IV.

Drie appelkens vanCondéBreng mijn broerkens ook wat mee.(West-Vlaanderen).

Drie appelkens vanCondéBreng mijn broerkens ook wat mee.

(West-Vlaanderen).

Om appelkens vanCondéBreng er mij een g'heel schootjen (schuitjen?) mee.(Oost-Vlaanderen)(132).

Om appelkens vanCondéBreng er mij een g'heel schootjen (schuitjen?) mee.

(Oost-Vlaanderen)(132).

Te Venloo keert Sinterklaas weer terug naarPicardië:

Gank ût rije,No 't lendje vanPicardië(133).

Gank ût rije,No 't lendje vanPicardië(133).

Na hetgeen boven over het everzwijn gezegd is(134)zal het niemand verwonderen, dat de Schimmelrijder somwijlen den naam vanEbermanndraagt. Dan beschouwt men hem vooral als den „gever van goed geluk”, en deelt hij, op een schimmel gezeten, zijne gaven uit. De Schimmelrijder verschijnt in die hoedanigheid onder den vorm van zeer verschillende persoonlijkheden, waarover in hetvolgende hoofdstuk, en op verschillende dagen. In Silezië is het met St. Maarten, te Kranowitz en Ratibor metSt. Nikel(135), te Osnabrück o. a. met Kerstmis en Nieuwjaar: de schimmel heet dan de „Spaansche hengst”(136). Zoo ook in Mecklenburg(137); te Schorau (Preussen) daarentegen slechts op Kerstavond(138), evenals inEngeland. Zou het volgende nog op een samenhang van Sinterklaas met de Wilde Jacht kunnen wijzen? „Auf der Schelfe [Mecklenburg] umreitet in der Neujahrsnacht ein Reiter auf weissem Schimmel dreimal die Kirche. An der stelle derselben stand eine schon vor 1211 erbaute Kapelle des heiligen Nikolaus”. (Bartsch, l. l., I, p. 16).

(104)Bijnaam van Sinterklaas in Tirol en Vorarlberg (Schnell, l. l., II, p. 60).

(104)Bijnaam van Sinterklaas in Tirol en Vorarlberg (Schnell, l. l., II, p. 60).

(105)Sinterclaes bisschop,Settiehooghe mutseop!(Amsterdam.)

(105)

Sinterclaes bisschop,Settiehooghe mutseop!(Amsterdam.)

Sinterclaes bisschop,Settiehooghe mutseop!

(Amsterdam.)

(106)Sinterklôs Gods (good?) heilig man,Trek dînen bestentabberdaan.(Venloo.)Sint Niklaes, o heilige man,Met uwgespikkelden talfaerdaen.(Oost-Vlaanderen.)

(106)

Sinterklôs Gods (good?) heilig man,Trek dînen bestentabberdaan.(Venloo.)Sint Niklaes, o heilige man,Met uwgespikkelden talfaerdaen.(Oost-Vlaanderen.)

Sinterklôs Gods (good?) heilig man,Trek dînen bestentabberdaan.

(Venloo.)

Sint Niklaes, o heilige man,Met uwgespikkelden talfaerdaen.

(Oost-Vlaanderen.)

(107)Odhin vaart voorbij.

(107)Odhin vaart voorbij.

(108)Meyer, l. l., pp. 236, 237.

(108)Meyer, l. l., pp. 236, 237.

(109)Vernaleken, l. l., pp. 25, 26, 30, 31, 47.

(109)Vernaleken, l. l., pp. 25, 26, 30, 31, 47.

(110)Kuhn, l. l., pp. 19, 25, 101, 187.

(110)Kuhn, l. l., pp. 19, 25, 101, 187.

(111)Overblijfselen, l. l., p. 12.

(111)Overblijfselen, l. l., p. 12.

(112)J. W. Wolf,Hessische Sagen. Göttingen-Leipzig, 1853. P. 21.

(112)J. W. Wolf,Hessische Sagen. Göttingen-Leipzig, 1853. P. 21.

(113)Vernaleken, l. l., p. 41.

(113)Vernaleken, l. l., p. 41.

(114)„Der treue Eckhart” of „Eckhart mit dem weissen Stab”.Grimm, l. l., II, pp. 779, 780.

(114)„Der treue Eckhart” of „Eckhart mit dem weissen Stab”.Grimm, l. l., II, pp. 779, 780.

(115)Grimm, l. l., II, pp. 779–788.

(115)Grimm, l. l., II, pp. 779–788.

(116)Mannhardt, l. l., p. 251.

(116)Mannhardt, l. l., p. 251.

(117)Meyer, l. l., pp. 132, 237. Of ook St. Kristoforus ooit als voorrijder der Wilde Jacht heeft dienst gedaan? Enkele voorstellingen, zooals die, bedoeld door Prof.v. d. Vliet,Tweemaandelijksch Tijdschrift, IV, 2, Nov. 1897, p. 191 Aanm., laten de zaak in alle geval zeer twijfelachtig. En wat het verband tusschen dezen Heilige en Sint Nikolaas betreft, dit kan m. i. bepaaldnietworden afgeleid uit het feit, dat Myra's bisschop patroon der schippers was. (Zie b. v.Simrock,Rheinsagen. Bonn, 1850. P. 23;Schnell, l. l., pp. 22, 23, 56, 65.) Dit attribuut kan zeer goed zijn ontstaan te danken hebben aan het bekende verhaal der zeevaart, al mag de echtheid van dit en soortgelijke verhalen met recht worden betwijfeld.

(117)Meyer, l. l., pp. 132, 237. Of ook St. Kristoforus ooit als voorrijder der Wilde Jacht heeft dienst gedaan? Enkele voorstellingen, zooals die, bedoeld door Prof.v. d. Vliet,Tweemaandelijksch Tijdschrift, IV, 2, Nov. 1897, p. 191 Aanm., laten de zaak in alle geval zeer twijfelachtig. En wat het verband tusschen dezen Heilige en Sint Nikolaas betreft, dit kan m. i. bepaaldnietworden afgeleid uit het feit, dat Myra's bisschop patroon der schippers was. (Zie b. v.Simrock,Rheinsagen. Bonn, 1850. P. 23;Schnell, l. l., pp. 22, 23, 56, 65.) Dit attribuut kan zeer goed zijn ontstaan te danken hebben aan het bekende verhaal der zeevaart, al mag de echtheid van dit en soortgelijke verhalen met recht worden betwijfeld.

(118)Ziep. 26.

(118)Ziep. 26.

(119)Brom, l. l., p. 161. Zie over dit onderwerp ook de belangrijke studie van den BollandistJ. van den Gheyn, getiteld:Le Personnage d'Arlequin, in zijneEssais de Mythologie et de Philologie comparée.Bruxelles-Paris, 1885. Pp. 107–131.

(119)Brom, l. l., p. 161. Zie over dit onderwerp ook de belangrijke studie van den BollandistJ. van den Gheyn, getiteld:Le Personnage d'Arlequin, in zijneEssais de Mythologie et de Philologie comparée.Bruxelles-Paris, 1885. Pp. 107–131.

(120)Zeitschr. für deutsches Altertum, XX, p. 13. DeSchwerttanzspielewaren van de XVde tot XVIIde eeuw over heel Duitschland verspreid.

(120)Zeitschr. für deutsches Altertum, XX, p. 13. DeSchwerttanzspielewaren van de XVde tot XVIIde eeuw over heel Duitschland verspreid.

(121)Vernaleken, l. l., pp. 34, 35, 50.

(121)Vernaleken, l. l., pp. 34, 35, 50.

(122)Vernaleken, l. l., p. 83.

(122)Vernaleken, l. l., p. 83.

(123)Overblijfselen, l. l., p. 14.

(123)Overblijfselen, l. l., p. 14.

(124)Vernaleken, l. l., p. 46.

(124)Vernaleken, l. l., p. 46.

(125)Meyer, l. l., p. 242.

(125)Meyer, l. l., p. 242.

(126)Vernaleken, l. l., p. 286.

(126)Vernaleken, l. l., p. 286.

(127)Vernaleken, l. l., p. 55.

(127)Vernaleken, l. l., p. 55.

(128)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 436, 453.

(128)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 436, 453.

(129)Overblijfselen, l. l., pp. 18, 19.

(129)Overblijfselen, l. l., pp. 18, 19.

(130)Het Appeleneiland.

(130)Het Appeleneiland.

(131)EelcooVerwijs, l. l., p. 77.

(131)EelcooVerwijs, l. l., p. 77.

(132)Ons „appeltjes van Oranje” is aan het Fransch ontleend. BijKiliaenvindt men „aranienappel”, vgl. hetItal.aranciouit hetArab.-Perz.nârandj.

(132)Ons „appeltjes van Oranje” is aan het Fransch ontleend. BijKiliaenvindt men „aranienappel”, vgl. hetItal.aranciouit hetArab.-Perz.nârandj.

(133)Meyer, l. l., p. 256.

(133)Meyer, l. l., p. 256.

(134)Ziep. 12.

(134)Ziep. 12.

(135)Schnell, l. l., I, pp. 65, 66.

(135)Schnell, l. l., I, pp. 65, 66.

(136)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 448.

(136)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 448.

(137)Bartsch, l. l., II, pp. 224, 233, 234.

(137)Bartsch, l. l., II, pp. 224, 233, 234.

(138)Schnell, l. l., I, p. 50.

(138)Schnell, l. l., I, p. 50.

Decoratieve illustratie

VORMVERANDERINGEN.

Wie stout is of boos,Sint Niklaas hoort alles,Hij luistert altoos!Hem kan men niet foppen,Geloof mij oprecht,Wat hij niet gezien heeft,Vertelt hem zijn knecht.(UitSchenkman'sprentenboek).

Wie stout is of boos,Sint Niklaas hoort alles,Hij luistert altoos!Hem kan men niet foppen,Geloof mij oprecht,Wat hij niet gezien heeft,Vertelt hem zijn knecht.

(UitSchenkman'sprentenboek).

Om het in dit hoofdstuk te behandelen Folkloristische materiaal eenigermate te kunnen ontwarren, zullen wij enkele beginselen vooropstellen. De lezer moge dan naderhand zelf oordeelen, of de gevolgtrekking juist was.

Gedurende het tijdperk van vruchtbaarheid treden in het Folklore verschillende persoonlijkheden op den voorgrond; zoo voornamelijk:

I.Van Heidenschen Oorsprong.

1ºWôdan, windgod, voorrijder der Wilde Jacht, god der vruchtbaarheid.

2ºHruodperaht, een bekende huisgeest, kobold of kabouter, die meestal onder den naam vanRuprechtverschijnt. Hij neemt deel aan de Wilde Jacht—gedurende den Joeltijd drijven immers de geesten hun spel—en is, evenals zijn kollega's, nu eens vrijgevig en goedig, dan weer boosaardig en streng. Deze figuur ontmoeten wij slechts op Germaanschen bodem.

3ºPerchtaofBertha(139), eene godin, die in karakter het meest met de godin Holda(140)overeenkomt. Als „die wilde Bertha” vaart zij door de lucht, en verleent vruchtbaarheidaan de akkers(141). Haar heilig was dePerchtenabend, aan het einde der Twaalf Nachten. In een langen, witten sluier is zij gehuld(142). Nog heden laat men in Tirol eten voor haar staan.

II.Van Kristelijken Oorsprong.

1º DeH. Nikolaas, de vrijgevige kindervriend, de groote bisschop van Myra.

2º DeH. Martinus, bisschop van Tours, volksheilige.

3º HetKerstkind, dat de wereld door Zijne geboorte verblijdt.

4º DeH. Driekoningen, die hunne offergaven aan de kribbe des Verlossers nederlegden.

5º DeH. Lucia, Maagd en Martelares.

Nu doet zich niet alleen het verschijnsel voor, datattributenvan heidensche figuren op kristelijke zijn overgegaan, maar ook, dat kristelijke dragers derzelfde attributen, volgens plaatselijke omstandigheden, wezenlijk van elkaar verschillen; en eindelijk, dat men, door onderlinge ontleening van verschillende Folkloristischecentra, personen, namen en attributen op de meest grillige wijze heeft gekombineerd.

1º Sint Maarten verschijnt in het Limburgsche Folklore, te paard door de lucht rijdend, begeleid door zijn knecht. Als Wilde Jager heet hijJunker Marten(143). In Zwaben noemt men hemPelzmärte, vroeger in BeierenPelzmartle. Deze samenstellingen metPelz-zijn niet zeldzaam; ik vermoed, dat zij hun oorsprong te danken hebben aan eene vermomming door middel van vellen van een den god der vruchtbaarheid heilig dier: eene vermomming van dien aard treft men aan in den Joelbok.—

Ook Sint Maarten ontvangt hooi voor zijn paard(144). Ingezelschap van St. Nikolaas begeleidde hij eertijds het Kerstkind op Kerstavond, zooals blijkt uit een edikt van Gustaaf Adolf van 25 Nov. 1682(145). In het Freudenthal (Oostenr. Silezië) brengt hij op een schimmel gezeten allerlei geschenken aan grooten en kleinen(146). In de Rijnprovincie, IJperen en het kanton Aalst speelt hij de rol van Sinterklaas(147).

2º Sint Nikolaas is in Nederland meestal bekend onder den vorm van een eerbiedwaardig bisschop. In Oost-Friesland treedt hij op, niet als bisschop gekleed, maar als een grijsaard met witten baard en in een pelsmantel gehuld(148). Te Quedlinburg waarschuwt men de kinderen voor denNikelmann; ieder jaar haalt deze zich een offer(149). Dergelijke sombere eigenschappen dankt de Heilige óf aanRuprecht, in diens hoedanigheid van boosaardigen huisgeest, óf aan het feit, dat Wôdan vaak met den duivel op ééne lijn werd gesteld(150). Duidelijk blijken althans zijne elfische attributen uit eene legende van het kanton Wallis, volgens welke hij—evenals de berggeesten—uit de rotsspelonken te voorschijn komt(151). In Beieren en in de Rijnpalts noemt men hemPelznikel(ook welNikelofSt. Nikel). In Tirol heet de vooravond van SinterklaasKlaubautag(152).

3º In Duitschland rijdt het Kerstkind rond op een schimmel(153), evenalsFather Christmasin Engeland, die daar ook een bosje hooi en een wortel vindt voor zijn paard(154). In het graafschap Rupin verschijnt een naamlooze ruiter opeen schimmel, terwijl eene in het wit gekleede figuur een grooten zak draagt, en deChristmannofChristpuppeheet(155).

4º Buiten zijn eigen attributen ook nog met die van Sinterklaas of van het Kerstkind voorzien, treedtHruodparahtop, óf zelfstandig, óf aan één van beiden dienstbaar. In ons land heet hij Pieterman, in de RijnprovincieHans Muff, in den ElzasHans Trapp, anders elders. De benamingRuprechtheeft als wisselvormRupel(156); ook de Wilde Jager heetRuprecht(157). Op denHutbergbij Herrnhut huizen twee Wilde Jagers:Ulrich RuprechtenBernhard Dietrich(158). Het uiterlijk dezer persoonlijkheid is min of meer gedrochtelijk: verschijntRuprechtalskwaadaardigeelf, dan is hij trouw gewapend met zak en roedachtig dan is zijn gezicht zwartvan het roet. Ook de zak op zijn rug is een roetzak:Schmutzbartelheet hij om zijn roetachtig uitzicht. Ook dePerchtelnd. i. vermomde gestalten, die opPerchtenabend(159)rondloopen, dePfingstlümmelin het Ansbachsche, de pijpers in het gevolg van den Pingstkoning, treden op met een roetig gezicht(160). Dit zwart maken, zegt Mannhardt, is „keineswegs bedeutungslos und zwar scheint sie [die Schwärzung] mir in roher Weise ausdrücken zu wollen, dass der dargestellte Dämon(161)ein nicht sichtbares, für menschliche Augen dunkles unheimliches Wesen, ein Schatten, ein Gespenst sei”(162).

In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond eene baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten, enz. onder de jeugd ronddeelt. Deze heet in de Middel-Markder hele Christ,RuprechtofHans Ruprecht; inMecklenburgder ru ClasofRuklasin de Oud-Mark, Brunswijk, Hannover en Oost-FrieslandClas,Glas Bur, ofBuller Clas. In Beieren kent men een goeden en kwadenKlas(163). In de Oud-Mark trekt eenige dagen vóór Kerstmis de afschuwelijke gedaante vanKlas Burmet de lieflijke figuur van het Kerstkind rond, ondervraagt de kinderen, laat ze bidden, en geeft hun naar verdienste loon of straf(164). In Mecklenburg heetRug-klas„des heiligen Christ Vorposten”; hij rijdt op een schimmel en is met aschzak en roede voorzien(165). Te Lucern rammelt hij met kettingen en draagt den naam vanSchmutzli(166). In een pelsmantel gehuld, het gezicht met roet bedekt, treedt hij in Luxemburg op onder den naam vanHuosecker(167), in Tirol onder dien van deWauwe(168). Omstreeks het jaar 1850 verscheen deze figuur in talrijke plaatsen rondom Bamberg alsHel-Niclas, in erwtenstroo gehuld en rammelend met hare ketens(169). Nog draagt zij in Hohenzollern de namen:Sparmundi,Pelzebub,Pelznikel,Butzemann(170). DitButzemann, waarmee men ons „boezeman” of „boeman” kan vergelijken, is eene benaming van den huisgeest(171).Pelzoppelheet hij in Hessen-Nassau. In Beneden-Oostenrijk wordt de taak van knecht waargenomen door eene vrouw,Berchtel,BuzebergtofEiserne Berthagenaamd;Berchtelen—bergtstaan blijkbaar in betrekking tot den naamPerchta, evenals—bartel. In Oberhausen zei men eertijds: „Heut kommt der Klas, morgen de Buzebercht”(172). In het Bohemerwoud verschijnt den 12den December 's avonds de H. Lucia, die aan de brave kinderen ooft uitdeelt, maarde ondeugende dreigt, hun den buik open te rijten. Gewoonlijk vertoont zij zich onder den vorm eener geit, waarover een bedlaken hangt, en is zij door een soortNikolobegeleid. „Da der Name der heiligen Lucia”, zegt v. Reinsberg-Düringsfeld(173), „welcher auslux, Licht, entstanden sein soll, dem der heidnischen Perchta, Lichte, entspricht, so ist es natürlich, dass die Heilige im Volksglauben viele Züge der alten Göttin angenommen hat.” Ook doorWodewordt niet zelden de rol vanRuprechtgespeeld, zoo te Mecklenburg(174); in de Thuringsche kerstsage van de 17de eeuw doet dit „der treue Eckhart”(175). Ook wordtRuprechtveelal door denJulbukofJulbockvervangen, d. i., een knecht in boksgedaante; te Leipzig noemt men soortgelijke gestalteKlapperbock(176). In erwtenstroo gewikkeld gaat hij de laatste dagen vóór Kerstmis rond. Over den bok als symbool der vruchtbaarheid isreedsgesproken; over den ever insgelijks(177), zoodat het ons niet moeilijk zal vallen den omgang met den beer of tammen ever, meestal in erwtenstroo gehuld (Erbsenbär), die gedurende het Joeltijdperk plaats heeft, te verklaren. Dit gebruik is bijna over heel Duitschland en Tirol verspreid; hieraan dankt de uitdrukking: „Jemand einen Bären aufbinden” haar ontstaan. De beer wordt doorKlasofRuprechtgeleid. Te Breslau isNicolovergezeld vanBartel, tot wien de kinderen roepen:

Bartel, Bartel, wilder Bär,Leg mir ein, was i beger, enz.(178)

Bartel, Bartel, wilder Bär,Leg mir ein, was i beger, enz.(178)

Bartelwordt ookStrohbartelgenoemd; hier en daar draagtRuprechthet epithetonStrohbart(179), als hij zich nl. in stroo gewikkeld vertoont.

De beteekenis van het stroo moet hierin gezocht worden, dat heterwtenstroo is. Onder de vruchten is vooral de erwt vruchtbaarheidssymbool(180). Om veel ooft te krijgen worden gedurende het tijdperk der Twaalf Nachten de ooftboomen met erwtenstroo omwonden; gedurende dit tijdperk mogen geen erwten gegeten worden(181); op Silvesteravond worden de hoenders met erwten gevoerd: zooveel erwten eene kip eet, zooveel eieren zal ze 't volgend jaar leggen(182). In het Bohemerwoud werpt het Kerstkind een handvol erwten door de kamerdeur(183); gedurende de z. g.Knöpflinsnächte(de Donderdagnachten vóór Kerstmis) trekken in Zuid-Duitschland volwassenen en kinderen van huis tot huis en werpen erwten tegendenvensterruiten(184). Aldus zal het mogelijk zijn eene vreemde bijzonderheid te verklaren in het bericht van Eelcoo Verwijs: „InZugin Zwitserland werd de Kinderbisschop eerst in 1797 op hooger bevel afgeschaft. Telkens verscheen den 6den December een scholier als bisschop gekleed, voorafgegaan door een bisschop met zijn staf, en gevolgd door een nar, die insgelijks met een staf was gewapend, waaraan eeneblaas met erwten(185)was bevestigd”(186).

Of zouden ook de erwten soms eene specifiek kristelijke beteekenis hebben?

(139)Ziep. 8.

(139)Ziep. 8.

(140)Zie over deze godinKnappert, l. l., pp. 123 vlg.

(140)Zie over deze godinKnappert, l. l., pp. 123 vlg.

(141)Mogk, l. l., pp. 1107, 1108.

(141)Mogk, l. l., pp. 1107, 1108.

(142)Van haar en Holda stammen onze „Witte Juffers”. Somtijds vertoont zij zich echter, onder den vorm vanBerchtel, in zwarte lompen gehuld en met een roetgezicht. Vgl.v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 483.

(142)Van haar en Holda stammen onze „Witte Juffers”. Somtijds vertoont zij zich echter, onder den vorm vanBerchtel, in zwarte lompen gehuld en met een roetgezicht. Vgl.v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 483.

(143)Ziep. 27.

(143)Ziep. 27.

(144)Ziep.23. Dat de indruk van zijn voet in een steen zou zijn blijven staan, evenals die van den hoef van het Wôdanros, zooalsMeyer, l. l., p. 257 beweert, berust op eene dwaling.Wolftoch spreekt t. a. p. (Niederländische Sagen. Leipzig, 1843. P. 435) uitdrukkelijk van „Martin, ein Sohn des Grafen von Namur, der siebente Bischof von Tongern”.

(144)Ziep.23. Dat de indruk van zijn voet in een steen zou zijn blijven staan, evenals die van den hoef van het Wôdanros, zooalsMeyer, l. l., p. 257 beweert, berust op eene dwaling.Wolftoch spreekt t. a. p. (Niederländische Sagen. Leipzig, 1843. P. 435) uitdrukkelijk van „Martin, ein Sohn des Grafen von Namur, der siebente Bischof von Tongern”.

(145)Bartsch, l. l., II, p. 222.

(145)Bartsch, l. l., II, p. 222.

(146)Ziep. 11.

(146)Ziep. 11.

(147)Ziep. 14.

(147)Ziep. 14.

(148)Brom, l. l., p. 155.

(148)Brom, l. l., p. 155.

(149)Schnell, l. l., I, p. 29.

(149)Schnell, l. l., I, p. 29.

(150)Ziep.13.

(150)Ziep.13.

(151)Schnell, l. l., I, p. 73.

(151)Schnell, l. l., I, p. 73.

(152)=Klaubauftag.Klaubaufis de naam van den kobold.

(152)=Klaubauftag.Klaubaufis de naam van den kobold.

(153)Meyer, l. l., p. 257.

(153)Meyer, l. l., p. 257.

(154)Pol de Mont,Dietsche Warande, X, 1, 1897. P. 30.

(154)Pol de Mont,Dietsche Warande, X, 1, 1897. P. 30.

(155)Kuhn, l. l., p.346.

(155)Kuhn, l. l., p.346.

(156)Grimm, l. l., I, p. 417.

(156)Grimm, l. l., I, p. 417.

(157)Meyer, l. l., p. 237.

(157)Meyer, l. l., p. 237.

(158)Meyer, l. l., p. 242.

(158)Meyer, l. l., p. 242.

(159)Ziep. 33.

(159)Ziep. 33.

(160)Mannhardt, l. l., pp. 162, 314, 321, 365, 548.

(160)Mannhardt, l. l., pp. 162, 314, 321, 365, 548.

(161)Als het Griekscheδαίμων, half goddelijk, half menschelijk wezen, op te vatten.

(161)Als het Griekscheδαίμων, half goddelijk, half menschelijk wezen, op te vatten.

(162)L. L. p. 322.

(162)L. L. p. 322.

(163)Schnell, l. l., I, p. 22.

(163)Schnell, l. l., I, p. 22.

(164)Kuhn, l. l., p. 345.

(164)Kuhn, l. l., p. 345.

(165)Zou tot deze verschijning wellichtKlas Rugebartin betrekking staan, die in het LubeckscheSchwerttanzspielvoorkomt? ZieZeitschr. für deutsches Altertum, XX, p. 10.

(165)Zou tot deze verschijning wellichtKlas Rugebartin betrekking staan, die in het LubeckscheSchwerttanzspielvoorkomt? ZieZeitschr. für deutsches Altertum, XX, p. 10.

(166)Schnell, l. l., I, p. 73.

(166)Schnell, l. l., I, p. 73.

(167)Schnell, l. l., V, p. 59.

(167)Schnell, l. l., V, p. 59.

(168)Vernaleken, l. l., p. 62.

(168)Vernaleken, l. l., p. 62.

(169)Tille, l. l., p. 49.

(169)Tille, l. l., p. 49.

(170)Schnell, l. l., I, p. 21.

(170)Schnell, l. l., I, p. 21.

(171)Mogk, l. l., p. 1034. Vergelijk ook den naamKlaubauf, bovenp.34.

(171)Mogk, l. l., p. 1034. Vergelijk ook den naamKlaubauf, bovenp.34.

(172)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 433.

(172)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 433.

(173)L. L. p. 434.

(173)L. L. p. 434.

(174)Grimm, l. l., II, pp. 781, 782.

(174)Grimm, l. l., II, pp. 781, 782.

(175)Tille, l. l., p. 29. Vgl. bovenp.27.

(175)Tille, l. l., p. 29. Vgl. bovenp.27.

(176)Schnell, l. l., I, p. 62.

(176)Schnell, l. l., I, p. 62.

(177)Ib. De ever speelt ook eene voorname rol in de Wilde Jacht. ZieMeyer, l. l., p. 244.

(177)Ib. De ever speelt ook eene voorname rol in de Wilde Jacht. ZieMeyer, l. l., p. 244.

(178)Schnell, l. l., I, p. 63.

(178)Schnell, l. l., I, p. 63.

(179)Grimm, l. l., III, p. 149.

(179)Grimm, l. l., III, p. 149.

(180)Meyer, l. l., p. 103.

(180)Meyer, l. l., p. 103.

(181)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 464.

(181)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 464.

(182)Bartsch, l. l., II, p. 233.

(182)Bartsch, l. l., II, p. 233.

(183)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 453.

(183)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 453.

(184)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 424, 425.

(184)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 424, 425.

(185)Wij kursiveeren.

(185)Wij kursiveeren.

(186)L. L., p. 29.

(186)L. L., p. 29.

Decoratieve illustratie

BEL EN ROEDE.


Back to IndexNext