Chapter 3

Hoe conrector Paulmann zijn pijp uitklopte en naar bed ging. — Rembrandt en de helsche Breughel. — De tooverspiegel en het voorschrift van dokter Eckstein tegen een onbekende ziekte.

E (Eindelijk)indelijkklopte conrector Paulmann zijn pijp uit en zeide: „Het is nu toch tijd, om ons ter ruste te begeven.” „Zeker,” antwoordde de door het lange opblijven haars vaders ontruste Veronica, „want het heeft al lang tien uur geslagen.” Nauwelijks was de conrector dan ook naar zijn studeer- en slaapvertek gegaan, nauwelijks gaf het zwaarder ademhalen van Fransje aan, dat zij inderdaad vast ingeslapen was, of Veronica, die zich voor den schijn ook te bed gelegd had, stond zacht, heel zacht weer op, kleedde zich aan, wierp een mantel om en ontsloop het huis.

Van het oogenblik af, dat Veronica de oude Lize verlaten had, kwam haar onophoudelijk Anselmus voor oogen, en zij kon zelve niet begrijpen, welke vreemde stem in haar binnenste maar immer en immer weer zeide, dat zijn weerstand door een haar kwaadgezind persoon veroorzaakt werd, die hem in banden hield, welke Veronica door de mysterieuse middelen der magische kunst zou kunnen verbreken. Haar vertrouwen in de oude Lize groeide met den dag en zelfs stompten zich de verontrustende, huiveringwekkende indrukken af, zoodat al het wonderlijke en buitengewone van haar omgang met de oude terugbleef in den luister van het niet-alledaagsche en romaneske, dat haar juist zoo aantrok. Derhalve rustte in haar ook het voornemen, op gevaar af gemist te worden en in velerlei onaangenaamheden verwikkeld te geraken, het avontuur der dag-en-nachteveningdoor te maken. Zoo was dan eindelijk de gevolgenrijke nacht van het Aequinoctium, waarin de oude Lize haar hulp en troost toegezegd had, ingetreden en Veronica, al lang vertrouwd geraakt met de gedachte aan den nachtelijken tocht, was blij gemoed. Pijlsnel vloog zij door de eenzame straten en lette niet op den storm, die de lucht doorwoelde en haarzwarenregendroppen in ’t gelaat wierp. — Met dofdoordreunendeklank sloeg de klok van den Kruistoren elf, toen Veronica doornat voor het huis der oude stond. „Ha, lief kind, lief kind, zijt gij daar al! — wacht even, wacht maar even!” — klonk het van boven — en dadelijk daarna stond de oude, beladen met een korf en van haar kater vergezeld, voor de deur. „Nu zullen wij dus heengaan om te beginnen en te volvoeren, wat geschieden moet en vrucht draagt in den nacht, die het werk gunstig gezind is;” dit zeggende greep de oude met kille hand de rillende Veronica, die zij den zwaren korf te dragen gaf, terwijl zij zelf een ketel, een drievoet en een spade opnam. Toen zij in het veld kwamen regende het niet meer, maar de storm was krachtiger geworden; een veelstemmig gehuil vervulde de lucht. Een ontzettende, hart-doorsnijdende klacht weerklonk uit de zwarte wolken, die zich snel-varend tezamendichtten en alles in dikke donkerte wikkelden. Doch haastig schreed de oude voort en riep galmend-schel „licht — maak licht, jongen!” Toen kronkelden en kruisten zich blauwe weerlichten voor hen uit en Veronica werd gewaar, hoe de kater haar onder knetterend vonkgesproei voordanste, terwijl zij zijn benauwd, huiveringwekkend wanhoopsgeschreeuw hoorde, als de storm een oogenblik stil was. — Haar adem begaf haar, het was of ijzige klauwen grepen in heur binnenste, doch met kracht hervatte zij zich en terwijl zij zich sterker aan de oude vastklemde, sprak zij: „Het moet nu alles volbracht worden, er kan gebeuren, wat er wil.” „Goed zoo kind!” antwoordde de oude, „blijf maar flink standvastig, dan zal ik u iets moois geven en Anselmus nog bovendien.” Eindelijk stond de oude stil en zeide: „Nu zijn wij ter plaatse.” Zij groef een gat in den grond, schudde daar kolen in en zette er den drievoet boven, waarop zij denketel plaatste. Dit alles begeleidde zij door bijzondere gebaren, terwijl de kater zich in kringen om haar heen bewoog. Vonken spetten uit zijn staart, een smallen vuurring vormend. Spoedig begonnen de kolen te glimmen en eindelijk sloegen blauwe vlammen van onder den drievoet uit. Veronica moest mantel en sluier afleggen en bij de oude neerhurken, die hare handen greep en strak vasthield, het meisje met fonkeloogen aanstarend. Nu begonnen de vreemde zelfstandigheden — of het bloemen, metalen, kruiden, dan wel dieren waren, viel niet te onderscheiden — die de oude uit den korf genomen en in den ketel geworpen had, te koken en te bruisen. De oude liet Veronica los, zij greep een ijzeren lepel, die zij midden in de gloeiende massa stak en die daarmede doorroerde, terwijl Veronica op haar gebod met onafgewenden blik in den ketel zien en haar gedachten op Anselmus richten moest. Opnieuw wierp nu de oude blinkende metalen en een haarlok, die Veronica zich van de kruin geknipt had, alsook een ringetje, dat zij langen tijd had gedragen, in den ketel, terwijl zij onverstaanbare, den nacht huiver-aanjagend schel-doorgalmende klanken uitstiet en de kater rusteloos rondrennend krijschte en steunde. —

Ik wou, dat gij, genegen lezer, den drie-en-twintigsten September op reis naar Dresden geweest waart; tevergeefs had men beproefd u, toen het laat op den avond werd, ter laatste pleisterplaats te doen blijven; de vriendelijke waard betoogde, dat het toch àl te hard regende en stormde en dat het tòch al niet geraden was in den nacht van het aequinoctium zoo maar de duisternis in te rijden, maar daar lettet gij niet op, doordat gij zeer terecht aannaamt: ik zal aan den postillon een vollen Thaler drinkgeld geven en dan ben ik op zijn laatst om één uur in Dresden, waar mij in den Gouden Engel of bij Helm of in De Stad Naumburg een smakelijk avondmaal en een zacht bed wachten. Als gij op deze wijze in het donker voortrijdt, ziet gij in de verte opeens een vreemd-flakkerend licht. Naderbij gekomen ontwaart gij een ring van vuur, te midden waarvan, bij een ketel, waaruit dichten damp welt en rood-bliksemende stralen en vonkenschieten, twee gedaanten zitten. De weg voert recht door dat vuur, maar de paarden proesten en trappelen en steigeren — de postillon vloekt en bidt — hij striemt de paarden met zweepslagen — zij komen niet van de plaats. — Onwillekeurig springt gij uit den wagen en stormt eenige passen voorwaarts. Klaar ziet gij nu het slanke, liefste meisje, dat in een dun, wit nachtgewaad bij den ketel knielt. De storm heeft haar vlechten losgewoeld en het lange kastanjebruine haar fladdert ongehinderd in den wind. Het engelmooie gelaat wordt geheel omgeven door den verblindenden gloed der van onder den drievoet opflakkerende vlammen, maar in de ontzetting, die haar ijzigen stroom eroverheen goot, werd het tot doodsbleekheid verstard en in den staarblik, in de opgesperde wenkbrauwen, in den mond, die zich tevergeefs tot den kreet van doodsangst opent, welke zich niet kàn losscheuren van de door namelooze pijn gefolterde borst, ziet gij haar huiver, haar ontsteltenis; krampachtig houdt zij de kleine handen saamgevouwen omhoog, als bad zij de beschermengelen, haar te bewaren voor de gedrochten der hel, die gehoorzaam aan de macht der toovenarij, elk oogenblik kunnen opdoemen! Zij ligt daar onbewegelijk geknield, een marmerbeeld gelijk. Tegenover haar neergehurkt op den grond zit een lang, schraal, kopergeel wijf met een scherpen haviksneus en vonkelende kattenoogen; de naakte, knokige armen strakken uit den zwarten mantel, dien zij omgeworpen heeft en terwijl zij roert in het helsche brouwsel lacht zij en roept met krijschende stem in den bruisend woedenden storm. Ik geloof wel, dat u, genegen lezer, al kendet gij ook anders angst noch vreeze, bij het zien van dit, nu in ’t werkelijke leven verplaatste, schilderij van Rembrandt of den helschen Breughel, van ijzing de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar uw blik kon niet aflaten van het in helsche doening bevangen meisje en de electrische schok, die al uw zenuwen en fijnste vezelen doorsidderde, ontstak met de snelheid van den bliksem in u het stoute denkbeeld de geheimzinnige machten van den vuurkring te trotseeren; daarin verging uw ijzing, neen, eigenlijk kwam dat denkbeeld juist op uit die ijzing en ontzetting.Het kwam u voor, als waart gij zelf een van de beschermengelen, die het tot den dood beangste meisje aanriep en als moest gij nu dadelijk uw zakpistool te voorschijn brengen, om de oude zonder meer dood te schieten. Maar, dewijl gij dat zoo levendig dacht, riept gij luid uit: Hé daar! of: wat gebeurt daar! of: wat doet gij daar toch!

De postillon stiet schetterend in zijn hoorn, de oude buitelde midden in haar brouwsel en alles was opeens verdwenen in dichten damp. — Of gij het meisje, dat gij nu met innig verlangen in de duisternis gingt zoeken, zoudt gevonden hebben, durf ik niet beweren, maar de spokerij van het oude wijf hadt gij verstoord en den ban van den magischen cirkel, waarin Veronica zich lichtzinnig begaf, gebroken. — Noch gij, genegen lezer, noch iemand anders, reed of ging echter den drie-en-twintigsten September in den doorstormden, voor heksenkunst geschikten nacht dien weg uit en Veronica moest in doodsangst bij den ketel verbeiden, totdat het werk der voltooiïng nabijkwam. — Zij merkte wel, hoe het rondom haar huilde en bruiste, hoe allerlei afschuwelijke stemmen door elkaar balkten en kwaakten, maar zij sloeg de oogen niet op, want zij gevoelde, dat het zien van al het weerzinwekkende en ontzettende, waardoor zij omgeven werd, haar in ongeneeslijken, vernielenden waanzin zou kunnen storten. De oude had opgehouden in den ketel te roeren, al lichter werd de damp en eindelijk brandde maar een flauw alcoholvlammetje meer op den bodem van den ketel. Toen schreeuwde de oude: „Veronica, kind, liefje, kijk eens tot diep op den bodem! — Wat ziet gij dan — wat ziet gij dan?” Maar Veronica kon niet antwoorden, ofschoon het haar toescheen, alsof allerlei verwarde gestalten in den ketel dooreendraaiden; duidelijker en duidelijker doemden figuren op en opeens trad de student Anselmus uit des ketels diepte, terwijl hij haar vriendelijk aanzag en de hand reikte. Toen riep zij uit: „O, Anselmus! Anselmus!”

Snel opende de oude de aan den ketel zich bevindende kraan en gloeiend metaal stroomde sissend en spetterend in een vormpje, dat zij erbij had gezet. Daarna sprong het wijfop en krijschte met woeste, gruwelijke gebaren zich draaiend: „Het werk is volbracht — Dank zij u, jongen! — gij hieldt wacht. — Heu — Heu — daar komt hij! — bijt hem dood — bijt hem dood!” Maar toen werd de lucht hevig doorbruist, het was, of een ontzachbre adelaar omlaagruischte, terwijl hij met de vlerken in ’t ronde sloeg en een verschrikkelijke stem riep: „Hé, hé, — gespuis! nu is ’t uit, — nu is ’t uit — weg naar huis!” Jammerend stortte de oude neer, maar Veronica verloor haar bezinning.

Toen zij weder tot bewustzijn kwam, was het klaar dag, in bed lag zij en Fransje stond voor haar met een geurend kop thee, zeggende: „Maar vertel toch eens, zuster, wat u scheelt, ik sta nu al een uur of langer voor u en gij ligt maar bewusteloos als in de hitte van de koorts, terwijl gij steunt en zucht, dat wij er bevreesd door worden. Vader is om uwentwil vandaag niet naar school gegaan en komt dadelijk terug met den dokter.” Zwijgend nam Veronica de thee aan; terwijl zij die gebruikte, kwamen al de schrikbeelden van den nacht haar weder kleurrijk voor oogen. „Dan was dit dus toch maar een benauwde droom, die mij gekweld heeft? — Maar ik ben toch gisterenavond werkelijk naar de oude toegegaan en het was toch den drie-en-twintigsten September? Ik moet dan gisteren al wel zwaar ziek zijn geworden en heb mij dit alles maar ingebeeld en ik kan van niets anders ziek zijn geworden, dan van het eeuwige denken aan Anselmus en de wonderlijke oude vrouw, die zich voor Lize uitgaf en mij daarmede slechts wilde beetnemen.” Fransje, die weggegaan was, kwam weer binnen met Veronica’s doornatten mantel in de hand. „Zie eens zuster,” zeide zij, „wat er met uw mantel gebeurd is; de storm heeft vannacht het venster opengerukt en den stoel, waarop de mantel lag, omgeworpen; daar heeft het toen zeker ingeregend, want de mantel is heelemaal nat.” — Dit drukte Veronica zeer terneer, want zij zag nu wel in, dat haar geen droom gekweld had, doch dat zij werkelijk bij de oude geweest was. Angst en siddering bevingen haar en koortskoude trok haar door de leden. Bevend en geschokt haalde zij den deken vast over zich heen; doch toen voelde zijhoe iets hards haar op de borst drukte en toen zij er met de hand naar tastte, scheen het haar een medaillon te zijn; zij bracht het te voorschijn, toen Fransje met den mantel was heengegaan en het bleek een kleine, ronde, glanzend-gepolijste spiegel van metaal. „Dat is een geschenk van de oude,” riep zij blij gezind uit en het scheen, of vurige stralen uit den spiegel schoten, die in haar gemoed drongen en het weldadig verwarmden. De koortskoude was gevloden en een onbeschrijfelijk gevoel van welbehagen en voldoening doorstroomde haar. — Zij moèst aan Anselmus denken en toen zij sterker en sterker haar gedachten op hem vestte, glimlachte hij haar vriendelijk tegen van uit den spiegel, die als een levend miniatuur-portret was. Doch spoedig scheen het, als zag zij niet meer de afbeelding — neen — den student Anselmus zelf in levenden lijve. Hij zat in een hoog vreemd-ingericht vertrek en schreef vol vlijt. Veronica wilde tot hem gaan, hem op den schouder kloppen en zeggen: „Mijnheer, Anselmus, kijkt toch eens om, ìk ben er!” Maar dat was volstrekt ondoenlijk, want hij was als van een stralenden vuurstroom omgeven, doch toen Veronica scherper toezag, bleken het slechts groote boeken met vergulde snede. Maar eindelijk gelukte het Veronica in den kring van Anselmus’ blik te komen, toen was het alsof hij bij het aanzien zich harer eerst herinneren moest, doch ten slotte glimlachte hij en zeide: „Ah! — is u het, beste Mademoiselle Paulmann? Waarom behaagt het u toch zoo van tijd tot tijd als een kleine slang op te treden?” Veronica moest luid lachen om deze zonderlinge woorden; daardoor ontwaakte zij als uit diepen droom en snel verborg zij den kleinen spiegel, toen de deur openging en conrector Paulmann met dokter Eckstein de kamer betrad. Dokter Eckstein ging dadelijk naar het bed toe, hield, langen tijd in diep nadenken verzonken, Veronica’s pols vast en zeide toen: „Zoo! — Zoo!” Daarna schreef hij een recept, nam nog eens haar pols, zeide nog eens: „Zoo! Zoo!” en verliet de patiënte. Uit deze ontboezemingen van dokter Eckstein kon conrector Paulmann waarlijk niet nauwkeurig opmaken, wat Veronica dan toch wel scheelde. —

De palmboomenbibliotheek. — Lotgevallen van een ongelukkigen Salamander.8— Hoe de zwarte ganzepen een beetwortel liefkoosde en griffier Heerbrand zich sterk bedronk.

D (De)estudent Anselmus had nu reeds verscheidene dagen bij den archivaris gearbeid; deze werkuren waren voor hem de gelukkigste zijns levens, want staag van lieflijke klanken, van Serpentina’s troostwoorden omvloten en vaak zelfs lichtelijk door een langsvliedenden ademtocht beroerd, doorstroomde hem een nimmer gevoelde behaaglijkheid, die dikwijls zelfs tot een hoogtepunt van geluk steeg. Al de ellende, al de kleine zorgen van zijn behoeftig bestaan waren uit zijn gedachte en voelen verdwenen en in het nieuwe leven, dat hem als in zonnehellen glans was opgegaan, verstond hij alle de wonderen van een hoogere wereld, die hem tot dusver met verbazing, zelfs met ijzing vervuld hadden. Met het copieeren ging het zeer vlug, dewijl het hem steeds meer voorkwam, dat hij slechts langgekende teekens op het perkament schreef en nauwelijks naar het origineel behoefde te zien, om alles met de meeste nauwkeurigheid na te trekken. Behalve in het tafeluur liet de archivaris Lindhorst zich slechts nu en dan zien, doch telkenmale verscheen hij precies op het oogenblik, dat Anselmus de laatste teekens van een handschrift voltooid had en gaf hem dan een ander, om hem dadelijk weder zwijgend te verlaten, nadat hij slechts met een zwart staafje den inkt omgeroerd en de gebruikte ganzepennen voor andere scherper gepunte verwisseld had. Eens, toen Anselmus met het slaan van twaalven reeds de trap opgestegenwas, vond hij de deur, waardoor hij altijd was heengegaan, afgesloten en archivaris Lindhorst kwam in zijn wonderlijken, als met schitterende bloemen bezaaiden slaaprok van de andere zijde te voorschijn. Luide riep hij: „Gij moet vandaag maar hier binnen komen, beste Anselmus, want wij moeten zijn in het vertrek waar ons de meesters van Bhogovotgita9wachten.”Hij schreed de gang door en voerde Anselmus door dezelfde vertrekken en zalen als de eerste maal. — De student Anselmus verbaasde zich opnieuw over de wonderbare schoonheid van den tuin, doch nu zag hij duidelijk, dat vele van de vreemde bloesems, die aan de donkere struiken hingen, eigenlijk in stralende kleuren pralende insecten waren, die met de vleugels op en neder sloegen en door elkaar heen dansend en draaiend elkander met de zuigslurfjes schenen te liefkozen. Daarentegen waren weer de roos-kleurige en hemelsblauwe vogels geurige bloemen en de reuk, dien zij verbreidden steeg uit hare kelken omhoog in zachte, lieflijke tonen, die met het geklater van de verre fonteinen, met het gesuizel der hooge struiken en boomen samensmolten tot de geheimzinnige accoorden van een diep-klaaglijk verlangen. De spotvogels, die hem de eerste maal zoo geplaagd en bespot hadden, omfladderden hem weder het hoofd en riepen met hun fijne stemmetjes zonder ophouden: „Mijnheer de student, mijnheer de student, loop niet zoo hard. — Kijk niet zoo in de wolken — gij zoudt op uw neus kunnen vallen. — Hé, hé, mijnheer de student — sla den poedermantel10om — Vader Schuhu11moet uw paruikje krullen.” Zoo ging het voort met allerlei dwaas gebabbel, totdat Anselmus den tuin verlaten had. Archivaris Lindhorst trad eindelijk in het azuurblauwe vertrek; het porphier met de gouden vaas was verdwenen en inplaats daarvan stond er een met violet fluweel belegde tafel — waarop zich het aan Anselmus zoo bekende schrijfgerei bevond — in het midden der kamer en een evenzoo bekleede leuningstoel stond ervoor.

„Beste mijnheer Anselmus”, zeide de archivaris Lindhorst, „gij hebt nu reeds menig handschrift snel en goed tot mijn groote tevredenheid gecopieerd; gij hebt mijn vertrouwen weten te winnen; maar het belangrijkste blijft nog te doen, dat is het overschrijven of juister nateekenen van zekere in ongewone teekens vervatte werken, die ik in dit vertrek bewaar en die slechts ter plaatse gecopieerd kunnen worden. — Voortaan zult gij dus hier werken, maar ik moet u de grootst-mogelijke omzichtigheid en oplettendheid aanbevelen; een verkeerde haal of wat de Hemel verhoede, een inktvlek op het origineel gespet, stort u in ’t ongeluk.” —

Anselmus bemerkte, dat uit de goudene stammen der palmboomen kleine smaragdgroene bladeren naar voren staken, de archivaris vatte een dezer bladeren en Anselmus werd gewaar, dat het blad eigenlijk een rol perkament was, die de archivaris loswikkelde en voor hem op tafel uitspreidde. Niet weinig verwonderde Anselmus zich over de vreemd verwonden teekens, en bij het aanschouwen van de vele kleine punten, streken, halen en sierkrullen, die nu eens planten, dan mossen en dan weer diergestalten schenen voor te stellen, wanhoopte hij er bijna aan, dit alles zoo getrouw na te kunnen teekenen. „Vat moed, jonge man!” sprak luid de archivaris, „wanneer gij beproefd geloof en ware liefde bezit, zal Serpentina u helpen.” Zijn stem klonk als luidend metaal en toen Anselmus heftig-geschrokken opkeek, stond archivaris Lindhorst voor hem in de koninklijke gestalte, waarin hij hem bij het eerste bezoek aan het bibliotheekvertrek verschenen was. Het werd Anselmus te moede, als moest hij van eerbied vervuld op de knieën zinken, maar reeds steeg de archivaris Lindhorst langs den stam van een palmboom omhoog om te verdwijnen in de smaragden bladeren. — De student Anselmus begreep, dat een geestenkoning met hem gesproken had en nu in zijn studievertrek was opgestegen, wellicht om zich met de stralen, die enkele planeten hem als boden gezonden hadden, te beraden, wat er nu met hem en de lieflijke Serpentina geschieden moest. — Ook kan het zijn, dacht hij verder, dat er hem nieuws wacht van de bronnenvan den Nijl of dat een Magiër uit Lapland hem bezoekt — mij voegt het slechts ijverig aan den arbeid te gaan. En alzoo begon hij de vreemde teekens van de perkamentrol te bestudeeren. De wondervolle muziek uit den tuin klonk tot hem door en omgaf hem met zoete streelige geuren; eveneens hoorde hij de spotvogels snetteren, doch verstond hunne woorden niet, hetgeen hem ook zeer welkom was. Een enkele maal was het wel of de smaragden bladeren der palmboomen ruischten en dan de zoete kristalklanken, die Anselmus op dien noodlottigen avond onder den vlierboom hoorde, als stralen in de kamer waren. De student Anselmus, wonderdadig gesterkt door deze klanken en schijnselen, vestte zijn gemoed en gedachte steeds meer op het opschrift van de perkamentrol en weldra gevoelde hij, als komende uit zijn eigen innerlijk, dat die teekens niets anders konden beduiden dan de woorden: „Over de verbintenis van den Salamander met de groene Slang.” — Toen weerklonk krachtig een drievoudig accoord van heldere kristalklokjes. — „Anselmus, lieve Anselmus” zuchtte het hem uit de bladeren tegen en wonderlijk! langs den stam van den palmboom wond zich de groene slang naar omlaag. — „Serpentina, liefste Serpentina!” riep Anselmus in de vervoering der hoogste verrukking, want toen hij scherper toekeek, was het een lieftallig, heerlijk meisje, dat hem — onder een aanzien met de donkerblauwe oogen, zooals zij in zijn gedachte-innerlijk leefden — tegemoet zweefde. De bladeren schenen zich te laten vallen en zich te vergrooten, alom sprongen doornen uit de stammen, doch Serpentina wond en kronkelde zich behendig er doorheen, terwijl zij haar fladderend, als van weerschijn-gevende tinten schitterend gewaad achter zich aan trok, zóó, dat het om haar slanke lichaam werd gewikkeld en nergens bleef haken aan de uitstekende punten en doornen der palmboomen. Zij zette zich naast Anselmus op denzelfden stoel, terwijl zij hem met de armen omvatte en tegen zich aan drukte, zoodat hij den adem die haar van de lippen stroomde en de electrische warmte van haar wezen voelde. „Lieve Anselmus!” begon Serpentina, „nu zult gij spoedig geheel de mijne zijn, door uwgeloof, door uwe liefde wint gij mij en ik zal u de gouden vaas brengen, die ons beiden gelukkig maakt voor altijd.” —

„Mijn schoone, liefste Serpentina,” zeide Anselmus, „wanneer ik u slechts bezit, wat deert mij dan al het overige; als gij maar de mijne wordt, wil ik gaarne ondergaan in al het wonderlijke en ongekende, dat mij omvangt sedert het oogenblik, waarop ik u zag.” „Ik weet wel,” ging Serpentina voort, „dat het vreemde en wonderrijke, waarmede mijn vader u vaak slechts uit grilligheid omgaf, huiver en afkeer in u verwekt heeft, doch thans zal het, hoop ik, niet meer geschieden, want ik ben hier in dit oogenblik slechts, om u, mijn lieve Anselmus, alles en alles uit het diepst van mijn gemoed, het diepst van mijn ziel haarfijn te verhalen, wat gij noodig hebt om mijn vader geheel te kennen en ganschelijk te verstaan, hoe het tusschen hem en mij is gesteld.”

Het scheen Anselmus, als ware hij door de teere, lieflijke gestalte zoo geheel omringd en omwonden, dat hij zich slechts mèt haar zou kunnen verroeren of bewegen en als ware het haar polsslag alleen, die zijn zenuwen en diepste roerselen doortrilde; gespannen aanhoorde hij ieder harer woorden, die tot zijn diepste innerlijk doorklonken en als schitterende stralen hemelsche gelukzaligheid in hem ontstaken. Hij had den arm om haar slanker dan slanke lijfje gelegd, doch de tintspelige, glanzige stof van haar kleed was zoo glad, zoo smijdig, dat het hem scheen, als kon zij, door zich snel van hem los te wikkelen, onweerhoudbaar ontglippen en hij ontroerde bij die gedachte. „Verlaat mij toch niet, liefste Serpentina,” riep hij onwillekeurig uit, „want in u slechts leef ik!” — „Vandaag niet,” zeide Serpentina, „voor ik u alles verhaald zal hebben, wat gij door uw liefde tot mij verstaan kunt.”

„Weetdan, liefste! dat mijn vader uit het wonderlijke geslacht der Salamanders stamt en dat ik mijn bestaan dank aan zijn liefde tot de Groene Slang. In oerouden tijd heerschte over het wonderrijk van Atlantis de machtige geestenvorst Phosphorus, die door de geesten der elementen gediend werd. Eens ging de Salamander, dien hij boven allen liefhad (ditwas mijn vader) in den schitterenden tuin rond, dien de moeder van Phosphorus met haar schoone gaven zoo heerlijk getooid had, toen hij hoorde hoe een hooge lelie in zachte tonen zong: „Druk de kleine oogen toe, tot mijn geliefde, de morgenwind, u wekt.” Hij trad dichterbij; door zijn vurigen adem beroerd, ontsloot de lelie hare bladen en hij aanschouwde haar dochter, de groene slang, die in de kelk sluimerde. Toen werd de Salamander door gloeiende liefde voor de schoone slang overweldigd en hij ontroofde haar der lelie, wier geuren als een sprakelooze klacht vergeefs in den ganschen tuin naar de verloren dochter uitgingen. Want de Salamander had haar in Phosphorus’ slot gedragen en smeekte hem: huw mij met de geliefde, dat zij mijn worde voor altijd. „Verdwaasde, wat verlangt gij!” sprak de Koning der geesten, „weet, dat de lelie eens mijn geliefde was en met mij heerschte, maar de vonk, die ik in haar wierp, dreigde haar te vernielen en slechts de zegepraal over den zwarten draak, dien de geesten der aarde nu in ketenen gebonden houden, kon de lelie behouden, zoodat hare bladen sterk genoeg bleven om de vonk in zich op te sluiten en te bewaren. Doch, wanneer gij de groene slang omarmt, zal uw gloed haar lichaam verzengen en een nieuw wezen snel opwassend zich van u loswinden.” De Salamander achtte de waarschuwing van den vorst der geesten niet; van brandend verlangen vervuld sloot hij de Groene Slang in de armen, zij verteerde tot asch en een gevleugeld wezen aan de asch ontstegen ruischte heen door de lucht. Toen werd de Salamander door wanhoops waanzin gegrepen, vuur en vlammen schietend ijlde hij door den tuin en verdelgde dien met wilde woede, zoodat de schoonste bloemen en bloesems verbrand neerzonken en haar klacht de lucht vervulde. In oppersten toorn greep de koning der geesten den Salamander aan en zeide: „Nu heeft uw vuur uitgewoed — uw vlammen zijn gedoofd, uw stralen verdofd — zink thans neder tot de geesten der aarde, dat zij u kwellen en hoonen en in gevangenschap houden, tot aan het oogenblik, dat de vuurstof zich weder ontsteekt en met u in nieuwe gedaante aan de aarde ontstraalt.” Glansloos verzonk dearme Salamander, maar toen kwam de oude, knorrige aardgeest, die de hovenier van Phosphorus was, naderbij en sprak: „Heer! wie zoude meer zich over den Salamander beklagen, dan ik. — Heb ik niet alle de schoone bloemen, die hij verzengd heeft, met mijn mooiste metalen gesierd, heb ik hare kiemen niet wakker gekoesterd en verzorgd, en zoo menige kostelijke kleur aan haar besteed en toch trek ik mij het lot van den armen Salamander aan, dien slechts de liefde, die ook u, Heer, zoo vaak beving, — tot wanhoop dreef, welke hem den tuin deed verwoesten. — Scheldt hem de te harde straf kwijt. —”

„„Thans is zijn vuur gedoofd,” sprak de Koning der geesten, „maar in den rampzaligen tijd, wanneer de sprake der natuur voor het ontaarde geslacht der menschen niet meer verstaanbaar zal zijn, wanneer de geesten der elementen binnen hunne regionen gebannen, slechts uit eindelooze verte door doffe herinneringen tot de menschen zullen spreken, wanneer aan den harmonischen kringloop ontrukt, enkel een oneindig verlangen hem de duistere konde brengen zal van het wondervolle rijk, dat hij eens mocht bewonen, toen geloof en liefde zijn gemoed nog vervulden, — in dezen rampzaligen tijd zal de vuurkracht van den Salamander zich opnieuw ontsteken, doch slechts tot mensch wast hij op en hij moet, geheel opgaand in zijn kommervol bestaan, diens droefenis dragen. Doch niet slechts de herinnering aan zijn oertoestand blijft hem bij, opnieuw zal hij opleven in heilige samenstemming met de geheele natuur, haar wonderen verstaand en met de macht der vermaagschapte geesten te zijnen dienste. In een leliestruik vindt hij dan de Groene Slang weder en de vrucht van zijn echt met haar, zal een drietal dochters zijn, die den menschen in de gestalte der moeder zullen verschijnen. In den lentetijd zullen zij zich door den donkeren vlierstruik slingeren en hare lieflijke kristallen stemmetjes doen klinken. Wanneer dan in dien dorren, rampzaligen tijd van innerlijke versteening een jongeling gevonden wordt, die haar gezang hoort, in wien, wanneer een der kleine slangen hem met haar bezaligende oogen aanziet, die blik het voorvoelen ontsteektvan dat verre, wondervolle land, tot waartoe hij zich stout kan verheffen, als hij slechts den last van het alledaagsche afwerpt en in hem met de liefde voor de slang het geloof wast aan de wonderen der natuur en vol gloed en leven aan zijn eigen bestaan te midden van die wonderen, dan wordt die slang de zijne. Doch niet aleer er drie zulke jongelingen gevonden zijn en zich met de drie dochters verhuwelijkt hebben, mag de Salamander zijn drukkenden last afwerpen en tot zijn broederen gaan.”„Veroorloof mij, heer,” zeide de aardgeest,„dat ik de drie dochters een geschenk geef, dat heur leven met den gevonden gemaal zal opluisteren. Elke zal van mij een vaas ontvangen van het schoonste metaal dat ik bezit en die ik wil polijsten met stralen, aan den diamant ontleend; in haar glans zal zich ons wonderlijk rijk, zooals het in harmonie met de geheele natuur bestaat, in verblindend-heerlijken weerschijn afspiegelen, uit haar binnenste echter in het oogenblik der verhuwelijking een vuurlelie opbloeien, wier eeuwige bloesem den beproefd gevondenen jongeling met haar zoete roke omgeeft. Dra zal hij dan haar sprake en de wonderen van ons rijk verstaan om zelf met de geliefde in Atlantis te wonen.” — Gij weet nu wel, lieve Anselmus! dat mijn vader juist die Salamander is, waarvan ik u vertelde. Ondanks zijn hoogere afstamming moest hij zich aan de engste benauwingen van het gewoonte-leven onderwerpen en daaruit komt vaak het grillige leedvermaak voort, waarmede hij velen kwelt. Hij heeft mij bij herhaling gezegd, dat men voor de innerlijke geestesgesteldheid, die de geestenvorst Phosphorus eertijds als voorwaarde voor de uithuwelijking aan mij en mijne zusters bepaald heeft, thans eene uitdrukking kent, die echter te vaak op zeer ongepaste wijze misbruikt wordt; men noemt die een kinderlijk, dichterlijk gemoed. — Dikwijls vindt men dit gemoed bij jongelingen, die om den hoogen eenvoud van zeden en omdat het hun gansch aan zoogenoemde wereldlijke vorming ontbreekt, door het gemeen bespot worden. O, liefste Anselmus — gíj verstondt onder den vlierstruik mijn gezang — mijn blik — gij hebt de Groene Slang lief, gij gelooft aan mij en wilt demijne zijn voor altijd! De schoone lelie zal uit de gouden vaas opbloeien en wij zullen gelukkig en vereend in Atlantis wonen. Doch ik mag u niet verbergen, dat in een gruwelijken kamp met de Salamanders en aardgeesten de zwarte draak zich losrukte en door de lucht wegsuisde. Wel houdt Phosphorus hem weder geketend, doch uit de zwarte pennen, die in den strijd op de aarde stoven, ontsproten vijandige geesten, die overal de Salamanders en aardgeesten weerstaan. Die vrouw, die u zoo vijandig gezind is, liefste Anselmus en gelijk mijn vader zeer goed weet, het bezit van de gouden vaas nastreeft, heeft haar bestaan aan de liefde van zulk een uit den vlerk van den draak gestoven pen tot een beetwortel te danken. Zij is zich haar oorsprong en macht bewust, want uit het steunen, uit de stuiptrekkingen van den gevangen draak werden haar de geheimenissen van menige wonderlijke constellatie openbaar en zij neemt alle middelen te baat, om van buiten af op het innerlijke te werken, waartegenover mijn vader haar met de bliksems, die uit het binnenste van den Salamander schieten, bestrijdt. Alle vijandige oerkrachten, diein schadelijkeplanten en giftige diersoorten huizen, gaart zij bijeen en verwekt, door ze bij gunstigen sterrestand te mengen, menige booze verschijning, die het verstand der menschen met huiver en ontzetting slaat en hen aan de macht der demonen, die de in den strijd bezwijkenden draak baarde, onderwerpt. Neem u in acht voor de oude, lieve Anselmus, zij is u vijandig gezind, omdat uw kinderlijk-vroom gemoed reeds verscheidene harer booze tooverijen heeft vernietigd. — Blijf trouw, trouw aan mij, weldra bereikt gij het doel.” „O, mijn eigen, mijn eigen Serpentina,”riep de student Anselmus, „hoe zou ik u ooit kunnen laten, wat kan ik anders dan u eeuwig liefhebben.”

— Een kus gloeide op zijn mond, als uit een diepen droom ontwaakte hij. Serpentina was verdwenen en het sloeg zes uur; toen viel het hem als een zwaarte in, dat hij hoegenaamd niets gecopieerd had; bezorgd, wat de archivaris wel zeggen zou, blikte hij neer op het blad en — wonderlijk! de copie van het geheimzinnige manuscript was gelukkig teneinde gebracht en hij geloofde, toen hij de teekens scherper beschouwde, Serpentina’s verhaal over haren vader, den lieveling van den geestenvorst Phosphorus in het wonderland van Atlantis, te hebben overgeschreven. Nu trad de archivaris in zijn lichtgrijzen rokjas, den hoed op het hoofd en den stok in de hand, binnen. Hij keek het door Anselmus beschreven perkament in, nam een flink snuifje en zeide glimlachend: „dat dacht ik wel. Nu, hier is de thaler, mijnheer Anselmus, thans zullen wij nog wat naar het Linkesche Bad gaan — volgt u mij maar!”

Snel schreed de archivaris door den tuin, waar zulk een tumult van zingen, fluiten en spreken doorelkander was, dat de student Anselmus versufte en den Hemel dankte, toen hij zich op straat bevond. Nauwelijks hadden zij eenige schreden gedaan, of zij ontmoetten den griffier Heerbrand, die zich vriendschappelijk bij hen aansloot. Voor de poort stopten zij de meegenomen pijpen; griffier Heerbrand klaagde erover geen tonder bij zich te hebben, toen riep archivaris Lindhorst nukkig: „Wat, tonder! hier is vuur, zooveel u wilt.” En tegelijk knipte hij met de vingers, waaruit groote vonken vlogen, die de pijpen spoedig ontstaken. „Ziet u dat scheikundige kunststukje,” zeide de griffier Heerbrand, maar de student Anselmus dacht niet zonder innerlijken huiver aan den Salamander.

In het Linkesche Bad dronk de griffier Heerbrand zooveel van het zware, donkere bier, dat hij, anders een goedmoedig, ingetogen man, met schreeuwerige tenorstem studentenliederen begon te zingen, kittelig aan iedereen vroeg, of hij nu zijn vriend was of niet en ten slotte door den student Anselmus moest worden thuisgebracht, toen archivaris Lindhorst reeds lang en breed was verdwenen.

Hoe de student Anselmus eenigszins bij zijn verstand kwam. — De punch-genooten. — Hoe de student Anselmus conrector Paulmann voor een steenuil versleet, waarover deze zich zeer boos maakte. — De inktvlek en hare gevolgen.

A (Al)lhet vreemde en wonderlijke, dat den student Anselmus dagelijks was overkomen, had hem volslagen aan het gewone leven ontrukt. Hij ging met geen zijner vrienden meer om en wachtte iederen morgen gespannen en ongeduldig op het middaguur, dat hem zijn paradijs ontsloot. En toch, hoezeer zijn gansche innerlijk leven zich naar de lieflijke Serpentina en de wonderen van het sprookjesrijk bij archivaris Lindhorst gericht had, moest hij bij tijden aan Veronica denken, scheen het hem zelfs meer dan eens toe, dat zij tot hem kwam en hem blozend bekende, hoe innig zij hem beminde en hoe zij ernaar streefde, hem aan de phantomen, waardoor hij slechts geplaagd en bespot werd, te ontrukken. Tusschenbeide was het, als sleepte een vreemde, plotseling op hem aanstortende macht hem onweerstaanbaar naar de vergetene Veronica en het was, als moest hij haar volgen, waarheen zij zou willen, als ware hij aan haar vastgeklonken. Juist in den nacht, nadat hij Serpentina voor de eerste maal in de gestalte eener wonderlijk lieflijke jonkvrouw aanschouwd had, nadat hem hetwondervol -geheim der verhuwelijking van den Salamander met de Groene Slang was geopenbaard, kwam Veronica hem duidelijker voor oogen, dan ooit. Sterker! — eerst toen hij ontwaakte, werd het hem klaar, hoe hij slechts gedroomd had, want hij was overtuigd geweest, dat Veronica zich waarlijk bij hem bevond en er op diep-smartelijken toon,die tot in zijn gemoedsinnerlijk doorklonk, over klaagde, dat hij haar innige liefde aan de fantastische verschijningen, die slechts zijn innerlijke vernietiging zouden teweegbrengen, opofferen wilde en zoo aan zijn ongeluk en verderf zou geraken. Veronica was bekoorlijker, dan hij haar ooit gezien had; hij kon haar bijna niet uit de gedachten houden en deze toestand veroorzaakte hem een pijn, die hij door een morgenwandeling hoopte te verliezen. Een onbekende, magische macht trok hem tot voor de Pirnasche Poort en juist wilde hij een zijstraat inslaan, toen conrector Paulmann, die achter hem aan kwam, luide riep: „Hé hé — beste mijnheer Anselmus! — Amice, amice, waar zit gij in ’s Hemelsnaam toch, gij laat u in ’t geheel niet meer zien — weet gij wel, dat Veronica er op gespitst is weer eens samen met u te zingen? — Ga dan nu mede, gij wildet immers toch naar mij toe?” Noodgedwongen ging de student Anselmus met den conrector mede. Toen zij het huis binnenkwamen, trad Veronica hun bevallig en keurig gekleed tegemoet, zoodat conrector Paulmann vol verbazing vroeg: „Hé, waarom zoo gesmukt, werd er dan bezoek verwacht? — in elk geval breng ik hier mijnheer Anselmus mede.” —

Toen de student Veronica welgemanierd-bescheiden de hand kuste, voelde hij een zachten druk, die als een warmen stroom door zijn zenuwen en diepste roerselen schokte. Veronica was de vroolijkheid, de bekoorlijkheid zelve en toen Paulmann naar zijn studeerkamer was gegaan, wist zij Anselmus door allerlei plagerij en schalkschheid zoo op te voeren, dat hij alle beschaamdheid vergat en ten slotte met het uitgelaten meisje door de kamer ronddraafde. Toen kreeg echter opeens de demon der onhandigheid weer vat op hem, hij stootte tegen de tafel en Veronica’s sierlijke naaidoosje viel er af. Anselmus raapte het op, het deksel was opengesprongen en een kleine, ronde metalen spiegel blonk hem tegen, waarin hij bijzonderlijk bekoord, kijken bleef. Veronica sloop zacht achter hem, legde de hand op zijn arm en keek, terwijl zij zich dicht tegen hem aan vlijde; over zijn schouder mede in den spiegel. Toen was het Anselmusals begon in zijn binnenste een strijd — gedachten — beelden — bliksemden op en vergingen weder, — archivaris Lindhorst — Serpentina — de Groene Slang — tot het eindelijk stiller werd en het al-verwarde zich ordende en zich in klaar bewustzijn effende. Hij begreep nu, dat hij voortdurend slechts aan Veronica gedacht had, zelfs dat de gestalte, die hem gisteren in de blauwe kamer verschenen was, ook slechts Veronica kon geweest zijn en dat de verbeeldingsrijke sage over de verhuwelijking van den Salamander met de Groene Slang enkel door hem geschreven, doch hem geenszins verteld werd. Zelf verbaasde hij zich over zijn gedroom en schreef dit louter aan zijn, door de liefde tot Veronica ziekelijk-opgezweepten zielstoestand toe, alsook aan het werken bij archivaris Lindhorst, in wiens kamers het bovendien nog zoo wonderlijk-bedwelmend rook. Hartelijk lachen moest hij over de dwaze inbeelding, verliefd te zijn op een kleine slang en een goedgebouwden geheim-archivaris voor een Salamander te houden.

„Ja, zeker! — Veronica is het!” zeide hij luide, maar toen hij het hoofd omwendde, keek hij recht in Veronica’s blauwe oogen, waarin liefde en verlangen blonk. Een dof „O!” ontvlood haar lippen, die in dat oogenblik op de zijne gloeiden. „O, ik gelukkige,” zuchtte de verrukte student, „wat ik gisteren nog maar droomde, wordt mij vandaag nu in alle werkelijkheid deelachtig.” „En zul je nu heusch met mij trouwen, wanneer je hofraad bent?” vroeg Veronica. „Beslist,” antwoordde de student Anselmus; toen piepte de deur en conrector Paulmann trad binnen, zeggende: „Kom, beste mijnheer Anselmus, vandaag laat ik u niet gaan, u stelt zich wel met een soepje tevreden en dán zal Veronica een goed kopje koffie voor ons zetten, dat wij met den griffier Heerbrand, die beloofd heeft te zullen komen, gaan gebruiken.”

„Ja, waarde heer conrector,” antwoordde de student Anselmus, „maar u weet toch wel, dat ik naar archivaris Lindhorst moet, vanwege het copieeren?”„Kijk eens, amice!” zeide conrector Paulmann, terwijl hij hem zijn horlogevoorhield, dat op half een stond. De student Anselmus zag nu wel in, dat het veel te laat was om nog naar archivaris Lindhorst te gaan en legde zich te liever bij de verlangens van den conrector neder, omdat hij zoodoende Veronica den geheelen dag zou kunnen zien en menigen heimelijken blik, menigen teederen handdruk hoopte te krijgen, o, zelfs wel erop rekende een kus te bemachtigen. Zoo hoog stegen al de wenschen van den student Anselmus en immer behagelijker werd het hem te moede, hoe meer hij er zich van doordrong, dat hij nu spoedig bevrijd zou zijn van alle fantastische inbeeldingen, die hem werkelijk tot een totaal-in-ongerijmdheden-zich-verliezenden dwaas hadden kunnen maken. De griffier Heerbrand verscheen inderdaad na tafel en toen men koffie gedronken had en de schemering reeds was gevallen, gaf hij meesmuilend en zich welgemoed de handen wrijvend te verstaan, dat hij iets bij zich had, hetgeen gemengd door Veronica’s mooie handjes en in den passenden vorm gebracht, om zoo te zeggen gefolieerd en gerubriceerd, allen op dezen koelen October-avond welkom zou zijn. „Voor den dag dan maar met het geheimzinnige ding, dat u bij zich hebt, geachte griffier,” riep conrector Paulmann; maar griffier Heerbrand greep in den diepen zak van zijn overjas en bracht in drie tempo’s een flesch arak, citroenen en suiker te voorschijn. Een half uur was nauwelijks verloopen, of er dampte reeds een keurige punch op Paulmann’s tafel. Veronica diende den drank op en onder de vrienden werden allerlei vroolijke gesprekken gevoerd. Doch zoodra de geest van den drank den student naar het hoofd steeg, kwamen ook de beelden van het wonderbaarlijke en vreemde, dat hij kortelings doorleefd had, weder terug. — Hij zag archivaris Lindhorst, in zijn damasten slaaprok, die fosforisch opglansde — hij zag het azuurblauwe vertrek, de gouden palmboomen, zelfs werd het hem weer zoo te moede, als moest hij toch aan Serpentina gelooven — het kookte en gistte in zijn binnenste. Veronica reikte hem een glas punch en terwijl hij het aanvatte, raakte hij even haar hand.

„Serpentina! Veronica!” zuchtte hij als in zichzelf. Indiepte van droomen verzonk hij, doch de griffier Heerbrand riep luide: „Het blijft toch een wonderlijke, oude heer, waar niemand uit wijs wordt, die archivaris Lindhorst — Lang zal hij leven! Klinken, mijnheer Anselmus.” Toen steeg de student Anselmus boven zijn droomen uit en zeide, terwijl hij met griffier Heerbrand aanstootte: „dat komt daardoor, hooggeschatte Heer griffier, omdat de archivaris Lindhorst eigenlijk een Salamander is, die den tuin van den geestenvorst Phosphorus in toorn verwoestte, omdat de Groene Slang van hem was weggevlogen?” „Hein, wat?” vroeg Conrector Paulmann. „Ja,” ging de student Anselmus voort, „daarom moet hij nu archivaris zijn in koninklijken dienst en hier in Dresden huizen met zijn drie dochters, die echter niets anders zijn dan kleine goudgroene slangen, die zich in vlierboschjes door de zon laten koesteren, verleidelijk zingen en jonge mannen verlokken, als de Sirenen.” — „Mijnheer Anselmus, Mijnheer Anselmus,” riep conrector Paulmann, „is u aan het malen? — Wat voor onbeholpen nonsens gooit u er nu toch uit?” „Hij heeft gelijk,” viel de griffier Heerbrand in, „die kerel, die archivaris is vervloekt een salamander, die uit zijn vingers vuursnippers slaat, die iemand gaten in zijn overjas branden als gloeiende zwam. Ja, zeker, gij hebt gelijk, kameraad Anselmus, en wie het niet gelooven wil, beschouw ik als mijn vijand!” Tegelijk sloeg griffier Heerbrand met de vuist op tafel, dat de glazen rinkelden. „Griffier! — is u dol” riep de vertoornde conrector. „O, ongeluksstudent, ongeluksstudent, wat hebt gij nu weer uitgericht!” „Kom,” zeide de student, „U is toch ook maar een vogel — een steenuil12, die de pruiken krult, mijnheer de conrector!” „Wat? — ik een vogel — een steenuil — een kapper!” riep de conrector in volsten toorn — „Mijnheer, u is razend, razend!” — „Maar de oude13zal hem overlast bezorgen,” riep griffier Heerbrand. „Ja, de oude is machtig,” viel de student Anselmus bij, „ofschoon zij maar van geringe afkomst is, want haar vader was slechts een voddige ganzevleugelen haar moeder een verachtelijke beetwortel, doch haar grootste macht dankt zij aan allerlei vijandige schepselen — giftig uitvaagsel — waardoor zij omgeven is.” „Dat is gruwelijke lasterpraat,” riep Veronica met boosglanzende oogen, „de oude Lize is een verstandige vrouw en de zwarte kater géén vijandig schepsel, doch een beschaafde jonge man met hoofsche manieren en haar germain-neef.” „Kan die Salamanders eten, zonder zich den baard te schroeien en jammerlijk om te komen?” zeide griffier Heerbrand. „Neen, neen,” riep de student Anselmus, „nooit ofte nimmer zal hij dat kunnen; en de groene slang heeft mij lief, want ik ben een kinderlijk gemoed en heb Serpentina’s oogen aanschouwd.” „De kater zal die uitkrabben,” riep Veronica. „De Salamander, de Salamander, kan ze allen bedwingen, allen,” brulde conrector Paulmann in een paroxysme van woede — „— maar ben ik dan in een gekkenhuis? ben ik zelf gek? — wat kraam ik dan toch voor ongerijmde praat uit? — zeker, ik ben ook gek — ook gek!” Tegelijk sprong conrector Paulmann op, rukte zich de pruik van het hoofd en slingerde die tegen de zoldering, zoodat de platgeslagen lokken een klaaglijk geluid gaven en in ganschelijke vernieling het poeder wijd in de rondte deden stuiven. Toen grepen de student Anselmus en griffier Heerbrand de kom met punch en de glazen, om die onder gejuich en gejubel tegen de zoldering te werpen, zoodat de scherven klinkend en kletterend rondsprongen. „Vivat Salamander — pereat — pereat de oude — slaat den metalen spiegel stuk, rijt den kater de oogen uit! — Vogeltje — vogeltje uit hooge luchten — eheu14— eheu — evoe15— Salamander!” — Zoo schreeuwden en krijschten de drie als bezetenen dooreen. Luid schreiend ijlde Fransje weg, doch Veronica bleef kermend van smartepijn op de sofa liggen. Toen ging de deur open, alles werd plotseling stil en er trad een klein mannetje in een grijs manteltje binnen. Zijn gelaat had iets vreemd gewild-ernstigs en de kromgebogen neus, waarop zich een groote bril bevond, onderscheiddezich bijzonderlijk van alle tot dusver geziene. Ook droeg hij zulk een eigenaardige pruik, dat het meer een muts van veeren scheen te zijn. „Ah, vriendelijk goeden avond,” rettelde het potsierlijke mannetje, „mijnheer de student Anselmus is zeker wel hier? Beleefde groeten van Mijnheer den archivaris Lindhorst en hij heeft Mijnheer Anselmus vandaag vergeefs gewacht, doch hij laat vriendelijk vragen, morgen toch niet het gewone uur te willen verzuimen.” Daarop stapte hij de deur weer uit en allen zagen nu zeer goed, dat het gewild-deftige mannetje eigenlijk een grijze papegaai was. Conrector Paulmann en griffier Heerbrand stootten een schaterlach uit, die dreunde door het vertrek, en daartusschendoor kermde en steunde Veronica als verscheurd door onuitsprekelijke ellende, maar de student Anselmus voelde zich doorschokt van den waanzin der innerlijke ontzetting en zonder bewustzijn stormde hij de deur uit en de straten door. Werktuigelijk hervond hij zijn woning, zijn klein vertrek. Spoedig daarna trad Veronica vredig en vriendelijk tot hem en vroeg, waarom hij haar in zijn roes zoo’n schrik aangejaagd had en dat hij zich toch voor nieuwe inbeeldingen mocht hoeden, wanneer hij bij den archivaris aan het werk was. „Goeden nacht, goeden nacht, mijn liefste vriend” murmelde Veronica zacht, terwijl zij zijn lippen in vluchtigen kus beroerde. Hij wilde haar met de armen omvangen, doch de droomgestalte was verdwenen en hij ontwaakte monter en verjongd. Nu moest hij zelf smakelijk om de uitwerking van den punch lachen, doch terwijl hij aan Veronica dacht, voelde hij toch hoe een behaaglijke aandoening hem doordrong. Aan haar alleen, zeide hij tot zichzelf, heb ik het te danken, dat ik van mijn zotte kuren ben teruggekomen. — Waarlijk, het ging mij al niet beter, als zeker iemand, die geloofde, dat hij van glas was, of als hem, die het vertrek niet durfde te verlaten, uit vrees door de hoenders te zullen worden opgegeten, omdat hij zich verbeeldde een gerstekorrel te zijn. Doch zoodra ik hofraad ben, huw ik eenvoudig Mejuffrouw Paulmann en ik word gelukkig. — Toen hij nu ’s middags door den tuin vanarchivaris Lindhorst ging, kon hij er zich niet genoeg over verbazen, hoe dat alles hem anders zoo vreemd en vol wonderen had kunnen toeschijnen. Hij zag niets dan wat gewone kamerplanten, verschillende soorten geraniums, myrtenstammen en dergelijke. Inplaats van de schitterende, bonte vogels, die hem anders plaagden, fladderden enkel wat musschen heen en weer, die een onverstaanbaar onaangenaam gekwetter begonnen, toen zij Anselmus bemerkten. Het blauwe vertrek kwam hem ook geheel anders voor en hij begreep niet, hoe het schelle blauw en de onnatuurlijk-gouden stammen der palmboomen met de onooglijke blinkende bladeren hem een oogenblik hadden kunnen bekoren.

De archivaris zag hem met een zeer eigenaardigen, ironischen glimlach aan en vroeg: „Nu, hoe smaakte u gisteren de punch, beste Anselmus?” „Ja, de papegaai heeft u zeker,” antwoordde de student Anselmus beschaamd, doch hij stokte, want hij moest er aan denken, dat ook de verschijning van den papegaai slechts een begoocheling van zijn bevangen zinnen geweest was. „Kom, ik was immers zelf in het gezelschap,” viel de archivaris Lindhorst hem in de rede, „hebt u mij dan niet gezien? Maar door de dwaze onbetamelijkheden, die gij bedreeft, was ik haast leelijk gekwetst, want juist in het oogenblik, dat de griffier ernaar greep, om haar tegen de zoldering te slingeren, zat ik nog in de kom en ik moest mij snel in den pijpenkop van den conrector terugtrekken. En thans, het ga u goed, mijnheer Anselmus! Arbeidt maar vlijtig door; ik zal u ook voor den gisteren verzuimden dag een zilveren Thaler geven, omdat gij totnutoe zoo flink gewerkt hebt.” „Hoe kan de archivaris nu toch zulke dwaasheden uitkramen,” zeide de student Anselmus tot zichzelf, en hij zette zich aan tafel om met het copieeren van het manuscript te beginnen, dat de archivaris als gewoonlijk voor hem ontrold had. Maar hij ontwaarde op de perkamenten rol zooveel wonderlijke krullerige halen en slingers door elkaar heen, die, zonder het oog een enkel rustpunt te bieden, den blik verwarden, dat het hem bijna onmogelijk scheen, dit alles getrouw na te teekenen. En zelfs, als menhet geheel even overzag geleek het perkament slechts een bontgeaderd stuk marmer of een met mos bespikkelden steen. — Desniettegenstaande zou hij al het mogelijke doen en doopte wakker zijn pen in, doch de inkt wilde in het geheel niet vloeien, ongeduldig schudde hij de pen uit en — Hemelsche Goedheid — daar viel een groote inktvlek op het uitgespreide handschrift. Sissend en bruisend schoot een blauwe bliksemstraal uit de vlak op en slingerde zich krakend door het vertrek tot aan de zoldering. Toen brak uit de wanden een dikke damp, de bladeren begonnen te ruischen als door storm bewogen en met vurige flakkering schoten er schitterende hagedissen uit neder die den damp ontstaken, totdat de vlammende massa’s zich knetterend om Anselmus wentelden. De gouden stammen der palmboomen werden reuzenslangen, die haar afgrijselijke koppen met doordringend metaalgeluid tegen elkander stieten en Anselmus met de geschubde lichamen omwonden.

„Waanzinnige, onderga thans de straf voor hetgeen gij in onbeschaamden moedwil misdreeft.” — Dit riep de geweldige stem van den gekroonden Salamander, die boven de slangen als een verblindend stralen te midden der vlammen opkwam en nu spoten uit haar opengesperde muilen watervallen van vuur op Anselmus neder tot het was als verdichtten zich deze vuurstroomen om zijn lichaam tot een vaste, ijskoude massa. Doch terwijl de ledematen van Anselmus in al nauwer en nauwer samentrekking verstarden, brak zijn denken. Toen hij weder bijkwam, kon hij zich niet meer bewegen, hij was, als door een glanzige helderheid omgeven, waaraan hij zich als hij slechts de hand heffen of zich anders verroeren wilde, stiet. Helaas! hij zat in een goedgesloten kristallen flacon op een boekenrek in de bibliotheek van archivaris Lindhorst. —


Back to IndexNext