Hoofdstuk VI.

Hoofdstuk VI.Over de bestemming der Pyramide II.Wij zullen er thans toe overgaan enkele van de meer belangrijke en tevens meer bekende theorieën met betrekking tot de bestemming der Groote Pyramide te beschouwen, en zullen dan bij het kiezen van die theorieën zoodanige nemen, welke rechtstreeks tot onze eigene leiden zullen.In de eerste plaats dan komt de theorie van Piazzi Smyth, die zijne denkbeelden en opvattingen uiteengezet heeft in zijne bekende werkenThree years labour at the Great Pyramid, Our Inheritancein the Great PyramidenNew Measures of the Great Pyramid. Zeker heeft niemand meer dan Piazzi Smyth er toe bijgedragen om de Groote Pyramide populair te maken en stellig is er nooit zooveel over dit onderwerp geschreven en gesproken als sinds hij zijne beschouwingen uiteenzette. Deze laatste waren eigenlijk geen oorspronkelijke, want reeds in 1859 had John Taylor in zijn werkThe Great Pyramid, Why was it built? Who built it?dezelfde meeningen en opvattingen te berde gebracht en verdedigd. John Taylor had de Pyramiden nooit bezocht en had tot vorming en staving zijner theorie de gegevens ontleend aan de geschriften van vroegere bezoekers als John Greaves, De Monconys, Thévenat, Davison, Howard Vyse, Caviglia enz. Zijn 30-jarige studie vond geene belooning in groote populariteit van het resultaat dat wij opgeteekend vinden in vermeld werk, en eerst in latere jaren trok het meer de aandacht. Piazzi Smyth, die het gelezen had en er zoodanig door getroffen werd dat hij overtuigd was van de waarheid der daarin vervatte meeningen, oordeelde het van groot nut zich persoonlijk ter plaatse er van te overtuigen en John Taylor’s meeningen te verdedigen en te bevestigen, en gaf hierdoor eene algemeene bekendheid aan het werk, doch dit was eerst in 1864. In de jaren 1864–1880 verschenen 5 uitgaven van Piazzi Smyth’s werkOur Inheritance in the Great Pyramid, zeker wel een bewijs voor de populariteit van het onderwerp. In latere jaren zijn de theorieën van Taylor en Piazzi Smyth uitvoerig uitgewerkt door Professor Ch. Lagrange, wis- en sterrekundige, directeur van de sterrenwacht te Brussel. Zie o.a.Mathématique de l’Histoire, par Ch. Lagrange.Wat dan is eigenlijk de meening van deze schrijvers over de bestemming der Groote Pyramide? Dit zullen wij thans trachten weer te geven zonder ons te veel in de bijzonderheden hunner theorieën te verdiepen, daar alleen een breede opvatting van hunne hoofddenkbeelden waarde voor ons kan hebben.Het zal verder geheel voldoende zijn na te gaan wat Piazzi Smyth schrijft, daar hij in zijn werken alles vermeldt wat John Taylor in zijn werk opteekende en dit bovendien zeer uitvoerig uitwerkt en geheel op wetenschappelijke leest schoeit, zoodat de lezer van zijn werken volkomen op de hoogte kan zijn van hetgeen Taylor wilde aantoonen. Taylor had over zijne theorie eene briefwisseling met Piazzi Smyth en om aan te toonen wat hun gemeenschappelijke theorie was, kan ik niet beter doen dan het volgende aan te halen uit Smyth’s werk:“Dit nieuwe denkbeeld, hetwelk met een tot nu toe onbekende zekerheid het grootste bestaande mysterie voor de beschaafde wereld door alle tijden heen oplost, heeft genoemde wereld te danken aan John Taylor in een boek, dat uitgegeven is in 1859 en getiteld “The Great Pyramid; why was it built? and who built it?” Hij had de Pyramide zelf niet bezocht, maar had dertig jaren daaraan voorafgaande al de uitgegeven verslagen verzameld en vergeleken en voornamelijk al de best vastgestelde metingen (want er waren enkele inderdaad zeer slecht) die gedaan waren; en terwijl hij aldus bezig was, opende de nieuwe theorie zich op het onverwachtst (zooals hij mij in een brief schreef) voor hem.Hoewel hoofdzakelijk een strenge afleiding van tastbare feiten van wetenschappelijken aard, werd Taylor’s gevolgtrekking ongetwijfeld gesteund door het verstandelijk en geestelijk gezichtspunt, van waaruit hij zijne onderzoekingen begon, en hetwelk in hoofdzaak eenvoudig dit is:Dat, terwijl andere schrijvers algemeen gedacht hebben dat een zeker grootsch doch onbekend wezen, waarvan zij allen in hun geschiedkundig onderzoek het bestaan erkennen, het bouwen van de Groote Pyramide leidde (en wien de Egyptenaren in hunne vroegste overleveringen en eeuwen later een onzedelijke en zelfs afschuwelijke geaardheid toedichten), daarom inderdaad zeer slecht moet geweest zijn,—zoodat de wereld van dien tijd af tot op heden er steeds belust op is geweest dien dooden leeuw waarvan zij werkelijk niets afweten, te beleedigen en te vertrappen—hij, John Taylor, daar hij in iedere kenmerkende vermelding die van hen in denBijbelgedaan werd, zag hoe godsdienstig slecht de afgoden-uitvindende Egyptenaren zelf waren, er toe geleid werd te besluiten dat de onbekende leider en Bouwmeester dien zij haatten, misschien buitengemeengoedwas geweest; of in ieder geval van eenzuiverder godsdienstig geloof wasdan dat van de Misraïtische zonen van Ham.1Hierop verder ingaande komen beide schrijvers tot de gevolgtrekking dat de leiders van de bouwlieden vreemdelingen waren uit eenuitverkorenvolk, menschen die door goddelijke genade in staat waren gesteld het denkbeeld weer te geven, dat de Groote Pyramide bestemd was uit te drukken, want dit is juist de kern van hunne theorie n.l. dat de Pyramide bestemd was zekere goddelijke denkbeelden uit te drukken in haar bouw en afmetingen welk kerndenkbeeld saamgevat wordt in hunne zienswijze: de Groote Pyramide te beschouwen alseen grondslag der maten.Met betrekking tot dit punt schreef Piazzi Smyth:“Op dit algemeene standpunt plaatste Taylor zich; en na met de langgevormde publieke meening van te lijdelijke gehoorzaamheid aan de profane Egyptische overlevering gebroken te hebben en daarbij tevensenkele van de door den tijd geëerde vooroordeelen van hedendaagsche Egyptische geleerden niet in aanmerking nemende, zoodat hij een volledig en onpartijdig onderzoek van den beginne af aan gaf, kondigde hij aan dat hij in enkele der rangschikkingen en afmetingen van de Groote Pyramide—wanneer zij naar behooren verbeterd waren wegens verminderingen en afbrekingen door den verloopen tijd—zekere wetenschappelijke gevolgtrekkingen vond, welke van Egyptische noch Babylonische, en minder nog van Grieksche of Romeinsche kennis spraken, maar van iets dat hooger was dan deze, zoowel als geheel verschillend van de menschelijke methoden van de wetenschappelijke stelsels zijner tijdgenooten”.2Want”.....de werkelijke feiten van de Groote Pyramide,—in den vorm van gebouwde bewijzen van een nauwkeurige numerieke kennis van het grootschere kosmische verschijnsel van zoowel aarde als hemel—gaan de uiterst beperkte en nagenoeg kinderlijke kennis, die menschelijkerwijs bereikt werd door de beschaafde rassen van 4000, 3000, 2000 of zelfs 300 jaren geleden niet alleen te boven, en ver te boven, maar zij gaan in zooverre zij van toepassing zijn op de groote physische natuurgeheimen, de beste kennis der wijsgeeren van onzen eigen tijd even zoo goed te boven”.Dit alles kunnen wij zeer zeker geheel eens zijn met Piazzi Smyth, en al rust onze beschouwing op andere gronden, zoo is het resultaat er van hetzelfde. Waar hij als bouwers aanneemt door God bezielde hoogstaande wezens van een ras dat in niets overeenstemming had met de toenmalige Egyptenaren, nemen wij aan, overeenkomstig hetgeen wij reeds vermeldden in den aanvang dezer verhandeling, dat Adepten uit Atlantis onder leiding van eene manifestatie van den Logos de bouwlieden leidden. En dan zien wij alleen verschil in terminologie en opvatting van begrippen, geen verschil in kern.En waar beide theorieën in dezen (namelijk de goddelijkheid van de bouwers) overeenstemmen, kan het ons ook niet verwonderen dat beide de graftheorie verre verwerpen en in de eerste plaats niet alleen bevinden en erkennen dat groote natuurgeheimen en groote waarheden symbolisch belichaamd zijn in dit bouwwerk, maar tevens dat een dergelijk bouwwerk om een dieper reden tot stand kwam dan louter om als graf van een Pharaoh te dienen. Ookis er geen verschil met betrekking tot het punt dat de Groote Pyramide zich in dezen onderscheidt van de latere Egyptische Pyramiden.Maar wel is er een groot verschil tusschen de theorie van P. Smyth en de Theosofische, waar het er op aankomt het doel en de bestemming er van te bepalen. Want waar de Theosofische theorie, zooals ik reeds aanduidde, de Groote Pyramide als een tempel voor hooge inwijdingen beschouwt, maakt P. Smyth haar tot een grondslag der maten en een sleutel tot de geschiedenis der menschheid—verleden, heden en toekomstig—in verband met het Oude en Nieuwe Testament. Bijdoeleinden worden ook hier dus weer tot hoofddoeleinden verheven. In de laatste kwaliteit noemt hij de Groote Pyramide een datum-lijst van de menschelijke (Christelijke) geschiedenis, van welke datum-lijst Flinders Petrie opmerkt, dat geen enkele datum deugt.Doch hoe dit laatste ook zij, het kan ons van geen belang zijn, daar het eene dogmatische en onkritische uitwerking is van de gegevens die hij in het overige deel van zijn werken geeft. Wij kunnen echter in ieder geval niet dan dankbaar zijn voor de massa’s materiaal die ons daar geboden worden om iets van de symboliek van het gebouw te begrijpen, en om die reden raad ik elk ernstig bestudeerder van dit onderwerp aan het werk te bestudeeren, daar niets er meer toe kan bijdragen de Groote Pyramide te leeren beschouwen als een grootsch bouwwerk.Het gaat natuurlijk niet aan, hier ter plaatse Piazzi Smyth’s beschouwingen in haar geheel te overwegen, doch ik wil mij er toe bepalen enkele der meest belangwekkende feiten aan te halen die hij met betrekking tot de symboliek aan het licht heeft gebracht. Echter verzoek ik mijn lezers te bedenken dat al deze feiten ten zeerste bestreden werden door Egyptologen en wel voornamelijk op grond hiervan: dat nl. Piazzi Smyth eerst zijn theorie opvatte, overnam van Taylor, en later opmetingen en beschouwingen hieraan aanpaste. Op deze beschuldiging antwoordde hij weder, in een kleiner, later verschenen werkje, waarin hij betoogde dat zeer nauwgezette en wetenschappelijke opmetingen van anderen de zijne staafden.Dat het mogelijk is overafmetingenzulk een onderlinge oneenigheid te vinden, is natuurlijk alleen te begrijpen wanneer wij weten dat feitelijk geen enkele afmeting ongeschonden bewaard is gebleven, en dat verder alle opmetingen met de grootste moeite gepaardgaan wegens de belemmerende puinhoopen, zandmassa’s en dergelijke. Echter heeft noch het lezen van de werken van Smyth, noch ook van die welke er tegen geschreven waren, mij kunnen bevredigen, wat aangaat hunne werkelijke gronden van waarheid.Hoewel er onder de werken van de Pyramide geen enkel werk is dat zoozeer de symboliek van het bouwwerk tracht aan te toonen als dat van Piazzi Smyth, en ik in den eersten tijd van de bestudeering van dit onderwerp geheel medegesleept werd door de overtuigende bewijsvoering dat deze verklaring der symbolische woorden de ware was, kan men op de exoterische bewijsgronden die hij aanvoert niet tot de conclusiën komen, die hij trekt. Doch ik twijfel niet of vele zijner conclusiën bevatten waarheid; men kan echter tot deze alleen komen door esoterische redeneering, niet door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering, en hoewel aan Piazzi Smyth’s theorieën groote afbreuk gedaan is door latere, zeer nauwkeurige opmetingen o.a. van Flinders Petrie, heeft deze laatste in een later werk veel van Smyth’s theorie aanvaard o.a. de π-hoek-theorie.Een der stellingen echter van Taylor, door P. Smyth herhaald, is op esoterische gronden evenzeer verdedigbaar als hij ze tracht aan te toonen door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering; ik bedoel de stelling dat de Groote Pyramide in haar bouw de waarde π symbolisch zou voorstellen. En deze stelling is met betrekking tot de symboliek van de Groote Pyramide van zulk een typische waarde dat ik mij even bepalen zal bij dit punt, teneinde het uitvoeriger te kunnen behandelen dan het geval zou kunnen zijn indien ik in de bijzonderheden der symboliek van het bouwwerk, zooals Smyth die uitwerkt, verviel. Ook kan alleen deze stelling waarde hebben voor ons doel, en dan nog als wij haar gaan beschouwen van een esoterisch standpunt. Want hoe bekrompen vat Smyth ook deze stelling op!Hij dan ziet in deze symboliseering van de π waarde niets dan een praktische oplossing van de beruchte quadratuur van den cirkel, die nachtmerrie van alle degelijk denkende wiskundigen, en beroept zich in zijne argumentatie meestal op de stellingen van John Parker, een Amerikaan, die beweerde een oplossing daarvan gevonden te hebben. Hetgeen Piazzi Smyth zegt is het volgende:De vertikale hoogte van de Groote Pyramide is de straal van een theoretischen cirkel, van welks omtrek de lengte gelijk is aan de som van de lengten der vier rechte zijden van de feitelijke basis van het geheele bouwwerk, en dit nu is niets meer of minder dan een praktische oplossing van het beroemde vraagstuk der middeleeuwen en der daaraan volgende tijden nl. de quadratuur van den cirkel. Want de bouwer(s) der Pyramide bepaalden dat de hoogte zich zoodanig moest verhouden tot de breedte der basis, dat deze verhouding de nauwkeurigste praktische waarde van het meergemelde getal π zou doen uitkomen. Genoemd getal π is zelfs bij benadering niet te vinden in de dertig andere voornaamste pyramiden in Egypte.Indien daarom kan bevonden worden dat deze π met de daardoor teweeggebrachte grootte van hoek werkelijk in de Groote Pyramide is ingebouwd, en daardoor het geheel van het reusachtig beslagen oppervlak kenmerkt, dan onderscheidt het bouwwerk zich niet alleen van alle andere dergelijke bouwwerken, maar toont tevens aan de groote wiskundige kennis van de Bouwer(s). Want het getal π werd eerst veel later, duizenden jaren later, ontdekt door de wiskundigen der latere tijden en tevens is dat getal een der onmisbaarste getallen in de wiskunde.Dit getal π is berekend tot in 707 decimalen, en er worden allerlei benaderingswaarden voor aangegeven, variëerend van 3.23 tot 3.125. Echter kunnen wij voor praktisch gebruik volstaan met de breuk 22/7, met de waarde 3.14159 enz.John Taylor toonde het bestaan van het ware getal π in de Groote Pyramide aan, en deed dit voornamelijk door het wijzen op en het gebruiken van de verhouding van de hoogte en basis-breedte, welke echter slechts met moeite te verkrijgen zijn wegens den geschonden staat van het bouwwerk. Het zou duizenden werklieden vereischen, om de massa vuil en puin op te ruimen, die de juiste opmetingen belemmeren, en dus zien wij wel in, dat een of meer geleerden of een paar daar weinig toe kunnen doen.Het is dus beter, willen wij veel moeite en onnauwkeurigheid voorkomen, om dit vraagstuk, dat louter den vorm betreft, meer dan de absolute grootte, op te lossen door het meten van den rijzingshoek, welke dus geheel en al onafhankelijk is van lengte-metingen. De hoek van een π-vormige, vierhoekige pyramide moet, om de zijden aan het toppunt ineen te doen loopen, zijn 51° 51´ 14″.3.Dit nu bleek de juiste waarde te zijn van den gemetselden hoek, tenminste wat praktische waarde aangaat, aangezien een gemetselde hoek niet den graad van juistheid zou kunnen geven van een geteekenden of theoretischen hoek.Kolonel Howard Vyse had in 1837 aan de noordzijde twee vande buitenste laagsteenen (deksteenen) opgegraven, na honderden werklieden het puin te hebben laten opruimen. Hij vroeg toen verlof, ze naar het British Museum te mogen laten vervoeren, en bedekte ze tijdelijk met puin, doch in de daaraanvolgende nachten vernietigden Arabieren deze eenige overblijfselen van de deksteenen met hunne hamers, of wel hij kon ze niet terugvinden. In elk geval heeft hij ze niet meer gezien.Maar hoewel de latere onderzoekers tot op 1884 dus dezen hoek niet meer konden zien in de steenlagen, zoo bedacht Piazzi Smyth toch, dat onder de verspreid liggende vergruisde deksteenen nog stukken moesten zijn, waarin de π-hoek bewaard gebleven was, en werkelijk bleek dit het geval te zijn; aan een van de helpers van den professor uit dien tijd werd door dezen het geval van den merkwaardigen hoek uitgelegd en deze man (Gabri genaamd), die later als gids dienst deed bij de Pyramide, deed zeer goede zaken met het verkoopen van “steenen met den hoek” die hij uit het puin bijeenzamelde en aan de bezoekers verkocht.Toen de keizerin van Frankrijk in 1869 de Pyramide bezocht, werd een weg voor haar aangelegd naar het bouwwerk toe en de grondstoffen voor dezen weg werden uit de Pyramide gebroken. Onder deze uitgebroken blokken bevond zich ook een geschonden deksteen en Waynman Dixon schonk dezen aan prof. Piazzi Smyth, die hem onder een glazen stolp in het officieel verblijf van den Koninklijken Sterrekundige voor Schotland bewaarde. Dit is de eenige bekende overgebleven deksteen. Hij is natuurlijk geschonden, maar de hoek is bevonden te zijn tusschen 51° 53′ 15″ en 51° 49′ 55″, en komt dus zeer nabij den typischen π-hoek van 51° 51′ 14″.Geen enkele der deksteenen van de andere pyramiden komt dezen hoek nabij.Maar nu komt het merkwaardigste. Prof. Flinders Petrie, die de beste der tot dusver bekende opmetingen deed en een groot tegenstander was van Ralston Skinner’s en Piazzi Smyth’s theorieën, vond op de historisch bekende plaats de deksteenen waarvan gesproken was door Kol. Vyse, en die, naar deze dacht, verwoest waren door de Arabieren. Fl. Petrie nam toen den hoek van rijzing op en bevond dat deze 51° 52′ ± 2″ was en kon dus niet meer twijfelen aan de beroemde π hoekopstelling.Toen wierpen hij en Proctor de theorie op, dat dit alles te danken is aanlouter toeval.Maar hiertegen kan onmiddellijk het volgende worden aangevoerd:Waren de pyramidebouwers wezens, die zich lieten leiden doortoeval, wanneer wij de nauwkeurige en fijne afwerking van het geheel beschouwen? Zie wat Fl. Petrie zelf zegt aangaande deze fijnheid en nauwgezetheid van bouw en hoe hij zichzelf tegenspreekt, door alles van dien aard te wijten aan louter toeval.“Verscheidene opmetingen heb ik gedaan van de voegen der steenen. Deze varieeren van 0.012 tot 0.045 inch in dikte; op sommige plaatsen is de dikte slechts 0.011 inch. Degemiddelde dikteis dus0.020 inch. De rand van den steen wijkt van een rechte lijn slechts 0.01 inch af op een lengte van 75 inches. Deze nauwkeurigheid staat gelijk met de gemiddelde nauwkeurigheid van de rechte snijkanten van een glasslijper van dezen tijd. De voegen strekken zich uit over een oppervlakte van 35 vierkante voet, en waren over deze geheele oppervlakte met cement bedekt. De gemiddelde opening der voeg was 1/50 inch en soms zelfs zoo klein als 1/500 inch. En wanneer wij in aanmerking nemen dat de steenen 16 ton wegen, kunnen wij begrijpen, met welk een nauwkeurigheid gewerkt moest worden, om tot zulke resultaten te komen, dat de buitenste laag een glad geheel was.”3En toch zou dit alles louter toeval zijn! Bedenken wij dan nog dat deze steenen uit prachtig graniet bestonden en alle verdere bouwwerken uit dien tijd en ook de latere pyramiden slechts uit in de zon gebakken kleisteenen, dan zien wij wel in dat deze wijze van bouwen meer dan louter toeval was.Wij hebben gezien wat Piazzi Smyth zegt over de π waarde in de Pyramide en tevens welke groote waarde hij daaraan hecht voor zijne verdere redeneering. Ik meen ook te mogen aannemen, dat hij, wat deze stelling betreft, op vrij vaste gronden staat. Maar het gebruik dat hij er van maakt om hierdoor aan te toonen, dat de Pyramide zou moeten dienen als een standaard van maten voor het nageslacht is mij te bekrompen, en dit verwerp ik.Wat mij in de literatuur over dit punt verbaasde, was dat Ralston Skinner in zijnSource of Measures, waar hij toch groote blijken gaf van intuïtief esoterisch weten, een gedeelte van dit werk aan hetzelfde denkbeeld wijdt. En toch was het voor mij zeker, dat de symboliseering van de π waarde in de pyramide een diepere beteekenis moest hebben. Deze diepere beteekenis nu geeft H. P. Blavatsky ons in deGeheime Leer, wanneer wij vasthouden aande daartoe noodige erkenning van hetgeen zij ons reeds mededeelde omtrent de bouwers en omtrent het doel van het bouwwerk.Natuurlijkerwijs heeft H. P. Blavatsky kennis genomen van hetgeen Piazzi Smyth en Ralston Skinner beweerden en betoogden met betrekking tot dit punt en wij vinden, zooals ik reeds bemerkte, in deGeheime Leerdeze zaak vrij uitvoerig behandeld.Wij lezen dan:“Niettemin is bewezen dat het stelsel van eerstgenoemden (de Joden) in deze bijzondere afdeeling der symboliek—namelijk de sleutel tot de geheimenissen der sterrekunde in haar verband met die der voortbrenging en ontvangenis—identiek is met die denkbeelden der oude godsdiensten, welke het phallische element in de theologie hebben ontwikkeld. Het Joodsche stelsel van heilige maten, toegepast op godsdienstige symbolen, is voor zoover het meetkundige en numerieke combinaties betreft, hetzelfde als dat van Griekenland, van Chaldea en van Egypte, want de Joden namen het aan gedurende de eeuwen hunner slavernij en gevangenschap onder beide laatstgenoemde volkeren. Waaruit bestond dit stelsel? De schrijver vanThe Source of Measuresis er innig van overtuigd dat: ‘de boeken van Mozes ten doel hadden door eene soort van kunstmatige taal een meetkundig en numeriek stelsel van exacte wetenschap te verkondigen, dat als oorsprong van maten zoude moeten dienen.’ Piazzi Smyth is van dezelfde meening. Eenige geleerden vinden dat bedoeld stelsel en die maten identiek zijn met die, welke bij den bouw der Groote Pyramide gebruikt zijn, maar dit is slechts voor een deel het geval. ‘De grondslag dezer maten was de verhouding van Parker’, zegt Ralston Skinner inThe Source of Measures.De schrijver van dit zeer buitengewone werk heeft, zooals hij zegt, dien grondslag ontdekt in het gebruik van de verhouding van de middellijn van den cirkel tot den omtrek, in geheele getallen uitgedrukt, ontdekt door John A. Parker. Deze verhouding is 6561 voor de middellijn en 20612 voor den omtrek. Verder heeft hij gevonden dat deze meetkundige verhouding de zeer oude en waarschijnlijk goddelijke oorsprong was van wat nu door exoterische behandeling en praktische toepassing, de Britsche lengtematen geworden zijn, ‘welker grondeenheid, nl. deduim, evenzeer de grondslag geweest is van een der koninklijke Egyptischeellematenals van den Romeinschenvoet.”4Hoewel H. P. Blavatsky het niet eens is met de theorieën van Parker en Piazzi Smyth, en zelfs vrij uitvoerig de beweringen van Parker met betrekking tot de quadratuur van den cirkel bestrijdt, en bemerkt dat de opmetingen van Smyth ook niet ten volle vertrouwen verdienen, zegt zij dat Ralston Skinner onmiskenbaareenof zelfstweeder sleutels tot dit stelsel ontdekt heeft, maar meerondanks de theorieën der beide genoemde schrijvers en dank zij zijn eigen genie.“Evenmin wordt Ralston Skinner’s esoterische opvatting van denBijbelalleen daardoor onjuist, dat de afmetingen van de Pyramide wellicht niet overeenstemmen met die van den tempel van Salomo, van de arke Noachs, enz., of doordien de wiskundigen Parker’s kwadratuur van den cirkel verwerpen. Immers Skinner’s meening berust oorspronkelijk op de Kabbalistische methoden en op de rabbijnsche getalswaarde der Hebreewsche letters. Daarentegen is het van het uiterste belang na te gaan of de maten, gebruikt bij de ontwikkeling van den symbolischen godsdienst der Ariërs, bij den bouw hunner tempels, bij de in dePurâna’svermelde getallen, en in het bijzonder bij hunne tijdrekening, hunne sterrekundige symbolen, den duur hunner cyclussen en bij andere berekeningen, al dan niet dezelfde waren.”5Wij zouden dus, na hetgeenH. P. B.ons zegt omtrent Skinner, met reden kunnen nagaan welke sleutels hij gevonden heeft om tot een oplossing te komen van de π symbologie in de Pyramide. Ik zal dit echter hier ter plaatse moeten nalaten wegens mijne eigene tekortkomingen op het gebied der Kabbalistiek en tevens omdat dit wederom tot te uitvoerige beschouwingen zou leiden die hier niet ter plaatse zijn. Doch zeker raad ik ieder, die de waarde van getallen en letters op de juiste waarde schat, ten zeerste aan Skinner’s werk te bestudeeren.In ieder geval zien wij dat de π symbologie niettoevalligis, zooals reeds beweerd werd door enkele geleerden; daar zijn te veel feiten tegen. H. P. Blavatsky geeft dan ook eene verklaring er van, en al schijnt die bij den eersten aanblik niet de volledige oplossing dezer symbologie te bieden, zoo doet zij dit toch wel degelijk. Zij schrijft:“Zij hebben die kennis stellig bezeten; en het is op deze kennis6dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeide de bouw van de Pyramide voort, de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symbool van deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der Sterren zulks aan het Uitspansel zijn.De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan de sterrekundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclusvan Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen cyclus afgeleide,abstracte formules, verzinnebeeld doorden vorm en de afmetingenvan den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de Woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo—een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, het symbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatsbedoelde ontleend zijn”.7Tot een nader begrip van hetgeen hier gezegd werd en ter verklaring van het hier gegevene in verband met de π symbologie vestig ik in de eerste plaats de aandacht op het laatste gedeelte van het boven aangehaalde. De woorden zonnemythe en het feit, dat het verhaal van het bouwen van Salomo’s Tempel eene allegorie is, zou ik zóó willen verklaren, dat hier door tempel bedoeld wordt het lichaam van den Zonnelogos in zijn uitgebreidsten zin, dus in en met zijn aura, den Zodiak, diagrammatisch voorgesteld in zijn openbaring als de cirkel met de middellijnCirkel met horizontale balk..Deze openbaring in haar getalwaarde op dit stoffelijk gebied voor te stellen kan niet anders geschieden dan door een formule en deze formule of verhouding zou dan mijns inziens π zijn. Want indien wij een bouwwerk hebben waarin wij deze waarde belichamen bij de samenstelling, hebben wij den zich openbarenden Logos symbolisch weergegeven. En evenzeer als wij weten, dat π eene oneindig voortloopende breuk is, die zich nimmer volkomen doch alleen bij benadering uit kan drukken, zoo weten wij ook dat de Logos zich nimmer geheel kan uitdrukken in de stof, aangezien er steeds in die openbaring eene verhouding van stof tot geest moet blijven bestaan, hoe klein of hoe groot die verhouding ook zij. Ook hier gaat de symbologie dus op.8In hoeverre deze π verhouding nu te maken heeft met den cyclus van Inwijding is ook eenigermate na te gaan. De ontwikkelingvan den Logos in zijn stelsel wordt symbolisch voorgesteld door Zijn doorloopen van den Dierenriem, zijnde de groote stroom van ontwikkeling gaande door de 12 teekens van Zijn geheel. Dit is exoterisch. Esoterisch bestaat er eene ontwikkeling die sneller tot hetzelfde resultaat leidt, nl. het terugkeeren naar het uitgangspunt na het doorloopen van 6 teekens. De Evolutie loopt dan langs de middellijn als het ware. De verhouding van de ontwikkelingsphasen van iemand die dezen weg betreedt tot die van hen die de gewone evolutie volgen is die, welke symbolisch zich verhoudt als de middellijn tot den omtrek of als één tot π. Evenals de Logos in zich bevat deze π waarde, zoo bevat ook de mensch op het Pad van Inwijding deze waarde in zich.Skinner geeft als formule deze 113 : 355 = 6561 : 20612, zijnde eene symbolische getallenvoorstelling van de verhouding van den mensch op het kruis (113 : 355) tot de geopenbaarde Godheid Jehovah, Elohim.Verder wensch ik hier echter op dit punt niet in te gaan daar deze waarheden alleengevoelden nimmerverstandelijk uitgedachtkunnen worden en dus nimmer kunnen worden gegeven van intellect tot intellect, maar alleen begrepen door verdere uitwerking in onszelf.Voldoende zal men echter inzien, dat de zoogenaamde ”π symbologie” en “de oorsprong der maten” een diepere beteekenis hebben dan Piazzi Smyth er aan wenscht toe te kennen. Hoe belachelijk ver hij ging met zijne theorie, blijkt ons wanneer wij lezen, dat “de porfiersarcofaag in de Koningskamer”de eenheid van maatwas voor de twee meest verlichte volkeren op aarde, Engeland en Amerika, en niets meer dan een “korenmaat”.H. P. Blavatsky merkt met betrekking tot deze uiting van Smyth op:“InIsis Unveiled, dat juist in dien tijd verscheen, hebben wij dat krachtig ontkend. Toen liep de New-Yorksche pers (in het bijzonder de nieuwsbladenThe SunenThe World) te wapen tegen onzeaanmatigingom zulk een ster van geleerdheid te willen verbeteren of fouten bij hem te ontdekken. In dat werk hadden wij gezegd dat Herodotus bij het bespreken van de Pyramide:.... er wel had kunnen bijvoegen dat zij uiterlijkhet scheppende beginsel der natuurverzinnebeeldde, en ook eene afbeelding was van debeginselen der meetkunde, wiskunde, astrologie en sterrekunde. Van binnen was zij een majestueus heiligdom, in welks duistere schuilplaatsen de mysteriën volbracht werden, en welks muren dikwijls getuigen geweest waren van tooneelen van inwijding van leden der koninklijke familie. De porfieren sarcophaag, welke Professor Piazzi Smyth,Astronomer Royal of Scotland, tot een graanbak verlaagt, was dedoopvont; na daaruit te zijn gestegen was de neofiet ‘wedergeboren en werd hij een adept9.’Om onze mededeeling werd in die dagen gelachen. Men beschuldigde ons onze denkbeelden ontleend te hebben aan de ‘zotte denkbeelden’ van Shaw, een Engelsch schrijver, die volgehouden had dat de sarcophaag gebruikt was bij het vieren der mysteriën van Osiris, hoewel wij nooit van dien schrijver gehoord hadden. En thans, zes of zeven jaren later (1882), schrijft Staniland Wake het volgende:‘De zoogenaamde koningskamer.... was waarschijnlijkde plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën’10.Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een ‘enge poort’ had; dezelfde ‘enge poort’ die ‘tot het leven leidt’, of tot de nieuwe geestelijke wedergeboorte, waarop Jezus in Mattheus VII : 13 zinspeelt, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was, dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn”.11Wij zijn eenigermate afgedwaald van ons eigenlijk punt, nl. de symbologie der Pyramide, doch deze hangt zoo nauw met dit alles samen dat ik niet in staat ben ze te scheiden, en ik zal thans van dit gedeelte van het onderwerp afstappen om enkele andere theorieën te behandelen.1Our Inheritance in the Great Pyramid.Chap. I, blz. 5, 6.2t.a.p. blz. 7.3The Pyramids and Temples of Gizeh, door Prof. Flinders Petrie.4Geheime Leer, Deel I, blz. 397, 398.5Geheime Leer, Deel I, blz. 402.6astronomische kennis.7Geheime Leer, Deel I, blz. 399, 400.8Geheime Leer, Deel I,blz. 558, noot.9Isis Unveiled, Deel I, blz. 519.10Staniland WakeThe Origin and Significance of the Great Pyramid, blz. 93.11Geheime Leer, blz. 403, 404.Hoofdstuk VII.Nog enkele theorieën over de bestemming en symboliek der Groote Pyramide.Meer nog dan met eenigerlei andere wetenschappen, is de Groote Pyramide in verband gebracht met de sterrekunde. Niet alleen dat velen beweerden dat zij een sterrekundig observatorium was, maar bovenal dat vele der bekende waarheden uit deze wetenschap symbolisch in haar bouw belichaamd waren, waaruit dan tevensblijken zou dat de Egyptenaren van dien tijd reeds bekend waren met verscheidene astronomische gegevens, die op betrekkelijk jongen datum heeten ontdekt te zijn. Reeds sedert lang werd door enkele schrijvers over dit onderwerp beweerd dat de Groote Pyramide zou gebouwd zijn met het doel de sterren te observeeren, en enkele schrijvers zeggen dat het juist om deze reden was, dat de Pyramide een platform op den top had, waar de sterren-waarnemende priesters hunne instrumenten konden plaatsen; verder wordt beweerd dat de benedenwaarts leidende gang der Groote Pyramide dienst deed als meridiaan-teleskoop. Vandaar de nauwgezette oriëntatie der Pyramide. Afgescheiden van alle mogelijke andere bezwaren, welke wij zullen nagaan wanneer wij den voornaamsten hedendaagschen voorstander van deze theorie, Rich. Proctor, over dit onderwerp zullen aanhalen, zien wij al dadelijk enkele bezwaren die ons aan de waarheid van deze theorie doen twijfelen. In de eerste plaats dan is het onmogelijk geweest om ooit op dit platform te komen wanneer wij aannemen wat ons gezegd wordt, dat het uitwendige der Pyramide geheel met gepolijst marmer bedekt was; en in de tweede plaats is het zeker dat de ingang van de benedenwaartsche gang afgesloten was. Alleen wanneer wij vooropstellen dat dit niet zoo was (en er is meer reden om het tegendeel aan te nemen) kunnen wij de mogelijkheid der theorie erkennen. Maar dan nog rest de vraag waarom er juist een Pyramide en niet een gewone toren werd gebouwd.Zien wij thans wat Rich. Proctor zegt met betrekking tot deze theorie. In de eerste plaats erkent hij, dat Piazzi Smyth en anderen met recht beweren dat zekere sterrekundige waarheden in het bouwwerk belichaamd zijn; “maar dat zijnloutertoevallige overeenkomstigheden”. Wij zeiden echter reeds vroeger bij dit bouwwerk niet te kunnen gelooven aan toevalligheden.Hoe verklaart Proctor dan zelf de sterrekundige kenmerkende eigenaardigheden van bouw en samenstelling der Groote Pyramide? Hij zegt1dat aan alle Egyptische Pyramiden het een of ander sterrekundig plan ten grondslag ligt en dat zulk een plan bij de Groote Pyramide met bijzondere nauwgezetheid uitgevoerd werd, welke er op duidt dat het een vereischte was het bouwwerk zelf en eveneens de onderdeelen in een bepaalden astronomischen standte plaatsen, en wel voornamelijk om deze reden, dat de Pyramide “bedoeld was dienst te doen als een sterrekundig observatorium”. Deze bedoeling vooropstellende is het duidelijk dat de bouwers de gangen van het bouwwerk benutten om den juisten stand en de plaats van elk deel van het geheel te bepalen. De benedenwaarts leidende gang werd gericht naar de Poolster. Nadat deze benedenwaarts leidende gang het noordelijk zijvlak bereikt had werd het bij het bouwen van de opwaarts leidende gang (zie de teekening van het inwendige) noodzakelijk op eene andere wijze de Poolster te observeeren. Dit werd tot stand gebracht door de nieuwe gang te bouwen in zoodanige richting, dat de lichtstralen van de Poolster hierin opwaarts vielen, na weerkaatst te zijn op een horizontale oppervlakte. Om deze weerkaatsende horizontale oppervlakte te verkrijgen werd de benedenwaarts leidende gang afgesloten aan het ondereinde, en daarna gedeeltelijk gevuld met water, op welks stilstaande oppervlakte de stralen van de Poolster weerkaatst werden. De bouwers werkten dus met betrekking tot het meridiaanvlak.De Groote Galerij is volgens Proctor echter het stelligste bewijs van den astronomischen aard van de bedoeling der bouwers. Deze Groote Galerij toont door hare dubbele geaardheid aan dat zij bedoeld was voor sterrenkundige waarnemingen. Hare muren als geheel zijn hellend, maar elk deel er van is volstrekt vertikaal, zooals ook het geval moet zijn voor nauwkeurige waarnemingen. Om deze waarnemingen mogelijk te maken, zijn in de galerij aan weerszijden steenen, hellende, verhoogde banken aangebracht, waarin op gelijke afstanden gaten zijn om verplaatsbare zetels te plaatsen. Aan het boveneinde der galerij zou de zoogenaamde Voorkamer de plaats geweest zijn waar de tijdopnemer zat. Proctor is verder ten zeerste overtuigd van het nut dat getrokken kan worden uit deze wijze van waarnemen. Hij zegt o.a.:“Indien een teleskopist van onzen tijd een plan zou willen vormen voor eene methode om de declinatie en rechte klimming van sterren te bepalen (bijvoorbeeld met het doel om een betrouwbaren sterrencatalogus op te stellen) zonder een teleskoop te gebruiken, zou hij door zulk een waarnemingsplaats te gebruiken als de Groote Galerij, spoedig zien hoeveel daar gedaan kan worden voor zooverre het equatoriale en zodiakale sterren betreft; en deze zijn de meest belangrijke, zelfs nu, en waren dit te meer in de dagen toen men veronderstelde dat de sterren in hun loop het lot van menschen en volkeren regelden.”2Deze redeneering van Proctor nu is zeer zeker op zichzelf beschouwd heel fraai, maar weinigen zijn er door overtuigd geworden dat de Groote Pyramide niets dan een sterrenkundig observatorium was. Enkelen erkennen de waarde der aangevoerde bewijsgronden voor het doel, doch slechts als bijkomstig. Proctor zelf doet dit echter ook, want een graf blijft de Koningskamer toch. Blijkbaar is hij bang zijn wetenschappelijken naam afbreuk te doen door een wetenschappelijk gehandhaafde theorie niet als van zelf sprekend aan te nemen; wenscht echter toch een eigen theorie en lapt er de observatoriumtheorie aan vast. Hij ziet echter daarna zelf in dat deze niet geheel en al opgaat, en zegt dan dat de bouwer niet alleen wetenschappelijke bedoelingen had, maar zelfs eene die boven het gebruik als graf staat! Dit doel kan men begrijpen wanneer men het feit erkent dat “de sterrenkunde uit den tijd van Khufuuiteraardastrologie was, en dat de astrologie een belangrijk deel van den godsdienst vormde”. Zijn eindconclusie is dan dat de Groote Pyramide als astrologisch bouwwerk een reuzenhoroskoop in steen van Cheops is. “Aangenomen een volstrekt geloof in astrologie (en wij weten dat er zulk een geloof bestond), was het de moeite waard zelfs een zoodanig gebouw als de Groote Pyramide op te trekken”.Ik meen dat er, zooals ik reeds zeide, weinigen zijn die Proctor’s theorie ernstig opvatten en wij zullen dan ook niet in bijzonderheden er van afdalen, doch liever nagaan welke astronomische gegevens in het bouwwerk symbolisch vervat zijn. Sommige er van zal ik hier alleenvermelden, slechts enkeleverklaren, daar de meeste te technisch zijn om hier aan den algemeenen lezer uiteengezet te worden.Voor hen die belangstellen in dit gedeelte van het onderwerp is het raadzaam daarover Dufeu, Piazzi Smyth en J. Wilson na te lezen. Vooral de laatste heeft dit punt, het verband tusschen de maten aan de Pyramide en het zonnestelsel, uitvoerig uitgewerkt in zijn boekThe Solar System of the Ancients. De groote moeilijkheid echter blijft in de quaestie welke maat men gebruikt heeft, daar de meeningen over de gebruikte elle- en duimmaat nogal uiteenloopen.Na veel geschrijf over de maten-quaestie, hetgeen een geheele bibliotheek vormt, is er echter op dit punt overeenstemming gekomen en zien wij thans enkele der eigenaardige kenmerken vastgesteld.De Pyramide dan symboliseert haarbreedtegraad(Wild, P. Smyth), haarouderdom(P. Smyth, Casey, Dufeu), denomtrek der aarde(J. Wilson, P. Smyth, J. Taylor), denvorm der aarde(P. Smyth, Dufeu), dedichtheid der aarde(P. Smyth, Petrie), denafstand van aarde en zon(P. Smyth, Petrie), dedagen van het jaar(Smyth, Tracey, Petrie, Yeates, Adams), deWet der zwaartekracht(J. Wilson),afstand tot zon en maan(J. Wilson), deplanetenafstanden(J. Wilson), depraecessie der equinoxen(Casey, Wilson, P. Smyth.) Tal van andere astronomische en natuurkundige gegevens blijken volgens enkele dezer schrijvers in het bouwwerk belichaamd, doch deze zijn wel de voornaamste.Om den lezer thans een denkbeeld te geven hoe deze astronomische waarden en verhoudingen in de pyramide-afmetingen belichaamd zijn, zullen wij enkele dezer symbologieën nagaan en trachten duidelijk te maken.In de eerste plaats dienen wij dan na te gaan de redenen welke er bestaan kunnen hebben voor het feit dat de bouwers deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamden. Zooals wij reeds zagen is de meest voor de hand liggende exoterische reden die, welke van de Groote Pyramide een sterrekundig observatorium en astrologisch gedenkteeken maakt; vervolgens komt die reden in aanmerking, welke o.a. Taylor en Smith aanvoeren, namelijk dat de door God bezielde bouwers het menschengeslacht een grondslag van maten wilden geven en dezen grondslag natuurlijk in verband brachten met heelalsche maten wegens den goddelijken oorsprong van het denkbeeld van den bouw. Deze redenen kunnen natuurlijk dienen als logisch voor hen die het eens zijn met de theorieën der genoemde schrijvers, maar wanneer men een voorstander is van de theorie, dat de Groote Pyramide een tempel, een plaats van godsdienstige ceremoniën, een “berg van Inwijding” is geweest, welke reden kunnen wij dan aanvoeren voor het feit dat wij deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamd vinden? In de eerste plaats kan voor den spoedig bevredigden onderzoeker het antwoord dienen dat Proctor ons pasklaar geeft n.l. “dat de godsdienst der Egyptenaren grootendeels gegrond was op astronomische stellingen” en dat dit dus evenzeer het geval moet geweest zijn met hunne godsdienstige mysteriën. Doch voor hen, die met deze oppervlakkige reden niet geheel voldaan zijn met betrekking tot hun voorstaan van de inwijdingstempeltheorie, als ik het zoo noemen mag, zou ik gaarne de volgende redenen willen aanvoeren.De groote Pyramide beschouwende als een tempel van inwijding, zie ik in haar beslist deneersten maçonnieken tempel, waarvan wij kennis dragen sinds het bestaan der maçonnieke orde, en schaar ik mij dus in dezen aan de zijde der broeders, welke erkennen dat de vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Egyptische mysteriën en niet in de bouwgilden der middeleeuwen. Voor ieder maçon nu is de Tempel (of moet hij dit zijn) ons zonnestelsel, het lichaam van den Logos van dit stelsel. Dit in verband met hetgeen wij reeds zeiden omtrent de Groote Pyramide leidt ons tot de volgende gevolgtrekking. De stoffelijkeTempelop deze aarde moest in haar bouw alle waarden en vormen, welke in den warenTempel(het lichaam van den Logos, ons zonnestelsel) gevonden werden, weergeven om symbolisch—en wij weten dat de maçonnerie niets is dan een wijsbegeerte, gehuld in een gewaad vansymbolen, om degenen wier ontwikkeling langs de ritueele lijn ligt, te leiden in hunne evolutie—deze waarheden en begrippen uit te drukken.Hetgeen wij reeds zeiden omtrent de π-symbologie, en dat steunt op wat H. P. Blavatsky zegt in de noot op blz. 468 van deGeheime Leer, Deel I, met betrekking tot deze π-waarde, komt geheel (mijns inziens) met deze denkwijze overeen.Verder zullen velen het met mij eens zijn—vooral zij die verstaan—dat hetgeen wij door de Inwijdingen zoeken is:Licht; het Licht, dat wil zeggen, de kennis van den aard der dingen in ons stelsel, of in het algemeen gezegd: hoogere kennis. In ons stelsel is het stoffelijk lichaam der zon het laagste aanzicht van ditLicht. En dit Licht kunnen wij ook verzinnebeeld vinden in de Pyramide. Merken wij nog op datgeluidofklankevenzoo noodzakelijk is voor hetleven. Adams zegt terecht: “het licht is het eerste beginsel van het geschapen leven. Zonder licht bestaat geen groei; er is geen groei zonder licht. Kleur, reuk, smaak, ieder voorwerp der zinnen verdwijnt wanneer het licht afwezig is. Iedere straal is een afzonderlijke hemelsche gift, rechtstreeks van de hand van den Schepper; zooals is aangegeven in het basrelief op het graf te Thebe, ontdekt door Stuart, waar de uiteenloopende stralen een pyramide van licht vormen, en aan iederen straal is een hand van zegening verbonden.”3In de Pyramide vinden wij dus verzinnebeeld den vorm en het leven in openbaring, den Logos alsSymbool voor Zon.. En hoe is dit licht maçonniek in het bouwwerk uitgedrukt? Door dezelfde π-symbologie.Ik kan het niet beter weergeven dan Adams dit doet. Hij schrijft:Het Licht zelf geeft ons een antwoord. Want indien wij, zooals op het basrelief te Thebe, den uiteensplitsenden stralenbundel voorgesteld vinden, zooals die zich uitstort op den middag van de zomersolstitie, den aanvangsdag van het Egyptisch jaar, zullen wij één zijvlak van de Pyramide van Licht hebben. Veronderstel nu dat een rechthoekige pyramide wordt opgetrokken met vier zoodanige zijden die elk respectievelijk tegenover de kardinale punten des hemels staat. Dan volgt hieruit dat, daar elke zonne-omwenteling der aarde een vierde aswenteling later voltooid wordt dan de voorafgaande, elk vierde- of groot-jaar hetzelfde zijvlak naar de zon gekeerd zal zijn wanneer de zonne-omwenteling van de aarde voleindigd is; en aldus is de Egyptische Groot-cyclus (van vier jaar) maçonniek uitgedrukt. Juist zulk een vorm vinden wij in de Groote Pyramide, daar de zijden zóó georiënteerd zijn dat zij oorspronkelijk tegenover de kardinale punten stonden, en haar top zoodanig was afgeplat dat de zon één dag in het jaar ‘met al haar stralen’ er op rust, zoodat het bouwwerk ‘zijn eigen schaduw verslindt’.Welke verhouding moeten de afmetingen hebben, nu de algemeene vorm bepaald is, of met andere woorden, welken hoek moeten de zijden naar den onzichtbaren top hebben? De aarde in haar loopbaan geeft het antwoord. Want daar die planeet in een (benaderd) cirkelvormig pad om de zon heen beweegt, terwijl elke straal naar haar toe in een rechte lijn valt, kan de verhouding tusschen de lichtgevende kracht en het verlichte lichaam uitgedrukt worden door de verhouding tusschen den straal en den omtrek van een cirkel.4Laten wij thans nog nagaan op welke wijze wij een eenheid van maat kunnen verkrijgen, die ons de juistheid aantoont van de verzinnebeelding der astronomische verhoudingsgetallen in het bouwwerk. Ook deze maat kunnen wij aan de aarde ontleenen en wel aan de as.De engelsche duim is 250,250,000 maal in de aardas begrepen; wanneer wij deze duim met een duizendste deel van hare lengte vergrooten, verkrijgen wij eene duimmaat die als Pyramideduim gebezigd wordt en bekend staat. Deze duim is dan in de aardas 250 millioen maal begrepen.De deksteenen der Pyramide, waarvan er een opgemeten werd door Dixon, zijn 25.025 Eng. duim lang; of 25 van de gemelde duimen. De lengte van den steen is dus 10 millioen maal in de aardas begrepen, en nu wordt door Smyth en Adams deze maat als eenheid aangenomen. Deze maat of liever verhouding staat op zichzelf. Doch wat bleek verder?De lengte van de onderste deklaag der Pyramide bedraagt juist 1/20 van een geografische mijl. Wanneer wij nu de pyramide-eenheidsmaat hierop afmeten, bevinden wij dat deze 365.25 maal in deze lengte begrepen is en 1461 of 4 maal 365–1/4 maal in den geheelen omtrek van het grondvlak. Blijkbaar is dus hier eene symbolische voorstelling van het aantal dagen van het zonnejaar en van den grooten cyclus van vier jaren.Adams zegt met betrekking tot deze symbolische voorstelling:“Het schijnt daarom niet onredelijk te denken dat, alvorens de deksteenen ten slotte het geheim afsloten, de betrekkingen van zon en maan tot den stand van Sothis en de Poolster in overeenstemming zouden gebracht zijn met de trappenreeksen van de Pyramide op de juist beschreven wijze; en aldus is een uitgangspunt voor alle bewegingen der aarde, hetzij in hare betrekking tot de maan, de zon, de equinoxen, of de sterren, onveranderlijk in het maçonnieke licht vastgelegd”.Ik zou nog tal van voorbeelden kunnen geven van de wijze waarop astronomische waarheden in verband met het bouwwerk der Pyramide symbolisch zijn voorgesteld, doch dan zouden voor een populaire verhandeling als deze te veel technische punten aangevoerd moeten worden. Ik vrees zelfs dat het voorafgaande vele lezers zal doen terugschrikken voor een verder ingaan op deze punten. Aan hen die echter daarin belang stellen, raad ik aan daarover na te slaanOur Inheritance in the Great Pyramiden bovenal Marsham Adams’House of the Hidden Places; dit laatste werk vooral aan Theosofisch studeerenden. Over de symbologie der Pyramide in verband met de maçonnerie kan men lezen in de navolgende lezenswaardige brochuresThe Great Pyramid and Freemasonrydoor John Chapman. P. P. G. D. enA Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting an intimate relationship with the Probable Foundation of Freemasonry, door W. Charles Langley.Hoewel dus over dit punt vrij wat meer te zeggen valt dan ik hier deed, laat ik dit na om de gemelde reden en zal er toe overgaan de mystieke theorieën te behandelen, welke volgens mij van het meeste belang zijn.1Hetgeen ik hier mededeel met betrekking tot Proctor’s verklaring is gedeeltelijk ontleend aanKnowledge, Vol. I, en aanOrigin and Significance of the Great PyramiddoorStaniland Wake, blz. 6–19.2Origin and Significance of the Great Pyramid, blz. 12.3Marsham Adams.The House of the Hidden Places, blz. 147.4t.a.p. 149, 150, 151.

Hoofdstuk VI.Over de bestemming der Pyramide II.Wij zullen er thans toe overgaan enkele van de meer belangrijke en tevens meer bekende theorieën met betrekking tot de bestemming der Groote Pyramide te beschouwen, en zullen dan bij het kiezen van die theorieën zoodanige nemen, welke rechtstreeks tot onze eigene leiden zullen.In de eerste plaats dan komt de theorie van Piazzi Smyth, die zijne denkbeelden en opvattingen uiteengezet heeft in zijne bekende werkenThree years labour at the Great Pyramid, Our Inheritancein the Great PyramidenNew Measures of the Great Pyramid. Zeker heeft niemand meer dan Piazzi Smyth er toe bijgedragen om de Groote Pyramide populair te maken en stellig is er nooit zooveel over dit onderwerp geschreven en gesproken als sinds hij zijne beschouwingen uiteenzette. Deze laatste waren eigenlijk geen oorspronkelijke, want reeds in 1859 had John Taylor in zijn werkThe Great Pyramid, Why was it built? Who built it?dezelfde meeningen en opvattingen te berde gebracht en verdedigd. John Taylor had de Pyramiden nooit bezocht en had tot vorming en staving zijner theorie de gegevens ontleend aan de geschriften van vroegere bezoekers als John Greaves, De Monconys, Thévenat, Davison, Howard Vyse, Caviglia enz. Zijn 30-jarige studie vond geene belooning in groote populariteit van het resultaat dat wij opgeteekend vinden in vermeld werk, en eerst in latere jaren trok het meer de aandacht. Piazzi Smyth, die het gelezen had en er zoodanig door getroffen werd dat hij overtuigd was van de waarheid der daarin vervatte meeningen, oordeelde het van groot nut zich persoonlijk ter plaatse er van te overtuigen en John Taylor’s meeningen te verdedigen en te bevestigen, en gaf hierdoor eene algemeene bekendheid aan het werk, doch dit was eerst in 1864. In de jaren 1864–1880 verschenen 5 uitgaven van Piazzi Smyth’s werkOur Inheritance in the Great Pyramid, zeker wel een bewijs voor de populariteit van het onderwerp. In latere jaren zijn de theorieën van Taylor en Piazzi Smyth uitvoerig uitgewerkt door Professor Ch. Lagrange, wis- en sterrekundige, directeur van de sterrenwacht te Brussel. Zie o.a.Mathématique de l’Histoire, par Ch. Lagrange.Wat dan is eigenlijk de meening van deze schrijvers over de bestemming der Groote Pyramide? Dit zullen wij thans trachten weer te geven zonder ons te veel in de bijzonderheden hunner theorieën te verdiepen, daar alleen een breede opvatting van hunne hoofddenkbeelden waarde voor ons kan hebben.Het zal verder geheel voldoende zijn na te gaan wat Piazzi Smyth schrijft, daar hij in zijn werken alles vermeldt wat John Taylor in zijn werk opteekende en dit bovendien zeer uitvoerig uitwerkt en geheel op wetenschappelijke leest schoeit, zoodat de lezer van zijn werken volkomen op de hoogte kan zijn van hetgeen Taylor wilde aantoonen. Taylor had over zijne theorie eene briefwisseling met Piazzi Smyth en om aan te toonen wat hun gemeenschappelijke theorie was, kan ik niet beter doen dan het volgende aan te halen uit Smyth’s werk:“Dit nieuwe denkbeeld, hetwelk met een tot nu toe onbekende zekerheid het grootste bestaande mysterie voor de beschaafde wereld door alle tijden heen oplost, heeft genoemde wereld te danken aan John Taylor in een boek, dat uitgegeven is in 1859 en getiteld “The Great Pyramid; why was it built? and who built it?” Hij had de Pyramide zelf niet bezocht, maar had dertig jaren daaraan voorafgaande al de uitgegeven verslagen verzameld en vergeleken en voornamelijk al de best vastgestelde metingen (want er waren enkele inderdaad zeer slecht) die gedaan waren; en terwijl hij aldus bezig was, opende de nieuwe theorie zich op het onverwachtst (zooals hij mij in een brief schreef) voor hem.Hoewel hoofdzakelijk een strenge afleiding van tastbare feiten van wetenschappelijken aard, werd Taylor’s gevolgtrekking ongetwijfeld gesteund door het verstandelijk en geestelijk gezichtspunt, van waaruit hij zijne onderzoekingen begon, en hetwelk in hoofdzaak eenvoudig dit is:Dat, terwijl andere schrijvers algemeen gedacht hebben dat een zeker grootsch doch onbekend wezen, waarvan zij allen in hun geschiedkundig onderzoek het bestaan erkennen, het bouwen van de Groote Pyramide leidde (en wien de Egyptenaren in hunne vroegste overleveringen en eeuwen later een onzedelijke en zelfs afschuwelijke geaardheid toedichten), daarom inderdaad zeer slecht moet geweest zijn,—zoodat de wereld van dien tijd af tot op heden er steeds belust op is geweest dien dooden leeuw waarvan zij werkelijk niets afweten, te beleedigen en te vertrappen—hij, John Taylor, daar hij in iedere kenmerkende vermelding die van hen in denBijbelgedaan werd, zag hoe godsdienstig slecht de afgoden-uitvindende Egyptenaren zelf waren, er toe geleid werd te besluiten dat de onbekende leider en Bouwmeester dien zij haatten, misschien buitengemeengoedwas geweest; of in ieder geval van eenzuiverder godsdienstig geloof wasdan dat van de Misraïtische zonen van Ham.1Hierop verder ingaande komen beide schrijvers tot de gevolgtrekking dat de leiders van de bouwlieden vreemdelingen waren uit eenuitverkorenvolk, menschen die door goddelijke genade in staat waren gesteld het denkbeeld weer te geven, dat de Groote Pyramide bestemd was uit te drukken, want dit is juist de kern van hunne theorie n.l. dat de Pyramide bestemd was zekere goddelijke denkbeelden uit te drukken in haar bouw en afmetingen welk kerndenkbeeld saamgevat wordt in hunne zienswijze: de Groote Pyramide te beschouwen alseen grondslag der maten.Met betrekking tot dit punt schreef Piazzi Smyth:“Op dit algemeene standpunt plaatste Taylor zich; en na met de langgevormde publieke meening van te lijdelijke gehoorzaamheid aan de profane Egyptische overlevering gebroken te hebben en daarbij tevensenkele van de door den tijd geëerde vooroordeelen van hedendaagsche Egyptische geleerden niet in aanmerking nemende, zoodat hij een volledig en onpartijdig onderzoek van den beginne af aan gaf, kondigde hij aan dat hij in enkele der rangschikkingen en afmetingen van de Groote Pyramide—wanneer zij naar behooren verbeterd waren wegens verminderingen en afbrekingen door den verloopen tijd—zekere wetenschappelijke gevolgtrekkingen vond, welke van Egyptische noch Babylonische, en minder nog van Grieksche of Romeinsche kennis spraken, maar van iets dat hooger was dan deze, zoowel als geheel verschillend van de menschelijke methoden van de wetenschappelijke stelsels zijner tijdgenooten”.2Want”.....de werkelijke feiten van de Groote Pyramide,—in den vorm van gebouwde bewijzen van een nauwkeurige numerieke kennis van het grootschere kosmische verschijnsel van zoowel aarde als hemel—gaan de uiterst beperkte en nagenoeg kinderlijke kennis, die menschelijkerwijs bereikt werd door de beschaafde rassen van 4000, 3000, 2000 of zelfs 300 jaren geleden niet alleen te boven, en ver te boven, maar zij gaan in zooverre zij van toepassing zijn op de groote physische natuurgeheimen, de beste kennis der wijsgeeren van onzen eigen tijd even zoo goed te boven”.Dit alles kunnen wij zeer zeker geheel eens zijn met Piazzi Smyth, en al rust onze beschouwing op andere gronden, zoo is het resultaat er van hetzelfde. Waar hij als bouwers aanneemt door God bezielde hoogstaande wezens van een ras dat in niets overeenstemming had met de toenmalige Egyptenaren, nemen wij aan, overeenkomstig hetgeen wij reeds vermeldden in den aanvang dezer verhandeling, dat Adepten uit Atlantis onder leiding van eene manifestatie van den Logos de bouwlieden leidden. En dan zien wij alleen verschil in terminologie en opvatting van begrippen, geen verschil in kern.En waar beide theorieën in dezen (namelijk de goddelijkheid van de bouwers) overeenstemmen, kan het ons ook niet verwonderen dat beide de graftheorie verre verwerpen en in de eerste plaats niet alleen bevinden en erkennen dat groote natuurgeheimen en groote waarheden symbolisch belichaamd zijn in dit bouwwerk, maar tevens dat een dergelijk bouwwerk om een dieper reden tot stand kwam dan louter om als graf van een Pharaoh te dienen. Ookis er geen verschil met betrekking tot het punt dat de Groote Pyramide zich in dezen onderscheidt van de latere Egyptische Pyramiden.Maar wel is er een groot verschil tusschen de theorie van P. Smyth en de Theosofische, waar het er op aankomt het doel en de bestemming er van te bepalen. Want waar de Theosofische theorie, zooals ik reeds aanduidde, de Groote Pyramide als een tempel voor hooge inwijdingen beschouwt, maakt P. Smyth haar tot een grondslag der maten en een sleutel tot de geschiedenis der menschheid—verleden, heden en toekomstig—in verband met het Oude en Nieuwe Testament. Bijdoeleinden worden ook hier dus weer tot hoofddoeleinden verheven. In de laatste kwaliteit noemt hij de Groote Pyramide een datum-lijst van de menschelijke (Christelijke) geschiedenis, van welke datum-lijst Flinders Petrie opmerkt, dat geen enkele datum deugt.Doch hoe dit laatste ook zij, het kan ons van geen belang zijn, daar het eene dogmatische en onkritische uitwerking is van de gegevens die hij in het overige deel van zijn werken geeft. Wij kunnen echter in ieder geval niet dan dankbaar zijn voor de massa’s materiaal die ons daar geboden worden om iets van de symboliek van het gebouw te begrijpen, en om die reden raad ik elk ernstig bestudeerder van dit onderwerp aan het werk te bestudeeren, daar niets er meer toe kan bijdragen de Groote Pyramide te leeren beschouwen als een grootsch bouwwerk.Het gaat natuurlijk niet aan, hier ter plaatse Piazzi Smyth’s beschouwingen in haar geheel te overwegen, doch ik wil mij er toe bepalen enkele der meest belangwekkende feiten aan te halen die hij met betrekking tot de symboliek aan het licht heeft gebracht. Echter verzoek ik mijn lezers te bedenken dat al deze feiten ten zeerste bestreden werden door Egyptologen en wel voornamelijk op grond hiervan: dat nl. Piazzi Smyth eerst zijn theorie opvatte, overnam van Taylor, en later opmetingen en beschouwingen hieraan aanpaste. Op deze beschuldiging antwoordde hij weder, in een kleiner, later verschenen werkje, waarin hij betoogde dat zeer nauwgezette en wetenschappelijke opmetingen van anderen de zijne staafden.Dat het mogelijk is overafmetingenzulk een onderlinge oneenigheid te vinden, is natuurlijk alleen te begrijpen wanneer wij weten dat feitelijk geen enkele afmeting ongeschonden bewaard is gebleven, en dat verder alle opmetingen met de grootste moeite gepaardgaan wegens de belemmerende puinhoopen, zandmassa’s en dergelijke. Echter heeft noch het lezen van de werken van Smyth, noch ook van die welke er tegen geschreven waren, mij kunnen bevredigen, wat aangaat hunne werkelijke gronden van waarheid.Hoewel er onder de werken van de Pyramide geen enkel werk is dat zoozeer de symboliek van het bouwwerk tracht aan te toonen als dat van Piazzi Smyth, en ik in den eersten tijd van de bestudeering van dit onderwerp geheel medegesleept werd door de overtuigende bewijsvoering dat deze verklaring der symbolische woorden de ware was, kan men op de exoterische bewijsgronden die hij aanvoert niet tot de conclusiën komen, die hij trekt. Doch ik twijfel niet of vele zijner conclusiën bevatten waarheid; men kan echter tot deze alleen komen door esoterische redeneering, niet door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering, en hoewel aan Piazzi Smyth’s theorieën groote afbreuk gedaan is door latere, zeer nauwkeurige opmetingen o.a. van Flinders Petrie, heeft deze laatste in een later werk veel van Smyth’s theorie aanvaard o.a. de π-hoek-theorie.Een der stellingen echter van Taylor, door P. Smyth herhaald, is op esoterische gronden evenzeer verdedigbaar als hij ze tracht aan te toonen door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering; ik bedoel de stelling dat de Groote Pyramide in haar bouw de waarde π symbolisch zou voorstellen. En deze stelling is met betrekking tot de symboliek van de Groote Pyramide van zulk een typische waarde dat ik mij even bepalen zal bij dit punt, teneinde het uitvoeriger te kunnen behandelen dan het geval zou kunnen zijn indien ik in de bijzonderheden der symboliek van het bouwwerk, zooals Smyth die uitwerkt, verviel. Ook kan alleen deze stelling waarde hebben voor ons doel, en dan nog als wij haar gaan beschouwen van een esoterisch standpunt. Want hoe bekrompen vat Smyth ook deze stelling op!Hij dan ziet in deze symboliseering van de π waarde niets dan een praktische oplossing van de beruchte quadratuur van den cirkel, die nachtmerrie van alle degelijk denkende wiskundigen, en beroept zich in zijne argumentatie meestal op de stellingen van John Parker, een Amerikaan, die beweerde een oplossing daarvan gevonden te hebben. Hetgeen Piazzi Smyth zegt is het volgende:De vertikale hoogte van de Groote Pyramide is de straal van een theoretischen cirkel, van welks omtrek de lengte gelijk is aan de som van de lengten der vier rechte zijden van de feitelijke basis van het geheele bouwwerk, en dit nu is niets meer of minder dan een praktische oplossing van het beroemde vraagstuk der middeleeuwen en der daaraan volgende tijden nl. de quadratuur van den cirkel. Want de bouwer(s) der Pyramide bepaalden dat de hoogte zich zoodanig moest verhouden tot de breedte der basis, dat deze verhouding de nauwkeurigste praktische waarde van het meergemelde getal π zou doen uitkomen. Genoemd getal π is zelfs bij benadering niet te vinden in de dertig andere voornaamste pyramiden in Egypte.Indien daarom kan bevonden worden dat deze π met de daardoor teweeggebrachte grootte van hoek werkelijk in de Groote Pyramide is ingebouwd, en daardoor het geheel van het reusachtig beslagen oppervlak kenmerkt, dan onderscheidt het bouwwerk zich niet alleen van alle andere dergelijke bouwwerken, maar toont tevens aan de groote wiskundige kennis van de Bouwer(s). Want het getal π werd eerst veel later, duizenden jaren later, ontdekt door de wiskundigen der latere tijden en tevens is dat getal een der onmisbaarste getallen in de wiskunde.Dit getal π is berekend tot in 707 decimalen, en er worden allerlei benaderingswaarden voor aangegeven, variëerend van 3.23 tot 3.125. Echter kunnen wij voor praktisch gebruik volstaan met de breuk 22/7, met de waarde 3.14159 enz.John Taylor toonde het bestaan van het ware getal π in de Groote Pyramide aan, en deed dit voornamelijk door het wijzen op en het gebruiken van de verhouding van de hoogte en basis-breedte, welke echter slechts met moeite te verkrijgen zijn wegens den geschonden staat van het bouwwerk. Het zou duizenden werklieden vereischen, om de massa vuil en puin op te ruimen, die de juiste opmetingen belemmeren, en dus zien wij wel in, dat een of meer geleerden of een paar daar weinig toe kunnen doen.Het is dus beter, willen wij veel moeite en onnauwkeurigheid voorkomen, om dit vraagstuk, dat louter den vorm betreft, meer dan de absolute grootte, op te lossen door het meten van den rijzingshoek, welke dus geheel en al onafhankelijk is van lengte-metingen. De hoek van een π-vormige, vierhoekige pyramide moet, om de zijden aan het toppunt ineen te doen loopen, zijn 51° 51´ 14″.3.Dit nu bleek de juiste waarde te zijn van den gemetselden hoek, tenminste wat praktische waarde aangaat, aangezien een gemetselde hoek niet den graad van juistheid zou kunnen geven van een geteekenden of theoretischen hoek.Kolonel Howard Vyse had in 1837 aan de noordzijde twee vande buitenste laagsteenen (deksteenen) opgegraven, na honderden werklieden het puin te hebben laten opruimen. Hij vroeg toen verlof, ze naar het British Museum te mogen laten vervoeren, en bedekte ze tijdelijk met puin, doch in de daaraanvolgende nachten vernietigden Arabieren deze eenige overblijfselen van de deksteenen met hunne hamers, of wel hij kon ze niet terugvinden. In elk geval heeft hij ze niet meer gezien.Maar hoewel de latere onderzoekers tot op 1884 dus dezen hoek niet meer konden zien in de steenlagen, zoo bedacht Piazzi Smyth toch, dat onder de verspreid liggende vergruisde deksteenen nog stukken moesten zijn, waarin de π-hoek bewaard gebleven was, en werkelijk bleek dit het geval te zijn; aan een van de helpers van den professor uit dien tijd werd door dezen het geval van den merkwaardigen hoek uitgelegd en deze man (Gabri genaamd), die later als gids dienst deed bij de Pyramide, deed zeer goede zaken met het verkoopen van “steenen met den hoek” die hij uit het puin bijeenzamelde en aan de bezoekers verkocht.Toen de keizerin van Frankrijk in 1869 de Pyramide bezocht, werd een weg voor haar aangelegd naar het bouwwerk toe en de grondstoffen voor dezen weg werden uit de Pyramide gebroken. Onder deze uitgebroken blokken bevond zich ook een geschonden deksteen en Waynman Dixon schonk dezen aan prof. Piazzi Smyth, die hem onder een glazen stolp in het officieel verblijf van den Koninklijken Sterrekundige voor Schotland bewaarde. Dit is de eenige bekende overgebleven deksteen. Hij is natuurlijk geschonden, maar de hoek is bevonden te zijn tusschen 51° 53′ 15″ en 51° 49′ 55″, en komt dus zeer nabij den typischen π-hoek van 51° 51′ 14″.Geen enkele der deksteenen van de andere pyramiden komt dezen hoek nabij.Maar nu komt het merkwaardigste. Prof. Flinders Petrie, die de beste der tot dusver bekende opmetingen deed en een groot tegenstander was van Ralston Skinner’s en Piazzi Smyth’s theorieën, vond op de historisch bekende plaats de deksteenen waarvan gesproken was door Kol. Vyse, en die, naar deze dacht, verwoest waren door de Arabieren. Fl. Petrie nam toen den hoek van rijzing op en bevond dat deze 51° 52′ ± 2″ was en kon dus niet meer twijfelen aan de beroemde π hoekopstelling.Toen wierpen hij en Proctor de theorie op, dat dit alles te danken is aanlouter toeval.Maar hiertegen kan onmiddellijk het volgende worden aangevoerd:Waren de pyramidebouwers wezens, die zich lieten leiden doortoeval, wanneer wij de nauwkeurige en fijne afwerking van het geheel beschouwen? Zie wat Fl. Petrie zelf zegt aangaande deze fijnheid en nauwgezetheid van bouw en hoe hij zichzelf tegenspreekt, door alles van dien aard te wijten aan louter toeval.“Verscheidene opmetingen heb ik gedaan van de voegen der steenen. Deze varieeren van 0.012 tot 0.045 inch in dikte; op sommige plaatsen is de dikte slechts 0.011 inch. Degemiddelde dikteis dus0.020 inch. De rand van den steen wijkt van een rechte lijn slechts 0.01 inch af op een lengte van 75 inches. Deze nauwkeurigheid staat gelijk met de gemiddelde nauwkeurigheid van de rechte snijkanten van een glasslijper van dezen tijd. De voegen strekken zich uit over een oppervlakte van 35 vierkante voet, en waren over deze geheele oppervlakte met cement bedekt. De gemiddelde opening der voeg was 1/50 inch en soms zelfs zoo klein als 1/500 inch. En wanneer wij in aanmerking nemen dat de steenen 16 ton wegen, kunnen wij begrijpen, met welk een nauwkeurigheid gewerkt moest worden, om tot zulke resultaten te komen, dat de buitenste laag een glad geheel was.”3En toch zou dit alles louter toeval zijn! Bedenken wij dan nog dat deze steenen uit prachtig graniet bestonden en alle verdere bouwwerken uit dien tijd en ook de latere pyramiden slechts uit in de zon gebakken kleisteenen, dan zien wij wel in dat deze wijze van bouwen meer dan louter toeval was.Wij hebben gezien wat Piazzi Smyth zegt over de π waarde in de Pyramide en tevens welke groote waarde hij daaraan hecht voor zijne verdere redeneering. Ik meen ook te mogen aannemen, dat hij, wat deze stelling betreft, op vrij vaste gronden staat. Maar het gebruik dat hij er van maakt om hierdoor aan te toonen, dat de Pyramide zou moeten dienen als een standaard van maten voor het nageslacht is mij te bekrompen, en dit verwerp ik.Wat mij in de literatuur over dit punt verbaasde, was dat Ralston Skinner in zijnSource of Measures, waar hij toch groote blijken gaf van intuïtief esoterisch weten, een gedeelte van dit werk aan hetzelfde denkbeeld wijdt. En toch was het voor mij zeker, dat de symboliseering van de π waarde in de pyramide een diepere beteekenis moest hebben. Deze diepere beteekenis nu geeft H. P. Blavatsky ons in deGeheime Leer, wanneer wij vasthouden aande daartoe noodige erkenning van hetgeen zij ons reeds mededeelde omtrent de bouwers en omtrent het doel van het bouwwerk.Natuurlijkerwijs heeft H. P. Blavatsky kennis genomen van hetgeen Piazzi Smyth en Ralston Skinner beweerden en betoogden met betrekking tot dit punt en wij vinden, zooals ik reeds bemerkte, in deGeheime Leerdeze zaak vrij uitvoerig behandeld.Wij lezen dan:“Niettemin is bewezen dat het stelsel van eerstgenoemden (de Joden) in deze bijzondere afdeeling der symboliek—namelijk de sleutel tot de geheimenissen der sterrekunde in haar verband met die der voortbrenging en ontvangenis—identiek is met die denkbeelden der oude godsdiensten, welke het phallische element in de theologie hebben ontwikkeld. Het Joodsche stelsel van heilige maten, toegepast op godsdienstige symbolen, is voor zoover het meetkundige en numerieke combinaties betreft, hetzelfde als dat van Griekenland, van Chaldea en van Egypte, want de Joden namen het aan gedurende de eeuwen hunner slavernij en gevangenschap onder beide laatstgenoemde volkeren. Waaruit bestond dit stelsel? De schrijver vanThe Source of Measuresis er innig van overtuigd dat: ‘de boeken van Mozes ten doel hadden door eene soort van kunstmatige taal een meetkundig en numeriek stelsel van exacte wetenschap te verkondigen, dat als oorsprong van maten zoude moeten dienen.’ Piazzi Smyth is van dezelfde meening. Eenige geleerden vinden dat bedoeld stelsel en die maten identiek zijn met die, welke bij den bouw der Groote Pyramide gebruikt zijn, maar dit is slechts voor een deel het geval. ‘De grondslag dezer maten was de verhouding van Parker’, zegt Ralston Skinner inThe Source of Measures.De schrijver van dit zeer buitengewone werk heeft, zooals hij zegt, dien grondslag ontdekt in het gebruik van de verhouding van de middellijn van den cirkel tot den omtrek, in geheele getallen uitgedrukt, ontdekt door John A. Parker. Deze verhouding is 6561 voor de middellijn en 20612 voor den omtrek. Verder heeft hij gevonden dat deze meetkundige verhouding de zeer oude en waarschijnlijk goddelijke oorsprong was van wat nu door exoterische behandeling en praktische toepassing, de Britsche lengtematen geworden zijn, ‘welker grondeenheid, nl. deduim, evenzeer de grondslag geweest is van een der koninklijke Egyptischeellematenals van den Romeinschenvoet.”4Hoewel H. P. Blavatsky het niet eens is met de theorieën van Parker en Piazzi Smyth, en zelfs vrij uitvoerig de beweringen van Parker met betrekking tot de quadratuur van den cirkel bestrijdt, en bemerkt dat de opmetingen van Smyth ook niet ten volle vertrouwen verdienen, zegt zij dat Ralston Skinner onmiskenbaareenof zelfstweeder sleutels tot dit stelsel ontdekt heeft, maar meerondanks de theorieën der beide genoemde schrijvers en dank zij zijn eigen genie.“Evenmin wordt Ralston Skinner’s esoterische opvatting van denBijbelalleen daardoor onjuist, dat de afmetingen van de Pyramide wellicht niet overeenstemmen met die van den tempel van Salomo, van de arke Noachs, enz., of doordien de wiskundigen Parker’s kwadratuur van den cirkel verwerpen. Immers Skinner’s meening berust oorspronkelijk op de Kabbalistische methoden en op de rabbijnsche getalswaarde der Hebreewsche letters. Daarentegen is het van het uiterste belang na te gaan of de maten, gebruikt bij de ontwikkeling van den symbolischen godsdienst der Ariërs, bij den bouw hunner tempels, bij de in dePurâna’svermelde getallen, en in het bijzonder bij hunne tijdrekening, hunne sterrekundige symbolen, den duur hunner cyclussen en bij andere berekeningen, al dan niet dezelfde waren.”5Wij zouden dus, na hetgeenH. P. B.ons zegt omtrent Skinner, met reden kunnen nagaan welke sleutels hij gevonden heeft om tot een oplossing te komen van de π symbologie in de Pyramide. Ik zal dit echter hier ter plaatse moeten nalaten wegens mijne eigene tekortkomingen op het gebied der Kabbalistiek en tevens omdat dit wederom tot te uitvoerige beschouwingen zou leiden die hier niet ter plaatse zijn. Doch zeker raad ik ieder, die de waarde van getallen en letters op de juiste waarde schat, ten zeerste aan Skinner’s werk te bestudeeren.In ieder geval zien wij dat de π symbologie niettoevalligis, zooals reeds beweerd werd door enkele geleerden; daar zijn te veel feiten tegen. H. P. Blavatsky geeft dan ook eene verklaring er van, en al schijnt die bij den eersten aanblik niet de volledige oplossing dezer symbologie te bieden, zoo doet zij dit toch wel degelijk. Zij schrijft:“Zij hebben die kennis stellig bezeten; en het is op deze kennis6dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeide de bouw van de Pyramide voort, de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symbool van deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der Sterren zulks aan het Uitspansel zijn.De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan de sterrekundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclusvan Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen cyclus afgeleide,abstracte formules, verzinnebeeld doorden vorm en de afmetingenvan den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de Woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo—een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, het symbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatsbedoelde ontleend zijn”.7Tot een nader begrip van hetgeen hier gezegd werd en ter verklaring van het hier gegevene in verband met de π symbologie vestig ik in de eerste plaats de aandacht op het laatste gedeelte van het boven aangehaalde. De woorden zonnemythe en het feit, dat het verhaal van het bouwen van Salomo’s Tempel eene allegorie is, zou ik zóó willen verklaren, dat hier door tempel bedoeld wordt het lichaam van den Zonnelogos in zijn uitgebreidsten zin, dus in en met zijn aura, den Zodiak, diagrammatisch voorgesteld in zijn openbaring als de cirkel met de middellijnCirkel met horizontale balk..Deze openbaring in haar getalwaarde op dit stoffelijk gebied voor te stellen kan niet anders geschieden dan door een formule en deze formule of verhouding zou dan mijns inziens π zijn. Want indien wij een bouwwerk hebben waarin wij deze waarde belichamen bij de samenstelling, hebben wij den zich openbarenden Logos symbolisch weergegeven. En evenzeer als wij weten, dat π eene oneindig voortloopende breuk is, die zich nimmer volkomen doch alleen bij benadering uit kan drukken, zoo weten wij ook dat de Logos zich nimmer geheel kan uitdrukken in de stof, aangezien er steeds in die openbaring eene verhouding van stof tot geest moet blijven bestaan, hoe klein of hoe groot die verhouding ook zij. Ook hier gaat de symbologie dus op.8In hoeverre deze π verhouding nu te maken heeft met den cyclus van Inwijding is ook eenigermate na te gaan. De ontwikkelingvan den Logos in zijn stelsel wordt symbolisch voorgesteld door Zijn doorloopen van den Dierenriem, zijnde de groote stroom van ontwikkeling gaande door de 12 teekens van Zijn geheel. Dit is exoterisch. Esoterisch bestaat er eene ontwikkeling die sneller tot hetzelfde resultaat leidt, nl. het terugkeeren naar het uitgangspunt na het doorloopen van 6 teekens. De Evolutie loopt dan langs de middellijn als het ware. De verhouding van de ontwikkelingsphasen van iemand die dezen weg betreedt tot die van hen die de gewone evolutie volgen is die, welke symbolisch zich verhoudt als de middellijn tot den omtrek of als één tot π. Evenals de Logos in zich bevat deze π waarde, zoo bevat ook de mensch op het Pad van Inwijding deze waarde in zich.Skinner geeft als formule deze 113 : 355 = 6561 : 20612, zijnde eene symbolische getallenvoorstelling van de verhouding van den mensch op het kruis (113 : 355) tot de geopenbaarde Godheid Jehovah, Elohim.Verder wensch ik hier echter op dit punt niet in te gaan daar deze waarheden alleengevoelden nimmerverstandelijk uitgedachtkunnen worden en dus nimmer kunnen worden gegeven van intellect tot intellect, maar alleen begrepen door verdere uitwerking in onszelf.Voldoende zal men echter inzien, dat de zoogenaamde ”π symbologie” en “de oorsprong der maten” een diepere beteekenis hebben dan Piazzi Smyth er aan wenscht toe te kennen. Hoe belachelijk ver hij ging met zijne theorie, blijkt ons wanneer wij lezen, dat “de porfiersarcofaag in de Koningskamer”de eenheid van maatwas voor de twee meest verlichte volkeren op aarde, Engeland en Amerika, en niets meer dan een “korenmaat”.H. P. Blavatsky merkt met betrekking tot deze uiting van Smyth op:“InIsis Unveiled, dat juist in dien tijd verscheen, hebben wij dat krachtig ontkend. Toen liep de New-Yorksche pers (in het bijzonder de nieuwsbladenThe SunenThe World) te wapen tegen onzeaanmatigingom zulk een ster van geleerdheid te willen verbeteren of fouten bij hem te ontdekken. In dat werk hadden wij gezegd dat Herodotus bij het bespreken van de Pyramide:.... er wel had kunnen bijvoegen dat zij uiterlijkhet scheppende beginsel der natuurverzinnebeeldde, en ook eene afbeelding was van debeginselen der meetkunde, wiskunde, astrologie en sterrekunde. Van binnen was zij een majestueus heiligdom, in welks duistere schuilplaatsen de mysteriën volbracht werden, en welks muren dikwijls getuigen geweest waren van tooneelen van inwijding van leden der koninklijke familie. De porfieren sarcophaag, welke Professor Piazzi Smyth,Astronomer Royal of Scotland, tot een graanbak verlaagt, was dedoopvont; na daaruit te zijn gestegen was de neofiet ‘wedergeboren en werd hij een adept9.’Om onze mededeeling werd in die dagen gelachen. Men beschuldigde ons onze denkbeelden ontleend te hebben aan de ‘zotte denkbeelden’ van Shaw, een Engelsch schrijver, die volgehouden had dat de sarcophaag gebruikt was bij het vieren der mysteriën van Osiris, hoewel wij nooit van dien schrijver gehoord hadden. En thans, zes of zeven jaren later (1882), schrijft Staniland Wake het volgende:‘De zoogenaamde koningskamer.... was waarschijnlijkde plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën’10.Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een ‘enge poort’ had; dezelfde ‘enge poort’ die ‘tot het leven leidt’, of tot de nieuwe geestelijke wedergeboorte, waarop Jezus in Mattheus VII : 13 zinspeelt, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was, dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn”.11Wij zijn eenigermate afgedwaald van ons eigenlijk punt, nl. de symbologie der Pyramide, doch deze hangt zoo nauw met dit alles samen dat ik niet in staat ben ze te scheiden, en ik zal thans van dit gedeelte van het onderwerp afstappen om enkele andere theorieën te behandelen.1Our Inheritance in the Great Pyramid.Chap. I, blz. 5, 6.2t.a.p. blz. 7.3The Pyramids and Temples of Gizeh, door Prof. Flinders Petrie.4Geheime Leer, Deel I, blz. 397, 398.5Geheime Leer, Deel I, blz. 402.6astronomische kennis.7Geheime Leer, Deel I, blz. 399, 400.8Geheime Leer, Deel I,blz. 558, noot.9Isis Unveiled, Deel I, blz. 519.10Staniland WakeThe Origin and Significance of the Great Pyramid, blz. 93.11Geheime Leer, blz. 403, 404.

Wij zullen er thans toe overgaan enkele van de meer belangrijke en tevens meer bekende theorieën met betrekking tot de bestemming der Groote Pyramide te beschouwen, en zullen dan bij het kiezen van die theorieën zoodanige nemen, welke rechtstreeks tot onze eigene leiden zullen.

In de eerste plaats dan komt de theorie van Piazzi Smyth, die zijne denkbeelden en opvattingen uiteengezet heeft in zijne bekende werkenThree years labour at the Great Pyramid, Our Inheritancein the Great PyramidenNew Measures of the Great Pyramid. Zeker heeft niemand meer dan Piazzi Smyth er toe bijgedragen om de Groote Pyramide populair te maken en stellig is er nooit zooveel over dit onderwerp geschreven en gesproken als sinds hij zijne beschouwingen uiteenzette. Deze laatste waren eigenlijk geen oorspronkelijke, want reeds in 1859 had John Taylor in zijn werkThe Great Pyramid, Why was it built? Who built it?dezelfde meeningen en opvattingen te berde gebracht en verdedigd. John Taylor had de Pyramiden nooit bezocht en had tot vorming en staving zijner theorie de gegevens ontleend aan de geschriften van vroegere bezoekers als John Greaves, De Monconys, Thévenat, Davison, Howard Vyse, Caviglia enz. Zijn 30-jarige studie vond geene belooning in groote populariteit van het resultaat dat wij opgeteekend vinden in vermeld werk, en eerst in latere jaren trok het meer de aandacht. Piazzi Smyth, die het gelezen had en er zoodanig door getroffen werd dat hij overtuigd was van de waarheid der daarin vervatte meeningen, oordeelde het van groot nut zich persoonlijk ter plaatse er van te overtuigen en John Taylor’s meeningen te verdedigen en te bevestigen, en gaf hierdoor eene algemeene bekendheid aan het werk, doch dit was eerst in 1864. In de jaren 1864–1880 verschenen 5 uitgaven van Piazzi Smyth’s werkOur Inheritance in the Great Pyramid, zeker wel een bewijs voor de populariteit van het onderwerp. In latere jaren zijn de theorieën van Taylor en Piazzi Smyth uitvoerig uitgewerkt door Professor Ch. Lagrange, wis- en sterrekundige, directeur van de sterrenwacht te Brussel. Zie o.a.Mathématique de l’Histoire, par Ch. Lagrange.

Wat dan is eigenlijk de meening van deze schrijvers over de bestemming der Groote Pyramide? Dit zullen wij thans trachten weer te geven zonder ons te veel in de bijzonderheden hunner theorieën te verdiepen, daar alleen een breede opvatting van hunne hoofddenkbeelden waarde voor ons kan hebben.

Het zal verder geheel voldoende zijn na te gaan wat Piazzi Smyth schrijft, daar hij in zijn werken alles vermeldt wat John Taylor in zijn werk opteekende en dit bovendien zeer uitvoerig uitwerkt en geheel op wetenschappelijke leest schoeit, zoodat de lezer van zijn werken volkomen op de hoogte kan zijn van hetgeen Taylor wilde aantoonen. Taylor had over zijne theorie eene briefwisseling met Piazzi Smyth en om aan te toonen wat hun gemeenschappelijke theorie was, kan ik niet beter doen dan het volgende aan te halen uit Smyth’s werk:

“Dit nieuwe denkbeeld, hetwelk met een tot nu toe onbekende zekerheid het grootste bestaande mysterie voor de beschaafde wereld door alle tijden heen oplost, heeft genoemde wereld te danken aan John Taylor in een boek, dat uitgegeven is in 1859 en getiteld “The Great Pyramid; why was it built? and who built it?” Hij had de Pyramide zelf niet bezocht, maar had dertig jaren daaraan voorafgaande al de uitgegeven verslagen verzameld en vergeleken en voornamelijk al de best vastgestelde metingen (want er waren enkele inderdaad zeer slecht) die gedaan waren; en terwijl hij aldus bezig was, opende de nieuwe theorie zich op het onverwachtst (zooals hij mij in een brief schreef) voor hem.Hoewel hoofdzakelijk een strenge afleiding van tastbare feiten van wetenschappelijken aard, werd Taylor’s gevolgtrekking ongetwijfeld gesteund door het verstandelijk en geestelijk gezichtspunt, van waaruit hij zijne onderzoekingen begon, en hetwelk in hoofdzaak eenvoudig dit is:Dat, terwijl andere schrijvers algemeen gedacht hebben dat een zeker grootsch doch onbekend wezen, waarvan zij allen in hun geschiedkundig onderzoek het bestaan erkennen, het bouwen van de Groote Pyramide leidde (en wien de Egyptenaren in hunne vroegste overleveringen en eeuwen later een onzedelijke en zelfs afschuwelijke geaardheid toedichten), daarom inderdaad zeer slecht moet geweest zijn,—zoodat de wereld van dien tijd af tot op heden er steeds belust op is geweest dien dooden leeuw waarvan zij werkelijk niets afweten, te beleedigen en te vertrappen—hij, John Taylor, daar hij in iedere kenmerkende vermelding die van hen in denBijbelgedaan werd, zag hoe godsdienstig slecht de afgoden-uitvindende Egyptenaren zelf waren, er toe geleid werd te besluiten dat de onbekende leider en Bouwmeester dien zij haatten, misschien buitengemeengoedwas geweest; of in ieder geval van eenzuiverder godsdienstig geloof wasdan dat van de Misraïtische zonen van Ham.1

“Dit nieuwe denkbeeld, hetwelk met een tot nu toe onbekende zekerheid het grootste bestaande mysterie voor de beschaafde wereld door alle tijden heen oplost, heeft genoemde wereld te danken aan John Taylor in een boek, dat uitgegeven is in 1859 en getiteld “The Great Pyramid; why was it built? and who built it?” Hij had de Pyramide zelf niet bezocht, maar had dertig jaren daaraan voorafgaande al de uitgegeven verslagen verzameld en vergeleken en voornamelijk al de best vastgestelde metingen (want er waren enkele inderdaad zeer slecht) die gedaan waren; en terwijl hij aldus bezig was, opende de nieuwe theorie zich op het onverwachtst (zooals hij mij in een brief schreef) voor hem.

Hoewel hoofdzakelijk een strenge afleiding van tastbare feiten van wetenschappelijken aard, werd Taylor’s gevolgtrekking ongetwijfeld gesteund door het verstandelijk en geestelijk gezichtspunt, van waaruit hij zijne onderzoekingen begon, en hetwelk in hoofdzaak eenvoudig dit is:

Dat, terwijl andere schrijvers algemeen gedacht hebben dat een zeker grootsch doch onbekend wezen, waarvan zij allen in hun geschiedkundig onderzoek het bestaan erkennen, het bouwen van de Groote Pyramide leidde (en wien de Egyptenaren in hunne vroegste overleveringen en eeuwen later een onzedelijke en zelfs afschuwelijke geaardheid toedichten), daarom inderdaad zeer slecht moet geweest zijn,—zoodat de wereld van dien tijd af tot op heden er steeds belust op is geweest dien dooden leeuw waarvan zij werkelijk niets afweten, te beleedigen en te vertrappen—hij, John Taylor, daar hij in iedere kenmerkende vermelding die van hen in denBijbelgedaan werd, zag hoe godsdienstig slecht de afgoden-uitvindende Egyptenaren zelf waren, er toe geleid werd te besluiten dat de onbekende leider en Bouwmeester dien zij haatten, misschien buitengemeengoedwas geweest; of in ieder geval van eenzuiverder godsdienstig geloof wasdan dat van de Misraïtische zonen van Ham.1

Hierop verder ingaande komen beide schrijvers tot de gevolgtrekking dat de leiders van de bouwlieden vreemdelingen waren uit eenuitverkorenvolk, menschen die door goddelijke genade in staat waren gesteld het denkbeeld weer te geven, dat de Groote Pyramide bestemd was uit te drukken, want dit is juist de kern van hunne theorie n.l. dat de Pyramide bestemd was zekere goddelijke denkbeelden uit te drukken in haar bouw en afmetingen welk kerndenkbeeld saamgevat wordt in hunne zienswijze: de Groote Pyramide te beschouwen alseen grondslag der maten.

Met betrekking tot dit punt schreef Piazzi Smyth:

“Op dit algemeene standpunt plaatste Taylor zich; en na met de langgevormde publieke meening van te lijdelijke gehoorzaamheid aan de profane Egyptische overlevering gebroken te hebben en daarbij tevensenkele van de door den tijd geëerde vooroordeelen van hedendaagsche Egyptische geleerden niet in aanmerking nemende, zoodat hij een volledig en onpartijdig onderzoek van den beginne af aan gaf, kondigde hij aan dat hij in enkele der rangschikkingen en afmetingen van de Groote Pyramide—wanneer zij naar behooren verbeterd waren wegens verminderingen en afbrekingen door den verloopen tijd—zekere wetenschappelijke gevolgtrekkingen vond, welke van Egyptische noch Babylonische, en minder nog van Grieksche of Romeinsche kennis spraken, maar van iets dat hooger was dan deze, zoowel als geheel verschillend van de menschelijke methoden van de wetenschappelijke stelsels zijner tijdgenooten”.2

“Op dit algemeene standpunt plaatste Taylor zich; en na met de langgevormde publieke meening van te lijdelijke gehoorzaamheid aan de profane Egyptische overlevering gebroken te hebben en daarbij tevensenkele van de door den tijd geëerde vooroordeelen van hedendaagsche Egyptische geleerden niet in aanmerking nemende, zoodat hij een volledig en onpartijdig onderzoek van den beginne af aan gaf, kondigde hij aan dat hij in enkele der rangschikkingen en afmetingen van de Groote Pyramide—wanneer zij naar behooren verbeterd waren wegens verminderingen en afbrekingen door den verloopen tijd—zekere wetenschappelijke gevolgtrekkingen vond, welke van Egyptische noch Babylonische, en minder nog van Grieksche of Romeinsche kennis spraken, maar van iets dat hooger was dan deze, zoowel als geheel verschillend van de menschelijke methoden van de wetenschappelijke stelsels zijner tijdgenooten”.2

Want

”.....de werkelijke feiten van de Groote Pyramide,—in den vorm van gebouwde bewijzen van een nauwkeurige numerieke kennis van het grootschere kosmische verschijnsel van zoowel aarde als hemel—gaan de uiterst beperkte en nagenoeg kinderlijke kennis, die menschelijkerwijs bereikt werd door de beschaafde rassen van 4000, 3000, 2000 of zelfs 300 jaren geleden niet alleen te boven, en ver te boven, maar zij gaan in zooverre zij van toepassing zijn op de groote physische natuurgeheimen, de beste kennis der wijsgeeren van onzen eigen tijd even zoo goed te boven”.

”.....de werkelijke feiten van de Groote Pyramide,—in den vorm van gebouwde bewijzen van een nauwkeurige numerieke kennis van het grootschere kosmische verschijnsel van zoowel aarde als hemel—gaan de uiterst beperkte en nagenoeg kinderlijke kennis, die menschelijkerwijs bereikt werd door de beschaafde rassen van 4000, 3000, 2000 of zelfs 300 jaren geleden niet alleen te boven, en ver te boven, maar zij gaan in zooverre zij van toepassing zijn op de groote physische natuurgeheimen, de beste kennis der wijsgeeren van onzen eigen tijd even zoo goed te boven”.

Dit alles kunnen wij zeer zeker geheel eens zijn met Piazzi Smyth, en al rust onze beschouwing op andere gronden, zoo is het resultaat er van hetzelfde. Waar hij als bouwers aanneemt door God bezielde hoogstaande wezens van een ras dat in niets overeenstemming had met de toenmalige Egyptenaren, nemen wij aan, overeenkomstig hetgeen wij reeds vermeldden in den aanvang dezer verhandeling, dat Adepten uit Atlantis onder leiding van eene manifestatie van den Logos de bouwlieden leidden. En dan zien wij alleen verschil in terminologie en opvatting van begrippen, geen verschil in kern.

En waar beide theorieën in dezen (namelijk de goddelijkheid van de bouwers) overeenstemmen, kan het ons ook niet verwonderen dat beide de graftheorie verre verwerpen en in de eerste plaats niet alleen bevinden en erkennen dat groote natuurgeheimen en groote waarheden symbolisch belichaamd zijn in dit bouwwerk, maar tevens dat een dergelijk bouwwerk om een dieper reden tot stand kwam dan louter om als graf van een Pharaoh te dienen. Ookis er geen verschil met betrekking tot het punt dat de Groote Pyramide zich in dezen onderscheidt van de latere Egyptische Pyramiden.

Maar wel is er een groot verschil tusschen de theorie van P. Smyth en de Theosofische, waar het er op aankomt het doel en de bestemming er van te bepalen. Want waar de Theosofische theorie, zooals ik reeds aanduidde, de Groote Pyramide als een tempel voor hooge inwijdingen beschouwt, maakt P. Smyth haar tot een grondslag der maten en een sleutel tot de geschiedenis der menschheid—verleden, heden en toekomstig—in verband met het Oude en Nieuwe Testament. Bijdoeleinden worden ook hier dus weer tot hoofddoeleinden verheven. In de laatste kwaliteit noemt hij de Groote Pyramide een datum-lijst van de menschelijke (Christelijke) geschiedenis, van welke datum-lijst Flinders Petrie opmerkt, dat geen enkele datum deugt.

Doch hoe dit laatste ook zij, het kan ons van geen belang zijn, daar het eene dogmatische en onkritische uitwerking is van de gegevens die hij in het overige deel van zijn werken geeft. Wij kunnen echter in ieder geval niet dan dankbaar zijn voor de massa’s materiaal die ons daar geboden worden om iets van de symboliek van het gebouw te begrijpen, en om die reden raad ik elk ernstig bestudeerder van dit onderwerp aan het werk te bestudeeren, daar niets er meer toe kan bijdragen de Groote Pyramide te leeren beschouwen als een grootsch bouwwerk.

Het gaat natuurlijk niet aan, hier ter plaatse Piazzi Smyth’s beschouwingen in haar geheel te overwegen, doch ik wil mij er toe bepalen enkele der meest belangwekkende feiten aan te halen die hij met betrekking tot de symboliek aan het licht heeft gebracht. Echter verzoek ik mijn lezers te bedenken dat al deze feiten ten zeerste bestreden werden door Egyptologen en wel voornamelijk op grond hiervan: dat nl. Piazzi Smyth eerst zijn theorie opvatte, overnam van Taylor, en later opmetingen en beschouwingen hieraan aanpaste. Op deze beschuldiging antwoordde hij weder, in een kleiner, later verschenen werkje, waarin hij betoogde dat zeer nauwgezette en wetenschappelijke opmetingen van anderen de zijne staafden.

Dat het mogelijk is overafmetingenzulk een onderlinge oneenigheid te vinden, is natuurlijk alleen te begrijpen wanneer wij weten dat feitelijk geen enkele afmeting ongeschonden bewaard is gebleven, en dat verder alle opmetingen met de grootste moeite gepaardgaan wegens de belemmerende puinhoopen, zandmassa’s en dergelijke. Echter heeft noch het lezen van de werken van Smyth, noch ook van die welke er tegen geschreven waren, mij kunnen bevredigen, wat aangaat hunne werkelijke gronden van waarheid.

Hoewel er onder de werken van de Pyramide geen enkel werk is dat zoozeer de symboliek van het bouwwerk tracht aan te toonen als dat van Piazzi Smyth, en ik in den eersten tijd van de bestudeering van dit onderwerp geheel medegesleept werd door de overtuigende bewijsvoering dat deze verklaring der symbolische woorden de ware was, kan men op de exoterische bewijsgronden die hij aanvoert niet tot de conclusiën komen, die hij trekt. Doch ik twijfel niet of vele zijner conclusiën bevatten waarheid; men kan echter tot deze alleen komen door esoterische redeneering, niet door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering, en hoewel aan Piazzi Smyth’s theorieën groote afbreuk gedaan is door latere, zeer nauwkeurige opmetingen o.a. van Flinders Petrie, heeft deze laatste in een later werk veel van Smyth’s theorie aanvaard o.a. de π-hoek-theorie.

Een der stellingen echter van Taylor, door P. Smyth herhaald, is op esoterische gronden evenzeer verdedigbaar als hij ze tracht aan te toonen door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering; ik bedoel de stelling dat de Groote Pyramide in haar bouw de waarde π symbolisch zou voorstellen. En deze stelling is met betrekking tot de symboliek van de Groote Pyramide van zulk een typische waarde dat ik mij even bepalen zal bij dit punt, teneinde het uitvoeriger te kunnen behandelen dan het geval zou kunnen zijn indien ik in de bijzonderheden der symboliek van het bouwwerk, zooals Smyth die uitwerkt, verviel. Ook kan alleen deze stelling waarde hebben voor ons doel, en dan nog als wij haar gaan beschouwen van een esoterisch standpunt. Want hoe bekrompen vat Smyth ook deze stelling op!

Hij dan ziet in deze symboliseering van de π waarde niets dan een praktische oplossing van de beruchte quadratuur van den cirkel, die nachtmerrie van alle degelijk denkende wiskundigen, en beroept zich in zijne argumentatie meestal op de stellingen van John Parker, een Amerikaan, die beweerde een oplossing daarvan gevonden te hebben. Hetgeen Piazzi Smyth zegt is het volgende:

De vertikale hoogte van de Groote Pyramide is de straal van een theoretischen cirkel, van welks omtrek de lengte gelijk is aan de som van de lengten der vier rechte zijden van de feitelijke basis van het geheele bouwwerk, en dit nu is niets meer of minder dan een praktische oplossing van het beroemde vraagstuk der middeleeuwen en der daaraan volgende tijden nl. de quadratuur van den cirkel. Want de bouwer(s) der Pyramide bepaalden dat de hoogte zich zoodanig moest verhouden tot de breedte der basis, dat deze verhouding de nauwkeurigste praktische waarde van het meergemelde getal π zou doen uitkomen. Genoemd getal π is zelfs bij benadering niet te vinden in de dertig andere voornaamste pyramiden in Egypte.Indien daarom kan bevonden worden dat deze π met de daardoor teweeggebrachte grootte van hoek werkelijk in de Groote Pyramide is ingebouwd, en daardoor het geheel van het reusachtig beslagen oppervlak kenmerkt, dan onderscheidt het bouwwerk zich niet alleen van alle andere dergelijke bouwwerken, maar toont tevens aan de groote wiskundige kennis van de Bouwer(s). Want het getal π werd eerst veel later, duizenden jaren later, ontdekt door de wiskundigen der latere tijden en tevens is dat getal een der onmisbaarste getallen in de wiskunde.

De vertikale hoogte van de Groote Pyramide is de straal van een theoretischen cirkel, van welks omtrek de lengte gelijk is aan de som van de lengten der vier rechte zijden van de feitelijke basis van het geheele bouwwerk, en dit nu is niets meer of minder dan een praktische oplossing van het beroemde vraagstuk der middeleeuwen en der daaraan volgende tijden nl. de quadratuur van den cirkel. Want de bouwer(s) der Pyramide bepaalden dat de hoogte zich zoodanig moest verhouden tot de breedte der basis, dat deze verhouding de nauwkeurigste praktische waarde van het meergemelde getal π zou doen uitkomen. Genoemd getal π is zelfs bij benadering niet te vinden in de dertig andere voornaamste pyramiden in Egypte.

Indien daarom kan bevonden worden dat deze π met de daardoor teweeggebrachte grootte van hoek werkelijk in de Groote Pyramide is ingebouwd, en daardoor het geheel van het reusachtig beslagen oppervlak kenmerkt, dan onderscheidt het bouwwerk zich niet alleen van alle andere dergelijke bouwwerken, maar toont tevens aan de groote wiskundige kennis van de Bouwer(s). Want het getal π werd eerst veel later, duizenden jaren later, ontdekt door de wiskundigen der latere tijden en tevens is dat getal een der onmisbaarste getallen in de wiskunde.

Dit getal π is berekend tot in 707 decimalen, en er worden allerlei benaderingswaarden voor aangegeven, variëerend van 3.23 tot 3.125. Echter kunnen wij voor praktisch gebruik volstaan met de breuk 22/7, met de waarde 3.14159 enz.

John Taylor toonde het bestaan van het ware getal π in de Groote Pyramide aan, en deed dit voornamelijk door het wijzen op en het gebruiken van de verhouding van de hoogte en basis-breedte, welke echter slechts met moeite te verkrijgen zijn wegens den geschonden staat van het bouwwerk. Het zou duizenden werklieden vereischen, om de massa vuil en puin op te ruimen, die de juiste opmetingen belemmeren, en dus zien wij wel in, dat een of meer geleerden of een paar daar weinig toe kunnen doen.

Het is dus beter, willen wij veel moeite en onnauwkeurigheid voorkomen, om dit vraagstuk, dat louter den vorm betreft, meer dan de absolute grootte, op te lossen door het meten van den rijzingshoek, welke dus geheel en al onafhankelijk is van lengte-metingen. De hoek van een π-vormige, vierhoekige pyramide moet, om de zijden aan het toppunt ineen te doen loopen, zijn 51° 51´ 14″.3.

Dit nu bleek de juiste waarde te zijn van den gemetselden hoek, tenminste wat praktische waarde aangaat, aangezien een gemetselde hoek niet den graad van juistheid zou kunnen geven van een geteekenden of theoretischen hoek.

Kolonel Howard Vyse had in 1837 aan de noordzijde twee vande buitenste laagsteenen (deksteenen) opgegraven, na honderden werklieden het puin te hebben laten opruimen. Hij vroeg toen verlof, ze naar het British Museum te mogen laten vervoeren, en bedekte ze tijdelijk met puin, doch in de daaraanvolgende nachten vernietigden Arabieren deze eenige overblijfselen van de deksteenen met hunne hamers, of wel hij kon ze niet terugvinden. In elk geval heeft hij ze niet meer gezien.

Maar hoewel de latere onderzoekers tot op 1884 dus dezen hoek niet meer konden zien in de steenlagen, zoo bedacht Piazzi Smyth toch, dat onder de verspreid liggende vergruisde deksteenen nog stukken moesten zijn, waarin de π-hoek bewaard gebleven was, en werkelijk bleek dit het geval te zijn; aan een van de helpers van den professor uit dien tijd werd door dezen het geval van den merkwaardigen hoek uitgelegd en deze man (Gabri genaamd), die later als gids dienst deed bij de Pyramide, deed zeer goede zaken met het verkoopen van “steenen met den hoek” die hij uit het puin bijeenzamelde en aan de bezoekers verkocht.

Toen de keizerin van Frankrijk in 1869 de Pyramide bezocht, werd een weg voor haar aangelegd naar het bouwwerk toe en de grondstoffen voor dezen weg werden uit de Pyramide gebroken. Onder deze uitgebroken blokken bevond zich ook een geschonden deksteen en Waynman Dixon schonk dezen aan prof. Piazzi Smyth, die hem onder een glazen stolp in het officieel verblijf van den Koninklijken Sterrekundige voor Schotland bewaarde. Dit is de eenige bekende overgebleven deksteen. Hij is natuurlijk geschonden, maar de hoek is bevonden te zijn tusschen 51° 53′ 15″ en 51° 49′ 55″, en komt dus zeer nabij den typischen π-hoek van 51° 51′ 14″.

Geen enkele der deksteenen van de andere pyramiden komt dezen hoek nabij.

Maar nu komt het merkwaardigste. Prof. Flinders Petrie, die de beste der tot dusver bekende opmetingen deed en een groot tegenstander was van Ralston Skinner’s en Piazzi Smyth’s theorieën, vond op de historisch bekende plaats de deksteenen waarvan gesproken was door Kol. Vyse, en die, naar deze dacht, verwoest waren door de Arabieren. Fl. Petrie nam toen den hoek van rijzing op en bevond dat deze 51° 52′ ± 2″ was en kon dus niet meer twijfelen aan de beroemde π hoekopstelling.

Toen wierpen hij en Proctor de theorie op, dat dit alles te danken is aanlouter toeval.

Maar hiertegen kan onmiddellijk het volgende worden aangevoerd:

Waren de pyramidebouwers wezens, die zich lieten leiden doortoeval, wanneer wij de nauwkeurige en fijne afwerking van het geheel beschouwen? Zie wat Fl. Petrie zelf zegt aangaande deze fijnheid en nauwgezetheid van bouw en hoe hij zichzelf tegenspreekt, door alles van dien aard te wijten aan louter toeval.

“Verscheidene opmetingen heb ik gedaan van de voegen der steenen. Deze varieeren van 0.012 tot 0.045 inch in dikte; op sommige plaatsen is de dikte slechts 0.011 inch. Degemiddelde dikteis dus0.020 inch. De rand van den steen wijkt van een rechte lijn slechts 0.01 inch af op een lengte van 75 inches. Deze nauwkeurigheid staat gelijk met de gemiddelde nauwkeurigheid van de rechte snijkanten van een glasslijper van dezen tijd. De voegen strekken zich uit over een oppervlakte van 35 vierkante voet, en waren over deze geheele oppervlakte met cement bedekt. De gemiddelde opening der voeg was 1/50 inch en soms zelfs zoo klein als 1/500 inch. En wanneer wij in aanmerking nemen dat de steenen 16 ton wegen, kunnen wij begrijpen, met welk een nauwkeurigheid gewerkt moest worden, om tot zulke resultaten te komen, dat de buitenste laag een glad geheel was.”3En toch zou dit alles louter toeval zijn! Bedenken wij dan nog dat deze steenen uit prachtig graniet bestonden en alle verdere bouwwerken uit dien tijd en ook de latere pyramiden slechts uit in de zon gebakken kleisteenen, dan zien wij wel in dat deze wijze van bouwen meer dan louter toeval was.

Wij hebben gezien wat Piazzi Smyth zegt over de π waarde in de Pyramide en tevens welke groote waarde hij daaraan hecht voor zijne verdere redeneering. Ik meen ook te mogen aannemen, dat hij, wat deze stelling betreft, op vrij vaste gronden staat. Maar het gebruik dat hij er van maakt om hierdoor aan te toonen, dat de Pyramide zou moeten dienen als een standaard van maten voor het nageslacht is mij te bekrompen, en dit verwerp ik.

Wat mij in de literatuur over dit punt verbaasde, was dat Ralston Skinner in zijnSource of Measures, waar hij toch groote blijken gaf van intuïtief esoterisch weten, een gedeelte van dit werk aan hetzelfde denkbeeld wijdt. En toch was het voor mij zeker, dat de symboliseering van de π waarde in de pyramide een diepere beteekenis moest hebben. Deze diepere beteekenis nu geeft H. P. Blavatsky ons in deGeheime Leer, wanneer wij vasthouden aande daartoe noodige erkenning van hetgeen zij ons reeds mededeelde omtrent de bouwers en omtrent het doel van het bouwwerk.

Natuurlijkerwijs heeft H. P. Blavatsky kennis genomen van hetgeen Piazzi Smyth en Ralston Skinner beweerden en betoogden met betrekking tot dit punt en wij vinden, zooals ik reeds bemerkte, in deGeheime Leerdeze zaak vrij uitvoerig behandeld.

Wij lezen dan:

“Niettemin is bewezen dat het stelsel van eerstgenoemden (de Joden) in deze bijzondere afdeeling der symboliek—namelijk de sleutel tot de geheimenissen der sterrekunde in haar verband met die der voortbrenging en ontvangenis—identiek is met die denkbeelden der oude godsdiensten, welke het phallische element in de theologie hebben ontwikkeld. Het Joodsche stelsel van heilige maten, toegepast op godsdienstige symbolen, is voor zoover het meetkundige en numerieke combinaties betreft, hetzelfde als dat van Griekenland, van Chaldea en van Egypte, want de Joden namen het aan gedurende de eeuwen hunner slavernij en gevangenschap onder beide laatstgenoemde volkeren. Waaruit bestond dit stelsel? De schrijver vanThe Source of Measuresis er innig van overtuigd dat: ‘de boeken van Mozes ten doel hadden door eene soort van kunstmatige taal een meetkundig en numeriek stelsel van exacte wetenschap te verkondigen, dat als oorsprong van maten zoude moeten dienen.’ Piazzi Smyth is van dezelfde meening. Eenige geleerden vinden dat bedoeld stelsel en die maten identiek zijn met die, welke bij den bouw der Groote Pyramide gebruikt zijn, maar dit is slechts voor een deel het geval. ‘De grondslag dezer maten was de verhouding van Parker’, zegt Ralston Skinner inThe Source of Measures.De schrijver van dit zeer buitengewone werk heeft, zooals hij zegt, dien grondslag ontdekt in het gebruik van de verhouding van de middellijn van den cirkel tot den omtrek, in geheele getallen uitgedrukt, ontdekt door John A. Parker. Deze verhouding is 6561 voor de middellijn en 20612 voor den omtrek. Verder heeft hij gevonden dat deze meetkundige verhouding de zeer oude en waarschijnlijk goddelijke oorsprong was van wat nu door exoterische behandeling en praktische toepassing, de Britsche lengtematen geworden zijn, ‘welker grondeenheid, nl. deduim, evenzeer de grondslag geweest is van een der koninklijke Egyptischeellematenals van den Romeinschenvoet.”4

“Niettemin is bewezen dat het stelsel van eerstgenoemden (de Joden) in deze bijzondere afdeeling der symboliek—namelijk de sleutel tot de geheimenissen der sterrekunde in haar verband met die der voortbrenging en ontvangenis—identiek is met die denkbeelden der oude godsdiensten, welke het phallische element in de theologie hebben ontwikkeld. Het Joodsche stelsel van heilige maten, toegepast op godsdienstige symbolen, is voor zoover het meetkundige en numerieke combinaties betreft, hetzelfde als dat van Griekenland, van Chaldea en van Egypte, want de Joden namen het aan gedurende de eeuwen hunner slavernij en gevangenschap onder beide laatstgenoemde volkeren. Waaruit bestond dit stelsel? De schrijver vanThe Source of Measuresis er innig van overtuigd dat: ‘de boeken van Mozes ten doel hadden door eene soort van kunstmatige taal een meetkundig en numeriek stelsel van exacte wetenschap te verkondigen, dat als oorsprong van maten zoude moeten dienen.’ Piazzi Smyth is van dezelfde meening. Eenige geleerden vinden dat bedoeld stelsel en die maten identiek zijn met die, welke bij den bouw der Groote Pyramide gebruikt zijn, maar dit is slechts voor een deel het geval. ‘De grondslag dezer maten was de verhouding van Parker’, zegt Ralston Skinner inThe Source of Measures.

De schrijver van dit zeer buitengewone werk heeft, zooals hij zegt, dien grondslag ontdekt in het gebruik van de verhouding van de middellijn van den cirkel tot den omtrek, in geheele getallen uitgedrukt, ontdekt door John A. Parker. Deze verhouding is 6561 voor de middellijn en 20612 voor den omtrek. Verder heeft hij gevonden dat deze meetkundige verhouding de zeer oude en waarschijnlijk goddelijke oorsprong was van wat nu door exoterische behandeling en praktische toepassing, de Britsche lengtematen geworden zijn, ‘welker grondeenheid, nl. deduim, evenzeer de grondslag geweest is van een der koninklijke Egyptischeellematenals van den Romeinschenvoet.”4

Hoewel H. P. Blavatsky het niet eens is met de theorieën van Parker en Piazzi Smyth, en zelfs vrij uitvoerig de beweringen van Parker met betrekking tot de quadratuur van den cirkel bestrijdt, en bemerkt dat de opmetingen van Smyth ook niet ten volle vertrouwen verdienen, zegt zij dat Ralston Skinner onmiskenbaareenof zelfstweeder sleutels tot dit stelsel ontdekt heeft, maar meerondanks de theorieën der beide genoemde schrijvers en dank zij zijn eigen genie.

“Evenmin wordt Ralston Skinner’s esoterische opvatting van denBijbelalleen daardoor onjuist, dat de afmetingen van de Pyramide wellicht niet overeenstemmen met die van den tempel van Salomo, van de arke Noachs, enz., of doordien de wiskundigen Parker’s kwadratuur van den cirkel verwerpen. Immers Skinner’s meening berust oorspronkelijk op de Kabbalistische methoden en op de rabbijnsche getalswaarde der Hebreewsche letters. Daarentegen is het van het uiterste belang na te gaan of de maten, gebruikt bij de ontwikkeling van den symbolischen godsdienst der Ariërs, bij den bouw hunner tempels, bij de in dePurâna’svermelde getallen, en in het bijzonder bij hunne tijdrekening, hunne sterrekundige symbolen, den duur hunner cyclussen en bij andere berekeningen, al dan niet dezelfde waren.”5

“Evenmin wordt Ralston Skinner’s esoterische opvatting van denBijbelalleen daardoor onjuist, dat de afmetingen van de Pyramide wellicht niet overeenstemmen met die van den tempel van Salomo, van de arke Noachs, enz., of doordien de wiskundigen Parker’s kwadratuur van den cirkel verwerpen. Immers Skinner’s meening berust oorspronkelijk op de Kabbalistische methoden en op de rabbijnsche getalswaarde der Hebreewsche letters. Daarentegen is het van het uiterste belang na te gaan of de maten, gebruikt bij de ontwikkeling van den symbolischen godsdienst der Ariërs, bij den bouw hunner tempels, bij de in dePurâna’svermelde getallen, en in het bijzonder bij hunne tijdrekening, hunne sterrekundige symbolen, den duur hunner cyclussen en bij andere berekeningen, al dan niet dezelfde waren.”5

Wij zouden dus, na hetgeenH. P. B.ons zegt omtrent Skinner, met reden kunnen nagaan welke sleutels hij gevonden heeft om tot een oplossing te komen van de π symbologie in de Pyramide. Ik zal dit echter hier ter plaatse moeten nalaten wegens mijne eigene tekortkomingen op het gebied der Kabbalistiek en tevens omdat dit wederom tot te uitvoerige beschouwingen zou leiden die hier niet ter plaatse zijn. Doch zeker raad ik ieder, die de waarde van getallen en letters op de juiste waarde schat, ten zeerste aan Skinner’s werk te bestudeeren.

In ieder geval zien wij dat de π symbologie niettoevalligis, zooals reeds beweerd werd door enkele geleerden; daar zijn te veel feiten tegen. H. P. Blavatsky geeft dan ook eene verklaring er van, en al schijnt die bij den eersten aanblik niet de volledige oplossing dezer symbologie te bieden, zoo doet zij dit toch wel degelijk. Zij schrijft:

“Zij hebben die kennis stellig bezeten; en het is op deze kennis6dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeide de bouw van de Pyramide voort, de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symbool van deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der Sterren zulks aan het Uitspansel zijn.De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan de sterrekundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclusvan Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen cyclus afgeleide,abstracte formules, verzinnebeeld doorden vorm en de afmetingenvan den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de Woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo—een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, het symbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatsbedoelde ontleend zijn”.7

“Zij hebben die kennis stellig bezeten; en het is op deze kennis6dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeide de bouw van de Pyramide voort, de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symbool van deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der Sterren zulks aan het Uitspansel zijn.

De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan de sterrekundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclusvan Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.

Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen cyclus afgeleide,abstracte formules, verzinnebeeld doorden vorm en de afmetingenvan den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de Woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo—een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, het symbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatsbedoelde ontleend zijn”.7

Tot een nader begrip van hetgeen hier gezegd werd en ter verklaring van het hier gegevene in verband met de π symbologie vestig ik in de eerste plaats de aandacht op het laatste gedeelte van het boven aangehaalde. De woorden zonnemythe en het feit, dat het verhaal van het bouwen van Salomo’s Tempel eene allegorie is, zou ik zóó willen verklaren, dat hier door tempel bedoeld wordt het lichaam van den Zonnelogos in zijn uitgebreidsten zin, dus in en met zijn aura, den Zodiak, diagrammatisch voorgesteld in zijn openbaring als de cirkel met de middellijnCirkel met horizontale balk..

Deze openbaring in haar getalwaarde op dit stoffelijk gebied voor te stellen kan niet anders geschieden dan door een formule en deze formule of verhouding zou dan mijns inziens π zijn. Want indien wij een bouwwerk hebben waarin wij deze waarde belichamen bij de samenstelling, hebben wij den zich openbarenden Logos symbolisch weergegeven. En evenzeer als wij weten, dat π eene oneindig voortloopende breuk is, die zich nimmer volkomen doch alleen bij benadering uit kan drukken, zoo weten wij ook dat de Logos zich nimmer geheel kan uitdrukken in de stof, aangezien er steeds in die openbaring eene verhouding van stof tot geest moet blijven bestaan, hoe klein of hoe groot die verhouding ook zij. Ook hier gaat de symbologie dus op.8

In hoeverre deze π verhouding nu te maken heeft met den cyclus van Inwijding is ook eenigermate na te gaan. De ontwikkelingvan den Logos in zijn stelsel wordt symbolisch voorgesteld door Zijn doorloopen van den Dierenriem, zijnde de groote stroom van ontwikkeling gaande door de 12 teekens van Zijn geheel. Dit is exoterisch. Esoterisch bestaat er eene ontwikkeling die sneller tot hetzelfde resultaat leidt, nl. het terugkeeren naar het uitgangspunt na het doorloopen van 6 teekens. De Evolutie loopt dan langs de middellijn als het ware. De verhouding van de ontwikkelingsphasen van iemand die dezen weg betreedt tot die van hen die de gewone evolutie volgen is die, welke symbolisch zich verhoudt als de middellijn tot den omtrek of als één tot π. Evenals de Logos in zich bevat deze π waarde, zoo bevat ook de mensch op het Pad van Inwijding deze waarde in zich.

Skinner geeft als formule deze 113 : 355 = 6561 : 20612, zijnde eene symbolische getallenvoorstelling van de verhouding van den mensch op het kruis (113 : 355) tot de geopenbaarde Godheid Jehovah, Elohim.

Verder wensch ik hier echter op dit punt niet in te gaan daar deze waarheden alleengevoelden nimmerverstandelijk uitgedachtkunnen worden en dus nimmer kunnen worden gegeven van intellect tot intellect, maar alleen begrepen door verdere uitwerking in onszelf.

Voldoende zal men echter inzien, dat de zoogenaamde ”π symbologie” en “de oorsprong der maten” een diepere beteekenis hebben dan Piazzi Smyth er aan wenscht toe te kennen. Hoe belachelijk ver hij ging met zijne theorie, blijkt ons wanneer wij lezen, dat “de porfiersarcofaag in de Koningskamer”de eenheid van maatwas voor de twee meest verlichte volkeren op aarde, Engeland en Amerika, en niets meer dan een “korenmaat”.

H. P. Blavatsky merkt met betrekking tot deze uiting van Smyth op:

“InIsis Unveiled, dat juist in dien tijd verscheen, hebben wij dat krachtig ontkend. Toen liep de New-Yorksche pers (in het bijzonder de nieuwsbladenThe SunenThe World) te wapen tegen onzeaanmatigingom zulk een ster van geleerdheid te willen verbeteren of fouten bij hem te ontdekken. In dat werk hadden wij gezegd dat Herodotus bij het bespreken van de Pyramide:.... er wel had kunnen bijvoegen dat zij uiterlijkhet scheppende beginsel der natuurverzinnebeeldde, en ook eene afbeelding was van debeginselen der meetkunde, wiskunde, astrologie en sterrekunde. Van binnen was zij een majestueus heiligdom, in welks duistere schuilplaatsen de mysteriën volbracht werden, en welks muren dikwijls getuigen geweest waren van tooneelen van inwijding van leden der koninklijke familie. De porfieren sarcophaag, welke Professor Piazzi Smyth,Astronomer Royal of Scotland, tot een graanbak verlaagt, was dedoopvont; na daaruit te zijn gestegen was de neofiet ‘wedergeboren en werd hij een adept9.’Om onze mededeeling werd in die dagen gelachen. Men beschuldigde ons onze denkbeelden ontleend te hebben aan de ‘zotte denkbeelden’ van Shaw, een Engelsch schrijver, die volgehouden had dat de sarcophaag gebruikt was bij het vieren der mysteriën van Osiris, hoewel wij nooit van dien schrijver gehoord hadden. En thans, zes of zeven jaren later (1882), schrijft Staniland Wake het volgende:‘De zoogenaamde koningskamer.... was waarschijnlijkde plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën’10.Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een ‘enge poort’ had; dezelfde ‘enge poort’ die ‘tot het leven leidt’, of tot de nieuwe geestelijke wedergeboorte, waarop Jezus in Mattheus VII : 13 zinspeelt, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was, dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn”.11

“InIsis Unveiled, dat juist in dien tijd verscheen, hebben wij dat krachtig ontkend. Toen liep de New-Yorksche pers (in het bijzonder de nieuwsbladenThe SunenThe World) te wapen tegen onzeaanmatigingom zulk een ster van geleerdheid te willen verbeteren of fouten bij hem te ontdekken. In dat werk hadden wij gezegd dat Herodotus bij het bespreken van de Pyramide:.... er wel had kunnen bijvoegen dat zij uiterlijkhet scheppende beginsel der natuurverzinnebeeldde, en ook eene afbeelding was van debeginselen der meetkunde, wiskunde, astrologie en sterrekunde. Van binnen was zij een majestueus heiligdom, in welks duistere schuilplaatsen de mysteriën volbracht werden, en welks muren dikwijls getuigen geweest waren van tooneelen van inwijding van leden der koninklijke familie. De porfieren sarcophaag, welke Professor Piazzi Smyth,Astronomer Royal of Scotland, tot een graanbak verlaagt, was dedoopvont; na daaruit te zijn gestegen was de neofiet ‘wedergeboren en werd hij een adept9.’

Om onze mededeeling werd in die dagen gelachen. Men beschuldigde ons onze denkbeelden ontleend te hebben aan de ‘zotte denkbeelden’ van Shaw, een Engelsch schrijver, die volgehouden had dat de sarcophaag gebruikt was bij het vieren der mysteriën van Osiris, hoewel wij nooit van dien schrijver gehoord hadden. En thans, zes of zeven jaren later (1882), schrijft Staniland Wake het volgende:

‘De zoogenaamde koningskamer.... was waarschijnlijkde plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën’10.

Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een ‘enge poort’ had; dezelfde ‘enge poort’ die ‘tot het leven leidt’, of tot de nieuwe geestelijke wedergeboorte, waarop Jezus in Mattheus VII : 13 zinspeelt, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was, dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn”.11

Wij zijn eenigermate afgedwaald van ons eigenlijk punt, nl. de symbologie der Pyramide, doch deze hangt zoo nauw met dit alles samen dat ik niet in staat ben ze te scheiden, en ik zal thans van dit gedeelte van het onderwerp afstappen om enkele andere theorieën te behandelen.

1Our Inheritance in the Great Pyramid.Chap. I, blz. 5, 6.2t.a.p. blz. 7.3The Pyramids and Temples of Gizeh, door Prof. Flinders Petrie.4Geheime Leer, Deel I, blz. 397, 398.5Geheime Leer, Deel I, blz. 402.6astronomische kennis.7Geheime Leer, Deel I, blz. 399, 400.8Geheime Leer, Deel I,blz. 558, noot.9Isis Unveiled, Deel I, blz. 519.10Staniland WakeThe Origin and Significance of the Great Pyramid, blz. 93.11Geheime Leer, blz. 403, 404.

1Our Inheritance in the Great Pyramid.Chap. I, blz. 5, 6.

2t.a.p. blz. 7.

3The Pyramids and Temples of Gizeh, door Prof. Flinders Petrie.

4Geheime Leer, Deel I, blz. 397, 398.

5Geheime Leer, Deel I, blz. 402.

6astronomische kennis.

7Geheime Leer, Deel I, blz. 399, 400.

8Geheime Leer, Deel I,blz. 558, noot.

9Isis Unveiled, Deel I, blz. 519.

10Staniland WakeThe Origin and Significance of the Great Pyramid, blz. 93.

11Geheime Leer, blz. 403, 404.

Hoofdstuk VII.Nog enkele theorieën over de bestemming en symboliek der Groote Pyramide.Meer nog dan met eenigerlei andere wetenschappen, is de Groote Pyramide in verband gebracht met de sterrekunde. Niet alleen dat velen beweerden dat zij een sterrekundig observatorium was, maar bovenal dat vele der bekende waarheden uit deze wetenschap symbolisch in haar bouw belichaamd waren, waaruit dan tevensblijken zou dat de Egyptenaren van dien tijd reeds bekend waren met verscheidene astronomische gegevens, die op betrekkelijk jongen datum heeten ontdekt te zijn. Reeds sedert lang werd door enkele schrijvers over dit onderwerp beweerd dat de Groote Pyramide zou gebouwd zijn met het doel de sterren te observeeren, en enkele schrijvers zeggen dat het juist om deze reden was, dat de Pyramide een platform op den top had, waar de sterren-waarnemende priesters hunne instrumenten konden plaatsen; verder wordt beweerd dat de benedenwaarts leidende gang der Groote Pyramide dienst deed als meridiaan-teleskoop. Vandaar de nauwgezette oriëntatie der Pyramide. Afgescheiden van alle mogelijke andere bezwaren, welke wij zullen nagaan wanneer wij den voornaamsten hedendaagschen voorstander van deze theorie, Rich. Proctor, over dit onderwerp zullen aanhalen, zien wij al dadelijk enkele bezwaren die ons aan de waarheid van deze theorie doen twijfelen. In de eerste plaats dan is het onmogelijk geweest om ooit op dit platform te komen wanneer wij aannemen wat ons gezegd wordt, dat het uitwendige der Pyramide geheel met gepolijst marmer bedekt was; en in de tweede plaats is het zeker dat de ingang van de benedenwaartsche gang afgesloten was. Alleen wanneer wij vooropstellen dat dit niet zoo was (en er is meer reden om het tegendeel aan te nemen) kunnen wij de mogelijkheid der theorie erkennen. Maar dan nog rest de vraag waarom er juist een Pyramide en niet een gewone toren werd gebouwd.Zien wij thans wat Rich. Proctor zegt met betrekking tot deze theorie. In de eerste plaats erkent hij, dat Piazzi Smyth en anderen met recht beweren dat zekere sterrekundige waarheden in het bouwwerk belichaamd zijn; “maar dat zijnloutertoevallige overeenkomstigheden”. Wij zeiden echter reeds vroeger bij dit bouwwerk niet te kunnen gelooven aan toevalligheden.Hoe verklaart Proctor dan zelf de sterrekundige kenmerkende eigenaardigheden van bouw en samenstelling der Groote Pyramide? Hij zegt1dat aan alle Egyptische Pyramiden het een of ander sterrekundig plan ten grondslag ligt en dat zulk een plan bij de Groote Pyramide met bijzondere nauwgezetheid uitgevoerd werd, welke er op duidt dat het een vereischte was het bouwwerk zelf en eveneens de onderdeelen in een bepaalden astronomischen standte plaatsen, en wel voornamelijk om deze reden, dat de Pyramide “bedoeld was dienst te doen als een sterrekundig observatorium”. Deze bedoeling vooropstellende is het duidelijk dat de bouwers de gangen van het bouwwerk benutten om den juisten stand en de plaats van elk deel van het geheel te bepalen. De benedenwaarts leidende gang werd gericht naar de Poolster. Nadat deze benedenwaarts leidende gang het noordelijk zijvlak bereikt had werd het bij het bouwen van de opwaarts leidende gang (zie de teekening van het inwendige) noodzakelijk op eene andere wijze de Poolster te observeeren. Dit werd tot stand gebracht door de nieuwe gang te bouwen in zoodanige richting, dat de lichtstralen van de Poolster hierin opwaarts vielen, na weerkaatst te zijn op een horizontale oppervlakte. Om deze weerkaatsende horizontale oppervlakte te verkrijgen werd de benedenwaarts leidende gang afgesloten aan het ondereinde, en daarna gedeeltelijk gevuld met water, op welks stilstaande oppervlakte de stralen van de Poolster weerkaatst werden. De bouwers werkten dus met betrekking tot het meridiaanvlak.De Groote Galerij is volgens Proctor echter het stelligste bewijs van den astronomischen aard van de bedoeling der bouwers. Deze Groote Galerij toont door hare dubbele geaardheid aan dat zij bedoeld was voor sterrenkundige waarnemingen. Hare muren als geheel zijn hellend, maar elk deel er van is volstrekt vertikaal, zooals ook het geval moet zijn voor nauwkeurige waarnemingen. Om deze waarnemingen mogelijk te maken, zijn in de galerij aan weerszijden steenen, hellende, verhoogde banken aangebracht, waarin op gelijke afstanden gaten zijn om verplaatsbare zetels te plaatsen. Aan het boveneinde der galerij zou de zoogenaamde Voorkamer de plaats geweest zijn waar de tijdopnemer zat. Proctor is verder ten zeerste overtuigd van het nut dat getrokken kan worden uit deze wijze van waarnemen. Hij zegt o.a.:“Indien een teleskopist van onzen tijd een plan zou willen vormen voor eene methode om de declinatie en rechte klimming van sterren te bepalen (bijvoorbeeld met het doel om een betrouwbaren sterrencatalogus op te stellen) zonder een teleskoop te gebruiken, zou hij door zulk een waarnemingsplaats te gebruiken als de Groote Galerij, spoedig zien hoeveel daar gedaan kan worden voor zooverre het equatoriale en zodiakale sterren betreft; en deze zijn de meest belangrijke, zelfs nu, en waren dit te meer in de dagen toen men veronderstelde dat de sterren in hun loop het lot van menschen en volkeren regelden.”2Deze redeneering van Proctor nu is zeer zeker op zichzelf beschouwd heel fraai, maar weinigen zijn er door overtuigd geworden dat de Groote Pyramide niets dan een sterrenkundig observatorium was. Enkelen erkennen de waarde der aangevoerde bewijsgronden voor het doel, doch slechts als bijkomstig. Proctor zelf doet dit echter ook, want een graf blijft de Koningskamer toch. Blijkbaar is hij bang zijn wetenschappelijken naam afbreuk te doen door een wetenschappelijk gehandhaafde theorie niet als van zelf sprekend aan te nemen; wenscht echter toch een eigen theorie en lapt er de observatoriumtheorie aan vast. Hij ziet echter daarna zelf in dat deze niet geheel en al opgaat, en zegt dan dat de bouwer niet alleen wetenschappelijke bedoelingen had, maar zelfs eene die boven het gebruik als graf staat! Dit doel kan men begrijpen wanneer men het feit erkent dat “de sterrenkunde uit den tijd van Khufuuiteraardastrologie was, en dat de astrologie een belangrijk deel van den godsdienst vormde”. Zijn eindconclusie is dan dat de Groote Pyramide als astrologisch bouwwerk een reuzenhoroskoop in steen van Cheops is. “Aangenomen een volstrekt geloof in astrologie (en wij weten dat er zulk een geloof bestond), was het de moeite waard zelfs een zoodanig gebouw als de Groote Pyramide op te trekken”.Ik meen dat er, zooals ik reeds zeide, weinigen zijn die Proctor’s theorie ernstig opvatten en wij zullen dan ook niet in bijzonderheden er van afdalen, doch liever nagaan welke astronomische gegevens in het bouwwerk symbolisch vervat zijn. Sommige er van zal ik hier alleenvermelden, slechts enkeleverklaren, daar de meeste te technisch zijn om hier aan den algemeenen lezer uiteengezet te worden.Voor hen die belangstellen in dit gedeelte van het onderwerp is het raadzaam daarover Dufeu, Piazzi Smyth en J. Wilson na te lezen. Vooral de laatste heeft dit punt, het verband tusschen de maten aan de Pyramide en het zonnestelsel, uitvoerig uitgewerkt in zijn boekThe Solar System of the Ancients. De groote moeilijkheid echter blijft in de quaestie welke maat men gebruikt heeft, daar de meeningen over de gebruikte elle- en duimmaat nogal uiteenloopen.Na veel geschrijf over de maten-quaestie, hetgeen een geheele bibliotheek vormt, is er echter op dit punt overeenstemming gekomen en zien wij thans enkele der eigenaardige kenmerken vastgesteld.De Pyramide dan symboliseert haarbreedtegraad(Wild, P. Smyth), haarouderdom(P. Smyth, Casey, Dufeu), denomtrek der aarde(J. Wilson, P. Smyth, J. Taylor), denvorm der aarde(P. Smyth, Dufeu), dedichtheid der aarde(P. Smyth, Petrie), denafstand van aarde en zon(P. Smyth, Petrie), dedagen van het jaar(Smyth, Tracey, Petrie, Yeates, Adams), deWet der zwaartekracht(J. Wilson),afstand tot zon en maan(J. Wilson), deplanetenafstanden(J. Wilson), depraecessie der equinoxen(Casey, Wilson, P. Smyth.) Tal van andere astronomische en natuurkundige gegevens blijken volgens enkele dezer schrijvers in het bouwwerk belichaamd, doch deze zijn wel de voornaamste.Om den lezer thans een denkbeeld te geven hoe deze astronomische waarden en verhoudingen in de pyramide-afmetingen belichaamd zijn, zullen wij enkele dezer symbologieën nagaan en trachten duidelijk te maken.In de eerste plaats dienen wij dan na te gaan de redenen welke er bestaan kunnen hebben voor het feit dat de bouwers deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamden. Zooals wij reeds zagen is de meest voor de hand liggende exoterische reden die, welke van de Groote Pyramide een sterrekundig observatorium en astrologisch gedenkteeken maakt; vervolgens komt die reden in aanmerking, welke o.a. Taylor en Smith aanvoeren, namelijk dat de door God bezielde bouwers het menschengeslacht een grondslag van maten wilden geven en dezen grondslag natuurlijk in verband brachten met heelalsche maten wegens den goddelijken oorsprong van het denkbeeld van den bouw. Deze redenen kunnen natuurlijk dienen als logisch voor hen die het eens zijn met de theorieën der genoemde schrijvers, maar wanneer men een voorstander is van de theorie, dat de Groote Pyramide een tempel, een plaats van godsdienstige ceremoniën, een “berg van Inwijding” is geweest, welke reden kunnen wij dan aanvoeren voor het feit dat wij deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamd vinden? In de eerste plaats kan voor den spoedig bevredigden onderzoeker het antwoord dienen dat Proctor ons pasklaar geeft n.l. “dat de godsdienst der Egyptenaren grootendeels gegrond was op astronomische stellingen” en dat dit dus evenzeer het geval moet geweest zijn met hunne godsdienstige mysteriën. Doch voor hen, die met deze oppervlakkige reden niet geheel voldaan zijn met betrekking tot hun voorstaan van de inwijdingstempeltheorie, als ik het zoo noemen mag, zou ik gaarne de volgende redenen willen aanvoeren.De groote Pyramide beschouwende als een tempel van inwijding, zie ik in haar beslist deneersten maçonnieken tempel, waarvan wij kennis dragen sinds het bestaan der maçonnieke orde, en schaar ik mij dus in dezen aan de zijde der broeders, welke erkennen dat de vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Egyptische mysteriën en niet in de bouwgilden der middeleeuwen. Voor ieder maçon nu is de Tempel (of moet hij dit zijn) ons zonnestelsel, het lichaam van den Logos van dit stelsel. Dit in verband met hetgeen wij reeds zeiden omtrent de Groote Pyramide leidt ons tot de volgende gevolgtrekking. De stoffelijkeTempelop deze aarde moest in haar bouw alle waarden en vormen, welke in den warenTempel(het lichaam van den Logos, ons zonnestelsel) gevonden werden, weergeven om symbolisch—en wij weten dat de maçonnerie niets is dan een wijsbegeerte, gehuld in een gewaad vansymbolen, om degenen wier ontwikkeling langs de ritueele lijn ligt, te leiden in hunne evolutie—deze waarheden en begrippen uit te drukken.Hetgeen wij reeds zeiden omtrent de π-symbologie, en dat steunt op wat H. P. Blavatsky zegt in de noot op blz. 468 van deGeheime Leer, Deel I, met betrekking tot deze π-waarde, komt geheel (mijns inziens) met deze denkwijze overeen.Verder zullen velen het met mij eens zijn—vooral zij die verstaan—dat hetgeen wij door de Inwijdingen zoeken is:Licht; het Licht, dat wil zeggen, de kennis van den aard der dingen in ons stelsel, of in het algemeen gezegd: hoogere kennis. In ons stelsel is het stoffelijk lichaam der zon het laagste aanzicht van ditLicht. En dit Licht kunnen wij ook verzinnebeeld vinden in de Pyramide. Merken wij nog op datgeluidofklankevenzoo noodzakelijk is voor hetleven. Adams zegt terecht: “het licht is het eerste beginsel van het geschapen leven. Zonder licht bestaat geen groei; er is geen groei zonder licht. Kleur, reuk, smaak, ieder voorwerp der zinnen verdwijnt wanneer het licht afwezig is. Iedere straal is een afzonderlijke hemelsche gift, rechtstreeks van de hand van den Schepper; zooals is aangegeven in het basrelief op het graf te Thebe, ontdekt door Stuart, waar de uiteenloopende stralen een pyramide van licht vormen, en aan iederen straal is een hand van zegening verbonden.”3In de Pyramide vinden wij dus verzinnebeeld den vorm en het leven in openbaring, den Logos alsSymbool voor Zon.. En hoe is dit licht maçonniek in het bouwwerk uitgedrukt? Door dezelfde π-symbologie.Ik kan het niet beter weergeven dan Adams dit doet. Hij schrijft:Het Licht zelf geeft ons een antwoord. Want indien wij, zooals op het basrelief te Thebe, den uiteensplitsenden stralenbundel voorgesteld vinden, zooals die zich uitstort op den middag van de zomersolstitie, den aanvangsdag van het Egyptisch jaar, zullen wij één zijvlak van de Pyramide van Licht hebben. Veronderstel nu dat een rechthoekige pyramide wordt opgetrokken met vier zoodanige zijden die elk respectievelijk tegenover de kardinale punten des hemels staat. Dan volgt hieruit dat, daar elke zonne-omwenteling der aarde een vierde aswenteling later voltooid wordt dan de voorafgaande, elk vierde- of groot-jaar hetzelfde zijvlak naar de zon gekeerd zal zijn wanneer de zonne-omwenteling van de aarde voleindigd is; en aldus is de Egyptische Groot-cyclus (van vier jaar) maçonniek uitgedrukt. Juist zulk een vorm vinden wij in de Groote Pyramide, daar de zijden zóó georiënteerd zijn dat zij oorspronkelijk tegenover de kardinale punten stonden, en haar top zoodanig was afgeplat dat de zon één dag in het jaar ‘met al haar stralen’ er op rust, zoodat het bouwwerk ‘zijn eigen schaduw verslindt’.Welke verhouding moeten de afmetingen hebben, nu de algemeene vorm bepaald is, of met andere woorden, welken hoek moeten de zijden naar den onzichtbaren top hebben? De aarde in haar loopbaan geeft het antwoord. Want daar die planeet in een (benaderd) cirkelvormig pad om de zon heen beweegt, terwijl elke straal naar haar toe in een rechte lijn valt, kan de verhouding tusschen de lichtgevende kracht en het verlichte lichaam uitgedrukt worden door de verhouding tusschen den straal en den omtrek van een cirkel.4Laten wij thans nog nagaan op welke wijze wij een eenheid van maat kunnen verkrijgen, die ons de juistheid aantoont van de verzinnebeelding der astronomische verhoudingsgetallen in het bouwwerk. Ook deze maat kunnen wij aan de aarde ontleenen en wel aan de as.De engelsche duim is 250,250,000 maal in de aardas begrepen; wanneer wij deze duim met een duizendste deel van hare lengte vergrooten, verkrijgen wij eene duimmaat die als Pyramideduim gebezigd wordt en bekend staat. Deze duim is dan in de aardas 250 millioen maal begrepen.De deksteenen der Pyramide, waarvan er een opgemeten werd door Dixon, zijn 25.025 Eng. duim lang; of 25 van de gemelde duimen. De lengte van den steen is dus 10 millioen maal in de aardas begrepen, en nu wordt door Smyth en Adams deze maat als eenheid aangenomen. Deze maat of liever verhouding staat op zichzelf. Doch wat bleek verder?De lengte van de onderste deklaag der Pyramide bedraagt juist 1/20 van een geografische mijl. Wanneer wij nu de pyramide-eenheidsmaat hierop afmeten, bevinden wij dat deze 365.25 maal in deze lengte begrepen is en 1461 of 4 maal 365–1/4 maal in den geheelen omtrek van het grondvlak. Blijkbaar is dus hier eene symbolische voorstelling van het aantal dagen van het zonnejaar en van den grooten cyclus van vier jaren.Adams zegt met betrekking tot deze symbolische voorstelling:“Het schijnt daarom niet onredelijk te denken dat, alvorens de deksteenen ten slotte het geheim afsloten, de betrekkingen van zon en maan tot den stand van Sothis en de Poolster in overeenstemming zouden gebracht zijn met de trappenreeksen van de Pyramide op de juist beschreven wijze; en aldus is een uitgangspunt voor alle bewegingen der aarde, hetzij in hare betrekking tot de maan, de zon, de equinoxen, of de sterren, onveranderlijk in het maçonnieke licht vastgelegd”.Ik zou nog tal van voorbeelden kunnen geven van de wijze waarop astronomische waarheden in verband met het bouwwerk der Pyramide symbolisch zijn voorgesteld, doch dan zouden voor een populaire verhandeling als deze te veel technische punten aangevoerd moeten worden. Ik vrees zelfs dat het voorafgaande vele lezers zal doen terugschrikken voor een verder ingaan op deze punten. Aan hen die echter daarin belang stellen, raad ik aan daarover na te slaanOur Inheritance in the Great Pyramiden bovenal Marsham Adams’House of the Hidden Places; dit laatste werk vooral aan Theosofisch studeerenden. Over de symbologie der Pyramide in verband met de maçonnerie kan men lezen in de navolgende lezenswaardige brochuresThe Great Pyramid and Freemasonrydoor John Chapman. P. P. G. D. enA Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting an intimate relationship with the Probable Foundation of Freemasonry, door W. Charles Langley.Hoewel dus over dit punt vrij wat meer te zeggen valt dan ik hier deed, laat ik dit na om de gemelde reden en zal er toe overgaan de mystieke theorieën te behandelen, welke volgens mij van het meeste belang zijn.1Hetgeen ik hier mededeel met betrekking tot Proctor’s verklaring is gedeeltelijk ontleend aanKnowledge, Vol. I, en aanOrigin and Significance of the Great PyramiddoorStaniland Wake, blz. 6–19.2Origin and Significance of the Great Pyramid, blz. 12.3Marsham Adams.The House of the Hidden Places, blz. 147.4t.a.p. 149, 150, 151.

Meer nog dan met eenigerlei andere wetenschappen, is de Groote Pyramide in verband gebracht met de sterrekunde. Niet alleen dat velen beweerden dat zij een sterrekundig observatorium was, maar bovenal dat vele der bekende waarheden uit deze wetenschap symbolisch in haar bouw belichaamd waren, waaruit dan tevensblijken zou dat de Egyptenaren van dien tijd reeds bekend waren met verscheidene astronomische gegevens, die op betrekkelijk jongen datum heeten ontdekt te zijn. Reeds sedert lang werd door enkele schrijvers over dit onderwerp beweerd dat de Groote Pyramide zou gebouwd zijn met het doel de sterren te observeeren, en enkele schrijvers zeggen dat het juist om deze reden was, dat de Pyramide een platform op den top had, waar de sterren-waarnemende priesters hunne instrumenten konden plaatsen; verder wordt beweerd dat de benedenwaarts leidende gang der Groote Pyramide dienst deed als meridiaan-teleskoop. Vandaar de nauwgezette oriëntatie der Pyramide. Afgescheiden van alle mogelijke andere bezwaren, welke wij zullen nagaan wanneer wij den voornaamsten hedendaagschen voorstander van deze theorie, Rich. Proctor, over dit onderwerp zullen aanhalen, zien wij al dadelijk enkele bezwaren die ons aan de waarheid van deze theorie doen twijfelen. In de eerste plaats dan is het onmogelijk geweest om ooit op dit platform te komen wanneer wij aannemen wat ons gezegd wordt, dat het uitwendige der Pyramide geheel met gepolijst marmer bedekt was; en in de tweede plaats is het zeker dat de ingang van de benedenwaartsche gang afgesloten was. Alleen wanneer wij vooropstellen dat dit niet zoo was (en er is meer reden om het tegendeel aan te nemen) kunnen wij de mogelijkheid der theorie erkennen. Maar dan nog rest de vraag waarom er juist een Pyramide en niet een gewone toren werd gebouwd.

Zien wij thans wat Rich. Proctor zegt met betrekking tot deze theorie. In de eerste plaats erkent hij, dat Piazzi Smyth en anderen met recht beweren dat zekere sterrekundige waarheden in het bouwwerk belichaamd zijn; “maar dat zijnloutertoevallige overeenkomstigheden”. Wij zeiden echter reeds vroeger bij dit bouwwerk niet te kunnen gelooven aan toevalligheden.

Hoe verklaart Proctor dan zelf de sterrekundige kenmerkende eigenaardigheden van bouw en samenstelling der Groote Pyramide? Hij zegt1dat aan alle Egyptische Pyramiden het een of ander sterrekundig plan ten grondslag ligt en dat zulk een plan bij de Groote Pyramide met bijzondere nauwgezetheid uitgevoerd werd, welke er op duidt dat het een vereischte was het bouwwerk zelf en eveneens de onderdeelen in een bepaalden astronomischen standte plaatsen, en wel voornamelijk om deze reden, dat de Pyramide “bedoeld was dienst te doen als een sterrekundig observatorium”. Deze bedoeling vooropstellende is het duidelijk dat de bouwers de gangen van het bouwwerk benutten om den juisten stand en de plaats van elk deel van het geheel te bepalen. De benedenwaarts leidende gang werd gericht naar de Poolster. Nadat deze benedenwaarts leidende gang het noordelijk zijvlak bereikt had werd het bij het bouwen van de opwaarts leidende gang (zie de teekening van het inwendige) noodzakelijk op eene andere wijze de Poolster te observeeren. Dit werd tot stand gebracht door de nieuwe gang te bouwen in zoodanige richting, dat de lichtstralen van de Poolster hierin opwaarts vielen, na weerkaatst te zijn op een horizontale oppervlakte. Om deze weerkaatsende horizontale oppervlakte te verkrijgen werd de benedenwaarts leidende gang afgesloten aan het ondereinde, en daarna gedeeltelijk gevuld met water, op welks stilstaande oppervlakte de stralen van de Poolster weerkaatst werden. De bouwers werkten dus met betrekking tot het meridiaanvlak.

De Groote Galerij is volgens Proctor echter het stelligste bewijs van den astronomischen aard van de bedoeling der bouwers. Deze Groote Galerij toont door hare dubbele geaardheid aan dat zij bedoeld was voor sterrenkundige waarnemingen. Hare muren als geheel zijn hellend, maar elk deel er van is volstrekt vertikaal, zooals ook het geval moet zijn voor nauwkeurige waarnemingen. Om deze waarnemingen mogelijk te maken, zijn in de galerij aan weerszijden steenen, hellende, verhoogde banken aangebracht, waarin op gelijke afstanden gaten zijn om verplaatsbare zetels te plaatsen. Aan het boveneinde der galerij zou de zoogenaamde Voorkamer de plaats geweest zijn waar de tijdopnemer zat. Proctor is verder ten zeerste overtuigd van het nut dat getrokken kan worden uit deze wijze van waarnemen. Hij zegt o.a.:

“Indien een teleskopist van onzen tijd een plan zou willen vormen voor eene methode om de declinatie en rechte klimming van sterren te bepalen (bijvoorbeeld met het doel om een betrouwbaren sterrencatalogus op te stellen) zonder een teleskoop te gebruiken, zou hij door zulk een waarnemingsplaats te gebruiken als de Groote Galerij, spoedig zien hoeveel daar gedaan kan worden voor zooverre het equatoriale en zodiakale sterren betreft; en deze zijn de meest belangrijke, zelfs nu, en waren dit te meer in de dagen toen men veronderstelde dat de sterren in hun loop het lot van menschen en volkeren regelden.”2

“Indien een teleskopist van onzen tijd een plan zou willen vormen voor eene methode om de declinatie en rechte klimming van sterren te bepalen (bijvoorbeeld met het doel om een betrouwbaren sterrencatalogus op te stellen) zonder een teleskoop te gebruiken, zou hij door zulk een waarnemingsplaats te gebruiken als de Groote Galerij, spoedig zien hoeveel daar gedaan kan worden voor zooverre het equatoriale en zodiakale sterren betreft; en deze zijn de meest belangrijke, zelfs nu, en waren dit te meer in de dagen toen men veronderstelde dat de sterren in hun loop het lot van menschen en volkeren regelden.”2

Deze redeneering van Proctor nu is zeer zeker op zichzelf beschouwd heel fraai, maar weinigen zijn er door overtuigd geworden dat de Groote Pyramide niets dan een sterrenkundig observatorium was. Enkelen erkennen de waarde der aangevoerde bewijsgronden voor het doel, doch slechts als bijkomstig. Proctor zelf doet dit echter ook, want een graf blijft de Koningskamer toch. Blijkbaar is hij bang zijn wetenschappelijken naam afbreuk te doen door een wetenschappelijk gehandhaafde theorie niet als van zelf sprekend aan te nemen; wenscht echter toch een eigen theorie en lapt er de observatoriumtheorie aan vast. Hij ziet echter daarna zelf in dat deze niet geheel en al opgaat, en zegt dan dat de bouwer niet alleen wetenschappelijke bedoelingen had, maar zelfs eene die boven het gebruik als graf staat! Dit doel kan men begrijpen wanneer men het feit erkent dat “de sterrenkunde uit den tijd van Khufuuiteraardastrologie was, en dat de astrologie een belangrijk deel van den godsdienst vormde”. Zijn eindconclusie is dan dat de Groote Pyramide als astrologisch bouwwerk een reuzenhoroskoop in steen van Cheops is. “Aangenomen een volstrekt geloof in astrologie (en wij weten dat er zulk een geloof bestond), was het de moeite waard zelfs een zoodanig gebouw als de Groote Pyramide op te trekken”.

Ik meen dat er, zooals ik reeds zeide, weinigen zijn die Proctor’s theorie ernstig opvatten en wij zullen dan ook niet in bijzonderheden er van afdalen, doch liever nagaan welke astronomische gegevens in het bouwwerk symbolisch vervat zijn. Sommige er van zal ik hier alleenvermelden, slechts enkeleverklaren, daar de meeste te technisch zijn om hier aan den algemeenen lezer uiteengezet te worden.

Voor hen die belangstellen in dit gedeelte van het onderwerp is het raadzaam daarover Dufeu, Piazzi Smyth en J. Wilson na te lezen. Vooral de laatste heeft dit punt, het verband tusschen de maten aan de Pyramide en het zonnestelsel, uitvoerig uitgewerkt in zijn boekThe Solar System of the Ancients. De groote moeilijkheid echter blijft in de quaestie welke maat men gebruikt heeft, daar de meeningen over de gebruikte elle- en duimmaat nogal uiteenloopen.

Na veel geschrijf over de maten-quaestie, hetgeen een geheele bibliotheek vormt, is er echter op dit punt overeenstemming gekomen en zien wij thans enkele der eigenaardige kenmerken vastgesteld.

De Pyramide dan symboliseert haarbreedtegraad(Wild, P. Smyth), haarouderdom(P. Smyth, Casey, Dufeu), denomtrek der aarde(J. Wilson, P. Smyth, J. Taylor), denvorm der aarde(P. Smyth, Dufeu), dedichtheid der aarde(P. Smyth, Petrie), denafstand van aarde en zon(P. Smyth, Petrie), dedagen van het jaar(Smyth, Tracey, Petrie, Yeates, Adams), deWet der zwaartekracht(J. Wilson),afstand tot zon en maan(J. Wilson), deplanetenafstanden(J. Wilson), depraecessie der equinoxen(Casey, Wilson, P. Smyth.) Tal van andere astronomische en natuurkundige gegevens blijken volgens enkele dezer schrijvers in het bouwwerk belichaamd, doch deze zijn wel de voornaamste.

Om den lezer thans een denkbeeld te geven hoe deze astronomische waarden en verhoudingen in de pyramide-afmetingen belichaamd zijn, zullen wij enkele dezer symbologieën nagaan en trachten duidelijk te maken.

In de eerste plaats dienen wij dan na te gaan de redenen welke er bestaan kunnen hebben voor het feit dat de bouwers deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamden. Zooals wij reeds zagen is de meest voor de hand liggende exoterische reden die, welke van de Groote Pyramide een sterrekundig observatorium en astrologisch gedenkteeken maakt; vervolgens komt die reden in aanmerking, welke o.a. Taylor en Smith aanvoeren, namelijk dat de door God bezielde bouwers het menschengeslacht een grondslag van maten wilden geven en dezen grondslag natuurlijk in verband brachten met heelalsche maten wegens den goddelijken oorsprong van het denkbeeld van den bouw. Deze redenen kunnen natuurlijk dienen als logisch voor hen die het eens zijn met de theorieën der genoemde schrijvers, maar wanneer men een voorstander is van de theorie, dat de Groote Pyramide een tempel, een plaats van godsdienstige ceremoniën, een “berg van Inwijding” is geweest, welke reden kunnen wij dan aanvoeren voor het feit dat wij deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamd vinden? In de eerste plaats kan voor den spoedig bevredigden onderzoeker het antwoord dienen dat Proctor ons pasklaar geeft n.l. “dat de godsdienst der Egyptenaren grootendeels gegrond was op astronomische stellingen” en dat dit dus evenzeer het geval moet geweest zijn met hunne godsdienstige mysteriën. Doch voor hen, die met deze oppervlakkige reden niet geheel voldaan zijn met betrekking tot hun voorstaan van de inwijdingstempeltheorie, als ik het zoo noemen mag, zou ik gaarne de volgende redenen willen aanvoeren.

De groote Pyramide beschouwende als een tempel van inwijding, zie ik in haar beslist deneersten maçonnieken tempel, waarvan wij kennis dragen sinds het bestaan der maçonnieke orde, en schaar ik mij dus in dezen aan de zijde der broeders, welke erkennen dat de vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Egyptische mysteriën en niet in de bouwgilden der middeleeuwen. Voor ieder maçon nu is de Tempel (of moet hij dit zijn) ons zonnestelsel, het lichaam van den Logos van dit stelsel. Dit in verband met hetgeen wij reeds zeiden omtrent de Groote Pyramide leidt ons tot de volgende gevolgtrekking. De stoffelijkeTempelop deze aarde moest in haar bouw alle waarden en vormen, welke in den warenTempel(het lichaam van den Logos, ons zonnestelsel) gevonden werden, weergeven om symbolisch—en wij weten dat de maçonnerie niets is dan een wijsbegeerte, gehuld in een gewaad vansymbolen, om degenen wier ontwikkeling langs de ritueele lijn ligt, te leiden in hunne evolutie—deze waarheden en begrippen uit te drukken.

Hetgeen wij reeds zeiden omtrent de π-symbologie, en dat steunt op wat H. P. Blavatsky zegt in de noot op blz. 468 van deGeheime Leer, Deel I, met betrekking tot deze π-waarde, komt geheel (mijns inziens) met deze denkwijze overeen.

Verder zullen velen het met mij eens zijn—vooral zij die verstaan—dat hetgeen wij door de Inwijdingen zoeken is:Licht; het Licht, dat wil zeggen, de kennis van den aard der dingen in ons stelsel, of in het algemeen gezegd: hoogere kennis. In ons stelsel is het stoffelijk lichaam der zon het laagste aanzicht van ditLicht. En dit Licht kunnen wij ook verzinnebeeld vinden in de Pyramide. Merken wij nog op datgeluidofklankevenzoo noodzakelijk is voor hetleven. Adams zegt terecht: “het licht is het eerste beginsel van het geschapen leven. Zonder licht bestaat geen groei; er is geen groei zonder licht. Kleur, reuk, smaak, ieder voorwerp der zinnen verdwijnt wanneer het licht afwezig is. Iedere straal is een afzonderlijke hemelsche gift, rechtstreeks van de hand van den Schepper; zooals is aangegeven in het basrelief op het graf te Thebe, ontdekt door Stuart, waar de uiteenloopende stralen een pyramide van licht vormen, en aan iederen straal is een hand van zegening verbonden.”3

In de Pyramide vinden wij dus verzinnebeeld den vorm en het leven in openbaring, den Logos alsSymbool voor Zon.. En hoe is dit licht maçonniek in het bouwwerk uitgedrukt? Door dezelfde π-symbologie.Ik kan het niet beter weergeven dan Adams dit doet. Hij schrijft:

Het Licht zelf geeft ons een antwoord. Want indien wij, zooals op het basrelief te Thebe, den uiteensplitsenden stralenbundel voorgesteld vinden, zooals die zich uitstort op den middag van de zomersolstitie, den aanvangsdag van het Egyptisch jaar, zullen wij één zijvlak van de Pyramide van Licht hebben. Veronderstel nu dat een rechthoekige pyramide wordt opgetrokken met vier zoodanige zijden die elk respectievelijk tegenover de kardinale punten des hemels staat. Dan volgt hieruit dat, daar elke zonne-omwenteling der aarde een vierde aswenteling later voltooid wordt dan de voorafgaande, elk vierde- of groot-jaar hetzelfde zijvlak naar de zon gekeerd zal zijn wanneer de zonne-omwenteling van de aarde voleindigd is; en aldus is de Egyptische Groot-cyclus (van vier jaar) maçonniek uitgedrukt. Juist zulk een vorm vinden wij in de Groote Pyramide, daar de zijden zóó georiënteerd zijn dat zij oorspronkelijk tegenover de kardinale punten stonden, en haar top zoodanig was afgeplat dat de zon één dag in het jaar ‘met al haar stralen’ er op rust, zoodat het bouwwerk ‘zijn eigen schaduw verslindt’.Welke verhouding moeten de afmetingen hebben, nu de algemeene vorm bepaald is, of met andere woorden, welken hoek moeten de zijden naar den onzichtbaren top hebben? De aarde in haar loopbaan geeft het antwoord. Want daar die planeet in een (benaderd) cirkelvormig pad om de zon heen beweegt, terwijl elke straal naar haar toe in een rechte lijn valt, kan de verhouding tusschen de lichtgevende kracht en het verlichte lichaam uitgedrukt worden door de verhouding tusschen den straal en den omtrek van een cirkel.4

Het Licht zelf geeft ons een antwoord. Want indien wij, zooals op het basrelief te Thebe, den uiteensplitsenden stralenbundel voorgesteld vinden, zooals die zich uitstort op den middag van de zomersolstitie, den aanvangsdag van het Egyptisch jaar, zullen wij één zijvlak van de Pyramide van Licht hebben. Veronderstel nu dat een rechthoekige pyramide wordt opgetrokken met vier zoodanige zijden die elk respectievelijk tegenover de kardinale punten des hemels staat. Dan volgt hieruit dat, daar elke zonne-omwenteling der aarde een vierde aswenteling later voltooid wordt dan de voorafgaande, elk vierde- of groot-jaar hetzelfde zijvlak naar de zon gekeerd zal zijn wanneer de zonne-omwenteling van de aarde voleindigd is; en aldus is de Egyptische Groot-cyclus (van vier jaar) maçonniek uitgedrukt. Juist zulk een vorm vinden wij in de Groote Pyramide, daar de zijden zóó georiënteerd zijn dat zij oorspronkelijk tegenover de kardinale punten stonden, en haar top zoodanig was afgeplat dat de zon één dag in het jaar ‘met al haar stralen’ er op rust, zoodat het bouwwerk ‘zijn eigen schaduw verslindt’.

Welke verhouding moeten de afmetingen hebben, nu de algemeene vorm bepaald is, of met andere woorden, welken hoek moeten de zijden naar den onzichtbaren top hebben? De aarde in haar loopbaan geeft het antwoord. Want daar die planeet in een (benaderd) cirkelvormig pad om de zon heen beweegt, terwijl elke straal naar haar toe in een rechte lijn valt, kan de verhouding tusschen de lichtgevende kracht en het verlichte lichaam uitgedrukt worden door de verhouding tusschen den straal en den omtrek van een cirkel.4

Laten wij thans nog nagaan op welke wijze wij een eenheid van maat kunnen verkrijgen, die ons de juistheid aantoont van de verzinnebeelding der astronomische verhoudingsgetallen in het bouwwerk. Ook deze maat kunnen wij aan de aarde ontleenen en wel aan de as.

De engelsche duim is 250,250,000 maal in de aardas begrepen; wanneer wij deze duim met een duizendste deel van hare lengte vergrooten, verkrijgen wij eene duimmaat die als Pyramideduim gebezigd wordt en bekend staat. Deze duim is dan in de aardas 250 millioen maal begrepen.

De deksteenen der Pyramide, waarvan er een opgemeten werd door Dixon, zijn 25.025 Eng. duim lang; of 25 van de gemelde duimen. De lengte van den steen is dus 10 millioen maal in de aardas begrepen, en nu wordt door Smyth en Adams deze maat als eenheid aangenomen. Deze maat of liever verhouding staat op zichzelf. Doch wat bleek verder?

De lengte van de onderste deklaag der Pyramide bedraagt juist 1/20 van een geografische mijl. Wanneer wij nu de pyramide-eenheidsmaat hierop afmeten, bevinden wij dat deze 365.25 maal in deze lengte begrepen is en 1461 of 4 maal 365–1/4 maal in den geheelen omtrek van het grondvlak. Blijkbaar is dus hier eene symbolische voorstelling van het aantal dagen van het zonnejaar en van den grooten cyclus van vier jaren.

Adams zegt met betrekking tot deze symbolische voorstelling:

“Het schijnt daarom niet onredelijk te denken dat, alvorens de deksteenen ten slotte het geheim afsloten, de betrekkingen van zon en maan tot den stand van Sothis en de Poolster in overeenstemming zouden gebracht zijn met de trappenreeksen van de Pyramide op de juist beschreven wijze; en aldus is een uitgangspunt voor alle bewegingen der aarde, hetzij in hare betrekking tot de maan, de zon, de equinoxen, of de sterren, onveranderlijk in het maçonnieke licht vastgelegd”.

“Het schijnt daarom niet onredelijk te denken dat, alvorens de deksteenen ten slotte het geheim afsloten, de betrekkingen van zon en maan tot den stand van Sothis en de Poolster in overeenstemming zouden gebracht zijn met de trappenreeksen van de Pyramide op de juist beschreven wijze; en aldus is een uitgangspunt voor alle bewegingen der aarde, hetzij in hare betrekking tot de maan, de zon, de equinoxen, of de sterren, onveranderlijk in het maçonnieke licht vastgelegd”.

Ik zou nog tal van voorbeelden kunnen geven van de wijze waarop astronomische waarheden in verband met het bouwwerk der Pyramide symbolisch zijn voorgesteld, doch dan zouden voor een populaire verhandeling als deze te veel technische punten aangevoerd moeten worden. Ik vrees zelfs dat het voorafgaande vele lezers zal doen terugschrikken voor een verder ingaan op deze punten. Aan hen die echter daarin belang stellen, raad ik aan daarover na te slaanOur Inheritance in the Great Pyramiden bovenal Marsham Adams’House of the Hidden Places; dit laatste werk vooral aan Theosofisch studeerenden. Over de symbologie der Pyramide in verband met de maçonnerie kan men lezen in de navolgende lezenswaardige brochuresThe Great Pyramid and Freemasonrydoor John Chapman. P. P. G. D. enA Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting an intimate relationship with the Probable Foundation of Freemasonry, door W. Charles Langley.

Hoewel dus over dit punt vrij wat meer te zeggen valt dan ik hier deed, laat ik dit na om de gemelde reden en zal er toe overgaan de mystieke theorieën te behandelen, welke volgens mij van het meeste belang zijn.

1Hetgeen ik hier mededeel met betrekking tot Proctor’s verklaring is gedeeltelijk ontleend aanKnowledge, Vol. I, en aanOrigin and Significance of the Great PyramiddoorStaniland Wake, blz. 6–19.2Origin and Significance of the Great Pyramid, blz. 12.3Marsham Adams.The House of the Hidden Places, blz. 147.4t.a.p. 149, 150, 151.

1Hetgeen ik hier mededeel met betrekking tot Proctor’s verklaring is gedeeltelijk ontleend aanKnowledge, Vol. I, en aanOrigin and Significance of the Great PyramiddoorStaniland Wake, blz. 6–19.

2Origin and Significance of the Great Pyramid, blz. 12.

3Marsham Adams.The House of the Hidden Places, blz. 147.

4t.a.p. 149, 150, 151.


Back to IndexNext