HOOFDSTUK IX.GEVAAR VOOR MENSCHZIEL.

„Eerstens. Draagt dit kleed dagelijks, opdat gij niet, in gebreke daarvan, aan anderenPred. 9 : 8.zoudt toeschijnen de mijnen niet te wezen.„Ten tweede. Houdt het altijd wit, wantOpenb. 3 : 4.als het bezoedeld wordt is het eene schande voor mij.„Ten derde. Schort het daarom op en omgordt u, opdat het niet door het slijk slepe.„Ten vierde. Past op, dat gij het niet verliest, anders wandelt gij naakt en zullen de lieden uwe schaamte zien.„Ten vijfde. Maar als gij het mocht bezoedelen, hetgeen mij zeer zou smarten en waarover Diábolus zeer vroolijk wezen zou, spoedt u dan voort om te doen wat in mijne wet geschreven staat, opdat gij moogtLuk. 21 : 36.Openb. 7 : 14-17.staan en niet vallen voor mij en mijnen troon. Dit is aldus de weg, die maakt dat ik u niet verlaat, maar voor altijd in deze mijne stad Menschziel zal wonen.”En nu was de stad Menschziel met hare inwoners als een zegel op Immanuels rechterhand. Waar was nu eene stad of plaats, die zich met Menschziel kon vergelijken? Eene stad, verlost uit de hand en de macht van Diábolus; eene stad, die de koning El-Schaddaï liefhad en waarheen hij Immanuel gezonden had, om haar van den vorst over den put des afgronds te redden; ja, eene stad, waarin Immanuel gaarne woonde en die hij tot zijne koninklijke residentie had uitverkoren; eene stad, die hij voor zichzelven versterkt had en sterk gemaakt door de kracht van zijn heirmacht. Wat zal ik meer zeggen? Menschziel had nu den voortreffelijksten vorst, gouden kapiteins en krijgslieden, krijgsvoorraad, en daarbij kleederen wit als sneeuw. Zal nu Menschziel ook in staat zijn deze voorrechten te waardeeren en te gebruiken tot het doel, waartoe ze haar zijn gegeven?Toen dit alles nu naar het welbehagen van den Prins was in orde gebracht, beval hij dat zijn standaard op de gebouwen van het kasteel zou worden geplaatst. En daarna bracht hij haar menigmaal een bezoek. Geen dag mocht nu meer voorbijgaan of de oudsten van Menschziel moesten tot hem komen in zijn paleis. Dan wandelden zij samen rond en spraken over alle groote2 Cor. 6 : 16.dingen, die hij gedaan had, en wat hij beloofde in de toekomst voor de stad Menschziel te doen. Dit gebeurde menigmalen met den Burgemeester, den heer Vastewil en den eerlijken prediker Geweten. Maar o hoe genadig, hoe nederbuigend en teeder gedroeg deze gezegende Prins zich thans jegens de stad Menschziel! In al de straten, tuinen, boomgaarden, ja overal ging hij rond om te zien of de arme ook zijn deel kreeg; ja hij kuste die armen, en was iemand krank dan legde hij hem de handen op en maakte hem gezond. En wat de kapiteins betreft, van dag tot dag, ja soms van uur tot uur kwam hij hen bemoedigen met zijne vereerende tegenwoordigheid en aangename gesprekken. Gij moet dan ook weten, dat een glimlach van hem meer kracht en leven in hen stroomen deed dan iets anders onder den hemel had kunnen doen.De Prins wilde hen ook dikwijls te gast hebben; nauwelijks eene week ging voorbij of een feestmaal had plaats. Gij1 Cor. 5 : 8.zult u herinneren, dat wij reeds melding gemaakt hebben van een feest, dat zij samen vierden; maar nu werd dat feestvieren meer een gewone zaak; iedere dag mocht nu wel een feestdag voor Menschziel heeten. En als zij dan naar huis terugkeerden zond hij hen niet ledig weg; ieder moest wat hebben: een ring, een gouden keten, een armband, een edelgesteente of iets dergelijks; zoo dierbaar was Menschziel hem thans, zoo liefelijk was het in zijne oogen.Ten andere. Wanneer de oudsten en burgers niet bij hem kwamen, dan zond hij hun een overvloedigen voorraad spijze, die van het hof kwam, wijn en brood, die voor zijns Vaders disch waren toebereid; ja zulke lekkernijen zond hij hun en overdekte daarmede hunne tafel, dat ieder, die ze aanschouwde, erkennen moest: dergelijke zijn in geen ander koninkrijk gezien.En verder. Wanneer Menschziel hem niet zoo vaak bezocht als hij zulks begeerde, dan ging hij tot hen uit, klopte aan hunne deuren en begeerde toegelaten te worden, opdat de vriendschap onderhouden bleef; wanneer zij hoorden en hem open deden, zooals zij gewoonlijk deden als zij tehuis waren, dan vernieuwde hij zijn vroegere liefde en bevestigde die door nieuwe bewijzen van zijn gunst.

„Eerstens. Draagt dit kleed dagelijks, opdat gij niet, in gebreke daarvan, aan anderenPred. 9 : 8.zoudt toeschijnen de mijnen niet te wezen.

„Ten tweede. Houdt het altijd wit, wantOpenb. 3 : 4.als het bezoedeld wordt is het eene schande voor mij.

„Ten derde. Schort het daarom op en omgordt u, opdat het niet door het slijk slepe.

„Ten vierde. Past op, dat gij het niet verliest, anders wandelt gij naakt en zullen de lieden uwe schaamte zien.

„Ten vijfde. Maar als gij het mocht bezoedelen, hetgeen mij zeer zou smarten en waarover Diábolus zeer vroolijk wezen zou, spoedt u dan voort om te doen wat in mijne wet geschreven staat, opdat gij moogtLuk. 21 : 36.Openb. 7 : 14-17.staan en niet vallen voor mij en mijnen troon. Dit is aldus de weg, die maakt dat ik u niet verlaat, maar voor altijd in deze mijne stad Menschziel zal wonen.”

En nu was de stad Menschziel met hare inwoners als een zegel op Immanuels rechterhand. Waar was nu eene stad of plaats, die zich met Menschziel kon vergelijken? Eene stad, verlost uit de hand en de macht van Diábolus; eene stad, die de koning El-Schaddaï liefhad en waarheen hij Immanuel gezonden had, om haar van den vorst over den put des afgronds te redden; ja, eene stad, waarin Immanuel gaarne woonde en die hij tot zijne koninklijke residentie had uitverkoren; eene stad, die hij voor zichzelven versterkt had en sterk gemaakt door de kracht van zijn heirmacht. Wat zal ik meer zeggen? Menschziel had nu den voortreffelijksten vorst, gouden kapiteins en krijgslieden, krijgsvoorraad, en daarbij kleederen wit als sneeuw. Zal nu Menschziel ook in staat zijn deze voorrechten te waardeeren en te gebruiken tot het doel, waartoe ze haar zijn gegeven?

Toen dit alles nu naar het welbehagen van den Prins was in orde gebracht, beval hij dat zijn standaard op de gebouwen van het kasteel zou worden geplaatst. En daarna bracht hij haar menigmaal een bezoek. Geen dag mocht nu meer voorbijgaan of de oudsten van Menschziel moesten tot hem komen in zijn paleis. Dan wandelden zij samen rond en spraken over alle groote2 Cor. 6 : 16.dingen, die hij gedaan had, en wat hij beloofde in de toekomst voor de stad Menschziel te doen. Dit gebeurde menigmalen met den Burgemeester, den heer Vastewil en den eerlijken prediker Geweten. Maar o hoe genadig, hoe nederbuigend en teeder gedroeg deze gezegende Prins zich thans jegens de stad Menschziel! In al de straten, tuinen, boomgaarden, ja overal ging hij rond om te zien of de arme ook zijn deel kreeg; ja hij kuste die armen, en was iemand krank dan legde hij hem de handen op en maakte hem gezond. En wat de kapiteins betreft, van dag tot dag, ja soms van uur tot uur kwam hij hen bemoedigen met zijne vereerende tegenwoordigheid en aangename gesprekken. Gij moet dan ook weten, dat een glimlach van hem meer kracht en leven in hen stroomen deed dan iets anders onder den hemel had kunnen doen.

De Prins wilde hen ook dikwijls te gast hebben; nauwelijks eene week ging voorbij of een feestmaal had plaats. Gij1 Cor. 5 : 8.zult u herinneren, dat wij reeds melding gemaakt hebben van een feest, dat zij samen vierden; maar nu werd dat feestvieren meer een gewone zaak; iedere dag mocht nu wel een feestdag voor Menschziel heeten. En als zij dan naar huis terugkeerden zond hij hen niet ledig weg; ieder moest wat hebben: een ring, een gouden keten, een armband, een edelgesteente of iets dergelijks; zoo dierbaar was Menschziel hem thans, zoo liefelijk was het in zijne oogen.

Ten andere. Wanneer de oudsten en burgers niet bij hem kwamen, dan zond hij hun een overvloedigen voorraad spijze, die van het hof kwam, wijn en brood, die voor zijns Vaders disch waren toebereid; ja zulke lekkernijen zond hij hun en overdekte daarmede hunne tafel, dat ieder, die ze aanschouwde, erkennen moest: dergelijke zijn in geen ander koninkrijk gezien.

En verder. Wanneer Menschziel hem niet zoo vaak bezocht als hij zulks begeerde, dan ging hij tot hen uit, klopte aan hunne deuren en begeerde toegelaten te worden, opdat de vriendschap onderhouden bleef; wanneer zij hoorden en hem open deden, zooals zij gewoonlijk deden als zij tehuis waren, dan vernieuwde hij zijn vroegere liefde en bevestigde die door nieuwe bewijzen van zijn gunst.

frame bottom

VREEZE-GODS OP HET FEEST VAN VLEESCHELIJKE GERUSTHEID.

VREEZE-GODS OP HET FEEST VAN VLEESCHELIJKE GERUSTHEID.

frame top

En was het nu niet verrukkelijk te zien, dat in diezelfde plaats, waar Diábolus zijne woonplaats had, en zijne knechten onderhield tot groote schade van Menschziel, de Vorst der vorsten nu met hen aanzat etende en drinkende, terwijl al zijne hoofdmannen, krijgsvolk, trompetters met de zangers en zangeressen van zijn Vader daar rondom hem stonden! Nu vloeide de beker van Menschziel over, nu stroomde er zoete wijn in hunne bekers en aten zij de fijnste meelbloem en dronken melk en honig uit den rotssteen. Nu zeiden zij: hoe groot is zijne goedheid! want sedert ik aangenaam was in zijne oogen heeft hij mij bovenmate verheerlijkt!Nog stelde de gezegende Prins een nieuwen overheidspersoon in de stad aan, die eenCol. 3 : 15.zeer goed man was. Hij heette Vrede Gods. Deze officier werd gesteld over heer Vastewil, den Burgemeester, den Griffier, den tweeden prediker, den heer Verstand, en over alle inboorlingen der stad Menschziel. Hij zelf was geen inboorling, maar kwam met den Prins van ’s konings hof. Hij was een zeer vertrouwde vriendRom. 15 : 13.van kapitein Geloof en kapitein Hoop; sommigen zeggen, dat zij bloedverwanten waren en ik geloof het ook. Deze man nu werd aangesteld tot algemeenen gouverneur der stad, waar kapitein Geloof hem ter zijde stond. Ik heb duidelijk opgemerkt, dat zoolang alle dingen in Menschziel naar den zin van dezen goedhartigen edelman gedaan werden, ieder er volkomen gelukkig was. Nu waren er geen twisten of veten, geen vechtpartijen of scheldwoorden in de gansche stad, ieder hield zich nauwgezet bij zijn eigen werk. De wachters, de officieren, de soldaten, allen gehoorzaamden hem. En wat de vrouwen en kinderen betreft, ook zij waren vroolijk aan hunne bezigheden, zij zongen bij den arbeid van den morgen tot den avond, zoodat in de gansche stad niet anders werd gehoord en gezien dan harmonie, rust, vreugde en gezondheid. En dit duurde zoo den geheelen zomer.HOOFDSTUK IX.GEVAAR VOOR MENSCHZIEL.MMaar nu was er een man in de stad, wiens naam was Vleeschelijke-Gerustheid. Deze persoon bracht na al deze barmhartigheid aan deze plaats bewezen de stad Menschziel in een groote en jammervolle slavernij. Een korte beschrijving van hem en zijn werk moet hier volgen.Toen Diábolus voor het eerst bezit nam van deze stad, bracht hij een groot getal Diábolus-mannen met zich mede, allen lieden van eigen soort. Onder deze nu was er een, die Zelfbedrog heette, een voornaam heer en zoo aanzienlijk als toen ter tijd niemand anders in de stad. Diábolus bemerkende, dat deze zeer werkzaam, stout en onbeschaamd was, gebruikte hem menigvuldig en tot zeer gewichtige zaken, die hij dan ook met veel beteren uitslag vervulde dan eenig ander persoon, die met hem uit den put des afgronds gekomen was, waarom hij hem zeer bevorderde en naast den heer Vastewil plaatste. Daar de heer Vastewil in die dagen heel wat met Zelfbedrog ophad, gaf hij hem zijne dochter, mejuffrouw Zonder Vrees tot vrouw. Welnu uit deze echt van Zelfbedrog en mejuffrouw Zonder Vrees werd Vleeschelijke-Gerustheid geboren. Vandaar kwam het dat in Menschziel zulke vreemde vermenging had plaats gehad, dat het soms moeilijk was uit te vorschen of zij echte afstammelingen van inboorlingen waren of niet; want de heer Vleeschelijke-Gerustheid had van moeders zijde den echten ouden burger Vastewil tot vader, terwijl hij van vaders zijde een Diábolus-man was.Deze Vleeschelijke-Gerustheid nu, had waarlijk treffende gelijkenis met vader en moeder, hij was zelfbedrog en vreesde niets en daarbij was hij zeer werkzaam en vlug. Daar was niets nieuws, geen nieuwe leer, geen nieuwe mode of handelwijze of welke verandering het ook zij in Menschziel, of hij was er bij van het begin tot het einde. Maar eene eigenschap had hij daarbij van zich nooit te voegen bij de minderheid of bij die het verloren; de sterkste zijde koos hij steeds.Toen nu El-Schaddaï, die machtige, en Immanuel zijn zoon aan Menschziel den oorlog verklaarden, ten einde het te veroveren, leefde Vleeschelijke-Gerustheid reeds in de stad en maakte hij zich reeds zeer druk onder het volk, het aanmoedigend tot opstand en hen opwekkende om toch in den tegenstand tegen ’s konings troepen te volharden. Maar toen hij zag, dat de stad was ingenomen en omgeschapen in een residentie van den grooten Prins Immanuel, toen hij daarbij ook zag wat er van Diábolus kwam, hoe hij vernederd en verjaagd was en hoe verder alles plaatsvond zooals wij hebben beschreven, keerde hij op eenmaal zijn mantel om, en evenals hij tevoren Diábolus tegen den Prins gediend had, ging hij nu den Prins dienen tegen Diábolus.

En was het nu niet verrukkelijk te zien, dat in diezelfde plaats, waar Diábolus zijne woonplaats had, en zijne knechten onderhield tot groote schade van Menschziel, de Vorst der vorsten nu met hen aanzat etende en drinkende, terwijl al zijne hoofdmannen, krijgsvolk, trompetters met de zangers en zangeressen van zijn Vader daar rondom hem stonden! Nu vloeide de beker van Menschziel over, nu stroomde er zoete wijn in hunne bekers en aten zij de fijnste meelbloem en dronken melk en honig uit den rotssteen. Nu zeiden zij: hoe groot is zijne goedheid! want sedert ik aangenaam was in zijne oogen heeft hij mij bovenmate verheerlijkt!

Nog stelde de gezegende Prins een nieuwen overheidspersoon in de stad aan, die eenCol. 3 : 15.zeer goed man was. Hij heette Vrede Gods. Deze officier werd gesteld over heer Vastewil, den Burgemeester, den Griffier, den tweeden prediker, den heer Verstand, en over alle inboorlingen der stad Menschziel. Hij zelf was geen inboorling, maar kwam met den Prins van ’s konings hof. Hij was een zeer vertrouwde vriendRom. 15 : 13.van kapitein Geloof en kapitein Hoop; sommigen zeggen, dat zij bloedverwanten waren en ik geloof het ook. Deze man nu werd aangesteld tot algemeenen gouverneur der stad, waar kapitein Geloof hem ter zijde stond. Ik heb duidelijk opgemerkt, dat zoolang alle dingen in Menschziel naar den zin van dezen goedhartigen edelman gedaan werden, ieder er volkomen gelukkig was. Nu waren er geen twisten of veten, geen vechtpartijen of scheldwoorden in de gansche stad, ieder hield zich nauwgezet bij zijn eigen werk. De wachters, de officieren, de soldaten, allen gehoorzaamden hem. En wat de vrouwen en kinderen betreft, ook zij waren vroolijk aan hunne bezigheden, zij zongen bij den arbeid van den morgen tot den avond, zoodat in de gansche stad niet anders werd gehoord en gezien dan harmonie, rust, vreugde en gezondheid. En dit duurde zoo den geheelen zomer.

MMaar nu was er een man in de stad, wiens naam was Vleeschelijke-Gerustheid. Deze persoon bracht na al deze barmhartigheid aan deze plaats bewezen de stad Menschziel in een groote en jammervolle slavernij. Een korte beschrijving van hem en zijn werk moet hier volgen.

Toen Diábolus voor het eerst bezit nam van deze stad, bracht hij een groot getal Diábolus-mannen met zich mede, allen lieden van eigen soort. Onder deze nu was er een, die Zelfbedrog heette, een voornaam heer en zoo aanzienlijk als toen ter tijd niemand anders in de stad. Diábolus bemerkende, dat deze zeer werkzaam, stout en onbeschaamd was, gebruikte hem menigvuldig en tot zeer gewichtige zaken, die hij dan ook met veel beteren uitslag vervulde dan eenig ander persoon, die met hem uit den put des afgronds gekomen was, waarom hij hem zeer bevorderde en naast den heer Vastewil plaatste. Daar de heer Vastewil in die dagen heel wat met Zelfbedrog ophad, gaf hij hem zijne dochter, mejuffrouw Zonder Vrees tot vrouw. Welnu uit deze echt van Zelfbedrog en mejuffrouw Zonder Vrees werd Vleeschelijke-Gerustheid geboren. Vandaar kwam het dat in Menschziel zulke vreemde vermenging had plaats gehad, dat het soms moeilijk was uit te vorschen of zij echte afstammelingen van inboorlingen waren of niet; want de heer Vleeschelijke-Gerustheid had van moeders zijde den echten ouden burger Vastewil tot vader, terwijl hij van vaders zijde een Diábolus-man was.

Deze Vleeschelijke-Gerustheid nu, had waarlijk treffende gelijkenis met vader en moeder, hij was zelfbedrog en vreesde niets en daarbij was hij zeer werkzaam en vlug. Daar was niets nieuws, geen nieuwe leer, geen nieuwe mode of handelwijze of welke verandering het ook zij in Menschziel, of hij was er bij van het begin tot het einde. Maar eene eigenschap had hij daarbij van zich nooit te voegen bij de minderheid of bij die het verloren; de sterkste zijde koos hij steeds.

Toen nu El-Schaddaï, die machtige, en Immanuel zijn zoon aan Menschziel den oorlog verklaarden, ten einde het te veroveren, leefde Vleeschelijke-Gerustheid reeds in de stad en maakte hij zich reeds zeer druk onder het volk, het aanmoedigend tot opstand en hen opwekkende om toch in den tegenstand tegen ’s konings troepen te volharden. Maar toen hij zag, dat de stad was ingenomen en omgeschapen in een residentie van den grooten Prins Immanuel, toen hij daarbij ook zag wat er van Diábolus kwam, hoe hij vernederd en verjaagd was en hoe verder alles plaatsvond zooals wij hebben beschreven, keerde hij op eenmaal zijn mantel om, en evenals hij tevoren Diábolus tegen den Prins gediend had, ging hij nu den Prins dienen tegen Diábolus.

frame bottom

DE BURGEMEESTER WACHT AAN DE POORT.Nadat hij een weinig kennis genomen had van Immanuels doen en handelwijze, voegde hij zich weder bij de burgers en begon ook weer als van ouds over het een en ander meê te praten. Hij wist, dat de macht en sterkte van Menschziel zeer groot waren, en dat het voorzeker de burgerij zeer behagen zou wanneer hij daarover roemde en hen prees. Zoo begint hij dan listiglijk met de macht en grootheid van Menschziel te roemen en haar als onverwinnelijk voor te stellen. Nu eens verheerlijkte hij hare kapiteins en hare slingerwerktuigen en stormrammen; dan weer had hij allerlei schoons te vertellen van hare fortificaties en kasteelen, eindelijk wees hij hen op de duidelijke verzekering van hunnen vorst, dat Menschziel voor altijd gelukkig zou wezen. Toen hij nu bemerkte, dat sommigen der burgers met zijne gesprekken zeer waren ingenomen en zich gaarne door hem lieten vleien, maakte hij er zijn werk van van straat tot straat te wandelen, huis in huis uit te gaan, de burgers éen voor éen te bezoeken, en ten langen laatste bracht hij er Menschziel toe naar zijne pijpen te dansen en telkens toe te nemen in vleeschelijke gerustheid, tot zij eindelijk zoo onbezorgd waren als hij zelf. Van het praten kwam het tot maaltijden, en van deze feestdagen zelfs tot spotternij. Zoo kwam uit het éen het andere voort. Nu was Immanuel nog in de stad en zag deze dingen aan. Hij bemerkte dat de Burgemeester, de heer Vastewil en de Griffier ook al door het gebabbel van dezen Diábolus-man waren medegesleept, vergetende de waarschuwing, die hun vorst hun had gegeven om toch door geen enkele Diábolische streek zich te laten verschalken. Hij had hun immers duidelijk aangetoond, dat hunne veiligheid niet afhing van de tegenwoordige kracht en sterkte der stad alleen, maar veel meer van het gebruik, dat zij daarvan maakten, en van de inwoning van Immanuel in haar kasteel. Want de rechte leer van Immanuel was, dat de stad Menschziel toch zou toezien om nooit de liefde van hem of zijn Vader te vergeten, zich aldus gedragende, dat zij in deze liefde bleven om daaruit kracht te putten. En dit was nu immers geenszins de weg om daarin te blijven, namelijk waar zij zoo verliefd geraakten op dezen Diábolus-man, en dan nog wel op zulk een persoon als deze Vleeschelijke-Gerustheid was, zoodat zij zich door hem bij den neus lieten nemen. Zij hadden naar hun Prins moeten luisteren; hunnen Prins moeten vreezen, hunnen Prins beminnen, en dezen nietswaardigen deugniet met steenen steenigen. Ze hadden moeten blijven wandelen in de wegen, door den Vorst hun voorgeschreven, want dan zou hun vrede geweest zijn als eene rivier en hunne gerechtigheid als de golven der zee.

DE BURGEMEESTER WACHT AAN DE POORT.

Nadat hij een weinig kennis genomen had van Immanuels doen en handelwijze, voegde hij zich weder bij de burgers en begon ook weer als van ouds over het een en ander meê te praten. Hij wist, dat de macht en sterkte van Menschziel zeer groot waren, en dat het voorzeker de burgerij zeer behagen zou wanneer hij daarover roemde en hen prees. Zoo begint hij dan listiglijk met de macht en grootheid van Menschziel te roemen en haar als onverwinnelijk voor te stellen. Nu eens verheerlijkte hij hare kapiteins en hare slingerwerktuigen en stormrammen; dan weer had hij allerlei schoons te vertellen van hare fortificaties en kasteelen, eindelijk wees hij hen op de duidelijke verzekering van hunnen vorst, dat Menschziel voor altijd gelukkig zou wezen. Toen hij nu bemerkte, dat sommigen der burgers met zijne gesprekken zeer waren ingenomen en zich gaarne door hem lieten vleien, maakte hij er zijn werk van van straat tot straat te wandelen, huis in huis uit te gaan, de burgers éen voor éen te bezoeken, en ten langen laatste bracht hij er Menschziel toe naar zijne pijpen te dansen en telkens toe te nemen in vleeschelijke gerustheid, tot zij eindelijk zoo onbezorgd waren als hij zelf. Van het praten kwam het tot maaltijden, en van deze feestdagen zelfs tot spotternij. Zoo kwam uit het éen het andere voort. Nu was Immanuel nog in de stad en zag deze dingen aan. Hij bemerkte dat de Burgemeester, de heer Vastewil en de Griffier ook al door het gebabbel van dezen Diábolus-man waren medegesleept, vergetende de waarschuwing, die hun vorst hun had gegeven om toch door geen enkele Diábolische streek zich te laten verschalken. Hij had hun immers duidelijk aangetoond, dat hunne veiligheid niet afhing van de tegenwoordige kracht en sterkte der stad alleen, maar veel meer van het gebruik, dat zij daarvan maakten, en van de inwoning van Immanuel in haar kasteel. Want de rechte leer van Immanuel was, dat de stad Menschziel toch zou toezien om nooit de liefde van hem of zijn Vader te vergeten, zich aldus gedragende, dat zij in deze liefde bleven om daaruit kracht te putten. En dit was nu immers geenszins de weg om daarin te blijven, namelijk waar zij zoo verliefd geraakten op dezen Diábolus-man, en dan nog wel op zulk een persoon als deze Vleeschelijke-Gerustheid was, zoodat zij zich door hem bij den neus lieten nemen. Zij hadden naar hun Prins moeten luisteren; hunnen Prins moeten vreezen, hunnen Prins beminnen, en dezen nietswaardigen deugniet met steenen steenigen. Ze hadden moeten blijven wandelen in de wegen, door den Vorst hun voorgeschreven, want dan zou hun vrede geweest zijn als eene rivier en hunne gerechtigheid als de golven der zee.

frame bottom

frame top

Toen nu Immanuel bemerkte, dat door de slimme handelwijze van den heer Vleeschelijke-Gerustheid de harten der lieden van Menschziel jegens hem waren verkoeld en hun werkdadige liefde jegens hem verminderd, begon hij eerstens met den Oppergeheimschrijver hun staat en toestand te beweenen, zeggende: „O, dat mijn volk naar mij had geluisterd en dat Menschziel in mijne wegen gewandeld had! Ik zou het met de vetste tarwe hebben gevoed, en zou hen gelaafd hebben met honig uit den rotssteen.” Daarna sprak hij in zijn hart: „ik zal terugkeeren naar het hof en naar mijne eigen plaats gaan opdat Menschziel hare schuld in dezen leere kennen en inzien.” En zoo deed hij dan ook weldra, want zij maakten, dat hij weg moest door dat zij hem veronachtzaamden. Ziet hier wat ze deden.1e. Zij hielden op hem volgens hunne gewoonte te komen bezoeken; neen, ze kwamen niet meer als tevoren in het koninklijk paleis.2e. Het kon hen niet meer schelen of hij hen kwam bezoeken in hunne woningen.3e. Zij verzuimden nu tot de liefdemaaltijden te komen, die hij steeds voor hen gereed maakte. Hij liet hen wel roepen, maar zij kwamen niet en verheugden er zich niet meer mede.4e. Zij wachtten niet langer tot hij hun raad gaf, maar zij begonnen eigenwijs en zelfvertrouwend te worden, besluitende, dat zij nu sterk genoeg waren en onoverwinnelijk, en dat Menschziel veilig was boven het bereik van elken vijand en dat hun toestand voor eeuwig onbewogen blijven zou.Nu, zooals gezegd is, Immanuel bemerkende, dat door den invloed van Vleeschelijke-Gerustheid de stad Menschziel hare afhankelijkheid van hem en zijn Vader niet meer gevoelde en waagde hem te beleedigen, zoo betreurde hij eerst haar staat en toen stelde hij middelen in het werk om haar te doen verstaan, dat haar tegenwoordige weg gevaarlijk was. Daartoe zond hij den Oppergeheimschrijver tot haar om haar zulke wegen te ontraden. Toen deze tot de burgers kwam vond hij hen juist bij den heer Vleeschelijke-Gerustheid aan tafel en met hem in gesprek. Alzoo bemerkende, dat zij niet over dingen met hem wilden spreken, die hen goed konden doen, werd hij bedroefd en ging weg. Pas had hij dit aan den Prins verhaald, of deze was daar zoo boos en bedroefd om, dat hij maatregelen nam om naar zijns Vaders hof terug te keeren.De manier waarop hij daarbij handelde, was deze:1e. Ofschoon hij nog in Menschziel bleef zoo hield hij zich meer verborgen en afgezonderd dan eertijds.2e. Zijn toespraak was, als hij tot hen kwam, niet meer zoo aangenaam en vertrouwelijk als tevoren.3e. Ook zond hij evenmin als in verleden tijden aan de burgers lekkernijen van zijn eigen tafel.4e. Ook als zij hem nog nu en dan bezochten, wilde hij niet meer zoo dadelijk hen te woord staan, zooals zij hem vroeger altijd bereid hadden gevonden. Zij moesten nu een of tweemaal kloppen, maar het scheen, dat hij hen niet opmerkte, terwijl vroeger als hun voetstap maar vernomen werd, hij reeds opstond en hen tegemoet ging om hen onderweg te ontmoeten, te omhelzen en aan zijn hart te drukken.Maar Immanuel hield zich maar zoo; het was zijn doel op deze wijze hen tot nagedachten te brengen opdat zij tot hem wederkeerden. Maar, helaas, zij merkten het niet op, zij kenden zijne wegen niet, zij werden er niet door getroffen en vergaten de vorige gunstbewijzen. Wat deed hij dan nu? Hij verwijderdeEzech. 11 : 21.Hos. 5 : 15.Lev. 26 : 21-24.zich stillekens uit zijn paleis en begaf zich naar de stadspoort. Zoo verliet hij dan Menschziel totdat het arme volk zijne overtreding leerde kennen en zeer ernstig zijn aangezicht zocht. Ook de heer Vrede Gods legde zijne bediening neer en wilde voor het tegenwoordige niets meer met de stad te doen hebben.

Toen nu Immanuel bemerkte, dat door de slimme handelwijze van den heer Vleeschelijke-Gerustheid de harten der lieden van Menschziel jegens hem waren verkoeld en hun werkdadige liefde jegens hem verminderd, begon hij eerstens met den Oppergeheimschrijver hun staat en toestand te beweenen, zeggende: „O, dat mijn volk naar mij had geluisterd en dat Menschziel in mijne wegen gewandeld had! Ik zou het met de vetste tarwe hebben gevoed, en zou hen gelaafd hebben met honig uit den rotssteen.” Daarna sprak hij in zijn hart: „ik zal terugkeeren naar het hof en naar mijne eigen plaats gaan opdat Menschziel hare schuld in dezen leere kennen en inzien.” En zoo deed hij dan ook weldra, want zij maakten, dat hij weg moest door dat zij hem veronachtzaamden. Ziet hier wat ze deden.

1e. Zij hielden op hem volgens hunne gewoonte te komen bezoeken; neen, ze kwamen niet meer als tevoren in het koninklijk paleis.

2e. Het kon hen niet meer schelen of hij hen kwam bezoeken in hunne woningen.

3e. Zij verzuimden nu tot de liefdemaaltijden te komen, die hij steeds voor hen gereed maakte. Hij liet hen wel roepen, maar zij kwamen niet en verheugden er zich niet meer mede.

4e. Zij wachtten niet langer tot hij hun raad gaf, maar zij begonnen eigenwijs en zelfvertrouwend te worden, besluitende, dat zij nu sterk genoeg waren en onoverwinnelijk, en dat Menschziel veilig was boven het bereik van elken vijand en dat hun toestand voor eeuwig onbewogen blijven zou.

Nu, zooals gezegd is, Immanuel bemerkende, dat door den invloed van Vleeschelijke-Gerustheid de stad Menschziel hare afhankelijkheid van hem en zijn Vader niet meer gevoelde en waagde hem te beleedigen, zoo betreurde hij eerst haar staat en toen stelde hij middelen in het werk om haar te doen verstaan, dat haar tegenwoordige weg gevaarlijk was. Daartoe zond hij den Oppergeheimschrijver tot haar om haar zulke wegen te ontraden. Toen deze tot de burgers kwam vond hij hen juist bij den heer Vleeschelijke-Gerustheid aan tafel en met hem in gesprek. Alzoo bemerkende, dat zij niet over dingen met hem wilden spreken, die hen goed konden doen, werd hij bedroefd en ging weg. Pas had hij dit aan den Prins verhaald, of deze was daar zoo boos en bedroefd om, dat hij maatregelen nam om naar zijns Vaders hof terug te keeren.

De manier waarop hij daarbij handelde, was deze:

1e. Ofschoon hij nog in Menschziel bleef zoo hield hij zich meer verborgen en afgezonderd dan eertijds.

2e. Zijn toespraak was, als hij tot hen kwam, niet meer zoo aangenaam en vertrouwelijk als tevoren.

3e. Ook zond hij evenmin als in verleden tijden aan de burgers lekkernijen van zijn eigen tafel.

4e. Ook als zij hem nog nu en dan bezochten, wilde hij niet meer zoo dadelijk hen te woord staan, zooals zij hem vroeger altijd bereid hadden gevonden. Zij moesten nu een of tweemaal kloppen, maar het scheen, dat hij hen niet opmerkte, terwijl vroeger als hun voetstap maar vernomen werd, hij reeds opstond en hen tegemoet ging om hen onderweg te ontmoeten, te omhelzen en aan zijn hart te drukken.

Maar Immanuel hield zich maar zoo; het was zijn doel op deze wijze hen tot nagedachten te brengen opdat zij tot hem wederkeerden. Maar, helaas, zij merkten het niet op, zij kenden zijne wegen niet, zij werden er niet door getroffen en vergaten de vorige gunstbewijzen. Wat deed hij dan nu? Hij verwijderdeEzech. 11 : 21.Hos. 5 : 15.Lev. 26 : 21-24.zich stillekens uit zijn paleis en begaf zich naar de stadspoort. Zoo verliet hij dan Menschziel totdat het arme volk zijne overtreding leerde kennen en zeer ernstig zijn aangezicht zocht. Ook de heer Vrede Gods legde zijne bediening neer en wilde voor het tegenwoordige niets meer met de stad te doen hebben.

frame bottom

BOODSCHAPPERS GAANDE NAAR EN KOMENDE VAN MENSCHZIEL.Aldus gedroegen zij zich verkeerd jegens hem en hij bij wijze van tegenstelling gedroeg zich ook verkeerd jegens hen. Maar, helaas, te dezer tijd waren zij zoo verhard in hunne wegen en hadden zij de leer van Vleeschelijke-Gerustheid zóo ingedronken,Jer. 2 : 32.dat het vertrek van den Prins hen niet trof; zij bemerkten het niet eens, dat hij wegging en daarom bedroefde zijne afwezigheid hen ook niet.Nu gebeurde het op zekeren tijd, dat deze oude heer Vleeschelijke-Gerustheid een feest aanrichtte voor de burgers van Menschziel, en daar kwam ook een zekere heer Vreeze Gods bij, een edelman, die eertijds groote achting genoot in Menschziel. Helaas, het voornemen van Vleeschelijke-Gerustheid was ook dezen heer te misleiden evenals de rest, daarom had hij hem thans met zijne buren op het feest verzocht. Op het bestemde uur kwam hij dan ook met de andere gasten. Ze gingen aan tafel en dronken samen, maar deze eene man, Vreeze Gods, deed niet meê; want hij zat daar als een vreemdeling, die er in het geheel niet bij behoort. Dit bemerkte de gastheer en sprak hem aan:„Mijnheer Vreeze Gods,” zeide hij, „zijt gij niet wel? Gij schijnt naar lichaam of ziel krank te wezen of misschien wel beiden tegelijk. Ik heb eene hartsterking voor u, door Vergeet-het-Goede klaar gemaakt; indien gij daar een droppel of wat van neemt, zal het u recht prettig en vroolijk maken, en daardoor dan ook meer geschikt voor dit lustige gezelschap.”Daarop antwoordde de goede oude heer zeer vriendelijk: „Ik bedank u wel voor al uwe beleefdheden en voorkomendheid; maar wat uwe hartsterking betreft, daarin heb ik geen lust. Ik zal slechts éen woord spreken tot de inwoners van Menschziel. „Gij ingeborenen van Menschziel, gij oudsten en voornaamsten der stad, hoe is het mogelijk, dat gij u zoo vroolijk en blijde gedragen kunt, waar onze goede stad in zulk een beklagenswaardigen toestand verkeert?”

BOODSCHAPPERS GAANDE NAAR EN KOMENDE VAN MENSCHZIEL.

Aldus gedroegen zij zich verkeerd jegens hem en hij bij wijze van tegenstelling gedroeg zich ook verkeerd jegens hen. Maar, helaas, te dezer tijd waren zij zoo verhard in hunne wegen en hadden zij de leer van Vleeschelijke-Gerustheid zóo ingedronken,Jer. 2 : 32.dat het vertrek van den Prins hen niet trof; zij bemerkten het niet eens, dat hij wegging en daarom bedroefde zijne afwezigheid hen ook niet.

Nu gebeurde het op zekeren tijd, dat deze oude heer Vleeschelijke-Gerustheid een feest aanrichtte voor de burgers van Menschziel, en daar kwam ook een zekere heer Vreeze Gods bij, een edelman, die eertijds groote achting genoot in Menschziel. Helaas, het voornemen van Vleeschelijke-Gerustheid was ook dezen heer te misleiden evenals de rest, daarom had hij hem thans met zijne buren op het feest verzocht. Op het bestemde uur kwam hij dan ook met de andere gasten. Ze gingen aan tafel en dronken samen, maar deze eene man, Vreeze Gods, deed niet meê; want hij zat daar als een vreemdeling, die er in het geheel niet bij behoort. Dit bemerkte de gastheer en sprak hem aan:

„Mijnheer Vreeze Gods,” zeide hij, „zijt gij niet wel? Gij schijnt naar lichaam of ziel krank te wezen of misschien wel beiden tegelijk. Ik heb eene hartsterking voor u, door Vergeet-het-Goede klaar gemaakt; indien gij daar een droppel of wat van neemt, zal het u recht prettig en vroolijk maken, en daardoor dan ook meer geschikt voor dit lustige gezelschap.”

Daarop antwoordde de goede oude heer zeer vriendelijk: „Ik bedank u wel voor al uwe beleefdheden en voorkomendheid; maar wat uwe hartsterking betreft, daarin heb ik geen lust. Ik zal slechts éen woord spreken tot de inwoners van Menschziel. „Gij ingeborenen van Menschziel, gij oudsten en voornaamsten der stad, hoe is het mogelijk, dat gij u zoo vroolijk en blijde gedragen kunt, waar onze goede stad in zulk een beklagenswaardigen toestand verkeert?”

frame bottom

frame top

Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Gij hebt slaap noodig, mijn goede man, dat geloof ik vast. Leg u als het u belieft neer en slaap eens uit, dan kunnen wij in dien tusschentijd vroolijk zijn.”Daarop antwoordde de goede man het volgende: „Mijnheer, wanneer gij een eerlijk hart bezat, zoudt gij niet kunnen handelen zooals gij doet en gedaan hebt.”Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Wat dan?”Vreeze Gods. „Ik bid u val mij niet in de reden. Het is waar, dat de stad Menschziel sterk was en op éene voorwaarde ondoordringbaar en onneembaar; maar gij, de lieden der stad zelven, hebt haar verzwakt, en daarom ligt zij thans voor hare vijanden open. Nu is het geen tijd om elkander te vleien, of om stil te zitten; gij, mijnheer, hebt Menschziel beroofd en de eere van haar genomen; gij hebt de stad nedergeworpen, de poorten opengebroken, gij hebt hare grendels en sloten weggenomen.„En om mij nu nauwkeurig uit te drukken, Mijne heeren van Menschziel, van dien tijd af, dat gij zoo groot zijt geworden, is de sterkste van Menschziel weggenomen; hij is opgestaan en heengegaan. Wanneer iemand de waarheid mijner woorden in twijfel trekt, dan zal ik hem alleen beantwoorden met deze wedervraag: waar is de Prins Immanuel? Waar heeft iemand onzer hem gezien? Wanneer hoordet gij van hem of proefdet iets van zijne kostelijke lekkernijen? Gij zijt nu bezig feest te vieren met de Diábolische monsters, maar hij is uw vorst niet. Daarom zeg ik, ofschoon de vijanden van buiten, als gij u goed gehouden hadt, geen prooi van u hadden kunnen maken, zoo zijn, sedert gij gezondigd hebt, uw vijanden binnen in u, u reeds te sterk!”Toen Vleeschelijke-Gerustheid dit hoorde riep hij: „O foei, Vreeze Gods! Foei wat is dat voor taal? Zult gij dan nooit uwe bloohartigheid afleggen? Zijt gij dan nog altijd bang voor het vogelgeschrei? Wie doet u kwaad? Ik houd het geheel met u, alleen met dit onderscheid, dat gij het twijfelen bemint, en ik ben gaarne verzekerd van de zaak. Waarom vervalt gij dan nu tot uwe eigen schande en tot onze schrik in zulke droefgeestige redenen, daar gij beter deedt te eten en te drinken en vroolijk te zijn?”Maar Vreeze Gods antwoordde weder: „Met recht mag ik droevig wezen, want Immanuel is van Menschziel weggegaan. Hij is weggegaan, zeg ik, en gij zelf hebt hem verdreven; ja Hij is zóo stillekens afgetrokken, dat hij de edelen van Menschziel geen kennis gegeven heeft van zijn vertrek. En als dit nu niet als een teeken van zijne gramschap is te beschouwen, dan heb ik van den weg der Godzaligheid geene kennis.„En gij, mijne heeren edelen! tot u richt ik in het bijzonder het woord. Dat gij u zoo trapsgewijze van hem vervreemd hebt, heeft hem genoodzaakt zich ook langzamerhand van u terug te trekken, hopende dat gij daardoor gevoelig zoudt worden en uzelven verootmoedigen. Maar ziende, dat gij daarop geen acht sloegt noch de beginselen van zijnen toorn en zijne oordeelen hebt ter harte genomen, zoo heeft hij deze plaats verlaten, dat heb ik met eigen oogen gezien. Terwijl gij aldus roemt is uwe sterkte vergaan, en gij zijt gelijk aan den man, wien vroeger de haarlokken op zijne schouders hingen, maar nu zijn ze afgesneden. Gij moogt evenals dezen uwen gastheer uzelven uitschudden en denken, dat gij zult uitgaan als in vroegere tijden, maar daar gij zonder uwen vorst niets vermoogt en hij van u is geweken, zoo verandert vrij uwe feesten in jammerklachten en uwe vreugde in klaagliederen.”Toen begon onmiddellijk de tweede leeraar, de oude heer Geweten, die vroeger griffier van Menschziel was, hem op deze wijze te helpen.„Inderdaad, mijne broeders”, zeide hij, „ik vrees, dat deze oude heer ons de waarheid zegt: ik voor mij heb mijn heer en vorst in langen tijd niet gezien; ik herinner mij zelfs den juisten datum niet meer, en ik kan de vraag van Vreeze Gods niet beantwoorden. Ik twijfel en ik vreeze, dat het noodlottig met ons gesteld is.”Vreeze Gods. „Neen, ik weet, dat gij hem niet vinden zult in gansch Menschziel, want is hij heengegaan, en wel om den wille van de schuld der oudsten, omdat zij zijn goede gunsten met onverschilligheid beantwoord hebben.”

Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Gij hebt slaap noodig, mijn goede man, dat geloof ik vast. Leg u als het u belieft neer en slaap eens uit, dan kunnen wij in dien tusschentijd vroolijk zijn.”

Daarop antwoordde de goede man het volgende: „Mijnheer, wanneer gij een eerlijk hart bezat, zoudt gij niet kunnen handelen zooals gij doet en gedaan hebt.”

Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Wat dan?”

Vreeze Gods. „Ik bid u val mij niet in de reden. Het is waar, dat de stad Menschziel sterk was en op éene voorwaarde ondoordringbaar en onneembaar; maar gij, de lieden der stad zelven, hebt haar verzwakt, en daarom ligt zij thans voor hare vijanden open. Nu is het geen tijd om elkander te vleien, of om stil te zitten; gij, mijnheer, hebt Menschziel beroofd en de eere van haar genomen; gij hebt de stad nedergeworpen, de poorten opengebroken, gij hebt hare grendels en sloten weggenomen.

„En om mij nu nauwkeurig uit te drukken, Mijne heeren van Menschziel, van dien tijd af, dat gij zoo groot zijt geworden, is de sterkste van Menschziel weggenomen; hij is opgestaan en heengegaan. Wanneer iemand de waarheid mijner woorden in twijfel trekt, dan zal ik hem alleen beantwoorden met deze wedervraag: waar is de Prins Immanuel? Waar heeft iemand onzer hem gezien? Wanneer hoordet gij van hem of proefdet iets van zijne kostelijke lekkernijen? Gij zijt nu bezig feest te vieren met de Diábolische monsters, maar hij is uw vorst niet. Daarom zeg ik, ofschoon de vijanden van buiten, als gij u goed gehouden hadt, geen prooi van u hadden kunnen maken, zoo zijn, sedert gij gezondigd hebt, uw vijanden binnen in u, u reeds te sterk!”

Toen Vleeschelijke-Gerustheid dit hoorde riep hij: „O foei, Vreeze Gods! Foei wat is dat voor taal? Zult gij dan nooit uwe bloohartigheid afleggen? Zijt gij dan nog altijd bang voor het vogelgeschrei? Wie doet u kwaad? Ik houd het geheel met u, alleen met dit onderscheid, dat gij het twijfelen bemint, en ik ben gaarne verzekerd van de zaak. Waarom vervalt gij dan nu tot uwe eigen schande en tot onze schrik in zulke droefgeestige redenen, daar gij beter deedt te eten en te drinken en vroolijk te zijn?”

Maar Vreeze Gods antwoordde weder: „Met recht mag ik droevig wezen, want Immanuel is van Menschziel weggegaan. Hij is weggegaan, zeg ik, en gij zelf hebt hem verdreven; ja Hij is zóo stillekens afgetrokken, dat hij de edelen van Menschziel geen kennis gegeven heeft van zijn vertrek. En als dit nu niet als een teeken van zijne gramschap is te beschouwen, dan heb ik van den weg der Godzaligheid geene kennis.

„En gij, mijne heeren edelen! tot u richt ik in het bijzonder het woord. Dat gij u zoo trapsgewijze van hem vervreemd hebt, heeft hem genoodzaakt zich ook langzamerhand van u terug te trekken, hopende dat gij daardoor gevoelig zoudt worden en uzelven verootmoedigen. Maar ziende, dat gij daarop geen acht sloegt noch de beginselen van zijnen toorn en zijne oordeelen hebt ter harte genomen, zoo heeft hij deze plaats verlaten, dat heb ik met eigen oogen gezien. Terwijl gij aldus roemt is uwe sterkte vergaan, en gij zijt gelijk aan den man, wien vroeger de haarlokken op zijne schouders hingen, maar nu zijn ze afgesneden. Gij moogt evenals dezen uwen gastheer uzelven uitschudden en denken, dat gij zult uitgaan als in vroegere tijden, maar daar gij zonder uwen vorst niets vermoogt en hij van u is geweken, zoo verandert vrij uwe feesten in jammerklachten en uwe vreugde in klaagliederen.”

Toen begon onmiddellijk de tweede leeraar, de oude heer Geweten, die vroeger griffier van Menschziel was, hem op deze wijze te helpen.

„Inderdaad, mijne broeders”, zeide hij, „ik vrees, dat deze oude heer ons de waarheid zegt: ik voor mij heb mijn heer en vorst in langen tijd niet gezien; ik herinner mij zelfs den juisten datum niet meer, en ik kan de vraag van Vreeze Gods niet beantwoorden. Ik twijfel en ik vreeze, dat het noodlottig met ons gesteld is.”

Vreeze Gods. „Neen, ik weet, dat gij hem niet vinden zult in gansch Menschziel, want is hij heengegaan, en wel om den wille van de schuld der oudsten, omdat zij zijn goede gunsten met onverschilligheid beantwoord hebben.”

frame bottom

ONHEILIG AAN DE POORT DES AFGRONDS.

ONHEILIG AAN DE POORT DES AFGRONDS.

frame top

Toen zag de heer Geweten er uit alsof hij dood neervallen zou en desgelijks alle aanwezigen uitgezonderd de heer van het huis. Allen zagen bleek van schrik. Zich daarna een weinig hersteld hebbende en zich overtuigd hebbende, dat Vreeze Gods de waarheid sprak, begonnen zij samen te overleggen wat in dezen te doen ware. De gastheer had zich intusschen verwijderd, want het ging hem niet naar den zin; maar allen werden overtuigd, dat hij hen in de ellende gebracht had, en dat zij daardoor de liefde van Immanuel verbeurd hadden. Daarbij kwam een woord van hunnen vorst weer versch in hun geheugen terug aangaande hetgeen zij met de valsche profeten doen zouden. Het eind van deze beraadslaging was, dat zij het gansche huis van den heer Vleeschelijke Gerustheid boven zijn hoofd in brand staken, want het bleek, dat hij ook een Diábolus-man was.Toen dit geschied was deden zij hun best om hunnen vorst Immanuel in het oog te krijgen. Zij zochten hem, maar zij vondenHoogl. 5 : 6.hem niet. Daardoor werden zij nog meer overtuigd van de waarheid van ’s heeren Vreeze Gods woorden, en hiermede kwam ook een groote droefheid over hen, omdat zij wel inzagen, dat dit alles hun eigen schuld was.Nu begaven zij zich tot den Oppergeheimschrijver, tot hem, dien zij vroeger geweigerd hadden te hooren, en dien zij met hunne handelingen zoo hadden gegriefd. Zij wilden omdat hij een ziener was, van hem te weten komen waar Immanuel was, en hoeJes. 63 : 10.Efez. 4 : 10.1 Thess. 5 : 19.zij hunnen heer een verzoekschrift zouden toezenden, maar de Oppergeheimschrijver wilde hen niet tot eene samenkomst toelaten, tot hen uitkomen.O, welk een nevelachtige en donkere dag was het nu voor Menschziel! Een dag van wolken en donkerheid. Nu zagen zij in hoe dwaas zij geweest waren, en welk eene schade al het gesnater van Vleeschelijke-Gerustheid hun had bezorgd! Maar wat het hun nog verder kosten zou, dat wisten zij niet; maar de heer Vreeze Gods kwam in hoog aanzien en er werd op hem gezien als een profeet.Toen de sabbatdag was aangebroken, gingen zij uit om hunnen tweeden leeraar te hooren prediken; maar o, wat liet hij dezen dag een donderslagen en bliksemschichten door de vergadering gaan. Zijn tekst was: „Die de valscheJona 2 : 8.ijdelheid onderhouden, verlaten hunne weldadigheid.” Maar er was zulk eene kracht in die preek en zulk eene verootmoediging op het aangezicht der hoorders te lezen, dat nog maar zelden of ooit zulk eene prediking had plaats gehad. Het volk, dat uit de kerk kwam, was maar kwalijk in staat hun woning weder te bereiken en de volgende week hun gewone bezigheden te doen, zóo waren zij verbroken en ter neergeslagen door die ernstige verkondiging.Maar hij hield niet alleen Menschziel hare zonden voor, maar beefde ook voor zichzelven onder het gevoel van zijne eigen schuld. O riep hij uit, ongelukkige, die ik ben! dat ik zulke booze stukken gedaan heb! En dat nog wel ik, een leeraar, die door den vorst aangesteld is om Menschziel te onderrichten en zijne wet te verklaren, dat ik de eerste geweest ben om mede af te vallen in de ongerechtigheid. Ik had tegen den afval met luider stem behooren te waarschuwen, maar ik liet Menschziel afdwalen en Immanuel uit haar midden wegdrijven, ja, zich verwijderen uit hare landpalen. Met deze dingen beschuldigde hij ook al den adel en de heeren van Menschziel, zoodat allen even bedroefd waren.Omtrent dezen tijd brak er ook een zware ziekte in de stad uit, waardoor de meeste inwoners getroffen werden. Ja, ook de kapiteins en het krijgsvolk geraakten daardoor aan het uitteeren, en dit had al eenigen tijd plaats gehad eer het openbaar werd. Ware in dezen staat van zaken een vijand gekomen om de stad te belegeren, het zou er treurig hebben uitgezien. Hoeveel bleeke aangezichten, hoeveel slappe handen en zwakke, knikkende knieën, hoeveel struikelende menschen waren nu langs de straten te zien! Hier hoorde men zuchten, ginds gekerm, elders lagen er eenigen als aan den oever des doods. Ook de kleederen,Hebr. 12 : 12, 13.Jes. 3 : 24.Openb. 3 : 2.die Immanuel hun gegeven had, waren in een slechten staat, haveloos, gescheurd, bemorst en onrein zagen zij er uit, en aan sommigen hingen ze zoo los om de leden, dat er gevaar bestond ze ieder oogenblik te verliezen.Toen men nu eenige dagen in dezen naren staat doorgebracht had liet de heer Geweten een vastendag uitroepen, opdat een ieder zich zou verootmoedigen wegens zijne goddelooze handelingen jegens El-Schaddaï en diens zoon. Hij verzocht Boanerges op dien vastendag te prediken, hetgeen deze ook deed, en ter bestemder tijd voor het volk optrad met de woorden: „Houwt hem uit, waartoe beslaat hij onnuttelijk de aarde?”Luk. 13 : 7.Nu, hij hield daarover een zeer scherpe preek. Hij toonde aan bij welke gelegenheid die woorden waren gesproken, namelijk omdat de vijgeboom dor en onvruchtbaar was. Daarna verklaarde hij hun de beteekenis dezer vermaning als dienende tot bekeering of algeheele verwoesting. Ook wees hij op het gezag, dat dit woord had als door El-Schaddaï zelven gesproken. En de toepassing van die preek was van dien aard, dat het arme Menschziel sidderde en beefde. Deze predikatie evenals de voorgaande vermocht veel op het hart der lieden; zij was dienstig om degenen, die door de eerste preek wakker geschud waren, ook wakker te houden. De gansche stad was nu vol droefheid en weeklacht.

Toen zag de heer Geweten er uit alsof hij dood neervallen zou en desgelijks alle aanwezigen uitgezonderd de heer van het huis. Allen zagen bleek van schrik. Zich daarna een weinig hersteld hebbende en zich overtuigd hebbende, dat Vreeze Gods de waarheid sprak, begonnen zij samen te overleggen wat in dezen te doen ware. De gastheer had zich intusschen verwijderd, want het ging hem niet naar den zin; maar allen werden overtuigd, dat hij hen in de ellende gebracht had, en dat zij daardoor de liefde van Immanuel verbeurd hadden. Daarbij kwam een woord van hunnen vorst weer versch in hun geheugen terug aangaande hetgeen zij met de valsche profeten doen zouden. Het eind van deze beraadslaging was, dat zij het gansche huis van den heer Vleeschelijke Gerustheid boven zijn hoofd in brand staken, want het bleek, dat hij ook een Diábolus-man was.

Toen dit geschied was deden zij hun best om hunnen vorst Immanuel in het oog te krijgen. Zij zochten hem, maar zij vondenHoogl. 5 : 6.hem niet. Daardoor werden zij nog meer overtuigd van de waarheid van ’s heeren Vreeze Gods woorden, en hiermede kwam ook een groote droefheid over hen, omdat zij wel inzagen, dat dit alles hun eigen schuld was.

Nu begaven zij zich tot den Oppergeheimschrijver, tot hem, dien zij vroeger geweigerd hadden te hooren, en dien zij met hunne handelingen zoo hadden gegriefd. Zij wilden omdat hij een ziener was, van hem te weten komen waar Immanuel was, en hoeJes. 63 : 10.Efez. 4 : 10.1 Thess. 5 : 19.zij hunnen heer een verzoekschrift zouden toezenden, maar de Oppergeheimschrijver wilde hen niet tot eene samenkomst toelaten, tot hen uitkomen.

O, welk een nevelachtige en donkere dag was het nu voor Menschziel! Een dag van wolken en donkerheid. Nu zagen zij in hoe dwaas zij geweest waren, en welk eene schade al het gesnater van Vleeschelijke-Gerustheid hun had bezorgd! Maar wat het hun nog verder kosten zou, dat wisten zij niet; maar de heer Vreeze Gods kwam in hoog aanzien en er werd op hem gezien als een profeet.

Toen de sabbatdag was aangebroken, gingen zij uit om hunnen tweeden leeraar te hooren prediken; maar o, wat liet hij dezen dag een donderslagen en bliksemschichten door de vergadering gaan. Zijn tekst was: „Die de valscheJona 2 : 8.ijdelheid onderhouden, verlaten hunne weldadigheid.” Maar er was zulk eene kracht in die preek en zulk eene verootmoediging op het aangezicht der hoorders te lezen, dat nog maar zelden of ooit zulk eene prediking had plaats gehad. Het volk, dat uit de kerk kwam, was maar kwalijk in staat hun woning weder te bereiken en de volgende week hun gewone bezigheden te doen, zóo waren zij verbroken en ter neergeslagen door die ernstige verkondiging.

Maar hij hield niet alleen Menschziel hare zonden voor, maar beefde ook voor zichzelven onder het gevoel van zijne eigen schuld. O riep hij uit, ongelukkige, die ik ben! dat ik zulke booze stukken gedaan heb! En dat nog wel ik, een leeraar, die door den vorst aangesteld is om Menschziel te onderrichten en zijne wet te verklaren, dat ik de eerste geweest ben om mede af te vallen in de ongerechtigheid. Ik had tegen den afval met luider stem behooren te waarschuwen, maar ik liet Menschziel afdwalen en Immanuel uit haar midden wegdrijven, ja, zich verwijderen uit hare landpalen. Met deze dingen beschuldigde hij ook al den adel en de heeren van Menschziel, zoodat allen even bedroefd waren.

Omtrent dezen tijd brak er ook een zware ziekte in de stad uit, waardoor de meeste inwoners getroffen werden. Ja, ook de kapiteins en het krijgsvolk geraakten daardoor aan het uitteeren, en dit had al eenigen tijd plaats gehad eer het openbaar werd. Ware in dezen staat van zaken een vijand gekomen om de stad te belegeren, het zou er treurig hebben uitgezien. Hoeveel bleeke aangezichten, hoeveel slappe handen en zwakke, knikkende knieën, hoeveel struikelende menschen waren nu langs de straten te zien! Hier hoorde men zuchten, ginds gekerm, elders lagen er eenigen als aan den oever des doods. Ook de kleederen,Hebr. 12 : 12, 13.Jes. 3 : 24.Openb. 3 : 2.die Immanuel hun gegeven had, waren in een slechten staat, haveloos, gescheurd, bemorst en onrein zagen zij er uit, en aan sommigen hingen ze zoo los om de leden, dat er gevaar bestond ze ieder oogenblik te verliezen.

Toen men nu eenige dagen in dezen naren staat doorgebracht had liet de heer Geweten een vastendag uitroepen, opdat een ieder zich zou verootmoedigen wegens zijne goddelooze handelingen jegens El-Schaddaï en diens zoon. Hij verzocht Boanerges op dien vastendag te prediken, hetgeen deze ook deed, en ter bestemder tijd voor het volk optrad met de woorden: „Houwt hem uit, waartoe beslaat hij onnuttelijk de aarde?”Luk. 13 : 7.Nu, hij hield daarover een zeer scherpe preek. Hij toonde aan bij welke gelegenheid die woorden waren gesproken, namelijk omdat de vijgeboom dor en onvruchtbaar was. Daarna verklaarde hij hun de beteekenis dezer vermaning als dienende tot bekeering of algeheele verwoesting. Ook wees hij op het gezag, dat dit woord had als door El-Schaddaï zelven gesproken. En de toepassing van die preek was van dien aard, dat het arme Menschziel sidderde en beefde. Deze predikatie evenals de voorgaande vermocht veel op het hart der lieden; zij was dienstig om degenen, die door de eerste preek wakker geschud waren, ook wakker te houden. De gansche stad was nu vol droefheid en weeklacht.

frame bottom

DIÁBOLONISTEN VERKLEED OP DE MARKT.Nadat de kerk uit was kwamen de lieden samen om te raadplegen wat in dezen te doen ware. Maar de tweede prediker der stad sprak: „Ik wil niets doen uit mijzelven zonder geraadpleegd te hebben met mijn buurman Vreeze Gods. Want daar hij in het eerst meer van onzen vorst en diens handelingen wist dan wij, zoo zou het ook nu kunnen wezen, dat hij ons wist te raden, daar wij naar het goede pad willen terugkeeren.”Zoo werd dan om Vreeze Gods gezonden, die aanstonds verscheen en zich aldus liet hooren: „Ik ben van oordeel, dat Menschziel in deze hare benauwdheid een ootmoedig rekwest aan hare beleedigden vorst Immanuel moet aanbieden om hem te verzoeken, dat hij in gunst en genade tot haar wederkeere en niet voor eeuwig den toorn behoude.”De stedelingen stemden hierin volmondig toe en het verzoekschrift werd opgesteld. Maar wie zou het nu brengen? Ten laatste kwam men overeen, dat de Burgemeester het doen zou. Dit gebeurde. De Burgemeester begaf zich op weg naar het hof van El-Schaddaï, waar Immanuel, de vorst van Menschziel, zich bevond, en hij kwam daar ook aan. Maar de poort was gesloten en een sterke macht bewaakte die, zoodat de afgezant langen tijd moest buiten blijvenKlaagl. 3 : 8, 44.staan. Daarom verzocht hij, dat iemand tot den Prins mocht gaan om hem mede te deelen wie daar buiten aan de poort stond en wat hij kwam doen. Zoo gebeurde het dan ook. Er was iemand, die aan El-Schaddaï en zijn Immanuel berichtte, dat de Burgemeester van Menschziel daar buiten stond en verzocht in tegenwoordigheid van den Prins te worden toegelaten; maar de vorst wilde niet afkomen of toelaten, dat hem de poort ontsloten werd.Jer. 2 : 27, 28.Zijn antwoord luidde: „Zij hebben mij den rug gekeerd, en niet het aangezicht, maar nu in dezen tijd hunner benauwdheid zeggen zij tot mij: sta op en behoud ons. Maar kunnen zij nu niet gaan tot hunne Vleeschelijke-Gerustheid, tot wien zij zich begaven als zij mij verlieten, en maken hem in deze benauwdheid tot hunnen leidsman en beschermer? Waarom komen zij mij nu in hunnen angst zoeken, daar zij zich in hunnen voorspoed van mij hebben afgekeerd?”

DIÁBOLONISTEN VERKLEED OP DE MARKT.

Nadat de kerk uit was kwamen de lieden samen om te raadplegen wat in dezen te doen ware. Maar de tweede prediker der stad sprak: „Ik wil niets doen uit mijzelven zonder geraadpleegd te hebben met mijn buurman Vreeze Gods. Want daar hij in het eerst meer van onzen vorst en diens handelingen wist dan wij, zoo zou het ook nu kunnen wezen, dat hij ons wist te raden, daar wij naar het goede pad willen terugkeeren.”

Zoo werd dan om Vreeze Gods gezonden, die aanstonds verscheen en zich aldus liet hooren: „Ik ben van oordeel, dat Menschziel in deze hare benauwdheid een ootmoedig rekwest aan hare beleedigden vorst Immanuel moet aanbieden om hem te verzoeken, dat hij in gunst en genade tot haar wederkeere en niet voor eeuwig den toorn behoude.”

De stedelingen stemden hierin volmondig toe en het verzoekschrift werd opgesteld. Maar wie zou het nu brengen? Ten laatste kwam men overeen, dat de Burgemeester het doen zou. Dit gebeurde. De Burgemeester begaf zich op weg naar het hof van El-Schaddaï, waar Immanuel, de vorst van Menschziel, zich bevond, en hij kwam daar ook aan. Maar de poort was gesloten en een sterke macht bewaakte die, zoodat de afgezant langen tijd moest buiten blijvenKlaagl. 3 : 8, 44.staan. Daarom verzocht hij, dat iemand tot den Prins mocht gaan om hem mede te deelen wie daar buiten aan de poort stond en wat hij kwam doen. Zoo gebeurde het dan ook. Er was iemand, die aan El-Schaddaï en zijn Immanuel berichtte, dat de Burgemeester van Menschziel daar buiten stond en verzocht in tegenwoordigheid van den Prins te worden toegelaten; maar de vorst wilde niet afkomen of toelaten, dat hem de poort ontsloten werd.Jer. 2 : 27, 28.Zijn antwoord luidde: „Zij hebben mij den rug gekeerd, en niet het aangezicht, maar nu in dezen tijd hunner benauwdheid zeggen zij tot mij: sta op en behoud ons. Maar kunnen zij nu niet gaan tot hunne Vleeschelijke-Gerustheid, tot wien zij zich begaven als zij mij verlieten, en maken hem in deze benauwdheid tot hunnen leidsman en beschermer? Waarom komen zij mij nu in hunnen angst zoeken, daar zij zich in hunnen voorspoed van mij hebben afgekeerd?”

frame bottom

frame top

Dit antwoord maakte, dat de heer Burgemeester zwart werd in zijn aangezicht, hij was beroerd, verpletterd, als in zijn binnenste verscheurd. Nu begon hij weder te gevoelen wat het te zeggen was geweest gemeenzaam te worden met een Diábolus-man als Vleeschelijke-Gerustheid. Maar ziende dat er voor dit oogenblik aan het hof weinig uitkomst was zoomin voor hem als voor de stad, sloeg hij op zijne borst en keerde weenende terug, den ganschen weg langs het beklagenswaardig Menschziel betreurende.En als hij nu in het gezicht der stad genaderd was, zoo gingen de oudsten en edelen om hem te begroeten en te vernemen welk wedervaren hij gehad had. Maar hij antwoordde hen op een zoo droevigen toon, dat zij allen het uitschreeuwden, klaagden en weenden. Zij wierpen ook asch op hunne hoofden en deden een zak om hunne lenden, gaande al weenende door de stad. Toen de overige burgers dit vernamen, jammerden zij met hen meê. Dit was voor hen allen een dag van tuchtiging, ontsteltenis, benauwdheid en angst.Nadat zij nu weder een weinig bedaard waren, kwam het stadsvolk weder samen om te beraadslagen wat hun nu te doen stond. Wederom vraagden zij het advies van den ouden heer Vreeze Gods, en deze zeide hun, dat er geen ander en geen beter middel was dan maar voortdurend requesten te zenden naar het hof; ook al werden ze met bestraffing of met stilzwijgen beantwoord, toch maar telkens opnieuw hunne smeekschriften opzenden. „Want,” zeide hij, „het is El-Schaddaï’s gewoonte de menschen te laten wachten om hun lijdzaamheid te leeren, en zij, die in nood zitten, moeten gewillig zijn om te verbeiden.”Zoo vatten zij dan weder moed en zonden weder en weder en nogmaals weder; nu ging er geen dag, ja nauwelijks een uur voorbij, of men ontmoette in den omtrek der stad een rijdenden postbode, die op zijn hoorn blies van Menschziel af tot aan het paleis van El-Schaddaï; en die allen droegen smeekbrieven of verzoekschriften ten gunste van Menschziel, of keerden van het hof terug. Ja, de weg was vol boodschappers, gaande en komende, die elkander ontmoetten en dit duurde zoo voort dien ganschen harden kouden wintertijd.HOOFDSTUK X.EEN DIABOLISCH COMPLOT.WWanneer gij het nog niet vergeten zijt, dan herinnert gij u hoe ik u tevoren mededeelde, dat, nadat Immanuel Menschziel had ingenomen en vernieuwd, er nog heel wat loerende Diábolusmannen overbleven, die zich in de holen en spelonken verscholen. De namen van sommigen hunner zijn ook genoemd, als daar zijn Onreinheid, Overspel, Moord, Toorn, Overdaad, Bedrog, Boosoog, Lastering en vooral die gevaarlijke booswicht, de oude Gierigheid. Tegen hen had de goede Prins aan den heer Vastewil en de anderen, ja, aan de gansche stad bevelen gegeven ze op te zoeken, te grijpen en ten onder te brengen, ten einde alzoo de vijanden van hunnen vorst uit de gezegende stad weg te doen. Doch zij hadden dezen last niet volvoerd, en verzuimd de Diábolisten na te speuren en vast te zetten of te verdoen. Wat deden nu deze booswichten? Zij verkloekten zich en staken langzamerhand het hoofd weder op. Nu en dan vertoonden zij zich aan de burgers en sommigen van dezen begonnen, helaas, maar al te gemeenzaam met hen om te gaan, tot groot nadeel der stad, zooals later zal blijken.

Dit antwoord maakte, dat de heer Burgemeester zwart werd in zijn aangezicht, hij was beroerd, verpletterd, als in zijn binnenste verscheurd. Nu begon hij weder te gevoelen wat het te zeggen was geweest gemeenzaam te worden met een Diábolus-man als Vleeschelijke-Gerustheid. Maar ziende dat er voor dit oogenblik aan het hof weinig uitkomst was zoomin voor hem als voor de stad, sloeg hij op zijne borst en keerde weenende terug, den ganschen weg langs het beklagenswaardig Menschziel betreurende.

En als hij nu in het gezicht der stad genaderd was, zoo gingen de oudsten en edelen om hem te begroeten en te vernemen welk wedervaren hij gehad had. Maar hij antwoordde hen op een zoo droevigen toon, dat zij allen het uitschreeuwden, klaagden en weenden. Zij wierpen ook asch op hunne hoofden en deden een zak om hunne lenden, gaande al weenende door de stad. Toen de overige burgers dit vernamen, jammerden zij met hen meê. Dit was voor hen allen een dag van tuchtiging, ontsteltenis, benauwdheid en angst.

Nadat zij nu weder een weinig bedaard waren, kwam het stadsvolk weder samen om te beraadslagen wat hun nu te doen stond. Wederom vraagden zij het advies van den ouden heer Vreeze Gods, en deze zeide hun, dat er geen ander en geen beter middel was dan maar voortdurend requesten te zenden naar het hof; ook al werden ze met bestraffing of met stilzwijgen beantwoord, toch maar telkens opnieuw hunne smeekschriften opzenden. „Want,” zeide hij, „het is El-Schaddaï’s gewoonte de menschen te laten wachten om hun lijdzaamheid te leeren, en zij, die in nood zitten, moeten gewillig zijn om te verbeiden.”

Zoo vatten zij dan weder moed en zonden weder en weder en nogmaals weder; nu ging er geen dag, ja nauwelijks een uur voorbij, of men ontmoette in den omtrek der stad een rijdenden postbode, die op zijn hoorn blies van Menschziel af tot aan het paleis van El-Schaddaï; en die allen droegen smeekbrieven of verzoekschriften ten gunste van Menschziel, of keerden van het hof terug. Ja, de weg was vol boodschappers, gaande en komende, die elkander ontmoetten en dit duurde zoo voort dien ganschen harden kouden wintertijd.

WWanneer gij het nog niet vergeten zijt, dan herinnert gij u hoe ik u tevoren mededeelde, dat, nadat Immanuel Menschziel had ingenomen en vernieuwd, er nog heel wat loerende Diábolusmannen overbleven, die zich in de holen en spelonken verscholen. De namen van sommigen hunner zijn ook genoemd, als daar zijn Onreinheid, Overspel, Moord, Toorn, Overdaad, Bedrog, Boosoog, Lastering en vooral die gevaarlijke booswicht, de oude Gierigheid. Tegen hen had de goede Prins aan den heer Vastewil en de anderen, ja, aan de gansche stad bevelen gegeven ze op te zoeken, te grijpen en ten onder te brengen, ten einde alzoo de vijanden van hunnen vorst uit de gezegende stad weg te doen. Doch zij hadden dezen last niet volvoerd, en verzuimd de Diábolisten na te speuren en vast te zetten of te verdoen. Wat deden nu deze booswichten? Zij verkloekten zich en staken langzamerhand het hoofd weder op. Nu en dan vertoonden zij zich aan de burgers en sommigen van dezen begonnen, helaas, maar al te gemeenzaam met hen om te gaan, tot groot nadeel der stad, zooals later zal blijken.

frame bottom

ZIEKTEN IN MENSCHZIEL.

ZIEKTEN IN MENSCHZIEL.

frame top

Deze overgebleven Diábolus-mannen, bemerkende, dat Menschziel zijnen vorst beleedigd, en hij zich aan de stad onttrokken had en weggegaan was, maakten onderling eene samenzwering tot verderf der stad. Zoo kwamen zij op zekeren tijd samen in den schuilhoek van Boosheid, een oud heer, die ook tot de Diábolus-mannen behoorde, en overlegden daar hoe zij de stad weder in de handen van hunnen heer zouden overleveren. De een raadde dit, de ander wat anders, tot ten laatste de heer Onkuisch voorsloeg, dat enkelen hunner zich aan de inwoners van Menschziel als dienstknechten zouden aanbieden. „Indien het hun gelukt als zoodanig geplaatst te worden, zouden zij voor ons en onzen heer het innemen der stad veel gemakkelijken,” zeide hij. Maar Moord, die booswicht, stond op en sprak: „Dat mag heden niet geschieden, want Menschziel is nu in beroering en zeer boos omdat zij reeds eenmaal door onzen vriend Vleeschelijke-Gerustheid is verschrikt. Wij moeten geschikter tijd afwachten. Daarenboven hebben zij in last ons te grijpen en te verslaan, waar zij ons ook vinden. Laat ons dan listig zijn als de vossen.” Zoo werden zij het dan samen eens, dat éen hunner uit aller naam een brief zou gaan brengen aan Diábolus, waarin men hem alles zou mededeelen zoowel aangaande de ongenade, waarin Menschziel bij zijnen vorst viel, als aangaande hun plan in dezen.Die brief werd spoedig opgesteld en was van den volgenden inhoud:„Aan onzen grooten heer, den vorst Diábolus, wonende op den bodem der hel.„Groote vader en machtige vorst Diábolus, wij uwe getrouwe aanhangers, nog overgebleven in de rebelleerende stad Menschziel, die ons aanzijn van u ontvangen hebben en uit uwe hand leven; — wij kunnen onmogelijk langer met onverschilligheid aanzien, dat gij aldus veracht, onvriendelijk behandeld en versmaad wordt door de inwoners dezer stad. Ook is uwe afwezigheid ons hoogst onaangenaam, dewijl zij tot onze schade dient.„De reden, waarom wij thans aan onzen heer schrijven, is omdat wij nog niet alle hoop hebben opgegeven, dat deze stad nog eenmaal weder uwe woning worde; want zij is grootelijks van haren heer afgeweken en hij is tegen haar vertoornd en van haar weggegaan, ja, ofschoon zij telkens opnieuw tot hem zenden, dat hij toch mocht wederkeeren, zoo kunnen zij hem niet bewegen of een goed woord van hem loskrijgen. Er heeft ook onlangs eene hevige ziekte geheerscht, die nog aanhoudt, en dat niet onder lieden van den geringen stand, maar onder de aanzienlijksten en de hoogste rangen. Wij, Diábolus-mannen, blijven echter gezond en wel, sterk en levenslustig, zoodat wij oordeelen, dat zij door hunne overtreding ter eener zijde en hunne ziekte en zwakheid ter anderer zijde gansch en al voor uwe macht open liggen. Zoo het derhalve bestaan kan met uw geduchte wijsheid, en is naar den raad van uwe vorsten om nog eens een aanslag op Menschziel te wagen, laat het ons dan weten, en wij zijn gereed ons uiterste te doen om haar in uwe hand over te leveren. Zoo echter hetgeen wij zeggen door u niet geschikt geoordeeld wordt, laat ons dan uwe meening met een paar woorden weten; want wij zijn bereid uwen raad in alles op te volgen, al hing er ons leven van af.„Aldus gegeven onder onze eigen hand, na voorafgaand overleg ten huize van den heer Boos, die nog levend overgebleven is, in onze begeerlijke stad Menschziel!”Toen Onheilig met dezen brief aan den Hellepoortsheuvel kwam, (want hij was de bode), klopte hij aan de koperen poort om te worden binnengelaten. Daarop deed de deurwachter Cerberus de poort open en nam den brief aan, welken hij onmiddellijk aan Diábolus overgaf met de woorden: „Tijding uit Menschziel, Mijnheer! Zij komt van vertrouwde vrienden.”Nu kwamen uit alle hoeken van den afgrond Beëlzebul, Lucifer, Apollyon met al de rest van dat gespuis voor den dag om te vernemen wat er gaande was. Men opende den brief en las hem in tegenwoordigheid van Cerberus. Die lezing was luid genoeg om hetgeen er in stond in alle hoeken van den afgrond te doen weerklinken. Onmiddellijk werd bevel gegeven, dat van louter blijdschap de doodsklok zou worden geluid, hetgeen ook gebeurde, en alle helsche vorsten verheugden zich, dat Menschziel nog het onderspit zou delven. De klokkeluider riep: „De stad Menschziel — komt wonen — bij ons — in de hel! Maak plaats dan — voor Menschziel — in de diepte der hel!” Dit alles bewees, dat zij hoopten Menschziel weer machtig te worden.

Deze overgebleven Diábolus-mannen, bemerkende, dat Menschziel zijnen vorst beleedigd, en hij zich aan de stad onttrokken had en weggegaan was, maakten onderling eene samenzwering tot verderf der stad. Zoo kwamen zij op zekeren tijd samen in den schuilhoek van Boosheid, een oud heer, die ook tot de Diábolus-mannen behoorde, en overlegden daar hoe zij de stad weder in de handen van hunnen heer zouden overleveren. De een raadde dit, de ander wat anders, tot ten laatste de heer Onkuisch voorsloeg, dat enkelen hunner zich aan de inwoners van Menschziel als dienstknechten zouden aanbieden. „Indien het hun gelukt als zoodanig geplaatst te worden, zouden zij voor ons en onzen heer het innemen der stad veel gemakkelijken,” zeide hij. Maar Moord, die booswicht, stond op en sprak: „Dat mag heden niet geschieden, want Menschziel is nu in beroering en zeer boos omdat zij reeds eenmaal door onzen vriend Vleeschelijke-Gerustheid is verschrikt. Wij moeten geschikter tijd afwachten. Daarenboven hebben zij in last ons te grijpen en te verslaan, waar zij ons ook vinden. Laat ons dan listig zijn als de vossen.” Zoo werden zij het dan samen eens, dat éen hunner uit aller naam een brief zou gaan brengen aan Diábolus, waarin men hem alles zou mededeelen zoowel aangaande de ongenade, waarin Menschziel bij zijnen vorst viel, als aangaande hun plan in dezen.

Die brief werd spoedig opgesteld en was van den volgenden inhoud:

„Aan onzen grooten heer, den vorst Diábolus, wonende op den bodem der hel.

„Groote vader en machtige vorst Diábolus, wij uwe getrouwe aanhangers, nog overgebleven in de rebelleerende stad Menschziel, die ons aanzijn van u ontvangen hebben en uit uwe hand leven; — wij kunnen onmogelijk langer met onverschilligheid aanzien, dat gij aldus veracht, onvriendelijk behandeld en versmaad wordt door de inwoners dezer stad. Ook is uwe afwezigheid ons hoogst onaangenaam, dewijl zij tot onze schade dient.

„De reden, waarom wij thans aan onzen heer schrijven, is omdat wij nog niet alle hoop hebben opgegeven, dat deze stad nog eenmaal weder uwe woning worde; want zij is grootelijks van haren heer afgeweken en hij is tegen haar vertoornd en van haar weggegaan, ja, ofschoon zij telkens opnieuw tot hem zenden, dat hij toch mocht wederkeeren, zoo kunnen zij hem niet bewegen of een goed woord van hem loskrijgen. Er heeft ook onlangs eene hevige ziekte geheerscht, die nog aanhoudt, en dat niet onder lieden van den geringen stand, maar onder de aanzienlijksten en de hoogste rangen. Wij, Diábolus-mannen, blijven echter gezond en wel, sterk en levenslustig, zoodat wij oordeelen, dat zij door hunne overtreding ter eener zijde en hunne ziekte en zwakheid ter anderer zijde gansch en al voor uwe macht open liggen. Zoo het derhalve bestaan kan met uw geduchte wijsheid, en is naar den raad van uwe vorsten om nog eens een aanslag op Menschziel te wagen, laat het ons dan weten, en wij zijn gereed ons uiterste te doen om haar in uwe hand over te leveren. Zoo echter hetgeen wij zeggen door u niet geschikt geoordeeld wordt, laat ons dan uwe meening met een paar woorden weten; want wij zijn bereid uwen raad in alles op te volgen, al hing er ons leven van af.

„Aldus gegeven onder onze eigen hand, na voorafgaand overleg ten huize van den heer Boos, die nog levend overgebleven is, in onze begeerlijke stad Menschziel!”

Toen Onheilig met dezen brief aan den Hellepoortsheuvel kwam, (want hij was de bode), klopte hij aan de koperen poort om te worden binnengelaten. Daarop deed de deurwachter Cerberus de poort open en nam den brief aan, welken hij onmiddellijk aan Diábolus overgaf met de woorden: „Tijding uit Menschziel, Mijnheer! Zij komt van vertrouwde vrienden.”

Nu kwamen uit alle hoeken van den afgrond Beëlzebul, Lucifer, Apollyon met al de rest van dat gespuis voor den dag om te vernemen wat er gaande was. Men opende den brief en las hem in tegenwoordigheid van Cerberus. Die lezing was luid genoeg om hetgeen er in stond in alle hoeken van den afgrond te doen weerklinken. Onmiddellijk werd bevel gegeven, dat van louter blijdschap de doodsklok zou worden geluid, hetgeen ook gebeurde, en alle helsche vorsten verheugden zich, dat Menschziel nog het onderspit zou delven. De klokkeluider riep: „De stad Menschziel — komt wonen — bij ons — in de hel! Maak plaats dan — voor Menschziel — in de diepte der hel!” Dit alles bewees, dat zij hoopten Menschziel weer machtig te worden.

frame bottom

ONHEILIG VOOR DIÁBOLUS.

ONHEILIG VOOR DIÁBOLUS.

frame top

Nadat deze akelige plechtigheid volbracht was, kwamen zij weder samen om te overleggen welk antwoord zij aan hunne vrienden zenden zouden. Omdat de zaak spoed vereischte lieten zij het geheel aan vorst Diábolus over, oordeelende, dat hij de eigenlijke vorst en heer der stad was. Hij stelde dan naar eigen goedvinden een brief op en zond hem door dezelfde hand terug, die de tijding gebracht had. Hier is de inhoud:„Aan ons geslacht, de hoogmogende Diábolus-mannen, die nog wonen in de stad Menschziel. Diábolus, de groote vorst, wenscht een gelukkigen uitslag aan die goede ondernemingen, raadslagen en voornemens, die gij uit liefde tot onze eer en heerlijkheid in uwe harten koestert, om ze uit te voeren tegen Menschziel.„Beminde kinderen en leerlingen, Mijneheeren Onkuisch, Overspel en de anderen! Wij hebben hier in ons eenzaam verblijf uw aangename letteren ontvangen door de hand van onzen vertrouweling Onheilig, en om te toonen hoezeer wij er ons over verheugden, hebben wij van blijdschap onze klokken geluid. Hoe blijde zijn wij dat wij nog vrienden in Menschziel hebben, en dat haar Prins vertoornd is weggegaan. Ook hoorden wij met genoegen van hunne ziekte en uwe gezondheid. Hoe blijde zouden wij ook wezen, konden wij deze stad weder in onze macht krijgen, en daartoe zullen wij geen enkele helsche list sparen. Natuurlijk wordt gij dan ook weder onze kapiteins en overheden. Wij komen met sterkere macht dan de eerste maal, want zijn wij er nu weder meester van, dan blijft zij de onze voor eeuwig, aangezien het eene wet van hun vorst is, dat, zoo wij hen ten tweeden male overwinnen, zij dan ons ongestoord en wettig eigendom blijft.„Doet dan nog nauwkeuriger onderzoek en tracht al de zwakke zijden van Menschziel te bespieden. Gij moet ons ook eens laten weten welk middel u het beste voorkomt om hen te krenken, namelijk door hen tot een loszinnig leven te verleiden of hen tot wanhoop en vertwijfeling te brengen, of wel de stad te laten in de lucht springen door ons buskruit van hoogmoed en zelfbedrog. Houdt u gereed om van binnen een ijselijk wapengeschrei aan te heffen, wanneer wij van buiten vaardig zijn om storm te loopen. Bovendien moeten wij deze dingen met haast doen. Al de zegeningen des afgronds zijn over u!„Gegeven aan den mond van den put des afgronds door gemeene toestemming van al de vorsten der duisternis om gezonden te worden, naar het geweld, dat wij nog in Menschziel uitoefenen, door de hand van den heer Onheilig.Door mij, Diábolus.”Deze brief werd nu naar Menschziel gezonden tot de Diábolus-mannen, welke daar overbleven in de wallen. Toen nu deze Onheilig weder in Menschziel was teruggekeerd, begaf hij zich onmiddellijk naar de woning van heer Boos, want daar kwam de troep samen. Bemerkende, dat hun afgezant gezond en wel was teruggekeerd, verheugden zij zich, en hunne blijdschap nam nog toe toen zij den brief van Diábolus hadden gelezen. Zij vraagden Onheilig naar den welstand van al hunne bekenden in den put des afgronds, en zetten zich daarna weder aan het beraadslagen.Het eerst werd bepaald, dat zij alles voor Menschziel zouden stil houden. „Laat het toch niemand merken welk voornemen wij tegen hen koesteren,” zeiden zij. Na eenig heen en weer praten stond de heer Bedrog op en zeide: „Echte Diábolus-vrienden, luistert. Onze heeren en machtigen uit den afgrond stellen ons drie wegen voor. De eerste is de weg der loszinnigheid, de tweede die van den wanhoop, en de derde het doen springen van alles door hoogmoed en zelfbedrog. Ik voor mij geloof dat haar hoogmoedig te maken wel iets helpen zal en dat loszinnigheid ook wel eenige uitwerking kan hebben; maar konden wij haar tot wanhoop brengen, dan hadden wij het rechte punt geraakt. Dan zouden wij haar in de eerste plaats aan de hartelijke liefde van haar vorst doen twijfelen, en dat zal hem zeer tegenstaan. Werkt dit een weinig door dan zullen zij wel ophouden verzoekschriften naar hem op te zenden — dan is het uit met al dat smeeken en kermen om hulp en bijstand; want dan ligt de sluitrede voor de hand: „Waartoe zal dit alles dienen?”” En in dezen raad van Bedrog stemden zij eenparig toe.Maar nu deed zich de vraag voor: hoe zullen wij dit ons voornemen ten uitvoer brengen? En dezelfde heer beantwoordde die vraag als volgt: „Laat zoovelen van onze vrienden als die niet schromen zich voor hunnen vorst in het gevaar te begeven, zich vermommen, andere namen aannemen, en als boeren verkleed naar de markt gaan. Laat hen zich aanstellen als wilden zij in de stad Menschziel dienen als knechten en arbeiders. Laat hen zich voor hunne meesters zoo diep mogelijk buigen. Indien Menschziel hen dan huurt, zullen zij in korten tijd zoo verdorven worden, dat zij het ongenoegen van hunnen vorst geheel over zich brengen, en hem zóo vertoornen, dat hij hen uit zijn mond spuwt. Is dit geschied, dan zal onze vorst op hen aanvallen, en zij vallen ons als vanzelf in de klauwen.”

Nadat deze akelige plechtigheid volbracht was, kwamen zij weder samen om te overleggen welk antwoord zij aan hunne vrienden zenden zouden. Omdat de zaak spoed vereischte lieten zij het geheel aan vorst Diábolus over, oordeelende, dat hij de eigenlijke vorst en heer der stad was. Hij stelde dan naar eigen goedvinden een brief op en zond hem door dezelfde hand terug, die de tijding gebracht had. Hier is de inhoud:

„Aan ons geslacht, de hoogmogende Diábolus-mannen, die nog wonen in de stad Menschziel. Diábolus, de groote vorst, wenscht een gelukkigen uitslag aan die goede ondernemingen, raadslagen en voornemens, die gij uit liefde tot onze eer en heerlijkheid in uwe harten koestert, om ze uit te voeren tegen Menschziel.

„Beminde kinderen en leerlingen, Mijneheeren Onkuisch, Overspel en de anderen! Wij hebben hier in ons eenzaam verblijf uw aangename letteren ontvangen door de hand van onzen vertrouweling Onheilig, en om te toonen hoezeer wij er ons over verheugden, hebben wij van blijdschap onze klokken geluid. Hoe blijde zijn wij dat wij nog vrienden in Menschziel hebben, en dat haar Prins vertoornd is weggegaan. Ook hoorden wij met genoegen van hunne ziekte en uwe gezondheid. Hoe blijde zouden wij ook wezen, konden wij deze stad weder in onze macht krijgen, en daartoe zullen wij geen enkele helsche list sparen. Natuurlijk wordt gij dan ook weder onze kapiteins en overheden. Wij komen met sterkere macht dan de eerste maal, want zijn wij er nu weder meester van, dan blijft zij de onze voor eeuwig, aangezien het eene wet van hun vorst is, dat, zoo wij hen ten tweeden male overwinnen, zij dan ons ongestoord en wettig eigendom blijft.

„Doet dan nog nauwkeuriger onderzoek en tracht al de zwakke zijden van Menschziel te bespieden. Gij moet ons ook eens laten weten welk middel u het beste voorkomt om hen te krenken, namelijk door hen tot een loszinnig leven te verleiden of hen tot wanhoop en vertwijfeling te brengen, of wel de stad te laten in de lucht springen door ons buskruit van hoogmoed en zelfbedrog. Houdt u gereed om van binnen een ijselijk wapengeschrei aan te heffen, wanneer wij van buiten vaardig zijn om storm te loopen. Bovendien moeten wij deze dingen met haast doen. Al de zegeningen des afgronds zijn over u!

„Gegeven aan den mond van den put des afgronds door gemeene toestemming van al de vorsten der duisternis om gezonden te worden, naar het geweld, dat wij nog in Menschziel uitoefenen, door de hand van den heer Onheilig.Door mij, Diábolus.”

„Gegeven aan den mond van den put des afgronds door gemeene toestemming van al de vorsten der duisternis om gezonden te worden, naar het geweld, dat wij nog in Menschziel uitoefenen, door de hand van den heer Onheilig.

Door mij, Diábolus.”

Deze brief werd nu naar Menschziel gezonden tot de Diábolus-mannen, welke daar overbleven in de wallen. Toen nu deze Onheilig weder in Menschziel was teruggekeerd, begaf hij zich onmiddellijk naar de woning van heer Boos, want daar kwam de troep samen. Bemerkende, dat hun afgezant gezond en wel was teruggekeerd, verheugden zij zich, en hunne blijdschap nam nog toe toen zij den brief van Diábolus hadden gelezen. Zij vraagden Onheilig naar den welstand van al hunne bekenden in den put des afgronds, en zetten zich daarna weder aan het beraadslagen.

Het eerst werd bepaald, dat zij alles voor Menschziel zouden stil houden. „Laat het toch niemand merken welk voornemen wij tegen hen koesteren,” zeiden zij. Na eenig heen en weer praten stond de heer Bedrog op en zeide: „Echte Diábolus-vrienden, luistert. Onze heeren en machtigen uit den afgrond stellen ons drie wegen voor. De eerste is de weg der loszinnigheid, de tweede die van den wanhoop, en de derde het doen springen van alles door hoogmoed en zelfbedrog. Ik voor mij geloof dat haar hoogmoedig te maken wel iets helpen zal en dat loszinnigheid ook wel eenige uitwerking kan hebben; maar konden wij haar tot wanhoop brengen, dan hadden wij het rechte punt geraakt. Dan zouden wij haar in de eerste plaats aan de hartelijke liefde van haar vorst doen twijfelen, en dat zal hem zeer tegenstaan. Werkt dit een weinig door dan zullen zij wel ophouden verzoekschriften naar hem op te zenden — dan is het uit met al dat smeeken en kermen om hulp en bijstand; want dan ligt de sluitrede voor de hand: „Waartoe zal dit alles dienen?”” En in dezen raad van Bedrog stemden zij eenparig toe.

Maar nu deed zich de vraag voor: hoe zullen wij dit ons voornemen ten uitvoer brengen? En dezelfde heer beantwoordde die vraag als volgt: „Laat zoovelen van onze vrienden als die niet schromen zich voor hunnen vorst in het gevaar te begeven, zich vermommen, andere namen aannemen, en als boeren verkleed naar de markt gaan. Laat hen zich aanstellen als wilden zij in de stad Menschziel dienen als knechten en arbeiders. Laat hen zich voor hunne meesters zoo diep mogelijk buigen. Indien Menschziel hen dan huurt, zullen zij in korten tijd zoo verdorven worden, dat zij het ongenoegen van hunnen vorst geheel over zich brengen, en hem zóo vertoornen, dat hij hen uit zijn mond spuwt. Is dit geschied, dan zal onze vorst op hen aanvallen, en zij vallen ons als vanzelf in de klauwen.”

frame bottom

DIÁBOLUS’ HAAT EN KWAADAARDIGHEID.Dit voorstel was nog maar kwalijk gedaan of het werd toegejuicht en al de Diábolus-mannen drongen zich voorwaarts om zulk een schoonen buit machtig te worden. Er werden er nu een drietal uitgezocht, n. l. de heeren Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Gierigheid noemde zich Spaarzaam, Onreinheid veranderde zijn naam in Geoorloofd-vermaak, en Gramschap noemde zich Voortvarendheid.Op zekeren marktdag lieten zich deze drie vroolijke klanten op den markt vinden, aangenaam voor het oog en in schapenvachten gekleed, die zoo wit waren, ja, bijna zoo wit als de kleederen van Menschziel; ook konden zij de taal van Menschziel duidelijk spreken. Toen zij op de markt gekomen waren en aan de burgers hun dienst aangeboden hadden, werden zij ook spoedig gehuurd, want zij eischten maar weinig loon en beloofden hunnen meesters trouwen dienst.De heer Gemoed huurde Spaarzaam; en de heer Vreeze Gods huurde Voortvarendheid; Geoorloofd Vermaak ging niet zoo spoedig van de hand; hij kon zoo vlug als de anderen geen meester krijgen, want het was in de vasten. Maar toen deze bijna uit was, kreeg ook hij een dienst bij den heer Vastewil als lijfknecht. Zoo hadden nu allen meesters. Toen deze booswichten op die wijze in de huizen der lieden van Menschziel waren, begonnen zij daar aldra veel kwaads te doen; want listig en boos als dit gebroed was, zoo bedierven zij de huisgezinnen en sarden hunne meesters; vooral Spaarzaam en Geoorloofd-vermaak. Hij, die onder den naam van Voortvarendheid doorging, behaagde ook zijn meester zoo niet, want deze zag weldra, dat hij een huichelachtige deugniet was. En pas had de schelm dit bemerkt of hij pakte zich het huis uit, of anders zou zijn meester hem zonder twijfel hebben opgehangen.

DIÁBOLUS’ HAAT EN KWAADAARDIGHEID.

Dit voorstel was nog maar kwalijk gedaan of het werd toegejuicht en al de Diábolus-mannen drongen zich voorwaarts om zulk een schoonen buit machtig te worden. Er werden er nu een drietal uitgezocht, n. l. de heeren Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Gierigheid noemde zich Spaarzaam, Onreinheid veranderde zijn naam in Geoorloofd-vermaak, en Gramschap noemde zich Voortvarendheid.

Op zekeren marktdag lieten zich deze drie vroolijke klanten op den markt vinden, aangenaam voor het oog en in schapenvachten gekleed, die zoo wit waren, ja, bijna zoo wit als de kleederen van Menschziel; ook konden zij de taal van Menschziel duidelijk spreken. Toen zij op de markt gekomen waren en aan de burgers hun dienst aangeboden hadden, werden zij ook spoedig gehuurd, want zij eischten maar weinig loon en beloofden hunnen meesters trouwen dienst.

De heer Gemoed huurde Spaarzaam; en de heer Vreeze Gods huurde Voortvarendheid; Geoorloofd Vermaak ging niet zoo spoedig van de hand; hij kon zoo vlug als de anderen geen meester krijgen, want het was in de vasten. Maar toen deze bijna uit was, kreeg ook hij een dienst bij den heer Vastewil als lijfknecht. Zoo hadden nu allen meesters. Toen deze booswichten op die wijze in de huizen der lieden van Menschziel waren, begonnen zij daar aldra veel kwaads te doen; want listig en boos als dit gebroed was, zoo bedierven zij de huisgezinnen en sarden hunne meesters; vooral Spaarzaam en Geoorloofd-vermaak. Hij, die onder den naam van Voortvarendheid doorging, behaagde ook zijn meester zoo niet, want deze zag weldra, dat hij een huichelachtige deugniet was. En pas had de schelm dit bemerkt of hij pakte zich het huis uit, of anders zou zijn meester hem zonder twijfel hebben opgehangen.

frame bottom

frame top

Toen nu deze fielten het zoo ver gebracht hadden en alles zooveel mogelijk hadden bespied en bedorven wat zij konden, beraadslaagden zij op welken tijd Diábolus van buiten den aanval zou wagen, en zij hem van binnen ondersteunen. Zij kwamen overeen, dat een marktdag daarvoor de geschiktste tijd zou wezen; want dan waren de stedelingen het drukste. Men kan dit als een vaste regel aannemen, wanneer de menschen het drukste zijn in hunne bezigheden, dan vreezen zij het minst voor een overval. De Diábolus-mannen zouden dan ook het best den tijd hebben, meenden zij, om te ontsnappen. Dit alles besloten zijnde, schreven zij een brief en zonden dien weer op door de hand van Onheilig. Hij luide ongeveer als volgt:„De heeren der ijdelheid zenden aan den grooten en machtigen Diábolus, uit onze holen en spelonken in en om de wallen van Menschziel groetenis.„Onze groote heer en onderhouder van ons leven, Diábolus! hoe blijde waren wijRom. 7 : 21.Gal. 5 : 17.als wij uwe vaderlijke bereidwilligheid vernamen om ons behulpzaam te wezen ten einde Menschziel in het verderf te storten.„Wij hebben dan eerst overwogen dat helsch drievoudig ontwerp, dat gij ons in uwen laatsten brief voorsteldet, en besloten eindelijk dat het ons best voorkwam haar te voeren in eene zee van wanhoop. Wij hebben gemeend op tweeërlei wijzen dit ontwerp uit te voeren. Ten eerste door de stad zoo goddeloos te maken als wij maar kunnen, en daarna u te verzoeken de stad op een gegeven oogenblik aan te vallen. Als gij dan een leger van twijfelmoedigheid meebrengt zult gij wel het best van allen slagen. Op die wijze moeten wij winnen, en als de poel zijn mond opent, zullen zij zich in wanhoop daarin storten. Reeds hebben wij drie van onze vertrouwelingen onder hen gezonden, die zich vermomd en hunne namen veranderd hebben, te weten Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Deze laatste diende onder den naam van Voortvarendheid bij den heer Vreeze Gods, maar die oude heer heeft hem weggejaagd. ’t Had hem bijna zijn leven gekost. De anderen hebben het beter getroffen, maar alle werkten mede om ons plan tot wijsheid te brengen.„Nu stellen wij u voor, dat gij de stad aanvalt op een marktdag, omdat zij dan het zorgeloost zijn en het minst aan een overval denken; zij kunnen zich dan het minst verdedigen, en wij, uwe getrouwen, zullen gereed staan om u van binnen te helpen. In de verwarring zal alles gelukken. Indien uwe slangenkoppen en draken onzen heer een beteren weg kunnen wijzen, laat ons dan spoedig uw wil kennen.Aan de monsters van den put des afgronds uit het huis van Boos, in Menschziel, door de hand van Onheilig.”Al de dagen dat deze helsche booswichten aldus tot verderf der stad samenspanden, was de arme stad in een jammervollen toestand, eensdeels omdat zij El-Schaddaï en zijn zoon zoo zwaar beleedigd hadden, en anderdeels omdat de vijanden van binnen nieuwe kracht kregen; en verder omdat zij op al hunne verzoekschriften om vergeving en genade tot dusverre nog geen vriendelijk antwoord hadden ontvangen. Door de loosheid en listen van de inwonende Diábolisten was hun toestand eer erger dan beter geworden.De krankheid bleef ook al heerschen in Menschziel, zoowel onder de kapiteins als de burgers der stad, en hunne vijanden waren kloek en sterk; zij schenen nu wel ten hoofd en Menschziel ten staart geworden. ’t Was dan ook in dien tijd dat voormelde brief naar den afgrond werd gezonden, en Onheilig dien aan Hellepoortsheuvel aan Cerberus overhandigde. Toen deze twee elkander weder ontmoetten, waren zij straks zoo gemeenzaam met elkaêr als de eene bedelaar met den ander, en begonnen een gesprek over de zaken van Menschziel en de plannen tegen haar gesmeed. De portier ving aan:„Wel, mijn oude vriend, zijt gij daar weder aan Hellepoortsheuvel; hoe blij ben ik u te zien.”Onheilig: „Ja, mijnheer, ik kom hier in het belang der stad Menschziel.”Cerberus. „Ik bid u, hoe staat het thans met de stad?”

Toen nu deze fielten het zoo ver gebracht hadden en alles zooveel mogelijk hadden bespied en bedorven wat zij konden, beraadslaagden zij op welken tijd Diábolus van buiten den aanval zou wagen, en zij hem van binnen ondersteunen. Zij kwamen overeen, dat een marktdag daarvoor de geschiktste tijd zou wezen; want dan waren de stedelingen het drukste. Men kan dit als een vaste regel aannemen, wanneer de menschen het drukste zijn in hunne bezigheden, dan vreezen zij het minst voor een overval. De Diábolus-mannen zouden dan ook het best den tijd hebben, meenden zij, om te ontsnappen. Dit alles besloten zijnde, schreven zij een brief en zonden dien weer op door de hand van Onheilig. Hij luide ongeveer als volgt:

„De heeren der ijdelheid zenden aan den grooten en machtigen Diábolus, uit onze holen en spelonken in en om de wallen van Menschziel groetenis.

„Onze groote heer en onderhouder van ons leven, Diábolus! hoe blijde waren wijRom. 7 : 21.Gal. 5 : 17.als wij uwe vaderlijke bereidwilligheid vernamen om ons behulpzaam te wezen ten einde Menschziel in het verderf te storten.

„Wij hebben dan eerst overwogen dat helsch drievoudig ontwerp, dat gij ons in uwen laatsten brief voorsteldet, en besloten eindelijk dat het ons best voorkwam haar te voeren in eene zee van wanhoop. Wij hebben gemeend op tweeërlei wijzen dit ontwerp uit te voeren. Ten eerste door de stad zoo goddeloos te maken als wij maar kunnen, en daarna u te verzoeken de stad op een gegeven oogenblik aan te vallen. Als gij dan een leger van twijfelmoedigheid meebrengt zult gij wel het best van allen slagen. Op die wijze moeten wij winnen, en als de poel zijn mond opent, zullen zij zich in wanhoop daarin storten. Reeds hebben wij drie van onze vertrouwelingen onder hen gezonden, die zich vermomd en hunne namen veranderd hebben, te weten Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Deze laatste diende onder den naam van Voortvarendheid bij den heer Vreeze Gods, maar die oude heer heeft hem weggejaagd. ’t Had hem bijna zijn leven gekost. De anderen hebben het beter getroffen, maar alle werkten mede om ons plan tot wijsheid te brengen.

„Nu stellen wij u voor, dat gij de stad aanvalt op een marktdag, omdat zij dan het zorgeloost zijn en het minst aan een overval denken; zij kunnen zich dan het minst verdedigen, en wij, uwe getrouwen, zullen gereed staan om u van binnen te helpen. In de verwarring zal alles gelukken. Indien uwe slangenkoppen en draken onzen heer een beteren weg kunnen wijzen, laat ons dan spoedig uw wil kennen.

Aan de monsters van den put des afgronds uit het huis van Boos, in Menschziel, door de hand van Onheilig.”

Aan de monsters van den put des afgronds uit het huis van Boos, in Menschziel, door de hand van Onheilig.”

Al de dagen dat deze helsche booswichten aldus tot verderf der stad samenspanden, was de arme stad in een jammervollen toestand, eensdeels omdat zij El-Schaddaï en zijn zoon zoo zwaar beleedigd hadden, en anderdeels omdat de vijanden van binnen nieuwe kracht kregen; en verder omdat zij op al hunne verzoekschriften om vergeving en genade tot dusverre nog geen vriendelijk antwoord hadden ontvangen. Door de loosheid en listen van de inwonende Diábolisten was hun toestand eer erger dan beter geworden.

De krankheid bleef ook al heerschen in Menschziel, zoowel onder de kapiteins als de burgers der stad, en hunne vijanden waren kloek en sterk; zij schenen nu wel ten hoofd en Menschziel ten staart geworden. ’t Was dan ook in dien tijd dat voormelde brief naar den afgrond werd gezonden, en Onheilig dien aan Hellepoortsheuvel aan Cerberus overhandigde. Toen deze twee elkander weder ontmoetten, waren zij straks zoo gemeenzaam met elkaêr als de eene bedelaar met den ander, en begonnen een gesprek over de zaken van Menschziel en de plannen tegen haar gesmeed. De portier ving aan:

„Wel, mijn oude vriend, zijt gij daar weder aan Hellepoortsheuvel; hoe blij ben ik u te zien.”

Onheilig: „Ja, mijnheer, ik kom hier in het belang der stad Menschziel.”

Cerberus. „Ik bid u, hoe staat het thans met de stad?”


Back to IndexNext