Melancholie van den student Anselmus. De smaragden spiegel. Hoe archivaris Lindhorst als roofgier heenvloog en de student Anselmus niemand tegenkwam.
M (Mag)agik niet eens ronduit uzelf, goedgunstige lezer, afvragen of gij in uw leven geen uren, ja dagen en weken, kendet, waarin al uw gewone handelen en streven een sterk kwellend misnoegen in u opwekte en waarin alles, wat gij anders gewichtig achtte en waard in zin en denken te dragen, u kinderachtig en armzalig voorkwam? Gij wist dan zelf niet, wat gij doen en waarheen gij u keeren zoudt; het duister gevoel, dat er ergens en te eeniger tijd een hoogen, den kring van alle aardsch genot te buitengaanden wensch zou moeten vervuld worden, dien zelfs de geest als een ingetoomd, schuw kind niet durfde uit te spreken, hief uw borst op en in dit uitzien naar het onbekende, dat u overal, waar gij stondt of gingt als een ijle droom met doorschijnende, bij scherper toezien vernevelende gestalten, omzweefde, werdt gij gesloten voor alles, wat er om u was. Gij sloopt rond met droeven blik als een die hopeloos bemint en alles, wat gij de menschen op zoo velerlei wijze in bonte dooreenwoeling zaagt verrichten, wekte bij u geen smart en geen vreugde, als behoordet gij deze wereld niet meer toe. Is het u, goedgunstige lezer, ooit zoo te moede geweest, dan kent gij uit eigen ervaring den toestand, waarin zich de student Anselmus bevond. Met dit al wenschte ik, dat het mij reeds gelukt ware u, genegen lezer, den student Anselmus goed levendig voor oogen te stellen. Want waarlijk, mij rest in de nachtwaken, die ik benut om zijn meer danzonderlinge geschiedenis op te schrijven, nog zooveel wonderlijks te verhalen, — dat als een opdoemende verschijning het alledaagsche leven van heel gewone menschen in bovenzinnelijke sferen hief —, dat ik bevreesd ben, u ten slotte nòch aan den student Anselmus, nòch aan den archivaris Lindhorst meer te zien gelooven, ja u zelfs eenigen ongerechtvaardigden twijfel te zien koesteren aan den conrector Paulmann en den griffier Heerbrand, terwijl toch zeker de laatstgenoemde achtbare mannen nu nog in Dresden rondwandelen. Beproeft eens, genegen lezer, in dat tooversprokige rijk, vol van prachtige wonderen, die de opperste vervoering zoowel als de diepste ontzetting met zware slagen in ’t leven roepen, waarin zelfs de ernstige godin haar sluier oplicht, zoodat wij haar aangezicht wanen te aanschouwen — ofschoon vaak een glimlach uit den ernstigen blik komt schemeren, die de plaaggrage scherts is, welke door allerlei verstrikkende tooverij met ons speelt, zooals een moeder vaak met haar liefste kinderen te stoeien weet — ja, beproeft eens, genegen lezer, in dit rijk, dat de geest ons zoo dikwerf, tenminste in droom, ontsluit, de bekende gestalten, gelijk die dagelijks, zooals men pleegt te zeggen: in het leven van elken dag rond, u heen gaan, weder te vinden. —
Dan zult gij gaan gelooven, dat dit heerlijke rijk veel dichterbij ligt, dan gij anders meendet, iets, wat ik nu juist zoo gaarne zien zou en u ook door de buitengewone historie van den student Anselmus poog te kennen te geven.
Dus, als gezegd, de student Anselmus geraakte sedert den bewusten avond, waarop hij den archivaris Lindhorst had gesproken, in een dof-droomerigen toestand, die hem voor iedere uiterlijke aanraking van het dagelijksch gewoonte-leven ongevoelig maakte. Hij werd gewaar, hoe zich iets onbegrepens in zijn innerlijk bewoog, dat in hem de verrukkingsvolle smart veroorzaakte, die het smachten is, hetwelk den mensch een ander, hooger zijn belooft. Het liefst wilde hij maar door weiden en wouden dwalen, om als vrijgemaakt van alles wat hem bond aan zijn kommerlijk bestaan, slechts door de aanschouwing der wisselende beeldendie uit zijn wezensinnerlijk opkwamen, zichzelf als ware het te hervinden. Zoo schikte het zich, dat hij eenmaal op den terugweg van een verre wandeling, aan dien merkwaardigen vlierboom voorbijging, waaronder hij toenmaals, als in betoovering verstrikt, zooveel wonderlijks aanschouwde; machtig voelde hij zich door het groene, vertrouwd-bekende grasplekje aangetrokken, maar nauwelijks was hij daar nedergezeten, of alles wat hij toen als in bovenaardsche verrukking gezien had en dat als door een vreemde macht uit zijn ziel verdrongen was, zweefde hem weder in de zonnigste kleuren voor het oog, als zag hij het voor de tweede maal. Ja, nog duidelijker als toen werd het hem, dat de lieflijke blauwe oogen der goudgroene slang toebehoorden, die door het midden van den vlierboom zich omhoog wond, en dat in de windingen van dat slanke lijf al de heerlijke kristalklok-tonen moesten opschitteren, die hem van zaligmakende verrukking vervulden. Evenals op Hemelvaartsdag, omvatte hij den vlierboom en riep in de bladeren en twijgen: „O, slinger en strengel en wind u maar eenmaal nog door de twijgen, opdat ik u zien moge. — En zie mij nog eenmaal aan met uw bezaligende oogen. Want ik min u en zal in smart en rouw ondergaan, als gij niet wederkeert.” Maar alles bleef stom en onbewogen en als te voren ruischte de vlierboom onverstaanbaar met zijn bladeren en twijgen. Maar den student Anselmus was het, als begreep hij nu wat zich in zijn wezens-innerlijk zoo bewoog en weerde, dat het zijn borst met de pijn van eindeloos verlangen doorsmartte. „Is het dan iets anders,” sprak hij, „als dat ik u zoo met mijn heele hart tot stervens toe liefheb, u heerlijke goudene kleine slang, ja zelfs niet leven kan zonder u en sterven zal in hopelooze ellende, wanneer ik u niet wederzie, u niet verkrijg tot geliefde des harten — maar ik weet, gij wordt de mijne en dan zal alles, wat lichte droomen uit andere, verhevener sferen mij beloofden, zijn vervuld.”
Nu begaf zich de student Anselmus iederen avond, als de zon nog slechts haar fonkelgoud in de toppen der boomen strooide, onder den vlierboom en riep met diepe stem opsmartelijken toon in de bladeren en twijgen om de lieflijke beminde, de goudgroene kleine slang. Toen hij dit weer eens naar zijn gewonen trant deed, stond er opeens een lange, schrale man in een wijden, lichtgrijzen mantel gehuld, voor hem en riep, terwijl hij hem met groote, gloeiende oogen toornig aanzag: „Hei daar, wat kermt en huilt er toch zoo? — Ha, ha, dat is Mijnheer Anselmus, die mijn manuscripten wil copieeren!” De student Anselmus ontstelde niet weinig van de ontzaglijke stem, want het was dezelfde, die op Hemelvaartsdag had geroepen: Heidaar, wat is dat voor een gemompel en gefluister etc. Van ontsteltenis en verbazing kon hij geen woord over de lippen brengen. — „Nu, wat scheelt u dan Mijnheer Anselmus,” ging archivaris Lindhorst voort (want geen ander was de man in den lichtgrijzen mantel) „wat wilt u van dien vlierboom en waarom is u niet bij mij gekomen, om met uw taak te beginnen?”
Inderdaad had de student Anselmus het nog niet over zich kunnen verkrijgen, den archivaris Lindhorst opnieuw in zijn woning te gaan opzoeken, ofschoon hij zich op dien bewusten avond heelemaal zoover had opgezweept; in dit moment echter, dat hij zijn schoone droombeelden, en nog wel door die zelfde vijandig-klinkende stem, die hem ook toen de geliefde ontroofd had, aan flarden voelde rijten, greep een soort wanhoop hem aan en heftiglijk uitte hij zich: „U kunt mij voor waanzinnig houden of niet, Mijnheer de archivaris, dat blijft mij hetzelfde, maar hier in dezen boom aanschouwde ik op Hemelvaartsdag de goudgroene slang — o, de eeuwige geliefde van mijn ziel en zij sprak mij toe in heerlijke kristallen tonen, doch gij, gij, Mijnheer de archivaris, schreeuwdet en riept zoo ontzettend van over het water.”
„Wat zeg je, waarde heer,” viel archivaris Lindhorst hem in de rede, terwijl hij vreemd glimlachend een snuifje nam. De student Anselmus voelde zijn borst ruimer worden, toen het hem ten minste gelukt was over dat wonderlijke avontuur te beginnen en het scheen hem volkomen in orde, dat hijden archivaris ronduit beschuldigd had, degene geweest te zijn, die zoo van uit de verte gebulderd had. Hij vatte al zijn moed samen, zeggende: „Nu, dan zal ik u alles vertellen, wat mij op den avond van Hemelvaartsdag voor noodlottigs overkomen is en dan kunt u zeggen en doen en geheel over mij denken, wat u wilt.”
Inderdaad vertelde hij nu heel de wonderlijke historie, van den ongeluksstap in den korf met appelen af tot het ontvlieden der drie goud-groene slangen over het water toe en ook hoe de menschen hem voor dronken of waanzinnig hielden. „Dit alles” eindigde de student Anselmus, „heb ik werkelijk gezien, en diep in mijn borst klinkt nog de lichte echo na der lieflijke stemmen, die tot mij spraken; geenszins was het een droom en wil ik niet sterven van liefde en verlangen, dan moet ik aan de goudgroene slangen denken, ofschoon ik aan uw glimlachen, waarde heer archivaris, wel zie, dat u juist deze slangen voor een kweeksel van mijn verhitte en te hoog gestookte verbeelding houdt.” „Niet in het minst,” hernam de archivaris met de grootste kalmte en gelatenheid, „de goudgroene slangen, die u, Mijnheer Anselmus, in den vlierstruik gezien hebt, waren namelijk mijn drie dochters en dat u door de blauwe oogen van de jongste, die Serpentina heet, in liefde ontstoken bent, blijkt nu wel voldoende. Ik wist het overigens reeds op Hemelvaartsdag en daar ik thuis, voor mijn werktafel gezeten, genoeg kreeg van het gelispel en getingel, riep ik de schalksche deernen toe, dat het tijd was om snel naar huis te gaan; want de zon ging reeds onder en zij hadden zich genoeg met zingen en het indrinken der stralen verlustigd.”
Den student Anselmus was het, als werd hem in klare woorden iets gezegd, wat hij reeds lang voorvoeld had en ofschoon hij tegelijk meende te bemerken, dat vlierstruik, muur en grasgrond èn alle voorwerpen rondom zachtjes begonnen te draaien, vermande hij zich toch en wilde iets zeggen, doch de archivaris liet hem niet aan het woord komen, maar stroopte snel den handschoen van zijn linkerhand af en terwijl hij den student den zonderling vonken- en vlammenschietendensteen van een ring voor oogen hield, sprak hij: „Zie eens hier, waarde Mijnheer Anselmus, opdat gij u verblijden moogt, over wat gij aanschouwt”. De student zag toe en wonderlijk! de steen wierp als uit een brandend middelpunt stralen rondom zich en die stralen versponnen zich tot een hel-lichten kristallen spiegel, waarin met velerlei windingen, nu eens voor elkander vliedend, dan weer zich ineenstrengelend, de kleine goudgroene slangen dansten en draaiden. En wanneer de slanke, duizendvonkig schitterende lijven elkander beroerden, weerklonken heerlijke accoorden als van kristallen klokjes en de middelste strekte als vervuld van smachtend verlangen het kopje ten spiegel uit, terwijl de blauwe oogen zeiden: „Gij kent mij dus — gij gelooft dus aan mij, Anselmus? — in het geloof slechts is de liefde — gij kunt dus beminnen?” — „O, Serpentina, Serpentina!” riep de student in uitzinnige vervoering, maar archivaris Lindhorst ademde haastig op den spiegel, toen voeren met electrisch geknetter de stralen in het brandpunt terug en aan zijn hand schitterde slechts weer een kleine smaragd, waarover de archivaris den handschoen schoof. „Hebt u de gouden slangetjes gezien, Mijnheer Anselmus?” vroeg archivaris Lindhorst. „God, ja,” antwoordde de student,„en de bekoorlijke liefste Serpentina.”„St,” ging archivaris Lindhorst voort, „voor vandaag is het genoeg en overigens kunt u, indien u er toe besluit bij mij te komen werken, mijn dochter vaak genoeg zien, of liever, ik zal u dit genoegen verschaffen, wanneer u arbeidt, zooals het betaamt, dat is: met de grootste nauwkeurigheid en vlekkeloos ieder teeken overbrengt. Maar u komt heelemaal niet naar mij toe, ofschoon griffier Heerbrand mij verzekerde, dat u eerstdaags verschijnen zoudt en ik daarom verscheidene dagen vergeefs wachtte.”
Zoodra archivaris Lindhorst den naam Heerbrand noemde werd het den student Anselmus weder te moede, als stond hij met beide voeten op den grond en als was hij werkelijk de student Anselmus en de voor hem staande persoon de archivaris Lindhorst. De onverschillige toon, waarop deze sprak, had in schrille tegenstelling met de wonderlijke verschijnselen,die hij als een baarlijke nekromant te voorschijn riep, iets huiveringwekkends, dat door den stekenden blik van de fonkel-oogen, die uit de beenige holten in het magere, doorgroefde gezicht als uit een zaadhuis straalden, nog verhoogd werd en machtig beving den student hetzelfde verontrustende gevoel, dat hem reeds in het koffiehuis overmand had, toen de archivaris zooveel avontuurlijkheden vertelde. Slechts moeizaam kwam hij tot zichzelf en toen de archivaris nog eens vroeg: „Nu, waarom is u dan niet bij mij gekomen?” vatte hij den moed, alles te verhalen wat hem aan de voordeur overkomen was. „Beste Mijnheer Anselmus,” zeide de archivaris, toen de student zijn verhaal beëindigd had, „beste Mijnheer Anselmus, ik ken die appelvrouw wel, waarover u het hadt; het is een ongeluksschepsel, dat allerlei streken tegen mij uithaalt, maar dat zij zich heeft laten bronzen om als deurklopper de mij aangename bezoeken te verjagen, dat is inderdaad ergerlijk en niet te verdragen. Als u maar, beste Mijnheer Anselmus, wanneer u morgen om twaalf uur naar mij toekomt en u merkt weer iets van dat aangrijnzen en dat geratel, haar een weinig van dit vocht op den neus zoudt willen druppelen, dan komt alles dadelijk in het reine. En nu, gegroet, beste Mijnheer Anselmus, ik ga wat sneller heen en wil daarom niet van u vergen, dat u met mij medegaat naar de stad. Gegroet, tot ziens, morgen om twaalf uur.”
De archivaris had den student Anselmus een klein fleschje met goudgeel vocht gegeven en schreed nu haastig heen, zoodat hij in de diepe schemering, die intusschen gezonken was, meer in het dal neder scheen te zweven, dan te gaan. Reeds was hij in de nabijheid van den Koselschen tuin, toen de wind onder zijn wijden mantel kwam en de einden uit elkaar dreef, zoodat zij als een paar groote vleugels in de ruimte fladderden en het den student Anselmus, die vol verwondering den archivaris nazag, toescheen, als breidde een groote vogel de vlerken uit tot een snelle vlucht. En toen de student daar zoo staarde in de schemering, verhief zich met krassend schreeuwen een grauw-witte gier hoogin de lucht en nu zag hij, hoe het witte gefladder, dat hij nog steeds voor den voortschrijdenden archivaris gehouden had, al die gier moest geweest zijn, ofschoon hij niet begrijpen kon, waar de archivaris dan opeens verdwenen was. „Hij kan ook wel in eigen persoon weggevlogen zijn, die archivaris Lindhorst,” zeide de student tot zichzelf, „want ik zie en voel nu wel, dat al de vreemde gedaanten uit de verre, wonderenrijke wereld, die ik anders slechts in zeer enkele merkwaardige droomen aanschouwde, in mijn bewogen waakbestaan zijn getreden en hun spel met mij drijven. Dit zij hoe het zij. Gij leeft en gloeit in mijn hart, lieflijke, liefste Serpentina en slechts gij kunt het eindelooze smachten koelen, dat mij verteert.
„Wanneer zal ik u in de bezaligende oogen zien — lieve, lieve Serpentina!” —— Aldus riep de student Anselmus hardop. — „Wat een verachtelijke, onchristelijke naam,” bromde een basstem naast hem, welke die van een huiswaarts-keerenden wandelaar was. De student Anselmus, er ter rechter tijd aan herinnerd, waar hij zich bevond, snelde haastig vandaar, terwijl hij dacht: „Zou het niet een echte rampspoed zijn, als ik nu conrector Paulmann of griffier Heerbrand eens tegenkwam? —”
Doch hij ontmoette geen van die beiden.
De vrouw van den hofraad Anselmus. Cicero de officiis. Meerkatten en ander gespuis. De oude Lize. Het aequinoctium.5
M („Met)etAnselmus is nu eenmaal niets ter wereld aan te vangen,”zeideconrectorPaulmann;„al mijn goede raadgevingen en vermaningen blijven zonder vrucht, hij wil zich nergens op toeleggen, ofschoon hij de beste schoolkennis bezit, die toch maar de basis van allesis.” Maargriffier Heerbrand antwoordde sluw en geheimzinnig glimlachend: „Laat u Anselmus maar volle vrijheid en tijd, beste Conrector! het is een curieus personage, maar er zit veel in hem en wanneer ik zeg véél, dan bedoel ik: een secretaris in buitengewonen dienst of wellicht wel een hofraad.” — „Hof” — begon de conrector met de grootste verbazing, maar het woord wilde hem niet over de lippen. — „Ja, ja,” ging griffier Heerbrand door, „ik weet, wat ik weet! — Al sedert twee dagen zit hij bij den archivaris Lindhorst te copieeren en de archivaris zeide gisteravond in het koffiehuis tegen mij: „U hebt mij een fikschen kerel aanbevolen, mijn waarde!” —uit die groeit wat en denk nu maar eens aan ’s archivaris’ relaties — ja — ja — over een jaar spreken wij elkaar nader!” — Met deze woorden ging de griffier met onafgebroken sluw glimlachen de deur uit en liet den van verbazing en nieuwsgierigheid verstomden conrector als aan zijn stoel vastgetooverd zitten. Maar op Veronica had het gesprek een heel bijzonderen indruk gemaakt. Heb ik het dan niet altijd geweten, dacht zij, dat mijnheer Anselmus een echt schrandere, beminnelijke jonge man is, die het nog tot iets groots zal brengen? Als iknu maar wist, of hij werkelijk van mij houdt? — Maar heeft hij mij dan niet, op dien avond toen wij over de Elbe voeren, tot tweemaal toe de hand gedrukt? heeft hij mij onder het duet niet aangezien met van die allervreemdste blikken, die tot in het hart dringen? O ja, hij houdt heusch van mij — en ik — Veronica liet zich overheeren, als jonge meisjes plegen te doen, door zoete droomen van een zonnige toekomst. De vrouw van den hofraad was zij en bewoonde een prachtig hotel in de Schlossgasse, of op de Neumarkt of in de Moritzstrasse — voortreffelijk stonden haar de moderne hoed en de nieuwe turksche shawl — in een elegante peignoir ontbeet zij in den erker, terwijl zij aan de keukenmeid de noodige bevelen voor dien dag gaf. „Maar wees voorzichtig dien schotel niet te verknoeien, want dat is het lievelingsgerecht van Mijnheer den hofraad.” — Voorbijgaande salonjonkers loenschen naar boven en zij kan duidelijk verstaan: „Het is toch een engel van een vrouw, die vrouw van den hofraad en wat staat haar dat kanten mutsje weer allerliefst.” — De vrouw van den geheimraad Ypsilon zendt haar bediende en laat vragen of de vrouw van den hofraad er behagen in zou hebben, vandaag mede naar het Linkesche Bad te rijden. — „Mijn complimenten, en dat het mij ten zeerste spijt, maar ik ben al op de thee genoodigd door de vrouw van den president Tz.” — Daar komt de hofraad Anselmus, die al vroeg voor zaken uitgegaan was, terug; naar de laatste mode is hij gekleed; „waarachtig al tien uur,” roept hij uit, terwijl hij zijn gouden horloge de uren laat repeteeren en de jonge vrouw kust. „Hoe maakt mijn lief vrouwtje het en weet zij al wat ik hier voor haar heb?” gaat hij licht schertsend voort en haalt een paar prachtige, naar de laatste mode gezette oorbellen uit zijn vestzak, die hij haar inplaats van de andere in de ooren hangt. „O, wat mooie, keurige oorbellen,” roept Veronica hardop, en springt, terwijl zij haar handwerkje neergooit, van haar stoel, om werkelijk in den spiegel de oorbellen te gaan bekijken. „Wat moet dat voorstellen,” zeide conrector Paulmann, die in Cicero de officiïs verdiept, het boek bijna liet vallen, „ook al van die aanvallen alsAnselmus.” Maar toen trad de student Anselmus, die zich tegen zijn gewoonte in verscheidene dagen niet had laten zien, de kamer binnen, zeer tot schrik en verbazing van Veronica, want inderdaad had zich zijn gedrag geheel veranderd. Met een zekere beslistheid, die hem anders volstrekt niet deelachtig was, sprak hij van gansch andere bedoelingen zijns levens, die hem waren geklaard, van verrukkende vooruitzichten, die zich hem hadden geopend, doch die menigeen volstrekt niet vermocht te zien. Conrector Paulmann werd, het geheimzinnig gepraat van den griffier Heerbrand indachtig, nog meer verward en kon nauwelijks een syllabe uiten, toen de student Anselmus, nadat hij zich eenige woorden over dringende bezigheid bij den archivaris Lindhorst had laten ontvallen en Veronica elegantelijk de hand had gekust, reeds de trap af en verdwenen was.
„Dat was de hofraad al,” murmelde Veronica, „en hij kuste mij de hand, zonder daarbij uit te glijden of op mijn voet te trappen, als anders! — hij heeft mij een echt teederen blik geschonken — hij houdt dus heusch van mij.” —
Opnieuw liet Veronica zich door die droomen overheeren, maar tegelijk was het of voortdurend een vijandig-gezinde gestalte trad door de bekoorlijke gezichten, die uit haar toekomstig leven als vrouw van den hofraad opkwamen, en die gestalte lachte schamper en sprak: „Dat alles is grove dwaasheid en leugen, want nooit wordt Anselmus hofraad en je man; hij houdt toch niet van je, al heb je blauwe oogen, een slanke leest en fijne handen.” —
Toen stortte een ijzigen stroom zich door Veronica’s wezen en rauwe schrik brak het welbehagen, waarin zij zichzelf nog eerst met het kanten mutsje en de elegante oorbellen gezien had. — Bijna sprongen tranen haar uit de oogen en hardop zeide zij: „Ach, zoo is het, hij bemint mij niet en nooit word ik de vrouw van een hofraad.”
„Die romantische kuren, o die romantische kuren,” riep conrector Paulmann, nam hoed en stok en snelde vertoornd heen! —
Dit ontbrak nu nog, zuchtte Veronica en ergerde zich zeerover haar twaalfjarig zusje, dat zonder deelneming aan haar borduurraam gezeten, voortgeborduurd had. Intusschen was het bijna drie uur geworden en juist tijd om de kamer wat te redderen en de koffietafel klaar te maken; want de jongejuffrouwen Oster hadden zich bij heur vriendin laten weten. Maar van achter ieder kastje, dat Veronica verschoof, van achter de muziekboeken, die zij van de piano nam, van achter ieder kopje, van achter de koffiekan, die zij uit het buffet haalde, sprong die verschijning als een kwel-kaboutertje op en lachte schamper en knipte met de kleine nijdvingers en krijschte: hij wordt toch je man niet, hij wordt toch je man niet. En toen, terwijl zij alles liet staan en liggen en in het midden van de kamer vluchtte, keek die langgeneusd en reuzegroot van achter de kachel en gromde en bromde: hij wordt toch je man niet. „Hoor je dan niets, zie je dan niets, zusje,” riep Veronica, die van vrees en beven niets meer kon aanraken. Fransje rees, ernstig en kalm, van haar borduurraam op en zeide: „Wat scheelt er vandaag toch aan, zuster? Alles werpt gij door elkaar, dat het ervan rammelt en kleppert; ik zal maar eens hèlpen.”
Maar toen kwamen reeds de blijgezinde meisjes gul lachend binnen en in dat zelfde oogenblik bemerkte Veronica nu ook, dat zij het sierstuk op de kachel voor een gestalte en het knarsen van het slecht-gesloten kacheldeurtje voor de boosaardige woorden gehouden had. Door innerlijken schrik echter heftig beroerd, kon zij zich niet zoo snel hervatten, dat haar vriendinnen niet de buitengewone spanning, die zelfs haar bleekheid, haar verward gelaat verried, bemerken moesten. Toen zij, al het vroolijks, dat zij juist wilden vertellen, latende varen, der vriendin met aandrang afvroegen, wat haar om ’s Hemels wil overkomen was, kon Veronica slechts bekennen, dat zij zich op uiterst-ongewone gedachten had laten gaan en opeens in ’t helder daglicht door een vreemde spokenvrees, haar anders niet eigen, was overmand. Daarna vertelde zij zoo kleurig hoe vanuit alle hoeken der kamer een grijs manneke haar geplaagd en bespot had, dat de jongejuffrouwen Oster schuchter naar alle zijden omzagenen dra onrustig en rillerig werden. Toen kwam Fransje met de kokende koffie binnen en alle drie, tot bezinning komend, lachten om eigen zotheid. Angelica, zoo heette de oudste, was met een officier verloofd, die met het leger was uitgetrokken en van wien zoo lang tijding uitbleef, dat men nauwelijks aan zijn dood of ten minste aan een zware verwonding, mocht twijfelen. Dit had Angelica tot diepe droefenis doen vervallen, maar vandaag was zij blij gestemd tot het uitgelatene toe, iets waarover Veronica zich niet weinig verbaasde en wat zij haar onomwonden zeide. „Beste kind,” zei Angelica, „gelooft ge dan niet dat ik mijn Victor aldoor in mijn hart, mijn zin en mijn gedachten heb? maar juist daarom ben ik zoo blijde — god — zoo gelukkig, zoo zalig tot in mijn diepste wezen! want mijn Victor is behouden en in weinig tijds zal ik hem weerzien als ritmeester, gesierd met de ordeteekenen, die zijn grenzelooze dapperheid hem hebben doen verwerven. Een zware, maar volstrekt niet gevaarlijke verwonding van den rechterarm en wel door den sabelhouw van een huzaar des vijands, belet hem te schrijven en de snelle wisseling van verblijfplaats maakt het hem, daar hij volstrekt zijn regiment niet verlaten wil, ook steeds nog onmogelijk mij tijding te zenden, maar hedenavond zal hij de uitdrukkelijke order ontvangen, zich eerst volkomen te laten genezen. Morgen reist hij af om hierheen te komen en juist als hij den wagen wil bestijgen, zal hij zijn benoeming tot ritmeester vernemen.” — „Maar, beste Angelica,” viel Veronica in de rede, „weet gij dit alles nu reeds?” — „Lach mij niet uit, beste vriendin,” ging Angelica voort, „maar dat zult gij niet doen, want kon niet tot straf dadelijk dat kleine manneke eens van achter den spiegel komen uitkijken? — Dit daargelaten, ik kan mij niet losmaken van het geloof aan zekere geheimzinnige dingen, omdat zij vaak genoeg zichtbaar en tastbaar, mag ik wel zeggen, in mijn leven zijn getreden. In hoofdzaak komt het mij dan ook volstrekt niet zoo wonderlijk en ongeloofelijk voor als aan menig ander, dat er menschen bestaan kunnen, wien een bepaalde zienersgave eigen is, welke zij door hun bekende, onfeilbare middelen werkzaamkunnen maken. Hier in deze plaats woont er een oude vrouw, die deze gave in zeer bijzondere mate bezit. Niet als anderen van haar slag, doet zij voorspellingen uit de kaart, gesmolten lood of koffiedik, maar na zekere voorbereidende maatregelen, waaraan ook de vragende persoon deelneemt, verschijnt in een glanzend-gepolijsten metalen spiegel een wonderlijke dooreenwarring van velerlei figuren en gestalten, welke de oude verklaart en waaruit zij het antwoord op de vraag te voorschijn brengt. Gisteravond was ik bij haar en ontving de bewuste tijding van mijn Victor, aan welker waarheid ik geen oogenblik twijfel.” —
Angelica’s verhaal bracht een vonk in Veronica’s innerlijk, waaraan zich snel de gedachte ontstak, de oude over Anselmus en over haar verwachtingen te ondervragen. Zij vernam nu dat de oude, vrouw Rauerin heette, in een afgelegen straat voor de Zeepoort woonde, in den regel slechts Dinsdags, Woensdags en Vrijdags van ’s avonds zeven uur af maar dan ook den geheelen nacht door tot zonsopgang toe te treffen was en gaarne zag, dat men alleen kwam. Juist was het Woensdag en Veronica besloot, onder voorgeven de Osters naar huis te begeleiden, de oude te gaan bezoeken, wat zij dan ook inderdaad ten uitvoer bracht. Nauwelijks had zij namelijk van de vriendinnen, die in de nieuwe stad woonden, afscheid genomen of zij snelde met gevleugelden tred naar de Zeepoort en bevond zich in de beschrevene, afgelegene, nauwe straat, aan welker einde zij het kleine roode huisje bemerkte, waarin vrouw Rauerin wonen moest. Zij kon een zeker onbehagelijk gevoel en zelfs een innerlijke siddering niet tegengaan, toen zij voor de huisdeur stond. Ten laatste vatte zij haar moed te zamen, ondanks innerlijk wederstreven en trok aan de schel, waarop de deur zich opende en zij door de donkere gang naar de trap tastte, die ter bovenverdieping voerde, zooals Angelica beschreven had. „Woont hier niet vrouw Rauerin?” riep zij in het leege voorhuis, toen zich niemand vertoonde; in stede van antwoord weerklonk een langaangehouden, scherp miauwen en een groote, zwarte kater schreed haar met hooggekromden rug, den staart in golvendekronkeling heen-en-weer zwaaiend, gewichtig voor tot aan de kamerdeur, die zich op een tweede miauwen opende. „Zoo, zoo, kindlief, al hier? Kom binnen — kom binnen!” Dit riep de naar buiten komende figuur, wier aanblik Veronica aan den grond vastklonk. Het was een lang, ontvleescht, in zwarte lompen gehuld wijf! — Terwijl zij sprak schudde de vooruitstekende, spitse kin heen en weer, vertrok zich de tandelooze mond, door den beenigen haviksneus overschaduwd, tot een grijnslachje en helle kattenoogen flakkerden vonkspattend achter den grooten bril. Van onder den bonten om het hoofd gewikkelden doek sprietten ruige, zwarte haren, maar het reeds afkeerwekkend gelaat werd afzichtelijk gemaakt door twee groote brandvlekken, die van de linkerwang af tot over den neus heen liepen. — Veronica’s adem stokte en de kreet, waardoor zij haar beklemde borst verruimen wilde, verwerd tot een diepen zucht toen de beenderenhand der heks haar aangreep en het vertrek binnentrok. Daar leefde en bewoog alles, er heerschte een verbijsterend krijschen, miauwen, krassen en piepen. Toen sloeg de oude met de vuist op tafel en schreeuwde: „Stil zijn, gespuis!” En de meerkatten6klauterden jenkend naar boven langs het hooge, ouderwetsche ledikant en de zeevarkentjes7kropen onder de kachel, terwijl de raaf bovenop den ronden spiegel fladderde; slechts de zwarte kater, als ging hem het snauwen niet aan, bleef rustig op den grooten kussenstoel zitten, waarop hij dadelijk na zijn binnenkomst gesprongen was.
Zoodra het rustiger werd, kreeg Veronica meer moed; zij gevoelde zich niet meer zoo onbehagelijk, als buiten in het voorhuis, ja zelfs het wijf scheen haar niet meer zoo mismaakt toe. Nu eerst zag zij in het vertrek rond. Allerlei leelijke, opgezette dieren hingen van de zoldering neer, onbekende, vreemdsoortige werktuigen lagen op den grond dooreen en in den haard brandde een blauw onbeteekenend vuur, dat nu en dan in gele vonking opknetterde; maar toen ruischte er iets van boven neer en verfoeilijke vleermuizen alsmet vertrokken lachende menschengezichten zwierden heen en weer, terwijl van tijd tot tijd de vlam langs den berookten muur oplekte, waarna schrille, snijdende klaagtonen weerklonken, zoodat Veronica van vrees en huivering bevangen werd.
„Vergun mij, juffertje,” zeide de oude meesmuilend, nam een grooten kwast en besprenkelde, nadat zij dien in een koperen ketel gedoopt had, den schoorsteen. Toen doofde het vuur en of het met zwaren rook gevuld werd, was het strak duister in het vertrek; doch spoedig trad de oude, die een kamertje binnengegaan was, weder binnen met een ontstoken kaars en Veronica werd niets meer gewaar van de dieren of de werktuigen; zij zag een gewoon, armoedig ingericht verblijf. De oude trad nader tot haar en zeide met ratelstem: „Ik weet wel, wat ge van mij wilt, kindlief; duizend tegen een dat gij zoudt willen weten, of gij met Anselmus zult trouwen, wanneer hij hofraad zal zijn.” —
Veronica verstijfde van verbazing en schrik, maar de oude ging voort: „Gij hebt mij alles reeds gezegd bij uw vader thuis, toen de koffiekan voor u stond, wantikwas die koffiekan, kendet gij mij dan niet? Luister, kindlief! Laat af, laat af van dien Anselmus, want dat is een laagstaand mensch, hij heeft mijn kindertjes in ’t gezicht geschopt, mijn lieve zoontjes, de appeltjes met de roode wangen, die, als de menschen ze gekocht hebben, steeds weer uit hun zakken in mijn korf terugrollen. Hij heeft zich met den ouden verstaan, eergisteren heeft hij mij dat vervloekte operment in ’t gezicht gedruppeld, zoodat ik er bijna blind van geworden ben, gij kunt de brandvlekken er nog van zien, lief kind! Laat af van hem, laat af. — Hij heeft u niet lief, want hij bemint de goudgroene slang, nooit zal hij hofraad worden, omdat hij zich onder de salamanders begeven wil en de groene slang huwen, laat af van hem, laat af.”
Veronica, die feitelijk een besliste, standvastige natuur bezat en haar meisjesachtige ontsteltenis spoedig meester wist te worden, trad een schrede terug en sprak met ernstigen nadruk: „Oude, ik heb gehoord van uwe gave, om in de toekomstte zien en wilde daarom, misschien te nieuwsgierig en voorbarig, van u weten of Anselmus, dien ik liefheb en hoogacht, wel ooit de mijne zal worden. Wanneer gij mij echter, inplaats van mijn wensch te vervullen, met uw dwaas zinneloos geklap sarren wilt, handelt gij verkeerd, want ik verlangde slechts, wat gij anderen, naar ik weet, verleendet. En aangezien gij, naar het schijnt, mijn teerste gedachten kent, zou het u wellicht niet zwaar gevallen zijn, mij velerlei te openbaren, dat mij nu kwelt en beangstigt, maar na uw zotte lasteringen omtrent den besten Anselmus, wil ik van u niets meer hooren. Goeden nacht!” —
Veronica wilde haastig heengaan, toen viel de oude weenend en jammerend op de knieën en riep uit, terwijl zij het meisje bij haar kleed vasthield: „Kleine Veronica! Kent gij dan de oude Lize niet meer, die u zoo vaak op haar armen gedragen, gekoesterd en vertroeteld heeft?” Nauwelijks vertrouwde Veronica hare oogen; want zij herkende hare, weliswaar door hoogen ouderdom en in ’t bijzonder door de brandvlekken misvormde voormalige voedster, die voor vele jaren uit het huis van conrector Paulmann verdwenen was. De oude zag er nu ook geheel anders uit; inplaats van den leelijken, bontgevlekten doek droeg zij een zedige muts en voor de zwarte lompen had zij een grofgebloemd jakje aan, zooals zij vroeger ook wel gekleed was geweest. Zij stond van den vloer op en ging, terwijl zij Veronica in de armen nam, voort: „Al schijnt hetgeen ik verteld heb, u ook onzinnig toe, helaas is het alles waar. Anselmus heeft mij zeer geschaad, maar tegen zijn wil; hij is in handen van den archivaris Lindhorst gevallen en die wil hem aan zijn dochter uithuwelijken. De archivaris is mijn grootste vijand en velerlei zaken kon ik u van hem verhalen, die gij echter niet verstaan zoudt, maar u toch zeer zouden doen ontstellen. Hij is de man, die weet, maar ik ben de vrouw, die weet. —
„— Ik zie nu wel, dat gij Anselmus zeer liefhebt en ik wil u met alle macht ter zijde staan, opdat gij gelukkig wordt en keurig tot den trouwdag komt, zooals gij dat verlangt.” „Maar zeg mij in Godsnaam, Lize” — onderbrak Veronica. —„Stil kind, stil!” viel haar de oude in de rede, „ik weet, wat gij zeggen wilt; dat wat ik werd, ben ik geworden, omdat ik moest, ik kon niet anders. Dus! — ik ken het middel, dat Anselmus van de dwaze liefde voor de groene slang geneest en hem u als den beminnelijksten hofraad in de armen voert; maar gij moet mij helpen.” „Zeg het maar ronduit, Lize, ik ben tot alles bereid, want ik houd zooveel van Anselmus,” lispte Veronica nauw hoorbaar.
„Ik ken je,” voer de oude voort, „als een stoutmoedig kind, vergeefs trachtte ik je met den wafwaf in slaap te brengen, want dan juist deed je de oogen open om den wafwaf te zien; zonder licht ging je in de achterste kamer en vaak liet je de kinderen van de buren schrikken in je vaders kapmantel. Dus! — wanneer het je ernst is, door mijn kunst den archivaris Lindhorst en de groene slang te overwinnen, wanneer het je ernst is, Anselmus als hofraad je man te noemen, verlaat dan bij de eerstkomendedag-en-nachteveningin stilte des avonds om elf uur je vaders huis om naar mij toe te komen; ik zal dan met je naar den kruisweg gaan, die niet ver van hier het veld doorsnijdt, wij bereiden het noodige en je laat je door al het wonderlijke, dat je wellicht zien zult, maar niet verontrusten. En nu, kindlief, goeden nacht, papa wacht al met de soep.”
Veronica snelde heen en in haar was het vaste besluit den avond van het aequinoctium niet te laten voorbijgaan, want, dacht zij, Lize heeft gelijk, Anselmus is verstrikt in vreemdsoortige banden, maar daaruit verlos ik hem en noem hem de mijne voor altijd en eeuwig; de mijne is en blijft hij, hofraad Anselmus.
De tuin van den archivaris Lindhorst benevens eenige spotvogels. — De gouden vaas. — Engelsch schuinschrift. — Smadelijke hanepooten. — Koning der geesten.
H („Het)etkan ook wel zijn,” zeide de student Anselmus tot zichzelf, „dat de extra-fijne en sterke maagbitter, waarvan ik bij Monsieur Conradi een wel wat overvloedig gebruik heb gemaakt, de dwaze spookbeelden heeft voortgebracht, die mij bij de voordeur van den archivaris Lindhorst angst aanjoegen. Daarom blijf ik vandaag volkomen nuchter en zal dan wel al het verdere onheil, dat mij mocht overkomen, het hoofd kunnen bieden.”
Evenals destijds, toen hij zich tot het eerste bezoek aan den archivaris opmaakte, stak hij zijn penteekeningen en calligrafische kunststukken, zijn staven Oost-indischen inkt en zijn goedgescherpte ganzepennen bij zich en reeds wilde hij de deur uitgaan, toen zijn blik viel op het fleschje met geel vocht, dat hij van den archivaris Lindhorst gekregen had. Toen stonden hem weder al de vreemde gebeurtenissen, die hij doorleefd had, in brand van kleuren voor den geest en een onuitzegbaar gevoel van zaligheid en smart doorsneed zijn borst.
Onwillekeurig riep hij op deerniswekkenden toon:
„Maar ga ik dan niet naar den archivaris alleen om u te zien, aanvallige lieflijke Serpentina?” — In dat oogenblik scheen het hem toe, alsof de liefde van Serpentina de belooning was voor een zwaar gevaarvol werk, dat hij moest aanvatten, een werk, dat niets anders was, dan het copieeren van Lindhorst’s manuscripten. — Dat hem bij het betredenvan het huis of zelfs daarvoor nog, wel allerlei vreemds zou overkomen, evenals laatst, daarvan was hij overtuigd. Hij dacht niet meer aan Conradi’s maagbitter, maar stak snel het vocht in zijn vestzak, om geheel volgens het voorschrift van den archivaris te handelen, wanneer het gebronsde appelwijf zich mocht verstouten, hem toe te grijnzen. En spitste zich waarachtig niet dadelijk de puntige neus, fonkelden niet de kattenoogen hem uit den deurklopper tegen, toen hij dezen met klokslag twaalf wilde grijpen? Doch hij sproeide, zonder zich verder te bedenken, het vocht midden in het ongeluksgezicht, waarop het oogenblikkelijk inzonk en omgepolijst werd tot een blinkenden, kogelronden keurklopper. — De deur ging open en liefelijk luidden kleine klokken door het heele huis. Klingeling — jongeling — snel — snel — spring — spring — klingeling. — Wakker steeg hij de prachtige breede trap op en vermeide zich in den geur van het vreemde reukwerk, die het huis doorstroomde. Onzeker bleef hij in het voorhuis staan, want hij wist niet, aan welke van de vele prachtige deuren hij kloppen moest, tot archivaris Lindhorst in een wijd damasten morgengewaad te voorschijn trad en uitriep: „Kom, dat doet mij genoegen, Mijnheer Anselmus, dat u eindelijk woord houdt, volg mij maar, want ik wil u nu maar dadelijk in het werkvertrek brengen.” Toen schreed hij snel het lange voorhuis door en opende een kleine zijdeur, die in een gang voerde. Anselmus stapte moedig achter den archivaris aan; van uit de gang kwamen zij in een zaal of eigenlijk in een prachtige plantenkas, want aan weerszijden tot aan het dak verhieven zich allerlei zeldzame, wonderlijke bloemen en zelfs groote boomen met vreemdaardig gevormde bladeren en bloesems. Rondom ontspreidde zich een verblindend wonderlicht, zonder dat men zien kon vanwaar het kwam, want er viel géén venster te ontdekken. En toen de student Anselmus tusschen struiken en boomen inkeek, schenen lange doorgangen zich tot in verre verte te verlengen. — In het diepe duister van cypressenstruiken schemerden marmerbekkens, waaruit zich vreemde gestalten verhieven, stralen van kristalopspuitend, die klaterend nedervielen in glanzende leliekelken; ongewone stemmen fluisterden en suisden in het woud der wonderlijke gewassen en heerlijke geuren stroomden af en aan. Verdwenen was de archivaris en Anselmus zag slechts een forschen struik gloeiende vuurlelies voor zich. Door dit gezicht en door de zoete geuren van den toovertuin bedwelmd, bleef Anselmus aan de plaats gebonden staan. Toen begon alom een zacht gegrinnik en gelach en fijne stemmetjes plaagden en spotten: Ha, Mijnheer de student, Mijnheer de student! Waar komt u toch vandaan? Waarom heeft u zich zoo mooi gemaakt, mijnheer Anselmus? Wilt u er met ons wat over babbelen, hoe grootmoeder met haar achterste het ei stuk drukte en de jonker een kwak op zijn Zondagsche vestje kreeg? Kent u de nieuwe aria al van buiten, die u van papa Starmatz geleerd hebt, mijnheer Anselmus? — Wat ziet u er potsierlijk uit met uw glazen pruik en uw bordpapieren kaplaarzen.
Zoo werd geroepen, gegrinnikt en gespot van uit alle hoeken — zelfs van vlak naast den student, die nu eerst zag, hoe allerlei bontgekleurde vogels hem omfladderden en hem op die wijze volop lachend te schande maakten.
In dit oogenblik schreed de vuurleliestruik naar hem toe en hij zag, dat het archivaris Lindhorst was, wiens gebloemd, schitterend geel-en-rood morgenkleed hem misleid had. „Verontschuldig mij, waarde heer Anselmus,” zeide de archivaris, „dat ik u liet staan, maar ik moest in ’t voorbijgaan even naar mijn mooien cactus zien, die vannacht zijn bloesems zal ontsluiten — en hoe bevalt u nu mijn kleinen binnentuin?”
„Goede Hemel, wat is het hier buitengewoon mooi, geachte heer archivaris,” antwoordde de student, „maar die bontgekleurde vogels maken zich wel wat al te vroolijk over mijn persoontje.” „Wat beteekent dat gekwebbel?” riep de archivaris vertoornd in de struiken. Toen kwam er een groote grijze papegaai uitfladderen en terwijl hij zich naast den archivaris op een myrthentak zette, waarbij hij hem zonderling ernstig en gewichtigdoend aanstaarde door een bril,die op den krommen snavel zat, rettelde hij: „Neem het mij niet kwalijk, mijnheer de archivaris, maar mijn baldadige knapen zijn weer zoo uitgelaten, doch mijnheer de student heeft daar zelf schuld aan, want” — „Sst, sst!” viel de archivaris den oude in de rede, „ik ken de snaken, maar gij moest ze beter in toom houden, mijn vriend! — laat ons verder gaan, Mijnheer Anselmus!” De archivaris doorschreed nog menig op vreemde wijze ingericht vertrek, zoodat de student hem nauwelijks volgen en een blik werpen kon op al de glimmende, vreemdvormige meubelstukken en andere onbekende dingen, waarvan alles overvol was.
Ten laatste betraden zij een groot vertrek, waar de archivaris met omhoog-gewenden blik staan bleef en Anselmus gelegenheid vond zich in den verrukkenden aanblik, dien de sobere versiering dezer zaal bood, te vermeien. Uit de azuurblauwe wanden traden de goudbronzen stammen van hooge palmen, die hunne immense, als vonkelende smaragden glinsterende bladeren in de hoogte tot een zoldering welfden; in het midden der kamer rustte op drie uit donker brons gegoten Egyptische leeuwen een porphyren plaat, waarop een eenvoudige gouden vaas stond, waarvan, eenmaal gezien, Anselmus de oogen niet meer kon afkeeren. Het was als speelden met duizenden weerschijnschemeringen allerlei gestalten op het glanzend gepolijste goud — menigmaal zag hij zichzelf met smachtend-open armen — o, naast den vlierstruik — en Serpentina wond zich omhoog en omlaag hem aanziend met haar bezaligende oogen. Anselmus vergat zich in waanzin van vervoering. „Serpentina, Serpentina,” riep hij luide, tot archivaris Lindhorst zich snel omwendde en sprak: „Wat bedoelt u, waarde heer Anselmus? — Ik geloof, dat het u behaagde mijn dochter te roepen, maar die bevindt zich aan de andere zijde van het huis in haar kamer en ontvangt juist klavier-onderricht, gaat u maar verder mee.” Anselmus volgde den weggaanden archivaris haast zonder bewustzijn, hij zag nòch hoorde iets meer, totdat de archivaris hem krachtig bij de hand vatte en sprak: „Nu zijn wij ter plaatse.” Anselmus ontwaakte als uit eendroom en bemerkte nu, dat hij zich in een hooge, rondom met boekenkasten bezette kamer bevond, die zich door niets van een gewone bibliotheek of studeerkamer onderscheidde. In het midden stond een groote werktafel met een bekleede leuningstoel ervoor. „Dit,”zeide archivaris Lindhorst, „zal voorloopig uw werkkamer zijn. Of u later nog in de andere blauwe bibliotheekzaal, waar u zoo opeens den naam van mijn dochter aanriep, zult werken, weet ik nog niet; — maar nu wilde ik mij wel eens van uw bekwaamheid, om den u toegedachten arbeid werkelijk naar mijn wensch en behoefte uit te voeren, overtuigen.” De student Anselmus hervond nu zijn moed geheel en haalde, niet zonder zelfvoldaanheid en in de overtuiging, den archivaris door zijn buitengewoon talent hoogelijk tot blijdschap te stemmen, zijne teekeningen en schrifturen uit den zak. De archivaris had nauwelijks het eerste blad, een oorkonde in de sierlijkste, Engelsche schrijfwijze, bezien of hij glimlachte allervreemdst en schudde het hoofd. Dit herhaalde zich bij ieder blad, zoodat den student Anselmus het bloed naar het hoofd steeg en hij, toen de glimlach eindelijk zuiver spotachtig en verachtelijk werd, vol wrevel uitbarstte: „Mijnheer de archivaris schijnt over mijn gering talent niet bijster tevreden.”
„Beste Mijnheer Anselmus,” zeide archivaris Lindhorst, „u bezit een voortreffelijken aanleg voor de kunst van het schoonschrijven, maar ik zie wel in, dat ik voorshands meer op uw vlijt, op uw goeden wil zal moeten rekenen, dan op uw bekwaamheid. Het kan ook wel aan het ondeugdelijk materiaal liggen, dat u gebruikte.”
Veel sprak de student Anselmus over zijn van andere zijde erkende vaardigheid in de kunst, over Oost-Indischen inkt en uitgezochte ganzepennen. Toen reikte archivaris Lindhorst hem het Engelsche blad toe en zeide: „Oordeel zelf!” — Anselmus stond als van den bliksem geraakt, toen hem zijn eigen handschrift zoo hoogst erbarmelijk voorkwam. Daar was geen ronding in de ophalen, geen neerhaal zuiver, geen goede verhouding tusschen groote en kleine letters, schoolknaapachtige, smadelijke hanepooten bedierven deanders behoorlijk rechte regels. „En bovendien,” voer archivaris Lindhorst voort, „is uw inkt ook niet duurzaam.” Hij doopte den vinger in een glas met water en door maar even op de letters te tippen was alles verdwenen. Het was den student Anselmus of een gedrocht hem de keel toesnoerde — hij kon geen woord uiten. Zoo bleef hij staan, met het ongeluksblad in de hand, maar de archivaris lachte luid-uit en zeide: „Laat u hierdoor niet verontrusten, waarde heer Anselmus; hetgeen gij tot nog toe niet kondt volbrengen, zal zich hier bij mij wellicht beter voegen; daarenboven vindt u beter materiaal, dan waarover u vroeger beschikte! — Begint u maar goedsmoeds!” — Archivaris Lindhorst haalde eerst een vloeibare, zwarte zelfstandigheid, die een hoogst eigenaardigen reuk verbreidde, vreemd gekleurde scherp-gesneden pennen en een blad van een buitengewone blankheid en gladheid, daarna een Arabisch manuscript uit een gesloten kast en zoodra Anselmus zich aan den arbeid gezet had, verliet hij de kamer. De student had reeds verscheidene malen Arabisch schrift gecopieerd, zoodat de eerste taak hem niet zwaar toescheen.
„Hoe die hanepooten in mijn mooi Engelsch schuinschrift gekomen zijn, mogen God en archivaris Lindhorst weten,” sprak hij, „maar dat zij niet van mijn hand zijn, daar geef ik mijn leven op.” — Met ieder woord, dat nu welgeslaagd op het perkament kwam, wies zijn moed en daarbij zijn vaardigheid. Het was ook waarlijk een genot om met die pennen te schrijven en de geheimzinnige inkt vloeide ravenzwart en gewillig uit over het blinkend-witte perkament. Terwijl hij zoo volhardend en met strak-gespannen aandacht voortwerkte, werd het hem immer beter te moede in de eenzame kamer en hij was reeds volkomen met de onderneming, die hij tot een goed einde hoopte te brengen, vertrouwd geraakt, toen met klokslag van drieën de archivaris hem in de aangrenzende kamer tot het welbereide middagmaal riep. Aan tafel was de archivaris in een bijzonder opgewekte stemming; hij vroeg belangstellend naar de vrienden van den student Anselmus, conrector Paulmannen den griffier Heerbrand, en wist voornamelijk van den laatste veel vermakelijks te vertellen. De goede oude Rijnwijn smaakte Anselmus uitnemend en maakte hem spraakzamer, dan hij anders gewoon was te zijn. Met het slaan van vieren stond hij op, om aan zijn werk te gaan en die nauwgezetheid scheen archivaris Lindhorst wel te bevallen. Was hem voor het maal het copieeren der Arabische teekens reeds gelukt, nu ging hem het werk nog zooveel beter van de hand, zelfs kon hij zich de vlugheid en het gemak niet meer begrijpen, waarmede hij de krullige halen van het vreemde schrift vermocht na te teekenen. —
Doch het scheen hem toe, alsof uit zijn diepste innerlijk een stem duidelijke woorden fluisterde: „Ach, hoe zoudt gij dàt kunnen volbrengen, indien gijhaarniet in zin en denken droegt, als gij niet aanhaaren aan hare liefde geloofdet?”
En door de kamer waaide als in zachte, zachte, lispende kristallen tonen: „Ik ben u nabij — nabij — nabij! ik help u — wees wakker — blijf standvastig, lieve Anselmus! — ik zorg voor u, opdat gij de mijne wordt!” En waar hij innerlijk-verrukt die tonen vernam, werden hem de onbekende teekens steeds vertrouwder — nauwelijks behoefde hij meer naar het oorspronkelijke te zien — zelfs scheen het, als stonden de teekens reeds in een bleek schrift op het perkament, zoodat hij ze maar met vaardige hand zwart hoefde over te halen. Zoo werkte hij voort, door liefelijke troost-tonen, als door een zoet, teeder ademen omsloten, tot de klok zes sloeg en archivaris Lindhorst de kamer betrad. Zonderling glimlachend trad hij op de tafel toe, Anselmus stond zwijgend op, steeds nog zag archivaris Lindhorst hem als met hoonend spotten onhoorbaar lachend aan, nauwelijks had hij echter het afschrift ingezien of de glimlach verging in den diepen, plechtigen ernst, waartoe zich alle spieren van zijn gelaat vertrokken. Dra scheen hij niet meer dezelfde. De oogen, die anders vonkelend vuur spatten, zagen Anselmus nu met onzegbare zachtheid aan, een teer rood tintte de bleeke wangen en instede van de ironie, die anders den mond samenkneep, schenen de weekgevormde, aantrekkelijkelippen zich te openen tot een wijs, het gevoels-innerlijk rakend spreken. — De heele gestalte werd hooger, waardiger; het wijde morgenkleed legde zich als een koningsmantel in breede plooien om borst en schouders en door de witte lokjes, die over het hooge, opene voorhoofd lagen, wond zich een dunne, gouden band. „Jonge man,” ving de archivaris plechtiglijk aan, „jonge man, ik had voor gij het nog kondt vermoeden, al de geheime betrekkingen geduid, die u met wat mij het liefste en heiligste is, verbinden! — Serpentina heeft u lief en een vreemde betoovering, welker noodlottige draden door vijandige machten gesponnen werden, wordt opgeheven, als zij de uwe wordt en gij als onafwijsbare huwelijksgift, de gouden vaas ontvangt, die haar eigendom is. Maar slechts uit den strijd ontspringt uw geluk in het hoogere leven. Vijandige elementen zullen u aanvallen en slechts de innerlijke kracht, waarmede gij de aanslagen weerstaat, kan u redden van smaad en ondergang. Door hier te werken, maakt gij uw leertijd door; geloof en inzicht voeren u het doel nabij; als gij u maar vasthoudt aan datgene, wat gij beginnen moest. Blijf haar innerlijk trouw,haar, die gij liefhebt en gij zult het prachtig wonder der gouden vaas aanschouwen en gelukkig zijn voor altijd. — Het ga u goed! archivaris Lindhorst verwacht u morgen om twaalf uur in uw werkkamer! Het ga u goed!”
De archivaris schoof den student Anselmus zachtjes de deur uit, die hij daarop toesloot en hij bevond zich in de kamer, waar hij gegeten had, en welker eenige deur naar het voorhuis voerde. Verdoofd door de wonderlijke verschijningen bleef hij voor de voordeur staan, tot boven hem een venster openging. Hij zag op; het was archivaris Lindhorst; volkomen de oude man met grijswitten mantel, zooals hij hem bereids gezien had. — Hij riep hem toe: „Wel, waarde heer Anselmus, waarover peinst u zoo, ik wed, dat het Arabisch niet uit uw hoofd wil? Wees zoo goed, mijnheer den conrector Paulmann te groeten, wanneer u hem wellicht bezoekt en komt u morgen met klokslag van twaalven terug. De bezoldiging voor vandaag bevindt zich al in uw rechter vestzak.” — De studentAnselmus vond inderdaad den blanken, gemunten Thaler in den aangewezen zak, maar hij verheugde er zich volstrekt niet over. —
„Wat er van dit alles worden moet, weet ik niet,” sprak hij tot zichzelf, „moge mij ook slechts begoocheling en spokerij omstrikt houden, in mijn binnenste leeft en heerscht toch de liefste Serpentina en liever dan van haar af te laten, wil ik geheel en al ondergaan, want ik weet immers, dat de gedachte in mij eeuwig is en door geen vijandig element kan vernietigd worden; maar is die gedachte ook wel iets anders, dan Serpentina’s liefde?”