Hoofdstuk X.Mystieke Theorieën. (Slot.)Wij zullen nu trachten den kandidaat bij zijn inwijding in de Groote Pyramide te volgen, en daar wij enkele gedeelten van het ritueel van hetBoek der Doodenin verband met deze inwijding in een vorig hoofdstuk reeds toelichtten, is het thans mogelijk om zonder verdere uitweiding over onderdeelen het geheel dezer inwijding te volgen.Adams beweert dat het mogelijk is den kandidaat bij deze inwijding door de geheele Pyramide heen stap voor stap te volgen. Dit schijnt mij een eenigszins gewaagde opmerking om algemeen te worden aangenomen. Indien men de theorie op gevoelsgronden aanneemt is het wel duidelijk dat men tot deze conclusie komt, doch door iemand die de theorie kritisch beschouwt, zou dezeopmerking zeer zeker niet onderschreven worden. Zooals wij reeds zagen is in de hoofdstukken I–XVII een soort inleiding belichaamd tot het eigenlijk ritueel; van hoofdstuk XVIII af wordt de kandidaat onderworpen aan beproevingen en maakt hij de inwijding door; het “Doorbrengen der Dagen” neemt een aanvang. Nadat de “doode” geplaatst is in de onderaardsche crypt, worden zekere mantrams over hem uitgesproken en ik meen dat dit gedurende den eersten tijd van de inwijding enkele malen geschiedde over het beweginglooze en schijnbaar levenlooze lichaam. Zulke mantrams vinden wij weergegeven in de hoofdstukken XVIII, XIX en XX. In hoofdstuk XVIII lezen wij o.a.:Wanneer dit hoofdstuk opgezegd wordt, zal de doode te voorschijn treden bij dag, gelouterd na den dood en [hij zal] al de vervormingen [doormaken] die zijn hart zal voorschrijven. Indien dit hoofdstuk over hem opgezegd wordt, zal hij op aarde te voorschijn treden, hij zal aan alle vuur ontkomen; en geen enkele van de slechte dingen die hem [toebehooren] zullen hem in eeuwigheid en altijd en altijd belemmeren.In hoofdstuk XIX wordt gesproken over het plaatsen van talismans op het gelaat van den doode, over het branden van wierook en het plaatsen van offeranden; terwijl dan merkwaardig is het volgende:[Dit hoofdstuk] moet door u tweemaal opgezegd worden bij het aanbreken van den dag—nu is het een nimmer falende bezwering—regelmatig en voortdurend.Hoofdstuk XX moet blijkbaar eveneens als mantram opgevat worden.In de eerstvolgende hoofdstukken wordt daarna beschreven wat intusschen met het astraallichaam plaats vindt, en wel in de eerste plaats hoe het astraalbewustzijnbegint te werken en hoe het ego in het astraallichaam handelen kan. Zoo spreekt hoofdstuk XXII van het “openen van den mond”, terwijl in XXIV en XXV vermeld wordt hoe het denkvermogen weder begint te werken in dit nieuwe astrale leven; wij lezen n.l.:Het Hoofdstuk over: een mensch geheugen te doen bezitten in de onderwereld.Eindelijk komt in hoofdstuk XXVI het “hart” wederom terugtot Osiris en wij lezen er in hoe de kandidaat daarna kan werken in zijn astraallichaam. Een gedeelte van dit hoofdstuk haal ik daarom aan:.....“Moge mijn mond mij [gegeven worden], opdat ik daarmede kan spreken; en mijn beide beenen om daarmede te wandelen, en mijn twee handen en armen om mijn vijand neer te werpen. Moge de deur van den hemel mij geopend worden; moge Seb, de Vorst der Goden, zijn beide kaken wijd voor mij openen; moge hij mijn beide oogen, welke geblinddoekt zijn, openen; moge hij zorgen dat ik mijne beide beenen van elkander uitstrek welke tezaam gebonden zijn; moge Anubis mijne dijen zoo stevig maken dat ik er op staan kan. Moge de godin Sekhet mij doen opstaan zoodat ik ten hemel kan stijgen, en moge datgene gedaan worden wat ik beveel in het Huis van deKavan Ptah (Memphis). Ik begrijp mijn hart. Ik heb heerschappij over mijn hart verkregen, ik heb macht over mijn beide handen, ik heb macht over mijne beenen, ik heb wederom macht om te doen wat mijnKagelieft. Mijn ziel zal niet gebonden zijn aan mijn lichaam bij de poorten der onderwereld; maar ik zal in vrede binnentreden en in vrede te voorschijn komen.”Thans komen de beproevingen en gevaren. De kandidaat ziet in zijn astraal bewustzijn de vijanden die hem tegenhouden, n.l. zijn hartstochten, die zich in allerlei vormen aan hem opdringen, en trachten hem te vernietigen, van zijn doel af te leiden of op den verkeerden weg te brengen. Eenige hoofdstukken spreken zelfs van “het wegnemen van het hart van Osiris”. Blijkbaar doelt dit op het gevaar van een kandidaat, die bewust op het astraal gebied werken kan, om af te dwalen in de paden der zwarte magie, waarbij ten slotte zijn “ego” losgescheurd zou worden uit de lagere lichamen. Een groote vijand van hem is hier ook de “krokodil”, d.w.z. het denkvermogen.In de hoofdstukken XXVII–XXXII vinden wij dan voornamelijk beschreven hoe de kandidaat zijne hartstochten onder de oogen moet zien en toonen moet dat hij ze overwonnen heeft; blijkbaar blijven ze, doch onderworpen aan den wil van den Osiris-mensch, en niet als zijn heerschers. Van een moeilijker strijd wordt verhaald in de hoofdstukken XXXIII–XLI, en wel van den strijd tegen het denkvermogen, dat een kandidaat op allerlei wijzen van zijn doel tracht af te leiden. Ook is hier sprake van magische of ordewoorden, die den kandidaat kunnen helpen. De strijd schijnt bemoeilijkt te worden door “slangen”. Ik vermoed dat deze eene voorstelling zijn van de leidende hierofanten, die de standvastigheid van den kandidaat beproefden; wij moeten dus geen werkelijkevijanden in deze slangen zien, maar slechts schijnbare. Dit zou ook verklaren waarom bij het einde van dit deel der inwijding in hoofdstuk XLII een vignet staat, waarin de “doode” een koord heeft om het bovenste deel van eentet, wat volgens Naville het zinnebeeld van standvastigheid is.Thans schijnt een tweede gedeelte van de astrale beproevingen aan te vangen om zijn zelfbeheersching te toetsen; er wordt n.l. veel gesproken over het wegnemen van zijn hoofd, het vergeten der magische woorden enz., terwijl ook nieuwe vijanden zich in allerlei gedaanten aan hem opdringen. Van zijn astraallichaam wordt echter gezegd dat het gelouterd is in het “water” der onderwereld, en schoon en schitterend geworden is. Niettemin wacht hem bij gebrek aan zelfbeheersching en standvastigheid de dood door de schepselen der duisternis (XLIII–LI).Wanneer wij thans weder verband zoeken met de groote Pyramide in dit ritueel van inwijding, is het waarschijnlijk dat het lichaam van den kandidaat opwaarts gebracht werd naar de zoogenaamde “Put”, terwijl daarna (in het derde gedeelte van de astrale inwijding) het ego van den kandidaatwetend bewustwerd van zijn goddelijke afkomst. Adams spreekt van dit bewustworden van den kandidaat van zijn goddelijken oorsprong als “de tweede geboorte”. Dit schijnt mij wel eenigszins voorbarig, aangezien de tweede geboorte zelf het slot van de geheele inwijding vormt.Enkele hoofdstukken duiden blijkbaar op de water- en vuurproef van het astraal gebied; zoo lezen wij o.a. in hoofdstuk LXIIIa:Het hoofdstuk van het water drinken en het niet door vuur verbrand worden in de onderwereld.Hoofdstuk LXIV zinspeelt op het welslagen van den kandidaat na de verschillende astrale beproevingen en geeft hem onderricht. Zoo lezen wij:“Ik ben Gisteren, Heden en Morgen en [ik heb de macht] een tweede maal geboren te worden...” “Ik ben de Heer van de menschen die opgeheven worden, [de Heer] die uit de duisternis komt, en wiens vormen van bestaan die zijn van het huis waarin de dooden zijn”.Vooral de laatste uitdrukking past zeer wel in onze theorie. Indien de hierofant hier de spreker is, vertegenwoordigt hij als zoodanig de Logos; het huis dat den vorm van diens bestaan bevat is de Pyramide; de dooden zijn de in-te-wijden kandidaten.Terwijl nu het astrale lichaam rust verkrijgt, vangt de beproevingin het verstandslichaam aan. Deze regeneratie van het verstandslichaam vindt plaats nadat het in trance verkeerende lichaam in de zoogenaamde Koninginnekamer geplaatst is. Dit tweede gedeelte van de inwijding is moeilijk te volgen, zelfs in hetBoek der Dooden, niet omdat het er niet beschreven staat, maar omdat wij er zoo weinig van begrijpen kunnen.In hoofdzaak schijnt dit tweede gedeelte der inwijding te bestaan uit het doormaken van zekere beproevingen, die de rijpheid van het oorzakelijk lichaam zullen bevorderen, opdat de geboorte in het Buddhisch lichaam vergemakkelijkt worde.Uitvoerig wordt daarna beschreven hoe, na de tweede periode der inwijding, Osiris tot het lichaam terugkeert. Hij is namelijk zoo schitterend geworden dat “het lichaam verteren zou door den glans”, en vandaar dat er verschillende transformaties moeten plaats vinden, voordat het lichaam weder bezield kan worden. In de hoofdstukken LXV–LXXV worden de wedergeboorte en de terugkeer tot het lichaam beschreven, terwijl in de hoofdstukken LXXVII–LXXXVII de verschillende transformaties beschreven worden, alles in symbolischen vorm natuurlijk. Het goddelijk Ego hult zich dus in een Khaibit of licht-dampkring (aura), bestaande uit een reeks etherische omhullingen, die het schitterend licht van de Ikheid temperen en vatbaar maken, om opgevangen te worden door het aardsche lichaam. De vorm die het eerst aangenomen wordt is die van de gouden wolk, het symbool van den Eeuwige; daarna heeft eene vervorming plaats, welke symbolisch voorgesteld wordt door het hoofd van Osiris in een lotus, de Godheid geopenbaard in de onbevlekte stof; vervolgens wordt de slangvorm aangenomen, duidende op de verkregen wijsheid, terwijl ten laatste het Ego wedergekeerd is in het lagere verstand en als symbool daarvan den krokodil-vorm aanneemt. Adams merkt met betrekking tot het krokodil-symbool in den vorm van vijand zoowel als in den vorm van goddelijke belichaming het volgende op:“Want daar de menschelijke hartstochten deel uitmaken van de natuur waarin de mensch oorspronkelijk geschapen werd, zijn zij niet uitteraard slecht, maar worden slecht wanneer zij niet onderworpen zijn aan de ziel. En aldus wordt de krokodil, die den “doode” aanviel vóór de wedergeboorte, goddelijk in den nieuwen vorm. Daarom werd de krokodil in hoog aanzien gehouden bij de Egyptenaren, want deze sprak hun van den tijd waarop de mensch heerschappij over zijne hartstochten zou hebben verkregen en waarop de laatste hinderpaal tusschen hem en zijn verheerlijkte ziel weggenomen zou zijn.”De vereeniging van ziel en lichaam na het tweede gedeelte der inwijding vindt plaats in de hoofdstukken LXXXIX–XCIII.Het is echter niet goed mogelijk den kandidaat in werkelijkheid in de Pyramide te volgen, zooals Adams dit doet en wel hoofdstuk na hoofdstuk. Zoo zou in dit laatste gedeelte der inwijding de “ziel” wedergeboren worden in de Koninginnekamer, en het lichaam zou wachten op den bodem der “put”. Daarna zou de ziel nederdalen tot het lichaam. Der fantasie is hier te veel spel gelaten. Meer waarschijnlijk is wel, dat het in trance verkeerende lichaam eerst onder den grond, en daarna in de Koninginnekamer werd gedragen. Het laatste gedeelte der inwijding (3 dagen en 3 nachten) werd doorgebracht in de Koningskamer.Wanneer wij dus uit het rijk der fantasie van Adams treden en zien wat werkelijk plaats vond met den kandidaat, zooals H. P. Blavatsky ons dit mededeelt, dan moeten wij den bouw van het inwendige der Pyramide louter als den symbolischen weg opvatten en niet letterlijk den kandidaat gedeelte na gedeelte laten doorloopen in gelijken tred met den voortgang zijner inwijding op hoogere gebieden. De symboliek van het bouwwerk moet geheel gezocht worden in de getalwaarden van de verhoudingen der afmetingen, en deze getalwaarden vormen de symboliek, waarin de voortgang van den kandidaat in zijn evolutie wordt voorgesteld. Zooals wij reeds vroeger betoogden, is de Groote Pyramide een stoffelijk symbool van den Zonne-Logos. De mensch nu volbrengt zijn evolutie binnen het veld van den Logos, legt een zekeren weg af in het lichaam van dien Logos (vandaar het symbool van den dierenriem als de baan der evolutie). Gedurende de inwijding nu legde de kandidaat dezen weg wederom af in het bouwwerk, dat dit “lichaam” verzinnebeeldt en dus op symbolische wijze: naarmate zijn inwijding vorderde, moest hij zich in een ander gedeelte van de Pyramide bevinden, om ten slotte het einddoel te bereiken in de Koningskamer, “het hart”. Op zijn pad leidden hem de Hierofanten, die hem telkens, na doorstane beproevingen op andere gebieden, leering gaven door hem de symbolische beteekenis van den afgelegden weg te verklaren. Aldus werd een kennen van het inwendige van “het Huis”, een kennen van fundamenteele kosmische waarheden.In het derde gedeelte van zijne inwijding onderging de kandidaat blijkbaar zeer zware beproevingen en werd hij door het college van Adepten ten nauwste getoetst. Naar ik meen is dit weergegevenin het tooneel, bekend als “het wegen van het hart” van Ani. Dit zou dan gelezen moeten worden als een onderzoek naar den staat van het oorzakelijk lichaam; of alle kiemen van kwaad daar uitgeroeid zijn.Het zou ons echter blijkbaar te ver voeren en ons zeker de grenzen van deze verhandeling verre doen overschrijden, indien wij de symboliek van het ritueel van hetBoek der Doodenin zijn geheel zouden trachten na te gaan. Zulks vormt een onderwerp op zichzelf, waarop ik in een later werk hoop terug te komen.Het eindstadium van de inwijding had plaats in de Koningskamer en wordt in vele werken aangehaald als “het mysterie van het open graf”. Het lichaam van den kandidaat zou namelijk geplaatst worden in de sarcofaag, om de laatste dagen der inwijding daar te verblijven. H. P. Blavatsky zegt dat dit werkelijk het geval was en dat op dit stadium der inwijding de kandidaat Osiris het mannelijk of scheppende beginsel in den Kosmos voorstelde en de sarcofaag het vrouwelijk beginsel, aldus de nederdaling van den Logos in de stof verzinnebeeldende. Veel kan men in verband met dit gedeelte van ons onderwerp vinden in Gerald Massey’sThe Natural Genesis.Nadat de kandidaat op hoogere gebieden wederom zijn “Pad” beëindigd had, werd hij op den morgen van den laatsten dag zijner inwijding op het kruis uit de koningskamer gedragen en aldaar zoo geplaatst, dat de zonnestralen door een luchtkanaal op zijn voorhoofd vielen en hem deden ontwaken als een der Ingewijden.Een schoon symbool van dit ontwaken wordt ons gegeven inRecords of the Pastdeel XII blz. 77, waarin wij zien dat op een zalfvaas van Osor-Ur, de godin Nout het water des eeuwigen levens op den doode stort. De beste bron om iets te weten te komen omtrent hetgeen plaats vond, is echter deGeheime Leer, en ik wil mijne verhandeling over dit onderwerp dan ook eindigen met mede te deelen wat H. P. Blavatsky ons in dit werk mededeelt met betrekking tot de Inwijdingen die in verband stonden met de Pyramide.In deGeheime Leer, Deel II, blz. 689, lezen wij:“De ingewijde Adept, die met goed gevolg alle beproevingen doorstaan had, werdgehecht, nietgenageld, maar eenvoudig gebonden aan een bank, die in Egypte den vorm van een Tau,Tau.in Indië die van een swastika zonder de vier verlengstukken (+, nietSwastika.) had, enin een diepen slaap gedompeld, ‘den slaap van Silvam’, zooals die tot heden nog onder de Ingewijden in Klein-Azië, Syrië en zelfs Boven-Egypte genoemd wordt.Hij werddrie dagen en drie nachtenin dien toestand gelaten, gedurende welken tijd zijn Geestelijk Ego, naar het heet,zich ‘gemeenzaam’ met de ‘Goden’ onderhield, nederdaalde naar den Hades, Amenti of Pâtâla—naar gelang van het land—en liefdewerken voor de onzichtbare Wezens verrichtte, hetzij dat Zielen van menschen of Elementale Geesten waren; terwijl zijn lichaam al dien tijd in eentempelcrypt of in een onderaardsche grotbleef liggen. In Egypte werd het in deSarcophaag in de Koningskamer van de Pyramide van Cheopsen inden nacht van den naderenden derden dag naar den ingang van een galerij gedragen, waar op zeker uur de stralen van de opgaande Zon ten volle op het gelaat van den in trance verkeerenden Candidaat vielen, die ontwaakte om door Osiris en Thoth, den God van Wijsheid, ingewijd te worden.”In deze aanhaling cursiveerde ik de gedeelten die de bevestiging geven van onze voorafgaande theorie omtrent inwijding in de Pyramide. In de eerste plaats wordt hier duidelijk gezegd dat de inwijding er werkelijk plaats vond, in de tweede plaats dat de ziel gedurende den trance-toestand van het lichaam zich in Amenti bevond, terwijl ten slotte ook de ontwaking op het kruis hier nagenoeg onveranderd gegeven wordt. Nog kunnen wij hier een bevestiging vinden van onze stelling dat Thoth-Hermes de hoogste Hierofant was bij die inwijdingen en als gezant der Godheid het wijsheidsaanzicht vertegenwoordigde. Wij haalden reeds aan eene beschrijving van de voorstelling van het ontwaken van den kandidaat, zooals die gegeven wordt op de zalfvaas van Osor-Ur. H. P. Blavatsky haalt in dit verband een voorbeeld aan van eene voorstelling inbas-reliefop den tempel te Philae. Zij zegt dat deze voorstelling inderdaad een tooneel uit die inwijding is.“Twee Goden-Hiërophanten, een met den kop van een valk (de Zon), de ander met den kop van een ibis (Mercurius, Thoth, de God van Wijsheid en Geheime Kennis, de machtsbekleeder van Osiris-Zon) staan gebogen over het lichaam van een zoo juist ingewijd Candidaat. Zij zijn bezig een dubbelen stroom ‘water’ (het Water des Levens en der Nieuwe Geboorte) over zijn hoofd uit te gieten; de stroomen ontmoeten elkaar in den vorm van een kruis en zijn vol kleineansatakruisen. Dit is een allegorie van het ontwaken van den Candidaat, die thans een Ingewijde is, als de stralen der morgenzon, Osiris, de kruin van zijn hoofd treffen, terwijl zijn in trance verkeerend lichaam op de houten Tau gelegd was om die stralen te kunnen opvangen. Daarna verschenen de Hiërophanten-Inwijders en werden de sacramenteele woorden uitgesproken, schijnbaar tot den Zon-Osiris, doch in werkelijkheid tot de innerlijke Geest-Zon gericht, die den nieuw-geboren mensch verlicht.1Dit ontwaken is, naar ik vermeen, in hetBoek der Doodenweergegeven in hoofdstuk CLXVIII, genaamd het hoofdstuk der offeranden. Vele goden storten hun vaas uit over den “doode”, d.w.z. deelen hem hunne kennis mede.Nog een belangrijk punt kunnen wij in deGeheime Leerbevestigd vinden, nl. dat de kandidaat als Osiris in het gebouw, dat het stoffelijk symbool van Osiris-Zon (Logos) was, dezen laatste verzinnebeeldde in zijn uitstorting. Wij kunnen dit begrijpen wanneer wij de volgende aanhalingen aandachtig bestudeeren.”....en het is op deze ‘kennis’ dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeidede bouw van de Pyramidevoort,de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symboolvan deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der sterren zulks aan het Uitspansel zijn. De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan sterrenkundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.”2Deze verzinnebeelding van den cyclus der Inwijding in het bouwwerk der Pyramide is alleen duidelijk voor hen, die de symboliek van getallen en verhoudingen begrijpen. Wij gaan daarop hier dus niet in, doch duiden alleen den weg aan om deze symboliek te doorgronden. Dat de kandidaat bij zijn inwijding op zijn “reis” door het bouwwerk een weg doorliep, die symbolisch dezen cyclus voorstelde, wordt ons nog duidelijker door de volgende aanhaling, waaruit wij tevens wederom zien dat de hemelsche tempel (de tempel van Salomo) verzinnebeeld was in de Groote Pyramide en ook in alle latere Vrijmetselaarstempels. Wij lezen dan:“Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen Cyclus afgeleide, abstracte formules, verzinnebeeld door den vorm en de afmetingen van den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo—een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft, evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, hetsymbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatstbedoelde ontleend zijn.”3Diep in te gaan op deze aanhalingen is onmogelijk zonder een grondig begrip van de symboliek van getallen, zeide ik reeds, doch voor hem die er meer van zou willen weten, vermeld ik dat hij de oplossing zal vinden inThe Source of Measuresvan Ralston Skinner, want H. P. Blavatsky herhaalt dat de schrijvereenen zelfstweeder sleutels tot deze symboliek in verband met de Inwijding, de Pyramide en den Tabernakel gevonden heeft.Uit het voorgaande kunnen wij dus lezen, dat decyclus van Inwijdingeene symbolische voorstelling was van de nederdaling van den Logos in de stof, en dan werd bij eene Inwijding in de Groote Pyramide die verzinnebeelding volmaakter, daar het bouwwerk deze stof verzinnebeeldde in haar openbaring als geopenbaard zonnestelsel.In verband met de verzinnebeelding van de nederdaling van den Logos is wederom een aanhaling uit deGeheime Leerons zeer behulpzaam om ons te doen zien dat hetBoek der Doodenook van deze nederdaling verhaalt:“Er zijnvijfKrokodillen in den Hemelschen Nijl, en de God Toem, de Oergod, die de hemellichamen en levende wezens schept, doet deze Krokodillen in zijnvijfde‘schepping’ ontstaan. Wanneer Osiris, de ‘Doode Zon’ begraven is en Amenti binnentreedt, duiken de heilige krokodillen in den afgrond der oer-Wateren, de ‘Groote Groene’. Wanneer de Zon des Levens opgaat, duiken zij weder uit de heilige rivier op. Dit alles is diep zinnebeeldig en laat zien hoe oorspronkelijke esoterische waarheden in dezelfde symbolen hun uitdrukking vonden.”4Verder toont H. P. Blavatsky aan dat het getalvijfhier ook in verband met de inwijding zeer symbolisch is, en duidde op de “vijf woorden” (Zama Zama Ôzza Rachama Ôzai, vertaald als het kleed, het schitterend kleed van mijne kracht). Deze woorden waren wederom het symbool van vijf krachten, welke vijf krachten voorgesteld waren op het kleed van den “wederopgestanen” kandidaat na de laatste beproeving van zijn driedaagsche trance; terwijl devijfeerstzevenwerden na zijn “dood”, als wanneer de Adept de volle Christos werd. Hierin wordt dus duidelijk gezegd dat het eind van deze inwijding leidde tot het Christus-zijn, en overeenkomt met de derdeinwijding der Vrijmetselaren. Hiram Abif is in dit verband het mystieke Christuswoord, en “de dood van den Meester” is de trance waaruit eene wederopstanding als “Meester-Metselaar” of Christos, “Meester-Bouwer van den godsdienst” plaats had.Nog is het eigenaardig, te lezen dat de God met den krokodillenkop in hetBoek der Doodendezelfde is als de Indische Makara of Mâra, en dat deze de god is van de duisternis of den dood, doch slechts in den zin van dood voor alles wat physiek is, en eigenlijk is Mâra of de god met den krokodillenkop, de onbewuste versneller van de geestelijke geboorte. Vandaar dat na den dood invijflichamen de herrijzenis plaats vindt inzevenlichamen.5Doch hoe verleidelijk het onderwerp is, ik moet eindigen; veel meer zou te zeggen zijn over de inwijding zelf en in verband met hetBoek der Dooden. Dit vormt evenwel een op zichzelf staand onderwerp. Echter hoop ik dat deze onvolledige en in vele opzichten tekort schietende behandeling van een grootsch onderwerp enkelen moge opgewekt hebben dieper in te gaan op de vele punten die hierin ter bestudeering zijn aangegeven.1Geheime Leer, Deel II, blz. 690.2Geheime Leer, Deel I, blz. 399.3Geheime Leer, Deel I, blz. 399, 400.4Geheime Leer, Deel II, blz. 718.5Zie hierover mijn artikel “De Dierenriem”. Theosophia XVIejaargang, afl. 3 en verv.
Hoofdstuk X.Mystieke Theorieën. (Slot.)Wij zullen nu trachten den kandidaat bij zijn inwijding in de Groote Pyramide te volgen, en daar wij enkele gedeelten van het ritueel van hetBoek der Doodenin verband met deze inwijding in een vorig hoofdstuk reeds toelichtten, is het thans mogelijk om zonder verdere uitweiding over onderdeelen het geheel dezer inwijding te volgen.Adams beweert dat het mogelijk is den kandidaat bij deze inwijding door de geheele Pyramide heen stap voor stap te volgen. Dit schijnt mij een eenigszins gewaagde opmerking om algemeen te worden aangenomen. Indien men de theorie op gevoelsgronden aanneemt is het wel duidelijk dat men tot deze conclusie komt, doch door iemand die de theorie kritisch beschouwt, zou dezeopmerking zeer zeker niet onderschreven worden. Zooals wij reeds zagen is in de hoofdstukken I–XVII een soort inleiding belichaamd tot het eigenlijk ritueel; van hoofdstuk XVIII af wordt de kandidaat onderworpen aan beproevingen en maakt hij de inwijding door; het “Doorbrengen der Dagen” neemt een aanvang. Nadat de “doode” geplaatst is in de onderaardsche crypt, worden zekere mantrams over hem uitgesproken en ik meen dat dit gedurende den eersten tijd van de inwijding enkele malen geschiedde over het beweginglooze en schijnbaar levenlooze lichaam. Zulke mantrams vinden wij weergegeven in de hoofdstukken XVIII, XIX en XX. In hoofdstuk XVIII lezen wij o.a.:Wanneer dit hoofdstuk opgezegd wordt, zal de doode te voorschijn treden bij dag, gelouterd na den dood en [hij zal] al de vervormingen [doormaken] die zijn hart zal voorschrijven. Indien dit hoofdstuk over hem opgezegd wordt, zal hij op aarde te voorschijn treden, hij zal aan alle vuur ontkomen; en geen enkele van de slechte dingen die hem [toebehooren] zullen hem in eeuwigheid en altijd en altijd belemmeren.In hoofdstuk XIX wordt gesproken over het plaatsen van talismans op het gelaat van den doode, over het branden van wierook en het plaatsen van offeranden; terwijl dan merkwaardig is het volgende:[Dit hoofdstuk] moet door u tweemaal opgezegd worden bij het aanbreken van den dag—nu is het een nimmer falende bezwering—regelmatig en voortdurend.Hoofdstuk XX moet blijkbaar eveneens als mantram opgevat worden.In de eerstvolgende hoofdstukken wordt daarna beschreven wat intusschen met het astraallichaam plaats vindt, en wel in de eerste plaats hoe het astraalbewustzijnbegint te werken en hoe het ego in het astraallichaam handelen kan. Zoo spreekt hoofdstuk XXII van het “openen van den mond”, terwijl in XXIV en XXV vermeld wordt hoe het denkvermogen weder begint te werken in dit nieuwe astrale leven; wij lezen n.l.:Het Hoofdstuk over: een mensch geheugen te doen bezitten in de onderwereld.Eindelijk komt in hoofdstuk XXVI het “hart” wederom terugtot Osiris en wij lezen er in hoe de kandidaat daarna kan werken in zijn astraallichaam. Een gedeelte van dit hoofdstuk haal ik daarom aan:.....“Moge mijn mond mij [gegeven worden], opdat ik daarmede kan spreken; en mijn beide beenen om daarmede te wandelen, en mijn twee handen en armen om mijn vijand neer te werpen. Moge de deur van den hemel mij geopend worden; moge Seb, de Vorst der Goden, zijn beide kaken wijd voor mij openen; moge hij mijn beide oogen, welke geblinddoekt zijn, openen; moge hij zorgen dat ik mijne beide beenen van elkander uitstrek welke tezaam gebonden zijn; moge Anubis mijne dijen zoo stevig maken dat ik er op staan kan. Moge de godin Sekhet mij doen opstaan zoodat ik ten hemel kan stijgen, en moge datgene gedaan worden wat ik beveel in het Huis van deKavan Ptah (Memphis). Ik begrijp mijn hart. Ik heb heerschappij over mijn hart verkregen, ik heb macht over mijn beide handen, ik heb macht over mijne beenen, ik heb wederom macht om te doen wat mijnKagelieft. Mijn ziel zal niet gebonden zijn aan mijn lichaam bij de poorten der onderwereld; maar ik zal in vrede binnentreden en in vrede te voorschijn komen.”Thans komen de beproevingen en gevaren. De kandidaat ziet in zijn astraal bewustzijn de vijanden die hem tegenhouden, n.l. zijn hartstochten, die zich in allerlei vormen aan hem opdringen, en trachten hem te vernietigen, van zijn doel af te leiden of op den verkeerden weg te brengen. Eenige hoofdstukken spreken zelfs van “het wegnemen van het hart van Osiris”. Blijkbaar doelt dit op het gevaar van een kandidaat, die bewust op het astraal gebied werken kan, om af te dwalen in de paden der zwarte magie, waarbij ten slotte zijn “ego” losgescheurd zou worden uit de lagere lichamen. Een groote vijand van hem is hier ook de “krokodil”, d.w.z. het denkvermogen.In de hoofdstukken XXVII–XXXII vinden wij dan voornamelijk beschreven hoe de kandidaat zijne hartstochten onder de oogen moet zien en toonen moet dat hij ze overwonnen heeft; blijkbaar blijven ze, doch onderworpen aan den wil van den Osiris-mensch, en niet als zijn heerschers. Van een moeilijker strijd wordt verhaald in de hoofdstukken XXXIII–XLI, en wel van den strijd tegen het denkvermogen, dat een kandidaat op allerlei wijzen van zijn doel tracht af te leiden. Ook is hier sprake van magische of ordewoorden, die den kandidaat kunnen helpen. De strijd schijnt bemoeilijkt te worden door “slangen”. Ik vermoed dat deze eene voorstelling zijn van de leidende hierofanten, die de standvastigheid van den kandidaat beproefden; wij moeten dus geen werkelijkevijanden in deze slangen zien, maar slechts schijnbare. Dit zou ook verklaren waarom bij het einde van dit deel der inwijding in hoofdstuk XLII een vignet staat, waarin de “doode” een koord heeft om het bovenste deel van eentet, wat volgens Naville het zinnebeeld van standvastigheid is.Thans schijnt een tweede gedeelte van de astrale beproevingen aan te vangen om zijn zelfbeheersching te toetsen; er wordt n.l. veel gesproken over het wegnemen van zijn hoofd, het vergeten der magische woorden enz., terwijl ook nieuwe vijanden zich in allerlei gedaanten aan hem opdringen. Van zijn astraallichaam wordt echter gezegd dat het gelouterd is in het “water” der onderwereld, en schoon en schitterend geworden is. Niettemin wacht hem bij gebrek aan zelfbeheersching en standvastigheid de dood door de schepselen der duisternis (XLIII–LI).Wanneer wij thans weder verband zoeken met de groote Pyramide in dit ritueel van inwijding, is het waarschijnlijk dat het lichaam van den kandidaat opwaarts gebracht werd naar de zoogenaamde “Put”, terwijl daarna (in het derde gedeelte van de astrale inwijding) het ego van den kandidaatwetend bewustwerd van zijn goddelijke afkomst. Adams spreekt van dit bewustworden van den kandidaat van zijn goddelijken oorsprong als “de tweede geboorte”. Dit schijnt mij wel eenigszins voorbarig, aangezien de tweede geboorte zelf het slot van de geheele inwijding vormt.Enkele hoofdstukken duiden blijkbaar op de water- en vuurproef van het astraal gebied; zoo lezen wij o.a. in hoofdstuk LXIIIa:Het hoofdstuk van het water drinken en het niet door vuur verbrand worden in de onderwereld.Hoofdstuk LXIV zinspeelt op het welslagen van den kandidaat na de verschillende astrale beproevingen en geeft hem onderricht. Zoo lezen wij:“Ik ben Gisteren, Heden en Morgen en [ik heb de macht] een tweede maal geboren te worden...” “Ik ben de Heer van de menschen die opgeheven worden, [de Heer] die uit de duisternis komt, en wiens vormen van bestaan die zijn van het huis waarin de dooden zijn”.Vooral de laatste uitdrukking past zeer wel in onze theorie. Indien de hierofant hier de spreker is, vertegenwoordigt hij als zoodanig de Logos; het huis dat den vorm van diens bestaan bevat is de Pyramide; de dooden zijn de in-te-wijden kandidaten.Terwijl nu het astrale lichaam rust verkrijgt, vangt de beproevingin het verstandslichaam aan. Deze regeneratie van het verstandslichaam vindt plaats nadat het in trance verkeerende lichaam in de zoogenaamde Koninginnekamer geplaatst is. Dit tweede gedeelte van de inwijding is moeilijk te volgen, zelfs in hetBoek der Dooden, niet omdat het er niet beschreven staat, maar omdat wij er zoo weinig van begrijpen kunnen.In hoofdzaak schijnt dit tweede gedeelte der inwijding te bestaan uit het doormaken van zekere beproevingen, die de rijpheid van het oorzakelijk lichaam zullen bevorderen, opdat de geboorte in het Buddhisch lichaam vergemakkelijkt worde.Uitvoerig wordt daarna beschreven hoe, na de tweede periode der inwijding, Osiris tot het lichaam terugkeert. Hij is namelijk zoo schitterend geworden dat “het lichaam verteren zou door den glans”, en vandaar dat er verschillende transformaties moeten plaats vinden, voordat het lichaam weder bezield kan worden. In de hoofdstukken LXV–LXXV worden de wedergeboorte en de terugkeer tot het lichaam beschreven, terwijl in de hoofdstukken LXXVII–LXXXVII de verschillende transformaties beschreven worden, alles in symbolischen vorm natuurlijk. Het goddelijk Ego hult zich dus in een Khaibit of licht-dampkring (aura), bestaande uit een reeks etherische omhullingen, die het schitterend licht van de Ikheid temperen en vatbaar maken, om opgevangen te worden door het aardsche lichaam. De vorm die het eerst aangenomen wordt is die van de gouden wolk, het symbool van den Eeuwige; daarna heeft eene vervorming plaats, welke symbolisch voorgesteld wordt door het hoofd van Osiris in een lotus, de Godheid geopenbaard in de onbevlekte stof; vervolgens wordt de slangvorm aangenomen, duidende op de verkregen wijsheid, terwijl ten laatste het Ego wedergekeerd is in het lagere verstand en als symbool daarvan den krokodil-vorm aanneemt. Adams merkt met betrekking tot het krokodil-symbool in den vorm van vijand zoowel als in den vorm van goddelijke belichaming het volgende op:“Want daar de menschelijke hartstochten deel uitmaken van de natuur waarin de mensch oorspronkelijk geschapen werd, zijn zij niet uitteraard slecht, maar worden slecht wanneer zij niet onderworpen zijn aan de ziel. En aldus wordt de krokodil, die den “doode” aanviel vóór de wedergeboorte, goddelijk in den nieuwen vorm. Daarom werd de krokodil in hoog aanzien gehouden bij de Egyptenaren, want deze sprak hun van den tijd waarop de mensch heerschappij over zijne hartstochten zou hebben verkregen en waarop de laatste hinderpaal tusschen hem en zijn verheerlijkte ziel weggenomen zou zijn.”De vereeniging van ziel en lichaam na het tweede gedeelte der inwijding vindt plaats in de hoofdstukken LXXXIX–XCIII.Het is echter niet goed mogelijk den kandidaat in werkelijkheid in de Pyramide te volgen, zooals Adams dit doet en wel hoofdstuk na hoofdstuk. Zoo zou in dit laatste gedeelte der inwijding de “ziel” wedergeboren worden in de Koninginnekamer, en het lichaam zou wachten op den bodem der “put”. Daarna zou de ziel nederdalen tot het lichaam. Der fantasie is hier te veel spel gelaten. Meer waarschijnlijk is wel, dat het in trance verkeerende lichaam eerst onder den grond, en daarna in de Koninginnekamer werd gedragen. Het laatste gedeelte der inwijding (3 dagen en 3 nachten) werd doorgebracht in de Koningskamer.Wanneer wij dus uit het rijk der fantasie van Adams treden en zien wat werkelijk plaats vond met den kandidaat, zooals H. P. Blavatsky ons dit mededeelt, dan moeten wij den bouw van het inwendige der Pyramide louter als den symbolischen weg opvatten en niet letterlijk den kandidaat gedeelte na gedeelte laten doorloopen in gelijken tred met den voortgang zijner inwijding op hoogere gebieden. De symboliek van het bouwwerk moet geheel gezocht worden in de getalwaarden van de verhoudingen der afmetingen, en deze getalwaarden vormen de symboliek, waarin de voortgang van den kandidaat in zijn evolutie wordt voorgesteld. Zooals wij reeds vroeger betoogden, is de Groote Pyramide een stoffelijk symbool van den Zonne-Logos. De mensch nu volbrengt zijn evolutie binnen het veld van den Logos, legt een zekeren weg af in het lichaam van dien Logos (vandaar het symbool van den dierenriem als de baan der evolutie). Gedurende de inwijding nu legde de kandidaat dezen weg wederom af in het bouwwerk, dat dit “lichaam” verzinnebeeldt en dus op symbolische wijze: naarmate zijn inwijding vorderde, moest hij zich in een ander gedeelte van de Pyramide bevinden, om ten slotte het einddoel te bereiken in de Koningskamer, “het hart”. Op zijn pad leidden hem de Hierofanten, die hem telkens, na doorstane beproevingen op andere gebieden, leering gaven door hem de symbolische beteekenis van den afgelegden weg te verklaren. Aldus werd een kennen van het inwendige van “het Huis”, een kennen van fundamenteele kosmische waarheden.In het derde gedeelte van zijne inwijding onderging de kandidaat blijkbaar zeer zware beproevingen en werd hij door het college van Adepten ten nauwste getoetst. Naar ik meen is dit weergegevenin het tooneel, bekend als “het wegen van het hart” van Ani. Dit zou dan gelezen moeten worden als een onderzoek naar den staat van het oorzakelijk lichaam; of alle kiemen van kwaad daar uitgeroeid zijn.Het zou ons echter blijkbaar te ver voeren en ons zeker de grenzen van deze verhandeling verre doen overschrijden, indien wij de symboliek van het ritueel van hetBoek der Doodenin zijn geheel zouden trachten na te gaan. Zulks vormt een onderwerp op zichzelf, waarop ik in een later werk hoop terug te komen.Het eindstadium van de inwijding had plaats in de Koningskamer en wordt in vele werken aangehaald als “het mysterie van het open graf”. Het lichaam van den kandidaat zou namelijk geplaatst worden in de sarcofaag, om de laatste dagen der inwijding daar te verblijven. H. P. Blavatsky zegt dat dit werkelijk het geval was en dat op dit stadium der inwijding de kandidaat Osiris het mannelijk of scheppende beginsel in den Kosmos voorstelde en de sarcofaag het vrouwelijk beginsel, aldus de nederdaling van den Logos in de stof verzinnebeeldende. Veel kan men in verband met dit gedeelte van ons onderwerp vinden in Gerald Massey’sThe Natural Genesis.Nadat de kandidaat op hoogere gebieden wederom zijn “Pad” beëindigd had, werd hij op den morgen van den laatsten dag zijner inwijding op het kruis uit de koningskamer gedragen en aldaar zoo geplaatst, dat de zonnestralen door een luchtkanaal op zijn voorhoofd vielen en hem deden ontwaken als een der Ingewijden.Een schoon symbool van dit ontwaken wordt ons gegeven inRecords of the Pastdeel XII blz. 77, waarin wij zien dat op een zalfvaas van Osor-Ur, de godin Nout het water des eeuwigen levens op den doode stort. De beste bron om iets te weten te komen omtrent hetgeen plaats vond, is echter deGeheime Leer, en ik wil mijne verhandeling over dit onderwerp dan ook eindigen met mede te deelen wat H. P. Blavatsky ons in dit werk mededeelt met betrekking tot de Inwijdingen die in verband stonden met de Pyramide.In deGeheime Leer, Deel II, blz. 689, lezen wij:“De ingewijde Adept, die met goed gevolg alle beproevingen doorstaan had, werdgehecht, nietgenageld, maar eenvoudig gebonden aan een bank, die in Egypte den vorm van een Tau,Tau.in Indië die van een swastika zonder de vier verlengstukken (+, nietSwastika.) had, enin een diepen slaap gedompeld, ‘den slaap van Silvam’, zooals die tot heden nog onder de Ingewijden in Klein-Azië, Syrië en zelfs Boven-Egypte genoemd wordt.Hij werddrie dagen en drie nachtenin dien toestand gelaten, gedurende welken tijd zijn Geestelijk Ego, naar het heet,zich ‘gemeenzaam’ met de ‘Goden’ onderhield, nederdaalde naar den Hades, Amenti of Pâtâla—naar gelang van het land—en liefdewerken voor de onzichtbare Wezens verrichtte, hetzij dat Zielen van menschen of Elementale Geesten waren; terwijl zijn lichaam al dien tijd in eentempelcrypt of in een onderaardsche grotbleef liggen. In Egypte werd het in deSarcophaag in de Koningskamer van de Pyramide van Cheopsen inden nacht van den naderenden derden dag naar den ingang van een galerij gedragen, waar op zeker uur de stralen van de opgaande Zon ten volle op het gelaat van den in trance verkeerenden Candidaat vielen, die ontwaakte om door Osiris en Thoth, den God van Wijsheid, ingewijd te worden.”In deze aanhaling cursiveerde ik de gedeelten die de bevestiging geven van onze voorafgaande theorie omtrent inwijding in de Pyramide. In de eerste plaats wordt hier duidelijk gezegd dat de inwijding er werkelijk plaats vond, in de tweede plaats dat de ziel gedurende den trance-toestand van het lichaam zich in Amenti bevond, terwijl ten slotte ook de ontwaking op het kruis hier nagenoeg onveranderd gegeven wordt. Nog kunnen wij hier een bevestiging vinden van onze stelling dat Thoth-Hermes de hoogste Hierofant was bij die inwijdingen en als gezant der Godheid het wijsheidsaanzicht vertegenwoordigde. Wij haalden reeds aan eene beschrijving van de voorstelling van het ontwaken van den kandidaat, zooals die gegeven wordt op de zalfvaas van Osor-Ur. H. P. Blavatsky haalt in dit verband een voorbeeld aan van eene voorstelling inbas-reliefop den tempel te Philae. Zij zegt dat deze voorstelling inderdaad een tooneel uit die inwijding is.“Twee Goden-Hiërophanten, een met den kop van een valk (de Zon), de ander met den kop van een ibis (Mercurius, Thoth, de God van Wijsheid en Geheime Kennis, de machtsbekleeder van Osiris-Zon) staan gebogen over het lichaam van een zoo juist ingewijd Candidaat. Zij zijn bezig een dubbelen stroom ‘water’ (het Water des Levens en der Nieuwe Geboorte) over zijn hoofd uit te gieten; de stroomen ontmoeten elkaar in den vorm van een kruis en zijn vol kleineansatakruisen. Dit is een allegorie van het ontwaken van den Candidaat, die thans een Ingewijde is, als de stralen der morgenzon, Osiris, de kruin van zijn hoofd treffen, terwijl zijn in trance verkeerend lichaam op de houten Tau gelegd was om die stralen te kunnen opvangen. Daarna verschenen de Hiërophanten-Inwijders en werden de sacramenteele woorden uitgesproken, schijnbaar tot den Zon-Osiris, doch in werkelijkheid tot de innerlijke Geest-Zon gericht, die den nieuw-geboren mensch verlicht.1Dit ontwaken is, naar ik vermeen, in hetBoek der Doodenweergegeven in hoofdstuk CLXVIII, genaamd het hoofdstuk der offeranden. Vele goden storten hun vaas uit over den “doode”, d.w.z. deelen hem hunne kennis mede.Nog een belangrijk punt kunnen wij in deGeheime Leerbevestigd vinden, nl. dat de kandidaat als Osiris in het gebouw, dat het stoffelijk symbool van Osiris-Zon (Logos) was, dezen laatste verzinnebeeldde in zijn uitstorting. Wij kunnen dit begrijpen wanneer wij de volgende aanhalingen aandachtig bestudeeren.”....en het is op deze ‘kennis’ dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeidede bouw van de Pyramidevoort,de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symboolvan deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der sterren zulks aan het Uitspansel zijn. De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan sterrenkundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.”2Deze verzinnebeelding van den cyclus der Inwijding in het bouwwerk der Pyramide is alleen duidelijk voor hen, die de symboliek van getallen en verhoudingen begrijpen. Wij gaan daarop hier dus niet in, doch duiden alleen den weg aan om deze symboliek te doorgronden. Dat de kandidaat bij zijn inwijding op zijn “reis” door het bouwwerk een weg doorliep, die symbolisch dezen cyclus voorstelde, wordt ons nog duidelijker door de volgende aanhaling, waaruit wij tevens wederom zien dat de hemelsche tempel (de tempel van Salomo) verzinnebeeld was in de Groote Pyramide en ook in alle latere Vrijmetselaarstempels. Wij lezen dan:“Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen Cyclus afgeleide, abstracte formules, verzinnebeeld door den vorm en de afmetingen van den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo—een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft, evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, hetsymbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatstbedoelde ontleend zijn.”3Diep in te gaan op deze aanhalingen is onmogelijk zonder een grondig begrip van de symboliek van getallen, zeide ik reeds, doch voor hem die er meer van zou willen weten, vermeld ik dat hij de oplossing zal vinden inThe Source of Measuresvan Ralston Skinner, want H. P. Blavatsky herhaalt dat de schrijvereenen zelfstweeder sleutels tot deze symboliek in verband met de Inwijding, de Pyramide en den Tabernakel gevonden heeft.Uit het voorgaande kunnen wij dus lezen, dat decyclus van Inwijdingeene symbolische voorstelling was van de nederdaling van den Logos in de stof, en dan werd bij eene Inwijding in de Groote Pyramide die verzinnebeelding volmaakter, daar het bouwwerk deze stof verzinnebeeldde in haar openbaring als geopenbaard zonnestelsel.In verband met de verzinnebeelding van de nederdaling van den Logos is wederom een aanhaling uit deGeheime Leerons zeer behulpzaam om ons te doen zien dat hetBoek der Doodenook van deze nederdaling verhaalt:“Er zijnvijfKrokodillen in den Hemelschen Nijl, en de God Toem, de Oergod, die de hemellichamen en levende wezens schept, doet deze Krokodillen in zijnvijfde‘schepping’ ontstaan. Wanneer Osiris, de ‘Doode Zon’ begraven is en Amenti binnentreedt, duiken de heilige krokodillen in den afgrond der oer-Wateren, de ‘Groote Groene’. Wanneer de Zon des Levens opgaat, duiken zij weder uit de heilige rivier op. Dit alles is diep zinnebeeldig en laat zien hoe oorspronkelijke esoterische waarheden in dezelfde symbolen hun uitdrukking vonden.”4Verder toont H. P. Blavatsky aan dat het getalvijfhier ook in verband met de inwijding zeer symbolisch is, en duidde op de “vijf woorden” (Zama Zama Ôzza Rachama Ôzai, vertaald als het kleed, het schitterend kleed van mijne kracht). Deze woorden waren wederom het symbool van vijf krachten, welke vijf krachten voorgesteld waren op het kleed van den “wederopgestanen” kandidaat na de laatste beproeving van zijn driedaagsche trance; terwijl devijfeerstzevenwerden na zijn “dood”, als wanneer de Adept de volle Christos werd. Hierin wordt dus duidelijk gezegd dat het eind van deze inwijding leidde tot het Christus-zijn, en overeenkomt met de derdeinwijding der Vrijmetselaren. Hiram Abif is in dit verband het mystieke Christuswoord, en “de dood van den Meester” is de trance waaruit eene wederopstanding als “Meester-Metselaar” of Christos, “Meester-Bouwer van den godsdienst” plaats had.Nog is het eigenaardig, te lezen dat de God met den krokodillenkop in hetBoek der Doodendezelfde is als de Indische Makara of Mâra, en dat deze de god is van de duisternis of den dood, doch slechts in den zin van dood voor alles wat physiek is, en eigenlijk is Mâra of de god met den krokodillenkop, de onbewuste versneller van de geestelijke geboorte. Vandaar dat na den dood invijflichamen de herrijzenis plaats vindt inzevenlichamen.5Doch hoe verleidelijk het onderwerp is, ik moet eindigen; veel meer zou te zeggen zijn over de inwijding zelf en in verband met hetBoek der Dooden. Dit vormt evenwel een op zichzelf staand onderwerp. Echter hoop ik dat deze onvolledige en in vele opzichten tekort schietende behandeling van een grootsch onderwerp enkelen moge opgewekt hebben dieper in te gaan op de vele punten die hierin ter bestudeering zijn aangegeven.1Geheime Leer, Deel II, blz. 690.2Geheime Leer, Deel I, blz. 399.3Geheime Leer, Deel I, blz. 399, 400.4Geheime Leer, Deel II, blz. 718.5Zie hierover mijn artikel “De Dierenriem”. Theosophia XVIejaargang, afl. 3 en verv.
Wij zullen nu trachten den kandidaat bij zijn inwijding in de Groote Pyramide te volgen, en daar wij enkele gedeelten van het ritueel van hetBoek der Doodenin verband met deze inwijding in een vorig hoofdstuk reeds toelichtten, is het thans mogelijk om zonder verdere uitweiding over onderdeelen het geheel dezer inwijding te volgen.
Adams beweert dat het mogelijk is den kandidaat bij deze inwijding door de geheele Pyramide heen stap voor stap te volgen. Dit schijnt mij een eenigszins gewaagde opmerking om algemeen te worden aangenomen. Indien men de theorie op gevoelsgronden aanneemt is het wel duidelijk dat men tot deze conclusie komt, doch door iemand die de theorie kritisch beschouwt, zou dezeopmerking zeer zeker niet onderschreven worden. Zooals wij reeds zagen is in de hoofdstukken I–XVII een soort inleiding belichaamd tot het eigenlijk ritueel; van hoofdstuk XVIII af wordt de kandidaat onderworpen aan beproevingen en maakt hij de inwijding door; het “Doorbrengen der Dagen” neemt een aanvang. Nadat de “doode” geplaatst is in de onderaardsche crypt, worden zekere mantrams over hem uitgesproken en ik meen dat dit gedurende den eersten tijd van de inwijding enkele malen geschiedde over het beweginglooze en schijnbaar levenlooze lichaam. Zulke mantrams vinden wij weergegeven in de hoofdstukken XVIII, XIX en XX. In hoofdstuk XVIII lezen wij o.a.:
Wanneer dit hoofdstuk opgezegd wordt, zal de doode te voorschijn treden bij dag, gelouterd na den dood en [hij zal] al de vervormingen [doormaken] die zijn hart zal voorschrijven. Indien dit hoofdstuk over hem opgezegd wordt, zal hij op aarde te voorschijn treden, hij zal aan alle vuur ontkomen; en geen enkele van de slechte dingen die hem [toebehooren] zullen hem in eeuwigheid en altijd en altijd belemmeren.
Wanneer dit hoofdstuk opgezegd wordt, zal de doode te voorschijn treden bij dag, gelouterd na den dood en [hij zal] al de vervormingen [doormaken] die zijn hart zal voorschrijven. Indien dit hoofdstuk over hem opgezegd wordt, zal hij op aarde te voorschijn treden, hij zal aan alle vuur ontkomen; en geen enkele van de slechte dingen die hem [toebehooren] zullen hem in eeuwigheid en altijd en altijd belemmeren.
In hoofdstuk XIX wordt gesproken over het plaatsen van talismans op het gelaat van den doode, over het branden van wierook en het plaatsen van offeranden; terwijl dan merkwaardig is het volgende:
[Dit hoofdstuk] moet door u tweemaal opgezegd worden bij het aanbreken van den dag—nu is het een nimmer falende bezwering—regelmatig en voortdurend.
[Dit hoofdstuk] moet door u tweemaal opgezegd worden bij het aanbreken van den dag—nu is het een nimmer falende bezwering—regelmatig en voortdurend.
Hoofdstuk XX moet blijkbaar eveneens als mantram opgevat worden.
In de eerstvolgende hoofdstukken wordt daarna beschreven wat intusschen met het astraallichaam plaats vindt, en wel in de eerste plaats hoe het astraalbewustzijnbegint te werken en hoe het ego in het astraallichaam handelen kan. Zoo spreekt hoofdstuk XXII van het “openen van den mond”, terwijl in XXIV en XXV vermeld wordt hoe het denkvermogen weder begint te werken in dit nieuwe astrale leven; wij lezen n.l.:
Het Hoofdstuk over: een mensch geheugen te doen bezitten in de onderwereld.
Het Hoofdstuk over: een mensch geheugen te doen bezitten in de onderwereld.
Eindelijk komt in hoofdstuk XXVI het “hart” wederom terugtot Osiris en wij lezen er in hoe de kandidaat daarna kan werken in zijn astraallichaam. Een gedeelte van dit hoofdstuk haal ik daarom aan:
.....“Moge mijn mond mij [gegeven worden], opdat ik daarmede kan spreken; en mijn beide beenen om daarmede te wandelen, en mijn twee handen en armen om mijn vijand neer te werpen. Moge de deur van den hemel mij geopend worden; moge Seb, de Vorst der Goden, zijn beide kaken wijd voor mij openen; moge hij mijn beide oogen, welke geblinddoekt zijn, openen; moge hij zorgen dat ik mijne beide beenen van elkander uitstrek welke tezaam gebonden zijn; moge Anubis mijne dijen zoo stevig maken dat ik er op staan kan. Moge de godin Sekhet mij doen opstaan zoodat ik ten hemel kan stijgen, en moge datgene gedaan worden wat ik beveel in het Huis van deKavan Ptah (Memphis). Ik begrijp mijn hart. Ik heb heerschappij over mijn hart verkregen, ik heb macht over mijn beide handen, ik heb macht over mijne beenen, ik heb wederom macht om te doen wat mijnKagelieft. Mijn ziel zal niet gebonden zijn aan mijn lichaam bij de poorten der onderwereld; maar ik zal in vrede binnentreden en in vrede te voorschijn komen.”
.....“Moge mijn mond mij [gegeven worden], opdat ik daarmede kan spreken; en mijn beide beenen om daarmede te wandelen, en mijn twee handen en armen om mijn vijand neer te werpen. Moge de deur van den hemel mij geopend worden; moge Seb, de Vorst der Goden, zijn beide kaken wijd voor mij openen; moge hij mijn beide oogen, welke geblinddoekt zijn, openen; moge hij zorgen dat ik mijne beide beenen van elkander uitstrek welke tezaam gebonden zijn; moge Anubis mijne dijen zoo stevig maken dat ik er op staan kan. Moge de godin Sekhet mij doen opstaan zoodat ik ten hemel kan stijgen, en moge datgene gedaan worden wat ik beveel in het Huis van deKavan Ptah (Memphis). Ik begrijp mijn hart. Ik heb heerschappij over mijn hart verkregen, ik heb macht over mijn beide handen, ik heb macht over mijne beenen, ik heb wederom macht om te doen wat mijnKagelieft. Mijn ziel zal niet gebonden zijn aan mijn lichaam bij de poorten der onderwereld; maar ik zal in vrede binnentreden en in vrede te voorschijn komen.”
Thans komen de beproevingen en gevaren. De kandidaat ziet in zijn astraal bewustzijn de vijanden die hem tegenhouden, n.l. zijn hartstochten, die zich in allerlei vormen aan hem opdringen, en trachten hem te vernietigen, van zijn doel af te leiden of op den verkeerden weg te brengen. Eenige hoofdstukken spreken zelfs van “het wegnemen van het hart van Osiris”. Blijkbaar doelt dit op het gevaar van een kandidaat, die bewust op het astraal gebied werken kan, om af te dwalen in de paden der zwarte magie, waarbij ten slotte zijn “ego” losgescheurd zou worden uit de lagere lichamen. Een groote vijand van hem is hier ook de “krokodil”, d.w.z. het denkvermogen.
In de hoofdstukken XXVII–XXXII vinden wij dan voornamelijk beschreven hoe de kandidaat zijne hartstochten onder de oogen moet zien en toonen moet dat hij ze overwonnen heeft; blijkbaar blijven ze, doch onderworpen aan den wil van den Osiris-mensch, en niet als zijn heerschers. Van een moeilijker strijd wordt verhaald in de hoofdstukken XXXIII–XLI, en wel van den strijd tegen het denkvermogen, dat een kandidaat op allerlei wijzen van zijn doel tracht af te leiden. Ook is hier sprake van magische of ordewoorden, die den kandidaat kunnen helpen. De strijd schijnt bemoeilijkt te worden door “slangen”. Ik vermoed dat deze eene voorstelling zijn van de leidende hierofanten, die de standvastigheid van den kandidaat beproefden; wij moeten dus geen werkelijkevijanden in deze slangen zien, maar slechts schijnbare. Dit zou ook verklaren waarom bij het einde van dit deel der inwijding in hoofdstuk XLII een vignet staat, waarin de “doode” een koord heeft om het bovenste deel van eentet, wat volgens Naville het zinnebeeld van standvastigheid is.
Thans schijnt een tweede gedeelte van de astrale beproevingen aan te vangen om zijn zelfbeheersching te toetsen; er wordt n.l. veel gesproken over het wegnemen van zijn hoofd, het vergeten der magische woorden enz., terwijl ook nieuwe vijanden zich in allerlei gedaanten aan hem opdringen. Van zijn astraallichaam wordt echter gezegd dat het gelouterd is in het “water” der onderwereld, en schoon en schitterend geworden is. Niettemin wacht hem bij gebrek aan zelfbeheersching en standvastigheid de dood door de schepselen der duisternis (XLIII–LI).
Wanneer wij thans weder verband zoeken met de groote Pyramide in dit ritueel van inwijding, is het waarschijnlijk dat het lichaam van den kandidaat opwaarts gebracht werd naar de zoogenaamde “Put”, terwijl daarna (in het derde gedeelte van de astrale inwijding) het ego van den kandidaatwetend bewustwerd van zijn goddelijke afkomst. Adams spreekt van dit bewustworden van den kandidaat van zijn goddelijken oorsprong als “de tweede geboorte”. Dit schijnt mij wel eenigszins voorbarig, aangezien de tweede geboorte zelf het slot van de geheele inwijding vormt.
Enkele hoofdstukken duiden blijkbaar op de water- en vuurproef van het astraal gebied; zoo lezen wij o.a. in hoofdstuk LXIIIa:
Het hoofdstuk van het water drinken en het niet door vuur verbrand worden in de onderwereld.
Het hoofdstuk van het water drinken en het niet door vuur verbrand worden in de onderwereld.
Hoofdstuk LXIV zinspeelt op het welslagen van den kandidaat na de verschillende astrale beproevingen en geeft hem onderricht. Zoo lezen wij:
“Ik ben Gisteren, Heden en Morgen en [ik heb de macht] een tweede maal geboren te worden...” “Ik ben de Heer van de menschen die opgeheven worden, [de Heer] die uit de duisternis komt, en wiens vormen van bestaan die zijn van het huis waarin de dooden zijn”.
“Ik ben Gisteren, Heden en Morgen en [ik heb de macht] een tweede maal geboren te worden...” “Ik ben de Heer van de menschen die opgeheven worden, [de Heer] die uit de duisternis komt, en wiens vormen van bestaan die zijn van het huis waarin de dooden zijn”.
Vooral de laatste uitdrukking past zeer wel in onze theorie. Indien de hierofant hier de spreker is, vertegenwoordigt hij als zoodanig de Logos; het huis dat den vorm van diens bestaan bevat is de Pyramide; de dooden zijn de in-te-wijden kandidaten.
Terwijl nu het astrale lichaam rust verkrijgt, vangt de beproevingin het verstandslichaam aan. Deze regeneratie van het verstandslichaam vindt plaats nadat het in trance verkeerende lichaam in de zoogenaamde Koninginnekamer geplaatst is. Dit tweede gedeelte van de inwijding is moeilijk te volgen, zelfs in hetBoek der Dooden, niet omdat het er niet beschreven staat, maar omdat wij er zoo weinig van begrijpen kunnen.
In hoofdzaak schijnt dit tweede gedeelte der inwijding te bestaan uit het doormaken van zekere beproevingen, die de rijpheid van het oorzakelijk lichaam zullen bevorderen, opdat de geboorte in het Buddhisch lichaam vergemakkelijkt worde.
Uitvoerig wordt daarna beschreven hoe, na de tweede periode der inwijding, Osiris tot het lichaam terugkeert. Hij is namelijk zoo schitterend geworden dat “het lichaam verteren zou door den glans”, en vandaar dat er verschillende transformaties moeten plaats vinden, voordat het lichaam weder bezield kan worden. In de hoofdstukken LXV–LXXV worden de wedergeboorte en de terugkeer tot het lichaam beschreven, terwijl in de hoofdstukken LXXVII–LXXXVII de verschillende transformaties beschreven worden, alles in symbolischen vorm natuurlijk. Het goddelijk Ego hult zich dus in een Khaibit of licht-dampkring (aura), bestaande uit een reeks etherische omhullingen, die het schitterend licht van de Ikheid temperen en vatbaar maken, om opgevangen te worden door het aardsche lichaam. De vorm die het eerst aangenomen wordt is die van de gouden wolk, het symbool van den Eeuwige; daarna heeft eene vervorming plaats, welke symbolisch voorgesteld wordt door het hoofd van Osiris in een lotus, de Godheid geopenbaard in de onbevlekte stof; vervolgens wordt de slangvorm aangenomen, duidende op de verkregen wijsheid, terwijl ten laatste het Ego wedergekeerd is in het lagere verstand en als symbool daarvan den krokodil-vorm aanneemt. Adams merkt met betrekking tot het krokodil-symbool in den vorm van vijand zoowel als in den vorm van goddelijke belichaming het volgende op:
“Want daar de menschelijke hartstochten deel uitmaken van de natuur waarin de mensch oorspronkelijk geschapen werd, zijn zij niet uitteraard slecht, maar worden slecht wanneer zij niet onderworpen zijn aan de ziel. En aldus wordt de krokodil, die den “doode” aanviel vóór de wedergeboorte, goddelijk in den nieuwen vorm. Daarom werd de krokodil in hoog aanzien gehouden bij de Egyptenaren, want deze sprak hun van den tijd waarop de mensch heerschappij over zijne hartstochten zou hebben verkregen en waarop de laatste hinderpaal tusschen hem en zijn verheerlijkte ziel weggenomen zou zijn.”
“Want daar de menschelijke hartstochten deel uitmaken van de natuur waarin de mensch oorspronkelijk geschapen werd, zijn zij niet uitteraard slecht, maar worden slecht wanneer zij niet onderworpen zijn aan de ziel. En aldus wordt de krokodil, die den “doode” aanviel vóór de wedergeboorte, goddelijk in den nieuwen vorm. Daarom werd de krokodil in hoog aanzien gehouden bij de Egyptenaren, want deze sprak hun van den tijd waarop de mensch heerschappij over zijne hartstochten zou hebben verkregen en waarop de laatste hinderpaal tusschen hem en zijn verheerlijkte ziel weggenomen zou zijn.”
De vereeniging van ziel en lichaam na het tweede gedeelte der inwijding vindt plaats in de hoofdstukken LXXXIX–XCIII.
Het is echter niet goed mogelijk den kandidaat in werkelijkheid in de Pyramide te volgen, zooals Adams dit doet en wel hoofdstuk na hoofdstuk. Zoo zou in dit laatste gedeelte der inwijding de “ziel” wedergeboren worden in de Koninginnekamer, en het lichaam zou wachten op den bodem der “put”. Daarna zou de ziel nederdalen tot het lichaam. Der fantasie is hier te veel spel gelaten. Meer waarschijnlijk is wel, dat het in trance verkeerende lichaam eerst onder den grond, en daarna in de Koninginnekamer werd gedragen. Het laatste gedeelte der inwijding (3 dagen en 3 nachten) werd doorgebracht in de Koningskamer.
Wanneer wij dus uit het rijk der fantasie van Adams treden en zien wat werkelijk plaats vond met den kandidaat, zooals H. P. Blavatsky ons dit mededeelt, dan moeten wij den bouw van het inwendige der Pyramide louter als den symbolischen weg opvatten en niet letterlijk den kandidaat gedeelte na gedeelte laten doorloopen in gelijken tred met den voortgang zijner inwijding op hoogere gebieden. De symboliek van het bouwwerk moet geheel gezocht worden in de getalwaarden van de verhoudingen der afmetingen, en deze getalwaarden vormen de symboliek, waarin de voortgang van den kandidaat in zijn evolutie wordt voorgesteld. Zooals wij reeds vroeger betoogden, is de Groote Pyramide een stoffelijk symbool van den Zonne-Logos. De mensch nu volbrengt zijn evolutie binnen het veld van den Logos, legt een zekeren weg af in het lichaam van dien Logos (vandaar het symbool van den dierenriem als de baan der evolutie). Gedurende de inwijding nu legde de kandidaat dezen weg wederom af in het bouwwerk, dat dit “lichaam” verzinnebeeldt en dus op symbolische wijze: naarmate zijn inwijding vorderde, moest hij zich in een ander gedeelte van de Pyramide bevinden, om ten slotte het einddoel te bereiken in de Koningskamer, “het hart”. Op zijn pad leidden hem de Hierofanten, die hem telkens, na doorstane beproevingen op andere gebieden, leering gaven door hem de symbolische beteekenis van den afgelegden weg te verklaren. Aldus werd een kennen van het inwendige van “het Huis”, een kennen van fundamenteele kosmische waarheden.
In het derde gedeelte van zijne inwijding onderging de kandidaat blijkbaar zeer zware beproevingen en werd hij door het college van Adepten ten nauwste getoetst. Naar ik meen is dit weergegevenin het tooneel, bekend als “het wegen van het hart” van Ani. Dit zou dan gelezen moeten worden als een onderzoek naar den staat van het oorzakelijk lichaam; of alle kiemen van kwaad daar uitgeroeid zijn.
Het zou ons echter blijkbaar te ver voeren en ons zeker de grenzen van deze verhandeling verre doen overschrijden, indien wij de symboliek van het ritueel van hetBoek der Doodenin zijn geheel zouden trachten na te gaan. Zulks vormt een onderwerp op zichzelf, waarop ik in een later werk hoop terug te komen.
Het eindstadium van de inwijding had plaats in de Koningskamer en wordt in vele werken aangehaald als “het mysterie van het open graf”. Het lichaam van den kandidaat zou namelijk geplaatst worden in de sarcofaag, om de laatste dagen der inwijding daar te verblijven. H. P. Blavatsky zegt dat dit werkelijk het geval was en dat op dit stadium der inwijding de kandidaat Osiris het mannelijk of scheppende beginsel in den Kosmos voorstelde en de sarcofaag het vrouwelijk beginsel, aldus de nederdaling van den Logos in de stof verzinnebeeldende. Veel kan men in verband met dit gedeelte van ons onderwerp vinden in Gerald Massey’sThe Natural Genesis.
Nadat de kandidaat op hoogere gebieden wederom zijn “Pad” beëindigd had, werd hij op den morgen van den laatsten dag zijner inwijding op het kruis uit de koningskamer gedragen en aldaar zoo geplaatst, dat de zonnestralen door een luchtkanaal op zijn voorhoofd vielen en hem deden ontwaken als een der Ingewijden.
Een schoon symbool van dit ontwaken wordt ons gegeven inRecords of the Pastdeel XII blz. 77, waarin wij zien dat op een zalfvaas van Osor-Ur, de godin Nout het water des eeuwigen levens op den doode stort. De beste bron om iets te weten te komen omtrent hetgeen plaats vond, is echter deGeheime Leer, en ik wil mijne verhandeling over dit onderwerp dan ook eindigen met mede te deelen wat H. P. Blavatsky ons in dit werk mededeelt met betrekking tot de Inwijdingen die in verband stonden met de Pyramide.
In deGeheime Leer, Deel II, blz. 689, lezen wij:
“De ingewijde Adept, die met goed gevolg alle beproevingen doorstaan had, werdgehecht, nietgenageld, maar eenvoudig gebonden aan een bank, die in Egypte den vorm van een Tau,Tau.in Indië die van een swastika zonder de vier verlengstukken (+, nietSwastika.) had, enin een diepen slaap gedompeld, ‘den slaap van Silvam’, zooals die tot heden nog onder de Ingewijden in Klein-Azië, Syrië en zelfs Boven-Egypte genoemd wordt.Hij werddrie dagen en drie nachtenin dien toestand gelaten, gedurende welken tijd zijn Geestelijk Ego, naar het heet,zich ‘gemeenzaam’ met de ‘Goden’ onderhield, nederdaalde naar den Hades, Amenti of Pâtâla—naar gelang van het land—en liefdewerken voor de onzichtbare Wezens verrichtte, hetzij dat Zielen van menschen of Elementale Geesten waren; terwijl zijn lichaam al dien tijd in eentempelcrypt of in een onderaardsche grotbleef liggen. In Egypte werd het in deSarcophaag in de Koningskamer van de Pyramide van Cheopsen inden nacht van den naderenden derden dag naar den ingang van een galerij gedragen, waar op zeker uur de stralen van de opgaande Zon ten volle op het gelaat van den in trance verkeerenden Candidaat vielen, die ontwaakte om door Osiris en Thoth, den God van Wijsheid, ingewijd te worden.”
“De ingewijde Adept, die met goed gevolg alle beproevingen doorstaan had, werdgehecht, nietgenageld, maar eenvoudig gebonden aan een bank, die in Egypte den vorm van een Tau,Tau.in Indië die van een swastika zonder de vier verlengstukken (+, nietSwastika.) had, enin een diepen slaap gedompeld, ‘den slaap van Silvam’, zooals die tot heden nog onder de Ingewijden in Klein-Azië, Syrië en zelfs Boven-Egypte genoemd wordt.
Hij werddrie dagen en drie nachtenin dien toestand gelaten, gedurende welken tijd zijn Geestelijk Ego, naar het heet,zich ‘gemeenzaam’ met de ‘Goden’ onderhield, nederdaalde naar den Hades, Amenti of Pâtâla—naar gelang van het land—en liefdewerken voor de onzichtbare Wezens verrichtte, hetzij dat Zielen van menschen of Elementale Geesten waren; terwijl zijn lichaam al dien tijd in eentempelcrypt of in een onderaardsche grotbleef liggen. In Egypte werd het in deSarcophaag in de Koningskamer van de Pyramide van Cheopsen inden nacht van den naderenden derden dag naar den ingang van een galerij gedragen, waar op zeker uur de stralen van de opgaande Zon ten volle op het gelaat van den in trance verkeerenden Candidaat vielen, die ontwaakte om door Osiris en Thoth, den God van Wijsheid, ingewijd te worden.”
In deze aanhaling cursiveerde ik de gedeelten die de bevestiging geven van onze voorafgaande theorie omtrent inwijding in de Pyramide. In de eerste plaats wordt hier duidelijk gezegd dat de inwijding er werkelijk plaats vond, in de tweede plaats dat de ziel gedurende den trance-toestand van het lichaam zich in Amenti bevond, terwijl ten slotte ook de ontwaking op het kruis hier nagenoeg onveranderd gegeven wordt. Nog kunnen wij hier een bevestiging vinden van onze stelling dat Thoth-Hermes de hoogste Hierofant was bij die inwijdingen en als gezant der Godheid het wijsheidsaanzicht vertegenwoordigde. Wij haalden reeds aan eene beschrijving van de voorstelling van het ontwaken van den kandidaat, zooals die gegeven wordt op de zalfvaas van Osor-Ur. H. P. Blavatsky haalt in dit verband een voorbeeld aan van eene voorstelling inbas-reliefop den tempel te Philae. Zij zegt dat deze voorstelling inderdaad een tooneel uit die inwijding is.
“Twee Goden-Hiërophanten, een met den kop van een valk (de Zon), de ander met den kop van een ibis (Mercurius, Thoth, de God van Wijsheid en Geheime Kennis, de machtsbekleeder van Osiris-Zon) staan gebogen over het lichaam van een zoo juist ingewijd Candidaat. Zij zijn bezig een dubbelen stroom ‘water’ (het Water des Levens en der Nieuwe Geboorte) over zijn hoofd uit te gieten; de stroomen ontmoeten elkaar in den vorm van een kruis en zijn vol kleineansatakruisen. Dit is een allegorie van het ontwaken van den Candidaat, die thans een Ingewijde is, als de stralen der morgenzon, Osiris, de kruin van zijn hoofd treffen, terwijl zijn in trance verkeerend lichaam op de houten Tau gelegd was om die stralen te kunnen opvangen. Daarna verschenen de Hiërophanten-Inwijders en werden de sacramenteele woorden uitgesproken, schijnbaar tot den Zon-Osiris, doch in werkelijkheid tot de innerlijke Geest-Zon gericht, die den nieuw-geboren mensch verlicht.1
“Twee Goden-Hiërophanten, een met den kop van een valk (de Zon), de ander met den kop van een ibis (Mercurius, Thoth, de God van Wijsheid en Geheime Kennis, de machtsbekleeder van Osiris-Zon) staan gebogen over het lichaam van een zoo juist ingewijd Candidaat. Zij zijn bezig een dubbelen stroom ‘water’ (het Water des Levens en der Nieuwe Geboorte) over zijn hoofd uit te gieten; de stroomen ontmoeten elkaar in den vorm van een kruis en zijn vol kleineansatakruisen. Dit is een allegorie van het ontwaken van den Candidaat, die thans een Ingewijde is, als de stralen der morgenzon, Osiris, de kruin van zijn hoofd treffen, terwijl zijn in trance verkeerend lichaam op de houten Tau gelegd was om die stralen te kunnen opvangen. Daarna verschenen de Hiërophanten-Inwijders en werden de sacramenteele woorden uitgesproken, schijnbaar tot den Zon-Osiris, doch in werkelijkheid tot de innerlijke Geest-Zon gericht, die den nieuw-geboren mensch verlicht.1
Dit ontwaken is, naar ik vermeen, in hetBoek der Doodenweergegeven in hoofdstuk CLXVIII, genaamd het hoofdstuk der offeranden. Vele goden storten hun vaas uit over den “doode”, d.w.z. deelen hem hunne kennis mede.
Nog een belangrijk punt kunnen wij in deGeheime Leerbevestigd vinden, nl. dat de kandidaat als Osiris in het gebouw, dat het stoffelijk symbool van Osiris-Zon (Logos) was, dezen laatste verzinnebeeldde in zijn uitstorting. Wij kunnen dit begrijpen wanneer wij de volgende aanhalingen aandachtig bestudeeren.
”....en het is op deze ‘kennis’ dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeidede bouw van de Pyramidevoort,de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symboolvan deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der sterren zulks aan het Uitspansel zijn. De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan sterrenkundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.”2
”....en het is op deze ‘kennis’ dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeidede bouw van de Pyramidevoort,de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symboolvan deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der sterren zulks aan het Uitspansel zijn. De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan sterrenkundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.”2
Deze verzinnebeelding van den cyclus der Inwijding in het bouwwerk der Pyramide is alleen duidelijk voor hen, die de symboliek van getallen en verhoudingen begrijpen. Wij gaan daarop hier dus niet in, doch duiden alleen den weg aan om deze symboliek te doorgronden. Dat de kandidaat bij zijn inwijding op zijn “reis” door het bouwwerk een weg doorliep, die symbolisch dezen cyclus voorstelde, wordt ons nog duidelijker door de volgende aanhaling, waaruit wij tevens wederom zien dat de hemelsche tempel (de tempel van Salomo) verzinnebeeld was in de Groote Pyramide en ook in alle latere Vrijmetselaarstempels. Wij lezen dan:
“Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen Cyclus afgeleide, abstracte formules, verzinnebeeld door den vorm en de afmetingen van den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo—een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft, evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, hetsymbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatstbedoelde ontleend zijn.”3
“Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen Cyclus afgeleide, abstracte formules, verzinnebeeld door den vorm en de afmetingen van den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo—een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft, evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, hetsymbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatstbedoelde ontleend zijn.”3
Diep in te gaan op deze aanhalingen is onmogelijk zonder een grondig begrip van de symboliek van getallen, zeide ik reeds, doch voor hem die er meer van zou willen weten, vermeld ik dat hij de oplossing zal vinden inThe Source of Measuresvan Ralston Skinner, want H. P. Blavatsky herhaalt dat de schrijvereenen zelfstweeder sleutels tot deze symboliek in verband met de Inwijding, de Pyramide en den Tabernakel gevonden heeft.
Uit het voorgaande kunnen wij dus lezen, dat decyclus van Inwijdingeene symbolische voorstelling was van de nederdaling van den Logos in de stof, en dan werd bij eene Inwijding in de Groote Pyramide die verzinnebeelding volmaakter, daar het bouwwerk deze stof verzinnebeeldde in haar openbaring als geopenbaard zonnestelsel.
In verband met de verzinnebeelding van de nederdaling van den Logos is wederom een aanhaling uit deGeheime Leerons zeer behulpzaam om ons te doen zien dat hetBoek der Doodenook van deze nederdaling verhaalt:
“Er zijnvijfKrokodillen in den Hemelschen Nijl, en de God Toem, de Oergod, die de hemellichamen en levende wezens schept, doet deze Krokodillen in zijnvijfde‘schepping’ ontstaan. Wanneer Osiris, de ‘Doode Zon’ begraven is en Amenti binnentreedt, duiken de heilige krokodillen in den afgrond der oer-Wateren, de ‘Groote Groene’. Wanneer de Zon des Levens opgaat, duiken zij weder uit de heilige rivier op. Dit alles is diep zinnebeeldig en laat zien hoe oorspronkelijke esoterische waarheden in dezelfde symbolen hun uitdrukking vonden.”4
“Er zijnvijfKrokodillen in den Hemelschen Nijl, en de God Toem, de Oergod, die de hemellichamen en levende wezens schept, doet deze Krokodillen in zijnvijfde‘schepping’ ontstaan. Wanneer Osiris, de ‘Doode Zon’ begraven is en Amenti binnentreedt, duiken de heilige krokodillen in den afgrond der oer-Wateren, de ‘Groote Groene’. Wanneer de Zon des Levens opgaat, duiken zij weder uit de heilige rivier op. Dit alles is diep zinnebeeldig en laat zien hoe oorspronkelijke esoterische waarheden in dezelfde symbolen hun uitdrukking vonden.”4
Verder toont H. P. Blavatsky aan dat het getalvijfhier ook in verband met de inwijding zeer symbolisch is, en duidde op de “vijf woorden” (Zama Zama Ôzza Rachama Ôzai, vertaald als het kleed, het schitterend kleed van mijne kracht). Deze woorden waren wederom het symbool van vijf krachten, welke vijf krachten voorgesteld waren op het kleed van den “wederopgestanen” kandidaat na de laatste beproeving van zijn driedaagsche trance; terwijl devijfeerstzevenwerden na zijn “dood”, als wanneer de Adept de volle Christos werd. Hierin wordt dus duidelijk gezegd dat het eind van deze inwijding leidde tot het Christus-zijn, en overeenkomt met de derdeinwijding der Vrijmetselaren. Hiram Abif is in dit verband het mystieke Christuswoord, en “de dood van den Meester” is de trance waaruit eene wederopstanding als “Meester-Metselaar” of Christos, “Meester-Bouwer van den godsdienst” plaats had.
Nog is het eigenaardig, te lezen dat de God met den krokodillenkop in hetBoek der Doodendezelfde is als de Indische Makara of Mâra, en dat deze de god is van de duisternis of den dood, doch slechts in den zin van dood voor alles wat physiek is, en eigenlijk is Mâra of de god met den krokodillenkop, de onbewuste versneller van de geestelijke geboorte. Vandaar dat na den dood invijflichamen de herrijzenis plaats vindt inzevenlichamen.5
Doch hoe verleidelijk het onderwerp is, ik moet eindigen; veel meer zou te zeggen zijn over de inwijding zelf en in verband met hetBoek der Dooden. Dit vormt evenwel een op zichzelf staand onderwerp. Echter hoop ik dat deze onvolledige en in vele opzichten tekort schietende behandeling van een grootsch onderwerp enkelen moge opgewekt hebben dieper in te gaan op de vele punten die hierin ter bestudeering zijn aangegeven.
1Geheime Leer, Deel II, blz. 690.2Geheime Leer, Deel I, blz. 399.3Geheime Leer, Deel I, blz. 399, 400.4Geheime Leer, Deel II, blz. 718.5Zie hierover mijn artikel “De Dierenriem”. Theosophia XVIejaargang, afl. 3 en verv.
1Geheime Leer, Deel II, blz. 690.
2Geheime Leer, Deel I, blz. 399.
3Geheime Leer, Deel I, blz. 399, 400.
4Geheime Leer, Deel II, blz. 718.
5Zie hierover mijn artikel “De Dierenriem”. Theosophia XVIejaargang, afl. 3 en verv.