Hoofdstuk XV.

Hoofdstuk XV.De krijgstocht tegen Sicilië.Het voornaamste voordeel van den Vrede van Nicias was, dat de strijd gedurende twee of drie jaren gestaakt werd. Gedurende dien tijd waren er zooveel overeenkomsten en bondgenootschappen tusschen de Grieken gesloten, dat het te verwonderen was, dat er nog een enkele staat was, die er zeker van was, wie tot zijn vrienden en wie tot zijn vijanden behoorden. De bondgenooten van Sparta waren verontwaardigd, omdat de Spartanen, zooals zij beweerden, in het verdrag wel voor zich zelf hadden gezorgd, maar geen zorg hadden gedragen voor de belangen van hun bondgenooten. Een aantal veroverde steden hadden er bezwaar tegen, weer aan hun vroegere heerschers te worden teruggegeven, zooals het verdrag had bepaald. Toen maakten Athene en Sparta een afzonderlijke afspraak, om hun bondgenooten te dwingen aan het verdrag te gehoorzamen. De staat Argolis had zich tijdens den oorlog volkomen onzijdig gehouden, en had zich dien tijd ten nutte gemaakt om rijk en sterk te worden. Argolis sloot nu een verbond met enkele van de ontevreden bondgenooten van Sparta, en wat de kroon op alles zette, ook Athene sloot zich bij dit verbond aan. Sparta zag, dat, indien dit Argolisch verbond niet werd verbroken, zij haar macht in den Peloponnesus zou verliezen, daarom viel zij de Argoliërs aan, die door de Atheners geholpen werden. Een slag werd geleverd bij Mantinea, en de Spartanen behaalden een zóó groote overwinning, dat Argolis alle hoop liet varen, ooit in den Peloponnesus de leiding te zullen hebben.Intusschen hadden de Atheners het oog gevestigd op Melos, één der beide eilanden in de Aegeïsche Zee waaroverzij de heerschappij niet uitoefenden. Zij zonden een vloot tegen Melos uit en bevalen de bewoners van het eiland, zich over te geven of hun stad te verliezen. “Wij zijn Doriërs, en ongetwijfeld zullen de Spartanen ons komen helpen,”dachten de Meliërs, maar er kwam geen hulp. De stad viel. Alle volwassen mannen werden ter dood gebracht, en de vrouwen en kinderen werden als slaven verkocht. Een dergelijke barbaarschheid was niets bijzonders in die dagen, maar er was geen redelijke grond geweest, om het eiland aan te vallen, behalve dat Athene het gaarne wilde hebben, en Griekenland was over die daad ontsteld.Melos.Melos.De Atheners hadden maar één wensch, en wel hun rijk te vergrooten; al het andere liet hen onverschillig. Zij schenen te voelen, dat, indien zij een groote hoeveelheid land bezaten, of een aantal steden konden dwingen hun schatting te betalen, zij machtig moesten zijn. Zij heerschten over de eilanden tot aan het oosten van Griekenland—waarom zouden zij ook niet in westelijke richting trekken en het machtige eiland Sicilië veroveren? Wel waren zij overtuigd, dat de Peloponnesische oorlog nog volstrekt niet geëindigd was, en dat Pericles hun gezegd had, dat het hun ondergang zou zijn, als zij zouden trachten hun rijk te vergrooten, zoolang de oorlog nog woedde; maar zij waren begonnen te gelooven, dat de denkbeelden van Pericles ouderwetsch waren. De bekwame veldheer Nicias herinnerde er zijn landgenooten aan, hoeveel menschen zij door den oorlog en de pest hadden verloren, en drong er bij hen op aan, geen troepen naar Sicilië te zenden, zoolang het misschien noodig was, dat alle soldaten binnen enkele dagen naar huis moesten worden ontboden. “Een krijgstocht naar Sicilië is een gevaarlijke onderneming,”zeide hij, “en zeker niet eentocht, die door een nog jongen knaap kan worden op touw gezet, en zoo maar onvoorbereid kan worden ten uitvoer gebracht.”Zoo sprak Nicias, maar de Atheners begonnen Nicias voor langzaam en al te bedachtzaam aan te zien, en letten daarom niet op zijn woorden. De “jonge knaap” was een jonge man, Alcibiades genaamd. Hij was rijk, schoon en van een aanzienlijke familie. Hij was de welsprekendste redenaar van Athene, en van een zóó schitterend vernuft, dat de verstandige en welwillende wijsgeer Socrates hem zeer lief had en zijn best deed te zorgen, dat hij niet bedorven werd. Dit was werkelijk geen gemakkelijke taak, want er was iets in Alcibiades, dat de menschen verblindde en hen deed vergeten verstandig enpractisch te zijn. Hij won de gunst van de menigte, door te betalen voor het vertoonen van schouwspelen ten einde hen te vermaken, door renpaarden te houden, door prijzen te winnen bij de Olympische spelen met het wagenrennen, en door een moed en vermetelheid, die hen betooverde. Tegenover bijna iedereen behalve Socrates was hij ruw en onbeschaamd, en toch schonk het volk hem gewoonlijk vergiffenis. Zij zeiden dan: “O, dat is zoo de wijze van doen van Alcibiades,”en wachtten dan geduldig af, wat zijn volgende streek zou zijn. Hij bedankte eens voor een uitnoodiging tot een feest; doch toen de overige gasten aan tafel waren, kwam hij plotseling aan de deur voor den dag met zijn bedienden, en veegde de helft van de gouden schotels weg; toch bleef de gastheer zijn bewonderende vriend. De woeste makkers van Alcibiades zetten hem voortdurend aan, de meest onbeschaafde en brutale daden te verrichten. Een van die daden was, dat hij op straat op één der meest waardige burgers van Athene afging en hem een klap om de ooren gaf. Die man kon het gedrag van den aanzienlijken jongeling niet goedkeuren, en weigerde een zoo groote onbeschoftheid en lompheid als een uitgelaten grap te beschouwen; maar den volgenden morgen vroeg verscheen Alcibiades aan zijn deur, wierp zijn slepend purperen bovenkleed af, en zeide toen: “Ik ben hier gekomen, opdat gij mij afranselt. Kastijd mij, als gij wilt”; en hem werd vergiffenis geschonken. Als al zijn grillen alleen maar even zot en onbeschoft geweest waren als deze, zou men hem misschien vergiffenis hebben geschonken; maar in weerwil van het onderwijs en de opvoeding van Socrates was hij in de hoogste mate onbetrouwbaar en oneerlijk. Het verstandige deel van Athene zag dit; maar de groote menigte schiep behagen in iedereen, die haar aangename oogenblikken bezorgde.Socrates onderwijst Alcibiades.Socrates onderwijst Alcibiades.Dit was nu de leider, dien de Atheners bereid waren te volgen op de krankzinnigste expeditie, die ooit door een volk werdondernomen. Nicias deed nog eens zijn waarschuwende stem hooren en vertelde de verzamelde menigte, dat de steden van Sicilië rijk waren en een groote troepenmacht bezaten. “Indien gij besluit, dien inval te ondernemen,”zoo sprak hij, “moet gij minstens driehonderd triremen hebben, een groot aantal soldaten, een grooten voorraad voedsel en een groot bedrag aan geld.”Hij had gehoopt, dat zij er niet zoo spoedig toe zouden besluiten, indien zij inzagen, welke ontzaglijke voorbereidselen moesten worden gemaakt; maar het tegenovergestelde had plaats, het heethoofdige, licht ontvlambare volk was half buiten zich zelf van genoegen, omdat zij een zoo reusachtige onderneming gingen beginnen. Zij hadden wel is waar enkele steden in Thracië en Macedonië verloren, maar waarom zouden zij zich de moeite geven die terug te winnen, als zij zoo spoedig reeds de meesters zouden zijn van een schitterend nieuw rijk in het westen? Zij zouden eerst Sicilië veroveren; maar dit was slechts een begin, maar zij zouden dan verder gaan en Italië en Afrika trachten te vermeesteren. Er zouden avonturen en schatten en roem voor iedereen zijn. Het was als het ware een expeditie om de Gouden Vacht te halen, en zij twijfelden er geen oogenblik aan, of zij zouden den draak verslaan.Het bestijgen van het schip.Het bestijgen van het schip.In Sicilië hadden zich kolonisten uit verschillende landengevestigd. Slechts weinigen van hen, die uit Griekenland afkomstig waren, waren Atheners, maar er waren een groot aantal Doriërs. Syracuse was gesticht door Doriërs uit Corinthe, en was nu de grootste en rijkste van alle Grieksche steden, met uitzondering van Athene. De steden van Sicilië hadden somtijds getwist, en de Atheners hadden eens een vloot uitgezonden, om een stad van Euboea tegen Syracuse te helpen. Het voorwendsel, dat zij gebruikten, om weer een inval op het eiland te doen, was, dat een nietiger stad, Egesta genaamd, Athene om hulp had gevraagd bij haar twist met een ander nietig stadje, dat door Syracuse werd geholpen. De inwoners van Egesta zeiden, dat zij bereid waren alle kosten te betalen, als Athene hen slechts met haar vloot en haar troepenmacht wilden helpen. De Atheners deden ten minste één verstandige daad, zij zonden afgezanten om op de plaats zelf te onderzoeken, of Egesta werkelijk zooveel schatten had, als waarop zij pochte. Toen de afgezanten terugkeerden, brachten zij genoeg geld mede om de bemanning van zestig triremen gedurende een maand te onderhouden, en zij wisten de meest wonderlijke verhalen te vertellen omtrent de prachtige zilveren kommen en flacons en andere offergaven, die zij in de tempels hadden gezien. “Voortdurend werden wij feestelijk onthaald,”zeiden zij, “en op ieder feest werden wij bediend uit prachtige gouden en zilveren drinkbekers.”Zij waren niet opmerkzaam genoeg geweest, om er zich over te verbazen, waarom al de bewoners van Egesta volkomen dezelfde tafelversieringen en dezelfde soort van tafelservies hadden, en het was absoluut niet tot hen doorgedrongen, dat die ondernemende kolonisten dit alles zeker van elkander en van de naburige steden geleend hadden, ten einde bij de Atheners den indruk te wekken, dat zij bijzonder rijk waren.De drukte bij de voorbereiding was bijzonder groot. Voedsel, wapenen, schepen, geld, troepen, dat alles moest gereedgemaakt worden. Te midden van die vroolijke en opgewekte drukte ontwaakten de Atheners op zekeren morgen in de grootste ontsteltenis. Het bleek, dat iemand door de stad was getrokken en de Hermen of de Hermesbeelden had vernield, op de steenen palen, die aan de deuren van huizen en tempels waren opgericht. “Dit is een vreeselijke beleediging van de goden, en zij zullen dit op ons wreken,”zoo fluisterden de Atheners, ten zeerste bezorgd. Daarna ging hun bezorgdheid in woede over. Wie zou een zoo groot schandaal hebben veroorzaakt? Zij herinnerden zich, dat er slechts één man was, die ooit dergelijke dwaze streken had uitgericht. “Het moet zeker Alcibiades geweest zijn,”riepen zijn vijanden stoutmoedig uit. “Hij hoopte op een omwenteling, die het staatsbestuur zou brengen in de handen der aanzienlijken.”“Geef mij een eerlijke gelegenheid mij te verdedigen,”vroeg Alcibiades; maar zijn vijanden drongen er op aan, dat de expeditie niet langer zou worden uitgesteld, en de schepen zeilden weg. De geheele bevolking van Athene liep samen naar den Piraeus, om hen te zien vertrekken, immers dit was de kostbaarste expeditie, ooit door eenigen staat van Griekenland uitgezonden. Er waren mannen aan boord uit iedere stad, die aan de Atheners onderworpen was. De schepen waren uitnemend uitgerust, de bemanning was de beste, die ooit kon worden gevonden. De soldaten wedijverden onderling in de voortreffelijkheid van hun wapenen en uitrusting. Toen alles gereed was, werd door trompetgeschal stilte gelast, en al die duizenden stonden doodstil en onbewegelijk. Daarop zeide een heraut een gebed op voor de goden; de geheele vloot en de menigte op het strand bad hardop mede. Op ieder schip werd wijn, met water vermengd, geplengd als offer aan de goden, uit zilveren of gouden kommen. De bemanning zong een lofzang ter eere van Apollo. Daarna gingen de schepen achter elkander in één rij in zee, en zeilden en roeiden zoo snel mogelijk naar Corcyra.Toen zij Rhegium bereikten, de Italiaansche stad, die het dichtst bij Sicilië gelegen was, landden zij en zonden zij afgezanten naar Egesta. Nicias had nooit geloof gehecht aan den grooten rijkdom der inwoners van Egesta, en toen kwamen hun pocherijen en leugens voor den dag. De drie bevelhebbers hielden een krijgsraad. “Laat ons de inwoners van Egesta dwingen, te betalen wat zij hebben beloofd, laat ons Selinus dwingen tot een vergelijk te komen, en daarna naar huis terugkeeren,”was het advies van Nicias. “Laat ons onmiddellijk een aanval doen op Syracuse, voordat de stad zich kan voorbereiden voor den oorlog,”zoo luidde de raad van Lamachus. “Laat ons eerst een aantal bondgenooten op Sicilië trachten te verwerven en daarna Syracuse aanvallen,”was de meening van Alcibiades. Dit laatste plan werd goedgekeurd.Plotseling kwam een schip uit Athene, met het bevel, dat Alcibiades onmiddellijk zoude terugkeeren voor de verdediging, die men hem had geweigerd, voordat de vloot uitzeilde. Zijn vijanden hadden die verdediging weten uitgesteld te krijgen, totdat de troepen in Sicilië waren, daar zij wisten, dat een zoo populair vlootvoogd zeker zou worden vrijgesproken, als hij in Athene was. Hij werd nu tevens nog van een andere misdaad beschuldigd, en wel, dat hij met sommigen onder zijn woeste makkers de heilige Eleusinische Mysteriën in een belachelijk daglicht had gesteld. Dit waren de heiligste en meest geheime der godsdienstige plechtigheden bij de Grieken; deze te openbaren of te bespotten werd als een misdaad beschouwd, die den dood verdiende. Alcibiades dacht er niet aan, onder deze omstandigheden als beschuldigde voor het gerecht te verschijnen. Men had hem toegestaan, in zijn eigen schip naar huis te vertrekken, bewaakt door het schip, dat de boodschap had overgebracht. Het was voor hem niet moeilijk te ontsnappen; en het andere schip was gedwongen zonder hem naar Griekenland terug te keeren.Het duurde nog eenige maanden, voordat het plan, om het beleg voor Syracuse te werpen, kon ten uitvoer worden gebracht, maar beide partijen waren druk bezig met de voorbereidselen. De Atheners ontboden geld en ruiterij van huis, en sloten bondgenootschappen met zooveel stammen van Sicilië als slechts mogelijk was. De Syracusanen bouwden om de stad nieuwe versterkingen en versterkten de oude. Evenzoo zonden zij afgezanten naar Corinthe en Sparta om hulp te vragen en Sparta te smeeken, nog eens den oorlog tegen Athene te beginnen, ten einde de Atheners te dwingen, hun soldaten weer uit Syracuse terug te roepen. Toen die afgezanten Sparta bereikten, ontmoetten zij daar een welsprekenden, beminnelijken en betooverenden jongen verrader, die gaarne bereid was, de Spartanen ter wille van de Syracusanen toe te spreken. Het was Alcibiades zelf. “Ik ken de geheimen der Atheners,”zoo sprak hij. “Ik heb een ondankbaar vaderland verloren, maar ik heb niet de macht verloren, u diensten te bewijzen, als gij naar mij wilt luisteren.”Het was geen oogenblik twijfelachtig, of zijn toehoorders stonden met gespannen aandacht naar hem te luisteren; immers hij vertelde de Spartanen en de afgezanten uit Syracuse alles omtrent de plannen der Atheners, hoe zij eerst op Syracuse en daarna op Carthago zouden losstormen, om ten slotte Sparta en haar bondgenooten aan te vallen. “De veiligheid, niet alleen van Sicilië, maar van den Peloponnesus staat op het spel,”zoo zeide hij met evenveel ernst, alsof hij een Spartaan van geboorte was. Daarna gaf hij hun eenigen practischen raad. In de eerste plaats drong hij er bij hen op aan, troepen naar Syracuse te zenden, en wel onder bevel van een bekwaam Spartaansch aanvoerder; in de tweede plaats, dadelijk Athene den oorlog te verklaren. “Gij dient Decelea onmiddellijk te versterken;”zeide hij: “de Atheners zijn daar voortdurend bevreesd voor.”Vervolgens ging hij verder, en legde hij hun uit, dat indien de Spartanen Deceleain hun macht hadden, de Atheners de jaarlijksche schatting, de inkomsten van de landbouwproducten en van de zilvermijnen zouden verliezen; en daar de plaats niet meer dan ongeveer twintig kilometers van Athene verwijderd was, was er geen twijfel aan, of een aantal slaven zouden van Athene naar Decelea ontsnappen. De Spartanen besloten, dien raad op te volgen. Zij begonnen hun vloot gereed te maken en namen bezit van Decelea.Grieksch ruiter.Grieksch ruiter.Een zeeslagEen zeeslagIn Sicilië zelf liep alles zóózeer ten voordeele van de Athenersaf, dat de Syracusanen op het punt waren alles voor de overgave gereed te maken. Plotseling verscheen een Corinthisch schip in de haven van Syracuse. “Er komen schepen uit Sparta,” zeide de bevelhebber. “Gylippus, de bekwaamste Spartaansche aanvoerder, is op weg om u te hulp te komen.”Spoedig daarna verscheen Gylippus met schepen en manschappen. De Atheners waren met groote opgewektheid bezig een muur om Syracuse op te bouwen, maar zij moesten plotseling dit werk staken, daar Gylippus eveneens een muur oprichtte. De Atheners zonden meer schepen en een nieuwen aanvoerder, Demosthenes, die het fortbij Pylos had gebouwd. Zij deden aanvallen te land en ter zee, maar zij konden Syracuse niet nemen. Het Atheensche kamp was op een ongezonde plaats gelegen, en een groot aantal soldaten waren zieken. “De stad kan onmogelijk worden ingenomen,” beweerde Demosthenes. “Laat ons terugtrekken, zoolang dit nog mogelijk is.” Het was volle maan, maar plotseling werd deze verduisterd. “Wat beteekent dit?” vroeg Nicias angstig aan de waarzeggers. “Dat beteekent, dat het leger gedurende driemaal negen dagen moet blijven stil liggen,” antwoordden zij. Nicias hechtte onbepaald geloof aan de waarzeggers. Het leger wachtte en verloor dus zijn eenige kans om te ontsnappen.De Syracusanen waren nu niet langer meer bevreesd, hun stad te verliezen. Zij begeerden nu heftig, roem en eer te verwerven, en daarom vatten zij het plan op, de geheele vloot der vijanden te vermeesteren. Er volgde toen een ontzettende zeeslag. De Syracusaansche schepen blokkeerden den ingang van de haven; de Atheensche triremen konden niet naar de open zee ontsnappen. Tweehonderd schepen waren opeengehoopt in de nauwe ruimte. Het ééne schip stootte tegen het andere; somtijds stootten twee of drie schepen tegen één aan. “Breekt er doorheen, anders zult gij Griekenland nooit terugzien!” riepen de Atheensche aanvoerders tot hun manschappen. “Behaalt de overwinning! Verschaft uw stad roem!” riepen de aanvoerders der Syracusanen; maar het knarsen, het kraken, de angstkreten, het gekerm, het rammelen der kettingen, het geluid van harde slagen en het neersmakken van lijken op het dek—dat alles maakte een zóó helsch geraas, dat alleen zij, die in de onmiddellijke nabijheid waren, de woorden van hun aanvoerders konden hooren. Met uitzondering van de troepen aan boord der beide vloten, was geheel Syracuse verzameld op één gedeelte van het strand, en al de Grieken op het andere deel. De Grieken drongen op tot den randvan het water; zij kermden en schreeuwden in doodsangst, zoo dikwijls één van hun schepen buiten gevecht was gesteld; zij juichten als één van hun schepen ontsnapt scheen te zijn; zij zwaaiden heen en weer; zij wierpen zich op den grond; zij strekten hun armen omhoog, om tot de goden te bidden. De schepen der Syracusanen waren hier, daar, overal. De Atheners roeiden als razenden naar den ingang van de haven; doch zij werden op het strand teruggeworpen; zij sprongen uit hun schepen en waadden door het water naar het land en hun legerkamp. “Zij leden nu hetzelfde, wat zij anderen bij Pylos hadden aangedaan,”schreef Thucydides. “Er is zelfs nu nog kans op redding,”zeiden de Atheensche veldheeren, “wij hebben meer schepen dan de vijand. Bij het aanbreken van den dag zullen wij ons een doortocht banen.”Maar de verschrikkingen van den zeeslag hadden de mannen met een panischen schrik bevangen; zij weigerden aan boord te gaan.Een Atheensch soldaat.Een Atheensch soldaat.De eenige hoop op redding bestond voor de Grieken hierin, dat zij zich terugtrokken, en trachtten misschien een bevriende stad te bereiken; zij begonnen dan ook hun droevigen tocht. De dooden bleven onbegraven liggen; de gewonden en de stervenden riepen hun oude vrienden bij hun namen aan, als zij voorbijtrokken, en smeekten hen, dat zij hen zouden medenemen; daarna riepen zij den toorn der goden in over hun hoofden, toen zij geen acht sloegen op hun smeekingen. Het geheele leger was in tranen. Demosthenes en een deel van het leger werd van het overige gedeelte afgesneden, maar Nicias rukte voorwaarts. Het voedsel geraakte op, water kon niet worden gevonden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier. Zij waren zóózeer door dorst geteisterd, dat zij in het watersprongen en op de ondiepe plaatsen bleven staan, voortdurend op nieuw drinkend, hoewel de Syracusanen hen beschoten en pijlen en steenen op hen wierpen. Een aantal mannen werden onder den voet getrapt; zij werden door hoopen bagage geraakt en den stroom afgedreven. Een ontzaglijke menigte lijken lag opgehoopt waar het water ondiep was, en de rivier was rood van bloed. Toen gaf Nicias zich over. “Doet met mij wat gij wilt,”smeekte hij “maar spaart mijn manschappen.”Nicias en Demosthenes werden beiden ter dood gebracht. Het geheele Grieksche leger werd gevangen genomen, behalve enkelen, wien het gelukt was te ontvluchten. De gevangenen, zevenduizend in aantal, werden opgehoopt in de steengroeven. De zon brandde over dag op hun hoofden; des nachts bibberden zij van de koude. Slechts een halve kan water en slecht voedsel was hun dagelijksch rantsoen. Bij honderden kwamen zij om, en de lijken lagen op elkander gestapeld. Na verloop van tien weken werden zij, die nog in het leven waren gebleven, als slaven verkocht. Zoo eindigde de expeditie, die Athene zou hebben moeten maken tot heerscheres over alle staten aan de Middellandsche Zee. Zoo is de roem en de luister van den oorlog.Oude Grieksche Oorlogsgalei.OudeGriekscheOorlogsgalei.Hoofdstuk XVI.De val van Athene.Alcibiades.Alcibiades.(In het Vaticaan te Rome)De verrader Alcibiades had Athene overgehaald tot den aanval op Sicilië, hij had haar vijanden geleerd, hoe zij haar machtige vloot en haar duizenden manschappen kon overwinnen, en het was op zijn raad, dat zij Decelea hadden veroverd. Al het land om Decelea heen was even onvruchtbaar gemaakt als het zand op de kust. De schapen en de runderen waren gedood, en meer dan twintig duizend slaven waren weggeloopen. De Atheners konden nog evenals te voren voedsel krijgen van het eiland Euboea, maar dit kon nu niet meer onmiddellijk over de zeeëngte naar Decelea en van daar naar Athene gebracht worden; het moest langs een grooten omweg over zee om Sunium heen aangevoerd worden. Dit was een langzame manier, die bovendien kostbaar was, terwijl zij daarenboven groot gevaar opleverde; immers de Spartaansche schepen konden op ieder oogenblik uit den één of anderen schuilhoek te voorschijn komen, en de Atheners zouden dan nooit iets van schip of lading te zien krijgen. Hun eenige hoop was, dat de verovering van Sicilië hun ongekenden rijkdom zou brengen, en dat de terugkeer van hun leger het mogelijk zou maken, de Spartanen uit Decelea te verdrijven. Toen bereikte hun de tijding van de Siciliaansche nederlaag. De Atheners hadden geen schepen meer, geen geld, geen manschappen, en bijna ieder gezin was in rouw gedompeld. In het eerst waren zij door de ontzettende ramp verpletterd; zij waren er van overtuigd, dat de Syracusanen, de Spartanen, deCorinthiërs, de Boeotiërs,in één woord iedere stam, die afgunstig geweest was op hun roem, hen nu zouden aanvallen; de volksplantingen zouden in opstand komen en zij waren hulpeloos. Daarna raasden zij tegen iedereen, die maar één woord ten voordeele van de expeditie had gezegd; doch daarna gingen zij met een heerlijken moed en een krachtige zekerheid aan het werk, om nog zooveel mogelijk te redden. Zij brachten een leger op de been, zoo groot als zij dit in de gegeven omstandigheden konden bijeenbrengen, en riepen iedereen, die voorheen verbannen was, terug, om zich daarbij aan te sluiten; zij lieten uit Thracië en Macedonië timmerhout halen, waarmede zij oorlogsschepen bouwden, en de stedelijke uitgaven beperkten zij tot het hoogst noodige. De volksvergadering en de gedachtelooze menigte kiezers waren door en door ontsteld. Zij waren lang niet meer zoo zeker als te voren, dat alles, wat zij zich hadden voorgenomen, zoo verstandig was, en zij stelden toen mannen op leeftijd aan, om als raad dienst te doen.De Perzen hadden nauwlettend op Griekenland acht geslagen, en juist in die dagen vaardigde Koning Darius II een proclamatie uit, waarbij hij verkondigde, dat iedere voet land, die ooit, al was het slechts een oogenblik, in handen van zijn voorvaderen was geweest, hem toebehoorde en hem schatting moest betalen. Hierin zou zelfs Attica zelf met een aantal steden en eilanden der Aegeïsche Zee zijn opgesloten, in één woord ongeveer het geheele Atheensche gebied. De wijze, waarop hij zich van de schatting wilde verzekeren, was eenvoudig en gemakkelijk; hij zond slechts een bevel aan de satrapen of bewindvoerders in Klein-Azië van de volgende strekking: “Int het geld voor mij, zoo goed gij dit kunt.”De satrapen waren in den grootsten angst. Zij konden de schatting zonder hulp niet innen, en zij boden een groote som aan, als Sparta hen wilde te hulp komen. Nu had de onruststoker Alcibiades een prachtige kans. Hij hielp Chios en andereeilanden en steden, om tegen Athene op te staan, en hij bracht een verdrag tot stand tusschen de Spartanen en de Perzen. Tegen Athene traden dus de Spartanen op, en hun Grieksche bondgenooten, de Syracusanen, de Perzen en een aantal steden van den Bond van Delos. Samos bleef op hun hand.Een Perzisch Edelman.Een Perzisch Edelman.Maar Alcibiades begon langzamerhand genoeg te krijgen van Sparta, en in weerwil van alles wat hij voor hen gedaan had, begonnen ook zij genoeg van hem te krijgen. Toen hij naar hun land ging, had hij zijn zwaren baard afgeschoren, zich als een Spartaan gekleed, was hij steeds rustig en ernstig in zijn optreden geweest, leefde hij even eenvoudig als wie onder de Spartanen ook, en beweerde zelfs dol te zijn op hun zwarte soep. Daardoor won hij de harten der Spartanen, maar na eenigen tijd begon hij dingen te doen, die niet alleen in strijd waren met hun zeden en gewoonten, maar ook met de wetten, en zelfs pleegde hij een misdaad tegenover den koning zelf. Hij verwachtte, dat de Spartanen evenals de Atheners zouden verdragen wat hij verkoos te doen; maar toch lette hij nauwlettend op hen. Er kwam een tijd, dat hij grond had voor de meening, dat zijn leven in gevaar was. Toen sloop hij weg naar den Perzischen satraap Tissaphernes. Toen hij eenmaal op Perzisch grondgebied was, vergat hij zijn voorliefde voor zwarte soep; hij liet zijn baard groeien; hij droeg de rijkste en kostbaarste kleederen, die er maar te krijgen waren; hij sliep op de zachtste rustbedden en bedekte de vloeren van zijn vertrekken met de dikste tapijten; hij bezat de kostbaarste paarden, zijn eigen parfumeurs, zijn eigen bekwame koks en een langen stoet bedienden. De satraap Tissaphernes was niet erg op de Grieken gesteld, maar hij werd volkomen verblind door de vleierijen en de schitterende gesprekken van zijnnieuwen vriend. Hij bezat prachtige tuinen, en den grootsten van alle, met frissche groene weiden, heerlijke stroomen en koninklijke tuinhuizen noemde hij den Tuin van Alcibiades,Maar Alcibiades dacht er geen oogenblik aan, een Pers te worden. Hij droomde van een terugkeer naar Athene, en hij maakte nu plannen, dit te verwezenlijken. Hij begon met Tissaphernes te overreden, de Spartanen niet zoo kwistig te helpen. “Indien gij Sparta Athene laat vernietigen,”zoo sprak hij, “moet gij later Sparta weer beoorlogen. Waarom laat gij de twee staten elkander niet onderling bevechten, totdat zij elkander hebben uitgeput? Dan zal het voor u een gemakkelijke zaak zijn, beiden in uw macht te brengen.”Er was nooit sluwer man geboren dan de betooverende Alcibiades. Hij had de Perzen een raad gegeven, waarvan zij moesten toegeven, dat deze zeer verstandig was; hij kon de Atheners zeggen, dat hij hen bij de Perzen een grooten dienst had bewezen; en door de Spartanen te beletten, Athene te vernietigen, had hij zich er tegen verzekerd, dat hij ooit in hun overwinnende handen kon vallen—en hij was doodelijk beangst, dat hij weer in hun macht viel. Zijn volgende zet was, dat hij boden zond naar zijn vrienden te Samos. “De Perzen hebben een afschuw van een democratie,”zeide hij, “maar als Athene slechts werd bestuurd door een oligarchie, zou ik hun vriendschap voor u kunnen winnen, en zouden zij u van geld willen voorzien. Ik zou gaarne naar mijn eigen vaderland willen terugkeeren en mijn lot met het uwe willen verbinden.”De vrienden van Alcibiades zonden heimelijk mannen naar Athene, en op zekeren dag was het leger te Samos stom verbaasd, toen het vernam, dat het bestuur in handen was van een raad van edelen, de Vier Honderd, zooals zij werden genoemd. Toen redeneerden de soldaten aldus: “Alcibiades verklaart, dat hij absoluut niet heeft medegewerkt tot dit nieuwe bewind. Hij kan vrienden en geld voor ons van de Perzen verkrijgen; laten wij hemtot aanvoerder kiezen.”Zoo geschiedde het, dat Alcibiades, terwijl hij openlijk zeide, dat hij een vriend was van de Spartanen en de Perzen, de aanvoerder werd van een Atheensch leger. Nog een vreemder feit geschiedde korten tijd later. Enkele Atheensche schepen werden door de Spartanen verslagen, en Euboea viel in handen van Sparta. De Atheners waren ontsteld en verontwaardigd. Zij wierpen de schuld op hun nieuwe regeering en schaften onmiddellijk den raad van Vier Honderd af. Daarna begonnen zij er over te denken, wien zij tot hun aanvoerder zouden kiezen. Alcibiades was reeds aan het hoofd van het leger te Samos; hij was een voorspoedig aanvoerder, en hij had gezegd, dat hij verlangde thuis te komen naar zijn eigen landgenooten. In weerwil van alles wat hij had misdreven, schonken zij hem vergiffenis en bevalen hem terug te keeren.Een Atheensch Legeraanvoerder.Een Atheensch Legeraanvoerder.De Spartanen waren niet blind geweest. Spoedig hadden zij opgemerkt, dat Tissaphernes wel schoone beloften aflegde, maar dat hij die nooit hield. Een andere satraap, Pharnabazus, die in het noordelijk deel van Klein-Azië regeerde, had lang hun hulp gezocht om de Grieksche steden in zijn provincie te veroveren, en vooral die, welke in de nabijheid van den Hellespont lagen. Zijn wenschen vielen samen met die der Spartanen, immers als zij ook maar eenigszins de wacht aan den Hellespont hielden, kon Athene niet langer koren krijgen uit de landen aan de Zwarte Zee. Nu Athene geen voedsel uit Euboea kon krijgen, was haar eenige hoop, het uit die streken te verwerven. De Spartaansche en de Perzische troepen vereenigden zich bij den Hellespont. Daar kwam ook de Atheensche vloot. Deze behaalde eerst één overwinning, daarna een tweede en eenderde. Alcibiades spande zich uitermate in voor het land, dat hij in het verderf had gestort. Nog weer eens vielen goud, zilver, wapenen, gevangenen en schepen in handen van de Atheners. Nog weer eens smeekten de Spartanen om vrede, nog weer eens weigerden dit de Atheners, opgeblazen door de voordeelen, die zij weder hadden behaald. Alcibiades zette zijn overwinningen voort. Byzantium was in de handen van den vijand, hij nam het in, en evenzoo Chalcedon, aan de Aziatische zijde van den Bosporus. De weg naar de Zwarte Zee was nu vrij, en als de schepen der Atheners hem niet in den steek lieten, behoefde er geen gebrek aan koren te zijn.In weerwil van het bevel, om naar Athene terug te keeren, had de sluwe en voorzichtige Alcibiades het niet voor verstandig gehouden, zich in zijn geboortestad te vertoonen, maar nu hij in de volle glorie van zijn overwinning was, dacht hij, dat hij het er wel op kon wagen. Zijn schepen waren alle bekleed met vlaggen en schilden, die hij op den vijand had veroverd; maar toch durfde hij niet te landen, voordat hij zóóveel vrienden zag op de werf aan den Piraeus, dat hij niet alleen zeker was van een hartelijk welkom, maar ook van bescherming, voor het geval dit noodig mocht zijn. Het zou al wreed geweest zijn van ieder land, als het een veldheer niet welkom heette, die zulketropheeënvan zijn overwinning medebracht; maar bovendien was het de innemende, schitterende, welsprekende Alcibiades, en het volk was uitgelaten van vreugde. Zij letten in het geheel niet op de overige veldheeren, maar riepen luide: “Alcibiades! Alcibiades! Alcibiades is gekomen!”Zij wezen hem aan hun kinderen aan. “Ziet,” zoo zeiden zij, “daar hebt gij Alcibiades”; en dan verhaalden zij van zijn roemrijke overwinningen. Zij bekransten hem met bloemen; zij weenden van droefenis, als zij zich alles herinnerden, wat zij hadden verloren; maar zij weenden ook van vreugde, nu zij dachten aan alles, wat hij voor hen zou terug winnen. “Als hij slechts het opperbevel gehad had,zouden wij Sicilië niet hebben verloren,”zoo jammerden zij; “maar hij zal Athene wel weer machtig maken.”Er werd een bijeenkomst gehouden van den Raad, en Alcibiades hield een redevoering. Hij was bedroefd, maar bereid vergiffenis te schenken. “Zij hadden hem wel wat onvriendelijk bejegend,”zoo sprak hij, maar dat was zijn noodlot, en het moest door den één of anderen kwaden geest veroorzaakt zijn. Hij sprak over hun vijanden en legde uit, hoe hij verwachtte, hen te zullen ten onder brengen. De Raad kon nauwelijks spoedig genoeg besluiten nemen. Zij gaven hem zijn vaste goederen terug; zij bestelden voor hem gouden kronen en plaatsten hem aan het hoofd van al hun troepen.Dionysus.Dionysus.(Naar een muurschildering te Pompeji.)Alcibiades nam die eerbewijzen goedgunstig aan, maar tevens alsof hem niets meer werd geschonken dan hem toekwam. Hij wist, hoe gemakkelijk de Atheners van meening veranderden, en hij was van plan, hen nog eens onder zijn invloed te krijgen. Zijn vijanden zouden misschien nog eens de oude beschuldiging kunnen voor den dag halen omtrent zijn gedrag ten opzichte der Eleusinische Mysteriën, daarom stelde hij zich voor, de schepen en het leger op hun aanvoerder te laten wachten, totdat hij weer op goeden voet was gekomen met de priesters, door hen in staat te stellen de Mysteriën met den geheelen vroegeren luister te vieren. Sedert de Spartanen Decelea bezet hadden, was de reis over land niet veilig geweest, en er was alleen maar een haastige zeereis naar Eleusis afgelegd. Alcibiades zond nu een sterke wacht mede, en de optocht van priesters en anderen, die het beeld van Dionysusdroegen en die de dieren voor de offers medevoerden, marcheerden langzaam den weg naar Eleusis op. De heilige dansen werden uitgevoerd, geen enkel onderdeel der oude ceremoniën werd verwaarloosd, en de deelnemers aan de Mysteriën keerden veilig terug. “Onze edele Alcibiades is niet alleen een groot veldheer, maar hij heeft heden ook de taak van een hoogepriester vervuld,”zeiden de Atheners, en toen hij weer uit den Piraeus uitzeilde, volgden zij hem met de oogen, totdat hij geheel uit het gezicht verdwenen was, terwijl zij spraken over de overwinningen, die hij zou behalen en den roem, dien hij zeker over Athene zou brengen.Het duurde niet lang, of die zoo zeer aan hem gehechte Atheners luisterden met ergernis naar iemand, die van het oorlogsterrein was gekomen, en die vertelde, dat eerst kort geleden een slag was verloren en dat het geheel de schuld was van Alcibiades. De waarheid was, dat de aanvoerder verplicht was geweest het leger gedurende een korten tijd te verlaten, teneinde geld te krijgen om zijn troepen te betalen. Hij had strenge orders gegeven, dat er tijdens zijn afwezigheid niet mocht worden gevochten, maar de plaatsvervangende opperbevelhebber had zich aan dat bevel niet gestoord en was in een kleine schermutseling verslagen. De Atheners deden echter niet de minste moeite, de ware toedracht te vernemen, en misschien zelfs waren zij, hoezeer zij hem hadden geprezen en verheerlijkt, in hun hart niet volkomen zeker van zijn trouw. Zij riepen een zitting van den Raad bijeen en benoemden nieuwe legeraanvoerders. Alcibiades vreesde voor zijn leven, verliet het leger en bouwde voor zich een kasteel in Thracië. Hij kon niet blijven stilzitten. Hij zocht hier en daar manschappen bijeen, totdat hij voor zich zelf een klein leger had verzameld. Daarna voerde hij oorlog tegen de Thraciërs, die geen koning hadden. Indien hij lang genoeg had geleefd, zou hij misschien wel aan het hoofd van een staat gekomen zijn.De Spartanen zonden nu een hoogst bekwaam veldheer uit, Lysander genaamd, en de koning van Perzië zond zijn even bekwamen zoon Cyrus uit in de plaats van Tissaphernes. Hij was tot het besluit gekomen, dat het ongetwijfeld het verstandigst was, de Spartanen flink te helpen. Er kwam dus veel geld in het Spartaansche leger. De soldaten kregen hooge soldij, en schepen werden gebouwd. De Spartanen en Perzen kampeerden aan de Aziatische zijde van den Bosporus, de Atheners aan de Europeesche zijde, bij Aegos-Potamos. Iederen morgen zeilden de Atheners uit en daagden de vijanden uit tot een zeeslag. De Spartanen gingen daar echter niet op in. Dan keerden de Atheners terug naar hun kant van de landengte en brachten den dag door met rondwandelen, ten einde den tijd te dooden, of met te gaan fourageeren in Sestos, op drie kilometers afstand. Alcibiades was niet ver verwijderd, en wachtte de gebeurtenissen aan den Bosporus af. Hij reed naar het kamp en zeide de Atheensche aanvoerders, dat hij niet dacht, dat het veilig was, de matrozen hun schepen te doen verlaten en te doen rondslenteren op de kust; en dat het evenmin verstandig was, om te kampeeren waar geen stad was en geen goede haven voor hun schepen, en om hun levensmiddelen zoover verwijderd te houden. Hij raadde hen aan, zich naar Sestos terug te trekken. Geen veldheer behoefde zich te schamen, raad te ontvangen van een zoo voortreffelijken legerbevelhebber, maar de aanvoerders antwoordden kortaf: “Wij geven thans bevelen, en gij niet. Ga heen.”Alcibiades ging heen, de Spartanen weigerden nog steeds te vechten, en de Atheners werden hoe langer hoe zorgeloozer. Plotseling kwamen de Spartaansche en Perzische schepen de zeeëngte over. Slechts één der scheepsbevelhebbers hield wacht. Hij gaf het signaal, de schepen te bemannen, maar het scheepsvolk was naar Sestos gegaan, en slechts negen van de honderd tachtig schepen konden ten volle worden bemand. Erwerd nauwelijks een poging gedaan, om weerstand te bieden. De Spartanen hadden bijna niets anders te doen, dan de veroverde schepen over de zeeëngte heen te sleepen. Acht of tien schepen ontsnapten; het overige gedeelte van de vloot en duizenden manschappen werden gevangen genomen. Alle Atheners onder hen, ongeveer vierduizend, werden ter dood gebracht.Toen dit ontzettende nieuws Athene bereikte, begreep iedereen, dat het rijk in duigen was gevallen en dat Athene zelf ook moest vallen. De schepen van Lysander blokkeerden den Piraeus. De troepen van de Spartanen en van hun bondgenooten omringden de stad. Enkele weken gingen voorbij; toen kwam er hongersnood en moest de stad zich onvoorwaardelijk overgeven.Wat moest het lot der Atheners zijn? De bondgenooten bespraken dit punt ernstig. “Maakt de stad met den grond gelijk en verkoopt alle mannen, vrouwen en kinderen tot slaven,” dit was de wensch van de verontwaardigde Thebanen en Boeotiërs. “Nooit zullen wij er in toestemmen, dat één der oogen van Griekenland wordt uitgestoken,”antwoordden de Spartanen. Dit klonk barmhartig, maar er waren sommigen, die mompelden, dat de Spartanen meer slim dan edelmoedig waren; immers als Athene geheel verwoest was, zouden hetzij Thebe hetzij Corinthe naar alle waarschijnlijkheid machtiger worden dan Sparta zelf. Eindelijk werd besloten, dat de Lange Muren en de vestingwerken van den Piraeus zouden worden geslecht, dat aan de veroverde stad niet meer dan twaalf schepen zouden worden gelaten, en dat zij er in zoude moeten toestemmen, de bevelen van Sparta te land en ter zee te gehoorzamen.In Athene heerschte een hartverscheurende droefenis. Uit iedere woning waren beminde bloedverwanten omgekomen. Er was armoede, de grootste ellende, uitputting en hongersdood. Aan den Piraeus daarentegen waren vrouwen aan hetfluitspelen, daar was gezang en dans en alle soorten van vreugdeteekenen; immers de machtige muren werden neergehaald. “Is Griekenland vrij? De Grieken hebben de vrijheid herwonnen!” riepen zij vroolijk en uitgelaten. En hoog boven op de Acropolis stond het Parthenon, sterk en schoon. En daarbij stond het standbeeld van Athene, kalm en statig. En daaromheen lag een land in puinhoopen, een rijk omvergeworpen.Corinthische Helm.Corinthische Helm.Hoofdstuk XVII.De hegemonie van Sparta.Sparta was nu de leidende staat, of, zooals men het noemde, oefende de hegemonie in Griekenland uit, en alle steden, die aan haar genade waren overgeleverd, waren in angstige verwachting, wat zij zoude doen. Gedurende zeven en twintig jaar, van het begin van den oorlog tot aan het einde, had zij haar gezegd: “Athene is een tyran, en Sparta streeft er naar, u vrij te maken.” Zij zagen nu in, dat Sparta met “vrijheid” bedoelde, te doen wat zij verkoos, en de overige staten te dwingen zich aan haar te onderwerpen. Het eerst wat zij in iedere stad deed, was daar een Spartaanschen stedehouder aan te stellen, met tien mannen, die zijn plannen goedgezind waren, als magistraten, en genoeg Spartaansche soldaten, om de burgers tot gehoorzaamheid te dwingen. De Aegeïsche staten waren in de eerste plaats hulpeloos. Zij hadden het reeds hard gevonden, verplicht te zijn aan Athene schatting te betalen, maar nu hadden zij niet alleen schatting te betalen, maar moesten zij zelfs bijdragen voor het onderhoud van den stedehouder en zijn soldaten.Markt van Sparta.Markt van Sparta.Op den achtergrondisde vesting; op den voorgrond, het standbeeld van Hermes met het kind Dionysus; achter op de open plaats is het standbeeld van het Spartaansche volk; rechts de Perzische hal, versierd met den buit uit den Perzischen oorlog.Sparta vergat plotseling, “dat Athene één der beide oogen van Griekenland was,” en behandelde haar heel wat strengerdan eenige andere stad. Tien magistraten waren niet genoeg voor de Atheners—zij moesten er dertig tellen behalven den Spartaanschen stedehouder en een groote troepenmacht van Spartaansche soldaten. De Dertig Tyrannen, zooals zij werden genoemd, kozen drieduizend man, op wie zij vast konden rekenen, en namen bovendien van de overige burgers alle wapenen mede. Zij schenen noch goden, noch menschen te vreezen. Zij brachten allen ter dood, die tijdens den oorlog tegen hen waren opgetreden, allen, tegen wie zij een wrok hadden, en zóóvelen van de meer vermogende menschen, dat zij zich ruimschoots met hun geld konden verrijken. De ongelukkige Atheners zeiden in wanhoop tot elkander: “Alcibiades zal dit niet dulden: hij zal zeker wel een middel vinden om ons te helpen;” maar het duurde niet lang, of zij hoorden, dat Alcibiades was vermoord. Toen waren zij werkelijk wanhopend, en honderden vluchtten uit de stad. De andere staten waren verontwaardigd over de zelfzucht van Sparta en waren bereid, de vluchtelingen een woonplaats te verschaffen. Zelfs de Thebanen, die zulke verbitterde vijanden der Atheners geweest waren, heetten hen welkom. Zoodra het kleine troepje ballingen groot genoeg was geworden, om een poging daartoe te wagen, trokken zij de grenzen van Attica over en kwamen zij in verzet tegen de Dertig. Xenophon, een leerling van Socrates, schreef: “De Dertig zaten samen in den Raad, volkomen eenzaam en terneergeslagen.” Wel mochten zij “volkomen terneergeslagen” zijn, daar dit het begin was van het omverwerpen hunner regeering.Socrates.Socrates.(Naar een borstbeeld in de Vaticaansche Galerij te Rome).De dood van Socrates.De dood van Socrates.Er is geen enkel volk, dat op het einde van een langdurigen oorlog volkomen hetzelfde is als in het begin. Gedurende den Peloponnesischen oorlog waren de leden van iedere partij in Athene zóózeer overtuigd, dat zij het recht op hun zijde hadden, dat zij de andere politieke partijen bitter haatten, en dat zij meenden, dat, wat er ook mocht gebeuren, hun eigen wijzevan handelen, de juiste was en dat daaraan dus moest worden vastgehouden. De wijsgeer Socrates had onbevreesd voor Athene gestreden en hij had zijn woonplaats lief; maar hij was van meening, dat het voor iedere partij beter was te doen wat recht was, dan te doen, wat leiden kon tot het verkrijgen van wat zij noodig achtte; en dat eerlijkheid en deugd beter was, dan de goden offers te brengen. Dergelijke leerstellingen vielen niet in den smaak van het volk, dat liever zijn eigen zin wilde volgen, wat ook mocht gebeuren. Het einde was, dat Socrates voor het gerecht werd gedaagd en beschuldigd werd, dat hij de goden niet eerde en de jeugd door zijn onderwijs op den verkeerden weg leidde. Hij werd ter dood veroordeeld, of, zooals hij het uitdrukte “te vertrekken naar een gelukkigen staat der gelukzaligen.”Verscheidene van zijn volgelingen waren gedurende de laatste dagen van zijn leven bij hem, en één van hen, Plato genaamd, schreef een verhaal van de woorden en handelingen van den meester. Toen hem de giftbeker gebracht werd, dronk hij dien even kalm leeg, als ware hij met wijn gevuld. Zijn leerlingen barstten in tranen uit. Plato zegt: “Ik weende nietom hem, maar om mijn eigen lot, nu ik van zulk een vriend zou worden beroofd.”Toen op het laatst allen meenden, dat het vergif zijn werking had gedaan, riep Socrates tot één der jongelieden: “Crito, wij zijn een haan verschuldigd aan Aesculapius; betaal dien dus en verzuim het niet.”Aesculapius was de godheid, wien men een offer bracht, als men dankbaar was voor zijn herstel uit een ziekte; en Socrates was zóó heilig overtuigd, dat hem een edeler, gelukkiger leven wachtte, dat hij het gevoel had, alsof hij, als zijn aardsche leven eindigde, alleen maar van ziekte tot gezondheid overging.Aesculapius.Aesculapius.(In de Vaticaansche Galerij te Rome).Het volgende is een voorbeeld van de wijsheid van Socrates. Een zekere Antiphon trachtte de volgelingen van den wijsgeer van hem af te trekken. Daartoe kwam hij bij Socrates op zekeren dag, toen zij aanwezig waren, en zeide: “Ik dacht altijd, dat zij, die de wijsbegeerte beoefenden, gelukkiger moesten worden dan anderen; maar gij schijnt van de wijsbegeerte vruchten van geheel anderen aard te hebben geplukt; ten minste gij leeft op een wijze, waarop geen slaaf onder zijn meester ooit zou wenschen te leven; gij eet spijzen en drinkt drank van de slechtste soort; gij draagt een bovenkleed, dat niet alleen slecht is, maar dat zoowel in den zomer als in den winter hetzelfde is, en gij blijft steeds rondloopen zonder schoenen en zonder behoorlijk gewaad. Geld, dat de menschen verheugt, als zij het ontvangen, en dat hen die het bezitten, in staat stelt, aangenamer te leven en zich ruimer te bewegen, neemt gij niet aan, en als gij dus, daar leermeesters in andere beroepen er naar streven, dat hun leerlingen hen volgen, een dergelijke uitwerking op uw volgelingen hebt, moet gij u beschouwen als iemand, die onderwijst,hoe men een ellendig leven kan leiden.”Socrates antwoordde kalm: “Gij gelijkt, o Antiphon, op iemand, die meent, dat geluk bestaat in weelde en in buitensporigheid, maar het is mijn overtuiging, dat hij die niets verlangt, op de goden gelijkt, en dat hij die zoo weinig mogelijk verlangt, zoo veel mogelijk de goden nabijkomt; dat de goddelijke natuur de volmaaktheid is, en dat dus de goddelijke natuur nabij te komen, is, de volmaking zoo dicht mogelijk te naderen.”De zoogenaamde gevangenis van Socrates te Athene.De zoogenaamde gevangenis van Socrates te Athene.De vijanden van Socrates vergaten niet, er de rechters aan te herinneren, dat Alcibiades en ook Critias, het hoofd der Dertig Tyrannen, tot zijn leerlingen hadden behoord; maar er was meer dan één van zijn verknochte volgelingen, die een eer werden voor Socrates en zijn vaderland. Plato leefde nog een halve eeuw na den dood van zijn beminden leermeester, en werd als wijsgeer zelfs nog veel beroemder. Hij schreef over de meest diepzinnige onderwerpen, maar met zóóveel humor, fantasie en frischheid, dat men hem ging beschouwen als een afstammeling van Apollo, den god der welsprekendheid. Leerlingen verzamelden zich in grooten getale om hem heen, zooals vroeger om Socrates, en hij placht met hen te spreken en hen te onderwijzen in zijn huis vlak bij de academie. Het verhaal is tot ons overgeleverd, dat sommige vreemdelingen, die hem bij de Olympische spelen ontmoetten, zóózeer met hem waren ingenomen, dat zij met vreugde zijn uitnoodiging aannamen, om hem te Athene te bezoeken. Toen het oogenblik ongeveer genaderd was, dat hun bezoek een einde zou nemen, zeiden zij: “Maar wilt gij ons niet in kennis brengen met uw beroemden naamgenoot, den wijsgeer Plato?” Zij waren ten hoogste verbaasd,toen hun gastheer eenvoudig antwoordde: “Ik ben de persoon, dien gij wenscht te zien.”Kaart van den tocht der tienduizend GriekenKaart van den tocht der tienduizend GriekenMarschroute der tienduizend Grieken.Een ander volgeling van Socrates was Xenophon, die niet alleen wijsgeer, maar ook geschiedschrijver en legeraanvoerder was. Toen Socrates gevangen zat, was Xenophon juist teruggekeerd van een merkwaardige expeditie, die door den Perzischen Cyrus was op touw gezet. Nadat de Peloponnesische oorlog geëindigd was, zond Cyrus afgezanten naar Sparta, om de Spartanen te vragen, dat zij zich jegens hem niet anders zouden gedragen dan hij zich jegens hen had gedragen. Daarmede bedoelde hij, dat hij wat Grieksche soldaten wilde leenen. Zijn broeder, Artaxerxes II, was nu op den troon van Perzië, maar er waren velen, die van oordeel waren, dat die van rechtswege aan Cyrus toekwam, en deze had een leger van 100000 man bijeengebracht, om dien te vermeesteren. Hij wist, hoe goed de Grieken vochten, en het is niet te verwonderen, dat hij zeer begeerde, Grieksche troepen te huren. Er waren in Griekenland duizenden mannen, die ten gevolge van den langen oorlog slechts weinig afwisten van een ander beroep dan dat van soldaat, en zij waren bereid voor iedereen te strijden, die hun soldij wilde betalen. Zij zouden er echter niet in hebben toegestemd, tot in het binnenste van Azië door te dringen; daarom werden zij bedriegelijk verlokt den tocht te ondernemen door de mededeeling, dat Cyrus hen noodig had, om enkele opstandelingen in Pisidië te onderwerpen, welk land gelegen was aan de zuidelijke kust van Klein-Azië. Zij trokken de Aegeïsche Zee over, landden in de nabijheid van Samos, en gingen met de grootste opgewektheid op weg naar Pisidië. Maar Pisidië scheen heel ver af te liggen, en ten slotte begonnen zij te vermoeden, dat er bedrog in het spel was. Na verloop van tijd kwam Cyrus hen met zijn troepen te gemoet, en ten slotte erkende hij, dat zij op weg waren naar Babylonië, en niet tegen enkele opstandelingen hadden te strijden, maartegen den koning van het Perzische rijk. Zij waren reeds in Perzië en het was bijna even gevaarlijk te trachten den terugtocht te aanvaarden als vooruit te trekken. Cyrus beloofde hun een hooge soldij en zij stemden er in toe, verder te trekken.Perzisch krijgsman.Perzisch krijgsman.Op zekeren dag, juist vóór het aanbreken van den middag, kwam een man in volle vaart naar het leger galoppeeren, die eerst in het Perzisch, en daarna in het Grieksch uitriep: “De Koning komt, de Koning komt, met een groot leger, volkomen ten strijde toegerust.” Vroeg in den namiddag zag men over de vlakte een lage, witte wolk liggen. Dit was het stof, dat door het leger van den koning werd opgejaagd. De stofwolk werd hoe langer hoe donkerder; daarna kon de flikkering van een speer of van een metalen wapenrusting gezien worden. Ruiterij, met een sneeuw-witte wapenrusting, kwam te voorschijn; Egyptische troepen met lange houten schilden; boogschutters; wagens met zeisen, die van de wagenassen afhingen; volken na volken, ieder een samengedrongen en op zich zelf staande troep. De gelederen van Cyrus werden gevormd, en hij zelf inspecteerde die, toen hij een zacht gemompel door de gelederen hoorde gaan van rechts naar links en van links naar rechts. “Wat is dat?” vroeg hij. Xenophon was juist komen aanrijden, om te vragen, of hij ook eenige bevelen had gegeven, en hij antwoordde, dat dit het wachtwoord beteekende: “Jupiter de Redder, en overwinning.”“Ik neem dit aan als een goed voorteeken,”zeide Cyrus, “en moge het zoo zijn.”Het voorteeken bleek echter valsch te zijn. Wel is waar wonnen de dappere Grieken den strijd, maar Cyrus werd verslagen. “Levert al uw wapenen in,”beval de koning.“Overwinnaars leveren hun wapenen niet in,”antwoordden de Grieken. De koning was er niet op gesteld, het gevecht te hervatten. Hij wilde veel liever van die lastige vreemdelingen bevrijd worden, en hij dacht, dat het verstandig zou zijn hen te laten vertrekken, om rond te zwerven in het land en van honger om te komen. Hun aanvoerders werden door bedrog en list gedood; en de Grieken werden achtergelaten in het land van een vijand, op minstens zestienhonderd kilometers van huis. Zij hadden geen gidsen, geen aanvoerders en weinig kennis van het land, behalve dat zij wisten, dat er veel rivieren en bergen waren. Zij waren wanhopig. De nacht brak aan, en zij lagen op den grond, verlangend naar hun gezin en hun eigen vaderland. Xenophon was met het leger naar Perzië getrokken, niet als soldaat en volstrekt niet van plan tegen den koning te strijden, maar alleen om onder Cyrus een hooge betrekking te krijgen. Toen hij op den grond lag, kwam hij tot het besluit, dat, nu niemand anders de leiding nam, het op zijn weg lag iets te doen. Hij aarzelde eenigen tijd, omdat er zoovelen waren, die ouder waren dan hij; daarna zeide hij tot zichzelf, “Ik zal zeker nooit ouder worden, als ik mij heden aan den vijand overgeef.” Dit geschiedde kort na middernacht. In de duisternis riep hij de kapiteins bijeen en zij maakten zoo goed mogelijk plannen. “Vertel gij het zelf aan het leger,” zeiden zij; en bij het eerste aanbreken van den morgen trok Xenophon zijn beste wapenrusting aan en zijn schoonste kleederen, en ging voor de tienduizend man staan. Hij verhaalde hun, hoe dapper hun voorouders geweest waren, en dat zij ongetwijfeld hun weg konden terugvinden. Zij moesten hun bagage verbranden, behalve wat er noodig was van vleesch, drinkwaren en wapenen. “Als wij overwinnaars zijn, moeten wij den vijand als onze bagagedragers beschouwen,”zeide hij.Xenophon.Xenophon.De soldaten vergaten hun moedeloosheid. Zij verbrandden al de bagage, die zij konden missen, kozen nieuwe aanvoerders,waaronder natuurlijk Xenophon behoorde, en begonnen één der meest merkwaardige terugtochten. Zij zwoegden voort over brandende vlakten, doorwaadden snelstroomende rivieren, klommen over ruwe rotsen, trokken door bergpassen, waar de jachtsneeuw een vadem diep was opgestapeld en de felste winterstormen hun gezicht teisterden. Somtijds hadden zij voedsel, somtijds niet. Somtijds mochten zij in vrede door een provincie trekken, somtijds werden zij van alle kanten aangevallen. Als zij slechts de zee konden bereiken! dachten zij, want dan zou de weg naar huis en naar hun vrienden gemakkelijk zijn. Eindelijk hoorde Xenophon luide kreten van zijn voorhoede. Die kreten herhaalden zich en werden hoe langer hoe luider. Het geleek volstrekt niet op een oorlogskreet, en toch kon het zijn, dat er een vijand vóór hen stond—niemand wist hoe of wat. Hij sprong op zijn paard en vloog den heuvel op. En zie, aan den horizon, ver in het noorden, lag een streep helder schitterend water, de Pontus Euxinus. “Thalatta, thalatta,” (de zee) riepen de soldaten. Die ruwe krijgers barstten in tranen los, zij wierpen hun armen om elkanders hals, zij omhelsden hun aanvoerders en kapiteins. De inboorling, die hen naar den top van den heuvel had gevoerd, stond er naast. Zij gaven hem een paard, een zilveren beker, een Perzisch kleed, en tien gouden munten. Zij richtten een heuvel op, zooals dit bij Marathon was geschied, en legden daarop ossenhuiden en stokken en schilden, op den vijand veroverd. In drie dagen tijds waren de Tienduizend Grieken bij de Grieksche stad Trapezos, (thans Trebizonde). De burgerij verwelkomde henen gaf hun ossen en wijn en gerstemeel, en vierde feesten uit dankbaarheid voor de welwillende gezindheid der goden. Xenophon schreef zelf het verhaal van dien terugtocht der Tienduizend, die zich onder de grootste moeilijkheden een weg hadden gebaand naar zee, over een uitgestrektheid van zestienhonderd kilometers.Cnidus met de beide havens.Cnidus met de beide havens.(In die havens ankerden een groot aantal schepen).Xenophon had, evenals Plato, Socrates lief, en schreef alles op, wat hij zich kon herinneren omtrent het onderwijs van zijn meester. Nadat hij hem zoo op de warmste wijze had geprezen, eindigde hij met de volgende woorden: “Indien iemand het niet met mij eens is, laat hem dan het gedrag van anderen met dat van Socrates vergelijken, en daarna, in overeenstemming daarmede, zijn gevolgtrekkingen maken.”De tocht der Tienduizend maakte het voor de Grieken duidelijk, dat het ontzaglijke Perzische rijk een groot, lomp en log rijk was, zonder leven of energie; en Sparta was er niet rouwig om, dat de Grieksche kuststeden om hulp tegen Tissaphernes vroegen, die zich gereed maakte iedere stad te straffen, welke jegens Cyrus welwillend gezind was geweest. Na eenige kleine gevechten tusschen de Spartanen en Tissaphernes, vormde de Spartaansche koning Agesilaus het plan, zich door Perzië een weg te banen, en het uit zijn kracht gegroeide rijk te veroveren. Hij slaagde in het begin zóó goed, dat het er werkelijk op begon te gelijken, dat hij in staat zou zijn, zijnplan tenuitvoer te brengen; doch de sluwe Perzen konden goed intrigeeren, al konden zij niet vechten. Zij wisten, dat de overige Grieken Sparta haatten wegens haar tyrannie en haar egoïsme, en daarom boden zij schepen en manschappen aan,en slaagden er in, Corinthe, Athene, Thebe en Argos er toe te brengen, zich tegen haar te verbinden. Dit was het begin van den Corinthischen Oorlog, die acht jaren duurde. Een groot gedeelte van den oorlog werd in Corinthe gevoerd, maar eindelijk was er een groote zeeslag bij Cnidus in Klein-Azië. Toen kwam er een treurige dag voor Sparta, want haar geheele vloot werd vernield. Eenigen tijd later was er meer vreugde in Athene dan er in langen tijd geweest was, immers met behulp van Perzisch geld werden de eerste steenen gelegd voor het opbouwen der muren en der versterkingen van den Piraeus.De Atheners waren gelukkig, maar hun bondgenooten waren afgunstig. “Waarom zouden wij vechten, als uitsluitend Athene er voordeel van zal hebben?”zoo vroegen zij. Sparta begon eveneens ongerust te worden. “Waarom zouden wij trachten de Grieksche koloniën te beschermen, als al ons werk er op neerkomt, Athene te helpen?”morden zij. Er was geen andere uitweg dan vrede te sluiten, en met hun gewone zelfzucht sloten de Spartanen een verdrag, naar den afgezant, de vrede van Antalcidas genoemd, volgens welk verdrag de Grieksche steden in Azië aan de Perzen werden gegeven. Bijna nog ongunstiger was een bepaling, dat de koning der Perzen en de Spartanen iederen staat den oorlog zouden verklaren, die weigerde het verdrag te gehoorzamen. Dit beteekende, dat Sparta bereid was zich met Perzië te vereenigen tegen ieder deel van haar eigen land.Sparta sloot niet alleen een schandelijk verdrag, maar de stad gedroeg zich nog schandelijker bij de uitvoering. Nog steeds deed zij het voorkomen, alsof zij de Grieken vrijheid schonk, en zij maakte er niet alleen haar werk van, iedere stad, die over een andere heerschte, te dwingen, die heerschappij op te geven, maar zij zorgde tevens, dat iedere vriendschappelijke verbintenis van steden, waarvan zij meende, dat deze ter eeniger tijd haar vijandig kon worden, verbrokenwerd. Zij geloofde, dat de bevolking van Mantinea in Arcadië zich niet met haar wijze van optreden kon vereenigen, en daarom sloopte zij de muren dier stad, en dwong zij de burgers uit elkander te gaan en zich in vijf dorpen te vestigen. De regeering van Griekenland was een soort tyrannie en Sparta was de tyran. Een Spartaansch veldheer marcheerde door de bevriende stad Thebe, toen een Thebaan hem heimelijk zeide: “De andere partij haat de Spartanen, maar onze partij is u gunstig gezind. Ik zal u naar de citadel voeren; dan zal Thebe in uw macht zijn, en gij zult ons niet vergeten.”Het was het middaguur van een heeten zomerdag, en er waren in de straten slechts weinig menschen die weerstand konden bieden, zoodat de Spartaansche veldheer spoedig meester was van Thebe. Toen het bericht hiervan de Spartanen bereikte, waren zij verontwaardigd, niet, omdat hun bevelhebber een zoo laaghartige daad hadverricht, maar, omdat hij het had gedaan zonder het bevel daartoe van de Spartaansche overheid te hebben gekregen. Doch koning Agesilaus zeide: “Het hangt er van af, of hij Sparta voordeel of nadeel heeft berokkend. In het laatste geval dient hij gestraft te worden; maar anders mag hij zelfstandig optreden. Zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat het in het voordeel van Sparta was, en daarom behielden zij de citadel in hun macht.Een aantal Thebanen van de tegenpartij vluchtten uit de stad uit vrees voor hun leven. Onder dezen was ook een zekere Pelopidas. Hij placht tot de weinige ballingen te zeggen: “Het is oneervol er mede tevreden te zijn, dat wij ons eigen leven hebben gered; wij moeten ons best doen, de stad te bevrijden. Eindelijk wist hij hen met nieuwen moed te bezielen, en er werd een plan beraamd om Thebe te bevrijden. Pelopidas en eenige andere jongelingen vermomden zich als boeren, en drongen heimelijk langs verschillende wegen de stad binnen. Het sneeuwde zóó hard, dat de meeste menschen binnen ’s-huiswaren, maar enkele vrienden der ballingen stonden op den uitkijk, om hen naar de plaats van samenkomst te voeren. Toen de avond was aangebroken, trokken zij kleeren over hun wapenrusting en zware kransen van bladeren over hun voorhoofd, om hun gebaard gelaat te bedekken. Aldus vermomd trokken zij naar de plaats, waar de aanvoerders der partij, die de stad hadden verraden, een feestmaal hielden, en doodden de voornaamsten onder hen. Pelopidas wierp de deuren der gevangenissen open, om hen te bevrijden, die trouw aan Thebe waren geweest. Nu begonnen de lichten te schijnen aan de vensters der huizen; de straten waren vol menschen; er was overal verwarring en geschreeuw, want niemand wist nauwkeurig, wat er was geschied. Toen de morgen was aangebroken, riepen de trouw gebleven Thebanen het volk samen. Toen stonden Pelopidas en de overige ballingen, zijn vriend Epaminondas en de priesters der tempels voor de vergadering. “Staat op,” riepen de priesters, “voor de goden van uw vaderland.” De geheele vergadering sprong als één man op en schreeuwde van vreugde. Zij marcheerden recht op de citadel aan. De Spartanen, die de citadel bezetten, gaven zich onmiddellijk over. De ééne plaats na de andere volgde het voorbeeld van Thebe. De Spartanen straften wel de stedehouders, die zich overgaven, maar zonder resultaat.Toen begon Athene te droomen van een herstel van haar vroegere grootheid. Zij stichtte een nieuw bondgenootschap van staten, dat veel beter was dan de Bond van Delos; immers de staten zouden onderling in rang gelijk zijn en het bijeengebrachte geld zou dienen ten nutte van allen. Dit was een zóó eerlijk bondgenootschap, dat het een onbeperkten tijd zou hebben kunnen voortduren, ware niet weer de ééne staat afgunstig op den anderen. Het waren nu de Atheners, die besloten met Sparta vrede te sluiten.Sparta hield nog steeds vol, dat zij de Boeotische stedenbevrijdde, maar op zekeren dag was het Spartaansche leger ten hoogste verbaasd, toen het een Thebaansch leger zag uittrekken, om tegen hen slag te leveren. De Spartanen schaarden hun manschappen op de gewone wijze, die zij reeds gedurende verschillende geslachten hadden toegepast, en trokken den vijand te gemoet in een lang gelid, twaalf rijen diep. Epaminondas, die de Thebanen aanvoerde, redeneerde aldus: “De beste soldaten zullen rondom den koning geschaard zijn, en indien wij deze kunnen verslaan, zal het overige een gemakkelijke zaak zijn.”Daarom maakte hij de gelederen tegenover den koning vijftig rijen diep. Het kon niet verwacht worden, dat een gelid van twaalf man diep, een aanval van een gelid van vijftig man zou kunnen weerstaan, en hoewel het leger van Sparta veel talrijker was, leed het de ernstigste nederlaag, die in de geschiedenis van Sparta bekend was, daar het door een veel kleinere troepenmacht in een eerlijken strijd werd verslagen. Dit was de beroemde slag bij Leuctra, in het jaar 371 vóór Christus.Plan van den slag bij Leuctra.Plan van den slag bij Leuctra.(De Spartaansche koning stond op den rechtervleugel van de Spartaansche slagorde).Griekse vrouwen.Griekse vrouwen.(Naar een groep in het Louvre).Toen het bericht Sparta bereikte, dat haar leger door een veel kleiner aantal was verslagen, begrepen de ephoren zeer goed, dat nu de Grieken de Spartanen nooit meer zouden vreezen; zij hadden de hegemonie van hun land verloren. Als de Spartanen Atheners geweest waren, zouden zij geweend en geweeklaagd hebben, maar daar zij Spartanen waren, droegen zij hun lot op de oude echt Spartaansche wijze. “Laat de spelen voortgang hebben,”bevalen de ephoren; zij waren namelijk midden in een feest. Al de gebruikelijke ceremoniënwerden in acht genomen, en de ephoren zelf bleven daarbij tegenwoordig, totdat de laatste wedstrijd en de laatste dans geëindigd waren. Het was bij de Spartanen het gebruik, dat iedere soldaat, die uit een slag gevlucht was, op alle mogelijke wijze te schande werd gemaakt. Hij werd genoodzaakt de helft van zijn baard af te scheren en de andere helft niet te knippen. Hij moest havelooze kleeren dragen, bedekt met verschillende gekleurde lappen. Hij mocht nooit eenig staatsambt bekleeden; en een Spartaansch meisje, dat met hem huwde, maakte zich onmogelijk Er waren zóóvelen uit den slag gevlucht, dat de Spartanen die gewoonte niet durfden handhaven; maar de bloedverwanten van hen, die gestorven waren, liepen over de straat met een trotsche houding, en traden de tempels binnen om dank te zeggen aan de goden voor den moed, door hun vrienden betoond. De bloedverwanten van hen, die waren gevlucht, hadden een treurige gelaatsuitdrukking, en liepen met gebogen hoofd of sloten zich zelfs samen op, zooals in Sparta in tijden van de diepste smart gebruikelijk was. Zoo droeg Sparta de nederlaag, die haar droom, de heerscheres van Griekenland te worden, verstoord had.Munten uit Thessalonica.Munten uit Thessalonica.

Hoofdstuk XV.De krijgstocht tegen Sicilië.Het voornaamste voordeel van den Vrede van Nicias was, dat de strijd gedurende twee of drie jaren gestaakt werd. Gedurende dien tijd waren er zooveel overeenkomsten en bondgenootschappen tusschen de Grieken gesloten, dat het te verwonderen was, dat er nog een enkele staat was, die er zeker van was, wie tot zijn vrienden en wie tot zijn vijanden behoorden. De bondgenooten van Sparta waren verontwaardigd, omdat de Spartanen, zooals zij beweerden, in het verdrag wel voor zich zelf hadden gezorgd, maar geen zorg hadden gedragen voor de belangen van hun bondgenooten. Een aantal veroverde steden hadden er bezwaar tegen, weer aan hun vroegere heerschers te worden teruggegeven, zooals het verdrag had bepaald. Toen maakten Athene en Sparta een afzonderlijke afspraak, om hun bondgenooten te dwingen aan het verdrag te gehoorzamen. De staat Argolis had zich tijdens den oorlog volkomen onzijdig gehouden, en had zich dien tijd ten nutte gemaakt om rijk en sterk te worden. Argolis sloot nu een verbond met enkele van de ontevreden bondgenooten van Sparta, en wat de kroon op alles zette, ook Athene sloot zich bij dit verbond aan. Sparta zag, dat, indien dit Argolisch verbond niet werd verbroken, zij haar macht in den Peloponnesus zou verliezen, daarom viel zij de Argoliërs aan, die door de Atheners geholpen werden. Een slag werd geleverd bij Mantinea, en de Spartanen behaalden een zóó groote overwinning, dat Argolis alle hoop liet varen, ooit in den Peloponnesus de leiding te zullen hebben.Intusschen hadden de Atheners het oog gevestigd op Melos, één der beide eilanden in de Aegeïsche Zee waaroverzij de heerschappij niet uitoefenden. Zij zonden een vloot tegen Melos uit en bevalen de bewoners van het eiland, zich over te geven of hun stad te verliezen. “Wij zijn Doriërs, en ongetwijfeld zullen de Spartanen ons komen helpen,”dachten de Meliërs, maar er kwam geen hulp. De stad viel. Alle volwassen mannen werden ter dood gebracht, en de vrouwen en kinderen werden als slaven verkocht. Een dergelijke barbaarschheid was niets bijzonders in die dagen, maar er was geen redelijke grond geweest, om het eiland aan te vallen, behalve dat Athene het gaarne wilde hebben, en Griekenland was over die daad ontsteld.Melos.Melos.De Atheners hadden maar één wensch, en wel hun rijk te vergrooten; al het andere liet hen onverschillig. Zij schenen te voelen, dat, indien zij een groote hoeveelheid land bezaten, of een aantal steden konden dwingen hun schatting te betalen, zij machtig moesten zijn. Zij heerschten over de eilanden tot aan het oosten van Griekenland—waarom zouden zij ook niet in westelijke richting trekken en het machtige eiland Sicilië veroveren? Wel waren zij overtuigd, dat de Peloponnesische oorlog nog volstrekt niet geëindigd was, en dat Pericles hun gezegd had, dat het hun ondergang zou zijn, als zij zouden trachten hun rijk te vergrooten, zoolang de oorlog nog woedde; maar zij waren begonnen te gelooven, dat de denkbeelden van Pericles ouderwetsch waren. De bekwame veldheer Nicias herinnerde er zijn landgenooten aan, hoeveel menschen zij door den oorlog en de pest hadden verloren, en drong er bij hen op aan, geen troepen naar Sicilië te zenden, zoolang het misschien noodig was, dat alle soldaten binnen enkele dagen naar huis moesten worden ontboden. “Een krijgstocht naar Sicilië is een gevaarlijke onderneming,”zeide hij, “en zeker niet eentocht, die door een nog jongen knaap kan worden op touw gezet, en zoo maar onvoorbereid kan worden ten uitvoer gebracht.”Zoo sprak Nicias, maar de Atheners begonnen Nicias voor langzaam en al te bedachtzaam aan te zien, en letten daarom niet op zijn woorden. De “jonge knaap” was een jonge man, Alcibiades genaamd. Hij was rijk, schoon en van een aanzienlijke familie. Hij was de welsprekendste redenaar van Athene, en van een zóó schitterend vernuft, dat de verstandige en welwillende wijsgeer Socrates hem zeer lief had en zijn best deed te zorgen, dat hij niet bedorven werd. Dit was werkelijk geen gemakkelijke taak, want er was iets in Alcibiades, dat de menschen verblindde en hen deed vergeten verstandig enpractisch te zijn. Hij won de gunst van de menigte, door te betalen voor het vertoonen van schouwspelen ten einde hen te vermaken, door renpaarden te houden, door prijzen te winnen bij de Olympische spelen met het wagenrennen, en door een moed en vermetelheid, die hen betooverde. Tegenover bijna iedereen behalve Socrates was hij ruw en onbeschaamd, en toch schonk het volk hem gewoonlijk vergiffenis. Zij zeiden dan: “O, dat is zoo de wijze van doen van Alcibiades,”en wachtten dan geduldig af, wat zijn volgende streek zou zijn. Hij bedankte eens voor een uitnoodiging tot een feest; doch toen de overige gasten aan tafel waren, kwam hij plotseling aan de deur voor den dag met zijn bedienden, en veegde de helft van de gouden schotels weg; toch bleef de gastheer zijn bewonderende vriend. De woeste makkers van Alcibiades zetten hem voortdurend aan, de meest onbeschaafde en brutale daden te verrichten. Een van die daden was, dat hij op straat op één der meest waardige burgers van Athene afging en hem een klap om de ooren gaf. Die man kon het gedrag van den aanzienlijken jongeling niet goedkeuren, en weigerde een zoo groote onbeschoftheid en lompheid als een uitgelaten grap te beschouwen; maar den volgenden morgen vroeg verscheen Alcibiades aan zijn deur, wierp zijn slepend purperen bovenkleed af, en zeide toen: “Ik ben hier gekomen, opdat gij mij afranselt. Kastijd mij, als gij wilt”; en hem werd vergiffenis geschonken. Als al zijn grillen alleen maar even zot en onbeschoft geweest waren als deze, zou men hem misschien vergiffenis hebben geschonken; maar in weerwil van het onderwijs en de opvoeding van Socrates was hij in de hoogste mate onbetrouwbaar en oneerlijk. Het verstandige deel van Athene zag dit; maar de groote menigte schiep behagen in iedereen, die haar aangename oogenblikken bezorgde.Socrates onderwijst Alcibiades.Socrates onderwijst Alcibiades.Dit was nu de leider, dien de Atheners bereid waren te volgen op de krankzinnigste expeditie, die ooit door een volk werdondernomen. Nicias deed nog eens zijn waarschuwende stem hooren en vertelde de verzamelde menigte, dat de steden van Sicilië rijk waren en een groote troepenmacht bezaten. “Indien gij besluit, dien inval te ondernemen,”zoo sprak hij, “moet gij minstens driehonderd triremen hebben, een groot aantal soldaten, een grooten voorraad voedsel en een groot bedrag aan geld.”Hij had gehoopt, dat zij er niet zoo spoedig toe zouden besluiten, indien zij inzagen, welke ontzaglijke voorbereidselen moesten worden gemaakt; maar het tegenovergestelde had plaats, het heethoofdige, licht ontvlambare volk was half buiten zich zelf van genoegen, omdat zij een zoo reusachtige onderneming gingen beginnen. Zij hadden wel is waar enkele steden in Thracië en Macedonië verloren, maar waarom zouden zij zich de moeite geven die terug te winnen, als zij zoo spoedig reeds de meesters zouden zijn van een schitterend nieuw rijk in het westen? Zij zouden eerst Sicilië veroveren; maar dit was slechts een begin, maar zij zouden dan verder gaan en Italië en Afrika trachten te vermeesteren. Er zouden avonturen en schatten en roem voor iedereen zijn. Het was als het ware een expeditie om de Gouden Vacht te halen, en zij twijfelden er geen oogenblik aan, of zij zouden den draak verslaan.Het bestijgen van het schip.Het bestijgen van het schip.In Sicilië hadden zich kolonisten uit verschillende landengevestigd. Slechts weinigen van hen, die uit Griekenland afkomstig waren, waren Atheners, maar er waren een groot aantal Doriërs. Syracuse was gesticht door Doriërs uit Corinthe, en was nu de grootste en rijkste van alle Grieksche steden, met uitzondering van Athene. De steden van Sicilië hadden somtijds getwist, en de Atheners hadden eens een vloot uitgezonden, om een stad van Euboea tegen Syracuse te helpen. Het voorwendsel, dat zij gebruikten, om weer een inval op het eiland te doen, was, dat een nietiger stad, Egesta genaamd, Athene om hulp had gevraagd bij haar twist met een ander nietig stadje, dat door Syracuse werd geholpen. De inwoners van Egesta zeiden, dat zij bereid waren alle kosten te betalen, als Athene hen slechts met haar vloot en haar troepenmacht wilden helpen. De Atheners deden ten minste één verstandige daad, zij zonden afgezanten om op de plaats zelf te onderzoeken, of Egesta werkelijk zooveel schatten had, als waarop zij pochte. Toen de afgezanten terugkeerden, brachten zij genoeg geld mede om de bemanning van zestig triremen gedurende een maand te onderhouden, en zij wisten de meest wonderlijke verhalen te vertellen omtrent de prachtige zilveren kommen en flacons en andere offergaven, die zij in de tempels hadden gezien. “Voortdurend werden wij feestelijk onthaald,”zeiden zij, “en op ieder feest werden wij bediend uit prachtige gouden en zilveren drinkbekers.”Zij waren niet opmerkzaam genoeg geweest, om er zich over te verbazen, waarom al de bewoners van Egesta volkomen dezelfde tafelversieringen en dezelfde soort van tafelservies hadden, en het was absoluut niet tot hen doorgedrongen, dat die ondernemende kolonisten dit alles zeker van elkander en van de naburige steden geleend hadden, ten einde bij de Atheners den indruk te wekken, dat zij bijzonder rijk waren.De drukte bij de voorbereiding was bijzonder groot. Voedsel, wapenen, schepen, geld, troepen, dat alles moest gereedgemaakt worden. Te midden van die vroolijke en opgewekte drukte ontwaakten de Atheners op zekeren morgen in de grootste ontsteltenis. Het bleek, dat iemand door de stad was getrokken en de Hermen of de Hermesbeelden had vernield, op de steenen palen, die aan de deuren van huizen en tempels waren opgericht. “Dit is een vreeselijke beleediging van de goden, en zij zullen dit op ons wreken,”zoo fluisterden de Atheners, ten zeerste bezorgd. Daarna ging hun bezorgdheid in woede over. Wie zou een zoo groot schandaal hebben veroorzaakt? Zij herinnerden zich, dat er slechts één man was, die ooit dergelijke dwaze streken had uitgericht. “Het moet zeker Alcibiades geweest zijn,”riepen zijn vijanden stoutmoedig uit. “Hij hoopte op een omwenteling, die het staatsbestuur zou brengen in de handen der aanzienlijken.”“Geef mij een eerlijke gelegenheid mij te verdedigen,”vroeg Alcibiades; maar zijn vijanden drongen er op aan, dat de expeditie niet langer zou worden uitgesteld, en de schepen zeilden weg. De geheele bevolking van Athene liep samen naar den Piraeus, om hen te zien vertrekken, immers dit was de kostbaarste expeditie, ooit door eenigen staat van Griekenland uitgezonden. Er waren mannen aan boord uit iedere stad, die aan de Atheners onderworpen was. De schepen waren uitnemend uitgerust, de bemanning was de beste, die ooit kon worden gevonden. De soldaten wedijverden onderling in de voortreffelijkheid van hun wapenen en uitrusting. Toen alles gereed was, werd door trompetgeschal stilte gelast, en al die duizenden stonden doodstil en onbewegelijk. Daarop zeide een heraut een gebed op voor de goden; de geheele vloot en de menigte op het strand bad hardop mede. Op ieder schip werd wijn, met water vermengd, geplengd als offer aan de goden, uit zilveren of gouden kommen. De bemanning zong een lofzang ter eere van Apollo. Daarna gingen de schepen achter elkander in één rij in zee, en zeilden en roeiden zoo snel mogelijk naar Corcyra.Toen zij Rhegium bereikten, de Italiaansche stad, die het dichtst bij Sicilië gelegen was, landden zij en zonden zij afgezanten naar Egesta. Nicias had nooit geloof gehecht aan den grooten rijkdom der inwoners van Egesta, en toen kwamen hun pocherijen en leugens voor den dag. De drie bevelhebbers hielden een krijgsraad. “Laat ons de inwoners van Egesta dwingen, te betalen wat zij hebben beloofd, laat ons Selinus dwingen tot een vergelijk te komen, en daarna naar huis terugkeeren,”was het advies van Nicias. “Laat ons onmiddellijk een aanval doen op Syracuse, voordat de stad zich kan voorbereiden voor den oorlog,”zoo luidde de raad van Lamachus. “Laat ons eerst een aantal bondgenooten op Sicilië trachten te verwerven en daarna Syracuse aanvallen,”was de meening van Alcibiades. Dit laatste plan werd goedgekeurd.Plotseling kwam een schip uit Athene, met het bevel, dat Alcibiades onmiddellijk zoude terugkeeren voor de verdediging, die men hem had geweigerd, voordat de vloot uitzeilde. Zijn vijanden hadden die verdediging weten uitgesteld te krijgen, totdat de troepen in Sicilië waren, daar zij wisten, dat een zoo populair vlootvoogd zeker zou worden vrijgesproken, als hij in Athene was. Hij werd nu tevens nog van een andere misdaad beschuldigd, en wel, dat hij met sommigen onder zijn woeste makkers de heilige Eleusinische Mysteriën in een belachelijk daglicht had gesteld. Dit waren de heiligste en meest geheime der godsdienstige plechtigheden bij de Grieken; deze te openbaren of te bespotten werd als een misdaad beschouwd, die den dood verdiende. Alcibiades dacht er niet aan, onder deze omstandigheden als beschuldigde voor het gerecht te verschijnen. Men had hem toegestaan, in zijn eigen schip naar huis te vertrekken, bewaakt door het schip, dat de boodschap had overgebracht. Het was voor hem niet moeilijk te ontsnappen; en het andere schip was gedwongen zonder hem naar Griekenland terug te keeren.Het duurde nog eenige maanden, voordat het plan, om het beleg voor Syracuse te werpen, kon ten uitvoer worden gebracht, maar beide partijen waren druk bezig met de voorbereidselen. De Atheners ontboden geld en ruiterij van huis, en sloten bondgenootschappen met zooveel stammen van Sicilië als slechts mogelijk was. De Syracusanen bouwden om de stad nieuwe versterkingen en versterkten de oude. Evenzoo zonden zij afgezanten naar Corinthe en Sparta om hulp te vragen en Sparta te smeeken, nog eens den oorlog tegen Athene te beginnen, ten einde de Atheners te dwingen, hun soldaten weer uit Syracuse terug te roepen. Toen die afgezanten Sparta bereikten, ontmoetten zij daar een welsprekenden, beminnelijken en betooverenden jongen verrader, die gaarne bereid was, de Spartanen ter wille van de Syracusanen toe te spreken. Het was Alcibiades zelf. “Ik ken de geheimen der Atheners,”zoo sprak hij. “Ik heb een ondankbaar vaderland verloren, maar ik heb niet de macht verloren, u diensten te bewijzen, als gij naar mij wilt luisteren.”Het was geen oogenblik twijfelachtig, of zijn toehoorders stonden met gespannen aandacht naar hem te luisteren; immers hij vertelde de Spartanen en de afgezanten uit Syracuse alles omtrent de plannen der Atheners, hoe zij eerst op Syracuse en daarna op Carthago zouden losstormen, om ten slotte Sparta en haar bondgenooten aan te vallen. “De veiligheid, niet alleen van Sicilië, maar van den Peloponnesus staat op het spel,”zoo zeide hij met evenveel ernst, alsof hij een Spartaan van geboorte was. Daarna gaf hij hun eenigen practischen raad. In de eerste plaats drong hij er bij hen op aan, troepen naar Syracuse te zenden, en wel onder bevel van een bekwaam Spartaansch aanvoerder; in de tweede plaats, dadelijk Athene den oorlog te verklaren. “Gij dient Decelea onmiddellijk te versterken;”zeide hij: “de Atheners zijn daar voortdurend bevreesd voor.”Vervolgens ging hij verder, en legde hij hun uit, dat indien de Spartanen Deceleain hun macht hadden, de Atheners de jaarlijksche schatting, de inkomsten van de landbouwproducten en van de zilvermijnen zouden verliezen; en daar de plaats niet meer dan ongeveer twintig kilometers van Athene verwijderd was, was er geen twijfel aan, of een aantal slaven zouden van Athene naar Decelea ontsnappen. De Spartanen besloten, dien raad op te volgen. Zij begonnen hun vloot gereed te maken en namen bezit van Decelea.Grieksch ruiter.Grieksch ruiter.Een zeeslagEen zeeslagIn Sicilië zelf liep alles zóózeer ten voordeele van de Athenersaf, dat de Syracusanen op het punt waren alles voor de overgave gereed te maken. Plotseling verscheen een Corinthisch schip in de haven van Syracuse. “Er komen schepen uit Sparta,” zeide de bevelhebber. “Gylippus, de bekwaamste Spartaansche aanvoerder, is op weg om u te hulp te komen.”Spoedig daarna verscheen Gylippus met schepen en manschappen. De Atheners waren met groote opgewektheid bezig een muur om Syracuse op te bouwen, maar zij moesten plotseling dit werk staken, daar Gylippus eveneens een muur oprichtte. De Atheners zonden meer schepen en een nieuwen aanvoerder, Demosthenes, die het fortbij Pylos had gebouwd. Zij deden aanvallen te land en ter zee, maar zij konden Syracuse niet nemen. Het Atheensche kamp was op een ongezonde plaats gelegen, en een groot aantal soldaten waren zieken. “De stad kan onmogelijk worden ingenomen,” beweerde Demosthenes. “Laat ons terugtrekken, zoolang dit nog mogelijk is.” Het was volle maan, maar plotseling werd deze verduisterd. “Wat beteekent dit?” vroeg Nicias angstig aan de waarzeggers. “Dat beteekent, dat het leger gedurende driemaal negen dagen moet blijven stil liggen,” antwoordden zij. Nicias hechtte onbepaald geloof aan de waarzeggers. Het leger wachtte en verloor dus zijn eenige kans om te ontsnappen.De Syracusanen waren nu niet langer meer bevreesd, hun stad te verliezen. Zij begeerden nu heftig, roem en eer te verwerven, en daarom vatten zij het plan op, de geheele vloot der vijanden te vermeesteren. Er volgde toen een ontzettende zeeslag. De Syracusaansche schepen blokkeerden den ingang van de haven; de Atheensche triremen konden niet naar de open zee ontsnappen. Tweehonderd schepen waren opeengehoopt in de nauwe ruimte. Het ééne schip stootte tegen het andere; somtijds stootten twee of drie schepen tegen één aan. “Breekt er doorheen, anders zult gij Griekenland nooit terugzien!” riepen de Atheensche aanvoerders tot hun manschappen. “Behaalt de overwinning! Verschaft uw stad roem!” riepen de aanvoerders der Syracusanen; maar het knarsen, het kraken, de angstkreten, het gekerm, het rammelen der kettingen, het geluid van harde slagen en het neersmakken van lijken op het dek—dat alles maakte een zóó helsch geraas, dat alleen zij, die in de onmiddellijke nabijheid waren, de woorden van hun aanvoerders konden hooren. Met uitzondering van de troepen aan boord der beide vloten, was geheel Syracuse verzameld op één gedeelte van het strand, en al de Grieken op het andere deel. De Grieken drongen op tot den randvan het water; zij kermden en schreeuwden in doodsangst, zoo dikwijls één van hun schepen buiten gevecht was gesteld; zij juichten als één van hun schepen ontsnapt scheen te zijn; zij zwaaiden heen en weer; zij wierpen zich op den grond; zij strekten hun armen omhoog, om tot de goden te bidden. De schepen der Syracusanen waren hier, daar, overal. De Atheners roeiden als razenden naar den ingang van de haven; doch zij werden op het strand teruggeworpen; zij sprongen uit hun schepen en waadden door het water naar het land en hun legerkamp. “Zij leden nu hetzelfde, wat zij anderen bij Pylos hadden aangedaan,”schreef Thucydides. “Er is zelfs nu nog kans op redding,”zeiden de Atheensche veldheeren, “wij hebben meer schepen dan de vijand. Bij het aanbreken van den dag zullen wij ons een doortocht banen.”Maar de verschrikkingen van den zeeslag hadden de mannen met een panischen schrik bevangen; zij weigerden aan boord te gaan.Een Atheensch soldaat.Een Atheensch soldaat.De eenige hoop op redding bestond voor de Grieken hierin, dat zij zich terugtrokken, en trachtten misschien een bevriende stad te bereiken; zij begonnen dan ook hun droevigen tocht. De dooden bleven onbegraven liggen; de gewonden en de stervenden riepen hun oude vrienden bij hun namen aan, als zij voorbijtrokken, en smeekten hen, dat zij hen zouden medenemen; daarna riepen zij den toorn der goden in over hun hoofden, toen zij geen acht sloegen op hun smeekingen. Het geheele leger was in tranen. Demosthenes en een deel van het leger werd van het overige gedeelte afgesneden, maar Nicias rukte voorwaarts. Het voedsel geraakte op, water kon niet worden gevonden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier. Zij waren zóózeer door dorst geteisterd, dat zij in het watersprongen en op de ondiepe plaatsen bleven staan, voortdurend op nieuw drinkend, hoewel de Syracusanen hen beschoten en pijlen en steenen op hen wierpen. Een aantal mannen werden onder den voet getrapt; zij werden door hoopen bagage geraakt en den stroom afgedreven. Een ontzaglijke menigte lijken lag opgehoopt waar het water ondiep was, en de rivier was rood van bloed. Toen gaf Nicias zich over. “Doet met mij wat gij wilt,”smeekte hij “maar spaart mijn manschappen.”Nicias en Demosthenes werden beiden ter dood gebracht. Het geheele Grieksche leger werd gevangen genomen, behalve enkelen, wien het gelukt was te ontvluchten. De gevangenen, zevenduizend in aantal, werden opgehoopt in de steengroeven. De zon brandde over dag op hun hoofden; des nachts bibberden zij van de koude. Slechts een halve kan water en slecht voedsel was hun dagelijksch rantsoen. Bij honderden kwamen zij om, en de lijken lagen op elkander gestapeld. Na verloop van tien weken werden zij, die nog in het leven waren gebleven, als slaven verkocht. Zoo eindigde de expeditie, die Athene zou hebben moeten maken tot heerscheres over alle staten aan de Middellandsche Zee. Zoo is de roem en de luister van den oorlog.Oude Grieksche Oorlogsgalei.OudeGriekscheOorlogsgalei.

Het voornaamste voordeel van den Vrede van Nicias was, dat de strijd gedurende twee of drie jaren gestaakt werd. Gedurende dien tijd waren er zooveel overeenkomsten en bondgenootschappen tusschen de Grieken gesloten, dat het te verwonderen was, dat er nog een enkele staat was, die er zeker van was, wie tot zijn vrienden en wie tot zijn vijanden behoorden. De bondgenooten van Sparta waren verontwaardigd, omdat de Spartanen, zooals zij beweerden, in het verdrag wel voor zich zelf hadden gezorgd, maar geen zorg hadden gedragen voor de belangen van hun bondgenooten. Een aantal veroverde steden hadden er bezwaar tegen, weer aan hun vroegere heerschers te worden teruggegeven, zooals het verdrag had bepaald. Toen maakten Athene en Sparta een afzonderlijke afspraak, om hun bondgenooten te dwingen aan het verdrag te gehoorzamen. De staat Argolis had zich tijdens den oorlog volkomen onzijdig gehouden, en had zich dien tijd ten nutte gemaakt om rijk en sterk te worden. Argolis sloot nu een verbond met enkele van de ontevreden bondgenooten van Sparta, en wat de kroon op alles zette, ook Athene sloot zich bij dit verbond aan. Sparta zag, dat, indien dit Argolisch verbond niet werd verbroken, zij haar macht in den Peloponnesus zou verliezen, daarom viel zij de Argoliërs aan, die door de Atheners geholpen werden. Een slag werd geleverd bij Mantinea, en de Spartanen behaalden een zóó groote overwinning, dat Argolis alle hoop liet varen, ooit in den Peloponnesus de leiding te zullen hebben.

Intusschen hadden de Atheners het oog gevestigd op Melos, één der beide eilanden in de Aegeïsche Zee waaroverzij de heerschappij niet uitoefenden. Zij zonden een vloot tegen Melos uit en bevalen de bewoners van het eiland, zich over te geven of hun stad te verliezen. “Wij zijn Doriërs, en ongetwijfeld zullen de Spartanen ons komen helpen,”dachten de Meliërs, maar er kwam geen hulp. De stad viel. Alle volwassen mannen werden ter dood gebracht, en de vrouwen en kinderen werden als slaven verkocht. Een dergelijke barbaarschheid was niets bijzonders in die dagen, maar er was geen redelijke grond geweest, om het eiland aan te vallen, behalve dat Athene het gaarne wilde hebben, en Griekenland was over die daad ontsteld.

Melos.Melos.

Melos.

De Atheners hadden maar één wensch, en wel hun rijk te vergrooten; al het andere liet hen onverschillig. Zij schenen te voelen, dat, indien zij een groote hoeveelheid land bezaten, of een aantal steden konden dwingen hun schatting te betalen, zij machtig moesten zijn. Zij heerschten over de eilanden tot aan het oosten van Griekenland—waarom zouden zij ook niet in westelijke richting trekken en het machtige eiland Sicilië veroveren? Wel waren zij overtuigd, dat de Peloponnesische oorlog nog volstrekt niet geëindigd was, en dat Pericles hun gezegd had, dat het hun ondergang zou zijn, als zij zouden trachten hun rijk te vergrooten, zoolang de oorlog nog woedde; maar zij waren begonnen te gelooven, dat de denkbeelden van Pericles ouderwetsch waren. De bekwame veldheer Nicias herinnerde er zijn landgenooten aan, hoeveel menschen zij door den oorlog en de pest hadden verloren, en drong er bij hen op aan, geen troepen naar Sicilië te zenden, zoolang het misschien noodig was, dat alle soldaten binnen enkele dagen naar huis moesten worden ontboden. “Een krijgstocht naar Sicilië is een gevaarlijke onderneming,”zeide hij, “en zeker niet eentocht, die door een nog jongen knaap kan worden op touw gezet, en zoo maar onvoorbereid kan worden ten uitvoer gebracht.”Zoo sprak Nicias, maar de Atheners begonnen Nicias voor langzaam en al te bedachtzaam aan te zien, en letten daarom niet op zijn woorden. De “jonge knaap” was een jonge man, Alcibiades genaamd. Hij was rijk, schoon en van een aanzienlijke familie. Hij was de welsprekendste redenaar van Athene, en van een zóó schitterend vernuft, dat de verstandige en welwillende wijsgeer Socrates hem zeer lief had en zijn best deed te zorgen, dat hij niet bedorven werd. Dit was werkelijk geen gemakkelijke taak, want er was iets in Alcibiades, dat de menschen verblindde en hen deed vergeten verstandig enpractisch te zijn. Hij won de gunst van de menigte, door te betalen voor het vertoonen van schouwspelen ten einde hen te vermaken, door renpaarden te houden, door prijzen te winnen bij de Olympische spelen met het wagenrennen, en door een moed en vermetelheid, die hen betooverde. Tegenover bijna iedereen behalve Socrates was hij ruw en onbeschaamd, en toch schonk het volk hem gewoonlijk vergiffenis. Zij zeiden dan: “O, dat is zoo de wijze van doen van Alcibiades,”en wachtten dan geduldig af, wat zijn volgende streek zou zijn. Hij bedankte eens voor een uitnoodiging tot een feest; doch toen de overige gasten aan tafel waren, kwam hij plotseling aan de deur voor den dag met zijn bedienden, en veegde de helft van de gouden schotels weg; toch bleef de gastheer zijn bewonderende vriend. De woeste makkers van Alcibiades zetten hem voortdurend aan, de meest onbeschaafde en brutale daden te verrichten. Een van die daden was, dat hij op straat op één der meest waardige burgers van Athene afging en hem een klap om de ooren gaf. Die man kon het gedrag van den aanzienlijken jongeling niet goedkeuren, en weigerde een zoo groote onbeschoftheid en lompheid als een uitgelaten grap te beschouwen; maar den volgenden morgen vroeg verscheen Alcibiades aan zijn deur, wierp zijn slepend purperen bovenkleed af, en zeide toen: “Ik ben hier gekomen, opdat gij mij afranselt. Kastijd mij, als gij wilt”; en hem werd vergiffenis geschonken. Als al zijn grillen alleen maar even zot en onbeschoft geweest waren als deze, zou men hem misschien vergiffenis hebben geschonken; maar in weerwil van het onderwijs en de opvoeding van Socrates was hij in de hoogste mate onbetrouwbaar en oneerlijk. Het verstandige deel van Athene zag dit; maar de groote menigte schiep behagen in iedereen, die haar aangename oogenblikken bezorgde.

Socrates onderwijst Alcibiades.Socrates onderwijst Alcibiades.

Socrates onderwijst Alcibiades.

Dit was nu de leider, dien de Atheners bereid waren te volgen op de krankzinnigste expeditie, die ooit door een volk werdondernomen. Nicias deed nog eens zijn waarschuwende stem hooren en vertelde de verzamelde menigte, dat de steden van Sicilië rijk waren en een groote troepenmacht bezaten. “Indien gij besluit, dien inval te ondernemen,”zoo sprak hij, “moet gij minstens driehonderd triremen hebben, een groot aantal soldaten, een grooten voorraad voedsel en een groot bedrag aan geld.”Hij had gehoopt, dat zij er niet zoo spoedig toe zouden besluiten, indien zij inzagen, welke ontzaglijke voorbereidselen moesten worden gemaakt; maar het tegenovergestelde had plaats, het heethoofdige, licht ontvlambare volk was half buiten zich zelf van genoegen, omdat zij een zoo reusachtige onderneming gingen beginnen. Zij hadden wel is waar enkele steden in Thracië en Macedonië verloren, maar waarom zouden zij zich de moeite geven die terug te winnen, als zij zoo spoedig reeds de meesters zouden zijn van een schitterend nieuw rijk in het westen? Zij zouden eerst Sicilië veroveren; maar dit was slechts een begin, maar zij zouden dan verder gaan en Italië en Afrika trachten te vermeesteren. Er zouden avonturen en schatten en roem voor iedereen zijn. Het was als het ware een expeditie om de Gouden Vacht te halen, en zij twijfelden er geen oogenblik aan, of zij zouden den draak verslaan.

Het bestijgen van het schip.Het bestijgen van het schip.

Het bestijgen van het schip.

In Sicilië hadden zich kolonisten uit verschillende landengevestigd. Slechts weinigen van hen, die uit Griekenland afkomstig waren, waren Atheners, maar er waren een groot aantal Doriërs. Syracuse was gesticht door Doriërs uit Corinthe, en was nu de grootste en rijkste van alle Grieksche steden, met uitzondering van Athene. De steden van Sicilië hadden somtijds getwist, en de Atheners hadden eens een vloot uitgezonden, om een stad van Euboea tegen Syracuse te helpen. Het voorwendsel, dat zij gebruikten, om weer een inval op het eiland te doen, was, dat een nietiger stad, Egesta genaamd, Athene om hulp had gevraagd bij haar twist met een ander nietig stadje, dat door Syracuse werd geholpen. De inwoners van Egesta zeiden, dat zij bereid waren alle kosten te betalen, als Athene hen slechts met haar vloot en haar troepenmacht wilden helpen. De Atheners deden ten minste één verstandige daad, zij zonden afgezanten om op de plaats zelf te onderzoeken, of Egesta werkelijk zooveel schatten had, als waarop zij pochte. Toen de afgezanten terugkeerden, brachten zij genoeg geld mede om de bemanning van zestig triremen gedurende een maand te onderhouden, en zij wisten de meest wonderlijke verhalen te vertellen omtrent de prachtige zilveren kommen en flacons en andere offergaven, die zij in de tempels hadden gezien. “Voortdurend werden wij feestelijk onthaald,”zeiden zij, “en op ieder feest werden wij bediend uit prachtige gouden en zilveren drinkbekers.”Zij waren niet opmerkzaam genoeg geweest, om er zich over te verbazen, waarom al de bewoners van Egesta volkomen dezelfde tafelversieringen en dezelfde soort van tafelservies hadden, en het was absoluut niet tot hen doorgedrongen, dat die ondernemende kolonisten dit alles zeker van elkander en van de naburige steden geleend hadden, ten einde bij de Atheners den indruk te wekken, dat zij bijzonder rijk waren.

De drukte bij de voorbereiding was bijzonder groot. Voedsel, wapenen, schepen, geld, troepen, dat alles moest gereedgemaakt worden. Te midden van die vroolijke en opgewekte drukte ontwaakten de Atheners op zekeren morgen in de grootste ontsteltenis. Het bleek, dat iemand door de stad was getrokken en de Hermen of de Hermesbeelden had vernield, op de steenen palen, die aan de deuren van huizen en tempels waren opgericht. “Dit is een vreeselijke beleediging van de goden, en zij zullen dit op ons wreken,”zoo fluisterden de Atheners, ten zeerste bezorgd. Daarna ging hun bezorgdheid in woede over. Wie zou een zoo groot schandaal hebben veroorzaakt? Zij herinnerden zich, dat er slechts één man was, die ooit dergelijke dwaze streken had uitgericht. “Het moet zeker Alcibiades geweest zijn,”riepen zijn vijanden stoutmoedig uit. “Hij hoopte op een omwenteling, die het staatsbestuur zou brengen in de handen der aanzienlijken.”“Geef mij een eerlijke gelegenheid mij te verdedigen,”vroeg Alcibiades; maar zijn vijanden drongen er op aan, dat de expeditie niet langer zou worden uitgesteld, en de schepen zeilden weg. De geheele bevolking van Athene liep samen naar den Piraeus, om hen te zien vertrekken, immers dit was de kostbaarste expeditie, ooit door eenigen staat van Griekenland uitgezonden. Er waren mannen aan boord uit iedere stad, die aan de Atheners onderworpen was. De schepen waren uitnemend uitgerust, de bemanning was de beste, die ooit kon worden gevonden. De soldaten wedijverden onderling in de voortreffelijkheid van hun wapenen en uitrusting. Toen alles gereed was, werd door trompetgeschal stilte gelast, en al die duizenden stonden doodstil en onbewegelijk. Daarop zeide een heraut een gebed op voor de goden; de geheele vloot en de menigte op het strand bad hardop mede. Op ieder schip werd wijn, met water vermengd, geplengd als offer aan de goden, uit zilveren of gouden kommen. De bemanning zong een lofzang ter eere van Apollo. Daarna gingen de schepen achter elkander in één rij in zee, en zeilden en roeiden zoo snel mogelijk naar Corcyra.

Toen zij Rhegium bereikten, de Italiaansche stad, die het dichtst bij Sicilië gelegen was, landden zij en zonden zij afgezanten naar Egesta. Nicias had nooit geloof gehecht aan den grooten rijkdom der inwoners van Egesta, en toen kwamen hun pocherijen en leugens voor den dag. De drie bevelhebbers hielden een krijgsraad. “Laat ons de inwoners van Egesta dwingen, te betalen wat zij hebben beloofd, laat ons Selinus dwingen tot een vergelijk te komen, en daarna naar huis terugkeeren,”was het advies van Nicias. “Laat ons onmiddellijk een aanval doen op Syracuse, voordat de stad zich kan voorbereiden voor den oorlog,”zoo luidde de raad van Lamachus. “Laat ons eerst een aantal bondgenooten op Sicilië trachten te verwerven en daarna Syracuse aanvallen,”was de meening van Alcibiades. Dit laatste plan werd goedgekeurd.

Plotseling kwam een schip uit Athene, met het bevel, dat Alcibiades onmiddellijk zoude terugkeeren voor de verdediging, die men hem had geweigerd, voordat de vloot uitzeilde. Zijn vijanden hadden die verdediging weten uitgesteld te krijgen, totdat de troepen in Sicilië waren, daar zij wisten, dat een zoo populair vlootvoogd zeker zou worden vrijgesproken, als hij in Athene was. Hij werd nu tevens nog van een andere misdaad beschuldigd, en wel, dat hij met sommigen onder zijn woeste makkers de heilige Eleusinische Mysteriën in een belachelijk daglicht had gesteld. Dit waren de heiligste en meest geheime der godsdienstige plechtigheden bij de Grieken; deze te openbaren of te bespotten werd als een misdaad beschouwd, die den dood verdiende. Alcibiades dacht er niet aan, onder deze omstandigheden als beschuldigde voor het gerecht te verschijnen. Men had hem toegestaan, in zijn eigen schip naar huis te vertrekken, bewaakt door het schip, dat de boodschap had overgebracht. Het was voor hem niet moeilijk te ontsnappen; en het andere schip was gedwongen zonder hem naar Griekenland terug te keeren.

Het duurde nog eenige maanden, voordat het plan, om het beleg voor Syracuse te werpen, kon ten uitvoer worden gebracht, maar beide partijen waren druk bezig met de voorbereidselen. De Atheners ontboden geld en ruiterij van huis, en sloten bondgenootschappen met zooveel stammen van Sicilië als slechts mogelijk was. De Syracusanen bouwden om de stad nieuwe versterkingen en versterkten de oude. Evenzoo zonden zij afgezanten naar Corinthe en Sparta om hulp te vragen en Sparta te smeeken, nog eens den oorlog tegen Athene te beginnen, ten einde de Atheners te dwingen, hun soldaten weer uit Syracuse terug te roepen. Toen die afgezanten Sparta bereikten, ontmoetten zij daar een welsprekenden, beminnelijken en betooverenden jongen verrader, die gaarne bereid was, de Spartanen ter wille van de Syracusanen toe te spreken. Het was Alcibiades zelf. “Ik ken de geheimen der Atheners,”zoo sprak hij. “Ik heb een ondankbaar vaderland verloren, maar ik heb niet de macht verloren, u diensten te bewijzen, als gij naar mij wilt luisteren.”Het was geen oogenblik twijfelachtig, of zijn toehoorders stonden met gespannen aandacht naar hem te luisteren; immers hij vertelde de Spartanen en de afgezanten uit Syracuse alles omtrent de plannen der Atheners, hoe zij eerst op Syracuse en daarna op Carthago zouden losstormen, om ten slotte Sparta en haar bondgenooten aan te vallen. “De veiligheid, niet alleen van Sicilië, maar van den Peloponnesus staat op het spel,”zoo zeide hij met evenveel ernst, alsof hij een Spartaan van geboorte was. Daarna gaf hij hun eenigen practischen raad. In de eerste plaats drong hij er bij hen op aan, troepen naar Syracuse te zenden, en wel onder bevel van een bekwaam Spartaansch aanvoerder; in de tweede plaats, dadelijk Athene den oorlog te verklaren. “Gij dient Decelea onmiddellijk te versterken;”zeide hij: “de Atheners zijn daar voortdurend bevreesd voor.”Vervolgens ging hij verder, en legde hij hun uit, dat indien de Spartanen Deceleain hun macht hadden, de Atheners de jaarlijksche schatting, de inkomsten van de landbouwproducten en van de zilvermijnen zouden verliezen; en daar de plaats niet meer dan ongeveer twintig kilometers van Athene verwijderd was, was er geen twijfel aan, of een aantal slaven zouden van Athene naar Decelea ontsnappen. De Spartanen besloten, dien raad op te volgen. Zij begonnen hun vloot gereed te maken en namen bezit van Decelea.

Grieksch ruiter.Grieksch ruiter.

Grieksch ruiter.

Een zeeslagEen zeeslag

Een zeeslag

In Sicilië zelf liep alles zóózeer ten voordeele van de Athenersaf, dat de Syracusanen op het punt waren alles voor de overgave gereed te maken. Plotseling verscheen een Corinthisch schip in de haven van Syracuse. “Er komen schepen uit Sparta,” zeide de bevelhebber. “Gylippus, de bekwaamste Spartaansche aanvoerder, is op weg om u te hulp te komen.”Spoedig daarna verscheen Gylippus met schepen en manschappen. De Atheners waren met groote opgewektheid bezig een muur om Syracuse op te bouwen, maar zij moesten plotseling dit werk staken, daar Gylippus eveneens een muur oprichtte. De Atheners zonden meer schepen en een nieuwen aanvoerder, Demosthenes, die het fortbij Pylos had gebouwd. Zij deden aanvallen te land en ter zee, maar zij konden Syracuse niet nemen. Het Atheensche kamp was op een ongezonde plaats gelegen, en een groot aantal soldaten waren zieken. “De stad kan onmogelijk worden ingenomen,” beweerde Demosthenes. “Laat ons terugtrekken, zoolang dit nog mogelijk is.” Het was volle maan, maar plotseling werd deze verduisterd. “Wat beteekent dit?” vroeg Nicias angstig aan de waarzeggers. “Dat beteekent, dat het leger gedurende driemaal negen dagen moet blijven stil liggen,” antwoordden zij. Nicias hechtte onbepaald geloof aan de waarzeggers. Het leger wachtte en verloor dus zijn eenige kans om te ontsnappen.

De Syracusanen waren nu niet langer meer bevreesd, hun stad te verliezen. Zij begeerden nu heftig, roem en eer te verwerven, en daarom vatten zij het plan op, de geheele vloot der vijanden te vermeesteren. Er volgde toen een ontzettende zeeslag. De Syracusaansche schepen blokkeerden den ingang van de haven; de Atheensche triremen konden niet naar de open zee ontsnappen. Tweehonderd schepen waren opeengehoopt in de nauwe ruimte. Het ééne schip stootte tegen het andere; somtijds stootten twee of drie schepen tegen één aan. “Breekt er doorheen, anders zult gij Griekenland nooit terugzien!” riepen de Atheensche aanvoerders tot hun manschappen. “Behaalt de overwinning! Verschaft uw stad roem!” riepen de aanvoerders der Syracusanen; maar het knarsen, het kraken, de angstkreten, het gekerm, het rammelen der kettingen, het geluid van harde slagen en het neersmakken van lijken op het dek—dat alles maakte een zóó helsch geraas, dat alleen zij, die in de onmiddellijke nabijheid waren, de woorden van hun aanvoerders konden hooren. Met uitzondering van de troepen aan boord der beide vloten, was geheel Syracuse verzameld op één gedeelte van het strand, en al de Grieken op het andere deel. De Grieken drongen op tot den randvan het water; zij kermden en schreeuwden in doodsangst, zoo dikwijls één van hun schepen buiten gevecht was gesteld; zij juichten als één van hun schepen ontsnapt scheen te zijn; zij zwaaiden heen en weer; zij wierpen zich op den grond; zij strekten hun armen omhoog, om tot de goden te bidden. De schepen der Syracusanen waren hier, daar, overal. De Atheners roeiden als razenden naar den ingang van de haven; doch zij werden op het strand teruggeworpen; zij sprongen uit hun schepen en waadden door het water naar het land en hun legerkamp. “Zij leden nu hetzelfde, wat zij anderen bij Pylos hadden aangedaan,”schreef Thucydides. “Er is zelfs nu nog kans op redding,”zeiden de Atheensche veldheeren, “wij hebben meer schepen dan de vijand. Bij het aanbreken van den dag zullen wij ons een doortocht banen.”Maar de verschrikkingen van den zeeslag hadden de mannen met een panischen schrik bevangen; zij weigerden aan boord te gaan.

Een Atheensch soldaat.Een Atheensch soldaat.

Een Atheensch soldaat.

De eenige hoop op redding bestond voor de Grieken hierin, dat zij zich terugtrokken, en trachtten misschien een bevriende stad te bereiken; zij begonnen dan ook hun droevigen tocht. De dooden bleven onbegraven liggen; de gewonden en de stervenden riepen hun oude vrienden bij hun namen aan, als zij voorbijtrokken, en smeekten hen, dat zij hen zouden medenemen; daarna riepen zij den toorn der goden in over hun hoofden, toen zij geen acht sloegen op hun smeekingen. Het geheele leger was in tranen. Demosthenes en een deel van het leger werd van het overige gedeelte afgesneden, maar Nicias rukte voorwaarts. Het voedsel geraakte op, water kon niet worden gevonden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier. Zij waren zóózeer door dorst geteisterd, dat zij in het watersprongen en op de ondiepe plaatsen bleven staan, voortdurend op nieuw drinkend, hoewel de Syracusanen hen beschoten en pijlen en steenen op hen wierpen. Een aantal mannen werden onder den voet getrapt; zij werden door hoopen bagage geraakt en den stroom afgedreven. Een ontzaglijke menigte lijken lag opgehoopt waar het water ondiep was, en de rivier was rood van bloed. Toen gaf Nicias zich over. “Doet met mij wat gij wilt,”smeekte hij “maar spaart mijn manschappen.”

Nicias en Demosthenes werden beiden ter dood gebracht. Het geheele Grieksche leger werd gevangen genomen, behalve enkelen, wien het gelukt was te ontvluchten. De gevangenen, zevenduizend in aantal, werden opgehoopt in de steengroeven. De zon brandde over dag op hun hoofden; des nachts bibberden zij van de koude. Slechts een halve kan water en slecht voedsel was hun dagelijksch rantsoen. Bij honderden kwamen zij om, en de lijken lagen op elkander gestapeld. Na verloop van tien weken werden zij, die nog in het leven waren gebleven, als slaven verkocht. Zoo eindigde de expeditie, die Athene zou hebben moeten maken tot heerscheres over alle staten aan de Middellandsche Zee. Zoo is de roem en de luister van den oorlog.

Oude Grieksche Oorlogsgalei.OudeGriekscheOorlogsgalei.

OudeGriekscheOorlogsgalei.

Hoofdstuk XVI.De val van Athene.Alcibiades.Alcibiades.(In het Vaticaan te Rome)De verrader Alcibiades had Athene overgehaald tot den aanval op Sicilië, hij had haar vijanden geleerd, hoe zij haar machtige vloot en haar duizenden manschappen kon overwinnen, en het was op zijn raad, dat zij Decelea hadden veroverd. Al het land om Decelea heen was even onvruchtbaar gemaakt als het zand op de kust. De schapen en de runderen waren gedood, en meer dan twintig duizend slaven waren weggeloopen. De Atheners konden nog evenals te voren voedsel krijgen van het eiland Euboea, maar dit kon nu niet meer onmiddellijk over de zeeëngte naar Decelea en van daar naar Athene gebracht worden; het moest langs een grooten omweg over zee om Sunium heen aangevoerd worden. Dit was een langzame manier, die bovendien kostbaar was, terwijl zij daarenboven groot gevaar opleverde; immers de Spartaansche schepen konden op ieder oogenblik uit den één of anderen schuilhoek te voorschijn komen, en de Atheners zouden dan nooit iets van schip of lading te zien krijgen. Hun eenige hoop was, dat de verovering van Sicilië hun ongekenden rijkdom zou brengen, en dat de terugkeer van hun leger het mogelijk zou maken, de Spartanen uit Decelea te verdrijven. Toen bereikte hun de tijding van de Siciliaansche nederlaag. De Atheners hadden geen schepen meer, geen geld, geen manschappen, en bijna ieder gezin was in rouw gedompeld. In het eerst waren zij door de ontzettende ramp verpletterd; zij waren er van overtuigd, dat de Syracusanen, de Spartanen, deCorinthiërs, de Boeotiërs,in één woord iedere stam, die afgunstig geweest was op hun roem, hen nu zouden aanvallen; de volksplantingen zouden in opstand komen en zij waren hulpeloos. Daarna raasden zij tegen iedereen, die maar één woord ten voordeele van de expeditie had gezegd; doch daarna gingen zij met een heerlijken moed en een krachtige zekerheid aan het werk, om nog zooveel mogelijk te redden. Zij brachten een leger op de been, zoo groot als zij dit in de gegeven omstandigheden konden bijeenbrengen, en riepen iedereen, die voorheen verbannen was, terug, om zich daarbij aan te sluiten; zij lieten uit Thracië en Macedonië timmerhout halen, waarmede zij oorlogsschepen bouwden, en de stedelijke uitgaven beperkten zij tot het hoogst noodige. De volksvergadering en de gedachtelooze menigte kiezers waren door en door ontsteld. Zij waren lang niet meer zoo zeker als te voren, dat alles, wat zij zich hadden voorgenomen, zoo verstandig was, en zij stelden toen mannen op leeftijd aan, om als raad dienst te doen.De Perzen hadden nauwlettend op Griekenland acht geslagen, en juist in die dagen vaardigde Koning Darius II een proclamatie uit, waarbij hij verkondigde, dat iedere voet land, die ooit, al was het slechts een oogenblik, in handen van zijn voorvaderen was geweest, hem toebehoorde en hem schatting moest betalen. Hierin zou zelfs Attica zelf met een aantal steden en eilanden der Aegeïsche Zee zijn opgesloten, in één woord ongeveer het geheele Atheensche gebied. De wijze, waarop hij zich van de schatting wilde verzekeren, was eenvoudig en gemakkelijk; hij zond slechts een bevel aan de satrapen of bewindvoerders in Klein-Azië van de volgende strekking: “Int het geld voor mij, zoo goed gij dit kunt.”De satrapen waren in den grootsten angst. Zij konden de schatting zonder hulp niet innen, en zij boden een groote som aan, als Sparta hen wilde te hulp komen. Nu had de onruststoker Alcibiades een prachtige kans. Hij hielp Chios en andereeilanden en steden, om tegen Athene op te staan, en hij bracht een verdrag tot stand tusschen de Spartanen en de Perzen. Tegen Athene traden dus de Spartanen op, en hun Grieksche bondgenooten, de Syracusanen, de Perzen en een aantal steden van den Bond van Delos. Samos bleef op hun hand.Een Perzisch Edelman.Een Perzisch Edelman.Maar Alcibiades begon langzamerhand genoeg te krijgen van Sparta, en in weerwil van alles wat hij voor hen gedaan had, begonnen ook zij genoeg van hem te krijgen. Toen hij naar hun land ging, had hij zijn zwaren baard afgeschoren, zich als een Spartaan gekleed, was hij steeds rustig en ernstig in zijn optreden geweest, leefde hij even eenvoudig als wie onder de Spartanen ook, en beweerde zelfs dol te zijn op hun zwarte soep. Daardoor won hij de harten der Spartanen, maar na eenigen tijd begon hij dingen te doen, die niet alleen in strijd waren met hun zeden en gewoonten, maar ook met de wetten, en zelfs pleegde hij een misdaad tegenover den koning zelf. Hij verwachtte, dat de Spartanen evenals de Atheners zouden verdragen wat hij verkoos te doen; maar toch lette hij nauwlettend op hen. Er kwam een tijd, dat hij grond had voor de meening, dat zijn leven in gevaar was. Toen sloop hij weg naar den Perzischen satraap Tissaphernes. Toen hij eenmaal op Perzisch grondgebied was, vergat hij zijn voorliefde voor zwarte soep; hij liet zijn baard groeien; hij droeg de rijkste en kostbaarste kleederen, die er maar te krijgen waren; hij sliep op de zachtste rustbedden en bedekte de vloeren van zijn vertrekken met de dikste tapijten; hij bezat de kostbaarste paarden, zijn eigen parfumeurs, zijn eigen bekwame koks en een langen stoet bedienden. De satraap Tissaphernes was niet erg op de Grieken gesteld, maar hij werd volkomen verblind door de vleierijen en de schitterende gesprekken van zijnnieuwen vriend. Hij bezat prachtige tuinen, en den grootsten van alle, met frissche groene weiden, heerlijke stroomen en koninklijke tuinhuizen noemde hij den Tuin van Alcibiades,Maar Alcibiades dacht er geen oogenblik aan, een Pers te worden. Hij droomde van een terugkeer naar Athene, en hij maakte nu plannen, dit te verwezenlijken. Hij begon met Tissaphernes te overreden, de Spartanen niet zoo kwistig te helpen. “Indien gij Sparta Athene laat vernietigen,”zoo sprak hij, “moet gij later Sparta weer beoorlogen. Waarom laat gij de twee staten elkander niet onderling bevechten, totdat zij elkander hebben uitgeput? Dan zal het voor u een gemakkelijke zaak zijn, beiden in uw macht te brengen.”Er was nooit sluwer man geboren dan de betooverende Alcibiades. Hij had de Perzen een raad gegeven, waarvan zij moesten toegeven, dat deze zeer verstandig was; hij kon de Atheners zeggen, dat hij hen bij de Perzen een grooten dienst had bewezen; en door de Spartanen te beletten, Athene te vernietigen, had hij zich er tegen verzekerd, dat hij ooit in hun overwinnende handen kon vallen—en hij was doodelijk beangst, dat hij weer in hun macht viel. Zijn volgende zet was, dat hij boden zond naar zijn vrienden te Samos. “De Perzen hebben een afschuw van een democratie,”zeide hij, “maar als Athene slechts werd bestuurd door een oligarchie, zou ik hun vriendschap voor u kunnen winnen, en zouden zij u van geld willen voorzien. Ik zou gaarne naar mijn eigen vaderland willen terugkeeren en mijn lot met het uwe willen verbinden.”De vrienden van Alcibiades zonden heimelijk mannen naar Athene, en op zekeren dag was het leger te Samos stom verbaasd, toen het vernam, dat het bestuur in handen was van een raad van edelen, de Vier Honderd, zooals zij werden genoemd. Toen redeneerden de soldaten aldus: “Alcibiades verklaart, dat hij absoluut niet heeft medegewerkt tot dit nieuwe bewind. Hij kan vrienden en geld voor ons van de Perzen verkrijgen; laten wij hemtot aanvoerder kiezen.”Zoo geschiedde het, dat Alcibiades, terwijl hij openlijk zeide, dat hij een vriend was van de Spartanen en de Perzen, de aanvoerder werd van een Atheensch leger. Nog een vreemder feit geschiedde korten tijd later. Enkele Atheensche schepen werden door de Spartanen verslagen, en Euboea viel in handen van Sparta. De Atheners waren ontsteld en verontwaardigd. Zij wierpen de schuld op hun nieuwe regeering en schaften onmiddellijk den raad van Vier Honderd af. Daarna begonnen zij er over te denken, wien zij tot hun aanvoerder zouden kiezen. Alcibiades was reeds aan het hoofd van het leger te Samos; hij was een voorspoedig aanvoerder, en hij had gezegd, dat hij verlangde thuis te komen naar zijn eigen landgenooten. In weerwil van alles wat hij had misdreven, schonken zij hem vergiffenis en bevalen hem terug te keeren.Een Atheensch Legeraanvoerder.Een Atheensch Legeraanvoerder.De Spartanen waren niet blind geweest. Spoedig hadden zij opgemerkt, dat Tissaphernes wel schoone beloften aflegde, maar dat hij die nooit hield. Een andere satraap, Pharnabazus, die in het noordelijk deel van Klein-Azië regeerde, had lang hun hulp gezocht om de Grieksche steden in zijn provincie te veroveren, en vooral die, welke in de nabijheid van den Hellespont lagen. Zijn wenschen vielen samen met die der Spartanen, immers als zij ook maar eenigszins de wacht aan den Hellespont hielden, kon Athene niet langer koren krijgen uit de landen aan de Zwarte Zee. Nu Athene geen voedsel uit Euboea kon krijgen, was haar eenige hoop, het uit die streken te verwerven. De Spartaansche en de Perzische troepen vereenigden zich bij den Hellespont. Daar kwam ook de Atheensche vloot. Deze behaalde eerst één overwinning, daarna een tweede en eenderde. Alcibiades spande zich uitermate in voor het land, dat hij in het verderf had gestort. Nog weer eens vielen goud, zilver, wapenen, gevangenen en schepen in handen van de Atheners. Nog weer eens smeekten de Spartanen om vrede, nog weer eens weigerden dit de Atheners, opgeblazen door de voordeelen, die zij weder hadden behaald. Alcibiades zette zijn overwinningen voort. Byzantium was in de handen van den vijand, hij nam het in, en evenzoo Chalcedon, aan de Aziatische zijde van den Bosporus. De weg naar de Zwarte Zee was nu vrij, en als de schepen der Atheners hem niet in den steek lieten, behoefde er geen gebrek aan koren te zijn.In weerwil van het bevel, om naar Athene terug te keeren, had de sluwe en voorzichtige Alcibiades het niet voor verstandig gehouden, zich in zijn geboortestad te vertoonen, maar nu hij in de volle glorie van zijn overwinning was, dacht hij, dat hij het er wel op kon wagen. Zijn schepen waren alle bekleed met vlaggen en schilden, die hij op den vijand had veroverd; maar toch durfde hij niet te landen, voordat hij zóóveel vrienden zag op de werf aan den Piraeus, dat hij niet alleen zeker was van een hartelijk welkom, maar ook van bescherming, voor het geval dit noodig mocht zijn. Het zou al wreed geweest zijn van ieder land, als het een veldheer niet welkom heette, die zulketropheeënvan zijn overwinning medebracht; maar bovendien was het de innemende, schitterende, welsprekende Alcibiades, en het volk was uitgelaten van vreugde. Zij letten in het geheel niet op de overige veldheeren, maar riepen luide: “Alcibiades! Alcibiades! Alcibiades is gekomen!”Zij wezen hem aan hun kinderen aan. “Ziet,” zoo zeiden zij, “daar hebt gij Alcibiades”; en dan verhaalden zij van zijn roemrijke overwinningen. Zij bekransten hem met bloemen; zij weenden van droefenis, als zij zich alles herinnerden, wat zij hadden verloren; maar zij weenden ook van vreugde, nu zij dachten aan alles, wat hij voor hen zou terug winnen. “Als hij slechts het opperbevel gehad had,zouden wij Sicilië niet hebben verloren,”zoo jammerden zij; “maar hij zal Athene wel weer machtig maken.”Er werd een bijeenkomst gehouden van den Raad, en Alcibiades hield een redevoering. Hij was bedroefd, maar bereid vergiffenis te schenken. “Zij hadden hem wel wat onvriendelijk bejegend,”zoo sprak hij, maar dat was zijn noodlot, en het moest door den één of anderen kwaden geest veroorzaakt zijn. Hij sprak over hun vijanden en legde uit, hoe hij verwachtte, hen te zullen ten onder brengen. De Raad kon nauwelijks spoedig genoeg besluiten nemen. Zij gaven hem zijn vaste goederen terug; zij bestelden voor hem gouden kronen en plaatsten hem aan het hoofd van al hun troepen.Dionysus.Dionysus.(Naar een muurschildering te Pompeji.)Alcibiades nam die eerbewijzen goedgunstig aan, maar tevens alsof hem niets meer werd geschonken dan hem toekwam. Hij wist, hoe gemakkelijk de Atheners van meening veranderden, en hij was van plan, hen nog eens onder zijn invloed te krijgen. Zijn vijanden zouden misschien nog eens de oude beschuldiging kunnen voor den dag halen omtrent zijn gedrag ten opzichte der Eleusinische Mysteriën, daarom stelde hij zich voor, de schepen en het leger op hun aanvoerder te laten wachten, totdat hij weer op goeden voet was gekomen met de priesters, door hen in staat te stellen de Mysteriën met den geheelen vroegeren luister te vieren. Sedert de Spartanen Decelea bezet hadden, was de reis over land niet veilig geweest, en er was alleen maar een haastige zeereis naar Eleusis afgelegd. Alcibiades zond nu een sterke wacht mede, en de optocht van priesters en anderen, die het beeld van Dionysusdroegen en die de dieren voor de offers medevoerden, marcheerden langzaam den weg naar Eleusis op. De heilige dansen werden uitgevoerd, geen enkel onderdeel der oude ceremoniën werd verwaarloosd, en de deelnemers aan de Mysteriën keerden veilig terug. “Onze edele Alcibiades is niet alleen een groot veldheer, maar hij heeft heden ook de taak van een hoogepriester vervuld,”zeiden de Atheners, en toen hij weer uit den Piraeus uitzeilde, volgden zij hem met de oogen, totdat hij geheel uit het gezicht verdwenen was, terwijl zij spraken over de overwinningen, die hij zou behalen en den roem, dien hij zeker over Athene zou brengen.Het duurde niet lang, of die zoo zeer aan hem gehechte Atheners luisterden met ergernis naar iemand, die van het oorlogsterrein was gekomen, en die vertelde, dat eerst kort geleden een slag was verloren en dat het geheel de schuld was van Alcibiades. De waarheid was, dat de aanvoerder verplicht was geweest het leger gedurende een korten tijd te verlaten, teneinde geld te krijgen om zijn troepen te betalen. Hij had strenge orders gegeven, dat er tijdens zijn afwezigheid niet mocht worden gevochten, maar de plaatsvervangende opperbevelhebber had zich aan dat bevel niet gestoord en was in een kleine schermutseling verslagen. De Atheners deden echter niet de minste moeite, de ware toedracht te vernemen, en misschien zelfs waren zij, hoezeer zij hem hadden geprezen en verheerlijkt, in hun hart niet volkomen zeker van zijn trouw. Zij riepen een zitting van den Raad bijeen en benoemden nieuwe legeraanvoerders. Alcibiades vreesde voor zijn leven, verliet het leger en bouwde voor zich een kasteel in Thracië. Hij kon niet blijven stilzitten. Hij zocht hier en daar manschappen bijeen, totdat hij voor zich zelf een klein leger had verzameld. Daarna voerde hij oorlog tegen de Thraciërs, die geen koning hadden. Indien hij lang genoeg had geleefd, zou hij misschien wel aan het hoofd van een staat gekomen zijn.De Spartanen zonden nu een hoogst bekwaam veldheer uit, Lysander genaamd, en de koning van Perzië zond zijn even bekwamen zoon Cyrus uit in de plaats van Tissaphernes. Hij was tot het besluit gekomen, dat het ongetwijfeld het verstandigst was, de Spartanen flink te helpen. Er kwam dus veel geld in het Spartaansche leger. De soldaten kregen hooge soldij, en schepen werden gebouwd. De Spartanen en Perzen kampeerden aan de Aziatische zijde van den Bosporus, de Atheners aan de Europeesche zijde, bij Aegos-Potamos. Iederen morgen zeilden de Atheners uit en daagden de vijanden uit tot een zeeslag. De Spartanen gingen daar echter niet op in. Dan keerden de Atheners terug naar hun kant van de landengte en brachten den dag door met rondwandelen, ten einde den tijd te dooden, of met te gaan fourageeren in Sestos, op drie kilometers afstand. Alcibiades was niet ver verwijderd, en wachtte de gebeurtenissen aan den Bosporus af. Hij reed naar het kamp en zeide de Atheensche aanvoerders, dat hij niet dacht, dat het veilig was, de matrozen hun schepen te doen verlaten en te doen rondslenteren op de kust; en dat het evenmin verstandig was, om te kampeeren waar geen stad was en geen goede haven voor hun schepen, en om hun levensmiddelen zoover verwijderd te houden. Hij raadde hen aan, zich naar Sestos terug te trekken. Geen veldheer behoefde zich te schamen, raad te ontvangen van een zoo voortreffelijken legerbevelhebber, maar de aanvoerders antwoordden kortaf: “Wij geven thans bevelen, en gij niet. Ga heen.”Alcibiades ging heen, de Spartanen weigerden nog steeds te vechten, en de Atheners werden hoe langer hoe zorgeloozer. Plotseling kwamen de Spartaansche en Perzische schepen de zeeëngte over. Slechts één der scheepsbevelhebbers hield wacht. Hij gaf het signaal, de schepen te bemannen, maar het scheepsvolk was naar Sestos gegaan, en slechts negen van de honderd tachtig schepen konden ten volle worden bemand. Erwerd nauwelijks een poging gedaan, om weerstand te bieden. De Spartanen hadden bijna niets anders te doen, dan de veroverde schepen over de zeeëngte heen te sleepen. Acht of tien schepen ontsnapten; het overige gedeelte van de vloot en duizenden manschappen werden gevangen genomen. Alle Atheners onder hen, ongeveer vierduizend, werden ter dood gebracht.Toen dit ontzettende nieuws Athene bereikte, begreep iedereen, dat het rijk in duigen was gevallen en dat Athene zelf ook moest vallen. De schepen van Lysander blokkeerden den Piraeus. De troepen van de Spartanen en van hun bondgenooten omringden de stad. Enkele weken gingen voorbij; toen kwam er hongersnood en moest de stad zich onvoorwaardelijk overgeven.Wat moest het lot der Atheners zijn? De bondgenooten bespraken dit punt ernstig. “Maakt de stad met den grond gelijk en verkoopt alle mannen, vrouwen en kinderen tot slaven,” dit was de wensch van de verontwaardigde Thebanen en Boeotiërs. “Nooit zullen wij er in toestemmen, dat één der oogen van Griekenland wordt uitgestoken,”antwoordden de Spartanen. Dit klonk barmhartig, maar er waren sommigen, die mompelden, dat de Spartanen meer slim dan edelmoedig waren; immers als Athene geheel verwoest was, zouden hetzij Thebe hetzij Corinthe naar alle waarschijnlijkheid machtiger worden dan Sparta zelf. Eindelijk werd besloten, dat de Lange Muren en de vestingwerken van den Piraeus zouden worden geslecht, dat aan de veroverde stad niet meer dan twaalf schepen zouden worden gelaten, en dat zij er in zoude moeten toestemmen, de bevelen van Sparta te land en ter zee te gehoorzamen.In Athene heerschte een hartverscheurende droefenis. Uit iedere woning waren beminde bloedverwanten omgekomen. Er was armoede, de grootste ellende, uitputting en hongersdood. Aan den Piraeus daarentegen waren vrouwen aan hetfluitspelen, daar was gezang en dans en alle soorten van vreugdeteekenen; immers de machtige muren werden neergehaald. “Is Griekenland vrij? De Grieken hebben de vrijheid herwonnen!” riepen zij vroolijk en uitgelaten. En hoog boven op de Acropolis stond het Parthenon, sterk en schoon. En daarbij stond het standbeeld van Athene, kalm en statig. En daaromheen lag een land in puinhoopen, een rijk omvergeworpen.Corinthische Helm.Corinthische Helm.

Alcibiades.Alcibiades.(In het Vaticaan te Rome)

Alcibiades.

(In het Vaticaan te Rome)

De verrader Alcibiades had Athene overgehaald tot den aanval op Sicilië, hij had haar vijanden geleerd, hoe zij haar machtige vloot en haar duizenden manschappen kon overwinnen, en het was op zijn raad, dat zij Decelea hadden veroverd. Al het land om Decelea heen was even onvruchtbaar gemaakt als het zand op de kust. De schapen en de runderen waren gedood, en meer dan twintig duizend slaven waren weggeloopen. De Atheners konden nog evenals te voren voedsel krijgen van het eiland Euboea, maar dit kon nu niet meer onmiddellijk over de zeeëngte naar Decelea en van daar naar Athene gebracht worden; het moest langs een grooten omweg over zee om Sunium heen aangevoerd worden. Dit was een langzame manier, die bovendien kostbaar was, terwijl zij daarenboven groot gevaar opleverde; immers de Spartaansche schepen konden op ieder oogenblik uit den één of anderen schuilhoek te voorschijn komen, en de Atheners zouden dan nooit iets van schip of lading te zien krijgen. Hun eenige hoop was, dat de verovering van Sicilië hun ongekenden rijkdom zou brengen, en dat de terugkeer van hun leger het mogelijk zou maken, de Spartanen uit Decelea te verdrijven. Toen bereikte hun de tijding van de Siciliaansche nederlaag. De Atheners hadden geen schepen meer, geen geld, geen manschappen, en bijna ieder gezin was in rouw gedompeld. In het eerst waren zij door de ontzettende ramp verpletterd; zij waren er van overtuigd, dat de Syracusanen, de Spartanen, deCorinthiërs, de Boeotiërs,in één woord iedere stam, die afgunstig geweest was op hun roem, hen nu zouden aanvallen; de volksplantingen zouden in opstand komen en zij waren hulpeloos. Daarna raasden zij tegen iedereen, die maar één woord ten voordeele van de expeditie had gezegd; doch daarna gingen zij met een heerlijken moed en een krachtige zekerheid aan het werk, om nog zooveel mogelijk te redden. Zij brachten een leger op de been, zoo groot als zij dit in de gegeven omstandigheden konden bijeenbrengen, en riepen iedereen, die voorheen verbannen was, terug, om zich daarbij aan te sluiten; zij lieten uit Thracië en Macedonië timmerhout halen, waarmede zij oorlogsschepen bouwden, en de stedelijke uitgaven beperkten zij tot het hoogst noodige. De volksvergadering en de gedachtelooze menigte kiezers waren door en door ontsteld. Zij waren lang niet meer zoo zeker als te voren, dat alles, wat zij zich hadden voorgenomen, zoo verstandig was, en zij stelden toen mannen op leeftijd aan, om als raad dienst te doen.

De Perzen hadden nauwlettend op Griekenland acht geslagen, en juist in die dagen vaardigde Koning Darius II een proclamatie uit, waarbij hij verkondigde, dat iedere voet land, die ooit, al was het slechts een oogenblik, in handen van zijn voorvaderen was geweest, hem toebehoorde en hem schatting moest betalen. Hierin zou zelfs Attica zelf met een aantal steden en eilanden der Aegeïsche Zee zijn opgesloten, in één woord ongeveer het geheele Atheensche gebied. De wijze, waarop hij zich van de schatting wilde verzekeren, was eenvoudig en gemakkelijk; hij zond slechts een bevel aan de satrapen of bewindvoerders in Klein-Azië van de volgende strekking: “Int het geld voor mij, zoo goed gij dit kunt.”De satrapen waren in den grootsten angst. Zij konden de schatting zonder hulp niet innen, en zij boden een groote som aan, als Sparta hen wilde te hulp komen. Nu had de onruststoker Alcibiades een prachtige kans. Hij hielp Chios en andereeilanden en steden, om tegen Athene op te staan, en hij bracht een verdrag tot stand tusschen de Spartanen en de Perzen. Tegen Athene traden dus de Spartanen op, en hun Grieksche bondgenooten, de Syracusanen, de Perzen en een aantal steden van den Bond van Delos. Samos bleef op hun hand.

Een Perzisch Edelman.Een Perzisch Edelman.

Een Perzisch Edelman.

Maar Alcibiades begon langzamerhand genoeg te krijgen van Sparta, en in weerwil van alles wat hij voor hen gedaan had, begonnen ook zij genoeg van hem te krijgen. Toen hij naar hun land ging, had hij zijn zwaren baard afgeschoren, zich als een Spartaan gekleed, was hij steeds rustig en ernstig in zijn optreden geweest, leefde hij even eenvoudig als wie onder de Spartanen ook, en beweerde zelfs dol te zijn op hun zwarte soep. Daardoor won hij de harten der Spartanen, maar na eenigen tijd begon hij dingen te doen, die niet alleen in strijd waren met hun zeden en gewoonten, maar ook met de wetten, en zelfs pleegde hij een misdaad tegenover den koning zelf. Hij verwachtte, dat de Spartanen evenals de Atheners zouden verdragen wat hij verkoos te doen; maar toch lette hij nauwlettend op hen. Er kwam een tijd, dat hij grond had voor de meening, dat zijn leven in gevaar was. Toen sloop hij weg naar den Perzischen satraap Tissaphernes. Toen hij eenmaal op Perzisch grondgebied was, vergat hij zijn voorliefde voor zwarte soep; hij liet zijn baard groeien; hij droeg de rijkste en kostbaarste kleederen, die er maar te krijgen waren; hij sliep op de zachtste rustbedden en bedekte de vloeren van zijn vertrekken met de dikste tapijten; hij bezat de kostbaarste paarden, zijn eigen parfumeurs, zijn eigen bekwame koks en een langen stoet bedienden. De satraap Tissaphernes was niet erg op de Grieken gesteld, maar hij werd volkomen verblind door de vleierijen en de schitterende gesprekken van zijnnieuwen vriend. Hij bezat prachtige tuinen, en den grootsten van alle, met frissche groene weiden, heerlijke stroomen en koninklijke tuinhuizen noemde hij den Tuin van Alcibiades,

Maar Alcibiades dacht er geen oogenblik aan, een Pers te worden. Hij droomde van een terugkeer naar Athene, en hij maakte nu plannen, dit te verwezenlijken. Hij begon met Tissaphernes te overreden, de Spartanen niet zoo kwistig te helpen. “Indien gij Sparta Athene laat vernietigen,”zoo sprak hij, “moet gij later Sparta weer beoorlogen. Waarom laat gij de twee staten elkander niet onderling bevechten, totdat zij elkander hebben uitgeput? Dan zal het voor u een gemakkelijke zaak zijn, beiden in uw macht te brengen.”Er was nooit sluwer man geboren dan de betooverende Alcibiades. Hij had de Perzen een raad gegeven, waarvan zij moesten toegeven, dat deze zeer verstandig was; hij kon de Atheners zeggen, dat hij hen bij de Perzen een grooten dienst had bewezen; en door de Spartanen te beletten, Athene te vernietigen, had hij zich er tegen verzekerd, dat hij ooit in hun overwinnende handen kon vallen—en hij was doodelijk beangst, dat hij weer in hun macht viel. Zijn volgende zet was, dat hij boden zond naar zijn vrienden te Samos. “De Perzen hebben een afschuw van een democratie,”zeide hij, “maar als Athene slechts werd bestuurd door een oligarchie, zou ik hun vriendschap voor u kunnen winnen, en zouden zij u van geld willen voorzien. Ik zou gaarne naar mijn eigen vaderland willen terugkeeren en mijn lot met het uwe willen verbinden.”De vrienden van Alcibiades zonden heimelijk mannen naar Athene, en op zekeren dag was het leger te Samos stom verbaasd, toen het vernam, dat het bestuur in handen was van een raad van edelen, de Vier Honderd, zooals zij werden genoemd. Toen redeneerden de soldaten aldus: “Alcibiades verklaart, dat hij absoluut niet heeft medegewerkt tot dit nieuwe bewind. Hij kan vrienden en geld voor ons van de Perzen verkrijgen; laten wij hemtot aanvoerder kiezen.”Zoo geschiedde het, dat Alcibiades, terwijl hij openlijk zeide, dat hij een vriend was van de Spartanen en de Perzen, de aanvoerder werd van een Atheensch leger. Nog een vreemder feit geschiedde korten tijd later. Enkele Atheensche schepen werden door de Spartanen verslagen, en Euboea viel in handen van Sparta. De Atheners waren ontsteld en verontwaardigd. Zij wierpen de schuld op hun nieuwe regeering en schaften onmiddellijk den raad van Vier Honderd af. Daarna begonnen zij er over te denken, wien zij tot hun aanvoerder zouden kiezen. Alcibiades was reeds aan het hoofd van het leger te Samos; hij was een voorspoedig aanvoerder, en hij had gezegd, dat hij verlangde thuis te komen naar zijn eigen landgenooten. In weerwil van alles wat hij had misdreven, schonken zij hem vergiffenis en bevalen hem terug te keeren.

Een Atheensch Legeraanvoerder.Een Atheensch Legeraanvoerder.

Een Atheensch Legeraanvoerder.

De Spartanen waren niet blind geweest. Spoedig hadden zij opgemerkt, dat Tissaphernes wel schoone beloften aflegde, maar dat hij die nooit hield. Een andere satraap, Pharnabazus, die in het noordelijk deel van Klein-Azië regeerde, had lang hun hulp gezocht om de Grieksche steden in zijn provincie te veroveren, en vooral die, welke in de nabijheid van den Hellespont lagen. Zijn wenschen vielen samen met die der Spartanen, immers als zij ook maar eenigszins de wacht aan den Hellespont hielden, kon Athene niet langer koren krijgen uit de landen aan de Zwarte Zee. Nu Athene geen voedsel uit Euboea kon krijgen, was haar eenige hoop, het uit die streken te verwerven. De Spartaansche en de Perzische troepen vereenigden zich bij den Hellespont. Daar kwam ook de Atheensche vloot. Deze behaalde eerst één overwinning, daarna een tweede en eenderde. Alcibiades spande zich uitermate in voor het land, dat hij in het verderf had gestort. Nog weer eens vielen goud, zilver, wapenen, gevangenen en schepen in handen van de Atheners. Nog weer eens smeekten de Spartanen om vrede, nog weer eens weigerden dit de Atheners, opgeblazen door de voordeelen, die zij weder hadden behaald. Alcibiades zette zijn overwinningen voort. Byzantium was in de handen van den vijand, hij nam het in, en evenzoo Chalcedon, aan de Aziatische zijde van den Bosporus. De weg naar de Zwarte Zee was nu vrij, en als de schepen der Atheners hem niet in den steek lieten, behoefde er geen gebrek aan koren te zijn.

In weerwil van het bevel, om naar Athene terug te keeren, had de sluwe en voorzichtige Alcibiades het niet voor verstandig gehouden, zich in zijn geboortestad te vertoonen, maar nu hij in de volle glorie van zijn overwinning was, dacht hij, dat hij het er wel op kon wagen. Zijn schepen waren alle bekleed met vlaggen en schilden, die hij op den vijand had veroverd; maar toch durfde hij niet te landen, voordat hij zóóveel vrienden zag op de werf aan den Piraeus, dat hij niet alleen zeker was van een hartelijk welkom, maar ook van bescherming, voor het geval dit noodig mocht zijn. Het zou al wreed geweest zijn van ieder land, als het een veldheer niet welkom heette, die zulketropheeënvan zijn overwinning medebracht; maar bovendien was het de innemende, schitterende, welsprekende Alcibiades, en het volk was uitgelaten van vreugde. Zij letten in het geheel niet op de overige veldheeren, maar riepen luide: “Alcibiades! Alcibiades! Alcibiades is gekomen!”Zij wezen hem aan hun kinderen aan. “Ziet,” zoo zeiden zij, “daar hebt gij Alcibiades”; en dan verhaalden zij van zijn roemrijke overwinningen. Zij bekransten hem met bloemen; zij weenden van droefenis, als zij zich alles herinnerden, wat zij hadden verloren; maar zij weenden ook van vreugde, nu zij dachten aan alles, wat hij voor hen zou terug winnen. “Als hij slechts het opperbevel gehad had,zouden wij Sicilië niet hebben verloren,”zoo jammerden zij; “maar hij zal Athene wel weer machtig maken.”Er werd een bijeenkomst gehouden van den Raad, en Alcibiades hield een redevoering. Hij was bedroefd, maar bereid vergiffenis te schenken. “Zij hadden hem wel wat onvriendelijk bejegend,”zoo sprak hij, maar dat was zijn noodlot, en het moest door den één of anderen kwaden geest veroorzaakt zijn. Hij sprak over hun vijanden en legde uit, hoe hij verwachtte, hen te zullen ten onder brengen. De Raad kon nauwelijks spoedig genoeg besluiten nemen. Zij gaven hem zijn vaste goederen terug; zij bestelden voor hem gouden kronen en plaatsten hem aan het hoofd van al hun troepen.

Dionysus.Dionysus.(Naar een muurschildering te Pompeji.)

Dionysus.

(Naar een muurschildering te Pompeji.)

Alcibiades nam die eerbewijzen goedgunstig aan, maar tevens alsof hem niets meer werd geschonken dan hem toekwam. Hij wist, hoe gemakkelijk de Atheners van meening veranderden, en hij was van plan, hen nog eens onder zijn invloed te krijgen. Zijn vijanden zouden misschien nog eens de oude beschuldiging kunnen voor den dag halen omtrent zijn gedrag ten opzichte der Eleusinische Mysteriën, daarom stelde hij zich voor, de schepen en het leger op hun aanvoerder te laten wachten, totdat hij weer op goeden voet was gekomen met de priesters, door hen in staat te stellen de Mysteriën met den geheelen vroegeren luister te vieren. Sedert de Spartanen Decelea bezet hadden, was de reis over land niet veilig geweest, en er was alleen maar een haastige zeereis naar Eleusis afgelegd. Alcibiades zond nu een sterke wacht mede, en de optocht van priesters en anderen, die het beeld van Dionysusdroegen en die de dieren voor de offers medevoerden, marcheerden langzaam den weg naar Eleusis op. De heilige dansen werden uitgevoerd, geen enkel onderdeel der oude ceremoniën werd verwaarloosd, en de deelnemers aan de Mysteriën keerden veilig terug. “Onze edele Alcibiades is niet alleen een groot veldheer, maar hij heeft heden ook de taak van een hoogepriester vervuld,”zeiden de Atheners, en toen hij weer uit den Piraeus uitzeilde, volgden zij hem met de oogen, totdat hij geheel uit het gezicht verdwenen was, terwijl zij spraken over de overwinningen, die hij zou behalen en den roem, dien hij zeker over Athene zou brengen.

Het duurde niet lang, of die zoo zeer aan hem gehechte Atheners luisterden met ergernis naar iemand, die van het oorlogsterrein was gekomen, en die vertelde, dat eerst kort geleden een slag was verloren en dat het geheel de schuld was van Alcibiades. De waarheid was, dat de aanvoerder verplicht was geweest het leger gedurende een korten tijd te verlaten, teneinde geld te krijgen om zijn troepen te betalen. Hij had strenge orders gegeven, dat er tijdens zijn afwezigheid niet mocht worden gevochten, maar de plaatsvervangende opperbevelhebber had zich aan dat bevel niet gestoord en was in een kleine schermutseling verslagen. De Atheners deden echter niet de minste moeite, de ware toedracht te vernemen, en misschien zelfs waren zij, hoezeer zij hem hadden geprezen en verheerlijkt, in hun hart niet volkomen zeker van zijn trouw. Zij riepen een zitting van den Raad bijeen en benoemden nieuwe legeraanvoerders. Alcibiades vreesde voor zijn leven, verliet het leger en bouwde voor zich een kasteel in Thracië. Hij kon niet blijven stilzitten. Hij zocht hier en daar manschappen bijeen, totdat hij voor zich zelf een klein leger had verzameld. Daarna voerde hij oorlog tegen de Thraciërs, die geen koning hadden. Indien hij lang genoeg had geleefd, zou hij misschien wel aan het hoofd van een staat gekomen zijn.

De Spartanen zonden nu een hoogst bekwaam veldheer uit, Lysander genaamd, en de koning van Perzië zond zijn even bekwamen zoon Cyrus uit in de plaats van Tissaphernes. Hij was tot het besluit gekomen, dat het ongetwijfeld het verstandigst was, de Spartanen flink te helpen. Er kwam dus veel geld in het Spartaansche leger. De soldaten kregen hooge soldij, en schepen werden gebouwd. De Spartanen en Perzen kampeerden aan de Aziatische zijde van den Bosporus, de Atheners aan de Europeesche zijde, bij Aegos-Potamos. Iederen morgen zeilden de Atheners uit en daagden de vijanden uit tot een zeeslag. De Spartanen gingen daar echter niet op in. Dan keerden de Atheners terug naar hun kant van de landengte en brachten den dag door met rondwandelen, ten einde den tijd te dooden, of met te gaan fourageeren in Sestos, op drie kilometers afstand. Alcibiades was niet ver verwijderd, en wachtte de gebeurtenissen aan den Bosporus af. Hij reed naar het kamp en zeide de Atheensche aanvoerders, dat hij niet dacht, dat het veilig was, de matrozen hun schepen te doen verlaten en te doen rondslenteren op de kust; en dat het evenmin verstandig was, om te kampeeren waar geen stad was en geen goede haven voor hun schepen, en om hun levensmiddelen zoover verwijderd te houden. Hij raadde hen aan, zich naar Sestos terug te trekken. Geen veldheer behoefde zich te schamen, raad te ontvangen van een zoo voortreffelijken legerbevelhebber, maar de aanvoerders antwoordden kortaf: “Wij geven thans bevelen, en gij niet. Ga heen.”

Alcibiades ging heen, de Spartanen weigerden nog steeds te vechten, en de Atheners werden hoe langer hoe zorgeloozer. Plotseling kwamen de Spartaansche en Perzische schepen de zeeëngte over. Slechts één der scheepsbevelhebbers hield wacht. Hij gaf het signaal, de schepen te bemannen, maar het scheepsvolk was naar Sestos gegaan, en slechts negen van de honderd tachtig schepen konden ten volle worden bemand. Erwerd nauwelijks een poging gedaan, om weerstand te bieden. De Spartanen hadden bijna niets anders te doen, dan de veroverde schepen over de zeeëngte heen te sleepen. Acht of tien schepen ontsnapten; het overige gedeelte van de vloot en duizenden manschappen werden gevangen genomen. Alle Atheners onder hen, ongeveer vierduizend, werden ter dood gebracht.

Toen dit ontzettende nieuws Athene bereikte, begreep iedereen, dat het rijk in duigen was gevallen en dat Athene zelf ook moest vallen. De schepen van Lysander blokkeerden den Piraeus. De troepen van de Spartanen en van hun bondgenooten omringden de stad. Enkele weken gingen voorbij; toen kwam er hongersnood en moest de stad zich onvoorwaardelijk overgeven.

Wat moest het lot der Atheners zijn? De bondgenooten bespraken dit punt ernstig. “Maakt de stad met den grond gelijk en verkoopt alle mannen, vrouwen en kinderen tot slaven,” dit was de wensch van de verontwaardigde Thebanen en Boeotiërs. “Nooit zullen wij er in toestemmen, dat één der oogen van Griekenland wordt uitgestoken,”antwoordden de Spartanen. Dit klonk barmhartig, maar er waren sommigen, die mompelden, dat de Spartanen meer slim dan edelmoedig waren; immers als Athene geheel verwoest was, zouden hetzij Thebe hetzij Corinthe naar alle waarschijnlijkheid machtiger worden dan Sparta zelf. Eindelijk werd besloten, dat de Lange Muren en de vestingwerken van den Piraeus zouden worden geslecht, dat aan de veroverde stad niet meer dan twaalf schepen zouden worden gelaten, en dat zij er in zoude moeten toestemmen, de bevelen van Sparta te land en ter zee te gehoorzamen.

In Athene heerschte een hartverscheurende droefenis. Uit iedere woning waren beminde bloedverwanten omgekomen. Er was armoede, de grootste ellende, uitputting en hongersdood. Aan den Piraeus daarentegen waren vrouwen aan hetfluitspelen, daar was gezang en dans en alle soorten van vreugdeteekenen; immers de machtige muren werden neergehaald. “Is Griekenland vrij? De Grieken hebben de vrijheid herwonnen!” riepen zij vroolijk en uitgelaten. En hoog boven op de Acropolis stond het Parthenon, sterk en schoon. En daarbij stond het standbeeld van Athene, kalm en statig. En daaromheen lag een land in puinhoopen, een rijk omvergeworpen.

Corinthische Helm.Corinthische Helm.

Corinthische Helm.

Hoofdstuk XVII.De hegemonie van Sparta.Sparta was nu de leidende staat, of, zooals men het noemde, oefende de hegemonie in Griekenland uit, en alle steden, die aan haar genade waren overgeleverd, waren in angstige verwachting, wat zij zoude doen. Gedurende zeven en twintig jaar, van het begin van den oorlog tot aan het einde, had zij haar gezegd: “Athene is een tyran, en Sparta streeft er naar, u vrij te maken.” Zij zagen nu in, dat Sparta met “vrijheid” bedoelde, te doen wat zij verkoos, en de overige staten te dwingen zich aan haar te onderwerpen. Het eerst wat zij in iedere stad deed, was daar een Spartaanschen stedehouder aan te stellen, met tien mannen, die zijn plannen goedgezind waren, als magistraten, en genoeg Spartaansche soldaten, om de burgers tot gehoorzaamheid te dwingen. De Aegeïsche staten waren in de eerste plaats hulpeloos. Zij hadden het reeds hard gevonden, verplicht te zijn aan Athene schatting te betalen, maar nu hadden zij niet alleen schatting te betalen, maar moesten zij zelfs bijdragen voor het onderhoud van den stedehouder en zijn soldaten.Markt van Sparta.Markt van Sparta.Op den achtergrondisde vesting; op den voorgrond, het standbeeld van Hermes met het kind Dionysus; achter op de open plaats is het standbeeld van het Spartaansche volk; rechts de Perzische hal, versierd met den buit uit den Perzischen oorlog.Sparta vergat plotseling, “dat Athene één der beide oogen van Griekenland was,” en behandelde haar heel wat strengerdan eenige andere stad. Tien magistraten waren niet genoeg voor de Atheners—zij moesten er dertig tellen behalven den Spartaanschen stedehouder en een groote troepenmacht van Spartaansche soldaten. De Dertig Tyrannen, zooals zij werden genoemd, kozen drieduizend man, op wie zij vast konden rekenen, en namen bovendien van de overige burgers alle wapenen mede. Zij schenen noch goden, noch menschen te vreezen. Zij brachten allen ter dood, die tijdens den oorlog tegen hen waren opgetreden, allen, tegen wie zij een wrok hadden, en zóóvelen van de meer vermogende menschen, dat zij zich ruimschoots met hun geld konden verrijken. De ongelukkige Atheners zeiden in wanhoop tot elkander: “Alcibiades zal dit niet dulden: hij zal zeker wel een middel vinden om ons te helpen;” maar het duurde niet lang, of zij hoorden, dat Alcibiades was vermoord. Toen waren zij werkelijk wanhopend, en honderden vluchtten uit de stad. De andere staten waren verontwaardigd over de zelfzucht van Sparta en waren bereid, de vluchtelingen een woonplaats te verschaffen. Zelfs de Thebanen, die zulke verbitterde vijanden der Atheners geweest waren, heetten hen welkom. Zoodra het kleine troepje ballingen groot genoeg was geworden, om een poging daartoe te wagen, trokken zij de grenzen van Attica over en kwamen zij in verzet tegen de Dertig. Xenophon, een leerling van Socrates, schreef: “De Dertig zaten samen in den Raad, volkomen eenzaam en terneergeslagen.” Wel mochten zij “volkomen terneergeslagen” zijn, daar dit het begin was van het omverwerpen hunner regeering.Socrates.Socrates.(Naar een borstbeeld in de Vaticaansche Galerij te Rome).De dood van Socrates.De dood van Socrates.Er is geen enkel volk, dat op het einde van een langdurigen oorlog volkomen hetzelfde is als in het begin. Gedurende den Peloponnesischen oorlog waren de leden van iedere partij in Athene zóózeer overtuigd, dat zij het recht op hun zijde hadden, dat zij de andere politieke partijen bitter haatten, en dat zij meenden, dat, wat er ook mocht gebeuren, hun eigen wijzevan handelen, de juiste was en dat daaraan dus moest worden vastgehouden. De wijsgeer Socrates had onbevreesd voor Athene gestreden en hij had zijn woonplaats lief; maar hij was van meening, dat het voor iedere partij beter was te doen wat recht was, dan te doen, wat leiden kon tot het verkrijgen van wat zij noodig achtte; en dat eerlijkheid en deugd beter was, dan de goden offers te brengen. Dergelijke leerstellingen vielen niet in den smaak van het volk, dat liever zijn eigen zin wilde volgen, wat ook mocht gebeuren. Het einde was, dat Socrates voor het gerecht werd gedaagd en beschuldigd werd, dat hij de goden niet eerde en de jeugd door zijn onderwijs op den verkeerden weg leidde. Hij werd ter dood veroordeeld, of, zooals hij het uitdrukte “te vertrekken naar een gelukkigen staat der gelukzaligen.”Verscheidene van zijn volgelingen waren gedurende de laatste dagen van zijn leven bij hem, en één van hen, Plato genaamd, schreef een verhaal van de woorden en handelingen van den meester. Toen hem de giftbeker gebracht werd, dronk hij dien even kalm leeg, als ware hij met wijn gevuld. Zijn leerlingen barstten in tranen uit. Plato zegt: “Ik weende nietom hem, maar om mijn eigen lot, nu ik van zulk een vriend zou worden beroofd.”Toen op het laatst allen meenden, dat het vergif zijn werking had gedaan, riep Socrates tot één der jongelieden: “Crito, wij zijn een haan verschuldigd aan Aesculapius; betaal dien dus en verzuim het niet.”Aesculapius was de godheid, wien men een offer bracht, als men dankbaar was voor zijn herstel uit een ziekte; en Socrates was zóó heilig overtuigd, dat hem een edeler, gelukkiger leven wachtte, dat hij het gevoel had, alsof hij, als zijn aardsche leven eindigde, alleen maar van ziekte tot gezondheid overging.Aesculapius.Aesculapius.(In de Vaticaansche Galerij te Rome).Het volgende is een voorbeeld van de wijsheid van Socrates. Een zekere Antiphon trachtte de volgelingen van den wijsgeer van hem af te trekken. Daartoe kwam hij bij Socrates op zekeren dag, toen zij aanwezig waren, en zeide: “Ik dacht altijd, dat zij, die de wijsbegeerte beoefenden, gelukkiger moesten worden dan anderen; maar gij schijnt van de wijsbegeerte vruchten van geheel anderen aard te hebben geplukt; ten minste gij leeft op een wijze, waarop geen slaaf onder zijn meester ooit zou wenschen te leven; gij eet spijzen en drinkt drank van de slechtste soort; gij draagt een bovenkleed, dat niet alleen slecht is, maar dat zoowel in den zomer als in den winter hetzelfde is, en gij blijft steeds rondloopen zonder schoenen en zonder behoorlijk gewaad. Geld, dat de menschen verheugt, als zij het ontvangen, en dat hen die het bezitten, in staat stelt, aangenamer te leven en zich ruimer te bewegen, neemt gij niet aan, en als gij dus, daar leermeesters in andere beroepen er naar streven, dat hun leerlingen hen volgen, een dergelijke uitwerking op uw volgelingen hebt, moet gij u beschouwen als iemand, die onderwijst,hoe men een ellendig leven kan leiden.”Socrates antwoordde kalm: “Gij gelijkt, o Antiphon, op iemand, die meent, dat geluk bestaat in weelde en in buitensporigheid, maar het is mijn overtuiging, dat hij die niets verlangt, op de goden gelijkt, en dat hij die zoo weinig mogelijk verlangt, zoo veel mogelijk de goden nabijkomt; dat de goddelijke natuur de volmaaktheid is, en dat dus de goddelijke natuur nabij te komen, is, de volmaking zoo dicht mogelijk te naderen.”De zoogenaamde gevangenis van Socrates te Athene.De zoogenaamde gevangenis van Socrates te Athene.De vijanden van Socrates vergaten niet, er de rechters aan te herinneren, dat Alcibiades en ook Critias, het hoofd der Dertig Tyrannen, tot zijn leerlingen hadden behoord; maar er was meer dan één van zijn verknochte volgelingen, die een eer werden voor Socrates en zijn vaderland. Plato leefde nog een halve eeuw na den dood van zijn beminden leermeester, en werd als wijsgeer zelfs nog veel beroemder. Hij schreef over de meest diepzinnige onderwerpen, maar met zóóveel humor, fantasie en frischheid, dat men hem ging beschouwen als een afstammeling van Apollo, den god der welsprekendheid. Leerlingen verzamelden zich in grooten getale om hem heen, zooals vroeger om Socrates, en hij placht met hen te spreken en hen te onderwijzen in zijn huis vlak bij de academie. Het verhaal is tot ons overgeleverd, dat sommige vreemdelingen, die hem bij de Olympische spelen ontmoetten, zóózeer met hem waren ingenomen, dat zij met vreugde zijn uitnoodiging aannamen, om hem te Athene te bezoeken. Toen het oogenblik ongeveer genaderd was, dat hun bezoek een einde zou nemen, zeiden zij: “Maar wilt gij ons niet in kennis brengen met uw beroemden naamgenoot, den wijsgeer Plato?” Zij waren ten hoogste verbaasd,toen hun gastheer eenvoudig antwoordde: “Ik ben de persoon, dien gij wenscht te zien.”Kaart van den tocht der tienduizend GriekenKaart van den tocht der tienduizend GriekenMarschroute der tienduizend Grieken.Een ander volgeling van Socrates was Xenophon, die niet alleen wijsgeer, maar ook geschiedschrijver en legeraanvoerder was. Toen Socrates gevangen zat, was Xenophon juist teruggekeerd van een merkwaardige expeditie, die door den Perzischen Cyrus was op touw gezet. Nadat de Peloponnesische oorlog geëindigd was, zond Cyrus afgezanten naar Sparta, om de Spartanen te vragen, dat zij zich jegens hem niet anders zouden gedragen dan hij zich jegens hen had gedragen. Daarmede bedoelde hij, dat hij wat Grieksche soldaten wilde leenen. Zijn broeder, Artaxerxes II, was nu op den troon van Perzië, maar er waren velen, die van oordeel waren, dat die van rechtswege aan Cyrus toekwam, en deze had een leger van 100000 man bijeengebracht, om dien te vermeesteren. Hij wist, hoe goed de Grieken vochten, en het is niet te verwonderen, dat hij zeer begeerde, Grieksche troepen te huren. Er waren in Griekenland duizenden mannen, die ten gevolge van den langen oorlog slechts weinig afwisten van een ander beroep dan dat van soldaat, en zij waren bereid voor iedereen te strijden, die hun soldij wilde betalen. Zij zouden er echter niet in hebben toegestemd, tot in het binnenste van Azië door te dringen; daarom werden zij bedriegelijk verlokt den tocht te ondernemen door de mededeeling, dat Cyrus hen noodig had, om enkele opstandelingen in Pisidië te onderwerpen, welk land gelegen was aan de zuidelijke kust van Klein-Azië. Zij trokken de Aegeïsche Zee over, landden in de nabijheid van Samos, en gingen met de grootste opgewektheid op weg naar Pisidië. Maar Pisidië scheen heel ver af te liggen, en ten slotte begonnen zij te vermoeden, dat er bedrog in het spel was. Na verloop van tijd kwam Cyrus hen met zijn troepen te gemoet, en ten slotte erkende hij, dat zij op weg waren naar Babylonië, en niet tegen enkele opstandelingen hadden te strijden, maartegen den koning van het Perzische rijk. Zij waren reeds in Perzië en het was bijna even gevaarlijk te trachten den terugtocht te aanvaarden als vooruit te trekken. Cyrus beloofde hun een hooge soldij en zij stemden er in toe, verder te trekken.Perzisch krijgsman.Perzisch krijgsman.Op zekeren dag, juist vóór het aanbreken van den middag, kwam een man in volle vaart naar het leger galoppeeren, die eerst in het Perzisch, en daarna in het Grieksch uitriep: “De Koning komt, de Koning komt, met een groot leger, volkomen ten strijde toegerust.” Vroeg in den namiddag zag men over de vlakte een lage, witte wolk liggen. Dit was het stof, dat door het leger van den koning werd opgejaagd. De stofwolk werd hoe langer hoe donkerder; daarna kon de flikkering van een speer of van een metalen wapenrusting gezien worden. Ruiterij, met een sneeuw-witte wapenrusting, kwam te voorschijn; Egyptische troepen met lange houten schilden; boogschutters; wagens met zeisen, die van de wagenassen afhingen; volken na volken, ieder een samengedrongen en op zich zelf staande troep. De gelederen van Cyrus werden gevormd, en hij zelf inspecteerde die, toen hij een zacht gemompel door de gelederen hoorde gaan van rechts naar links en van links naar rechts. “Wat is dat?” vroeg hij. Xenophon was juist komen aanrijden, om te vragen, of hij ook eenige bevelen had gegeven, en hij antwoordde, dat dit het wachtwoord beteekende: “Jupiter de Redder, en overwinning.”“Ik neem dit aan als een goed voorteeken,”zeide Cyrus, “en moge het zoo zijn.”Het voorteeken bleek echter valsch te zijn. Wel is waar wonnen de dappere Grieken den strijd, maar Cyrus werd verslagen. “Levert al uw wapenen in,”beval de koning.“Overwinnaars leveren hun wapenen niet in,”antwoordden de Grieken. De koning was er niet op gesteld, het gevecht te hervatten. Hij wilde veel liever van die lastige vreemdelingen bevrijd worden, en hij dacht, dat het verstandig zou zijn hen te laten vertrekken, om rond te zwerven in het land en van honger om te komen. Hun aanvoerders werden door bedrog en list gedood; en de Grieken werden achtergelaten in het land van een vijand, op minstens zestienhonderd kilometers van huis. Zij hadden geen gidsen, geen aanvoerders en weinig kennis van het land, behalve dat zij wisten, dat er veel rivieren en bergen waren. Zij waren wanhopig. De nacht brak aan, en zij lagen op den grond, verlangend naar hun gezin en hun eigen vaderland. Xenophon was met het leger naar Perzië getrokken, niet als soldaat en volstrekt niet van plan tegen den koning te strijden, maar alleen om onder Cyrus een hooge betrekking te krijgen. Toen hij op den grond lag, kwam hij tot het besluit, dat, nu niemand anders de leiding nam, het op zijn weg lag iets te doen. Hij aarzelde eenigen tijd, omdat er zoovelen waren, die ouder waren dan hij; daarna zeide hij tot zichzelf, “Ik zal zeker nooit ouder worden, als ik mij heden aan den vijand overgeef.” Dit geschiedde kort na middernacht. In de duisternis riep hij de kapiteins bijeen en zij maakten zoo goed mogelijk plannen. “Vertel gij het zelf aan het leger,” zeiden zij; en bij het eerste aanbreken van den morgen trok Xenophon zijn beste wapenrusting aan en zijn schoonste kleederen, en ging voor de tienduizend man staan. Hij verhaalde hun, hoe dapper hun voorouders geweest waren, en dat zij ongetwijfeld hun weg konden terugvinden. Zij moesten hun bagage verbranden, behalve wat er noodig was van vleesch, drinkwaren en wapenen. “Als wij overwinnaars zijn, moeten wij den vijand als onze bagagedragers beschouwen,”zeide hij.Xenophon.Xenophon.De soldaten vergaten hun moedeloosheid. Zij verbrandden al de bagage, die zij konden missen, kozen nieuwe aanvoerders,waaronder natuurlijk Xenophon behoorde, en begonnen één der meest merkwaardige terugtochten. Zij zwoegden voort over brandende vlakten, doorwaadden snelstroomende rivieren, klommen over ruwe rotsen, trokken door bergpassen, waar de jachtsneeuw een vadem diep was opgestapeld en de felste winterstormen hun gezicht teisterden. Somtijds hadden zij voedsel, somtijds niet. Somtijds mochten zij in vrede door een provincie trekken, somtijds werden zij van alle kanten aangevallen. Als zij slechts de zee konden bereiken! dachten zij, want dan zou de weg naar huis en naar hun vrienden gemakkelijk zijn. Eindelijk hoorde Xenophon luide kreten van zijn voorhoede. Die kreten herhaalden zich en werden hoe langer hoe luider. Het geleek volstrekt niet op een oorlogskreet, en toch kon het zijn, dat er een vijand vóór hen stond—niemand wist hoe of wat. Hij sprong op zijn paard en vloog den heuvel op. En zie, aan den horizon, ver in het noorden, lag een streep helder schitterend water, de Pontus Euxinus. “Thalatta, thalatta,” (de zee) riepen de soldaten. Die ruwe krijgers barstten in tranen los, zij wierpen hun armen om elkanders hals, zij omhelsden hun aanvoerders en kapiteins. De inboorling, die hen naar den top van den heuvel had gevoerd, stond er naast. Zij gaven hem een paard, een zilveren beker, een Perzisch kleed, en tien gouden munten. Zij richtten een heuvel op, zooals dit bij Marathon was geschied, en legden daarop ossenhuiden en stokken en schilden, op den vijand veroverd. In drie dagen tijds waren de Tienduizend Grieken bij de Grieksche stad Trapezos, (thans Trebizonde). De burgerij verwelkomde henen gaf hun ossen en wijn en gerstemeel, en vierde feesten uit dankbaarheid voor de welwillende gezindheid der goden. Xenophon schreef zelf het verhaal van dien terugtocht der Tienduizend, die zich onder de grootste moeilijkheden een weg hadden gebaand naar zee, over een uitgestrektheid van zestienhonderd kilometers.Cnidus met de beide havens.Cnidus met de beide havens.(In die havens ankerden een groot aantal schepen).Xenophon had, evenals Plato, Socrates lief, en schreef alles op, wat hij zich kon herinneren omtrent het onderwijs van zijn meester. Nadat hij hem zoo op de warmste wijze had geprezen, eindigde hij met de volgende woorden: “Indien iemand het niet met mij eens is, laat hem dan het gedrag van anderen met dat van Socrates vergelijken, en daarna, in overeenstemming daarmede, zijn gevolgtrekkingen maken.”De tocht der Tienduizend maakte het voor de Grieken duidelijk, dat het ontzaglijke Perzische rijk een groot, lomp en log rijk was, zonder leven of energie; en Sparta was er niet rouwig om, dat de Grieksche kuststeden om hulp tegen Tissaphernes vroegen, die zich gereed maakte iedere stad te straffen, welke jegens Cyrus welwillend gezind was geweest. Na eenige kleine gevechten tusschen de Spartanen en Tissaphernes, vormde de Spartaansche koning Agesilaus het plan, zich door Perzië een weg te banen, en het uit zijn kracht gegroeide rijk te veroveren. Hij slaagde in het begin zóó goed, dat het er werkelijk op begon te gelijken, dat hij in staat zou zijn, zijnplan tenuitvoer te brengen; doch de sluwe Perzen konden goed intrigeeren, al konden zij niet vechten. Zij wisten, dat de overige Grieken Sparta haatten wegens haar tyrannie en haar egoïsme, en daarom boden zij schepen en manschappen aan,en slaagden er in, Corinthe, Athene, Thebe en Argos er toe te brengen, zich tegen haar te verbinden. Dit was het begin van den Corinthischen Oorlog, die acht jaren duurde. Een groot gedeelte van den oorlog werd in Corinthe gevoerd, maar eindelijk was er een groote zeeslag bij Cnidus in Klein-Azië. Toen kwam er een treurige dag voor Sparta, want haar geheele vloot werd vernield. Eenigen tijd later was er meer vreugde in Athene dan er in langen tijd geweest was, immers met behulp van Perzisch geld werden de eerste steenen gelegd voor het opbouwen der muren en der versterkingen van den Piraeus.De Atheners waren gelukkig, maar hun bondgenooten waren afgunstig. “Waarom zouden wij vechten, als uitsluitend Athene er voordeel van zal hebben?”zoo vroegen zij. Sparta begon eveneens ongerust te worden. “Waarom zouden wij trachten de Grieksche koloniën te beschermen, als al ons werk er op neerkomt, Athene te helpen?”morden zij. Er was geen andere uitweg dan vrede te sluiten, en met hun gewone zelfzucht sloten de Spartanen een verdrag, naar den afgezant, de vrede van Antalcidas genoemd, volgens welk verdrag de Grieksche steden in Azië aan de Perzen werden gegeven. Bijna nog ongunstiger was een bepaling, dat de koning der Perzen en de Spartanen iederen staat den oorlog zouden verklaren, die weigerde het verdrag te gehoorzamen. Dit beteekende, dat Sparta bereid was zich met Perzië te vereenigen tegen ieder deel van haar eigen land.Sparta sloot niet alleen een schandelijk verdrag, maar de stad gedroeg zich nog schandelijker bij de uitvoering. Nog steeds deed zij het voorkomen, alsof zij de Grieken vrijheid schonk, en zij maakte er niet alleen haar werk van, iedere stad, die over een andere heerschte, te dwingen, die heerschappij op te geven, maar zij zorgde tevens, dat iedere vriendschappelijke verbintenis van steden, waarvan zij meende, dat deze ter eeniger tijd haar vijandig kon worden, verbrokenwerd. Zij geloofde, dat de bevolking van Mantinea in Arcadië zich niet met haar wijze van optreden kon vereenigen, en daarom sloopte zij de muren dier stad, en dwong zij de burgers uit elkander te gaan en zich in vijf dorpen te vestigen. De regeering van Griekenland was een soort tyrannie en Sparta was de tyran. Een Spartaansch veldheer marcheerde door de bevriende stad Thebe, toen een Thebaan hem heimelijk zeide: “De andere partij haat de Spartanen, maar onze partij is u gunstig gezind. Ik zal u naar de citadel voeren; dan zal Thebe in uw macht zijn, en gij zult ons niet vergeten.”Het was het middaguur van een heeten zomerdag, en er waren in de straten slechts weinig menschen die weerstand konden bieden, zoodat de Spartaansche veldheer spoedig meester was van Thebe. Toen het bericht hiervan de Spartanen bereikte, waren zij verontwaardigd, niet, omdat hun bevelhebber een zoo laaghartige daad hadverricht, maar, omdat hij het had gedaan zonder het bevel daartoe van de Spartaansche overheid te hebben gekregen. Doch koning Agesilaus zeide: “Het hangt er van af, of hij Sparta voordeel of nadeel heeft berokkend. In het laatste geval dient hij gestraft te worden; maar anders mag hij zelfstandig optreden. Zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat het in het voordeel van Sparta was, en daarom behielden zij de citadel in hun macht.Een aantal Thebanen van de tegenpartij vluchtten uit de stad uit vrees voor hun leven. Onder dezen was ook een zekere Pelopidas. Hij placht tot de weinige ballingen te zeggen: “Het is oneervol er mede tevreden te zijn, dat wij ons eigen leven hebben gered; wij moeten ons best doen, de stad te bevrijden. Eindelijk wist hij hen met nieuwen moed te bezielen, en er werd een plan beraamd om Thebe te bevrijden. Pelopidas en eenige andere jongelingen vermomden zich als boeren, en drongen heimelijk langs verschillende wegen de stad binnen. Het sneeuwde zóó hard, dat de meeste menschen binnen ’s-huiswaren, maar enkele vrienden der ballingen stonden op den uitkijk, om hen naar de plaats van samenkomst te voeren. Toen de avond was aangebroken, trokken zij kleeren over hun wapenrusting en zware kransen van bladeren over hun voorhoofd, om hun gebaard gelaat te bedekken. Aldus vermomd trokken zij naar de plaats, waar de aanvoerders der partij, die de stad hadden verraden, een feestmaal hielden, en doodden de voornaamsten onder hen. Pelopidas wierp de deuren der gevangenissen open, om hen te bevrijden, die trouw aan Thebe waren geweest. Nu begonnen de lichten te schijnen aan de vensters der huizen; de straten waren vol menschen; er was overal verwarring en geschreeuw, want niemand wist nauwkeurig, wat er was geschied. Toen de morgen was aangebroken, riepen de trouw gebleven Thebanen het volk samen. Toen stonden Pelopidas en de overige ballingen, zijn vriend Epaminondas en de priesters der tempels voor de vergadering. “Staat op,” riepen de priesters, “voor de goden van uw vaderland.” De geheele vergadering sprong als één man op en schreeuwde van vreugde. Zij marcheerden recht op de citadel aan. De Spartanen, die de citadel bezetten, gaven zich onmiddellijk over. De ééne plaats na de andere volgde het voorbeeld van Thebe. De Spartanen straften wel de stedehouders, die zich overgaven, maar zonder resultaat.Toen begon Athene te droomen van een herstel van haar vroegere grootheid. Zij stichtte een nieuw bondgenootschap van staten, dat veel beter was dan de Bond van Delos; immers de staten zouden onderling in rang gelijk zijn en het bijeengebrachte geld zou dienen ten nutte van allen. Dit was een zóó eerlijk bondgenootschap, dat het een onbeperkten tijd zou hebben kunnen voortduren, ware niet weer de ééne staat afgunstig op den anderen. Het waren nu de Atheners, die besloten met Sparta vrede te sluiten.Sparta hield nog steeds vol, dat zij de Boeotische stedenbevrijdde, maar op zekeren dag was het Spartaansche leger ten hoogste verbaasd, toen het een Thebaansch leger zag uittrekken, om tegen hen slag te leveren. De Spartanen schaarden hun manschappen op de gewone wijze, die zij reeds gedurende verschillende geslachten hadden toegepast, en trokken den vijand te gemoet in een lang gelid, twaalf rijen diep. Epaminondas, die de Thebanen aanvoerde, redeneerde aldus: “De beste soldaten zullen rondom den koning geschaard zijn, en indien wij deze kunnen verslaan, zal het overige een gemakkelijke zaak zijn.”Daarom maakte hij de gelederen tegenover den koning vijftig rijen diep. Het kon niet verwacht worden, dat een gelid van twaalf man diep, een aanval van een gelid van vijftig man zou kunnen weerstaan, en hoewel het leger van Sparta veel talrijker was, leed het de ernstigste nederlaag, die in de geschiedenis van Sparta bekend was, daar het door een veel kleinere troepenmacht in een eerlijken strijd werd verslagen. Dit was de beroemde slag bij Leuctra, in het jaar 371 vóór Christus.Plan van den slag bij Leuctra.Plan van den slag bij Leuctra.(De Spartaansche koning stond op den rechtervleugel van de Spartaansche slagorde).Griekse vrouwen.Griekse vrouwen.(Naar een groep in het Louvre).Toen het bericht Sparta bereikte, dat haar leger door een veel kleiner aantal was verslagen, begrepen de ephoren zeer goed, dat nu de Grieken de Spartanen nooit meer zouden vreezen; zij hadden de hegemonie van hun land verloren. Als de Spartanen Atheners geweest waren, zouden zij geweend en geweeklaagd hebben, maar daar zij Spartanen waren, droegen zij hun lot op de oude echt Spartaansche wijze. “Laat de spelen voortgang hebben,”bevalen de ephoren; zij waren namelijk midden in een feest. Al de gebruikelijke ceremoniënwerden in acht genomen, en de ephoren zelf bleven daarbij tegenwoordig, totdat de laatste wedstrijd en de laatste dans geëindigd waren. Het was bij de Spartanen het gebruik, dat iedere soldaat, die uit een slag gevlucht was, op alle mogelijke wijze te schande werd gemaakt. Hij werd genoodzaakt de helft van zijn baard af te scheren en de andere helft niet te knippen. Hij moest havelooze kleeren dragen, bedekt met verschillende gekleurde lappen. Hij mocht nooit eenig staatsambt bekleeden; en een Spartaansch meisje, dat met hem huwde, maakte zich onmogelijk Er waren zóóvelen uit den slag gevlucht, dat de Spartanen die gewoonte niet durfden handhaven; maar de bloedverwanten van hen, die gestorven waren, liepen over de straat met een trotsche houding, en traden de tempels binnen om dank te zeggen aan de goden voor den moed, door hun vrienden betoond. De bloedverwanten van hen, die waren gevlucht, hadden een treurige gelaatsuitdrukking, en liepen met gebogen hoofd of sloten zich zelfs samen op, zooals in Sparta in tijden van de diepste smart gebruikelijk was. Zoo droeg Sparta de nederlaag, die haar droom, de heerscheres van Griekenland te worden, verstoord had.Munten uit Thessalonica.Munten uit Thessalonica.

Sparta was nu de leidende staat, of, zooals men het noemde, oefende de hegemonie in Griekenland uit, en alle steden, die aan haar genade waren overgeleverd, waren in angstige verwachting, wat zij zoude doen. Gedurende zeven en twintig jaar, van het begin van den oorlog tot aan het einde, had zij haar gezegd: “Athene is een tyran, en Sparta streeft er naar, u vrij te maken.” Zij zagen nu in, dat Sparta met “vrijheid” bedoelde, te doen wat zij verkoos, en de overige staten te dwingen zich aan haar te onderwerpen. Het eerst wat zij in iedere stad deed, was daar een Spartaanschen stedehouder aan te stellen, met tien mannen, die zijn plannen goedgezind waren, als magistraten, en genoeg Spartaansche soldaten, om de burgers tot gehoorzaamheid te dwingen. De Aegeïsche staten waren in de eerste plaats hulpeloos. Zij hadden het reeds hard gevonden, verplicht te zijn aan Athene schatting te betalen, maar nu hadden zij niet alleen schatting te betalen, maar moesten zij zelfs bijdragen voor het onderhoud van den stedehouder en zijn soldaten.

Markt van Sparta.Markt van Sparta.Op den achtergrondisde vesting; op den voorgrond, het standbeeld van Hermes met het kind Dionysus; achter op de open plaats is het standbeeld van het Spartaansche volk; rechts de Perzische hal, versierd met den buit uit den Perzischen oorlog.

Markt van Sparta.

Op den achtergrondisde vesting; op den voorgrond, het standbeeld van Hermes met het kind Dionysus; achter op de open plaats is het standbeeld van het Spartaansche volk; rechts de Perzische hal, versierd met den buit uit den Perzischen oorlog.

Sparta vergat plotseling, “dat Athene één der beide oogen van Griekenland was,” en behandelde haar heel wat strengerdan eenige andere stad. Tien magistraten waren niet genoeg voor de Atheners—zij moesten er dertig tellen behalven den Spartaanschen stedehouder en een groote troepenmacht van Spartaansche soldaten. De Dertig Tyrannen, zooals zij werden genoemd, kozen drieduizend man, op wie zij vast konden rekenen, en namen bovendien van de overige burgers alle wapenen mede. Zij schenen noch goden, noch menschen te vreezen. Zij brachten allen ter dood, die tijdens den oorlog tegen hen waren opgetreden, allen, tegen wie zij een wrok hadden, en zóóvelen van de meer vermogende menschen, dat zij zich ruimschoots met hun geld konden verrijken. De ongelukkige Atheners zeiden in wanhoop tot elkander: “Alcibiades zal dit niet dulden: hij zal zeker wel een middel vinden om ons te helpen;” maar het duurde niet lang, of zij hoorden, dat Alcibiades was vermoord. Toen waren zij werkelijk wanhopend, en honderden vluchtten uit de stad. De andere staten waren verontwaardigd over de zelfzucht van Sparta en waren bereid, de vluchtelingen een woonplaats te verschaffen. Zelfs de Thebanen, die zulke verbitterde vijanden der Atheners geweest waren, heetten hen welkom. Zoodra het kleine troepje ballingen groot genoeg was geworden, om een poging daartoe te wagen, trokken zij de grenzen van Attica over en kwamen zij in verzet tegen de Dertig. Xenophon, een leerling van Socrates, schreef: “De Dertig zaten samen in den Raad, volkomen eenzaam en terneergeslagen.” Wel mochten zij “volkomen terneergeslagen” zijn, daar dit het begin was van het omverwerpen hunner regeering.

Socrates.Socrates.(Naar een borstbeeld in de Vaticaansche Galerij te Rome).

Socrates.

(Naar een borstbeeld in de Vaticaansche Galerij te Rome).

De dood van Socrates.De dood van Socrates.

De dood van Socrates.

Er is geen enkel volk, dat op het einde van een langdurigen oorlog volkomen hetzelfde is als in het begin. Gedurende den Peloponnesischen oorlog waren de leden van iedere partij in Athene zóózeer overtuigd, dat zij het recht op hun zijde hadden, dat zij de andere politieke partijen bitter haatten, en dat zij meenden, dat, wat er ook mocht gebeuren, hun eigen wijzevan handelen, de juiste was en dat daaraan dus moest worden vastgehouden. De wijsgeer Socrates had onbevreesd voor Athene gestreden en hij had zijn woonplaats lief; maar hij was van meening, dat het voor iedere partij beter was te doen wat recht was, dan te doen, wat leiden kon tot het verkrijgen van wat zij noodig achtte; en dat eerlijkheid en deugd beter was, dan de goden offers te brengen. Dergelijke leerstellingen vielen niet in den smaak van het volk, dat liever zijn eigen zin wilde volgen, wat ook mocht gebeuren. Het einde was, dat Socrates voor het gerecht werd gedaagd en beschuldigd werd, dat hij de goden niet eerde en de jeugd door zijn onderwijs op den verkeerden weg leidde. Hij werd ter dood veroordeeld, of, zooals hij het uitdrukte “te vertrekken naar een gelukkigen staat der gelukzaligen.”Verscheidene van zijn volgelingen waren gedurende de laatste dagen van zijn leven bij hem, en één van hen, Plato genaamd, schreef een verhaal van de woorden en handelingen van den meester. Toen hem de giftbeker gebracht werd, dronk hij dien even kalm leeg, als ware hij met wijn gevuld. Zijn leerlingen barstten in tranen uit. Plato zegt: “Ik weende nietom hem, maar om mijn eigen lot, nu ik van zulk een vriend zou worden beroofd.”Toen op het laatst allen meenden, dat het vergif zijn werking had gedaan, riep Socrates tot één der jongelieden: “Crito, wij zijn een haan verschuldigd aan Aesculapius; betaal dien dus en verzuim het niet.”Aesculapius was de godheid, wien men een offer bracht, als men dankbaar was voor zijn herstel uit een ziekte; en Socrates was zóó heilig overtuigd, dat hem een edeler, gelukkiger leven wachtte, dat hij het gevoel had, alsof hij, als zijn aardsche leven eindigde, alleen maar van ziekte tot gezondheid overging.

Aesculapius.Aesculapius.(In de Vaticaansche Galerij te Rome).

Aesculapius.

(In de Vaticaansche Galerij te Rome).

Het volgende is een voorbeeld van de wijsheid van Socrates. Een zekere Antiphon trachtte de volgelingen van den wijsgeer van hem af te trekken. Daartoe kwam hij bij Socrates op zekeren dag, toen zij aanwezig waren, en zeide: “Ik dacht altijd, dat zij, die de wijsbegeerte beoefenden, gelukkiger moesten worden dan anderen; maar gij schijnt van de wijsbegeerte vruchten van geheel anderen aard te hebben geplukt; ten minste gij leeft op een wijze, waarop geen slaaf onder zijn meester ooit zou wenschen te leven; gij eet spijzen en drinkt drank van de slechtste soort; gij draagt een bovenkleed, dat niet alleen slecht is, maar dat zoowel in den zomer als in den winter hetzelfde is, en gij blijft steeds rondloopen zonder schoenen en zonder behoorlijk gewaad. Geld, dat de menschen verheugt, als zij het ontvangen, en dat hen die het bezitten, in staat stelt, aangenamer te leven en zich ruimer te bewegen, neemt gij niet aan, en als gij dus, daar leermeesters in andere beroepen er naar streven, dat hun leerlingen hen volgen, een dergelijke uitwerking op uw volgelingen hebt, moet gij u beschouwen als iemand, die onderwijst,hoe men een ellendig leven kan leiden.”Socrates antwoordde kalm: “Gij gelijkt, o Antiphon, op iemand, die meent, dat geluk bestaat in weelde en in buitensporigheid, maar het is mijn overtuiging, dat hij die niets verlangt, op de goden gelijkt, en dat hij die zoo weinig mogelijk verlangt, zoo veel mogelijk de goden nabijkomt; dat de goddelijke natuur de volmaaktheid is, en dat dus de goddelijke natuur nabij te komen, is, de volmaking zoo dicht mogelijk te naderen.”

De zoogenaamde gevangenis van Socrates te Athene.De zoogenaamde gevangenis van Socrates te Athene.

De zoogenaamde gevangenis van Socrates te Athene.

De vijanden van Socrates vergaten niet, er de rechters aan te herinneren, dat Alcibiades en ook Critias, het hoofd der Dertig Tyrannen, tot zijn leerlingen hadden behoord; maar er was meer dan één van zijn verknochte volgelingen, die een eer werden voor Socrates en zijn vaderland. Plato leefde nog een halve eeuw na den dood van zijn beminden leermeester, en werd als wijsgeer zelfs nog veel beroemder. Hij schreef over de meest diepzinnige onderwerpen, maar met zóóveel humor, fantasie en frischheid, dat men hem ging beschouwen als een afstammeling van Apollo, den god der welsprekendheid. Leerlingen verzamelden zich in grooten getale om hem heen, zooals vroeger om Socrates, en hij placht met hen te spreken en hen te onderwijzen in zijn huis vlak bij de academie. Het verhaal is tot ons overgeleverd, dat sommige vreemdelingen, die hem bij de Olympische spelen ontmoetten, zóózeer met hem waren ingenomen, dat zij met vreugde zijn uitnoodiging aannamen, om hem te Athene te bezoeken. Toen het oogenblik ongeveer genaderd was, dat hun bezoek een einde zou nemen, zeiden zij: “Maar wilt gij ons niet in kennis brengen met uw beroemden naamgenoot, den wijsgeer Plato?” Zij waren ten hoogste verbaasd,toen hun gastheer eenvoudig antwoordde: “Ik ben de persoon, dien gij wenscht te zien.”

Kaart van den tocht der tienduizend GriekenKaart van den tocht der tienduizend GriekenMarschroute der tienduizend Grieken.

Kaart van den tocht der tienduizend Grieken

Marschroute der tienduizend Grieken.

Een ander volgeling van Socrates was Xenophon, die niet alleen wijsgeer, maar ook geschiedschrijver en legeraanvoerder was. Toen Socrates gevangen zat, was Xenophon juist teruggekeerd van een merkwaardige expeditie, die door den Perzischen Cyrus was op touw gezet. Nadat de Peloponnesische oorlog geëindigd was, zond Cyrus afgezanten naar Sparta, om de Spartanen te vragen, dat zij zich jegens hem niet anders zouden gedragen dan hij zich jegens hen had gedragen. Daarmede bedoelde hij, dat hij wat Grieksche soldaten wilde leenen. Zijn broeder, Artaxerxes II, was nu op den troon van Perzië, maar er waren velen, die van oordeel waren, dat die van rechtswege aan Cyrus toekwam, en deze had een leger van 100000 man bijeengebracht, om dien te vermeesteren. Hij wist, hoe goed de Grieken vochten, en het is niet te verwonderen, dat hij zeer begeerde, Grieksche troepen te huren. Er waren in Griekenland duizenden mannen, die ten gevolge van den langen oorlog slechts weinig afwisten van een ander beroep dan dat van soldaat, en zij waren bereid voor iedereen te strijden, die hun soldij wilde betalen. Zij zouden er echter niet in hebben toegestemd, tot in het binnenste van Azië door te dringen; daarom werden zij bedriegelijk verlokt den tocht te ondernemen door de mededeeling, dat Cyrus hen noodig had, om enkele opstandelingen in Pisidië te onderwerpen, welk land gelegen was aan de zuidelijke kust van Klein-Azië. Zij trokken de Aegeïsche Zee over, landden in de nabijheid van Samos, en gingen met de grootste opgewektheid op weg naar Pisidië. Maar Pisidië scheen heel ver af te liggen, en ten slotte begonnen zij te vermoeden, dat er bedrog in het spel was. Na verloop van tijd kwam Cyrus hen met zijn troepen te gemoet, en ten slotte erkende hij, dat zij op weg waren naar Babylonië, en niet tegen enkele opstandelingen hadden te strijden, maartegen den koning van het Perzische rijk. Zij waren reeds in Perzië en het was bijna even gevaarlijk te trachten den terugtocht te aanvaarden als vooruit te trekken. Cyrus beloofde hun een hooge soldij en zij stemden er in toe, verder te trekken.

Perzisch krijgsman.Perzisch krijgsman.

Perzisch krijgsman.

Op zekeren dag, juist vóór het aanbreken van den middag, kwam een man in volle vaart naar het leger galoppeeren, die eerst in het Perzisch, en daarna in het Grieksch uitriep: “De Koning komt, de Koning komt, met een groot leger, volkomen ten strijde toegerust.” Vroeg in den namiddag zag men over de vlakte een lage, witte wolk liggen. Dit was het stof, dat door het leger van den koning werd opgejaagd. De stofwolk werd hoe langer hoe donkerder; daarna kon de flikkering van een speer of van een metalen wapenrusting gezien worden. Ruiterij, met een sneeuw-witte wapenrusting, kwam te voorschijn; Egyptische troepen met lange houten schilden; boogschutters; wagens met zeisen, die van de wagenassen afhingen; volken na volken, ieder een samengedrongen en op zich zelf staande troep. De gelederen van Cyrus werden gevormd, en hij zelf inspecteerde die, toen hij een zacht gemompel door de gelederen hoorde gaan van rechts naar links en van links naar rechts. “Wat is dat?” vroeg hij. Xenophon was juist komen aanrijden, om te vragen, of hij ook eenige bevelen had gegeven, en hij antwoordde, dat dit het wachtwoord beteekende: “Jupiter de Redder, en overwinning.”“Ik neem dit aan als een goed voorteeken,”zeide Cyrus, “en moge het zoo zijn.”

Het voorteeken bleek echter valsch te zijn. Wel is waar wonnen de dappere Grieken den strijd, maar Cyrus werd verslagen. “Levert al uw wapenen in,”beval de koning.“Overwinnaars leveren hun wapenen niet in,”antwoordden de Grieken. De koning was er niet op gesteld, het gevecht te hervatten. Hij wilde veel liever van die lastige vreemdelingen bevrijd worden, en hij dacht, dat het verstandig zou zijn hen te laten vertrekken, om rond te zwerven in het land en van honger om te komen. Hun aanvoerders werden door bedrog en list gedood; en de Grieken werden achtergelaten in het land van een vijand, op minstens zestienhonderd kilometers van huis. Zij hadden geen gidsen, geen aanvoerders en weinig kennis van het land, behalve dat zij wisten, dat er veel rivieren en bergen waren. Zij waren wanhopig. De nacht brak aan, en zij lagen op den grond, verlangend naar hun gezin en hun eigen vaderland. Xenophon was met het leger naar Perzië getrokken, niet als soldaat en volstrekt niet van plan tegen den koning te strijden, maar alleen om onder Cyrus een hooge betrekking te krijgen. Toen hij op den grond lag, kwam hij tot het besluit, dat, nu niemand anders de leiding nam, het op zijn weg lag iets te doen. Hij aarzelde eenigen tijd, omdat er zoovelen waren, die ouder waren dan hij; daarna zeide hij tot zichzelf, “Ik zal zeker nooit ouder worden, als ik mij heden aan den vijand overgeef.” Dit geschiedde kort na middernacht. In de duisternis riep hij de kapiteins bijeen en zij maakten zoo goed mogelijk plannen. “Vertel gij het zelf aan het leger,” zeiden zij; en bij het eerste aanbreken van den morgen trok Xenophon zijn beste wapenrusting aan en zijn schoonste kleederen, en ging voor de tienduizend man staan. Hij verhaalde hun, hoe dapper hun voorouders geweest waren, en dat zij ongetwijfeld hun weg konden terugvinden. Zij moesten hun bagage verbranden, behalve wat er noodig was van vleesch, drinkwaren en wapenen. “Als wij overwinnaars zijn, moeten wij den vijand als onze bagagedragers beschouwen,”zeide hij.

Xenophon.Xenophon.

Xenophon.

De soldaten vergaten hun moedeloosheid. Zij verbrandden al de bagage, die zij konden missen, kozen nieuwe aanvoerders,waaronder natuurlijk Xenophon behoorde, en begonnen één der meest merkwaardige terugtochten. Zij zwoegden voort over brandende vlakten, doorwaadden snelstroomende rivieren, klommen over ruwe rotsen, trokken door bergpassen, waar de jachtsneeuw een vadem diep was opgestapeld en de felste winterstormen hun gezicht teisterden. Somtijds hadden zij voedsel, somtijds niet. Somtijds mochten zij in vrede door een provincie trekken, somtijds werden zij van alle kanten aangevallen. Als zij slechts de zee konden bereiken! dachten zij, want dan zou de weg naar huis en naar hun vrienden gemakkelijk zijn. Eindelijk hoorde Xenophon luide kreten van zijn voorhoede. Die kreten herhaalden zich en werden hoe langer hoe luider. Het geleek volstrekt niet op een oorlogskreet, en toch kon het zijn, dat er een vijand vóór hen stond—niemand wist hoe of wat. Hij sprong op zijn paard en vloog den heuvel op. En zie, aan den horizon, ver in het noorden, lag een streep helder schitterend water, de Pontus Euxinus. “Thalatta, thalatta,” (de zee) riepen de soldaten. Die ruwe krijgers barstten in tranen los, zij wierpen hun armen om elkanders hals, zij omhelsden hun aanvoerders en kapiteins. De inboorling, die hen naar den top van den heuvel had gevoerd, stond er naast. Zij gaven hem een paard, een zilveren beker, een Perzisch kleed, en tien gouden munten. Zij richtten een heuvel op, zooals dit bij Marathon was geschied, en legden daarop ossenhuiden en stokken en schilden, op den vijand veroverd. In drie dagen tijds waren de Tienduizend Grieken bij de Grieksche stad Trapezos, (thans Trebizonde). De burgerij verwelkomde henen gaf hun ossen en wijn en gerstemeel, en vierde feesten uit dankbaarheid voor de welwillende gezindheid der goden. Xenophon schreef zelf het verhaal van dien terugtocht der Tienduizend, die zich onder de grootste moeilijkheden een weg hadden gebaand naar zee, over een uitgestrektheid van zestienhonderd kilometers.

Cnidus met de beide havens.Cnidus met de beide havens.(In die havens ankerden een groot aantal schepen).

Cnidus met de beide havens.

(In die havens ankerden een groot aantal schepen).

Xenophon had, evenals Plato, Socrates lief, en schreef alles op, wat hij zich kon herinneren omtrent het onderwijs van zijn meester. Nadat hij hem zoo op de warmste wijze had geprezen, eindigde hij met de volgende woorden: “Indien iemand het niet met mij eens is, laat hem dan het gedrag van anderen met dat van Socrates vergelijken, en daarna, in overeenstemming daarmede, zijn gevolgtrekkingen maken.”

De tocht der Tienduizend maakte het voor de Grieken duidelijk, dat het ontzaglijke Perzische rijk een groot, lomp en log rijk was, zonder leven of energie; en Sparta was er niet rouwig om, dat de Grieksche kuststeden om hulp tegen Tissaphernes vroegen, die zich gereed maakte iedere stad te straffen, welke jegens Cyrus welwillend gezind was geweest. Na eenige kleine gevechten tusschen de Spartanen en Tissaphernes, vormde de Spartaansche koning Agesilaus het plan, zich door Perzië een weg te banen, en het uit zijn kracht gegroeide rijk te veroveren. Hij slaagde in het begin zóó goed, dat het er werkelijk op begon te gelijken, dat hij in staat zou zijn, zijnplan tenuitvoer te brengen; doch de sluwe Perzen konden goed intrigeeren, al konden zij niet vechten. Zij wisten, dat de overige Grieken Sparta haatten wegens haar tyrannie en haar egoïsme, en daarom boden zij schepen en manschappen aan,en slaagden er in, Corinthe, Athene, Thebe en Argos er toe te brengen, zich tegen haar te verbinden. Dit was het begin van den Corinthischen Oorlog, die acht jaren duurde. Een groot gedeelte van den oorlog werd in Corinthe gevoerd, maar eindelijk was er een groote zeeslag bij Cnidus in Klein-Azië. Toen kwam er een treurige dag voor Sparta, want haar geheele vloot werd vernield. Eenigen tijd later was er meer vreugde in Athene dan er in langen tijd geweest was, immers met behulp van Perzisch geld werden de eerste steenen gelegd voor het opbouwen der muren en der versterkingen van den Piraeus.

De Atheners waren gelukkig, maar hun bondgenooten waren afgunstig. “Waarom zouden wij vechten, als uitsluitend Athene er voordeel van zal hebben?”zoo vroegen zij. Sparta begon eveneens ongerust te worden. “Waarom zouden wij trachten de Grieksche koloniën te beschermen, als al ons werk er op neerkomt, Athene te helpen?”morden zij. Er was geen andere uitweg dan vrede te sluiten, en met hun gewone zelfzucht sloten de Spartanen een verdrag, naar den afgezant, de vrede van Antalcidas genoemd, volgens welk verdrag de Grieksche steden in Azië aan de Perzen werden gegeven. Bijna nog ongunstiger was een bepaling, dat de koning der Perzen en de Spartanen iederen staat den oorlog zouden verklaren, die weigerde het verdrag te gehoorzamen. Dit beteekende, dat Sparta bereid was zich met Perzië te vereenigen tegen ieder deel van haar eigen land.

Sparta sloot niet alleen een schandelijk verdrag, maar de stad gedroeg zich nog schandelijker bij de uitvoering. Nog steeds deed zij het voorkomen, alsof zij de Grieken vrijheid schonk, en zij maakte er niet alleen haar werk van, iedere stad, die over een andere heerschte, te dwingen, die heerschappij op te geven, maar zij zorgde tevens, dat iedere vriendschappelijke verbintenis van steden, waarvan zij meende, dat deze ter eeniger tijd haar vijandig kon worden, verbrokenwerd. Zij geloofde, dat de bevolking van Mantinea in Arcadië zich niet met haar wijze van optreden kon vereenigen, en daarom sloopte zij de muren dier stad, en dwong zij de burgers uit elkander te gaan en zich in vijf dorpen te vestigen. De regeering van Griekenland was een soort tyrannie en Sparta was de tyran. Een Spartaansch veldheer marcheerde door de bevriende stad Thebe, toen een Thebaan hem heimelijk zeide: “De andere partij haat de Spartanen, maar onze partij is u gunstig gezind. Ik zal u naar de citadel voeren; dan zal Thebe in uw macht zijn, en gij zult ons niet vergeten.”Het was het middaguur van een heeten zomerdag, en er waren in de straten slechts weinig menschen die weerstand konden bieden, zoodat de Spartaansche veldheer spoedig meester was van Thebe. Toen het bericht hiervan de Spartanen bereikte, waren zij verontwaardigd, niet, omdat hun bevelhebber een zoo laaghartige daad hadverricht, maar, omdat hij het had gedaan zonder het bevel daartoe van de Spartaansche overheid te hebben gekregen. Doch koning Agesilaus zeide: “Het hangt er van af, of hij Sparta voordeel of nadeel heeft berokkend. In het laatste geval dient hij gestraft te worden; maar anders mag hij zelfstandig optreden. Zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat het in het voordeel van Sparta was, en daarom behielden zij de citadel in hun macht.

Een aantal Thebanen van de tegenpartij vluchtten uit de stad uit vrees voor hun leven. Onder dezen was ook een zekere Pelopidas. Hij placht tot de weinige ballingen te zeggen: “Het is oneervol er mede tevreden te zijn, dat wij ons eigen leven hebben gered; wij moeten ons best doen, de stad te bevrijden. Eindelijk wist hij hen met nieuwen moed te bezielen, en er werd een plan beraamd om Thebe te bevrijden. Pelopidas en eenige andere jongelingen vermomden zich als boeren, en drongen heimelijk langs verschillende wegen de stad binnen. Het sneeuwde zóó hard, dat de meeste menschen binnen ’s-huiswaren, maar enkele vrienden der ballingen stonden op den uitkijk, om hen naar de plaats van samenkomst te voeren. Toen de avond was aangebroken, trokken zij kleeren over hun wapenrusting en zware kransen van bladeren over hun voorhoofd, om hun gebaard gelaat te bedekken. Aldus vermomd trokken zij naar de plaats, waar de aanvoerders der partij, die de stad hadden verraden, een feestmaal hielden, en doodden de voornaamsten onder hen. Pelopidas wierp de deuren der gevangenissen open, om hen te bevrijden, die trouw aan Thebe waren geweest. Nu begonnen de lichten te schijnen aan de vensters der huizen; de straten waren vol menschen; er was overal verwarring en geschreeuw, want niemand wist nauwkeurig, wat er was geschied. Toen de morgen was aangebroken, riepen de trouw gebleven Thebanen het volk samen. Toen stonden Pelopidas en de overige ballingen, zijn vriend Epaminondas en de priesters der tempels voor de vergadering. “Staat op,” riepen de priesters, “voor de goden van uw vaderland.” De geheele vergadering sprong als één man op en schreeuwde van vreugde. Zij marcheerden recht op de citadel aan. De Spartanen, die de citadel bezetten, gaven zich onmiddellijk over. De ééne plaats na de andere volgde het voorbeeld van Thebe. De Spartanen straften wel de stedehouders, die zich overgaven, maar zonder resultaat.

Toen begon Athene te droomen van een herstel van haar vroegere grootheid. Zij stichtte een nieuw bondgenootschap van staten, dat veel beter was dan de Bond van Delos; immers de staten zouden onderling in rang gelijk zijn en het bijeengebrachte geld zou dienen ten nutte van allen. Dit was een zóó eerlijk bondgenootschap, dat het een onbeperkten tijd zou hebben kunnen voortduren, ware niet weer de ééne staat afgunstig op den anderen. Het waren nu de Atheners, die besloten met Sparta vrede te sluiten.

Sparta hield nog steeds vol, dat zij de Boeotische stedenbevrijdde, maar op zekeren dag was het Spartaansche leger ten hoogste verbaasd, toen het een Thebaansch leger zag uittrekken, om tegen hen slag te leveren. De Spartanen schaarden hun manschappen op de gewone wijze, die zij reeds gedurende verschillende geslachten hadden toegepast, en trokken den vijand te gemoet in een lang gelid, twaalf rijen diep. Epaminondas, die de Thebanen aanvoerde, redeneerde aldus: “De beste soldaten zullen rondom den koning geschaard zijn, en indien wij deze kunnen verslaan, zal het overige een gemakkelijke zaak zijn.”Daarom maakte hij de gelederen tegenover den koning vijftig rijen diep. Het kon niet verwacht worden, dat een gelid van twaalf man diep, een aanval van een gelid van vijftig man zou kunnen weerstaan, en hoewel het leger van Sparta veel talrijker was, leed het de ernstigste nederlaag, die in de geschiedenis van Sparta bekend was, daar het door een veel kleinere troepenmacht in een eerlijken strijd werd verslagen. Dit was de beroemde slag bij Leuctra, in het jaar 371 vóór Christus.

Plan van den slag bij Leuctra.Plan van den slag bij Leuctra.(De Spartaansche koning stond op den rechtervleugel van de Spartaansche slagorde).

Plan van den slag bij Leuctra.

(De Spartaansche koning stond op den rechtervleugel van de Spartaansche slagorde).

Griekse vrouwen.Griekse vrouwen.(Naar een groep in het Louvre).

Griekse vrouwen.

(Naar een groep in het Louvre).

Toen het bericht Sparta bereikte, dat haar leger door een veel kleiner aantal was verslagen, begrepen de ephoren zeer goed, dat nu de Grieken de Spartanen nooit meer zouden vreezen; zij hadden de hegemonie van hun land verloren. Als de Spartanen Atheners geweest waren, zouden zij geweend en geweeklaagd hebben, maar daar zij Spartanen waren, droegen zij hun lot op de oude echt Spartaansche wijze. “Laat de spelen voortgang hebben,”bevalen de ephoren; zij waren namelijk midden in een feest. Al de gebruikelijke ceremoniënwerden in acht genomen, en de ephoren zelf bleven daarbij tegenwoordig, totdat de laatste wedstrijd en de laatste dans geëindigd waren. Het was bij de Spartanen het gebruik, dat iedere soldaat, die uit een slag gevlucht was, op alle mogelijke wijze te schande werd gemaakt. Hij werd genoodzaakt de helft van zijn baard af te scheren en de andere helft niet te knippen. Hij moest havelooze kleeren dragen, bedekt met verschillende gekleurde lappen. Hij mocht nooit eenig staatsambt bekleeden; en een Spartaansch meisje, dat met hem huwde, maakte zich onmogelijk Er waren zóóvelen uit den slag gevlucht, dat de Spartanen die gewoonte niet durfden handhaven; maar de bloedverwanten van hen, die gestorven waren, liepen over de straat met een trotsche houding, en traden de tempels binnen om dank te zeggen aan de goden voor den moed, door hun vrienden betoond. De bloedverwanten van hen, die waren gevlucht, hadden een treurige gelaatsuitdrukking, en liepen met gebogen hoofd of sloten zich zelfs samen op, zooals in Sparta in tijden van de diepste smart gebruikelijk was. Zoo droeg Sparta de nederlaag, die haar droom, de heerscheres van Griekenland te worden, verstoord had.

Munten uit Thessalonica.Munten uit Thessalonica.

Munten uit Thessalonica.


Back to IndexNext