Hoofdstuk III.De Bouw.Het is thans mijne bedoeling, na te gaan wat door verschillende schrijvers der oudheid en der latere tijden geschreven is met betrekking tot de wijze van bouwen der Pyramide. Gaarne had ik gezien dat een bouwkundig theosoof dit in mijne plaats gedaan had, en er zijne beschouwingen aan had vastgeknoopt, maar aangezien mijn wensch in dezen niet vervuld is, hoop ik dat het hier geschrevene den een of anderen bouwkundige zal aanmoedigen zulks nog te doen, en zal zelf volstaan met zoo volledig mogelijk de verschillende verhalen der schrijvers over dit deel van mijn onderwerp op te sommen.Allereerst dan Herodotus. Hij schrijft:“Cheops liet eerst de tempels sluiten en verbood iedere soort van offering. Vervolgens veroordeelde hij de Egyptenaren zonder onderscheid tot het uitvoeren van openbare werken. Een gedeelte werd gedwongen steenen te houwen in de steengroeven en ze tot aan den Nijl te voeren; een ander gedeelte om deze steenen in ontvangst te nemen, den stroom over te steken op booten en ze in de bergen te brengen aan de Lybische zijde. Honderdduizend mannen, die elke drie maanden afgelost werden, waren voortdurend bezig met deze werken; en tien jaren, gedurende welke het volk onophoudelijk met nieuwe moeilijkheden werd belast, werden in beslag genomen enkel om een weg te maken om de steenen te vervoeren, een werk dat zelf niet minderwaardig is aan het oprichten van een pyramide.”1Vervolgens beschrijft hij de grootschheid van dezen weg, en merkt tevens op hoe gelijktijdig daarmede in den rotsgrondwaaropde Pyramiden staan onderaardsche kamers werden uitgehouwen, die bestemd waren voor het begraven van de mummies der Koningen. Daarna komen wij in zijne reisbeschrijving van Egypte aan dat gedeelte, hetwelk de wijze van bouwen der Pyramide beschrijft. Merkwaardig is het, alvorens dit gedeelte aan te halen, nog even te vermelden hoe hij zegt dat “zij [de Pyramide] geheel overdekt is met gepolijste steenen, met de grootste zorg aanéén gevoegd, van welke steenen geen enkele minder dan dertig voet is.”“Volgens de wijze van werken die aangewend werd bij het opbouwen van de pyramide vertoonden hare zijden eerst een soort van trap in den vorm van een graadsgewijs opklimmend amphitheater. Toen zij volgens dit plan afgewerkt was, en het noodig werd haar te overdekken, bezigde men, om achtereenvolgens de steenen op te heffen die tot deze bekleeding moesten dienen, werktuigen die van hout gemaakt waren en eene kleine afmeting hadden. Een van deze werktuigen lichtte den steen van den grond zelf op en bracht hem over naar den eersten trap; wanneer hij daar aangekomen was bracht een ander dien over naar den volgenden trap, en zoo vervolgens; of er evenveel werktuigen waren als trappen, of dat hetzelfde werktuig, dat gemakkelijk te verplaatsen was, tot het vervoeren der steenen diende, ik moet het verhalen zooals het een en ander mij gezegd is. Op deze wijze begon men met de bekleeding van het bovenste gedeelte en men ging voort met werken, al afdalende, eindigende met het onderste gedeelte dat tot aan den grond kwam.”2Verder zegt hij dan nog hoe op een der zijden van de Pyramide in hieroglyfen vermeld werd het loon der arbeiders, en maakt daaruit op den duur van den bouw, waarvan hij dan zegt dat hij “nog al lang heeft moeten duren.”In ieder geval kunnen mijne lezers hieruit wel zien dat men uit Herodotus niet heel veel wijzer wordt en niemand is dat dan ook ooit geworden. Alleen heeft men mijns inziens te veel geloof gehecht aan hetgeen hijwelzeide, en men heeft vaak in latere boeken zijn beschrijving van den bouw als de ware aangenomen en zich in allerlei gissingen verdiept over de vraag wat die “werktuigen, die van hout gemaakt waren” dan toch wel waren, en bijna elk schrijver vindt dan een ander werktuig uit, of beweert dat de beschrijving die door een ander schrijver gegeven wordt niet deugt. Allen komen echter hierin overeen, dat het een soort van hefboom moet geweest zijn en de verschillen komen dan in een bespiegeling van de wijze waarop zulk een hefboom werkte, want een dergelijk ding moet toch een steunpunt hebben. En wanneer wij dus maar losweg zeggen dat met hefboomen gewerkt werd, volgen wij indezen een weinig Archimedes na, die zeide dat hij de wereld wel opheffen kon, als hij maar een steunpunt voor zijn hefboom had.Wij zullen het er dus over eens moeten zijn, dat indien de hefboomlegende als de ware beschrijving van het oplichten der buitenste steenen beschouwd moet worden, er aan Herodotus’ beschrijving toch nog wel iets ontbreekt dat tot beter begrip aanleiding kon geven. Met opzet? Als Herodotus er bij gezegd had dat hij ook wel eens had gehoord van een opheffen van de zwaartekracht, vrees ik dat hij zulk eene uitlating niet goed met zijn geweten overeen had kunnen brengen en haar daarom maar wegliet, ofschoon zijne beschrijving voor het nageslacht er niet duidelijker op geworden is. Tenminste, om steenen van 15 ton met een hefboom op te tillen in een beperkt bestek....!Ik vrees dat onze volgende schrijvers het er niet beter afbrengen met hunne beschrijving; meestal halen zij Herodotus aan of spreken in het algemeen over hetgeen zij bij overlevering vernamen. Zien wij thans wat Diodorus zegt, hoewel zijne beschrijving nog vager is dan die van Herodotus:“De basis van de grootste is een vierkant, waarvan elke zijde zeven honderd voet is. De hoogte is meer dan zeshonderd voet. De zijden nemen af naarmate zij opwaarts gaan, zoodat zij nog slechts zes el zijn bij den top. Zij is geheel opgebouwd uit steenen die zeer moeilijk te bewerken, maar ook van eeuwigen duur zijn; want hoewel het meer dan duizend jaar geleden is, volgens hetgeen men zegt, dat de pyramide gemaakt werd, en hoewel anderen zelfs verzekeren dat het meer dan vier en dertig honderd jaar geleden is, is zij tot op onze dagen bewaard gebleven zonder op eenigerlei plaats beschadigd te zijn. Men had de steenen laten komen van uit het hart van Arabië, en daar men nog niet de kunst verstond, steigers op te richten, zegt men dat men zich van terrassen bediende om ze op te heffen. Maar wat het meest onbegrijpelijke in dit werk is, is dat men geen enkel spoor bemerkt noch van vervoer, noch van het afhakken van de steenen, noch van de terrassen waarvan wij gesproken hebben; zoodat het schijnt alsof de goden, zonder de hand der menschen te leenen, die altijd erg langzaam is, plotseling dit monument te midden van het zand geplaatst hadden.3Eenige Egyptenaren voeren te dien einde eene verklaring aan, die even fabelachtig en ruwer is dan deze. Want zij zeggen dat deze terrassen gemaakt waren van een grondsoort die vol zout en salpeter was en dat de stroom ze door buiten hare oevers te treden, vormde en weder deed verdwijnen zonder hulp van arbeiders. Dat zal wel niet waar zijn; en het is veel verstandiger te zeggen dat dezelfde handen die gebezigd werden om dien grond aan te dragen, gebruikt werden om dien weg te voerenen om den grond in denzelfden toestand als tevoren te brengen; temeer omdat men zegt dat drie honderd zestig duizend werklieden of slaven bijna twintig jaren met dit werk bezig waren.”4Diodorus is de eerste die van de pyramiden spreekt alswereldwonderen, maar hoe bitter weinig zegt hij ons. Niets dan “men zegt“s en dan zeer uiteenloopende “men zegt“s en in niets overeenstemming met Herodotus dan in den duur van den bouw, de gedane uitgaven en de regeering van den koning. Over het tijdstip van den bouw is hij al bijster in het onzekere, “1000 jaar of 3400 jaar geleden”, en over den bouwer van de derde pyramide brengt hij ons alweer in het onzekere door de fabel van Rhodopis aan te halen, hetgeen Herodotus eveneens doet, alsook Strabo.Strabo is bijzonder kort in zijne beschrijving en met betrekking tot den bouw zelf helpt hij ons ook niet veel verder. Hij zegt daarover hoegenaamd niets. Alleen maakt hij eene vermeldenswaardige opmerking met betrekking tot de eerste of Groote Pyramide nl.: “Zij heeft op een der zijden op eene middelmatige hoogte, een steen die weggenomen kan worden.”5Van Plinius kunnen wij nagenoeg hetzelfde zeggen als van Strabo. Hij zegt: “De grootste van de Pyramiden is geheel voortgekomen uit steengroeven in Arabië; men beweert dat 360000 mannen 20 jaren gewerkt hebben om haar saam te stellen.” Uit eene verdere opmerking in zijn verslag kan men echter opmaken dat de gepolijste bekleeding op de buitenzijde der Pyramide nog bestond. Verder haalt hij met betrekking tot de wijze van bouw Diodorus aan. Plinius is echter de eenige schrijver die spreekt van een “put” welke onder de Groote Pyramide zoude zijn: “deze put vangt het water van den stroom op, flumen illo admissum arbitrantur”, op eene diepte van 86 ellen (39,8 M). Deze put is echter, voorzoover uit de door Plinius aangegeven maten is na te gaan, niet de bekende put. Plinius is de eerste schrijver die eenigermate juiste afmetingen aangeeft en het schijnt dat hij deze uit aan hem bekende documenten ontleende, aldus meent M. Jomard in zijnRemarques et Recherches sur les Pyramides d’Egypte.De overige Latijnsche schrijvers werpen ook geen licht op dit deel van ons onderwerp en ik bepaal mij tot het even aanstippen van enkele merkwaardige uitingen in hun korte en onzaakkundige verslagen. Solinus zegt: “daar zij de maat der schaduwen te bovengaan werpen zij geen schaduw” en Cassiodorus herhaalt deze uitlating in prozaïschen vorm. Aristides zegt dat hij van de priesters gehoord heeft dat de Pyramiden even diep in den grond doordringen als zij er zich boven verheffen.Bij de Arabische schrijvers vinden wij uitvoerige verhalen en legenden die echter alle eveneens op overlevering berusten, en wel van belang zijn met betrekking tot een geschiedkundig overzicht, maar ons geen belangrijke mededeelingen verschaffen wat aangaat de wijze van bouw. De meest bekende verhalen zijn die van Ebn Abd el Hokm, El Koday, Ibrahim ben Ouessif, Abd-el-latif. Hunne beschrijvingen bepalen zich tot het vermelden van den naam van den bouwer, Saurid geheeten, de reden waarom de Pyramiden gebouwd werden (nl. het opbergen van alle schatten aan kennis en aardsche goederen ter beveiliging tegen komende overstroomingen), hoe zij er uitzagen enz. Wij zien dus dat de andere schrijvers ons niets mededeelen dat ons helpen kan tot een begrijpen van de wijze waarop met “kleine houten werktuigen” de groote steenmassa’s op hunne plaats gebracht werden.Het was eerst in de latere tijden dat men zich in beschouwingen hieromtrent ging verdiepen. Reeds de FranscheSavantswaren in groote bewondering over de wijze waarop met geringe mechanische hulpmiddelen een bouw verkregen was, die zelfs tot op deze tijden niet geëvenaard werd. Door hun nauwgezet wetenschappelijk onderzoek zagen zij de moeilijkheden die de bouwers te overwinnen hadden gehad, beter in dan de oude bezoekers dit ooit gedaan hadden en zij waren dan ook verbaasd over de wijze waarop alles tot stand was gebracht. Om deze verwondering te begrijpen zal ik eerst trachten mijnen lezers een beeld te geven van de enorme hoogte, den omvang en de massa der Pyramide, en van die der samenstellende steenblokken. De lengte van elke zijde van het grondvlak was oorspronkelijk 764 voet (1 voet = 12 duim, 1 duim—25.4mM.), de loodrechte hoogte was iets meer dan 480 voet. Hare massa zou 6.840.000 ton bedragen (1 ton = 1000K.G.). Dit zegt alleen iets voor hen die met maten omgaan of er goed mede bekend zijn; voor mijne overige lezers haal ik eenige vergelijkingen aan die ik ontleen aan Sir Rawlinson’sEgypt. Hare hoogte is dus zes voet meer dan die der Kathedraal van Straatsburg, dertig voet meer dan die van de St. Pieter te Rome, honderdtwintig voet meer dan die van de St. Paul te Londen. Haar grondoppervlak is ruim viermaal zoo groot als een vrij groot stadsplein. Om onseen denkbeeld te vormen van den inhoud diene het volgende. Men denke zich een huis met muren van een voet dikte, twintig voet breed en dertig voet diep. Verder een aantal tusschenmuren tot een volume van een derde der buitenmuren. Dit huis bevat dan vierduizend kubieke voet metselwerk. De kubieke inhoud nu van de Groote Pyramide is voldoende om twee en twintig duizend zulke huizen te bouwen. Legt men het metselwerk in een lijn van een voet hoog en een voet breed dan kan men gaan tot een lengte van zeventienduizend mijlen of twee-derde van de lengte van den equator. En men moet tevens bedenken, dat de samenstellende deelen niet alle kleine steenen waren, hoewel een groot deel daar wel uit bestond. Er zijn echter—en vooral is dat bij de buitenlagen het geval—steenen bij, die dertig voet lang, vijf voet hoog en vier of vijf voet breed zijn. Zulke steenen wegen 40.000 à 60.000 K.G. Ook de steenen die inwendig geplaatst zijn, bijvoorbeeld boven de Koningskamer, zijn van reusachtige afmetingen. Rawlinson zegt dan ook: “Over het algemeen zijn de buitenblokken van eene grootte, welke hedendaagsche bouwers nauwelijks ooit durven gebruiken.”6En wanneer men bedenkt dat deze steenmassa’s niet ruw op elkaar gestapeld, maar op wonderbare wijze zoodanig aaneengevoegd waren, dat men eer de steenen zelf kan verbreken dan ze van elkander scheiden, dan kan men begrijpen dat vele der onderzoekers in stomme verwondering betuigden, dat deze bouwkunst tot op heden nog niet geëvenaard is. Trouwens, dat lijkt mij toe met vele kunsten en nijverheden van deze oude beschaving het geval te zijn; doch het zou mij buiten mijn bestek voeren, hier in een lofzang te vervallen op de verschillende kunsten en nijverheden in Egypte die ons treffen als op een hooger peil dan de moderne staande. In verband hiermede is het echter voor een bewonderaar van het oude Egypte een genot, inIsis UnveiledH. P. Blavatsky hierover na te slaan. Met betrekking tot dit onderwerp haalt zij o.a. Kenrich aan:“De voegen zijn nauwelijks waarneembaar, niet wijder dan de dikte van zilverpapier, en het cement is zóó houdend, dat brokstukken van de deksteenen nog op hunne oorspronkelijke plaats blijven, niettegenstaande het verloop van vele eeuwen en het geweld waarmede zij weggerukt werden.” Wie onzer hedendaagsche bouwkundigen enscheikundigenzal wederom het onvernietigbare cement van de oudste Egyptische gebouwen ontdekken?7Enkele Egyptologen zijn op het denkbeeld gekomen dat de steenen op de plaats zelve vervaardigd werden. Door een ingewikkeld werktuig zou water tot op de vereischte hoogte zijn gebracht, daar vermengd zijn geworden met zand enz., om te worden gevormd tot blokken van den juisten vorm en de juiste grootte.Om terug te keeren tot den bouw zelf. De Franschesavantsgeven hunne meening niet te kennen doch halen eenvoudig de reeds door mij genoemde oude schrijvers aan. Van de latere schrijvers vermelden wij alleen de gezaghebbenden. Sir Gardner Wilkinson, de welbekende schrijver vanManners and Customs of the Ancient Egyptians, zoowel als Colonel Howard Vyse, (1831 en 1837), waren van meening dat het door Herodotus bedoelde werktuig een “polyspaston” was, of een werktuig dat veel in gebruik was bij de Romeinen, en dat beschreven wordt door Vitruvius. Het is een werktuig van vele takels voorzien. Als bewijs voor het gebruik van deze werktuigen haalt Vyse aan dat “in de blokken van elken omgang gaten zijn van 8 duim middellijn en 4 duim diep, waarschijnlijk om de werktuigen te ondersteunen welke Herodotus beschrijft.”Perring in zijn werkThe Pyramids at Ghizéhzegt dat hij vermeent dat houten steigers gebezigd werden. Met betrekking tot de buitenlagen merkt Wilkinson op dat de uitstekende hoeken van de opgestapelde rechthoekige steenblokken van boven af naar beneden weggekapt werden en aldus het zijvlak glad maakten. Hij grondt deze meening op eene uitlating van Herodotus.Dr. Lepsius heeft met betrekking tot den bouw eene theorie opgeworpen die vrij algemeen vermeld wordt en bekend is. Deze is als volgt:“Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en een volkomen driehoek overbleef.”Tegen deze theorie heeft Rawlinson bezwaren, want hijmerktterecht op dat dit glad maken van de buitenzijde een werk van jaren moest zijn en dat als een koning stierf, het zeer te betwijfelen viel of zijn opvolger dit werk op zich zou nemen; in ieder geval zou hij aan zijn eigen pyramide hebben moeten beginnen.Wij hebben nu enkele der voornaamste schrijvers over dit onderwerp aangehaald, en het zal ons niet baten meerdere aan te halen aangezien zij geen nieuw licht werpen op de wijze van werken. Eene aardige samenvatting van de verschillende opvattingen van “de kleine houten werktuigen” en een beschrijving er van met vele platen vinden wij in een belangwekkend werkje van T. M. Barker, geheetenThe Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians. Ook vinden wij hierin eene uitvoerige beschouwing van de werkwijze zooals die door Diodorus vermeld werd, namelijk met behulp van hellende vlakken, eene methode die ook in Indië werd gebezigd. Dit hellende vlak zou dan 3000 voet lang en 120 voet hoog zijn geweest en de helling zou 1 voet op de 25 bedragen hebben. Deze steenen helling, met vet besmeerd, zou hebben gediend om met verminderde kracht de zware steenen aan te slepen. Enkele archaeologen beweren dat gedeelten van deze hellingen nog te vinden waren in het begin der achttiende eeuw. De zwaarste steen in de pyramide van ± 60.000 K.G. zou dan getrokken moetenzijndoor een bende van 900 man. De weg was 60 voet breed, dus konden er drie tegelijk naar boven.Wie dit alles gelooven wil, hij kan bewijzen vinden blijkbaar, maar er ontbreekt veel aan om overtuiging te schenken.Wanneer wij de bekende feiten goed onder het oog zien en overdacht hebben, kunnen wij thans zien, wat ons uit okkulte bron wordt medegedeeld omtrent den bouw. Wij vinden dan in de reeds meer door mij aangehaalde verhandelingThe Pyramids and Stonehenge, het volgende:“De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten, welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen, en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is.”En verder:“Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige steenmassa’s te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsingwerktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden, wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren; maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken, om groote massa’s te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche massa—het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen, te wijzigen.”Hierna gaat A. P. Sinnett er toe over, het bestaan van dit vermogen te verdedigen en zegt dat, hoewel de groote massa’s der menschheid natuurlijk lachen om zulk een vermogen, waarvan zij nog nooit iets gehoord of gezien hebben, op dit geval het gezegde van Galilei,e pur si muove, zeer van toepassing is. En zeker is de geheele oplossing van het raadsel van den bouw van die oude bouwwerken in dit vermogen te zoeken. Helderziende waarnemers hebben in de ákashaïsche beelden den bouw gezien en onderzocht, en zij zeggen ons dat deze reusachtige blokken steen op hun plaats gebracht werden met behulp van steigers, zooals wij die zien gebruiken bij den bouw van een klein huis.En hier vinden wij dus, om tot de Pyramiden terug te keeren, hoe men te werk ging bij den bouw er van. De adepten, die den bouw er van leidden, vergemakkelijkten het werk door de gedeeltelijke opheffing van de te gebruiken steenblokken, en de bouwers die onder hunne leiding werkten, bevonden dat de te gebruiken steenen gemakkelijk gehanteerd konden worden. Misschien viel het hun zelf niet eens op, dat dit vermogen door de adepten werd uitgeoefend. En dit nu is eene eenvoudige, hoewel ongetwijfeld zeer geheimzinnige, verklaring van het feit dat de reusachtige moeilijkheden, die zich voordeden bij den bouw van zulke kolossale bouwwerken, overwonnen konden worden. Hoe vreemd deze verklaring moge schijnen voor een leek, en hoe ongelooflijk zelfs, is niet de door de oudheidkundigen tot dusver aangenomen verklaring even ongelooflijk, wanneer men er over nadenkt? Zij toch zijn tevreden met aan te nemen dat de bouwers van dergelijke reuzenwerken en dus ook van de Groote Pyramide een onbegrensd aantal arbeidersjarenlang lieten arbeiden om de reusachtige steenen langs sleephellingen en door middel van balken, rollen en katrollen op de een of andere wijze op elkaar te stapelen. En wanneer wij nu weten dat bij deze bouwwerken de meeste steenen 2 of 3 honderd ton wegen en dat bijvoorbeeld bij den tempel van Baalber in Syrië steenen gebruikt zijn van 1500 ton, dan vergt deze hypothese der oudheidkundigen meer van ons geloof dan zelfs de okkulte verklaring. Zij willen ons iets laten aannemen wat wij weten dat physisch onmogelijk is, maar omdat zij het zeggen in ons bekende termen, en omdat zij spreken over dingen die wij zien kunnen met betrekking totkleinegewichten, nemen wij het onnadenkenderwijs al te licht aan. Maar deze reusachtige werken van de oudheid staan voor ons als een blijvend bewijs, dat ten tijde van hun bouw de wereld getuige was van een bouwkunde, welke hare overwinningen niet behaalde door ruwe kracht, maar door de toepassing van een subtieler kennis dan heden ten dage bezeten wordt.Na den bouw thans zoo ver mogelijk behandeld te hebben, rest mij het inwendige gangen- en zalenstelsel te beschrijven, om dan tevens over te gaan tot het eigenlijke doel dezer verhandeling, namelijk het nagaan van de verschillende theorieën die met betrekking tot de beteekenis van dit bouwwerk ontstaan zijn.1Herodotus. Boek II, hfdst.CXXIV.2Herodotus. Hfdst.CXXV.3Was hij hier maar verder op ingegaan! (v. G.)4Diodorus van Sicilië I, i § 63.5StraboI, xvii, blz. 808.6Rawlinson,Egypt, blz. 76.7Isis Unveiled, Deel I, 518.Hoofdstuk IV.Beschrijving van het Inwendige.Wij zijn gekomen tot een gedeelte van ons onderwerp dat wij kunnen beschouwen als eene inleiding tot de bespreking der verschillende theorieën die langzamerhand ontstaan zijn omtrent het doel der Groote Pyramide. Immers, indien zich onder de Pyramide, dus in het rotsvlak waarop zij staat, eene grafkamer had bevonden, en de Pyramide zelf een massief geheel met een daarheen leidende gang ware geweest, zooals dit bij andere pyramiden het geval is, zou er weinig reden bestaan hebben om zich in gissingen omtrent het doel der Pyramide te verdiepen. Maar juist door de bijzondere en eigenaardige afwijking, die de Groote Pyramide in dit opzichtvertoont, is zij geworden tot een onderwerp van de meest uiteenloopende beoordeelingen en gissingen, en was zij aanleiding tot heel wat geschrijf.Met betrekking tot haar inwendige vertoont de Groote Pyramide een eigenaardigen aanblik. Het feit dat zich zulk een uitgebreid gangen- en kamerstelsel daarin bevindt is slechts sedert betrekkelijk korten tijd bekend en de schrijvers der oudheid vermelden er niet veel van. Niet eerder dan sedert de groote Fransche expeditie onder Napoleon werd dit een feit van meer algemeene bekendheid en wij vinden inPancoucke’swerk over deze expeditie een vrij nauwkeurige beschrijving van deze gangen en kamers. Eerst in latere werken werden zeer uitvoerige beschrijvingen er van gegeven, naarmate dit noodzakelijk bleek tot staving van de theorieën der schrijvers aangaande de symboliek of het doel der Pyramide.Volgens de oudste verhalen was de Pyramide geheel gesloten tot het jaar 830 n. Chr.. Kalief Al-Mamoen zou de eerste geweest zijn die zich met geweld een toegang deed banen, daar hij de eigenlijke opening en den ingang niet wist en ook niet vond. Deze laatste is thans wel bekend en bevindt zich op ongeveer 47,5 voet boven de basis, tusschen den vijftienden en zestienden trap; zij schijnt eveneens bekend geweest te zijn bij enkele Grieken. Ook Strabo maakt er melding van. Hij zegt: “In de hoogte als het ware, in het midden tusschen de twee zijden, is een steen die weggenomen kan worden, en wanneer deze er uitgenomen is, is er een hellende ingang tot het graf.” Op een andere plaats zegt hij: “Deze ingang werd geheim gehouden.”In hoeverre het verhaal van den Arabischen schrijver Ibn Abd Al Hokm over het forceeren van den ingang waarheid bevat, is moeilijk na te gaan. De meeste schrijvers hechten er weinig waarde aan, daar er te veel feiten tegen spreken, en het verhaal blijkbaar zeer veel fantasie bevat. Wel is het waarschijnlijk dat gedurende deze poging om de Pyramide inwendig te onderzoeken wegens de schatten die, naar men veronderstelde, daar verborgen waren, de andere gangen en kamers ontdekt werden. Dit is ook de meening van Piazzi Smith en hij geeft een vrij uitvoerig verslag van het Arabisch verhaal omtrent deze gebeurtenis, waaraan ik het volgende ontleen.Al-Mamoen liet zijne werklieden dertig voet boven den grond in het midden der noordelijke zijde aanvangen met breken. Het was evenwel een oneindig veel zwaarder werk dan de Kalief gedacht had en zijnelieden werden oproerig en wilden dit blijkbaar onmogelijke werk opgeven. Doch de Kalief dwong hen tot weder opvatten van de taak die hij zich gesteld had en maanden en maanden werd er gewerkt; schijnbaar zonder dat men veel verder kwam. Daarna wilden zijne werklieden het in ieder geval opgeven, toen zij als bij een toeval een zwaren steen niet ver van hen vandaan hoorden neerploffen; dit deed hen met vernieuwden moed in die richting werken, waarop zij kort daarna doordrongen tot de benedenwaarts leidende gang, die waarschijnlijk vaak betreden was door Grieksche en Romeinsche bezoekers vóór hen. Doch thans lag daar de steen die het geluid veroorzaakt had, een steen waarvan de onderkant tevoren een deel uitmaakte van het dak van de benedenwaarts leidende gang. Blijkbaar was deze steen de afsluitsteen geweest van een opwaarts leidende gang. Dit was ook zoo. Echter was deze gang nog steeds verstopt door reusachtige wigvormige steenen die achter den gevallen steen een plaats gevonden hadden. De Arabieren zagen geen kans deze op te ruimen, dus hakten zij zich een weg door den veel zachteren kalksteen daar omheen; op deze wijze zich een weg banende tot de opwaarts leidende gang, een doorgang die ook heden nog benut wordt door bezoekers. Thans stond hun de weg open tot de verdere gangen en kamers der Pyramide, doch van schatten geen spoor.De Kalief wist nu slechts één middel om zijn verwoede volgelingen tot bedaren te brengen; in den nacht liet hij aan het einde van het geboorde gat een schat begraven in het steenwerk der Pyramide en liet hen den volgenden dag daar verder houwen. Natuurlijk vonden zij het goud en toen het geteld werd bleek het juist het bedrag te zijn dat verbruikt was voor de onderneming. Daar nu de werklieden hun werk betaald kregen, hield hun opstand spoedig op en de Kalief keerde terug naar El Fostat.Eén ding was echter bereikt. Sinds dien tijd was het inwendige der Pyramide opengelegd voor latere bezoekers, en enkele van deze drongen daar dan ook in door; en een der geschiedschrijvers verhaalt dat “enkele van deze er veilig weer uitkwamen en andere stierven.”1Het verhaal omtrent deze doordringing tot het inwendige der Pyramide heeft in handen van latere Arabische schrijvers wonderlijke veranderingen ondergaan en een van deze weergevingen vermeldt o.a. dat de Arabieren, toen zij tot de Koningskamer doordrongen, in de sarcofaag een steenen beeld vonden, dat hol was en waarin zich een lichaam bevond van een man met een gouden borstplaat, bezaaid met juweelen. Een zwaard van onberekenbare waarde lag op het lichaam. Nabij het hoofd bevond zich een karbonkel van de grootte van een ei.Inwendige van de Groote Pyramide.Inwendige van de Groote Pyramide.Naar een gravure inMarsham Adams’House of Hidden PlacesdoorJ. L. M. Lauweriks.Latere schrijvers hechten weinig waarde aan deze verhalen, en sommigen twijfelen er zelfs aan of het Al-Mamoen was, die de openbreking leidde en zeggen dat hij voor de uitvoering van zulkeen werk te kort in Egypte verbleef. Hoe dit ook zij, de Pyramide is thans reeds geruimen tijd open voor een inwendig onderzoek en het bekende gedeelte is dan ook herhaalde malen onderzocht, opgemeten enz., en de teekening, die hierbij gevoegd is geeft een juiste weergave van de ontdekte gangen en kamers.In de eerste plaats zien wij dan de benedenwaarts leidende gang, die tamelijk steil afloopt. De helling is 26° 28′2, de geheele lengte bedraagt 320 voet en 10 duim en moet oorspronkelijk toen de ingang nog gaaf was ongeveer 343 voet geweest zijn. De hoogte is 47 duim, de breedte ± 41 duim. Na 63 voet gedaald te zijn komt men aan den ingang tot de opwaarts leidende gang. De helling hiervan wordt nogal verschillend opgegeven, het gemiddelde van deze opgaven is ± 26°. De lengte van deze gang is 124 voet, de breedte en hoogte nagenoeg gelijk aan die van de benedenwaarts leidende gang; aan het einde er van bevindt zich een sousplatform, rechts daarvan is de put, in zuidelijke richting strekt zich de gang uit die naar de Koninginnekamer leidt, terwijl de Galerij een vervolg van deze gang is. De horizontale Galerij is ± 109 voet lang, de breedte 3 voet en 5 duim, de hoogte 3 voet en 10 duim in het eerste gedeelte en 5 voet 8 duim in het laatste gedeelte. De put is 191.5 voet diep; hiervan is 148.5 voet in de vaste rots uitgehouwen. Aan de wanden bevinden zich aan drie kanten uithouwingen om met behulp van handen en voeten naar boven te klimmen. De Koninginnekamer is 17 voet 10 duim lang, 16 voet 1 duim breed en 19 voet 5 duim hoog. Aan de oostelijke zijde in de Koninginnekamer bevindt zich eene uitholling. Sommige schrijvers denken dat de Arabieren dit gedaan hebben, andere denken dat hierachter een verborgen gang leidde naar de Sphinx of een andere verborgen plaats.Van het platform af leidt verder opwaarts de galerij die de merkwaardigste is van de geheele Pyramide, en algemeen bekend staat als de Groote Galerij. Zij is ± 150 voet lang (± 50 M.) en 27 voet 6 duim (± 9 M.) hoog. Het inwendige is zeer fraai afgewerkt. John Greaves, de tevoren aangehaalde schrijver over de Pyramide, was er reeds over in bewondering. Hij zeide: “Zij doet in merkwaardigheid in kunst en rijkheid van grondstoffen niet onder voor de prachtigste gebouwen” en kenschetst haar verder als “den arbeidvan een uitstekend bekwame hand.” Opmerkenswaardig is vooral het dak, dat bestaat uit zeven lagen, waarvan elke volgende voorbij de vorige uitspringt, terwijl verder aan weerszijden op den vloer eene verhooging of bank is, die over de geheele lengte van de Galerij loopt. In deze verhooging bevinden zich aan de eene zijde 26 gaten of uithakkingen, aan de andere zijde 28.In den vloer zijn als het ware ruwe treden gehakt, natuurlijk in latere tijden, voor het gemakkelijker omhoog komen der bezoekers, iets wat anders zeer bezwaarlijk zou gaan. Aan het einde van de Galerij bevindt zich een zeer hooge steen van 7.5 voet. Eenmaal hierop geklommen, komt men eerst aan een kleinen nauwen doorgang, vervolgens in een soort voorkamer en daarna in een korte gang. Hierin is een lage doorgang van graniet en men moet onder den steen die daar als het ware tusschen de wanden in de lucht hangt, en een soort opgehaalde valdeur vertegenwoordigt, doorkruipen; hierna weder een nauwen doorgang door, en men bevindt zich in de Koningskamer. De hangende steen wordt beschouwd als een die ter afsluiting zou hebben moeten dienen. De geheele lengte van dezen toegang is 22 voet. In de voorkamer ziet men aan de zijwanden meerdere groeven uitgehouwen, waarin waarschijnlijk ook valsteenen behoorden.De Koningskamer zelf is in weerwil van de vele beschadigingen een schoon geheel van graniet. Groote platen van 20 voet hoog, onmerkbaar aaneengevoegd, vormen de zijden. Er bevindt zich niets in behalve de veel besproken sarcofaag. Greaves geeft ook eene opgetogen beschrijving van deze kamer: “Deze rijke en ruime kamer, waar de kunst schijnt te hebben gewedijverd met de natuur, daar het werk niet ondergeschikt is aan de rijke grondstoffen, is als het ware in het hart van de pyramide op gelijken afstand van de zijden en ongeveer op het midden tusschen den top en de basis. De vloer, de zijden en het dak zijn alle gemaakt van groote stukken graniet.” Hij eindigt met haar “een prachtige kamer” te noemen. In de kamer bevinden zich nog twee luchtkanalen, die eerst later ontdekt zijn, een er van loopt naar de noordzijde der Pyramide, de andere naar de zuidzijde. De helling is ± 83° bij het noordelijke kanaal en de lengte van het noordelijke kanaal is volgens meting 233 voet. Zij vangen aan op een hoogte van 3 voet van den vloer.De sarcofaag die zich in de Koningskamer bevond is geheel van porphyr marmer. De lengte is 6.5 voet, de breedte 26.6 duim.Merkwaardig is het op te merken dat zij te groot is om later door de gangen in de kamer gebracht te zijn; men veronderstelt dat zij dus van boven af neergelaten is, vóór het dak gesloten en de Pyramide voltooid werd.Er is geen deksel op de sarcofaag en ook geen teeken dat er ooit een op geweest is; hierdoor is nogal verschil van meening ontstaan onder de geleerden of zij wel ooit gebruikt kan zijn om eene mummie te bevatten, en er zijn minstens evenveel gezaghebbende stemmen tegen dit denkbeeld als er vóór zijn. Zij is thans aanmerkelijk beschadigd hoewel de reizigers van vorige eeuwen haar steeds als gaaf vermelden. De steenen wand is ongeveer vijf duim dik en is buitengewoon hard. Wanneer men met metaal er tegen aanslaat klinkt hij als een bel. De aanblik van de gepolijste steensoort is die als van gekleurd glas met zwarte, witte en roode stippen.Thans echter is de sarcofaag aanmerkelijk beschadigd; velen ergeren zich hierover ten zeerste. Bonwick inPyramid Facts and Fancieslaat zich daarover uit als volgt: “Niet aleer de Europeanen, voornamelijk Engelsche en Amerikaansche dames en heeren hierheen begonnen te stroomen, begon dit Vandalisme. Het was niet voldoende massa’s van het uitwendige af te houwen, maar dit kostbare gedenkstuk, dat zelfs geen Turk had willen ontwijden of beschadigen, begon het gewone lot van relikwieën te ondergaan door de hand van relikwieën-vereerders en relikwieën-dieven.” En verder: “Met uitzondering van een klein brokje was de sarcofaag zestig jaar geleden gaaf. Zij die haar nu beschouwen, afgehakt en afgeschilferd, als zij is, mogen wel blozen voor de Westersche beschaving. Den schrijver zelf werd kalm door een van zijn Arabische volgelingen gevraagd of hij er gaarne een stuk afgebroken wou hebben. Met niemand die verantwoordelijk is voor het behoud en met de verwachting der inboorlingen voor een frank per afgebroken stuk, wie kan zich dan nog verwonderen over de trapsgewijze vermindering en eindelijke algeheele vernietiging van deze wonderbaarlijke en geheimzinnige kist.”Boven het dak van de Koningskamer bevinden zich vijf kleinere kamers, waarin men komen kan door een gat in het dak. Deze kamers zijn genoemd naar Davison, Hertog Wellington, Lord Nelson, Lady Arbuthnot en Col. Campbell. De eerste werd in 1763 door Davison ontdekt. De overige werden door Col. Howard Vyse in 1837 ontdekt. De kamers zijn van elkaar gescheiden door graniet, glad aan denbovenkant en ruw aan den onderkant. De bovenste of vijfde kamer heeft een dak van twee schuins opstaande steenblokken. De hoogte van de gezamenlijke kamers bedraagt ± 69 voet.Gezaghebbenden zijn het er vrijwel over eens dat de reden van het bouwen van deze kamers moet gezocht worden in het plan van de bouwers om het gewicht op het dak te verlichten; zoodat het dak van de Koningskamer niet zou bezwijken onder den zwaren last.De bovenvermelde kamers en gangen zijn de tot dusver ontdekte in het bovengrondsche gedeelte der Pyramide. In het rotsgedeelte bevindt zich nog een kamer, die gelegen is aan het einde van den benedenwaarts leidenden ingang. Daartegenover bevindt zich in deze kamer een doodloopende gang.Ik heb hier een korte en ruwe schets gegeven van het onverklaarbare en ingewikkelde stelsel van gangen en kamers in de Groote Pyramide, namelijk van die welke tot dusver ontdekt zijn. Want ik geloof ten stelligste dat er veel meer gangen en kamers zijn, en dit is verklaarbaar omdat in de verhandeling overPyramids and Stonehengegezegd wordt, dat Koefoe een deel der kamers afsloot. Echter zullen deze wel nooit ontdekt worden, daar de belangstelling tot verder onderzoek in dezen thans ernstig verflauwd is, en misschien gelukkig maar? Want die afsluiting zal niet zonder reden geweest zijn en evenals de bekende gangen en kamers eerst ontdekt zijn en onderzocht toen dit zonder bezwaar van andere zijde geschieden kon, evenzoo zal dit misschien later het geval zijn met nog onontdekte gedeelten.Thans zullen wij, nu wij ons eenigermate een oordeel kunnen vormen over de vraagstukken: wanneer werd de Pyramide gebouwd? en door wie? nagaan wat door verschillende schrijvers gezegd is met betrekking tot het waarom? Want zeker bestaan er geen meer uiteenloopende meeningen over het doel van een bouwwerk dan het geval is bij deze Pyramide. In het volgende hoofdstuk zullen wij dus zien welke doeleinden men alzoo aan de Pyramide toekende.1Our Inheritance in the Great Pyramidblz. 85–93.2De hier door mij gegeven hoeken en afmetingen zijn gemiddelde, en bij benadering gegeven, daar nagenoeg iedere schrijver andere maten geeft. Deze maten ontleen ik aanPyramid Facts and Fancies.Hoofdstuk V.Over de bestemming der Pyramide.In de voorgaande hoofdstukken heb ik, zij het ook onvolledig, in hoofdtrekken aangegeven wat ons uit gezaghebbende bronnen bekend is geworden omtrent het tijdstip van den bouw, omtrent de(n) bouwer(s) en de wijze van bouwen; en ik heb slechts hier en daar aangestipt wat deze schrijvers dachten met betrekking tot het doel, voor hetwelk de Pyramide gebouwd zoude zijn. Mijne lezers moeten het voorgaande geheel beschouwen als eene lange inleiding tot de eigenlijke bedoeling van deze verhandeling, namelijk het beschouwen van de bestemming van dit merkwaardige bouwwerk. En hetgeen thans volgt als een algemeen overzicht van de verschillende theorieën over die bestemming, moet eveneens weer beschouwd worden als een overgang tot het nagaan van die theorie, welke voor Theosofen—hetzij krachtens geloof, gezag of overtuiging—de meeste waarde heeft, namelijk die theorie, welke ik aanduidde als de Theosofische en welke men eveneens kan beschouwen als een maçonnieke theorie.Het zou onmogelijk zijn, alle theorieën die omtrent de vermoedelijke bestemming der Pyramide bestaan, hier ter plaatse volkomen te behandelen; ik moet volstaan met ze kortelijks weer te geven, en zelfs kan ik enkele alleen vermelden, daar ze volstrekt van geen waarde of belang zijn voor ons eigenlijk doel. Een ieder die belang stelt in de eene of andere speciale theorie, kan deze voor zichzelf nagaan in de daarover geschreven werken, en de meeste dezer theorieën zijn zelfs te technisch om in een populaire verhandeling als deze een plaats te vinden. Ik moet dus slechts de minst technische behandelen.De meest bekende, thans ook meest gezaghebbende theorie is die welke de Groote Pyramide evenals alle pyramiden maakt tot een praalgraf van Egyptische Pharaoh’s.De andere schrijvers laten zich, zooals ik reeds vermeldde, weinig uit over het doel en men kan dus weinig steun bij hen vinden, zoowel voor deze als voor eene andere theorie.Jomard zegt in zijn verhandelingSur les Pyramides d’Egypte1:Indien wij in eene bijna volkomen duisternis verkeeren met betrekking tot het tijdstip van den bouw der Pyramide en de namen van hare Bouwers, hangt er een bijna even dichte sluier over de bestemming dezerbouwwerken, en het zou ook niet anders kunnen zijn; want de geschiedschrijvers der oudheid en de Arabische schrijvers hebben niet de middelen gehad om die te kennen, de een zoo min als de ander. Het was natuurlijk dat men deze bouwwerken beschouwde als te behooren tot graven, praalgraven. Dit denkbeeld is in den grond geheel in overeenstemming metde waarschijnlijkheid en bovenal met die welke een gevolg is van analogie[ik cursiveer; v. G.]; omdat het Lybisch gebergte te Memphis niet zooals te Thebe hoogopstaande zijwanden aanbood, die geopend werden voor de graven der koningen, zou men daarom niet getracht hebben daarin te voorzien door bouwwerken? En zou men dan misschien door de reusachtige afmetingen, door de ontzagwekkende moeilijkheden van de onderneming, hebben willen wedijveren met den rijkdom van de koninklijke onderaardsche begraafplaatsen?Maar met dit gegeven, hoe waarschijnlijk het zij, zou men nooit het werk der Pyramiden verklaren en alles wat een nauwgezet onderzoek er ontdekken moet; en in de eerste plaats het denkbeeld van de keus van den pyramidalen vorm.”En verder:“Hoe dit zij, indien wij toestemmen, dat het denkbeeld van een pyramide dat van een graf medebrengt, zou men dan gedwongen zijn te besluiten, dat geen enkele andere bedoeling voorgezeten heeft bij de oprichting van deze grootsche bouwwerken? Wij gelooven het niet. Hoe kunnen wij bijvoorbeeld als waar erkennen, dat bij een volk dat zoo godsdienstig was als de Egyptenaren, de godsdienst en zijne mysteriën vreemd waren aan het doel dat men zich stelde bij het oprichten van de Pyramiden? Zou dit aan den anderen kant niet zijn een geheel terzijde stellen van de verklaring, die de diepzinnigste waarnemer der oudheid, Aristoteles, van deze bouwwerken geeft, die ze toeschrijft aan de politiek der vorsten? Ten slotte, wanneer men denkt over de keuze van den vorm die aan de bouwwerken gegeven is, over de afmetingen en het onderling verband der deelen, over de nauwkeurige oriëntatie der zijden, en tal van andere niet minder treffende omstandigheden, kan men dan verzekeren, dat de wetenschappen en wetenschappelijke doeleinden bij hare samenstelling niet hebben voorgezeten? Deze veronderstellingen zouden alle gelijkelijk onaannemelijk zijn. Ik stem toe dat de volmaaktheid van den arbeid en de samenstelling verklaard kunnen worden door den graad van volmaking waartoe de bouwkunde toen gevorderd was, en dat iedere soort openbaar bouwwerk met de grootste aandacht uitgevoerd moest worden; maar hier is een over-overvloed van zorgen, voorzorgen tot in de kleinste bijzonderheden voor de hechtheid, voor het afwerken van het geheel; de architect is geleid door den sterrekundige, en de samensteller door den wiskundige.Anderen vóór mij hebben er aan getwijfeld, dat de pyramide gebouwd was om als graf te dienen2, maar men heeft ongelijk te ontkennen dat een enkel deel van het gebouw of der nabuurschap deze bestemming ontvangen zou hebben; dit is een onderscheid dat mij belangrijk schijnt vast te stellen.”Uit het hier aangehaalde ziet men dat dezesavantniet boudweg beweerde, dat de Pyramide niets dan een graftombe was, en hij gaat zelfs verder, zooals wij later zullen zien. Ik haal dezen schrijver uitvoerig aan, omdat onder degezaghebbendeschrijvers niemand zoo in den breede dit onderwerp bespreekt en op zulk eene wijsgeerige en waarlijk wetenschappelijke wijze. Niet louter beweringen, maar een onder de oogen zien van feiten en een ruimte laten voor de meeningen van andere schrijvers en denkers.Hij gaat er vervolgens toe over, de schrijvers der oudheid na te gaan met betrekking tot dit deel van het onderwerp: Diodorus, Strabo en Herodotus zinspelen op de Pyramide als een graf (Herodotus echter minder rechtstreeks; hij zegt dat Cheops in de rots waarop de Pyramiden gebouwd zijn verscheidene onderaardsche kamers gedolven had, die bestemd waren als zijn graf te dienen; dit graf was geplaatst op een eiland dat gevormd werd door een kanaal, dat met de rivier in gemeenschap stond); Plinius spreekt niet over de bestemming der Pyramide, en met betrekking tot hetgeen de Arabische geschiedschrijvers mededeelen, zegt hij:“Het is waar dat verscheidene Arabische schrijvers de groote pyramiden als graven beschouwd hebben; maar zij zijn ongetwijfeld tot die meening gekomen om reden van de kleinere pyramidale bouwwerken in den omtrek, die sarcofagen en gebalsemde lijken bevatten, en die inderdaad niets anders konden zijn dan graven. De vraag was, en is nog, te weten of de bouwers van deGrootePyramide een ander doel gehad hebben dan er een mummie van een koning te plaatsen: wij zullen weldra elders zien dat de Oostersche schrijvers niet allen van dat gevoelen zijn”.En, verder, na uitgeweid te hebben over het inwendige der Pyramide:“Er is ongetwijfeld niets onwaarschijnlijks in, te denken dat men in een dergelijk gebouw mysteriën vierde, of dat men misschien inwijdingen volbracht in de onderste zalen, en in het algemeen kultus, ceremoniën en godsdienstige riten.....”Vervolgens gaat hij er toe over verschillende andere theorieën te beschouwen op eene zeer vrijzinnige wijze, theorieën die wij zoo dadelijk eveneens zullen vermelden; en ik kan niet beter doen, om mijn lezers de juiste houding van zijn denken aan te wijzen ten opzichte van de verschillende theorieën, dan zijn slotwoorden met betrekking tot dit deel van het onderwerp aan te halen:“Wij laten het aan onzen lezer over, na deze laatste verklaringen die te verkiezen, welke hem het waarschijnlijkst lijkt.Dat moeten wij eveneens doen ten opzichte van de andere vraagstukken die opgeworpen worden over het doel en de bestemming der Pyramiden, voornamelijk over het doeleinde voor hetwelk deGrootePyramide opgericht werd. Indien het nagenoeg onmogelijk is, dit doel op zekere wijze aan te duiden, zou het volstrekt niet minder moeilijk zijn aan te toonen dat de bestemming van het gebouw louter was om als graf dienst te doen. Het staat aan den lezer, te oordeelen over de waarde der bewijsredenen en der beschouwingen die voor zijn oogen liggen, en ze te vergelijken met feiten en waarnemingen. Hij zal allereerst uit al deze feiten twee gevolgtrekkingen maken; de eerste, dat dit grootsche bouwwerk niet bestemd werd voor een éénig doeleinde; de tweede, dat de afmetingen van de Pyramide evenredige deelen zijn van de grootte van een lengte-graad in Egypte. Uit deze twee gevolgtrekkingen, die onbetwistbaar schijnen, zal de lezer misschien vervolgens deze gevolgtrekking afleiden, dat de Pyramide de afmetingen, die zij heeft, niet toevallig ontvangen heeft, maar ingevolge een plan, om de waarde van den graad en de gebruikelijke lengte der maten in Egypte vast te stellen.”Wij zouden de bestaande theorieën in enkele hoofdgroepen kunnen verdeelen, en wij zouden dan naast de graftheorie en enkele andere onbeduidende theorieën een sterrekundige, een godsdienstige, een wetenschappelijke, een symbolische en een mystieke groep hebben, en daar wij reeds voldoende over de graftheorie gesproken hebben in dit en voorgaande gedeelten, zullen wij thans overgaan tot het aanstippen van enkele onbelangrijke—ja, vaak belachelijke—theorieën en het meer uitvoerig vermelden der belangrijke.Van de voor ons doel minder belangrijke theorieën is die van Fialin de Persigny er eene, die de meeste belangstelling verdient, daar zijne uitvoerige beschouwing, vervat in een tamelijk uitgebreid werk waarvan de titel luidt: “De la destination et de l’utilité permanente des Pyramides”, duidt op eene ernstige overtuiging en studie.Zijne theorie is, dat de Pyramiden gebouwd werden teneinde dienst te doen als bescherming tegen de zandstormen voor dat gedeelte van het Nijldal dat niet door de Lybische bergen beschut werd. Het gebrek van deze theorie valt ons reeds bij den aanvang in het oog, namelijk dat een toevallig nut van een gebouw niet de reden was tot het doen oprichten er van. Om dit te verduidelijken: eene kerk wordt gebouwd om daarin godsdienstige bijeenkomsten te houden, en al doet de spits van den toren, die bij dit gebouw behoort, nu dienst als een peilingspunt bij graadmetingen dan is de reden van het bouwen van dien kerktoren nog niet tezoeken in het nut van het bouwwerk bij laatstgenoemde metingen. De theorie van Ballard gaat zelfs in meer letterlijken zin aan dit euvel mank dan de theorie van De Persigny, want eerstgenoemde denkt werkelijk dat de drie pyramiden dienst deden als uitgangs-peilingspunten voor een uitgebreid stelsel van opmetingen teneinde het land van Egypte op de juiste wijze onder de bewoners te verdeelen. Zijn theorie is vervat in een boek genaamd “The solution of the Pyramid Problem”. Het eerste boek is lezenswaard voor belangstellenden in dit onderwerp als een bewijs van de wonderlijke aberraties van het menschelijk vernuft.Van de minderwaardige theorieën, die eigenlijk in ’t geheel den naam theorie niet verdienen, maar louter als een buitensporige of bekrompen opvatting van haar opsteller kunnen worden beschouwd, noemen wij de volgende. Sir Thomas Browner schreef ten tijde van Elisabeth, dat de donkere holen en bergplaatsen voor mummies de “schuilplaats van Satan” waren, zijne redeneering grondende op eenige opmerkingen in Egyptische papyrussen over “de onderwereld” en eveneens op eenige gezegden in het Oude Testament. Welke deze laatste waren, weet ik niet, doch ik denk dat hij die bedoelde welke H. P. Blavatsky eveneens aanhaalt in deGeheime Leer:“De groote breuk, die tusschen de zonen van het Vierde Ras ontstaan is zoodra deeerste TempelsenZalen van Inwijding onder de leiding der ‘zonen van God’ gebouwd waren3, wordt allegorisch voorgesteld door de Zonen van Jacob.De stervende Jacob beschrijft zijne zonen als volgt: ‘Dan’, zegt hij,‘zal eenslangzijn aan den weg, eenadderslangin het pad, bijtende de verzenen des paards, dat zijn rijder achterover valle’ (d. w. z.hij zal den candidatenZwarte Magieleeren).Omtrent Simeon en Levi merkt de aartsvader op dat werktuigen vanwreedheidin hunnewoningenzijn: ‘O mijn ziel, kom niet in hungeheim(lees Sod), tot hunnevergadering’.Nu is Sod de naam van de Groote Mysteriën”4.Wij kunnen hieruit lezen, dat er eveneens pyramidale (?) tempels van inwijding in zwarte magie waren en daar behoeven wij natuurlijk niet aan te twijfelen; bovenstaande aanhaling zegt genoeg, maar ik vrees, dat Browner te ver ging met zijn verklaring, indien ikhem al een dergelijk diepzinnig denken over het vraagstuk mag toeschrijven.Bonwick in zijnPyramid Facts and Fanciesgeeft deze theorie slechts even aan, en vermeldt ook enkele zeer belachelijke theorieën, die den naam theorie in het geheel niet waard zijn, o.a. een van een Zweedsch wijsgeer (?!), die als zijn meening te kennen geeft, dat de Pyramiden eenvoudig gebouwd waren als middel om het water van den troebelen Nijl te zuiveren, dat door de gangen er van gevoerd zou worden. Ik heb het boek, waarin deze meening toegelicht wordt, niet kunnen bemachtigen, en dat spijt mij, aangezien het mij zeker eenige aangename oogenblikken zou bezorgd hebben, en ik in geen geval overgehaald zou kunnen worden om aan te nemen, dat de Pyramiden een soort “watertorens” der oudheid waren. Verder vinden wij in dit werkjeFacts and Fanciesvermeld de meening van Gable, die zijne lezers vergast op het volgende belangwekkende item: “het blijkt niet, dat de stichters eenigerlei lofwaardig plan hadden, aan de nakomelingschap wetenschappelijke afbeeldingen na te laten”, zooals enkelen veronderstellen; “daarom schijnen zij niet met een geometrisch doel opgericht te zijn”; doch daar volgens Gable vastgesteld is (op welke wijze zegt hij niet) “dat zij opgericht werden door hen ‘die na hun huwelijk met de dochters der menschen niet alleen ontaarde verachters van nuttige kennis werden, maar zich geheel aan weelde overgaven’”, is het niet te verwonderen, dat zijn eindconclusie is,dat zij gebouwd werden om de vrouwen te behagen!Wathen schreef in 1842: “de geschenken van de koningin van Scheba aan de Egyptenaren worden nu aanschouwd in de onvernietigbare massa’s der Pyramiden”, terwijl Benjamin van Toledo en Vossius beweerden, dat zij de graanpakhuizen van Jozef waren. Reeds in 1330 beweerde Maundeville hetzelfde, zegt Bonwick. Bewijzen en zelfs bewijsredenen ontbreken echter ten eenenmale.Een theorie van meer waarde, en die ook zeer grondig is uitgewerkt en beredeneerd, is die van Thomas Yeates, die in 1833 over dit onderwerp eene dissertatie uitgaf5. In deze dissertatie maakt hij eene vergelijking tusschen de Pyramiden en de ark van Noach, voornamelijk wat betreft de afmetingen. Hij zegt: “de afmetingen van de Groote Pyramide benaderen in de oude ellematen de ark van Noach op zulk een wijze, dat ik niet kan aarzelen,hoe nieuw het denkbeeld ook is, eene vergelijking te trekken”.Aangezien wij later op de maten-theorie zullen terugkomen, zullen wij deze theorie alsdan nogmaals in verband met deze beschouwen.Reeds maakten wij, toen wij Jomard aanhaalden, melding van de denkwijze van Aristoteles over het doel van het bouwen der Pyramide. Deze denkwijze is er eene, die door velen aangehangen werd. Hij dan zegt, dat zij louter een vertoon van koninklijk despotisme vereeuwigde, doch dat dit vertoon een dieperliggende politieke reden had. In dit vruchtbare land (sprekende van de Nijldelta, die volgens Theosofische opvatting nog niet aangeslibd was tijdens den bouw) zou het volk weinig te werken gehad hebben en was er dus veel tijd tot muiterij en opstand tegen koninklijk en priesterlijk gezag. De priesters zouden dan den koning overtuigd hebben, dat er slechts één uitweg bestond om rust onder het volk te brengen, namelijk het te dwingen tot het bouwen van reusachtige bouwwerken, en aan deze reden zouden de Pyramiden haar ontstaan hebben te danken.Plinius is vrijwel van dezelfde opvatting, alleen meent hij, dat de werklieden de krijgsgevangenen waren, die niet nutteloos gevoed en gekleed konden worden en dus aan het werk moesten worden gehouden.Greaves bespreekt de meeningen van deze beide schrijvers der oudheid. Hij zegt: “Maar waarom de Egyptische koningen zich zulke reusachtige onkosten getroost zouden hebben om deze Pyramiden te bouwen, is een vraag van hoogeren aard.”Aristoteles zegt dat zij het werk van tyrannie zijn; en Plinius beweert dat de heerschers ze deels uit praalzucht en deels uit politiek bouwden, om het volk bezig te houden en het te bewaren voor muiterij en opstand.Sandijs dacht “dat het was uit vrees dat hunne groote schatten (die van de Pharaoh’s) hunne opvolgers zouden doen ontaarden”.Hoe men dezen Koningen tegelijkertijd toe kan schrijven dat zij tyrannen, hoogmoedige despoten enz. waren, en tevens zulke een vrees koesterden voor de ontaarding hunner opvolgers, is mij weer een raadsel!Mariette Bey is verontwaardigd over deze theorie en verwerpt haar; en Hekekyan Bey merkt terecht op: “Het is welbekend dat een tyran bijna nooit een werk voltooit dat door zijn voorganger onafgewerkt gelaten is. Het is duidelijk dat deze Pyramiden eene nationale onderneming waren; dat tot het plan er voor en deuitvoering er van werd besloten na rijp beraad; wetten werden gemaakt en in inkomsten werd voorzien om wat het publiek beslist had door de uitvoerende gezaghebbers tot stand te doen brengen.”Dufeu beweert het tegengestelde van Aristoteles. Hij zegt: “Verre van het werk te zijn van den trots en het despotisme van de Pharaoh’s, zijn zij integendeel bewijzen van hun verheven wijsheid en de diepe kennis hunner priestercolleges.”Eindigen wij dit hoofdstuk met een paar der bekendste Arabische schrijvers over dit punt te hooren:Mustadi (te Gihe in Arabië) zegt in 992:Er was een koning, genaamd Saurid, zoon van Salahx, 300 jaren voor den zondvloed, die op een nacht droomde dat hij de aarde met hare bewoners omvergeworpen zag, de menschen op hun gelaat neergeworpen, terwijl de sterren van den hemel vielen en tegen elkaar aanstieten en afschuwelijke en vreeselijke kreten slaakten terwijl zij vielen.Hij ontwaakte daarop zeer verontrust en verhaalde zijn droom aan niemand en was in zichzelf overtuigd dat een of ander groot ongeluk aan de wereld zou overkomen. Een jaar daarna droomde hij weder dat hij de vaste sterren op de aarde zag neerkomen in den vorm van witte vogels, die de menschen wegsleepten en hen tusschen twee groote bergen wierpen, welke zich zoo goed als samenvoegden en hen bedekten en toen werden de heldere, schijnende sterren donker en werden verduisterd. Daarop ontwaakte hij, buitengewoon verbaasd en trad in den Zonnetempel en begon te weenen. Den volgenden morgen beval hij dat alle vorsten der priesters en de toovenaars van alle provinciën van Egypte tezamen zouden komen; hetgeen zij deden tot een aantal van 130 priesters en waarzeggers, naar welke hij toeging en hun zijn droom verhaalde, dien zij van groot belang vonden; en de verklaring die zij er aan gaven was, dat een zeer groot ongeluk aan de wereld overkomen zou.Onder anderen zeide de priester Aclimon, die de grootste van allen was, en voornamelijk zijn verblijf hield in het hof van den koning, tot dezen:‘Heer, uw droom is bewonderenswaardig en ikzelf zag een anderen, ongeveer een jaar geleden, die mij verschrikte en dien ik aan niemand geopenbaard heb’.‘Zeg mij welke hij was’, zei de koning. ‘Ik droomde’, sprak de priester, ‘dat ik met Uwe Majesteit op den top van den vuurberg was, welke in het midden van Emsas is, en dat ik den hemel beneden zijn gewone ligging zag zakken, zoodat hij bij de kruin onzer hoofden was, terwijl hij ons bedekte en omringde als een groot omgekeerd bassin; dat de sterren met de menschen vermengd waren in verscheidene figuren; dat de menschen Uwe Majesteit hulp afsmeekten en in menigten tot u snelden als hun toevlucht; dat gij uwe handen boven uw hoofd ophieft en trachttet den hemel terug te werpen en hem tegenhield, en dat ik, toen ik zag wat Uwe Majesteit deed, hetzelfde verrichtte.Terwijl wij in die houding waren, buitengemeen verschrikt, dunkt mij,dat wij een gedeelte van den hemel zich zagen openen en een helder licht daaruit zagen komen; dat daarna de zon op die plaats opkwam en dat wij haar om bijstand smeekten, waarop zij tot ons zeide: “De Hemel zal tot zijn gewone standplaats wederkeeren wanneer ik driehonderd rondloopen volbracht heb”. Daarop ontwaakte ik buitengewoon verschrikt.’Toen de priesters aldus gesproken hadden, beval de koning hun de hoogte der sterren te nemen en te overwegen welk ongeluk zij voorspelden. Waarop zij verklaarden dat zij eerst den Zondvloed en daarna het vuur voorspelden. Toen beval hij dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat zij alles wat zij als waarde schatten, daarin zouden brengen met de lichamen van de koningen en hunne weelde, en de aromatische geuren, en dat zij hunne wijsheid er op zouden schrijven, opdat de wateren deze niet zouden vernietigen”.Dit is een gewijzigde vorm van het Bijbelsche verhaal waar Sem de kennis van de wereld der oudheid op twee pilaren laat graveeren: Jachin en Boaz.De geschiedschrijver Ibn Abd Alhokm is de volgende van wien ik een gedeelte wil aanhalen. De aanvang van het verhaal van dezen komt ongeveer op hetzelfde neer als het verhaal van Mustadi.Daarna gaat hij verder:“Toen de priesters gezegd hadden, dat de zondvloed ook in zijn land zou komen binnen enkele jaren, beval de koning dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat een kelder (grot) zou worden gemaakt, waarin de Nijl moest loopen, vanwaar hij in de westelijke landen stroomen zou en in het land van Al Saïd.En hij vulde de Pyramiden met talismans, en met vreemde dingen, rijkdommen en schatten en dergelijke. Hij graveerde alle dingen er in, die hem door wijze menschen verteld waren en evenzoo alle diepgaande wetenschappen. De namen van alakakirs, de gebruiken en gevaren er van, de wetenschappen van astrologie en wiskunde, van geometrie en natuurkunde, alle deze kunnen weergegeven worden door hen, die de karakters en taal kennen.—Nadat hij bevelen gegeven had voor dit gebouw, sneden zij groote kolommen en wonderlijke steenen uit. Zij haalden machtige steenen van de Ethiopiërs en maakten daarvan de grondslagen van de drie Pyramiden, terwijl zij ze samenvoegden met lood en ijzer. Zij bouwden de poorten er van 40 ellen onder den grond en maakten de hoogte der Pyramiden 100 koningsellen = 500 van onze ellen. Bij den aanvang van dezen bouw was een gelukkige horoskoop. Nadat hij ze geëindigd had bedekte hij ze van boven tot beneden met gekleurd satijn (marmer) en deed een plechtig feest plaats vinden, waar alle inwoners van het rijk bij tegenwoordig waren. Toen bouwde hij in de westelijke Pyramide 30 schatkamers, gevuld met rijkdommen en werktuigen, en met handteekeningen gemaakt uit edelsteenen en met ijzeren werktuigen en aarden vaten en met eenmesdat niet verteerten met glas dat gebogen en niet gebroken kan worden, en met vreemde betooveringen en met verscheidene soorten alakakirs, enkele en dubbele, en met doodelijke vergiften en vele andere dingen. Hij maakte ook in de oostelijke Pyramide hemelsche Sferen en sterren, en hunne verscheidene aspekten en werkingen en geuren die daarbij gebruikt worden en de boeken die over deze zaken handelen.Hij plaatste ook in de gekleurde pyramide (de derde) de verklaringen van de priesters in marmeren blokken en bij elken priester een boek, waarin de wonderen van zijn ambt en van zijne daden en zijne geaardheid en wat in zijn tijd gedaan werd en wat is en wat zijn zal van het begin tot het einde van tijd. Hij plaatste in elke Pyramide een schatbewaarder. De schatbewaarder van de westelijke Pyramide was een standbeeld van marnier, dat rechtop stond met een lans en op zijn hoofd kronkelde een slang. Hij die er nabij kwam en stil stond, dien beet de slang in de zijde, en kronkelde zich om zijn keel en doodde hem en keerde daarna naar hare plaats terug.Tot schatbewaarder van de oostelijke Pyramide maakte hij een afgod van zwart agaat met open en schijnende oogen, die met een lans op een troon zat. Wanneer iemand naar dezen opzag, hoorde hij een stem aan zijne zijde, die zijne zinnen wegnam, zoodat hij bewusteloos op zijn gelaat viel en niet ophield totdat hij stierf. Tot schatbewaarder van de gekleurde Pyramide maakte hij een standbeeld genaamd Albut, zittende. Hij die naar dit beeld zag, werd er naar toegetrokken tot hij er tegen aankleefde en kon er niet van afgehaald worden voor en aleer hij stierf.”Saurid schreef op de Groote Pyramide:“Ik liet deze Pyramide opbouwen in zes jaren. Afbreken is gemakkelijker dan opbouwen. Wie deze Pyramiden in zeshonderd jaren afbreekt is knapper en waardiger dan ik en gereed mijne plaats in te nemen”.1Pancoucke’sDescription de l’Egypte. Tome IX, blz. 485 en verv.2Voyage du docteur Shaw en Barbarie etc.D. III, blz. 314 en volg.3Duidelijk genoeg wordt hier gedoeld op de Pyramiden; zie Hoofdstuk I. (v. G.)4Geheime Leer, Deel II, blz. 260.5A Dissertation on the antiquity, origin and design of theprincipalPyramids of Egypt.
Hoofdstuk III.De Bouw.Het is thans mijne bedoeling, na te gaan wat door verschillende schrijvers der oudheid en der latere tijden geschreven is met betrekking tot de wijze van bouwen der Pyramide. Gaarne had ik gezien dat een bouwkundig theosoof dit in mijne plaats gedaan had, en er zijne beschouwingen aan had vastgeknoopt, maar aangezien mijn wensch in dezen niet vervuld is, hoop ik dat het hier geschrevene den een of anderen bouwkundige zal aanmoedigen zulks nog te doen, en zal zelf volstaan met zoo volledig mogelijk de verschillende verhalen der schrijvers over dit deel van mijn onderwerp op te sommen.Allereerst dan Herodotus. Hij schrijft:“Cheops liet eerst de tempels sluiten en verbood iedere soort van offering. Vervolgens veroordeelde hij de Egyptenaren zonder onderscheid tot het uitvoeren van openbare werken. Een gedeelte werd gedwongen steenen te houwen in de steengroeven en ze tot aan den Nijl te voeren; een ander gedeelte om deze steenen in ontvangst te nemen, den stroom over te steken op booten en ze in de bergen te brengen aan de Lybische zijde. Honderdduizend mannen, die elke drie maanden afgelost werden, waren voortdurend bezig met deze werken; en tien jaren, gedurende welke het volk onophoudelijk met nieuwe moeilijkheden werd belast, werden in beslag genomen enkel om een weg te maken om de steenen te vervoeren, een werk dat zelf niet minderwaardig is aan het oprichten van een pyramide.”1Vervolgens beschrijft hij de grootschheid van dezen weg, en merkt tevens op hoe gelijktijdig daarmede in den rotsgrondwaaropde Pyramiden staan onderaardsche kamers werden uitgehouwen, die bestemd waren voor het begraven van de mummies der Koningen. Daarna komen wij in zijne reisbeschrijving van Egypte aan dat gedeelte, hetwelk de wijze van bouwen der Pyramide beschrijft. Merkwaardig is het, alvorens dit gedeelte aan te halen, nog even te vermelden hoe hij zegt dat “zij [de Pyramide] geheel overdekt is met gepolijste steenen, met de grootste zorg aanéén gevoegd, van welke steenen geen enkele minder dan dertig voet is.”“Volgens de wijze van werken die aangewend werd bij het opbouwen van de pyramide vertoonden hare zijden eerst een soort van trap in den vorm van een graadsgewijs opklimmend amphitheater. Toen zij volgens dit plan afgewerkt was, en het noodig werd haar te overdekken, bezigde men, om achtereenvolgens de steenen op te heffen die tot deze bekleeding moesten dienen, werktuigen die van hout gemaakt waren en eene kleine afmeting hadden. Een van deze werktuigen lichtte den steen van den grond zelf op en bracht hem over naar den eersten trap; wanneer hij daar aangekomen was bracht een ander dien over naar den volgenden trap, en zoo vervolgens; of er evenveel werktuigen waren als trappen, of dat hetzelfde werktuig, dat gemakkelijk te verplaatsen was, tot het vervoeren der steenen diende, ik moet het verhalen zooals het een en ander mij gezegd is. Op deze wijze begon men met de bekleeding van het bovenste gedeelte en men ging voort met werken, al afdalende, eindigende met het onderste gedeelte dat tot aan den grond kwam.”2Verder zegt hij dan nog hoe op een der zijden van de Pyramide in hieroglyfen vermeld werd het loon der arbeiders, en maakt daaruit op den duur van den bouw, waarvan hij dan zegt dat hij “nog al lang heeft moeten duren.”In ieder geval kunnen mijne lezers hieruit wel zien dat men uit Herodotus niet heel veel wijzer wordt en niemand is dat dan ook ooit geworden. Alleen heeft men mijns inziens te veel geloof gehecht aan hetgeen hijwelzeide, en men heeft vaak in latere boeken zijn beschrijving van den bouw als de ware aangenomen en zich in allerlei gissingen verdiept over de vraag wat die “werktuigen, die van hout gemaakt waren” dan toch wel waren, en bijna elk schrijver vindt dan een ander werktuig uit, of beweert dat de beschrijving die door een ander schrijver gegeven wordt niet deugt. Allen komen echter hierin overeen, dat het een soort van hefboom moet geweest zijn en de verschillen komen dan in een bespiegeling van de wijze waarop zulk een hefboom werkte, want een dergelijk ding moet toch een steunpunt hebben. En wanneer wij dus maar losweg zeggen dat met hefboomen gewerkt werd, volgen wij indezen een weinig Archimedes na, die zeide dat hij de wereld wel opheffen kon, als hij maar een steunpunt voor zijn hefboom had.Wij zullen het er dus over eens moeten zijn, dat indien de hefboomlegende als de ware beschrijving van het oplichten der buitenste steenen beschouwd moet worden, er aan Herodotus’ beschrijving toch nog wel iets ontbreekt dat tot beter begrip aanleiding kon geven. Met opzet? Als Herodotus er bij gezegd had dat hij ook wel eens had gehoord van een opheffen van de zwaartekracht, vrees ik dat hij zulk eene uitlating niet goed met zijn geweten overeen had kunnen brengen en haar daarom maar wegliet, ofschoon zijne beschrijving voor het nageslacht er niet duidelijker op geworden is. Tenminste, om steenen van 15 ton met een hefboom op te tillen in een beperkt bestek....!Ik vrees dat onze volgende schrijvers het er niet beter afbrengen met hunne beschrijving; meestal halen zij Herodotus aan of spreken in het algemeen over hetgeen zij bij overlevering vernamen. Zien wij thans wat Diodorus zegt, hoewel zijne beschrijving nog vager is dan die van Herodotus:“De basis van de grootste is een vierkant, waarvan elke zijde zeven honderd voet is. De hoogte is meer dan zeshonderd voet. De zijden nemen af naarmate zij opwaarts gaan, zoodat zij nog slechts zes el zijn bij den top. Zij is geheel opgebouwd uit steenen die zeer moeilijk te bewerken, maar ook van eeuwigen duur zijn; want hoewel het meer dan duizend jaar geleden is, volgens hetgeen men zegt, dat de pyramide gemaakt werd, en hoewel anderen zelfs verzekeren dat het meer dan vier en dertig honderd jaar geleden is, is zij tot op onze dagen bewaard gebleven zonder op eenigerlei plaats beschadigd te zijn. Men had de steenen laten komen van uit het hart van Arabië, en daar men nog niet de kunst verstond, steigers op te richten, zegt men dat men zich van terrassen bediende om ze op te heffen. Maar wat het meest onbegrijpelijke in dit werk is, is dat men geen enkel spoor bemerkt noch van vervoer, noch van het afhakken van de steenen, noch van de terrassen waarvan wij gesproken hebben; zoodat het schijnt alsof de goden, zonder de hand der menschen te leenen, die altijd erg langzaam is, plotseling dit monument te midden van het zand geplaatst hadden.3Eenige Egyptenaren voeren te dien einde eene verklaring aan, die even fabelachtig en ruwer is dan deze. Want zij zeggen dat deze terrassen gemaakt waren van een grondsoort die vol zout en salpeter was en dat de stroom ze door buiten hare oevers te treden, vormde en weder deed verdwijnen zonder hulp van arbeiders. Dat zal wel niet waar zijn; en het is veel verstandiger te zeggen dat dezelfde handen die gebezigd werden om dien grond aan te dragen, gebruikt werden om dien weg te voerenen om den grond in denzelfden toestand als tevoren te brengen; temeer omdat men zegt dat drie honderd zestig duizend werklieden of slaven bijna twintig jaren met dit werk bezig waren.”4Diodorus is de eerste die van de pyramiden spreekt alswereldwonderen, maar hoe bitter weinig zegt hij ons. Niets dan “men zegt“s en dan zeer uiteenloopende “men zegt“s en in niets overeenstemming met Herodotus dan in den duur van den bouw, de gedane uitgaven en de regeering van den koning. Over het tijdstip van den bouw is hij al bijster in het onzekere, “1000 jaar of 3400 jaar geleden”, en over den bouwer van de derde pyramide brengt hij ons alweer in het onzekere door de fabel van Rhodopis aan te halen, hetgeen Herodotus eveneens doet, alsook Strabo.Strabo is bijzonder kort in zijne beschrijving en met betrekking tot den bouw zelf helpt hij ons ook niet veel verder. Hij zegt daarover hoegenaamd niets. Alleen maakt hij eene vermeldenswaardige opmerking met betrekking tot de eerste of Groote Pyramide nl.: “Zij heeft op een der zijden op eene middelmatige hoogte, een steen die weggenomen kan worden.”5Van Plinius kunnen wij nagenoeg hetzelfde zeggen als van Strabo. Hij zegt: “De grootste van de Pyramiden is geheel voortgekomen uit steengroeven in Arabië; men beweert dat 360000 mannen 20 jaren gewerkt hebben om haar saam te stellen.” Uit eene verdere opmerking in zijn verslag kan men echter opmaken dat de gepolijste bekleeding op de buitenzijde der Pyramide nog bestond. Verder haalt hij met betrekking tot de wijze van bouw Diodorus aan. Plinius is echter de eenige schrijver die spreekt van een “put” welke onder de Groote Pyramide zoude zijn: “deze put vangt het water van den stroom op, flumen illo admissum arbitrantur”, op eene diepte van 86 ellen (39,8 M). Deze put is echter, voorzoover uit de door Plinius aangegeven maten is na te gaan, niet de bekende put. Plinius is de eerste schrijver die eenigermate juiste afmetingen aangeeft en het schijnt dat hij deze uit aan hem bekende documenten ontleende, aldus meent M. Jomard in zijnRemarques et Recherches sur les Pyramides d’Egypte.De overige Latijnsche schrijvers werpen ook geen licht op dit deel van ons onderwerp en ik bepaal mij tot het even aanstippen van enkele merkwaardige uitingen in hun korte en onzaakkundige verslagen. Solinus zegt: “daar zij de maat der schaduwen te bovengaan werpen zij geen schaduw” en Cassiodorus herhaalt deze uitlating in prozaïschen vorm. Aristides zegt dat hij van de priesters gehoord heeft dat de Pyramiden even diep in den grond doordringen als zij er zich boven verheffen.Bij de Arabische schrijvers vinden wij uitvoerige verhalen en legenden die echter alle eveneens op overlevering berusten, en wel van belang zijn met betrekking tot een geschiedkundig overzicht, maar ons geen belangrijke mededeelingen verschaffen wat aangaat de wijze van bouw. De meest bekende verhalen zijn die van Ebn Abd el Hokm, El Koday, Ibrahim ben Ouessif, Abd-el-latif. Hunne beschrijvingen bepalen zich tot het vermelden van den naam van den bouwer, Saurid geheeten, de reden waarom de Pyramiden gebouwd werden (nl. het opbergen van alle schatten aan kennis en aardsche goederen ter beveiliging tegen komende overstroomingen), hoe zij er uitzagen enz. Wij zien dus dat de andere schrijvers ons niets mededeelen dat ons helpen kan tot een begrijpen van de wijze waarop met “kleine houten werktuigen” de groote steenmassa’s op hunne plaats gebracht werden.Het was eerst in de latere tijden dat men zich in beschouwingen hieromtrent ging verdiepen. Reeds de FranscheSavantswaren in groote bewondering over de wijze waarop met geringe mechanische hulpmiddelen een bouw verkregen was, die zelfs tot op deze tijden niet geëvenaard werd. Door hun nauwgezet wetenschappelijk onderzoek zagen zij de moeilijkheden die de bouwers te overwinnen hadden gehad, beter in dan de oude bezoekers dit ooit gedaan hadden en zij waren dan ook verbaasd over de wijze waarop alles tot stand was gebracht. Om deze verwondering te begrijpen zal ik eerst trachten mijnen lezers een beeld te geven van de enorme hoogte, den omvang en de massa der Pyramide, en van die der samenstellende steenblokken. De lengte van elke zijde van het grondvlak was oorspronkelijk 764 voet (1 voet = 12 duim, 1 duim—25.4mM.), de loodrechte hoogte was iets meer dan 480 voet. Hare massa zou 6.840.000 ton bedragen (1 ton = 1000K.G.). Dit zegt alleen iets voor hen die met maten omgaan of er goed mede bekend zijn; voor mijne overige lezers haal ik eenige vergelijkingen aan die ik ontleen aan Sir Rawlinson’sEgypt. Hare hoogte is dus zes voet meer dan die der Kathedraal van Straatsburg, dertig voet meer dan die van de St. Pieter te Rome, honderdtwintig voet meer dan die van de St. Paul te Londen. Haar grondoppervlak is ruim viermaal zoo groot als een vrij groot stadsplein. Om onseen denkbeeld te vormen van den inhoud diene het volgende. Men denke zich een huis met muren van een voet dikte, twintig voet breed en dertig voet diep. Verder een aantal tusschenmuren tot een volume van een derde der buitenmuren. Dit huis bevat dan vierduizend kubieke voet metselwerk. De kubieke inhoud nu van de Groote Pyramide is voldoende om twee en twintig duizend zulke huizen te bouwen. Legt men het metselwerk in een lijn van een voet hoog en een voet breed dan kan men gaan tot een lengte van zeventienduizend mijlen of twee-derde van de lengte van den equator. En men moet tevens bedenken, dat de samenstellende deelen niet alle kleine steenen waren, hoewel een groot deel daar wel uit bestond. Er zijn echter—en vooral is dat bij de buitenlagen het geval—steenen bij, die dertig voet lang, vijf voet hoog en vier of vijf voet breed zijn. Zulke steenen wegen 40.000 à 60.000 K.G. Ook de steenen die inwendig geplaatst zijn, bijvoorbeeld boven de Koningskamer, zijn van reusachtige afmetingen. Rawlinson zegt dan ook: “Over het algemeen zijn de buitenblokken van eene grootte, welke hedendaagsche bouwers nauwelijks ooit durven gebruiken.”6En wanneer men bedenkt dat deze steenmassa’s niet ruw op elkaar gestapeld, maar op wonderbare wijze zoodanig aaneengevoegd waren, dat men eer de steenen zelf kan verbreken dan ze van elkander scheiden, dan kan men begrijpen dat vele der onderzoekers in stomme verwondering betuigden, dat deze bouwkunst tot op heden nog niet geëvenaard is. Trouwens, dat lijkt mij toe met vele kunsten en nijverheden van deze oude beschaving het geval te zijn; doch het zou mij buiten mijn bestek voeren, hier in een lofzang te vervallen op de verschillende kunsten en nijverheden in Egypte die ons treffen als op een hooger peil dan de moderne staande. In verband hiermede is het echter voor een bewonderaar van het oude Egypte een genot, inIsis UnveiledH. P. Blavatsky hierover na te slaan. Met betrekking tot dit onderwerp haalt zij o.a. Kenrich aan:“De voegen zijn nauwelijks waarneembaar, niet wijder dan de dikte van zilverpapier, en het cement is zóó houdend, dat brokstukken van de deksteenen nog op hunne oorspronkelijke plaats blijven, niettegenstaande het verloop van vele eeuwen en het geweld waarmede zij weggerukt werden.” Wie onzer hedendaagsche bouwkundigen enscheikundigenzal wederom het onvernietigbare cement van de oudste Egyptische gebouwen ontdekken?7Enkele Egyptologen zijn op het denkbeeld gekomen dat de steenen op de plaats zelve vervaardigd werden. Door een ingewikkeld werktuig zou water tot op de vereischte hoogte zijn gebracht, daar vermengd zijn geworden met zand enz., om te worden gevormd tot blokken van den juisten vorm en de juiste grootte.Om terug te keeren tot den bouw zelf. De Franschesavantsgeven hunne meening niet te kennen doch halen eenvoudig de reeds door mij genoemde oude schrijvers aan. Van de latere schrijvers vermelden wij alleen de gezaghebbenden. Sir Gardner Wilkinson, de welbekende schrijver vanManners and Customs of the Ancient Egyptians, zoowel als Colonel Howard Vyse, (1831 en 1837), waren van meening dat het door Herodotus bedoelde werktuig een “polyspaston” was, of een werktuig dat veel in gebruik was bij de Romeinen, en dat beschreven wordt door Vitruvius. Het is een werktuig van vele takels voorzien. Als bewijs voor het gebruik van deze werktuigen haalt Vyse aan dat “in de blokken van elken omgang gaten zijn van 8 duim middellijn en 4 duim diep, waarschijnlijk om de werktuigen te ondersteunen welke Herodotus beschrijft.”Perring in zijn werkThe Pyramids at Ghizéhzegt dat hij vermeent dat houten steigers gebezigd werden. Met betrekking tot de buitenlagen merkt Wilkinson op dat de uitstekende hoeken van de opgestapelde rechthoekige steenblokken van boven af naar beneden weggekapt werden en aldus het zijvlak glad maakten. Hij grondt deze meening op eene uitlating van Herodotus.Dr. Lepsius heeft met betrekking tot den bouw eene theorie opgeworpen die vrij algemeen vermeld wordt en bekend is. Deze is als volgt:“Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en een volkomen driehoek overbleef.”Tegen deze theorie heeft Rawlinson bezwaren, want hijmerktterecht op dat dit glad maken van de buitenzijde een werk van jaren moest zijn en dat als een koning stierf, het zeer te betwijfelen viel of zijn opvolger dit werk op zich zou nemen; in ieder geval zou hij aan zijn eigen pyramide hebben moeten beginnen.Wij hebben nu enkele der voornaamste schrijvers over dit onderwerp aangehaald, en het zal ons niet baten meerdere aan te halen aangezien zij geen nieuw licht werpen op de wijze van werken. Eene aardige samenvatting van de verschillende opvattingen van “de kleine houten werktuigen” en een beschrijving er van met vele platen vinden wij in een belangwekkend werkje van T. M. Barker, geheetenThe Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians. Ook vinden wij hierin eene uitvoerige beschouwing van de werkwijze zooals die door Diodorus vermeld werd, namelijk met behulp van hellende vlakken, eene methode die ook in Indië werd gebezigd. Dit hellende vlak zou dan 3000 voet lang en 120 voet hoog zijn geweest en de helling zou 1 voet op de 25 bedragen hebben. Deze steenen helling, met vet besmeerd, zou hebben gediend om met verminderde kracht de zware steenen aan te slepen. Enkele archaeologen beweren dat gedeelten van deze hellingen nog te vinden waren in het begin der achttiende eeuw. De zwaarste steen in de pyramide van ± 60.000 K.G. zou dan getrokken moetenzijndoor een bende van 900 man. De weg was 60 voet breed, dus konden er drie tegelijk naar boven.Wie dit alles gelooven wil, hij kan bewijzen vinden blijkbaar, maar er ontbreekt veel aan om overtuiging te schenken.Wanneer wij de bekende feiten goed onder het oog zien en overdacht hebben, kunnen wij thans zien, wat ons uit okkulte bron wordt medegedeeld omtrent den bouw. Wij vinden dan in de reeds meer door mij aangehaalde verhandelingThe Pyramids and Stonehenge, het volgende:“De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten, welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen, en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is.”En verder:“Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige steenmassa’s te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsingwerktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden, wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren; maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken, om groote massa’s te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche massa—het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen, te wijzigen.”Hierna gaat A. P. Sinnett er toe over, het bestaan van dit vermogen te verdedigen en zegt dat, hoewel de groote massa’s der menschheid natuurlijk lachen om zulk een vermogen, waarvan zij nog nooit iets gehoord of gezien hebben, op dit geval het gezegde van Galilei,e pur si muove, zeer van toepassing is. En zeker is de geheele oplossing van het raadsel van den bouw van die oude bouwwerken in dit vermogen te zoeken. Helderziende waarnemers hebben in de ákashaïsche beelden den bouw gezien en onderzocht, en zij zeggen ons dat deze reusachtige blokken steen op hun plaats gebracht werden met behulp van steigers, zooals wij die zien gebruiken bij den bouw van een klein huis.En hier vinden wij dus, om tot de Pyramiden terug te keeren, hoe men te werk ging bij den bouw er van. De adepten, die den bouw er van leidden, vergemakkelijkten het werk door de gedeeltelijke opheffing van de te gebruiken steenblokken, en de bouwers die onder hunne leiding werkten, bevonden dat de te gebruiken steenen gemakkelijk gehanteerd konden worden. Misschien viel het hun zelf niet eens op, dat dit vermogen door de adepten werd uitgeoefend. En dit nu is eene eenvoudige, hoewel ongetwijfeld zeer geheimzinnige, verklaring van het feit dat de reusachtige moeilijkheden, die zich voordeden bij den bouw van zulke kolossale bouwwerken, overwonnen konden worden. Hoe vreemd deze verklaring moge schijnen voor een leek, en hoe ongelooflijk zelfs, is niet de door de oudheidkundigen tot dusver aangenomen verklaring even ongelooflijk, wanneer men er over nadenkt? Zij toch zijn tevreden met aan te nemen dat de bouwers van dergelijke reuzenwerken en dus ook van de Groote Pyramide een onbegrensd aantal arbeidersjarenlang lieten arbeiden om de reusachtige steenen langs sleephellingen en door middel van balken, rollen en katrollen op de een of andere wijze op elkaar te stapelen. En wanneer wij nu weten dat bij deze bouwwerken de meeste steenen 2 of 3 honderd ton wegen en dat bijvoorbeeld bij den tempel van Baalber in Syrië steenen gebruikt zijn van 1500 ton, dan vergt deze hypothese der oudheidkundigen meer van ons geloof dan zelfs de okkulte verklaring. Zij willen ons iets laten aannemen wat wij weten dat physisch onmogelijk is, maar omdat zij het zeggen in ons bekende termen, en omdat zij spreken over dingen die wij zien kunnen met betrekking totkleinegewichten, nemen wij het onnadenkenderwijs al te licht aan. Maar deze reusachtige werken van de oudheid staan voor ons als een blijvend bewijs, dat ten tijde van hun bouw de wereld getuige was van een bouwkunde, welke hare overwinningen niet behaalde door ruwe kracht, maar door de toepassing van een subtieler kennis dan heden ten dage bezeten wordt.Na den bouw thans zoo ver mogelijk behandeld te hebben, rest mij het inwendige gangen- en zalenstelsel te beschrijven, om dan tevens over te gaan tot het eigenlijke doel dezer verhandeling, namelijk het nagaan van de verschillende theorieën die met betrekking tot de beteekenis van dit bouwwerk ontstaan zijn.1Herodotus. Boek II, hfdst.CXXIV.2Herodotus. Hfdst.CXXV.3Was hij hier maar verder op ingegaan! (v. G.)4Diodorus van Sicilië I, i § 63.5StraboI, xvii, blz. 808.6Rawlinson,Egypt, blz. 76.7Isis Unveiled, Deel I, 518.
Het is thans mijne bedoeling, na te gaan wat door verschillende schrijvers der oudheid en der latere tijden geschreven is met betrekking tot de wijze van bouwen der Pyramide. Gaarne had ik gezien dat een bouwkundig theosoof dit in mijne plaats gedaan had, en er zijne beschouwingen aan had vastgeknoopt, maar aangezien mijn wensch in dezen niet vervuld is, hoop ik dat het hier geschrevene den een of anderen bouwkundige zal aanmoedigen zulks nog te doen, en zal zelf volstaan met zoo volledig mogelijk de verschillende verhalen der schrijvers over dit deel van mijn onderwerp op te sommen.
Allereerst dan Herodotus. Hij schrijft:
“Cheops liet eerst de tempels sluiten en verbood iedere soort van offering. Vervolgens veroordeelde hij de Egyptenaren zonder onderscheid tot het uitvoeren van openbare werken. Een gedeelte werd gedwongen steenen te houwen in de steengroeven en ze tot aan den Nijl te voeren; een ander gedeelte om deze steenen in ontvangst te nemen, den stroom over te steken op booten en ze in de bergen te brengen aan de Lybische zijde. Honderdduizend mannen, die elke drie maanden afgelost werden, waren voortdurend bezig met deze werken; en tien jaren, gedurende welke het volk onophoudelijk met nieuwe moeilijkheden werd belast, werden in beslag genomen enkel om een weg te maken om de steenen te vervoeren, een werk dat zelf niet minderwaardig is aan het oprichten van een pyramide.”1
“Cheops liet eerst de tempels sluiten en verbood iedere soort van offering. Vervolgens veroordeelde hij de Egyptenaren zonder onderscheid tot het uitvoeren van openbare werken. Een gedeelte werd gedwongen steenen te houwen in de steengroeven en ze tot aan den Nijl te voeren; een ander gedeelte om deze steenen in ontvangst te nemen, den stroom over te steken op booten en ze in de bergen te brengen aan de Lybische zijde. Honderdduizend mannen, die elke drie maanden afgelost werden, waren voortdurend bezig met deze werken; en tien jaren, gedurende welke het volk onophoudelijk met nieuwe moeilijkheden werd belast, werden in beslag genomen enkel om een weg te maken om de steenen te vervoeren, een werk dat zelf niet minderwaardig is aan het oprichten van een pyramide.”1
Vervolgens beschrijft hij de grootschheid van dezen weg, en merkt tevens op hoe gelijktijdig daarmede in den rotsgrondwaaropde Pyramiden staan onderaardsche kamers werden uitgehouwen, die bestemd waren voor het begraven van de mummies der Koningen. Daarna komen wij in zijne reisbeschrijving van Egypte aan dat gedeelte, hetwelk de wijze van bouwen der Pyramide beschrijft. Merkwaardig is het, alvorens dit gedeelte aan te halen, nog even te vermelden hoe hij zegt dat “zij [de Pyramide] geheel overdekt is met gepolijste steenen, met de grootste zorg aanéén gevoegd, van welke steenen geen enkele minder dan dertig voet is.”
“Volgens de wijze van werken die aangewend werd bij het opbouwen van de pyramide vertoonden hare zijden eerst een soort van trap in den vorm van een graadsgewijs opklimmend amphitheater. Toen zij volgens dit plan afgewerkt was, en het noodig werd haar te overdekken, bezigde men, om achtereenvolgens de steenen op te heffen die tot deze bekleeding moesten dienen, werktuigen die van hout gemaakt waren en eene kleine afmeting hadden. Een van deze werktuigen lichtte den steen van den grond zelf op en bracht hem over naar den eersten trap; wanneer hij daar aangekomen was bracht een ander dien over naar den volgenden trap, en zoo vervolgens; of er evenveel werktuigen waren als trappen, of dat hetzelfde werktuig, dat gemakkelijk te verplaatsen was, tot het vervoeren der steenen diende, ik moet het verhalen zooals het een en ander mij gezegd is. Op deze wijze begon men met de bekleeding van het bovenste gedeelte en men ging voort met werken, al afdalende, eindigende met het onderste gedeelte dat tot aan den grond kwam.”2
“Volgens de wijze van werken die aangewend werd bij het opbouwen van de pyramide vertoonden hare zijden eerst een soort van trap in den vorm van een graadsgewijs opklimmend amphitheater. Toen zij volgens dit plan afgewerkt was, en het noodig werd haar te overdekken, bezigde men, om achtereenvolgens de steenen op te heffen die tot deze bekleeding moesten dienen, werktuigen die van hout gemaakt waren en eene kleine afmeting hadden. Een van deze werktuigen lichtte den steen van den grond zelf op en bracht hem over naar den eersten trap; wanneer hij daar aangekomen was bracht een ander dien over naar den volgenden trap, en zoo vervolgens; of er evenveel werktuigen waren als trappen, of dat hetzelfde werktuig, dat gemakkelijk te verplaatsen was, tot het vervoeren der steenen diende, ik moet het verhalen zooals het een en ander mij gezegd is. Op deze wijze begon men met de bekleeding van het bovenste gedeelte en men ging voort met werken, al afdalende, eindigende met het onderste gedeelte dat tot aan den grond kwam.”2
Verder zegt hij dan nog hoe op een der zijden van de Pyramide in hieroglyfen vermeld werd het loon der arbeiders, en maakt daaruit op den duur van den bouw, waarvan hij dan zegt dat hij “nog al lang heeft moeten duren.”
In ieder geval kunnen mijne lezers hieruit wel zien dat men uit Herodotus niet heel veel wijzer wordt en niemand is dat dan ook ooit geworden. Alleen heeft men mijns inziens te veel geloof gehecht aan hetgeen hijwelzeide, en men heeft vaak in latere boeken zijn beschrijving van den bouw als de ware aangenomen en zich in allerlei gissingen verdiept over de vraag wat die “werktuigen, die van hout gemaakt waren” dan toch wel waren, en bijna elk schrijver vindt dan een ander werktuig uit, of beweert dat de beschrijving die door een ander schrijver gegeven wordt niet deugt. Allen komen echter hierin overeen, dat het een soort van hefboom moet geweest zijn en de verschillen komen dan in een bespiegeling van de wijze waarop zulk een hefboom werkte, want een dergelijk ding moet toch een steunpunt hebben. En wanneer wij dus maar losweg zeggen dat met hefboomen gewerkt werd, volgen wij indezen een weinig Archimedes na, die zeide dat hij de wereld wel opheffen kon, als hij maar een steunpunt voor zijn hefboom had.
Wij zullen het er dus over eens moeten zijn, dat indien de hefboomlegende als de ware beschrijving van het oplichten der buitenste steenen beschouwd moet worden, er aan Herodotus’ beschrijving toch nog wel iets ontbreekt dat tot beter begrip aanleiding kon geven. Met opzet? Als Herodotus er bij gezegd had dat hij ook wel eens had gehoord van een opheffen van de zwaartekracht, vrees ik dat hij zulk eene uitlating niet goed met zijn geweten overeen had kunnen brengen en haar daarom maar wegliet, ofschoon zijne beschrijving voor het nageslacht er niet duidelijker op geworden is. Tenminste, om steenen van 15 ton met een hefboom op te tillen in een beperkt bestek....!
Ik vrees dat onze volgende schrijvers het er niet beter afbrengen met hunne beschrijving; meestal halen zij Herodotus aan of spreken in het algemeen over hetgeen zij bij overlevering vernamen. Zien wij thans wat Diodorus zegt, hoewel zijne beschrijving nog vager is dan die van Herodotus:
“De basis van de grootste is een vierkant, waarvan elke zijde zeven honderd voet is. De hoogte is meer dan zeshonderd voet. De zijden nemen af naarmate zij opwaarts gaan, zoodat zij nog slechts zes el zijn bij den top. Zij is geheel opgebouwd uit steenen die zeer moeilijk te bewerken, maar ook van eeuwigen duur zijn; want hoewel het meer dan duizend jaar geleden is, volgens hetgeen men zegt, dat de pyramide gemaakt werd, en hoewel anderen zelfs verzekeren dat het meer dan vier en dertig honderd jaar geleden is, is zij tot op onze dagen bewaard gebleven zonder op eenigerlei plaats beschadigd te zijn. Men had de steenen laten komen van uit het hart van Arabië, en daar men nog niet de kunst verstond, steigers op te richten, zegt men dat men zich van terrassen bediende om ze op te heffen. Maar wat het meest onbegrijpelijke in dit werk is, is dat men geen enkel spoor bemerkt noch van vervoer, noch van het afhakken van de steenen, noch van de terrassen waarvan wij gesproken hebben; zoodat het schijnt alsof de goden, zonder de hand der menschen te leenen, die altijd erg langzaam is, plotseling dit monument te midden van het zand geplaatst hadden.3Eenige Egyptenaren voeren te dien einde eene verklaring aan, die even fabelachtig en ruwer is dan deze. Want zij zeggen dat deze terrassen gemaakt waren van een grondsoort die vol zout en salpeter was en dat de stroom ze door buiten hare oevers te treden, vormde en weder deed verdwijnen zonder hulp van arbeiders. Dat zal wel niet waar zijn; en het is veel verstandiger te zeggen dat dezelfde handen die gebezigd werden om dien grond aan te dragen, gebruikt werden om dien weg te voerenen om den grond in denzelfden toestand als tevoren te brengen; temeer omdat men zegt dat drie honderd zestig duizend werklieden of slaven bijna twintig jaren met dit werk bezig waren.”4
“De basis van de grootste is een vierkant, waarvan elke zijde zeven honderd voet is. De hoogte is meer dan zeshonderd voet. De zijden nemen af naarmate zij opwaarts gaan, zoodat zij nog slechts zes el zijn bij den top. Zij is geheel opgebouwd uit steenen die zeer moeilijk te bewerken, maar ook van eeuwigen duur zijn; want hoewel het meer dan duizend jaar geleden is, volgens hetgeen men zegt, dat de pyramide gemaakt werd, en hoewel anderen zelfs verzekeren dat het meer dan vier en dertig honderd jaar geleden is, is zij tot op onze dagen bewaard gebleven zonder op eenigerlei plaats beschadigd te zijn. Men had de steenen laten komen van uit het hart van Arabië, en daar men nog niet de kunst verstond, steigers op te richten, zegt men dat men zich van terrassen bediende om ze op te heffen. Maar wat het meest onbegrijpelijke in dit werk is, is dat men geen enkel spoor bemerkt noch van vervoer, noch van het afhakken van de steenen, noch van de terrassen waarvan wij gesproken hebben; zoodat het schijnt alsof de goden, zonder de hand der menschen te leenen, die altijd erg langzaam is, plotseling dit monument te midden van het zand geplaatst hadden.3
Eenige Egyptenaren voeren te dien einde eene verklaring aan, die even fabelachtig en ruwer is dan deze. Want zij zeggen dat deze terrassen gemaakt waren van een grondsoort die vol zout en salpeter was en dat de stroom ze door buiten hare oevers te treden, vormde en weder deed verdwijnen zonder hulp van arbeiders. Dat zal wel niet waar zijn; en het is veel verstandiger te zeggen dat dezelfde handen die gebezigd werden om dien grond aan te dragen, gebruikt werden om dien weg te voerenen om den grond in denzelfden toestand als tevoren te brengen; temeer omdat men zegt dat drie honderd zestig duizend werklieden of slaven bijna twintig jaren met dit werk bezig waren.”4
Diodorus is de eerste die van de pyramiden spreekt alswereldwonderen, maar hoe bitter weinig zegt hij ons. Niets dan “men zegt“s en dan zeer uiteenloopende “men zegt“s en in niets overeenstemming met Herodotus dan in den duur van den bouw, de gedane uitgaven en de regeering van den koning. Over het tijdstip van den bouw is hij al bijster in het onzekere, “1000 jaar of 3400 jaar geleden”, en over den bouwer van de derde pyramide brengt hij ons alweer in het onzekere door de fabel van Rhodopis aan te halen, hetgeen Herodotus eveneens doet, alsook Strabo.
Strabo is bijzonder kort in zijne beschrijving en met betrekking tot den bouw zelf helpt hij ons ook niet veel verder. Hij zegt daarover hoegenaamd niets. Alleen maakt hij eene vermeldenswaardige opmerking met betrekking tot de eerste of Groote Pyramide nl.: “Zij heeft op een der zijden op eene middelmatige hoogte, een steen die weggenomen kan worden.”5
Van Plinius kunnen wij nagenoeg hetzelfde zeggen als van Strabo. Hij zegt: “De grootste van de Pyramiden is geheel voortgekomen uit steengroeven in Arabië; men beweert dat 360000 mannen 20 jaren gewerkt hebben om haar saam te stellen.” Uit eene verdere opmerking in zijn verslag kan men echter opmaken dat de gepolijste bekleeding op de buitenzijde der Pyramide nog bestond. Verder haalt hij met betrekking tot de wijze van bouw Diodorus aan. Plinius is echter de eenige schrijver die spreekt van een “put” welke onder de Groote Pyramide zoude zijn: “deze put vangt het water van den stroom op, flumen illo admissum arbitrantur”, op eene diepte van 86 ellen (39,8 M). Deze put is echter, voorzoover uit de door Plinius aangegeven maten is na te gaan, niet de bekende put. Plinius is de eerste schrijver die eenigermate juiste afmetingen aangeeft en het schijnt dat hij deze uit aan hem bekende documenten ontleende, aldus meent M. Jomard in zijnRemarques et Recherches sur les Pyramides d’Egypte.
De overige Latijnsche schrijvers werpen ook geen licht op dit deel van ons onderwerp en ik bepaal mij tot het even aanstippen van enkele merkwaardige uitingen in hun korte en onzaakkundige verslagen. Solinus zegt: “daar zij de maat der schaduwen te bovengaan werpen zij geen schaduw” en Cassiodorus herhaalt deze uitlating in prozaïschen vorm. Aristides zegt dat hij van de priesters gehoord heeft dat de Pyramiden even diep in den grond doordringen als zij er zich boven verheffen.
Bij de Arabische schrijvers vinden wij uitvoerige verhalen en legenden die echter alle eveneens op overlevering berusten, en wel van belang zijn met betrekking tot een geschiedkundig overzicht, maar ons geen belangrijke mededeelingen verschaffen wat aangaat de wijze van bouw. De meest bekende verhalen zijn die van Ebn Abd el Hokm, El Koday, Ibrahim ben Ouessif, Abd-el-latif. Hunne beschrijvingen bepalen zich tot het vermelden van den naam van den bouwer, Saurid geheeten, de reden waarom de Pyramiden gebouwd werden (nl. het opbergen van alle schatten aan kennis en aardsche goederen ter beveiliging tegen komende overstroomingen), hoe zij er uitzagen enz. Wij zien dus dat de andere schrijvers ons niets mededeelen dat ons helpen kan tot een begrijpen van de wijze waarop met “kleine houten werktuigen” de groote steenmassa’s op hunne plaats gebracht werden.
Het was eerst in de latere tijden dat men zich in beschouwingen hieromtrent ging verdiepen. Reeds de FranscheSavantswaren in groote bewondering over de wijze waarop met geringe mechanische hulpmiddelen een bouw verkregen was, die zelfs tot op deze tijden niet geëvenaard werd. Door hun nauwgezet wetenschappelijk onderzoek zagen zij de moeilijkheden die de bouwers te overwinnen hadden gehad, beter in dan de oude bezoekers dit ooit gedaan hadden en zij waren dan ook verbaasd over de wijze waarop alles tot stand was gebracht. Om deze verwondering te begrijpen zal ik eerst trachten mijnen lezers een beeld te geven van de enorme hoogte, den omvang en de massa der Pyramide, en van die der samenstellende steenblokken. De lengte van elke zijde van het grondvlak was oorspronkelijk 764 voet (1 voet = 12 duim, 1 duim—25.4mM.), de loodrechte hoogte was iets meer dan 480 voet. Hare massa zou 6.840.000 ton bedragen (1 ton = 1000K.G.). Dit zegt alleen iets voor hen die met maten omgaan of er goed mede bekend zijn; voor mijne overige lezers haal ik eenige vergelijkingen aan die ik ontleen aan Sir Rawlinson’sEgypt. Hare hoogte is dus zes voet meer dan die der Kathedraal van Straatsburg, dertig voet meer dan die van de St. Pieter te Rome, honderdtwintig voet meer dan die van de St. Paul te Londen. Haar grondoppervlak is ruim viermaal zoo groot als een vrij groot stadsplein. Om onseen denkbeeld te vormen van den inhoud diene het volgende. Men denke zich een huis met muren van een voet dikte, twintig voet breed en dertig voet diep. Verder een aantal tusschenmuren tot een volume van een derde der buitenmuren. Dit huis bevat dan vierduizend kubieke voet metselwerk. De kubieke inhoud nu van de Groote Pyramide is voldoende om twee en twintig duizend zulke huizen te bouwen. Legt men het metselwerk in een lijn van een voet hoog en een voet breed dan kan men gaan tot een lengte van zeventienduizend mijlen of twee-derde van de lengte van den equator. En men moet tevens bedenken, dat de samenstellende deelen niet alle kleine steenen waren, hoewel een groot deel daar wel uit bestond. Er zijn echter—en vooral is dat bij de buitenlagen het geval—steenen bij, die dertig voet lang, vijf voet hoog en vier of vijf voet breed zijn. Zulke steenen wegen 40.000 à 60.000 K.G. Ook de steenen die inwendig geplaatst zijn, bijvoorbeeld boven de Koningskamer, zijn van reusachtige afmetingen. Rawlinson zegt dan ook: “Over het algemeen zijn de buitenblokken van eene grootte, welke hedendaagsche bouwers nauwelijks ooit durven gebruiken.”6
En wanneer men bedenkt dat deze steenmassa’s niet ruw op elkaar gestapeld, maar op wonderbare wijze zoodanig aaneengevoegd waren, dat men eer de steenen zelf kan verbreken dan ze van elkander scheiden, dan kan men begrijpen dat vele der onderzoekers in stomme verwondering betuigden, dat deze bouwkunst tot op heden nog niet geëvenaard is. Trouwens, dat lijkt mij toe met vele kunsten en nijverheden van deze oude beschaving het geval te zijn; doch het zou mij buiten mijn bestek voeren, hier in een lofzang te vervallen op de verschillende kunsten en nijverheden in Egypte die ons treffen als op een hooger peil dan de moderne staande. In verband hiermede is het echter voor een bewonderaar van het oude Egypte een genot, inIsis UnveiledH. P. Blavatsky hierover na te slaan. Met betrekking tot dit onderwerp haalt zij o.a. Kenrich aan:
“De voegen zijn nauwelijks waarneembaar, niet wijder dan de dikte van zilverpapier, en het cement is zóó houdend, dat brokstukken van de deksteenen nog op hunne oorspronkelijke plaats blijven, niettegenstaande het verloop van vele eeuwen en het geweld waarmede zij weggerukt werden.” Wie onzer hedendaagsche bouwkundigen enscheikundigenzal wederom het onvernietigbare cement van de oudste Egyptische gebouwen ontdekken?7
“De voegen zijn nauwelijks waarneembaar, niet wijder dan de dikte van zilverpapier, en het cement is zóó houdend, dat brokstukken van de deksteenen nog op hunne oorspronkelijke plaats blijven, niettegenstaande het verloop van vele eeuwen en het geweld waarmede zij weggerukt werden.” Wie onzer hedendaagsche bouwkundigen enscheikundigenzal wederom het onvernietigbare cement van de oudste Egyptische gebouwen ontdekken?7
Enkele Egyptologen zijn op het denkbeeld gekomen dat de steenen op de plaats zelve vervaardigd werden. Door een ingewikkeld werktuig zou water tot op de vereischte hoogte zijn gebracht, daar vermengd zijn geworden met zand enz., om te worden gevormd tot blokken van den juisten vorm en de juiste grootte.
Om terug te keeren tot den bouw zelf. De Franschesavantsgeven hunne meening niet te kennen doch halen eenvoudig de reeds door mij genoemde oude schrijvers aan. Van de latere schrijvers vermelden wij alleen de gezaghebbenden. Sir Gardner Wilkinson, de welbekende schrijver vanManners and Customs of the Ancient Egyptians, zoowel als Colonel Howard Vyse, (1831 en 1837), waren van meening dat het door Herodotus bedoelde werktuig een “polyspaston” was, of een werktuig dat veel in gebruik was bij de Romeinen, en dat beschreven wordt door Vitruvius. Het is een werktuig van vele takels voorzien. Als bewijs voor het gebruik van deze werktuigen haalt Vyse aan dat “in de blokken van elken omgang gaten zijn van 8 duim middellijn en 4 duim diep, waarschijnlijk om de werktuigen te ondersteunen welke Herodotus beschrijft.”
Perring in zijn werkThe Pyramids at Ghizéhzegt dat hij vermeent dat houten steigers gebezigd werden. Met betrekking tot de buitenlagen merkt Wilkinson op dat de uitstekende hoeken van de opgestapelde rechthoekige steenblokken van boven af naar beneden weggekapt werden en aldus het zijvlak glad maakten. Hij grondt deze meening op eene uitlating van Herodotus.
Dr. Lepsius heeft met betrekking tot den bouw eene theorie opgeworpen die vrij algemeen vermeld wordt en bekend is. Deze is als volgt:
“Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en een volkomen driehoek overbleef.”
“Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en een volkomen driehoek overbleef.”
Tegen deze theorie heeft Rawlinson bezwaren, want hijmerktterecht op dat dit glad maken van de buitenzijde een werk van jaren moest zijn en dat als een koning stierf, het zeer te betwijfelen viel of zijn opvolger dit werk op zich zou nemen; in ieder geval zou hij aan zijn eigen pyramide hebben moeten beginnen.
Wij hebben nu enkele der voornaamste schrijvers over dit onderwerp aangehaald, en het zal ons niet baten meerdere aan te halen aangezien zij geen nieuw licht werpen op de wijze van werken. Eene aardige samenvatting van de verschillende opvattingen van “de kleine houten werktuigen” en een beschrijving er van met vele platen vinden wij in een belangwekkend werkje van T. M. Barker, geheetenThe Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians. Ook vinden wij hierin eene uitvoerige beschouwing van de werkwijze zooals die door Diodorus vermeld werd, namelijk met behulp van hellende vlakken, eene methode die ook in Indië werd gebezigd. Dit hellende vlak zou dan 3000 voet lang en 120 voet hoog zijn geweest en de helling zou 1 voet op de 25 bedragen hebben. Deze steenen helling, met vet besmeerd, zou hebben gediend om met verminderde kracht de zware steenen aan te slepen. Enkele archaeologen beweren dat gedeelten van deze hellingen nog te vinden waren in het begin der achttiende eeuw. De zwaarste steen in de pyramide van ± 60.000 K.G. zou dan getrokken moetenzijndoor een bende van 900 man. De weg was 60 voet breed, dus konden er drie tegelijk naar boven.
Wie dit alles gelooven wil, hij kan bewijzen vinden blijkbaar, maar er ontbreekt veel aan om overtuiging te schenken.
Wanneer wij de bekende feiten goed onder het oog zien en overdacht hebben, kunnen wij thans zien, wat ons uit okkulte bron wordt medegedeeld omtrent den bouw. Wij vinden dan in de reeds meer door mij aangehaalde verhandelingThe Pyramids and Stonehenge, het volgende:
“De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten, welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen, en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is.”
“De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten, welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen, en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is.”
En verder:
“Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige steenmassa’s te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsingwerktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden, wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren; maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken, om groote massa’s te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche massa—het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen, te wijzigen.”
“Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige steenmassa’s te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsingwerktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden, wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren; maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken, om groote massa’s te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche massa—het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen, te wijzigen.”
Hierna gaat A. P. Sinnett er toe over, het bestaan van dit vermogen te verdedigen en zegt dat, hoewel de groote massa’s der menschheid natuurlijk lachen om zulk een vermogen, waarvan zij nog nooit iets gehoord of gezien hebben, op dit geval het gezegde van Galilei,e pur si muove, zeer van toepassing is. En zeker is de geheele oplossing van het raadsel van den bouw van die oude bouwwerken in dit vermogen te zoeken. Helderziende waarnemers hebben in de ákashaïsche beelden den bouw gezien en onderzocht, en zij zeggen ons dat deze reusachtige blokken steen op hun plaats gebracht werden met behulp van steigers, zooals wij die zien gebruiken bij den bouw van een klein huis.
En hier vinden wij dus, om tot de Pyramiden terug te keeren, hoe men te werk ging bij den bouw er van. De adepten, die den bouw er van leidden, vergemakkelijkten het werk door de gedeeltelijke opheffing van de te gebruiken steenblokken, en de bouwers die onder hunne leiding werkten, bevonden dat de te gebruiken steenen gemakkelijk gehanteerd konden worden. Misschien viel het hun zelf niet eens op, dat dit vermogen door de adepten werd uitgeoefend. En dit nu is eene eenvoudige, hoewel ongetwijfeld zeer geheimzinnige, verklaring van het feit dat de reusachtige moeilijkheden, die zich voordeden bij den bouw van zulke kolossale bouwwerken, overwonnen konden worden. Hoe vreemd deze verklaring moge schijnen voor een leek, en hoe ongelooflijk zelfs, is niet de door de oudheidkundigen tot dusver aangenomen verklaring even ongelooflijk, wanneer men er over nadenkt? Zij toch zijn tevreden met aan te nemen dat de bouwers van dergelijke reuzenwerken en dus ook van de Groote Pyramide een onbegrensd aantal arbeidersjarenlang lieten arbeiden om de reusachtige steenen langs sleephellingen en door middel van balken, rollen en katrollen op de een of andere wijze op elkaar te stapelen. En wanneer wij nu weten dat bij deze bouwwerken de meeste steenen 2 of 3 honderd ton wegen en dat bijvoorbeeld bij den tempel van Baalber in Syrië steenen gebruikt zijn van 1500 ton, dan vergt deze hypothese der oudheidkundigen meer van ons geloof dan zelfs de okkulte verklaring. Zij willen ons iets laten aannemen wat wij weten dat physisch onmogelijk is, maar omdat zij het zeggen in ons bekende termen, en omdat zij spreken over dingen die wij zien kunnen met betrekking totkleinegewichten, nemen wij het onnadenkenderwijs al te licht aan. Maar deze reusachtige werken van de oudheid staan voor ons als een blijvend bewijs, dat ten tijde van hun bouw de wereld getuige was van een bouwkunde, welke hare overwinningen niet behaalde door ruwe kracht, maar door de toepassing van een subtieler kennis dan heden ten dage bezeten wordt.
Na den bouw thans zoo ver mogelijk behandeld te hebben, rest mij het inwendige gangen- en zalenstelsel te beschrijven, om dan tevens over te gaan tot het eigenlijke doel dezer verhandeling, namelijk het nagaan van de verschillende theorieën die met betrekking tot de beteekenis van dit bouwwerk ontstaan zijn.
1Herodotus. Boek II, hfdst.CXXIV.2Herodotus. Hfdst.CXXV.3Was hij hier maar verder op ingegaan! (v. G.)4Diodorus van Sicilië I, i § 63.5StraboI, xvii, blz. 808.6Rawlinson,Egypt, blz. 76.7Isis Unveiled, Deel I, 518.
1Herodotus. Boek II, hfdst.CXXIV.
2Herodotus. Hfdst.CXXV.
3Was hij hier maar verder op ingegaan! (v. G.)
4Diodorus van Sicilië I, i § 63.
5StraboI, xvii, blz. 808.
6Rawlinson,Egypt, blz. 76.
7Isis Unveiled, Deel I, 518.
Hoofdstuk IV.Beschrijving van het Inwendige.Wij zijn gekomen tot een gedeelte van ons onderwerp dat wij kunnen beschouwen als eene inleiding tot de bespreking der verschillende theorieën die langzamerhand ontstaan zijn omtrent het doel der Groote Pyramide. Immers, indien zich onder de Pyramide, dus in het rotsvlak waarop zij staat, eene grafkamer had bevonden, en de Pyramide zelf een massief geheel met een daarheen leidende gang ware geweest, zooals dit bij andere pyramiden het geval is, zou er weinig reden bestaan hebben om zich in gissingen omtrent het doel der Pyramide te verdiepen. Maar juist door de bijzondere en eigenaardige afwijking, die de Groote Pyramide in dit opzichtvertoont, is zij geworden tot een onderwerp van de meest uiteenloopende beoordeelingen en gissingen, en was zij aanleiding tot heel wat geschrijf.Met betrekking tot haar inwendige vertoont de Groote Pyramide een eigenaardigen aanblik. Het feit dat zich zulk een uitgebreid gangen- en kamerstelsel daarin bevindt is slechts sedert betrekkelijk korten tijd bekend en de schrijvers der oudheid vermelden er niet veel van. Niet eerder dan sedert de groote Fransche expeditie onder Napoleon werd dit een feit van meer algemeene bekendheid en wij vinden inPancoucke’swerk over deze expeditie een vrij nauwkeurige beschrijving van deze gangen en kamers. Eerst in latere werken werden zeer uitvoerige beschrijvingen er van gegeven, naarmate dit noodzakelijk bleek tot staving van de theorieën der schrijvers aangaande de symboliek of het doel der Pyramide.Volgens de oudste verhalen was de Pyramide geheel gesloten tot het jaar 830 n. Chr.. Kalief Al-Mamoen zou de eerste geweest zijn die zich met geweld een toegang deed banen, daar hij de eigenlijke opening en den ingang niet wist en ook niet vond. Deze laatste is thans wel bekend en bevindt zich op ongeveer 47,5 voet boven de basis, tusschen den vijftienden en zestienden trap; zij schijnt eveneens bekend geweest te zijn bij enkele Grieken. Ook Strabo maakt er melding van. Hij zegt: “In de hoogte als het ware, in het midden tusschen de twee zijden, is een steen die weggenomen kan worden, en wanneer deze er uitgenomen is, is er een hellende ingang tot het graf.” Op een andere plaats zegt hij: “Deze ingang werd geheim gehouden.”In hoeverre het verhaal van den Arabischen schrijver Ibn Abd Al Hokm over het forceeren van den ingang waarheid bevat, is moeilijk na te gaan. De meeste schrijvers hechten er weinig waarde aan, daar er te veel feiten tegen spreken, en het verhaal blijkbaar zeer veel fantasie bevat. Wel is het waarschijnlijk dat gedurende deze poging om de Pyramide inwendig te onderzoeken wegens de schatten die, naar men veronderstelde, daar verborgen waren, de andere gangen en kamers ontdekt werden. Dit is ook de meening van Piazzi Smith en hij geeft een vrij uitvoerig verslag van het Arabisch verhaal omtrent deze gebeurtenis, waaraan ik het volgende ontleen.Al-Mamoen liet zijne werklieden dertig voet boven den grond in het midden der noordelijke zijde aanvangen met breken. Het was evenwel een oneindig veel zwaarder werk dan de Kalief gedacht had en zijnelieden werden oproerig en wilden dit blijkbaar onmogelijke werk opgeven. Doch de Kalief dwong hen tot weder opvatten van de taak die hij zich gesteld had en maanden en maanden werd er gewerkt; schijnbaar zonder dat men veel verder kwam. Daarna wilden zijne werklieden het in ieder geval opgeven, toen zij als bij een toeval een zwaren steen niet ver van hen vandaan hoorden neerploffen; dit deed hen met vernieuwden moed in die richting werken, waarop zij kort daarna doordrongen tot de benedenwaarts leidende gang, die waarschijnlijk vaak betreden was door Grieksche en Romeinsche bezoekers vóór hen. Doch thans lag daar de steen die het geluid veroorzaakt had, een steen waarvan de onderkant tevoren een deel uitmaakte van het dak van de benedenwaarts leidende gang. Blijkbaar was deze steen de afsluitsteen geweest van een opwaarts leidende gang. Dit was ook zoo. Echter was deze gang nog steeds verstopt door reusachtige wigvormige steenen die achter den gevallen steen een plaats gevonden hadden. De Arabieren zagen geen kans deze op te ruimen, dus hakten zij zich een weg door den veel zachteren kalksteen daar omheen; op deze wijze zich een weg banende tot de opwaarts leidende gang, een doorgang die ook heden nog benut wordt door bezoekers. Thans stond hun de weg open tot de verdere gangen en kamers der Pyramide, doch van schatten geen spoor.De Kalief wist nu slechts één middel om zijn verwoede volgelingen tot bedaren te brengen; in den nacht liet hij aan het einde van het geboorde gat een schat begraven in het steenwerk der Pyramide en liet hen den volgenden dag daar verder houwen. Natuurlijk vonden zij het goud en toen het geteld werd bleek het juist het bedrag te zijn dat verbruikt was voor de onderneming. Daar nu de werklieden hun werk betaald kregen, hield hun opstand spoedig op en de Kalief keerde terug naar El Fostat.Eén ding was echter bereikt. Sinds dien tijd was het inwendige der Pyramide opengelegd voor latere bezoekers, en enkele van deze drongen daar dan ook in door; en een der geschiedschrijvers verhaalt dat “enkele van deze er veilig weer uitkwamen en andere stierven.”1Het verhaal omtrent deze doordringing tot het inwendige der Pyramide heeft in handen van latere Arabische schrijvers wonderlijke veranderingen ondergaan en een van deze weergevingen vermeldt o.a. dat de Arabieren, toen zij tot de Koningskamer doordrongen, in de sarcofaag een steenen beeld vonden, dat hol was en waarin zich een lichaam bevond van een man met een gouden borstplaat, bezaaid met juweelen. Een zwaard van onberekenbare waarde lag op het lichaam. Nabij het hoofd bevond zich een karbonkel van de grootte van een ei.Inwendige van de Groote Pyramide.Inwendige van de Groote Pyramide.Naar een gravure inMarsham Adams’House of Hidden PlacesdoorJ. L. M. Lauweriks.Latere schrijvers hechten weinig waarde aan deze verhalen, en sommigen twijfelen er zelfs aan of het Al-Mamoen was, die de openbreking leidde en zeggen dat hij voor de uitvoering van zulkeen werk te kort in Egypte verbleef. Hoe dit ook zij, de Pyramide is thans reeds geruimen tijd open voor een inwendig onderzoek en het bekende gedeelte is dan ook herhaalde malen onderzocht, opgemeten enz., en de teekening, die hierbij gevoegd is geeft een juiste weergave van de ontdekte gangen en kamers.In de eerste plaats zien wij dan de benedenwaarts leidende gang, die tamelijk steil afloopt. De helling is 26° 28′2, de geheele lengte bedraagt 320 voet en 10 duim en moet oorspronkelijk toen de ingang nog gaaf was ongeveer 343 voet geweest zijn. De hoogte is 47 duim, de breedte ± 41 duim. Na 63 voet gedaald te zijn komt men aan den ingang tot de opwaarts leidende gang. De helling hiervan wordt nogal verschillend opgegeven, het gemiddelde van deze opgaven is ± 26°. De lengte van deze gang is 124 voet, de breedte en hoogte nagenoeg gelijk aan die van de benedenwaarts leidende gang; aan het einde er van bevindt zich een sousplatform, rechts daarvan is de put, in zuidelijke richting strekt zich de gang uit die naar de Koninginnekamer leidt, terwijl de Galerij een vervolg van deze gang is. De horizontale Galerij is ± 109 voet lang, de breedte 3 voet en 5 duim, de hoogte 3 voet en 10 duim in het eerste gedeelte en 5 voet 8 duim in het laatste gedeelte. De put is 191.5 voet diep; hiervan is 148.5 voet in de vaste rots uitgehouwen. Aan de wanden bevinden zich aan drie kanten uithouwingen om met behulp van handen en voeten naar boven te klimmen. De Koninginnekamer is 17 voet 10 duim lang, 16 voet 1 duim breed en 19 voet 5 duim hoog. Aan de oostelijke zijde in de Koninginnekamer bevindt zich eene uitholling. Sommige schrijvers denken dat de Arabieren dit gedaan hebben, andere denken dat hierachter een verborgen gang leidde naar de Sphinx of een andere verborgen plaats.Van het platform af leidt verder opwaarts de galerij die de merkwaardigste is van de geheele Pyramide, en algemeen bekend staat als de Groote Galerij. Zij is ± 150 voet lang (± 50 M.) en 27 voet 6 duim (± 9 M.) hoog. Het inwendige is zeer fraai afgewerkt. John Greaves, de tevoren aangehaalde schrijver over de Pyramide, was er reeds over in bewondering. Hij zeide: “Zij doet in merkwaardigheid in kunst en rijkheid van grondstoffen niet onder voor de prachtigste gebouwen” en kenschetst haar verder als “den arbeidvan een uitstekend bekwame hand.” Opmerkenswaardig is vooral het dak, dat bestaat uit zeven lagen, waarvan elke volgende voorbij de vorige uitspringt, terwijl verder aan weerszijden op den vloer eene verhooging of bank is, die over de geheele lengte van de Galerij loopt. In deze verhooging bevinden zich aan de eene zijde 26 gaten of uithakkingen, aan de andere zijde 28.In den vloer zijn als het ware ruwe treden gehakt, natuurlijk in latere tijden, voor het gemakkelijker omhoog komen der bezoekers, iets wat anders zeer bezwaarlijk zou gaan. Aan het einde van de Galerij bevindt zich een zeer hooge steen van 7.5 voet. Eenmaal hierop geklommen, komt men eerst aan een kleinen nauwen doorgang, vervolgens in een soort voorkamer en daarna in een korte gang. Hierin is een lage doorgang van graniet en men moet onder den steen die daar als het ware tusschen de wanden in de lucht hangt, en een soort opgehaalde valdeur vertegenwoordigt, doorkruipen; hierna weder een nauwen doorgang door, en men bevindt zich in de Koningskamer. De hangende steen wordt beschouwd als een die ter afsluiting zou hebben moeten dienen. De geheele lengte van dezen toegang is 22 voet. In de voorkamer ziet men aan de zijwanden meerdere groeven uitgehouwen, waarin waarschijnlijk ook valsteenen behoorden.De Koningskamer zelf is in weerwil van de vele beschadigingen een schoon geheel van graniet. Groote platen van 20 voet hoog, onmerkbaar aaneengevoegd, vormen de zijden. Er bevindt zich niets in behalve de veel besproken sarcofaag. Greaves geeft ook eene opgetogen beschrijving van deze kamer: “Deze rijke en ruime kamer, waar de kunst schijnt te hebben gewedijverd met de natuur, daar het werk niet ondergeschikt is aan de rijke grondstoffen, is als het ware in het hart van de pyramide op gelijken afstand van de zijden en ongeveer op het midden tusschen den top en de basis. De vloer, de zijden en het dak zijn alle gemaakt van groote stukken graniet.” Hij eindigt met haar “een prachtige kamer” te noemen. In de kamer bevinden zich nog twee luchtkanalen, die eerst later ontdekt zijn, een er van loopt naar de noordzijde der Pyramide, de andere naar de zuidzijde. De helling is ± 83° bij het noordelijke kanaal en de lengte van het noordelijke kanaal is volgens meting 233 voet. Zij vangen aan op een hoogte van 3 voet van den vloer.De sarcofaag die zich in de Koningskamer bevond is geheel van porphyr marmer. De lengte is 6.5 voet, de breedte 26.6 duim.Merkwaardig is het op te merken dat zij te groot is om later door de gangen in de kamer gebracht te zijn; men veronderstelt dat zij dus van boven af neergelaten is, vóór het dak gesloten en de Pyramide voltooid werd.Er is geen deksel op de sarcofaag en ook geen teeken dat er ooit een op geweest is; hierdoor is nogal verschil van meening ontstaan onder de geleerden of zij wel ooit gebruikt kan zijn om eene mummie te bevatten, en er zijn minstens evenveel gezaghebbende stemmen tegen dit denkbeeld als er vóór zijn. Zij is thans aanmerkelijk beschadigd hoewel de reizigers van vorige eeuwen haar steeds als gaaf vermelden. De steenen wand is ongeveer vijf duim dik en is buitengewoon hard. Wanneer men met metaal er tegen aanslaat klinkt hij als een bel. De aanblik van de gepolijste steensoort is die als van gekleurd glas met zwarte, witte en roode stippen.Thans echter is de sarcofaag aanmerkelijk beschadigd; velen ergeren zich hierover ten zeerste. Bonwick inPyramid Facts and Fancieslaat zich daarover uit als volgt: “Niet aleer de Europeanen, voornamelijk Engelsche en Amerikaansche dames en heeren hierheen begonnen te stroomen, begon dit Vandalisme. Het was niet voldoende massa’s van het uitwendige af te houwen, maar dit kostbare gedenkstuk, dat zelfs geen Turk had willen ontwijden of beschadigen, begon het gewone lot van relikwieën te ondergaan door de hand van relikwieën-vereerders en relikwieën-dieven.” En verder: “Met uitzondering van een klein brokje was de sarcofaag zestig jaar geleden gaaf. Zij die haar nu beschouwen, afgehakt en afgeschilferd, als zij is, mogen wel blozen voor de Westersche beschaving. Den schrijver zelf werd kalm door een van zijn Arabische volgelingen gevraagd of hij er gaarne een stuk afgebroken wou hebben. Met niemand die verantwoordelijk is voor het behoud en met de verwachting der inboorlingen voor een frank per afgebroken stuk, wie kan zich dan nog verwonderen over de trapsgewijze vermindering en eindelijke algeheele vernietiging van deze wonderbaarlijke en geheimzinnige kist.”Boven het dak van de Koningskamer bevinden zich vijf kleinere kamers, waarin men komen kan door een gat in het dak. Deze kamers zijn genoemd naar Davison, Hertog Wellington, Lord Nelson, Lady Arbuthnot en Col. Campbell. De eerste werd in 1763 door Davison ontdekt. De overige werden door Col. Howard Vyse in 1837 ontdekt. De kamers zijn van elkaar gescheiden door graniet, glad aan denbovenkant en ruw aan den onderkant. De bovenste of vijfde kamer heeft een dak van twee schuins opstaande steenblokken. De hoogte van de gezamenlijke kamers bedraagt ± 69 voet.Gezaghebbenden zijn het er vrijwel over eens dat de reden van het bouwen van deze kamers moet gezocht worden in het plan van de bouwers om het gewicht op het dak te verlichten; zoodat het dak van de Koningskamer niet zou bezwijken onder den zwaren last.De bovenvermelde kamers en gangen zijn de tot dusver ontdekte in het bovengrondsche gedeelte der Pyramide. In het rotsgedeelte bevindt zich nog een kamer, die gelegen is aan het einde van den benedenwaarts leidenden ingang. Daartegenover bevindt zich in deze kamer een doodloopende gang.Ik heb hier een korte en ruwe schets gegeven van het onverklaarbare en ingewikkelde stelsel van gangen en kamers in de Groote Pyramide, namelijk van die welke tot dusver ontdekt zijn. Want ik geloof ten stelligste dat er veel meer gangen en kamers zijn, en dit is verklaarbaar omdat in de verhandeling overPyramids and Stonehengegezegd wordt, dat Koefoe een deel der kamers afsloot. Echter zullen deze wel nooit ontdekt worden, daar de belangstelling tot verder onderzoek in dezen thans ernstig verflauwd is, en misschien gelukkig maar? Want die afsluiting zal niet zonder reden geweest zijn en evenals de bekende gangen en kamers eerst ontdekt zijn en onderzocht toen dit zonder bezwaar van andere zijde geschieden kon, evenzoo zal dit misschien later het geval zijn met nog onontdekte gedeelten.Thans zullen wij, nu wij ons eenigermate een oordeel kunnen vormen over de vraagstukken: wanneer werd de Pyramide gebouwd? en door wie? nagaan wat door verschillende schrijvers gezegd is met betrekking tot het waarom? Want zeker bestaan er geen meer uiteenloopende meeningen over het doel van een bouwwerk dan het geval is bij deze Pyramide. In het volgende hoofdstuk zullen wij dus zien welke doeleinden men alzoo aan de Pyramide toekende.1Our Inheritance in the Great Pyramidblz. 85–93.2De hier door mij gegeven hoeken en afmetingen zijn gemiddelde, en bij benadering gegeven, daar nagenoeg iedere schrijver andere maten geeft. Deze maten ontleen ik aanPyramid Facts and Fancies.
Wij zijn gekomen tot een gedeelte van ons onderwerp dat wij kunnen beschouwen als eene inleiding tot de bespreking der verschillende theorieën die langzamerhand ontstaan zijn omtrent het doel der Groote Pyramide. Immers, indien zich onder de Pyramide, dus in het rotsvlak waarop zij staat, eene grafkamer had bevonden, en de Pyramide zelf een massief geheel met een daarheen leidende gang ware geweest, zooals dit bij andere pyramiden het geval is, zou er weinig reden bestaan hebben om zich in gissingen omtrent het doel der Pyramide te verdiepen. Maar juist door de bijzondere en eigenaardige afwijking, die de Groote Pyramide in dit opzichtvertoont, is zij geworden tot een onderwerp van de meest uiteenloopende beoordeelingen en gissingen, en was zij aanleiding tot heel wat geschrijf.
Met betrekking tot haar inwendige vertoont de Groote Pyramide een eigenaardigen aanblik. Het feit dat zich zulk een uitgebreid gangen- en kamerstelsel daarin bevindt is slechts sedert betrekkelijk korten tijd bekend en de schrijvers der oudheid vermelden er niet veel van. Niet eerder dan sedert de groote Fransche expeditie onder Napoleon werd dit een feit van meer algemeene bekendheid en wij vinden inPancoucke’swerk over deze expeditie een vrij nauwkeurige beschrijving van deze gangen en kamers. Eerst in latere werken werden zeer uitvoerige beschrijvingen er van gegeven, naarmate dit noodzakelijk bleek tot staving van de theorieën der schrijvers aangaande de symboliek of het doel der Pyramide.
Volgens de oudste verhalen was de Pyramide geheel gesloten tot het jaar 830 n. Chr.. Kalief Al-Mamoen zou de eerste geweest zijn die zich met geweld een toegang deed banen, daar hij de eigenlijke opening en den ingang niet wist en ook niet vond. Deze laatste is thans wel bekend en bevindt zich op ongeveer 47,5 voet boven de basis, tusschen den vijftienden en zestienden trap; zij schijnt eveneens bekend geweest te zijn bij enkele Grieken. Ook Strabo maakt er melding van. Hij zegt: “In de hoogte als het ware, in het midden tusschen de twee zijden, is een steen die weggenomen kan worden, en wanneer deze er uitgenomen is, is er een hellende ingang tot het graf.” Op een andere plaats zegt hij: “Deze ingang werd geheim gehouden.”
In hoeverre het verhaal van den Arabischen schrijver Ibn Abd Al Hokm over het forceeren van den ingang waarheid bevat, is moeilijk na te gaan. De meeste schrijvers hechten er weinig waarde aan, daar er te veel feiten tegen spreken, en het verhaal blijkbaar zeer veel fantasie bevat. Wel is het waarschijnlijk dat gedurende deze poging om de Pyramide inwendig te onderzoeken wegens de schatten die, naar men veronderstelde, daar verborgen waren, de andere gangen en kamers ontdekt werden. Dit is ook de meening van Piazzi Smith en hij geeft een vrij uitvoerig verslag van het Arabisch verhaal omtrent deze gebeurtenis, waaraan ik het volgende ontleen.
Al-Mamoen liet zijne werklieden dertig voet boven den grond in het midden der noordelijke zijde aanvangen met breken. Het was evenwel een oneindig veel zwaarder werk dan de Kalief gedacht had en zijnelieden werden oproerig en wilden dit blijkbaar onmogelijke werk opgeven. Doch de Kalief dwong hen tot weder opvatten van de taak die hij zich gesteld had en maanden en maanden werd er gewerkt; schijnbaar zonder dat men veel verder kwam. Daarna wilden zijne werklieden het in ieder geval opgeven, toen zij als bij een toeval een zwaren steen niet ver van hen vandaan hoorden neerploffen; dit deed hen met vernieuwden moed in die richting werken, waarop zij kort daarna doordrongen tot de benedenwaarts leidende gang, die waarschijnlijk vaak betreden was door Grieksche en Romeinsche bezoekers vóór hen. Doch thans lag daar de steen die het geluid veroorzaakt had, een steen waarvan de onderkant tevoren een deel uitmaakte van het dak van de benedenwaarts leidende gang. Blijkbaar was deze steen de afsluitsteen geweest van een opwaarts leidende gang. Dit was ook zoo. Echter was deze gang nog steeds verstopt door reusachtige wigvormige steenen die achter den gevallen steen een plaats gevonden hadden. De Arabieren zagen geen kans deze op te ruimen, dus hakten zij zich een weg door den veel zachteren kalksteen daar omheen; op deze wijze zich een weg banende tot de opwaarts leidende gang, een doorgang die ook heden nog benut wordt door bezoekers. Thans stond hun de weg open tot de verdere gangen en kamers der Pyramide, doch van schatten geen spoor.De Kalief wist nu slechts één middel om zijn verwoede volgelingen tot bedaren te brengen; in den nacht liet hij aan het einde van het geboorde gat een schat begraven in het steenwerk der Pyramide en liet hen den volgenden dag daar verder houwen. Natuurlijk vonden zij het goud en toen het geteld werd bleek het juist het bedrag te zijn dat verbruikt was voor de onderneming. Daar nu de werklieden hun werk betaald kregen, hield hun opstand spoedig op en de Kalief keerde terug naar El Fostat.Eén ding was echter bereikt. Sinds dien tijd was het inwendige der Pyramide opengelegd voor latere bezoekers, en enkele van deze drongen daar dan ook in door; en een der geschiedschrijvers verhaalt dat “enkele van deze er veilig weer uitkwamen en andere stierven.”1
Al-Mamoen liet zijne werklieden dertig voet boven den grond in het midden der noordelijke zijde aanvangen met breken. Het was evenwel een oneindig veel zwaarder werk dan de Kalief gedacht had en zijnelieden werden oproerig en wilden dit blijkbaar onmogelijke werk opgeven. Doch de Kalief dwong hen tot weder opvatten van de taak die hij zich gesteld had en maanden en maanden werd er gewerkt; schijnbaar zonder dat men veel verder kwam. Daarna wilden zijne werklieden het in ieder geval opgeven, toen zij als bij een toeval een zwaren steen niet ver van hen vandaan hoorden neerploffen; dit deed hen met vernieuwden moed in die richting werken, waarop zij kort daarna doordrongen tot de benedenwaarts leidende gang, die waarschijnlijk vaak betreden was door Grieksche en Romeinsche bezoekers vóór hen. Doch thans lag daar de steen die het geluid veroorzaakt had, een steen waarvan de onderkant tevoren een deel uitmaakte van het dak van de benedenwaarts leidende gang. Blijkbaar was deze steen de afsluitsteen geweest van een opwaarts leidende gang. Dit was ook zoo. Echter was deze gang nog steeds verstopt door reusachtige wigvormige steenen die achter den gevallen steen een plaats gevonden hadden. De Arabieren zagen geen kans deze op te ruimen, dus hakten zij zich een weg door den veel zachteren kalksteen daar omheen; op deze wijze zich een weg banende tot de opwaarts leidende gang, een doorgang die ook heden nog benut wordt door bezoekers. Thans stond hun de weg open tot de verdere gangen en kamers der Pyramide, doch van schatten geen spoor.
De Kalief wist nu slechts één middel om zijn verwoede volgelingen tot bedaren te brengen; in den nacht liet hij aan het einde van het geboorde gat een schat begraven in het steenwerk der Pyramide en liet hen den volgenden dag daar verder houwen. Natuurlijk vonden zij het goud en toen het geteld werd bleek het juist het bedrag te zijn dat verbruikt was voor de onderneming. Daar nu de werklieden hun werk betaald kregen, hield hun opstand spoedig op en de Kalief keerde terug naar El Fostat.
Eén ding was echter bereikt. Sinds dien tijd was het inwendige der Pyramide opengelegd voor latere bezoekers, en enkele van deze drongen daar dan ook in door; en een der geschiedschrijvers verhaalt dat “enkele van deze er veilig weer uitkwamen en andere stierven.”1
Het verhaal omtrent deze doordringing tot het inwendige der Pyramide heeft in handen van latere Arabische schrijvers wonderlijke veranderingen ondergaan en een van deze weergevingen vermeldt o.a. dat de Arabieren, toen zij tot de Koningskamer doordrongen, in de sarcofaag een steenen beeld vonden, dat hol was en waarin zich een lichaam bevond van een man met een gouden borstplaat, bezaaid met juweelen. Een zwaard van onberekenbare waarde lag op het lichaam. Nabij het hoofd bevond zich een karbonkel van de grootte van een ei.
Inwendige van de Groote Pyramide.Inwendige van de Groote Pyramide.Naar een gravure inMarsham Adams’House of Hidden PlacesdoorJ. L. M. Lauweriks.
Inwendige van de Groote Pyramide.
Naar een gravure inMarsham Adams’House of Hidden PlacesdoorJ. L. M. Lauweriks.
Latere schrijvers hechten weinig waarde aan deze verhalen, en sommigen twijfelen er zelfs aan of het Al-Mamoen was, die de openbreking leidde en zeggen dat hij voor de uitvoering van zulkeen werk te kort in Egypte verbleef. Hoe dit ook zij, de Pyramide is thans reeds geruimen tijd open voor een inwendig onderzoek en het bekende gedeelte is dan ook herhaalde malen onderzocht, opgemeten enz., en de teekening, die hierbij gevoegd is geeft een juiste weergave van de ontdekte gangen en kamers.
In de eerste plaats zien wij dan de benedenwaarts leidende gang, die tamelijk steil afloopt. De helling is 26° 28′2, de geheele lengte bedraagt 320 voet en 10 duim en moet oorspronkelijk toen de ingang nog gaaf was ongeveer 343 voet geweest zijn. De hoogte is 47 duim, de breedte ± 41 duim. Na 63 voet gedaald te zijn komt men aan den ingang tot de opwaarts leidende gang. De helling hiervan wordt nogal verschillend opgegeven, het gemiddelde van deze opgaven is ± 26°. De lengte van deze gang is 124 voet, de breedte en hoogte nagenoeg gelijk aan die van de benedenwaarts leidende gang; aan het einde er van bevindt zich een sousplatform, rechts daarvan is de put, in zuidelijke richting strekt zich de gang uit die naar de Koninginnekamer leidt, terwijl de Galerij een vervolg van deze gang is. De horizontale Galerij is ± 109 voet lang, de breedte 3 voet en 5 duim, de hoogte 3 voet en 10 duim in het eerste gedeelte en 5 voet 8 duim in het laatste gedeelte. De put is 191.5 voet diep; hiervan is 148.5 voet in de vaste rots uitgehouwen. Aan de wanden bevinden zich aan drie kanten uithouwingen om met behulp van handen en voeten naar boven te klimmen. De Koninginnekamer is 17 voet 10 duim lang, 16 voet 1 duim breed en 19 voet 5 duim hoog. Aan de oostelijke zijde in de Koninginnekamer bevindt zich eene uitholling. Sommige schrijvers denken dat de Arabieren dit gedaan hebben, andere denken dat hierachter een verborgen gang leidde naar de Sphinx of een andere verborgen plaats.
Van het platform af leidt verder opwaarts de galerij die de merkwaardigste is van de geheele Pyramide, en algemeen bekend staat als de Groote Galerij. Zij is ± 150 voet lang (± 50 M.) en 27 voet 6 duim (± 9 M.) hoog. Het inwendige is zeer fraai afgewerkt. John Greaves, de tevoren aangehaalde schrijver over de Pyramide, was er reeds over in bewondering. Hij zeide: “Zij doet in merkwaardigheid in kunst en rijkheid van grondstoffen niet onder voor de prachtigste gebouwen” en kenschetst haar verder als “den arbeidvan een uitstekend bekwame hand.” Opmerkenswaardig is vooral het dak, dat bestaat uit zeven lagen, waarvan elke volgende voorbij de vorige uitspringt, terwijl verder aan weerszijden op den vloer eene verhooging of bank is, die over de geheele lengte van de Galerij loopt. In deze verhooging bevinden zich aan de eene zijde 26 gaten of uithakkingen, aan de andere zijde 28.
In den vloer zijn als het ware ruwe treden gehakt, natuurlijk in latere tijden, voor het gemakkelijker omhoog komen der bezoekers, iets wat anders zeer bezwaarlijk zou gaan. Aan het einde van de Galerij bevindt zich een zeer hooge steen van 7.5 voet. Eenmaal hierop geklommen, komt men eerst aan een kleinen nauwen doorgang, vervolgens in een soort voorkamer en daarna in een korte gang. Hierin is een lage doorgang van graniet en men moet onder den steen die daar als het ware tusschen de wanden in de lucht hangt, en een soort opgehaalde valdeur vertegenwoordigt, doorkruipen; hierna weder een nauwen doorgang door, en men bevindt zich in de Koningskamer. De hangende steen wordt beschouwd als een die ter afsluiting zou hebben moeten dienen. De geheele lengte van dezen toegang is 22 voet. In de voorkamer ziet men aan de zijwanden meerdere groeven uitgehouwen, waarin waarschijnlijk ook valsteenen behoorden.
De Koningskamer zelf is in weerwil van de vele beschadigingen een schoon geheel van graniet. Groote platen van 20 voet hoog, onmerkbaar aaneengevoegd, vormen de zijden. Er bevindt zich niets in behalve de veel besproken sarcofaag. Greaves geeft ook eene opgetogen beschrijving van deze kamer: “Deze rijke en ruime kamer, waar de kunst schijnt te hebben gewedijverd met de natuur, daar het werk niet ondergeschikt is aan de rijke grondstoffen, is als het ware in het hart van de pyramide op gelijken afstand van de zijden en ongeveer op het midden tusschen den top en de basis. De vloer, de zijden en het dak zijn alle gemaakt van groote stukken graniet.” Hij eindigt met haar “een prachtige kamer” te noemen. In de kamer bevinden zich nog twee luchtkanalen, die eerst later ontdekt zijn, een er van loopt naar de noordzijde der Pyramide, de andere naar de zuidzijde. De helling is ± 83° bij het noordelijke kanaal en de lengte van het noordelijke kanaal is volgens meting 233 voet. Zij vangen aan op een hoogte van 3 voet van den vloer.
De sarcofaag die zich in de Koningskamer bevond is geheel van porphyr marmer. De lengte is 6.5 voet, de breedte 26.6 duim.Merkwaardig is het op te merken dat zij te groot is om later door de gangen in de kamer gebracht te zijn; men veronderstelt dat zij dus van boven af neergelaten is, vóór het dak gesloten en de Pyramide voltooid werd.
Er is geen deksel op de sarcofaag en ook geen teeken dat er ooit een op geweest is; hierdoor is nogal verschil van meening ontstaan onder de geleerden of zij wel ooit gebruikt kan zijn om eene mummie te bevatten, en er zijn minstens evenveel gezaghebbende stemmen tegen dit denkbeeld als er vóór zijn. Zij is thans aanmerkelijk beschadigd hoewel de reizigers van vorige eeuwen haar steeds als gaaf vermelden. De steenen wand is ongeveer vijf duim dik en is buitengewoon hard. Wanneer men met metaal er tegen aanslaat klinkt hij als een bel. De aanblik van de gepolijste steensoort is die als van gekleurd glas met zwarte, witte en roode stippen.
Thans echter is de sarcofaag aanmerkelijk beschadigd; velen ergeren zich hierover ten zeerste. Bonwick inPyramid Facts and Fancieslaat zich daarover uit als volgt: “Niet aleer de Europeanen, voornamelijk Engelsche en Amerikaansche dames en heeren hierheen begonnen te stroomen, begon dit Vandalisme. Het was niet voldoende massa’s van het uitwendige af te houwen, maar dit kostbare gedenkstuk, dat zelfs geen Turk had willen ontwijden of beschadigen, begon het gewone lot van relikwieën te ondergaan door de hand van relikwieën-vereerders en relikwieën-dieven.” En verder: “Met uitzondering van een klein brokje was de sarcofaag zestig jaar geleden gaaf. Zij die haar nu beschouwen, afgehakt en afgeschilferd, als zij is, mogen wel blozen voor de Westersche beschaving. Den schrijver zelf werd kalm door een van zijn Arabische volgelingen gevraagd of hij er gaarne een stuk afgebroken wou hebben. Met niemand die verantwoordelijk is voor het behoud en met de verwachting der inboorlingen voor een frank per afgebroken stuk, wie kan zich dan nog verwonderen over de trapsgewijze vermindering en eindelijke algeheele vernietiging van deze wonderbaarlijke en geheimzinnige kist.”
Boven het dak van de Koningskamer bevinden zich vijf kleinere kamers, waarin men komen kan door een gat in het dak. Deze kamers zijn genoemd naar Davison, Hertog Wellington, Lord Nelson, Lady Arbuthnot en Col. Campbell. De eerste werd in 1763 door Davison ontdekt. De overige werden door Col. Howard Vyse in 1837 ontdekt. De kamers zijn van elkaar gescheiden door graniet, glad aan denbovenkant en ruw aan den onderkant. De bovenste of vijfde kamer heeft een dak van twee schuins opstaande steenblokken. De hoogte van de gezamenlijke kamers bedraagt ± 69 voet.
Gezaghebbenden zijn het er vrijwel over eens dat de reden van het bouwen van deze kamers moet gezocht worden in het plan van de bouwers om het gewicht op het dak te verlichten; zoodat het dak van de Koningskamer niet zou bezwijken onder den zwaren last.
De bovenvermelde kamers en gangen zijn de tot dusver ontdekte in het bovengrondsche gedeelte der Pyramide. In het rotsgedeelte bevindt zich nog een kamer, die gelegen is aan het einde van den benedenwaarts leidenden ingang. Daartegenover bevindt zich in deze kamer een doodloopende gang.
Ik heb hier een korte en ruwe schets gegeven van het onverklaarbare en ingewikkelde stelsel van gangen en kamers in de Groote Pyramide, namelijk van die welke tot dusver ontdekt zijn. Want ik geloof ten stelligste dat er veel meer gangen en kamers zijn, en dit is verklaarbaar omdat in de verhandeling overPyramids and Stonehengegezegd wordt, dat Koefoe een deel der kamers afsloot. Echter zullen deze wel nooit ontdekt worden, daar de belangstelling tot verder onderzoek in dezen thans ernstig verflauwd is, en misschien gelukkig maar? Want die afsluiting zal niet zonder reden geweest zijn en evenals de bekende gangen en kamers eerst ontdekt zijn en onderzocht toen dit zonder bezwaar van andere zijde geschieden kon, evenzoo zal dit misschien later het geval zijn met nog onontdekte gedeelten.
Thans zullen wij, nu wij ons eenigermate een oordeel kunnen vormen over de vraagstukken: wanneer werd de Pyramide gebouwd? en door wie? nagaan wat door verschillende schrijvers gezegd is met betrekking tot het waarom? Want zeker bestaan er geen meer uiteenloopende meeningen over het doel van een bouwwerk dan het geval is bij deze Pyramide. In het volgende hoofdstuk zullen wij dus zien welke doeleinden men alzoo aan de Pyramide toekende.
1Our Inheritance in the Great Pyramidblz. 85–93.2De hier door mij gegeven hoeken en afmetingen zijn gemiddelde, en bij benadering gegeven, daar nagenoeg iedere schrijver andere maten geeft. Deze maten ontleen ik aanPyramid Facts and Fancies.
1Our Inheritance in the Great Pyramidblz. 85–93.
2De hier door mij gegeven hoeken en afmetingen zijn gemiddelde, en bij benadering gegeven, daar nagenoeg iedere schrijver andere maten geeft. Deze maten ontleen ik aanPyramid Facts and Fancies.
Hoofdstuk V.Over de bestemming der Pyramide.In de voorgaande hoofdstukken heb ik, zij het ook onvolledig, in hoofdtrekken aangegeven wat ons uit gezaghebbende bronnen bekend is geworden omtrent het tijdstip van den bouw, omtrent de(n) bouwer(s) en de wijze van bouwen; en ik heb slechts hier en daar aangestipt wat deze schrijvers dachten met betrekking tot het doel, voor hetwelk de Pyramide gebouwd zoude zijn. Mijne lezers moeten het voorgaande geheel beschouwen als eene lange inleiding tot de eigenlijke bedoeling van deze verhandeling, namelijk het beschouwen van de bestemming van dit merkwaardige bouwwerk. En hetgeen thans volgt als een algemeen overzicht van de verschillende theorieën over die bestemming, moet eveneens weer beschouwd worden als een overgang tot het nagaan van die theorie, welke voor Theosofen—hetzij krachtens geloof, gezag of overtuiging—de meeste waarde heeft, namelijk die theorie, welke ik aanduidde als de Theosofische en welke men eveneens kan beschouwen als een maçonnieke theorie.Het zou onmogelijk zijn, alle theorieën die omtrent de vermoedelijke bestemming der Pyramide bestaan, hier ter plaatse volkomen te behandelen; ik moet volstaan met ze kortelijks weer te geven, en zelfs kan ik enkele alleen vermelden, daar ze volstrekt van geen waarde of belang zijn voor ons eigenlijk doel. Een ieder die belang stelt in de eene of andere speciale theorie, kan deze voor zichzelf nagaan in de daarover geschreven werken, en de meeste dezer theorieën zijn zelfs te technisch om in een populaire verhandeling als deze een plaats te vinden. Ik moet dus slechts de minst technische behandelen.De meest bekende, thans ook meest gezaghebbende theorie is die welke de Groote Pyramide evenals alle pyramiden maakt tot een praalgraf van Egyptische Pharaoh’s.De andere schrijvers laten zich, zooals ik reeds vermeldde, weinig uit over het doel en men kan dus weinig steun bij hen vinden, zoowel voor deze als voor eene andere theorie.Jomard zegt in zijn verhandelingSur les Pyramides d’Egypte1:Indien wij in eene bijna volkomen duisternis verkeeren met betrekking tot het tijdstip van den bouw der Pyramide en de namen van hare Bouwers, hangt er een bijna even dichte sluier over de bestemming dezerbouwwerken, en het zou ook niet anders kunnen zijn; want de geschiedschrijvers der oudheid en de Arabische schrijvers hebben niet de middelen gehad om die te kennen, de een zoo min als de ander. Het was natuurlijk dat men deze bouwwerken beschouwde als te behooren tot graven, praalgraven. Dit denkbeeld is in den grond geheel in overeenstemming metde waarschijnlijkheid en bovenal met die welke een gevolg is van analogie[ik cursiveer; v. G.]; omdat het Lybisch gebergte te Memphis niet zooals te Thebe hoogopstaande zijwanden aanbood, die geopend werden voor de graven der koningen, zou men daarom niet getracht hebben daarin te voorzien door bouwwerken? En zou men dan misschien door de reusachtige afmetingen, door de ontzagwekkende moeilijkheden van de onderneming, hebben willen wedijveren met den rijkdom van de koninklijke onderaardsche begraafplaatsen?Maar met dit gegeven, hoe waarschijnlijk het zij, zou men nooit het werk der Pyramiden verklaren en alles wat een nauwgezet onderzoek er ontdekken moet; en in de eerste plaats het denkbeeld van de keus van den pyramidalen vorm.”En verder:“Hoe dit zij, indien wij toestemmen, dat het denkbeeld van een pyramide dat van een graf medebrengt, zou men dan gedwongen zijn te besluiten, dat geen enkele andere bedoeling voorgezeten heeft bij de oprichting van deze grootsche bouwwerken? Wij gelooven het niet. Hoe kunnen wij bijvoorbeeld als waar erkennen, dat bij een volk dat zoo godsdienstig was als de Egyptenaren, de godsdienst en zijne mysteriën vreemd waren aan het doel dat men zich stelde bij het oprichten van de Pyramiden? Zou dit aan den anderen kant niet zijn een geheel terzijde stellen van de verklaring, die de diepzinnigste waarnemer der oudheid, Aristoteles, van deze bouwwerken geeft, die ze toeschrijft aan de politiek der vorsten? Ten slotte, wanneer men denkt over de keuze van den vorm die aan de bouwwerken gegeven is, over de afmetingen en het onderling verband der deelen, over de nauwkeurige oriëntatie der zijden, en tal van andere niet minder treffende omstandigheden, kan men dan verzekeren, dat de wetenschappen en wetenschappelijke doeleinden bij hare samenstelling niet hebben voorgezeten? Deze veronderstellingen zouden alle gelijkelijk onaannemelijk zijn. Ik stem toe dat de volmaaktheid van den arbeid en de samenstelling verklaard kunnen worden door den graad van volmaking waartoe de bouwkunde toen gevorderd was, en dat iedere soort openbaar bouwwerk met de grootste aandacht uitgevoerd moest worden; maar hier is een over-overvloed van zorgen, voorzorgen tot in de kleinste bijzonderheden voor de hechtheid, voor het afwerken van het geheel; de architect is geleid door den sterrekundige, en de samensteller door den wiskundige.Anderen vóór mij hebben er aan getwijfeld, dat de pyramide gebouwd was om als graf te dienen2, maar men heeft ongelijk te ontkennen dat een enkel deel van het gebouw of der nabuurschap deze bestemming ontvangen zou hebben; dit is een onderscheid dat mij belangrijk schijnt vast te stellen.”Uit het hier aangehaalde ziet men dat dezesavantniet boudweg beweerde, dat de Pyramide niets dan een graftombe was, en hij gaat zelfs verder, zooals wij later zullen zien. Ik haal dezen schrijver uitvoerig aan, omdat onder degezaghebbendeschrijvers niemand zoo in den breede dit onderwerp bespreekt en op zulk eene wijsgeerige en waarlijk wetenschappelijke wijze. Niet louter beweringen, maar een onder de oogen zien van feiten en een ruimte laten voor de meeningen van andere schrijvers en denkers.Hij gaat er vervolgens toe over, de schrijvers der oudheid na te gaan met betrekking tot dit deel van het onderwerp: Diodorus, Strabo en Herodotus zinspelen op de Pyramide als een graf (Herodotus echter minder rechtstreeks; hij zegt dat Cheops in de rots waarop de Pyramiden gebouwd zijn verscheidene onderaardsche kamers gedolven had, die bestemd waren als zijn graf te dienen; dit graf was geplaatst op een eiland dat gevormd werd door een kanaal, dat met de rivier in gemeenschap stond); Plinius spreekt niet over de bestemming der Pyramide, en met betrekking tot hetgeen de Arabische geschiedschrijvers mededeelen, zegt hij:“Het is waar dat verscheidene Arabische schrijvers de groote pyramiden als graven beschouwd hebben; maar zij zijn ongetwijfeld tot die meening gekomen om reden van de kleinere pyramidale bouwwerken in den omtrek, die sarcofagen en gebalsemde lijken bevatten, en die inderdaad niets anders konden zijn dan graven. De vraag was, en is nog, te weten of de bouwers van deGrootePyramide een ander doel gehad hebben dan er een mummie van een koning te plaatsen: wij zullen weldra elders zien dat de Oostersche schrijvers niet allen van dat gevoelen zijn”.En, verder, na uitgeweid te hebben over het inwendige der Pyramide:“Er is ongetwijfeld niets onwaarschijnlijks in, te denken dat men in een dergelijk gebouw mysteriën vierde, of dat men misschien inwijdingen volbracht in de onderste zalen, en in het algemeen kultus, ceremoniën en godsdienstige riten.....”Vervolgens gaat hij er toe over verschillende andere theorieën te beschouwen op eene zeer vrijzinnige wijze, theorieën die wij zoo dadelijk eveneens zullen vermelden; en ik kan niet beter doen, om mijn lezers de juiste houding van zijn denken aan te wijzen ten opzichte van de verschillende theorieën, dan zijn slotwoorden met betrekking tot dit deel van het onderwerp aan te halen:“Wij laten het aan onzen lezer over, na deze laatste verklaringen die te verkiezen, welke hem het waarschijnlijkst lijkt.Dat moeten wij eveneens doen ten opzichte van de andere vraagstukken die opgeworpen worden over het doel en de bestemming der Pyramiden, voornamelijk over het doeleinde voor hetwelk deGrootePyramide opgericht werd. Indien het nagenoeg onmogelijk is, dit doel op zekere wijze aan te duiden, zou het volstrekt niet minder moeilijk zijn aan te toonen dat de bestemming van het gebouw louter was om als graf dienst te doen. Het staat aan den lezer, te oordeelen over de waarde der bewijsredenen en der beschouwingen die voor zijn oogen liggen, en ze te vergelijken met feiten en waarnemingen. Hij zal allereerst uit al deze feiten twee gevolgtrekkingen maken; de eerste, dat dit grootsche bouwwerk niet bestemd werd voor een éénig doeleinde; de tweede, dat de afmetingen van de Pyramide evenredige deelen zijn van de grootte van een lengte-graad in Egypte. Uit deze twee gevolgtrekkingen, die onbetwistbaar schijnen, zal de lezer misschien vervolgens deze gevolgtrekking afleiden, dat de Pyramide de afmetingen, die zij heeft, niet toevallig ontvangen heeft, maar ingevolge een plan, om de waarde van den graad en de gebruikelijke lengte der maten in Egypte vast te stellen.”Wij zouden de bestaande theorieën in enkele hoofdgroepen kunnen verdeelen, en wij zouden dan naast de graftheorie en enkele andere onbeduidende theorieën een sterrekundige, een godsdienstige, een wetenschappelijke, een symbolische en een mystieke groep hebben, en daar wij reeds voldoende over de graftheorie gesproken hebben in dit en voorgaande gedeelten, zullen wij thans overgaan tot het aanstippen van enkele onbelangrijke—ja, vaak belachelijke—theorieën en het meer uitvoerig vermelden der belangrijke.Van de voor ons doel minder belangrijke theorieën is die van Fialin de Persigny er eene, die de meeste belangstelling verdient, daar zijne uitvoerige beschouwing, vervat in een tamelijk uitgebreid werk waarvan de titel luidt: “De la destination et de l’utilité permanente des Pyramides”, duidt op eene ernstige overtuiging en studie.Zijne theorie is, dat de Pyramiden gebouwd werden teneinde dienst te doen als bescherming tegen de zandstormen voor dat gedeelte van het Nijldal dat niet door de Lybische bergen beschut werd. Het gebrek van deze theorie valt ons reeds bij den aanvang in het oog, namelijk dat een toevallig nut van een gebouw niet de reden was tot het doen oprichten er van. Om dit te verduidelijken: eene kerk wordt gebouwd om daarin godsdienstige bijeenkomsten te houden, en al doet de spits van den toren, die bij dit gebouw behoort, nu dienst als een peilingspunt bij graadmetingen dan is de reden van het bouwen van dien kerktoren nog niet tezoeken in het nut van het bouwwerk bij laatstgenoemde metingen. De theorie van Ballard gaat zelfs in meer letterlijken zin aan dit euvel mank dan de theorie van De Persigny, want eerstgenoemde denkt werkelijk dat de drie pyramiden dienst deden als uitgangs-peilingspunten voor een uitgebreid stelsel van opmetingen teneinde het land van Egypte op de juiste wijze onder de bewoners te verdeelen. Zijn theorie is vervat in een boek genaamd “The solution of the Pyramid Problem”. Het eerste boek is lezenswaard voor belangstellenden in dit onderwerp als een bewijs van de wonderlijke aberraties van het menschelijk vernuft.Van de minderwaardige theorieën, die eigenlijk in ’t geheel den naam theorie niet verdienen, maar louter als een buitensporige of bekrompen opvatting van haar opsteller kunnen worden beschouwd, noemen wij de volgende. Sir Thomas Browner schreef ten tijde van Elisabeth, dat de donkere holen en bergplaatsen voor mummies de “schuilplaats van Satan” waren, zijne redeneering grondende op eenige opmerkingen in Egyptische papyrussen over “de onderwereld” en eveneens op eenige gezegden in het Oude Testament. Welke deze laatste waren, weet ik niet, doch ik denk dat hij die bedoelde welke H. P. Blavatsky eveneens aanhaalt in deGeheime Leer:“De groote breuk, die tusschen de zonen van het Vierde Ras ontstaan is zoodra deeerste TempelsenZalen van Inwijding onder de leiding der ‘zonen van God’ gebouwd waren3, wordt allegorisch voorgesteld door de Zonen van Jacob.De stervende Jacob beschrijft zijne zonen als volgt: ‘Dan’, zegt hij,‘zal eenslangzijn aan den weg, eenadderslangin het pad, bijtende de verzenen des paards, dat zijn rijder achterover valle’ (d. w. z.hij zal den candidatenZwarte Magieleeren).Omtrent Simeon en Levi merkt de aartsvader op dat werktuigen vanwreedheidin hunnewoningenzijn: ‘O mijn ziel, kom niet in hungeheim(lees Sod), tot hunnevergadering’.Nu is Sod de naam van de Groote Mysteriën”4.Wij kunnen hieruit lezen, dat er eveneens pyramidale (?) tempels van inwijding in zwarte magie waren en daar behoeven wij natuurlijk niet aan te twijfelen; bovenstaande aanhaling zegt genoeg, maar ik vrees, dat Browner te ver ging met zijn verklaring, indien ikhem al een dergelijk diepzinnig denken over het vraagstuk mag toeschrijven.Bonwick in zijnPyramid Facts and Fanciesgeeft deze theorie slechts even aan, en vermeldt ook enkele zeer belachelijke theorieën, die den naam theorie in het geheel niet waard zijn, o.a. een van een Zweedsch wijsgeer (?!), die als zijn meening te kennen geeft, dat de Pyramiden eenvoudig gebouwd waren als middel om het water van den troebelen Nijl te zuiveren, dat door de gangen er van gevoerd zou worden. Ik heb het boek, waarin deze meening toegelicht wordt, niet kunnen bemachtigen, en dat spijt mij, aangezien het mij zeker eenige aangename oogenblikken zou bezorgd hebben, en ik in geen geval overgehaald zou kunnen worden om aan te nemen, dat de Pyramiden een soort “watertorens” der oudheid waren. Verder vinden wij in dit werkjeFacts and Fanciesvermeld de meening van Gable, die zijne lezers vergast op het volgende belangwekkende item: “het blijkt niet, dat de stichters eenigerlei lofwaardig plan hadden, aan de nakomelingschap wetenschappelijke afbeeldingen na te laten”, zooals enkelen veronderstellen; “daarom schijnen zij niet met een geometrisch doel opgericht te zijn”; doch daar volgens Gable vastgesteld is (op welke wijze zegt hij niet) “dat zij opgericht werden door hen ‘die na hun huwelijk met de dochters der menschen niet alleen ontaarde verachters van nuttige kennis werden, maar zich geheel aan weelde overgaven’”, is het niet te verwonderen, dat zijn eindconclusie is,dat zij gebouwd werden om de vrouwen te behagen!Wathen schreef in 1842: “de geschenken van de koningin van Scheba aan de Egyptenaren worden nu aanschouwd in de onvernietigbare massa’s der Pyramiden”, terwijl Benjamin van Toledo en Vossius beweerden, dat zij de graanpakhuizen van Jozef waren. Reeds in 1330 beweerde Maundeville hetzelfde, zegt Bonwick. Bewijzen en zelfs bewijsredenen ontbreken echter ten eenenmale.Een theorie van meer waarde, en die ook zeer grondig is uitgewerkt en beredeneerd, is die van Thomas Yeates, die in 1833 over dit onderwerp eene dissertatie uitgaf5. In deze dissertatie maakt hij eene vergelijking tusschen de Pyramiden en de ark van Noach, voornamelijk wat betreft de afmetingen. Hij zegt: “de afmetingen van de Groote Pyramide benaderen in de oude ellematen de ark van Noach op zulk een wijze, dat ik niet kan aarzelen,hoe nieuw het denkbeeld ook is, eene vergelijking te trekken”.Aangezien wij later op de maten-theorie zullen terugkomen, zullen wij deze theorie alsdan nogmaals in verband met deze beschouwen.Reeds maakten wij, toen wij Jomard aanhaalden, melding van de denkwijze van Aristoteles over het doel van het bouwen der Pyramide. Deze denkwijze is er eene, die door velen aangehangen werd. Hij dan zegt, dat zij louter een vertoon van koninklijk despotisme vereeuwigde, doch dat dit vertoon een dieperliggende politieke reden had. In dit vruchtbare land (sprekende van de Nijldelta, die volgens Theosofische opvatting nog niet aangeslibd was tijdens den bouw) zou het volk weinig te werken gehad hebben en was er dus veel tijd tot muiterij en opstand tegen koninklijk en priesterlijk gezag. De priesters zouden dan den koning overtuigd hebben, dat er slechts één uitweg bestond om rust onder het volk te brengen, namelijk het te dwingen tot het bouwen van reusachtige bouwwerken, en aan deze reden zouden de Pyramiden haar ontstaan hebben te danken.Plinius is vrijwel van dezelfde opvatting, alleen meent hij, dat de werklieden de krijgsgevangenen waren, die niet nutteloos gevoed en gekleed konden worden en dus aan het werk moesten worden gehouden.Greaves bespreekt de meeningen van deze beide schrijvers der oudheid. Hij zegt: “Maar waarom de Egyptische koningen zich zulke reusachtige onkosten getroost zouden hebben om deze Pyramiden te bouwen, is een vraag van hoogeren aard.”Aristoteles zegt dat zij het werk van tyrannie zijn; en Plinius beweert dat de heerschers ze deels uit praalzucht en deels uit politiek bouwden, om het volk bezig te houden en het te bewaren voor muiterij en opstand.Sandijs dacht “dat het was uit vrees dat hunne groote schatten (die van de Pharaoh’s) hunne opvolgers zouden doen ontaarden”.Hoe men dezen Koningen tegelijkertijd toe kan schrijven dat zij tyrannen, hoogmoedige despoten enz. waren, en tevens zulke een vrees koesterden voor de ontaarding hunner opvolgers, is mij weer een raadsel!Mariette Bey is verontwaardigd over deze theorie en verwerpt haar; en Hekekyan Bey merkt terecht op: “Het is welbekend dat een tyran bijna nooit een werk voltooit dat door zijn voorganger onafgewerkt gelaten is. Het is duidelijk dat deze Pyramiden eene nationale onderneming waren; dat tot het plan er voor en deuitvoering er van werd besloten na rijp beraad; wetten werden gemaakt en in inkomsten werd voorzien om wat het publiek beslist had door de uitvoerende gezaghebbers tot stand te doen brengen.”Dufeu beweert het tegengestelde van Aristoteles. Hij zegt: “Verre van het werk te zijn van den trots en het despotisme van de Pharaoh’s, zijn zij integendeel bewijzen van hun verheven wijsheid en de diepe kennis hunner priestercolleges.”Eindigen wij dit hoofdstuk met een paar der bekendste Arabische schrijvers over dit punt te hooren:Mustadi (te Gihe in Arabië) zegt in 992:Er was een koning, genaamd Saurid, zoon van Salahx, 300 jaren voor den zondvloed, die op een nacht droomde dat hij de aarde met hare bewoners omvergeworpen zag, de menschen op hun gelaat neergeworpen, terwijl de sterren van den hemel vielen en tegen elkaar aanstieten en afschuwelijke en vreeselijke kreten slaakten terwijl zij vielen.Hij ontwaakte daarop zeer verontrust en verhaalde zijn droom aan niemand en was in zichzelf overtuigd dat een of ander groot ongeluk aan de wereld zou overkomen. Een jaar daarna droomde hij weder dat hij de vaste sterren op de aarde zag neerkomen in den vorm van witte vogels, die de menschen wegsleepten en hen tusschen twee groote bergen wierpen, welke zich zoo goed als samenvoegden en hen bedekten en toen werden de heldere, schijnende sterren donker en werden verduisterd. Daarop ontwaakte hij, buitengewoon verbaasd en trad in den Zonnetempel en begon te weenen. Den volgenden morgen beval hij dat alle vorsten der priesters en de toovenaars van alle provinciën van Egypte tezamen zouden komen; hetgeen zij deden tot een aantal van 130 priesters en waarzeggers, naar welke hij toeging en hun zijn droom verhaalde, dien zij van groot belang vonden; en de verklaring die zij er aan gaven was, dat een zeer groot ongeluk aan de wereld overkomen zou.Onder anderen zeide de priester Aclimon, die de grootste van allen was, en voornamelijk zijn verblijf hield in het hof van den koning, tot dezen:‘Heer, uw droom is bewonderenswaardig en ikzelf zag een anderen, ongeveer een jaar geleden, die mij verschrikte en dien ik aan niemand geopenbaard heb’.‘Zeg mij welke hij was’, zei de koning. ‘Ik droomde’, sprak de priester, ‘dat ik met Uwe Majesteit op den top van den vuurberg was, welke in het midden van Emsas is, en dat ik den hemel beneden zijn gewone ligging zag zakken, zoodat hij bij de kruin onzer hoofden was, terwijl hij ons bedekte en omringde als een groot omgekeerd bassin; dat de sterren met de menschen vermengd waren in verscheidene figuren; dat de menschen Uwe Majesteit hulp afsmeekten en in menigten tot u snelden als hun toevlucht; dat gij uwe handen boven uw hoofd ophieft en trachttet den hemel terug te werpen en hem tegenhield, en dat ik, toen ik zag wat Uwe Majesteit deed, hetzelfde verrichtte.Terwijl wij in die houding waren, buitengemeen verschrikt, dunkt mij,dat wij een gedeelte van den hemel zich zagen openen en een helder licht daaruit zagen komen; dat daarna de zon op die plaats opkwam en dat wij haar om bijstand smeekten, waarop zij tot ons zeide: “De Hemel zal tot zijn gewone standplaats wederkeeren wanneer ik driehonderd rondloopen volbracht heb”. Daarop ontwaakte ik buitengewoon verschrikt.’Toen de priesters aldus gesproken hadden, beval de koning hun de hoogte der sterren te nemen en te overwegen welk ongeluk zij voorspelden. Waarop zij verklaarden dat zij eerst den Zondvloed en daarna het vuur voorspelden. Toen beval hij dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat zij alles wat zij als waarde schatten, daarin zouden brengen met de lichamen van de koningen en hunne weelde, en de aromatische geuren, en dat zij hunne wijsheid er op zouden schrijven, opdat de wateren deze niet zouden vernietigen”.Dit is een gewijzigde vorm van het Bijbelsche verhaal waar Sem de kennis van de wereld der oudheid op twee pilaren laat graveeren: Jachin en Boaz.De geschiedschrijver Ibn Abd Alhokm is de volgende van wien ik een gedeelte wil aanhalen. De aanvang van het verhaal van dezen komt ongeveer op hetzelfde neer als het verhaal van Mustadi.Daarna gaat hij verder:“Toen de priesters gezegd hadden, dat de zondvloed ook in zijn land zou komen binnen enkele jaren, beval de koning dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat een kelder (grot) zou worden gemaakt, waarin de Nijl moest loopen, vanwaar hij in de westelijke landen stroomen zou en in het land van Al Saïd.En hij vulde de Pyramiden met talismans, en met vreemde dingen, rijkdommen en schatten en dergelijke. Hij graveerde alle dingen er in, die hem door wijze menschen verteld waren en evenzoo alle diepgaande wetenschappen. De namen van alakakirs, de gebruiken en gevaren er van, de wetenschappen van astrologie en wiskunde, van geometrie en natuurkunde, alle deze kunnen weergegeven worden door hen, die de karakters en taal kennen.—Nadat hij bevelen gegeven had voor dit gebouw, sneden zij groote kolommen en wonderlijke steenen uit. Zij haalden machtige steenen van de Ethiopiërs en maakten daarvan de grondslagen van de drie Pyramiden, terwijl zij ze samenvoegden met lood en ijzer. Zij bouwden de poorten er van 40 ellen onder den grond en maakten de hoogte der Pyramiden 100 koningsellen = 500 van onze ellen. Bij den aanvang van dezen bouw was een gelukkige horoskoop. Nadat hij ze geëindigd had bedekte hij ze van boven tot beneden met gekleurd satijn (marmer) en deed een plechtig feest plaats vinden, waar alle inwoners van het rijk bij tegenwoordig waren. Toen bouwde hij in de westelijke Pyramide 30 schatkamers, gevuld met rijkdommen en werktuigen, en met handteekeningen gemaakt uit edelsteenen en met ijzeren werktuigen en aarden vaten en met eenmesdat niet verteerten met glas dat gebogen en niet gebroken kan worden, en met vreemde betooveringen en met verscheidene soorten alakakirs, enkele en dubbele, en met doodelijke vergiften en vele andere dingen. Hij maakte ook in de oostelijke Pyramide hemelsche Sferen en sterren, en hunne verscheidene aspekten en werkingen en geuren die daarbij gebruikt worden en de boeken die over deze zaken handelen.Hij plaatste ook in de gekleurde pyramide (de derde) de verklaringen van de priesters in marmeren blokken en bij elken priester een boek, waarin de wonderen van zijn ambt en van zijne daden en zijne geaardheid en wat in zijn tijd gedaan werd en wat is en wat zijn zal van het begin tot het einde van tijd. Hij plaatste in elke Pyramide een schatbewaarder. De schatbewaarder van de westelijke Pyramide was een standbeeld van marnier, dat rechtop stond met een lans en op zijn hoofd kronkelde een slang. Hij die er nabij kwam en stil stond, dien beet de slang in de zijde, en kronkelde zich om zijn keel en doodde hem en keerde daarna naar hare plaats terug.Tot schatbewaarder van de oostelijke Pyramide maakte hij een afgod van zwart agaat met open en schijnende oogen, die met een lans op een troon zat. Wanneer iemand naar dezen opzag, hoorde hij een stem aan zijne zijde, die zijne zinnen wegnam, zoodat hij bewusteloos op zijn gelaat viel en niet ophield totdat hij stierf. Tot schatbewaarder van de gekleurde Pyramide maakte hij een standbeeld genaamd Albut, zittende. Hij die naar dit beeld zag, werd er naar toegetrokken tot hij er tegen aankleefde en kon er niet van afgehaald worden voor en aleer hij stierf.”Saurid schreef op de Groote Pyramide:“Ik liet deze Pyramide opbouwen in zes jaren. Afbreken is gemakkelijker dan opbouwen. Wie deze Pyramiden in zeshonderd jaren afbreekt is knapper en waardiger dan ik en gereed mijne plaats in te nemen”.1Pancoucke’sDescription de l’Egypte. Tome IX, blz. 485 en verv.2Voyage du docteur Shaw en Barbarie etc.D. III, blz. 314 en volg.3Duidelijk genoeg wordt hier gedoeld op de Pyramiden; zie Hoofdstuk I. (v. G.)4Geheime Leer, Deel II, blz. 260.5A Dissertation on the antiquity, origin and design of theprincipalPyramids of Egypt.
In de voorgaande hoofdstukken heb ik, zij het ook onvolledig, in hoofdtrekken aangegeven wat ons uit gezaghebbende bronnen bekend is geworden omtrent het tijdstip van den bouw, omtrent de(n) bouwer(s) en de wijze van bouwen; en ik heb slechts hier en daar aangestipt wat deze schrijvers dachten met betrekking tot het doel, voor hetwelk de Pyramide gebouwd zoude zijn. Mijne lezers moeten het voorgaande geheel beschouwen als eene lange inleiding tot de eigenlijke bedoeling van deze verhandeling, namelijk het beschouwen van de bestemming van dit merkwaardige bouwwerk. En hetgeen thans volgt als een algemeen overzicht van de verschillende theorieën over die bestemming, moet eveneens weer beschouwd worden als een overgang tot het nagaan van die theorie, welke voor Theosofen—hetzij krachtens geloof, gezag of overtuiging—de meeste waarde heeft, namelijk die theorie, welke ik aanduidde als de Theosofische en welke men eveneens kan beschouwen als een maçonnieke theorie.
Het zou onmogelijk zijn, alle theorieën die omtrent de vermoedelijke bestemming der Pyramide bestaan, hier ter plaatse volkomen te behandelen; ik moet volstaan met ze kortelijks weer te geven, en zelfs kan ik enkele alleen vermelden, daar ze volstrekt van geen waarde of belang zijn voor ons eigenlijk doel. Een ieder die belang stelt in de eene of andere speciale theorie, kan deze voor zichzelf nagaan in de daarover geschreven werken, en de meeste dezer theorieën zijn zelfs te technisch om in een populaire verhandeling als deze een plaats te vinden. Ik moet dus slechts de minst technische behandelen.
De meest bekende, thans ook meest gezaghebbende theorie is die welke de Groote Pyramide evenals alle pyramiden maakt tot een praalgraf van Egyptische Pharaoh’s.
De andere schrijvers laten zich, zooals ik reeds vermeldde, weinig uit over het doel en men kan dus weinig steun bij hen vinden, zoowel voor deze als voor eene andere theorie.
Jomard zegt in zijn verhandelingSur les Pyramides d’Egypte1:
Indien wij in eene bijna volkomen duisternis verkeeren met betrekking tot het tijdstip van den bouw der Pyramide en de namen van hare Bouwers, hangt er een bijna even dichte sluier over de bestemming dezerbouwwerken, en het zou ook niet anders kunnen zijn; want de geschiedschrijvers der oudheid en de Arabische schrijvers hebben niet de middelen gehad om die te kennen, de een zoo min als de ander. Het was natuurlijk dat men deze bouwwerken beschouwde als te behooren tot graven, praalgraven. Dit denkbeeld is in den grond geheel in overeenstemming metde waarschijnlijkheid en bovenal met die welke een gevolg is van analogie[ik cursiveer; v. G.]; omdat het Lybisch gebergte te Memphis niet zooals te Thebe hoogopstaande zijwanden aanbood, die geopend werden voor de graven der koningen, zou men daarom niet getracht hebben daarin te voorzien door bouwwerken? En zou men dan misschien door de reusachtige afmetingen, door de ontzagwekkende moeilijkheden van de onderneming, hebben willen wedijveren met den rijkdom van de koninklijke onderaardsche begraafplaatsen?Maar met dit gegeven, hoe waarschijnlijk het zij, zou men nooit het werk der Pyramiden verklaren en alles wat een nauwgezet onderzoek er ontdekken moet; en in de eerste plaats het denkbeeld van de keus van den pyramidalen vorm.”
Indien wij in eene bijna volkomen duisternis verkeeren met betrekking tot het tijdstip van den bouw der Pyramide en de namen van hare Bouwers, hangt er een bijna even dichte sluier over de bestemming dezerbouwwerken, en het zou ook niet anders kunnen zijn; want de geschiedschrijvers der oudheid en de Arabische schrijvers hebben niet de middelen gehad om die te kennen, de een zoo min als de ander. Het was natuurlijk dat men deze bouwwerken beschouwde als te behooren tot graven, praalgraven. Dit denkbeeld is in den grond geheel in overeenstemming metde waarschijnlijkheid en bovenal met die welke een gevolg is van analogie[ik cursiveer; v. G.]; omdat het Lybisch gebergte te Memphis niet zooals te Thebe hoogopstaande zijwanden aanbood, die geopend werden voor de graven der koningen, zou men daarom niet getracht hebben daarin te voorzien door bouwwerken? En zou men dan misschien door de reusachtige afmetingen, door de ontzagwekkende moeilijkheden van de onderneming, hebben willen wedijveren met den rijkdom van de koninklijke onderaardsche begraafplaatsen?
Maar met dit gegeven, hoe waarschijnlijk het zij, zou men nooit het werk der Pyramiden verklaren en alles wat een nauwgezet onderzoek er ontdekken moet; en in de eerste plaats het denkbeeld van de keus van den pyramidalen vorm.”
En verder:
“Hoe dit zij, indien wij toestemmen, dat het denkbeeld van een pyramide dat van een graf medebrengt, zou men dan gedwongen zijn te besluiten, dat geen enkele andere bedoeling voorgezeten heeft bij de oprichting van deze grootsche bouwwerken? Wij gelooven het niet. Hoe kunnen wij bijvoorbeeld als waar erkennen, dat bij een volk dat zoo godsdienstig was als de Egyptenaren, de godsdienst en zijne mysteriën vreemd waren aan het doel dat men zich stelde bij het oprichten van de Pyramiden? Zou dit aan den anderen kant niet zijn een geheel terzijde stellen van de verklaring, die de diepzinnigste waarnemer der oudheid, Aristoteles, van deze bouwwerken geeft, die ze toeschrijft aan de politiek der vorsten? Ten slotte, wanneer men denkt over de keuze van den vorm die aan de bouwwerken gegeven is, over de afmetingen en het onderling verband der deelen, over de nauwkeurige oriëntatie der zijden, en tal van andere niet minder treffende omstandigheden, kan men dan verzekeren, dat de wetenschappen en wetenschappelijke doeleinden bij hare samenstelling niet hebben voorgezeten? Deze veronderstellingen zouden alle gelijkelijk onaannemelijk zijn. Ik stem toe dat de volmaaktheid van den arbeid en de samenstelling verklaard kunnen worden door den graad van volmaking waartoe de bouwkunde toen gevorderd was, en dat iedere soort openbaar bouwwerk met de grootste aandacht uitgevoerd moest worden; maar hier is een over-overvloed van zorgen, voorzorgen tot in de kleinste bijzonderheden voor de hechtheid, voor het afwerken van het geheel; de architect is geleid door den sterrekundige, en de samensteller door den wiskundige.Anderen vóór mij hebben er aan getwijfeld, dat de pyramide gebouwd was om als graf te dienen2, maar men heeft ongelijk te ontkennen dat een enkel deel van het gebouw of der nabuurschap deze bestemming ontvangen zou hebben; dit is een onderscheid dat mij belangrijk schijnt vast te stellen.”
“Hoe dit zij, indien wij toestemmen, dat het denkbeeld van een pyramide dat van een graf medebrengt, zou men dan gedwongen zijn te besluiten, dat geen enkele andere bedoeling voorgezeten heeft bij de oprichting van deze grootsche bouwwerken? Wij gelooven het niet. Hoe kunnen wij bijvoorbeeld als waar erkennen, dat bij een volk dat zoo godsdienstig was als de Egyptenaren, de godsdienst en zijne mysteriën vreemd waren aan het doel dat men zich stelde bij het oprichten van de Pyramiden? Zou dit aan den anderen kant niet zijn een geheel terzijde stellen van de verklaring, die de diepzinnigste waarnemer der oudheid, Aristoteles, van deze bouwwerken geeft, die ze toeschrijft aan de politiek der vorsten? Ten slotte, wanneer men denkt over de keuze van den vorm die aan de bouwwerken gegeven is, over de afmetingen en het onderling verband der deelen, over de nauwkeurige oriëntatie der zijden, en tal van andere niet minder treffende omstandigheden, kan men dan verzekeren, dat de wetenschappen en wetenschappelijke doeleinden bij hare samenstelling niet hebben voorgezeten? Deze veronderstellingen zouden alle gelijkelijk onaannemelijk zijn. Ik stem toe dat de volmaaktheid van den arbeid en de samenstelling verklaard kunnen worden door den graad van volmaking waartoe de bouwkunde toen gevorderd was, en dat iedere soort openbaar bouwwerk met de grootste aandacht uitgevoerd moest worden; maar hier is een over-overvloed van zorgen, voorzorgen tot in de kleinste bijzonderheden voor de hechtheid, voor het afwerken van het geheel; de architect is geleid door den sterrekundige, en de samensteller door den wiskundige.Anderen vóór mij hebben er aan getwijfeld, dat de pyramide gebouwd was om als graf te dienen2, maar men heeft ongelijk te ontkennen dat een enkel deel van het gebouw of der nabuurschap deze bestemming ontvangen zou hebben; dit is een onderscheid dat mij belangrijk schijnt vast te stellen.”
Uit het hier aangehaalde ziet men dat dezesavantniet boudweg beweerde, dat de Pyramide niets dan een graftombe was, en hij gaat zelfs verder, zooals wij later zullen zien. Ik haal dezen schrijver uitvoerig aan, omdat onder degezaghebbendeschrijvers niemand zoo in den breede dit onderwerp bespreekt en op zulk eene wijsgeerige en waarlijk wetenschappelijke wijze. Niet louter beweringen, maar een onder de oogen zien van feiten en een ruimte laten voor de meeningen van andere schrijvers en denkers.
Hij gaat er vervolgens toe over, de schrijvers der oudheid na te gaan met betrekking tot dit deel van het onderwerp: Diodorus, Strabo en Herodotus zinspelen op de Pyramide als een graf (Herodotus echter minder rechtstreeks; hij zegt dat Cheops in de rots waarop de Pyramiden gebouwd zijn verscheidene onderaardsche kamers gedolven had, die bestemd waren als zijn graf te dienen; dit graf was geplaatst op een eiland dat gevormd werd door een kanaal, dat met de rivier in gemeenschap stond); Plinius spreekt niet over de bestemming der Pyramide, en met betrekking tot hetgeen de Arabische geschiedschrijvers mededeelen, zegt hij:
“Het is waar dat verscheidene Arabische schrijvers de groote pyramiden als graven beschouwd hebben; maar zij zijn ongetwijfeld tot die meening gekomen om reden van de kleinere pyramidale bouwwerken in den omtrek, die sarcofagen en gebalsemde lijken bevatten, en die inderdaad niets anders konden zijn dan graven. De vraag was, en is nog, te weten of de bouwers van deGrootePyramide een ander doel gehad hebben dan er een mummie van een koning te plaatsen: wij zullen weldra elders zien dat de Oostersche schrijvers niet allen van dat gevoelen zijn”.
“Het is waar dat verscheidene Arabische schrijvers de groote pyramiden als graven beschouwd hebben; maar zij zijn ongetwijfeld tot die meening gekomen om reden van de kleinere pyramidale bouwwerken in den omtrek, die sarcofagen en gebalsemde lijken bevatten, en die inderdaad niets anders konden zijn dan graven. De vraag was, en is nog, te weten of de bouwers van deGrootePyramide een ander doel gehad hebben dan er een mummie van een koning te plaatsen: wij zullen weldra elders zien dat de Oostersche schrijvers niet allen van dat gevoelen zijn”.
En, verder, na uitgeweid te hebben over het inwendige der Pyramide:
“Er is ongetwijfeld niets onwaarschijnlijks in, te denken dat men in een dergelijk gebouw mysteriën vierde, of dat men misschien inwijdingen volbracht in de onderste zalen, en in het algemeen kultus, ceremoniën en godsdienstige riten.....”
“Er is ongetwijfeld niets onwaarschijnlijks in, te denken dat men in een dergelijk gebouw mysteriën vierde, of dat men misschien inwijdingen volbracht in de onderste zalen, en in het algemeen kultus, ceremoniën en godsdienstige riten.....”
Vervolgens gaat hij er toe over verschillende andere theorieën te beschouwen op eene zeer vrijzinnige wijze, theorieën die wij zoo dadelijk eveneens zullen vermelden; en ik kan niet beter doen, om mijn lezers de juiste houding van zijn denken aan te wijzen ten opzichte van de verschillende theorieën, dan zijn slotwoorden met betrekking tot dit deel van het onderwerp aan te halen:
“Wij laten het aan onzen lezer over, na deze laatste verklaringen die te verkiezen, welke hem het waarschijnlijkst lijkt.Dat moeten wij eveneens doen ten opzichte van de andere vraagstukken die opgeworpen worden over het doel en de bestemming der Pyramiden, voornamelijk over het doeleinde voor hetwelk deGrootePyramide opgericht werd. Indien het nagenoeg onmogelijk is, dit doel op zekere wijze aan te duiden, zou het volstrekt niet minder moeilijk zijn aan te toonen dat de bestemming van het gebouw louter was om als graf dienst te doen. Het staat aan den lezer, te oordeelen over de waarde der bewijsredenen en der beschouwingen die voor zijn oogen liggen, en ze te vergelijken met feiten en waarnemingen. Hij zal allereerst uit al deze feiten twee gevolgtrekkingen maken; de eerste, dat dit grootsche bouwwerk niet bestemd werd voor een éénig doeleinde; de tweede, dat de afmetingen van de Pyramide evenredige deelen zijn van de grootte van een lengte-graad in Egypte. Uit deze twee gevolgtrekkingen, die onbetwistbaar schijnen, zal de lezer misschien vervolgens deze gevolgtrekking afleiden, dat de Pyramide de afmetingen, die zij heeft, niet toevallig ontvangen heeft, maar ingevolge een plan, om de waarde van den graad en de gebruikelijke lengte der maten in Egypte vast te stellen.”
“Wij laten het aan onzen lezer over, na deze laatste verklaringen die te verkiezen, welke hem het waarschijnlijkst lijkt.
Dat moeten wij eveneens doen ten opzichte van de andere vraagstukken die opgeworpen worden over het doel en de bestemming der Pyramiden, voornamelijk over het doeleinde voor hetwelk deGrootePyramide opgericht werd. Indien het nagenoeg onmogelijk is, dit doel op zekere wijze aan te duiden, zou het volstrekt niet minder moeilijk zijn aan te toonen dat de bestemming van het gebouw louter was om als graf dienst te doen. Het staat aan den lezer, te oordeelen over de waarde der bewijsredenen en der beschouwingen die voor zijn oogen liggen, en ze te vergelijken met feiten en waarnemingen. Hij zal allereerst uit al deze feiten twee gevolgtrekkingen maken; de eerste, dat dit grootsche bouwwerk niet bestemd werd voor een éénig doeleinde; de tweede, dat de afmetingen van de Pyramide evenredige deelen zijn van de grootte van een lengte-graad in Egypte. Uit deze twee gevolgtrekkingen, die onbetwistbaar schijnen, zal de lezer misschien vervolgens deze gevolgtrekking afleiden, dat de Pyramide de afmetingen, die zij heeft, niet toevallig ontvangen heeft, maar ingevolge een plan, om de waarde van den graad en de gebruikelijke lengte der maten in Egypte vast te stellen.”
Wij zouden de bestaande theorieën in enkele hoofdgroepen kunnen verdeelen, en wij zouden dan naast de graftheorie en enkele andere onbeduidende theorieën een sterrekundige, een godsdienstige, een wetenschappelijke, een symbolische en een mystieke groep hebben, en daar wij reeds voldoende over de graftheorie gesproken hebben in dit en voorgaande gedeelten, zullen wij thans overgaan tot het aanstippen van enkele onbelangrijke—ja, vaak belachelijke—theorieën en het meer uitvoerig vermelden der belangrijke.
Van de voor ons doel minder belangrijke theorieën is die van Fialin de Persigny er eene, die de meeste belangstelling verdient, daar zijne uitvoerige beschouwing, vervat in een tamelijk uitgebreid werk waarvan de titel luidt: “De la destination et de l’utilité permanente des Pyramides”, duidt op eene ernstige overtuiging en studie.
Zijne theorie is, dat de Pyramiden gebouwd werden teneinde dienst te doen als bescherming tegen de zandstormen voor dat gedeelte van het Nijldal dat niet door de Lybische bergen beschut werd. Het gebrek van deze theorie valt ons reeds bij den aanvang in het oog, namelijk dat een toevallig nut van een gebouw niet de reden was tot het doen oprichten er van. Om dit te verduidelijken: eene kerk wordt gebouwd om daarin godsdienstige bijeenkomsten te houden, en al doet de spits van den toren, die bij dit gebouw behoort, nu dienst als een peilingspunt bij graadmetingen dan is de reden van het bouwen van dien kerktoren nog niet tezoeken in het nut van het bouwwerk bij laatstgenoemde metingen. De theorie van Ballard gaat zelfs in meer letterlijken zin aan dit euvel mank dan de theorie van De Persigny, want eerstgenoemde denkt werkelijk dat de drie pyramiden dienst deden als uitgangs-peilingspunten voor een uitgebreid stelsel van opmetingen teneinde het land van Egypte op de juiste wijze onder de bewoners te verdeelen. Zijn theorie is vervat in een boek genaamd “The solution of the Pyramid Problem”. Het eerste boek is lezenswaard voor belangstellenden in dit onderwerp als een bewijs van de wonderlijke aberraties van het menschelijk vernuft.
Van de minderwaardige theorieën, die eigenlijk in ’t geheel den naam theorie niet verdienen, maar louter als een buitensporige of bekrompen opvatting van haar opsteller kunnen worden beschouwd, noemen wij de volgende. Sir Thomas Browner schreef ten tijde van Elisabeth, dat de donkere holen en bergplaatsen voor mummies de “schuilplaats van Satan” waren, zijne redeneering grondende op eenige opmerkingen in Egyptische papyrussen over “de onderwereld” en eveneens op eenige gezegden in het Oude Testament. Welke deze laatste waren, weet ik niet, doch ik denk dat hij die bedoelde welke H. P. Blavatsky eveneens aanhaalt in deGeheime Leer:
“De groote breuk, die tusschen de zonen van het Vierde Ras ontstaan is zoodra deeerste TempelsenZalen van Inwijding onder de leiding der ‘zonen van God’ gebouwd waren3, wordt allegorisch voorgesteld door de Zonen van Jacob.
De stervende Jacob beschrijft zijne zonen als volgt: ‘Dan’, zegt hij,‘zal eenslangzijn aan den weg, eenadderslangin het pad, bijtende de verzenen des paards, dat zijn rijder achterover valle’ (d. w. z.hij zal den candidatenZwarte Magieleeren).
Omtrent Simeon en Levi merkt de aartsvader op dat werktuigen vanwreedheidin hunnewoningenzijn: ‘O mijn ziel, kom niet in hungeheim(lees Sod), tot hunnevergadering’.
Nu is Sod de naam van de Groote Mysteriën”4.
Wij kunnen hieruit lezen, dat er eveneens pyramidale (?) tempels van inwijding in zwarte magie waren en daar behoeven wij natuurlijk niet aan te twijfelen; bovenstaande aanhaling zegt genoeg, maar ik vrees, dat Browner te ver ging met zijn verklaring, indien ikhem al een dergelijk diepzinnig denken over het vraagstuk mag toeschrijven.
Bonwick in zijnPyramid Facts and Fanciesgeeft deze theorie slechts even aan, en vermeldt ook enkele zeer belachelijke theorieën, die den naam theorie in het geheel niet waard zijn, o.a. een van een Zweedsch wijsgeer (?!), die als zijn meening te kennen geeft, dat de Pyramiden eenvoudig gebouwd waren als middel om het water van den troebelen Nijl te zuiveren, dat door de gangen er van gevoerd zou worden. Ik heb het boek, waarin deze meening toegelicht wordt, niet kunnen bemachtigen, en dat spijt mij, aangezien het mij zeker eenige aangename oogenblikken zou bezorgd hebben, en ik in geen geval overgehaald zou kunnen worden om aan te nemen, dat de Pyramiden een soort “watertorens” der oudheid waren. Verder vinden wij in dit werkjeFacts and Fanciesvermeld de meening van Gable, die zijne lezers vergast op het volgende belangwekkende item: “het blijkt niet, dat de stichters eenigerlei lofwaardig plan hadden, aan de nakomelingschap wetenschappelijke afbeeldingen na te laten”, zooals enkelen veronderstellen; “daarom schijnen zij niet met een geometrisch doel opgericht te zijn”; doch daar volgens Gable vastgesteld is (op welke wijze zegt hij niet) “dat zij opgericht werden door hen ‘die na hun huwelijk met de dochters der menschen niet alleen ontaarde verachters van nuttige kennis werden, maar zich geheel aan weelde overgaven’”, is het niet te verwonderen, dat zijn eindconclusie is,dat zij gebouwd werden om de vrouwen te behagen!
Wathen schreef in 1842: “de geschenken van de koningin van Scheba aan de Egyptenaren worden nu aanschouwd in de onvernietigbare massa’s der Pyramiden”, terwijl Benjamin van Toledo en Vossius beweerden, dat zij de graanpakhuizen van Jozef waren. Reeds in 1330 beweerde Maundeville hetzelfde, zegt Bonwick. Bewijzen en zelfs bewijsredenen ontbreken echter ten eenenmale.
Een theorie van meer waarde, en die ook zeer grondig is uitgewerkt en beredeneerd, is die van Thomas Yeates, die in 1833 over dit onderwerp eene dissertatie uitgaf5. In deze dissertatie maakt hij eene vergelijking tusschen de Pyramiden en de ark van Noach, voornamelijk wat betreft de afmetingen. Hij zegt: “de afmetingen van de Groote Pyramide benaderen in de oude ellematen de ark van Noach op zulk een wijze, dat ik niet kan aarzelen,hoe nieuw het denkbeeld ook is, eene vergelijking te trekken”.
Aangezien wij later op de maten-theorie zullen terugkomen, zullen wij deze theorie alsdan nogmaals in verband met deze beschouwen.
Reeds maakten wij, toen wij Jomard aanhaalden, melding van de denkwijze van Aristoteles over het doel van het bouwen der Pyramide. Deze denkwijze is er eene, die door velen aangehangen werd. Hij dan zegt, dat zij louter een vertoon van koninklijk despotisme vereeuwigde, doch dat dit vertoon een dieperliggende politieke reden had. In dit vruchtbare land (sprekende van de Nijldelta, die volgens Theosofische opvatting nog niet aangeslibd was tijdens den bouw) zou het volk weinig te werken gehad hebben en was er dus veel tijd tot muiterij en opstand tegen koninklijk en priesterlijk gezag. De priesters zouden dan den koning overtuigd hebben, dat er slechts één uitweg bestond om rust onder het volk te brengen, namelijk het te dwingen tot het bouwen van reusachtige bouwwerken, en aan deze reden zouden de Pyramiden haar ontstaan hebben te danken.
Plinius is vrijwel van dezelfde opvatting, alleen meent hij, dat de werklieden de krijgsgevangenen waren, die niet nutteloos gevoed en gekleed konden worden en dus aan het werk moesten worden gehouden.
Greaves bespreekt de meeningen van deze beide schrijvers der oudheid. Hij zegt: “Maar waarom de Egyptische koningen zich zulke reusachtige onkosten getroost zouden hebben om deze Pyramiden te bouwen, is een vraag van hoogeren aard.”
Aristoteles zegt dat zij het werk van tyrannie zijn; en Plinius beweert dat de heerschers ze deels uit praalzucht en deels uit politiek bouwden, om het volk bezig te houden en het te bewaren voor muiterij en opstand.
Sandijs dacht “dat het was uit vrees dat hunne groote schatten (die van de Pharaoh’s) hunne opvolgers zouden doen ontaarden”.
Hoe men dezen Koningen tegelijkertijd toe kan schrijven dat zij tyrannen, hoogmoedige despoten enz. waren, en tevens zulke een vrees koesterden voor de ontaarding hunner opvolgers, is mij weer een raadsel!
Mariette Bey is verontwaardigd over deze theorie en verwerpt haar; en Hekekyan Bey merkt terecht op: “Het is welbekend dat een tyran bijna nooit een werk voltooit dat door zijn voorganger onafgewerkt gelaten is. Het is duidelijk dat deze Pyramiden eene nationale onderneming waren; dat tot het plan er voor en deuitvoering er van werd besloten na rijp beraad; wetten werden gemaakt en in inkomsten werd voorzien om wat het publiek beslist had door de uitvoerende gezaghebbers tot stand te doen brengen.”
Dufeu beweert het tegengestelde van Aristoteles. Hij zegt: “Verre van het werk te zijn van den trots en het despotisme van de Pharaoh’s, zijn zij integendeel bewijzen van hun verheven wijsheid en de diepe kennis hunner priestercolleges.”
Eindigen wij dit hoofdstuk met een paar der bekendste Arabische schrijvers over dit punt te hooren:
Mustadi (te Gihe in Arabië) zegt in 992:
Er was een koning, genaamd Saurid, zoon van Salahx, 300 jaren voor den zondvloed, die op een nacht droomde dat hij de aarde met hare bewoners omvergeworpen zag, de menschen op hun gelaat neergeworpen, terwijl de sterren van den hemel vielen en tegen elkaar aanstieten en afschuwelijke en vreeselijke kreten slaakten terwijl zij vielen.Hij ontwaakte daarop zeer verontrust en verhaalde zijn droom aan niemand en was in zichzelf overtuigd dat een of ander groot ongeluk aan de wereld zou overkomen. Een jaar daarna droomde hij weder dat hij de vaste sterren op de aarde zag neerkomen in den vorm van witte vogels, die de menschen wegsleepten en hen tusschen twee groote bergen wierpen, welke zich zoo goed als samenvoegden en hen bedekten en toen werden de heldere, schijnende sterren donker en werden verduisterd. Daarop ontwaakte hij, buitengewoon verbaasd en trad in den Zonnetempel en begon te weenen. Den volgenden morgen beval hij dat alle vorsten der priesters en de toovenaars van alle provinciën van Egypte tezamen zouden komen; hetgeen zij deden tot een aantal van 130 priesters en waarzeggers, naar welke hij toeging en hun zijn droom verhaalde, dien zij van groot belang vonden; en de verklaring die zij er aan gaven was, dat een zeer groot ongeluk aan de wereld overkomen zou.Onder anderen zeide de priester Aclimon, die de grootste van allen was, en voornamelijk zijn verblijf hield in het hof van den koning, tot dezen:‘Heer, uw droom is bewonderenswaardig en ikzelf zag een anderen, ongeveer een jaar geleden, die mij verschrikte en dien ik aan niemand geopenbaard heb’.‘Zeg mij welke hij was’, zei de koning. ‘Ik droomde’, sprak de priester, ‘dat ik met Uwe Majesteit op den top van den vuurberg was, welke in het midden van Emsas is, en dat ik den hemel beneden zijn gewone ligging zag zakken, zoodat hij bij de kruin onzer hoofden was, terwijl hij ons bedekte en omringde als een groot omgekeerd bassin; dat de sterren met de menschen vermengd waren in verscheidene figuren; dat de menschen Uwe Majesteit hulp afsmeekten en in menigten tot u snelden als hun toevlucht; dat gij uwe handen boven uw hoofd ophieft en trachttet den hemel terug te werpen en hem tegenhield, en dat ik, toen ik zag wat Uwe Majesteit deed, hetzelfde verrichtte.Terwijl wij in die houding waren, buitengemeen verschrikt, dunkt mij,dat wij een gedeelte van den hemel zich zagen openen en een helder licht daaruit zagen komen; dat daarna de zon op die plaats opkwam en dat wij haar om bijstand smeekten, waarop zij tot ons zeide: “De Hemel zal tot zijn gewone standplaats wederkeeren wanneer ik driehonderd rondloopen volbracht heb”. Daarop ontwaakte ik buitengewoon verschrikt.’Toen de priesters aldus gesproken hadden, beval de koning hun de hoogte der sterren te nemen en te overwegen welk ongeluk zij voorspelden. Waarop zij verklaarden dat zij eerst den Zondvloed en daarna het vuur voorspelden. Toen beval hij dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat zij alles wat zij als waarde schatten, daarin zouden brengen met de lichamen van de koningen en hunne weelde, en de aromatische geuren, en dat zij hunne wijsheid er op zouden schrijven, opdat de wateren deze niet zouden vernietigen”.
Er was een koning, genaamd Saurid, zoon van Salahx, 300 jaren voor den zondvloed, die op een nacht droomde dat hij de aarde met hare bewoners omvergeworpen zag, de menschen op hun gelaat neergeworpen, terwijl de sterren van den hemel vielen en tegen elkaar aanstieten en afschuwelijke en vreeselijke kreten slaakten terwijl zij vielen.
Hij ontwaakte daarop zeer verontrust en verhaalde zijn droom aan niemand en was in zichzelf overtuigd dat een of ander groot ongeluk aan de wereld zou overkomen. Een jaar daarna droomde hij weder dat hij de vaste sterren op de aarde zag neerkomen in den vorm van witte vogels, die de menschen wegsleepten en hen tusschen twee groote bergen wierpen, welke zich zoo goed als samenvoegden en hen bedekten en toen werden de heldere, schijnende sterren donker en werden verduisterd. Daarop ontwaakte hij, buitengewoon verbaasd en trad in den Zonnetempel en begon te weenen. Den volgenden morgen beval hij dat alle vorsten der priesters en de toovenaars van alle provinciën van Egypte tezamen zouden komen; hetgeen zij deden tot een aantal van 130 priesters en waarzeggers, naar welke hij toeging en hun zijn droom verhaalde, dien zij van groot belang vonden; en de verklaring die zij er aan gaven was, dat een zeer groot ongeluk aan de wereld overkomen zou.
Onder anderen zeide de priester Aclimon, die de grootste van allen was, en voornamelijk zijn verblijf hield in het hof van den koning, tot dezen:
‘Heer, uw droom is bewonderenswaardig en ikzelf zag een anderen, ongeveer een jaar geleden, die mij verschrikte en dien ik aan niemand geopenbaard heb’.
‘Zeg mij welke hij was’, zei de koning. ‘Ik droomde’, sprak de priester, ‘dat ik met Uwe Majesteit op den top van den vuurberg was, welke in het midden van Emsas is, en dat ik den hemel beneden zijn gewone ligging zag zakken, zoodat hij bij de kruin onzer hoofden was, terwijl hij ons bedekte en omringde als een groot omgekeerd bassin; dat de sterren met de menschen vermengd waren in verscheidene figuren; dat de menschen Uwe Majesteit hulp afsmeekten en in menigten tot u snelden als hun toevlucht; dat gij uwe handen boven uw hoofd ophieft en trachttet den hemel terug te werpen en hem tegenhield, en dat ik, toen ik zag wat Uwe Majesteit deed, hetzelfde verrichtte.
Terwijl wij in die houding waren, buitengemeen verschrikt, dunkt mij,dat wij een gedeelte van den hemel zich zagen openen en een helder licht daaruit zagen komen; dat daarna de zon op die plaats opkwam en dat wij haar om bijstand smeekten, waarop zij tot ons zeide: “De Hemel zal tot zijn gewone standplaats wederkeeren wanneer ik driehonderd rondloopen volbracht heb”. Daarop ontwaakte ik buitengewoon verschrikt.’
Toen de priesters aldus gesproken hadden, beval de koning hun de hoogte der sterren te nemen en te overwegen welk ongeluk zij voorspelden. Waarop zij verklaarden dat zij eerst den Zondvloed en daarna het vuur voorspelden. Toen beval hij dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat zij alles wat zij als waarde schatten, daarin zouden brengen met de lichamen van de koningen en hunne weelde, en de aromatische geuren, en dat zij hunne wijsheid er op zouden schrijven, opdat de wateren deze niet zouden vernietigen”.
Dit is een gewijzigde vorm van het Bijbelsche verhaal waar Sem de kennis van de wereld der oudheid op twee pilaren laat graveeren: Jachin en Boaz.
De geschiedschrijver Ibn Abd Alhokm is de volgende van wien ik een gedeelte wil aanhalen. De aanvang van het verhaal van dezen komt ongeveer op hetzelfde neer als het verhaal van Mustadi.
Daarna gaat hij verder:
“Toen de priesters gezegd hadden, dat de zondvloed ook in zijn land zou komen binnen enkele jaren, beval de koning dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat een kelder (grot) zou worden gemaakt, waarin de Nijl moest loopen, vanwaar hij in de westelijke landen stroomen zou en in het land van Al Saïd.En hij vulde de Pyramiden met talismans, en met vreemde dingen, rijkdommen en schatten en dergelijke. Hij graveerde alle dingen er in, die hem door wijze menschen verteld waren en evenzoo alle diepgaande wetenschappen. De namen van alakakirs, de gebruiken en gevaren er van, de wetenschappen van astrologie en wiskunde, van geometrie en natuurkunde, alle deze kunnen weergegeven worden door hen, die de karakters en taal kennen.—Nadat hij bevelen gegeven had voor dit gebouw, sneden zij groote kolommen en wonderlijke steenen uit. Zij haalden machtige steenen van de Ethiopiërs en maakten daarvan de grondslagen van de drie Pyramiden, terwijl zij ze samenvoegden met lood en ijzer. Zij bouwden de poorten er van 40 ellen onder den grond en maakten de hoogte der Pyramiden 100 koningsellen = 500 van onze ellen. Bij den aanvang van dezen bouw was een gelukkige horoskoop. Nadat hij ze geëindigd had bedekte hij ze van boven tot beneden met gekleurd satijn (marmer) en deed een plechtig feest plaats vinden, waar alle inwoners van het rijk bij tegenwoordig waren. Toen bouwde hij in de westelijke Pyramide 30 schatkamers, gevuld met rijkdommen en werktuigen, en met handteekeningen gemaakt uit edelsteenen en met ijzeren werktuigen en aarden vaten en met eenmesdat niet verteerten met glas dat gebogen en niet gebroken kan worden, en met vreemde betooveringen en met verscheidene soorten alakakirs, enkele en dubbele, en met doodelijke vergiften en vele andere dingen. Hij maakte ook in de oostelijke Pyramide hemelsche Sferen en sterren, en hunne verscheidene aspekten en werkingen en geuren die daarbij gebruikt worden en de boeken die over deze zaken handelen.Hij plaatste ook in de gekleurde pyramide (de derde) de verklaringen van de priesters in marmeren blokken en bij elken priester een boek, waarin de wonderen van zijn ambt en van zijne daden en zijne geaardheid en wat in zijn tijd gedaan werd en wat is en wat zijn zal van het begin tot het einde van tijd. Hij plaatste in elke Pyramide een schatbewaarder. De schatbewaarder van de westelijke Pyramide was een standbeeld van marnier, dat rechtop stond met een lans en op zijn hoofd kronkelde een slang. Hij die er nabij kwam en stil stond, dien beet de slang in de zijde, en kronkelde zich om zijn keel en doodde hem en keerde daarna naar hare plaats terug.Tot schatbewaarder van de oostelijke Pyramide maakte hij een afgod van zwart agaat met open en schijnende oogen, die met een lans op een troon zat. Wanneer iemand naar dezen opzag, hoorde hij een stem aan zijne zijde, die zijne zinnen wegnam, zoodat hij bewusteloos op zijn gelaat viel en niet ophield totdat hij stierf. Tot schatbewaarder van de gekleurde Pyramide maakte hij een standbeeld genaamd Albut, zittende. Hij die naar dit beeld zag, werd er naar toegetrokken tot hij er tegen aankleefde en kon er niet van afgehaald worden voor en aleer hij stierf.”
“Toen de priesters gezegd hadden, dat de zondvloed ook in zijn land zou komen binnen enkele jaren, beval de koning dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat een kelder (grot) zou worden gemaakt, waarin de Nijl moest loopen, vanwaar hij in de westelijke landen stroomen zou en in het land van Al Saïd.
En hij vulde de Pyramiden met talismans, en met vreemde dingen, rijkdommen en schatten en dergelijke. Hij graveerde alle dingen er in, die hem door wijze menschen verteld waren en evenzoo alle diepgaande wetenschappen. De namen van alakakirs, de gebruiken en gevaren er van, de wetenschappen van astrologie en wiskunde, van geometrie en natuurkunde, alle deze kunnen weergegeven worden door hen, die de karakters en taal kennen.—Nadat hij bevelen gegeven had voor dit gebouw, sneden zij groote kolommen en wonderlijke steenen uit. Zij haalden machtige steenen van de Ethiopiërs en maakten daarvan de grondslagen van de drie Pyramiden, terwijl zij ze samenvoegden met lood en ijzer. Zij bouwden de poorten er van 40 ellen onder den grond en maakten de hoogte der Pyramiden 100 koningsellen = 500 van onze ellen. Bij den aanvang van dezen bouw was een gelukkige horoskoop. Nadat hij ze geëindigd had bedekte hij ze van boven tot beneden met gekleurd satijn (marmer) en deed een plechtig feest plaats vinden, waar alle inwoners van het rijk bij tegenwoordig waren. Toen bouwde hij in de westelijke Pyramide 30 schatkamers, gevuld met rijkdommen en werktuigen, en met handteekeningen gemaakt uit edelsteenen en met ijzeren werktuigen en aarden vaten en met eenmesdat niet verteerten met glas dat gebogen en niet gebroken kan worden, en met vreemde betooveringen en met verscheidene soorten alakakirs, enkele en dubbele, en met doodelijke vergiften en vele andere dingen. Hij maakte ook in de oostelijke Pyramide hemelsche Sferen en sterren, en hunne verscheidene aspekten en werkingen en geuren die daarbij gebruikt worden en de boeken die over deze zaken handelen.
Hij plaatste ook in de gekleurde pyramide (de derde) de verklaringen van de priesters in marmeren blokken en bij elken priester een boek, waarin de wonderen van zijn ambt en van zijne daden en zijne geaardheid en wat in zijn tijd gedaan werd en wat is en wat zijn zal van het begin tot het einde van tijd. Hij plaatste in elke Pyramide een schatbewaarder. De schatbewaarder van de westelijke Pyramide was een standbeeld van marnier, dat rechtop stond met een lans en op zijn hoofd kronkelde een slang. Hij die er nabij kwam en stil stond, dien beet de slang in de zijde, en kronkelde zich om zijn keel en doodde hem en keerde daarna naar hare plaats terug.
Tot schatbewaarder van de oostelijke Pyramide maakte hij een afgod van zwart agaat met open en schijnende oogen, die met een lans op een troon zat. Wanneer iemand naar dezen opzag, hoorde hij een stem aan zijne zijde, die zijne zinnen wegnam, zoodat hij bewusteloos op zijn gelaat viel en niet ophield totdat hij stierf. Tot schatbewaarder van de gekleurde Pyramide maakte hij een standbeeld genaamd Albut, zittende. Hij die naar dit beeld zag, werd er naar toegetrokken tot hij er tegen aankleefde en kon er niet van afgehaald worden voor en aleer hij stierf.”
Saurid schreef op de Groote Pyramide:
“Ik liet deze Pyramide opbouwen in zes jaren. Afbreken is gemakkelijker dan opbouwen. Wie deze Pyramiden in zeshonderd jaren afbreekt is knapper en waardiger dan ik en gereed mijne plaats in te nemen”.
“Ik liet deze Pyramide opbouwen in zes jaren. Afbreken is gemakkelijker dan opbouwen. Wie deze Pyramiden in zeshonderd jaren afbreekt is knapper en waardiger dan ik en gereed mijne plaats in te nemen”.
1Pancoucke’sDescription de l’Egypte. Tome IX, blz. 485 en verv.2Voyage du docteur Shaw en Barbarie etc.D. III, blz. 314 en volg.3Duidelijk genoeg wordt hier gedoeld op de Pyramiden; zie Hoofdstuk I. (v. G.)4Geheime Leer, Deel II, blz. 260.5A Dissertation on the antiquity, origin and design of theprincipalPyramids of Egypt.
1Pancoucke’sDescription de l’Egypte. Tome IX, blz. 485 en verv.
2Voyage du docteur Shaw en Barbarie etc.D. III, blz. 314 en volg.
3Duidelijk genoeg wordt hier gedoeld op de Pyramiden; zie Hoofdstuk I. (v. G.)
4Geheime Leer, Deel II, blz. 260.
5A Dissertation on the antiquity, origin and design of theprincipalPyramids of Egypt.