HOOFDSTUK XI.HET COMPLOT ONTDEKT.

frame bottom

ONHEILIG KEERT UIT DEN AFGROND TERUG.

ONHEILIG KEERT UIT DEN AFGROND TERUG.

frame top

Onheilig. „Naar het mij voorkomt in een besten toestand; ten minste wat ons aangaat, want zij hebben zeer afgenomen in godsvrucht en dat doet ons goed. Hun Heer is ook zeer op hen vertoornd, en wij hebben grooten invloed op hen en komen in hunne huizen. Ook heerscht er eene erbarmelijke ziekte onder hen, die hen zwak maakt; zoodat wij goede hope hebben het eindelijk nog te winnen.”„Geen tijd zoo geschikt als deze,” antwoordde Cerberus, de helhond, „om dit oogmerk te bereiken. Ik wensch het van harte om de arme Diábolus-mannen, welke ouder gedurige vrees voor hun leven in Menschziel wonen.”Onheilig antwoordde: „Het plan is zoo goed beraamd, en zij zijn maar onnoozele duiven; ze hebben geen hart in hun lijf. Alles wel beschouwd moeten wij het winnen.”Cerberus. „Het is zooals gij zegt, ga binnen bij de heeren, hier. Ik heb uwen brief reeds overgegeven en zij zullen u een goede belooning geven.”Onheilig trad dan binnen en als Diábolus hem ontmoette, riep hij hem toe: „Welkom, gij trouwe dienaar, ik ben verblijd over den brief!” Ook de andere overheden van den afgrond groetten hem, waarop Onheilig antwoordde: „Dat Menschziel aan mijnheer Diábolus gegeven worde, en dat hij eeuwig haar koning zij!” En daarop gaven de holle afgrond en de gapende muil van de hel zulk een akelig geluid, dat er de bergen van schudden. Dit gold daar voor muziek.Nadat zij nu den brief besproken en overwogen hadden, overlegden zij ook welk antwoord zij wedergeven zouden. De eerste was Lucifer, die zijn advies gaf in deze woorden. „Het eerste plan van de Diábolus-mannen zal wel gelukken, n. l. om langs allerlei middelen en wegen Menschziel goddeloos te maken. Er is geen betere weg dan deze tot verderf der ziel. Onze oude vriend Bileam sloeg vóor eenige jaren juist dezen zelfdenNum. 31 : 16.Openb. 2 : 14.weg in, en het gelukte hem best. Laat dit dan regel bij ons wezen en ten allen tijde ons doel, er is niets in de wereld, dat dit tegenstaan kan, dan alleen de genade, waaraan, naar ik hoop, deze stad geen deel heeft. Maar wat het andere punt betreft om op een marktdag te komen en vallen de stad aan, daar moeten wij eerst nog eens goed over denken; want het kon wel eens wezen, dat zij op dien dag dubbele wachten uitzetten, en dat zij ons op zulk eene wijze opwachtten, dat al hunne burgers te wapen liepen. Dan waart gij bedrogen en onze vrienden geraakten in gevaar.”Toen zeide de groote Beëlzebul: „Hetgeen deze overste gezegd heeft dient wel in aanmerking genomen te worden, maar hij zou zich toch kunnen vergissen. Wij moeten daarom eerst eens trachten te weten te komen of de stad Menschziel kennis draagt van haar vervallen staat en van het voornemen, dat wij tegen haar hebben opgevat, zoodat zij hare wachten zou uitzetten op de marktdagen. Sluimeren zij en zijn ze slaperig, welnu, dan kunnen wij het best op een marktdag beproeven. Maar hoe komen wij dat nu te weten? Wacht, laat ons Onheilig binnen roepen, die weet het wel.”Zoo werd dan Onheilig binnengeroepen, en men stelde hem de vraag voor, waarop hij aldus antwoordde: „Mijne heeren, voor zoover ik weet is Menschziel tegenwoordig vervallen in haar geloof en hare liefde; Immanuel, haar vorst heeft haar den rug toegekeerd; wel zendt zij vele verzoekschriften aan hem, maar hij maakt geen haast om die te beantwoorden. Ook wordt er niet veel meer hervormd.”„Wel”, zeide Diábolus, „ik ben er best mede tevreden, dat zij traag zijn om zich te hervormen, maar ik vrees hunne verzoekschriften. Toch toont de loszinnige wandel dezer burgers, dat zij weinig ter harte nemen hetgeen zij aan Immanuel vragen; en is hun hart er niet bij, dan zijn die dingen niet veel waard.”„Indien de zaken aldus staan met Menschziel,” zeide Beëlzebul, „als Onheilig daar zegt, zoo behoeven wij er niet zoo lang over te praten op welken dag wij den aanval zullen doen; dan is er geen kracht in al hunne verrichtingen.”Maar nu begon Apollyon en sprak: „Mijn oordeel in deze zaak is, dat wij zoo zoetjes aan moeten voortgaan en de dingen niet te haastig behandelen. Laat onze vrienden binnen Menschziel slechts voortgaan de stad te verontreinigen en te besmetten door haar meer én meer in de zonde te verstrikken; er is niets, dat haar zooveel kwaad doet als de zonde. Indien dit wel gelukt, zal Menschziel vanzelf wel nalatig zijn in het waken, in het aanbieden van verzoekschriften en al het andere, dat tot hare vastigheid dienen kan. Zij zullen hun Immanuel vergeten, en zijne tegenwoordigheid niet begeeren. Kunnen wij hen tot zulk een leven krijgen, zoo zal hun vorst niet licht tot hen komen. Onze vertrouwde vriend Vleeschelijke-Gerustheid met éen van zijne listen, dreef hem uit de stad; waarom zouden de heeren Gierigheid en Onreinheid hem samen niet buiten de stad kunnen houden? En dit zeg ik u, dat twee of drie Diábolus-mannen, die in Menschziel worden opgenomen, meer doen zullen om Immanuel buiten de stad te houden en haar aan ons over te leveren, dan een leger van een legioen, dat wij zouden kunnen uitzenden om tegen haar te strijden.

Onheilig. „Naar het mij voorkomt in een besten toestand; ten minste wat ons aangaat, want zij hebben zeer afgenomen in godsvrucht en dat doet ons goed. Hun Heer is ook zeer op hen vertoornd, en wij hebben grooten invloed op hen en komen in hunne huizen. Ook heerscht er eene erbarmelijke ziekte onder hen, die hen zwak maakt; zoodat wij goede hope hebben het eindelijk nog te winnen.”

„Geen tijd zoo geschikt als deze,” antwoordde Cerberus, de helhond, „om dit oogmerk te bereiken. Ik wensch het van harte om de arme Diábolus-mannen, welke ouder gedurige vrees voor hun leven in Menschziel wonen.”

Onheilig antwoordde: „Het plan is zoo goed beraamd, en zij zijn maar onnoozele duiven; ze hebben geen hart in hun lijf. Alles wel beschouwd moeten wij het winnen.”

Cerberus. „Het is zooals gij zegt, ga binnen bij de heeren, hier. Ik heb uwen brief reeds overgegeven en zij zullen u een goede belooning geven.”

Onheilig trad dan binnen en als Diábolus hem ontmoette, riep hij hem toe: „Welkom, gij trouwe dienaar, ik ben verblijd over den brief!” Ook de andere overheden van den afgrond groetten hem, waarop Onheilig antwoordde: „Dat Menschziel aan mijnheer Diábolus gegeven worde, en dat hij eeuwig haar koning zij!” En daarop gaven de holle afgrond en de gapende muil van de hel zulk een akelig geluid, dat er de bergen van schudden. Dit gold daar voor muziek.

Nadat zij nu den brief besproken en overwogen hadden, overlegden zij ook welk antwoord zij wedergeven zouden. De eerste was Lucifer, die zijn advies gaf in deze woorden. „Het eerste plan van de Diábolus-mannen zal wel gelukken, n. l. om langs allerlei middelen en wegen Menschziel goddeloos te maken. Er is geen betere weg dan deze tot verderf der ziel. Onze oude vriend Bileam sloeg vóor eenige jaren juist dezen zelfdenNum. 31 : 16.Openb. 2 : 14.weg in, en het gelukte hem best. Laat dit dan regel bij ons wezen en ten allen tijde ons doel, er is niets in de wereld, dat dit tegenstaan kan, dan alleen de genade, waaraan, naar ik hoop, deze stad geen deel heeft. Maar wat het andere punt betreft om op een marktdag te komen en vallen de stad aan, daar moeten wij eerst nog eens goed over denken; want het kon wel eens wezen, dat zij op dien dag dubbele wachten uitzetten, en dat zij ons op zulk eene wijze opwachtten, dat al hunne burgers te wapen liepen. Dan waart gij bedrogen en onze vrienden geraakten in gevaar.”

Toen zeide de groote Beëlzebul: „Hetgeen deze overste gezegd heeft dient wel in aanmerking genomen te worden, maar hij zou zich toch kunnen vergissen. Wij moeten daarom eerst eens trachten te weten te komen of de stad Menschziel kennis draagt van haar vervallen staat en van het voornemen, dat wij tegen haar hebben opgevat, zoodat zij hare wachten zou uitzetten op de marktdagen. Sluimeren zij en zijn ze slaperig, welnu, dan kunnen wij het best op een marktdag beproeven. Maar hoe komen wij dat nu te weten? Wacht, laat ons Onheilig binnen roepen, die weet het wel.”

Zoo werd dan Onheilig binnengeroepen, en men stelde hem de vraag voor, waarop hij aldus antwoordde: „Mijne heeren, voor zoover ik weet is Menschziel tegenwoordig vervallen in haar geloof en hare liefde; Immanuel, haar vorst heeft haar den rug toegekeerd; wel zendt zij vele verzoekschriften aan hem, maar hij maakt geen haast om die te beantwoorden. Ook wordt er niet veel meer hervormd.”

„Wel”, zeide Diábolus, „ik ben er best mede tevreden, dat zij traag zijn om zich te hervormen, maar ik vrees hunne verzoekschriften. Toch toont de loszinnige wandel dezer burgers, dat zij weinig ter harte nemen hetgeen zij aan Immanuel vragen; en is hun hart er niet bij, dan zijn die dingen niet veel waard.”

„Indien de zaken aldus staan met Menschziel,” zeide Beëlzebul, „als Onheilig daar zegt, zoo behoeven wij er niet zoo lang over te praten op welken dag wij den aanval zullen doen; dan is er geen kracht in al hunne verrichtingen.”

Maar nu begon Apollyon en sprak: „Mijn oordeel in deze zaak is, dat wij zoo zoetjes aan moeten voortgaan en de dingen niet te haastig behandelen. Laat onze vrienden binnen Menschziel slechts voortgaan de stad te verontreinigen en te besmetten door haar meer én meer in de zonde te verstrikken; er is niets, dat haar zooveel kwaad doet als de zonde. Indien dit wel gelukt, zal Menschziel vanzelf wel nalatig zijn in het waken, in het aanbieden van verzoekschriften en al het andere, dat tot hare vastigheid dienen kan. Zij zullen hun Immanuel vergeten, en zijne tegenwoordigheid niet begeeren. Kunnen wij hen tot zulk een leven krijgen, zoo zal hun vorst niet licht tot hen komen. Onze vertrouwde vriend Vleeschelijke-Gerustheid met éen van zijne listen, dreef hem uit de stad; waarom zouden de heeren Gierigheid en Onreinheid hem samen niet buiten de stad kunnen houden? En dit zeg ik u, dat twee of drie Diábolus-mannen, die in Menschziel worden opgenomen, meer doen zullen om Immanuel buiten de stad te houden en haar aan ons over te leveren, dan een leger van een legioen, dat wij zouden kunnen uitzenden om tegen haar te strijden.

frame bottom

PROFAAN EN BOOS.„Laat dus de onzen maar lustig voortgaan binnen Menschziel met alle denkbare list en behendigheid, en laat hen voortdurend onder deze of gene vermomming eenigen van de hunnen uitzenden om zich met het volk van Menschziel te vermaken, en het zal niet eens noodig zijn, dat wij een oorlog met hen beginnen. En mocht dit toch het geval zijn, dan verzeker ik u, dat hoe zondiger zij zijn, zij ook des te onmachtiger zullen wezen. Daarenboven neemt eens het ergste wat gebeuren kan, namelijk dat Immanuel tot hen wederkeerde, waarom zou hij door diezelfde redenen nog niet eenmaal kunnen worden uitgedreven? Waarom zou hij niet voor eeuwig van hen kunnen scheiden, en gebeurt dat, dan gaan immers ook zijne kapiteins, zijne soldaten, zijne stormrammen weg, en Menschziel blijft naakt en bloot achter. Zal de aldus beroofde stad dan niet vanzelf hare poorten voor u openzetten als in de dagen van ouds? Maar dit is een werk van tijd, niet van eenige dagen.”Nauwelijks had Apollyon gedaan of Diábolus barstte in groote woede en grimmigheid uit en bepleitte zijne zaak aldus: „Mijne heeren en machthebbers van dezen afgrond, oprechte en getrouwe vrienden, met groot ongeduld heb ik naar uw lange redevoeringen geluisterd. Mijn gapende muil en ledige buik verlangt zoo smachtend naar het weder in bezit nemen van mijn beroemde stad Menschziel, dat wat er ook van komen moge, het mij onmogelijk is den afloop van zoo langdradige handelwijzen af te wachten. Ik moet zonder uitstel trachten door alle mogelijke middelen mijn onverzadelijken kolk des afgronds te vullen met ziel en lichaam der stad Menschziel. Leent daarom uwe hoofden, harten, handen, waar ik heenga om mijne stad te herwinnen!”

PROFAAN EN BOOS.

„Laat dus de onzen maar lustig voortgaan binnen Menschziel met alle denkbare list en behendigheid, en laat hen voortdurend onder deze of gene vermomming eenigen van de hunnen uitzenden om zich met het volk van Menschziel te vermaken, en het zal niet eens noodig zijn, dat wij een oorlog met hen beginnen. En mocht dit toch het geval zijn, dan verzeker ik u, dat hoe zondiger zij zijn, zij ook des te onmachtiger zullen wezen. Daarenboven neemt eens het ergste wat gebeuren kan, namelijk dat Immanuel tot hen wederkeerde, waarom zou hij door diezelfde redenen nog niet eenmaal kunnen worden uitgedreven? Waarom zou hij niet voor eeuwig van hen kunnen scheiden, en gebeurt dat, dan gaan immers ook zijne kapiteins, zijne soldaten, zijne stormrammen weg, en Menschziel blijft naakt en bloot achter. Zal de aldus beroofde stad dan niet vanzelf hare poorten voor u openzetten als in de dagen van ouds? Maar dit is een werk van tijd, niet van eenige dagen.”

Nauwelijks had Apollyon gedaan of Diábolus barstte in groote woede en grimmigheid uit en bepleitte zijne zaak aldus: „Mijne heeren en machthebbers van dezen afgrond, oprechte en getrouwe vrienden, met groot ongeduld heb ik naar uw lange redevoeringen geluisterd. Mijn gapende muil en ledige buik verlangt zoo smachtend naar het weder in bezit nemen van mijn beroemde stad Menschziel, dat wat er ook van komen moge, het mij onmogelijk is den afloop van zoo langdradige handelwijzen af te wachten. Ik moet zonder uitstel trachten door alle mogelijke middelen mijn onverzadelijken kolk des afgronds te vullen met ziel en lichaam der stad Menschziel. Leent daarom uwe hoofden, harten, handen, waar ik heenga om mijne stad te herwinnen!”

frame bottom

frame bottom

Toen de edelen en vorsten van den put des afgronds de brandende begeerte van Diábolus zagen om de ellendige stad Menschziel te verslinden, hielden zij op met tegenwerpingen te maken; maar het moet gezegd worden, dat volgens den raad van Apollyon handelend, de verwoesting der stad veel grooter zou geweest zijn. Maar nu waren zij bereid hun opperheer met alle macht bij te staan, daar zij hem later weder noodig konden hebben voor andere ontwerpen. Zoo overlegde men dan met hoeveel en met welke soldaten Diábolus zou optrekken tegen de stad Menschziel om haar in te nemen. Na eenig beraadslagen werd algemeen toegestemd dat het een leger van machtige twijfelaars wezen zou. Tusschen de twintig en dertig duizend scheen hun voldoende.Het besluit van den breeden raad hield dus in, dat Diábolus nu onmiddellijk den trom zou laten roeren om volk aan te werven in het land van Twijfelzucht, dat niet verre van Hellepoortsheuvel aflag; altemaal volk, dat hij uitmuntend kon gebruiken tegen de ellendige stad Menschziel. Ook werd vastgesteld, dat de heeren zelven hem in den oorlog zouden bijstaan en te dien einde het leger commandeeren en aanvoeren.Zij stelden dan wederom een brief op en zonden dien aan de Diábolus-mannen, die intusschen Menschziel begluurden en op de terugkomst van Onheilig wachtten. Wij zullen dezen brief maar niet in zijn geheel wedergeven. Wij weten reeds hoe men daar in die nare en duistere hellespelonk schreef. Zij ontkenden ook thans niet, dat zij bezield waren met het allervergiftigste oogmerk en bedoelen tegen de stad Menschziel. Al dat helsche gebroed verheugde zich in de aanvankelijk goede uitkomst en maakte nu ook de verdere pogingen bekend, die door hen zouden worden aangewend. Dat het leger van Diábolus volgens den raad der Diábolus-mannen uit de stad van enkel twijfelaars zou zijn samengesteld, meer dan twintig duizend in getal. „Allen wakkere mannen en van schrikbarend voorkomen,” aldus stond in den brief, „lieden van ouds in den oorlog gewoon, en die den trommel wel hooren mogen.” Het helsche geschrift eindigde aldus:„Wat den tijd onzer komst vóor Menschziel betreft, zoo is nog niet bepaald of het een marktdag of wel een nacht, die op een marktdag volgt, zal wezen. Houdt gij u in ieder geval gereed bij het hooren van onzen trommelslag. De edele heeren Lucifer, Beëlzebul, Apollyon, Legio en al de anderen groeten u, gelijk ook Diábolus zelf, en wenschen u denzelfden voorspoed, dien wij genieten.”Onheilig had in het naar huis gaan weder een gesprek met den portier Cerberus, die hem naar de boodschap vraagde, welke hij had meêgekregen; waarop Onheilig antwoordde, dat al de plannen der Diábolus-mannen in de stad waren goedgekeurd.„En,” vraagde Cerberus, „is het Diábolus’ voornemen om zelf mee op te trekken?”„Voorzeker,” was het antwoord „en dat wel met meer dan twintig duizend man, altemaal twijfelaars, in den oorlog geoefend.”Toen werd Cerberus vroolijk en riep uit: „Als er zulke maatregelen genomen zijn, dan zou ook ik wel mede optrekken willen aan het hoofd van een duizendtal, om mijne dapperheid te toonen.”„Welnu,” zeide Onheilig, „waarom zou dat niet kunnen geschieden? Maar ik heb nu haast en moet voort.”„Ja, haast u, mijn vriend, en zeg aan de vrienden binnen Menschziel, dat ook Cerberus hen laat groeten en van ijver brandt om hen te hulp te komen.” Zoo namen dan die twee afscheid en keerde Onheilig naar Menschziel terug, in de legerplaats van den heer Boos, waar de Diábolus-mannen hem reeds verwachtten, en met graagte den brief lazen en alles vernamen wat Onheilig te zeggen had.Aldus was nu de tegenwoordige toestand der ongelukkige stad Menschziel; zij had haren vorst beleedigd en hij was heengegaan; zij had de machten der hel aangemoedigd door hare dwaasheid, en tot haar eigen verderf hen tot zich gelokt. Wel had de stad hare zonde leeren beseffen, maar de Diábolus-mannen roerden zich in hare ingewanden; zij riep, maar Immanuel was heengegaan en hare kreten bereikten niet meer zooals vroeger zijn oor. Bovendien wist zij niet wanneer en of hij wel ooit zou terugkeeren. Daarbij kende zij de listige aanslagen van den vijand niet en hoe gereed deze stond om tegen haar op te trekken met het gansche komplot der hel.

Toen de edelen en vorsten van den put des afgronds de brandende begeerte van Diábolus zagen om de ellendige stad Menschziel te verslinden, hielden zij op met tegenwerpingen te maken; maar het moet gezegd worden, dat volgens den raad van Apollyon handelend, de verwoesting der stad veel grooter zou geweest zijn. Maar nu waren zij bereid hun opperheer met alle macht bij te staan, daar zij hem later weder noodig konden hebben voor andere ontwerpen. Zoo overlegde men dan met hoeveel en met welke soldaten Diábolus zou optrekken tegen de stad Menschziel om haar in te nemen. Na eenig beraadslagen werd algemeen toegestemd dat het een leger van machtige twijfelaars wezen zou. Tusschen de twintig en dertig duizend scheen hun voldoende.

Het besluit van den breeden raad hield dus in, dat Diábolus nu onmiddellijk den trom zou laten roeren om volk aan te werven in het land van Twijfelzucht, dat niet verre van Hellepoortsheuvel aflag; altemaal volk, dat hij uitmuntend kon gebruiken tegen de ellendige stad Menschziel. Ook werd vastgesteld, dat de heeren zelven hem in den oorlog zouden bijstaan en te dien einde het leger commandeeren en aanvoeren.

Zij stelden dan wederom een brief op en zonden dien aan de Diábolus-mannen, die intusschen Menschziel begluurden en op de terugkomst van Onheilig wachtten. Wij zullen dezen brief maar niet in zijn geheel wedergeven. Wij weten reeds hoe men daar in die nare en duistere hellespelonk schreef. Zij ontkenden ook thans niet, dat zij bezield waren met het allervergiftigste oogmerk en bedoelen tegen de stad Menschziel. Al dat helsche gebroed verheugde zich in de aanvankelijk goede uitkomst en maakte nu ook de verdere pogingen bekend, die door hen zouden worden aangewend. Dat het leger van Diábolus volgens den raad der Diábolus-mannen uit de stad van enkel twijfelaars zou zijn samengesteld, meer dan twintig duizend in getal. „Allen wakkere mannen en van schrikbarend voorkomen,” aldus stond in den brief, „lieden van ouds in den oorlog gewoon, en die den trommel wel hooren mogen.” Het helsche geschrift eindigde aldus:

„Wat den tijd onzer komst vóor Menschziel betreft, zoo is nog niet bepaald of het een marktdag of wel een nacht, die op een marktdag volgt, zal wezen. Houdt gij u in ieder geval gereed bij het hooren van onzen trommelslag. De edele heeren Lucifer, Beëlzebul, Apollyon, Legio en al de anderen groeten u, gelijk ook Diábolus zelf, en wenschen u denzelfden voorspoed, dien wij genieten.”

Onheilig had in het naar huis gaan weder een gesprek met den portier Cerberus, die hem naar de boodschap vraagde, welke hij had meêgekregen; waarop Onheilig antwoordde, dat al de plannen der Diábolus-mannen in de stad waren goedgekeurd.

„En,” vraagde Cerberus, „is het Diábolus’ voornemen om zelf mee op te trekken?”

„Voorzeker,” was het antwoord „en dat wel met meer dan twintig duizend man, altemaal twijfelaars, in den oorlog geoefend.”

Toen werd Cerberus vroolijk en riep uit: „Als er zulke maatregelen genomen zijn, dan zou ook ik wel mede optrekken willen aan het hoofd van een duizendtal, om mijne dapperheid te toonen.”

„Welnu,” zeide Onheilig, „waarom zou dat niet kunnen geschieden? Maar ik heb nu haast en moet voort.”

„Ja, haast u, mijn vriend, en zeg aan de vrienden binnen Menschziel, dat ook Cerberus hen laat groeten en van ijver brandt om hen te hulp te komen.” Zoo namen dan die twee afscheid en keerde Onheilig naar Menschziel terug, in de legerplaats van den heer Boos, waar de Diábolus-mannen hem reeds verwachtten, en met graagte den brief lazen en alles vernamen wat Onheilig te zeggen had.

Aldus was nu de tegenwoordige toestand der ongelukkige stad Menschziel; zij had haren vorst beleedigd en hij was heengegaan; zij had de machten der hel aangemoedigd door hare dwaasheid, en tot haar eigen verderf hen tot zich gelokt. Wel had de stad hare zonde leeren beseffen, maar de Diábolus-mannen roerden zich in hare ingewanden; zij riep, maar Immanuel was heengegaan en hare kreten bereikten niet meer zooals vroeger zijn oor. Bovendien wist zij niet wanneer en of hij wel ooit zou terugkeeren. Daarbij kende zij de listige aanslagen van den vijand niet en hoe gereed deze stond om tegen haar op te trekken met het gansche komplot der hel.

frame bottom

KRIJGSRAAD IN MENSCHZIEL.

KRIJGSRAAD IN MENSCHZIEL.

frame top

Wel zond zij voortdurend verzoekschriften naar den vorst, maar hij beantwoordde die met stilzwijgen. Zij verzuimde zich te hervormen en dat was Diábolus naar den zin; want hij wist, dat, indien zij de ongerechtigheid in haar hart toeliet, haar koning haar gebed niet hooren zou; daarom werd zij nu al zwakker en zwakker en was als een rollend blad voor den wind. Zij riep tot haren koning om hulp en duldde Diábolus-mannen in haren boezem: wat kon daarom haar koning voor haar doen? Ja, daar scheen nu wel eene vermenging plaats te hebben in Menschziel, want de burgers der stad en de Diábolus-mannen wandelden samen langs de straten. Zelfs dachten de mannen van Menschziel er aan om met hen vrede te sluiten, daar de krankheid binnen de stad zoo doodelijk was geweest, en zij zoodanig daardoor waren gedund en verzwakt, dat het toch tevergeefs zou wezen tegen hen te vechten. De zwakheid van Menschziel was de kracht van hare vijanden,[37]en de zonde van Menschziel in het voordeel der Diábolus-mannen. Zoo begonnen dan reeds deze lieden zich te verbeelden, dat zij de stad in eigendom konden krijgen; beiden schenen nu reeds het bezit daarvan met elkander te deelen. Ja, de Diábolus-mannen groeiden aan en namen toe, terwijl de stad zelf verminderde. Meer dan elfduizend mannen, vrouwen en kinderen waren aan de ziekte gestorven.[37]De zwakheid van Menschziel was de kracht harer vijanden. Bunyan beschrijft meesterlijk den ellendigen toestand der ziel, die buiten Gods gemeenschap in Christus leeft, omdat zij die heeft verzondigd. Alles is krachteloos; ’t is vorm wat er nog overblijft van godsdienstige verrichtingen, een vorm der godzaligheid, maar die de kracht daarvan verloochent.HOOFDSTUK XI.HET COMPLOT ONTDEKT.VVolgens het welbehagen van El-Schaddaï was daar iemand in de stad, die Toezicht heette, een groot vriend der inwoners en die Menschziel liefhad. Deze man had tot gewoonte aangenomen om overal in de stad te luisteren en op te letten, of hij ook iets te hooren of te zien kreeg, dat kwade gevolgen hebben kon. Hij vertrouwde de Diábolus-mannen evenmin binnen als buiten de stad. Nu gebeurde het eens, dat deze heer Toezicht op eene plaats, genaamd Kwaadheuvel, kwam, waar de vrienden van Diábolus plachten saam te komen; zoo hoorde hij eenig gemompel, (gij moet weten, dat het nacht was), en sloop zachtkens naderbij om beter te kunnen luisteren wat daar besproken werd. Al dadelijk ving hij een gesprek op, waarin iemand verklaarde, dat het niet lang meer duren zou of Diábolus was meester van de stad Menschziel, en dat dan al de burgers met het zwaard zouden worden gedood, al ’s konings kapiteins verjaagd en al zijne soldaten uit de stad gedreven. Hij voegde daarbij, dat er reeds een leger van twintig duizend strijdbare mannen bij Diábolus gereed stond om dit voornemen tot werkelijkheid te brengen; het zou geen maand meer duren, of dit alles was gebeurd.Nauwelijks had Toezicht dit gehoord of hij begaf zich naar het huis van den Burgemeester en stelde er dezen mede in kennis. De Burgemeester zond dadelijk naar den heer Geweten, die het ambt van tweeden prediker waarnam, opdat hij alarm zou roepen in de stad. De Oppersecretaris was nog ongesteld.[38]Zoo liet dan ook even spoedig de heer Geweten de klok luiden en kwam het volk samen, waarop hij hen dadelijk eene korte vermaning gaf om toch waakzaam te wezen, en tevens het nieuws, dat Toezicht bracht, bekend maakte. „Een vreeselijke samenzweering is tegen ons gesmeed,” zeide hij; „de heer Toezicht, die er de man niet naar is om iets leugenachtigs bekend te maken, heeft het ons ontdekt. Ik zal hem roepen, dan kunt gij hem zelf hooren.”Dit gebeurde en Toezicht verhaalde nauwkeurig al wat hij op Kwaadheuvel van de Diábolusmannen vernomen had. Ieder moest er de waarheid van inzien, vooral nadat de prediker gezegd had: „Het is volstrekt niet bevreemdend, dat de Diábolus-mannen zulke ontwerpen smeden; want door onze eigen schuld hebben wij El-Schaddaï beleedigd, zijn zoon Immanuel aanleiding gegeven onze stad te verlaten en ons zeer verzwakt; terwijl wij in veel te vriendschappelijke verstandhouding met dat slechte volk leven. De krankheid, die in onze stad is, verzwakt ons; menig dapper en goed burger is gestorven en de Diábolus-mannen worden hoe langer hoe sterker. Bovendien heb ik van Toezicht vernomen, dat er verscheidene brieven heen en weer geschreven zijn naar en van Diábolus, die niets liever ziet dan den ondergang der stad.”[38]De oppersecretaris was nog ongesteld. De Heilige Geest was bedroefd en daarom geweken. De ziel ondervond de kracht des Geestes niet, echter niet omdat de Geest „ongesteld” wezen zou; maar omdat er geene gemeenschapsoefening met hem is.

Wel zond zij voortdurend verzoekschriften naar den vorst, maar hij beantwoordde die met stilzwijgen. Zij verzuimde zich te hervormen en dat was Diábolus naar den zin; want hij wist, dat, indien zij de ongerechtigheid in haar hart toeliet, haar koning haar gebed niet hooren zou; daarom werd zij nu al zwakker en zwakker en was als een rollend blad voor den wind. Zij riep tot haren koning om hulp en duldde Diábolus-mannen in haren boezem: wat kon daarom haar koning voor haar doen? Ja, daar scheen nu wel eene vermenging plaats te hebben in Menschziel, want de burgers der stad en de Diábolus-mannen wandelden samen langs de straten. Zelfs dachten de mannen van Menschziel er aan om met hen vrede te sluiten, daar de krankheid binnen de stad zoo doodelijk was geweest, en zij zoodanig daardoor waren gedund en verzwakt, dat het toch tevergeefs zou wezen tegen hen te vechten. De zwakheid van Menschziel was de kracht van hare vijanden,[37]en de zonde van Menschziel in het voordeel der Diábolus-mannen. Zoo begonnen dan reeds deze lieden zich te verbeelden, dat zij de stad in eigendom konden krijgen; beiden schenen nu reeds het bezit daarvan met elkander te deelen. Ja, de Diábolus-mannen groeiden aan en namen toe, terwijl de stad zelf verminderde. Meer dan elfduizend mannen, vrouwen en kinderen waren aan de ziekte gestorven.

[37]De zwakheid van Menschziel was de kracht harer vijanden. Bunyan beschrijft meesterlijk den ellendigen toestand der ziel, die buiten Gods gemeenschap in Christus leeft, omdat zij die heeft verzondigd. Alles is krachteloos; ’t is vorm wat er nog overblijft van godsdienstige verrichtingen, een vorm der godzaligheid, maar die de kracht daarvan verloochent.

[37]De zwakheid van Menschziel was de kracht harer vijanden. Bunyan beschrijft meesterlijk den ellendigen toestand der ziel, die buiten Gods gemeenschap in Christus leeft, omdat zij die heeft verzondigd. Alles is krachteloos; ’t is vorm wat er nog overblijft van godsdienstige verrichtingen, een vorm der godzaligheid, maar die de kracht daarvan verloochent.

VVolgens het welbehagen van El-Schaddaï was daar iemand in de stad, die Toezicht heette, een groot vriend der inwoners en die Menschziel liefhad. Deze man had tot gewoonte aangenomen om overal in de stad te luisteren en op te letten, of hij ook iets te hooren of te zien kreeg, dat kwade gevolgen hebben kon. Hij vertrouwde de Diábolus-mannen evenmin binnen als buiten de stad. Nu gebeurde het eens, dat deze heer Toezicht op eene plaats, genaamd Kwaadheuvel, kwam, waar de vrienden van Diábolus plachten saam te komen; zoo hoorde hij eenig gemompel, (gij moet weten, dat het nacht was), en sloop zachtkens naderbij om beter te kunnen luisteren wat daar besproken werd. Al dadelijk ving hij een gesprek op, waarin iemand verklaarde, dat het niet lang meer duren zou of Diábolus was meester van de stad Menschziel, en dat dan al de burgers met het zwaard zouden worden gedood, al ’s konings kapiteins verjaagd en al zijne soldaten uit de stad gedreven. Hij voegde daarbij, dat er reeds een leger van twintig duizend strijdbare mannen bij Diábolus gereed stond om dit voornemen tot werkelijkheid te brengen; het zou geen maand meer duren, of dit alles was gebeurd.

Nauwelijks had Toezicht dit gehoord of hij begaf zich naar het huis van den Burgemeester en stelde er dezen mede in kennis. De Burgemeester zond dadelijk naar den heer Geweten, die het ambt van tweeden prediker waarnam, opdat hij alarm zou roepen in de stad. De Oppersecretaris was nog ongesteld.[38]Zoo liet dan ook even spoedig de heer Geweten de klok luiden en kwam het volk samen, waarop hij hen dadelijk eene korte vermaning gaf om toch waakzaam te wezen, en tevens het nieuws, dat Toezicht bracht, bekend maakte. „Een vreeselijke samenzweering is tegen ons gesmeed,” zeide hij; „de heer Toezicht, die er de man niet naar is om iets leugenachtigs bekend te maken, heeft het ons ontdekt. Ik zal hem roepen, dan kunt gij hem zelf hooren.”

Dit gebeurde en Toezicht verhaalde nauwkeurig al wat hij op Kwaadheuvel van de Diábolusmannen vernomen had. Ieder moest er de waarheid van inzien, vooral nadat de prediker gezegd had: „Het is volstrekt niet bevreemdend, dat de Diábolus-mannen zulke ontwerpen smeden; want door onze eigen schuld hebben wij El-Schaddaï beleedigd, zijn zoon Immanuel aanleiding gegeven onze stad te verlaten en ons zeer verzwakt; terwijl wij in veel te vriendschappelijke verstandhouding met dat slechte volk leven. De krankheid, die in onze stad is, verzwakt ons; menig dapper en goed burger is gestorven en de Diábolus-mannen worden hoe langer hoe sterker. Bovendien heb ik van Toezicht vernomen, dat er verscheidene brieven heen en weer geschreven zijn naar en van Diábolus, die niets liever ziet dan den ondergang der stad.”

[38]De oppersecretaris was nog ongesteld. De Heilige Geest was bedroefd en daarom geweken. De ziel ondervond de kracht des Geestes niet, echter niet omdat de Geest „ongesteld” wezen zou; maar omdat er geene gemeenschapsoefening met hem is.

[38]De oppersecretaris was nog ongesteld. De Heilige Geest was bedroefd en daarom geweken. De ziel ondervond de kracht des Geestes niet, echter niet omdat de Geest „ongesteld” wezen zou; maar omdat er geene gemeenschapsoefening met hem is.

frame bottom

BEGEERLIJKHEID WORDT GEVANGEN GENOMEN.Toen Menschziel dit alles hoorde hief zij hare stem op en weende. Toezicht stemde daarmede in. Intusschen beraamden zij plannen om een nieuw verzoekschrift aan El-Schaddaï en zijn zoon op te zenden.[39]Ook zochten zij de kapiteins op en verzochten hen toch goed wacht te houden en gereed te zijn tegen een mogelijken overval; hunne wapenrusting na te zien, en vooral goeden moed te hebben.Toen de kapiteins dit hoorden, zij die allen Menschziel in waarheid liefhadden, schudden zij zich uit evenals Simson toen hij van de hinderlaag der Filistijnen hoorde, en kwamen zij dadelijk samen om te beraadslagen wat er te doen stond. Zij besloten tot het volgende.1e. Dat de poorten zouden worden gesloten en met bouten en grendelen voorzien, en dat alle in- en uitgaande lieden nauwkeurig zouden worden onderzocht.1 Cor. 16 : 13.Daardoor meenden zij te kunnen ontdekken wie de personen waren, die met Diábolus in verbintenis stonden.Klaagl. 3 : 40.2e. Vervolgens zou een nauwkeurig onderzoek worden ingesteld binnen de stad; huiszoeking gedaan bij iederen burger ofHebr. 12 : 15, 16.daar ook Diábolus-mannen verborgen waren.[39]Plannen om een nieuw verzoekschrift op te zenden. Nood leert bidden; maar dat gebed voldeed niet aan de vereischten van een ootmoedig geloofsgebed, dat verhooring vindt. Ook de Christelijke deugden werden weder beoefend met meer ijver, terwijl de waakzaamheid toenam. Dit alles is prijzenswaard, maar ’t kan werk zijn in eigen kracht en eigengerechtigheid kweeken. Het geestelijk leven is eennauwleven.

BEGEERLIJKHEID WORDT GEVANGEN GENOMEN.

Toen Menschziel dit alles hoorde hief zij hare stem op en weende. Toezicht stemde daarmede in. Intusschen beraamden zij plannen om een nieuw verzoekschrift aan El-Schaddaï en zijn zoon op te zenden.[39]Ook zochten zij de kapiteins op en verzochten hen toch goed wacht te houden en gereed te zijn tegen een mogelijken overval; hunne wapenrusting na te zien, en vooral goeden moed te hebben.

Toen de kapiteins dit hoorden, zij die allen Menschziel in waarheid liefhadden, schudden zij zich uit evenals Simson toen hij van de hinderlaag der Filistijnen hoorde, en kwamen zij dadelijk samen om te beraadslagen wat er te doen stond. Zij besloten tot het volgende.

1e. Dat de poorten zouden worden gesloten en met bouten en grendelen voorzien, en dat alle in- en uitgaande lieden nauwkeurig zouden worden onderzocht.1 Cor. 16 : 13.Daardoor meenden zij te kunnen ontdekken wie de personen waren, die met Diábolus in verbintenis stonden.Klaagl. 3 : 40.

2e. Vervolgens zou een nauwkeurig onderzoek worden ingesteld binnen de stad; huiszoeking gedaan bij iederen burger ofHebr. 12 : 15, 16.daar ook Diábolus-mannen verborgen waren.

[39]Plannen om een nieuw verzoekschrift op te zenden. Nood leert bidden; maar dat gebed voldeed niet aan de vereischten van een ootmoedig geloofsgebed, dat verhooring vindt. Ook de Christelijke deugden werden weder beoefend met meer ijver, terwijl de waakzaamheid toenam. Dit alles is prijzenswaard, maar ’t kan werk zijn in eigen kracht en eigengerechtigheid kweeken. Het geestelijk leven is eennauwleven.

[39]Plannen om een nieuw verzoekschrift op te zenden. Nood leert bidden; maar dat gebed voldeed niet aan de vereischten van een ootmoedig geloofsgebed, dat verhooring vindt. Ook de Christelijke deugden werden weder beoefend met meer ijver, terwijl de waakzaamheid toenam. Dit alles is prijzenswaard, maar ’t kan werk zijn in eigen kracht en eigengerechtigheid kweeken. Het geestelijk leven is eennauwleven.

frame bottom

frame top

3e. Verder, dat ieder bij wien een Diábolus-man gevonden werd, om het even wie hetJer. 2 : 34; 5 : 26.Ezech. 16 : 52.ook wezen mocht, die huisvesting en voedsel aan dat gespuis verleend had, op een openbare plaats tot zijn groote schaamte en schande zou worden te pronk gezet.4e. Dat een openbare vast- en bededag zou worden uitgeroepen, opdat de gansche stad Menschziel zich verootmoedigde wegens hare overtredingen tegen haar grooten VorstJoël 1 : 14; 2 : 15, 16.en Heere. Allen, die daar niet mede instemden en voortgingen met hunnen arbeid op den bededag, zouden voor Diábolus-mannen gehouden worden en hunne ongerechtigheid dragen.5e. Ook werd nog besloten, met hunne dringende smeekschriften om hulp, tijding naar het hof te zenden van hetgeen deJes. 37 : 4.heer Toezicht had ontdekt en openbaar gemaakt.6e. Terwijl eindelijk den heer Toezicht uit naam der stad werd dank gezegd voor hetgeen hij had gedaan en hem de post van schout bij nacht werd opgedragen.Volgens deze besluiten werd nu ook gehandeld en de nieuwe schout bij nacht bekleedde zijn post met grooten ijver en opoffering van eigen rust en gemak. De man was altijd ijverig in de weer, en lag op zijn loer wanneer hij vermoeid was van het omzwerven. Inderdaad, Menschziel had dien post aan niemand beter kunnen opdragen dan aan dezen persoon. Niet vele dagen daarna als hij zijne onderzoekingstochten ook tot ver buiten de stad voortzette, kwam hij bij Hellepoortsheuvel in het land der Twijfelaars, waar hij tot zijn schrik vernam, dat Diábolus reeds alles gereed had om op te trekken. Daarom kwam hij met haast terug en riep de oudsten van Menschziel samen, en deed hun verslag van hetgeen hij vernam, in het bijzonder ook dat Diábolus den ouden heer Ongeloof tot opperbevelhebber van zijn leger had aangesteld, dat dit leger uit meer dan twintig duizend man bestond, die allen Twijfelaars waren. Diábolus had het voornemen alle voorname vorsten van den helschen afgrond tot kapiteins aan te stellen, en vele prinsen van het Zwarte Woud stonden met den hellevorst in betrekking. De Twijfelaars hadden zich ook verpraat, niet wetende met welk doel onze Schout bij nacht hen uithoorde en aan den heer Toezicht verteld, dat de reden waarom de oude heer Ongeloof veldmaarschalk was geworden hierin bestond, dat niemand aan Diábolus trouwer was dan hij, en hij sedert zijne ontvluchting uit Menschziel deze stad doodelijk was blijven haten, naar niets vuriger verlangende dan zich op haar te kunnen wreken wegens den smaad hem aangedaan. Ook is niemand beter dan hij met de stad bekend omdat hij er eertijds heerschte. Dit alles deelde de trouwe schout bij nacht mede.Toen nu de kapiteins van Menschziel met de oudsten der stad dit alles vernamen,[40]begrepen zij dat niets beter was dan onmiddellijk de wetten uit te voeren, die hun Vorst tegen de Diábolus-mannen had uitgevaardigd. In het huis van den heer Gemoed en van den grooten heer Vastewil woonden nog twee daarvan. Bij den eerste woonde Begeerlijkheid, maar die zijn naam veranderd had in Spaarzaam. Bij den laatste vond men Onreinheid, maar die zich Geoorloofd Vermaak liet noemen. De kapiteins en oudsten namen nu deze twee gevangen en gaven hen over aan den stokbewaarder Getrouwe, die hen zwaar met ketenen belaadde en zoo nauw opsloot, dat ze de tering kregen en in de gevangenis stierven. Hunne meesters moesten ook in het openbaar boete doen, dat wil zeggen: in eene openbare plaats zich vertoonen om volledige schuldbelijdenis af te leggen.[41]Daarna trachtten de kapiteins en oudsten nog meerdere Diábolus-mannen machtig te worden en in hunne kuilen en spelonken na te speuren; maar ofschoon zij de afdruksels hunner voetstappen duidelijk zagen, zoo was het hun onmogelijk hen te grijpen, zelfs waar zij hun onaangenamen geur roken. Dat gebroed wist zich wonderwel te verschuilen. Toch heerschte nu Menschziel met een sterken arm over de Diábolisten, zoodat het hun geraden was zich schuil te houden. Er was een tijd geweest, dat ze op klaarlichten dag langs de straten durfden wandelen, maar die tijd was voorbij. Ze vlogen nu als nachtuilen in het duister. Alle burgers zagen hen nu voor hun doodvijanden aan, zoo goed had de heer Toezicht zijn werk verricht.[40]Toen nu de kapiteins van Menschziel dit alles vernamen. Bij de zonden der ziel voegde zich nu de listen des satans, die het op den ondergang van het kind Gods gemunt heeft. Maar uit hetgeen hier medegedeeld wordt, blijkt, dat zijne listen ons niet onbekend zijn.[41]Schuldbelijdenis afleggen. De ziel begint alles te onderzoeken en alles te belijden, en wat beleden is wordt vergeven.

3e. Verder, dat ieder bij wien een Diábolus-man gevonden werd, om het even wie hetJer. 2 : 34; 5 : 26.Ezech. 16 : 52.ook wezen mocht, die huisvesting en voedsel aan dat gespuis verleend had, op een openbare plaats tot zijn groote schaamte en schande zou worden te pronk gezet.

4e. Dat een openbare vast- en bededag zou worden uitgeroepen, opdat de gansche stad Menschziel zich verootmoedigde wegens hare overtredingen tegen haar grooten VorstJoël 1 : 14; 2 : 15, 16.en Heere. Allen, die daar niet mede instemden en voortgingen met hunnen arbeid op den bededag, zouden voor Diábolus-mannen gehouden worden en hunne ongerechtigheid dragen.

5e. Ook werd nog besloten, met hunne dringende smeekschriften om hulp, tijding naar het hof te zenden van hetgeen deJes. 37 : 4.heer Toezicht had ontdekt en openbaar gemaakt.

6e. Terwijl eindelijk den heer Toezicht uit naam der stad werd dank gezegd voor hetgeen hij had gedaan en hem de post van schout bij nacht werd opgedragen.

Volgens deze besluiten werd nu ook gehandeld en de nieuwe schout bij nacht bekleedde zijn post met grooten ijver en opoffering van eigen rust en gemak. De man was altijd ijverig in de weer, en lag op zijn loer wanneer hij vermoeid was van het omzwerven. Inderdaad, Menschziel had dien post aan niemand beter kunnen opdragen dan aan dezen persoon. Niet vele dagen daarna als hij zijne onderzoekingstochten ook tot ver buiten de stad voortzette, kwam hij bij Hellepoortsheuvel in het land der Twijfelaars, waar hij tot zijn schrik vernam, dat Diábolus reeds alles gereed had om op te trekken. Daarom kwam hij met haast terug en riep de oudsten van Menschziel samen, en deed hun verslag van hetgeen hij vernam, in het bijzonder ook dat Diábolus den ouden heer Ongeloof tot opperbevelhebber van zijn leger had aangesteld, dat dit leger uit meer dan twintig duizend man bestond, die allen Twijfelaars waren. Diábolus had het voornemen alle voorname vorsten van den helschen afgrond tot kapiteins aan te stellen, en vele prinsen van het Zwarte Woud stonden met den hellevorst in betrekking. De Twijfelaars hadden zich ook verpraat, niet wetende met welk doel onze Schout bij nacht hen uithoorde en aan den heer Toezicht verteld, dat de reden waarom de oude heer Ongeloof veldmaarschalk was geworden hierin bestond, dat niemand aan Diábolus trouwer was dan hij, en hij sedert zijne ontvluchting uit Menschziel deze stad doodelijk was blijven haten, naar niets vuriger verlangende dan zich op haar te kunnen wreken wegens den smaad hem aangedaan. Ook is niemand beter dan hij met de stad bekend omdat hij er eertijds heerschte. Dit alles deelde de trouwe schout bij nacht mede.

Toen nu de kapiteins van Menschziel met de oudsten der stad dit alles vernamen,[40]begrepen zij dat niets beter was dan onmiddellijk de wetten uit te voeren, die hun Vorst tegen de Diábolus-mannen had uitgevaardigd. In het huis van den heer Gemoed en van den grooten heer Vastewil woonden nog twee daarvan. Bij den eerste woonde Begeerlijkheid, maar die zijn naam veranderd had in Spaarzaam. Bij den laatste vond men Onreinheid, maar die zich Geoorloofd Vermaak liet noemen. De kapiteins en oudsten namen nu deze twee gevangen en gaven hen over aan den stokbewaarder Getrouwe, die hen zwaar met ketenen belaadde en zoo nauw opsloot, dat ze de tering kregen en in de gevangenis stierven. Hunne meesters moesten ook in het openbaar boete doen, dat wil zeggen: in eene openbare plaats zich vertoonen om volledige schuldbelijdenis af te leggen.[41]

Daarna trachtten de kapiteins en oudsten nog meerdere Diábolus-mannen machtig te worden en in hunne kuilen en spelonken na te speuren; maar ofschoon zij de afdruksels hunner voetstappen duidelijk zagen, zoo was het hun onmogelijk hen te grijpen, zelfs waar zij hun onaangenamen geur roken. Dat gebroed wist zich wonderwel te verschuilen. Toch heerschte nu Menschziel met een sterken arm over de Diábolisten, zoodat het hun geraden was zich schuil te houden. Er was een tijd geweest, dat ze op klaarlichten dag langs de straten durfden wandelen, maar die tijd was voorbij. Ze vlogen nu als nachtuilen in het duister. Alle burgers zagen hen nu voor hun doodvijanden aan, zoo goed had de heer Toezicht zijn werk verricht.

[40]Toen nu de kapiteins van Menschziel dit alles vernamen. Bij de zonden der ziel voegde zich nu de listen des satans, die het op den ondergang van het kind Gods gemunt heeft. Maar uit hetgeen hier medegedeeld wordt, blijkt, dat zijne listen ons niet onbekend zijn.[41]Schuldbelijdenis afleggen. De ziel begint alles te onderzoeken en alles te belijden, en wat beleden is wordt vergeven.

[40]Toen nu de kapiteins van Menschziel dit alles vernamen. Bij de zonden der ziel voegde zich nu de listen des satans, die het op den ondergang van het kind Gods gemunt heeft. Maar uit hetgeen hier medegedeeld wordt, blijkt, dat zijne listen ons niet onbekend zijn.

[41]Schuldbelijdenis afleggen. De ziel begint alles te onderzoeken en alles te belijden, en wat beleden is wordt vergeven.

frame bottom

VERDEDIGINGSWERKTUIGEN IN MENSCHZIEL.Omtrent dezen tijd nu had Diábolus zijn leger volkomen gereed. Hij zelf was opperheer, Ongeloof veldmaarschalk; van de generaals zullen wij later spreken; maar hier zijn de namen van de kapiteins met hunne vaandrigs en wapenen.1e. Kapitein Woede; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de Verkiezing.Openb. 12 : 3, 4, 13, 15-17.Hij voerde eene roode vlag, die gedragen werd door vaandrig Vernieler, en een groote roode draak was zijn wapen.2e. Daarna kwam kapitein Uitzinnig, deze was gesteld over de Twijfelaars aan de Roeping. Zijn vaandeldrager heetteNum. 21 : 6.Donkerheid; zijn vaandel was vaal en zijn wapen prijkte met drie vurige slangen.3e. Toen volgde kapitein Verdoemenis; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de Genade. Ook zijne vlag was rood en werd gedragen doorMatth. 22 : 13.Openb. 9 : 1.Geen-Hoop-op-pardon, terwijl een duister hol zijn wapen was.4e. Nu kwam kapitein Onverzadelijk, een hoofdman over de Twijfelaars aan het Geloof. Zijn vaandel was rood enSpreuk. 27 : 20.Verslinder droeg het, terwijl een paar opgesperde kaken zijn wapen vertoonden.5e. Ook was een kapitein Zwavel, gesteld over de Twijfelaars aan de Volharding der heiligen. De heer Vuurbrand droeg het roodePs. 11 : 6Openb. 14 : 11.vaandel, terwijl een blauwe en stinkende vuurvlam zijn wapenschild sierde.6e. Kapitein Torment, die een hoofdman was over de Twijfelaars aan de Opstanding. Zijn vaandel was bleek en deMark. 9 : 44.heer Knagend droeg het met een zwarte worm in zijn wapen.

VERDEDIGINGSWERKTUIGEN IN MENSCHZIEL.

Omtrent dezen tijd nu had Diábolus zijn leger volkomen gereed. Hij zelf was opperheer, Ongeloof veldmaarschalk; van de generaals zullen wij later spreken; maar hier zijn de namen van de kapiteins met hunne vaandrigs en wapenen.

1e. Kapitein Woede; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de Verkiezing.Openb. 12 : 3, 4, 13, 15-17.Hij voerde eene roode vlag, die gedragen werd door vaandrig Vernieler, en een groote roode draak was zijn wapen.

2e. Daarna kwam kapitein Uitzinnig, deze was gesteld over de Twijfelaars aan de Roeping. Zijn vaandeldrager heetteNum. 21 : 6.Donkerheid; zijn vaandel was vaal en zijn wapen prijkte met drie vurige slangen.

3e. Toen volgde kapitein Verdoemenis; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de Genade. Ook zijne vlag was rood en werd gedragen doorMatth. 22 : 13.Openb. 9 : 1.Geen-Hoop-op-pardon, terwijl een duister hol zijn wapen was.

4e. Nu kwam kapitein Onverzadelijk, een hoofdman over de Twijfelaars aan het Geloof. Zijn vaandel was rood enSpreuk. 27 : 20.Verslinder droeg het, terwijl een paar opgesperde kaken zijn wapen vertoonden.

5e. Ook was een kapitein Zwavel, gesteld over de Twijfelaars aan de Volharding der heiligen. De heer Vuurbrand droeg het roodePs. 11 : 6Openb. 14 : 11.vaandel, terwijl een blauwe en stinkende vuurvlam zijn wapenschild sierde.

6e. Kapitein Torment, die een hoofdman was over de Twijfelaars aan de Opstanding. Zijn vaandel was bleek en deMark. 9 : 44.heer Knagend droeg het met een zwarte worm in zijn wapen.

frame bottom

Frame top

7e. Kapitein Zonder-rust, een hoofdman over de Twijfelaars aan de Zaligheid, voerde het roode vaandel met een afzichtelijk doodsbeeldOpenb. 14 : 11, 6 : 8.tot wapen, dat Rusteloos droeg.8e. De achtste kapitein heette de heer Graf. Hij was gesteld over de Twijfelaars aan de heerlijkheid; had een vaal en bleek vaandel, dat vaandrig Verderf droeg, en zijn wapenschild prijkte met een bekkeneelJer. 5 : 16.en gekruiste doodsbeenderen.9e. Eindelijk was er ook nog een kapitein Wanhoop, die een aanvoerder was van de Twijfelaars aan de gelukzaligheid. Zijn vaandrig heette Vertwijfeling, die een roode vlag droeg met een gloeiend ijzer en een1 Tim. 4 : 2. Rom. 2 : 5.hard hart tot wapen.Dit waren zijne kapiteins, met hunne manschappen en wapens en vlaggen. Zeven generaals stonden boven die kapiteins, namelijk de heer Beëlzebul, de heer Lucifer, de heer Legioen, de heer Apollyon, de heer Python, de heer Cerberus en de heer Belial, en veldmaarschalk Ongeloof was hun overste. Nog waren daar vrijwilligers uit het Zwarte Woud, die tot hoofdlieden van honderd werden aangesteld.De verzamelplaats van deze strijdmacht was Hellepoortsheuvel. Vandaar braken zij op en marcheerden rechtstreeks op de stad Menschziel aan. Gelukkig, dat tengevolge van Toezichts waarschuwing de poorten waren gesloten en met dubbele wachten bezet; de slingers stonden op hunne standplaatsen, en alles was gereed.Ook konden de Diábolus-mannen in de stad niet zooveel kwaad doen als zij zich hadden voorgenomen, want Menschziel was nu ontwaakt. Maar ach, het arme volk werd1 Petr. 5 : 8.zeer verschrikt, toen de vijanden zich eerst vertoonden en vooral toen zij hun trom roerden.[42]Deze was dan ook ijselijk om te hooren; de lieden beefden voor dit geluid wel zeven mijlen ver, althans voor zoover zij wakker waren. Ook zwaaiden de vaandrigs onophoudelijk met hunne afgrijselijke vaandels.Toen Diábolus voor de stad kwam sloeg hij zijne legermacht op voor de Oorpoort en deed daarop een geduchten aanval, meenende, dat zijne vrienden in Menschziel gereed waren ook iets te beginnen, maar daarvoor was gezorgd door de kapiteins. Dit viel hem tegen; hulp kreeg hij niet, maar wel leed zijn leger veel schade van de slingersteenen, die de dappere kapiteins moedig op de zijnen wierpen; daarom zag hij zichJak. 4 : 7.genoodzaakt achteruit te trekken, buiten het bereik van de slingeraars.In den omtrek wierp hij nu vier sterkten tegen de stad op, waarvan de eerste, naar zijn eigen naam, Diábolus heette, om daardoor de arme stad nog meer te verschrikken. Hij meende haar te bespringen als een leeuw zijn buit, en verwachtte, dat zij van schrik voor hem zou nedervallen. Maar de kapiteins en soldaten hielden zich zoo flink, dat hij wijken moest, waardoor de inwoners moed grepen.Op de hoogte aan de noordzijde der stad opgeworpen, plantte de tiran zijn standaard, ijselijk om aan te zien; want hij had door eene satanische kunst daarin een wapen aangebracht bestaande uit een vurige vlam, waarin een afbeeldsel der stad Menschziel brandde. Hij gaf ook bevel, dat zijn tamboer alle nachten de muren der stad zou naderen[43]en daar den trommel slaan ten einde met de lieden over de overgave te onderhandelen. Overdag durfde hij niet wegens de slingers, maar ’s nachts meende hij hen door dien afgrijselijken trommelslag uit den slaap te houden en zoo bang te maken, dat zij eindelijk bevende van angst hem inlieten. Deze tamboer deed zooals hem geboden was, en als hij dat akelig geluid maakte was er duisternis en benauwheid in de stad en scheen zelfs het licht des hemels verduisterd te worden. NooitJes. 5 : 30.hoorde men op aarde zulk een oorverdoovend geluid, alleen de stem van El-Schaddaï wanneer hij spreekt, uitgezonderd. Menschziel meende dan ook niet anders dan verslonden te zullen worden.[42]De trom van Diábolus, die Menschziel zoo zeer verschrikte, beduidt de aanvechtingen en verschrikkingen des satans als hij op de wet wijst, die den zondaar veroordeelt, en van dood en verdoemenis gewaagt als rechtvaardig door de ziel verdiend. Dit zijn de verschrikkingen des Boozen.[43]Zijn tamboer moest des nachts de muren der stad naderen. „Dit is uwe ure en de macht der duisternis,” zeide Jezus. Alle boos werk is in den nacht het meest voorspoedig. De schrik des nachts is voor den Christen anders niet zoo ijselijk als hij maar nabij zijn God leeft. Maar juist in zulke dagen van afval en achteruitgang, wanneer dan de ziel is ontwaakt, zoo wordt zij des nachts maar al te vaak vreeselijk gekweld door visioenen en droomen, waarin de booze de hand heeft.

7e. Kapitein Zonder-rust, een hoofdman over de Twijfelaars aan de Zaligheid, voerde het roode vaandel met een afzichtelijk doodsbeeldOpenb. 14 : 11, 6 : 8.tot wapen, dat Rusteloos droeg.

8e. De achtste kapitein heette de heer Graf. Hij was gesteld over de Twijfelaars aan de heerlijkheid; had een vaal en bleek vaandel, dat vaandrig Verderf droeg, en zijn wapenschild prijkte met een bekkeneelJer. 5 : 16.en gekruiste doodsbeenderen.

9e. Eindelijk was er ook nog een kapitein Wanhoop, die een aanvoerder was van de Twijfelaars aan de gelukzaligheid. Zijn vaandrig heette Vertwijfeling, die een roode vlag droeg met een gloeiend ijzer en een1 Tim. 4 : 2. Rom. 2 : 5.hard hart tot wapen.

Dit waren zijne kapiteins, met hunne manschappen en wapens en vlaggen. Zeven generaals stonden boven die kapiteins, namelijk de heer Beëlzebul, de heer Lucifer, de heer Legioen, de heer Apollyon, de heer Python, de heer Cerberus en de heer Belial, en veldmaarschalk Ongeloof was hun overste. Nog waren daar vrijwilligers uit het Zwarte Woud, die tot hoofdlieden van honderd werden aangesteld.

De verzamelplaats van deze strijdmacht was Hellepoortsheuvel. Vandaar braken zij op en marcheerden rechtstreeks op de stad Menschziel aan. Gelukkig, dat tengevolge van Toezichts waarschuwing de poorten waren gesloten en met dubbele wachten bezet; de slingers stonden op hunne standplaatsen, en alles was gereed.

Ook konden de Diábolus-mannen in de stad niet zooveel kwaad doen als zij zich hadden voorgenomen, want Menschziel was nu ontwaakt. Maar ach, het arme volk werd1 Petr. 5 : 8.zeer verschrikt, toen de vijanden zich eerst vertoonden en vooral toen zij hun trom roerden.[42]Deze was dan ook ijselijk om te hooren; de lieden beefden voor dit geluid wel zeven mijlen ver, althans voor zoover zij wakker waren. Ook zwaaiden de vaandrigs onophoudelijk met hunne afgrijselijke vaandels.

Toen Diábolus voor de stad kwam sloeg hij zijne legermacht op voor de Oorpoort en deed daarop een geduchten aanval, meenende, dat zijne vrienden in Menschziel gereed waren ook iets te beginnen, maar daarvoor was gezorgd door de kapiteins. Dit viel hem tegen; hulp kreeg hij niet, maar wel leed zijn leger veel schade van de slingersteenen, die de dappere kapiteins moedig op de zijnen wierpen; daarom zag hij zichJak. 4 : 7.genoodzaakt achteruit te trekken, buiten het bereik van de slingeraars.

In den omtrek wierp hij nu vier sterkten tegen de stad op, waarvan de eerste, naar zijn eigen naam, Diábolus heette, om daardoor de arme stad nog meer te verschrikken. Hij meende haar te bespringen als een leeuw zijn buit, en verwachtte, dat zij van schrik voor hem zou nedervallen. Maar de kapiteins en soldaten hielden zich zoo flink, dat hij wijken moest, waardoor de inwoners moed grepen.

Op de hoogte aan de noordzijde der stad opgeworpen, plantte de tiran zijn standaard, ijselijk om aan te zien; want hij had door eene satanische kunst daarin een wapen aangebracht bestaande uit een vurige vlam, waarin een afbeeldsel der stad Menschziel brandde. Hij gaf ook bevel, dat zijn tamboer alle nachten de muren der stad zou naderen[43]en daar den trommel slaan ten einde met de lieden over de overgave te onderhandelen. Overdag durfde hij niet wegens de slingers, maar ’s nachts meende hij hen door dien afgrijselijken trommelslag uit den slaap te houden en zoo bang te maken, dat zij eindelijk bevende van angst hem inlieten. Deze tamboer deed zooals hem geboden was, en als hij dat akelig geluid maakte was er duisternis en benauwheid in de stad en scheen zelfs het licht des hemels verduisterd te worden. NooitJes. 5 : 30.hoorde men op aarde zulk een oorverdoovend geluid, alleen de stem van El-Schaddaï wanneer hij spreekt, uitgezonderd. Menschziel meende dan ook niet anders dan verslonden te zullen worden.

[42]De trom van Diábolus, die Menschziel zoo zeer verschrikte, beduidt de aanvechtingen en verschrikkingen des satans als hij op de wet wijst, die den zondaar veroordeelt, en van dood en verdoemenis gewaagt als rechtvaardig door de ziel verdiend. Dit zijn de verschrikkingen des Boozen.[43]Zijn tamboer moest des nachts de muren der stad naderen. „Dit is uwe ure en de macht der duisternis,” zeide Jezus. Alle boos werk is in den nacht het meest voorspoedig. De schrik des nachts is voor den Christen anders niet zoo ijselijk als hij maar nabij zijn God leeft. Maar juist in zulke dagen van afval en achteruitgang, wanneer dan de ziel is ontwaakt, zoo wordt zij des nachts maar al te vaak vreeselijk gekweld door visioenen en droomen, waarin de booze de hand heeft.

[42]De trom van Diábolus, die Menschziel zoo zeer verschrikte, beduidt de aanvechtingen en verschrikkingen des satans als hij op de wet wijst, die den zondaar veroordeelt, en van dood en verdoemenis gewaagt als rechtvaardig door de ziel verdiend. Dit zijn de verschrikkingen des Boozen.

[43]Zijn tamboer moest des nachts de muren der stad naderen. „Dit is uwe ure en de macht der duisternis,” zeide Jezus. Alle boos werk is in den nacht het meest voorspoedig. De schrik des nachts is voor den Christen anders niet zoo ijselijk als hij maar nabij zijn God leeft. Maar juist in zulke dagen van afval en achteruitgang, wanneer dan de ziel is ontwaakt, zoo wordt zij des nachts maar al te vaak vreeselijk gekweld door visioenen en droomen, waarin de booze de hand heeft.

frame bottom

DE VREEZELIJKE KAPITEIN GRAF EN ZIJN STANDAARD-DRAGER VERDERF.

DE VREEZELIJKE KAPITEIN GRAF EN ZIJN STANDAARD-DRAGER VERDERF.

frame top

Nu hield hij ook deze toespraak: „O Menschziel! Mijn meester heeft mij bevolen u te zeggen, dat zoo gij u gewillig onderwerpt, gij het goede dezes lands zult genieten; maar zoo gij hardnekkig weigert, zal hij u met geweld aantasten!” Echter niemand gaf hem antwoord, want al het volk liep naar de kapiteins in het kasteel, zoodat zij hem kwalijk hoorden spreken. Zoo keerde hij dan tot zijn meester terug. Diábolus ziende, dat hij op deze wijze Menschziel niet aan zich onderwerpen kon, zond den volgenden nacht nogmaals een tamboer, maar zonder trommel om de burgers te laten weten, dat hij genegen was eene overeenkomst te sluiten. Dit onderhoud liep echter ook op niets uit, want alles bestond hierin, dat hij de stad opeischte. De burgers gaven hem niet eens antwoord, want zij herinnerden zich wat het hun de eerste maal gekost had naar hem te hooren.Toen zond hij voor de derde maal een bode, dien schrikkelijken kapitein Graf, welke voor de muren van Menschziel deze toespraak tot haar hield:„O, gij ingezetenen van de rebelleerende stad Menschziel! ik eisch in den naam van den prins Diábolus, dat gij zonder tegenstreven de poorten uwer stad openzet en den grooten heer toelaat daarbinnen te komen. Maar zoo gij blijft rebelleeren en wij de stad met geweld komen in te nemen, dan zullen wij u als het graf verslinden. Derhalve zegt het nu, of gij naar ons hooren wilt of niet. De reden van dezen eisch is omdat mijn heer zonder twijfel uw prins en overste is, waarvoor gij hem ook zelf erkend hebt. En de schande, die mijn heer aangedaan is toen Immanuel hem zoo verachtelijk behandelde, zal toch niet kunnen uitwerken, dat hij zijn recht op u verliezen zou. Overweegt dan nu wat ge wilt. Geeft ge u dadelijk over, dan wordt onze oude vriendschap vernieuwd; maar weigert ge nog en rebelleert gij, verwacht dan niets anders dan vuur en zwaard.”Toen de machtelooze stad Menschziel dezen parlementair en zijnen eisch vernomen had, werd zij wel des te meer verslagen, maar gaf toch aan dien kapitein geen antwoord; daarom moest hij heengaan gelijk hij gekomen was.Zij overlegden samen wat te doen en besloten eindelijk opnieuw bij den Oppergeheimschrijver om raad te vragen. Ofschoon hij nog niet geheel hersteld was zoo ontving hij hen toch en zij verzochten hem om de volgende drie zaken.1e. Dat hij hen weder in gunst wilde aannemen, zich niet langer zoo aan hen onttrekken, en hun nu wilde gehoor geven waar zij hunne ellende hem bekend maakten.Maar hij antwoordde daarop als vroeger, dat hij nog ongesteld was en daarom niet kon doen als tevoren.2e. Dat zij hem verzochten hun toch te willen raad geven in deze gewichtige zaak, daar Diábolus voor de stad gekomen was met meer dan twintig duizend Twijfelaars, en dat hij en zijne veldoversten zeer wreed waren, waarom zij hen ook zeer vreesden.Maar hij antwoordde: „Gij moet de wet van uwen Vorst maar eens inzien, om te weten wat u daarin wordt bevolen.”3e. Dat hij hen toch helpen mocht om een verzoekschrift aan El-Schaddaï op te stellen en dat hij er zijne hand onder zetten mocht als een teeken, dat hij het hierin met hen eens was. „Want Hoogedele Heer,” zeiden zij, „wij hebben reeds verscheiden verzoekschriften opgezonden, doch kunnen geen bevredigend antwoord krijgen; maar als gij er uw hand onder zet dan zal alles ten gunste der stad Menschziel uitloopen.”Maar ook hierop antwoordde hij, dat zij hunnen vorst Immanuel hadden beleedigd en bedroefd, en dat zij nu maar moesten handelen, zooals zij zelf het best konden.[44][44]Handelen zooals zij zelf het best konden. De ziel moet de geopenbaarde waarheid in het Woord raadplegen en daarnaar handelen. Eerst gehoorzaamheid en dan offeranden. De Heilige Geest bezielt alleen het gebed, dat in volkomen ootmoed en onderwerping en uit gehoorzaam geloof wordt opgezonden. Bunyan heeft dit willen voorstellen in de schijnbare wederstreving des Heiligen Geestes. De Heere heeft een twist met de inwoners des lands.

Nu hield hij ook deze toespraak: „O Menschziel! Mijn meester heeft mij bevolen u te zeggen, dat zoo gij u gewillig onderwerpt, gij het goede dezes lands zult genieten; maar zoo gij hardnekkig weigert, zal hij u met geweld aantasten!” Echter niemand gaf hem antwoord, want al het volk liep naar de kapiteins in het kasteel, zoodat zij hem kwalijk hoorden spreken. Zoo keerde hij dan tot zijn meester terug. Diábolus ziende, dat hij op deze wijze Menschziel niet aan zich onderwerpen kon, zond den volgenden nacht nogmaals een tamboer, maar zonder trommel om de burgers te laten weten, dat hij genegen was eene overeenkomst te sluiten. Dit onderhoud liep echter ook op niets uit, want alles bestond hierin, dat hij de stad opeischte. De burgers gaven hem niet eens antwoord, want zij herinnerden zich wat het hun de eerste maal gekost had naar hem te hooren.

Toen zond hij voor de derde maal een bode, dien schrikkelijken kapitein Graf, welke voor de muren van Menschziel deze toespraak tot haar hield:

„O, gij ingezetenen van de rebelleerende stad Menschziel! ik eisch in den naam van den prins Diábolus, dat gij zonder tegenstreven de poorten uwer stad openzet en den grooten heer toelaat daarbinnen te komen. Maar zoo gij blijft rebelleeren en wij de stad met geweld komen in te nemen, dan zullen wij u als het graf verslinden. Derhalve zegt het nu, of gij naar ons hooren wilt of niet. De reden van dezen eisch is omdat mijn heer zonder twijfel uw prins en overste is, waarvoor gij hem ook zelf erkend hebt. En de schande, die mijn heer aangedaan is toen Immanuel hem zoo verachtelijk behandelde, zal toch niet kunnen uitwerken, dat hij zijn recht op u verliezen zou. Overweegt dan nu wat ge wilt. Geeft ge u dadelijk over, dan wordt onze oude vriendschap vernieuwd; maar weigert ge nog en rebelleert gij, verwacht dan niets anders dan vuur en zwaard.”

Toen de machtelooze stad Menschziel dezen parlementair en zijnen eisch vernomen had, werd zij wel des te meer verslagen, maar gaf toch aan dien kapitein geen antwoord; daarom moest hij heengaan gelijk hij gekomen was.

Zij overlegden samen wat te doen en besloten eindelijk opnieuw bij den Oppergeheimschrijver om raad te vragen. Ofschoon hij nog niet geheel hersteld was zoo ontving hij hen toch en zij verzochten hem om de volgende drie zaken.

1e. Dat hij hen weder in gunst wilde aannemen, zich niet langer zoo aan hen onttrekken, en hun nu wilde gehoor geven waar zij hunne ellende hem bekend maakten.

Maar hij antwoordde daarop als vroeger, dat hij nog ongesteld was en daarom niet kon doen als tevoren.

2e. Dat zij hem verzochten hun toch te willen raad geven in deze gewichtige zaak, daar Diábolus voor de stad gekomen was met meer dan twintig duizend Twijfelaars, en dat hij en zijne veldoversten zeer wreed waren, waarom zij hen ook zeer vreesden.

Maar hij antwoordde: „Gij moet de wet van uwen Vorst maar eens inzien, om te weten wat u daarin wordt bevolen.”

3e. Dat hij hen toch helpen mocht om een verzoekschrift aan El-Schaddaï op te stellen en dat hij er zijne hand onder zetten mocht als een teeken, dat hij het hierin met hen eens was. „Want Hoogedele Heer,” zeiden zij, „wij hebben reeds verscheiden verzoekschriften opgezonden, doch kunnen geen bevredigend antwoord krijgen; maar als gij er uw hand onder zet dan zal alles ten gunste der stad Menschziel uitloopen.”

Maar ook hierop antwoordde hij, dat zij hunnen vorst Immanuel hadden beleedigd en bedroefd, en dat zij nu maar moesten handelen, zooals zij zelf het best konden.[44]

[44]Handelen zooals zij zelf het best konden. De ziel moet de geopenbaarde waarheid in het Woord raadplegen en daarnaar handelen. Eerst gehoorzaamheid en dan offeranden. De Heilige Geest bezielt alleen het gebed, dat in volkomen ootmoed en onderwerping en uit gehoorzaam geloof wordt opgezonden. Bunyan heeft dit willen voorstellen in de schijnbare wederstreving des Heiligen Geestes. De Heere heeft een twist met de inwoners des lands.

[44]Handelen zooals zij zelf het best konden. De ziel moet de geopenbaarde waarheid in het Woord raadplegen en daarnaar handelen. Eerst gehoorzaamheid en dan offeranden. De Heilige Geest bezielt alleen het gebed, dat in volkomen ootmoed en onderwerping en uit gehoorzaam geloof wordt opgezonden. Bunyan heeft dit willen voorstellen in de schijnbare wederstreving des Heiligen Geestes. De Heere heeft een twist met de inwoners des lands.

frame bottom

NEDERLAAG VAN DIÁBOLUS EN ZIJN LEGER VOOR IMMANUEL.

NEDERLAAG VAN DIÁBOLUS EN ZIJN LEGER VOOR IMMANUEL.

frame top

HOOFDSTUK XII.HET SMEEKSCHRIFT VAN MENSCHZIEL.HHet antwoord, dat de Oppergeheimschrijver hun gaf, viel als een molensteen op de harten der burgers, ja het bedroefde hen zóo, dat zij niet wisten wat te doen; toch durfden zij geenszins hetKlaagl. 1 : 3.verlangen van Diábolus bevredigen. Ook wisten zij niet, of hunne kapiteins nu den eenig goeden weg volgden. De arme stad Menschziel was nu van tweeën gedrongen; hare vijanden vielen op haar aan en hare vrienden wezen het af haar te helpen.Toen stond de burgemeester op, wiens naam was Verstand, en hij begon het antwoord van den Geheimschrijver te overleggen tot hij eindelijk nog troost putte uit de schijnbaar harde woorden van dien edelman. „Eerstens”, zeide hij, „dit volgt onvermijdelijk uit zijne woorden, dat wij om onze zonden nog moeten lijden. Toch straalt er in door, dat wij eindelijk van onze vijanden zullen verlost worden, en dat Immanuel na deze groote verdrukking ons helpen zal.” De reden waarom de burgemeester die woorden van den Oppergeheimschrijver zoo fijn onderzocht was hierin gelegen, dat deze meer dan een profeet was en al zijne woorden stellig kwamen.Zoo namen zij dan afscheid van hem en keerden tot hunne kapiteins terug, die nadat zij alles gehoord hadden het met den burgemeester eens waren. Zoo spraken zij dan ook den burgers moed in en raadden hen aan zóo moedig tegen Diábolus en zijn aanhang te strijden als hun maar eenigszins mogelijk was. Ieder begaf zich daarop naar zijn post, de kapiteins, de burgemeester, de gewezen secretaris en de heer Vastewil. De kapiteins waren begeerig voor hun vorst te strijden en handteerden het krijgsgeweer met vermaak. Het eerste antwoord kreeg Diábolus met de slingers, des morgens vroeg toen de zon opging. De reus had het gewaagd nader te komen, maar o, de slingersteenen vlogen hem en zijn volk als horselen om de ooren. En evenals er voor Menschziel niets verschrikkelijker was dan zijn trom, zoo was er voor hem niets gevaarlijkerZach. 9 : 15.dan Immanuels slingers. Daarom was hij genoodzaakt verder van de stad te wijken. Toen liet de burgemeester de klok luiden en beval, dat men den Oppergeheimschrijver zou gaan bedanken, omdat door zijne woorden de stad was bemoedigd, hetgeen de onderleeraar ook deed.Toen Diábolus bemerkte, dat zijne kapiteins, soldaten en machtige edelen verschrikt en verslagen waren door de gouden slingers van den vorst der stad Menschziel, zoo bedacht hij iets anders, en zeide: „Ik zal hen door vleierij en pluimstrijkende woorden in mijne macht zien te krijgen.” Derhalve kwam hij spoedig terug, maar nu niet met zijn trommel, noch met kapitein Graf, maar zijne lippen suikerzoet gemaakt hebbende, deed hij zich voor als een lieftallig vorst, die vreedzaam was en zich volstrekt niet wreeken wilde, maar slechts het welzijn der stad beoogde. Hij hield, nadat hij zich vertoond had de volgende rede:„O, gij beminde mijns harten, beroemde stad Menschziel! Hoeveel nachten heb ik doorgebracht om te overleggen hoe ik u ten goede mocht wezen. Verre, zeer1 Petr. 5 : 8.Openb. 12 : 10.verre zij het van mij, dat ik begeeren zou u den oorlog aan te doen, indien gij maar handelbaar waart en u gewillig aan mij overgaaft. Gij weet, dat gij van ouds de mijne waart,Matth. 4 : 8, 9.Luk. 4 : 6, 7.en dat zoolang gij mij voor uwen heer erkendet en ik u als mijne onderdanen beschouwde, u niets ontbroken heeft van al wat u aangenaam was en vermaak kon bezorgen. Bedenk toch, dat zoolang gij de mijne waart, gij nooit zulke bange, nare en moeielijke uren hebt doorgebracht als sedert gij tegen mij zijt opgestaan. Ook zult ge voortaan geen rust meer genieten voordat wij het weder samen zijn eens geworden. Laat mij nu zooveel op u vermogen, dat gij mij weder inhaalt, en ik zal u al uwe oude voorrechten teruggeven, en nog vele nieuwe bovendien, zoodat gij weder de vrijheid zult hebben om te bezitten en te genieten al wat van Oost en West aanlokkelijk voortkomt. Nooit zal ik iemand iets vergelden wat gij mij ook hebt aangedaan. Ook zullen nooit mijne vrienden binnen in u, die op u loeren en zich versteken, u eenigszins meer schadelijk zijn. Integendeel zij zullen uwe dienaren wezen en u alles geven wat gij van hen begeert. Ik behoef hier niets meer bij te voegen, gij kent hen en zijt dikwijls in hun gezelschap vroolijk geweest. Waarom zouden wij dan in zulk eene vijandschap leven? Laat ons de oude vriendschap vernieuwen. Weest het eens met uwe vrienden; ik durf vrijmoedig tot u spreken omdat ik u innige liefde toedraag. Mijn hart klopt voor u. Lieve vrienden, doet mij derhalve geen meerdere moeite aan en uzelven geen angst en vreeze. Vlei u niet met de macht uwer kapiteins en denk niet, dat Immanuel spoedig komt. Ik ben tegen u opgetrokken met een sterk en onverschrokken leger; al de vorsten van den afgrond staan aan het hoofd daarvan. Mijne kapiteins zijn vlugger dan arenden, sterker dan leeuwen en roofzuchtiger dan avondwolven. Wat is Og van Bazan? Wat is Goliath van Gath? Ja, wat zijn honderd zulke reuzen tegen een mijner minste kapiteins? Hoe zou Menschziel dan ooit kunnen denken, dat zij mijne macht ontkwame!”

HHet antwoord, dat de Oppergeheimschrijver hun gaf, viel als een molensteen op de harten der burgers, ja het bedroefde hen zóo, dat zij niet wisten wat te doen; toch durfden zij geenszins hetKlaagl. 1 : 3.verlangen van Diábolus bevredigen. Ook wisten zij niet, of hunne kapiteins nu den eenig goeden weg volgden. De arme stad Menschziel was nu van tweeën gedrongen; hare vijanden vielen op haar aan en hare vrienden wezen het af haar te helpen.

Toen stond de burgemeester op, wiens naam was Verstand, en hij begon het antwoord van den Geheimschrijver te overleggen tot hij eindelijk nog troost putte uit de schijnbaar harde woorden van dien edelman. „Eerstens”, zeide hij, „dit volgt onvermijdelijk uit zijne woorden, dat wij om onze zonden nog moeten lijden. Toch straalt er in door, dat wij eindelijk van onze vijanden zullen verlost worden, en dat Immanuel na deze groote verdrukking ons helpen zal.” De reden waarom de burgemeester die woorden van den Oppergeheimschrijver zoo fijn onderzocht was hierin gelegen, dat deze meer dan een profeet was en al zijne woorden stellig kwamen.

Zoo namen zij dan afscheid van hem en keerden tot hunne kapiteins terug, die nadat zij alles gehoord hadden het met den burgemeester eens waren. Zoo spraken zij dan ook den burgers moed in en raadden hen aan zóo moedig tegen Diábolus en zijn aanhang te strijden als hun maar eenigszins mogelijk was. Ieder begaf zich daarop naar zijn post, de kapiteins, de burgemeester, de gewezen secretaris en de heer Vastewil. De kapiteins waren begeerig voor hun vorst te strijden en handteerden het krijgsgeweer met vermaak. Het eerste antwoord kreeg Diábolus met de slingers, des morgens vroeg toen de zon opging. De reus had het gewaagd nader te komen, maar o, de slingersteenen vlogen hem en zijn volk als horselen om de ooren. En evenals er voor Menschziel niets verschrikkelijker was dan zijn trom, zoo was er voor hem niets gevaarlijkerZach. 9 : 15.dan Immanuels slingers. Daarom was hij genoodzaakt verder van de stad te wijken. Toen liet de burgemeester de klok luiden en beval, dat men den Oppergeheimschrijver zou gaan bedanken, omdat door zijne woorden de stad was bemoedigd, hetgeen de onderleeraar ook deed.

Toen Diábolus bemerkte, dat zijne kapiteins, soldaten en machtige edelen verschrikt en verslagen waren door de gouden slingers van den vorst der stad Menschziel, zoo bedacht hij iets anders, en zeide: „Ik zal hen door vleierij en pluimstrijkende woorden in mijne macht zien te krijgen.” Derhalve kwam hij spoedig terug, maar nu niet met zijn trommel, noch met kapitein Graf, maar zijne lippen suikerzoet gemaakt hebbende, deed hij zich voor als een lieftallig vorst, die vreedzaam was en zich volstrekt niet wreeken wilde, maar slechts het welzijn der stad beoogde. Hij hield, nadat hij zich vertoond had de volgende rede:

„O, gij beminde mijns harten, beroemde stad Menschziel! Hoeveel nachten heb ik doorgebracht om te overleggen hoe ik u ten goede mocht wezen. Verre, zeer1 Petr. 5 : 8.Openb. 12 : 10.verre zij het van mij, dat ik begeeren zou u den oorlog aan te doen, indien gij maar handelbaar waart en u gewillig aan mij overgaaft. Gij weet, dat gij van ouds de mijne waart,Matth. 4 : 8, 9.Luk. 4 : 6, 7.en dat zoolang gij mij voor uwen heer erkendet en ik u als mijne onderdanen beschouwde, u niets ontbroken heeft van al wat u aangenaam was en vermaak kon bezorgen. Bedenk toch, dat zoolang gij de mijne waart, gij nooit zulke bange, nare en moeielijke uren hebt doorgebracht als sedert gij tegen mij zijt opgestaan. Ook zult ge voortaan geen rust meer genieten voordat wij het weder samen zijn eens geworden. Laat mij nu zooveel op u vermogen, dat gij mij weder inhaalt, en ik zal u al uwe oude voorrechten teruggeven, en nog vele nieuwe bovendien, zoodat gij weder de vrijheid zult hebben om te bezitten en te genieten al wat van Oost en West aanlokkelijk voortkomt. Nooit zal ik iemand iets vergelden wat gij mij ook hebt aangedaan. Ook zullen nooit mijne vrienden binnen in u, die op u loeren en zich versteken, u eenigszins meer schadelijk zijn. Integendeel zij zullen uwe dienaren wezen en u alles geven wat gij van hen begeert. Ik behoef hier niets meer bij te voegen, gij kent hen en zijt dikwijls in hun gezelschap vroolijk geweest. Waarom zouden wij dan in zulk eene vijandschap leven? Laat ons de oude vriendschap vernieuwen. Weest het eens met uwe vrienden; ik durf vrijmoedig tot u spreken omdat ik u innige liefde toedraag. Mijn hart klopt voor u. Lieve vrienden, doet mij derhalve geen meerdere moeite aan en uzelven geen angst en vreeze. Vlei u niet met de macht uwer kapiteins en denk niet, dat Immanuel spoedig komt. Ik ben tegen u opgetrokken met een sterk en onverschrokken leger; al de vorsten van den afgrond staan aan het hoofd daarvan. Mijne kapiteins zijn vlugger dan arenden, sterker dan leeuwen en roofzuchtiger dan avondwolven. Wat is Og van Bazan? Wat is Goliath van Gath? Ja, wat zijn honderd zulke reuzen tegen een mijner minste kapiteins? Hoe zou Menschziel dan ooit kunnen denken, dat zij mijne macht ontkwame!”

frame bottom

WREED EN PIJNIGER.Diábolus had nauwelijks deze bedriegelijke rede geëindigd of de burgemeester antwoordde daarop:„O, Diábolus, vorst der duisternis en leermeester van alle bedrog! Uwe pluimstrijkende, leugenachtige woorden hebben wij gehoord, en wij kennen u bij ondervinding.[45]Reeds al te diep proefden wij uit den beker des verderfs, zouden wij dan weder naar u hooren en ons aan u verbinden, terwijl wij de wetten verbreken van onzen El-Schaddaï? Zou dan onze vorst ons niet voor eeuwig verstooten? En als wij van hem verworpen zijn, kan dan de plaats, die hij voor u bereid heeft, eene rustplaats voor ons wezen? Bovendien, gij zijt van alle waarheid ontbloot en hebt die voor goed van u afgeschud; wij voor ons zijn eerder bereid door uwe hand te sterven dan ons door u te laten verstrikken.”Toen nu de tiran zag, dat er met onderhandelen weinig voor hem bij den burgemeester viel te winnen, verviel hij in een helsche woede en voerde weder zijn leger Twijfelaars op de stad aan.[45]Diábolus vleiende taalwordt nu beter doorzien dan in het eerst. Zijne listen zijn ons niet onbekend, is het nu. Toen de satan voor het eerst kwam was Menschziel onbewust van wat haar te wachten stond als zij luisterde en toegaf. Nu wist zij het ten volle uit lange smartelijke ondervinding. Zij was door schade wijs geworden.

WREED EN PIJNIGER.

Diábolus had nauwelijks deze bedriegelijke rede geëindigd of de burgemeester antwoordde daarop:

„O, Diábolus, vorst der duisternis en leermeester van alle bedrog! Uwe pluimstrijkende, leugenachtige woorden hebben wij gehoord, en wij kennen u bij ondervinding.[45]Reeds al te diep proefden wij uit den beker des verderfs, zouden wij dan weder naar u hooren en ons aan u verbinden, terwijl wij de wetten verbreken van onzen El-Schaddaï? Zou dan onze vorst ons niet voor eeuwig verstooten? En als wij van hem verworpen zijn, kan dan de plaats, die hij voor u bereid heeft, eene rustplaats voor ons wezen? Bovendien, gij zijt van alle waarheid ontbloot en hebt die voor goed van u afgeschud; wij voor ons zijn eerder bereid door uwe hand te sterven dan ons door u te laten verstrikken.”

Toen nu de tiran zag, dat er met onderhandelen weinig voor hem bij den burgemeester viel te winnen, verviel hij in een helsche woede en voerde weder zijn leger Twijfelaars op de stad aan.

[45]Diábolus vleiende taalwordt nu beter doorzien dan in het eerst. Zijne listen zijn ons niet onbekend, is het nu. Toen de satan voor het eerst kwam was Menschziel onbewust van wat haar te wachten stond als zij luisterde en toegaf. Nu wist zij het ten volle uit lange smartelijke ondervinding. Zij was door schade wijs geworden.

[45]Diábolus vleiende taalwordt nu beter doorzien dan in het eerst. Zijne listen zijn ons niet onbekend, is het nu. Toen de satan voor het eerst kwam was Menschziel onbewust van wat haar te wachten stond als zij luisterde en toegaf. Nu wist zij het ten volle uit lange smartelijke ondervinding. Zij was door schade wijs geworden.

frame bottom

frame top

Opnieuw liet hij den trommel roeren opdat zijn volk gereed zou zijn tot den strijd, hetgeen Menschziel deed beven, en rukte met zijne krijgsmacht voorwaarts. Kapitein Wreed en kapitein Pijniger plaatste hij aan de Voelpoort en beval, dat zij zich daar zouden nederslaan om zich tot den aanval gereed te houden. Ook zorgde hij dat kapitein Zonder-rust te hulp zou komen.[46]Voor de Neuspoort plaatste hij de kapiteins Zwavel en Graf; maar aan de Oogpoort zette hij dat grijnzend aangezicht van kapitein Wanhoop. Daar plantte deze ook zijn afgrijselijke standaard. Kapitein Onverzadelijk zou Diábolus ter zijde staan en moest zorg dragen voor de te rooven buit, zoo van menschen als goederen.Mondpoort hielden de burgers om uitvallen te doen, daarom bewaarden zij die zeer krachtig. Ook was dat de weg waarlangs hunne verzoekschriften naar den koning gingen. Van den top dezer poort speelden de kapiteins met hunne slingers op den vijand. Nu was het Diábolus’ voornemen om Mondpoort met slijk te versperren. Waar de reus aldus allerlei toebereidselen maakte om de stad van buiten aan te vallen, waren de kapiteins en soldaten bezig zich van binnen te verdedigen, zij bereidden hunne slingers, richtten hunne banieren op, bliezen op hunne bazuinen en ordenden zich in afdeelingen naar zij het noodig keurden. Ook kregen de soldaten bevel zich bij het geluid der bazuinen tot den strijd gereed te houden. De heer Vastewil nam den post op zich om tegen de rebellen daar binnen te waken, en te doen wat hij kon om hen voor den dag te halen en te verworgen. En inderdaad sedert hij boete gedaan had over zijn bedreven kwaad, toonde hij grooten ijver en liefde voor den koning. Hij greep onder anderen zekeren Vroolijk en zijn broeder Dartel, de twee zoons van dien Geoorloofd Vermaak, welke in de gevangenis kwijnde, die nog in wezen waren, en nagelde ze met zijne eigen handen aan het kruis. De reden, waarom hij hen ophing, was deze: nadat hun vader in handen van den cipier Getrouwe was overgeleverd, begonnen deze zonen huns vaders rol te spelen en met de dochters van hunnen heer te gekken en te boerten. Ja, zelfs was er een sterk vermoeden, dat zij de grenzen der betamelijkheid overschreden. Dit was den huisvader ter oore gekomen. Om billijk te wezen, wilde hij hen niet op losse geruchten vatten. Hij zette zijne twee knechts, Naspeurder en Alverteller, op den uitkijk; deze betrapten hen aldra, en deelden dat aan hunnen heer mede. Toen nu de heer Vastewil ten volle van de waarheid overtuigd was, nam hij de twee jonge boeven en voerde hen naar de Oogpoort, waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing,[47]in het gezicht van kapitein Wanhoop en Diábolus’ standaard.Deze flinke daad van den moedigen Vastewil diende tot groote beschaming van kapitein Wanhoop, ontmoedigde het leger van Diábolus, en deed de aanhangers van den reus binnen de stad sidderen, terwijl de kapiteins van den Prins er zeer door werden bemoedigd. Diábolus zag nu duidelijk, dat de burgers der stad genegen waren tegen hem te strijden en dat hij op zijne vrienden daarbinnen niet hopen kon. Nog meer proeven gaf de edele Vastewil van zijn oprechte gehechtheid aan zijn vorst, zooals weldra zal blijken.De kinderen van Spaarzaam, die bij den heer Gemoed inwoonden, heetten Afnijper en Inhalig. Een daarvan was zelfs getrouwd met eene dochter van Gemoed, wier naam was Houd-het-kwade-vast. Toen deze bemerkten hoe de heer Vastewil met Vroolijk en Dartel gedaan had, trachtten zij te vluchten; maar de heer Gemoed zette hen in zijn huis gevangen, en gedachtig aan de wet, dat alle Diábolus-mannen moesten sterven, liet hij hen in ketenen naar de markt slepen en hing hen eveneens op.[46]De kapiteins Wreed, Pijniger en Zonder-rust. Nu dreigementen niet hielpen en pluimstrijkende woorden vruchteloos bleven, gaat hij tot dadelijkheden over. Nu komen de vervolgingen en het onthouden van rust ook op den dag des Heeren.[47]Waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing. Nu blijkt dat het Menschziel ernst wordt. De zonde wordt aangegrepen en gekruist, zelfs de boezemzonde in eigen binnenste. Het vleesch wordt gekruist met de begeerlijkheden. Eene heerlijke vrucht van het lijden!

Opnieuw liet hij den trommel roeren opdat zijn volk gereed zou zijn tot den strijd, hetgeen Menschziel deed beven, en rukte met zijne krijgsmacht voorwaarts. Kapitein Wreed en kapitein Pijniger plaatste hij aan de Voelpoort en beval, dat zij zich daar zouden nederslaan om zich tot den aanval gereed te houden. Ook zorgde hij dat kapitein Zonder-rust te hulp zou komen.[46]Voor de Neuspoort plaatste hij de kapiteins Zwavel en Graf; maar aan de Oogpoort zette hij dat grijnzend aangezicht van kapitein Wanhoop. Daar plantte deze ook zijn afgrijselijke standaard. Kapitein Onverzadelijk zou Diábolus ter zijde staan en moest zorg dragen voor de te rooven buit, zoo van menschen als goederen.

Mondpoort hielden de burgers om uitvallen te doen, daarom bewaarden zij die zeer krachtig. Ook was dat de weg waarlangs hunne verzoekschriften naar den koning gingen. Van den top dezer poort speelden de kapiteins met hunne slingers op den vijand. Nu was het Diábolus’ voornemen om Mondpoort met slijk te versperren. Waar de reus aldus allerlei toebereidselen maakte om de stad van buiten aan te vallen, waren de kapiteins en soldaten bezig zich van binnen te verdedigen, zij bereidden hunne slingers, richtten hunne banieren op, bliezen op hunne bazuinen en ordenden zich in afdeelingen naar zij het noodig keurden. Ook kregen de soldaten bevel zich bij het geluid der bazuinen tot den strijd gereed te houden. De heer Vastewil nam den post op zich om tegen de rebellen daar binnen te waken, en te doen wat hij kon om hen voor den dag te halen en te verworgen. En inderdaad sedert hij boete gedaan had over zijn bedreven kwaad, toonde hij grooten ijver en liefde voor den koning. Hij greep onder anderen zekeren Vroolijk en zijn broeder Dartel, de twee zoons van dien Geoorloofd Vermaak, welke in de gevangenis kwijnde, die nog in wezen waren, en nagelde ze met zijne eigen handen aan het kruis. De reden, waarom hij hen ophing, was deze: nadat hun vader in handen van den cipier Getrouwe was overgeleverd, begonnen deze zonen huns vaders rol te spelen en met de dochters van hunnen heer te gekken en te boerten. Ja, zelfs was er een sterk vermoeden, dat zij de grenzen der betamelijkheid overschreden. Dit was den huisvader ter oore gekomen. Om billijk te wezen, wilde hij hen niet op losse geruchten vatten. Hij zette zijne twee knechts, Naspeurder en Alverteller, op den uitkijk; deze betrapten hen aldra, en deelden dat aan hunnen heer mede. Toen nu de heer Vastewil ten volle van de waarheid overtuigd was, nam hij de twee jonge boeven en voerde hen naar de Oogpoort, waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing,[47]in het gezicht van kapitein Wanhoop en Diábolus’ standaard.

Deze flinke daad van den moedigen Vastewil diende tot groote beschaming van kapitein Wanhoop, ontmoedigde het leger van Diábolus, en deed de aanhangers van den reus binnen de stad sidderen, terwijl de kapiteins van den Prins er zeer door werden bemoedigd. Diábolus zag nu duidelijk, dat de burgers der stad genegen waren tegen hem te strijden en dat hij op zijne vrienden daarbinnen niet hopen kon. Nog meer proeven gaf de edele Vastewil van zijn oprechte gehechtheid aan zijn vorst, zooals weldra zal blijken.

De kinderen van Spaarzaam, die bij den heer Gemoed inwoonden, heetten Afnijper en Inhalig. Een daarvan was zelfs getrouwd met eene dochter van Gemoed, wier naam was Houd-het-kwade-vast. Toen deze bemerkten hoe de heer Vastewil met Vroolijk en Dartel gedaan had, trachtten zij te vluchten; maar de heer Gemoed zette hen in zijn huis gevangen, en gedachtig aan de wet, dat alle Diábolus-mannen moesten sterven, liet hij hen in ketenen naar de markt slepen en hing hen eveneens op.

[46]De kapiteins Wreed, Pijniger en Zonder-rust. Nu dreigementen niet hielpen en pluimstrijkende woorden vruchteloos bleven, gaat hij tot dadelijkheden over. Nu komen de vervolgingen en het onthouden van rust ook op den dag des Heeren.[47]Waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing. Nu blijkt dat het Menschziel ernst wordt. De zonde wordt aangegrepen en gekruist, zelfs de boezemzonde in eigen binnenste. Het vleesch wordt gekruist met de begeerlijkheden. Eene heerlijke vrucht van het lijden!

[46]De kapiteins Wreed, Pijniger en Zonder-rust. Nu dreigementen niet hielpen en pluimstrijkende woorden vruchteloos bleven, gaat hij tot dadelijkheden over. Nu komen de vervolgingen en het onthouden van rust ook op den dag des Heeren.

[47]Waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing. Nu blijkt dat het Menschziel ernst wordt. De zonde wordt aangegrepen en gekruist, zelfs de boezemzonde in eigen binnenste. Het vleesch wordt gekruist met de begeerlijkheden. Eene heerlijke vrucht van het lijden!


Back to IndexNext