Hoofdstuk VIII.Mystieke Theorieën.Onder de schrijvers van jongeren datum over ons onderwerp bekleedt Marsham Adams eene plaats, welke geheel afgescheiden is van die der ouderen. De meeste theorieën, welke wij tot dusver nagingen, vertoonden een punt van overeenstemming met elkander en berustten vaak op een gemeenschappelijk uitgangspunt. Marsham Adams echter heeft ons in zijn beide werkenThe Book of the MasterenThe House of the Hidden Placeseen geheel nieuwe richting van denken aangeduid, welke ik thans beschrijven zal. De godsdienstige denkbeelden der Egyptenaren zijn in hoofdzaak weergegeven inHet Boek der Doodenen de Egyptenaren, wel wetende dat de papyrus, waarop de denkbeelden neergeschreven zijn, vergankelijk is, wenschten deze denkbeelden aan de latere geslachten bekend te maken en na te laten. Vandaar hun onvermoeide ijver om in schoonen kunstvorm op de muren van de tempels en van hunne andere bouwwerken hunne godsdienstige denkbeelden en geschiedenis weer te geven. Doch ook hiermede was de vergankelijkheid dezer mededeelingen aan het nageslacht niet overwonnen.Eén middel was nog mogelijk, en wel een dat bij dit volk van groote bouwwerken zeer voor de hand lag, namelijk het in een bouwwerk in symbolischen vorm weergeven van deze leeringen. Een tweede doel werd hiermede gediend, want een belangrijk kenmerk van den godsdienst van dit volk was, dat de profanen, zoowel als de trapsgewijze opklimmende graden van priesters, de zedeleer en wijsheid van hun godsdienst leerden door symbolen en ritueel. Het bouwwerk kon dan tevens dienst doen als een tempel van inwijding in de mysteriën van den godsdienst.Met betrekking tot deze zeer uiteenloopende wijzen om hun godsdienstige begrippen voor het nageslacht te bewaren, merkt Adams op:Het is moeilijk een grooter tegenstelling te bedenken dan die welke geboden wordt door de beide vormen, waarin het verslag der Egyptische leer bewaard werd. De papyri zijn vergankelijk, talrijk, afwisselend in lengte en volgorde. Het monument in steen is eenig tot het onvergankelijke toe, niet onderhevig aan afwijking, en het staat daar onveranderd en onveranderend, onverschillig voor de aanvallen van tijd of mensch.1In beide genoemde werken handelt Adams eveneens over andere aanzichten van het vraagstuk der Pyramide, doch deze aanzichten zijn meerendeels verkorte overzichten van de sterrengodsdiensttheorie, terwijl zijn opvattingen van enkele verzinnebeeldingen van natuurfeiten in het bouwwerk zeer oppervlakkig en geenszins te bewijzen zijn. Dit is jammer, daar het natuurlijk afbreuk moet doen aan de waarde van het geheel zijner theorieën. Nochtans is het hoofddenkbeeld van zijne uiteenzetting van groote waarde voor Theosofen, omdat zij in verband met andere gegevens uit hunne literatuur hier steun vinden voor hunne bewering dat de Groote Pyramide een tempel van inwijding was. Waarschijnlijk is het dan ook om deze reden, dat zijne werken den Theosofischen studeerende van bevoegde zijde steeds ter bestudeering aanbevolen werden. Stellig kunnen wij veel schoons vinden in zijne theorie, en om deze reden wil ik ze hier dan ook uitvoerig vermelden. Tot een beter begrip van hetgeen wij zullen aanhalen, dienen wij ons in de eerste plaats echter een denkbeeld te vormen van wat hetBoek der Doodenis.De algemeene wetenschappelijke verklaring is deze. HetBoek der Doodenbestaat uit een groot aantal bijeenverzamelde hoofdstukken, waarvan de tekst zoowel op tempelmuren ingegrift, als op papyri gevonden werd. Deze papyri werden ontdekt, verborgen in de gewaden van mummie’s. Naar het tijdperk, waarin de verschillende afschriften werden opgeschreven, hetzij op tempelmuren of op papyri of op een andere wijze, worden zij verdeeld in vier verzamelingen, namelijk de Heliopolische in hieroglyphen, de Thebaansche eveneens in hieroglyphen2, dan die van de twintigste Dynastie, geschreven in hieratisch schrift, en ten slotte de Saïtische of die van de zes en twintigste Dynastie3. Op deze papyri zou dan vermeld staan de levensgeschiedenis van de mummie, zijne zonden, deugden en daden, zijne verwachtingen voor een toekomst na dit leven, wat hem overkwam of overkomen moest aan gene zijde des doods, en voornamelijk de smeekbeden van de nagelatenbetrekkingen aan “den God van de stad” en andere goden om den doode voort te helpen op zijn vredespad aan gene zijde, hem te steunen en te beschermen, welke smeekbeden uitgesproken werden door “de priesters van deka” (het dubbel). Deze smeekbeden werden op papyri opgeteekend en met de mummie begraven. Toen dit gebruik in verval raakte, werden papyri geschreven waarop alleen de plaats voor den naam opengelaten werd. Deze werden verkocht en wanneer iemand stierf werd de naam ingevuld en de papyrus bij de mummie ingewikkeld. Waarschijnlijk was dit om tijd en geld te sparen. Met betrekking tot de geschiedenis en den oorsprong van hetBoek der Doodenzegt Budge in zijn vertaling van de Thebaansche verzameling van dit werk:Noch onderzoekingen, noch ontdekkingen hebben ons tot nog toe eenigerlei inlichting verschaft aangaande het tehuis, den oorsprong en de vroegste geschiedenis van hetBoek der Dooden. Het schijnt vrij duidelijk dat, zooals boven gezegd werd, de allereerste vorm van hetBoek der Doodenbestond uit de woorden of smeekbeden, door verwanten en vrienden gericht tot den “god der stad” en tot een verzameling bovennatuurlijke machten, ten behoeve van den afgestorvene....4en verderWaar en door wien de teksten van het Boek der Dooden werden samen gesteld, is eveneens onbekend.5terwijl wij lezen:Sinds onheuglijke tijden werd de God Thoth, die zoowel het goddelijke verstandswezen, dat bij de schepping de woorden uitte welke tenuitvoer gebracht werden door Ptah en Khnemu, als de schrijver der goden was, in verband gebracht met de voortbrenging van hetBoek der Dooden, en hoewel hij oorspronkelijk de god van den tijd en de tijdaanteekenaar van hemel en aarde was, verschijnt hij vaak als de raadgever en helper van den afgestorvene.6In hetBoek der Ademhalingen(een deel van hetBoek der Dooden) lezen wij:Thôth, de machtigste god, de heer van Khemenna, komt tot u en hij schrijft voor u hetBoek der Ademhalingenmet zijn eigen vingers.Van een Theosofisch standpunt zouden wij gaarne een andere opvatting willen aanvoeren over ditBoek der Dooden. Adams denkt eveneens anders over het werk. Gaarne zou hij zien dat men vooral den Turijnschen papyrus niet hetBoek der Doodenzou noemen, of beter (zooals Champollion deed)Begrafenis Ritueel, maar dat men er den titel aan gaf, dien het zich zelf geeft. “Het Boek van den Meester van het geheime huis is zijn naam”7. Mijn gevoelen nu is dit. Ik zou in plaats van louterDoodenwillen lezen:Dooden voor het vleesch, Ingewijden; of kortwegBoek der IngewijdenofBoek over de Ingewijden.Thôth toch is mijns gevoelens de groote leeraar Hermes,8die als onderrichter in de mysteriën van het oude Egypte optrad, en uit bovengenoemde aanhalingen blijkt vrijwel dat er hier sprake van kan zijn, dat aan den leerling een geschrift gegeven werd, waarin de ritueele wijsheid opgeteekend stond tot zijn verdere voorlichting, en dat als bewijs diende dat hij tot een zekeren graad bevorderd was.Adams dacht reeds in deze zelfde richting, hoewel niet zoo ver gaande, doch hij merkt op dat de titel van het werk zeer ongelukkig gekozen is,want hij geeft het denkbeeld, de heilige afgestorvenen te beschouwen als dood, terwijl de geheele opvatting van de leer de onderrichting in het Leven en het Licht was.9Wij kunnen thans, nu wij weten wat bedoeld wordt met hetBoek der Dooden, en geholpen door de kennis die wij bijeenverzameld hebben omtrent de Groote Pyramide, overgaan tot het opbouwen van eene theorie waarin deze beide gegevens de hoofdfactorenzijn tot het in overeenstemming brengen van hetgeen Adams ons mededeelt in zijn werken, hetgeen maçonnieke schrijvers (voorstanders van het beginsel dat de Vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Mysteriën) ons verkondigen als hunne meening, en hetgeen door Theosofische schrijvers is beweerd. Het komt mij voor, dat ik deze theorieën niet afzonderlijk kan behandelen, daar zij te veel gemeen hebben en de een de andere steunt. Ik zal mij dus in dezen er toe bepalen aan de hand van hetgeen Adams mededeelt als zijn opvatting, de maçonnieke en Theosofische lezingen op dit punt te beschrijven.In zijnBoek of the Masterzegt Adams:Alleen wanneer wij het Geheime Huis vergelijken met het Geheime Boek van zijn Meester, begrijpen wij de beteekenis van zijn geheime plaatsen—duisternis die duisternis verlicht en mysterie dat mysterie onthult. En alleen dan kunnen wij opmerken hoe wij in deze plaatsen den sleutel bezitten tot de ‘Ordewoorden’ van het Geheime Boek. Zoo wordt dan de bepaling van de Egyptische Theosofie gebracht uit het gebied van de archaeologische bespiegeling en teruggebracht tot de vergelijking van twee bestaande en duidelijk omschreven verslagen. Hier is een papyrus die beweert de geheime schriftrol te zijn welke behoort aan den Meester van het Geheime Huis; daar is een geheim huis, waarin, volgens de Egyptische overlevering, de geheime wijsheid, waarop die schriftrol betrekking heeft, aan den kandidaat werd medegedeeld. Die schriftrol vangt aan met den Ingang tot het Licht; en het Licht was de naam waaronder dat huis bekend was. De schriftrol is vol verwijzingen naar geheime gangen en kamers; en geheime kamers en gangen maken het geheele inwendige van dat huis uit. De voornaamste van de in de schriftrol genoemde kamers is de Dubbele Zaal van Waarheid; en de voornaamste van de kamers van het huis is de Dubbele Zaal van gebeeldhouwde Pracht. In de schriftrol verhaalt het laatste hoofdstuk van de wederopstanding van het Lichaam, en in het huis is de laatste kamer de kamer van het Open Graf. En terwijl het eene verslag in overeenstemming is met het andere in het uitdrukken van de Waarheid in Licht, zijn de beelden die de vastgelegde waarheid der leering in het Ritueel uitdrukken, in overeenstemming met de verhoudingen van wetenschappelijke waarheid die in het gebouw hare uitdrukking vinden.”10Het is wellicht noodzakelijk, op te merken dat Adams hier in beeldrijke spraak en volgens eigen opvatting andere dan de gebruikelijke benamingen bezigt. Zijn boek van den Meester van het verborgen Huis is het Boek der Dooden, zijn verborgen Huis is de Groote Pyramide, de zaal van gebeeldhouwde Pracht is de Groote Galerij.Wij zien uit het zooeven aangehaalde wel in, dat Adams denkt dat de godsdienstige leeringen der Egyptenaren vervat waren in hetBoek der Dooden, en dat de Pyramide de Tempel is waarin de leeringen in steen verzinnebeeld zijn, maar dat deze tevens de plaats was waarin deze leeringen werden medegedeeld. De wijze van mededeeling is dan in hoofdzaak de volgende. De kandidaat ziet zekere begrippen verzinnebeeld of doorloopt in zinnebeeldigen vorm enkele dezer. Daarna wordt hem de beteekenis medegedeeld van hetgeen hij zag en van hetgeen hij doormaakte. Dit is in hoofdzaak waar, en komt geheel overeen met de nog bestaande maçonnieke inwijdingsgebruiken, waarbij de leerling de reizen in de Loge aflegt, en de Achtbare Meester hem daarna de beteekenis van dezen symbolischen omgang uitlegt. Het verschil tusschen de opvatting van Adams en die der vrijmetselaren omtrent het doormaken van deze reizen moet noodzakelijkerwijze bij eenig nadenken een ieder duidelijk zijn. Bij de reizen van den kandidaat voor inwijding in de Pyramide doorliep hij symbolisch de gebieden aan gene zijde des doods en hem werden bij de uitlegging dezer reizen vele belangrijke dingen onthuld omtrent die gebieden. Dit was natuurlijk bij de lagere inwijdingen het geval. Bij verdere inwijdingen werd hij onderricht omtrent de verschillende lichamen van den mensch, hun ontstaan en werking en ten slotte hun verband tot den Logos van dit stelsel. Voor den ernstigen bestudeerder is dit alles na te gaan in hetBoek der Dooden, zooals wij zouden kunnen aantoonen.En nu is het mijn gevoelen, dat de reizen bij de inwijding van den kandidaat voor Vrijmetselarij oorspronkelijk hetzelfde beteekenden, doch dat met het verdwijnen van de kennis omtrent de waarde en beteekenis der symbolen bij de leden dier orde, ook het juiste begrip hieromtrent verdwenen is. Het is mijne ernstige overtuiging, dat indien een vrijmetselaar, die grondig bekend is met de verschillende symbolen en oude gebruiken der Orde, hetBoek der Doodenernstig bestudeerde in verband met deze, hij de analogie zou vinden en een hoeksteen zou hebben bijgebracht tot het bewijs van een verband dier orde met de oude Priesterkasten in Egypte. Want hoewel het mijn en veler anderen persoonlijk gevoelen is, dat de vrijmetselarij in verband staat met de oude Egyptische mysteriën, is mijns inziens hetbewijsnog nimmer volkomen geleverd en is er dus nog steeds een ruim veld van arbeid voor de voorstanders dezer bewering. G. Oliver zegt in zijn werkGeschiedenis der Inwijdingen: “Zonder twijfel zijn depyramiden kort na de verstrooiing daargesteld als afbeeldingen van den grooten toren in de vlakte van Shinar, en evenals de laatste diende om de inwijdingen te verrichten zoo dienden daartoe ook de eersten.” Nu is Broeder Oliver een man van gezag onder de Broederen; de lezing van zijn werk echter is wel bevredigend voor wie zijn gevoelen deelt, doch levert geen bewijs voor een tegenstander der theorie. Evenmin kan men als bewijs aanhalen hetgeen Clavel zegt omtrent inwijdingen in de Pyramide in zijn werkGeschiedenis der Vrijmetselarij. Het denkbeeld is aan velen gemeen, doch het bewijs moet nog geleverd worden.Van een Theosofisch standpunt zou ik zoowel tegen de theorie van Adams als tegen die der vrijmetselaars willen opmerken dat ik het niet eens kan zijn met hunne opvatting dat deze inwijdingdoorgemaaktwerd in hetstoffelijklichaam. Ik meen te mogen opmaken dat alle ons gedane mededeelingen van Theosofische gezaghebbenden er op duiden dat deze inwijdingen doorgemaakt werden in het astrale of in hoogere lichamen. Het fysieke lichaam werd wel uit den tempel langs ondergrondschen weg naar de Pyramide geleid en daar in trance bewaard tot na afloop der ceremonie, doch de inwijding werd van A tot Z doorgemaakt in het astraallichaam. Is dit zoo, dan begrijpen wij eveneens waarom er geen bezwaar aan verbonden was dat de ingang der Pyramide afgesloten was door de marmeren deklaag. De eerste proef was of de entiteit zoodanig bewust was in zijn astraallichaam dat hij wist dat hierin geen hinderpaal van zijn voortgang bestond. Dit feit is in overeenstemming met hetgeen ons ook medegedeeld wordt door andere schrijvers over dit onderwerp.Hierin vinden wij ook de oplossing voor de tegenwerping dat er geen licht zoude zijn. Astraal licht was er toch, en zouden de aura’s der hierofanten niet voldoende licht geven voor den kandidaat? Bij eene stoffelijke inwijding zou dit bezwaar zeker bestaan, tenzij kunstlicht in voldoende mate bekend was, hetgeen naar enkele schrijvers beweren, wel het geval was.Hebben wij eenigszins uitvoerig hierbij stilgestaan, het was noodig tot een juist begrip van veel dat volgen zal. Gaan wij thans verder met het eigenlijke punt van behandeling, namelijk het doorloopen van het inwijdingsceremoniëel in de groote Pyramide volgens hetBoek der Dooden.In de Juni- en Juli-aflevering vanThe South African Theosophistheeft Br. G. D. Stonestreet in een verhandeling overThe Originof Freemasonrygezegd dat hij het onnoodig vond, voor vrijmetselaars de overeenkomsten aan te toonen die er bestaan tusschen hetgeen Adams schrijft en hetgeen de Vrijmetselarij leert. Dit is zeer zeker waar; en voor hen die niet met de symbolen en gebruiken der Vrijmetselarij bekend zijn, is het verband niet aan te toonen. Het is derhalve voldoende uitvoerig te vermelden hetgeen Adams schrijft.Adams verdeelt de inwijdingsceremonie in die van drie graden, namelijk:Eerste graad:De Inwijding van den Kandidaat, welke graad verzinnebeeld werd door een scarabee—het symbool van den “Eeuwige”, het zelfgeschapen wezen dat geen Begin, en geen Einde kent.Tweede graad:De verlichting in Waarheid, welke graad voorgesteld werd door een figuur, staande voor “Amen”, de verborgen godheid.Derde graad:De Meester van het geheim, welke graad voorgesteld werd door een grafsteen.Voordat wij thans overgaan tot de beschrijving van het ceremoniëel vanDe Inwijding van den Kandidaatvolgens hetBoek der Dooden, willen wij eerst iets mededeelen over enkele Egyptische begrippen in verband met deze dingen.Volgens de leer der Egyptenaren werd de vereeniging van den innerlijken mensch met de Godheid op zeer langzame wijze voorbereid om ten slotte door een daad van groot ceremoniëel plotseling tot stand te komen in haar uiterste instantie. De Mensch-God Osiris werd met den God Osiris vereend in bewustzijn, doordien die innerlijke mensch tot de gestalte van Osiris wies. Vandaar dat wij in het ritueel steeds goed moeten letten op het onderscheid tusschen den ingewijden Osiris of den waren mensch en de Godheid Osiris. Zoodra de Mensch-God Osiris deze gestalte verkregen had, deelde hij in het bewustzijn van de Godheid. Met deze vereeniging ging gepaard een verkrijgen van hoogere kennis omtrent denmikrokosmosen den makrokosmos.Adams geeft in wonderschoone bewoordingen weer hoe dit verkrijgen van kennis geschiedt, en voor degenen die geen Engelsch lezen, is het zeker de moeite waard dit stuk hier in zijn geheel aan te halen:De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met de goddelijkeKracht. De zinnen, wederom onbedorven, werden langzamerhand gevormd tot werktuigen, in staat om het opgaan der ziel in die oneindige kracht weer te geven, voor welke de grenzen van ruimte en tijd niet bestaan, maar voor welke verleden en toekomst gelijkelijk openstaan in een eindeloos heden; die alles te boven gaande vrijheid, waarin Handeling één is met Willen en Willen eenzelvig met Denken. Opdat de zinnen zoodanig belevendigd en verlicht mogen worden dat zij de werking van het Scheppend Denkvermogen in het uiterlijk heelal waar kunnen nemen, moet die vordering door den ‘overledene’in persoondoorgemaakt worden, welke de bestudeerder der wetenschap, terwijl hij nog niet bevrijd is van onderworpenheid aan de zinnen, vagelijk maakt door het verstand. Want wie het samengestelde bouwwerk van de hemelen zou willen begrijpen, het samenstel van de heilige verblijfplaats van den mensch, moet uitgaan van de poolster, en den horizon trekkende vanuit het punt der Equinoxen, hetwelk een gelijke verdeeling geeft tusschen het licht en de duisternis, moet hij begrijpen hoe de as der aarde voor den mensch de oorspronkelijke ruimtemaat is en de standaardmaat der Diepten. Indien hij het geheim van den levenden vorm zou willen kennen, zal de oceaan zijn leeraar zijn als hij van het strand tot de diepste diepten gaat en de geheime plaatsen van de kokende wateren peilt. De maat van de omloopen aan den hemel zal hem onthuld worden door de maan, daar hij door middel van dien wachter de draaiing en wenteling van onze planeet waarneemt. Om niet louter de beweging maar de ontwikkeling van onzen bol te begrijpen, moet hij de plaats van het centrale vuur der aarde trotseeren, onbevreesd voor de duisternis der grotten van de vlammende afgronden. En daar, terugziende over ontelbare eeuwen, zal hij temidden van aardbevingen en ondenkbare aardrampen den ‘Heer der Wet’ en de ‘Ordewoorden’ vinden; terwijl de reusachtige bergketenen hooger en hooger uit den chaos omhoogrijzen om de oppervlakte der aarde voor te bereiden tot woonplaats van den mensch. Vervolgens strekt zich voor hem de schaduw der aarde uit in dat vaag verlichte en uitgestrekte uitspansel, waar de majesteit der open hemelen in nacht omhuld is; en hij neemt waar hoe de samenstanden der eclipsen te danken zijn aan dezelfde macht als de omloopen van verlichting, en hoe het uur der duisternis afgemeten wordt door den Gever van het Licht. Wanneer hij die schaduw doorgegaan is, treft hem een nog meer ontzag inboezemend gezicht, de vreeselijke pracht van de zonnebron in al hare volheid; en als hij langs den zevenvoudigen opgang van de planetensfeer omhoogstijgt, blikt hij onverblind op de reusachtige lichtbundels en vlammenstralen, die plotseling duizenden en myriaden mijlen hoog te voorschijn schieten. Dan, verre in de oneindige diepten en ruimten, zoeken zijne oogen, thans schitterend ‘als de oogen van Hator’, den veelgeliefden Sothis [Sirius], den brenger van de nieuwe dageraad, het portaal van de onbegrensbare hemelen, ‘dat land van millioenen sterkten’.11Uit het hier aangehaalde blijkt wel, dat Adams meent dat dekennis van het zonnestelsel en het heelal een deel vormde van de wijsheid, die den kandidaat voor kennis medegedeeld werd in de Groote Pyramide, en wel voornamelijk dooraanschouwing.Alvorens nu echter verder te gaan, kan het goed zijn dat wij ons eerst een denkbeeld trachten te vormen van hetgeen onder die Mysteriën begrepenkanworden. Van de hoogere mysteriën, al weten wij niet wat zij geven, kunnen wij toch zeggen, dat zij eene inwijding zijn in de hoogste kennis aangaande den mikrokosmos en den makrokosmos en het verband tusschen beide. Hoe hoog die kennis gaan kan, kunnen wij met ons lagere verstand niet bevatten. Maar alleen zou ik denken dat veel, wat nu als geopenbaarde kennis aan de wereld gegeven is, in die tijden der oudheid behoorde tot de mysteriën. Wij zijn rijp geworden voor kennis, waarvoor de menschen van dien tijd niet rijp waren. Ik grond deze meening op een feit, dat ook vermeld wordt in deGeheime Leer. Enkele ingewijden of dichters, die aan deze kennis kwamen door hunne intuïtie, wisten van de werkelijke bewegingen der aarde, zon en in het algemeen van de ware inrichting van het zonnestelsel, toen de massa nog niet beter wist, dan dat de aarde het middelpunt der schepping was en alles om haar wentelde. Zoodra zij (de ingewijden of de dichters) dit feit onbedacht aan de wereld mededeelden, volgde daarop de straf: dood of verbanning. Thans zijn deze dingen niet meer geheim of verborgen. In het algemeen kunnen wij ons voorstellen dat de leer van den bouw des heelals en de wetten van de regeling er van een deel der mysteriën uitmaakten, en wel een zeer voornaam deel. Waarschijnlijk werden de eenvoudigste wetten en waarheden in symbolischen vorm den volke verkondigd in de tempels, en dan zien wij dus dat de sterrenleer der ouden, n.l. de sterrenwichelarij, de sterrenvergoding enzoovoorts, de exoterische vormen waren, waarin de machtige wetten van den makrokosmos verzinnebeeld werden. De sterrenleer was schoon en waar maar de kern was nog schooner en machtiger.Zoo kan ik mij dus denken, dat in de mysteriën verklaringen gegeven werden van deze uiterlijke symbolen en sterrenleer en meer dan dat, dat ook de leer der cyclussen, als de groote wet van de regeling van den makrokosmos, daar werd geleerd en verklaard.Als dit zoo is, zien wij in waarom de siderische cyclus zulk een groote rol speelt in de theorieën over de Pyramide, en tevens waarom zulk een nauw verband gezocht wordt tusschen de Pyramide en de sterrenkunde, sterrenwichelarij en sterrengodsdienst in het algemeen.H. P. Blavatsky zegt: “De slangen van wijsheid hebben hunne verslagen goed bewaard, en de geschiedenis van de menschelijke evolutie staat opgeteekendaan de Hemelenzoowel als opondergrondsche muren. De menschheid en de sterren zijn onverbreekbaar verbonden, vanwege de Verstandswezens, die de laatste besturen.”Zouden dezeondergrondsche murenniet op muren van de Pyramidekamers doelen? Ik denk van wel, want verder zegt H. P. Blavatsky dat Staniland Wake gelijk heeft met te zeggen: “Het is onbetwistbaar dat de Zondvloed in de legenden van Oostersche volkeren verbonden geweest is, niet alleen met dePyramiden, maar ook met desterreteekens.” Dit schijnt rechtstreeks op het voorgaande te doelen.Het is ook niet onnoodig op te merken, dat het volgens de Egyptische denkwijze niet voldoende was de grondkrachten van het heelal te kennen, benevens al de verschijnselen des hemels en de samenstelling van de meest verwijderde zonnen. Ook was het niet mogelijk de wetenschappelijke kennis zoodanig uit te breiden dat men door den wil een bewerktuigde wereld scheppen kan uit de atomen van de peillooze diepte, enkel en alleen door uitbreiding van het aanzicht van kennis van het bewustzijn. Neen, niet alleen deze uitbreiding van het verstand was voldoende tot inwijdingen in de mysteriën, en de afmetingen en verhoudingen van het verborgen Huis werden niet verklaard zonder dat hij die ingewijd wenschte te worden,wijsheidhad, de leeringen van Thoth (den God der wijsheid) in zich had opgenomen.Geen mensch kan de Godheid aanschouwen wanneer hij niet in de waarheid onderricht is, ook kan niemand de inwijding ontvangen tenzij hijdoodvoor het vleesch is.1M. Adams,The Book of the Master, blz. 105.2Uitgegeven door M. Naville.3De Heliopolische verzameling van hetBoek der Dooden(vijfde en zesde dynastie) zijnde de oudste aan ons bekende vorm van dit werk, is met eene Fransche vertaling uitgegeven door Maspéro inRecueil de Travaux, en afzonderlijk alsLes Inscriptions des Pyramides de Saqqarah, Paris 1894.De verzameling van de elfde en twaalfde dynastie is uitgegeven door Lepsius en Maspéro (zie Birch’sVertaling van den text op de mummiekist van Amamu). Deze vertaling is uitgegeven met een facsimile door het British Museum onderden titel vanEgyptian Texts of the earliest periods from the coffin of Amamu, London, 1886.De Thebaansche verzameling (achttiende tot zes en twintigste dynastie) is uitgegeven door Birch, Mariette, Leeman en Devéria; Naville gaf eene volledige uitgave met Inleiding in 1880.De belangrijkste uitgave van de Saïtische verzameling is die van het Turijnsche Manuscript door Lepsius in 1842, genaamdDas Todtenbuch der Egypter. In 1861 gaf E. de Rougé hetzelfde manuscript uit alsRituel Funéraire. Latere uitgaven van geheele of gedeeltelijke verzamelingen komen voor in:Proceedings of the Society of Biblical Archaeology, vol. VII; Lieblein,Le Livre Egyptien Que mon nom fleurisse, Leipzig 1895; Birch, vertaling van Bunsen’sEgypts Place in Universal History, vol. V, blz. 123–333; Pierret,Le Livre des Morts des anciens Egyptiens.Voor verdere bijzonderheden over hetBoek der Doodenraad ik mijn lezers aan te raadplegenThe Book of the Dead, The Chapters of Coming forth by day, by E. A. Wallis Budge. London, Kegan Paul, Trench, Trubner & Co. 1898.4E. Budge,The Book of the Dead, blz. XLV.5t.a.p. blz. XLVI.6t.a.p. blz. LXXV.7The Book of the Master, blz. 96.8Men leze hieroverHermes, the Thrice-Greatest, door Mead.9Book of the Master, blz. 97.10t.a.p. blz. 123, 124.11House of the Hidden Places, blz. 192–195.Hoofdstuk IX.Mystieke Theorieën II.Aleer ik mij waag aan een verdere uiteenzetting van deze theorieën, wil ik hier nogmaals uitdrukkelijk vermelden dat ik deze hier geheel geef alspersoonlijkeopvatting, en geenszins bewerenwil, of trachten het te bewijzen, dat deze de juiste is. Ik kan dan ook hier slechts een beroep doen op het intuïtief gevoel van mijne lezers bij het maken van gevolgtrekkingen uit defeiten, die ons in ruime mate door verschillende schrijvers verschaft worden. Deze opmerking is te meer noodig aangezien ik, hoewel de theorie van Adams geheel volgende (en hoewel ik het in dezen volkomen met hem eens ben) enkele onderdeelen meer in bijzonderheden kan uitwerken nu de Theosofie ruimere en diepere begrippen over dergelijke zaken heeft verspreid, doch hiermede tevens een zeer gevaarlijk terrein betreed, waar het moeilijk is bewijzen aan te voeren diewetenschappelijkewaarde zouden hebben, omdat ik grootendeels persoonlijke opvattingen moet geven en deze moet laten steunen op enkele aanwijzingen, in deGeheime Leeren andere Theosofische werken gegeven; en hoewel deze natuurlijk voor mij en vele anderen grooter waarde hebben dan menig geleerd wetenschappelijk betoog, kan ik hier nochtans niet van een betrouwenswaardige theorie spreken: het is en blijft louter een persoonlijke uitlegging van gegevens.Thans hetBoek der Doodenter hand nemend wil ik alvorens, over te gaan tot het bespreken van de inwijding in de Groote Pyramide, er nog aan toevoegen dat ik thans dit werk alleen in zooverre wensch te volgen, als noodig is voor het verband met het onderwerp,De Groote Pyramide, en dus niet op een bijzondere beschouwing van den tekst van het werk zelf kan ingaan. Dit zou op zichzelf een te zware taak zijn.In hetBoek der Doodendan vinden wij allereerst enkele inleidende hymnen, lofzangen op Ra, ontleend aan den papyrus van Ani. Volgens de gewone opvatting werden deze hymnen over de mummie uitgesproken door de priesters, om den doode in staat te stellen zijn “geestelijk lichaam” naar den hemel te doen opstijgen. Mijn gevoelen hieromtrent echter is dat de candidaat door het opzeggen van deze hymnen in een soort trance-toestand kwam, en dat zijn hoogere lichamen hierdoor van het grofstoffelijk lichaam ofkhatbevrijd werden, daar de hoogere inwijdingen niet plaats vonden in het stoffelijk lichaam, maar in het astraal (baenka) en in het oorzakelijk lichaam (Sahu.)Gedurende deze ceremonie verliet dus Osiris (de ware mensch), in zijnSahu, dekhat, waarna het fysiek lichaam in een mummiekist geplaatst werd in een sarcofaag, in de crypt onder de pyramide. In deze crypt werd het Nijlwater langs ondergrondsche kanalengevoerd, zoodat de sarcofaag geheel omringd werd door dit water dat tevens diende als beveiliger tegen het indringen van invloeden van buiten in het in trance verkeerende lichaam. De crypt waarin het lichaam geplaatst werd, is waarschijnlijk nog lager gelegen dan de ondergrondsche kamer in de pyramide.DeSahuwordt gezegd gedurende zijn verblijf buiten het lichaam gehuld te zijn in een lichtgevend doorzichtig lichaam ofKhu. DitKhuschijnt mij toe de zoogenaamdeAugoeïdeste zijn, en aangezien dit punt niet van belang ontbloot is, wil ik voor deze meening eenige gronden aanvoeren. In Annie Besant’sEsoterisch Christendomlezen wij:Het glanspunt van de Mysteriën was wanneer de Ingewijde een God werd, hetzij door vereeniging met een goddelijk wezen buiten hemzelf,of door de verwezenlijking van het goddelijk zelfin hem. Dit werd genoemd vervoering en was een toestand van wat de Indische Yogi hooge Samâdhi zou noemen, waarbijhet grove lichaam in trance isende bevrijde ziel haar eigen vereeniging met het Groote Eenetot stand brengt.1en Mead zegt:“Vervoering is niet een eigenlijk zoogenaamde eigenschap, zij is eentoestandvan de ziel, die haar op zulk eene wijze vervormt, dat zij danwaarneemt wat tevoren voor haar verborgen was.”2In deze aanhalingen vinden wij mijns inziens hetzelfde weergegeven als hetgeens Adams met betrekking tot de inwijding in de pyramide uitdrukt in Egyptischen symbolischen zeggingsvorm.Alvorens de kandidaat echter gekomen is tot het punt in zijn evolutie, waarop wij hem thans denken om hem te kunnen volgen bij zijne inwijding in de Pyramide, moet hij vele eigenschappen verkregen hebben, die hem geschikt maken kandidaat voor deze mysteriën te worden, welke laatste hem in hun derden graad willen maken tot een Christos, en het kan nuttig zijn, alvorens het ritueel van hetBoek der Doodenbij de Pyramide-inwijding te volgen, eerst na te gaan wat de weg is, dien de kandidaat tot op dat oogenblik van zijn evolutie moet hebben afgelegd.En hier nu zou ieder Br.·. Vr.·. mij geheel kunnen volgen indien hij het slechts eens met mij was dat de mysteriën der Vrijmetselarij eene weerspiegeling zijn op dit gebied van de inwijdings-ceremoniën, en dat de kandidaat in het ritueel der symbolischegraden op zinnebeeldige wijze de verschillende stadiën der inwijding doorloopt. Want zegt Annie Besant niet:“Voornamelijk werden zij (de kleine mysteriën) als nuttig beschouwd ten opzichte van het bestaanna den dood, daar de Ingewijde dat leerde wat zijn toekomstig geluk verzekerde.”3En is het niet duidelijk dat dit nut voor den kandidaat bewerkt werd in het doorloopen van de symbolische reizen, die wel degelijk, volgens mijne theorie, het doorloopen van het bestaan na den dood door de ziel verzinnebeelden, al weet ik zeer goed dat bijna geen Br.·. dit met mij eens zal zijn, en men mij zal zeggen dat het een gaan door dit leven verzinnebeeldt. Zeer wel, maar dan beweer ik dat zijn reizen zeer wel reden van bestaan vinden in een dusdanige zedelijke verzinnebeelding van het leven, maar dat mijne opvatting van een hooger orde is. En dan hebben wij beiden gelijk. H. P. Blavatsky maakt ook deze onderscheiding en zegt dat er in die tijden was: een vrijmetselarijin den tempelen een vrijmetselarijin de Crypt.4Hoe dit zij, het is mijn vaste overtuiging dat de vrijmetselarij in dien tijd als bedoeling had door hare symbolische en andere leeringen verdedigers en kenners van den godsdienst te vormen en dat een meester vrijmetselaarin de cryptdegene was, die de hoogste inwijding had doorgemaakt en een Christos was geworden.Echter is het hier niet de plaats op deze dingen in te gaan, doch tot zoover had ik eene vermelding er van noodig, om er op te wijzen dat de vrijmetselarij een verklaring van haar ritueel geheel moet zoeken langs de hier aangegeven lijnen, om ten slotte in het ritueel van hetBoek der Doodenhaar hoogste uiting te vinden; en hoewel ik, zooals ik reeds schreef, hier niet verder op wensch in te gaan, ben ik gaarne bereid ieder Br.·. die belang stelt in deze theorie, mijn gevoelen nader uiteen te zetten.Geheel zonder steun van Theosofische zijde is de bewering, dat er eene opeenvolging van mysteriën was in verschillende graden en scholen, aleer eene inwijding in de Pyramide plaats vond, niet. Een goed verstaander moet echter in dezen aan een half woord genoeg hebben, daar eene uitlegging van de woorden licht te veel kan onthullen. Na verschillende deugden en hare wijze van verkrijging beschreven te hebben, schrijft Annie Besant inEsoterisch Christendom, blz. 30.Deze deugden waren noodig voor de Groote Mysteriën, daar zij betrekking hadden op het louteren van het ijle lichaam, waarin de ziel werkte, wanneer zij buiten het grove lichaam was. De gedrags- of praktische deugden behoorden tot het gewone leven van den mensch en werden tot op zekere hoogte vereischt alvorens hij een kandidaat kon zijn zelfs voor een zoodanige school als hierna beschreven wordt.In deze aanhaling zien wij de vereischten die noodig waren om als leerling aangenomen te worden. Ook in andere boeken wordt er op gezinspeeld dat in die tijden een der vereischten vooralleinwijdingen was dat men in het astraal lichaam werkzaam kon zijn.Nu komt iets verder:...Dan kwamen de zuiverende deugden, waardoor het ijle lichaam, dat van de aandoeningen en het lager denkvermogen, gelouterd werd.Dit vond plaats gedurende de evolutie van den kandidaat als leerling.Ten derde de verstandelijke, die behoorden tot den augoeïdes of den lichtvorm van het verstand.De ontwikkeling van deze eigenschappen kenmerkten den tweeden graad, en ten slotte hebben wij:Ten vierde de bespiegelende of vóórbeeldige, waardoor vereeniging met God verwezenlijkt werd,—kenmerkende het doorloopen van de laatste kenbare inwijding, waarbij de volmaakte mensch als Christos wedergeboren wordt. Dat het mogelijk is bij deze laatste inwijdings-ceremonie wederom een verdeeling in drie graden te maken zooals Adams dit doet is mijns inziens volkomen logisch wanneer wij aannemen, dat in een hoogere school eene herhaling plaats vond van wat in de voorgaande scholen was geschied, en dat het nu op een hoogeren trap plaats vond, terwijl dan de hoogste graad verder opwaarts voerde.Men kan uit deze gegevens tot de gevolgtrekking komen dat het lichaamKhu, waarin Osiris verblijft vóór zijn vereeniging met God-Osiris, hetzelfde lichaam moet zijn als dat hetwelk door de Theosofen Augoëides genoemd wordt.Thans kunnen wij ons een denkbeeld vormen van den kandidaat en zijn evolutie tot op het oogenblik van zijn inwijding in de Pyramide, en dat deze inwijding daar plaats vond kan (behalve de vele bewijzen die wij vroeger reeds vermeldden) ook in het aangehaalde werk van Annie Besant gevonden worden:Alleen zij konden erkend worden als kandidaten voor Inwijding, die reeds goed waren zooals menschen goedheid rekenen, volgens de gestrenge maat van de wet. Rein, heilig, zonder bezoedeling, zuiver van zonde, levende zonder overtreding—zoodanig waren enkele van de beschrijvende gezegden die omtrent hen gebruikt werden. Verstandig ook moeten zij zijn, met welontwikkeld en welgeoefend denkvermogen. De ontwikkeling die in de wereld leven na leven voortgezet wordt, het ontwikkelen en meester worden van de vermogens van het denkvermogen, de aandoeningen en den redelijken zin, het leeren door exoterische godsdiensten, het uitoefenen van plichtsvervulling, het streven anderen te helpen en op te heffen—dit alles behoort tot het gewone leven van een ontwikkeld mensch. Wanneer dit alles gedaan is, is de mensch “een goed mensch” geworden, de Chrêstos van de Grieken, en dit moet hij ook zijn vóór hij de Christus, de Gezalfde kan worden. Het exoterisch leven goed vervuld hebbende, wordt hij een kandidaat voor het esoterisch leven en vangt de voorbereiding tot Inwijding aan, hetgeen bestaat in het vervullen van zekere voorwaarden. De voorwaarden bepalen de eigenschappen die hij verkrijgen moet en terwijl hij hard werkt om deze te scheppen, zegt men soms van hem dat hij het Proefpad betreedt, het Pad dat tot deEnge Poortleidt, aan gene zijde waarvan deSmalle Wegis, of hetPad van Heiligheid, deKruisweg.”5En wanneer wij in verband hiermede lezen hetgeen H. P. Blavatsky in deGeheime Leervermeldt, (reeds vroeger door ons aangehaald) namelijk:“En thans, in 1882, schrijft Staniland Wake het volgende: ‘De koningskamer... was waarschijnlijk de plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën.’Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een ‘enge poort’ had; dezelfde ‘enge poort’ die ‘tot het leven leidt’, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn.”6dan zal het duidelijk zijn dat de Christus-Inwijding inderdaad in de Pyramide plaats vond; temeer waar er ook gezegd wordt:“Want Egypte is een van de wereldmiddelpunten der ware Mysteriën gebleven....”7Wij kunnen thans overgaan tot eene beschouwing van het Ritueel van hetBoek der Dooden. De in trance verkeerende kandidaatwerd geplaatst, zooals wij reeds zeiden, in de kamer onder de Pyramide. Hij werd op een kruis geplaatst, soms van den gewonen kruisvorm, soms van den vorm van de Tau. Zijn handen werden met een touw bevestigd aan het kruis, doch het eind van dit touw werd losgelaten, om aan te duiden dat de kandidaat vrijwillig dezen figuurlijken kruisdood doormaakte. De doode verliet thans in zijn “ba” of astraal lichaam zijn “Khat”, en ging buiten zijn lichaam de verschillende voorbereidende beproevingen doormaken.Wij moeten om deze na te gaan, opslaan hfdst. XVII van hetBoek der Dooden, waarvan de tekst luidt:(I) Hier begint de lof en verheerlijking van het uittreden en het ingaan tot de heerlijke onderwereld welke is in het schoone amentet, van het uittreden (II) bij dag in alle vormen van bestaan welke hem [“den doode”] behagen, van damspelen en in de zaal zitten en te voorschijn komen (III) als een levende ziel.Zooals ik reeds zeide is het onmogelijk diep in te gaan op eene volledige uitlegging dezer teksten; slechts de breede beteekenis er van kan hier gegeven worden in verband met het geheel. Hier slaat de tekst op een bekend feit. De kandidaat moest bij zijne inwijding eerst afdalen in de onderwereld: hij “daalde neder ter helle”. Belangrijk is tot een juist begrip, hetgeen C. W. Leadbeater zegt in deChristelijke Geloofsbelijdenis.“De formule door de beoefenaren van Atlantische Magie in overoude tijden aan de Egyptenaren overgeleverd, luidde aldus:‘Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden worden, hij zal sterven, begraven worden en nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden en de dooden te besturen.’De hal der Inwijding was dikwijls onder den grond in een Egyptischen tempel—vermoedelijk vooral om hare ligging geheim te houden, ofschoon het ook bedoeld kan zijn als deel der symboliek van de nederdaling in de stof, die zulk een groote rol speelde in al die oude mysteriën. Het is mogelijk dat er een dergelijke halin of onder de Groote Pyramidewas, want nog slechts een zeer klein deel dier ontzaglijke massa is onderzocht of zal denkelijk ooit onderzocht worden.”8C. W. Leadbeater vermeldt daarna hetgeen wij reeds zeiden omtrent het binden op het kruis, en vermeldt tevens dat het lichaamdan in “een nog lager gelegen gewelf” gebracht werd. Een ieder leze dit gedeelte van het bedoelde werkje dus aandachtig na in verband met deze verhandeling. Vooral ook hetgeen volgt op blz. 81–85. Een kort overzicht van hetgeen daar gezegd wordt moge hier voldoende zijn voor een juist begrijpen van hetgeen wij verder zullen vermelden.De zoogenaamde “doode” bevond zich dus op het astrale gebied vol leven en bewustzijn. Gedurende zijn verblijf aldaar moest hij vele ondervindingen opdoen om hem tot een nuttig wezen in die wereld te maken. Deze nederdaling in de onderwereld (Amentet) bij een inwijding geschiedt opdat de kandidaat zal trachten aan de vele ongelukkigen op dit lage astrale gebied (Kama Loka) hulp te brengen door hen te wijzen op hunne kansen tot verbetering. Tevens moest volgens Egyptisch gebruik de kandidaat gedurende deze “nederdaling ter helle” de zoogenaamde aard-, water-, lucht- en vuurproeven ondergaan—tenzij hij die reeds in een vroeger stadium zijner ontwikkeling doorstaan had. Hij leerde dus dat geen dezer elementen hem deren kan in zijn astraal bestaan. Ook moest hij om deze reden (en ook thans moet dit nog) de vreeselijkste verschijningen in de afschuwelijkste omgeving ontmoeten om vertrouwd te worden met alle omstandigheden dezer gebieden. Ziedaar het nut van dit oude Egyptische ritueel.De tekst van hfdst. XVII van hetBoek der Doodenzal nu duidelijk zijn in algemeene trekken. Vele der voorafgaande hoofdstukken geven hetzelfde weer, bijv. hfdst. Ib:(I) HetHoofdstukvan het doen gaan van de Sahu [het Geestelijk Lichaam] in den Tuat [de Onderwereld] op den dag van de begrafenis, wanneer de volgende woorden moeten opgezegd worden(hier volgt een uitgebreide tekst, dien de lezer wel doet na te slaan in dit verband).en hfdst. VIII:(I) HetHoofdstukvan het gaan door Amentet [en het Tevoorschijntreden] bij dag.en hfdst. IX:(I) HetHoofdstukvan het tevoorschijntreden bij dag na den gang door het graf gedaan te hebben.terwijl in hfdst. X ook gezinspeeld wordt op den strijd en de moeilijkheden aldaar.Een moeilijkheid doet zich echter voor, en geen oplossing is daarvoor te vinden. C. W. Leadbeater spreekt van deze inwijding als de Sotapatti-inwijding, terwijl alle andere gegevens er tot dusver op duidden dat de Christus-inwijding zou hebben plaats gevonden in de Pyramide. De Christus-inwijding is dan ook dehoogstekenbare inwijding, niet de Sotapatti-inwijding, welke laatste tot de kleine Mysteriën behoort. Verwondering baart het dus dat C. W. Leadbeater hier de Sotapatti-inwijding noemt de “hoogste” inwijding die in Egypte plaats vond.Dit laatste kan slechts het geval zijn wanneer wij spreken van Egypte in zijn vervaltijd, doch niet toen het zijn grootsten bloei beleefde en de Groote Mysteriën hun zetel hadden in de Groote Pyramide.Zeer zeker zou licht gewenscht zijn op dit punt, doch geenszins zie ik kans het dilemma op te lossen.(I) Nog eenHoofdstuk[dat opgezegd moet worden] door iemand die bij dag te voorschijn treedt tegen zijne vijanden in de Onderwereld.Hetzelfde wordt weergegeven in de hoofdstukken XI (i), XII (ii), XIII, en ik vermeen dat hfdst. XV een zegezang is na de overwinning en den gelukkigen doorgang door de onderwereld.Adams meent dat deze hoofdstukken den kandidaat medegedeeld worden aleer hij in het “graf” daalt om hem voor te bereiden op hetgeen hem wacht. Ook deze uitlegging is nu wel te aanvaarden indien men veronderstelt dat al deze hoofdstukken op één persoon in denzelfden tijd betrekking hebben. Doet men dit niet, dan is het eer aan te nemen dat zij hetzelfde feit, namelijk het gaan naar de Onderwereld, op verschillende wijzen beschrijven.De verdere hoofdstukken van hetBoek der Doodenzijn aan geen verschil van opvatting onderhevig. Hfdst. XVII beschrijft het gaan in de Onderwereld zelf met een korte opsomming van de toetsen, vijanden en gevaren, welke den doode wachten, en van hfdst. XVIII af kunnen wij het doormaken der beproevingen volgen. Adams zegt dan ook:“De vrienden zijn verdwenen. De zon, die van zijn vroegste jaren af het ontwaken van den gestorvene begroet heeft, is voor altijd uit zijn gezicht verdwenen. De “Poort der Aarde” is hij doorgegaan; en de Kandidaat voor Wijsheid is de Strever naar Onsterfelijkheid geworden. Ondenkbare stilte heerscht rondom hem, een niet te begrijpen duisternis ligt voor hem. Maar onder de leiding van Anup, den gids der zielen,gaat hij door die Poort der Opstijging, waar het goddelijk licht den steen van het graf heft. ‘Het is het gebied van zijn vader Shu (het Licht)’, vervolgt het Ritueel: ‘hij wascht zijne zonden weg, hij doet zijne wonde plekken verdwijnen’. Dan, wanneer de gestorvene in de duisternis voorwaarts treedt en onbevreesd het benedenwaartsche pad afgaat, onthult het innerlijk Licht, ongezien door het sterfelijk oog, zich in een visioen. Hij ziet de Onderwereld (hfdst. XVII) het gebied der Inwijding, den ingang tot de verborgen plaatsen, met betrekking tot welke de goddelijke Wijsheid hem geleerd heeft, dat het de plaats is ‘waar hij moet binnentreden en van waar uit hij moet tevoorschijntreden’, de veranderingen die hij begeeren moet door te maken opdat hij tot de gelijkenis van God vervormd moge worden, de goede werken die hij moet verrichten, de troon van de herschapen ziel, en het gezegende gezelschap van Osiris nadat het lichaam ter ruste gelegd is. In datzelfde visioen ziet hij ook den ingang van de Onderwereld, of Rusta, en verneemt dat het de noordelijke deur van het graf van Osiris is, terwijl de eenige ingang van de Pyramide de noordelijke ingang is.9Symbolisch wordt dus het gaan in en het betreden van de benedenwaartsche gang in de Pyramide beschouwd als het betreden van de onderwereld. Wanneer het lichaam dan op de Tau geplaatst is in een trance-toestand, vangt de beproeving op het astraal gebied aan, welke gevolgd moet worden door de beproeving op het verstandsgebied, om te worden bekroond door een geboorte op het Buddhisch gebied, terwijl de lichamen door verschillende transformaties geschikt worden gemaakt om dit schitterend Buddhisch beginsel ten slotte op te nemen. Dit alles zullen wij vinden in het ritueel van hetBoek der Doodenen met dezen voortgang der Inwijding gaat eene verplaatsing van het stoffelijk lichaam gepaard langs den symbolischen weg in de Pyramide. Den tekst van hoofdstuk XVII vermeldden wij reeds, als te kennen gevende wat den kandidaat te wachten staat in die onderwereld. Het zal echter niet wel mogelijk zijn het ritueel te volgen door hoofdstuk na hoofdstuk in verband daarmede aan te halen, want evenals dit in onzenBijbelhet geval is, werd door de samenstellers van hetBoek der Doodennatuurlijk geenszins deze opvatting van den tekst gehuldigd, en is deze op eene schromelijke manier dooreengeward. In dezen tekst zijn n.l. door elkaar heen te vinden:(a) het doorloopen van de inwijding volgens het Egyptische ritueel.(b) de verklaring van den hierofant aan de leerlingen van het ritueel zelf.(c) de verklaring van de inwijding van den kandidaat als verzinnebeeldende de nederdaling van den Logos in de stof.(d) de verklaring van verschillende leeringen van den exoterischen godsdienst, als daar zijn reïncarnatie, de drievoudige, zevenvoudige en meervoudige samenstelling van den mensch, zijn verband als mikrokosmos tot den makrokosmos, enz.Wij zien dus dat het op zichzelf heel wat studie en zeer veel kennis zou vorderen om hetBoek der Doodenaldus te ontleden, en het kan dus thans ook niet mogelijk zijn dit te dezer plaatse in een kort bestek te doen in verband met ons onderhavig onderwerp. Ik wenschte er echter alleen op te wijzen, daar anders mijn aanhalingen uit de verschillende hoofdstukken van hetBoek der Doodenzonder een bepaalde volgorde eenigszins willekeurig zouden gelijken. Bij een juist denkbeeld van de samenstelling van het werk valt deze willekeurigheid weg.Tot beter begrip van enkele gebeurtenissen in het ritueel is het niet onnoodig het volgende op te merken. Er wordt in enkele gedeelten van het ritueel veel gesproken over de “krokodil” en veel over het “hart”. Het is natuurlijk steeds in symbolische beteekenis dat deze woorden gebruikt worden. De “krokodil” beteekent in de meeste gevallen Manas, het Denkvermogen en wordt dan gewoonlijk beschouwd als vijand van denwerkelijkenmensch Osiris, als trachtende hem te bewegen tot afscheiding, de gevaarlijkste eigenschap van den “vijfpuntigen” mensch. De vijfpuntige ster, het symbool van den mensch gereed voor inwijding, gaf aanleiding tot het ontstaan van het krokodil-symbool, namelijk door de vijf uiteinden van voorpooten, achterpooten en staart. Soms is deze krokodil voorgesteld als draak en in enkele gevallen als visch.Het “hart” is het reïnkarneerende beginsel of het ware Ego, het zoogenaamde “voorouderlijke hart”.In verband met deze diepgaande symbologie is het voor den studeerende zeer belangrijk, na te gaan hetgeen H. P. Blavatsky in dit verband zegt in deGeheime LeerI, 288, 289. Zooals ik reeds opmerkte vindt men in hetBoek der Doodenvele dooreenstrengelen van verschillende leeringen, doch ook de ritueelen van verschillende inwijdingen zijn aan elkander vastgeknoopt of onderling verward. Zoo is bijvoorbeeld het begraven in een mummiekist en het gaan in de onderwereld een eerste inwijding en dit komt overeen met hetgeen thans in symbolischen vorm in den leerlingsgraad der Vr.·. M.·. doorloopen wordt, volgens mijnvroeger reeds vermelde opvatting, namelijk het gaan door den dood en het bekend worden met de werelden aan gene zijde des grafs, het bekend worden met astrale en devachanische toestanden,het bevriend raken met de elementalen dier gebieden, enz. Vandaar bijv. de offers, en het graan dat medegegeven werd in de mummiekist. De astrale tegenhangers daarvan kon hij hun als offers aanbieden. Later werd dit gebruik voortgezet bij de werkelijke dooden, hoewel waarschijnlijk de redenen, die er aanleiding toe gaven, reeds vergeten waren; doch wie weet hoeveel nut de afgestorvenen er aan gene zijde van hadden!Dit gaan in de onderwereld en deze inwijding is natuurlijk volstrekt niet die waarover wij reeds spraken als de Christus-inwijding, waarbij de kandidaat op de Tau geplaatst werd. Bovendien had deze lagere inwijding veelvuldig en ook in vele andere tempels en pyramiden plaats. De inwijding waarover wij in een volgend hoofdstuk zullen handelen in verband met de groote Pyramide, aan de hand van hetBoek der Dooden, is die inwijding welke als eindzege de geboorte van het Buddhisch lichaam had en symbolisch de uitstorting van den Logos verzinnebeeldde in het bouwwerk dat symbolisch zijn veld van werking voorstelde, namelijk ons zonnestelsel.1Esoterisch Christendom, blz. 28, 29. De cursiveering is van mij (v. G.); evenzoo in de volgende aanhalingen.2Plotinus, blz. 42.3Esoterisch Christendom, blz. 24.4Lucifer, deel IV, blz. 228.5Esoterisch Christendom, blz. 188, 189.6Geheime Leer, Deel I, blz. 404.7t.a.p. blz. 141.8De Christelijke Geloofsbelijdenis, blz. 80.9The Book of the Master, blz. 155, 156.
Hoofdstuk VIII.Mystieke Theorieën.Onder de schrijvers van jongeren datum over ons onderwerp bekleedt Marsham Adams eene plaats, welke geheel afgescheiden is van die der ouderen. De meeste theorieën, welke wij tot dusver nagingen, vertoonden een punt van overeenstemming met elkander en berustten vaak op een gemeenschappelijk uitgangspunt. Marsham Adams echter heeft ons in zijn beide werkenThe Book of the MasterenThe House of the Hidden Placeseen geheel nieuwe richting van denken aangeduid, welke ik thans beschrijven zal. De godsdienstige denkbeelden der Egyptenaren zijn in hoofdzaak weergegeven inHet Boek der Doodenen de Egyptenaren, wel wetende dat de papyrus, waarop de denkbeelden neergeschreven zijn, vergankelijk is, wenschten deze denkbeelden aan de latere geslachten bekend te maken en na te laten. Vandaar hun onvermoeide ijver om in schoonen kunstvorm op de muren van de tempels en van hunne andere bouwwerken hunne godsdienstige denkbeelden en geschiedenis weer te geven. Doch ook hiermede was de vergankelijkheid dezer mededeelingen aan het nageslacht niet overwonnen.Eén middel was nog mogelijk, en wel een dat bij dit volk van groote bouwwerken zeer voor de hand lag, namelijk het in een bouwwerk in symbolischen vorm weergeven van deze leeringen. Een tweede doel werd hiermede gediend, want een belangrijk kenmerk van den godsdienst van dit volk was, dat de profanen, zoowel als de trapsgewijze opklimmende graden van priesters, de zedeleer en wijsheid van hun godsdienst leerden door symbolen en ritueel. Het bouwwerk kon dan tevens dienst doen als een tempel van inwijding in de mysteriën van den godsdienst.Met betrekking tot deze zeer uiteenloopende wijzen om hun godsdienstige begrippen voor het nageslacht te bewaren, merkt Adams op:Het is moeilijk een grooter tegenstelling te bedenken dan die welke geboden wordt door de beide vormen, waarin het verslag der Egyptische leer bewaard werd. De papyri zijn vergankelijk, talrijk, afwisselend in lengte en volgorde. Het monument in steen is eenig tot het onvergankelijke toe, niet onderhevig aan afwijking, en het staat daar onveranderd en onveranderend, onverschillig voor de aanvallen van tijd of mensch.1In beide genoemde werken handelt Adams eveneens over andere aanzichten van het vraagstuk der Pyramide, doch deze aanzichten zijn meerendeels verkorte overzichten van de sterrengodsdiensttheorie, terwijl zijn opvattingen van enkele verzinnebeeldingen van natuurfeiten in het bouwwerk zeer oppervlakkig en geenszins te bewijzen zijn. Dit is jammer, daar het natuurlijk afbreuk moet doen aan de waarde van het geheel zijner theorieën. Nochtans is het hoofddenkbeeld van zijne uiteenzetting van groote waarde voor Theosofen, omdat zij in verband met andere gegevens uit hunne literatuur hier steun vinden voor hunne bewering dat de Groote Pyramide een tempel van inwijding was. Waarschijnlijk is het dan ook om deze reden, dat zijne werken den Theosofischen studeerende van bevoegde zijde steeds ter bestudeering aanbevolen werden. Stellig kunnen wij veel schoons vinden in zijne theorie, en om deze reden wil ik ze hier dan ook uitvoerig vermelden. Tot een beter begrip van hetgeen wij zullen aanhalen, dienen wij ons in de eerste plaats echter een denkbeeld te vormen van wat hetBoek der Doodenis.De algemeene wetenschappelijke verklaring is deze. HetBoek der Doodenbestaat uit een groot aantal bijeenverzamelde hoofdstukken, waarvan de tekst zoowel op tempelmuren ingegrift, als op papyri gevonden werd. Deze papyri werden ontdekt, verborgen in de gewaden van mummie’s. Naar het tijdperk, waarin de verschillende afschriften werden opgeschreven, hetzij op tempelmuren of op papyri of op een andere wijze, worden zij verdeeld in vier verzamelingen, namelijk de Heliopolische in hieroglyphen, de Thebaansche eveneens in hieroglyphen2, dan die van de twintigste Dynastie, geschreven in hieratisch schrift, en ten slotte de Saïtische of die van de zes en twintigste Dynastie3. Op deze papyri zou dan vermeld staan de levensgeschiedenis van de mummie, zijne zonden, deugden en daden, zijne verwachtingen voor een toekomst na dit leven, wat hem overkwam of overkomen moest aan gene zijde des doods, en voornamelijk de smeekbeden van de nagelatenbetrekkingen aan “den God van de stad” en andere goden om den doode voort te helpen op zijn vredespad aan gene zijde, hem te steunen en te beschermen, welke smeekbeden uitgesproken werden door “de priesters van deka” (het dubbel). Deze smeekbeden werden op papyri opgeteekend en met de mummie begraven. Toen dit gebruik in verval raakte, werden papyri geschreven waarop alleen de plaats voor den naam opengelaten werd. Deze werden verkocht en wanneer iemand stierf werd de naam ingevuld en de papyrus bij de mummie ingewikkeld. Waarschijnlijk was dit om tijd en geld te sparen. Met betrekking tot de geschiedenis en den oorsprong van hetBoek der Doodenzegt Budge in zijn vertaling van de Thebaansche verzameling van dit werk:Noch onderzoekingen, noch ontdekkingen hebben ons tot nog toe eenigerlei inlichting verschaft aangaande het tehuis, den oorsprong en de vroegste geschiedenis van hetBoek der Dooden. Het schijnt vrij duidelijk dat, zooals boven gezegd werd, de allereerste vorm van hetBoek der Doodenbestond uit de woorden of smeekbeden, door verwanten en vrienden gericht tot den “god der stad” en tot een verzameling bovennatuurlijke machten, ten behoeve van den afgestorvene....4en verderWaar en door wien de teksten van het Boek der Dooden werden samen gesteld, is eveneens onbekend.5terwijl wij lezen:Sinds onheuglijke tijden werd de God Thoth, die zoowel het goddelijke verstandswezen, dat bij de schepping de woorden uitte welke tenuitvoer gebracht werden door Ptah en Khnemu, als de schrijver der goden was, in verband gebracht met de voortbrenging van hetBoek der Dooden, en hoewel hij oorspronkelijk de god van den tijd en de tijdaanteekenaar van hemel en aarde was, verschijnt hij vaak als de raadgever en helper van den afgestorvene.6In hetBoek der Ademhalingen(een deel van hetBoek der Dooden) lezen wij:Thôth, de machtigste god, de heer van Khemenna, komt tot u en hij schrijft voor u hetBoek der Ademhalingenmet zijn eigen vingers.Van een Theosofisch standpunt zouden wij gaarne een andere opvatting willen aanvoeren over ditBoek der Dooden. Adams denkt eveneens anders over het werk. Gaarne zou hij zien dat men vooral den Turijnschen papyrus niet hetBoek der Doodenzou noemen, of beter (zooals Champollion deed)Begrafenis Ritueel, maar dat men er den titel aan gaf, dien het zich zelf geeft. “Het Boek van den Meester van het geheime huis is zijn naam”7. Mijn gevoelen nu is dit. Ik zou in plaats van louterDoodenwillen lezen:Dooden voor het vleesch, Ingewijden; of kortwegBoek der IngewijdenofBoek over de Ingewijden.Thôth toch is mijns gevoelens de groote leeraar Hermes,8die als onderrichter in de mysteriën van het oude Egypte optrad, en uit bovengenoemde aanhalingen blijkt vrijwel dat er hier sprake van kan zijn, dat aan den leerling een geschrift gegeven werd, waarin de ritueele wijsheid opgeteekend stond tot zijn verdere voorlichting, en dat als bewijs diende dat hij tot een zekeren graad bevorderd was.Adams dacht reeds in deze zelfde richting, hoewel niet zoo ver gaande, doch hij merkt op dat de titel van het werk zeer ongelukkig gekozen is,want hij geeft het denkbeeld, de heilige afgestorvenen te beschouwen als dood, terwijl de geheele opvatting van de leer de onderrichting in het Leven en het Licht was.9Wij kunnen thans, nu wij weten wat bedoeld wordt met hetBoek der Dooden, en geholpen door de kennis die wij bijeenverzameld hebben omtrent de Groote Pyramide, overgaan tot het opbouwen van eene theorie waarin deze beide gegevens de hoofdfactorenzijn tot het in overeenstemming brengen van hetgeen Adams ons mededeelt in zijn werken, hetgeen maçonnieke schrijvers (voorstanders van het beginsel dat de Vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Mysteriën) ons verkondigen als hunne meening, en hetgeen door Theosofische schrijvers is beweerd. Het komt mij voor, dat ik deze theorieën niet afzonderlijk kan behandelen, daar zij te veel gemeen hebben en de een de andere steunt. Ik zal mij dus in dezen er toe bepalen aan de hand van hetgeen Adams mededeelt als zijn opvatting, de maçonnieke en Theosofische lezingen op dit punt te beschrijven.In zijnBoek of the Masterzegt Adams:Alleen wanneer wij het Geheime Huis vergelijken met het Geheime Boek van zijn Meester, begrijpen wij de beteekenis van zijn geheime plaatsen—duisternis die duisternis verlicht en mysterie dat mysterie onthult. En alleen dan kunnen wij opmerken hoe wij in deze plaatsen den sleutel bezitten tot de ‘Ordewoorden’ van het Geheime Boek. Zoo wordt dan de bepaling van de Egyptische Theosofie gebracht uit het gebied van de archaeologische bespiegeling en teruggebracht tot de vergelijking van twee bestaande en duidelijk omschreven verslagen. Hier is een papyrus die beweert de geheime schriftrol te zijn welke behoort aan den Meester van het Geheime Huis; daar is een geheim huis, waarin, volgens de Egyptische overlevering, de geheime wijsheid, waarop die schriftrol betrekking heeft, aan den kandidaat werd medegedeeld. Die schriftrol vangt aan met den Ingang tot het Licht; en het Licht was de naam waaronder dat huis bekend was. De schriftrol is vol verwijzingen naar geheime gangen en kamers; en geheime kamers en gangen maken het geheele inwendige van dat huis uit. De voornaamste van de in de schriftrol genoemde kamers is de Dubbele Zaal van Waarheid; en de voornaamste van de kamers van het huis is de Dubbele Zaal van gebeeldhouwde Pracht. In de schriftrol verhaalt het laatste hoofdstuk van de wederopstanding van het Lichaam, en in het huis is de laatste kamer de kamer van het Open Graf. En terwijl het eene verslag in overeenstemming is met het andere in het uitdrukken van de Waarheid in Licht, zijn de beelden die de vastgelegde waarheid der leering in het Ritueel uitdrukken, in overeenstemming met de verhoudingen van wetenschappelijke waarheid die in het gebouw hare uitdrukking vinden.”10Het is wellicht noodzakelijk, op te merken dat Adams hier in beeldrijke spraak en volgens eigen opvatting andere dan de gebruikelijke benamingen bezigt. Zijn boek van den Meester van het verborgen Huis is het Boek der Dooden, zijn verborgen Huis is de Groote Pyramide, de zaal van gebeeldhouwde Pracht is de Groote Galerij.Wij zien uit het zooeven aangehaalde wel in, dat Adams denkt dat de godsdienstige leeringen der Egyptenaren vervat waren in hetBoek der Dooden, en dat de Pyramide de Tempel is waarin de leeringen in steen verzinnebeeld zijn, maar dat deze tevens de plaats was waarin deze leeringen werden medegedeeld. De wijze van mededeeling is dan in hoofdzaak de volgende. De kandidaat ziet zekere begrippen verzinnebeeld of doorloopt in zinnebeeldigen vorm enkele dezer. Daarna wordt hem de beteekenis medegedeeld van hetgeen hij zag en van hetgeen hij doormaakte. Dit is in hoofdzaak waar, en komt geheel overeen met de nog bestaande maçonnieke inwijdingsgebruiken, waarbij de leerling de reizen in de Loge aflegt, en de Achtbare Meester hem daarna de beteekenis van dezen symbolischen omgang uitlegt. Het verschil tusschen de opvatting van Adams en die der vrijmetselaren omtrent het doormaken van deze reizen moet noodzakelijkerwijze bij eenig nadenken een ieder duidelijk zijn. Bij de reizen van den kandidaat voor inwijding in de Pyramide doorliep hij symbolisch de gebieden aan gene zijde des doods en hem werden bij de uitlegging dezer reizen vele belangrijke dingen onthuld omtrent die gebieden. Dit was natuurlijk bij de lagere inwijdingen het geval. Bij verdere inwijdingen werd hij onderricht omtrent de verschillende lichamen van den mensch, hun ontstaan en werking en ten slotte hun verband tot den Logos van dit stelsel. Voor den ernstigen bestudeerder is dit alles na te gaan in hetBoek der Dooden, zooals wij zouden kunnen aantoonen.En nu is het mijn gevoelen, dat de reizen bij de inwijding van den kandidaat voor Vrijmetselarij oorspronkelijk hetzelfde beteekenden, doch dat met het verdwijnen van de kennis omtrent de waarde en beteekenis der symbolen bij de leden dier orde, ook het juiste begrip hieromtrent verdwenen is. Het is mijne ernstige overtuiging, dat indien een vrijmetselaar, die grondig bekend is met de verschillende symbolen en oude gebruiken der Orde, hetBoek der Doodenernstig bestudeerde in verband met deze, hij de analogie zou vinden en een hoeksteen zou hebben bijgebracht tot het bewijs van een verband dier orde met de oude Priesterkasten in Egypte. Want hoewel het mijn en veler anderen persoonlijk gevoelen is, dat de vrijmetselarij in verband staat met de oude Egyptische mysteriën, is mijns inziens hetbewijsnog nimmer volkomen geleverd en is er dus nog steeds een ruim veld van arbeid voor de voorstanders dezer bewering. G. Oliver zegt in zijn werkGeschiedenis der Inwijdingen: “Zonder twijfel zijn depyramiden kort na de verstrooiing daargesteld als afbeeldingen van den grooten toren in de vlakte van Shinar, en evenals de laatste diende om de inwijdingen te verrichten zoo dienden daartoe ook de eersten.” Nu is Broeder Oliver een man van gezag onder de Broederen; de lezing van zijn werk echter is wel bevredigend voor wie zijn gevoelen deelt, doch levert geen bewijs voor een tegenstander der theorie. Evenmin kan men als bewijs aanhalen hetgeen Clavel zegt omtrent inwijdingen in de Pyramide in zijn werkGeschiedenis der Vrijmetselarij. Het denkbeeld is aan velen gemeen, doch het bewijs moet nog geleverd worden.Van een Theosofisch standpunt zou ik zoowel tegen de theorie van Adams als tegen die der vrijmetselaars willen opmerken dat ik het niet eens kan zijn met hunne opvatting dat deze inwijdingdoorgemaaktwerd in hetstoffelijklichaam. Ik meen te mogen opmaken dat alle ons gedane mededeelingen van Theosofische gezaghebbenden er op duiden dat deze inwijdingen doorgemaakt werden in het astrale of in hoogere lichamen. Het fysieke lichaam werd wel uit den tempel langs ondergrondschen weg naar de Pyramide geleid en daar in trance bewaard tot na afloop der ceremonie, doch de inwijding werd van A tot Z doorgemaakt in het astraallichaam. Is dit zoo, dan begrijpen wij eveneens waarom er geen bezwaar aan verbonden was dat de ingang der Pyramide afgesloten was door de marmeren deklaag. De eerste proef was of de entiteit zoodanig bewust was in zijn astraallichaam dat hij wist dat hierin geen hinderpaal van zijn voortgang bestond. Dit feit is in overeenstemming met hetgeen ons ook medegedeeld wordt door andere schrijvers over dit onderwerp.Hierin vinden wij ook de oplossing voor de tegenwerping dat er geen licht zoude zijn. Astraal licht was er toch, en zouden de aura’s der hierofanten niet voldoende licht geven voor den kandidaat? Bij eene stoffelijke inwijding zou dit bezwaar zeker bestaan, tenzij kunstlicht in voldoende mate bekend was, hetgeen naar enkele schrijvers beweren, wel het geval was.Hebben wij eenigszins uitvoerig hierbij stilgestaan, het was noodig tot een juist begrip van veel dat volgen zal. Gaan wij thans verder met het eigenlijke punt van behandeling, namelijk het doorloopen van het inwijdingsceremoniëel in de groote Pyramide volgens hetBoek der Dooden.In de Juni- en Juli-aflevering vanThe South African Theosophistheeft Br. G. D. Stonestreet in een verhandeling overThe Originof Freemasonrygezegd dat hij het onnoodig vond, voor vrijmetselaars de overeenkomsten aan te toonen die er bestaan tusschen hetgeen Adams schrijft en hetgeen de Vrijmetselarij leert. Dit is zeer zeker waar; en voor hen die niet met de symbolen en gebruiken der Vrijmetselarij bekend zijn, is het verband niet aan te toonen. Het is derhalve voldoende uitvoerig te vermelden hetgeen Adams schrijft.Adams verdeelt de inwijdingsceremonie in die van drie graden, namelijk:Eerste graad:De Inwijding van den Kandidaat, welke graad verzinnebeeld werd door een scarabee—het symbool van den “Eeuwige”, het zelfgeschapen wezen dat geen Begin, en geen Einde kent.Tweede graad:De verlichting in Waarheid, welke graad voorgesteld werd door een figuur, staande voor “Amen”, de verborgen godheid.Derde graad:De Meester van het geheim, welke graad voorgesteld werd door een grafsteen.Voordat wij thans overgaan tot de beschrijving van het ceremoniëel vanDe Inwijding van den Kandidaatvolgens hetBoek der Dooden, willen wij eerst iets mededeelen over enkele Egyptische begrippen in verband met deze dingen.Volgens de leer der Egyptenaren werd de vereeniging van den innerlijken mensch met de Godheid op zeer langzame wijze voorbereid om ten slotte door een daad van groot ceremoniëel plotseling tot stand te komen in haar uiterste instantie. De Mensch-God Osiris werd met den God Osiris vereend in bewustzijn, doordien die innerlijke mensch tot de gestalte van Osiris wies. Vandaar dat wij in het ritueel steeds goed moeten letten op het onderscheid tusschen den ingewijden Osiris of den waren mensch en de Godheid Osiris. Zoodra de Mensch-God Osiris deze gestalte verkregen had, deelde hij in het bewustzijn van de Godheid. Met deze vereeniging ging gepaard een verkrijgen van hoogere kennis omtrent denmikrokosmosen den makrokosmos.Adams geeft in wonderschoone bewoordingen weer hoe dit verkrijgen van kennis geschiedt, en voor degenen die geen Engelsch lezen, is het zeker de moeite waard dit stuk hier in zijn geheel aan te halen:De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met de goddelijkeKracht. De zinnen, wederom onbedorven, werden langzamerhand gevormd tot werktuigen, in staat om het opgaan der ziel in die oneindige kracht weer te geven, voor welke de grenzen van ruimte en tijd niet bestaan, maar voor welke verleden en toekomst gelijkelijk openstaan in een eindeloos heden; die alles te boven gaande vrijheid, waarin Handeling één is met Willen en Willen eenzelvig met Denken. Opdat de zinnen zoodanig belevendigd en verlicht mogen worden dat zij de werking van het Scheppend Denkvermogen in het uiterlijk heelal waar kunnen nemen, moet die vordering door den ‘overledene’in persoondoorgemaakt worden, welke de bestudeerder der wetenschap, terwijl hij nog niet bevrijd is van onderworpenheid aan de zinnen, vagelijk maakt door het verstand. Want wie het samengestelde bouwwerk van de hemelen zou willen begrijpen, het samenstel van de heilige verblijfplaats van den mensch, moet uitgaan van de poolster, en den horizon trekkende vanuit het punt der Equinoxen, hetwelk een gelijke verdeeling geeft tusschen het licht en de duisternis, moet hij begrijpen hoe de as der aarde voor den mensch de oorspronkelijke ruimtemaat is en de standaardmaat der Diepten. Indien hij het geheim van den levenden vorm zou willen kennen, zal de oceaan zijn leeraar zijn als hij van het strand tot de diepste diepten gaat en de geheime plaatsen van de kokende wateren peilt. De maat van de omloopen aan den hemel zal hem onthuld worden door de maan, daar hij door middel van dien wachter de draaiing en wenteling van onze planeet waarneemt. Om niet louter de beweging maar de ontwikkeling van onzen bol te begrijpen, moet hij de plaats van het centrale vuur der aarde trotseeren, onbevreesd voor de duisternis der grotten van de vlammende afgronden. En daar, terugziende over ontelbare eeuwen, zal hij temidden van aardbevingen en ondenkbare aardrampen den ‘Heer der Wet’ en de ‘Ordewoorden’ vinden; terwijl de reusachtige bergketenen hooger en hooger uit den chaos omhoogrijzen om de oppervlakte der aarde voor te bereiden tot woonplaats van den mensch. Vervolgens strekt zich voor hem de schaduw der aarde uit in dat vaag verlichte en uitgestrekte uitspansel, waar de majesteit der open hemelen in nacht omhuld is; en hij neemt waar hoe de samenstanden der eclipsen te danken zijn aan dezelfde macht als de omloopen van verlichting, en hoe het uur der duisternis afgemeten wordt door den Gever van het Licht. Wanneer hij die schaduw doorgegaan is, treft hem een nog meer ontzag inboezemend gezicht, de vreeselijke pracht van de zonnebron in al hare volheid; en als hij langs den zevenvoudigen opgang van de planetensfeer omhoogstijgt, blikt hij onverblind op de reusachtige lichtbundels en vlammenstralen, die plotseling duizenden en myriaden mijlen hoog te voorschijn schieten. Dan, verre in de oneindige diepten en ruimten, zoeken zijne oogen, thans schitterend ‘als de oogen van Hator’, den veelgeliefden Sothis [Sirius], den brenger van de nieuwe dageraad, het portaal van de onbegrensbare hemelen, ‘dat land van millioenen sterkten’.11Uit het hier aangehaalde blijkt wel, dat Adams meent dat dekennis van het zonnestelsel en het heelal een deel vormde van de wijsheid, die den kandidaat voor kennis medegedeeld werd in de Groote Pyramide, en wel voornamelijk dooraanschouwing.Alvorens nu echter verder te gaan, kan het goed zijn dat wij ons eerst een denkbeeld trachten te vormen van hetgeen onder die Mysteriën begrepenkanworden. Van de hoogere mysteriën, al weten wij niet wat zij geven, kunnen wij toch zeggen, dat zij eene inwijding zijn in de hoogste kennis aangaande den mikrokosmos en den makrokosmos en het verband tusschen beide. Hoe hoog die kennis gaan kan, kunnen wij met ons lagere verstand niet bevatten. Maar alleen zou ik denken dat veel, wat nu als geopenbaarde kennis aan de wereld gegeven is, in die tijden der oudheid behoorde tot de mysteriën. Wij zijn rijp geworden voor kennis, waarvoor de menschen van dien tijd niet rijp waren. Ik grond deze meening op een feit, dat ook vermeld wordt in deGeheime Leer. Enkele ingewijden of dichters, die aan deze kennis kwamen door hunne intuïtie, wisten van de werkelijke bewegingen der aarde, zon en in het algemeen van de ware inrichting van het zonnestelsel, toen de massa nog niet beter wist, dan dat de aarde het middelpunt der schepping was en alles om haar wentelde. Zoodra zij (de ingewijden of de dichters) dit feit onbedacht aan de wereld mededeelden, volgde daarop de straf: dood of verbanning. Thans zijn deze dingen niet meer geheim of verborgen. In het algemeen kunnen wij ons voorstellen dat de leer van den bouw des heelals en de wetten van de regeling er van een deel der mysteriën uitmaakten, en wel een zeer voornaam deel. Waarschijnlijk werden de eenvoudigste wetten en waarheden in symbolischen vorm den volke verkondigd in de tempels, en dan zien wij dus dat de sterrenleer der ouden, n.l. de sterrenwichelarij, de sterrenvergoding enzoovoorts, de exoterische vormen waren, waarin de machtige wetten van den makrokosmos verzinnebeeld werden. De sterrenleer was schoon en waar maar de kern was nog schooner en machtiger.Zoo kan ik mij dus denken, dat in de mysteriën verklaringen gegeven werden van deze uiterlijke symbolen en sterrenleer en meer dan dat, dat ook de leer der cyclussen, als de groote wet van de regeling van den makrokosmos, daar werd geleerd en verklaard.Als dit zoo is, zien wij in waarom de siderische cyclus zulk een groote rol speelt in de theorieën over de Pyramide, en tevens waarom zulk een nauw verband gezocht wordt tusschen de Pyramide en de sterrenkunde, sterrenwichelarij en sterrengodsdienst in het algemeen.H. P. Blavatsky zegt: “De slangen van wijsheid hebben hunne verslagen goed bewaard, en de geschiedenis van de menschelijke evolutie staat opgeteekendaan de Hemelenzoowel als opondergrondsche muren. De menschheid en de sterren zijn onverbreekbaar verbonden, vanwege de Verstandswezens, die de laatste besturen.”Zouden dezeondergrondsche murenniet op muren van de Pyramidekamers doelen? Ik denk van wel, want verder zegt H. P. Blavatsky dat Staniland Wake gelijk heeft met te zeggen: “Het is onbetwistbaar dat de Zondvloed in de legenden van Oostersche volkeren verbonden geweest is, niet alleen met dePyramiden, maar ook met desterreteekens.” Dit schijnt rechtstreeks op het voorgaande te doelen.Het is ook niet onnoodig op te merken, dat het volgens de Egyptische denkwijze niet voldoende was de grondkrachten van het heelal te kennen, benevens al de verschijnselen des hemels en de samenstelling van de meest verwijderde zonnen. Ook was het niet mogelijk de wetenschappelijke kennis zoodanig uit te breiden dat men door den wil een bewerktuigde wereld scheppen kan uit de atomen van de peillooze diepte, enkel en alleen door uitbreiding van het aanzicht van kennis van het bewustzijn. Neen, niet alleen deze uitbreiding van het verstand was voldoende tot inwijdingen in de mysteriën, en de afmetingen en verhoudingen van het verborgen Huis werden niet verklaard zonder dat hij die ingewijd wenschte te worden,wijsheidhad, de leeringen van Thoth (den God der wijsheid) in zich had opgenomen.Geen mensch kan de Godheid aanschouwen wanneer hij niet in de waarheid onderricht is, ook kan niemand de inwijding ontvangen tenzij hijdoodvoor het vleesch is.1M. Adams,The Book of the Master, blz. 105.2Uitgegeven door M. Naville.3De Heliopolische verzameling van hetBoek der Dooden(vijfde en zesde dynastie) zijnde de oudste aan ons bekende vorm van dit werk, is met eene Fransche vertaling uitgegeven door Maspéro inRecueil de Travaux, en afzonderlijk alsLes Inscriptions des Pyramides de Saqqarah, Paris 1894.De verzameling van de elfde en twaalfde dynastie is uitgegeven door Lepsius en Maspéro (zie Birch’sVertaling van den text op de mummiekist van Amamu). Deze vertaling is uitgegeven met een facsimile door het British Museum onderden titel vanEgyptian Texts of the earliest periods from the coffin of Amamu, London, 1886.De Thebaansche verzameling (achttiende tot zes en twintigste dynastie) is uitgegeven door Birch, Mariette, Leeman en Devéria; Naville gaf eene volledige uitgave met Inleiding in 1880.De belangrijkste uitgave van de Saïtische verzameling is die van het Turijnsche Manuscript door Lepsius in 1842, genaamdDas Todtenbuch der Egypter. In 1861 gaf E. de Rougé hetzelfde manuscript uit alsRituel Funéraire. Latere uitgaven van geheele of gedeeltelijke verzamelingen komen voor in:Proceedings of the Society of Biblical Archaeology, vol. VII; Lieblein,Le Livre Egyptien Que mon nom fleurisse, Leipzig 1895; Birch, vertaling van Bunsen’sEgypts Place in Universal History, vol. V, blz. 123–333; Pierret,Le Livre des Morts des anciens Egyptiens.Voor verdere bijzonderheden over hetBoek der Doodenraad ik mijn lezers aan te raadplegenThe Book of the Dead, The Chapters of Coming forth by day, by E. A. Wallis Budge. London, Kegan Paul, Trench, Trubner & Co. 1898.4E. Budge,The Book of the Dead, blz. XLV.5t.a.p. blz. XLVI.6t.a.p. blz. LXXV.7The Book of the Master, blz. 96.8Men leze hieroverHermes, the Thrice-Greatest, door Mead.9Book of the Master, blz. 97.10t.a.p. blz. 123, 124.11House of the Hidden Places, blz. 192–195.
Onder de schrijvers van jongeren datum over ons onderwerp bekleedt Marsham Adams eene plaats, welke geheel afgescheiden is van die der ouderen. De meeste theorieën, welke wij tot dusver nagingen, vertoonden een punt van overeenstemming met elkander en berustten vaak op een gemeenschappelijk uitgangspunt. Marsham Adams echter heeft ons in zijn beide werkenThe Book of the MasterenThe House of the Hidden Placeseen geheel nieuwe richting van denken aangeduid, welke ik thans beschrijven zal. De godsdienstige denkbeelden der Egyptenaren zijn in hoofdzaak weergegeven inHet Boek der Doodenen de Egyptenaren, wel wetende dat de papyrus, waarop de denkbeelden neergeschreven zijn, vergankelijk is, wenschten deze denkbeelden aan de latere geslachten bekend te maken en na te laten. Vandaar hun onvermoeide ijver om in schoonen kunstvorm op de muren van de tempels en van hunne andere bouwwerken hunne godsdienstige denkbeelden en geschiedenis weer te geven. Doch ook hiermede was de vergankelijkheid dezer mededeelingen aan het nageslacht niet overwonnen.
Eén middel was nog mogelijk, en wel een dat bij dit volk van groote bouwwerken zeer voor de hand lag, namelijk het in een bouwwerk in symbolischen vorm weergeven van deze leeringen. Een tweede doel werd hiermede gediend, want een belangrijk kenmerk van den godsdienst van dit volk was, dat de profanen, zoowel als de trapsgewijze opklimmende graden van priesters, de zedeleer en wijsheid van hun godsdienst leerden door symbolen en ritueel. Het bouwwerk kon dan tevens dienst doen als een tempel van inwijding in de mysteriën van den godsdienst.
Met betrekking tot deze zeer uiteenloopende wijzen om hun godsdienstige begrippen voor het nageslacht te bewaren, merkt Adams op:
Het is moeilijk een grooter tegenstelling te bedenken dan die welke geboden wordt door de beide vormen, waarin het verslag der Egyptische leer bewaard werd. De papyri zijn vergankelijk, talrijk, afwisselend in lengte en volgorde. Het monument in steen is eenig tot het onvergankelijke toe, niet onderhevig aan afwijking, en het staat daar onveranderd en onveranderend, onverschillig voor de aanvallen van tijd of mensch.1
Het is moeilijk een grooter tegenstelling te bedenken dan die welke geboden wordt door de beide vormen, waarin het verslag der Egyptische leer bewaard werd. De papyri zijn vergankelijk, talrijk, afwisselend in lengte en volgorde. Het monument in steen is eenig tot het onvergankelijke toe, niet onderhevig aan afwijking, en het staat daar onveranderd en onveranderend, onverschillig voor de aanvallen van tijd of mensch.1
In beide genoemde werken handelt Adams eveneens over andere aanzichten van het vraagstuk der Pyramide, doch deze aanzichten zijn meerendeels verkorte overzichten van de sterrengodsdiensttheorie, terwijl zijn opvattingen van enkele verzinnebeeldingen van natuurfeiten in het bouwwerk zeer oppervlakkig en geenszins te bewijzen zijn. Dit is jammer, daar het natuurlijk afbreuk moet doen aan de waarde van het geheel zijner theorieën. Nochtans is het hoofddenkbeeld van zijne uiteenzetting van groote waarde voor Theosofen, omdat zij in verband met andere gegevens uit hunne literatuur hier steun vinden voor hunne bewering dat de Groote Pyramide een tempel van inwijding was. Waarschijnlijk is het dan ook om deze reden, dat zijne werken den Theosofischen studeerende van bevoegde zijde steeds ter bestudeering aanbevolen werden. Stellig kunnen wij veel schoons vinden in zijne theorie, en om deze reden wil ik ze hier dan ook uitvoerig vermelden. Tot een beter begrip van hetgeen wij zullen aanhalen, dienen wij ons in de eerste plaats echter een denkbeeld te vormen van wat hetBoek der Doodenis.
De algemeene wetenschappelijke verklaring is deze. HetBoek der Doodenbestaat uit een groot aantal bijeenverzamelde hoofdstukken, waarvan de tekst zoowel op tempelmuren ingegrift, als op papyri gevonden werd. Deze papyri werden ontdekt, verborgen in de gewaden van mummie’s. Naar het tijdperk, waarin de verschillende afschriften werden opgeschreven, hetzij op tempelmuren of op papyri of op een andere wijze, worden zij verdeeld in vier verzamelingen, namelijk de Heliopolische in hieroglyphen, de Thebaansche eveneens in hieroglyphen2, dan die van de twintigste Dynastie, geschreven in hieratisch schrift, en ten slotte de Saïtische of die van de zes en twintigste Dynastie3. Op deze papyri zou dan vermeld staan de levensgeschiedenis van de mummie, zijne zonden, deugden en daden, zijne verwachtingen voor een toekomst na dit leven, wat hem overkwam of overkomen moest aan gene zijde des doods, en voornamelijk de smeekbeden van de nagelatenbetrekkingen aan “den God van de stad” en andere goden om den doode voort te helpen op zijn vredespad aan gene zijde, hem te steunen en te beschermen, welke smeekbeden uitgesproken werden door “de priesters van deka” (het dubbel). Deze smeekbeden werden op papyri opgeteekend en met de mummie begraven. Toen dit gebruik in verval raakte, werden papyri geschreven waarop alleen de plaats voor den naam opengelaten werd. Deze werden verkocht en wanneer iemand stierf werd de naam ingevuld en de papyrus bij de mummie ingewikkeld. Waarschijnlijk was dit om tijd en geld te sparen. Met betrekking tot de geschiedenis en den oorsprong van hetBoek der Doodenzegt Budge in zijn vertaling van de Thebaansche verzameling van dit werk:
Noch onderzoekingen, noch ontdekkingen hebben ons tot nog toe eenigerlei inlichting verschaft aangaande het tehuis, den oorsprong en de vroegste geschiedenis van hetBoek der Dooden. Het schijnt vrij duidelijk dat, zooals boven gezegd werd, de allereerste vorm van hetBoek der Doodenbestond uit de woorden of smeekbeden, door verwanten en vrienden gericht tot den “god der stad” en tot een verzameling bovennatuurlijke machten, ten behoeve van den afgestorvene....4
Noch onderzoekingen, noch ontdekkingen hebben ons tot nog toe eenigerlei inlichting verschaft aangaande het tehuis, den oorsprong en de vroegste geschiedenis van hetBoek der Dooden. Het schijnt vrij duidelijk dat, zooals boven gezegd werd, de allereerste vorm van hetBoek der Doodenbestond uit de woorden of smeekbeden, door verwanten en vrienden gericht tot den “god der stad” en tot een verzameling bovennatuurlijke machten, ten behoeve van den afgestorvene....4
en verder
Waar en door wien de teksten van het Boek der Dooden werden samen gesteld, is eveneens onbekend.5
Waar en door wien de teksten van het Boek der Dooden werden samen gesteld, is eveneens onbekend.5
terwijl wij lezen:
Sinds onheuglijke tijden werd de God Thoth, die zoowel het goddelijke verstandswezen, dat bij de schepping de woorden uitte welke tenuitvoer gebracht werden door Ptah en Khnemu, als de schrijver der goden was, in verband gebracht met de voortbrenging van hetBoek der Dooden, en hoewel hij oorspronkelijk de god van den tijd en de tijdaanteekenaar van hemel en aarde was, verschijnt hij vaak als de raadgever en helper van den afgestorvene.6
Sinds onheuglijke tijden werd de God Thoth, die zoowel het goddelijke verstandswezen, dat bij de schepping de woorden uitte welke tenuitvoer gebracht werden door Ptah en Khnemu, als de schrijver der goden was, in verband gebracht met de voortbrenging van hetBoek der Dooden, en hoewel hij oorspronkelijk de god van den tijd en de tijdaanteekenaar van hemel en aarde was, verschijnt hij vaak als de raadgever en helper van den afgestorvene.6
In hetBoek der Ademhalingen(een deel van hetBoek der Dooden) lezen wij:
Thôth, de machtigste god, de heer van Khemenna, komt tot u en hij schrijft voor u hetBoek der Ademhalingenmet zijn eigen vingers.
Thôth, de machtigste god, de heer van Khemenna, komt tot u en hij schrijft voor u hetBoek der Ademhalingenmet zijn eigen vingers.
Van een Theosofisch standpunt zouden wij gaarne een andere opvatting willen aanvoeren over ditBoek der Dooden. Adams denkt eveneens anders over het werk. Gaarne zou hij zien dat men vooral den Turijnschen papyrus niet hetBoek der Doodenzou noemen, of beter (zooals Champollion deed)Begrafenis Ritueel, maar dat men er den titel aan gaf, dien het zich zelf geeft. “Het Boek van den Meester van het geheime huis is zijn naam”7. Mijn gevoelen nu is dit. Ik zou in plaats van louterDoodenwillen lezen:Dooden voor het vleesch, Ingewijden; of kortwegBoek der IngewijdenofBoek over de Ingewijden.
Thôth toch is mijns gevoelens de groote leeraar Hermes,8die als onderrichter in de mysteriën van het oude Egypte optrad, en uit bovengenoemde aanhalingen blijkt vrijwel dat er hier sprake van kan zijn, dat aan den leerling een geschrift gegeven werd, waarin de ritueele wijsheid opgeteekend stond tot zijn verdere voorlichting, en dat als bewijs diende dat hij tot een zekeren graad bevorderd was.
Adams dacht reeds in deze zelfde richting, hoewel niet zoo ver gaande, doch hij merkt op dat de titel van het werk zeer ongelukkig gekozen is,
want hij geeft het denkbeeld, de heilige afgestorvenen te beschouwen als dood, terwijl de geheele opvatting van de leer de onderrichting in het Leven en het Licht was.9
want hij geeft het denkbeeld, de heilige afgestorvenen te beschouwen als dood, terwijl de geheele opvatting van de leer de onderrichting in het Leven en het Licht was.9
Wij kunnen thans, nu wij weten wat bedoeld wordt met hetBoek der Dooden, en geholpen door de kennis die wij bijeenverzameld hebben omtrent de Groote Pyramide, overgaan tot het opbouwen van eene theorie waarin deze beide gegevens de hoofdfactorenzijn tot het in overeenstemming brengen van hetgeen Adams ons mededeelt in zijn werken, hetgeen maçonnieke schrijvers (voorstanders van het beginsel dat de Vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Mysteriën) ons verkondigen als hunne meening, en hetgeen door Theosofische schrijvers is beweerd. Het komt mij voor, dat ik deze theorieën niet afzonderlijk kan behandelen, daar zij te veel gemeen hebben en de een de andere steunt. Ik zal mij dus in dezen er toe bepalen aan de hand van hetgeen Adams mededeelt als zijn opvatting, de maçonnieke en Theosofische lezingen op dit punt te beschrijven.
In zijnBoek of the Masterzegt Adams:
Alleen wanneer wij het Geheime Huis vergelijken met het Geheime Boek van zijn Meester, begrijpen wij de beteekenis van zijn geheime plaatsen—duisternis die duisternis verlicht en mysterie dat mysterie onthult. En alleen dan kunnen wij opmerken hoe wij in deze plaatsen den sleutel bezitten tot de ‘Ordewoorden’ van het Geheime Boek. Zoo wordt dan de bepaling van de Egyptische Theosofie gebracht uit het gebied van de archaeologische bespiegeling en teruggebracht tot de vergelijking van twee bestaande en duidelijk omschreven verslagen. Hier is een papyrus die beweert de geheime schriftrol te zijn welke behoort aan den Meester van het Geheime Huis; daar is een geheim huis, waarin, volgens de Egyptische overlevering, de geheime wijsheid, waarop die schriftrol betrekking heeft, aan den kandidaat werd medegedeeld. Die schriftrol vangt aan met den Ingang tot het Licht; en het Licht was de naam waaronder dat huis bekend was. De schriftrol is vol verwijzingen naar geheime gangen en kamers; en geheime kamers en gangen maken het geheele inwendige van dat huis uit. De voornaamste van de in de schriftrol genoemde kamers is de Dubbele Zaal van Waarheid; en de voornaamste van de kamers van het huis is de Dubbele Zaal van gebeeldhouwde Pracht. In de schriftrol verhaalt het laatste hoofdstuk van de wederopstanding van het Lichaam, en in het huis is de laatste kamer de kamer van het Open Graf. En terwijl het eene verslag in overeenstemming is met het andere in het uitdrukken van de Waarheid in Licht, zijn de beelden die de vastgelegde waarheid der leering in het Ritueel uitdrukken, in overeenstemming met de verhoudingen van wetenschappelijke waarheid die in het gebouw hare uitdrukking vinden.”10
Alleen wanneer wij het Geheime Huis vergelijken met het Geheime Boek van zijn Meester, begrijpen wij de beteekenis van zijn geheime plaatsen—duisternis die duisternis verlicht en mysterie dat mysterie onthult. En alleen dan kunnen wij opmerken hoe wij in deze plaatsen den sleutel bezitten tot de ‘Ordewoorden’ van het Geheime Boek. Zoo wordt dan de bepaling van de Egyptische Theosofie gebracht uit het gebied van de archaeologische bespiegeling en teruggebracht tot de vergelijking van twee bestaande en duidelijk omschreven verslagen. Hier is een papyrus die beweert de geheime schriftrol te zijn welke behoort aan den Meester van het Geheime Huis; daar is een geheim huis, waarin, volgens de Egyptische overlevering, de geheime wijsheid, waarop die schriftrol betrekking heeft, aan den kandidaat werd medegedeeld. Die schriftrol vangt aan met den Ingang tot het Licht; en het Licht was de naam waaronder dat huis bekend was. De schriftrol is vol verwijzingen naar geheime gangen en kamers; en geheime kamers en gangen maken het geheele inwendige van dat huis uit. De voornaamste van de in de schriftrol genoemde kamers is de Dubbele Zaal van Waarheid; en de voornaamste van de kamers van het huis is de Dubbele Zaal van gebeeldhouwde Pracht. In de schriftrol verhaalt het laatste hoofdstuk van de wederopstanding van het Lichaam, en in het huis is de laatste kamer de kamer van het Open Graf. En terwijl het eene verslag in overeenstemming is met het andere in het uitdrukken van de Waarheid in Licht, zijn de beelden die de vastgelegde waarheid der leering in het Ritueel uitdrukken, in overeenstemming met de verhoudingen van wetenschappelijke waarheid die in het gebouw hare uitdrukking vinden.”10
Het is wellicht noodzakelijk, op te merken dat Adams hier in beeldrijke spraak en volgens eigen opvatting andere dan de gebruikelijke benamingen bezigt. Zijn boek van den Meester van het verborgen Huis is het Boek der Dooden, zijn verborgen Huis is de Groote Pyramide, de zaal van gebeeldhouwde Pracht is de Groote Galerij.
Wij zien uit het zooeven aangehaalde wel in, dat Adams denkt dat de godsdienstige leeringen der Egyptenaren vervat waren in hetBoek der Dooden, en dat de Pyramide de Tempel is waarin de leeringen in steen verzinnebeeld zijn, maar dat deze tevens de plaats was waarin deze leeringen werden medegedeeld. De wijze van mededeeling is dan in hoofdzaak de volgende. De kandidaat ziet zekere begrippen verzinnebeeld of doorloopt in zinnebeeldigen vorm enkele dezer. Daarna wordt hem de beteekenis medegedeeld van hetgeen hij zag en van hetgeen hij doormaakte. Dit is in hoofdzaak waar, en komt geheel overeen met de nog bestaande maçonnieke inwijdingsgebruiken, waarbij de leerling de reizen in de Loge aflegt, en de Achtbare Meester hem daarna de beteekenis van dezen symbolischen omgang uitlegt. Het verschil tusschen de opvatting van Adams en die der vrijmetselaren omtrent het doormaken van deze reizen moet noodzakelijkerwijze bij eenig nadenken een ieder duidelijk zijn. Bij de reizen van den kandidaat voor inwijding in de Pyramide doorliep hij symbolisch de gebieden aan gene zijde des doods en hem werden bij de uitlegging dezer reizen vele belangrijke dingen onthuld omtrent die gebieden. Dit was natuurlijk bij de lagere inwijdingen het geval. Bij verdere inwijdingen werd hij onderricht omtrent de verschillende lichamen van den mensch, hun ontstaan en werking en ten slotte hun verband tot den Logos van dit stelsel. Voor den ernstigen bestudeerder is dit alles na te gaan in hetBoek der Dooden, zooals wij zouden kunnen aantoonen.
En nu is het mijn gevoelen, dat de reizen bij de inwijding van den kandidaat voor Vrijmetselarij oorspronkelijk hetzelfde beteekenden, doch dat met het verdwijnen van de kennis omtrent de waarde en beteekenis der symbolen bij de leden dier orde, ook het juiste begrip hieromtrent verdwenen is. Het is mijne ernstige overtuiging, dat indien een vrijmetselaar, die grondig bekend is met de verschillende symbolen en oude gebruiken der Orde, hetBoek der Doodenernstig bestudeerde in verband met deze, hij de analogie zou vinden en een hoeksteen zou hebben bijgebracht tot het bewijs van een verband dier orde met de oude Priesterkasten in Egypte. Want hoewel het mijn en veler anderen persoonlijk gevoelen is, dat de vrijmetselarij in verband staat met de oude Egyptische mysteriën, is mijns inziens hetbewijsnog nimmer volkomen geleverd en is er dus nog steeds een ruim veld van arbeid voor de voorstanders dezer bewering. G. Oliver zegt in zijn werkGeschiedenis der Inwijdingen: “Zonder twijfel zijn depyramiden kort na de verstrooiing daargesteld als afbeeldingen van den grooten toren in de vlakte van Shinar, en evenals de laatste diende om de inwijdingen te verrichten zoo dienden daartoe ook de eersten.” Nu is Broeder Oliver een man van gezag onder de Broederen; de lezing van zijn werk echter is wel bevredigend voor wie zijn gevoelen deelt, doch levert geen bewijs voor een tegenstander der theorie. Evenmin kan men als bewijs aanhalen hetgeen Clavel zegt omtrent inwijdingen in de Pyramide in zijn werkGeschiedenis der Vrijmetselarij. Het denkbeeld is aan velen gemeen, doch het bewijs moet nog geleverd worden.
Van een Theosofisch standpunt zou ik zoowel tegen de theorie van Adams als tegen die der vrijmetselaars willen opmerken dat ik het niet eens kan zijn met hunne opvatting dat deze inwijdingdoorgemaaktwerd in hetstoffelijklichaam. Ik meen te mogen opmaken dat alle ons gedane mededeelingen van Theosofische gezaghebbenden er op duiden dat deze inwijdingen doorgemaakt werden in het astrale of in hoogere lichamen. Het fysieke lichaam werd wel uit den tempel langs ondergrondschen weg naar de Pyramide geleid en daar in trance bewaard tot na afloop der ceremonie, doch de inwijding werd van A tot Z doorgemaakt in het astraallichaam. Is dit zoo, dan begrijpen wij eveneens waarom er geen bezwaar aan verbonden was dat de ingang der Pyramide afgesloten was door de marmeren deklaag. De eerste proef was of de entiteit zoodanig bewust was in zijn astraallichaam dat hij wist dat hierin geen hinderpaal van zijn voortgang bestond. Dit feit is in overeenstemming met hetgeen ons ook medegedeeld wordt door andere schrijvers over dit onderwerp.
Hierin vinden wij ook de oplossing voor de tegenwerping dat er geen licht zoude zijn. Astraal licht was er toch, en zouden de aura’s der hierofanten niet voldoende licht geven voor den kandidaat? Bij eene stoffelijke inwijding zou dit bezwaar zeker bestaan, tenzij kunstlicht in voldoende mate bekend was, hetgeen naar enkele schrijvers beweren, wel het geval was.
Hebben wij eenigszins uitvoerig hierbij stilgestaan, het was noodig tot een juist begrip van veel dat volgen zal. Gaan wij thans verder met het eigenlijke punt van behandeling, namelijk het doorloopen van het inwijdingsceremoniëel in de groote Pyramide volgens hetBoek der Dooden.
In de Juni- en Juli-aflevering vanThe South African Theosophistheeft Br. G. D. Stonestreet in een verhandeling overThe Originof Freemasonrygezegd dat hij het onnoodig vond, voor vrijmetselaars de overeenkomsten aan te toonen die er bestaan tusschen hetgeen Adams schrijft en hetgeen de Vrijmetselarij leert. Dit is zeer zeker waar; en voor hen die niet met de symbolen en gebruiken der Vrijmetselarij bekend zijn, is het verband niet aan te toonen. Het is derhalve voldoende uitvoerig te vermelden hetgeen Adams schrijft.
Adams verdeelt de inwijdingsceremonie in die van drie graden, namelijk:
Eerste graad:De Inwijding van den Kandidaat, welke graad verzinnebeeld werd door een scarabee—het symbool van den “Eeuwige”, het zelfgeschapen wezen dat geen Begin, en geen Einde kent.
Tweede graad:De verlichting in Waarheid, welke graad voorgesteld werd door een figuur, staande voor “Amen”, de verborgen godheid.
Derde graad:De Meester van het geheim, welke graad voorgesteld werd door een grafsteen.
Voordat wij thans overgaan tot de beschrijving van het ceremoniëel vanDe Inwijding van den Kandidaatvolgens hetBoek der Dooden, willen wij eerst iets mededeelen over enkele Egyptische begrippen in verband met deze dingen.
Volgens de leer der Egyptenaren werd de vereeniging van den innerlijken mensch met de Godheid op zeer langzame wijze voorbereid om ten slotte door een daad van groot ceremoniëel plotseling tot stand te komen in haar uiterste instantie. De Mensch-God Osiris werd met den God Osiris vereend in bewustzijn, doordien die innerlijke mensch tot de gestalte van Osiris wies. Vandaar dat wij in het ritueel steeds goed moeten letten op het onderscheid tusschen den ingewijden Osiris of den waren mensch en de Godheid Osiris. Zoodra de Mensch-God Osiris deze gestalte verkregen had, deelde hij in het bewustzijn van de Godheid. Met deze vereeniging ging gepaard een verkrijgen van hoogere kennis omtrent denmikrokosmosen den makrokosmos.
Adams geeft in wonderschoone bewoordingen weer hoe dit verkrijgen van kennis geschiedt, en voor degenen die geen Engelsch lezen, is het zeker de moeite waard dit stuk hier in zijn geheel aan te halen:
De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met de goddelijkeKracht. De zinnen, wederom onbedorven, werden langzamerhand gevormd tot werktuigen, in staat om het opgaan der ziel in die oneindige kracht weer te geven, voor welke de grenzen van ruimte en tijd niet bestaan, maar voor welke verleden en toekomst gelijkelijk openstaan in een eindeloos heden; die alles te boven gaande vrijheid, waarin Handeling één is met Willen en Willen eenzelvig met Denken. Opdat de zinnen zoodanig belevendigd en verlicht mogen worden dat zij de werking van het Scheppend Denkvermogen in het uiterlijk heelal waar kunnen nemen, moet die vordering door den ‘overledene’in persoondoorgemaakt worden, welke de bestudeerder der wetenschap, terwijl hij nog niet bevrijd is van onderworpenheid aan de zinnen, vagelijk maakt door het verstand. Want wie het samengestelde bouwwerk van de hemelen zou willen begrijpen, het samenstel van de heilige verblijfplaats van den mensch, moet uitgaan van de poolster, en den horizon trekkende vanuit het punt der Equinoxen, hetwelk een gelijke verdeeling geeft tusschen het licht en de duisternis, moet hij begrijpen hoe de as der aarde voor den mensch de oorspronkelijke ruimtemaat is en de standaardmaat der Diepten. Indien hij het geheim van den levenden vorm zou willen kennen, zal de oceaan zijn leeraar zijn als hij van het strand tot de diepste diepten gaat en de geheime plaatsen van de kokende wateren peilt. De maat van de omloopen aan den hemel zal hem onthuld worden door de maan, daar hij door middel van dien wachter de draaiing en wenteling van onze planeet waarneemt. Om niet louter de beweging maar de ontwikkeling van onzen bol te begrijpen, moet hij de plaats van het centrale vuur der aarde trotseeren, onbevreesd voor de duisternis der grotten van de vlammende afgronden. En daar, terugziende over ontelbare eeuwen, zal hij temidden van aardbevingen en ondenkbare aardrampen den ‘Heer der Wet’ en de ‘Ordewoorden’ vinden; terwijl de reusachtige bergketenen hooger en hooger uit den chaos omhoogrijzen om de oppervlakte der aarde voor te bereiden tot woonplaats van den mensch. Vervolgens strekt zich voor hem de schaduw der aarde uit in dat vaag verlichte en uitgestrekte uitspansel, waar de majesteit der open hemelen in nacht omhuld is; en hij neemt waar hoe de samenstanden der eclipsen te danken zijn aan dezelfde macht als de omloopen van verlichting, en hoe het uur der duisternis afgemeten wordt door den Gever van het Licht. Wanneer hij die schaduw doorgegaan is, treft hem een nog meer ontzag inboezemend gezicht, de vreeselijke pracht van de zonnebron in al hare volheid; en als hij langs den zevenvoudigen opgang van de planetensfeer omhoogstijgt, blikt hij onverblind op de reusachtige lichtbundels en vlammenstralen, die plotseling duizenden en myriaden mijlen hoog te voorschijn schieten. Dan, verre in de oneindige diepten en ruimten, zoeken zijne oogen, thans schitterend ‘als de oogen van Hator’, den veelgeliefden Sothis [Sirius], den brenger van de nieuwe dageraad, het portaal van de onbegrensbare hemelen, ‘dat land van millioenen sterkten’.11
De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met de goddelijkeKracht. De zinnen, wederom onbedorven, werden langzamerhand gevormd tot werktuigen, in staat om het opgaan der ziel in die oneindige kracht weer te geven, voor welke de grenzen van ruimte en tijd niet bestaan, maar voor welke verleden en toekomst gelijkelijk openstaan in een eindeloos heden; die alles te boven gaande vrijheid, waarin Handeling één is met Willen en Willen eenzelvig met Denken. Opdat de zinnen zoodanig belevendigd en verlicht mogen worden dat zij de werking van het Scheppend Denkvermogen in het uiterlijk heelal waar kunnen nemen, moet die vordering door den ‘overledene’in persoondoorgemaakt worden, welke de bestudeerder der wetenschap, terwijl hij nog niet bevrijd is van onderworpenheid aan de zinnen, vagelijk maakt door het verstand. Want wie het samengestelde bouwwerk van de hemelen zou willen begrijpen, het samenstel van de heilige verblijfplaats van den mensch, moet uitgaan van de poolster, en den horizon trekkende vanuit het punt der Equinoxen, hetwelk een gelijke verdeeling geeft tusschen het licht en de duisternis, moet hij begrijpen hoe de as der aarde voor den mensch de oorspronkelijke ruimtemaat is en de standaardmaat der Diepten. Indien hij het geheim van den levenden vorm zou willen kennen, zal de oceaan zijn leeraar zijn als hij van het strand tot de diepste diepten gaat en de geheime plaatsen van de kokende wateren peilt. De maat van de omloopen aan den hemel zal hem onthuld worden door de maan, daar hij door middel van dien wachter de draaiing en wenteling van onze planeet waarneemt. Om niet louter de beweging maar de ontwikkeling van onzen bol te begrijpen, moet hij de plaats van het centrale vuur der aarde trotseeren, onbevreesd voor de duisternis der grotten van de vlammende afgronden. En daar, terugziende over ontelbare eeuwen, zal hij temidden van aardbevingen en ondenkbare aardrampen den ‘Heer der Wet’ en de ‘Ordewoorden’ vinden; terwijl de reusachtige bergketenen hooger en hooger uit den chaos omhoogrijzen om de oppervlakte der aarde voor te bereiden tot woonplaats van den mensch. Vervolgens strekt zich voor hem de schaduw der aarde uit in dat vaag verlichte en uitgestrekte uitspansel, waar de majesteit der open hemelen in nacht omhuld is; en hij neemt waar hoe de samenstanden der eclipsen te danken zijn aan dezelfde macht als de omloopen van verlichting, en hoe het uur der duisternis afgemeten wordt door den Gever van het Licht. Wanneer hij die schaduw doorgegaan is, treft hem een nog meer ontzag inboezemend gezicht, de vreeselijke pracht van de zonnebron in al hare volheid; en als hij langs den zevenvoudigen opgang van de planetensfeer omhoogstijgt, blikt hij onverblind op de reusachtige lichtbundels en vlammenstralen, die plotseling duizenden en myriaden mijlen hoog te voorschijn schieten. Dan, verre in de oneindige diepten en ruimten, zoeken zijne oogen, thans schitterend ‘als de oogen van Hator’, den veelgeliefden Sothis [Sirius], den brenger van de nieuwe dageraad, het portaal van de onbegrensbare hemelen, ‘dat land van millioenen sterkten’.11
Uit het hier aangehaalde blijkt wel, dat Adams meent dat dekennis van het zonnestelsel en het heelal een deel vormde van de wijsheid, die den kandidaat voor kennis medegedeeld werd in de Groote Pyramide, en wel voornamelijk dooraanschouwing.
Alvorens nu echter verder te gaan, kan het goed zijn dat wij ons eerst een denkbeeld trachten te vormen van hetgeen onder die Mysteriën begrepenkanworden. Van de hoogere mysteriën, al weten wij niet wat zij geven, kunnen wij toch zeggen, dat zij eene inwijding zijn in de hoogste kennis aangaande den mikrokosmos en den makrokosmos en het verband tusschen beide. Hoe hoog die kennis gaan kan, kunnen wij met ons lagere verstand niet bevatten. Maar alleen zou ik denken dat veel, wat nu als geopenbaarde kennis aan de wereld gegeven is, in die tijden der oudheid behoorde tot de mysteriën. Wij zijn rijp geworden voor kennis, waarvoor de menschen van dien tijd niet rijp waren. Ik grond deze meening op een feit, dat ook vermeld wordt in deGeheime Leer. Enkele ingewijden of dichters, die aan deze kennis kwamen door hunne intuïtie, wisten van de werkelijke bewegingen der aarde, zon en in het algemeen van de ware inrichting van het zonnestelsel, toen de massa nog niet beter wist, dan dat de aarde het middelpunt der schepping was en alles om haar wentelde. Zoodra zij (de ingewijden of de dichters) dit feit onbedacht aan de wereld mededeelden, volgde daarop de straf: dood of verbanning. Thans zijn deze dingen niet meer geheim of verborgen. In het algemeen kunnen wij ons voorstellen dat de leer van den bouw des heelals en de wetten van de regeling er van een deel der mysteriën uitmaakten, en wel een zeer voornaam deel. Waarschijnlijk werden de eenvoudigste wetten en waarheden in symbolischen vorm den volke verkondigd in de tempels, en dan zien wij dus dat de sterrenleer der ouden, n.l. de sterrenwichelarij, de sterrenvergoding enzoovoorts, de exoterische vormen waren, waarin de machtige wetten van den makrokosmos verzinnebeeld werden. De sterrenleer was schoon en waar maar de kern was nog schooner en machtiger.
Zoo kan ik mij dus denken, dat in de mysteriën verklaringen gegeven werden van deze uiterlijke symbolen en sterrenleer en meer dan dat, dat ook de leer der cyclussen, als de groote wet van de regeling van den makrokosmos, daar werd geleerd en verklaard.
Als dit zoo is, zien wij in waarom de siderische cyclus zulk een groote rol speelt in de theorieën over de Pyramide, en tevens waarom zulk een nauw verband gezocht wordt tusschen de Pyramide en de sterrenkunde, sterrenwichelarij en sterrengodsdienst in het algemeen.
H. P. Blavatsky zegt: “De slangen van wijsheid hebben hunne verslagen goed bewaard, en de geschiedenis van de menschelijke evolutie staat opgeteekendaan de Hemelenzoowel als opondergrondsche muren. De menschheid en de sterren zijn onverbreekbaar verbonden, vanwege de Verstandswezens, die de laatste besturen.”
Zouden dezeondergrondsche murenniet op muren van de Pyramidekamers doelen? Ik denk van wel, want verder zegt H. P. Blavatsky dat Staniland Wake gelijk heeft met te zeggen: “Het is onbetwistbaar dat de Zondvloed in de legenden van Oostersche volkeren verbonden geweest is, niet alleen met dePyramiden, maar ook met desterreteekens.” Dit schijnt rechtstreeks op het voorgaande te doelen.
Het is ook niet onnoodig op te merken, dat het volgens de Egyptische denkwijze niet voldoende was de grondkrachten van het heelal te kennen, benevens al de verschijnselen des hemels en de samenstelling van de meest verwijderde zonnen. Ook was het niet mogelijk de wetenschappelijke kennis zoodanig uit te breiden dat men door den wil een bewerktuigde wereld scheppen kan uit de atomen van de peillooze diepte, enkel en alleen door uitbreiding van het aanzicht van kennis van het bewustzijn. Neen, niet alleen deze uitbreiding van het verstand was voldoende tot inwijdingen in de mysteriën, en de afmetingen en verhoudingen van het verborgen Huis werden niet verklaard zonder dat hij die ingewijd wenschte te worden,wijsheidhad, de leeringen van Thoth (den God der wijsheid) in zich had opgenomen.
Geen mensch kan de Godheid aanschouwen wanneer hij niet in de waarheid onderricht is, ook kan niemand de inwijding ontvangen tenzij hijdoodvoor het vleesch is.
1M. Adams,The Book of the Master, blz. 105.2Uitgegeven door M. Naville.3De Heliopolische verzameling van hetBoek der Dooden(vijfde en zesde dynastie) zijnde de oudste aan ons bekende vorm van dit werk, is met eene Fransche vertaling uitgegeven door Maspéro inRecueil de Travaux, en afzonderlijk alsLes Inscriptions des Pyramides de Saqqarah, Paris 1894.De verzameling van de elfde en twaalfde dynastie is uitgegeven door Lepsius en Maspéro (zie Birch’sVertaling van den text op de mummiekist van Amamu). Deze vertaling is uitgegeven met een facsimile door het British Museum onderden titel vanEgyptian Texts of the earliest periods from the coffin of Amamu, London, 1886.De Thebaansche verzameling (achttiende tot zes en twintigste dynastie) is uitgegeven door Birch, Mariette, Leeman en Devéria; Naville gaf eene volledige uitgave met Inleiding in 1880.De belangrijkste uitgave van de Saïtische verzameling is die van het Turijnsche Manuscript door Lepsius in 1842, genaamdDas Todtenbuch der Egypter. In 1861 gaf E. de Rougé hetzelfde manuscript uit alsRituel Funéraire. Latere uitgaven van geheele of gedeeltelijke verzamelingen komen voor in:Proceedings of the Society of Biblical Archaeology, vol. VII; Lieblein,Le Livre Egyptien Que mon nom fleurisse, Leipzig 1895; Birch, vertaling van Bunsen’sEgypts Place in Universal History, vol. V, blz. 123–333; Pierret,Le Livre des Morts des anciens Egyptiens.Voor verdere bijzonderheden over hetBoek der Doodenraad ik mijn lezers aan te raadplegenThe Book of the Dead, The Chapters of Coming forth by day, by E. A. Wallis Budge. London, Kegan Paul, Trench, Trubner & Co. 1898.4E. Budge,The Book of the Dead, blz. XLV.5t.a.p. blz. XLVI.6t.a.p. blz. LXXV.7The Book of the Master, blz. 96.8Men leze hieroverHermes, the Thrice-Greatest, door Mead.9Book of the Master, blz. 97.10t.a.p. blz. 123, 124.11House of the Hidden Places, blz. 192–195.
1M. Adams,The Book of the Master, blz. 105.
2Uitgegeven door M. Naville.
3De Heliopolische verzameling van hetBoek der Dooden(vijfde en zesde dynastie) zijnde de oudste aan ons bekende vorm van dit werk, is met eene Fransche vertaling uitgegeven door Maspéro inRecueil de Travaux, en afzonderlijk alsLes Inscriptions des Pyramides de Saqqarah, Paris 1894.
De verzameling van de elfde en twaalfde dynastie is uitgegeven door Lepsius en Maspéro (zie Birch’sVertaling van den text op de mummiekist van Amamu). Deze vertaling is uitgegeven met een facsimile door het British Museum onderden titel vanEgyptian Texts of the earliest periods from the coffin of Amamu, London, 1886.
De Thebaansche verzameling (achttiende tot zes en twintigste dynastie) is uitgegeven door Birch, Mariette, Leeman en Devéria; Naville gaf eene volledige uitgave met Inleiding in 1880.
De belangrijkste uitgave van de Saïtische verzameling is die van het Turijnsche Manuscript door Lepsius in 1842, genaamdDas Todtenbuch der Egypter. In 1861 gaf E. de Rougé hetzelfde manuscript uit alsRituel Funéraire. Latere uitgaven van geheele of gedeeltelijke verzamelingen komen voor in:Proceedings of the Society of Biblical Archaeology, vol. VII; Lieblein,Le Livre Egyptien Que mon nom fleurisse, Leipzig 1895; Birch, vertaling van Bunsen’sEgypts Place in Universal History, vol. V, blz. 123–333; Pierret,Le Livre des Morts des anciens Egyptiens.
Voor verdere bijzonderheden over hetBoek der Doodenraad ik mijn lezers aan te raadplegenThe Book of the Dead, The Chapters of Coming forth by day, by E. A. Wallis Budge. London, Kegan Paul, Trench, Trubner & Co. 1898.
4E. Budge,The Book of the Dead, blz. XLV.
5t.a.p. blz. XLVI.
6t.a.p. blz. LXXV.
7The Book of the Master, blz. 96.
8Men leze hieroverHermes, the Thrice-Greatest, door Mead.
9Book of the Master, blz. 97.
10t.a.p. blz. 123, 124.
11House of the Hidden Places, blz. 192–195.
Hoofdstuk IX.Mystieke Theorieën II.Aleer ik mij waag aan een verdere uiteenzetting van deze theorieën, wil ik hier nogmaals uitdrukkelijk vermelden dat ik deze hier geheel geef alspersoonlijkeopvatting, en geenszins bewerenwil, of trachten het te bewijzen, dat deze de juiste is. Ik kan dan ook hier slechts een beroep doen op het intuïtief gevoel van mijne lezers bij het maken van gevolgtrekkingen uit defeiten, die ons in ruime mate door verschillende schrijvers verschaft worden. Deze opmerking is te meer noodig aangezien ik, hoewel de theorie van Adams geheel volgende (en hoewel ik het in dezen volkomen met hem eens ben) enkele onderdeelen meer in bijzonderheden kan uitwerken nu de Theosofie ruimere en diepere begrippen over dergelijke zaken heeft verspreid, doch hiermede tevens een zeer gevaarlijk terrein betreed, waar het moeilijk is bewijzen aan te voeren diewetenschappelijkewaarde zouden hebben, omdat ik grootendeels persoonlijke opvattingen moet geven en deze moet laten steunen op enkele aanwijzingen, in deGeheime Leeren andere Theosofische werken gegeven; en hoewel deze natuurlijk voor mij en vele anderen grooter waarde hebben dan menig geleerd wetenschappelijk betoog, kan ik hier nochtans niet van een betrouwenswaardige theorie spreken: het is en blijft louter een persoonlijke uitlegging van gegevens.Thans hetBoek der Doodenter hand nemend wil ik alvorens, over te gaan tot het bespreken van de inwijding in de Groote Pyramide, er nog aan toevoegen dat ik thans dit werk alleen in zooverre wensch te volgen, als noodig is voor het verband met het onderwerp,De Groote Pyramide, en dus niet op een bijzondere beschouwing van den tekst van het werk zelf kan ingaan. Dit zou op zichzelf een te zware taak zijn.In hetBoek der Doodendan vinden wij allereerst enkele inleidende hymnen, lofzangen op Ra, ontleend aan den papyrus van Ani. Volgens de gewone opvatting werden deze hymnen over de mummie uitgesproken door de priesters, om den doode in staat te stellen zijn “geestelijk lichaam” naar den hemel te doen opstijgen. Mijn gevoelen hieromtrent echter is dat de candidaat door het opzeggen van deze hymnen in een soort trance-toestand kwam, en dat zijn hoogere lichamen hierdoor van het grofstoffelijk lichaam ofkhatbevrijd werden, daar de hoogere inwijdingen niet plaats vonden in het stoffelijk lichaam, maar in het astraal (baenka) en in het oorzakelijk lichaam (Sahu.)Gedurende deze ceremonie verliet dus Osiris (de ware mensch), in zijnSahu, dekhat, waarna het fysiek lichaam in een mummiekist geplaatst werd in een sarcofaag, in de crypt onder de pyramide. In deze crypt werd het Nijlwater langs ondergrondsche kanalengevoerd, zoodat de sarcofaag geheel omringd werd door dit water dat tevens diende als beveiliger tegen het indringen van invloeden van buiten in het in trance verkeerende lichaam. De crypt waarin het lichaam geplaatst werd, is waarschijnlijk nog lager gelegen dan de ondergrondsche kamer in de pyramide.DeSahuwordt gezegd gedurende zijn verblijf buiten het lichaam gehuld te zijn in een lichtgevend doorzichtig lichaam ofKhu. DitKhuschijnt mij toe de zoogenaamdeAugoeïdeste zijn, en aangezien dit punt niet van belang ontbloot is, wil ik voor deze meening eenige gronden aanvoeren. In Annie Besant’sEsoterisch Christendomlezen wij:Het glanspunt van de Mysteriën was wanneer de Ingewijde een God werd, hetzij door vereeniging met een goddelijk wezen buiten hemzelf,of door de verwezenlijking van het goddelijk zelfin hem. Dit werd genoemd vervoering en was een toestand van wat de Indische Yogi hooge Samâdhi zou noemen, waarbijhet grove lichaam in trance isende bevrijde ziel haar eigen vereeniging met het Groote Eenetot stand brengt.1en Mead zegt:“Vervoering is niet een eigenlijk zoogenaamde eigenschap, zij is eentoestandvan de ziel, die haar op zulk eene wijze vervormt, dat zij danwaarneemt wat tevoren voor haar verborgen was.”2In deze aanhalingen vinden wij mijns inziens hetzelfde weergegeven als hetgeens Adams met betrekking tot de inwijding in de pyramide uitdrukt in Egyptischen symbolischen zeggingsvorm.Alvorens de kandidaat echter gekomen is tot het punt in zijn evolutie, waarop wij hem thans denken om hem te kunnen volgen bij zijne inwijding in de Pyramide, moet hij vele eigenschappen verkregen hebben, die hem geschikt maken kandidaat voor deze mysteriën te worden, welke laatste hem in hun derden graad willen maken tot een Christos, en het kan nuttig zijn, alvorens het ritueel van hetBoek der Doodenbij de Pyramide-inwijding te volgen, eerst na te gaan wat de weg is, dien de kandidaat tot op dat oogenblik van zijn evolutie moet hebben afgelegd.En hier nu zou ieder Br.·. Vr.·. mij geheel kunnen volgen indien hij het slechts eens met mij was dat de mysteriën der Vrijmetselarij eene weerspiegeling zijn op dit gebied van de inwijdings-ceremoniën, en dat de kandidaat in het ritueel der symbolischegraden op zinnebeeldige wijze de verschillende stadiën der inwijding doorloopt. Want zegt Annie Besant niet:“Voornamelijk werden zij (de kleine mysteriën) als nuttig beschouwd ten opzichte van het bestaanna den dood, daar de Ingewijde dat leerde wat zijn toekomstig geluk verzekerde.”3En is het niet duidelijk dat dit nut voor den kandidaat bewerkt werd in het doorloopen van de symbolische reizen, die wel degelijk, volgens mijne theorie, het doorloopen van het bestaan na den dood door de ziel verzinnebeelden, al weet ik zeer goed dat bijna geen Br.·. dit met mij eens zal zijn, en men mij zal zeggen dat het een gaan door dit leven verzinnebeeldt. Zeer wel, maar dan beweer ik dat zijn reizen zeer wel reden van bestaan vinden in een dusdanige zedelijke verzinnebeelding van het leven, maar dat mijne opvatting van een hooger orde is. En dan hebben wij beiden gelijk. H. P. Blavatsky maakt ook deze onderscheiding en zegt dat er in die tijden was: een vrijmetselarijin den tempelen een vrijmetselarijin de Crypt.4Hoe dit zij, het is mijn vaste overtuiging dat de vrijmetselarij in dien tijd als bedoeling had door hare symbolische en andere leeringen verdedigers en kenners van den godsdienst te vormen en dat een meester vrijmetselaarin de cryptdegene was, die de hoogste inwijding had doorgemaakt en een Christos was geworden.Echter is het hier niet de plaats op deze dingen in te gaan, doch tot zoover had ik eene vermelding er van noodig, om er op te wijzen dat de vrijmetselarij een verklaring van haar ritueel geheel moet zoeken langs de hier aangegeven lijnen, om ten slotte in het ritueel van hetBoek der Doodenhaar hoogste uiting te vinden; en hoewel ik, zooals ik reeds schreef, hier niet verder op wensch in te gaan, ben ik gaarne bereid ieder Br.·. die belang stelt in deze theorie, mijn gevoelen nader uiteen te zetten.Geheel zonder steun van Theosofische zijde is de bewering, dat er eene opeenvolging van mysteriën was in verschillende graden en scholen, aleer eene inwijding in de Pyramide plaats vond, niet. Een goed verstaander moet echter in dezen aan een half woord genoeg hebben, daar eene uitlegging van de woorden licht te veel kan onthullen. Na verschillende deugden en hare wijze van verkrijging beschreven te hebben, schrijft Annie Besant inEsoterisch Christendom, blz. 30.Deze deugden waren noodig voor de Groote Mysteriën, daar zij betrekking hadden op het louteren van het ijle lichaam, waarin de ziel werkte, wanneer zij buiten het grove lichaam was. De gedrags- of praktische deugden behoorden tot het gewone leven van den mensch en werden tot op zekere hoogte vereischt alvorens hij een kandidaat kon zijn zelfs voor een zoodanige school als hierna beschreven wordt.In deze aanhaling zien wij de vereischten die noodig waren om als leerling aangenomen te worden. Ook in andere boeken wordt er op gezinspeeld dat in die tijden een der vereischten vooralleinwijdingen was dat men in het astraal lichaam werkzaam kon zijn.Nu komt iets verder:...Dan kwamen de zuiverende deugden, waardoor het ijle lichaam, dat van de aandoeningen en het lager denkvermogen, gelouterd werd.Dit vond plaats gedurende de evolutie van den kandidaat als leerling.Ten derde de verstandelijke, die behoorden tot den augoeïdes of den lichtvorm van het verstand.De ontwikkeling van deze eigenschappen kenmerkten den tweeden graad, en ten slotte hebben wij:Ten vierde de bespiegelende of vóórbeeldige, waardoor vereeniging met God verwezenlijkt werd,—kenmerkende het doorloopen van de laatste kenbare inwijding, waarbij de volmaakte mensch als Christos wedergeboren wordt. Dat het mogelijk is bij deze laatste inwijdings-ceremonie wederom een verdeeling in drie graden te maken zooals Adams dit doet is mijns inziens volkomen logisch wanneer wij aannemen, dat in een hoogere school eene herhaling plaats vond van wat in de voorgaande scholen was geschied, en dat het nu op een hoogeren trap plaats vond, terwijl dan de hoogste graad verder opwaarts voerde.Men kan uit deze gegevens tot de gevolgtrekking komen dat het lichaamKhu, waarin Osiris verblijft vóór zijn vereeniging met God-Osiris, hetzelfde lichaam moet zijn als dat hetwelk door de Theosofen Augoëides genoemd wordt.Thans kunnen wij ons een denkbeeld vormen van den kandidaat en zijn evolutie tot op het oogenblik van zijn inwijding in de Pyramide, en dat deze inwijding daar plaats vond kan (behalve de vele bewijzen die wij vroeger reeds vermeldden) ook in het aangehaalde werk van Annie Besant gevonden worden:Alleen zij konden erkend worden als kandidaten voor Inwijding, die reeds goed waren zooals menschen goedheid rekenen, volgens de gestrenge maat van de wet. Rein, heilig, zonder bezoedeling, zuiver van zonde, levende zonder overtreding—zoodanig waren enkele van de beschrijvende gezegden die omtrent hen gebruikt werden. Verstandig ook moeten zij zijn, met welontwikkeld en welgeoefend denkvermogen. De ontwikkeling die in de wereld leven na leven voortgezet wordt, het ontwikkelen en meester worden van de vermogens van het denkvermogen, de aandoeningen en den redelijken zin, het leeren door exoterische godsdiensten, het uitoefenen van plichtsvervulling, het streven anderen te helpen en op te heffen—dit alles behoort tot het gewone leven van een ontwikkeld mensch. Wanneer dit alles gedaan is, is de mensch “een goed mensch” geworden, de Chrêstos van de Grieken, en dit moet hij ook zijn vóór hij de Christus, de Gezalfde kan worden. Het exoterisch leven goed vervuld hebbende, wordt hij een kandidaat voor het esoterisch leven en vangt de voorbereiding tot Inwijding aan, hetgeen bestaat in het vervullen van zekere voorwaarden. De voorwaarden bepalen de eigenschappen die hij verkrijgen moet en terwijl hij hard werkt om deze te scheppen, zegt men soms van hem dat hij het Proefpad betreedt, het Pad dat tot deEnge Poortleidt, aan gene zijde waarvan deSmalle Wegis, of hetPad van Heiligheid, deKruisweg.”5En wanneer wij in verband hiermede lezen hetgeen H. P. Blavatsky in deGeheime Leervermeldt, (reeds vroeger door ons aangehaald) namelijk:“En thans, in 1882, schrijft Staniland Wake het volgende: ‘De koningskamer... was waarschijnlijk de plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën.’Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een ‘enge poort’ had; dezelfde ‘enge poort’ die ‘tot het leven leidt’, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn.”6dan zal het duidelijk zijn dat de Christus-Inwijding inderdaad in de Pyramide plaats vond; temeer waar er ook gezegd wordt:“Want Egypte is een van de wereldmiddelpunten der ware Mysteriën gebleven....”7Wij kunnen thans overgaan tot eene beschouwing van het Ritueel van hetBoek der Dooden. De in trance verkeerende kandidaatwerd geplaatst, zooals wij reeds zeiden, in de kamer onder de Pyramide. Hij werd op een kruis geplaatst, soms van den gewonen kruisvorm, soms van den vorm van de Tau. Zijn handen werden met een touw bevestigd aan het kruis, doch het eind van dit touw werd losgelaten, om aan te duiden dat de kandidaat vrijwillig dezen figuurlijken kruisdood doormaakte. De doode verliet thans in zijn “ba” of astraal lichaam zijn “Khat”, en ging buiten zijn lichaam de verschillende voorbereidende beproevingen doormaken.Wij moeten om deze na te gaan, opslaan hfdst. XVII van hetBoek der Dooden, waarvan de tekst luidt:(I) Hier begint de lof en verheerlijking van het uittreden en het ingaan tot de heerlijke onderwereld welke is in het schoone amentet, van het uittreden (II) bij dag in alle vormen van bestaan welke hem [“den doode”] behagen, van damspelen en in de zaal zitten en te voorschijn komen (III) als een levende ziel.Zooals ik reeds zeide is het onmogelijk diep in te gaan op eene volledige uitlegging dezer teksten; slechts de breede beteekenis er van kan hier gegeven worden in verband met het geheel. Hier slaat de tekst op een bekend feit. De kandidaat moest bij zijne inwijding eerst afdalen in de onderwereld: hij “daalde neder ter helle”. Belangrijk is tot een juist begrip, hetgeen C. W. Leadbeater zegt in deChristelijke Geloofsbelijdenis.“De formule door de beoefenaren van Atlantische Magie in overoude tijden aan de Egyptenaren overgeleverd, luidde aldus:‘Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden worden, hij zal sterven, begraven worden en nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden en de dooden te besturen.’De hal der Inwijding was dikwijls onder den grond in een Egyptischen tempel—vermoedelijk vooral om hare ligging geheim te houden, ofschoon het ook bedoeld kan zijn als deel der symboliek van de nederdaling in de stof, die zulk een groote rol speelde in al die oude mysteriën. Het is mogelijk dat er een dergelijke halin of onder de Groote Pyramidewas, want nog slechts een zeer klein deel dier ontzaglijke massa is onderzocht of zal denkelijk ooit onderzocht worden.”8C. W. Leadbeater vermeldt daarna hetgeen wij reeds zeiden omtrent het binden op het kruis, en vermeldt tevens dat het lichaamdan in “een nog lager gelegen gewelf” gebracht werd. Een ieder leze dit gedeelte van het bedoelde werkje dus aandachtig na in verband met deze verhandeling. Vooral ook hetgeen volgt op blz. 81–85. Een kort overzicht van hetgeen daar gezegd wordt moge hier voldoende zijn voor een juist begrijpen van hetgeen wij verder zullen vermelden.De zoogenaamde “doode” bevond zich dus op het astrale gebied vol leven en bewustzijn. Gedurende zijn verblijf aldaar moest hij vele ondervindingen opdoen om hem tot een nuttig wezen in die wereld te maken. Deze nederdaling in de onderwereld (Amentet) bij een inwijding geschiedt opdat de kandidaat zal trachten aan de vele ongelukkigen op dit lage astrale gebied (Kama Loka) hulp te brengen door hen te wijzen op hunne kansen tot verbetering. Tevens moest volgens Egyptisch gebruik de kandidaat gedurende deze “nederdaling ter helle” de zoogenaamde aard-, water-, lucht- en vuurproeven ondergaan—tenzij hij die reeds in een vroeger stadium zijner ontwikkeling doorstaan had. Hij leerde dus dat geen dezer elementen hem deren kan in zijn astraal bestaan. Ook moest hij om deze reden (en ook thans moet dit nog) de vreeselijkste verschijningen in de afschuwelijkste omgeving ontmoeten om vertrouwd te worden met alle omstandigheden dezer gebieden. Ziedaar het nut van dit oude Egyptische ritueel.De tekst van hfdst. XVII van hetBoek der Doodenzal nu duidelijk zijn in algemeene trekken. Vele der voorafgaande hoofdstukken geven hetzelfde weer, bijv. hfdst. Ib:(I) HetHoofdstukvan het doen gaan van de Sahu [het Geestelijk Lichaam] in den Tuat [de Onderwereld] op den dag van de begrafenis, wanneer de volgende woorden moeten opgezegd worden(hier volgt een uitgebreide tekst, dien de lezer wel doet na te slaan in dit verband).en hfdst. VIII:(I) HetHoofdstukvan het gaan door Amentet [en het Tevoorschijntreden] bij dag.en hfdst. IX:(I) HetHoofdstukvan het tevoorschijntreden bij dag na den gang door het graf gedaan te hebben.terwijl in hfdst. X ook gezinspeeld wordt op den strijd en de moeilijkheden aldaar.Een moeilijkheid doet zich echter voor, en geen oplossing is daarvoor te vinden. C. W. Leadbeater spreekt van deze inwijding als de Sotapatti-inwijding, terwijl alle andere gegevens er tot dusver op duidden dat de Christus-inwijding zou hebben plaats gevonden in de Pyramide. De Christus-inwijding is dan ook dehoogstekenbare inwijding, niet de Sotapatti-inwijding, welke laatste tot de kleine Mysteriën behoort. Verwondering baart het dus dat C. W. Leadbeater hier de Sotapatti-inwijding noemt de “hoogste” inwijding die in Egypte plaats vond.Dit laatste kan slechts het geval zijn wanneer wij spreken van Egypte in zijn vervaltijd, doch niet toen het zijn grootsten bloei beleefde en de Groote Mysteriën hun zetel hadden in de Groote Pyramide.Zeer zeker zou licht gewenscht zijn op dit punt, doch geenszins zie ik kans het dilemma op te lossen.(I) Nog eenHoofdstuk[dat opgezegd moet worden] door iemand die bij dag te voorschijn treedt tegen zijne vijanden in de Onderwereld.Hetzelfde wordt weergegeven in de hoofdstukken XI (i), XII (ii), XIII, en ik vermeen dat hfdst. XV een zegezang is na de overwinning en den gelukkigen doorgang door de onderwereld.Adams meent dat deze hoofdstukken den kandidaat medegedeeld worden aleer hij in het “graf” daalt om hem voor te bereiden op hetgeen hem wacht. Ook deze uitlegging is nu wel te aanvaarden indien men veronderstelt dat al deze hoofdstukken op één persoon in denzelfden tijd betrekking hebben. Doet men dit niet, dan is het eer aan te nemen dat zij hetzelfde feit, namelijk het gaan naar de Onderwereld, op verschillende wijzen beschrijven.De verdere hoofdstukken van hetBoek der Doodenzijn aan geen verschil van opvatting onderhevig. Hfdst. XVII beschrijft het gaan in de Onderwereld zelf met een korte opsomming van de toetsen, vijanden en gevaren, welke den doode wachten, en van hfdst. XVIII af kunnen wij het doormaken der beproevingen volgen. Adams zegt dan ook:“De vrienden zijn verdwenen. De zon, die van zijn vroegste jaren af het ontwaken van den gestorvene begroet heeft, is voor altijd uit zijn gezicht verdwenen. De “Poort der Aarde” is hij doorgegaan; en de Kandidaat voor Wijsheid is de Strever naar Onsterfelijkheid geworden. Ondenkbare stilte heerscht rondom hem, een niet te begrijpen duisternis ligt voor hem. Maar onder de leiding van Anup, den gids der zielen,gaat hij door die Poort der Opstijging, waar het goddelijk licht den steen van het graf heft. ‘Het is het gebied van zijn vader Shu (het Licht)’, vervolgt het Ritueel: ‘hij wascht zijne zonden weg, hij doet zijne wonde plekken verdwijnen’. Dan, wanneer de gestorvene in de duisternis voorwaarts treedt en onbevreesd het benedenwaartsche pad afgaat, onthult het innerlijk Licht, ongezien door het sterfelijk oog, zich in een visioen. Hij ziet de Onderwereld (hfdst. XVII) het gebied der Inwijding, den ingang tot de verborgen plaatsen, met betrekking tot welke de goddelijke Wijsheid hem geleerd heeft, dat het de plaats is ‘waar hij moet binnentreden en van waar uit hij moet tevoorschijntreden’, de veranderingen die hij begeeren moet door te maken opdat hij tot de gelijkenis van God vervormd moge worden, de goede werken die hij moet verrichten, de troon van de herschapen ziel, en het gezegende gezelschap van Osiris nadat het lichaam ter ruste gelegd is. In datzelfde visioen ziet hij ook den ingang van de Onderwereld, of Rusta, en verneemt dat het de noordelijke deur van het graf van Osiris is, terwijl de eenige ingang van de Pyramide de noordelijke ingang is.9Symbolisch wordt dus het gaan in en het betreden van de benedenwaartsche gang in de Pyramide beschouwd als het betreden van de onderwereld. Wanneer het lichaam dan op de Tau geplaatst is in een trance-toestand, vangt de beproeving op het astraal gebied aan, welke gevolgd moet worden door de beproeving op het verstandsgebied, om te worden bekroond door een geboorte op het Buddhisch gebied, terwijl de lichamen door verschillende transformaties geschikt worden gemaakt om dit schitterend Buddhisch beginsel ten slotte op te nemen. Dit alles zullen wij vinden in het ritueel van hetBoek der Doodenen met dezen voortgang der Inwijding gaat eene verplaatsing van het stoffelijk lichaam gepaard langs den symbolischen weg in de Pyramide. Den tekst van hoofdstuk XVII vermeldden wij reeds, als te kennen gevende wat den kandidaat te wachten staat in die onderwereld. Het zal echter niet wel mogelijk zijn het ritueel te volgen door hoofdstuk na hoofdstuk in verband daarmede aan te halen, want evenals dit in onzenBijbelhet geval is, werd door de samenstellers van hetBoek der Doodennatuurlijk geenszins deze opvatting van den tekst gehuldigd, en is deze op eene schromelijke manier dooreengeward. In dezen tekst zijn n.l. door elkaar heen te vinden:(a) het doorloopen van de inwijding volgens het Egyptische ritueel.(b) de verklaring van den hierofant aan de leerlingen van het ritueel zelf.(c) de verklaring van de inwijding van den kandidaat als verzinnebeeldende de nederdaling van den Logos in de stof.(d) de verklaring van verschillende leeringen van den exoterischen godsdienst, als daar zijn reïncarnatie, de drievoudige, zevenvoudige en meervoudige samenstelling van den mensch, zijn verband als mikrokosmos tot den makrokosmos, enz.Wij zien dus dat het op zichzelf heel wat studie en zeer veel kennis zou vorderen om hetBoek der Doodenaldus te ontleden, en het kan dus thans ook niet mogelijk zijn dit te dezer plaatse in een kort bestek te doen in verband met ons onderhavig onderwerp. Ik wenschte er echter alleen op te wijzen, daar anders mijn aanhalingen uit de verschillende hoofdstukken van hetBoek der Doodenzonder een bepaalde volgorde eenigszins willekeurig zouden gelijken. Bij een juist denkbeeld van de samenstelling van het werk valt deze willekeurigheid weg.Tot beter begrip van enkele gebeurtenissen in het ritueel is het niet onnoodig het volgende op te merken. Er wordt in enkele gedeelten van het ritueel veel gesproken over de “krokodil” en veel over het “hart”. Het is natuurlijk steeds in symbolische beteekenis dat deze woorden gebruikt worden. De “krokodil” beteekent in de meeste gevallen Manas, het Denkvermogen en wordt dan gewoonlijk beschouwd als vijand van denwerkelijkenmensch Osiris, als trachtende hem te bewegen tot afscheiding, de gevaarlijkste eigenschap van den “vijfpuntigen” mensch. De vijfpuntige ster, het symbool van den mensch gereed voor inwijding, gaf aanleiding tot het ontstaan van het krokodil-symbool, namelijk door de vijf uiteinden van voorpooten, achterpooten en staart. Soms is deze krokodil voorgesteld als draak en in enkele gevallen als visch.Het “hart” is het reïnkarneerende beginsel of het ware Ego, het zoogenaamde “voorouderlijke hart”.In verband met deze diepgaande symbologie is het voor den studeerende zeer belangrijk, na te gaan hetgeen H. P. Blavatsky in dit verband zegt in deGeheime LeerI, 288, 289. Zooals ik reeds opmerkte vindt men in hetBoek der Doodenvele dooreenstrengelen van verschillende leeringen, doch ook de ritueelen van verschillende inwijdingen zijn aan elkander vastgeknoopt of onderling verward. Zoo is bijvoorbeeld het begraven in een mummiekist en het gaan in de onderwereld een eerste inwijding en dit komt overeen met hetgeen thans in symbolischen vorm in den leerlingsgraad der Vr.·. M.·. doorloopen wordt, volgens mijnvroeger reeds vermelde opvatting, namelijk het gaan door den dood en het bekend worden met de werelden aan gene zijde des grafs, het bekend worden met astrale en devachanische toestanden,het bevriend raken met de elementalen dier gebieden, enz. Vandaar bijv. de offers, en het graan dat medegegeven werd in de mummiekist. De astrale tegenhangers daarvan kon hij hun als offers aanbieden. Later werd dit gebruik voortgezet bij de werkelijke dooden, hoewel waarschijnlijk de redenen, die er aanleiding toe gaven, reeds vergeten waren; doch wie weet hoeveel nut de afgestorvenen er aan gene zijde van hadden!Dit gaan in de onderwereld en deze inwijding is natuurlijk volstrekt niet die waarover wij reeds spraken als de Christus-inwijding, waarbij de kandidaat op de Tau geplaatst werd. Bovendien had deze lagere inwijding veelvuldig en ook in vele andere tempels en pyramiden plaats. De inwijding waarover wij in een volgend hoofdstuk zullen handelen in verband met de groote Pyramide, aan de hand van hetBoek der Dooden, is die inwijding welke als eindzege de geboorte van het Buddhisch lichaam had en symbolisch de uitstorting van den Logos verzinnebeeldde in het bouwwerk dat symbolisch zijn veld van werking voorstelde, namelijk ons zonnestelsel.1Esoterisch Christendom, blz. 28, 29. De cursiveering is van mij (v. G.); evenzoo in de volgende aanhalingen.2Plotinus, blz. 42.3Esoterisch Christendom, blz. 24.4Lucifer, deel IV, blz. 228.5Esoterisch Christendom, blz. 188, 189.6Geheime Leer, Deel I, blz. 404.7t.a.p. blz. 141.8De Christelijke Geloofsbelijdenis, blz. 80.9The Book of the Master, blz. 155, 156.
Aleer ik mij waag aan een verdere uiteenzetting van deze theorieën, wil ik hier nogmaals uitdrukkelijk vermelden dat ik deze hier geheel geef alspersoonlijkeopvatting, en geenszins bewerenwil, of trachten het te bewijzen, dat deze de juiste is. Ik kan dan ook hier slechts een beroep doen op het intuïtief gevoel van mijne lezers bij het maken van gevolgtrekkingen uit defeiten, die ons in ruime mate door verschillende schrijvers verschaft worden. Deze opmerking is te meer noodig aangezien ik, hoewel de theorie van Adams geheel volgende (en hoewel ik het in dezen volkomen met hem eens ben) enkele onderdeelen meer in bijzonderheden kan uitwerken nu de Theosofie ruimere en diepere begrippen over dergelijke zaken heeft verspreid, doch hiermede tevens een zeer gevaarlijk terrein betreed, waar het moeilijk is bewijzen aan te voeren diewetenschappelijkewaarde zouden hebben, omdat ik grootendeels persoonlijke opvattingen moet geven en deze moet laten steunen op enkele aanwijzingen, in deGeheime Leeren andere Theosofische werken gegeven; en hoewel deze natuurlijk voor mij en vele anderen grooter waarde hebben dan menig geleerd wetenschappelijk betoog, kan ik hier nochtans niet van een betrouwenswaardige theorie spreken: het is en blijft louter een persoonlijke uitlegging van gegevens.
Thans hetBoek der Doodenter hand nemend wil ik alvorens, over te gaan tot het bespreken van de inwijding in de Groote Pyramide, er nog aan toevoegen dat ik thans dit werk alleen in zooverre wensch te volgen, als noodig is voor het verband met het onderwerp,De Groote Pyramide, en dus niet op een bijzondere beschouwing van den tekst van het werk zelf kan ingaan. Dit zou op zichzelf een te zware taak zijn.
In hetBoek der Doodendan vinden wij allereerst enkele inleidende hymnen, lofzangen op Ra, ontleend aan den papyrus van Ani. Volgens de gewone opvatting werden deze hymnen over de mummie uitgesproken door de priesters, om den doode in staat te stellen zijn “geestelijk lichaam” naar den hemel te doen opstijgen. Mijn gevoelen hieromtrent echter is dat de candidaat door het opzeggen van deze hymnen in een soort trance-toestand kwam, en dat zijn hoogere lichamen hierdoor van het grofstoffelijk lichaam ofkhatbevrijd werden, daar de hoogere inwijdingen niet plaats vonden in het stoffelijk lichaam, maar in het astraal (baenka) en in het oorzakelijk lichaam (Sahu.)
Gedurende deze ceremonie verliet dus Osiris (de ware mensch), in zijnSahu, dekhat, waarna het fysiek lichaam in een mummiekist geplaatst werd in een sarcofaag, in de crypt onder de pyramide. In deze crypt werd het Nijlwater langs ondergrondsche kanalengevoerd, zoodat de sarcofaag geheel omringd werd door dit water dat tevens diende als beveiliger tegen het indringen van invloeden van buiten in het in trance verkeerende lichaam. De crypt waarin het lichaam geplaatst werd, is waarschijnlijk nog lager gelegen dan de ondergrondsche kamer in de pyramide.
DeSahuwordt gezegd gedurende zijn verblijf buiten het lichaam gehuld te zijn in een lichtgevend doorzichtig lichaam ofKhu. DitKhuschijnt mij toe de zoogenaamdeAugoeïdeste zijn, en aangezien dit punt niet van belang ontbloot is, wil ik voor deze meening eenige gronden aanvoeren. In Annie Besant’sEsoterisch Christendomlezen wij:
Het glanspunt van de Mysteriën was wanneer de Ingewijde een God werd, hetzij door vereeniging met een goddelijk wezen buiten hemzelf,of door de verwezenlijking van het goddelijk zelfin hem. Dit werd genoemd vervoering en was een toestand van wat de Indische Yogi hooge Samâdhi zou noemen, waarbijhet grove lichaam in trance isende bevrijde ziel haar eigen vereeniging met het Groote Eenetot stand brengt.1
Het glanspunt van de Mysteriën was wanneer de Ingewijde een God werd, hetzij door vereeniging met een goddelijk wezen buiten hemzelf,of door de verwezenlijking van het goddelijk zelfin hem. Dit werd genoemd vervoering en was een toestand van wat de Indische Yogi hooge Samâdhi zou noemen, waarbijhet grove lichaam in trance isende bevrijde ziel haar eigen vereeniging met het Groote Eenetot stand brengt.1
en Mead zegt:
“Vervoering is niet een eigenlijk zoogenaamde eigenschap, zij is eentoestandvan de ziel, die haar op zulk eene wijze vervormt, dat zij danwaarneemt wat tevoren voor haar verborgen was.”2
“Vervoering is niet een eigenlijk zoogenaamde eigenschap, zij is eentoestandvan de ziel, die haar op zulk eene wijze vervormt, dat zij danwaarneemt wat tevoren voor haar verborgen was.”2
In deze aanhalingen vinden wij mijns inziens hetzelfde weergegeven als hetgeens Adams met betrekking tot de inwijding in de pyramide uitdrukt in Egyptischen symbolischen zeggingsvorm.
Alvorens de kandidaat echter gekomen is tot het punt in zijn evolutie, waarop wij hem thans denken om hem te kunnen volgen bij zijne inwijding in de Pyramide, moet hij vele eigenschappen verkregen hebben, die hem geschikt maken kandidaat voor deze mysteriën te worden, welke laatste hem in hun derden graad willen maken tot een Christos, en het kan nuttig zijn, alvorens het ritueel van hetBoek der Doodenbij de Pyramide-inwijding te volgen, eerst na te gaan wat de weg is, dien de kandidaat tot op dat oogenblik van zijn evolutie moet hebben afgelegd.
En hier nu zou ieder Br.·. Vr.·. mij geheel kunnen volgen indien hij het slechts eens met mij was dat de mysteriën der Vrijmetselarij eene weerspiegeling zijn op dit gebied van de inwijdings-ceremoniën, en dat de kandidaat in het ritueel der symbolischegraden op zinnebeeldige wijze de verschillende stadiën der inwijding doorloopt. Want zegt Annie Besant niet:
“Voornamelijk werden zij (de kleine mysteriën) als nuttig beschouwd ten opzichte van het bestaanna den dood, daar de Ingewijde dat leerde wat zijn toekomstig geluk verzekerde.”3
“Voornamelijk werden zij (de kleine mysteriën) als nuttig beschouwd ten opzichte van het bestaanna den dood, daar de Ingewijde dat leerde wat zijn toekomstig geluk verzekerde.”3
En is het niet duidelijk dat dit nut voor den kandidaat bewerkt werd in het doorloopen van de symbolische reizen, die wel degelijk, volgens mijne theorie, het doorloopen van het bestaan na den dood door de ziel verzinnebeelden, al weet ik zeer goed dat bijna geen Br.·. dit met mij eens zal zijn, en men mij zal zeggen dat het een gaan door dit leven verzinnebeeldt. Zeer wel, maar dan beweer ik dat zijn reizen zeer wel reden van bestaan vinden in een dusdanige zedelijke verzinnebeelding van het leven, maar dat mijne opvatting van een hooger orde is. En dan hebben wij beiden gelijk. H. P. Blavatsky maakt ook deze onderscheiding en zegt dat er in die tijden was: een vrijmetselarijin den tempelen een vrijmetselarijin de Crypt.4
Hoe dit zij, het is mijn vaste overtuiging dat de vrijmetselarij in dien tijd als bedoeling had door hare symbolische en andere leeringen verdedigers en kenners van den godsdienst te vormen en dat een meester vrijmetselaarin de cryptdegene was, die de hoogste inwijding had doorgemaakt en een Christos was geworden.
Echter is het hier niet de plaats op deze dingen in te gaan, doch tot zoover had ik eene vermelding er van noodig, om er op te wijzen dat de vrijmetselarij een verklaring van haar ritueel geheel moet zoeken langs de hier aangegeven lijnen, om ten slotte in het ritueel van hetBoek der Doodenhaar hoogste uiting te vinden; en hoewel ik, zooals ik reeds schreef, hier niet verder op wensch in te gaan, ben ik gaarne bereid ieder Br.·. die belang stelt in deze theorie, mijn gevoelen nader uiteen te zetten.
Geheel zonder steun van Theosofische zijde is de bewering, dat er eene opeenvolging van mysteriën was in verschillende graden en scholen, aleer eene inwijding in de Pyramide plaats vond, niet. Een goed verstaander moet echter in dezen aan een half woord genoeg hebben, daar eene uitlegging van de woorden licht te veel kan onthullen. Na verschillende deugden en hare wijze van verkrijging beschreven te hebben, schrijft Annie Besant inEsoterisch Christendom, blz. 30.
Deze deugden waren noodig voor de Groote Mysteriën, daar zij betrekking hadden op het louteren van het ijle lichaam, waarin de ziel werkte, wanneer zij buiten het grove lichaam was. De gedrags- of praktische deugden behoorden tot het gewone leven van den mensch en werden tot op zekere hoogte vereischt alvorens hij een kandidaat kon zijn zelfs voor een zoodanige school als hierna beschreven wordt.
Deze deugden waren noodig voor de Groote Mysteriën, daar zij betrekking hadden op het louteren van het ijle lichaam, waarin de ziel werkte, wanneer zij buiten het grove lichaam was. De gedrags- of praktische deugden behoorden tot het gewone leven van den mensch en werden tot op zekere hoogte vereischt alvorens hij een kandidaat kon zijn zelfs voor een zoodanige school als hierna beschreven wordt.
In deze aanhaling zien wij de vereischten die noodig waren om als leerling aangenomen te worden. Ook in andere boeken wordt er op gezinspeeld dat in die tijden een der vereischten vooralleinwijdingen was dat men in het astraal lichaam werkzaam kon zijn.
Nu komt iets verder:
...Dan kwamen de zuiverende deugden, waardoor het ijle lichaam, dat van de aandoeningen en het lager denkvermogen, gelouterd werd.
...Dan kwamen de zuiverende deugden, waardoor het ijle lichaam, dat van de aandoeningen en het lager denkvermogen, gelouterd werd.
Dit vond plaats gedurende de evolutie van den kandidaat als leerling.
Ten derde de verstandelijke, die behoorden tot den augoeïdes of den lichtvorm van het verstand.
Ten derde de verstandelijke, die behoorden tot den augoeïdes of den lichtvorm van het verstand.
De ontwikkeling van deze eigenschappen kenmerkten den tweeden graad, en ten slotte hebben wij:
Ten vierde de bespiegelende of vóórbeeldige, waardoor vereeniging met God verwezenlijkt werd,—
Ten vierde de bespiegelende of vóórbeeldige, waardoor vereeniging met God verwezenlijkt werd,—
kenmerkende het doorloopen van de laatste kenbare inwijding, waarbij de volmaakte mensch als Christos wedergeboren wordt. Dat het mogelijk is bij deze laatste inwijdings-ceremonie wederom een verdeeling in drie graden te maken zooals Adams dit doet is mijns inziens volkomen logisch wanneer wij aannemen, dat in een hoogere school eene herhaling plaats vond van wat in de voorgaande scholen was geschied, en dat het nu op een hoogeren trap plaats vond, terwijl dan de hoogste graad verder opwaarts voerde.
Men kan uit deze gegevens tot de gevolgtrekking komen dat het lichaamKhu, waarin Osiris verblijft vóór zijn vereeniging met God-Osiris, hetzelfde lichaam moet zijn als dat hetwelk door de Theosofen Augoëides genoemd wordt.
Thans kunnen wij ons een denkbeeld vormen van den kandidaat en zijn evolutie tot op het oogenblik van zijn inwijding in de Pyramide, en dat deze inwijding daar plaats vond kan (behalve de vele bewijzen die wij vroeger reeds vermeldden) ook in het aangehaalde werk van Annie Besant gevonden worden:
Alleen zij konden erkend worden als kandidaten voor Inwijding, die reeds goed waren zooals menschen goedheid rekenen, volgens de gestrenge maat van de wet. Rein, heilig, zonder bezoedeling, zuiver van zonde, levende zonder overtreding—zoodanig waren enkele van de beschrijvende gezegden die omtrent hen gebruikt werden. Verstandig ook moeten zij zijn, met welontwikkeld en welgeoefend denkvermogen. De ontwikkeling die in de wereld leven na leven voortgezet wordt, het ontwikkelen en meester worden van de vermogens van het denkvermogen, de aandoeningen en den redelijken zin, het leeren door exoterische godsdiensten, het uitoefenen van plichtsvervulling, het streven anderen te helpen en op te heffen—dit alles behoort tot het gewone leven van een ontwikkeld mensch. Wanneer dit alles gedaan is, is de mensch “een goed mensch” geworden, de Chrêstos van de Grieken, en dit moet hij ook zijn vóór hij de Christus, de Gezalfde kan worden. Het exoterisch leven goed vervuld hebbende, wordt hij een kandidaat voor het esoterisch leven en vangt de voorbereiding tot Inwijding aan, hetgeen bestaat in het vervullen van zekere voorwaarden. De voorwaarden bepalen de eigenschappen die hij verkrijgen moet en terwijl hij hard werkt om deze te scheppen, zegt men soms van hem dat hij het Proefpad betreedt, het Pad dat tot deEnge Poortleidt, aan gene zijde waarvan deSmalle Wegis, of hetPad van Heiligheid, deKruisweg.”5
Alleen zij konden erkend worden als kandidaten voor Inwijding, die reeds goed waren zooals menschen goedheid rekenen, volgens de gestrenge maat van de wet. Rein, heilig, zonder bezoedeling, zuiver van zonde, levende zonder overtreding—zoodanig waren enkele van de beschrijvende gezegden die omtrent hen gebruikt werden. Verstandig ook moeten zij zijn, met welontwikkeld en welgeoefend denkvermogen. De ontwikkeling die in de wereld leven na leven voortgezet wordt, het ontwikkelen en meester worden van de vermogens van het denkvermogen, de aandoeningen en den redelijken zin, het leeren door exoterische godsdiensten, het uitoefenen van plichtsvervulling, het streven anderen te helpen en op te heffen—dit alles behoort tot het gewone leven van een ontwikkeld mensch. Wanneer dit alles gedaan is, is de mensch “een goed mensch” geworden, de Chrêstos van de Grieken, en dit moet hij ook zijn vóór hij de Christus, de Gezalfde kan worden. Het exoterisch leven goed vervuld hebbende, wordt hij een kandidaat voor het esoterisch leven en vangt de voorbereiding tot Inwijding aan, hetgeen bestaat in het vervullen van zekere voorwaarden. De voorwaarden bepalen de eigenschappen die hij verkrijgen moet en terwijl hij hard werkt om deze te scheppen, zegt men soms van hem dat hij het Proefpad betreedt, het Pad dat tot deEnge Poortleidt, aan gene zijde waarvan deSmalle Wegis, of hetPad van Heiligheid, deKruisweg.”5
En wanneer wij in verband hiermede lezen hetgeen H. P. Blavatsky in deGeheime Leervermeldt, (reeds vroeger door ons aangehaald) namelijk:
“En thans, in 1882, schrijft Staniland Wake het volgende: ‘De koningskamer... was waarschijnlijk de plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën.’Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een ‘enge poort’ had; dezelfde ‘enge poort’ die ‘tot het leven leidt’, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn.”6
“En thans, in 1882, schrijft Staniland Wake het volgende: ‘De koningskamer... was waarschijnlijk de plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën.’
Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een ‘enge poort’ had; dezelfde ‘enge poort’ die ‘tot het leven leidt’, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn.”6
dan zal het duidelijk zijn dat de Christus-Inwijding inderdaad in de Pyramide plaats vond; temeer waar er ook gezegd wordt:
“Want Egypte is een van de wereldmiddelpunten der ware Mysteriën gebleven....”7
“Want Egypte is een van de wereldmiddelpunten der ware Mysteriën gebleven....”7
Wij kunnen thans overgaan tot eene beschouwing van het Ritueel van hetBoek der Dooden. De in trance verkeerende kandidaatwerd geplaatst, zooals wij reeds zeiden, in de kamer onder de Pyramide. Hij werd op een kruis geplaatst, soms van den gewonen kruisvorm, soms van den vorm van de Tau. Zijn handen werden met een touw bevestigd aan het kruis, doch het eind van dit touw werd losgelaten, om aan te duiden dat de kandidaat vrijwillig dezen figuurlijken kruisdood doormaakte. De doode verliet thans in zijn “ba” of astraal lichaam zijn “Khat”, en ging buiten zijn lichaam de verschillende voorbereidende beproevingen doormaken.
Wij moeten om deze na te gaan, opslaan hfdst. XVII van hetBoek der Dooden, waarvan de tekst luidt:
(I) Hier begint de lof en verheerlijking van het uittreden en het ingaan tot de heerlijke onderwereld welke is in het schoone amentet, van het uittreden (II) bij dag in alle vormen van bestaan welke hem [“den doode”] behagen, van damspelen en in de zaal zitten en te voorschijn komen (III) als een levende ziel.
(I) Hier begint de lof en verheerlijking van het uittreden en het ingaan tot de heerlijke onderwereld welke is in het schoone amentet, van het uittreden (II) bij dag in alle vormen van bestaan welke hem [“den doode”] behagen, van damspelen en in de zaal zitten en te voorschijn komen (III) als een levende ziel.
Zooals ik reeds zeide is het onmogelijk diep in te gaan op eene volledige uitlegging dezer teksten; slechts de breede beteekenis er van kan hier gegeven worden in verband met het geheel. Hier slaat de tekst op een bekend feit. De kandidaat moest bij zijne inwijding eerst afdalen in de onderwereld: hij “daalde neder ter helle”. Belangrijk is tot een juist begrip, hetgeen C. W. Leadbeater zegt in deChristelijke Geloofsbelijdenis.
“De formule door de beoefenaren van Atlantische Magie in overoude tijden aan de Egyptenaren overgeleverd, luidde aldus:‘Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden worden, hij zal sterven, begraven worden en nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden en de dooden te besturen.’De hal der Inwijding was dikwijls onder den grond in een Egyptischen tempel—vermoedelijk vooral om hare ligging geheim te houden, ofschoon het ook bedoeld kan zijn als deel der symboliek van de nederdaling in de stof, die zulk een groote rol speelde in al die oude mysteriën. Het is mogelijk dat er een dergelijke halin of onder de Groote Pyramidewas, want nog slechts een zeer klein deel dier ontzaglijke massa is onderzocht of zal denkelijk ooit onderzocht worden.”8
“De formule door de beoefenaren van Atlantische Magie in overoude tijden aan de Egyptenaren overgeleverd, luidde aldus:
‘Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden worden, hij zal sterven, begraven worden en nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden en de dooden te besturen.’
‘Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden worden, hij zal sterven, begraven worden en nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden en de dooden te besturen.’
De hal der Inwijding was dikwijls onder den grond in een Egyptischen tempel—vermoedelijk vooral om hare ligging geheim te houden, ofschoon het ook bedoeld kan zijn als deel der symboliek van de nederdaling in de stof, die zulk een groote rol speelde in al die oude mysteriën. Het is mogelijk dat er een dergelijke halin of onder de Groote Pyramidewas, want nog slechts een zeer klein deel dier ontzaglijke massa is onderzocht of zal denkelijk ooit onderzocht worden.”8
C. W. Leadbeater vermeldt daarna hetgeen wij reeds zeiden omtrent het binden op het kruis, en vermeldt tevens dat het lichaamdan in “een nog lager gelegen gewelf” gebracht werd. Een ieder leze dit gedeelte van het bedoelde werkje dus aandachtig na in verband met deze verhandeling. Vooral ook hetgeen volgt op blz. 81–85. Een kort overzicht van hetgeen daar gezegd wordt moge hier voldoende zijn voor een juist begrijpen van hetgeen wij verder zullen vermelden.
De zoogenaamde “doode” bevond zich dus op het astrale gebied vol leven en bewustzijn. Gedurende zijn verblijf aldaar moest hij vele ondervindingen opdoen om hem tot een nuttig wezen in die wereld te maken. Deze nederdaling in de onderwereld (Amentet) bij een inwijding geschiedt opdat de kandidaat zal trachten aan de vele ongelukkigen op dit lage astrale gebied (Kama Loka) hulp te brengen door hen te wijzen op hunne kansen tot verbetering. Tevens moest volgens Egyptisch gebruik de kandidaat gedurende deze “nederdaling ter helle” de zoogenaamde aard-, water-, lucht- en vuurproeven ondergaan—tenzij hij die reeds in een vroeger stadium zijner ontwikkeling doorstaan had. Hij leerde dus dat geen dezer elementen hem deren kan in zijn astraal bestaan. Ook moest hij om deze reden (en ook thans moet dit nog) de vreeselijkste verschijningen in de afschuwelijkste omgeving ontmoeten om vertrouwd te worden met alle omstandigheden dezer gebieden. Ziedaar het nut van dit oude Egyptische ritueel.
De tekst van hfdst. XVII van hetBoek der Doodenzal nu duidelijk zijn in algemeene trekken. Vele der voorafgaande hoofdstukken geven hetzelfde weer, bijv. hfdst. Ib:
(I) HetHoofdstukvan het doen gaan van de Sahu [het Geestelijk Lichaam] in den Tuat [de Onderwereld] op den dag van de begrafenis, wanneer de volgende woorden moeten opgezegd worden(hier volgt een uitgebreide tekst, dien de lezer wel doet na te slaan in dit verband).
(I) HetHoofdstukvan het doen gaan van de Sahu [het Geestelijk Lichaam] in den Tuat [de Onderwereld] op den dag van de begrafenis, wanneer de volgende woorden moeten opgezegd worden(hier volgt een uitgebreide tekst, dien de lezer wel doet na te slaan in dit verband).
en hfdst. VIII:
(I) HetHoofdstukvan het gaan door Amentet [en het Tevoorschijntreden] bij dag.
(I) HetHoofdstukvan het gaan door Amentet [en het Tevoorschijntreden] bij dag.
en hfdst. IX:
(I) HetHoofdstukvan het tevoorschijntreden bij dag na den gang door het graf gedaan te hebben.
(I) HetHoofdstukvan het tevoorschijntreden bij dag na den gang door het graf gedaan te hebben.
terwijl in hfdst. X ook gezinspeeld wordt op den strijd en de moeilijkheden aldaar.
Een moeilijkheid doet zich echter voor, en geen oplossing is daarvoor te vinden. C. W. Leadbeater spreekt van deze inwijding als de Sotapatti-inwijding, terwijl alle andere gegevens er tot dusver op duidden dat de Christus-inwijding zou hebben plaats gevonden in de Pyramide. De Christus-inwijding is dan ook dehoogstekenbare inwijding, niet de Sotapatti-inwijding, welke laatste tot de kleine Mysteriën behoort. Verwondering baart het dus dat C. W. Leadbeater hier de Sotapatti-inwijding noemt de “hoogste” inwijding die in Egypte plaats vond.
Dit laatste kan slechts het geval zijn wanneer wij spreken van Egypte in zijn vervaltijd, doch niet toen het zijn grootsten bloei beleefde en de Groote Mysteriën hun zetel hadden in de Groote Pyramide.
Zeer zeker zou licht gewenscht zijn op dit punt, doch geenszins zie ik kans het dilemma op te lossen.
(I) Nog eenHoofdstuk[dat opgezegd moet worden] door iemand die bij dag te voorschijn treedt tegen zijne vijanden in de Onderwereld.
(I) Nog eenHoofdstuk[dat opgezegd moet worden] door iemand die bij dag te voorschijn treedt tegen zijne vijanden in de Onderwereld.
Hetzelfde wordt weergegeven in de hoofdstukken XI (i), XII (ii), XIII, en ik vermeen dat hfdst. XV een zegezang is na de overwinning en den gelukkigen doorgang door de onderwereld.
Adams meent dat deze hoofdstukken den kandidaat medegedeeld worden aleer hij in het “graf” daalt om hem voor te bereiden op hetgeen hem wacht. Ook deze uitlegging is nu wel te aanvaarden indien men veronderstelt dat al deze hoofdstukken op één persoon in denzelfden tijd betrekking hebben. Doet men dit niet, dan is het eer aan te nemen dat zij hetzelfde feit, namelijk het gaan naar de Onderwereld, op verschillende wijzen beschrijven.
De verdere hoofdstukken van hetBoek der Doodenzijn aan geen verschil van opvatting onderhevig. Hfdst. XVII beschrijft het gaan in de Onderwereld zelf met een korte opsomming van de toetsen, vijanden en gevaren, welke den doode wachten, en van hfdst. XVIII af kunnen wij het doormaken der beproevingen volgen. Adams zegt dan ook:
“De vrienden zijn verdwenen. De zon, die van zijn vroegste jaren af het ontwaken van den gestorvene begroet heeft, is voor altijd uit zijn gezicht verdwenen. De “Poort der Aarde” is hij doorgegaan; en de Kandidaat voor Wijsheid is de Strever naar Onsterfelijkheid geworden. Ondenkbare stilte heerscht rondom hem, een niet te begrijpen duisternis ligt voor hem. Maar onder de leiding van Anup, den gids der zielen,gaat hij door die Poort der Opstijging, waar het goddelijk licht den steen van het graf heft. ‘Het is het gebied van zijn vader Shu (het Licht)’, vervolgt het Ritueel: ‘hij wascht zijne zonden weg, hij doet zijne wonde plekken verdwijnen’. Dan, wanneer de gestorvene in de duisternis voorwaarts treedt en onbevreesd het benedenwaartsche pad afgaat, onthult het innerlijk Licht, ongezien door het sterfelijk oog, zich in een visioen. Hij ziet de Onderwereld (hfdst. XVII) het gebied der Inwijding, den ingang tot de verborgen plaatsen, met betrekking tot welke de goddelijke Wijsheid hem geleerd heeft, dat het de plaats is ‘waar hij moet binnentreden en van waar uit hij moet tevoorschijntreden’, de veranderingen die hij begeeren moet door te maken opdat hij tot de gelijkenis van God vervormd moge worden, de goede werken die hij moet verrichten, de troon van de herschapen ziel, en het gezegende gezelschap van Osiris nadat het lichaam ter ruste gelegd is. In datzelfde visioen ziet hij ook den ingang van de Onderwereld, of Rusta, en verneemt dat het de noordelijke deur van het graf van Osiris is, terwijl de eenige ingang van de Pyramide de noordelijke ingang is.9
“De vrienden zijn verdwenen. De zon, die van zijn vroegste jaren af het ontwaken van den gestorvene begroet heeft, is voor altijd uit zijn gezicht verdwenen. De “Poort der Aarde” is hij doorgegaan; en de Kandidaat voor Wijsheid is de Strever naar Onsterfelijkheid geworden. Ondenkbare stilte heerscht rondom hem, een niet te begrijpen duisternis ligt voor hem. Maar onder de leiding van Anup, den gids der zielen,gaat hij door die Poort der Opstijging, waar het goddelijk licht den steen van het graf heft. ‘Het is het gebied van zijn vader Shu (het Licht)’, vervolgt het Ritueel: ‘hij wascht zijne zonden weg, hij doet zijne wonde plekken verdwijnen’. Dan, wanneer de gestorvene in de duisternis voorwaarts treedt en onbevreesd het benedenwaartsche pad afgaat, onthult het innerlijk Licht, ongezien door het sterfelijk oog, zich in een visioen. Hij ziet de Onderwereld (hfdst. XVII) het gebied der Inwijding, den ingang tot de verborgen plaatsen, met betrekking tot welke de goddelijke Wijsheid hem geleerd heeft, dat het de plaats is ‘waar hij moet binnentreden en van waar uit hij moet tevoorschijntreden’, de veranderingen die hij begeeren moet door te maken opdat hij tot de gelijkenis van God vervormd moge worden, de goede werken die hij moet verrichten, de troon van de herschapen ziel, en het gezegende gezelschap van Osiris nadat het lichaam ter ruste gelegd is. In datzelfde visioen ziet hij ook den ingang van de Onderwereld, of Rusta, en verneemt dat het de noordelijke deur van het graf van Osiris is, terwijl de eenige ingang van de Pyramide de noordelijke ingang is.9
Symbolisch wordt dus het gaan in en het betreden van de benedenwaartsche gang in de Pyramide beschouwd als het betreden van de onderwereld. Wanneer het lichaam dan op de Tau geplaatst is in een trance-toestand, vangt de beproeving op het astraal gebied aan, welke gevolgd moet worden door de beproeving op het verstandsgebied, om te worden bekroond door een geboorte op het Buddhisch gebied, terwijl de lichamen door verschillende transformaties geschikt worden gemaakt om dit schitterend Buddhisch beginsel ten slotte op te nemen. Dit alles zullen wij vinden in het ritueel van hetBoek der Doodenen met dezen voortgang der Inwijding gaat eene verplaatsing van het stoffelijk lichaam gepaard langs den symbolischen weg in de Pyramide. Den tekst van hoofdstuk XVII vermeldden wij reeds, als te kennen gevende wat den kandidaat te wachten staat in die onderwereld. Het zal echter niet wel mogelijk zijn het ritueel te volgen door hoofdstuk na hoofdstuk in verband daarmede aan te halen, want evenals dit in onzenBijbelhet geval is, werd door de samenstellers van hetBoek der Doodennatuurlijk geenszins deze opvatting van den tekst gehuldigd, en is deze op eene schromelijke manier dooreengeward. In dezen tekst zijn n.l. door elkaar heen te vinden:
(a) het doorloopen van de inwijding volgens het Egyptische ritueel.
(b) de verklaring van den hierofant aan de leerlingen van het ritueel zelf.
(c) de verklaring van de inwijding van den kandidaat als verzinnebeeldende de nederdaling van den Logos in de stof.
(d) de verklaring van verschillende leeringen van den exoterischen godsdienst, als daar zijn reïncarnatie, de drievoudige, zevenvoudige en meervoudige samenstelling van den mensch, zijn verband als mikrokosmos tot den makrokosmos, enz.
Wij zien dus dat het op zichzelf heel wat studie en zeer veel kennis zou vorderen om hetBoek der Doodenaldus te ontleden, en het kan dus thans ook niet mogelijk zijn dit te dezer plaatse in een kort bestek te doen in verband met ons onderhavig onderwerp. Ik wenschte er echter alleen op te wijzen, daar anders mijn aanhalingen uit de verschillende hoofdstukken van hetBoek der Doodenzonder een bepaalde volgorde eenigszins willekeurig zouden gelijken. Bij een juist denkbeeld van de samenstelling van het werk valt deze willekeurigheid weg.
Tot beter begrip van enkele gebeurtenissen in het ritueel is het niet onnoodig het volgende op te merken. Er wordt in enkele gedeelten van het ritueel veel gesproken over de “krokodil” en veel over het “hart”. Het is natuurlijk steeds in symbolische beteekenis dat deze woorden gebruikt worden. De “krokodil” beteekent in de meeste gevallen Manas, het Denkvermogen en wordt dan gewoonlijk beschouwd als vijand van denwerkelijkenmensch Osiris, als trachtende hem te bewegen tot afscheiding, de gevaarlijkste eigenschap van den “vijfpuntigen” mensch. De vijfpuntige ster, het symbool van den mensch gereed voor inwijding, gaf aanleiding tot het ontstaan van het krokodil-symbool, namelijk door de vijf uiteinden van voorpooten, achterpooten en staart. Soms is deze krokodil voorgesteld als draak en in enkele gevallen als visch.
Het “hart” is het reïnkarneerende beginsel of het ware Ego, het zoogenaamde “voorouderlijke hart”.
In verband met deze diepgaande symbologie is het voor den studeerende zeer belangrijk, na te gaan hetgeen H. P. Blavatsky in dit verband zegt in deGeheime LeerI, 288, 289. Zooals ik reeds opmerkte vindt men in hetBoek der Doodenvele dooreenstrengelen van verschillende leeringen, doch ook de ritueelen van verschillende inwijdingen zijn aan elkander vastgeknoopt of onderling verward. Zoo is bijvoorbeeld het begraven in een mummiekist en het gaan in de onderwereld een eerste inwijding en dit komt overeen met hetgeen thans in symbolischen vorm in den leerlingsgraad der Vr.·. M.·. doorloopen wordt, volgens mijnvroeger reeds vermelde opvatting, namelijk het gaan door den dood en het bekend worden met de werelden aan gene zijde des grafs, het bekend worden met astrale en devachanische toestanden,het bevriend raken met de elementalen dier gebieden, enz. Vandaar bijv. de offers, en het graan dat medegegeven werd in de mummiekist. De astrale tegenhangers daarvan kon hij hun als offers aanbieden. Later werd dit gebruik voortgezet bij de werkelijke dooden, hoewel waarschijnlijk de redenen, die er aanleiding toe gaven, reeds vergeten waren; doch wie weet hoeveel nut de afgestorvenen er aan gene zijde van hadden!
Dit gaan in de onderwereld en deze inwijding is natuurlijk volstrekt niet die waarover wij reeds spraken als de Christus-inwijding, waarbij de kandidaat op de Tau geplaatst werd. Bovendien had deze lagere inwijding veelvuldig en ook in vele andere tempels en pyramiden plaats. De inwijding waarover wij in een volgend hoofdstuk zullen handelen in verband met de groote Pyramide, aan de hand van hetBoek der Dooden, is die inwijding welke als eindzege de geboorte van het Buddhisch lichaam had en symbolisch de uitstorting van den Logos verzinnebeeldde in het bouwwerk dat symbolisch zijn veld van werking voorstelde, namelijk ons zonnestelsel.
1Esoterisch Christendom, blz. 28, 29. De cursiveering is van mij (v. G.); evenzoo in de volgende aanhalingen.2Plotinus, blz. 42.3Esoterisch Christendom, blz. 24.4Lucifer, deel IV, blz. 228.5Esoterisch Christendom, blz. 188, 189.6Geheime Leer, Deel I, blz. 404.7t.a.p. blz. 141.8De Christelijke Geloofsbelijdenis, blz. 80.9The Book of the Master, blz. 155, 156.
1Esoterisch Christendom, blz. 28, 29. De cursiveering is van mij (v. G.); evenzoo in de volgende aanhalingen.
2Plotinus, blz. 42.
3Esoterisch Christendom, blz. 24.
4Lucifer, deel IV, blz. 228.
5Esoterisch Christendom, blz. 188, 189.
6Geheime Leer, Deel I, blz. 404.
7t.a.p. blz. 141.
8De Christelijke Geloofsbelijdenis, blz. 80.
9The Book of the Master, blz. 155, 156.