[Inhoud]HOOFDSTUK XVI.Welgemoed was Piet Retief met zeventig der voornaamste Boeren, de door koning Dingaan gewenschte beesten medevoerend, op weg gegaan naar Zoeloeland. Onderweg halt houdend, ontving hij bericht door een van ’s konings gezanten, dat hij voort mocht trekken naar Umkungunhlovu, de onwelluidende naam van Dingaan’s hoofdstad, de Dingaanstad door de Boeren genoemd.De Boeren lieten zich de order des konings geen tweemalen zeggen, en spoedig was de hoofdstad bereikt.De stad besloeg een groote ruimte, en was omheind door een muur van sterke doorntakken, terwijl aan weerszijden van die takken scherp gepunte palen kruiselings in den grond geplant, met de scherpe punten naar boven stonden. De stad was cirkelvormig gebouwd en bestond uit 1700 kafferhutten, die ruimte boden voor 34000 soldaten, terwijl de cirkel een groot exercitieveld omspande, dat grensde aan de woning des konings.De Boeren wendden zich nu tot een der voornaamste hoofdmannen,„Dingaansmond” genoemd, de eenige, die zonder verlof met den geweldige mocht spreken. Deze gingonmiddellijktot den koning, rapporteerde de aankomst van de Boeren, noemde hun getal alsmede het aantal beesten, dat zij mede brachten, en maakte tevens melding van de getuigenis der twee Zoeloe-kapiteins, die den veldtocht van de Boeren tegen Sikonyella hadden meegemaakt, en de verklaringen der Boeren onder eede wilden bevestigen.De koning scheen het rapport vriendelijk op te nemen. Op zijn bevel werd er voor de gasten geslacht, en terwijl zij den tweeden dag zouden uitrusten van den vermoeienden tocht, werd hen gelast, den derden dag voor den koning te verschijnen.Zoo maakten de Boeren dan hun kamp gereed op een kleinen heuvel, op ongeveer honderd vijftig pas afstands van de stad, door een spruit of beek er van gescheiden, en op driehonderd vijftig pas afstands van de gerechtsplaats, waar het door de wilde dieren afgeknaagde gebeente der verslagenen lag te bleeken in de heete Februarizon.[131]Waarschijnlijk waren er onder de Boeren meer dan één, die zich niet op hun gemak gevoelden, doch het vertrouwen van Piet Retief op het woord des konings was verwonderlijk groot, en toen den volgenden morgen de Zoeloe’s als geschenk van den gastheer tien mooie slachtossen voor de Boeren brachten, verdween het laatste spoor van wantrouwen. De twee kapiteins, die den tocht tegen Sikonyella hadden meegemaakt, voegden zich bij de blanken, hielden hen den geheelen dag op vriendelijke wijze gezelschap, en de Boeren waren vol goede verwachting voor den derden dag, toen zij bij koning Dingaan ter audiëntie verschenen.Die verwachting werd voorloopig niet beschaamd.Retief werd met vijf van zijn eerste raadsleden, vergezeld door de bekende Zoeloe-kapiteins en den machtigen hoofdman, die „Dingaanmond” werd genoemd, de raadzaal binnengelaten. Deze zaal was gemaakt van gevlochten rotting, terwijl de vloer was belegd met matten, waarop de gasten zich mochten nedervleien. Zij was twintig voet in het vierkant, terwijl het dak door twee en twintig met kralen versierde pilaren werd geschraagd.Aan de raadzaal grensde de zitkamer des konings, eveneens van gevlochten rotting gemaakt, terwijl van uit deze kamer door den tuin een smalle, met klipsteen geplaveide gang naar een breedgetakten wilden vijgeboom liep. Hier, in de schaduw van dezen boom, placht de koning gaarne te zitten, als de zon heet werd, en de geheele stad lag daar als aan zijn voeten. Van hier had hij ook een goed gezicht op den platten heuvel, die de gerechtsplaats werd genoemd, maar inderdaad een gruwelijke moordplaats was.De koning ontving de Boeren in de raadzaal. Hij zat vlak voor hen, maar zij konden zijn gelaat niet zien, want het was bedekt door een fijnen, rooden sluier.De ontvangst was uitmuntend. De koning was van de goede trouw der Boeren blijkbaar overtuigd, en verklaarde, dat hij het rapport van Piet Retief volkomen vertrouwde.Volgens het geloofwaardig getuigenis, dat later een van Dingaan’s soldaten aan een Transvaalschen Boer heeft afgelegd, had het tweegesprek het volgende verloop:De koning: Waar hebben jullie gewoond, alvorens ge hierheen trokt?Retief: Wij komen uit een ver land, waar nog vele witmenschen wonen.De koning: Waaromzijnjullie uit uw land getrokken?[132]Retief: Het land werd te eng voor de vele menschen, die er woonden.De koning: Waarom zijt ge niet in den omtrek der Vaalrivier gebleven?Retief: Het is daar een koude, kale wereld; er is geen geboomte en geen loopend water.De koning: Is het land, dat gij van mij wilt ruilen, goed van hout en water voorzien?Retief: Als wij dien grond konden krijgen, zouden wij blijde zijn, want er is hout en water in overvloed.De koning: Hebt gijlieden veel vee?Retief: Wij zijn armer geworden aan vee, want wij hebben op den Trek veel vee verloren. Toch hebben wij nog genoeg voor ons bedrijf, als wij maar vruchtbaren grond kunnen krijgen.De koning: Is het waar, Retief, dat gij met Moselekatse oorlog hebt gevoerd?Retief: De Boeren waren in geen oorlog met Moselekatse maar hij vermoordde ons volk en nam onze beesten weg. Toen is ons volk uitgetrokken, om het vee terug te krijgen.De koning: Waar woont Moselekatse thans?Retief: Hij en zijn volk zijn gevlucht.De koning: Is Moselekatse dood?Retief: Ik heb zijn lijk niet gezien; ik denk, dat hij nog leeft.De koning: Heeft uw volk veel van Moselekatse’s vee genomen?Retief: Ja, want Moselekatse had ook veel van ons vee genomen.De koning: Hebben uw vrienden vele van Moselekatse’s volk doodgeschoten?Retief: Ja. De Kaffers vochten dapper, en velen van hen sneuvelden.De koning: Waarom woont Retief niet in het land, waaruit hij Moselekatse heeft verjaagd?Retief: Wij willen niet in het land van een ander wonen, dat wij niet hebben gekocht of geruild. En Moselekatse is nu gevlucht—hoe zullen wij dan met hem kunnen spreken over het ruilen van grond, o koning!De koning was over de antwoorden van den blanken man blijkbaar zeer voldaan, zeide hem, dat hij een naderen dag zou bepalen, om over het ruilen van grond te spreken, en liet de vreemdelingen gaan in vrede.[133]De Boeren waren wonder in hun schik.Piet Retief sloeg zijn nevenman lachend op de schouders: „Nu maat, wat zeg je er van?”„’t Zal wel losloopen,” meende deze tevreden.„Dat denk ik ook,” zeide Piet Retief met klem, en stopte welbehagelijk zijn korte pijp.Den volgenden, den vierden dag, bleven de Boeren rustig in hun kamp, zagen nu en dan een goed gedrild regiment van den Zoeloe-koning voorbij marcheeren, en wachtten op de boodschap van koning Dingaan.Zij behoefden niet lang te wachten. Reeds den anderen dag kwam de boodschap, en de Boeren gingen vol hoop op een goeden uitslag opnieuw tot den koning.Hun stoutste verwachtingen werden nog overtroffen; de koning had blijkbaar een welgevallen aan de blanken, en hij teekende een stuk van den volgenden inhoud:„Umkungunhlovu, 4 Februari 1838.„Zij het aan allen kennelijk, dat aangezien Piet Retief mijn vee heeft hernomen, dat Sikonyella van mij had gestolen, welk vee gezegde Retief mij nu heeft afgeleverd, zoo verklaar en certificeer ik Dingaan, koning der Zoeloe’s, dat ik heb goed gedacht, aan hem Retief en zijn landgenooten af te staan de plaats Port-Natal met al het land, daaraan gelegen, dat is te zeggen van de Tugelarivier tot aan de Umzimvuburivier ten westen, en van de zee naar het noorden, zoo ver het land bruikbaar moge zijn en aan mij toebehoort—hetwelk ik bij deze doe, en hun schenk als hun voortdurend eigendom.”Dit historische dokument moet nog te vinden zijn in het gouvernementsarchief te Pieter-Maritzburg, en de handteekening des konings: „Marthinus Dingaan” is, alhoewel zeer onduidelijk geschreven, toch nog te ontcijferen.Retief stak het kostbaar dokument, waarbij Natal aan de Boeren werd afgestaan, in zijn zak, en nu het groote doel was bereikt, verlangde men naar huis, om daar de blijde tijding te brengen.De koning echter verzocht de gasten, nog één dag te vertoeven, want hij wilde ter hunner eer zijn regimenten nog een oorlogsdans laten uitvoeren.De Boeren konden, zonder onbeleefd te schijnen, moeilijk weigeren, en reeds vroeg in den volgenden morgen liet de koning Retief met zijn vijf vertrouwdste vrienden roepen. Op Dingaan’s bevel verschenen nu op het ruime exercitieveld[134]vier honderd poenskopossen, straks vervangen door vier honderd zwartrugossen, voor welke ten slotte vier honderd melkwitte ossen, de zoogenaamde vredeossen, in de plaats kwamen. Bij elke dezer drie prachtige groepen ossen behoorden twee regimenten Zoeloe-soldaten, die voor de oogen der Boeren hun oorlogsdansen uitvoerden.Toen deze spelen geëindigd waren, richtte zich de koning tot Retief.„Hoe vindt gij ’t?”„Ik vind het mooi,” was het antwoord; „nog nooit, o koning, heb ik zoo iets gezien!”Retief sprak de waarheid; het was een schilderachtig, prachtig gezicht geweest.„Hebt gij ook zulke groote groepen ossen van één kleur?” was de nieuwe vraag van den Zoeloe-vorst.„Neen,” antwoordde Retief; „wij houden de kleuren niet zoo bij elkaar; wij gebruiken de ossen, om de wagens te trekken.”„Dan zijt ge niet zoo’n groot koning als ik,” meende Dingaan.„Ik zie,” was het antwoord, „dat gij een machtig, goed en rijk koning zijt, dat gij uw scepter uitstrekt over een groot volk, en ik denk, dat ik en mijn volk in vrede en vriendschap zullen leven met koning Dingaan en zijn volk.”Doch nu was het de beurt aan Retief, om met zijne manschappen eenige manoeuvres uit te voeren, en de koning zette zich neder op zijn lievelingsplek, onder den wilden vijgeboom, van waar hij de bewegingen der ruiters goed kon waarnemen.Retief liet dus zijn zeventig manschappen opzadelen in het oude kamp; de geweren werden geladen met los kruit, en in twee afdeelingen reden de Boeren naar de door den koning aangewezen plek. Hier werden een paar schitterende ruiterstukjes uitgevoerd, vervolgens zoo snel mogelijk drie salvo’s afgegeven, waarna de paarden werden omgeworpen, en men in galop terugkeerde naar het kamp.Nu zouden de Boeren dan vertrekken, doch een adjudant des konings verzocht hen uit des konings naam, nog één nacht te blijven, om den volgenden morgen als des konings gasten bier met hen te drinken, de regimenten nog eens hun oorlogsspelen te zien uitvoeren, en dan in vrede huns weegs te gaan.De Boeren verlangden naar huis, maar zij wilde den[135]koning niet onaangenaam zijn; zoo bleven zij in hun kamp. Zwermen aasvogels zagen zij neerstrijken op den moordheuvel daar voor hen, doch dit deerde hen niet. Morgen, morgen gingen zij immers naar huis!Zij zaten met elkander te keuvelen en te praten, totdat de milde zomeravond zijn schaduwen wierp over het lager. Het begon koeler te worden en zij vleiden zich neder om te slapen—het was delaatstenacht van hun leven.Retief en zijn zeventig mannen waren den volgenden morgen vroeg op, en begaven zich tot het afscheidsbezoek naar den koning.Hun werd gezegd, de geweren achter te laten; de argeloozen voldeden aan het bevel.Zij ontmoetten den koning op hetexercitievelden groetten hem eerbiedig. Hij groette terug, maar tusschen het gaas door van den fijnen, rooden sluier, die zijn gelaat bedekte, flikkerden de oogen van een wild, bloeddorstig beest.Het bier werd rondgedeeld, en de Zoeloe-regimenten voerden hun oorlogsdansen uit. Allengs vormden zij om de Boeren een wijden kring, die gestadig nauwer werd.Nog altijd vermoedde Retief geen verraad; zijn trouw en eerlijk hart vertrouwde op het koninklijk woord.„Het wordt tijd!” fluisterde Tambuza, Dingaan’s eerste minister.Toen liet de koning het masker plotseling vallen.Hij stond op.„Slaat de toovenaars dood!” brulde hij, en zich omkeerende, verdween hij in zijn woning.„Verraad!” gilden de Boeren, terwijl zij hun messen trokken, maar ze werden verzwolgen door de overstelpende macht des vijands. Zij streden en worstelden tot het bittere einde, en vielen als helden en martelaren!Eenknotsverbrijzelde de hersenpan van Piet Retief; een assegaai scheurde zijn lichaam open, en het nog kloppende, trouwe hart werd hem uit het lijf gereten en aan Dingaan gebracht.Toen lachte de bloedhond, en de satan, die vlak achter hem stond, lachte ook.Maar aan den Engelschen zendeling Owen, die aan het „hof” verkeerde, liet Dingaan deze boodschap brengen: „Verontrust u niet, mijnheer Owen; ik laat de Boeren maar doodslaan.”De vermoorde Boeren werden intusschen naar den moordheuvel[136]gesleept, en hun lijken op een hoop geworpen. Daar bleven zij liggen: een spijs voor de aasvogels en het wild gedierte.
[Inhoud]HOOFDSTUK XVI.Welgemoed was Piet Retief met zeventig der voornaamste Boeren, de door koning Dingaan gewenschte beesten medevoerend, op weg gegaan naar Zoeloeland. Onderweg halt houdend, ontving hij bericht door een van ’s konings gezanten, dat hij voort mocht trekken naar Umkungunhlovu, de onwelluidende naam van Dingaan’s hoofdstad, de Dingaanstad door de Boeren genoemd.De Boeren lieten zich de order des konings geen tweemalen zeggen, en spoedig was de hoofdstad bereikt.De stad besloeg een groote ruimte, en was omheind door een muur van sterke doorntakken, terwijl aan weerszijden van die takken scherp gepunte palen kruiselings in den grond geplant, met de scherpe punten naar boven stonden. De stad was cirkelvormig gebouwd en bestond uit 1700 kafferhutten, die ruimte boden voor 34000 soldaten, terwijl de cirkel een groot exercitieveld omspande, dat grensde aan de woning des konings.De Boeren wendden zich nu tot een der voornaamste hoofdmannen,„Dingaansmond” genoemd, de eenige, die zonder verlof met den geweldige mocht spreken. Deze gingonmiddellijktot den koning, rapporteerde de aankomst van de Boeren, noemde hun getal alsmede het aantal beesten, dat zij mede brachten, en maakte tevens melding van de getuigenis der twee Zoeloe-kapiteins, die den veldtocht van de Boeren tegen Sikonyella hadden meegemaakt, en de verklaringen der Boeren onder eede wilden bevestigen.De koning scheen het rapport vriendelijk op te nemen. Op zijn bevel werd er voor de gasten geslacht, en terwijl zij den tweeden dag zouden uitrusten van den vermoeienden tocht, werd hen gelast, den derden dag voor den koning te verschijnen.Zoo maakten de Boeren dan hun kamp gereed op een kleinen heuvel, op ongeveer honderd vijftig pas afstands van de stad, door een spruit of beek er van gescheiden, en op driehonderd vijftig pas afstands van de gerechtsplaats, waar het door de wilde dieren afgeknaagde gebeente der verslagenen lag te bleeken in de heete Februarizon.[131]Waarschijnlijk waren er onder de Boeren meer dan één, die zich niet op hun gemak gevoelden, doch het vertrouwen van Piet Retief op het woord des konings was verwonderlijk groot, en toen den volgenden morgen de Zoeloe’s als geschenk van den gastheer tien mooie slachtossen voor de Boeren brachten, verdween het laatste spoor van wantrouwen. De twee kapiteins, die den tocht tegen Sikonyella hadden meegemaakt, voegden zich bij de blanken, hielden hen den geheelen dag op vriendelijke wijze gezelschap, en de Boeren waren vol goede verwachting voor den derden dag, toen zij bij koning Dingaan ter audiëntie verschenen.Die verwachting werd voorloopig niet beschaamd.Retief werd met vijf van zijn eerste raadsleden, vergezeld door de bekende Zoeloe-kapiteins en den machtigen hoofdman, die „Dingaanmond” werd genoemd, de raadzaal binnengelaten. Deze zaal was gemaakt van gevlochten rotting, terwijl de vloer was belegd met matten, waarop de gasten zich mochten nedervleien. Zij was twintig voet in het vierkant, terwijl het dak door twee en twintig met kralen versierde pilaren werd geschraagd.Aan de raadzaal grensde de zitkamer des konings, eveneens van gevlochten rotting gemaakt, terwijl van uit deze kamer door den tuin een smalle, met klipsteen geplaveide gang naar een breedgetakten wilden vijgeboom liep. Hier, in de schaduw van dezen boom, placht de koning gaarne te zitten, als de zon heet werd, en de geheele stad lag daar als aan zijn voeten. Van hier had hij ook een goed gezicht op den platten heuvel, die de gerechtsplaats werd genoemd, maar inderdaad een gruwelijke moordplaats was.De koning ontving de Boeren in de raadzaal. Hij zat vlak voor hen, maar zij konden zijn gelaat niet zien, want het was bedekt door een fijnen, rooden sluier.De ontvangst was uitmuntend. De koning was van de goede trouw der Boeren blijkbaar overtuigd, en verklaarde, dat hij het rapport van Piet Retief volkomen vertrouwde.Volgens het geloofwaardig getuigenis, dat later een van Dingaan’s soldaten aan een Transvaalschen Boer heeft afgelegd, had het tweegesprek het volgende verloop:De koning: Waar hebben jullie gewoond, alvorens ge hierheen trokt?Retief: Wij komen uit een ver land, waar nog vele witmenschen wonen.De koning: Waaromzijnjullie uit uw land getrokken?[132]Retief: Het land werd te eng voor de vele menschen, die er woonden.De koning: Waarom zijt ge niet in den omtrek der Vaalrivier gebleven?Retief: Het is daar een koude, kale wereld; er is geen geboomte en geen loopend water.De koning: Is het land, dat gij van mij wilt ruilen, goed van hout en water voorzien?Retief: Als wij dien grond konden krijgen, zouden wij blijde zijn, want er is hout en water in overvloed.De koning: Hebt gijlieden veel vee?Retief: Wij zijn armer geworden aan vee, want wij hebben op den Trek veel vee verloren. Toch hebben wij nog genoeg voor ons bedrijf, als wij maar vruchtbaren grond kunnen krijgen.De koning: Is het waar, Retief, dat gij met Moselekatse oorlog hebt gevoerd?Retief: De Boeren waren in geen oorlog met Moselekatse maar hij vermoordde ons volk en nam onze beesten weg. Toen is ons volk uitgetrokken, om het vee terug te krijgen.De koning: Waar woont Moselekatse thans?Retief: Hij en zijn volk zijn gevlucht.De koning: Is Moselekatse dood?Retief: Ik heb zijn lijk niet gezien; ik denk, dat hij nog leeft.De koning: Heeft uw volk veel van Moselekatse’s vee genomen?Retief: Ja, want Moselekatse had ook veel van ons vee genomen.De koning: Hebben uw vrienden vele van Moselekatse’s volk doodgeschoten?Retief: Ja. De Kaffers vochten dapper, en velen van hen sneuvelden.De koning: Waarom woont Retief niet in het land, waaruit hij Moselekatse heeft verjaagd?Retief: Wij willen niet in het land van een ander wonen, dat wij niet hebben gekocht of geruild. En Moselekatse is nu gevlucht—hoe zullen wij dan met hem kunnen spreken over het ruilen van grond, o koning!De koning was over de antwoorden van den blanken man blijkbaar zeer voldaan, zeide hem, dat hij een naderen dag zou bepalen, om over het ruilen van grond te spreken, en liet de vreemdelingen gaan in vrede.[133]De Boeren waren wonder in hun schik.Piet Retief sloeg zijn nevenman lachend op de schouders: „Nu maat, wat zeg je er van?”„’t Zal wel losloopen,” meende deze tevreden.„Dat denk ik ook,” zeide Piet Retief met klem, en stopte welbehagelijk zijn korte pijp.Den volgenden, den vierden dag, bleven de Boeren rustig in hun kamp, zagen nu en dan een goed gedrild regiment van den Zoeloe-koning voorbij marcheeren, en wachtten op de boodschap van koning Dingaan.Zij behoefden niet lang te wachten. Reeds den anderen dag kwam de boodschap, en de Boeren gingen vol hoop op een goeden uitslag opnieuw tot den koning.Hun stoutste verwachtingen werden nog overtroffen; de koning had blijkbaar een welgevallen aan de blanken, en hij teekende een stuk van den volgenden inhoud:„Umkungunhlovu, 4 Februari 1838.„Zij het aan allen kennelijk, dat aangezien Piet Retief mijn vee heeft hernomen, dat Sikonyella van mij had gestolen, welk vee gezegde Retief mij nu heeft afgeleverd, zoo verklaar en certificeer ik Dingaan, koning der Zoeloe’s, dat ik heb goed gedacht, aan hem Retief en zijn landgenooten af te staan de plaats Port-Natal met al het land, daaraan gelegen, dat is te zeggen van de Tugelarivier tot aan de Umzimvuburivier ten westen, en van de zee naar het noorden, zoo ver het land bruikbaar moge zijn en aan mij toebehoort—hetwelk ik bij deze doe, en hun schenk als hun voortdurend eigendom.”Dit historische dokument moet nog te vinden zijn in het gouvernementsarchief te Pieter-Maritzburg, en de handteekening des konings: „Marthinus Dingaan” is, alhoewel zeer onduidelijk geschreven, toch nog te ontcijferen.Retief stak het kostbaar dokument, waarbij Natal aan de Boeren werd afgestaan, in zijn zak, en nu het groote doel was bereikt, verlangde men naar huis, om daar de blijde tijding te brengen.De koning echter verzocht de gasten, nog één dag te vertoeven, want hij wilde ter hunner eer zijn regimenten nog een oorlogsdans laten uitvoeren.De Boeren konden, zonder onbeleefd te schijnen, moeilijk weigeren, en reeds vroeg in den volgenden morgen liet de koning Retief met zijn vijf vertrouwdste vrienden roepen. Op Dingaan’s bevel verschenen nu op het ruime exercitieveld[134]vier honderd poenskopossen, straks vervangen door vier honderd zwartrugossen, voor welke ten slotte vier honderd melkwitte ossen, de zoogenaamde vredeossen, in de plaats kwamen. Bij elke dezer drie prachtige groepen ossen behoorden twee regimenten Zoeloe-soldaten, die voor de oogen der Boeren hun oorlogsdansen uitvoerden.Toen deze spelen geëindigd waren, richtte zich de koning tot Retief.„Hoe vindt gij ’t?”„Ik vind het mooi,” was het antwoord; „nog nooit, o koning, heb ik zoo iets gezien!”Retief sprak de waarheid; het was een schilderachtig, prachtig gezicht geweest.„Hebt gij ook zulke groote groepen ossen van één kleur?” was de nieuwe vraag van den Zoeloe-vorst.„Neen,” antwoordde Retief; „wij houden de kleuren niet zoo bij elkaar; wij gebruiken de ossen, om de wagens te trekken.”„Dan zijt ge niet zoo’n groot koning als ik,” meende Dingaan.„Ik zie,” was het antwoord, „dat gij een machtig, goed en rijk koning zijt, dat gij uw scepter uitstrekt over een groot volk, en ik denk, dat ik en mijn volk in vrede en vriendschap zullen leven met koning Dingaan en zijn volk.”Doch nu was het de beurt aan Retief, om met zijne manschappen eenige manoeuvres uit te voeren, en de koning zette zich neder op zijn lievelingsplek, onder den wilden vijgeboom, van waar hij de bewegingen der ruiters goed kon waarnemen.Retief liet dus zijn zeventig manschappen opzadelen in het oude kamp; de geweren werden geladen met los kruit, en in twee afdeelingen reden de Boeren naar de door den koning aangewezen plek. Hier werden een paar schitterende ruiterstukjes uitgevoerd, vervolgens zoo snel mogelijk drie salvo’s afgegeven, waarna de paarden werden omgeworpen, en men in galop terugkeerde naar het kamp.Nu zouden de Boeren dan vertrekken, doch een adjudant des konings verzocht hen uit des konings naam, nog één nacht te blijven, om den volgenden morgen als des konings gasten bier met hen te drinken, de regimenten nog eens hun oorlogsspelen te zien uitvoeren, en dan in vrede huns weegs te gaan.De Boeren verlangden naar huis, maar zij wilde den[135]koning niet onaangenaam zijn; zoo bleven zij in hun kamp. Zwermen aasvogels zagen zij neerstrijken op den moordheuvel daar voor hen, doch dit deerde hen niet. Morgen, morgen gingen zij immers naar huis!Zij zaten met elkander te keuvelen en te praten, totdat de milde zomeravond zijn schaduwen wierp over het lager. Het begon koeler te worden en zij vleiden zich neder om te slapen—het was delaatstenacht van hun leven.Retief en zijn zeventig mannen waren den volgenden morgen vroeg op, en begaven zich tot het afscheidsbezoek naar den koning.Hun werd gezegd, de geweren achter te laten; de argeloozen voldeden aan het bevel.Zij ontmoetten den koning op hetexercitievelden groetten hem eerbiedig. Hij groette terug, maar tusschen het gaas door van den fijnen, rooden sluier, die zijn gelaat bedekte, flikkerden de oogen van een wild, bloeddorstig beest.Het bier werd rondgedeeld, en de Zoeloe-regimenten voerden hun oorlogsdansen uit. Allengs vormden zij om de Boeren een wijden kring, die gestadig nauwer werd.Nog altijd vermoedde Retief geen verraad; zijn trouw en eerlijk hart vertrouwde op het koninklijk woord.„Het wordt tijd!” fluisterde Tambuza, Dingaan’s eerste minister.Toen liet de koning het masker plotseling vallen.Hij stond op.„Slaat de toovenaars dood!” brulde hij, en zich omkeerende, verdween hij in zijn woning.„Verraad!” gilden de Boeren, terwijl zij hun messen trokken, maar ze werden verzwolgen door de overstelpende macht des vijands. Zij streden en worstelden tot het bittere einde, en vielen als helden en martelaren!Eenknotsverbrijzelde de hersenpan van Piet Retief; een assegaai scheurde zijn lichaam open, en het nog kloppende, trouwe hart werd hem uit het lijf gereten en aan Dingaan gebracht.Toen lachte de bloedhond, en de satan, die vlak achter hem stond, lachte ook.Maar aan den Engelschen zendeling Owen, die aan het „hof” verkeerde, liet Dingaan deze boodschap brengen: „Verontrust u niet, mijnheer Owen; ik laat de Boeren maar doodslaan.”De vermoorde Boeren werden intusschen naar den moordheuvel[136]gesleept, en hun lijken op een hoop geworpen. Daar bleven zij liggen: een spijs voor de aasvogels en het wild gedierte.
HOOFDSTUK XVI.
Welgemoed was Piet Retief met zeventig der voornaamste Boeren, de door koning Dingaan gewenschte beesten medevoerend, op weg gegaan naar Zoeloeland. Onderweg halt houdend, ontving hij bericht door een van ’s konings gezanten, dat hij voort mocht trekken naar Umkungunhlovu, de onwelluidende naam van Dingaan’s hoofdstad, de Dingaanstad door de Boeren genoemd.De Boeren lieten zich de order des konings geen tweemalen zeggen, en spoedig was de hoofdstad bereikt.De stad besloeg een groote ruimte, en was omheind door een muur van sterke doorntakken, terwijl aan weerszijden van die takken scherp gepunte palen kruiselings in den grond geplant, met de scherpe punten naar boven stonden. De stad was cirkelvormig gebouwd en bestond uit 1700 kafferhutten, die ruimte boden voor 34000 soldaten, terwijl de cirkel een groot exercitieveld omspande, dat grensde aan de woning des konings.De Boeren wendden zich nu tot een der voornaamste hoofdmannen,„Dingaansmond” genoemd, de eenige, die zonder verlof met den geweldige mocht spreken. Deze gingonmiddellijktot den koning, rapporteerde de aankomst van de Boeren, noemde hun getal alsmede het aantal beesten, dat zij mede brachten, en maakte tevens melding van de getuigenis der twee Zoeloe-kapiteins, die den veldtocht van de Boeren tegen Sikonyella hadden meegemaakt, en de verklaringen der Boeren onder eede wilden bevestigen.De koning scheen het rapport vriendelijk op te nemen. Op zijn bevel werd er voor de gasten geslacht, en terwijl zij den tweeden dag zouden uitrusten van den vermoeienden tocht, werd hen gelast, den derden dag voor den koning te verschijnen.Zoo maakten de Boeren dan hun kamp gereed op een kleinen heuvel, op ongeveer honderd vijftig pas afstands van de stad, door een spruit of beek er van gescheiden, en op driehonderd vijftig pas afstands van de gerechtsplaats, waar het door de wilde dieren afgeknaagde gebeente der verslagenen lag te bleeken in de heete Februarizon.[131]Waarschijnlijk waren er onder de Boeren meer dan één, die zich niet op hun gemak gevoelden, doch het vertrouwen van Piet Retief op het woord des konings was verwonderlijk groot, en toen den volgenden morgen de Zoeloe’s als geschenk van den gastheer tien mooie slachtossen voor de Boeren brachten, verdween het laatste spoor van wantrouwen. De twee kapiteins, die den tocht tegen Sikonyella hadden meegemaakt, voegden zich bij de blanken, hielden hen den geheelen dag op vriendelijke wijze gezelschap, en de Boeren waren vol goede verwachting voor den derden dag, toen zij bij koning Dingaan ter audiëntie verschenen.Die verwachting werd voorloopig niet beschaamd.Retief werd met vijf van zijn eerste raadsleden, vergezeld door de bekende Zoeloe-kapiteins en den machtigen hoofdman, die „Dingaanmond” werd genoemd, de raadzaal binnengelaten. Deze zaal was gemaakt van gevlochten rotting, terwijl de vloer was belegd met matten, waarop de gasten zich mochten nedervleien. Zij was twintig voet in het vierkant, terwijl het dak door twee en twintig met kralen versierde pilaren werd geschraagd.Aan de raadzaal grensde de zitkamer des konings, eveneens van gevlochten rotting gemaakt, terwijl van uit deze kamer door den tuin een smalle, met klipsteen geplaveide gang naar een breedgetakten wilden vijgeboom liep. Hier, in de schaduw van dezen boom, placht de koning gaarne te zitten, als de zon heet werd, en de geheele stad lag daar als aan zijn voeten. Van hier had hij ook een goed gezicht op den platten heuvel, die de gerechtsplaats werd genoemd, maar inderdaad een gruwelijke moordplaats was.De koning ontving de Boeren in de raadzaal. Hij zat vlak voor hen, maar zij konden zijn gelaat niet zien, want het was bedekt door een fijnen, rooden sluier.De ontvangst was uitmuntend. De koning was van de goede trouw der Boeren blijkbaar overtuigd, en verklaarde, dat hij het rapport van Piet Retief volkomen vertrouwde.Volgens het geloofwaardig getuigenis, dat later een van Dingaan’s soldaten aan een Transvaalschen Boer heeft afgelegd, had het tweegesprek het volgende verloop:De koning: Waar hebben jullie gewoond, alvorens ge hierheen trokt?Retief: Wij komen uit een ver land, waar nog vele witmenschen wonen.De koning: Waaromzijnjullie uit uw land getrokken?[132]Retief: Het land werd te eng voor de vele menschen, die er woonden.De koning: Waarom zijt ge niet in den omtrek der Vaalrivier gebleven?Retief: Het is daar een koude, kale wereld; er is geen geboomte en geen loopend water.De koning: Is het land, dat gij van mij wilt ruilen, goed van hout en water voorzien?Retief: Als wij dien grond konden krijgen, zouden wij blijde zijn, want er is hout en water in overvloed.De koning: Hebt gijlieden veel vee?Retief: Wij zijn armer geworden aan vee, want wij hebben op den Trek veel vee verloren. Toch hebben wij nog genoeg voor ons bedrijf, als wij maar vruchtbaren grond kunnen krijgen.De koning: Is het waar, Retief, dat gij met Moselekatse oorlog hebt gevoerd?Retief: De Boeren waren in geen oorlog met Moselekatse maar hij vermoordde ons volk en nam onze beesten weg. Toen is ons volk uitgetrokken, om het vee terug te krijgen.De koning: Waar woont Moselekatse thans?Retief: Hij en zijn volk zijn gevlucht.De koning: Is Moselekatse dood?Retief: Ik heb zijn lijk niet gezien; ik denk, dat hij nog leeft.De koning: Heeft uw volk veel van Moselekatse’s vee genomen?Retief: Ja, want Moselekatse had ook veel van ons vee genomen.De koning: Hebben uw vrienden vele van Moselekatse’s volk doodgeschoten?Retief: Ja. De Kaffers vochten dapper, en velen van hen sneuvelden.De koning: Waarom woont Retief niet in het land, waaruit hij Moselekatse heeft verjaagd?Retief: Wij willen niet in het land van een ander wonen, dat wij niet hebben gekocht of geruild. En Moselekatse is nu gevlucht—hoe zullen wij dan met hem kunnen spreken over het ruilen van grond, o koning!De koning was over de antwoorden van den blanken man blijkbaar zeer voldaan, zeide hem, dat hij een naderen dag zou bepalen, om over het ruilen van grond te spreken, en liet de vreemdelingen gaan in vrede.[133]De Boeren waren wonder in hun schik.Piet Retief sloeg zijn nevenman lachend op de schouders: „Nu maat, wat zeg je er van?”„’t Zal wel losloopen,” meende deze tevreden.„Dat denk ik ook,” zeide Piet Retief met klem, en stopte welbehagelijk zijn korte pijp.Den volgenden, den vierden dag, bleven de Boeren rustig in hun kamp, zagen nu en dan een goed gedrild regiment van den Zoeloe-koning voorbij marcheeren, en wachtten op de boodschap van koning Dingaan.Zij behoefden niet lang te wachten. Reeds den anderen dag kwam de boodschap, en de Boeren gingen vol hoop op een goeden uitslag opnieuw tot den koning.Hun stoutste verwachtingen werden nog overtroffen; de koning had blijkbaar een welgevallen aan de blanken, en hij teekende een stuk van den volgenden inhoud:„Umkungunhlovu, 4 Februari 1838.„Zij het aan allen kennelijk, dat aangezien Piet Retief mijn vee heeft hernomen, dat Sikonyella van mij had gestolen, welk vee gezegde Retief mij nu heeft afgeleverd, zoo verklaar en certificeer ik Dingaan, koning der Zoeloe’s, dat ik heb goed gedacht, aan hem Retief en zijn landgenooten af te staan de plaats Port-Natal met al het land, daaraan gelegen, dat is te zeggen van de Tugelarivier tot aan de Umzimvuburivier ten westen, en van de zee naar het noorden, zoo ver het land bruikbaar moge zijn en aan mij toebehoort—hetwelk ik bij deze doe, en hun schenk als hun voortdurend eigendom.”Dit historische dokument moet nog te vinden zijn in het gouvernementsarchief te Pieter-Maritzburg, en de handteekening des konings: „Marthinus Dingaan” is, alhoewel zeer onduidelijk geschreven, toch nog te ontcijferen.Retief stak het kostbaar dokument, waarbij Natal aan de Boeren werd afgestaan, in zijn zak, en nu het groote doel was bereikt, verlangde men naar huis, om daar de blijde tijding te brengen.De koning echter verzocht de gasten, nog één dag te vertoeven, want hij wilde ter hunner eer zijn regimenten nog een oorlogsdans laten uitvoeren.De Boeren konden, zonder onbeleefd te schijnen, moeilijk weigeren, en reeds vroeg in den volgenden morgen liet de koning Retief met zijn vijf vertrouwdste vrienden roepen. Op Dingaan’s bevel verschenen nu op het ruime exercitieveld[134]vier honderd poenskopossen, straks vervangen door vier honderd zwartrugossen, voor welke ten slotte vier honderd melkwitte ossen, de zoogenaamde vredeossen, in de plaats kwamen. Bij elke dezer drie prachtige groepen ossen behoorden twee regimenten Zoeloe-soldaten, die voor de oogen der Boeren hun oorlogsdansen uitvoerden.Toen deze spelen geëindigd waren, richtte zich de koning tot Retief.„Hoe vindt gij ’t?”„Ik vind het mooi,” was het antwoord; „nog nooit, o koning, heb ik zoo iets gezien!”Retief sprak de waarheid; het was een schilderachtig, prachtig gezicht geweest.„Hebt gij ook zulke groote groepen ossen van één kleur?” was de nieuwe vraag van den Zoeloe-vorst.„Neen,” antwoordde Retief; „wij houden de kleuren niet zoo bij elkaar; wij gebruiken de ossen, om de wagens te trekken.”„Dan zijt ge niet zoo’n groot koning als ik,” meende Dingaan.„Ik zie,” was het antwoord, „dat gij een machtig, goed en rijk koning zijt, dat gij uw scepter uitstrekt over een groot volk, en ik denk, dat ik en mijn volk in vrede en vriendschap zullen leven met koning Dingaan en zijn volk.”Doch nu was het de beurt aan Retief, om met zijne manschappen eenige manoeuvres uit te voeren, en de koning zette zich neder op zijn lievelingsplek, onder den wilden vijgeboom, van waar hij de bewegingen der ruiters goed kon waarnemen.Retief liet dus zijn zeventig manschappen opzadelen in het oude kamp; de geweren werden geladen met los kruit, en in twee afdeelingen reden de Boeren naar de door den koning aangewezen plek. Hier werden een paar schitterende ruiterstukjes uitgevoerd, vervolgens zoo snel mogelijk drie salvo’s afgegeven, waarna de paarden werden omgeworpen, en men in galop terugkeerde naar het kamp.Nu zouden de Boeren dan vertrekken, doch een adjudant des konings verzocht hen uit des konings naam, nog één nacht te blijven, om den volgenden morgen als des konings gasten bier met hen te drinken, de regimenten nog eens hun oorlogsspelen te zien uitvoeren, en dan in vrede huns weegs te gaan.De Boeren verlangden naar huis, maar zij wilde den[135]koning niet onaangenaam zijn; zoo bleven zij in hun kamp. Zwermen aasvogels zagen zij neerstrijken op den moordheuvel daar voor hen, doch dit deerde hen niet. Morgen, morgen gingen zij immers naar huis!Zij zaten met elkander te keuvelen en te praten, totdat de milde zomeravond zijn schaduwen wierp over het lager. Het begon koeler te worden en zij vleiden zich neder om te slapen—het was delaatstenacht van hun leven.Retief en zijn zeventig mannen waren den volgenden morgen vroeg op, en begaven zich tot het afscheidsbezoek naar den koning.Hun werd gezegd, de geweren achter te laten; de argeloozen voldeden aan het bevel.Zij ontmoetten den koning op hetexercitievelden groetten hem eerbiedig. Hij groette terug, maar tusschen het gaas door van den fijnen, rooden sluier, die zijn gelaat bedekte, flikkerden de oogen van een wild, bloeddorstig beest.Het bier werd rondgedeeld, en de Zoeloe-regimenten voerden hun oorlogsdansen uit. Allengs vormden zij om de Boeren een wijden kring, die gestadig nauwer werd.Nog altijd vermoedde Retief geen verraad; zijn trouw en eerlijk hart vertrouwde op het koninklijk woord.„Het wordt tijd!” fluisterde Tambuza, Dingaan’s eerste minister.Toen liet de koning het masker plotseling vallen.Hij stond op.„Slaat de toovenaars dood!” brulde hij, en zich omkeerende, verdween hij in zijn woning.„Verraad!” gilden de Boeren, terwijl zij hun messen trokken, maar ze werden verzwolgen door de overstelpende macht des vijands. Zij streden en worstelden tot het bittere einde, en vielen als helden en martelaren!Eenknotsverbrijzelde de hersenpan van Piet Retief; een assegaai scheurde zijn lichaam open, en het nog kloppende, trouwe hart werd hem uit het lijf gereten en aan Dingaan gebracht.Toen lachte de bloedhond, en de satan, die vlak achter hem stond, lachte ook.Maar aan den Engelschen zendeling Owen, die aan het „hof” verkeerde, liet Dingaan deze boodschap brengen: „Verontrust u niet, mijnheer Owen; ik laat de Boeren maar doodslaan.”De vermoorde Boeren werden intusschen naar den moordheuvel[136]gesleept, en hun lijken op een hoop geworpen. Daar bleven zij liggen: een spijs voor de aasvogels en het wild gedierte.
Welgemoed was Piet Retief met zeventig der voornaamste Boeren, de door koning Dingaan gewenschte beesten medevoerend, op weg gegaan naar Zoeloeland. Onderweg halt houdend, ontving hij bericht door een van ’s konings gezanten, dat hij voort mocht trekken naar Umkungunhlovu, de onwelluidende naam van Dingaan’s hoofdstad, de Dingaanstad door de Boeren genoemd.
De Boeren lieten zich de order des konings geen tweemalen zeggen, en spoedig was de hoofdstad bereikt.
De stad besloeg een groote ruimte, en was omheind door een muur van sterke doorntakken, terwijl aan weerszijden van die takken scherp gepunte palen kruiselings in den grond geplant, met de scherpe punten naar boven stonden. De stad was cirkelvormig gebouwd en bestond uit 1700 kafferhutten, die ruimte boden voor 34000 soldaten, terwijl de cirkel een groot exercitieveld omspande, dat grensde aan de woning des konings.
De Boeren wendden zich nu tot een der voornaamste hoofdmannen,„Dingaansmond” genoemd, de eenige, die zonder verlof met den geweldige mocht spreken. Deze gingonmiddellijktot den koning, rapporteerde de aankomst van de Boeren, noemde hun getal alsmede het aantal beesten, dat zij mede brachten, en maakte tevens melding van de getuigenis der twee Zoeloe-kapiteins, die den veldtocht van de Boeren tegen Sikonyella hadden meegemaakt, en de verklaringen der Boeren onder eede wilden bevestigen.
De koning scheen het rapport vriendelijk op te nemen. Op zijn bevel werd er voor de gasten geslacht, en terwijl zij den tweeden dag zouden uitrusten van den vermoeienden tocht, werd hen gelast, den derden dag voor den koning te verschijnen.
Zoo maakten de Boeren dan hun kamp gereed op een kleinen heuvel, op ongeveer honderd vijftig pas afstands van de stad, door een spruit of beek er van gescheiden, en op driehonderd vijftig pas afstands van de gerechtsplaats, waar het door de wilde dieren afgeknaagde gebeente der verslagenen lag te bleeken in de heete Februarizon.[131]
Waarschijnlijk waren er onder de Boeren meer dan één, die zich niet op hun gemak gevoelden, doch het vertrouwen van Piet Retief op het woord des konings was verwonderlijk groot, en toen den volgenden morgen de Zoeloe’s als geschenk van den gastheer tien mooie slachtossen voor de Boeren brachten, verdween het laatste spoor van wantrouwen. De twee kapiteins, die den tocht tegen Sikonyella hadden meegemaakt, voegden zich bij de blanken, hielden hen den geheelen dag op vriendelijke wijze gezelschap, en de Boeren waren vol goede verwachting voor den derden dag, toen zij bij koning Dingaan ter audiëntie verschenen.
Die verwachting werd voorloopig niet beschaamd.
Retief werd met vijf van zijn eerste raadsleden, vergezeld door de bekende Zoeloe-kapiteins en den machtigen hoofdman, die „Dingaanmond” werd genoemd, de raadzaal binnengelaten. Deze zaal was gemaakt van gevlochten rotting, terwijl de vloer was belegd met matten, waarop de gasten zich mochten nedervleien. Zij was twintig voet in het vierkant, terwijl het dak door twee en twintig met kralen versierde pilaren werd geschraagd.
Aan de raadzaal grensde de zitkamer des konings, eveneens van gevlochten rotting gemaakt, terwijl van uit deze kamer door den tuin een smalle, met klipsteen geplaveide gang naar een breedgetakten wilden vijgeboom liep. Hier, in de schaduw van dezen boom, placht de koning gaarne te zitten, als de zon heet werd, en de geheele stad lag daar als aan zijn voeten. Van hier had hij ook een goed gezicht op den platten heuvel, die de gerechtsplaats werd genoemd, maar inderdaad een gruwelijke moordplaats was.
De koning ontving de Boeren in de raadzaal. Hij zat vlak voor hen, maar zij konden zijn gelaat niet zien, want het was bedekt door een fijnen, rooden sluier.
De ontvangst was uitmuntend. De koning was van de goede trouw der Boeren blijkbaar overtuigd, en verklaarde, dat hij het rapport van Piet Retief volkomen vertrouwde.
Volgens het geloofwaardig getuigenis, dat later een van Dingaan’s soldaten aan een Transvaalschen Boer heeft afgelegd, had het tweegesprek het volgende verloop:
De koning: Waar hebben jullie gewoond, alvorens ge hierheen trokt?
Retief: Wij komen uit een ver land, waar nog vele witmenschen wonen.
De koning: Waaromzijnjullie uit uw land getrokken?[132]
Retief: Het land werd te eng voor de vele menschen, die er woonden.
De koning: Waarom zijt ge niet in den omtrek der Vaalrivier gebleven?
Retief: Het is daar een koude, kale wereld; er is geen geboomte en geen loopend water.
De koning: Is het land, dat gij van mij wilt ruilen, goed van hout en water voorzien?
Retief: Als wij dien grond konden krijgen, zouden wij blijde zijn, want er is hout en water in overvloed.
De koning: Hebt gijlieden veel vee?
Retief: Wij zijn armer geworden aan vee, want wij hebben op den Trek veel vee verloren. Toch hebben wij nog genoeg voor ons bedrijf, als wij maar vruchtbaren grond kunnen krijgen.
De koning: Is het waar, Retief, dat gij met Moselekatse oorlog hebt gevoerd?
Retief: De Boeren waren in geen oorlog met Moselekatse maar hij vermoordde ons volk en nam onze beesten weg. Toen is ons volk uitgetrokken, om het vee terug te krijgen.
De koning: Waar woont Moselekatse thans?
Retief: Hij en zijn volk zijn gevlucht.
De koning: Is Moselekatse dood?
Retief: Ik heb zijn lijk niet gezien; ik denk, dat hij nog leeft.
De koning: Heeft uw volk veel van Moselekatse’s vee genomen?
Retief: Ja, want Moselekatse had ook veel van ons vee genomen.
De koning: Hebben uw vrienden vele van Moselekatse’s volk doodgeschoten?
Retief: Ja. De Kaffers vochten dapper, en velen van hen sneuvelden.
De koning: Waarom woont Retief niet in het land, waaruit hij Moselekatse heeft verjaagd?
Retief: Wij willen niet in het land van een ander wonen, dat wij niet hebben gekocht of geruild. En Moselekatse is nu gevlucht—hoe zullen wij dan met hem kunnen spreken over het ruilen van grond, o koning!
De koning was over de antwoorden van den blanken man blijkbaar zeer voldaan, zeide hem, dat hij een naderen dag zou bepalen, om over het ruilen van grond te spreken, en liet de vreemdelingen gaan in vrede.[133]
De Boeren waren wonder in hun schik.
Piet Retief sloeg zijn nevenman lachend op de schouders: „Nu maat, wat zeg je er van?”
„’t Zal wel losloopen,” meende deze tevreden.
„Dat denk ik ook,” zeide Piet Retief met klem, en stopte welbehagelijk zijn korte pijp.
Den volgenden, den vierden dag, bleven de Boeren rustig in hun kamp, zagen nu en dan een goed gedrild regiment van den Zoeloe-koning voorbij marcheeren, en wachtten op de boodschap van koning Dingaan.
Zij behoefden niet lang te wachten. Reeds den anderen dag kwam de boodschap, en de Boeren gingen vol hoop op een goeden uitslag opnieuw tot den koning.
Hun stoutste verwachtingen werden nog overtroffen; de koning had blijkbaar een welgevallen aan de blanken, en hij teekende een stuk van den volgenden inhoud:
„Umkungunhlovu, 4 Februari 1838.
„Zij het aan allen kennelijk, dat aangezien Piet Retief mijn vee heeft hernomen, dat Sikonyella van mij had gestolen, welk vee gezegde Retief mij nu heeft afgeleverd, zoo verklaar en certificeer ik Dingaan, koning der Zoeloe’s, dat ik heb goed gedacht, aan hem Retief en zijn landgenooten af te staan de plaats Port-Natal met al het land, daaraan gelegen, dat is te zeggen van de Tugelarivier tot aan de Umzimvuburivier ten westen, en van de zee naar het noorden, zoo ver het land bruikbaar moge zijn en aan mij toebehoort—hetwelk ik bij deze doe, en hun schenk als hun voortdurend eigendom.”
Dit historische dokument moet nog te vinden zijn in het gouvernementsarchief te Pieter-Maritzburg, en de handteekening des konings: „Marthinus Dingaan” is, alhoewel zeer onduidelijk geschreven, toch nog te ontcijferen.
Retief stak het kostbaar dokument, waarbij Natal aan de Boeren werd afgestaan, in zijn zak, en nu het groote doel was bereikt, verlangde men naar huis, om daar de blijde tijding te brengen.
De koning echter verzocht de gasten, nog één dag te vertoeven, want hij wilde ter hunner eer zijn regimenten nog een oorlogsdans laten uitvoeren.
De Boeren konden, zonder onbeleefd te schijnen, moeilijk weigeren, en reeds vroeg in den volgenden morgen liet de koning Retief met zijn vijf vertrouwdste vrienden roepen. Op Dingaan’s bevel verschenen nu op het ruime exercitieveld[134]vier honderd poenskopossen, straks vervangen door vier honderd zwartrugossen, voor welke ten slotte vier honderd melkwitte ossen, de zoogenaamde vredeossen, in de plaats kwamen. Bij elke dezer drie prachtige groepen ossen behoorden twee regimenten Zoeloe-soldaten, die voor de oogen der Boeren hun oorlogsdansen uitvoerden.
Toen deze spelen geëindigd waren, richtte zich de koning tot Retief.
„Hoe vindt gij ’t?”
„Ik vind het mooi,” was het antwoord; „nog nooit, o koning, heb ik zoo iets gezien!”
Retief sprak de waarheid; het was een schilderachtig, prachtig gezicht geweest.
„Hebt gij ook zulke groote groepen ossen van één kleur?” was de nieuwe vraag van den Zoeloe-vorst.
„Neen,” antwoordde Retief; „wij houden de kleuren niet zoo bij elkaar; wij gebruiken de ossen, om de wagens te trekken.”
„Dan zijt ge niet zoo’n groot koning als ik,” meende Dingaan.
„Ik zie,” was het antwoord, „dat gij een machtig, goed en rijk koning zijt, dat gij uw scepter uitstrekt over een groot volk, en ik denk, dat ik en mijn volk in vrede en vriendschap zullen leven met koning Dingaan en zijn volk.”
Doch nu was het de beurt aan Retief, om met zijne manschappen eenige manoeuvres uit te voeren, en de koning zette zich neder op zijn lievelingsplek, onder den wilden vijgeboom, van waar hij de bewegingen der ruiters goed kon waarnemen.
Retief liet dus zijn zeventig manschappen opzadelen in het oude kamp; de geweren werden geladen met los kruit, en in twee afdeelingen reden de Boeren naar de door den koning aangewezen plek. Hier werden een paar schitterende ruiterstukjes uitgevoerd, vervolgens zoo snel mogelijk drie salvo’s afgegeven, waarna de paarden werden omgeworpen, en men in galop terugkeerde naar het kamp.
Nu zouden de Boeren dan vertrekken, doch een adjudant des konings verzocht hen uit des konings naam, nog één nacht te blijven, om den volgenden morgen als des konings gasten bier met hen te drinken, de regimenten nog eens hun oorlogsspelen te zien uitvoeren, en dan in vrede huns weegs te gaan.
De Boeren verlangden naar huis, maar zij wilde den[135]koning niet onaangenaam zijn; zoo bleven zij in hun kamp. Zwermen aasvogels zagen zij neerstrijken op den moordheuvel daar voor hen, doch dit deerde hen niet. Morgen, morgen gingen zij immers naar huis!
Zij zaten met elkander te keuvelen en te praten, totdat de milde zomeravond zijn schaduwen wierp over het lager. Het begon koeler te worden en zij vleiden zich neder om te slapen—het was delaatstenacht van hun leven.
Retief en zijn zeventig mannen waren den volgenden morgen vroeg op, en begaven zich tot het afscheidsbezoek naar den koning.
Hun werd gezegd, de geweren achter te laten; de argeloozen voldeden aan het bevel.
Zij ontmoetten den koning op hetexercitievelden groetten hem eerbiedig. Hij groette terug, maar tusschen het gaas door van den fijnen, rooden sluier, die zijn gelaat bedekte, flikkerden de oogen van een wild, bloeddorstig beest.
Het bier werd rondgedeeld, en de Zoeloe-regimenten voerden hun oorlogsdansen uit. Allengs vormden zij om de Boeren een wijden kring, die gestadig nauwer werd.
Nog altijd vermoedde Retief geen verraad; zijn trouw en eerlijk hart vertrouwde op het koninklijk woord.
„Het wordt tijd!” fluisterde Tambuza, Dingaan’s eerste minister.
Toen liet de koning het masker plotseling vallen.
Hij stond op.
„Slaat de toovenaars dood!” brulde hij, en zich omkeerende, verdween hij in zijn woning.
„Verraad!” gilden de Boeren, terwijl zij hun messen trokken, maar ze werden verzwolgen door de overstelpende macht des vijands. Zij streden en worstelden tot het bittere einde, en vielen als helden en martelaren!
Eenknotsverbrijzelde de hersenpan van Piet Retief; een assegaai scheurde zijn lichaam open, en het nog kloppende, trouwe hart werd hem uit het lijf gereten en aan Dingaan gebracht.
Toen lachte de bloedhond, en de satan, die vlak achter hem stond, lachte ook.
Maar aan den Engelschen zendeling Owen, die aan het „hof” verkeerde, liet Dingaan deze boodschap brengen: „Verontrust u niet, mijnheer Owen; ik laat de Boeren maar doodslaan.”
De vermoorde Boeren werden intusschen naar den moordheuvel[136]gesleept, en hun lijken op een hoop geworpen. Daar bleven zij liggen: een spijs voor de aasvogels en het wild gedierte.