Hoofdstuk XIII.

Hoofdstuk XIII.De eeuw van Pericles.Pop van aardewerk, op de Acropolis te Athene gevonden.Pop van aardewerk, op de Acropolis te Athene gevonden.Pericles hoopte nog steeds, dat de tijd zou aanbreken, waarop Griekenland door Athene zoude worden geregeerd, hoewel hij overtuigd was, dat de naijver van Sparta te eeniger tijd tot een oorlog zou leiden. Intusschen zou er gedurende een reeks van jaren vrede tusschen de beide staten zijn; van dien tijd maakte hij gebruik, om zijn stad schoon en machtig te maken. Het staatsbestuur was hoe langer hoe meer in handen van het volk gekomen, totdat er geen enkel ambt meer was, waartoe zelfs de armste man niet kon worden verkozen. Ten einde er voor te zorgen, dat iedereen in staat zou zijn, zijn werk in den steek te laten, om den staat te dienen, wist Pericles gedaan te krijgen, dat zij, die de verschillende ambten bekleedden, daarvoor zouden worden bezoldigd, en evenzoo zij, die in het leger of op de vloot of als rechters dienst deden. Er waren verscheidene duizenden van die rechters, en zelfs de ernstigste misdaden werden bijna zonder uitzondering door hen berecht. Somtijds zaten honderden juryleden in één enkele zaak. Zoo kwam het, dat duizenden Atheners in de ééne of andere betrekking geld van den staat ontvingen. De algemeene vergadering keurde al die veranderingen goed; men zag immers duidelijk in, dat Pericles niet werkte voor zijn eigen roem, maar voor dien van zijn stad; en hij was zóó redelijk, en kon zijn redenen zóó duidelijk blootleggen, dat het volk alles wat hij voorstelde goedkeurde. Hij had meer macht, dan ooit een koning had bezeten; maar dit was niet, omdat het volk bevreesd voor hem was, maar omdat hij zoo bekwaam in den oorlog, zoo verstandig in vredestijd was, enbovenal zoo volkomen onzelfzuchtig. Natuurlijk had hij ook vijanden, maar het meerendeel der Atheners zag tegen hem op als tegen den idealen Griekschen burger.De Acropolis.De Acropolis.Het Parthenon, gerestaureerd.Het Parthenon, gerestaureerd.Pericles was niet alleen een uitnemend soldaat en staatsman, maar hij had alles lief, wat schoon was. Al de Grieken trouwens hadden de schoonheid lief; zij hadden die lief, zooals men versche lucht en zonneschijn lief heeft. Het bracht hen uit hun humeur, leelijke dingen om zich heen te hebben; zij voelden zich dan onbehagelijk en somber. Reeds langen tijd vóór dezen hadden zij prachtige gebouwen en standbeelden, want reeds jaren lang waren er groote kunstenaars in Griekenland geweest; maar Pericles maakte het plan, de Acropolis met een groep tempels te overdekken, die de meesterstukken der Grieksche bouwkunst zouden zijn. De schoonste en edelste van deze was zeker wel het Parthenon, een prachtig gebouw van het zuiverste marmer, welke tempel aan Athene gewijd was. Hij had marmeren zuilen rondom, immers de Grieken konden zich geen grooten tempel voorstellen zonder zuilen. Er waren drie soorten van zuilen, waaruit kon worden gekozen, ten eerste de Corinthische zuil, die er uitziet, alsof het bovenste deel van de zuil omgeven is van een aantal marmeren bladeren, die op de meest sierlijke wijze zijn gebeeldhouwd; men verhaalt, dat dit denkunstenaar was ingegeven door een mand, die door iemand in een hoop bladeren van berenklauw geworpen waren. De tweede soort was de Jonische, waarvan de top of het kapiteel in twee rollen was gebeeldhouwd, die eenigszins op slakkenhuisjes geleken. En ten derde was er de Dorische zuil, die een stevig, eenvoudig kapiteel heeft. De Dorische zuil ziet er altijd stevig en eenvoudig uit; en het was deze, die door Pericles voor het Parthenon werd gekozen. Binnen in het gebouw was een standbeeld van Athene, negenendertig voet hoog. Dit was van ivoor vervaardigd, de draperie was van goud, en de pupillen der oogen waren waarschijnlijk van juweelen vervaardigd. In de ééne hand droeg zij een beeld der Overwinning, in de andere hand een speer en een schild. Om Athene heen kronkelde zich een slang, die het zinnebeeld was der wijsheid. Binnen de zuilenrij was een Fries, of een gebeeldhouwde band, die om het gebouw heenliep. Deze stelde den beroemden optocht voor, die eens in de vier jaren werd gehouden, en naar den tempel der godin trok, om een kostbaar kleed voor haar beeld aan te bieden. Er werden aan den tempel ook kleuren gevonden, blauw, rood en geel, en ook goud; maar de tinten waren uiterst fijn en met volmaakte bedrevenheid aangebracht. Die tempel was ongeveer vierentwintig eeuwen geleden gebouwd. Honderden prachtige bouwwerken zijn sedert dien tijd opgericht, maar zelfs in de puinhoopenvan het Parthenon ontdekken kunstenaars nog voortdurend nieuwe schoonheden. Zij vinden bij voorbeeld, dat in een aantal onderdeden, waar latere bouwmeesters rechte lijnen hebben gebruikt, het Parthenon kromme lijnen heeft. Zij vinden, dat, indien de zuilen iets dikker of iets hooger geweest waren, zij niet een zoo volmaakten indruk zouden gemaakt hebben. Zij vinden, dat de uiterste zuilen niet volkomen verticaal staan, maar iets naar binnen overhellen. Niemand kon dit zonder de meest nauwkeurige metingen ontdekken; maar die helling, hoe gering die ook was, droeg er toe bij, dat de tempel zóó sierlijk en harmonieus en tevens zóó stevig was, dat hij, toen hij voltooid was, den indruk maakte, dat hij het eenige gebouw was dat daar paste.Gedeelte van het Fries van het Parthenon.Gedeelte van het Fries van het Parthenon.In het midden ziet men de goden Poseidon en Apollo, en de godin Demeter.Erechtheum, gerestaureerd.Erechtheum, gerestaureerd.Een CaryatideEen Caryatide(uit het Erechtheum).De overige gebouwen op de Acropolis waren volkomen waardig, om naast het Parthenon te staan. Men had daar het Erechtheum, gewijd aan Athene en Poseidon, en binnen zijn gebied waren de heilige olijfboom en de zoutbron nog te zien. Er waren daar breede marmeren trappen, die naar de Acropolis leidden; er waren daar gaanderijen en zuilengangen; en er waren daar voorhoven, waarvan de zolderingen gedragen werden door sierlijke Caryatiden. In de buitenlucht, onder den helderen blauwen hemel, stond een ander standbeeld van Athene, dat zelfs grooter was dan het beeld op het Parthenon. Dit was vervaardigd van het Perzische brons, dat bij Marathon veroverd was.De Discuswerper.De Discuswerper.(Naar het beeld door Myron vervaardigd.)Het Theater van Dionysus, gerestaureerd.Het Theater van Dionysus, gerestaureerd.De kunstenaar, aan wien de glorie van de Acropolis tedanken is, was Phidias. Reeds vóór hem hadden kunstenaars uitnemend gelijkende standbeelden van tijdgenooten vervaardigd, Myron, onder anderen, had een discuswerper zóó getrouw naar het leven vervaardigd, dat men als het ware zich er over verbaast, dat de discus niet uit zijn hand vliegt; maar de kunstenaars hadden tot nu toe gemeend, dat de beelden van goden niet al te zeer mochten afwijken van de stijve, vormelijke figuren, waaronder zij in vroegere tijden waren voorgesteld. Phidias brak met die opvatting. Hij beeldde zijn goden uit als menschelijke wezens, maar grootscher en met meer majesteit dan de stervelingen. Eén van zijn meest beroemde werken was de Zeus van Olympia, een zóó prachtig beeld, dat de Grieken, als iemand stierf, die nooit te Olympia geweest was, plachten te zeggen: “Die man was inderdaad ongelukkig, immers hij is gestorven, zonder den Olympischen Zeus te hebben gezien.”Phidias was er zóó op gesteld, het beste voort te brengen wat denkbaar was, dat hij als men zijn werk kwam bezichtigen, zich zóó plaatste, dat men hem niet kon zien, ten einde ieder woord te hooren, dat zelfs de meest gewone sterveling bij wijze van critiek uitsprak. Zoo dikwijls hij meende, dat iemand een fout had ontdekt, hoe gering die ook was, rustte hij niet, voordat hij die had verbeterd.Aeschylus.Aeschylus.(In het kapitool te Rome.)Pericles liet eveneens het Odeon bouwen, een overdekte zaal, waar muziekwedstrijden werden gehouden, en hij verbeterde den schouwburg van Dionysus. In Griekenland was een schouwburg geen overdekt gebouw. Hij bestond uit rijen achter elkander van steenen zetels, die langs de helling van een heuvel opliepen en die een kring vormden om een vlakke ruimte, waar de tooneelstukken werden opgevoerd. Een schouwburg was meestal groot genoeg, om de geheele bevolking der stad op te nemen, waarin hij was opgericht. Sommige der tooneelspelen bevatten verhalen omtrent het leven der goden of edele daden van de oude Grieken. Deze werden tragedies genaamd. Zij waren meestal waardig, ernstig en droevig, maar zij bevatten dikwijls teedere en prachtige verzen. Het volk kwam van die schouwspelen terug met het ernstige voornemen de goden nog meer dan te voren te eeren, of dapper en vaderlandslievend te zijn als hun voorouders. Blijspelen werden eveneens opgevoerd. Deze waren dikwijls vol grappige toespelingen op de menschen en gebeurtenissen van den dag. De opvoering van treurspelen was een zóó goede leerschool voor godsdienst, geschiedenis en vaderlandsliefde, en de blijspelen hadden een zóó groote waarde, om de menschen te doen nadenken omtrent hetgeen in hun omgeving voorviel, dat Pericles wenschte, dat zelfs de armste burgers die konden bijwonen.Daarom bepaalde hij, dat de toegangsprijs door den staat moest worden betaald.Sophocles.Sophocles.(In het Lateraansch Museum te Rome.)Aristophanes.Aristophanes.Slechts tweemaal in het jaar werden tooneelspelen opgevoerd; maar bij ieder feest werden er genoeg opgevoerd, om de zes maanden van stilstand goed te maken. Aan drie dichters werd toegestaan, ieder vier tooneelspelen aan te bieden. Nadat de tooneelspelen opgevoerd waren, werd door een commissie, door de Demen gekozen, bij stemming uitgemaakt, aan welken dichter de officieele prijs moest worden toegekend. Dertien maal werd deze toegekend aan een man, die zoowel krijgsman als schrijver was, en die dapper gestreden had bij Marathon, Salamis en Plataea. Dit was de dichter Aeschylus. Zijn treurspelen waren bijzonder schoon, maar zóó ernstig en zwaar, dat het volk na enkele jaren er als het ware genoeg van kreeg en den prijs toekende aan een schoonen, jeugdigen dichter, Sophocles genaamd, omdat zijn hoofdpersonen niet zoo ernstig en vormelijk waren, en meer op werkelijke personen geleken. Hij kon niet alleen tooneelspelen schrijven, maar ze ook voordragen, en die gave kwam hem op hoogen ouderdom uitnemend te stade. Eén van zijn zoons werd bevreesd, dat zijn vader zijn bezittingen zou wegschenken aan een boven de anderen geliefden kleinzoon. De groote tooneelschrijver werd voor het gerecht gedaagd, opdat de rechters uit eigen overtuiging konden nagaan, of zijn geest zoozeer was verzwakt, dat hij zich geen rekenschap van zijn daden kon geven. In plaats van eenig antwoord te geven, droeg Sophocles een gedeelte voor uit éénvan zijn tooneelspelen; en hij deed dit op zóó voortreffelijke wijze, dat er niemand was, die een oogenblik kon denken, dat zijn geestvermogens verzwakt waren. De rechters wezen den inhaligen zoon terecht en zonden hem toen weg. De derde groote treurspeldichter was Euripides. Men verhaalt, dat hij zijn naam ontleende aan den veldslag bij den Euripus, die kort vóór zijn geboorte geleverd werd. Het schijnt, dat hij zelfs nog meer kennis had van het menschelijke karakter dan Sophocles, en hij had de natuur lief. Het was voor hem een groot genot te schrijven over den oceaan, de rivieren, wolken, rotsen, wijngaarden en vogels. De grootste blijspeldichter was Aristophanes, die iets later leefde dan die drie treurspeldichters. Hij hield er van, den spot te drijven met zijn medeburgers, en zijn spot was zóó snijdend en geestig, dat de Atheners zich er tegen wil en dank mede vermaakten. In één van zijn blijspelen,De vogels, vluchten twee Atheners, die genoeg hebben van de vele processen in hun stad, van de menschen weg naar de vogels, en halen die over, een stad in de wolken te bouwen. Dit was een dankbaar onderwerp voor de Atheners, want niets scheen voor hen een zóó heerlijke uitspanning te zijn dan naar het gerecht te gaan en de behandeling van processen bij te wonen. Zij moeten hartelijk gelachen hebben, als één der spelers zeide:“Want sprinkhanen zitten slechts één maand lang,Te tjilpen op een tak; maar de AthenerZit tjilpend en in twistgesprek het gansche jaar,En staart zich suf op wetsverklaring of bewijs.”Herodotus en Thucydides.Herodotus en Thucydides.Naar een dubbel borstbeeld in het museum te Napels.De “Stad in de wolken” was een geestigheid ten kosteder Atheners, immers nog slechts twee jaren te voren hadden zij een veldtocht ondernomen, die totaal mislukt was.Oude helmen.Oude helmen.Er waren eveneens twee uitnemende oude geschiedschrijvers, die in de dagen van Pericles leefden, Herodotus en Thucydides. Aan Herodotus kunnen wij het voornaamste ontleenen van wat wij omtrent de Perzische oorlogen weten. De wereld was in die dagen, toen de beschaafde mannen slechts weinig daarvan gezien hadden, een niet zeer uitgestrekt gebied, en Herodotus had over het grootste gedeelte der toen bekende wereld rondgezworven. Waar hij ook heenging, zette hij zijn oogen wijd open en stelde hij met de grootste hardnekkigheid vragen. Daarna schreef hij op, wat hij gezien en gehoord had. Hij schrijft, alsof hij een verhaal vertelt. Als hij bij voorbeeld den tocht van Xerxes over den Hellespont beschrijft, breekt hij zijn verhaal af, om mede te deelen, wat voor soort mutsen of helmen de verschillende volken hadden, en wat voor soort van wapenen zij droegen, al die kleine bijzonderheden, die er toe medewerken een boek belangwekkend en boeiend te maken. Hij blijft bij ieder punt stilstaan, alsof hij er behagen in schept, dit in bijzonderheden te verhalen, en alsof hij zeker is, dat ook zijn lezers het gaarne hooren.Vaas, Kruik en Beker.Vaas, Kruik en Beker.De overlevering—die zoo aardig is, dat men zou wenschen dat zij juist was—zegt, dat hij zijn geschiedenis bij de Olympischespelen voorlas, en dat onder zijn toehoorders een knaap was van vijftien jaar oud,Thucydidesgenaamd; toen nu die knaap de herhaalde toejuichingen en kreten van bewondering hoorde, zou hij tranen in de oogen hebben gekregen en tot zich zelf gezegd hebben: “Ook ik wil geschiedschrijver worden.”Thucydides werd een geschiedschrijver, niet minder beroemd dan Herodotus. Hij maakt bij zijn lezers niet den indruk alsof hij in het vertellen van een verhaal evenveel genot smaakt als Herodotus; maar hij is zóó helder en onpartijdig, en ziet zóó juist de redenen voor de gebeurtenissen die hij verhaalt, en legt ze zóó duidelijk en boeiend bloot, dat een aantal schrijvers van lateren tijd zijn werken herhaaldelijk hebben overgelezen, om te trachten, daaruit te leeren, op dezelfde wijze als hij, geschiedenis te schrijven.Bronzen lamp in den vorm van een boot.Bronzen lamp in den vorm van een boot.(In 1862 gevonden op de Acropolis te Athene).Een Grieksch huis.Een Grieksch huis.Zoo heerschte er dan groote voorspoed te Athene in de dagen van Pericles. De Atheners hadden slaven, die het zware werk deden, en die hun meesters den tijd lieten te genieten van poëzie en kunst en van hun schoone stad. Er was slechts weinig armoede, immers om al die prachtige nieuwe gebouwen op te richten, moesten er werklieden zijn, die hout, steen, koper, goud, en ivoor konden bewerken, en die wisten, hoe zij kleurstoffen konden gebruiken. Er was overvloedig werk tegen een goed loon voor de gewone handwerkslieden, en er was altijd behoefte aan schilders, beeldhouwers en alle soorten van kunstenaars. Daarenboven waren de Atheners volkomen op de hoogte van het vervaardigen van aardewerk en lampen, en van koperwerk van allerlei soort. Kapiteins en zeelieden waren noodig voor de schepen, die de vervaardigde voorwerpen naar vreemde landen brachten en scheepsladingen wijn, glas, huiden,zoutevisch, specerijen, papyrus, tapijten, goud en slaven terugbrachten. Athene ontving ieder jaar belangrijke geldsommen van de leden van den Bond van Delos. De andere staten verklaarden, dat het niet eerlijk was, dat Athene dat geld voor eigen doeleinden gebruikte, en sommigen onder de Atheners waren van dezelfde meening; zij zeiden, dat Pericles schande over de stad had gebracht, door bezit te nemen van den schat van Delos. Pericles en zijn partij antwoordden, dat de overige leden van den Bond het geld hadden gegeven ten einde tegen de Perzen en de zeeroovers beveiligd te zijn, en dat, nu toch Athene hen beschermde, het alleszins billijk was, dat zij het geld voor zich besteedde en de stad versierde met gebouwen enstandbeelden, die een eeuwige glorie voor den staat zouden zijn. De tegenstanders van Pericles antwoordden, dat er nu weinig gevaar was voor zeeroovers of voor Perzen; maar geen geld werd teruggegeven, en de bondgenooten werden steeds nog als onderworpenen behandeld. De Atheners hadden hun stad lief en waren er zóó trotsch op, dat zij de mooiste stad in Griekenland was, dat misschien zelfs zij, die met Pericles in meening verschilden, zich niet zóó tegen hem verzetten, als anders het geval zou geweest zijn.Stoel, rustbank en voetbankje.Stoel, rustbank en voetbankje.Glazen drinkbeker bedekt met open bewerkt zilver uit Georgia, en zilver vergulde beker uit Ithaca.Glazen drinkbeker bedekt met open bewerkt zilver uit Georgia, en zilver vergulde beker uit Ithaca.Hoezeer ook de Atheners hielden van prachtige tempels, zij stelden zich tevreden, te wonen in eenvoudige huizen met ruwe, onversierde zolderingen. Zij brachten zóóveel tijd buiten ’s huis door, dat een huis voor hen niets anders was dan een veilige plek voor hun gezin en hun bezittingen, en een schuilplaats tegen den storm. De zijde van het huis, die tegenover de straat gelegen was, had op de tweede verdieping eenige vensters, maar op de eerste verdieping was er niets dan een kleine deur. Hier klopte men aan, als men wilde binnenkomen, en evenzeer werd geklopt, als men op het punt stond uit te gaan, daar de deuren naar buitenopengingen en zóó zwaar waren, dat een voorbijganger gemakkelijk door een dergelijke deur kon worden gewond. Een slaaf zat in den nauwen voorhof, om op het eerste geklop open te doen. Aan het andere uiteinde was een binnenplaats met een rij pilaren er om heen. De kamers van het huis kwamen uit op die binnenplaats. Zij waren meestal niet ruim, en bevatten geen kostbaar huisraad. De stoelen en rustbanken en de voetbankjes waren alle goed gevormd en bijzonder schoon, maar niet kostbaar. De bedden waren wollen matrassen, uitgespreid op riemen of leeren reepen. Er waren verschillende soorten van kommen, kruiken en bekers, maar alle hadden sierlijke vormen, die het oog bekoorden; en vooral de lampen waren bijzonder sierlijk en smaakvol.Sandalen.Sandalen.Een Athener.Een Athener.Een vrouw, die haar bovenkleed met een gordel vastmaakt.Een vrouw, die haar bovenkleed met een gordel vastmaakt.De kleeren der Grieken waren al even eenvoudig als de huizen. De Griek van goeden huize droeg een lang hemd zonder mouwen, of chiton, van wol of linnen vervaardigd, en daarover heen was een bijna vierkante mantel geslagen. De mantel was meestal wit, maar somtijds werden ook kleuren gedragen. De mantel moest volkomen naar den eisch gedrapeerd zijn, want als iemand zijn mantel bij ongeluk van rechts naar links had omgehangen in plaats van omgekeerd, kon hij er zeker van zijn, dat hij werd uitgelachen. De Grieken hadden geen hoeden of mutsennoodig, behalve als het regende, of, als zij genoodzaakt waren op reis te gaan in de gloeiende zon. De Griek van goeden huize droeg sandalen, of, als hij dit verkoos, liep hij barrevoets, maar hij mocht vooral zijn wandelstok en zijn zegelring niet vergeten. De Atheensche dames droegen een chiton met mouwen, en daarover een lang, los gewaad, dichtgemaakt met een gordel. Zij hadden niet alleen ringen aan haar vingers, maar dikwijls in haar ooren en om haar enkels. Kleine meisjes droegen lange kleeren, maar kleine jongens werden niet veel met eenigerlei kleeren lastig gevallen, tenzij het bijzonder koud was.Jongen met kar en hond.Jongen met kar en hond.(Naar een Atheensche beschilderde vaas.)Handschrift van een Griekschen jongen. gevonden op de muren van een Grieksch huis.Handschrift van een Griekschen jongen. gevonden op de muren van een Grieksch huis.Als voedsel hadden de Grieken rundvleesch, lamsvleesch, varkensvleesch, ganzen, eenden en visch. Zij hielden bijzonder veel van lijsters, en waren steeds verontwaardigd op de vogelhandelaars, die lucht bliezen in de lichamen der vogels, om ze vetter te doen lijken. Er waren verschillende soorten van groenten en vruchten. Er was geen suiker, maar in plaats van suiker werd honig gebruikt, die zóó goed voldeed, dat de Atheensche koks beroemd waren om hun gebak. Er werd veel wijn gedronken, maar evenals in de dagen van Homerus achtten de Grieken uit den tijd van Pericles het gulzig en onbeschaafd, wijn, niet met water vermengd, te drinken.Les in muziek en taal in een Grieksche school.Les in muziek en taal in een Grieksche school.(Naar een beschilderden beker. De schoolmeester zit rechts.)Huisindustrie.Huisindustrie.In de harten der Grieken, hoe druk zij het ook hadden, waseen ruime plaats voor de kinderen; en werd dan ook goed voor hun lichamelijke en geestelijke opvoeding gezorgd. Zij hadden evenzeer als de jongens en meisjes uit onze dagen ruim tijd voor spelen, en zij speelden ook veel, en dezelfde spelen als in onzen tijd. De meisjes hadden poppen, van was of van klei vervaardigd, en de jongens hadden tollen, ijzeren hoepels, hobbelpaarden, wagens en vliegers. Er waren ook stelten, schommels en wipplanken. Zij kenden verschillende balspelen, en blindemans- en krijgertje-spelen. Totdat de kinderen omstreeks zeven jaar oud waren, speelden de jongens en meisjes samen en werden zij bijna op dezelfde wijze behandeld; maar na dien tijd veranderde de toestand, daar de jongens de school moesten bezoeken. Terwijl dan het meisje thuis bleef en van haar moeder leerde lezen en schrijven en de huishouding besturen, werd de jongen toevertrouwd aan de zorg van een slaaf, die hem naar school bracht, hem weer naar huis geleidde, zijn schrijfgereedschappen droeg, en oplette, dat hij zich opstraat behoorlijk gedroeg en geen ongelukken kreeg. De jongen leerde het alphabet en leerde daarna lezen. Geen slordig lezen werd geduld. Ieder woord moest duidelijk en juist worden uitgesproken, en iedere gedachte moest behoorlijk geuit worden, voordat de meester tevreden was. De jongen leerde schrijven op een schrijftafeltje, met was bedekt. Hij teekende de letters met een kort, gepunt werktuig, van been of metaal, stylus genoemd; daarna werd de was weer gladgestreken en weer voor hem gereed gemaakt, om een ander opschrift te maken. Nadat hij had leeren schrijven, moest hij alles opschrijven, wat de meester voorlas. Die dictees waren geen eenvoudige kinderverhaaltjes; het was een uittreksel uit de Ilias en de Odyssee, sommige spreuken van Hesiodus, of het een of ander sierlijk Grieksch gedicht van Pindarus of Simonides. De jongen behoefde niet snel te schrijven, maar wel duidelijk en nauwkeurig, want den volgenden dag werd hij voor de klasse geroepen en moest hij voorlezen, wat hij had geschreven. Hij kreeg tevens onderwijs in rekenen, zingen, het bespelen der lier, en somtijds ook in teekenen. Hij leerde dansen, hardloopen, springen, worstelen, de jachtspies en den discus werpen. Het was niet waarschijnlijk, dat velen der jongens ooit een prijs zouden behalen bij de Olympische spelen, maar van iedereen werd geëischt, dat hij zijn lichaam krachtig maakte en leerde zijn spieren te gebruiken en te oefenen. Al was een jongen niet in staat een prijs bij het hardloopen te winnen, toch kon hij leeren, zich behoorlijk te bewegen, en zóó sierlijk en gemakkelijk te draven, dat het een genot was naar hem te zien. Dit was het onderwijs voor jonge knapen, waarvan de Grieken uit den schoonstentijd hunner geschiedenis meenden, dat het hen zou vormen tot flinke, degelijke en brave mannen en tot goede staatsburgers. Als de knaap achttien of negentien jaar oud was, werd hij burger. Zijn naam werd geboekt als lid van een demos. Een zwaard en een schild werden hem gegeven, en hij werd opgeroepen, om een plechtigen eed af te leggen, dat hij den godsdienst zou eeren, dat hij zou strijden voor zijn vaderland, en dat hij ernaar zou streven, het beter achter te laten dan hij het had gevonden.De kop van een Griekschen jongeling, van voren en van ter zijde gezien.De kop van een Griekschen jongeling, van voren en van ter zijde gezien.De tijd van Pericles, of dat gedeelte van dien tijd, waarop Griekenland op het toppunt was van zijn roem, wordt gerekend geduurd te hebben van 445 vóór Christus tot aan 431 voor Christus, omdat, niettegenstaande bepaald was, dat het verdrag dertig jaar zou duren, het reeds na vijftien jaar verbroken werd. Gedurende die vijftien jaren was er vrede in het land der Grieken, in Perzië, Spanje, Italië, Gallië, in één woord in alle landen, die toen bekend waren. De eenige uitzondering was de opstand van twee leden van den Bond van Delos, Byzantium en Samos; maar het gelukte Pericles, die opstanden volkomen te onderdrukken. Die vijftien jaren waren de meest verheffende in de geschiedenis van Athene. De stad was rijk en krachtig, schoon en gelukkig, en toch duurde het slechts enkele jaren, of de Atheners waren zóó ongelukkig en deerniswaardig geworden, dat zij er ter nauwer nood aan ontkwamen, als slaven te worden verkocht.Hanengevecht.Hanengevecht.Hoofdstuk XIV.De strijd tusschen Athene en Sparta, of de Peloponnesische oorlog.Terwijl Athene rijk was geworden en in kracht en schoonheid was toegenomen, had Sparta haar oude, eenvoudige en ruwe levenswijze volgehouden. Er waren daar geen luisterrijke gebouwen, geen standbeelden, geen prachtig snijwerk, geen kunstig borduurwerk. De overweging, dat een volk, dat belangstelde in zulke dwaze dingen, aanspraak zou maken op de leiding of hegemonie van Griekenland, wekte hoe langer hoe meer de verachting en den haat van hun mededingers op. Zij waren overeengekomen, den vrede gedurende dertig jaren te handhaven, maar zij hadden er geen spijt van, dat een daad der Atheners hun een voorwendsel bood, dien vrede te verbreken.De strijd begon niet in Athene of in Sparta zelf, maar op grooten afstand, in de Jonische Zee in de nabijheid van het eiland Corcyra. Er waren moeilijkheden ontstaan tusschen Corcyra en de moederstad, Corinthe, en in een zeeslag had het eiland de overwinning behaald. Toen de bewoners van Corcyra zagen, hoeveel schepen Corinthe bouwde, werden zij beangst en vroegen, zich aan het Atheensche Verbond te mogen aansluiten. Het was een moeilijk punt voorde Atheners, te beslissen, welk antwoord zij zouden geven. De bewoners van Corcyra zeiden, dat de Vrede van Pericles iedere stad, die niet reeds tot een bond behoorde, toestond, zich bij de Atheners of de Peloponnesiërs te voegen. “Maar,”zoo weerlegden dit de Corinthiërs, “niet met de uitdrukkelijke bedoeling, een lid van den anderen bond schade te berokkenen.”De Atheners waren in een lastige positie. Zij waren overtuigd, dat er vroegerof later een oorlog zou uitbreken tusschen hen en de Spartanen. Corinthe was een bondgenoot van Sparta, en als zij Corcyra overwon en haar vloot bij die van Corinthe voegde, zou zij te water veel krachtiger zijn dan de Atheners aangenaam was. Daarbij kwam, dat Corcyra een niet te verwerpen bondgenoot was, niet alleen omdat zij een groote vloot had, maar ook omdat het eiland een uitnemend geschikte pleisterplaats was op weg naar Italië, en bovendien ook, omdat, als de Spartanen ooit een aanval op de kust zouden doen, het heel wat waard zou zijn, een bondgenoot zoo dicht in de nabijheid te hebben. De Atheners konden evenmin besluiten die schepen of de vriendschap van het eiland te verliezen, als brutaal het verdrag te verbreken. Zij besloten ten slotte in de zaak iets toe te geven, en die zóó te regelen, dat zij er in toestemden tien schepen in de Jonische Zee te zenden, “niet om te vechten met de Corinthiërs, maar om Corcyra te beschermen,”zoo noemden zij het. Toen een tweede zeeslag geleverd werd tusschen Corinthe en Corcyra, trachtten de Atheners in het begin alleen de Corinthische schepen te hinderen, zonder ze feitelijk aan te vallen; maar toen de Corcyreërs begonnen het onderspit te delven en zich begonnen terug te trekken, vergaten de Atheners alle bepalingen van den vrede van Pericles, en vochten zij even verwoed, alsof zij nooit iets van een dergelijken vrede hadden vernomen.Sparta en de overige staten van den Peloponnesus waren verontwaardigd, en spoedig hielden zij dan ook een soort van terechtszitting om over de stad te vonnissen. Verschillende steden verhaalden, hoe onrechtvaardig Athene haar had behandeld. Zij zeiden, dat Athene oneerlijk was en voortdurend trachtte het oppergezag uit te oefenen over telkens meer staten. Er waren toevallig enkele Atheensche afgevaardigden in Sparta om andere zaken te behandelen, en zij vroegen verlof in de vergadering het woord te mogen voeren. Zij gaven een overzichtvan wat Athene in den Perzischen oorlog had gedaan, en toonden aan, dat zij werkelijk de redster van geheel Griekenland was geweest. “Onze bondgenooten kwamen uit eigen beweging,”zoo spraken de afgevaardigden, “en vroegen ons, hun leidslieden en beschermers te zijn. Ons werd een rijk aangeboden; kan het u verwonderen, dat wij het aannamen en weigerden het weer af te geven?” Nadat de afgevaardigden en de vreemdelingen vertrokken waren, begonnen de Spartanen de zaken te bespreken. Zij beslisten, dat de Atheners het verdrag hadden verbroken. Daarna begonnen beide landen zich voor den oorlog toe te rusten.Pericles wist, dat de Spartanen Attica zouden plunderen en verwoesten; daarom overreedde hij de Attische landbouwers, binnen de muren der stad te komen. Er werden toen lange rijen diep bedroefde mannen, vrouwen en kinderen gezien, die langzaam naar Athene optrokken. Hun rug was gebogen onder zware lasten; zij wisten immers zeer goed, dat alles wat zij achterlieten, zou worden vernield. Van de Acropolis konden zij hun woningen zien en hun akkers met rijpend koren. Een tijd later zagen zij den rook opstijgen uit de brandende huizen, zij zagen de korenvelden vertrapt, afgesneden en vernield door de Spartanen. Het is dus niet te verwonderen, dat zij uitriepen: “O Pericles, voer ons naar buiten om te strijden;voerons naar buiten, zooals een veldheer betaamt.”Maar Pericles zeide: “Neen”. Reeds lang te voren had hij gezegd: “De Spartanen zijn krachtig te land, maar onze kracht ligt op zee.”Daarom had hij schepen gezonden, om rondom den Peloponnesus te kruisen en alle mogelijke schade aan te richten, maar hij wilde niet buiten de muren van Athene gaan, om den vijand in een veldslag te land te ontmoeten. De Spartanen keerden naar huis terug, na de velden te hebben verwoest. Zij hadden even gemakkelijk naar de maan kunnen vliegen als door de stevige muren van Athene heen te breken. In een volgend jaargetijdehadden zij echter een helper, die niet op de lijst van hun bondgenooten had vermeld gestaan; immers de pest brak uit in de stad, waarin een zoo groote menschenmassa was opgehoopt, en een groote menigte menschen kwam om. De pest brak ten tweeden male uit; en nu verloor Athene den eenigen man, die haar had kunnen redden, immers spoedig lag Pericles op zijn sterfbed. Zijn vrienden zaten om zijn bed, treurend en samen over zijn overwinningen sprekend. Plotseling opende de stervende zijn oogen en zeide: “Gij legt den nadruk op die door mij verrichte daden, hoewel heel wat andere veldheeren hetzelfde hebben gedaan; maar gij vergeet het meest eervolle gedeelte van mijn persoonlijkheid, en wel dit, dat nooit door mijn toedoen één Athener in rouw is gedompeld.”Atheensch schip met drie rijen roeibanken.Atheensch schip met drie rijen roeibanken.(Naar een bas-relief, op de Acropolis te Athene gevonden.)Nu brak de tijd aan, dat Athene wel had mogen wenschen, dat haar bondgenooten ook haar vrienden waren geweest, want haar bereikte de tijding, dat Mytilene, een stad op het eiland Lesbos, in opstand was gekomen; Mytilene had een groote vloot, en daarom zou het verlies van Mytilene van groot gewicht zijn. Atheensche troepen werden onmiddellijk weggezonden, om de stad te belegeren, de Spartaansche troepen, die beloofd waren, kwamen eerst zeer traag ter hulp, zoodat Mytilene ten slotte genoodzaakt was zich over te geven. Zij was in handen gevallen van een wreeden meester, want de Atheners waren niet alleen verontwaardigd over den opstand, maar bovendien in groote vrees, dat er nog andere steden in opstand zouden komen. Zonder één oogenblik van ernstig nadenken besloten zij, dat alle volwassen mannen in Mytilene gedood zouden worden en iedere vrouw en ieder kind als slaaf zou worden verkocht. Als Pericles nog in leven ware geweest, zou een zoo onmenschelijk besluit nooit zijn genomen, maar de Atheners stonden nu sterk onder den invloed van een zekeren Cleon. “Weest toch niet barmhartig jegens hen,”zeide hij, “straft hen zooals zij u zouden hebben gestraft, als zij haddenoverwonnen.”Weest vergevensgezind en deugdzaam, als gij wilt, maar wacht totdat vergevensgezindheid en deugd niet langer gevaarlijk zijn.”Het besluit werd dus genomen, hoewel het betere gedeelte der Atheners er zich zóózeer over schaamde, dat zij den volgenden dag een tweede vergadering uitschreven en het besluit vernietigden. Maar het schip met drie rijen roeibanken, dat het besluit moest overbrengen, was den vorigen nacht uitgezeild. Zou het mogelijk zijn, het nog in te halen? “Wij zullen wijn en gerst voor de bemanning verschaffen,”riepen de afgezanten der Mytileners uit, “en ieder van hen zal een ruime belooning ontvangen, als zij het eerst het eiland bereiken.”De roeiers sprongen op hun zetels. De helft van hen roeide over dag, de andere helft des nachts, en zij aten hun gerstebrood, met wijn en olie gekneed, onder het roeien. Toch had het eerste schip een te grooten voorsprong. Het besluit was reeds voorgelezen, en reeds was men op het punt, het bevel te geven het uit te voeren, toen het tweede schip landde. Een afgezant holde van het strand naar den aanvoerder,en de Atheners werden verlost van de schande, een zoo barbaarsche slachting aan te richten. De straf, die zij oplegden, was nog streng genoeg, immers zij doodden duizend der opstandelingen, die het meest op den voorgrond waren getreden, namen de schepen der bewoners van Mytilene, en gaven hun land aan de Atheensche burgers, om daar een volksplanting te stichten.Toren met ophaalbrug en Ram.Toren met ophaalbrug en Ram.(Gebruikt bij de belegering van een ommuurde stad.)Dit was de wijze, waarop de Atheners hun barmhartigheid uitoefenden. Hetzelfde jaar openbaarde zich de barmhartigheid der Spartanen bij Plataea. Deze waren uitgetrokken om Plataea te veroveren, daar die kleine stad een zoo trouwe vriend van Athene was. “Maar de Spartanen, in vereeniging met de overige staten, legden een plechtigen eed af, dat onze stad voor eeuwig onafhankelijk zou zijn,”zoo spraken de inwoners van Plataea. “Wat gij zegt, is waar,”antwoordden de Spartanen. “Geniet van uwe onafhankelijkheid, maar helpt ons de staten te bevrijden, die nu door Athene worden geregeerd.”Plataea echter wilde de Atheners niet in den steek laten, en het beleg begon. Thucydides schreef de geschiedenis van den Peloponnesischen Oorlog, en daarin wordt een verhaal gegeven van het beleg van Plataea op zijn gewone heldere, nauwkeurige, belangwekkende wijze van schrijven. Eerst hakten de Spartanen boomen om, en maakten een palissade rondom de stad, zoodat niemand de stad in of uit kon gaan. Zij hadden een verschansing noodig, hoog genoeg, om hen in staat te stellen de stad te beschieten, en zij begonnen zulk een verschansing bij den muur op te richten, door houtblokken dwars over elkander te stapelen, en de leege ruimten op te vullen met steen, aarde en stukken hout. Dag en nacht werkten zij tien weken lang door. Zij merkten echter, dat op de ééne of andere wijze de verschansing niet zoo snel voltooid werd als zij zich hadden voorgesteld, en eindelijk ontdekten zij, dat de Plataeërs een gat hadden gegraven onder in den muur, en kalm de losse aardevan de verschansing in de stad brachten. Ondertusschen maakten zij ook den muur hooger, door dien op te bouwen met steenen en hout van hun eigen huizen. De Spartanen zouden dit alles in brand hebben kunnen steken met brandende pijlen, maar de Plataeërs waren verstandig genoeg, zware gordijnen van huiden en vellen daarvoor te hangen. De belegeraars waren besloten, dat er van hun verschansing niet meer zou worden gestolen, en daarom gebruikten zij in plaats losse modder, groote hoeveelheden klei en riet, aan elkander gebonden. Toch werd de verschansing niet hooger. De belegeraars verbaasden er zich over, hoe dit mogelijk was. Eindelijk ontdekte iemand, dat die slimme Plataeërs een tunnel hadden gegraven van de stad naar de verschansing, en op hun gemak de bundels klei en riet naar binnen haalden. En dit alles was nog niet alles, immers zij bouwden ook een binnenmuur in den vorm van een halve maan. De havens raakten den buitenmuur en de kromming was naar de stad gericht. Indien dus de Spartanen den buitenmuur hadden genomen,zouden zij nog altijd den binnenmuur moeten vermeesteren, maar dit zou nog niet zoo gemakkelijk zijn met de Plataeërs tegenover zich en aan beide vleugels. De Spartanen begrepen natuurlijk de moeilijkheid ook, en brachten daarom ontzaglijke stormrammen aan; doch de Plataeërs hadden twee manieren om die rammen onschadelijk te maken. Eén manier was, om een strik daarover neer te laten en ze zoo op te trekken. Een tweede manier was, om zware balken daarover neer te hangen en loodrecht daarop. Als de machine goed was opgesteld en op het punt was, een vreeselijken stoot tegen den muur te geven, ging de balk naar beneden en werd de kop van den ram afgestooten. Daarna besloten de Spartanen de stad te verbranden. Zij wierpen groote hoeveelheden hout over den muur en stapelden massa’s hout op tusschen de verschansing en den muur. Zij smeerden stokken in met pik en zwavel, staken die in brand en wierpen die het hout achterna. Thucydides zegt, dat nooit zulk een brand door menschenhanden was aangestoken. Er zou voor de Plataeërs geen redding mogelijk zijn geweest, indien niet een plotselinge storm de vlammen had gedoofd. Toen bouwden de Spartanen twee muren, op een afstand van elkander van zestien voet, en die de geheele stad omsloten. Tusschen die muren waren de verblijfplaatsen der soldaten; zoodat, als het werk gedaan was, het geleek op één zeer dikken muur met aan beide zijden een gracht. Zoodra dit werk voltooid was, ging het hoofdleger weg, met achterlating van een sterke wacht.Een met de hand gestooten Ram.Een met de hand gestooten Ram.Toen de winter aanbrak en het voedsel schaarsch begon te worden, trok een groot aantal Plataeërs in een donkeren, stormachtigen nacht, de binnenste gracht over, die vol was met ijsschotsen, zetten ladders overeind, en slaagden er in, den muur over te komen en de buitenste gracht over te steken. “De Spartanen zullen verwachten, dat wij zullen trachten naar Athene te ontkomen,”zeiden zij, “laat ons dus in de richtingvan Thebe trekken.”Toen zij haastig door de duisternis omkeken naar den weg naar Athene, konden zij de fakkels hunner vervolgers zien. Na korten tijd slopen de vluchtelingen naar de heuvels en daarna langs nauwe paden naar beneden, en spoedig werden zij te Athene verwelkomd door de vrouwen en kinderen, die daarheen waren gezonden voordat het beleg begonnen was.Pylos.Pylos.Er waren nu enkele vrouwelijke bedienden en twee honderd vijf en twintig mannen binnen de muren van Plataea; deze waren door gebrek aan voedsel te zwak, om langer de stad te verdedigen. De Spartanen zouden haar door bestorming hebben kunnen innemen, maar als de oorlog ophield, zouden steden, die door bestorming waren genomen, waarschijnlijk aan haar vroegere heerschers worden teruggegeven, terwijl die, welke zich hadden overgegeven, door de overwinnaars zouden gehouden worden. “Wilt gij u overgeven, als wij u een eerlijke kans laten?” vroegen de Spartanen, en de uitgehongerde bevolking gaf het op. De Thebanen haatten de Plataeërs, en de Spartanen wenschten de Thebanen een genoegen te doen; daarom bestond de “eerlijke kans” hoofdzakelijk uit de vraag: “Hebt gij den Spartanen of hun bondgenooten in dezen oorlog diensten bewezen?” Daar ieder Plataeër ten antwoord gaf “Neen,”werd hij weggevoerd en ter dood gebracht. Iedere mannelijke inwoner van Plataea werd gedood, en de vrouwelijke bedienden werden als slavinnen verkocht. Dit was de barmhartigheid der Spartanen.Een oorlog tusschen mannen van eenzelfde ras is altijd erger dan andere oorlogen, daar iedere partij overtuigd is, dat de tegenpartij moet begrijpen, dat zij ongelijk heeft; en deze oorlog werd hoe langer hoe wreeder. In bijna iedere stad waren er twee partijen,—de ééne partij was van oordeel, dat het volk als één geheel moest regeeren, zooals in Athene; de andere meende, dat de regeering moest zijn in handen van enkelen. Die beide partijen twistten en streden met elkander. Zonen doodden hun vaders, vaders doodden hun zonen. Indien twee personen elkander vijandig gezind waren, was het zeker, dat één van beiden een moordenaar zou worden. Als iemand geld schuldig was, bevrijdde hij zich van zijn schuld, door zijn schuldeischer te dooden. De geheele Grieksche wereld scheen wel krankzinnig te zijn geworden, niet alleen het vasteland van Griekenland, maar ook de eilanden en zelfs ook de koloniën in Italië en Sicilië. De beide partijen in dezelfde stad trachtten elkander te dooden; Atheensche schepen voeren de zee over, om de ééne of andere stad te helpen, en men kon er zeker van zijn, dat Spartaansche schepen met den meest mogelijken spoed de vijanden der stad te hulp kwamen. Zes jaren lang hield de strijd te land en ter zee onafgebroken aan.In het zevende jaar was een Atheensche vloot, door een storm overvallen in de haven van Pylos, op de kust van Messenië, binnengevallen. Dit was volkomen in overeenstemming met den wensch van den aanvoerder, Demosthenes,1immers hij wilde een plan voorstellen aan de overige aanvoerders. “Laat ons deze plaats versterken. Wij zijn slechts 75 kilometers van Sparta verwijderd; de Messeniërs zullen ons helpen, en wij kunnen van hieruit den vijand groot nadeel berokkenen.” De overige aanvoerders voelden niets voor dit plan. “Indien gij het openbare geld wilt weggooien,”zoo spraken zij, “dan zijn er een menigte andere verlaten voorgebergten, die gij kuntversterken.”De storm raasde nog steeds voort, en de schepen konden de haven niet verlaten. Het is mogelijk, dat de soldaten door het lange oponthoud zich verveelden en onrustig werden; doch wat ook de reden moge zijn, eindelijk werd hun toestemming gegeven het fort te bouwen. Zij hadden geen gereedschappen om steenen te fatsoeneeren, daarom pasten zij ze aan elkander, zoo goed zij dat konden. Zij hadden niets om er de metselkalk in te dragen, daarom stapelden zij die op hun rug en hielden hun handen daartegen aan, om te beletten, dat de kalk afviel; en zoo werd het fort gebouwd.Grieksch schip in steen gehouwen.Grieksch schip in steen gehouwen.Toen de Spartanen van dien zoo eigenaardigen bouw hoorden, lachten zij. “Het zal gemakkelijk zijn, dit, zoodra wij willen, neer te halen,”zeiden zij, “zelfs als de Atheners niet wegloopen, als zij ons zien naderen.”Toch kwamen zij tot het besluit, dat het in ieder geval het best was, zoo spoedig mogelijk zich van het fort te bevrijden, en eveneens van de Atheensche schepen, die op wacht lagen; daarom zonden zij een vloot en een flink aantal soldaten. De soldaten werden aan land gezet op een lang, smal eiland, Sphacteria genaamd, dat bijna de haven van Pylos insloot. De Spartaansche schepen zeilden de haven binnen, en trachtten gedurende enkele dagen het ruwe, kleine fort te veroveren. Toen kwam de Atheensche vloot op hen aanvliegen, daar zij verzuimd hadden de haven af te sluiten. De Spartanen op de kust waren wanhopend, daar hun vrienden op Sphacteria hulpeloos waren. Gewapend als zij waren, sprongen zij te water en trachtten hun ledige schepen van de Atheners weg te trekken. Thucydidesdrukt dit zoo uit: “De Spartanen leverden van het land af een zeegevecht, en de Atheners leverden van hun schepen af een gevecht te land.”Er waren een zóó groot aantal van hun voortreffelijkste mannen op het eiland, dat de Spartanen besloten, de Atheners om vrede te vragen. De Atheners zouden daarin waarschijnlijk hebben toegestemd, indien Cleon zich daartegen niet had verzet. Na den dood van Pericles had Cleon alles gedaan om het volk genoegen te doen en hen er van af te houden, den raad van verstandiger mannen te volgen. Hij overreedde nu de Atheners, te weigeren vrede te sluiten, tenzij op zóódanige voorwaarden, als hij wist, dat de Spartanen niet zouden aanvaarden. Hij deed dit, daar hij meende, dat er voor hem beter gelegenheid was, zijn macht te doen toenemen in oorlogstijd, dan als er vrede was.De Atheners waren altijd wispelturig en veranderlijk, en spoedig wendden zij zich boos tegen Cleon. “Waarom hebt gij ons afgeraden vrede te sluiten?” vroegen zij. “Onze manschappen in Pylos zullen van honger omkomen. Wij kunnen nu reeds nauwelijks voedsel voor hen krijgen, en als de winter aanbreekt, zullen zij zich zeker moeten overgeven. De Spartaansche soldaten op het eiland zijn veilig en hebben het goed. De Spartanen betalen een ruime som aan iedereen, die de blokkade verbreekt en hun voedsel brengt. Als hij een Heloot is, maakt één korte tocht hem onmiddellijk vrij. Honderden Heloten duiken en zwemmen naar de overzijde, en trekken achter zich aan huiden met fijngestampt lijnzaad en papaverzaad, met honig vermengd. Zoo dikwijls er een krachtige zeewind is, zeilen zij ’s nachts uit en komen met het aanbreken van den dag aan de zeezijde van het eiland plotseling te voorschijn. De Atheners op Sphacteria hebben overvloed van meel en wijn en kaas, terwijl de Atheners in Pylos van honger omkomen. [** ” verwijderd] Het is uw schuld; waarom hebt gij geweigerd vrede te sluiten?”Cleon kon niets anders tot zijn verdediging aanbrengen dan te morren over de legeraanvoerders. “Zij zouden gemakkelijk naar Sphacteria kunnen zeilen en de Spartaansche soldaten gevangen nemen,” zoo luidde zijn antwoord. “Dat zou ik ten minste doen, als ik legerbevelhebber was.”Eén der legeraanvoerders, Nicias,was tegenwoordig. “Voor zoover de legeraanvoerders betreft, kunt gij zooveel soldaten nemen als gij wilt en het beproeven. Hier, in tegenwoordigheid van deze vergadering, sta ik u het opperbevel af.” “Neem het, neem het,”riep het volk. “Wij stellen u tot aanvoerder aan. Zeil nu weg naar Pylos.”De wispelturige Atheners hadden alles vergeten omtrent het lijden van hun soldaten, en hadden er groot genot in, te zien, hoe Cleon in angst zat. Hij begreep, dat hij zich òf voor goed op den achtergrond moest plaatsen, òf het opperbevel moest op zich nemen. Hij trachtte zich zoo moedig mogelijk voor te doen en wendde zich tot de Atheners: “Ik ben niet bang voor de Spartanen,”antwoordde hij. “Binnen twintig dagen zal ik ze op de plaats zelf dooden of ze levend naar u toebrengen.”Het grauw barstte in lachen uit, en de meer verstandigen onder de menigte verheugden zich evenzeer als het grauw juichte. “Wij zullen Cleon niet meer terugzien, als hij niet inderdaad de Spartanen gevangen neemt.”Niemand verwachtte zelfs maar één oogenblik, dat het den pocher zou gelukken, te volbrengen, wat hij had beloofd, maar toch bracht hij werkelijk binnen twintig dagen omstreeks driehonderd gevangenen naar Athene. Dit was aldus in zijn werk gegaan. Toen Cleon het eiland Sphacteria bereikte, bleek het hem, dat het bosch, dat het grootste gedeelte van het eiland had bedekt, verbrand was. Het land was schoon geveegd, en de opperbevelhebber was juist op het punt een aanval te doen op de gevangenen. Cleon had geen vast plan, en sloot zich dus maar hierbij aan. Er werd een hardnekkig gevecht geleverd, maar eindelijk lieten de Spartanen hun schilden zakken enzwaaiden zij hun handen; zij onderwierpen zich. Geheel Griekenland was nu in verbazing. Kon dit hetzelfde ras zijn, dat bij de Thermopylae had gestreden totdat de laatste man gesneuveld was? De Atheners konden nauwelijks gelooven, dat het mogelijk was, dat de Spartanen zich hadden overgegeven. Zij juichten over hun overwinning, en toen de Spartanen weer om vrede smeekten, weigerden zij dit.Zeilschip uit de dagen van Brasidas.Zeilschip uit de dagen van Brasidas.Zoo duurde de oorlog voort, en aan weerszijden werden de troepen hoe langer hoe wreeder en ruwer. De aanzienlijken uit Corcyra begunstigden Sparta en spanden samen tegen het gemeene volk, dat op de hand van Athene was. Door een list werden de aanzienlijken gevangen genomen en werden toen met ontzettende wreedheid ter dood gebracht. Tot nu toe waren de Atheners in hoofdzaak de winnende partij geweest. Zij hadden getracht Delium in Boeotië in te nemen, doch dit was hun niet gelukt; maar zij hielden Pylos bezet, welke plaats de sleutel voor Messenië was, en Cythera, dat een krachtige steun voor Laconië was geweest; en honderd van de meest op den voorgrond tredende Spartanen waren hun gevangenen. De Spartanen hadden jaarlijks een strooptocht in Attica gedaan, en hadden ook heel wat in andere streken gevochten, maar zij waren geen stap nader gekomen tot hun doel dan zeven jaren te voren: het overwinnen der Atheners. Gelukkig voor hen trad een nieuwe veldheer op het tooneel, Brasidas. Hij was zoo vastbesloten als eenig Spartaan, en zoo helder van oordeel en zoo snel van opvatting als eenig Athener. Hij overdacht de zaken en redeneerde aldus: “Als wij weer een nieuwen strooptochtin Attica doen, zullen de Atheners onze honderd burgers ter dood brengen. Het beste wat wij kunnen doen, is ons naar Thracië te begeven, en wij kunnen er zeker van zijn, dat meer dan één Thracische stad ons welkom zal heeten. Thracië is rijk en heeft uitgestrekte bosschen. Met Thracië als vrienden kunnen wij schepen bouwen, en wij behoeven dan niet bevreesd te zijn, als wij met de Atheners op zee handgemeen worden.”Zoo sprak Brasidas. De Spartanen meenden, dat dit een onredelijk, ondoordacht plan was; maar één zaak was sterk in het voordeel van Brasidas: hij bezat omstreeks duizend manschappen, die hij in verschillende plaatsen van den Peloponnesus had gehuurd, en het eenige wat hij Sparta vroeg, was, hem zevenhonderd Heloten te geven. “Laat het hem in ieder geval beproeven,”zeiden de Spartanen. “De Heloten staan op het punt in opstand te komen, en het is niet kwaad, dat er onder hen een opruiming komt. Laat hem een paar steden innemen, en als de oorlog is afgeloopen, kunnen wij die tegen Pylos inruilen.”Zoo vertrok Brasidas naar Thracië en Macedonië. Hij was niet alleen een sluw en geslepen man, maar hij wist ook te spreken, te redeneeren en te overtuigen. Hij bracht zelfs stammen, die met de Atheners bevriend waren, er toe, hem verlof te geven door hun gebied te trekken; en half door overreding, half door bedreigingen wist hij verschillende steden in Thracië en Chalcidice er toe te brengen, zich aan hem te onderwerpen. De Atheners hadden gehoord wat hij deed, en nu kwamen zij op hem af. Cleon was hun aanvoerder, en hij was zóó opgeblazen door zijn overwinning bij Pylos, dat hij het als de natuurlijkste zaak ter wereld beschouwde, dat hij zou overwinnen. Hij had flinke soldaten, maar zij hadden geen vertrouwen in hun aanvoerder. Bijna de helft van de manschappen van Brasidas waren Heloten, en hoewel zij slavenwaren, wantrouwde hij hen geen oogenblik en had hij den moed, hun zijn volle vertrouwen te schenken. Even vóór den aanval op Amphipolis, de krachtigste Atheensche volksplanting in Macedonië, deelde hij hun mede, hoe hij van plan was den aanval uit te voeren. Zijn laatste woorden tot hen waren: “Laat den moed niet zinken, denkt aan alles wat op het spel staat, en ik zal u laten zien, dat ik niet alleen anderen kan raadgeven, maar ook zelf kan vechten.”De slag eindigde met de overwinning der Spartanen. Zoowel Cleon als Brasidas sneuvelden. Thucydides voerde zeven schepen aan, die in de nabijheid lagen, maar hij kwam niet spoedig genoeg aan, om de Spartanen de overwinning te betwisten. De Atheners hadden er behoefte aan, iemand de schuld te geven, en zoo werd hij de zondebok. Hij werd veroordeeld tot een ballingschap van twintig jaar. In dien tijd schreef hij zijn geschiedenis van den oorlog. Aan de Heloten, die zoo dapper onder Brasidas hadden gevochten, werd de vrijheid geschonken.Bronzen munt, waarop een schip onder zeil te zien is.Bronzen munt, waarop een schip onder zeil te zien is.(Op het dek kunnen de loods en de roeiers gezien worden.)Tien jaren achtereen had nu de oorlog geduurd. Mannen waren gesneuveld, vrouwen en kinderen tot slaven verkocht, geld was verkwist, vloten waren verloren gegaan, landen waren verwoest, steden met den grond gelijk gemaakt; en wat was met dat alles gewonnen? De Spartanen waren tot de ontdekking gekomen, dat zij heel gemakkelijk konden worden verslagen, of, wat de mannen van de Thermopylae heel wat erger zouden hebben gevonden, dat zij gedwongen konden worden zich over te geven; de Atheners hadden geleerd, dat zij in weerwil van hun vloot, hun goed beschutte haven, en hun stevige muren, slechts weinig sterker zouden zijn dan andere volkeren, indien hun schatplichtige steden in opstand kwamen. Zoowel Spartanen als Atheners waren ontnuchterd en verlangden er zeernaar, over den vrede te onderhandelen. De veldheer Nicias had heel wat werk te verrichten, om de onderhandelingen te leiden en tot een goed einde te brengen; daarom werd de wapenstilstand van vijftig jaar, die in het jaar 421 vóór Christus werd gesloten, de vrede van Nicias genoemd.Storm-Ram.Storm-Ram.1Niet de beroemde redenaar Demosthenes.

Hoofdstuk XIII.De eeuw van Pericles.Pop van aardewerk, op de Acropolis te Athene gevonden.Pop van aardewerk, op de Acropolis te Athene gevonden.Pericles hoopte nog steeds, dat de tijd zou aanbreken, waarop Griekenland door Athene zoude worden geregeerd, hoewel hij overtuigd was, dat de naijver van Sparta te eeniger tijd tot een oorlog zou leiden. Intusschen zou er gedurende een reeks van jaren vrede tusschen de beide staten zijn; van dien tijd maakte hij gebruik, om zijn stad schoon en machtig te maken. Het staatsbestuur was hoe langer hoe meer in handen van het volk gekomen, totdat er geen enkel ambt meer was, waartoe zelfs de armste man niet kon worden verkozen. Ten einde er voor te zorgen, dat iedereen in staat zou zijn, zijn werk in den steek te laten, om den staat te dienen, wist Pericles gedaan te krijgen, dat zij, die de verschillende ambten bekleedden, daarvoor zouden worden bezoldigd, en evenzoo zij, die in het leger of op de vloot of als rechters dienst deden. Er waren verscheidene duizenden van die rechters, en zelfs de ernstigste misdaden werden bijna zonder uitzondering door hen berecht. Somtijds zaten honderden juryleden in één enkele zaak. Zoo kwam het, dat duizenden Atheners in de ééne of andere betrekking geld van den staat ontvingen. De algemeene vergadering keurde al die veranderingen goed; men zag immers duidelijk in, dat Pericles niet werkte voor zijn eigen roem, maar voor dien van zijn stad; en hij was zóó redelijk, en kon zijn redenen zóó duidelijk blootleggen, dat het volk alles wat hij voorstelde goedkeurde. Hij had meer macht, dan ooit een koning had bezeten; maar dit was niet, omdat het volk bevreesd voor hem was, maar omdat hij zoo bekwaam in den oorlog, zoo verstandig in vredestijd was, enbovenal zoo volkomen onzelfzuchtig. Natuurlijk had hij ook vijanden, maar het meerendeel der Atheners zag tegen hem op als tegen den idealen Griekschen burger.De Acropolis.De Acropolis.Het Parthenon, gerestaureerd.Het Parthenon, gerestaureerd.Pericles was niet alleen een uitnemend soldaat en staatsman, maar hij had alles lief, wat schoon was. Al de Grieken trouwens hadden de schoonheid lief; zij hadden die lief, zooals men versche lucht en zonneschijn lief heeft. Het bracht hen uit hun humeur, leelijke dingen om zich heen te hebben; zij voelden zich dan onbehagelijk en somber. Reeds langen tijd vóór dezen hadden zij prachtige gebouwen en standbeelden, want reeds jaren lang waren er groote kunstenaars in Griekenland geweest; maar Pericles maakte het plan, de Acropolis met een groep tempels te overdekken, die de meesterstukken der Grieksche bouwkunst zouden zijn. De schoonste en edelste van deze was zeker wel het Parthenon, een prachtig gebouw van het zuiverste marmer, welke tempel aan Athene gewijd was. Hij had marmeren zuilen rondom, immers de Grieken konden zich geen grooten tempel voorstellen zonder zuilen. Er waren drie soorten van zuilen, waaruit kon worden gekozen, ten eerste de Corinthische zuil, die er uitziet, alsof het bovenste deel van de zuil omgeven is van een aantal marmeren bladeren, die op de meest sierlijke wijze zijn gebeeldhouwd; men verhaalt, dat dit denkunstenaar was ingegeven door een mand, die door iemand in een hoop bladeren van berenklauw geworpen waren. De tweede soort was de Jonische, waarvan de top of het kapiteel in twee rollen was gebeeldhouwd, die eenigszins op slakkenhuisjes geleken. En ten derde was er de Dorische zuil, die een stevig, eenvoudig kapiteel heeft. De Dorische zuil ziet er altijd stevig en eenvoudig uit; en het was deze, die door Pericles voor het Parthenon werd gekozen. Binnen in het gebouw was een standbeeld van Athene, negenendertig voet hoog. Dit was van ivoor vervaardigd, de draperie was van goud, en de pupillen der oogen waren waarschijnlijk van juweelen vervaardigd. In de ééne hand droeg zij een beeld der Overwinning, in de andere hand een speer en een schild. Om Athene heen kronkelde zich een slang, die het zinnebeeld was der wijsheid. Binnen de zuilenrij was een Fries, of een gebeeldhouwde band, die om het gebouw heenliep. Deze stelde den beroemden optocht voor, die eens in de vier jaren werd gehouden, en naar den tempel der godin trok, om een kostbaar kleed voor haar beeld aan te bieden. Er werden aan den tempel ook kleuren gevonden, blauw, rood en geel, en ook goud; maar de tinten waren uiterst fijn en met volmaakte bedrevenheid aangebracht. Die tempel was ongeveer vierentwintig eeuwen geleden gebouwd. Honderden prachtige bouwwerken zijn sedert dien tijd opgericht, maar zelfs in de puinhoopenvan het Parthenon ontdekken kunstenaars nog voortdurend nieuwe schoonheden. Zij vinden bij voorbeeld, dat in een aantal onderdeden, waar latere bouwmeesters rechte lijnen hebben gebruikt, het Parthenon kromme lijnen heeft. Zij vinden, dat, indien de zuilen iets dikker of iets hooger geweest waren, zij niet een zoo volmaakten indruk zouden gemaakt hebben. Zij vinden, dat de uiterste zuilen niet volkomen verticaal staan, maar iets naar binnen overhellen. Niemand kon dit zonder de meest nauwkeurige metingen ontdekken; maar die helling, hoe gering die ook was, droeg er toe bij, dat de tempel zóó sierlijk en harmonieus en tevens zóó stevig was, dat hij, toen hij voltooid was, den indruk maakte, dat hij het eenige gebouw was dat daar paste.Gedeelte van het Fries van het Parthenon.Gedeelte van het Fries van het Parthenon.In het midden ziet men de goden Poseidon en Apollo, en de godin Demeter.Erechtheum, gerestaureerd.Erechtheum, gerestaureerd.Een CaryatideEen Caryatide(uit het Erechtheum).De overige gebouwen op de Acropolis waren volkomen waardig, om naast het Parthenon te staan. Men had daar het Erechtheum, gewijd aan Athene en Poseidon, en binnen zijn gebied waren de heilige olijfboom en de zoutbron nog te zien. Er waren daar breede marmeren trappen, die naar de Acropolis leidden; er waren daar gaanderijen en zuilengangen; en er waren daar voorhoven, waarvan de zolderingen gedragen werden door sierlijke Caryatiden. In de buitenlucht, onder den helderen blauwen hemel, stond een ander standbeeld van Athene, dat zelfs grooter was dan het beeld op het Parthenon. Dit was vervaardigd van het Perzische brons, dat bij Marathon veroverd was.De Discuswerper.De Discuswerper.(Naar het beeld door Myron vervaardigd.)Het Theater van Dionysus, gerestaureerd.Het Theater van Dionysus, gerestaureerd.De kunstenaar, aan wien de glorie van de Acropolis tedanken is, was Phidias. Reeds vóór hem hadden kunstenaars uitnemend gelijkende standbeelden van tijdgenooten vervaardigd, Myron, onder anderen, had een discuswerper zóó getrouw naar het leven vervaardigd, dat men als het ware zich er over verbaast, dat de discus niet uit zijn hand vliegt; maar de kunstenaars hadden tot nu toe gemeend, dat de beelden van goden niet al te zeer mochten afwijken van de stijve, vormelijke figuren, waaronder zij in vroegere tijden waren voorgesteld. Phidias brak met die opvatting. Hij beeldde zijn goden uit als menschelijke wezens, maar grootscher en met meer majesteit dan de stervelingen. Eén van zijn meest beroemde werken was de Zeus van Olympia, een zóó prachtig beeld, dat de Grieken, als iemand stierf, die nooit te Olympia geweest was, plachten te zeggen: “Die man was inderdaad ongelukkig, immers hij is gestorven, zonder den Olympischen Zeus te hebben gezien.”Phidias was er zóó op gesteld, het beste voort te brengen wat denkbaar was, dat hij als men zijn werk kwam bezichtigen, zich zóó plaatste, dat men hem niet kon zien, ten einde ieder woord te hooren, dat zelfs de meest gewone sterveling bij wijze van critiek uitsprak. Zoo dikwijls hij meende, dat iemand een fout had ontdekt, hoe gering die ook was, rustte hij niet, voordat hij die had verbeterd.Aeschylus.Aeschylus.(In het kapitool te Rome.)Pericles liet eveneens het Odeon bouwen, een overdekte zaal, waar muziekwedstrijden werden gehouden, en hij verbeterde den schouwburg van Dionysus. In Griekenland was een schouwburg geen overdekt gebouw. Hij bestond uit rijen achter elkander van steenen zetels, die langs de helling van een heuvel opliepen en die een kring vormden om een vlakke ruimte, waar de tooneelstukken werden opgevoerd. Een schouwburg was meestal groot genoeg, om de geheele bevolking der stad op te nemen, waarin hij was opgericht. Sommige der tooneelspelen bevatten verhalen omtrent het leven der goden of edele daden van de oude Grieken. Deze werden tragedies genaamd. Zij waren meestal waardig, ernstig en droevig, maar zij bevatten dikwijls teedere en prachtige verzen. Het volk kwam van die schouwspelen terug met het ernstige voornemen de goden nog meer dan te voren te eeren, of dapper en vaderlandslievend te zijn als hun voorouders. Blijspelen werden eveneens opgevoerd. Deze waren dikwijls vol grappige toespelingen op de menschen en gebeurtenissen van den dag. De opvoering van treurspelen was een zóó goede leerschool voor godsdienst, geschiedenis en vaderlandsliefde, en de blijspelen hadden een zóó groote waarde, om de menschen te doen nadenken omtrent hetgeen in hun omgeving voorviel, dat Pericles wenschte, dat zelfs de armste burgers die konden bijwonen.Daarom bepaalde hij, dat de toegangsprijs door den staat moest worden betaald.Sophocles.Sophocles.(In het Lateraansch Museum te Rome.)Aristophanes.Aristophanes.Slechts tweemaal in het jaar werden tooneelspelen opgevoerd; maar bij ieder feest werden er genoeg opgevoerd, om de zes maanden van stilstand goed te maken. Aan drie dichters werd toegestaan, ieder vier tooneelspelen aan te bieden. Nadat de tooneelspelen opgevoerd waren, werd door een commissie, door de Demen gekozen, bij stemming uitgemaakt, aan welken dichter de officieele prijs moest worden toegekend. Dertien maal werd deze toegekend aan een man, die zoowel krijgsman als schrijver was, en die dapper gestreden had bij Marathon, Salamis en Plataea. Dit was de dichter Aeschylus. Zijn treurspelen waren bijzonder schoon, maar zóó ernstig en zwaar, dat het volk na enkele jaren er als het ware genoeg van kreeg en den prijs toekende aan een schoonen, jeugdigen dichter, Sophocles genaamd, omdat zijn hoofdpersonen niet zoo ernstig en vormelijk waren, en meer op werkelijke personen geleken. Hij kon niet alleen tooneelspelen schrijven, maar ze ook voordragen, en die gave kwam hem op hoogen ouderdom uitnemend te stade. Eén van zijn zoons werd bevreesd, dat zijn vader zijn bezittingen zou wegschenken aan een boven de anderen geliefden kleinzoon. De groote tooneelschrijver werd voor het gerecht gedaagd, opdat de rechters uit eigen overtuiging konden nagaan, of zijn geest zoozeer was verzwakt, dat hij zich geen rekenschap van zijn daden kon geven. In plaats van eenig antwoord te geven, droeg Sophocles een gedeelte voor uit éénvan zijn tooneelspelen; en hij deed dit op zóó voortreffelijke wijze, dat er niemand was, die een oogenblik kon denken, dat zijn geestvermogens verzwakt waren. De rechters wezen den inhaligen zoon terecht en zonden hem toen weg. De derde groote treurspeldichter was Euripides. Men verhaalt, dat hij zijn naam ontleende aan den veldslag bij den Euripus, die kort vóór zijn geboorte geleverd werd. Het schijnt, dat hij zelfs nog meer kennis had van het menschelijke karakter dan Sophocles, en hij had de natuur lief. Het was voor hem een groot genot te schrijven over den oceaan, de rivieren, wolken, rotsen, wijngaarden en vogels. De grootste blijspeldichter was Aristophanes, die iets later leefde dan die drie treurspeldichters. Hij hield er van, den spot te drijven met zijn medeburgers, en zijn spot was zóó snijdend en geestig, dat de Atheners zich er tegen wil en dank mede vermaakten. In één van zijn blijspelen,De vogels, vluchten twee Atheners, die genoeg hebben van de vele processen in hun stad, van de menschen weg naar de vogels, en halen die over, een stad in de wolken te bouwen. Dit was een dankbaar onderwerp voor de Atheners, want niets scheen voor hen een zóó heerlijke uitspanning te zijn dan naar het gerecht te gaan en de behandeling van processen bij te wonen. Zij moeten hartelijk gelachen hebben, als één der spelers zeide:“Want sprinkhanen zitten slechts één maand lang,Te tjilpen op een tak; maar de AthenerZit tjilpend en in twistgesprek het gansche jaar,En staart zich suf op wetsverklaring of bewijs.”Herodotus en Thucydides.Herodotus en Thucydides.Naar een dubbel borstbeeld in het museum te Napels.De “Stad in de wolken” was een geestigheid ten kosteder Atheners, immers nog slechts twee jaren te voren hadden zij een veldtocht ondernomen, die totaal mislukt was.Oude helmen.Oude helmen.Er waren eveneens twee uitnemende oude geschiedschrijvers, die in de dagen van Pericles leefden, Herodotus en Thucydides. Aan Herodotus kunnen wij het voornaamste ontleenen van wat wij omtrent de Perzische oorlogen weten. De wereld was in die dagen, toen de beschaafde mannen slechts weinig daarvan gezien hadden, een niet zeer uitgestrekt gebied, en Herodotus had over het grootste gedeelte der toen bekende wereld rondgezworven. Waar hij ook heenging, zette hij zijn oogen wijd open en stelde hij met de grootste hardnekkigheid vragen. Daarna schreef hij op, wat hij gezien en gehoord had. Hij schrijft, alsof hij een verhaal vertelt. Als hij bij voorbeeld den tocht van Xerxes over den Hellespont beschrijft, breekt hij zijn verhaal af, om mede te deelen, wat voor soort mutsen of helmen de verschillende volken hadden, en wat voor soort van wapenen zij droegen, al die kleine bijzonderheden, die er toe medewerken een boek belangwekkend en boeiend te maken. Hij blijft bij ieder punt stilstaan, alsof hij er behagen in schept, dit in bijzonderheden te verhalen, en alsof hij zeker is, dat ook zijn lezers het gaarne hooren.Vaas, Kruik en Beker.Vaas, Kruik en Beker.De overlevering—die zoo aardig is, dat men zou wenschen dat zij juist was—zegt, dat hij zijn geschiedenis bij de Olympischespelen voorlas, en dat onder zijn toehoorders een knaap was van vijftien jaar oud,Thucydidesgenaamd; toen nu die knaap de herhaalde toejuichingen en kreten van bewondering hoorde, zou hij tranen in de oogen hebben gekregen en tot zich zelf gezegd hebben: “Ook ik wil geschiedschrijver worden.”Thucydides werd een geschiedschrijver, niet minder beroemd dan Herodotus. Hij maakt bij zijn lezers niet den indruk alsof hij in het vertellen van een verhaal evenveel genot smaakt als Herodotus; maar hij is zóó helder en onpartijdig, en ziet zóó juist de redenen voor de gebeurtenissen die hij verhaalt, en legt ze zóó duidelijk en boeiend bloot, dat een aantal schrijvers van lateren tijd zijn werken herhaaldelijk hebben overgelezen, om te trachten, daaruit te leeren, op dezelfde wijze als hij, geschiedenis te schrijven.Bronzen lamp in den vorm van een boot.Bronzen lamp in den vorm van een boot.(In 1862 gevonden op de Acropolis te Athene).Een Grieksch huis.Een Grieksch huis.Zoo heerschte er dan groote voorspoed te Athene in de dagen van Pericles. De Atheners hadden slaven, die het zware werk deden, en die hun meesters den tijd lieten te genieten van poëzie en kunst en van hun schoone stad. Er was slechts weinig armoede, immers om al die prachtige nieuwe gebouwen op te richten, moesten er werklieden zijn, die hout, steen, koper, goud, en ivoor konden bewerken, en die wisten, hoe zij kleurstoffen konden gebruiken. Er was overvloedig werk tegen een goed loon voor de gewone handwerkslieden, en er was altijd behoefte aan schilders, beeldhouwers en alle soorten van kunstenaars. Daarenboven waren de Atheners volkomen op de hoogte van het vervaardigen van aardewerk en lampen, en van koperwerk van allerlei soort. Kapiteins en zeelieden waren noodig voor de schepen, die de vervaardigde voorwerpen naar vreemde landen brachten en scheepsladingen wijn, glas, huiden,zoutevisch, specerijen, papyrus, tapijten, goud en slaven terugbrachten. Athene ontving ieder jaar belangrijke geldsommen van de leden van den Bond van Delos. De andere staten verklaarden, dat het niet eerlijk was, dat Athene dat geld voor eigen doeleinden gebruikte, en sommigen onder de Atheners waren van dezelfde meening; zij zeiden, dat Pericles schande over de stad had gebracht, door bezit te nemen van den schat van Delos. Pericles en zijn partij antwoordden, dat de overige leden van den Bond het geld hadden gegeven ten einde tegen de Perzen en de zeeroovers beveiligd te zijn, en dat, nu toch Athene hen beschermde, het alleszins billijk was, dat zij het geld voor zich besteedde en de stad versierde met gebouwen enstandbeelden, die een eeuwige glorie voor den staat zouden zijn. De tegenstanders van Pericles antwoordden, dat er nu weinig gevaar was voor zeeroovers of voor Perzen; maar geen geld werd teruggegeven, en de bondgenooten werden steeds nog als onderworpenen behandeld. De Atheners hadden hun stad lief en waren er zóó trotsch op, dat zij de mooiste stad in Griekenland was, dat misschien zelfs zij, die met Pericles in meening verschilden, zich niet zóó tegen hem verzetten, als anders het geval zou geweest zijn.Stoel, rustbank en voetbankje.Stoel, rustbank en voetbankje.Glazen drinkbeker bedekt met open bewerkt zilver uit Georgia, en zilver vergulde beker uit Ithaca.Glazen drinkbeker bedekt met open bewerkt zilver uit Georgia, en zilver vergulde beker uit Ithaca.Hoezeer ook de Atheners hielden van prachtige tempels, zij stelden zich tevreden, te wonen in eenvoudige huizen met ruwe, onversierde zolderingen. Zij brachten zóóveel tijd buiten ’s huis door, dat een huis voor hen niets anders was dan een veilige plek voor hun gezin en hun bezittingen, en een schuilplaats tegen den storm. De zijde van het huis, die tegenover de straat gelegen was, had op de tweede verdieping eenige vensters, maar op de eerste verdieping was er niets dan een kleine deur. Hier klopte men aan, als men wilde binnenkomen, en evenzeer werd geklopt, als men op het punt stond uit te gaan, daar de deuren naar buitenopengingen en zóó zwaar waren, dat een voorbijganger gemakkelijk door een dergelijke deur kon worden gewond. Een slaaf zat in den nauwen voorhof, om op het eerste geklop open te doen. Aan het andere uiteinde was een binnenplaats met een rij pilaren er om heen. De kamers van het huis kwamen uit op die binnenplaats. Zij waren meestal niet ruim, en bevatten geen kostbaar huisraad. De stoelen en rustbanken en de voetbankjes waren alle goed gevormd en bijzonder schoon, maar niet kostbaar. De bedden waren wollen matrassen, uitgespreid op riemen of leeren reepen. Er waren verschillende soorten van kommen, kruiken en bekers, maar alle hadden sierlijke vormen, die het oog bekoorden; en vooral de lampen waren bijzonder sierlijk en smaakvol.Sandalen.Sandalen.Een Athener.Een Athener.Een vrouw, die haar bovenkleed met een gordel vastmaakt.Een vrouw, die haar bovenkleed met een gordel vastmaakt.De kleeren der Grieken waren al even eenvoudig als de huizen. De Griek van goeden huize droeg een lang hemd zonder mouwen, of chiton, van wol of linnen vervaardigd, en daarover heen was een bijna vierkante mantel geslagen. De mantel was meestal wit, maar somtijds werden ook kleuren gedragen. De mantel moest volkomen naar den eisch gedrapeerd zijn, want als iemand zijn mantel bij ongeluk van rechts naar links had omgehangen in plaats van omgekeerd, kon hij er zeker van zijn, dat hij werd uitgelachen. De Grieken hadden geen hoeden of mutsennoodig, behalve als het regende, of, als zij genoodzaakt waren op reis te gaan in de gloeiende zon. De Griek van goeden huize droeg sandalen, of, als hij dit verkoos, liep hij barrevoets, maar hij mocht vooral zijn wandelstok en zijn zegelring niet vergeten. De Atheensche dames droegen een chiton met mouwen, en daarover een lang, los gewaad, dichtgemaakt met een gordel. Zij hadden niet alleen ringen aan haar vingers, maar dikwijls in haar ooren en om haar enkels. Kleine meisjes droegen lange kleeren, maar kleine jongens werden niet veel met eenigerlei kleeren lastig gevallen, tenzij het bijzonder koud was.Jongen met kar en hond.Jongen met kar en hond.(Naar een Atheensche beschilderde vaas.)Handschrift van een Griekschen jongen. gevonden op de muren van een Grieksch huis.Handschrift van een Griekschen jongen. gevonden op de muren van een Grieksch huis.Als voedsel hadden de Grieken rundvleesch, lamsvleesch, varkensvleesch, ganzen, eenden en visch. Zij hielden bijzonder veel van lijsters, en waren steeds verontwaardigd op de vogelhandelaars, die lucht bliezen in de lichamen der vogels, om ze vetter te doen lijken. Er waren verschillende soorten van groenten en vruchten. Er was geen suiker, maar in plaats van suiker werd honig gebruikt, die zóó goed voldeed, dat de Atheensche koks beroemd waren om hun gebak. Er werd veel wijn gedronken, maar evenals in de dagen van Homerus achtten de Grieken uit den tijd van Pericles het gulzig en onbeschaafd, wijn, niet met water vermengd, te drinken.Les in muziek en taal in een Grieksche school.Les in muziek en taal in een Grieksche school.(Naar een beschilderden beker. De schoolmeester zit rechts.)Huisindustrie.Huisindustrie.In de harten der Grieken, hoe druk zij het ook hadden, waseen ruime plaats voor de kinderen; en werd dan ook goed voor hun lichamelijke en geestelijke opvoeding gezorgd. Zij hadden evenzeer als de jongens en meisjes uit onze dagen ruim tijd voor spelen, en zij speelden ook veel, en dezelfde spelen als in onzen tijd. De meisjes hadden poppen, van was of van klei vervaardigd, en de jongens hadden tollen, ijzeren hoepels, hobbelpaarden, wagens en vliegers. Er waren ook stelten, schommels en wipplanken. Zij kenden verschillende balspelen, en blindemans- en krijgertje-spelen. Totdat de kinderen omstreeks zeven jaar oud waren, speelden de jongens en meisjes samen en werden zij bijna op dezelfde wijze behandeld; maar na dien tijd veranderde de toestand, daar de jongens de school moesten bezoeken. Terwijl dan het meisje thuis bleef en van haar moeder leerde lezen en schrijven en de huishouding besturen, werd de jongen toevertrouwd aan de zorg van een slaaf, die hem naar school bracht, hem weer naar huis geleidde, zijn schrijfgereedschappen droeg, en oplette, dat hij zich opstraat behoorlijk gedroeg en geen ongelukken kreeg. De jongen leerde het alphabet en leerde daarna lezen. Geen slordig lezen werd geduld. Ieder woord moest duidelijk en juist worden uitgesproken, en iedere gedachte moest behoorlijk geuit worden, voordat de meester tevreden was. De jongen leerde schrijven op een schrijftafeltje, met was bedekt. Hij teekende de letters met een kort, gepunt werktuig, van been of metaal, stylus genoemd; daarna werd de was weer gladgestreken en weer voor hem gereed gemaakt, om een ander opschrift te maken. Nadat hij had leeren schrijven, moest hij alles opschrijven, wat de meester voorlas. Die dictees waren geen eenvoudige kinderverhaaltjes; het was een uittreksel uit de Ilias en de Odyssee, sommige spreuken van Hesiodus, of het een of ander sierlijk Grieksch gedicht van Pindarus of Simonides. De jongen behoefde niet snel te schrijven, maar wel duidelijk en nauwkeurig, want den volgenden dag werd hij voor de klasse geroepen en moest hij voorlezen, wat hij had geschreven. Hij kreeg tevens onderwijs in rekenen, zingen, het bespelen der lier, en somtijds ook in teekenen. Hij leerde dansen, hardloopen, springen, worstelen, de jachtspies en den discus werpen. Het was niet waarschijnlijk, dat velen der jongens ooit een prijs zouden behalen bij de Olympische spelen, maar van iedereen werd geëischt, dat hij zijn lichaam krachtig maakte en leerde zijn spieren te gebruiken en te oefenen. Al was een jongen niet in staat een prijs bij het hardloopen te winnen, toch kon hij leeren, zich behoorlijk te bewegen, en zóó sierlijk en gemakkelijk te draven, dat het een genot was naar hem te zien. Dit was het onderwijs voor jonge knapen, waarvan de Grieken uit den schoonstentijd hunner geschiedenis meenden, dat het hen zou vormen tot flinke, degelijke en brave mannen en tot goede staatsburgers. Als de knaap achttien of negentien jaar oud was, werd hij burger. Zijn naam werd geboekt als lid van een demos. Een zwaard en een schild werden hem gegeven, en hij werd opgeroepen, om een plechtigen eed af te leggen, dat hij den godsdienst zou eeren, dat hij zou strijden voor zijn vaderland, en dat hij ernaar zou streven, het beter achter te laten dan hij het had gevonden.De kop van een Griekschen jongeling, van voren en van ter zijde gezien.De kop van een Griekschen jongeling, van voren en van ter zijde gezien.De tijd van Pericles, of dat gedeelte van dien tijd, waarop Griekenland op het toppunt was van zijn roem, wordt gerekend geduurd te hebben van 445 vóór Christus tot aan 431 voor Christus, omdat, niettegenstaande bepaald was, dat het verdrag dertig jaar zou duren, het reeds na vijftien jaar verbroken werd. Gedurende die vijftien jaren was er vrede in het land der Grieken, in Perzië, Spanje, Italië, Gallië, in één woord in alle landen, die toen bekend waren. De eenige uitzondering was de opstand van twee leden van den Bond van Delos, Byzantium en Samos; maar het gelukte Pericles, die opstanden volkomen te onderdrukken. Die vijftien jaren waren de meest verheffende in de geschiedenis van Athene. De stad was rijk en krachtig, schoon en gelukkig, en toch duurde het slechts enkele jaren, of de Atheners waren zóó ongelukkig en deerniswaardig geworden, dat zij er ter nauwer nood aan ontkwamen, als slaven te worden verkocht.Hanengevecht.Hanengevecht.

Pop van aardewerk, op de Acropolis te Athene gevonden.Pop van aardewerk, op de Acropolis te Athene gevonden.

Pop van aardewerk, op de Acropolis te Athene gevonden.

Pericles hoopte nog steeds, dat de tijd zou aanbreken, waarop Griekenland door Athene zoude worden geregeerd, hoewel hij overtuigd was, dat de naijver van Sparta te eeniger tijd tot een oorlog zou leiden. Intusschen zou er gedurende een reeks van jaren vrede tusschen de beide staten zijn; van dien tijd maakte hij gebruik, om zijn stad schoon en machtig te maken. Het staatsbestuur was hoe langer hoe meer in handen van het volk gekomen, totdat er geen enkel ambt meer was, waartoe zelfs de armste man niet kon worden verkozen. Ten einde er voor te zorgen, dat iedereen in staat zou zijn, zijn werk in den steek te laten, om den staat te dienen, wist Pericles gedaan te krijgen, dat zij, die de verschillende ambten bekleedden, daarvoor zouden worden bezoldigd, en evenzoo zij, die in het leger of op de vloot of als rechters dienst deden. Er waren verscheidene duizenden van die rechters, en zelfs de ernstigste misdaden werden bijna zonder uitzondering door hen berecht. Somtijds zaten honderden juryleden in één enkele zaak. Zoo kwam het, dat duizenden Atheners in de ééne of andere betrekking geld van den staat ontvingen. De algemeene vergadering keurde al die veranderingen goed; men zag immers duidelijk in, dat Pericles niet werkte voor zijn eigen roem, maar voor dien van zijn stad; en hij was zóó redelijk, en kon zijn redenen zóó duidelijk blootleggen, dat het volk alles wat hij voorstelde goedkeurde. Hij had meer macht, dan ooit een koning had bezeten; maar dit was niet, omdat het volk bevreesd voor hem was, maar omdat hij zoo bekwaam in den oorlog, zoo verstandig in vredestijd was, enbovenal zoo volkomen onzelfzuchtig. Natuurlijk had hij ook vijanden, maar het meerendeel der Atheners zag tegen hem op als tegen den idealen Griekschen burger.

De Acropolis.De Acropolis.

De Acropolis.

Het Parthenon, gerestaureerd.Het Parthenon, gerestaureerd.

Het Parthenon, gerestaureerd.

Pericles was niet alleen een uitnemend soldaat en staatsman, maar hij had alles lief, wat schoon was. Al de Grieken trouwens hadden de schoonheid lief; zij hadden die lief, zooals men versche lucht en zonneschijn lief heeft. Het bracht hen uit hun humeur, leelijke dingen om zich heen te hebben; zij voelden zich dan onbehagelijk en somber. Reeds langen tijd vóór dezen hadden zij prachtige gebouwen en standbeelden, want reeds jaren lang waren er groote kunstenaars in Griekenland geweest; maar Pericles maakte het plan, de Acropolis met een groep tempels te overdekken, die de meesterstukken der Grieksche bouwkunst zouden zijn. De schoonste en edelste van deze was zeker wel het Parthenon, een prachtig gebouw van het zuiverste marmer, welke tempel aan Athene gewijd was. Hij had marmeren zuilen rondom, immers de Grieken konden zich geen grooten tempel voorstellen zonder zuilen. Er waren drie soorten van zuilen, waaruit kon worden gekozen, ten eerste de Corinthische zuil, die er uitziet, alsof het bovenste deel van de zuil omgeven is van een aantal marmeren bladeren, die op de meest sierlijke wijze zijn gebeeldhouwd; men verhaalt, dat dit denkunstenaar was ingegeven door een mand, die door iemand in een hoop bladeren van berenklauw geworpen waren. De tweede soort was de Jonische, waarvan de top of het kapiteel in twee rollen was gebeeldhouwd, die eenigszins op slakkenhuisjes geleken. En ten derde was er de Dorische zuil, die een stevig, eenvoudig kapiteel heeft. De Dorische zuil ziet er altijd stevig en eenvoudig uit; en het was deze, die door Pericles voor het Parthenon werd gekozen. Binnen in het gebouw was een standbeeld van Athene, negenendertig voet hoog. Dit was van ivoor vervaardigd, de draperie was van goud, en de pupillen der oogen waren waarschijnlijk van juweelen vervaardigd. In de ééne hand droeg zij een beeld der Overwinning, in de andere hand een speer en een schild. Om Athene heen kronkelde zich een slang, die het zinnebeeld was der wijsheid. Binnen de zuilenrij was een Fries, of een gebeeldhouwde band, die om het gebouw heenliep. Deze stelde den beroemden optocht voor, die eens in de vier jaren werd gehouden, en naar den tempel der godin trok, om een kostbaar kleed voor haar beeld aan te bieden. Er werden aan den tempel ook kleuren gevonden, blauw, rood en geel, en ook goud; maar de tinten waren uiterst fijn en met volmaakte bedrevenheid aangebracht. Die tempel was ongeveer vierentwintig eeuwen geleden gebouwd. Honderden prachtige bouwwerken zijn sedert dien tijd opgericht, maar zelfs in de puinhoopenvan het Parthenon ontdekken kunstenaars nog voortdurend nieuwe schoonheden. Zij vinden bij voorbeeld, dat in een aantal onderdeden, waar latere bouwmeesters rechte lijnen hebben gebruikt, het Parthenon kromme lijnen heeft. Zij vinden, dat, indien de zuilen iets dikker of iets hooger geweest waren, zij niet een zoo volmaakten indruk zouden gemaakt hebben. Zij vinden, dat de uiterste zuilen niet volkomen verticaal staan, maar iets naar binnen overhellen. Niemand kon dit zonder de meest nauwkeurige metingen ontdekken; maar die helling, hoe gering die ook was, droeg er toe bij, dat de tempel zóó sierlijk en harmonieus en tevens zóó stevig was, dat hij, toen hij voltooid was, den indruk maakte, dat hij het eenige gebouw was dat daar paste.

Gedeelte van het Fries van het Parthenon.Gedeelte van het Fries van het Parthenon.In het midden ziet men de goden Poseidon en Apollo, en de godin Demeter.

Gedeelte van het Fries van het Parthenon.

In het midden ziet men de goden Poseidon en Apollo, en de godin Demeter.

Erechtheum, gerestaureerd.Erechtheum, gerestaureerd.

Erechtheum, gerestaureerd.

Een CaryatideEen Caryatide(uit het Erechtheum).

Een Caryatide

(uit het Erechtheum).

De overige gebouwen op de Acropolis waren volkomen waardig, om naast het Parthenon te staan. Men had daar het Erechtheum, gewijd aan Athene en Poseidon, en binnen zijn gebied waren de heilige olijfboom en de zoutbron nog te zien. Er waren daar breede marmeren trappen, die naar de Acropolis leidden; er waren daar gaanderijen en zuilengangen; en er waren daar voorhoven, waarvan de zolderingen gedragen werden door sierlijke Caryatiden. In de buitenlucht, onder den helderen blauwen hemel, stond een ander standbeeld van Athene, dat zelfs grooter was dan het beeld op het Parthenon. Dit was vervaardigd van het Perzische brons, dat bij Marathon veroverd was.

De Discuswerper.De Discuswerper.(Naar het beeld door Myron vervaardigd.)

De Discuswerper.

(Naar het beeld door Myron vervaardigd.)

Het Theater van Dionysus, gerestaureerd.Het Theater van Dionysus, gerestaureerd.

Het Theater van Dionysus, gerestaureerd.

De kunstenaar, aan wien de glorie van de Acropolis tedanken is, was Phidias. Reeds vóór hem hadden kunstenaars uitnemend gelijkende standbeelden van tijdgenooten vervaardigd, Myron, onder anderen, had een discuswerper zóó getrouw naar het leven vervaardigd, dat men als het ware zich er over verbaast, dat de discus niet uit zijn hand vliegt; maar de kunstenaars hadden tot nu toe gemeend, dat de beelden van goden niet al te zeer mochten afwijken van de stijve, vormelijke figuren, waaronder zij in vroegere tijden waren voorgesteld. Phidias brak met die opvatting. Hij beeldde zijn goden uit als menschelijke wezens, maar grootscher en met meer majesteit dan de stervelingen. Eén van zijn meest beroemde werken was de Zeus van Olympia, een zóó prachtig beeld, dat de Grieken, als iemand stierf, die nooit te Olympia geweest was, plachten te zeggen: “Die man was inderdaad ongelukkig, immers hij is gestorven, zonder den Olympischen Zeus te hebben gezien.”Phidias was er zóó op gesteld, het beste voort te brengen wat denkbaar was, dat hij als men zijn werk kwam bezichtigen, zich zóó plaatste, dat men hem niet kon zien, ten einde ieder woord te hooren, dat zelfs de meest gewone sterveling bij wijze van critiek uitsprak. Zoo dikwijls hij meende, dat iemand een fout had ontdekt, hoe gering die ook was, rustte hij niet, voordat hij die had verbeterd.

Aeschylus.Aeschylus.(In het kapitool te Rome.)

Aeschylus.

(In het kapitool te Rome.)

Pericles liet eveneens het Odeon bouwen, een overdekte zaal, waar muziekwedstrijden werden gehouden, en hij verbeterde den schouwburg van Dionysus. In Griekenland was een schouwburg geen overdekt gebouw. Hij bestond uit rijen achter elkander van steenen zetels, die langs de helling van een heuvel opliepen en die een kring vormden om een vlakke ruimte, waar de tooneelstukken werden opgevoerd. Een schouwburg was meestal groot genoeg, om de geheele bevolking der stad op te nemen, waarin hij was opgericht. Sommige der tooneelspelen bevatten verhalen omtrent het leven der goden of edele daden van de oude Grieken. Deze werden tragedies genaamd. Zij waren meestal waardig, ernstig en droevig, maar zij bevatten dikwijls teedere en prachtige verzen. Het volk kwam van die schouwspelen terug met het ernstige voornemen de goden nog meer dan te voren te eeren, of dapper en vaderlandslievend te zijn als hun voorouders. Blijspelen werden eveneens opgevoerd. Deze waren dikwijls vol grappige toespelingen op de menschen en gebeurtenissen van den dag. De opvoering van treurspelen was een zóó goede leerschool voor godsdienst, geschiedenis en vaderlandsliefde, en de blijspelen hadden een zóó groote waarde, om de menschen te doen nadenken omtrent hetgeen in hun omgeving voorviel, dat Pericles wenschte, dat zelfs de armste burgers die konden bijwonen.Daarom bepaalde hij, dat de toegangsprijs door den staat moest worden betaald.

Sophocles.Sophocles.(In het Lateraansch Museum te Rome.)

Sophocles.

(In het Lateraansch Museum te Rome.)

Aristophanes.Aristophanes.

Aristophanes.

Slechts tweemaal in het jaar werden tooneelspelen opgevoerd; maar bij ieder feest werden er genoeg opgevoerd, om de zes maanden van stilstand goed te maken. Aan drie dichters werd toegestaan, ieder vier tooneelspelen aan te bieden. Nadat de tooneelspelen opgevoerd waren, werd door een commissie, door de Demen gekozen, bij stemming uitgemaakt, aan welken dichter de officieele prijs moest worden toegekend. Dertien maal werd deze toegekend aan een man, die zoowel krijgsman als schrijver was, en die dapper gestreden had bij Marathon, Salamis en Plataea. Dit was de dichter Aeschylus. Zijn treurspelen waren bijzonder schoon, maar zóó ernstig en zwaar, dat het volk na enkele jaren er als het ware genoeg van kreeg en den prijs toekende aan een schoonen, jeugdigen dichter, Sophocles genaamd, omdat zijn hoofdpersonen niet zoo ernstig en vormelijk waren, en meer op werkelijke personen geleken. Hij kon niet alleen tooneelspelen schrijven, maar ze ook voordragen, en die gave kwam hem op hoogen ouderdom uitnemend te stade. Eén van zijn zoons werd bevreesd, dat zijn vader zijn bezittingen zou wegschenken aan een boven de anderen geliefden kleinzoon. De groote tooneelschrijver werd voor het gerecht gedaagd, opdat de rechters uit eigen overtuiging konden nagaan, of zijn geest zoozeer was verzwakt, dat hij zich geen rekenschap van zijn daden kon geven. In plaats van eenig antwoord te geven, droeg Sophocles een gedeelte voor uit éénvan zijn tooneelspelen; en hij deed dit op zóó voortreffelijke wijze, dat er niemand was, die een oogenblik kon denken, dat zijn geestvermogens verzwakt waren. De rechters wezen den inhaligen zoon terecht en zonden hem toen weg. De derde groote treurspeldichter was Euripides. Men verhaalt, dat hij zijn naam ontleende aan den veldslag bij den Euripus, die kort vóór zijn geboorte geleverd werd. Het schijnt, dat hij zelfs nog meer kennis had van het menschelijke karakter dan Sophocles, en hij had de natuur lief. Het was voor hem een groot genot te schrijven over den oceaan, de rivieren, wolken, rotsen, wijngaarden en vogels. De grootste blijspeldichter was Aristophanes, die iets later leefde dan die drie treurspeldichters. Hij hield er van, den spot te drijven met zijn medeburgers, en zijn spot was zóó snijdend en geestig, dat de Atheners zich er tegen wil en dank mede vermaakten. In één van zijn blijspelen,De vogels, vluchten twee Atheners, die genoeg hebben van de vele processen in hun stad, van de menschen weg naar de vogels, en halen die over, een stad in de wolken te bouwen. Dit was een dankbaar onderwerp voor de Atheners, want niets scheen voor hen een zóó heerlijke uitspanning te zijn dan naar het gerecht te gaan en de behandeling van processen bij te wonen. Zij moeten hartelijk gelachen hebben, als één der spelers zeide:

“Want sprinkhanen zitten slechts één maand lang,Te tjilpen op een tak; maar de AthenerZit tjilpend en in twistgesprek het gansche jaar,En staart zich suf op wetsverklaring of bewijs.”

“Want sprinkhanen zitten slechts één maand lang,

Te tjilpen op een tak; maar de Athener

Zit tjilpend en in twistgesprek het gansche jaar,

En staart zich suf op wetsverklaring of bewijs.”

Herodotus en Thucydides.Herodotus en Thucydides.Naar een dubbel borstbeeld in het museum te Napels.

Herodotus en Thucydides.

Naar een dubbel borstbeeld in het museum te Napels.

De “Stad in de wolken” was een geestigheid ten kosteder Atheners, immers nog slechts twee jaren te voren hadden zij een veldtocht ondernomen, die totaal mislukt was.

Oude helmen.Oude helmen.

Oude helmen.

Er waren eveneens twee uitnemende oude geschiedschrijvers, die in de dagen van Pericles leefden, Herodotus en Thucydides. Aan Herodotus kunnen wij het voornaamste ontleenen van wat wij omtrent de Perzische oorlogen weten. De wereld was in die dagen, toen de beschaafde mannen slechts weinig daarvan gezien hadden, een niet zeer uitgestrekt gebied, en Herodotus had over het grootste gedeelte der toen bekende wereld rondgezworven. Waar hij ook heenging, zette hij zijn oogen wijd open en stelde hij met de grootste hardnekkigheid vragen. Daarna schreef hij op, wat hij gezien en gehoord had. Hij schrijft, alsof hij een verhaal vertelt. Als hij bij voorbeeld den tocht van Xerxes over den Hellespont beschrijft, breekt hij zijn verhaal af, om mede te deelen, wat voor soort mutsen of helmen de verschillende volken hadden, en wat voor soort van wapenen zij droegen, al die kleine bijzonderheden, die er toe medewerken een boek belangwekkend en boeiend te maken. Hij blijft bij ieder punt stilstaan, alsof hij er behagen in schept, dit in bijzonderheden te verhalen, en alsof hij zeker is, dat ook zijn lezers het gaarne hooren.

Vaas, Kruik en Beker.Vaas, Kruik en Beker.

Vaas, Kruik en Beker.

De overlevering—die zoo aardig is, dat men zou wenschen dat zij juist was—zegt, dat hij zijn geschiedenis bij de Olympischespelen voorlas, en dat onder zijn toehoorders een knaap was van vijftien jaar oud,Thucydidesgenaamd; toen nu die knaap de herhaalde toejuichingen en kreten van bewondering hoorde, zou hij tranen in de oogen hebben gekregen en tot zich zelf gezegd hebben: “Ook ik wil geschiedschrijver worden.”Thucydides werd een geschiedschrijver, niet minder beroemd dan Herodotus. Hij maakt bij zijn lezers niet den indruk alsof hij in het vertellen van een verhaal evenveel genot smaakt als Herodotus; maar hij is zóó helder en onpartijdig, en ziet zóó juist de redenen voor de gebeurtenissen die hij verhaalt, en legt ze zóó duidelijk en boeiend bloot, dat een aantal schrijvers van lateren tijd zijn werken herhaaldelijk hebben overgelezen, om te trachten, daaruit te leeren, op dezelfde wijze als hij, geschiedenis te schrijven.

Bronzen lamp in den vorm van een boot.Bronzen lamp in den vorm van een boot.(In 1862 gevonden op de Acropolis te Athene).

Bronzen lamp in den vorm van een boot.

(In 1862 gevonden op de Acropolis te Athene).

Een Grieksch huis.Een Grieksch huis.

Een Grieksch huis.

Zoo heerschte er dan groote voorspoed te Athene in de dagen van Pericles. De Atheners hadden slaven, die het zware werk deden, en die hun meesters den tijd lieten te genieten van poëzie en kunst en van hun schoone stad. Er was slechts weinig armoede, immers om al die prachtige nieuwe gebouwen op te richten, moesten er werklieden zijn, die hout, steen, koper, goud, en ivoor konden bewerken, en die wisten, hoe zij kleurstoffen konden gebruiken. Er was overvloedig werk tegen een goed loon voor de gewone handwerkslieden, en er was altijd behoefte aan schilders, beeldhouwers en alle soorten van kunstenaars. Daarenboven waren de Atheners volkomen op de hoogte van het vervaardigen van aardewerk en lampen, en van koperwerk van allerlei soort. Kapiteins en zeelieden waren noodig voor de schepen, die de vervaardigde voorwerpen naar vreemde landen brachten en scheepsladingen wijn, glas, huiden,zoutevisch, specerijen, papyrus, tapijten, goud en slaven terugbrachten. Athene ontving ieder jaar belangrijke geldsommen van de leden van den Bond van Delos. De andere staten verklaarden, dat het niet eerlijk was, dat Athene dat geld voor eigen doeleinden gebruikte, en sommigen onder de Atheners waren van dezelfde meening; zij zeiden, dat Pericles schande over de stad had gebracht, door bezit te nemen van den schat van Delos. Pericles en zijn partij antwoordden, dat de overige leden van den Bond het geld hadden gegeven ten einde tegen de Perzen en de zeeroovers beveiligd te zijn, en dat, nu toch Athene hen beschermde, het alleszins billijk was, dat zij het geld voor zich besteedde en de stad versierde met gebouwen enstandbeelden, die een eeuwige glorie voor den staat zouden zijn. De tegenstanders van Pericles antwoordden, dat er nu weinig gevaar was voor zeeroovers of voor Perzen; maar geen geld werd teruggegeven, en de bondgenooten werden steeds nog als onderworpenen behandeld. De Atheners hadden hun stad lief en waren er zóó trotsch op, dat zij de mooiste stad in Griekenland was, dat misschien zelfs zij, die met Pericles in meening verschilden, zich niet zóó tegen hem verzetten, als anders het geval zou geweest zijn.

Stoel, rustbank en voetbankje.Stoel, rustbank en voetbankje.

Stoel, rustbank en voetbankje.

Glazen drinkbeker bedekt met open bewerkt zilver uit Georgia, en zilver vergulde beker uit Ithaca.Glazen drinkbeker bedekt met open bewerkt zilver uit Georgia, en zilver vergulde beker uit Ithaca.

Glazen drinkbeker bedekt met open bewerkt zilver uit Georgia, en zilver vergulde beker uit Ithaca.

Hoezeer ook de Atheners hielden van prachtige tempels, zij stelden zich tevreden, te wonen in eenvoudige huizen met ruwe, onversierde zolderingen. Zij brachten zóóveel tijd buiten ’s huis door, dat een huis voor hen niets anders was dan een veilige plek voor hun gezin en hun bezittingen, en een schuilplaats tegen den storm. De zijde van het huis, die tegenover de straat gelegen was, had op de tweede verdieping eenige vensters, maar op de eerste verdieping was er niets dan een kleine deur. Hier klopte men aan, als men wilde binnenkomen, en evenzeer werd geklopt, als men op het punt stond uit te gaan, daar de deuren naar buitenopengingen en zóó zwaar waren, dat een voorbijganger gemakkelijk door een dergelijke deur kon worden gewond. Een slaaf zat in den nauwen voorhof, om op het eerste geklop open te doen. Aan het andere uiteinde was een binnenplaats met een rij pilaren er om heen. De kamers van het huis kwamen uit op die binnenplaats. Zij waren meestal niet ruim, en bevatten geen kostbaar huisraad. De stoelen en rustbanken en de voetbankjes waren alle goed gevormd en bijzonder schoon, maar niet kostbaar. De bedden waren wollen matrassen, uitgespreid op riemen of leeren reepen. Er waren verschillende soorten van kommen, kruiken en bekers, maar alle hadden sierlijke vormen, die het oog bekoorden; en vooral de lampen waren bijzonder sierlijk en smaakvol.

Sandalen.Sandalen.

Sandalen.

Een Athener.Een Athener.

Een Athener.

Een vrouw, die haar bovenkleed met een gordel vastmaakt.Een vrouw, die haar bovenkleed met een gordel vastmaakt.

Een vrouw, die haar bovenkleed met een gordel vastmaakt.

De kleeren der Grieken waren al even eenvoudig als de huizen. De Griek van goeden huize droeg een lang hemd zonder mouwen, of chiton, van wol of linnen vervaardigd, en daarover heen was een bijna vierkante mantel geslagen. De mantel was meestal wit, maar somtijds werden ook kleuren gedragen. De mantel moest volkomen naar den eisch gedrapeerd zijn, want als iemand zijn mantel bij ongeluk van rechts naar links had omgehangen in plaats van omgekeerd, kon hij er zeker van zijn, dat hij werd uitgelachen. De Grieken hadden geen hoeden of mutsennoodig, behalve als het regende, of, als zij genoodzaakt waren op reis te gaan in de gloeiende zon. De Griek van goeden huize droeg sandalen, of, als hij dit verkoos, liep hij barrevoets, maar hij mocht vooral zijn wandelstok en zijn zegelring niet vergeten. De Atheensche dames droegen een chiton met mouwen, en daarover een lang, los gewaad, dichtgemaakt met een gordel. Zij hadden niet alleen ringen aan haar vingers, maar dikwijls in haar ooren en om haar enkels. Kleine meisjes droegen lange kleeren, maar kleine jongens werden niet veel met eenigerlei kleeren lastig gevallen, tenzij het bijzonder koud was.

Jongen met kar en hond.Jongen met kar en hond.(Naar een Atheensche beschilderde vaas.)

Jongen met kar en hond.

(Naar een Atheensche beschilderde vaas.)

Handschrift van een Griekschen jongen. gevonden op de muren van een Grieksch huis.Handschrift van een Griekschen jongen. gevonden op de muren van een Grieksch huis.

Handschrift van een Griekschen jongen. gevonden op de muren van een Grieksch huis.

Als voedsel hadden de Grieken rundvleesch, lamsvleesch, varkensvleesch, ganzen, eenden en visch. Zij hielden bijzonder veel van lijsters, en waren steeds verontwaardigd op de vogelhandelaars, die lucht bliezen in de lichamen der vogels, om ze vetter te doen lijken. Er waren verschillende soorten van groenten en vruchten. Er was geen suiker, maar in plaats van suiker werd honig gebruikt, die zóó goed voldeed, dat de Atheensche koks beroemd waren om hun gebak. Er werd veel wijn gedronken, maar evenals in de dagen van Homerus achtten de Grieken uit den tijd van Pericles het gulzig en onbeschaafd, wijn, niet met water vermengd, te drinken.

Les in muziek en taal in een Grieksche school.Les in muziek en taal in een Grieksche school.(Naar een beschilderden beker. De schoolmeester zit rechts.)

Les in muziek en taal in een Grieksche school.

(Naar een beschilderden beker. De schoolmeester zit rechts.)

Huisindustrie.Huisindustrie.

Huisindustrie.

In de harten der Grieken, hoe druk zij het ook hadden, waseen ruime plaats voor de kinderen; en werd dan ook goed voor hun lichamelijke en geestelijke opvoeding gezorgd. Zij hadden evenzeer als de jongens en meisjes uit onze dagen ruim tijd voor spelen, en zij speelden ook veel, en dezelfde spelen als in onzen tijd. De meisjes hadden poppen, van was of van klei vervaardigd, en de jongens hadden tollen, ijzeren hoepels, hobbelpaarden, wagens en vliegers. Er waren ook stelten, schommels en wipplanken. Zij kenden verschillende balspelen, en blindemans- en krijgertje-spelen. Totdat de kinderen omstreeks zeven jaar oud waren, speelden de jongens en meisjes samen en werden zij bijna op dezelfde wijze behandeld; maar na dien tijd veranderde de toestand, daar de jongens de school moesten bezoeken. Terwijl dan het meisje thuis bleef en van haar moeder leerde lezen en schrijven en de huishouding besturen, werd de jongen toevertrouwd aan de zorg van een slaaf, die hem naar school bracht, hem weer naar huis geleidde, zijn schrijfgereedschappen droeg, en oplette, dat hij zich opstraat behoorlijk gedroeg en geen ongelukken kreeg. De jongen leerde het alphabet en leerde daarna lezen. Geen slordig lezen werd geduld. Ieder woord moest duidelijk en juist worden uitgesproken, en iedere gedachte moest behoorlijk geuit worden, voordat de meester tevreden was. De jongen leerde schrijven op een schrijftafeltje, met was bedekt. Hij teekende de letters met een kort, gepunt werktuig, van been of metaal, stylus genoemd; daarna werd de was weer gladgestreken en weer voor hem gereed gemaakt, om een ander opschrift te maken. Nadat hij had leeren schrijven, moest hij alles opschrijven, wat de meester voorlas. Die dictees waren geen eenvoudige kinderverhaaltjes; het was een uittreksel uit de Ilias en de Odyssee, sommige spreuken van Hesiodus, of het een of ander sierlijk Grieksch gedicht van Pindarus of Simonides. De jongen behoefde niet snel te schrijven, maar wel duidelijk en nauwkeurig, want den volgenden dag werd hij voor de klasse geroepen en moest hij voorlezen, wat hij had geschreven. Hij kreeg tevens onderwijs in rekenen, zingen, het bespelen der lier, en somtijds ook in teekenen. Hij leerde dansen, hardloopen, springen, worstelen, de jachtspies en den discus werpen. Het was niet waarschijnlijk, dat velen der jongens ooit een prijs zouden behalen bij de Olympische spelen, maar van iedereen werd geëischt, dat hij zijn lichaam krachtig maakte en leerde zijn spieren te gebruiken en te oefenen. Al was een jongen niet in staat een prijs bij het hardloopen te winnen, toch kon hij leeren, zich behoorlijk te bewegen, en zóó sierlijk en gemakkelijk te draven, dat het een genot was naar hem te zien. Dit was het onderwijs voor jonge knapen, waarvan de Grieken uit den schoonstentijd hunner geschiedenis meenden, dat het hen zou vormen tot flinke, degelijke en brave mannen en tot goede staatsburgers. Als de knaap achttien of negentien jaar oud was, werd hij burger. Zijn naam werd geboekt als lid van een demos. Een zwaard en een schild werden hem gegeven, en hij werd opgeroepen, om een plechtigen eed af te leggen, dat hij den godsdienst zou eeren, dat hij zou strijden voor zijn vaderland, en dat hij ernaar zou streven, het beter achter te laten dan hij het had gevonden.

De kop van een Griekschen jongeling, van voren en van ter zijde gezien.De kop van een Griekschen jongeling, van voren en van ter zijde gezien.

De kop van een Griekschen jongeling, van voren en van ter zijde gezien.

De tijd van Pericles, of dat gedeelte van dien tijd, waarop Griekenland op het toppunt was van zijn roem, wordt gerekend geduurd te hebben van 445 vóór Christus tot aan 431 voor Christus, omdat, niettegenstaande bepaald was, dat het verdrag dertig jaar zou duren, het reeds na vijftien jaar verbroken werd. Gedurende die vijftien jaren was er vrede in het land der Grieken, in Perzië, Spanje, Italië, Gallië, in één woord in alle landen, die toen bekend waren. De eenige uitzondering was de opstand van twee leden van den Bond van Delos, Byzantium en Samos; maar het gelukte Pericles, die opstanden volkomen te onderdrukken. Die vijftien jaren waren de meest verheffende in de geschiedenis van Athene. De stad was rijk en krachtig, schoon en gelukkig, en toch duurde het slechts enkele jaren, of de Atheners waren zóó ongelukkig en deerniswaardig geworden, dat zij er ter nauwer nood aan ontkwamen, als slaven te worden verkocht.

Hanengevecht.Hanengevecht.

Hanengevecht.

Hoofdstuk XIV.De strijd tusschen Athene en Sparta, of de Peloponnesische oorlog.Terwijl Athene rijk was geworden en in kracht en schoonheid was toegenomen, had Sparta haar oude, eenvoudige en ruwe levenswijze volgehouden. Er waren daar geen luisterrijke gebouwen, geen standbeelden, geen prachtig snijwerk, geen kunstig borduurwerk. De overweging, dat een volk, dat belangstelde in zulke dwaze dingen, aanspraak zou maken op de leiding of hegemonie van Griekenland, wekte hoe langer hoe meer de verachting en den haat van hun mededingers op. Zij waren overeengekomen, den vrede gedurende dertig jaren te handhaven, maar zij hadden er geen spijt van, dat een daad der Atheners hun een voorwendsel bood, dien vrede te verbreken.De strijd begon niet in Athene of in Sparta zelf, maar op grooten afstand, in de Jonische Zee in de nabijheid van het eiland Corcyra. Er waren moeilijkheden ontstaan tusschen Corcyra en de moederstad, Corinthe, en in een zeeslag had het eiland de overwinning behaald. Toen de bewoners van Corcyra zagen, hoeveel schepen Corinthe bouwde, werden zij beangst en vroegen, zich aan het Atheensche Verbond te mogen aansluiten. Het was een moeilijk punt voorde Atheners, te beslissen, welk antwoord zij zouden geven. De bewoners van Corcyra zeiden, dat de Vrede van Pericles iedere stad, die niet reeds tot een bond behoorde, toestond, zich bij de Atheners of de Peloponnesiërs te voegen. “Maar,”zoo weerlegden dit de Corinthiërs, “niet met de uitdrukkelijke bedoeling, een lid van den anderen bond schade te berokkenen.”De Atheners waren in een lastige positie. Zij waren overtuigd, dat er vroegerof later een oorlog zou uitbreken tusschen hen en de Spartanen. Corinthe was een bondgenoot van Sparta, en als zij Corcyra overwon en haar vloot bij die van Corinthe voegde, zou zij te water veel krachtiger zijn dan de Atheners aangenaam was. Daarbij kwam, dat Corcyra een niet te verwerpen bondgenoot was, niet alleen omdat zij een groote vloot had, maar ook omdat het eiland een uitnemend geschikte pleisterplaats was op weg naar Italië, en bovendien ook, omdat, als de Spartanen ooit een aanval op de kust zouden doen, het heel wat waard zou zijn, een bondgenoot zoo dicht in de nabijheid te hebben. De Atheners konden evenmin besluiten die schepen of de vriendschap van het eiland te verliezen, als brutaal het verdrag te verbreken. Zij besloten ten slotte in de zaak iets toe te geven, en die zóó te regelen, dat zij er in toestemden tien schepen in de Jonische Zee te zenden, “niet om te vechten met de Corinthiërs, maar om Corcyra te beschermen,”zoo noemden zij het. Toen een tweede zeeslag geleverd werd tusschen Corinthe en Corcyra, trachtten de Atheners in het begin alleen de Corinthische schepen te hinderen, zonder ze feitelijk aan te vallen; maar toen de Corcyreërs begonnen het onderspit te delven en zich begonnen terug te trekken, vergaten de Atheners alle bepalingen van den vrede van Pericles, en vochten zij even verwoed, alsof zij nooit iets van een dergelijken vrede hadden vernomen.Sparta en de overige staten van den Peloponnesus waren verontwaardigd, en spoedig hielden zij dan ook een soort van terechtszitting om over de stad te vonnissen. Verschillende steden verhaalden, hoe onrechtvaardig Athene haar had behandeld. Zij zeiden, dat Athene oneerlijk was en voortdurend trachtte het oppergezag uit te oefenen over telkens meer staten. Er waren toevallig enkele Atheensche afgevaardigden in Sparta om andere zaken te behandelen, en zij vroegen verlof in de vergadering het woord te mogen voeren. Zij gaven een overzichtvan wat Athene in den Perzischen oorlog had gedaan, en toonden aan, dat zij werkelijk de redster van geheel Griekenland was geweest. “Onze bondgenooten kwamen uit eigen beweging,”zoo spraken de afgevaardigden, “en vroegen ons, hun leidslieden en beschermers te zijn. Ons werd een rijk aangeboden; kan het u verwonderen, dat wij het aannamen en weigerden het weer af te geven?” Nadat de afgevaardigden en de vreemdelingen vertrokken waren, begonnen de Spartanen de zaken te bespreken. Zij beslisten, dat de Atheners het verdrag hadden verbroken. Daarna begonnen beide landen zich voor den oorlog toe te rusten.Pericles wist, dat de Spartanen Attica zouden plunderen en verwoesten; daarom overreedde hij de Attische landbouwers, binnen de muren der stad te komen. Er werden toen lange rijen diep bedroefde mannen, vrouwen en kinderen gezien, die langzaam naar Athene optrokken. Hun rug was gebogen onder zware lasten; zij wisten immers zeer goed, dat alles wat zij achterlieten, zou worden vernield. Van de Acropolis konden zij hun woningen zien en hun akkers met rijpend koren. Een tijd later zagen zij den rook opstijgen uit de brandende huizen, zij zagen de korenvelden vertrapt, afgesneden en vernield door de Spartanen. Het is dus niet te verwonderen, dat zij uitriepen: “O Pericles, voer ons naar buiten om te strijden;voerons naar buiten, zooals een veldheer betaamt.”Maar Pericles zeide: “Neen”. Reeds lang te voren had hij gezegd: “De Spartanen zijn krachtig te land, maar onze kracht ligt op zee.”Daarom had hij schepen gezonden, om rondom den Peloponnesus te kruisen en alle mogelijke schade aan te richten, maar hij wilde niet buiten de muren van Athene gaan, om den vijand in een veldslag te land te ontmoeten. De Spartanen keerden naar huis terug, na de velden te hebben verwoest. Zij hadden even gemakkelijk naar de maan kunnen vliegen als door de stevige muren van Athene heen te breken. In een volgend jaargetijdehadden zij echter een helper, die niet op de lijst van hun bondgenooten had vermeld gestaan; immers de pest brak uit in de stad, waarin een zoo groote menschenmassa was opgehoopt, en een groote menigte menschen kwam om. De pest brak ten tweeden male uit; en nu verloor Athene den eenigen man, die haar had kunnen redden, immers spoedig lag Pericles op zijn sterfbed. Zijn vrienden zaten om zijn bed, treurend en samen over zijn overwinningen sprekend. Plotseling opende de stervende zijn oogen en zeide: “Gij legt den nadruk op die door mij verrichte daden, hoewel heel wat andere veldheeren hetzelfde hebben gedaan; maar gij vergeet het meest eervolle gedeelte van mijn persoonlijkheid, en wel dit, dat nooit door mijn toedoen één Athener in rouw is gedompeld.”Atheensch schip met drie rijen roeibanken.Atheensch schip met drie rijen roeibanken.(Naar een bas-relief, op de Acropolis te Athene gevonden.)Nu brak de tijd aan, dat Athene wel had mogen wenschen, dat haar bondgenooten ook haar vrienden waren geweest, want haar bereikte de tijding, dat Mytilene, een stad op het eiland Lesbos, in opstand was gekomen; Mytilene had een groote vloot, en daarom zou het verlies van Mytilene van groot gewicht zijn. Atheensche troepen werden onmiddellijk weggezonden, om de stad te belegeren, de Spartaansche troepen, die beloofd waren, kwamen eerst zeer traag ter hulp, zoodat Mytilene ten slotte genoodzaakt was zich over te geven. Zij was in handen gevallen van een wreeden meester, want de Atheners waren niet alleen verontwaardigd over den opstand, maar bovendien in groote vrees, dat er nog andere steden in opstand zouden komen. Zonder één oogenblik van ernstig nadenken besloten zij, dat alle volwassen mannen in Mytilene gedood zouden worden en iedere vrouw en ieder kind als slaaf zou worden verkocht. Als Pericles nog in leven ware geweest, zou een zoo onmenschelijk besluit nooit zijn genomen, maar de Atheners stonden nu sterk onder den invloed van een zekeren Cleon. “Weest toch niet barmhartig jegens hen,”zeide hij, “straft hen zooals zij u zouden hebben gestraft, als zij haddenoverwonnen.”Weest vergevensgezind en deugdzaam, als gij wilt, maar wacht totdat vergevensgezindheid en deugd niet langer gevaarlijk zijn.”Het besluit werd dus genomen, hoewel het betere gedeelte der Atheners er zich zóózeer over schaamde, dat zij den volgenden dag een tweede vergadering uitschreven en het besluit vernietigden. Maar het schip met drie rijen roeibanken, dat het besluit moest overbrengen, was den vorigen nacht uitgezeild. Zou het mogelijk zijn, het nog in te halen? “Wij zullen wijn en gerst voor de bemanning verschaffen,”riepen de afgezanten der Mytileners uit, “en ieder van hen zal een ruime belooning ontvangen, als zij het eerst het eiland bereiken.”De roeiers sprongen op hun zetels. De helft van hen roeide over dag, de andere helft des nachts, en zij aten hun gerstebrood, met wijn en olie gekneed, onder het roeien. Toch had het eerste schip een te grooten voorsprong. Het besluit was reeds voorgelezen, en reeds was men op het punt, het bevel te geven het uit te voeren, toen het tweede schip landde. Een afgezant holde van het strand naar den aanvoerder,en de Atheners werden verlost van de schande, een zoo barbaarsche slachting aan te richten. De straf, die zij oplegden, was nog streng genoeg, immers zij doodden duizend der opstandelingen, die het meest op den voorgrond waren getreden, namen de schepen der bewoners van Mytilene, en gaven hun land aan de Atheensche burgers, om daar een volksplanting te stichten.Toren met ophaalbrug en Ram.Toren met ophaalbrug en Ram.(Gebruikt bij de belegering van een ommuurde stad.)Dit was de wijze, waarop de Atheners hun barmhartigheid uitoefenden. Hetzelfde jaar openbaarde zich de barmhartigheid der Spartanen bij Plataea. Deze waren uitgetrokken om Plataea te veroveren, daar die kleine stad een zoo trouwe vriend van Athene was. “Maar de Spartanen, in vereeniging met de overige staten, legden een plechtigen eed af, dat onze stad voor eeuwig onafhankelijk zou zijn,”zoo spraken de inwoners van Plataea. “Wat gij zegt, is waar,”antwoordden de Spartanen. “Geniet van uwe onafhankelijkheid, maar helpt ons de staten te bevrijden, die nu door Athene worden geregeerd.”Plataea echter wilde de Atheners niet in den steek laten, en het beleg begon. Thucydides schreef de geschiedenis van den Peloponnesischen Oorlog, en daarin wordt een verhaal gegeven van het beleg van Plataea op zijn gewone heldere, nauwkeurige, belangwekkende wijze van schrijven. Eerst hakten de Spartanen boomen om, en maakten een palissade rondom de stad, zoodat niemand de stad in of uit kon gaan. Zij hadden een verschansing noodig, hoog genoeg, om hen in staat te stellen de stad te beschieten, en zij begonnen zulk een verschansing bij den muur op te richten, door houtblokken dwars over elkander te stapelen, en de leege ruimten op te vullen met steen, aarde en stukken hout. Dag en nacht werkten zij tien weken lang door. Zij merkten echter, dat op de ééne of andere wijze de verschansing niet zoo snel voltooid werd als zij zich hadden voorgesteld, en eindelijk ontdekten zij, dat de Plataeërs een gat hadden gegraven onder in den muur, en kalm de losse aardevan de verschansing in de stad brachten. Ondertusschen maakten zij ook den muur hooger, door dien op te bouwen met steenen en hout van hun eigen huizen. De Spartanen zouden dit alles in brand hebben kunnen steken met brandende pijlen, maar de Plataeërs waren verstandig genoeg, zware gordijnen van huiden en vellen daarvoor te hangen. De belegeraars waren besloten, dat er van hun verschansing niet meer zou worden gestolen, en daarom gebruikten zij in plaats losse modder, groote hoeveelheden klei en riet, aan elkander gebonden. Toch werd de verschansing niet hooger. De belegeraars verbaasden er zich over, hoe dit mogelijk was. Eindelijk ontdekte iemand, dat die slimme Plataeërs een tunnel hadden gegraven van de stad naar de verschansing, en op hun gemak de bundels klei en riet naar binnen haalden. En dit alles was nog niet alles, immers zij bouwden ook een binnenmuur in den vorm van een halve maan. De havens raakten den buitenmuur en de kromming was naar de stad gericht. Indien dus de Spartanen den buitenmuur hadden genomen,zouden zij nog altijd den binnenmuur moeten vermeesteren, maar dit zou nog niet zoo gemakkelijk zijn met de Plataeërs tegenover zich en aan beide vleugels. De Spartanen begrepen natuurlijk de moeilijkheid ook, en brachten daarom ontzaglijke stormrammen aan; doch de Plataeërs hadden twee manieren om die rammen onschadelijk te maken. Eén manier was, om een strik daarover neer te laten en ze zoo op te trekken. Een tweede manier was, om zware balken daarover neer te hangen en loodrecht daarop. Als de machine goed was opgesteld en op het punt was, een vreeselijken stoot tegen den muur te geven, ging de balk naar beneden en werd de kop van den ram afgestooten. Daarna besloten de Spartanen de stad te verbranden. Zij wierpen groote hoeveelheden hout over den muur en stapelden massa’s hout op tusschen de verschansing en den muur. Zij smeerden stokken in met pik en zwavel, staken die in brand en wierpen die het hout achterna. Thucydides zegt, dat nooit zulk een brand door menschenhanden was aangestoken. Er zou voor de Plataeërs geen redding mogelijk zijn geweest, indien niet een plotselinge storm de vlammen had gedoofd. Toen bouwden de Spartanen twee muren, op een afstand van elkander van zestien voet, en die de geheele stad omsloten. Tusschen die muren waren de verblijfplaatsen der soldaten; zoodat, als het werk gedaan was, het geleek op één zeer dikken muur met aan beide zijden een gracht. Zoodra dit werk voltooid was, ging het hoofdleger weg, met achterlating van een sterke wacht.Een met de hand gestooten Ram.Een met de hand gestooten Ram.Toen de winter aanbrak en het voedsel schaarsch begon te worden, trok een groot aantal Plataeërs in een donkeren, stormachtigen nacht, de binnenste gracht over, die vol was met ijsschotsen, zetten ladders overeind, en slaagden er in, den muur over te komen en de buitenste gracht over te steken. “De Spartanen zullen verwachten, dat wij zullen trachten naar Athene te ontkomen,”zeiden zij, “laat ons dus in de richtingvan Thebe trekken.”Toen zij haastig door de duisternis omkeken naar den weg naar Athene, konden zij de fakkels hunner vervolgers zien. Na korten tijd slopen de vluchtelingen naar de heuvels en daarna langs nauwe paden naar beneden, en spoedig werden zij te Athene verwelkomd door de vrouwen en kinderen, die daarheen waren gezonden voordat het beleg begonnen was.Pylos.Pylos.Er waren nu enkele vrouwelijke bedienden en twee honderd vijf en twintig mannen binnen de muren van Plataea; deze waren door gebrek aan voedsel te zwak, om langer de stad te verdedigen. De Spartanen zouden haar door bestorming hebben kunnen innemen, maar als de oorlog ophield, zouden steden, die door bestorming waren genomen, waarschijnlijk aan haar vroegere heerschers worden teruggegeven, terwijl die, welke zich hadden overgegeven, door de overwinnaars zouden gehouden worden. “Wilt gij u overgeven, als wij u een eerlijke kans laten?” vroegen de Spartanen, en de uitgehongerde bevolking gaf het op. De Thebanen haatten de Plataeërs, en de Spartanen wenschten de Thebanen een genoegen te doen; daarom bestond de “eerlijke kans” hoofdzakelijk uit de vraag: “Hebt gij den Spartanen of hun bondgenooten in dezen oorlog diensten bewezen?” Daar ieder Plataeër ten antwoord gaf “Neen,”werd hij weggevoerd en ter dood gebracht. Iedere mannelijke inwoner van Plataea werd gedood, en de vrouwelijke bedienden werden als slavinnen verkocht. Dit was de barmhartigheid der Spartanen.Een oorlog tusschen mannen van eenzelfde ras is altijd erger dan andere oorlogen, daar iedere partij overtuigd is, dat de tegenpartij moet begrijpen, dat zij ongelijk heeft; en deze oorlog werd hoe langer hoe wreeder. In bijna iedere stad waren er twee partijen,—de ééne partij was van oordeel, dat het volk als één geheel moest regeeren, zooals in Athene; de andere meende, dat de regeering moest zijn in handen van enkelen. Die beide partijen twistten en streden met elkander. Zonen doodden hun vaders, vaders doodden hun zonen. Indien twee personen elkander vijandig gezind waren, was het zeker, dat één van beiden een moordenaar zou worden. Als iemand geld schuldig was, bevrijdde hij zich van zijn schuld, door zijn schuldeischer te dooden. De geheele Grieksche wereld scheen wel krankzinnig te zijn geworden, niet alleen het vasteland van Griekenland, maar ook de eilanden en zelfs ook de koloniën in Italië en Sicilië. De beide partijen in dezelfde stad trachtten elkander te dooden; Atheensche schepen voeren de zee over, om de ééne of andere stad te helpen, en men kon er zeker van zijn, dat Spartaansche schepen met den meest mogelijken spoed de vijanden der stad te hulp kwamen. Zes jaren lang hield de strijd te land en ter zee onafgebroken aan.In het zevende jaar was een Atheensche vloot, door een storm overvallen in de haven van Pylos, op de kust van Messenië, binnengevallen. Dit was volkomen in overeenstemming met den wensch van den aanvoerder, Demosthenes,1immers hij wilde een plan voorstellen aan de overige aanvoerders. “Laat ons deze plaats versterken. Wij zijn slechts 75 kilometers van Sparta verwijderd; de Messeniërs zullen ons helpen, en wij kunnen van hieruit den vijand groot nadeel berokkenen.” De overige aanvoerders voelden niets voor dit plan. “Indien gij het openbare geld wilt weggooien,”zoo spraken zij, “dan zijn er een menigte andere verlaten voorgebergten, die gij kuntversterken.”De storm raasde nog steeds voort, en de schepen konden de haven niet verlaten. Het is mogelijk, dat de soldaten door het lange oponthoud zich verveelden en onrustig werden; doch wat ook de reden moge zijn, eindelijk werd hun toestemming gegeven het fort te bouwen. Zij hadden geen gereedschappen om steenen te fatsoeneeren, daarom pasten zij ze aan elkander, zoo goed zij dat konden. Zij hadden niets om er de metselkalk in te dragen, daarom stapelden zij die op hun rug en hielden hun handen daartegen aan, om te beletten, dat de kalk afviel; en zoo werd het fort gebouwd.Grieksch schip in steen gehouwen.Grieksch schip in steen gehouwen.Toen de Spartanen van dien zoo eigenaardigen bouw hoorden, lachten zij. “Het zal gemakkelijk zijn, dit, zoodra wij willen, neer te halen,”zeiden zij, “zelfs als de Atheners niet wegloopen, als zij ons zien naderen.”Toch kwamen zij tot het besluit, dat het in ieder geval het best was, zoo spoedig mogelijk zich van het fort te bevrijden, en eveneens van de Atheensche schepen, die op wacht lagen; daarom zonden zij een vloot en een flink aantal soldaten. De soldaten werden aan land gezet op een lang, smal eiland, Sphacteria genaamd, dat bijna de haven van Pylos insloot. De Spartaansche schepen zeilden de haven binnen, en trachtten gedurende enkele dagen het ruwe, kleine fort te veroveren. Toen kwam de Atheensche vloot op hen aanvliegen, daar zij verzuimd hadden de haven af te sluiten. De Spartanen op de kust waren wanhopend, daar hun vrienden op Sphacteria hulpeloos waren. Gewapend als zij waren, sprongen zij te water en trachtten hun ledige schepen van de Atheners weg te trekken. Thucydidesdrukt dit zoo uit: “De Spartanen leverden van het land af een zeegevecht, en de Atheners leverden van hun schepen af een gevecht te land.”Er waren een zóó groot aantal van hun voortreffelijkste mannen op het eiland, dat de Spartanen besloten, de Atheners om vrede te vragen. De Atheners zouden daarin waarschijnlijk hebben toegestemd, indien Cleon zich daartegen niet had verzet. Na den dood van Pericles had Cleon alles gedaan om het volk genoegen te doen en hen er van af te houden, den raad van verstandiger mannen te volgen. Hij overreedde nu de Atheners, te weigeren vrede te sluiten, tenzij op zóódanige voorwaarden, als hij wist, dat de Spartanen niet zouden aanvaarden. Hij deed dit, daar hij meende, dat er voor hem beter gelegenheid was, zijn macht te doen toenemen in oorlogstijd, dan als er vrede was.De Atheners waren altijd wispelturig en veranderlijk, en spoedig wendden zij zich boos tegen Cleon. “Waarom hebt gij ons afgeraden vrede te sluiten?” vroegen zij. “Onze manschappen in Pylos zullen van honger omkomen. Wij kunnen nu reeds nauwelijks voedsel voor hen krijgen, en als de winter aanbreekt, zullen zij zich zeker moeten overgeven. De Spartaansche soldaten op het eiland zijn veilig en hebben het goed. De Spartanen betalen een ruime som aan iedereen, die de blokkade verbreekt en hun voedsel brengt. Als hij een Heloot is, maakt één korte tocht hem onmiddellijk vrij. Honderden Heloten duiken en zwemmen naar de overzijde, en trekken achter zich aan huiden met fijngestampt lijnzaad en papaverzaad, met honig vermengd. Zoo dikwijls er een krachtige zeewind is, zeilen zij ’s nachts uit en komen met het aanbreken van den dag aan de zeezijde van het eiland plotseling te voorschijn. De Atheners op Sphacteria hebben overvloed van meel en wijn en kaas, terwijl de Atheners in Pylos van honger omkomen. [** ” verwijderd] Het is uw schuld; waarom hebt gij geweigerd vrede te sluiten?”Cleon kon niets anders tot zijn verdediging aanbrengen dan te morren over de legeraanvoerders. “Zij zouden gemakkelijk naar Sphacteria kunnen zeilen en de Spartaansche soldaten gevangen nemen,” zoo luidde zijn antwoord. “Dat zou ik ten minste doen, als ik legerbevelhebber was.”Eén der legeraanvoerders, Nicias,was tegenwoordig. “Voor zoover de legeraanvoerders betreft, kunt gij zooveel soldaten nemen als gij wilt en het beproeven. Hier, in tegenwoordigheid van deze vergadering, sta ik u het opperbevel af.” “Neem het, neem het,”riep het volk. “Wij stellen u tot aanvoerder aan. Zeil nu weg naar Pylos.”De wispelturige Atheners hadden alles vergeten omtrent het lijden van hun soldaten, en hadden er groot genot in, te zien, hoe Cleon in angst zat. Hij begreep, dat hij zich òf voor goed op den achtergrond moest plaatsen, òf het opperbevel moest op zich nemen. Hij trachtte zich zoo moedig mogelijk voor te doen en wendde zich tot de Atheners: “Ik ben niet bang voor de Spartanen,”antwoordde hij. “Binnen twintig dagen zal ik ze op de plaats zelf dooden of ze levend naar u toebrengen.”Het grauw barstte in lachen uit, en de meer verstandigen onder de menigte verheugden zich evenzeer als het grauw juichte. “Wij zullen Cleon niet meer terugzien, als hij niet inderdaad de Spartanen gevangen neemt.”Niemand verwachtte zelfs maar één oogenblik, dat het den pocher zou gelukken, te volbrengen, wat hij had beloofd, maar toch bracht hij werkelijk binnen twintig dagen omstreeks driehonderd gevangenen naar Athene. Dit was aldus in zijn werk gegaan. Toen Cleon het eiland Sphacteria bereikte, bleek het hem, dat het bosch, dat het grootste gedeelte van het eiland had bedekt, verbrand was. Het land was schoon geveegd, en de opperbevelhebber was juist op het punt een aanval te doen op de gevangenen. Cleon had geen vast plan, en sloot zich dus maar hierbij aan. Er werd een hardnekkig gevecht geleverd, maar eindelijk lieten de Spartanen hun schilden zakken enzwaaiden zij hun handen; zij onderwierpen zich. Geheel Griekenland was nu in verbazing. Kon dit hetzelfde ras zijn, dat bij de Thermopylae had gestreden totdat de laatste man gesneuveld was? De Atheners konden nauwelijks gelooven, dat het mogelijk was, dat de Spartanen zich hadden overgegeven. Zij juichten over hun overwinning, en toen de Spartanen weer om vrede smeekten, weigerden zij dit.Zeilschip uit de dagen van Brasidas.Zeilschip uit de dagen van Brasidas.Zoo duurde de oorlog voort, en aan weerszijden werden de troepen hoe langer hoe wreeder en ruwer. De aanzienlijken uit Corcyra begunstigden Sparta en spanden samen tegen het gemeene volk, dat op de hand van Athene was. Door een list werden de aanzienlijken gevangen genomen en werden toen met ontzettende wreedheid ter dood gebracht. Tot nu toe waren de Atheners in hoofdzaak de winnende partij geweest. Zij hadden getracht Delium in Boeotië in te nemen, doch dit was hun niet gelukt; maar zij hielden Pylos bezet, welke plaats de sleutel voor Messenië was, en Cythera, dat een krachtige steun voor Laconië was geweest; en honderd van de meest op den voorgrond tredende Spartanen waren hun gevangenen. De Spartanen hadden jaarlijks een strooptocht in Attica gedaan, en hadden ook heel wat in andere streken gevochten, maar zij waren geen stap nader gekomen tot hun doel dan zeven jaren te voren: het overwinnen der Atheners. Gelukkig voor hen trad een nieuwe veldheer op het tooneel, Brasidas. Hij was zoo vastbesloten als eenig Spartaan, en zoo helder van oordeel en zoo snel van opvatting als eenig Athener. Hij overdacht de zaken en redeneerde aldus: “Als wij weer een nieuwen strooptochtin Attica doen, zullen de Atheners onze honderd burgers ter dood brengen. Het beste wat wij kunnen doen, is ons naar Thracië te begeven, en wij kunnen er zeker van zijn, dat meer dan één Thracische stad ons welkom zal heeten. Thracië is rijk en heeft uitgestrekte bosschen. Met Thracië als vrienden kunnen wij schepen bouwen, en wij behoeven dan niet bevreesd te zijn, als wij met de Atheners op zee handgemeen worden.”Zoo sprak Brasidas. De Spartanen meenden, dat dit een onredelijk, ondoordacht plan was; maar één zaak was sterk in het voordeel van Brasidas: hij bezat omstreeks duizend manschappen, die hij in verschillende plaatsen van den Peloponnesus had gehuurd, en het eenige wat hij Sparta vroeg, was, hem zevenhonderd Heloten te geven. “Laat het hem in ieder geval beproeven,”zeiden de Spartanen. “De Heloten staan op het punt in opstand te komen, en het is niet kwaad, dat er onder hen een opruiming komt. Laat hem een paar steden innemen, en als de oorlog is afgeloopen, kunnen wij die tegen Pylos inruilen.”Zoo vertrok Brasidas naar Thracië en Macedonië. Hij was niet alleen een sluw en geslepen man, maar hij wist ook te spreken, te redeneeren en te overtuigen. Hij bracht zelfs stammen, die met de Atheners bevriend waren, er toe, hem verlof te geven door hun gebied te trekken; en half door overreding, half door bedreigingen wist hij verschillende steden in Thracië en Chalcidice er toe te brengen, zich aan hem te onderwerpen. De Atheners hadden gehoord wat hij deed, en nu kwamen zij op hem af. Cleon was hun aanvoerder, en hij was zóó opgeblazen door zijn overwinning bij Pylos, dat hij het als de natuurlijkste zaak ter wereld beschouwde, dat hij zou overwinnen. Hij had flinke soldaten, maar zij hadden geen vertrouwen in hun aanvoerder. Bijna de helft van de manschappen van Brasidas waren Heloten, en hoewel zij slavenwaren, wantrouwde hij hen geen oogenblik en had hij den moed, hun zijn volle vertrouwen te schenken. Even vóór den aanval op Amphipolis, de krachtigste Atheensche volksplanting in Macedonië, deelde hij hun mede, hoe hij van plan was den aanval uit te voeren. Zijn laatste woorden tot hen waren: “Laat den moed niet zinken, denkt aan alles wat op het spel staat, en ik zal u laten zien, dat ik niet alleen anderen kan raadgeven, maar ook zelf kan vechten.”De slag eindigde met de overwinning der Spartanen. Zoowel Cleon als Brasidas sneuvelden. Thucydides voerde zeven schepen aan, die in de nabijheid lagen, maar hij kwam niet spoedig genoeg aan, om de Spartanen de overwinning te betwisten. De Atheners hadden er behoefte aan, iemand de schuld te geven, en zoo werd hij de zondebok. Hij werd veroordeeld tot een ballingschap van twintig jaar. In dien tijd schreef hij zijn geschiedenis van den oorlog. Aan de Heloten, die zoo dapper onder Brasidas hadden gevochten, werd de vrijheid geschonken.Bronzen munt, waarop een schip onder zeil te zien is.Bronzen munt, waarop een schip onder zeil te zien is.(Op het dek kunnen de loods en de roeiers gezien worden.)Tien jaren achtereen had nu de oorlog geduurd. Mannen waren gesneuveld, vrouwen en kinderen tot slaven verkocht, geld was verkwist, vloten waren verloren gegaan, landen waren verwoest, steden met den grond gelijk gemaakt; en wat was met dat alles gewonnen? De Spartanen waren tot de ontdekking gekomen, dat zij heel gemakkelijk konden worden verslagen, of, wat de mannen van de Thermopylae heel wat erger zouden hebben gevonden, dat zij gedwongen konden worden zich over te geven; de Atheners hadden geleerd, dat zij in weerwil van hun vloot, hun goed beschutte haven, en hun stevige muren, slechts weinig sterker zouden zijn dan andere volkeren, indien hun schatplichtige steden in opstand kwamen. Zoowel Spartanen als Atheners waren ontnuchterd en verlangden er zeernaar, over den vrede te onderhandelen. De veldheer Nicias had heel wat werk te verrichten, om de onderhandelingen te leiden en tot een goed einde te brengen; daarom werd de wapenstilstand van vijftig jaar, die in het jaar 421 vóór Christus werd gesloten, de vrede van Nicias genoemd.Storm-Ram.Storm-Ram.1Niet de beroemde redenaar Demosthenes.

Terwijl Athene rijk was geworden en in kracht en schoonheid was toegenomen, had Sparta haar oude, eenvoudige en ruwe levenswijze volgehouden. Er waren daar geen luisterrijke gebouwen, geen standbeelden, geen prachtig snijwerk, geen kunstig borduurwerk. De overweging, dat een volk, dat belangstelde in zulke dwaze dingen, aanspraak zou maken op de leiding of hegemonie van Griekenland, wekte hoe langer hoe meer de verachting en den haat van hun mededingers op. Zij waren overeengekomen, den vrede gedurende dertig jaren te handhaven, maar zij hadden er geen spijt van, dat een daad der Atheners hun een voorwendsel bood, dien vrede te verbreken.

De strijd begon niet in Athene of in Sparta zelf, maar op grooten afstand, in de Jonische Zee in de nabijheid van het eiland Corcyra. Er waren moeilijkheden ontstaan tusschen Corcyra en de moederstad, Corinthe, en in een zeeslag had het eiland de overwinning behaald. Toen de bewoners van Corcyra zagen, hoeveel schepen Corinthe bouwde, werden zij beangst en vroegen, zich aan het Atheensche Verbond te mogen aansluiten. Het was een moeilijk punt voorde Atheners, te beslissen, welk antwoord zij zouden geven. De bewoners van Corcyra zeiden, dat de Vrede van Pericles iedere stad, die niet reeds tot een bond behoorde, toestond, zich bij de Atheners of de Peloponnesiërs te voegen. “Maar,”zoo weerlegden dit de Corinthiërs, “niet met de uitdrukkelijke bedoeling, een lid van den anderen bond schade te berokkenen.”De Atheners waren in een lastige positie. Zij waren overtuigd, dat er vroegerof later een oorlog zou uitbreken tusschen hen en de Spartanen. Corinthe was een bondgenoot van Sparta, en als zij Corcyra overwon en haar vloot bij die van Corinthe voegde, zou zij te water veel krachtiger zijn dan de Atheners aangenaam was. Daarbij kwam, dat Corcyra een niet te verwerpen bondgenoot was, niet alleen omdat zij een groote vloot had, maar ook omdat het eiland een uitnemend geschikte pleisterplaats was op weg naar Italië, en bovendien ook, omdat, als de Spartanen ooit een aanval op de kust zouden doen, het heel wat waard zou zijn, een bondgenoot zoo dicht in de nabijheid te hebben. De Atheners konden evenmin besluiten die schepen of de vriendschap van het eiland te verliezen, als brutaal het verdrag te verbreken. Zij besloten ten slotte in de zaak iets toe te geven, en die zóó te regelen, dat zij er in toestemden tien schepen in de Jonische Zee te zenden, “niet om te vechten met de Corinthiërs, maar om Corcyra te beschermen,”zoo noemden zij het. Toen een tweede zeeslag geleverd werd tusschen Corinthe en Corcyra, trachtten de Atheners in het begin alleen de Corinthische schepen te hinderen, zonder ze feitelijk aan te vallen; maar toen de Corcyreërs begonnen het onderspit te delven en zich begonnen terug te trekken, vergaten de Atheners alle bepalingen van den vrede van Pericles, en vochten zij even verwoed, alsof zij nooit iets van een dergelijken vrede hadden vernomen.

Sparta en de overige staten van den Peloponnesus waren verontwaardigd, en spoedig hielden zij dan ook een soort van terechtszitting om over de stad te vonnissen. Verschillende steden verhaalden, hoe onrechtvaardig Athene haar had behandeld. Zij zeiden, dat Athene oneerlijk was en voortdurend trachtte het oppergezag uit te oefenen over telkens meer staten. Er waren toevallig enkele Atheensche afgevaardigden in Sparta om andere zaken te behandelen, en zij vroegen verlof in de vergadering het woord te mogen voeren. Zij gaven een overzichtvan wat Athene in den Perzischen oorlog had gedaan, en toonden aan, dat zij werkelijk de redster van geheel Griekenland was geweest. “Onze bondgenooten kwamen uit eigen beweging,”zoo spraken de afgevaardigden, “en vroegen ons, hun leidslieden en beschermers te zijn. Ons werd een rijk aangeboden; kan het u verwonderen, dat wij het aannamen en weigerden het weer af te geven?” Nadat de afgevaardigden en de vreemdelingen vertrokken waren, begonnen de Spartanen de zaken te bespreken. Zij beslisten, dat de Atheners het verdrag hadden verbroken. Daarna begonnen beide landen zich voor den oorlog toe te rusten.

Pericles wist, dat de Spartanen Attica zouden plunderen en verwoesten; daarom overreedde hij de Attische landbouwers, binnen de muren der stad te komen. Er werden toen lange rijen diep bedroefde mannen, vrouwen en kinderen gezien, die langzaam naar Athene optrokken. Hun rug was gebogen onder zware lasten; zij wisten immers zeer goed, dat alles wat zij achterlieten, zou worden vernield. Van de Acropolis konden zij hun woningen zien en hun akkers met rijpend koren. Een tijd later zagen zij den rook opstijgen uit de brandende huizen, zij zagen de korenvelden vertrapt, afgesneden en vernield door de Spartanen. Het is dus niet te verwonderen, dat zij uitriepen: “O Pericles, voer ons naar buiten om te strijden;voerons naar buiten, zooals een veldheer betaamt.”Maar Pericles zeide: “Neen”. Reeds lang te voren had hij gezegd: “De Spartanen zijn krachtig te land, maar onze kracht ligt op zee.”Daarom had hij schepen gezonden, om rondom den Peloponnesus te kruisen en alle mogelijke schade aan te richten, maar hij wilde niet buiten de muren van Athene gaan, om den vijand in een veldslag te land te ontmoeten. De Spartanen keerden naar huis terug, na de velden te hebben verwoest. Zij hadden even gemakkelijk naar de maan kunnen vliegen als door de stevige muren van Athene heen te breken. In een volgend jaargetijdehadden zij echter een helper, die niet op de lijst van hun bondgenooten had vermeld gestaan; immers de pest brak uit in de stad, waarin een zoo groote menschenmassa was opgehoopt, en een groote menigte menschen kwam om. De pest brak ten tweeden male uit; en nu verloor Athene den eenigen man, die haar had kunnen redden, immers spoedig lag Pericles op zijn sterfbed. Zijn vrienden zaten om zijn bed, treurend en samen over zijn overwinningen sprekend. Plotseling opende de stervende zijn oogen en zeide: “Gij legt den nadruk op die door mij verrichte daden, hoewel heel wat andere veldheeren hetzelfde hebben gedaan; maar gij vergeet het meest eervolle gedeelte van mijn persoonlijkheid, en wel dit, dat nooit door mijn toedoen één Athener in rouw is gedompeld.”

Atheensch schip met drie rijen roeibanken.Atheensch schip met drie rijen roeibanken.(Naar een bas-relief, op de Acropolis te Athene gevonden.)

Atheensch schip met drie rijen roeibanken.

(Naar een bas-relief, op de Acropolis te Athene gevonden.)

Nu brak de tijd aan, dat Athene wel had mogen wenschen, dat haar bondgenooten ook haar vrienden waren geweest, want haar bereikte de tijding, dat Mytilene, een stad op het eiland Lesbos, in opstand was gekomen; Mytilene had een groote vloot, en daarom zou het verlies van Mytilene van groot gewicht zijn. Atheensche troepen werden onmiddellijk weggezonden, om de stad te belegeren, de Spartaansche troepen, die beloofd waren, kwamen eerst zeer traag ter hulp, zoodat Mytilene ten slotte genoodzaakt was zich over te geven. Zij was in handen gevallen van een wreeden meester, want de Atheners waren niet alleen verontwaardigd over den opstand, maar bovendien in groote vrees, dat er nog andere steden in opstand zouden komen. Zonder één oogenblik van ernstig nadenken besloten zij, dat alle volwassen mannen in Mytilene gedood zouden worden en iedere vrouw en ieder kind als slaaf zou worden verkocht. Als Pericles nog in leven ware geweest, zou een zoo onmenschelijk besluit nooit zijn genomen, maar de Atheners stonden nu sterk onder den invloed van een zekeren Cleon. “Weest toch niet barmhartig jegens hen,”zeide hij, “straft hen zooals zij u zouden hebben gestraft, als zij haddenoverwonnen.”Weest vergevensgezind en deugdzaam, als gij wilt, maar wacht totdat vergevensgezindheid en deugd niet langer gevaarlijk zijn.”Het besluit werd dus genomen, hoewel het betere gedeelte der Atheners er zich zóózeer over schaamde, dat zij den volgenden dag een tweede vergadering uitschreven en het besluit vernietigden. Maar het schip met drie rijen roeibanken, dat het besluit moest overbrengen, was den vorigen nacht uitgezeild. Zou het mogelijk zijn, het nog in te halen? “Wij zullen wijn en gerst voor de bemanning verschaffen,”riepen de afgezanten der Mytileners uit, “en ieder van hen zal een ruime belooning ontvangen, als zij het eerst het eiland bereiken.”De roeiers sprongen op hun zetels. De helft van hen roeide over dag, de andere helft des nachts, en zij aten hun gerstebrood, met wijn en olie gekneed, onder het roeien. Toch had het eerste schip een te grooten voorsprong. Het besluit was reeds voorgelezen, en reeds was men op het punt, het bevel te geven het uit te voeren, toen het tweede schip landde. Een afgezant holde van het strand naar den aanvoerder,en de Atheners werden verlost van de schande, een zoo barbaarsche slachting aan te richten. De straf, die zij oplegden, was nog streng genoeg, immers zij doodden duizend der opstandelingen, die het meest op den voorgrond waren getreden, namen de schepen der bewoners van Mytilene, en gaven hun land aan de Atheensche burgers, om daar een volksplanting te stichten.

Toren met ophaalbrug en Ram.Toren met ophaalbrug en Ram.(Gebruikt bij de belegering van een ommuurde stad.)

Toren met ophaalbrug en Ram.

(Gebruikt bij de belegering van een ommuurde stad.)

Dit was de wijze, waarop de Atheners hun barmhartigheid uitoefenden. Hetzelfde jaar openbaarde zich de barmhartigheid der Spartanen bij Plataea. Deze waren uitgetrokken om Plataea te veroveren, daar die kleine stad een zoo trouwe vriend van Athene was. “Maar de Spartanen, in vereeniging met de overige staten, legden een plechtigen eed af, dat onze stad voor eeuwig onafhankelijk zou zijn,”zoo spraken de inwoners van Plataea. “Wat gij zegt, is waar,”antwoordden de Spartanen. “Geniet van uwe onafhankelijkheid, maar helpt ons de staten te bevrijden, die nu door Athene worden geregeerd.”Plataea echter wilde de Atheners niet in den steek laten, en het beleg begon. Thucydides schreef de geschiedenis van den Peloponnesischen Oorlog, en daarin wordt een verhaal gegeven van het beleg van Plataea op zijn gewone heldere, nauwkeurige, belangwekkende wijze van schrijven. Eerst hakten de Spartanen boomen om, en maakten een palissade rondom de stad, zoodat niemand de stad in of uit kon gaan. Zij hadden een verschansing noodig, hoog genoeg, om hen in staat te stellen de stad te beschieten, en zij begonnen zulk een verschansing bij den muur op te richten, door houtblokken dwars over elkander te stapelen, en de leege ruimten op te vullen met steen, aarde en stukken hout. Dag en nacht werkten zij tien weken lang door. Zij merkten echter, dat op de ééne of andere wijze de verschansing niet zoo snel voltooid werd als zij zich hadden voorgesteld, en eindelijk ontdekten zij, dat de Plataeërs een gat hadden gegraven onder in den muur, en kalm de losse aardevan de verschansing in de stad brachten. Ondertusschen maakten zij ook den muur hooger, door dien op te bouwen met steenen en hout van hun eigen huizen. De Spartanen zouden dit alles in brand hebben kunnen steken met brandende pijlen, maar de Plataeërs waren verstandig genoeg, zware gordijnen van huiden en vellen daarvoor te hangen. De belegeraars waren besloten, dat er van hun verschansing niet meer zou worden gestolen, en daarom gebruikten zij in plaats losse modder, groote hoeveelheden klei en riet, aan elkander gebonden. Toch werd de verschansing niet hooger. De belegeraars verbaasden er zich over, hoe dit mogelijk was. Eindelijk ontdekte iemand, dat die slimme Plataeërs een tunnel hadden gegraven van de stad naar de verschansing, en op hun gemak de bundels klei en riet naar binnen haalden. En dit alles was nog niet alles, immers zij bouwden ook een binnenmuur in den vorm van een halve maan. De havens raakten den buitenmuur en de kromming was naar de stad gericht. Indien dus de Spartanen den buitenmuur hadden genomen,zouden zij nog altijd den binnenmuur moeten vermeesteren, maar dit zou nog niet zoo gemakkelijk zijn met de Plataeërs tegenover zich en aan beide vleugels. De Spartanen begrepen natuurlijk de moeilijkheid ook, en brachten daarom ontzaglijke stormrammen aan; doch de Plataeërs hadden twee manieren om die rammen onschadelijk te maken. Eén manier was, om een strik daarover neer te laten en ze zoo op te trekken. Een tweede manier was, om zware balken daarover neer te hangen en loodrecht daarop. Als de machine goed was opgesteld en op het punt was, een vreeselijken stoot tegen den muur te geven, ging de balk naar beneden en werd de kop van den ram afgestooten. Daarna besloten de Spartanen de stad te verbranden. Zij wierpen groote hoeveelheden hout over den muur en stapelden massa’s hout op tusschen de verschansing en den muur. Zij smeerden stokken in met pik en zwavel, staken die in brand en wierpen die het hout achterna. Thucydides zegt, dat nooit zulk een brand door menschenhanden was aangestoken. Er zou voor de Plataeërs geen redding mogelijk zijn geweest, indien niet een plotselinge storm de vlammen had gedoofd. Toen bouwden de Spartanen twee muren, op een afstand van elkander van zestien voet, en die de geheele stad omsloten. Tusschen die muren waren de verblijfplaatsen der soldaten; zoodat, als het werk gedaan was, het geleek op één zeer dikken muur met aan beide zijden een gracht. Zoodra dit werk voltooid was, ging het hoofdleger weg, met achterlating van een sterke wacht.

Een met de hand gestooten Ram.Een met de hand gestooten Ram.

Een met de hand gestooten Ram.

Toen de winter aanbrak en het voedsel schaarsch begon te worden, trok een groot aantal Plataeërs in een donkeren, stormachtigen nacht, de binnenste gracht over, die vol was met ijsschotsen, zetten ladders overeind, en slaagden er in, den muur over te komen en de buitenste gracht over te steken. “De Spartanen zullen verwachten, dat wij zullen trachten naar Athene te ontkomen,”zeiden zij, “laat ons dus in de richtingvan Thebe trekken.”Toen zij haastig door de duisternis omkeken naar den weg naar Athene, konden zij de fakkels hunner vervolgers zien. Na korten tijd slopen de vluchtelingen naar de heuvels en daarna langs nauwe paden naar beneden, en spoedig werden zij te Athene verwelkomd door de vrouwen en kinderen, die daarheen waren gezonden voordat het beleg begonnen was.

Pylos.Pylos.

Pylos.

Er waren nu enkele vrouwelijke bedienden en twee honderd vijf en twintig mannen binnen de muren van Plataea; deze waren door gebrek aan voedsel te zwak, om langer de stad te verdedigen. De Spartanen zouden haar door bestorming hebben kunnen innemen, maar als de oorlog ophield, zouden steden, die door bestorming waren genomen, waarschijnlijk aan haar vroegere heerschers worden teruggegeven, terwijl die, welke zich hadden overgegeven, door de overwinnaars zouden gehouden worden. “Wilt gij u overgeven, als wij u een eerlijke kans laten?” vroegen de Spartanen, en de uitgehongerde bevolking gaf het op. De Thebanen haatten de Plataeërs, en de Spartanen wenschten de Thebanen een genoegen te doen; daarom bestond de “eerlijke kans” hoofdzakelijk uit de vraag: “Hebt gij den Spartanen of hun bondgenooten in dezen oorlog diensten bewezen?” Daar ieder Plataeër ten antwoord gaf “Neen,”werd hij weggevoerd en ter dood gebracht. Iedere mannelijke inwoner van Plataea werd gedood, en de vrouwelijke bedienden werden als slavinnen verkocht. Dit was de barmhartigheid der Spartanen.

Een oorlog tusschen mannen van eenzelfde ras is altijd erger dan andere oorlogen, daar iedere partij overtuigd is, dat de tegenpartij moet begrijpen, dat zij ongelijk heeft; en deze oorlog werd hoe langer hoe wreeder. In bijna iedere stad waren er twee partijen,—de ééne partij was van oordeel, dat het volk als één geheel moest regeeren, zooals in Athene; de andere meende, dat de regeering moest zijn in handen van enkelen. Die beide partijen twistten en streden met elkander. Zonen doodden hun vaders, vaders doodden hun zonen. Indien twee personen elkander vijandig gezind waren, was het zeker, dat één van beiden een moordenaar zou worden. Als iemand geld schuldig was, bevrijdde hij zich van zijn schuld, door zijn schuldeischer te dooden. De geheele Grieksche wereld scheen wel krankzinnig te zijn geworden, niet alleen het vasteland van Griekenland, maar ook de eilanden en zelfs ook de koloniën in Italië en Sicilië. De beide partijen in dezelfde stad trachtten elkander te dooden; Atheensche schepen voeren de zee over, om de ééne of andere stad te helpen, en men kon er zeker van zijn, dat Spartaansche schepen met den meest mogelijken spoed de vijanden der stad te hulp kwamen. Zes jaren lang hield de strijd te land en ter zee onafgebroken aan.

In het zevende jaar was een Atheensche vloot, door een storm overvallen in de haven van Pylos, op de kust van Messenië, binnengevallen. Dit was volkomen in overeenstemming met den wensch van den aanvoerder, Demosthenes,1immers hij wilde een plan voorstellen aan de overige aanvoerders. “Laat ons deze plaats versterken. Wij zijn slechts 75 kilometers van Sparta verwijderd; de Messeniërs zullen ons helpen, en wij kunnen van hieruit den vijand groot nadeel berokkenen.” De overige aanvoerders voelden niets voor dit plan. “Indien gij het openbare geld wilt weggooien,”zoo spraken zij, “dan zijn er een menigte andere verlaten voorgebergten, die gij kuntversterken.”De storm raasde nog steeds voort, en de schepen konden de haven niet verlaten. Het is mogelijk, dat de soldaten door het lange oponthoud zich verveelden en onrustig werden; doch wat ook de reden moge zijn, eindelijk werd hun toestemming gegeven het fort te bouwen. Zij hadden geen gereedschappen om steenen te fatsoeneeren, daarom pasten zij ze aan elkander, zoo goed zij dat konden. Zij hadden niets om er de metselkalk in te dragen, daarom stapelden zij die op hun rug en hielden hun handen daartegen aan, om te beletten, dat de kalk afviel; en zoo werd het fort gebouwd.

Grieksch schip in steen gehouwen.Grieksch schip in steen gehouwen.

Grieksch schip in steen gehouwen.

Toen de Spartanen van dien zoo eigenaardigen bouw hoorden, lachten zij. “Het zal gemakkelijk zijn, dit, zoodra wij willen, neer te halen,”zeiden zij, “zelfs als de Atheners niet wegloopen, als zij ons zien naderen.”Toch kwamen zij tot het besluit, dat het in ieder geval het best was, zoo spoedig mogelijk zich van het fort te bevrijden, en eveneens van de Atheensche schepen, die op wacht lagen; daarom zonden zij een vloot en een flink aantal soldaten. De soldaten werden aan land gezet op een lang, smal eiland, Sphacteria genaamd, dat bijna de haven van Pylos insloot. De Spartaansche schepen zeilden de haven binnen, en trachtten gedurende enkele dagen het ruwe, kleine fort te veroveren. Toen kwam de Atheensche vloot op hen aanvliegen, daar zij verzuimd hadden de haven af te sluiten. De Spartanen op de kust waren wanhopend, daar hun vrienden op Sphacteria hulpeloos waren. Gewapend als zij waren, sprongen zij te water en trachtten hun ledige schepen van de Atheners weg te trekken. Thucydidesdrukt dit zoo uit: “De Spartanen leverden van het land af een zeegevecht, en de Atheners leverden van hun schepen af een gevecht te land.”Er waren een zóó groot aantal van hun voortreffelijkste mannen op het eiland, dat de Spartanen besloten, de Atheners om vrede te vragen. De Atheners zouden daarin waarschijnlijk hebben toegestemd, indien Cleon zich daartegen niet had verzet. Na den dood van Pericles had Cleon alles gedaan om het volk genoegen te doen en hen er van af te houden, den raad van verstandiger mannen te volgen. Hij overreedde nu de Atheners, te weigeren vrede te sluiten, tenzij op zóódanige voorwaarden, als hij wist, dat de Spartanen niet zouden aanvaarden. Hij deed dit, daar hij meende, dat er voor hem beter gelegenheid was, zijn macht te doen toenemen in oorlogstijd, dan als er vrede was.

De Atheners waren altijd wispelturig en veranderlijk, en spoedig wendden zij zich boos tegen Cleon. “Waarom hebt gij ons afgeraden vrede te sluiten?” vroegen zij. “Onze manschappen in Pylos zullen van honger omkomen. Wij kunnen nu reeds nauwelijks voedsel voor hen krijgen, en als de winter aanbreekt, zullen zij zich zeker moeten overgeven. De Spartaansche soldaten op het eiland zijn veilig en hebben het goed. De Spartanen betalen een ruime som aan iedereen, die de blokkade verbreekt en hun voedsel brengt. Als hij een Heloot is, maakt één korte tocht hem onmiddellijk vrij. Honderden Heloten duiken en zwemmen naar de overzijde, en trekken achter zich aan huiden met fijngestampt lijnzaad en papaverzaad, met honig vermengd. Zoo dikwijls er een krachtige zeewind is, zeilen zij ’s nachts uit en komen met het aanbreken van den dag aan de zeezijde van het eiland plotseling te voorschijn. De Atheners op Sphacteria hebben overvloed van meel en wijn en kaas, terwijl de Atheners in Pylos van honger omkomen. [** ” verwijderd] Het is uw schuld; waarom hebt gij geweigerd vrede te sluiten?”

Cleon kon niets anders tot zijn verdediging aanbrengen dan te morren over de legeraanvoerders. “Zij zouden gemakkelijk naar Sphacteria kunnen zeilen en de Spartaansche soldaten gevangen nemen,” zoo luidde zijn antwoord. “Dat zou ik ten minste doen, als ik legerbevelhebber was.”Eén der legeraanvoerders, Nicias,was tegenwoordig. “Voor zoover de legeraanvoerders betreft, kunt gij zooveel soldaten nemen als gij wilt en het beproeven. Hier, in tegenwoordigheid van deze vergadering, sta ik u het opperbevel af.” “Neem het, neem het,”riep het volk. “Wij stellen u tot aanvoerder aan. Zeil nu weg naar Pylos.”De wispelturige Atheners hadden alles vergeten omtrent het lijden van hun soldaten, en hadden er groot genot in, te zien, hoe Cleon in angst zat. Hij begreep, dat hij zich òf voor goed op den achtergrond moest plaatsen, òf het opperbevel moest op zich nemen. Hij trachtte zich zoo moedig mogelijk voor te doen en wendde zich tot de Atheners: “Ik ben niet bang voor de Spartanen,”antwoordde hij. “Binnen twintig dagen zal ik ze op de plaats zelf dooden of ze levend naar u toebrengen.”Het grauw barstte in lachen uit, en de meer verstandigen onder de menigte verheugden zich evenzeer als het grauw juichte. “Wij zullen Cleon niet meer terugzien, als hij niet inderdaad de Spartanen gevangen neemt.”

Niemand verwachtte zelfs maar één oogenblik, dat het den pocher zou gelukken, te volbrengen, wat hij had beloofd, maar toch bracht hij werkelijk binnen twintig dagen omstreeks driehonderd gevangenen naar Athene. Dit was aldus in zijn werk gegaan. Toen Cleon het eiland Sphacteria bereikte, bleek het hem, dat het bosch, dat het grootste gedeelte van het eiland had bedekt, verbrand was. Het land was schoon geveegd, en de opperbevelhebber was juist op het punt een aanval te doen op de gevangenen. Cleon had geen vast plan, en sloot zich dus maar hierbij aan. Er werd een hardnekkig gevecht geleverd, maar eindelijk lieten de Spartanen hun schilden zakken enzwaaiden zij hun handen; zij onderwierpen zich. Geheel Griekenland was nu in verbazing. Kon dit hetzelfde ras zijn, dat bij de Thermopylae had gestreden totdat de laatste man gesneuveld was? De Atheners konden nauwelijks gelooven, dat het mogelijk was, dat de Spartanen zich hadden overgegeven. Zij juichten over hun overwinning, en toen de Spartanen weer om vrede smeekten, weigerden zij dit.

Zeilschip uit de dagen van Brasidas.Zeilschip uit de dagen van Brasidas.

Zeilschip uit de dagen van Brasidas.

Zoo duurde de oorlog voort, en aan weerszijden werden de troepen hoe langer hoe wreeder en ruwer. De aanzienlijken uit Corcyra begunstigden Sparta en spanden samen tegen het gemeene volk, dat op de hand van Athene was. Door een list werden de aanzienlijken gevangen genomen en werden toen met ontzettende wreedheid ter dood gebracht. Tot nu toe waren de Atheners in hoofdzaak de winnende partij geweest. Zij hadden getracht Delium in Boeotië in te nemen, doch dit was hun niet gelukt; maar zij hielden Pylos bezet, welke plaats de sleutel voor Messenië was, en Cythera, dat een krachtige steun voor Laconië was geweest; en honderd van de meest op den voorgrond tredende Spartanen waren hun gevangenen. De Spartanen hadden jaarlijks een strooptocht in Attica gedaan, en hadden ook heel wat in andere streken gevochten, maar zij waren geen stap nader gekomen tot hun doel dan zeven jaren te voren: het overwinnen der Atheners. Gelukkig voor hen trad een nieuwe veldheer op het tooneel, Brasidas. Hij was zoo vastbesloten als eenig Spartaan, en zoo helder van oordeel en zoo snel van opvatting als eenig Athener. Hij overdacht de zaken en redeneerde aldus: “Als wij weer een nieuwen strooptochtin Attica doen, zullen de Atheners onze honderd burgers ter dood brengen. Het beste wat wij kunnen doen, is ons naar Thracië te begeven, en wij kunnen er zeker van zijn, dat meer dan één Thracische stad ons welkom zal heeten. Thracië is rijk en heeft uitgestrekte bosschen. Met Thracië als vrienden kunnen wij schepen bouwen, en wij behoeven dan niet bevreesd te zijn, als wij met de Atheners op zee handgemeen worden.”

Zoo sprak Brasidas. De Spartanen meenden, dat dit een onredelijk, ondoordacht plan was; maar één zaak was sterk in het voordeel van Brasidas: hij bezat omstreeks duizend manschappen, die hij in verschillende plaatsen van den Peloponnesus had gehuurd, en het eenige wat hij Sparta vroeg, was, hem zevenhonderd Heloten te geven. “Laat het hem in ieder geval beproeven,”zeiden de Spartanen. “De Heloten staan op het punt in opstand te komen, en het is niet kwaad, dat er onder hen een opruiming komt. Laat hem een paar steden innemen, en als de oorlog is afgeloopen, kunnen wij die tegen Pylos inruilen.”

Zoo vertrok Brasidas naar Thracië en Macedonië. Hij was niet alleen een sluw en geslepen man, maar hij wist ook te spreken, te redeneeren en te overtuigen. Hij bracht zelfs stammen, die met de Atheners bevriend waren, er toe, hem verlof te geven door hun gebied te trekken; en half door overreding, half door bedreigingen wist hij verschillende steden in Thracië en Chalcidice er toe te brengen, zich aan hem te onderwerpen. De Atheners hadden gehoord wat hij deed, en nu kwamen zij op hem af. Cleon was hun aanvoerder, en hij was zóó opgeblazen door zijn overwinning bij Pylos, dat hij het als de natuurlijkste zaak ter wereld beschouwde, dat hij zou overwinnen. Hij had flinke soldaten, maar zij hadden geen vertrouwen in hun aanvoerder. Bijna de helft van de manschappen van Brasidas waren Heloten, en hoewel zij slavenwaren, wantrouwde hij hen geen oogenblik en had hij den moed, hun zijn volle vertrouwen te schenken. Even vóór den aanval op Amphipolis, de krachtigste Atheensche volksplanting in Macedonië, deelde hij hun mede, hoe hij van plan was den aanval uit te voeren. Zijn laatste woorden tot hen waren: “Laat den moed niet zinken, denkt aan alles wat op het spel staat, en ik zal u laten zien, dat ik niet alleen anderen kan raadgeven, maar ook zelf kan vechten.”De slag eindigde met de overwinning der Spartanen. Zoowel Cleon als Brasidas sneuvelden. Thucydides voerde zeven schepen aan, die in de nabijheid lagen, maar hij kwam niet spoedig genoeg aan, om de Spartanen de overwinning te betwisten. De Atheners hadden er behoefte aan, iemand de schuld te geven, en zoo werd hij de zondebok. Hij werd veroordeeld tot een ballingschap van twintig jaar. In dien tijd schreef hij zijn geschiedenis van den oorlog. Aan de Heloten, die zoo dapper onder Brasidas hadden gevochten, werd de vrijheid geschonken.

Bronzen munt, waarop een schip onder zeil te zien is.Bronzen munt, waarop een schip onder zeil te zien is.(Op het dek kunnen de loods en de roeiers gezien worden.)

Bronzen munt, waarop een schip onder zeil te zien is.

(Op het dek kunnen de loods en de roeiers gezien worden.)

Tien jaren achtereen had nu de oorlog geduurd. Mannen waren gesneuveld, vrouwen en kinderen tot slaven verkocht, geld was verkwist, vloten waren verloren gegaan, landen waren verwoest, steden met den grond gelijk gemaakt; en wat was met dat alles gewonnen? De Spartanen waren tot de ontdekking gekomen, dat zij heel gemakkelijk konden worden verslagen, of, wat de mannen van de Thermopylae heel wat erger zouden hebben gevonden, dat zij gedwongen konden worden zich over te geven; de Atheners hadden geleerd, dat zij in weerwil van hun vloot, hun goed beschutte haven, en hun stevige muren, slechts weinig sterker zouden zijn dan andere volkeren, indien hun schatplichtige steden in opstand kwamen. Zoowel Spartanen als Atheners waren ontnuchterd en verlangden er zeernaar, over den vrede te onderhandelen. De veldheer Nicias had heel wat werk te verrichten, om de onderhandelingen te leiden en tot een goed einde te brengen; daarom werd de wapenstilstand van vijftig jaar, die in het jaar 421 vóór Christus werd gesloten, de vrede van Nicias genoemd.

Storm-Ram.Storm-Ram.

Storm-Ram.

1Niet de beroemde redenaar Demosthenes.

1Niet de beroemde redenaar Demosthenes.


Back to IndexNext