waren geen gewone muren, immers zij waren zestig voet hoog en zóó breed, dat twee wagens gemakkelijk daarover naast elkander konden rijden. Zoolang Athene die muren bezat, kon zij nooit van de zee worden afgesloten. Haar schepen konden haar van voedsel voorzien, en het scheen, alsof nu eindelijk een stad gemaakt was, zóó sterk, dat zij onmogelijk kon worden ingenomen.Athene, weer hersteld.Athene, weer hersteld.(In de verte ziet men de Acropolis, en daarachter bergen in Argolis. Op den voorgrond ziet men de stadsmuren en een brug over den Ilyssus).De macht van Athene was nu op het toppunt, doch spoedig geraakte zij in moeilijkheden. Bijna op hetzelfde oogenblik kwamen verscheidene staten, die aan haar onderworpen waren, in opstand, en een Spartaansch leger waagde zich in Attica, en begon te moorden, te branden en te vernielen. Het was gelukkig voor Athene, dat de stad een zoo verstandigen leider had als Pericles. Hij begreep, dat, hoe machtig Athene ook was, die opstanden niet konden worden onderdrukt en te gelijker tijd tegen Sparta kon worden oorlog gevoerd. Hij sloot met Sparta een vrede, die dertig jaren moest duren, welkevrede naar hem de Vrede van Pericles werd genoemd, maar ten einde de Spartanen er toe te brengen, daarin toe te stemmen, moest Athene van haar kant er in toestemmen, alles op te offeren, wat zij in den Peloponnesus had gewonnen. Zoo kwam er een einde aan de mogelijkheid, dat Athene ooit te eeniger tijd geheel Griekenland in haar macht zou hebben. Al was haar vloot ook nog zoo sterk, het was duidelijk, dat zij nooit over de Grieken van het moederland dezelfde macht zou kunnen uitoefenen als die, welke zij uitoefende over die in de Aegeïsche Zee.Jachtlaarzen.Jachtlaarzen.
Hoofdstuk X.De groote Perzische inval.Terwijl de Atheners zich nog steeds verheugden over de overwinning bij Marathon, en tot elkander zeiden: “Eindelijk zijn wij voor goed bevrijd van de Perzen,”waren er sommigen onder hen, die er niet zoo zeker van waren, dat hun vijanden niet zouden terugkeeren. De leider van die partij was een zekere Themistocles. Zijn vader was een Griek, maar zijn moeder was een vreemdelinge, en daarom zagen, toen hij nog een knaap was, de andere knapen, die van zuiver Grieksch bloed waren, op hem neer. Hij maakte den toestand voor zich nog wat moeilijker, daar hij zich niet naar hun gewoonten en handelingen wilde schikken. Hij was bij voorbeeld van meening, dat het dwaas was, die talenten tot ontwikkeling te brengen, waaraan in Griekenland gewicht werd gehecht. Het verhaal is overgeleverd, dat op zekeren dag, toen iemand een gezelschap door zijn gezang had vermaakt, eenigszins schamper de opmerking tegen Themistocles gemaakt werd: “Van u schijnen wij geen liederen te zullen hooren”; waarop hij antwoordde: “Neen, ik heb in het geheel geen verstand van muziek en van zang, maar wel weet ik, hoe een kleine stad groot gemaakt kan worden.”Themistocles had deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij geloofde niet alleen, dat de Perzen zouden terugkeeren, en dat wel met nog grootere legermacht, maar tevens, dat, als de Atheners zichzelf moesten verdedigen, zij evenzeer te water als te land moesten leeren strijden. “Bouwt schepen, bouwt schepen,”zeide hij voortdurend.De aanvoerder van hen, die een andere meening hadden dan Themistocles, was Aristides, een man van een zóó oprechten eerlijk karakter, dat hij dikwijls “de Rechtvaardige” werd genoemd. Hij had evenals Themistocles deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij was eerlijk overtuigd, dat Themistocles ongelijk had. “Het zijn onze overwinningen te land, die ons zoo krachtig hebben gemaakt,” zoo dacht hij, “en zullen wij nu onze veiligheid toevertrouwen aan de gevaren van den Oceaan?” Hij en zijn partijgenooten bestreden Themistocles zóó krachtig, dat er misschien geen enkel nieuw schip zou zijn gebouwd, indien er geen oorlog ware uitgebroken tusschen Athene en Aegina. Aegina was zóóveel beter voorzien van schepen dan Athene, en Athene gevoelde zóózeer de noodzakelijkheid, dat er schepen in den oorlog werden aangeschaft, dat de Atheners langzamerhand tot de meening begonnen over te hellen, dat Themistocles wel eens gelijk kon hebben. Ten slotte werd de strijd tusschen beide partijen zóó heftig, dat de zaak door het schervengerecht moest worden beslist. Men verhaalt dat, terwijl Aristides toezag, toen de stemmers hun scherven in de urnen wierpen, een vreemdeling hem zeide: “Ik kan niet schrijven. Wilt gij den naam van Aristides op mijn scherf zetten?” “Wat voor kwaad heeft hij u ooit gedaan?” vroeg Aristides. De man antwoordde: “Niets, maar het verveelt mij, hem altijd “de Rechtvaardige” te hooren noemen?” Aristides zeide niets meer, maar schreef rustig zijn eigen naam op de scherf. De stemming viel ten zijnen nadeele uit, en zoo ging hij in ballingschap.Themistocles.Themistocles.Zelfs toen werden de schepen niet dadelijk gebouwd, want het bouwen van schepen is altijd een kostbare geschiedenis, en het was zeer de vraag, waar het geld vandaan moest komen. Gelukkig kwam juist in die dagen een aanzienlijkesom in de Atheensche schatkist uit sommige rijke zilvermijnen. “Geeft dit geld om een vloot te bouwen,”zoo pleitte Themistocles, en eindelijk werden de schepen gebouwd. De Piraeus, de haven van Athene—de stad toch was ongeveer zes kilometers van de zee verwijderd—werd versterkt, of liever gedeeltelijk versterkt; immers voordat het werk voltooid was, waren de Perzen op weg, om hun derden inval in Griekenland te doen.Toen de schepen van Darius te huis gekomen waren zonder den buit en de menigte gevangenen, die de koning had verwacht, en toen hij de tijding ontving van den slag bij Marathon, was hij heftig vertoornd. Tweemaal waren de Perzische troepen naar Europa overgestoken, tweemaal waren zij teruggedreven. Zij zouden nu ten derden male oversteken, en hij zelf zou nu medetrekken. Die verwaande Atheners zouden nu eens leeren, hoe Perzische koningen de vermetele volksstammen behandelden, die zich tegen hen durfden verzetten. Hij begon alle noodzakelijke toebereidselen te maken. Hij zond boden naar de steden, die hij had veroverd, en beval hun manschappen, paarden en schepen bijeen te brengen, en groote hoeveelheden koren te verschaffen. Gedurende drie jaar werden de voorbereidselen voortgezet; doch toen stierf Darius plotseling.Xerxes, de zoon van Darius, werd nu koning. Hij was tevreden met de uitgestrektheid van zijn rijk, en zou veel liever thuis gebleven zijn. Zijn raadgevers waren echter van een andere meening. Mardonius in het bijzonder, die de eerste expeditie tegen de Grieken had aangevoerd, brandde van verlangen, te laten zien, dat hij, al had hij eens het onderspit gedolven, toch een bekwaam legeraanvoerder was.Het oversteken van den Hellespont.Het oversteken van den Hellespont.Xerxes besloot, den tocht te ondernemen, en stelde alles in het werk, te zorgen dat die tocht gelukte. Er moest geen schipbreuk geleden worden op den berg Athos, daarom liet hij dwars door het schiereiland een kanaal graven. De landmachtmoest den Hellespont oversteken, en daar liet hij twee schipbruggen bouwen. Korten tijd daarna ontstak de koning in groote woede, daar een storm zijn schipbruggen had vernield. Hij beval zijn manschappen, den Hellespont driehonderd zweepslagen te geven, omdat deze zoo vermetel geweest was, het werk van den koning te vernietigen, en hij liet de bouwmeesters der schipbruggen onthoofden. Daarna deed hij iets, wat ongetwijfeld heel wat verstandiger en practischer was—hij zette zich aan het werk, om steviger bruggen te bouwen. Eerst werden schepen naast elkander geankerd, totdat de ruimte tusschen de beide kusten met schepen was bezet. Daarna werden van de ééne naar de andere kust, zes ontzaglijke kabels gespannen die op de dekken der schepen rustten. Daarop werden groote blokken hout gelegd, daarop wederplanken, en vervolgens aarde. Alles werd stevig bevestigd; en ten slotte werd nog een palissade aan weerszijden gebouwd, die zóó hoog was, dat paarden en vee niet konden schrikken, als zij zagen, dat er water onder hen was. De tweede brug werd op dezelfde wijze vervaardigd.Toen de bruggen voltooid waren, het kanaal was gegraven, en groote hoeveelheden levensmiddelen waren opgestapeld op verschillende plaatsen langs den weg, dien Xerxes voornemens was te volgen, verliet hij de hoofdstad van zijn rijk. Een tijdlang was hij doodelijk ontsteld, daar de zon verduisterd werd. “Wat beteekent dit?” vroeg hij in vreeselijken angst aan de wijzen, die hem vergezelden. “Vrees niet, o groote Koning” was hun antwoord; “de zon waarschuwt de Grieken, de maan echter de Perzen. De zon is van den hemel verdwenen, en dus zullen de steden der Grieken van de aarde verdwijnen.” Daarop marcheerde de koning verder.De zoogenaamde “Troon van Xerxes”.De zoogenaamde “Troon van Xerxes”.Toen het leger aan den Hellespont kwam, stond op den top van den heuvel een witte marmeren troon, dien Xerxes voor zich had laten gereed zetten. Daarop zette hij zich neder. Onder hem zag hij honderden schepen en ontelbare duizenden manschappen, de grootste land- en zeemacht, die ooit was bijeengebracht. Xerxes had altijd groot genot in een schoon schouwspel. Hij staarde naar alle richtingen, naar de zee, de kust en weer naar de zee; en de gedachte, die toen in de eerste plaats opkwam in den geest van dien koninklijken aanvoerder was, dat hier een uitstekende gelegenheid was voor een roeiwedstrijd! De roeiwedstrijd werd werkelijk gehouden, en de koning genoot er ontzaglijk van. Hij was nog meer verheugd, toen hij weer op zijn troepenneerzag. Maar plotseling begon hij te weenen. “Mij beving,”zoo sprak hij, “een groot medelijden, toen ik dacht aan de kortheid van ’s menschen leven, en daarbij overwoog, dat van die geheele troepenmacht, hoe talrijk zij ook moge zijn, niemand meer over zal zijn, als er honderd jaar verstreken zijn.” Dit was volkomen juist opgemerkt, maar geen deugdelijk legeraanvoerder zou zich op zulk een tijdstip den tijd genomen hebben hetzij voor roeiwedstrijden, hetzij voor philofische beschouwingen.Den volgenden dag moesten de invallende troepen den Hellespont oversteken. Reeds lang vóór het aanbreken van den dag brandden de Perzen reeds specerijen op de schipbrug en bestrooiden zij den weg met mirtekransen. Zij letten met de grootste aandacht op den oostelijken hemel, daar de zon hun god was, en zij, als deze helder en schitterend opkwam, op de overwinning mochten hopen. Toen de eerste zonnestralen hun oogen verblindden, juichten zij luide van vreugde, en Xerxes plengde een offer van wijn uit een gouden beker. “O Ormuzd,”riep hij, “ik bid u, dat geen ramp mij tegenhoude bij mijn veroveringstocht, totdat ik de uiterste grenzen van Europa heb bereikt.”Hij wierp den gouden beker, een gouden schaal en een zwaard in den Hellespont; en daarna begon het leger den Hellespont over te trekken.Voetknecht in het Leger van Xerxes.Voetknecht in het Leger van Xerxes.Soldaat in het leger van Xerxes.Soldaat in het leger van Xerxes.Het was de schitterendste optocht, die ooit is gezien. Daar waren de Tien Duizend Onsterfelijken, de uitsluitend voor den koning bestemde lijfwacht, die ernstig en statig voorttrok, met kronen op hun hoofd. Duizend van hen droegen speren met gouden granaatappels aan het benedeneinde, en negenduizend droegen speren, beslagen met zilveren granaatappels.En dan waren er de tien gewijde paarden, alle met rijke schabrakken getooid. Dan was er de heilige wagen van Ormuzd, den zonnegod, getrokken door acht melkwitte hengsten. Die wagen van Ormuzd werd als zóó heilig beschouwd, dat zelfs de wagenmenner dien niet mocht bestijgen, maar dien zoo goed mogelijk moest besturen door er achter te loopen. Achter den wagen van Ormuzd kwam die van Xerxes, door groote paarden getrokken. Er waren daar Perzen en Meden met ijzeren maliënkolders, met bogen en pijlen, korte speren en dolken, en groote teenen schilden. Er waren daar Assyriërs met bronzen helmen en linnen borststukken, en stokken met ijzeren knoppen. Er waren daar Saciërs met hooge, puntige mutsen, Sarangiërs in de meest bont gekleurde kleederen; soldaten uit West-Ethiopië, die hun lichamen half rood en half wit verfden; soldaten uit Oost-Ethiopië, die op hun hoofden de huiden droegen van paardekoppen, met de ooren gespitst en de manen als kuif. Er waren daar Colchiërs met houten helmen, en kleine met leer bedekte schilden; Thraciërs met hun lange mantels en met hun vossenhuiden op het hoofd; Chalybiërs, wier bronzen helmen den vorm hadden van ossekoppen. Er waren wagens en paarden en kameelen en bedienden en een lange trein met levensmiddelen. Al wat van metaal was, was gepolitoerd en glinsterend; en vooral de Perzen droegen zóóveel gouden versierselen, dat hun gelederen in de zon flikkerden en glinsterden. Zij trokken over de bruggen, en gedurende zeven dagen en nachten hoorden zij, die aan de kust van den Hellespont woonden, het getrappel en gestamp van marcheerende voeten. Nadat zij de bruggen waren overgetrokken, trok het landvolk verder naar Doriscus in Thracië, waar ook de schepen zichmoesten verzamelen. Hier monsterde Xerxes zijn geheele legermacht. Hij deed dit op de volgende wijze. Tienduizend man werden in een cirkel opgehoopt. Daarna werd een omheining gemaakt, die de grootte had van dien cirkel, en met manschappen gevuld. Er waren genoeg voetknechten, om dien honderdzeventig maal te vullen, zoodat het aantal voetknechten 1700000 bedroeg. De ruiterij was 80000 man sterk. Xerxes reed in zijn wagen over de vlakte van den éénen stam naar den anderen. Daarna besteeg hij een galei, en, gezeten onder een gouden troonhemel, volgde hij met het oog de schepen, die hem achter elkander voorbij voeren. De vlootrevue moet hem na eenigen tijd wel hebben verveeld, immers er waren 1207 oorlogsschepen, behalve omstreeks 3000 kleine schepen en vrachtbooten.Wagen, in het Leger van Xerxes.Wagen, in het Leger van Xerxes.Het scheen, dat er genoeg troepen waren, om het kleine Griekenland van de oppervlakte der aarde weg te vegen. Xerxes ontbood een Griek, die door zijn landgenooten van den troon van Sparta was verdreven, en zeide: “Demaratus, ik ben van meening, dat, zelfs indien alle Grieken waren samengebracht, zij mijn aanval niet zouden kunnen weerstaan, maar wat denkt gij er over?” Demaratus vroeg: “O koning, zal ik u een juist antwoord geven, of verlangt gij van mij alleen een antwoord, dat u welgevallig is?” “Spreek de zuivere waarheid,”zeide de koning, “en ik zal er u niet minderdankbaar om zijn.” Toen zeide hem Demaratus, dat, hoe het ook met de andere stammen gesteld mocht zijn, de Spartanen zeker nooit zijn slaven zouden worden. “Indien er slechts duizend van hen waren,”zoo verklaarde hij, “zouden zij niet vluchten, maar zouden zij moedig te velde trekken en tegen uw geheele leger slag leveren.”Koning Xerxes lachte en zond hem vriendelijk weg.Bereden Boogschutter in het Leger van Xerxes.Bereden Boogschutter in het Leger van Xerxes.Het leger werd onder het marcheeren nog voortdurend grooter, immers de stammen, die door de Perzen overwonnen waren tijdens vroegere invallen, werden gedwongen, soldaten te leveren. Reeds lang te voren was het bevel gezonden naar de steden langs den weg, dat zij levensmiddelen voor het leger moesten verschaffen. Zij durfden dit niet te weigeren, en gedurende een aantal maanden hadden zij druk werk gehad, om alles gereed te maken. Tarwe en gerst moest gemalen worden; vee en gevogelte moest worden gekocht en vet gemest. Deze dienden voor het leger; maar de bewoners der steden wisten zeer goed, dat zij bovendien een schitterend feestmaal voor den koning en zijn vrienden moesten gereed maken, indien zij diens gunst wilden winnen. Een enkele stad legde aan een dergelijk feestmaal meer dan een millioen gulden ten koste, en andere steden niet zooveel minder. Het leger verslond den geheelen voorraad, die op de akkers en het land aanwezig was, en dronk als het ware de rivieren droog, zoodat zij niets achter zich lieten dan kleine modderbeekjes, die zich langs de ledige beddingen voortsleepten.Het was de vraag, of zij door de bergengte van Tempe in Thessalië zouden trekken, of door een andere, die verder van de kust verwijderd was. Xerxes ging aan boord van één van zijn schepen, en deed een korten tocht, ten einde van uit het water Tempe te kunnen zien. Hij liet het anker vallen aan de kust van Thessalië, en staarde naar het strand. Vóór hem verrezen hooge klippen. Tusschen die klippen was een nauwe kloof, waardoor een rivier in zee stroomde. “Is er geen andere uitweg voor de rivier?” vroeg hij. “Neen, o Koning” luidde het antwoord, “want Thessalië is geheel omgord door een kring van bergen.”“De Thessaliërs waren dan verstandige mannen,”zeide de koning,“dat zij zich tijdig aan mij onderworpen hebben. Ik zou gemakkelijk die engte kunnen vullen en het geheele land in een meer kunnen veranderen.”Xerxes zeilde naar zijn leger terug, maar voordat hij verder ging, zond hij afgezanten naar de verschillende staten, om aarde en water te vragen. Maar naar Athene en Sparta werden geen herauten gezonden, omdat daar de afgezanten, die vroeger gezonden waren, zoo schandelijk waren behandeld.De Grieken hadden de beweging van Xerxes gevolgd, zooals een muis die van een kat volgt. “Hij maakt groote toebereidselen; hij is in Sardes in Lydië, hij is aan den Hellespont: hij is dien overgetrokken”; dit waren de berichten, die hen bereikten. Er waren enkele staten, die besloten, zich maar dadelijk over te geven aan de genade van den Perzischen Koning, en die hun aarde en water zonden. De Atheners wisten zeer goed, dat hun geen genade zou worden geschonken. Zij wisten eveneens, dat er geen kans op de overwinning bestond, als zij op zichzelf moesten staan. Daarom noodigden zij de verschillende staten uit, afgevaardigden te zenden naar een bijeenkomst, die te Corinthe zou worden gehouden. Sommige staten zonden afgevaardigden; andere deden dit niet. De Spartanen werden beschouwd als de beste soldaten van Griekenland;en zij zouden natuurlijk het geheele leger aanvoeren; maar Argos wilde niets weten van een bondgenootschap, indien niet de koning van Argos zijn deel kreeg in het opperbevel. Thebe wilde van niets weten, wat door Athene werd voorgesteld. Ook waren boodschappers gezonden naar de grootere koloniën, om hulp te vragen, ten einde het moederland te bevrijden van de barbaren. “Als Griekenland veroverd is,”zoo spraken zij, “zullen de Perzen op u losrukken. Redt u zelf, door Griekenland te redden.”Gelo, de tyran van Syracuse in Sicilië, luisterde met aandacht naar de boodschap. Hij antwoordde: “Ja, ik zal u tweehonderd oorlogsschepen enacht-en-twintigduizend manschappen zenden, en ik zal voedsel voor het geheele leger verschaffen, zoolang de oorlog duurt; maar ik, Gelo van Syracuse, moet dan leider en opperbevelhebber zijn.” “Het opperbevel komt Sparta toe,” verklaarden de afgezanten. “Als gij u niet onder onze leiding wilt stellen, moet gij ons geen troepen zenden.”“Ik heb veel meer manschappen dan de Spartanen,”zeide Gelo, “maar ik zal toegeven en tevreden zijn met het opperbevel, òf te land òf ter zee.”Doch ook de Atheensche afgezanten wilden van hun rechten geen afstand doen. “Wij zijn de oudste natie van Griekenland,”zoo zeiden zij, “wij bezitten de grootste vloot; zelfs te Troje was onze aanvoerder beroemd om zijn geschiktheid; en als de Spartanen het opperbevel ter zee afstaan, dan komt het ons toe.”Gelo antwoordde: “Gij hebt naar alle waarschijnlijkheid meer aanvoerders dan manschappen. Hoe sneller gij terugkeert, des te beter.”Athene, Sparta, Plataea en andere staten, die waren overeengekomen, gemeene zaak te maken, zagen nu, dat zij op niemands hulp konden rekenen, maar aan eigen kracht waren overgelaten. De Atheners zonden boden naar Delphi. Het orakel was even onduidelijk als de orakels gewoonlijk waren, en de eenige mededeeling, die zeker scheen te zijn, was, dat de vijandAthene zou innemen. Eén zinsnede in het bijzonder werd door de Atheners herhaaldelijk besproken en van alle kanten bekeken. Zij luidde: “De houten muren zullen veilig blijven voor u en uw kinderen.”Sommigen brachten het feit in herinnering, dat in de oudste tijden de Acropolis door een houten palissade versterkt was. “Wat er ook geschiede,”zoo zeiden zij “wij kunnen ons op de Acropolis terugtrekken.” Themistocles echter zeide, dat naar zijn meening “de houten muren” hun schepen beteekenden; en ten slotte waren het de meeste Atheners met hem eens.Kling van een Dolk (Jachtspeer).Kling van een Dolk (Jachtspeer).
Terwijl de Atheners zich nog steeds verheugden over de overwinning bij Marathon, en tot elkander zeiden: “Eindelijk zijn wij voor goed bevrijd van de Perzen,”waren er sommigen onder hen, die er niet zoo zeker van waren, dat hun vijanden niet zouden terugkeeren. De leider van die partij was een zekere Themistocles. Zijn vader was een Griek, maar zijn moeder was een vreemdelinge, en daarom zagen, toen hij nog een knaap was, de andere knapen, die van zuiver Grieksch bloed waren, op hem neer. Hij maakte den toestand voor zich nog wat moeilijker, daar hij zich niet naar hun gewoonten en handelingen wilde schikken. Hij was bij voorbeeld van meening, dat het dwaas was, die talenten tot ontwikkeling te brengen, waaraan in Griekenland gewicht werd gehecht. Het verhaal is overgeleverd, dat op zekeren dag, toen iemand een gezelschap door zijn gezang had vermaakt, eenigszins schamper de opmerking tegen Themistocles gemaakt werd: “Van u schijnen wij geen liederen te zullen hooren”; waarop hij antwoordde: “Neen, ik heb in het geheel geen verstand van muziek en van zang, maar wel weet ik, hoe een kleine stad groot gemaakt kan worden.”Themistocles had deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij geloofde niet alleen, dat de Perzen zouden terugkeeren, en dat wel met nog grootere legermacht, maar tevens, dat, als de Atheners zichzelf moesten verdedigen, zij evenzeer te water als te land moesten leeren strijden. “Bouwt schepen, bouwt schepen,”zeide hij voortdurend.
De aanvoerder van hen, die een andere meening hadden dan Themistocles, was Aristides, een man van een zóó oprechten eerlijk karakter, dat hij dikwijls “de Rechtvaardige” werd genoemd. Hij had evenals Themistocles deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij was eerlijk overtuigd, dat Themistocles ongelijk had. “Het zijn onze overwinningen te land, die ons zoo krachtig hebben gemaakt,” zoo dacht hij, “en zullen wij nu onze veiligheid toevertrouwen aan de gevaren van den Oceaan?” Hij en zijn partijgenooten bestreden Themistocles zóó krachtig, dat er misschien geen enkel nieuw schip zou zijn gebouwd, indien er geen oorlog ware uitgebroken tusschen Athene en Aegina. Aegina was zóóveel beter voorzien van schepen dan Athene, en Athene gevoelde zóózeer de noodzakelijkheid, dat er schepen in den oorlog werden aangeschaft, dat de Atheners langzamerhand tot de meening begonnen over te hellen, dat Themistocles wel eens gelijk kon hebben. Ten slotte werd de strijd tusschen beide partijen zóó heftig, dat de zaak door het schervengerecht moest worden beslist. Men verhaalt dat, terwijl Aristides toezag, toen de stemmers hun scherven in de urnen wierpen, een vreemdeling hem zeide: “Ik kan niet schrijven. Wilt gij den naam van Aristides op mijn scherf zetten?” “Wat voor kwaad heeft hij u ooit gedaan?” vroeg Aristides. De man antwoordde: “Niets, maar het verveelt mij, hem altijd “de Rechtvaardige” te hooren noemen?” Aristides zeide niets meer, maar schreef rustig zijn eigen naam op de scherf. De stemming viel ten zijnen nadeele uit, en zoo ging hij in ballingschap.
Themistocles.Themistocles.
Themistocles.
Zelfs toen werden de schepen niet dadelijk gebouwd, want het bouwen van schepen is altijd een kostbare geschiedenis, en het was zeer de vraag, waar het geld vandaan moest komen. Gelukkig kwam juist in die dagen een aanzienlijkesom in de Atheensche schatkist uit sommige rijke zilvermijnen. “Geeft dit geld om een vloot te bouwen,”zoo pleitte Themistocles, en eindelijk werden de schepen gebouwd. De Piraeus, de haven van Athene—de stad toch was ongeveer zes kilometers van de zee verwijderd—werd versterkt, of liever gedeeltelijk versterkt; immers voordat het werk voltooid was, waren de Perzen op weg, om hun derden inval in Griekenland te doen.
Toen de schepen van Darius te huis gekomen waren zonder den buit en de menigte gevangenen, die de koning had verwacht, en toen hij de tijding ontving van den slag bij Marathon, was hij heftig vertoornd. Tweemaal waren de Perzische troepen naar Europa overgestoken, tweemaal waren zij teruggedreven. Zij zouden nu ten derden male oversteken, en hij zelf zou nu medetrekken. Die verwaande Atheners zouden nu eens leeren, hoe Perzische koningen de vermetele volksstammen behandelden, die zich tegen hen durfden verzetten. Hij begon alle noodzakelijke toebereidselen te maken. Hij zond boden naar de steden, die hij had veroverd, en beval hun manschappen, paarden en schepen bijeen te brengen, en groote hoeveelheden koren te verschaffen. Gedurende drie jaar werden de voorbereidselen voortgezet; doch toen stierf Darius plotseling.
Xerxes, de zoon van Darius, werd nu koning. Hij was tevreden met de uitgestrektheid van zijn rijk, en zou veel liever thuis gebleven zijn. Zijn raadgevers waren echter van een andere meening. Mardonius in het bijzonder, die de eerste expeditie tegen de Grieken had aangevoerd, brandde van verlangen, te laten zien, dat hij, al had hij eens het onderspit gedolven, toch een bekwaam legeraanvoerder was.
Het oversteken van den Hellespont.Het oversteken van den Hellespont.
Het oversteken van den Hellespont.
Xerxes besloot, den tocht te ondernemen, en stelde alles in het werk, te zorgen dat die tocht gelukte. Er moest geen schipbreuk geleden worden op den berg Athos, daarom liet hij dwars door het schiereiland een kanaal graven. De landmachtmoest den Hellespont oversteken, en daar liet hij twee schipbruggen bouwen. Korten tijd daarna ontstak de koning in groote woede, daar een storm zijn schipbruggen had vernield. Hij beval zijn manschappen, den Hellespont driehonderd zweepslagen te geven, omdat deze zoo vermetel geweest was, het werk van den koning te vernietigen, en hij liet de bouwmeesters der schipbruggen onthoofden. Daarna deed hij iets, wat ongetwijfeld heel wat verstandiger en practischer was—hij zette zich aan het werk, om steviger bruggen te bouwen. Eerst werden schepen naast elkander geankerd, totdat de ruimte tusschen de beide kusten met schepen was bezet. Daarna werden van de ééne naar de andere kust, zes ontzaglijke kabels gespannen die op de dekken der schepen rustten. Daarop werden groote blokken hout gelegd, daarop wederplanken, en vervolgens aarde. Alles werd stevig bevestigd; en ten slotte werd nog een palissade aan weerszijden gebouwd, die zóó hoog was, dat paarden en vee niet konden schrikken, als zij zagen, dat er water onder hen was. De tweede brug werd op dezelfde wijze vervaardigd.
Toen de bruggen voltooid waren, het kanaal was gegraven, en groote hoeveelheden levensmiddelen waren opgestapeld op verschillende plaatsen langs den weg, dien Xerxes voornemens was te volgen, verliet hij de hoofdstad van zijn rijk. Een tijdlang was hij doodelijk ontsteld, daar de zon verduisterd werd. “Wat beteekent dit?” vroeg hij in vreeselijken angst aan de wijzen, die hem vergezelden. “Vrees niet, o groote Koning” was hun antwoord; “de zon waarschuwt de Grieken, de maan echter de Perzen. De zon is van den hemel verdwenen, en dus zullen de steden der Grieken van de aarde verdwijnen.” Daarop marcheerde de koning verder.
De zoogenaamde “Troon van Xerxes”.De zoogenaamde “Troon van Xerxes”.
De zoogenaamde “Troon van Xerxes”.
Toen het leger aan den Hellespont kwam, stond op den top van den heuvel een witte marmeren troon, dien Xerxes voor zich had laten gereed zetten. Daarop zette hij zich neder. Onder hem zag hij honderden schepen en ontelbare duizenden manschappen, de grootste land- en zeemacht, die ooit was bijeengebracht. Xerxes had altijd groot genot in een schoon schouwspel. Hij staarde naar alle richtingen, naar de zee, de kust en weer naar de zee; en de gedachte, die toen in de eerste plaats opkwam in den geest van dien koninklijken aanvoerder was, dat hier een uitstekende gelegenheid was voor een roeiwedstrijd! De roeiwedstrijd werd werkelijk gehouden, en de koning genoot er ontzaglijk van. Hij was nog meer verheugd, toen hij weer op zijn troepenneerzag. Maar plotseling begon hij te weenen. “Mij beving,”zoo sprak hij, “een groot medelijden, toen ik dacht aan de kortheid van ’s menschen leven, en daarbij overwoog, dat van die geheele troepenmacht, hoe talrijk zij ook moge zijn, niemand meer over zal zijn, als er honderd jaar verstreken zijn.” Dit was volkomen juist opgemerkt, maar geen deugdelijk legeraanvoerder zou zich op zulk een tijdstip den tijd genomen hebben hetzij voor roeiwedstrijden, hetzij voor philofische beschouwingen.
Den volgenden dag moesten de invallende troepen den Hellespont oversteken. Reeds lang vóór het aanbreken van den dag brandden de Perzen reeds specerijen op de schipbrug en bestrooiden zij den weg met mirtekransen. Zij letten met de grootste aandacht op den oostelijken hemel, daar de zon hun god was, en zij, als deze helder en schitterend opkwam, op de overwinning mochten hopen. Toen de eerste zonnestralen hun oogen verblindden, juichten zij luide van vreugde, en Xerxes plengde een offer van wijn uit een gouden beker. “O Ormuzd,”riep hij, “ik bid u, dat geen ramp mij tegenhoude bij mijn veroveringstocht, totdat ik de uiterste grenzen van Europa heb bereikt.”Hij wierp den gouden beker, een gouden schaal en een zwaard in den Hellespont; en daarna begon het leger den Hellespont over te trekken.
Voetknecht in het Leger van Xerxes.Voetknecht in het Leger van Xerxes.
Voetknecht in het Leger van Xerxes.
Soldaat in het leger van Xerxes.Soldaat in het leger van Xerxes.
Soldaat in het leger van Xerxes.
Het was de schitterendste optocht, die ooit is gezien. Daar waren de Tien Duizend Onsterfelijken, de uitsluitend voor den koning bestemde lijfwacht, die ernstig en statig voorttrok, met kronen op hun hoofd. Duizend van hen droegen speren met gouden granaatappels aan het benedeneinde, en negenduizend droegen speren, beslagen met zilveren granaatappels.En dan waren er de tien gewijde paarden, alle met rijke schabrakken getooid. Dan was er de heilige wagen van Ormuzd, den zonnegod, getrokken door acht melkwitte hengsten. Die wagen van Ormuzd werd als zóó heilig beschouwd, dat zelfs de wagenmenner dien niet mocht bestijgen, maar dien zoo goed mogelijk moest besturen door er achter te loopen. Achter den wagen van Ormuzd kwam die van Xerxes, door groote paarden getrokken. Er waren daar Perzen en Meden met ijzeren maliënkolders, met bogen en pijlen, korte speren en dolken, en groote teenen schilden. Er waren daar Assyriërs met bronzen helmen en linnen borststukken, en stokken met ijzeren knoppen. Er waren daar Saciërs met hooge, puntige mutsen, Sarangiërs in de meest bont gekleurde kleederen; soldaten uit West-Ethiopië, die hun lichamen half rood en half wit verfden; soldaten uit Oost-Ethiopië, die op hun hoofden de huiden droegen van paardekoppen, met de ooren gespitst en de manen als kuif. Er waren daar Colchiërs met houten helmen, en kleine met leer bedekte schilden; Thraciërs met hun lange mantels en met hun vossenhuiden op het hoofd; Chalybiërs, wier bronzen helmen den vorm hadden van ossekoppen. Er waren wagens en paarden en kameelen en bedienden en een lange trein met levensmiddelen. Al wat van metaal was, was gepolitoerd en glinsterend; en vooral de Perzen droegen zóóveel gouden versierselen, dat hun gelederen in de zon flikkerden en glinsterden. Zij trokken over de bruggen, en gedurende zeven dagen en nachten hoorden zij, die aan de kust van den Hellespont woonden, het getrappel en gestamp van marcheerende voeten. Nadat zij de bruggen waren overgetrokken, trok het landvolk verder naar Doriscus in Thracië, waar ook de schepen zichmoesten verzamelen. Hier monsterde Xerxes zijn geheele legermacht. Hij deed dit op de volgende wijze. Tienduizend man werden in een cirkel opgehoopt. Daarna werd een omheining gemaakt, die de grootte had van dien cirkel, en met manschappen gevuld. Er waren genoeg voetknechten, om dien honderdzeventig maal te vullen, zoodat het aantal voetknechten 1700000 bedroeg. De ruiterij was 80000 man sterk. Xerxes reed in zijn wagen over de vlakte van den éénen stam naar den anderen. Daarna besteeg hij een galei, en, gezeten onder een gouden troonhemel, volgde hij met het oog de schepen, die hem achter elkander voorbij voeren. De vlootrevue moet hem na eenigen tijd wel hebben verveeld, immers er waren 1207 oorlogsschepen, behalve omstreeks 3000 kleine schepen en vrachtbooten.
Wagen, in het Leger van Xerxes.Wagen, in het Leger van Xerxes.
Wagen, in het Leger van Xerxes.
Het scheen, dat er genoeg troepen waren, om het kleine Griekenland van de oppervlakte der aarde weg te vegen. Xerxes ontbood een Griek, die door zijn landgenooten van den troon van Sparta was verdreven, en zeide: “Demaratus, ik ben van meening, dat, zelfs indien alle Grieken waren samengebracht, zij mijn aanval niet zouden kunnen weerstaan, maar wat denkt gij er over?” Demaratus vroeg: “O koning, zal ik u een juist antwoord geven, of verlangt gij van mij alleen een antwoord, dat u welgevallig is?” “Spreek de zuivere waarheid,”zeide de koning, “en ik zal er u niet minderdankbaar om zijn.” Toen zeide hem Demaratus, dat, hoe het ook met de andere stammen gesteld mocht zijn, de Spartanen zeker nooit zijn slaven zouden worden. “Indien er slechts duizend van hen waren,”zoo verklaarde hij, “zouden zij niet vluchten, maar zouden zij moedig te velde trekken en tegen uw geheele leger slag leveren.”Koning Xerxes lachte en zond hem vriendelijk weg.
Bereden Boogschutter in het Leger van Xerxes.Bereden Boogschutter in het Leger van Xerxes.
Bereden Boogschutter in het Leger van Xerxes.
Het leger werd onder het marcheeren nog voortdurend grooter, immers de stammen, die door de Perzen overwonnen waren tijdens vroegere invallen, werden gedwongen, soldaten te leveren. Reeds lang te voren was het bevel gezonden naar de steden langs den weg, dat zij levensmiddelen voor het leger moesten verschaffen. Zij durfden dit niet te weigeren, en gedurende een aantal maanden hadden zij druk werk gehad, om alles gereed te maken. Tarwe en gerst moest gemalen worden; vee en gevogelte moest worden gekocht en vet gemest. Deze dienden voor het leger; maar de bewoners der steden wisten zeer goed, dat zij bovendien een schitterend feestmaal voor den koning en zijn vrienden moesten gereed maken, indien zij diens gunst wilden winnen. Een enkele stad legde aan een dergelijk feestmaal meer dan een millioen gulden ten koste, en andere steden niet zooveel minder. Het leger verslond den geheelen voorraad, die op de akkers en het land aanwezig was, en dronk als het ware de rivieren droog, zoodat zij niets achter zich lieten dan kleine modderbeekjes, die zich langs de ledige beddingen voortsleepten.
Het was de vraag, of zij door de bergengte van Tempe in Thessalië zouden trekken, of door een andere, die verder van de kust verwijderd was. Xerxes ging aan boord van één van zijn schepen, en deed een korten tocht, ten einde van uit het water Tempe te kunnen zien. Hij liet het anker vallen aan de kust van Thessalië, en staarde naar het strand. Vóór hem verrezen hooge klippen. Tusschen die klippen was een nauwe kloof, waardoor een rivier in zee stroomde. “Is er geen andere uitweg voor de rivier?” vroeg hij. “Neen, o Koning” luidde het antwoord, “want Thessalië is geheel omgord door een kring van bergen.”“De Thessaliërs waren dan verstandige mannen,”zeide de koning,“dat zij zich tijdig aan mij onderworpen hebben. Ik zou gemakkelijk die engte kunnen vullen en het geheele land in een meer kunnen veranderen.”Xerxes zeilde naar zijn leger terug, maar voordat hij verder ging, zond hij afgezanten naar de verschillende staten, om aarde en water te vragen. Maar naar Athene en Sparta werden geen herauten gezonden, omdat daar de afgezanten, die vroeger gezonden waren, zoo schandelijk waren behandeld.
De Grieken hadden de beweging van Xerxes gevolgd, zooals een muis die van een kat volgt. “Hij maakt groote toebereidselen; hij is in Sardes in Lydië, hij is aan den Hellespont: hij is dien overgetrokken”; dit waren de berichten, die hen bereikten. Er waren enkele staten, die besloten, zich maar dadelijk over te geven aan de genade van den Perzischen Koning, en die hun aarde en water zonden. De Atheners wisten zeer goed, dat hun geen genade zou worden geschonken. Zij wisten eveneens, dat er geen kans op de overwinning bestond, als zij op zichzelf moesten staan. Daarom noodigden zij de verschillende staten uit, afgevaardigden te zenden naar een bijeenkomst, die te Corinthe zou worden gehouden. Sommige staten zonden afgevaardigden; andere deden dit niet. De Spartanen werden beschouwd als de beste soldaten van Griekenland;en zij zouden natuurlijk het geheele leger aanvoeren; maar Argos wilde niets weten van een bondgenootschap, indien niet de koning van Argos zijn deel kreeg in het opperbevel. Thebe wilde van niets weten, wat door Athene werd voorgesteld. Ook waren boodschappers gezonden naar de grootere koloniën, om hulp te vragen, ten einde het moederland te bevrijden van de barbaren. “Als Griekenland veroverd is,”zoo spraken zij, “zullen de Perzen op u losrukken. Redt u zelf, door Griekenland te redden.”Gelo, de tyran van Syracuse in Sicilië, luisterde met aandacht naar de boodschap. Hij antwoordde: “Ja, ik zal u tweehonderd oorlogsschepen enacht-en-twintigduizend manschappen zenden, en ik zal voedsel voor het geheele leger verschaffen, zoolang de oorlog duurt; maar ik, Gelo van Syracuse, moet dan leider en opperbevelhebber zijn.” “Het opperbevel komt Sparta toe,” verklaarden de afgezanten. “Als gij u niet onder onze leiding wilt stellen, moet gij ons geen troepen zenden.”“Ik heb veel meer manschappen dan de Spartanen,”zeide Gelo, “maar ik zal toegeven en tevreden zijn met het opperbevel, òf te land òf ter zee.”
Doch ook de Atheensche afgezanten wilden van hun rechten geen afstand doen. “Wij zijn de oudste natie van Griekenland,”zoo zeiden zij, “wij bezitten de grootste vloot; zelfs te Troje was onze aanvoerder beroemd om zijn geschiktheid; en als de Spartanen het opperbevel ter zee afstaan, dan komt het ons toe.”Gelo antwoordde: “Gij hebt naar alle waarschijnlijkheid meer aanvoerders dan manschappen. Hoe sneller gij terugkeert, des te beter.”
Athene, Sparta, Plataea en andere staten, die waren overeengekomen, gemeene zaak te maken, zagen nu, dat zij op niemands hulp konden rekenen, maar aan eigen kracht waren overgelaten. De Atheners zonden boden naar Delphi. Het orakel was even onduidelijk als de orakels gewoonlijk waren, en de eenige mededeeling, die zeker scheen te zijn, was, dat de vijandAthene zou innemen. Eén zinsnede in het bijzonder werd door de Atheners herhaaldelijk besproken en van alle kanten bekeken. Zij luidde: “De houten muren zullen veilig blijven voor u en uw kinderen.”Sommigen brachten het feit in herinnering, dat in de oudste tijden de Acropolis door een houten palissade versterkt was. “Wat er ook geschiede,”zoo zeiden zij “wij kunnen ons op de Acropolis terugtrekken.” Themistocles echter zeide, dat naar zijn meening “de houten muren” hun schepen beteekenden; en ten slotte waren het de meeste Atheners met hem eens.
Kling van een Dolk (Jachtspeer).Kling van een Dolk (Jachtspeer).
Kling van een Dolk (Jachtspeer).
Hoofdstuk XI.De groote Perzische inval. (vervolg).En nu was Xerxes goed en wel op weg. De Thraciërs wisten, dat hij het allereerst door hun land zou trekken, en daarom zonden zij boden naar de vergadering te Corinthe, die moesten zeggen: “Mannen Grieken, het is niet gepast, dat wij ter uwer verdediging alleen en zonder bijstand aan den dood worden prijsgegeven. Zendt ons troepen, om den bergpas te Tempe te bewaken, of anders zullen wij onderhandelingen openen met de Perzen.”Een leger werd gezonden, maar toen zij vernamen, dat er nog een tweede bergpas was, waardoor de vijand zou kunnen binnenkomen, verlieten zij Tempe om naar Corinthe terug tekeeren.Grieksche krijgslieden.Grieksche krijgslieden.Er moest toch ergens tegen de Perzen stand gehouden worden, maar wat was de meest geschikte plaats? Natuurlijk zou Xerxes zoo dicht mogelijk bij de zee blijven. Zij moesten dus een pas vinden in de nabijheid der kust, waardoor hij gedwongen kon worden heen te trekken, en zóó nauw, dat slechts enkelen van zijn manschappen daar te gelijk zouden kunnen vechten. Zij lieten de keus vallen op de Thermopylae, omdat de bergen daar zóózeer in zee vooruitstaken, dat slechts een zeer nauwe doortocht tusschen die bergen en de zee overbleef. Hier hielden de Grieken stand. Hun aanvoerder was Leonidas, de koning der Spartanen.Met hem waren driehonderd Spartanen, die hij één voor één had uitgezocht om hun moed en vaderlandsliefde. Er waren bovendien omstreeks zesduizend man uit verschillende stammen. Dit was een bespottelijk klein leger, om aan de honderdduizenden van Xerxes te gemoet te zenden; maar het was juist de tijd der Olympische spelen, en tevens van een feest ter eere van Apollo. Zoodra die feesten voorbij waren, zouden meer manschappen worden gezonden. Niemand vermoedde, dat de strijd bij de Thermopylae zoo spoedig zou komen; en in ieder geval kon een natie, die verzuimde haar goden te eeren, geen voorspoed in den oorlog verwachten.Xerxes zou misschien zijn manschappen hebben doen inschepen en hen ten zuiden van de Thermopylae doen landen; maar vierhonderd van zijn oorlogsschepen hadden tijdens een storm schipbreuk geleden, en de vloot der Grieken hield de wacht bij de straat van Artemisium, om de overige schepen tegen te houden. Indien hij dus Griekenland wilde binnenkomen, moest hij de Thermopylae doortrekken. Dit leek hem een eenvoudige zaak toe. Hij had wel gehoord, dat er enkele manschappen aan den pas geplaatst waren, maar hij was overtuigd, dat deze spoedig zouden wegloopen. Inderdaad waren er enkelen, die er over spraken, dit te willen doen. “Laat ons naar Corinthe terugkeeren,”drongen zij aan. “Het hoogste, wat wij kunnen bereiken, is den Peloponnesus te verdedigen.”“Neen,”riep Leonidas, “laat diegenen onder u, die dit wenschen, zich terugtrekken; maar wat mij en mijn Spartanen betreft, wij zijn gezonden, om dezen pas te verdedigen, en hier houden wij dan ook stond.”De Graftombe van Leonidas.De Graftombe van Leonidas.Daarna ontstond een gevecht, zóó verschrikkelijk, als de wereld nog nooit had aanschouwd. Het duurde van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, en den volgenden dag nog eens even lang. Doch daarna kwam verraad in het spel. Een Maliër, Ephialtes genaamd, lichte Xerxes in omtrent een voetpad, datover de bergen voerde, en om den pas heen liep; en tegen het vallen van den avond leidde die verrader de Perzen uit het kamp, liet hen een nietig riviertje overtrekken en den berg beklimmen. De Grieksche wachten op den top konden hen niet zien, daar de helling van den berg overal met dikke eiken was bedekt; zij wisten dus niets af van de komst van den vijand, totdat zij in de stilte van den vroegen morgen het getrappel hoorden van duizenden voeten. De kleine legermacht kon niets anders doen, dan zich voorbereiden voor den dood; maar de vijand stormde langs hen voort, daar hij de Grieken aan den pas wilde omsingelen. Toen Leonidas hoorde, dat het bergpad ontdekt was, wist hij, dat er geen kans was de Thermopylae te houden. “Keert naar den Isthmus terug, als gij wilt,”zeide hij tot zijn bondgenooten, “maar wat mij en mijn Spartanen betreft, de wetten van ons land verbieden ons de plaats te verlaten,ter welker verdediging wij aangewezen zijn.”Ook de Thespiërs weigerden terugtetrekken. De strijd werd voortgezet, zoo het mogelijk was nog feller dan te voren. De Spartanen en de Thespiërs trokken midden op de Perzische strijdmacht los. Een aantal manschappen werden in zee geworpen, bij tientallen en honderdtallen werden strijders doodgetrapt. De speren braken, maar dan streden zij met hun zwaarden; hun zwaarden braken, maar dan vochten zij met hun handen, met hun vuisten, met steenen, met alles waarmede zij konden treffen, totdat zij dood ter neder lagen, begraven onder hoopen Perzische werptuigen. Ook na dien slag werden de gesneuvelden begraven, waar zij gevallen waren. Ter herinnering aan de dapperheid van Leonidas werd een marmeren leeuw opgericht aan den ingang van den pas. Zuilen werden opgericht ter eere van de soldaten. Op de ééne was geschreven:“Vierduizend man vol heldenmoed, uit Pelops’ landZij hielden tegen ’t honderdvoud tot ’t laatst toe stand.”Een andere zuil was uitsluitend ter eere der Spartanen opgericht. Daarop was geschreven:“Ga vreemdeling naar ons geboorteland verkonden,Dat wij den dood, volbrengend hun bevel, hier vonden.”Dit afschrift was afkomstig van Simonides, een dichter van Ceos, één der Cycladen. Hij kon zulke regels neerschrijven, getuigend van diepen ernst en groote bewondering, en daarenboven kon hij zóó sierlijk en teeder schrijven, dat zijn vrienden hem “de liefelijke dichter” noemden. Eén van zijn gezegden draagt zóózeer den stempel der waarheid, dat het gedurende alle eeuwen na zijn dood beroemd is gebleven. Het luidt:“Poëzie is het schilderen door klanken, zooals schilderen het dichten zonder klanken is.”Grieksche opschriften op steen.Grieksche opschriften op steen.Terwijl de beroemde kleine schare Grieken alles in het werk stelde, om de Perzische krachten bij de Thermopylae tegen tehouden, waren de Grieksche schepen niet werkeloos gebleven. Zij beletten de Perzische vloot den Euripus binnen te zeilen, de straat tusschen Euboea en het vasteland gelegen. De Perzen meenden, dat het een goede zet zoude zijn, tweehonderd van hun schepen om Euboea heen te voeren en van het zuiden uit den Euripus in. “Wij zullen dan de Grieksche schepen in de zeeëngte opgesloten hebben,”zoo was hun redeneering, “en met onze vloot zal het gemakkelijk zijn, ze alle te vernietigen.”Zij zonden dus hun tweehonderd schepen, maar spoedig werd de vloot door een storm overvallen en vernield. Gedurende één, twee, drie dagen duurde de zeeslag voort, waarbij de Perzen door de zeeëngte bij Artemisium trachtten door te breken, en de Grieken hen tegenhielden. Tegen den avond van den derden dag kwam een snelzeilend schip aan, dat bij de Thermopylae den gang van zaken had waargenomen; en nu hoorden de manschappen aan boord van de Grieksche schepen, dat de pas verloren was en dat de Perzen tegen Athene optrokken. Er was dus nu geen reden meer om de zeeëngte te verdedigen; het was verreweg beter, door den Euripus in zuidelijke richting over te varen. De aanvoerder van de Grieksche vloot was een Spartaan, maar Themistocles had het commando over de schepen der Atheners. De winden hadden de partij der Grieken gekozen, en nu was het zijn voornemen, te zorgen dat ook het land op zijn hand was. Overal waar de gelegenheid daartoe geschikt was, zond hij mannen uit, om in de rotsen opschriften te snijden, welke door de Joniërs, die in het leger van Xerxes waren, zouden worden gelezen. “Jonische mannen,”zoo luidden zij, “loopt, zoo gij kunt, naar onze zijde over; als u dat niet mogelijk is, onthoudt u dan van den strijd, smeeken wij u, often minste vecht schoorvoetend.”Themistocles meende, dat, zelfs al zagen de Joniërs de opschriften niet, zij toch zeker door enkelen onder de Perzen zouden gelezen worden, en dat Xerxes het niet zou wagen, van de hulp der Joniërs in de gevechten gebruik te maken. De Grieksche vloot zeilde toen Sunium, de zuidelijke punt van Attica, om, en liet het anker vallen tusschen Athene en het eiland Salamis.De Perzen hadden Athene tot einddoel; maar iets ten westen van hun marschroute lag Delphi; en daar bevond zich de tempel van Apollo, rijk voorzien van kostbare schatten. Zij konden, zoo meenden zij, die niet onaangetast laten; daarom verliet een deel van het leger de kust en trok in westelijke richting voort. De inwoners van Delphi waren wanhopig. “O Apollo,”zoo baden zij, “zeg ons, smeeken wij u, wat wij met uw heilige schatten moeten doen. Zullen wij ze in den grond begraven, of ze naar een ander land wegvoeren?” “Vreest niet,”zoo luidde het antwoord, “Apollo heeft niemand noodig, om zijn eigendommen te beschermen.”Daarna vertrokken de meeste bewoners van Delphi met vrouwen en kinderen uit de stad. Zij die achterbleven, verhaalden, dat de heilige wapenrusting van Apollo, zonder de hulp van menschenhanden, uit het binnenste van den tempel was weggedragen en vóór den tempel was geplaatst. Hoe dit ook moge zijn, een feit is het, dat er een vreeselijk onweder losbarstte. Van den Parnassus werden twee reusachtige rotsblokken afgeslagen, die op de Perzen neervielen en een groot aantal onder hun gewicht verpletterden. Het is niet te verwonderen, dat de barbaren na het gebeurde doodelijk verschrikt wegvluchtten en zelfs den aanval van de weinige nog aanwezige inwoners van Delphi niet durfden weerstaan, of dat zij in hun ontsteltenis de wonderlijkste verhalen deden over wat hun was overkomen. “Het waren geen sterfelijke wezens, met wie wij streden,”zeiden zij, “het waren gewapende krijgslieden met meer danmenschelijke gestalte, die op ons losstormden en enkelen der onzen versloegen.”Die troepen trokken haastig Boeotië binnen, om zich te vereenigen met het overige gedeelte van het leger, dat op Athene aanrukte; en Athene was hulpeloos, daar de Grieken van den Peloponnesus haar rustig aan haar lot hadden overgelaten en dag en nacht aan het werk waren, en een hoogen muur over de landengte van Corinthe bouwden, om de Perzen te beletten hun steden aan te vallen.Salamis, van de overzijde der baai gezien.Salamis, van de overzijde der baai gezien.Athene had al het mogelijke gedaan om de Grieksche staten tot eensgezindheid te brengen en hen over te halen een bondgenootschap te sluiten. Zij had de bijeenkomst op de landengte van Corinthe op touw gezet; zij had het opperbevel van het leger niet voor zich opgeëischt; en hoewel zij heel wat meer schepen bezat dan alle andere staten te zamen, had zij er in toegestemd, dat het opperbevel over den vloot in handen der Spartanen werd gelegd. Nu was zij door geheel Griekenland verlaten. Haar eenige hoop en bemoediging lag in die ééne zinsnede van het orakel; “De houten muren zullen veilig blijven voor u en uwe kinderen”; doch de burgers konden het niet eens worden over de beteekenis dier uitdrukking. Een ander gezegde, dat hen zeer in verlegenheid bracht, luidde: “Heilig Salamis, gij zult het kroost van vrouwen verdelgen.” Themistocles hield vol, dat “het kroost der vrouwen” de Perzen beteekende. “Indien het de Grieken had moeten beteekenen,”zoo redeneerde hij, “zou het orakel Salamis niet “heilig”,maar veeleer, “ongelukkig” hebben genoemd; het beteekende ongetwijfeld, dat de Perzen bij Salamis een vreeselijke ramp moest treffen. Wat het orakel ook mocht bedoelen, het stond vast, dat de stad niet kon gered worden. Toen begon een heen en weer vliegen, een opeenhoopen van vrouwen en kinderen in de booten, en een haastig over het water trekken naar veiliger plaatsen. Zij waren nauwelijks uit het gezicht van Athene, toen reeds de Perzen op Athene aanstormden. Zij wierpen de stad ten onderste boven, plunderden en verbrandden haar, totdat er niets anders overbleef dan torenhooge brandende puinhoopen. De eenige hoop der Grieken was in Salamis en in Themistocles gelegen. “Wij zullen den vijand bij den Isthmus bestrijden,”riepen de mannen van den Peloponnesus, “en als wij dan verslagen worden, kunnen wij naar onze woonplaatsen terugwijken.”Themistocles bewoog hemel en aarde, om hen van dit besluit af te brengen. “Wij kunnen de Perzen te gemoet trekken in de nauwe zeestraat bij Salamis,”zoo sprak hij, “en dan doet het er niet toe, hoeveel schepen zij hebben, nu er voor hen daar geen plaats is, om meer dan enkele te gebruiken. Een overwinning bij Salamis zal den Peleponnesus even goed beschermen als een overwinning bij den Isthmus; en het is bij Salamis, dat de godheid ons een overwinning heeft beloofd.” Hier viel een Corinthiër hem in de rede, met den uitroep: “Gij zijt niets anders dan een man zonder stad! Laat ons zien, van welken staat gij een afgezant zijt.” Themistocles had zich kalm gehouden bij alle andere ergerlijke en tergende redevoeringen, maar nu viel hij tegen zijn tegenstanders uit. “Geen vaderland!” riep hij uit. “Ik heb tweehonderd schepen onder mijn bevelen, die alle gereed zijn voor den strijd. Welke staat van Griekenland kan mij weerstaan, als ik verkies een landing te doen? Weest door mijn woorden overtuigd. Zoo niet, dan zullen wij onze gezinnen medenemen en voor ons woonplaatsen zoeken in Italië. Als gij ons als bondgenootenverloren hebt, zult gij u herinneren, wat ik gezegd heb.”De staten begonnen overtuigd te worden van de kracht der Atheners, en hadden volstrekt geen verlangen, hen te verliezen. Zij besloten eindelijk bij meerderheid van stemmen, de Perzen bij Salamis af te wachten; maar nog steeds bleven de mannen van den Peloponnesus protesteeren. “Dit is goed voor de Atheners” morden zij, “maar voor ons is het volstrekt geen voordeel.” Het gelukte hun, een tweede vergadering te doen bijeenroepen, en Themistocles zag, dat de stemming nu weer anders zou uitvallen. Daarom besloot hij van een list gebruik te maken. Hij zond een vertrouwden slaaf naar de Perzen, die hun een boodschap moest overbrengen. “Een Atheensche bevelhebber, die u goed gezind is, zendt u de volgende boodschap: “De Grieken zijn verdeeld. Enkelen zullen u tegenstand bieden, anderen zullen uw partij kiezen. Gij hebt nu een prachtige gelegenheid een roemrijke overwinning te behalen.”Daarna keerde hij ongemerkt in de vergaderzaal terug. De debatten duurden voort tot lang na middernacht. Midden onder de besprekingen werd Themistocles een boodschap gebracht: “Er is iemand buiten de zaal, die u wenscht te spreken.”Het was Aristides, die uit de ballingschap wasteruggekeerd, daar allen, die verbannen waren, waren teruggeroepen, uit vrees dat zij met de Perzen gemeene zaak zouden maken. Hij verlangde vurig, zijn mededinger te helpen, roem en eer te verwerven, als slechts Griekenland gered werd. “De Perzische schepen zijn bij den ingang der zeeëngte,”fluisterde hij. Themistocles zag, dat de vijand zich door hem had laten verschalken, en dat de Grieken nu gedwongen zouden worden te strijden, tegen hun wensch.Des morgens begon de slag bij Salamis. De gevechtslinie der Grieksche schepen strekte zich uit van Salamis tot Attica. Iets meer zuidelijk, aan den ingang der zeeëngte, lagen de Perzische schepen. Op de kust van Attica, op een hoogen heuvel, die over de zeeëngte uitzag, zat Xerxes op zijn troon, gereediedere beweging met de oogen te volgen. Den geheelen dag door woedde de slag. De Perzen hadden een zóó groote menigte schepen, dat zij in elkander verward geraakten. Zij dreven hulpeloos voort met gebroken riemen en zonder roer. De Grieken deden ze één voor één zinken; zij verjoegen den vijand uit de zeeëngte; zelfs zeilden ze om de Perzische schepen heen en vielen hen van de andere zijde aan. Toen de nacht gevallen was, hadden de Grieken den zeeslag luisterrijk gewonnen. Het beteekende veel meer dan het winnen van een eenvoudigen zeeslag, immers Xerxes was reeds naar huis vertrokken, zoo snel varende als een schip hem kon wegvoeren, uit vrees dat de Grieken de bruggen zouden afbreken, die over den Hellespont geslagen waren, voordat zijn troepen daarover heen konden trekken. Hij was bitter teleurgesteld en had van de geheele onderneming genoeg, zoodat hij volkomen bereid was te luisteren naar zijn veldheer Mardonius. “Gij hebt gedaan, wat gij wildet,”zoo sprak Mardonius, “gij hebt Athene gestraft en kunt dus gerust naar Perzië terugkeeren. Laat mij met driehonderdduizend manschappen achter, en ik kan spoedig het overige gedeelte van Griekenland veroveren.”De overwinnaars bij Salamis.De overwinnaars bij Salamis.Het middel, dat Mardonius bij die verovering toepaste was, dat hij trachtte Athene om te koopen, om zich bij hem aan te sluiten. “Xerxes zal vergeven wat geschied is,”zoo sprak hij. “Hij zal tempels voor u bouwen, zal u helpen, land te veroveren, en zal u vrijlaten, als gij onze bondgenooten wilt worden.” Hierop antwoordden de Atheners: “Zoolang de zon haar loop aan den hemel blijft volgen, zullen de Atheners nooit met Xerxes tot een vergelijk komen.”Toen marcheerde Mardonius recht op Athene aan. Het land was daar nog, en de gedeeltelijk opgebouwde huizen; maar de Atheners waren ten tweeden male uit de stad gevlucht; zij waren allen bij Salamis. Een tijdlang scheen het, of de staten van den Peloponnesus nergens belang in stelden dan in hun eigen veiligheid;maar ten slotte zagen zij in, dat zij moesten helpen bij de bestrijding van Mardonius, als zij zich zelf wilden redden. Zij vervolgden hem tot inBoeotië. Daarop volgde een woedend gevecht bij Plataea, waar Mardonius sneuvelde. Wat van de Perzische schepen was overgebleven, was naar Samos vertrokken, en hield nauwlettend toezicht op de Jonische koloniën, daar het duidelijk was, dat deze zich zouden vrijmaken, zoodra zij daartoe de kans gunstig zagen. De Grieksche schepen lagen bij Delos. Drie mannen uit Samos kwamen heimelijk daarheen. “Komt en helpt deJoniërs, om zich vrij te maken,” zoo vroegen zij met aandrang. “Gij kunt gemakkelijk de barbaren verdrijven, want hun schepen kunnen het tegen de onze niet volhouden. Zoodra gij in het gezicht gekomen zijt, zullen de Joniërs opstaan.” De Grieken besloten koers te zetten naar Jonië. Zij verwachtten een zeeslag te moeten leveren, maar het bleek hun, dat zij op het droge hadden te strijden, daar de Perzen hun schepen bij Mycale in Jonië op het strand hadden getrokken, en daaromheen een muur van houtblokken en steenen hadden opgeworpen. Toen de Grieken dit zagen, gingen zij aan land. De barbaren waren spoedig uiteen gedreven, terwijl de Jonische volksplantingen zich aansloten bij het Grieksche statenverbond. Dit was de slag bij Mycale, die op denzelfden dag geleverd werd als de slag bij Plataea. Zoo waren dan de Grieken verlost van de vrees voor de Perzen; immers nooit meer na dien tijd heeft een Perzisch leger den voet gezet op Griekschen bodem.Kop van Zeus—Munt uit Elis.Kop van Zeus—Munt uit Elis.
En nu was Xerxes goed en wel op weg. De Thraciërs wisten, dat hij het allereerst door hun land zou trekken, en daarom zonden zij boden naar de vergadering te Corinthe, die moesten zeggen: “Mannen Grieken, het is niet gepast, dat wij ter uwer verdediging alleen en zonder bijstand aan den dood worden prijsgegeven. Zendt ons troepen, om den bergpas te Tempe te bewaken, of anders zullen wij onderhandelingen openen met de Perzen.”Een leger werd gezonden, maar toen zij vernamen, dat er nog een tweede bergpas was, waardoor de vijand zou kunnen binnenkomen, verlieten zij Tempe om naar Corinthe terug tekeeren.
Grieksche krijgslieden.Grieksche krijgslieden.
Grieksche krijgslieden.
Er moest toch ergens tegen de Perzen stand gehouden worden, maar wat was de meest geschikte plaats? Natuurlijk zou Xerxes zoo dicht mogelijk bij de zee blijven. Zij moesten dus een pas vinden in de nabijheid der kust, waardoor hij gedwongen kon worden heen te trekken, en zóó nauw, dat slechts enkelen van zijn manschappen daar te gelijk zouden kunnen vechten. Zij lieten de keus vallen op de Thermopylae, omdat de bergen daar zóózeer in zee vooruitstaken, dat slechts een zeer nauwe doortocht tusschen die bergen en de zee overbleef. Hier hielden de Grieken stand. Hun aanvoerder was Leonidas, de koning der Spartanen.Met hem waren driehonderd Spartanen, die hij één voor één had uitgezocht om hun moed en vaderlandsliefde. Er waren bovendien omstreeks zesduizend man uit verschillende stammen. Dit was een bespottelijk klein leger, om aan de honderdduizenden van Xerxes te gemoet te zenden; maar het was juist de tijd der Olympische spelen, en tevens van een feest ter eere van Apollo. Zoodra die feesten voorbij waren, zouden meer manschappen worden gezonden. Niemand vermoedde, dat de strijd bij de Thermopylae zoo spoedig zou komen; en in ieder geval kon een natie, die verzuimde haar goden te eeren, geen voorspoed in den oorlog verwachten.
Xerxes zou misschien zijn manschappen hebben doen inschepen en hen ten zuiden van de Thermopylae doen landen; maar vierhonderd van zijn oorlogsschepen hadden tijdens een storm schipbreuk geleden, en de vloot der Grieken hield de wacht bij de straat van Artemisium, om de overige schepen tegen te houden. Indien hij dus Griekenland wilde binnenkomen, moest hij de Thermopylae doortrekken. Dit leek hem een eenvoudige zaak toe. Hij had wel gehoord, dat er enkele manschappen aan den pas geplaatst waren, maar hij was overtuigd, dat deze spoedig zouden wegloopen. Inderdaad waren er enkelen, die er over spraken, dit te willen doen. “Laat ons naar Corinthe terugkeeren,”drongen zij aan. “Het hoogste, wat wij kunnen bereiken, is den Peloponnesus te verdedigen.”“Neen,”riep Leonidas, “laat diegenen onder u, die dit wenschen, zich terugtrekken; maar wat mij en mijn Spartanen betreft, wij zijn gezonden, om dezen pas te verdedigen, en hier houden wij dan ook stond.”
De Graftombe van Leonidas.De Graftombe van Leonidas.
De Graftombe van Leonidas.
Daarna ontstond een gevecht, zóó verschrikkelijk, als de wereld nog nooit had aanschouwd. Het duurde van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, en den volgenden dag nog eens even lang. Doch daarna kwam verraad in het spel. Een Maliër, Ephialtes genaamd, lichte Xerxes in omtrent een voetpad, datover de bergen voerde, en om den pas heen liep; en tegen het vallen van den avond leidde die verrader de Perzen uit het kamp, liet hen een nietig riviertje overtrekken en den berg beklimmen. De Grieksche wachten op den top konden hen niet zien, daar de helling van den berg overal met dikke eiken was bedekt; zij wisten dus niets af van de komst van den vijand, totdat zij in de stilte van den vroegen morgen het getrappel hoorden van duizenden voeten. De kleine legermacht kon niets anders doen, dan zich voorbereiden voor den dood; maar de vijand stormde langs hen voort, daar hij de Grieken aan den pas wilde omsingelen. Toen Leonidas hoorde, dat het bergpad ontdekt was, wist hij, dat er geen kans was de Thermopylae te houden. “Keert naar den Isthmus terug, als gij wilt,”zeide hij tot zijn bondgenooten, “maar wat mij en mijn Spartanen betreft, de wetten van ons land verbieden ons de plaats te verlaten,ter welker verdediging wij aangewezen zijn.”Ook de Thespiërs weigerden terugtetrekken. De strijd werd voortgezet, zoo het mogelijk was nog feller dan te voren. De Spartanen en de Thespiërs trokken midden op de Perzische strijdmacht los. Een aantal manschappen werden in zee geworpen, bij tientallen en honderdtallen werden strijders doodgetrapt. De speren braken, maar dan streden zij met hun zwaarden; hun zwaarden braken, maar dan vochten zij met hun handen, met hun vuisten, met steenen, met alles waarmede zij konden treffen, totdat zij dood ter neder lagen, begraven onder hoopen Perzische werptuigen. Ook na dien slag werden de gesneuvelden begraven, waar zij gevallen waren. Ter herinnering aan de dapperheid van Leonidas werd een marmeren leeuw opgericht aan den ingang van den pas. Zuilen werden opgericht ter eere van de soldaten. Op de ééne was geschreven:
“Vierduizend man vol heldenmoed, uit Pelops’ landZij hielden tegen ’t honderdvoud tot ’t laatst toe stand.”
“Vierduizend man vol heldenmoed, uit Pelops’ land
Zij hielden tegen ’t honderdvoud tot ’t laatst toe stand.”
Een andere zuil was uitsluitend ter eere der Spartanen opgericht. Daarop was geschreven:
“Ga vreemdeling naar ons geboorteland verkonden,Dat wij den dood, volbrengend hun bevel, hier vonden.”
“Ga vreemdeling naar ons geboorteland verkonden,
Dat wij den dood, volbrengend hun bevel, hier vonden.”
Dit afschrift was afkomstig van Simonides, een dichter van Ceos, één der Cycladen. Hij kon zulke regels neerschrijven, getuigend van diepen ernst en groote bewondering, en daarenboven kon hij zóó sierlijk en teeder schrijven, dat zijn vrienden hem “de liefelijke dichter” noemden. Eén van zijn gezegden draagt zóózeer den stempel der waarheid, dat het gedurende alle eeuwen na zijn dood beroemd is gebleven. Het luidt:“Poëzie is het schilderen door klanken, zooals schilderen het dichten zonder klanken is.”
Grieksche opschriften op steen.Grieksche opschriften op steen.
Grieksche opschriften op steen.
Terwijl de beroemde kleine schare Grieken alles in het werk stelde, om de Perzische krachten bij de Thermopylae tegen tehouden, waren de Grieksche schepen niet werkeloos gebleven. Zij beletten de Perzische vloot den Euripus binnen te zeilen, de straat tusschen Euboea en het vasteland gelegen. De Perzen meenden, dat het een goede zet zoude zijn, tweehonderd van hun schepen om Euboea heen te voeren en van het zuiden uit den Euripus in. “Wij zullen dan de Grieksche schepen in de zeeëngte opgesloten hebben,”zoo was hun redeneering, “en met onze vloot zal het gemakkelijk zijn, ze alle te vernietigen.”Zij zonden dus hun tweehonderd schepen, maar spoedig werd de vloot door een storm overvallen en vernield. Gedurende één, twee, drie dagen duurde de zeeslag voort, waarbij de Perzen door de zeeëngte bij Artemisium trachtten door te breken, en de Grieken hen tegenhielden. Tegen den avond van den derden dag kwam een snelzeilend schip aan, dat bij de Thermopylae den gang van zaken had waargenomen; en nu hoorden de manschappen aan boord van de Grieksche schepen, dat de pas verloren was en dat de Perzen tegen Athene optrokken. Er was dus nu geen reden meer om de zeeëngte te verdedigen; het was verreweg beter, door den Euripus in zuidelijke richting over te varen. De aanvoerder van de Grieksche vloot was een Spartaan, maar Themistocles had het commando over de schepen der Atheners. De winden hadden de partij der Grieken gekozen, en nu was het zijn voornemen, te zorgen dat ook het land op zijn hand was. Overal waar de gelegenheid daartoe geschikt was, zond hij mannen uit, om in de rotsen opschriften te snijden, welke door de Joniërs, die in het leger van Xerxes waren, zouden worden gelezen. “Jonische mannen,”zoo luidden zij, “loopt, zoo gij kunt, naar onze zijde over; als u dat niet mogelijk is, onthoudt u dan van den strijd, smeeken wij u, often minste vecht schoorvoetend.”Themistocles meende, dat, zelfs al zagen de Joniërs de opschriften niet, zij toch zeker door enkelen onder de Perzen zouden gelezen worden, en dat Xerxes het niet zou wagen, van de hulp der Joniërs in de gevechten gebruik te maken. De Grieksche vloot zeilde toen Sunium, de zuidelijke punt van Attica, om, en liet het anker vallen tusschen Athene en het eiland Salamis.
De Perzen hadden Athene tot einddoel; maar iets ten westen van hun marschroute lag Delphi; en daar bevond zich de tempel van Apollo, rijk voorzien van kostbare schatten. Zij konden, zoo meenden zij, die niet onaangetast laten; daarom verliet een deel van het leger de kust en trok in westelijke richting voort. De inwoners van Delphi waren wanhopig. “O Apollo,”zoo baden zij, “zeg ons, smeeken wij u, wat wij met uw heilige schatten moeten doen. Zullen wij ze in den grond begraven, of ze naar een ander land wegvoeren?” “Vreest niet,”zoo luidde het antwoord, “Apollo heeft niemand noodig, om zijn eigendommen te beschermen.”Daarna vertrokken de meeste bewoners van Delphi met vrouwen en kinderen uit de stad. Zij die achterbleven, verhaalden, dat de heilige wapenrusting van Apollo, zonder de hulp van menschenhanden, uit het binnenste van den tempel was weggedragen en vóór den tempel was geplaatst. Hoe dit ook moge zijn, een feit is het, dat er een vreeselijk onweder losbarstte. Van den Parnassus werden twee reusachtige rotsblokken afgeslagen, die op de Perzen neervielen en een groot aantal onder hun gewicht verpletterden. Het is niet te verwonderen, dat de barbaren na het gebeurde doodelijk verschrikt wegvluchtten en zelfs den aanval van de weinige nog aanwezige inwoners van Delphi niet durfden weerstaan, of dat zij in hun ontsteltenis de wonderlijkste verhalen deden over wat hun was overkomen. “Het waren geen sterfelijke wezens, met wie wij streden,”zeiden zij, “het waren gewapende krijgslieden met meer danmenschelijke gestalte, die op ons losstormden en enkelen der onzen versloegen.”
Die troepen trokken haastig Boeotië binnen, om zich te vereenigen met het overige gedeelte van het leger, dat op Athene aanrukte; en Athene was hulpeloos, daar de Grieken van den Peloponnesus haar rustig aan haar lot hadden overgelaten en dag en nacht aan het werk waren, en een hoogen muur over de landengte van Corinthe bouwden, om de Perzen te beletten hun steden aan te vallen.
Salamis, van de overzijde der baai gezien.Salamis, van de overzijde der baai gezien.
Salamis, van de overzijde der baai gezien.
Athene had al het mogelijke gedaan om de Grieksche staten tot eensgezindheid te brengen en hen over te halen een bondgenootschap te sluiten. Zij had de bijeenkomst op de landengte van Corinthe op touw gezet; zij had het opperbevel van het leger niet voor zich opgeëischt; en hoewel zij heel wat meer schepen bezat dan alle andere staten te zamen, had zij er in toegestemd, dat het opperbevel over den vloot in handen der Spartanen werd gelegd. Nu was zij door geheel Griekenland verlaten. Haar eenige hoop en bemoediging lag in die ééne zinsnede van het orakel; “De houten muren zullen veilig blijven voor u en uwe kinderen”; doch de burgers konden het niet eens worden over de beteekenis dier uitdrukking. Een ander gezegde, dat hen zeer in verlegenheid bracht, luidde: “Heilig Salamis, gij zult het kroost van vrouwen verdelgen.” Themistocles hield vol, dat “het kroost der vrouwen” de Perzen beteekende. “Indien het de Grieken had moeten beteekenen,”zoo redeneerde hij, “zou het orakel Salamis niet “heilig”,maar veeleer, “ongelukkig” hebben genoemd; het beteekende ongetwijfeld, dat de Perzen bij Salamis een vreeselijke ramp moest treffen. Wat het orakel ook mocht bedoelen, het stond vast, dat de stad niet kon gered worden. Toen begon een heen en weer vliegen, een opeenhoopen van vrouwen en kinderen in de booten, en een haastig over het water trekken naar veiliger plaatsen. Zij waren nauwelijks uit het gezicht van Athene, toen reeds de Perzen op Athene aanstormden. Zij wierpen de stad ten onderste boven, plunderden en verbrandden haar, totdat er niets anders overbleef dan torenhooge brandende puinhoopen. De eenige hoop der Grieken was in Salamis en in Themistocles gelegen. “Wij zullen den vijand bij den Isthmus bestrijden,”riepen de mannen van den Peloponnesus, “en als wij dan verslagen worden, kunnen wij naar onze woonplaatsen terugwijken.”Themistocles bewoog hemel en aarde, om hen van dit besluit af te brengen. “Wij kunnen de Perzen te gemoet trekken in de nauwe zeestraat bij Salamis,”zoo sprak hij, “en dan doet het er niet toe, hoeveel schepen zij hebben, nu er voor hen daar geen plaats is, om meer dan enkele te gebruiken. Een overwinning bij Salamis zal den Peleponnesus even goed beschermen als een overwinning bij den Isthmus; en het is bij Salamis, dat de godheid ons een overwinning heeft beloofd.” Hier viel een Corinthiër hem in de rede, met den uitroep: “Gij zijt niets anders dan een man zonder stad! Laat ons zien, van welken staat gij een afgezant zijt.” Themistocles had zich kalm gehouden bij alle andere ergerlijke en tergende redevoeringen, maar nu viel hij tegen zijn tegenstanders uit. “Geen vaderland!” riep hij uit. “Ik heb tweehonderd schepen onder mijn bevelen, die alle gereed zijn voor den strijd. Welke staat van Griekenland kan mij weerstaan, als ik verkies een landing te doen? Weest door mijn woorden overtuigd. Zoo niet, dan zullen wij onze gezinnen medenemen en voor ons woonplaatsen zoeken in Italië. Als gij ons als bondgenootenverloren hebt, zult gij u herinneren, wat ik gezegd heb.”
De staten begonnen overtuigd te worden van de kracht der Atheners, en hadden volstrekt geen verlangen, hen te verliezen. Zij besloten eindelijk bij meerderheid van stemmen, de Perzen bij Salamis af te wachten; maar nog steeds bleven de mannen van den Peloponnesus protesteeren. “Dit is goed voor de Atheners” morden zij, “maar voor ons is het volstrekt geen voordeel.” Het gelukte hun, een tweede vergadering te doen bijeenroepen, en Themistocles zag, dat de stemming nu weer anders zou uitvallen. Daarom besloot hij van een list gebruik te maken. Hij zond een vertrouwden slaaf naar de Perzen, die hun een boodschap moest overbrengen. “Een Atheensche bevelhebber, die u goed gezind is, zendt u de volgende boodschap: “De Grieken zijn verdeeld. Enkelen zullen u tegenstand bieden, anderen zullen uw partij kiezen. Gij hebt nu een prachtige gelegenheid een roemrijke overwinning te behalen.”Daarna keerde hij ongemerkt in de vergaderzaal terug. De debatten duurden voort tot lang na middernacht. Midden onder de besprekingen werd Themistocles een boodschap gebracht: “Er is iemand buiten de zaal, die u wenscht te spreken.”Het was Aristides, die uit de ballingschap wasteruggekeerd, daar allen, die verbannen waren, waren teruggeroepen, uit vrees dat zij met de Perzen gemeene zaak zouden maken. Hij verlangde vurig, zijn mededinger te helpen, roem en eer te verwerven, als slechts Griekenland gered werd. “De Perzische schepen zijn bij den ingang der zeeëngte,”fluisterde hij. Themistocles zag, dat de vijand zich door hem had laten verschalken, en dat de Grieken nu gedwongen zouden worden te strijden, tegen hun wensch.
Des morgens begon de slag bij Salamis. De gevechtslinie der Grieksche schepen strekte zich uit van Salamis tot Attica. Iets meer zuidelijk, aan den ingang der zeeëngte, lagen de Perzische schepen. Op de kust van Attica, op een hoogen heuvel, die over de zeeëngte uitzag, zat Xerxes op zijn troon, gereediedere beweging met de oogen te volgen. Den geheelen dag door woedde de slag. De Perzen hadden een zóó groote menigte schepen, dat zij in elkander verward geraakten. Zij dreven hulpeloos voort met gebroken riemen en zonder roer. De Grieken deden ze één voor één zinken; zij verjoegen den vijand uit de zeeëngte; zelfs zeilden ze om de Perzische schepen heen en vielen hen van de andere zijde aan. Toen de nacht gevallen was, hadden de Grieken den zeeslag luisterrijk gewonnen. Het beteekende veel meer dan het winnen van een eenvoudigen zeeslag, immers Xerxes was reeds naar huis vertrokken, zoo snel varende als een schip hem kon wegvoeren, uit vrees dat de Grieken de bruggen zouden afbreken, die over den Hellespont geslagen waren, voordat zijn troepen daarover heen konden trekken. Hij was bitter teleurgesteld en had van de geheele onderneming genoeg, zoodat hij volkomen bereid was te luisteren naar zijn veldheer Mardonius. “Gij hebt gedaan, wat gij wildet,”zoo sprak Mardonius, “gij hebt Athene gestraft en kunt dus gerust naar Perzië terugkeeren. Laat mij met driehonderdduizend manschappen achter, en ik kan spoedig het overige gedeelte van Griekenland veroveren.”
De overwinnaars bij Salamis.De overwinnaars bij Salamis.
De overwinnaars bij Salamis.
Het middel, dat Mardonius bij die verovering toepaste was, dat hij trachtte Athene om te koopen, om zich bij hem aan te sluiten. “Xerxes zal vergeven wat geschied is,”zoo sprak hij. “Hij zal tempels voor u bouwen, zal u helpen, land te veroveren, en zal u vrijlaten, als gij onze bondgenooten wilt worden.” Hierop antwoordden de Atheners: “Zoolang de zon haar loop aan den hemel blijft volgen, zullen de Atheners nooit met Xerxes tot een vergelijk komen.”Toen marcheerde Mardonius recht op Athene aan. Het land was daar nog, en de gedeeltelijk opgebouwde huizen; maar de Atheners waren ten tweeden male uit de stad gevlucht; zij waren allen bij Salamis. Een tijdlang scheen het, of de staten van den Peloponnesus nergens belang in stelden dan in hun eigen veiligheid;maar ten slotte zagen zij in, dat zij moesten helpen bij de bestrijding van Mardonius, als zij zich zelf wilden redden. Zij vervolgden hem tot inBoeotië. Daarop volgde een woedend gevecht bij Plataea, waar Mardonius sneuvelde. Wat van de Perzische schepen was overgebleven, was naar Samos vertrokken, en hield nauwlettend toezicht op de Jonische koloniën, daar het duidelijk was, dat deze zich zouden vrijmaken, zoodra zij daartoe de kans gunstig zagen. De Grieksche schepen lagen bij Delos. Drie mannen uit Samos kwamen heimelijk daarheen. “Komt en helpt deJoniërs, om zich vrij te maken,” zoo vroegen zij met aandrang. “Gij kunt gemakkelijk de barbaren verdrijven, want hun schepen kunnen het tegen de onze niet volhouden. Zoodra gij in het gezicht gekomen zijt, zullen de Joniërs opstaan.” De Grieken besloten koers te zetten naar Jonië. Zij verwachtten een zeeslag te moeten leveren, maar het bleek hun, dat zij op het droge hadden te strijden, daar de Perzen hun schepen bij Mycale in Jonië op het strand hadden getrokken, en daaromheen een muur van houtblokken en steenen hadden opgeworpen. Toen de Grieken dit zagen, gingen zij aan land. De barbaren waren spoedig uiteen gedreven, terwijl de Jonische volksplantingen zich aansloten bij het Grieksche statenverbond. Dit was de slag bij Mycale, die op denzelfden dag geleverd werd als de slag bij Plataea. Zoo waren dan de Grieken verlost van de vrees voor de Perzen; immers nooit meer na dien tijd heeft een Perzisch leger den voet gezet op Griekschen bodem.
Kop van Zeus—Munt uit Elis.Kop van Zeus—Munt uit Elis.
Kop van Zeus—Munt uit Elis.
Hoofdstuk XII.Na den Perzischen oorlog.Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.De Grieken waren gewoon, nadat zij een veldslag hadden gewonnen, belooningen te schenken aan dien staat en aan dien veldheer, die het meest had bijgedragen tot het behalen der overwinning. Het is duidelijk genoeg, dat de eerbewijzen, die na den slag bij Salamis zouden worden uitgereikt, moesten worden toegekend aan Attica en aan Themistocles; maar de Peloponnesus was naijverig op Attica, en daarom werd de hoogste belooning aan een staat, aan Aegina toegekend. De poging, om den dappersten aanvoerder aan te wijzen, was nog al vermakelijk, immers iedere veldheer zette Themistocles op de tweede plaats, terwijl hij zijn eigen naam bovenaan plaatste. Bij de verdeeling van den oorlogsbuit werden de goden niet vergeten. Drie oorlogsschepen werden hun gewijd. Een tiende deel van den buit werd naar Delphi gebracht, en daarvan werd een standbeeld van Apollo vervaardigd met afmetingen, driemaal zoo groot als een man, en dat in zijn ééne hand den voorsteven van een schip hield. Na den slag bij Plataea bleek het, dat de tenten, die door de Perzen waren achtergelaten, vol waren van de kostbaarste schatten. Er waren daar schalen en bekers en zelfs ketels van zwaar goud; er waren daar rustbedden, bedekt met gouden platen; er warendaar gouden armbanden en kettingen; en er waren daar lange en korte zwaarden, met gouden handvatsels. Bovendien waren er prachtige geborduurde mantels, benevens gordijnen en karpetten in zóó groote hoeveelheid, dat niemand er aandacht aan schonk. Ook daarvan kregen de goden een ruim aandeel. Van het gedeelte, dat naar Delphi gezonden werd, werd een gouden drievoet vervaardigd, die stond op een vast ineengekronkelde driekoppige bronzen slang. Nog jaren na den slag plachten bewoners van Plataea, die over het slagveld ronddoolden, gouden en zilveren schatten te vinden, die men eerst niet had opgemerkt. Welke staat den prijs voor dapperheid te Plataea zou krijgen, was moeilijk uit te maken, want zoowel Athene als Sparta maakten er aanspraak op. Om een einde aan den twist te maken, besloot men den prijs aan Plataea te schenken. Hier werden tempels voor Athene en Zeus opgericht. Een orakel verklaarde, dat de gewijde vuren niet langer heilig waren, daar zij door de barbaren bezoedeld waren. Zij werden daarom alle uitgedoofd, en een renbode, om de snelheid van zijn loopen bekend, bracht kolen uit Delphi, waardoor de vuren weer opnieuw werden ontstoken. De Grieken bepaalden onderling, dat het grondgebied van Plataea ten eeuwigen dagen als gewijde grond zou worden beschouwd, en dat het de plicht zou zijn van de inwoners van Plataea, telken jare een offer te brengen, ter herinnering aan de soldaten, die op hun grond gesneuveld waren. Dit werd minstens drie eeuwen volgehouden. Als de dag van het offer was aangebroken, deden de trompetten haar krijgsgeschal in den vroegen morgen weerklinken. Dan vertrok de optocht. Deze bestond uit vrijgeboren jonge mannen, die welriekende oliën en reukwerken droegen, benevens melk en honig. Zij voerden een zwarten stier met zich mede, en wagensgevuld met mirtekransen en mirtetakken. Achteraan liep de archont, met slepend purperen gewaad, en met zwaard en gieter. Op de gedenkteekenen der helden stonden kleine zuilen, waarop hun vrienden plachten bloemen te plaatsen. De archont waschte die zuilen met eigen hand en wreef ze in met reukwerk. Hij offerde den stier, en verdeelde de mirte. Daarna vulde hij een kom met wijn en plengde een offer, onder het uitspreken dezer woorden: “Ik bied dit offer aan ter eere van de mannen, die voor de vrijheid van Griekenland hun leven hebben opgeofferd.”Bij het begin van den oorlog, toen de Spartanen het opperbevel over de vloot opeischten, zeide Themistocles tot de Atheners: “Gedraagt u als mannen tijdens den oorlog, dan zullen, zoodra deze geëindigd is, de Grieken u den eersten rang toekennen.”De oorlog was nu geëindigd, en zijn woorden werden bewaarheid; want wat ook de vele staten mochten zeggen, zij wisten al te wel, dat Athene de leidende staat onder de Grieken was. De dichters hadden Athene altijd lief gehad. Pindarus, hoewel zelf een Thebaan, kon bijna nooit den naam der stad noemen zonder haar, “heerlijk” of “geliefd” of “roemrijk” te noemen. In één opzicht behoorde Pindarus niet alleen aan Thebe, maar aan geheel Griekenland; immers veel van zijn gedichten zijn vervaardigd ter eere van de overwinnaars bij de spelen of van Apollo zelf. Hij placht naar Delphi te gaan en zijn gedichten te zingen. Gedurende meer dan zeshonderd jaar werd de ijzeren stoel, waarin hij gezeten was, in den tempel bewaard als een van zijn grootste schatten.Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.Athene.Athene.Zelfs de liefde van een zoo beroemd dichter als Pindarus zou een stad niet kunnen beschermen. Themistocles was eenverstandig man. Hij wist, dat de overige staten afgunstig op Athene zouden zijn, en haar waarschijnlijk zouden beoorlogen. De eenige hoop om die staten te kunnen weerstaan, bestond hierin, dat men de stad de sterkste van het geheele land maakte. Zij lag nu nog in puinhoopen. Het grootste gedeelte van den muur was neergehaald, en de Atheners waren over verschillende plaatsen verstrooid, waar zij maar een schuilplaats vonden. Zij waren blijde te kunnen terugkeeren, zelfs naar de hoopen asch en steen, het eenige, dat van hun huizen was overgebleven; en met moed en opgewektheid begonnen zij hun huizen op te bouwen. Er was echter ander werk, dat gedaan moest worden, zelfs vóór het opbouwen der huizen. In dat warme klimaat was het geen groote opoffering, een tijd lang buitenshuis door te brengen, en Themistocles zeide hun, dat eerst de muur weer moest worden opgebouwd. Zij keurden dit goed, en zij gaven gevolg aan zijn raad, om dien muur een lengte te geven van elf kilometers, zóó, dat hij de Acropolis omgaf en een voldoende hoeveelheid grond, om al het landvolk op te nemen, indien ooit een aanval op Attica werd gedaan.De Spartanen waren daarover niets gesticht. Zij zonden afgezanten naar de Atheners, om hen er aan te herinneren, dat Sparta geen muren had. “Het is niet verstandig voor eenige Grieksche stad, zich met muren te omgeven,”zoo redeneerden zij; “immers indien er overweldigers kwamen, zouden zij misschien de stad in bezit nemen en door de muren zóó goed beschermd zijn, dat zij verder zouden kunnen gaan en den éénen staat vóór, den anderen na op hun gemak konden overweldigen.” Themistocles antwoordde met veel overleg; “Ongetwijfeld is er veel te zeggen voor uw redeneering, wij zullen daarom afgezanten naar Sparta zenden, om die zaak degelijk met u te bespreken.”De Spartanen hadden altijd veel van Themistocles gehouden, en zij gingen dan ook tevreden naar huis.Toen deelde de slimme Themistocles de Atheners zijnplan mede. De muur moest zonder één oogenblik verwijl worden opgebouwd. Zij gebruikten voor het werk niet alleen steenblokken, afkomstig van de verwoeste huizen en tempels, maar zelfs grafsteenen. De vrouwen werkten mede als mannen, en zelfs de hulp van een kind, dat een handvol aarde kon aandragen of een stuk gereedschap aan een werkman kon geven, was welkom. Het werk werd dag en nacht voortgezet. Themistocles en twee anderen waren aangewezen als afgezanten naar de Spartanen, en na zóólang gewacht te hebben, als hij maar met mogelijkheid kon, ging Themistocles naar Sparta. Hij vertelde de Spartanen, dat zijn beide ambtgenooten waren opgehouden, doch spoedig zouden verschijnen, en dat dan de geheele zaak gemakkelijk kon worden geschikt. Terwijl zij daarop wachtten, begonnen de Spartanen geruchten te vernemen, dat de Atheensche muren met groote snelheid verrezen. “Wat beteekent dit?” vroegen zij Themistocles. “Schenkt toch geen geloof aan losse geruchten,”antwoordde hij. “Zendt afgezanten naar Athene, en dan kunt ge uit eigen beschouwing de waarheid leeren kennen.”Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.Intusschen waren de beide andere gezanten uit Athene naar Sparta gekomen en hadden Themistocles verteld, dat de muren reeds hoog genoeg waren opgetrokken, om ter verdediging te kunnen dienen. Hij had zich verzekerd, dat tegen zijn veiligen terugkeer geen bezwaar zou kunnen worden gemaakt, door aan de Atheners te schrijven: “Houdt de Spartanen als gijzelaars vast, totdat ik met de overige afgezanten veilig in Athene terug ben.”Nu deelde hij de Spartanen mede, dat Athene moestdoen, wat zij in haar eigen belang het best achtte. “Als gij en uw bondgenooten van oordeel zijt, dat geen enkele Grieksche stad muren moet hebben, begint dan allen met uw eigen muren neer te halen.”De Spartanen waren boos, maar konden er niets aan doen, en de Atheners voltooiden hun muur.De uitslag van den oorlog had het duidelijk gemaakt, dat het noodzakelijk was, dat Athene sterk was, niet alleen te land, maar ook ter zee. Het moest een groote vloot bezitten en eveneens een veilige haven, die de schepen kon beschermen tegen stormen of aanvallen van den vijand. Phalerum was de oude haven, maar reeds vóór den oorlog had Themistocles het oog gevestigd op de haven van den Piraeus, zeven of acht kilometers van Athene verwijderd, en was hij begonnen die te versterken. Die haven was een bekken, dat groot genoeg was, om wel driehonderd schepen te bevatten. Daar omheen kromde zich een schiereiland, dat in een rotsmassa eindigde, zoodat alleen een nauwe toegang was vrijgelaten. Langs den rand van dat schiereiland bouwden de Atheners een muur van meer dan elf kilometers. En wat voor een muur was dat! Dertig voet hoog, breed genoeg voor twee wagens, om langs elkander heen te rijden, en dat alles van stevige steenen vervaardigd, met ijzer vastgeklampt.Dit alles geschiedde tusschen de jaren 479 en 477 vóór Christus. Gedurende dien tijd werd nog ander werk voortgezet, immers in één opzicht was de Perzische oorlog nog niet tot een einde gekomen. De Jonische volkplantingen waren ten tijde van den slag bij Mycale vrij geworden, maar de Perzen hielden nog een aantal andere kleinere plaatsen bezet langs de kust van Klein-Azië en in Thracië. De belangrijkste van die plaatsen was Byzantium, het tegenwoordige Constantinopel. Er kon geen veiligheid en rust zijn, zoolang de Perzen nog vestingen hadden in de nabijheid van Griekenland, waar zij troepen en schepen konden bijeen brengen, en van waar zij konden optrekken omde Grieken aan te vallen. Bovendien had Griekenland meer koren noodig dan het land voortbracht. Tot nu toe was het koren daarheen gebracht door de Propontis, wat nu de zee van Marmora is; maar terwijl de Perzen Byzantium in bezit hielden, kon geen koren uit die streken zijn weg vinden naar Griekenland. Een vloot werd nu uitgezonden, die Byzantium belegerde en innam.Aristides stond aan het hoofd van de Atheensche schepen; maar de Spartaan Pausanias, die de troepen bij Plataea had aangevoerd, was opperbevelhebber der vloot. Indien Pausanias bij Plataea zou zijn gesneuveld, dan zou van hem de herinnering bewaard zijn als van een dapper en vaderlandslievend veldheer; doch nu is hij in de herinnering gebleven als een verrader. Na de overwinning bij Plataea gedroeg hij zich, alsof niemand dan hij zelf iets in den strijd had uitgericht; en na de inneming van Byzantium dacht hij zich den grootsten man ter wereld. Griekenland was voor een zoo machtig veldheer naar zijn opvatting een te klein land: Zijn roem zou heel wat meer op prijs gesteld worden in het machtige Perzische rijk. Hij deed daarom zijn best, zich de achting te verwerven van Xerxes, door hem de aanzienlijkste mannen terug te zenden, die bij Byzantium waren gevangen genomen. Nog erger dan dit, hij gaf hun een brief aan Xerxes mede van den volgenden inhoud: “Indien gij mij uw dochter ten huwelijk wilt geven, zal ik Griekenland voor u veroveren.”Xerxes beloofde hem niet, hem zijn dochter te geven, maar stemde erin toe, hem alle manschappen en al het geld te verschaffen, dat hij voor de verovering mocht noodig hebben. Toen geraakte Pausanias geheel buitenzinnen. Hij begon op te treden als ware hij een hoog staatsambtenaar in Perzië. Hij kende geen Spartaanschen eenvoud meer; hij droeg de rijkste Perzische kleederen en leefde zoo weelderig mogelijk. Toen Aristides daarop aanmerkingen maakte, draaide hij zich om, terwijl hij zeide, dat hij geen tijd had naar hem te luisteren.Toen de Spartanen bericht hadden ontvangen omtrent hetgedrag van Pausanias, bevalen zij hem, naar huis terug te keeren. Zij konden niet bewijzen, dat hij verraad smeedde, maar na korten tijd bleek het duidelijk, dat hij de Heloten opstookte, om tegen hun meesters op te staan. Hij vluchtte naar een vertrek, dat grensde aan den tempel van Athene, en werd daar door de Spartanen ingesloten, om den hongerdood te sterven. Om de vergiffenis van Athene te verwerven voor de verontreiniging van haar tempel, schonken zij haar twee bronzen standbeelden.Grieksch soldaat.Grieksch soldaat.De laatste levensjaren van Themistocles waren niet veel eervoller dan die van Pausanias. Na zijn bedrog in verband met de muren van Athene haatten hem de Spartanen; en het is mogelijk, dat deze niet vreemd waren aan het scheidsgerecht, dat omstreeks een jaar vóór den dood van Pausanias gehouden werd. Er was reden te gelooven, dat hij medeplichtig was aan het komplot van Pausanias om Griekenland voor de Perzen te veroveren. Het was algemeen bekend, dat hij van de Perzen geschenken had aangenomen; en men begon te mompelen over den door hem op het einde van den oorlog gegeven raad, om Xerxes niet te vervolgen of de brug over den Hellespont niet af te breken. “Het is inderdaad waar, dat hij zeide, dat het beter was de Perzen buiten Europa te krijgen en hen dan in Azië aan te vallen,”zoo redeneerden zij; “maar het zou hem niet moeilijk vallen, Xerxes er van te overtuigen, dat dit plan werd aangeraden als een hem bewezen gunst.” Dit was dan ook juist wat Themistocles deed. Hij was van de ééne plaats naar de andere gevlucht, en ten slotte naar het hof van Xerxes. Hij bracht den koning dien door hem bewezen dienst in herinnering, en eindigde zijn beroep op zijn gunst met de woorden: “Indien gij mij uit den weg ruimt, ruimt gij den vijand vanGriekenland uit den weg.”De koning had er niet aan gedacht, hem uit den weg te ruimen. Hij was ten zeerste verheugd, een zoo schitterend man aan zijn hof te hebben, en hij riep uit: “Moge de geest van het kwade het altijd in de harten mijner vijanden leggen, hun grootste mannen te straffen!” Driemaal vloog hij dien nacht in zijn slaap op, terwijl hij uitriep: “Ik heb Themistocles, den Athener, bij mij.”Aristides.Aristides.Themistocles werd een groot gunsteling van den koning, en leerde Perzisch, opdat zij zonder de tusschenkomst van een tolk met elkander zouden kunnen spreken. Drie steden werden hem in handen gegeven, om hem van “brood, wijn en vleesch” te voorzien—hetgeen schijnt te hebben beteekend, dat hij het recht had, daaruit zooveel vandaan te halen als hij begeerde. Hij bracht zijn laatste levensjaren in weelde en ledigheid door. Ten slotte verzocht de koning hem, zich aan het hoofd te stellen van een expeditie tegen de vloot der Grieken. Hij kon er niet toe besluiten, dat te doen; en toch kon hij het den koning niet weigeren. Hij kwam dus tot de overtuiging, dat er geen andere uitkomst mogelijk was, dan zich het leven te benemen. Dit was het einde van den man, dien de Grieken zóózeer hadden bewonderd, dat toen hij bij de Olympische spelen verscheen, de geheele talrijke menigte alle onderlinge twisten vergat en zich omwendde, om naar hem te zien en hem aan te wijzen aan hen, die hem niet herkenden.Bronzen munten met het beeld van Themistocles.Bronzen munten met het beeld van Themistocles.(Ter zijner eere vervaardigd na den slag bij Salamis.)Themistocles was een hoogst bekwaam man, en veel heeft hij gedaan voor Athene en voor Griekenland; maar zelfs in dedagen van zijn grootsten roem vertrouwden hem de Grieken nooit zóó, als zij Aristides hadden vertrouwd. Eens vertelde hij de Atheners, dat hij een plan had beraamd, om hun stad de machtigste in Griekenland te maken, maar dat hij dat plan niet in een zoo groote vergadering kon vertellen. “Vertel het Aristides,”zeide het volk. “Als hij het plan goedkeurt, zal het worden uitgevoerd.”Aristides rapporteerde, dat het plan inderdaad Athene de eerste plaats onder de Grieken zou geven, maar dat het een schandelijk verradelijk plan was; men liet het toen oogenblikkelijk varen.Atheensche stemschijven.Atheensche stemschijven.(Deze waren van brons gemaakt, en droegen tot opschrift:“Publieke stemschijf”).Toen Pausanias werd teruggeroepen, werd Aristides met het opperbevel der vloot belast. Hij stichtte den beroemden Bond van Delos, die zoo heette, omdat de vergaderingen te Delos werden gehouden, en daar ook de bondskas werd bewaard. Het doel van dien Bond was, de Grieksche steden te bevrijden, die nog steeds in de macht der Perzen waren, en om de Aegeïsche Zee vrij te houden van zeeroovers. Bijna alle steden op de eilanden en op de noordelijke en oostelijke kusten der Aegeïsche Zee sloten zich bij den Bond aan. Athene zou aan het hoofd van den Bond staan, maar zou niet meer macht hebben dan de overige leden. Aan Aristides werd de beslissing gelaten, te bepalen, hoeveel iedere staat had bij te dragen. Een andere zaak, die Aristides voor Athene deed,was, dat hij den invloed van den vierden stand in Athene uitbreidde. Door zijn invloed werd een wet uitgevaardigd, die leden van dien stand toestond tot magistraten te worden gekozen. Een paar jaar na de stichting van den bond te Delos stierf Aristides. Hij had iedere gelegenheid, door omkooperij een rijk man te worden, toch stierf hij arm. De staat bouwde zijn graftombe en zorgde voor zijn kinderen en kleinkinderen. Hij was een verstandig staatsman en een bekwaam veldheer, maar grooter titel dan deze is die, waarbij hij altijd in de herinnering zal voortleven: “De Rechtvaardige”.Cimon.Cimon.Toen Aristides het opperbevel over de vloot neerlegde, kwam het in handen van iemand naar zijn eigen hart, Cimon, den zoon van Miltiades. Het gerucht liep in Griekenland, dat de Perzen schepen en manschappen in grooten getale bijeen brachten bij de monding van den Eurymedon in Pamphylië. Dit deed vermoeden, dat zij van plan waren een nieuwen inval in Griekenland te doen. Cimon zeilde recht op Pamphylië af en zag, dat de Perzische vloot zich bij de monding van de rivier ophield. Zij verwachtten nog tachtig schepen meer, en waren er volstrekt niet op gesteld te vechten, voordat die schepen waren aangekomen. Ongelukkig voor hen vroeg Cimon niet, wat zij liever wilden, maar viel hij hen onmiddellijk aan. De manschappen vluchtten uit de schepen, en ijlden aan land. Daar lag het kamp van het Perzische leger; maar Cimon en zijn manschappen stormden daar op los als een wervelstorm. Na een tijd van heftigen strijd behaalden de Grieken de overwinning. Zij hadden tweehonderd schepen bemachtigd en hadden nu de overhand zoowel te land als ter zee. De meeste mannen zouden zich tevreden hebben gesteld met twee overwinningen op één dag, maar Cimon was niet van plan naar huis terug te keeren, zoolang hij de overige tachtig schepen niet had ontmoet.Hij trok weg, vond ze, viel ze aan en had spoedig zijn derde overwinning behaald. De Perzen hadden bij hun vlucht een onmetelijk bedrag aan schatten achtergelaten. De Grieken pakten die in hun schepen, en keerden naar huis terug. “Ik houd er van, mijn vaderland te verrijken ten koste van zijn vijanden,”zeide Cimon eens, en Athene werd inderdaad met al die schatten verrijkt.De “Schildpad”.De “Schildpad”.(Een middel, om een muur te beklimmen).Athene werd dan voortdurend krachtiger, gedeeltelijk ook ten gevolge van den Bond van Delos. Deze nam dagelijks in kracht toe, immers zoodra een stad bevrijd was, werd zij lid van den Bond. Toen de Bond was gesticht, was afgesproken, dat de kleinere staten hun aandeel in geld, de grootere in schepen zouden betalen. Langzamerhand vonden ook vele der grootere steden het gemakkelijker hun aandeel in geld te betalen. De stad Athene had daar niet het minste bezwaar tegen. Zij nam het geld, bouwde de schepen en voegde die bij haar vloot. Eindelijk werd de schatkist van Delos naar Athene overgebracht, onder voorwendsel, dat deze te Delos niet veilig was voor de barbaren. Het duurde eenigen tijd, voordat de overige leden tot de overtuiging kwamen, dat zij in weerwil van de bescherming van Athene hoe langer hoe armer en zwakker werden, terwijl Athene voortdurend rijker en machtiger werd. De ééne staat vóór, de andere na, trachtte den Bond te verlaten, maar Athene wilde dit niet toestaan, en verplichtte hen, een nog grootere schatting te betalen. Zoo kwam het, dat de Bond, die oorspronkelijk een vereeniging van Staten geweest was, een machtig rijk was geworden met Athene tot despotischen heerscher.Natuurlijk behaagde dit Sparta niet, en gaarne zou die staat een leger hebben willen zenden tegen zijn Attischen buurman.Doch in plaats daarvan moest zij afgezanten zenden en onderdanig vragen: “Ach, Athene, wilt gij ons niet komen helpen?” Sparta was dan ook in groote zorg en verlegenheid. In de eerste plaats was de stad zóózeer geteisterd door aardbevingen, datslechtsvijf huizen in de stad waren blijven staan, en duizenden der inwoners gedood waren. Dit was een uitnemende gelegenheid voor de Heloten om op te staan, en zij vielen dan ook Sparta aan. Zij werden wel is waar teruggeslagen, maar nu stonden de Messeniërs op, en deze werden niet zoo gemakkelijk onderdrukt. Zij sloten zich op te Ithome in Messenië, in welke plaats hun voorvaderen eens opgestaan waren tegen hun Spartaansche meesters. De Spartanen waren niet op de hoogte van de kunst van belegeren, evenmin als de overige steden op den Peloponnesus, terwijl daarentegen de Atheners daarin groote oefening bezaten; daarom besloot Sparta Athene te hulp te roepen. De Atheners hadden den tijd niet vergeten, toen zij Sparta om hulp hadden gevraagd en die stad hun zoo weinig deelneming had betoond in hun moeilijkheden. “Laat ons weigeren,”zeide de ééne partij in Athene. De andere partij echter verdedigde met kracht de tegenovergestelde meening: “Neen, laat ons zorgen, dat Griekenland niet verlamd worde en Athene beroofd worde van haar lotgenoot.”Cimon was de aanvoerder van de laatste partij. Het kwam hem in het belang der Grieksche staten veel verstandiger voor, Perzië te bestrijden dan met elkander te twisten. De Atheners waren trotsch op Cimon, zoodat het hem niet veel moeite kostte hen te overreden, hem naar Messenië te zenden, ten einde de Spartanen te hulp te komen. Doch toen de Spartanen de strijdmacht van vierduizend man zagen met den grootsten Atheenschen veldheer aan hun hoofd, begonnen zij de zaak te wantrouwen, en meenden zij, dat er de ééne of andere list achter zat. Ithome viel niet onmiddellijk, zooals zij hadden verwacht, en toen kregen zij de overtuiging, dat Cimon met de Messeniërs had samengezworen, om Spartate overweldigen. Kortaf deelden zij hem mede, dat zij hem en zijn troepen niet noodig hadden en dat hij naar huis kon terugkeeren, hoewel zij de troepen der overige steden vroegen te blijven en hen te helpen. De Atheners waren over zulk een beleediging ten hoogste verontwaardigd. Zij gevoelden de behoefte, iemand, wien ook, de schuld te geven, en hun woede koelde zich op den populairen aanvoerder. “Hij bewonderde altijd de Spartanen,”zeide de één. “Eén van zijn kinderen noemde hij Lacedaemonius,”zeide een ander. “En als er één der bondgenooten iets deed, dat hem mishaagde, zeide hij altijd, dat de Spartanen zoo niet zouden gedaan hebben,”voegde een derde er aan toe. Ten slotte werd Cimon door het schervengericht verbannen, zooals dit ook met Aristides en Themistocles het geval was geweest. Sparta bracht eindelijk de Messeniërs ten onder en verjoeg hen uit den Peloponnesus, doch Athene schikte het zóó, dat zij te Naupactus konden wonen. Het was voor de Atheners geschikt, een bevriende volkplanting aan de noordelijke zijde van de Golf van Corinthe te hebben; maar de zaak droeg er niet toe bij, Sparta welwillend jegens Athene te maken.Pericles.Pericles.Velen onder de Atheners waren tot de gevolgtrekking gekomen, dat het volstrekt geen nut had, te trachten op vriendschappelijken voet te staan met Sparta, dat op den één of anderen dag tusschen beide staten een oorlog zou uitbreken, en dat het voor Athene het verstandigst zou zijn, zich zoo sterk mogelijk te maken. Het hoofd van die partij heette Pericles. Hij werd nu de meest populaire man van Athene, en de Atheners waren bereid alles te doen wat hij aanraadde. Zij sloten een verbond met Argos en vervolgens met Megara, totdat hun invloed zich uitstrekte tot voor de poorten van Sparta. De bewoners van den Peloponnesus zagen dit metleede oogen aan, maar het liet de Atheners absoluut koud, hoe de Spartanen er over dachten. Zij hielden vol met het sluiten van verbonden en het winnen van veldslagen, zoodra het tot veldslagen kwam, totdat de invloed van Athene zich uitstrekte van de Thermopylae tot den Isthmus; en als hoofd van den Bond van Delos, of juister gezegd van het Rijk van Delos, strekte haar macht zich ook uit over de steden en eilanden der Aegeïsche zee. Athene was oppermachtig te land en evenzoo ter zee. Zij had een stad, met een stevigen muur omringd, en had een uitnemend beschermde haven. Er was nog slechts één ding te doen over, en dat was het maken van een veiligen weg, om van de stad naar de haven te gaan. Daartoe werden twee reusachtige muren gebouwd tusschen de stad en de zee, die niet alleen de haven van den Piraeus maar ook de oude haven van Phalerum omsloot. Na verloop van tijd werd nog een derde muur gebouwd tusschen Athene en den Piraeus. Dit waren geen gewone muren, immers zij waren zestig voet hoog en zóó breed, dat twee wagens gemakkelijk daarover naast elkander konden rijden. Zoolang Athene die muren bezat, kon zij nooit van de zee worden afgesloten. Haar schepen konden haar van voedsel voorzien, en het scheen, alsof nu eindelijk een stad gemaakt was, zóó sterk, dat zij onmogelijk kon worden ingenomen.Athene, weer hersteld.Athene, weer hersteld.(In de verte ziet men de Acropolis, en daarachter bergen in Argolis. Op den voorgrond ziet men de stadsmuren en een brug over den Ilyssus).De macht van Athene was nu op het toppunt, doch spoedig geraakte zij in moeilijkheden. Bijna op hetzelfde oogenblik kwamen verscheidene staten, die aan haar onderworpen waren, in opstand, en een Spartaansch leger waagde zich in Attica, en begon te moorden, te branden en te vernielen. Het was gelukkig voor Athene, dat de stad een zoo verstandigen leider had als Pericles. Hij begreep, dat, hoe machtig Athene ook was, die opstanden niet konden worden onderdrukt en te gelijker tijd tegen Sparta kon worden oorlog gevoerd. Hij sloot met Sparta een vrede, die dertig jaren moest duren, welkevrede naar hem de Vrede van Pericles werd genoemd, maar ten einde de Spartanen er toe te brengen, daarin toe te stemmen, moest Athene van haar kant er in toestemmen, alles op te offeren, wat zij in den Peloponnesus had gewonnen. Zoo kwam er een einde aan de mogelijkheid, dat Athene ooit te eeniger tijd geheel Griekenland in haar macht zou hebben. Al was haar vloot ook nog zoo sterk, het was duidelijk, dat zij nooit over de Grieken van het moederland dezelfde macht zou kunnen uitoefenen als die, welke zij uitoefende over die in de Aegeïsche Zee.Jachtlaarzen.Jachtlaarzen.
Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.
Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.
De Grieken waren gewoon, nadat zij een veldslag hadden gewonnen, belooningen te schenken aan dien staat en aan dien veldheer, die het meest had bijgedragen tot het behalen der overwinning. Het is duidelijk genoeg, dat de eerbewijzen, die na den slag bij Salamis zouden worden uitgereikt, moesten worden toegekend aan Attica en aan Themistocles; maar de Peloponnesus was naijverig op Attica, en daarom werd de hoogste belooning aan een staat, aan Aegina toegekend. De poging, om den dappersten aanvoerder aan te wijzen, was nog al vermakelijk, immers iedere veldheer zette Themistocles op de tweede plaats, terwijl hij zijn eigen naam bovenaan plaatste. Bij de verdeeling van den oorlogsbuit werden de goden niet vergeten. Drie oorlogsschepen werden hun gewijd. Een tiende deel van den buit werd naar Delphi gebracht, en daarvan werd een standbeeld van Apollo vervaardigd met afmetingen, driemaal zoo groot als een man, en dat in zijn ééne hand den voorsteven van een schip hield. Na den slag bij Plataea bleek het, dat de tenten, die door de Perzen waren achtergelaten, vol waren van de kostbaarste schatten. Er waren daar schalen en bekers en zelfs ketels van zwaar goud; er waren daar rustbedden, bedekt met gouden platen; er warendaar gouden armbanden en kettingen; en er waren daar lange en korte zwaarden, met gouden handvatsels. Bovendien waren er prachtige geborduurde mantels, benevens gordijnen en karpetten in zóó groote hoeveelheid, dat niemand er aandacht aan schonk. Ook daarvan kregen de goden een ruim aandeel. Van het gedeelte, dat naar Delphi gezonden werd, werd een gouden drievoet vervaardigd, die stond op een vast ineengekronkelde driekoppige bronzen slang. Nog jaren na den slag plachten bewoners van Plataea, die over het slagveld ronddoolden, gouden en zilveren schatten te vinden, die men eerst niet had opgemerkt. Welke staat den prijs voor dapperheid te Plataea zou krijgen, was moeilijk uit te maken, want zoowel Athene als Sparta maakten er aanspraak op. Om een einde aan den twist te maken, besloot men den prijs aan Plataea te schenken. Hier werden tempels voor Athene en Zeus opgericht. Een orakel verklaarde, dat de gewijde vuren niet langer heilig waren, daar zij door de barbaren bezoedeld waren. Zij werden daarom alle uitgedoofd, en een renbode, om de snelheid van zijn loopen bekend, bracht kolen uit Delphi, waardoor de vuren weer opnieuw werden ontstoken. De Grieken bepaalden onderling, dat het grondgebied van Plataea ten eeuwigen dagen als gewijde grond zou worden beschouwd, en dat het de plicht zou zijn van de inwoners van Plataea, telken jare een offer te brengen, ter herinnering aan de soldaten, die op hun grond gesneuveld waren. Dit werd minstens drie eeuwen volgehouden. Als de dag van het offer was aangebroken, deden de trompetten haar krijgsgeschal in den vroegen morgen weerklinken. Dan vertrok de optocht. Deze bestond uit vrijgeboren jonge mannen, die welriekende oliën en reukwerken droegen, benevens melk en honig. Zij voerden een zwarten stier met zich mede, en wagensgevuld met mirtekransen en mirtetakken. Achteraan liep de archont, met slepend purperen gewaad, en met zwaard en gieter. Op de gedenkteekenen der helden stonden kleine zuilen, waarop hun vrienden plachten bloemen te plaatsen. De archont waschte die zuilen met eigen hand en wreef ze in met reukwerk. Hij offerde den stier, en verdeelde de mirte. Daarna vulde hij een kom met wijn en plengde een offer, onder het uitspreken dezer woorden: “Ik bied dit offer aan ter eere van de mannen, die voor de vrijheid van Griekenland hun leven hebben opgeofferd.”Bij het begin van den oorlog, toen de Spartanen het opperbevel over de vloot opeischten, zeide Themistocles tot de Atheners: “Gedraagt u als mannen tijdens den oorlog, dan zullen, zoodra deze geëindigd is, de Grieken u den eersten rang toekennen.”De oorlog was nu geëindigd, en zijn woorden werden bewaarheid; want wat ook de vele staten mochten zeggen, zij wisten al te wel, dat Athene de leidende staat onder de Grieken was. De dichters hadden Athene altijd lief gehad. Pindarus, hoewel zelf een Thebaan, kon bijna nooit den naam der stad noemen zonder haar, “heerlijk” of “geliefd” of “roemrijk” te noemen. In één opzicht behoorde Pindarus niet alleen aan Thebe, maar aan geheel Griekenland; immers veel van zijn gedichten zijn vervaardigd ter eere van de overwinnaars bij de spelen of van Apollo zelf. Hij placht naar Delphi te gaan en zijn gedichten te zingen. Gedurende meer dan zeshonderd jaar werd de ijzeren stoel, waarin hij gezeten was, in den tempel bewaard als een van zijn grootste schatten.
Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.
Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.
Athene.Athene.
Athene.
Zelfs de liefde van een zoo beroemd dichter als Pindarus zou een stad niet kunnen beschermen. Themistocles was eenverstandig man. Hij wist, dat de overige staten afgunstig op Athene zouden zijn, en haar waarschijnlijk zouden beoorlogen. De eenige hoop om die staten te kunnen weerstaan, bestond hierin, dat men de stad de sterkste van het geheele land maakte. Zij lag nu nog in puinhoopen. Het grootste gedeelte van den muur was neergehaald, en de Atheners waren over verschillende plaatsen verstrooid, waar zij maar een schuilplaats vonden. Zij waren blijde te kunnen terugkeeren, zelfs naar de hoopen asch en steen, het eenige, dat van hun huizen was overgebleven; en met moed en opgewektheid begonnen zij hun huizen op te bouwen. Er was echter ander werk, dat gedaan moest worden, zelfs vóór het opbouwen der huizen. In dat warme klimaat was het geen groote opoffering, een tijd lang buitenshuis door te brengen, en Themistocles zeide hun, dat eerst de muur weer moest worden opgebouwd. Zij keurden dit goed, en zij gaven gevolg aan zijn raad, om dien muur een lengte te geven van elf kilometers, zóó, dat hij de Acropolis omgaf en een voldoende hoeveelheid grond, om al het landvolk op te nemen, indien ooit een aanval op Attica werd gedaan.
De Spartanen waren daarover niets gesticht. Zij zonden afgezanten naar de Atheners, om hen er aan te herinneren, dat Sparta geen muren had. “Het is niet verstandig voor eenige Grieksche stad, zich met muren te omgeven,”zoo redeneerden zij; “immers indien er overweldigers kwamen, zouden zij misschien de stad in bezit nemen en door de muren zóó goed beschermd zijn, dat zij verder zouden kunnen gaan en den éénen staat vóór, den anderen na op hun gemak konden overweldigen.” Themistocles antwoordde met veel overleg; “Ongetwijfeld is er veel te zeggen voor uw redeneering, wij zullen daarom afgezanten naar Sparta zenden, om die zaak degelijk met u te bespreken.”De Spartanen hadden altijd veel van Themistocles gehouden, en zij gingen dan ook tevreden naar huis.
Toen deelde de slimme Themistocles de Atheners zijnplan mede. De muur moest zonder één oogenblik verwijl worden opgebouwd. Zij gebruikten voor het werk niet alleen steenblokken, afkomstig van de verwoeste huizen en tempels, maar zelfs grafsteenen. De vrouwen werkten mede als mannen, en zelfs de hulp van een kind, dat een handvol aarde kon aandragen of een stuk gereedschap aan een werkman kon geven, was welkom. Het werk werd dag en nacht voortgezet. Themistocles en twee anderen waren aangewezen als afgezanten naar de Spartanen, en na zóólang gewacht te hebben, als hij maar met mogelijkheid kon, ging Themistocles naar Sparta. Hij vertelde de Spartanen, dat zijn beide ambtgenooten waren opgehouden, doch spoedig zouden verschijnen, en dat dan de geheele zaak gemakkelijk kon worden geschikt. Terwijl zij daarop wachtten, begonnen de Spartanen geruchten te vernemen, dat de Atheensche muren met groote snelheid verrezen. “Wat beteekent dit?” vroegen zij Themistocles. “Schenkt toch geen geloof aan losse geruchten,”antwoordde hij. “Zendt afgezanten naar Athene, en dan kunt ge uit eigen beschouwing de waarheid leeren kennen.”
Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.
Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.
Intusschen waren de beide andere gezanten uit Athene naar Sparta gekomen en hadden Themistocles verteld, dat de muren reeds hoog genoeg waren opgetrokken, om ter verdediging te kunnen dienen. Hij had zich verzekerd, dat tegen zijn veiligen terugkeer geen bezwaar zou kunnen worden gemaakt, door aan de Atheners te schrijven: “Houdt de Spartanen als gijzelaars vast, totdat ik met de overige afgezanten veilig in Athene terug ben.”Nu deelde hij de Spartanen mede, dat Athene moestdoen, wat zij in haar eigen belang het best achtte. “Als gij en uw bondgenooten van oordeel zijt, dat geen enkele Grieksche stad muren moet hebben, begint dan allen met uw eigen muren neer te halen.”De Spartanen waren boos, maar konden er niets aan doen, en de Atheners voltooiden hun muur.
De uitslag van den oorlog had het duidelijk gemaakt, dat het noodzakelijk was, dat Athene sterk was, niet alleen te land, maar ook ter zee. Het moest een groote vloot bezitten en eveneens een veilige haven, die de schepen kon beschermen tegen stormen of aanvallen van den vijand. Phalerum was de oude haven, maar reeds vóór den oorlog had Themistocles het oog gevestigd op de haven van den Piraeus, zeven of acht kilometers van Athene verwijderd, en was hij begonnen die te versterken. Die haven was een bekken, dat groot genoeg was, om wel driehonderd schepen te bevatten. Daar omheen kromde zich een schiereiland, dat in een rotsmassa eindigde, zoodat alleen een nauwe toegang was vrijgelaten. Langs den rand van dat schiereiland bouwden de Atheners een muur van meer dan elf kilometers. En wat voor een muur was dat! Dertig voet hoog, breed genoeg voor twee wagens, om langs elkander heen te rijden, en dat alles van stevige steenen vervaardigd, met ijzer vastgeklampt.
Dit alles geschiedde tusschen de jaren 479 en 477 vóór Christus. Gedurende dien tijd werd nog ander werk voortgezet, immers in één opzicht was de Perzische oorlog nog niet tot een einde gekomen. De Jonische volkplantingen waren ten tijde van den slag bij Mycale vrij geworden, maar de Perzen hielden nog een aantal andere kleinere plaatsen bezet langs de kust van Klein-Azië en in Thracië. De belangrijkste van die plaatsen was Byzantium, het tegenwoordige Constantinopel. Er kon geen veiligheid en rust zijn, zoolang de Perzen nog vestingen hadden in de nabijheid van Griekenland, waar zij troepen en schepen konden bijeen brengen, en van waar zij konden optrekken omde Grieken aan te vallen. Bovendien had Griekenland meer koren noodig dan het land voortbracht. Tot nu toe was het koren daarheen gebracht door de Propontis, wat nu de zee van Marmora is; maar terwijl de Perzen Byzantium in bezit hielden, kon geen koren uit die streken zijn weg vinden naar Griekenland. Een vloot werd nu uitgezonden, die Byzantium belegerde en innam.
Aristides stond aan het hoofd van de Atheensche schepen; maar de Spartaan Pausanias, die de troepen bij Plataea had aangevoerd, was opperbevelhebber der vloot. Indien Pausanias bij Plataea zou zijn gesneuveld, dan zou van hem de herinnering bewaard zijn als van een dapper en vaderlandslievend veldheer; doch nu is hij in de herinnering gebleven als een verrader. Na de overwinning bij Plataea gedroeg hij zich, alsof niemand dan hij zelf iets in den strijd had uitgericht; en na de inneming van Byzantium dacht hij zich den grootsten man ter wereld. Griekenland was voor een zoo machtig veldheer naar zijn opvatting een te klein land: Zijn roem zou heel wat meer op prijs gesteld worden in het machtige Perzische rijk. Hij deed daarom zijn best, zich de achting te verwerven van Xerxes, door hem de aanzienlijkste mannen terug te zenden, die bij Byzantium waren gevangen genomen. Nog erger dan dit, hij gaf hun een brief aan Xerxes mede van den volgenden inhoud: “Indien gij mij uw dochter ten huwelijk wilt geven, zal ik Griekenland voor u veroveren.”Xerxes beloofde hem niet, hem zijn dochter te geven, maar stemde erin toe, hem alle manschappen en al het geld te verschaffen, dat hij voor de verovering mocht noodig hebben. Toen geraakte Pausanias geheel buitenzinnen. Hij begon op te treden als ware hij een hoog staatsambtenaar in Perzië. Hij kende geen Spartaanschen eenvoud meer; hij droeg de rijkste Perzische kleederen en leefde zoo weelderig mogelijk. Toen Aristides daarop aanmerkingen maakte, draaide hij zich om, terwijl hij zeide, dat hij geen tijd had naar hem te luisteren.
Toen de Spartanen bericht hadden ontvangen omtrent hetgedrag van Pausanias, bevalen zij hem, naar huis terug te keeren. Zij konden niet bewijzen, dat hij verraad smeedde, maar na korten tijd bleek het duidelijk, dat hij de Heloten opstookte, om tegen hun meesters op te staan. Hij vluchtte naar een vertrek, dat grensde aan den tempel van Athene, en werd daar door de Spartanen ingesloten, om den hongerdood te sterven. Om de vergiffenis van Athene te verwerven voor de verontreiniging van haar tempel, schonken zij haar twee bronzen standbeelden.
Grieksch soldaat.Grieksch soldaat.
Grieksch soldaat.
De laatste levensjaren van Themistocles waren niet veel eervoller dan die van Pausanias. Na zijn bedrog in verband met de muren van Athene haatten hem de Spartanen; en het is mogelijk, dat deze niet vreemd waren aan het scheidsgerecht, dat omstreeks een jaar vóór den dood van Pausanias gehouden werd. Er was reden te gelooven, dat hij medeplichtig was aan het komplot van Pausanias om Griekenland voor de Perzen te veroveren. Het was algemeen bekend, dat hij van de Perzen geschenken had aangenomen; en men begon te mompelen over den door hem op het einde van den oorlog gegeven raad, om Xerxes niet te vervolgen of de brug over den Hellespont niet af te breken. “Het is inderdaad waar, dat hij zeide, dat het beter was de Perzen buiten Europa te krijgen en hen dan in Azië aan te vallen,”zoo redeneerden zij; “maar het zou hem niet moeilijk vallen, Xerxes er van te overtuigen, dat dit plan werd aangeraden als een hem bewezen gunst.” Dit was dan ook juist wat Themistocles deed. Hij was van de ééne plaats naar de andere gevlucht, en ten slotte naar het hof van Xerxes. Hij bracht den koning dien door hem bewezen dienst in herinnering, en eindigde zijn beroep op zijn gunst met de woorden: “Indien gij mij uit den weg ruimt, ruimt gij den vijand vanGriekenland uit den weg.”De koning had er niet aan gedacht, hem uit den weg te ruimen. Hij was ten zeerste verheugd, een zoo schitterend man aan zijn hof te hebben, en hij riep uit: “Moge de geest van het kwade het altijd in de harten mijner vijanden leggen, hun grootste mannen te straffen!” Driemaal vloog hij dien nacht in zijn slaap op, terwijl hij uitriep: “Ik heb Themistocles, den Athener, bij mij.”
Aristides.Aristides.
Aristides.
Themistocles werd een groot gunsteling van den koning, en leerde Perzisch, opdat zij zonder de tusschenkomst van een tolk met elkander zouden kunnen spreken. Drie steden werden hem in handen gegeven, om hem van “brood, wijn en vleesch” te voorzien—hetgeen schijnt te hebben beteekend, dat hij het recht had, daaruit zooveel vandaan te halen als hij begeerde. Hij bracht zijn laatste levensjaren in weelde en ledigheid door. Ten slotte verzocht de koning hem, zich aan het hoofd te stellen van een expeditie tegen de vloot der Grieken. Hij kon er niet toe besluiten, dat te doen; en toch kon hij het den koning niet weigeren. Hij kwam dus tot de overtuiging, dat er geen andere uitkomst mogelijk was, dan zich het leven te benemen. Dit was het einde van den man, dien de Grieken zóózeer hadden bewonderd, dat toen hij bij de Olympische spelen verscheen, de geheele talrijke menigte alle onderlinge twisten vergat en zich omwendde, om naar hem te zien en hem aan te wijzen aan hen, die hem niet herkenden.
Bronzen munten met het beeld van Themistocles.Bronzen munten met het beeld van Themistocles.(Ter zijner eere vervaardigd na den slag bij Salamis.)
Bronzen munten met het beeld van Themistocles.
(Ter zijner eere vervaardigd na den slag bij Salamis.)
Themistocles was een hoogst bekwaam man, en veel heeft hij gedaan voor Athene en voor Griekenland; maar zelfs in dedagen van zijn grootsten roem vertrouwden hem de Grieken nooit zóó, als zij Aristides hadden vertrouwd. Eens vertelde hij de Atheners, dat hij een plan had beraamd, om hun stad de machtigste in Griekenland te maken, maar dat hij dat plan niet in een zoo groote vergadering kon vertellen. “Vertel het Aristides,”zeide het volk. “Als hij het plan goedkeurt, zal het worden uitgevoerd.”Aristides rapporteerde, dat het plan inderdaad Athene de eerste plaats onder de Grieken zou geven, maar dat het een schandelijk verradelijk plan was; men liet het toen oogenblikkelijk varen.
Atheensche stemschijven.Atheensche stemschijven.(Deze waren van brons gemaakt, en droegen tot opschrift:“Publieke stemschijf”).
Atheensche stemschijven.
(Deze waren van brons gemaakt, en droegen tot opschrift:“Publieke stemschijf”).
Toen Pausanias werd teruggeroepen, werd Aristides met het opperbevel der vloot belast. Hij stichtte den beroemden Bond van Delos, die zoo heette, omdat de vergaderingen te Delos werden gehouden, en daar ook de bondskas werd bewaard. Het doel van dien Bond was, de Grieksche steden te bevrijden, die nog steeds in de macht der Perzen waren, en om de Aegeïsche Zee vrij te houden van zeeroovers. Bijna alle steden op de eilanden en op de noordelijke en oostelijke kusten der Aegeïsche Zee sloten zich bij den Bond aan. Athene zou aan het hoofd van den Bond staan, maar zou niet meer macht hebben dan de overige leden. Aan Aristides werd de beslissing gelaten, te bepalen, hoeveel iedere staat had bij te dragen. Een andere zaak, die Aristides voor Athene deed,was, dat hij den invloed van den vierden stand in Athene uitbreidde. Door zijn invloed werd een wet uitgevaardigd, die leden van dien stand toestond tot magistraten te worden gekozen. Een paar jaar na de stichting van den bond te Delos stierf Aristides. Hij had iedere gelegenheid, door omkooperij een rijk man te worden, toch stierf hij arm. De staat bouwde zijn graftombe en zorgde voor zijn kinderen en kleinkinderen. Hij was een verstandig staatsman en een bekwaam veldheer, maar grooter titel dan deze is die, waarbij hij altijd in de herinnering zal voortleven: “De Rechtvaardige”.
Cimon.Cimon.
Cimon.
Toen Aristides het opperbevel over de vloot neerlegde, kwam het in handen van iemand naar zijn eigen hart, Cimon, den zoon van Miltiades. Het gerucht liep in Griekenland, dat de Perzen schepen en manschappen in grooten getale bijeen brachten bij de monding van den Eurymedon in Pamphylië. Dit deed vermoeden, dat zij van plan waren een nieuwen inval in Griekenland te doen. Cimon zeilde recht op Pamphylië af en zag, dat de Perzische vloot zich bij de monding van de rivier ophield. Zij verwachtten nog tachtig schepen meer, en waren er volstrekt niet op gesteld te vechten, voordat die schepen waren aangekomen. Ongelukkig voor hen vroeg Cimon niet, wat zij liever wilden, maar viel hij hen onmiddellijk aan. De manschappen vluchtten uit de schepen, en ijlden aan land. Daar lag het kamp van het Perzische leger; maar Cimon en zijn manschappen stormden daar op los als een wervelstorm. Na een tijd van heftigen strijd behaalden de Grieken de overwinning. Zij hadden tweehonderd schepen bemachtigd en hadden nu de overhand zoowel te land als ter zee. De meeste mannen zouden zich tevreden hebben gesteld met twee overwinningen op één dag, maar Cimon was niet van plan naar huis terug te keeren, zoolang hij de overige tachtig schepen niet had ontmoet.Hij trok weg, vond ze, viel ze aan en had spoedig zijn derde overwinning behaald. De Perzen hadden bij hun vlucht een onmetelijk bedrag aan schatten achtergelaten. De Grieken pakten die in hun schepen, en keerden naar huis terug. “Ik houd er van, mijn vaderland te verrijken ten koste van zijn vijanden,”zeide Cimon eens, en Athene werd inderdaad met al die schatten verrijkt.
De “Schildpad”.De “Schildpad”.(Een middel, om een muur te beklimmen).
De “Schildpad”.
(Een middel, om een muur te beklimmen).
Athene werd dan voortdurend krachtiger, gedeeltelijk ook ten gevolge van den Bond van Delos. Deze nam dagelijks in kracht toe, immers zoodra een stad bevrijd was, werd zij lid van den Bond. Toen de Bond was gesticht, was afgesproken, dat de kleinere staten hun aandeel in geld, de grootere in schepen zouden betalen. Langzamerhand vonden ook vele der grootere steden het gemakkelijker hun aandeel in geld te betalen. De stad Athene had daar niet het minste bezwaar tegen. Zij nam het geld, bouwde de schepen en voegde die bij haar vloot. Eindelijk werd de schatkist van Delos naar Athene overgebracht, onder voorwendsel, dat deze te Delos niet veilig was voor de barbaren. Het duurde eenigen tijd, voordat de overige leden tot de overtuiging kwamen, dat zij in weerwil van de bescherming van Athene hoe langer hoe armer en zwakker werden, terwijl Athene voortdurend rijker en machtiger werd. De ééne staat vóór, de andere na, trachtte den Bond te verlaten, maar Athene wilde dit niet toestaan, en verplichtte hen, een nog grootere schatting te betalen. Zoo kwam het, dat de Bond, die oorspronkelijk een vereeniging van Staten geweest was, een machtig rijk was geworden met Athene tot despotischen heerscher.
Natuurlijk behaagde dit Sparta niet, en gaarne zou die staat een leger hebben willen zenden tegen zijn Attischen buurman.Doch in plaats daarvan moest zij afgezanten zenden en onderdanig vragen: “Ach, Athene, wilt gij ons niet komen helpen?” Sparta was dan ook in groote zorg en verlegenheid. In de eerste plaats was de stad zóózeer geteisterd door aardbevingen, datslechtsvijf huizen in de stad waren blijven staan, en duizenden der inwoners gedood waren. Dit was een uitnemende gelegenheid voor de Heloten om op te staan, en zij vielen dan ook Sparta aan. Zij werden wel is waar teruggeslagen, maar nu stonden de Messeniërs op, en deze werden niet zoo gemakkelijk onderdrukt. Zij sloten zich op te Ithome in Messenië, in welke plaats hun voorvaderen eens opgestaan waren tegen hun Spartaansche meesters. De Spartanen waren niet op de hoogte van de kunst van belegeren, evenmin als de overige steden op den Peloponnesus, terwijl daarentegen de Atheners daarin groote oefening bezaten; daarom besloot Sparta Athene te hulp te roepen. De Atheners hadden den tijd niet vergeten, toen zij Sparta om hulp hadden gevraagd en die stad hun zoo weinig deelneming had betoond in hun moeilijkheden. “Laat ons weigeren,”zeide de ééne partij in Athene. De andere partij echter verdedigde met kracht de tegenovergestelde meening: “Neen, laat ons zorgen, dat Griekenland niet verlamd worde en Athene beroofd worde van haar lotgenoot.”Cimon was de aanvoerder van de laatste partij. Het kwam hem in het belang der Grieksche staten veel verstandiger voor, Perzië te bestrijden dan met elkander te twisten. De Atheners waren trotsch op Cimon, zoodat het hem niet veel moeite kostte hen te overreden, hem naar Messenië te zenden, ten einde de Spartanen te hulp te komen. Doch toen de Spartanen de strijdmacht van vierduizend man zagen met den grootsten Atheenschen veldheer aan hun hoofd, begonnen zij de zaak te wantrouwen, en meenden zij, dat er de ééne of andere list achter zat. Ithome viel niet onmiddellijk, zooals zij hadden verwacht, en toen kregen zij de overtuiging, dat Cimon met de Messeniërs had samengezworen, om Spartate overweldigen. Kortaf deelden zij hem mede, dat zij hem en zijn troepen niet noodig hadden en dat hij naar huis kon terugkeeren, hoewel zij de troepen der overige steden vroegen te blijven en hen te helpen. De Atheners waren over zulk een beleediging ten hoogste verontwaardigd. Zij gevoelden de behoefte, iemand, wien ook, de schuld te geven, en hun woede koelde zich op den populairen aanvoerder. “Hij bewonderde altijd de Spartanen,”zeide de één. “Eén van zijn kinderen noemde hij Lacedaemonius,”zeide een ander. “En als er één der bondgenooten iets deed, dat hem mishaagde, zeide hij altijd, dat de Spartanen zoo niet zouden gedaan hebben,”voegde een derde er aan toe. Ten slotte werd Cimon door het schervengericht verbannen, zooals dit ook met Aristides en Themistocles het geval was geweest. Sparta bracht eindelijk de Messeniërs ten onder en verjoeg hen uit den Peloponnesus, doch Athene schikte het zóó, dat zij te Naupactus konden wonen. Het was voor de Atheners geschikt, een bevriende volkplanting aan de noordelijke zijde van de Golf van Corinthe te hebben; maar de zaak droeg er niet toe bij, Sparta welwillend jegens Athene te maken.
Pericles.Pericles.
Pericles.
Velen onder de Atheners waren tot de gevolgtrekking gekomen, dat het volstrekt geen nut had, te trachten op vriendschappelijken voet te staan met Sparta, dat op den één of anderen dag tusschen beide staten een oorlog zou uitbreken, en dat het voor Athene het verstandigst zou zijn, zich zoo sterk mogelijk te maken. Het hoofd van die partij heette Pericles. Hij werd nu de meest populaire man van Athene, en de Atheners waren bereid alles te doen wat hij aanraadde. Zij sloten een verbond met Argos en vervolgens met Megara, totdat hun invloed zich uitstrekte tot voor de poorten van Sparta. De bewoners van den Peloponnesus zagen dit metleede oogen aan, maar het liet de Atheners absoluut koud, hoe de Spartanen er over dachten. Zij hielden vol met het sluiten van verbonden en het winnen van veldslagen, zoodra het tot veldslagen kwam, totdat de invloed van Athene zich uitstrekte van de Thermopylae tot den Isthmus; en als hoofd van den Bond van Delos, of juister gezegd van het Rijk van Delos, strekte haar macht zich ook uit over de steden en eilanden der Aegeïsche zee. Athene was oppermachtig te land en evenzoo ter zee. Zij had een stad, met een stevigen muur omringd, en had een uitnemend beschermde haven. Er was nog slechts één ding te doen over, en dat was het maken van een veiligen weg, om van de stad naar de haven te gaan. Daartoe werden twee reusachtige muren gebouwd tusschen de stad en de zee, die niet alleen de haven van den Piraeus maar ook de oude haven van Phalerum omsloot. Na verloop van tijd werd nog een derde muur gebouwd tusschen Athene en den Piraeus. Dit waren geen gewone muren, immers zij waren zestig voet hoog en zóó breed, dat twee wagens gemakkelijk daarover naast elkander konden rijden. Zoolang Athene die muren bezat, kon zij nooit van de zee worden afgesloten. Haar schepen konden haar van voedsel voorzien, en het scheen, alsof nu eindelijk een stad gemaakt was, zóó sterk, dat zij onmogelijk kon worden ingenomen.
Athene, weer hersteld.Athene, weer hersteld.(In de verte ziet men de Acropolis, en daarachter bergen in Argolis. Op den voorgrond ziet men de stadsmuren en een brug over den Ilyssus).
Athene, weer hersteld.
(In de verte ziet men de Acropolis, en daarachter bergen in Argolis. Op den voorgrond ziet men de stadsmuren en een brug over den Ilyssus).
De macht van Athene was nu op het toppunt, doch spoedig geraakte zij in moeilijkheden. Bijna op hetzelfde oogenblik kwamen verscheidene staten, die aan haar onderworpen waren, in opstand, en een Spartaansch leger waagde zich in Attica, en begon te moorden, te branden en te vernielen. Het was gelukkig voor Athene, dat de stad een zoo verstandigen leider had als Pericles. Hij begreep, dat, hoe machtig Athene ook was, die opstanden niet konden worden onderdrukt en te gelijker tijd tegen Sparta kon worden oorlog gevoerd. Hij sloot met Sparta een vrede, die dertig jaren moest duren, welkevrede naar hem de Vrede van Pericles werd genoemd, maar ten einde de Spartanen er toe te brengen, daarin toe te stemmen, moest Athene van haar kant er in toestemmen, alles op te offeren, wat zij in den Peloponnesus had gewonnen. Zoo kwam er een einde aan de mogelijkheid, dat Athene ooit te eeniger tijd geheel Griekenland in haar macht zou hebben. Al was haar vloot ook nog zoo sterk, het was duidelijk, dat zij nooit over de Grieken van het moederland dezelfde macht zou kunnen uitoefenen als die, welke zij uitoefende over die in de Aegeïsche Zee.
Jachtlaarzen.Jachtlaarzen.
Jachtlaarzen.