HOOFDSTUK XXIII.

[Inhoud]HOOFDSTUK XXIII.Den historischen draad, bij Danskraal losgelaten, nemen wij weer op. Pretorius zorgde er voor, geen vijandelijke Zoeloe’s achter zich te laten. Hij wilde in den rug veiligheid hebben; dan waren de achtergebleven vrouwen en kinderen van zelve veilig. Hij stootte de vijanden dus op, en joeg hen voor zich uit. Zoo tastte hij met honderd vijftig man den Zoeloekapitein Joob, een van Dingaan’s bevelhebbers, aan, die tusschen de Zondagsrivier en de Tugela-rivier woonde, en dreef hem met zijn stam terug, waarbij de Boeren honderd stuks slachtvee bemachtigden, die hun uitnemend te pas kwamen.Den 11denDecember werd de Buffelrivier overgetrokken, en tegen den nachtelijken hemel zag men thans de vuurseinen des vijands.Men kon zich nu op ernstige gebeurtenissen voorbereid houden, en Zaterdag 15 December trok een sterke wacht onder bevel van Hans de Lange uit, om den weg te verkennen.De Boeren hadden een rit van anderhalf uur achter zich, toen zij vijf Zoeloekrijgers ondekten, die in vluggen draf voor hen uitliepen.Het waren spionnen van Dingaan, die den voorgaanden nacht het Boerenlager hadden bespied, en de Boeren, begeerig om deze gevaarlijke sluippatrouille in handen te krijgen, gaven hun paarden de sporen, om hen te vervolgen. Maar hun pogingen mislukten, en op den berg Ngoutou komend, zagen zij beneden zich in de diepte plotseling het leger der Zoeloe’s.Het was geen aangename ontdekking, want men was tamelijk ver van het lager, en de Zoeloe’s begonnen onmiddellijk den berg te bestormen.Maar de Lange behield zijn koelbloedigheid, en terwijl twee rapportgangers terug joegen naar het Boerenkamp, om de nadering des vijands te berichten, liet hij zijn manschappen bedaard zwenken.Pretorius was in het lager, toen hem de tijding gewerd; hij liet door het kleine kanon onmiddellijk noodschoten lossen, om de patrouilles, die in den omtrek zwierven, te[162]waarschuwen, en terwijl Piet Moolman met honderd man moest achterblijven, om het lager in orde te brengen en te dekken, trok Pretorius aan het hoofd van drie honderd zestig man tegen het Kafferleger op. Onderweg kreeg hij voeling met Hans de Lange, die zich nu met hem vereenigde, en het kommando in afdeelingen van vijftig man splitsend, liet Pretorius deze in tusschenruimten van ongeveer vijftig pas manoeuvreeren, om den Zoeloe’s een grooten indruk te geven vandenBoerenmacht.Maar het Zoeloeleger hield halt en bleef onbewegelijk staan als een hangende, dreigende donderwolk. Zoo gaf Pretorius dan bevel om terug te keeren, en diep onder den indruk van den ernstigen toestand reden de Boeren naar hun lager terug.Er werd een bidstond gehouden, en zelden is er wel dringender gebeden dan op dien Zaterdagavond.Met bijzondere zorg was de legerplaats gekozen, want het lager werd aan de achter- en de rechterzijde gedekt door veertig voet diepe, naar het lager steil oploopende kloven, zoodat het kamp slechts aan den voor- en linkerkant kon worden bestormd.Het lager was twee honderd voet in het vierkant. Behalve door de paarden werd deze ruimte nog gedeeld door acht honderd trekossen.Niemand ging slapen; met den bandelier omgegespt en het geweer geladen, zaten de Boeren in groote troepen, zacht met elkander fluisterend, bij de zwak onderhouden vuren.Schildwachten werden er niet uitgezet. Het kon niet. Zij zouden bij een snellen aanval der Zoeloe’s niet tijdig in het lager hebben kunnen komen, dat door schanskorven en palen hermetisch was afgesloten.Op vijftig pas afstands voor het lagerfront waren zweepstokken ingeplant, waaraan lantaarnen waren bevestigd. De lantaarnen bewogen zich langzaam in den nachtwind, die over de golvende vlakte streek, en bij het matte schijnsel van hun licht zouden de Boeren de sluippatrouilles van den vijand beter kunnen ontdekken.Het Zoeloeleger trok nu op, om het lager te vermeesteren en de Boeren uit te roeien. Maar God de Heere waakte[163]over de Boeren en zond een zwaren mist, die als een ondoordringbaar kleed het lager omgolfde.Eerst met het krieken van den dag trok de nevel op, en werden de Boeren in de verte de snel naderende drommen van den vijand gewaar. In gesloten gelederen, als een wilde, brullende zee kwamen zij, gedekt door het groote, leeren schild, aanstormen, maar toen zij tot op veertig pas afstands waren genaderd, werden zij ontvangen door het vuur van vier geduchte salvo’s.Het gebrul was nu verstomd, en toen de zware kruitdampen, die den omtrek met een ondoordringbaren sluier hadden bedekt, langzaam optrokken, was de omtrek van het lager tot op vijf honderd pas afstands schoongeveegd, en slechts gewonden, dooden en stervenden vulden de tusschenruimte aan.De voorhoede van Dingaan’s leger bestond niet meer. Het inderdaad moorddadige vuur der Boeren, wier geweren ook dezen keer met loopers waren geladen, had haar weggemaaid als de sikkel de rijpe korenhalmen.Op zoo’n vreeselijke ontvangst hadden de Zoeloe’s dan ook niet gerekend, en zij draalden met een nieuwen aanval. Toen werd het groote lagerhek ontsloten, en Bart Pretorius trok met acht ruiters uit het lager, reed over het bloedige slagveld heen, naderde het Zoeloeleger tot op een speerworp afstands, en terwijl hij de roode bloedvlag liet wapperen, riep hij de Zoeloe’s op ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!1In onbeschrijfelijke woede sprongen de Zoeloe’s bij deze tartende woorden op, en vast besloten, dezen keer het lager omver te rennen, bestormden zij het opnieuw.Ook dezen keer liet Pretorius hen tot op veertig pas afstands naderen; toen donderden hen opnieuw vier salvo’s tegen.De Zoeloe’smoestenterug; tegen dien vuurspuwenden berg kon niemand op; in die vuurlijn kon geen schepsel zich bewegen en leven.Zoo was dit gevaar voorloopig geweken, doch thans braken de acht honderd in het lager opgesloten trekossen, door het vreeselijk vuren opgeschrikt, los, en dreigden den lagermuur van binnen uit door te breken.Het was het hachelijkste oogenblik van den slag.[164]De Zoeloekapiteins bemerkten de wanorde in het lager, en gaven onmiddellijk bevel tot een derden storm. Doch de Zoeloe’s weifelden; al te geweldig was het vuur van de Boeren geweest, en de orde in het lager werd gelukkig hersteld.Op nieuw trok Bart Pretorius nu met zijn acht vermetele kameraden uit, liet de bloedvlag wapperen en daagde de Zoeloe’s andermaal ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!Doch dezen keer bewoog zich geen Zoeloevoet, en geen Zoeloekreet werd gehoord.„Zij schijnen geen trek meer te hebben om tot ons te komen,” zeide Andries Pretorius, de kommandant, „laten wij tothengaan!” Zoo liet hij dan snel opzadelen en joeg met zijn mannen tegen de Zoeloe’s in, wier moed gebroken was. Zij weken terug, maar de Boeren waren snel achter hen.Hoe de kogels floten!Hoe de groote Zoeloemoord werd gewroken!De Zoeloe’s spatten uiteen als glasscherven tusschen hamer en aanbeeld, en eerst, toen de Boeren tot de reserve des vijands waren doorgedrongen, kwam het gevecht tot staan.Deze reserve bestond uit de regimenten der witte schilden, keurtroepen, die ten minste een poging waagden, om de Boeren terug te werpen. Maar de Boeren schoten een gapende gleuf in hun rijen, drongen snel als de wind in die opening, en van nu af werd het gevecht een ware slachting.Intusschen waren vijftig Boeren achtergebleven, want de twee diepe kloven, de zoogenaamde „slooten” aan den achter- en rechterkant van het lager, waren vol Zoeloe’s, die zich hier in hinderlaag hadden gelegd, om het kamp in een onbewaakt oogenblik te overrompelen. Ze stonden zoo dicht opeen gepakt, dat ze moeilijk den arm konden bewegen om een speer te werpen.De vijftig Boeren begonnen nu op deze dicht opeen gehoopte massa te vuren. Het was geen strijd, maar een executie. De Boeren hielden een verschrikkelijke, maar rechtvaardige afrekening.De vluchtende Zoeloe’s sprongen intusschen in de rivier, en de Boeren hebben deze rivier „Bloedrivier” genoemd, omdat hare wateren rood werden gekleurd door het Zoeloebloed.Aan de „Bloedrivier” werd het verraad van „Moordspruit” viervoudig gewroken, en tot op den huidigen dag wordt door de Zoeloe’s het water dezer rivier niet gedronken.Eerst toen de ammunitie opraakte, keerden de overwinnaars[165]terug naar hun lager, en hielden een plechtigen dankstond.Er was reden voor.Dit was de slag aan de Bloedrivier, waar de Boeren den 16denDecember 1838 op een veertigvoudige overmacht een schitterende overwinning behaalden. Deze dag werd sedert de Dingaansdag genaamd, en wordt telken jare in de Transvaal godsdienstig herdacht.1De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H. Hatting. Utrecht, Transvaal.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XXIII.Den historischen draad, bij Danskraal losgelaten, nemen wij weer op. Pretorius zorgde er voor, geen vijandelijke Zoeloe’s achter zich te laten. Hij wilde in den rug veiligheid hebben; dan waren de achtergebleven vrouwen en kinderen van zelve veilig. Hij stootte de vijanden dus op, en joeg hen voor zich uit. Zoo tastte hij met honderd vijftig man den Zoeloekapitein Joob, een van Dingaan’s bevelhebbers, aan, die tusschen de Zondagsrivier en de Tugela-rivier woonde, en dreef hem met zijn stam terug, waarbij de Boeren honderd stuks slachtvee bemachtigden, die hun uitnemend te pas kwamen.Den 11denDecember werd de Buffelrivier overgetrokken, en tegen den nachtelijken hemel zag men thans de vuurseinen des vijands.Men kon zich nu op ernstige gebeurtenissen voorbereid houden, en Zaterdag 15 December trok een sterke wacht onder bevel van Hans de Lange uit, om den weg te verkennen.De Boeren hadden een rit van anderhalf uur achter zich, toen zij vijf Zoeloekrijgers ondekten, die in vluggen draf voor hen uitliepen.Het waren spionnen van Dingaan, die den voorgaanden nacht het Boerenlager hadden bespied, en de Boeren, begeerig om deze gevaarlijke sluippatrouille in handen te krijgen, gaven hun paarden de sporen, om hen te vervolgen. Maar hun pogingen mislukten, en op den berg Ngoutou komend, zagen zij beneden zich in de diepte plotseling het leger der Zoeloe’s.Het was geen aangename ontdekking, want men was tamelijk ver van het lager, en de Zoeloe’s begonnen onmiddellijk den berg te bestormen.Maar de Lange behield zijn koelbloedigheid, en terwijl twee rapportgangers terug joegen naar het Boerenkamp, om de nadering des vijands te berichten, liet hij zijn manschappen bedaard zwenken.Pretorius was in het lager, toen hem de tijding gewerd; hij liet door het kleine kanon onmiddellijk noodschoten lossen, om de patrouilles, die in den omtrek zwierven, te[162]waarschuwen, en terwijl Piet Moolman met honderd man moest achterblijven, om het lager in orde te brengen en te dekken, trok Pretorius aan het hoofd van drie honderd zestig man tegen het Kafferleger op. Onderweg kreeg hij voeling met Hans de Lange, die zich nu met hem vereenigde, en het kommando in afdeelingen van vijftig man splitsend, liet Pretorius deze in tusschenruimten van ongeveer vijftig pas manoeuvreeren, om den Zoeloe’s een grooten indruk te geven vandenBoerenmacht.Maar het Zoeloeleger hield halt en bleef onbewegelijk staan als een hangende, dreigende donderwolk. Zoo gaf Pretorius dan bevel om terug te keeren, en diep onder den indruk van den ernstigen toestand reden de Boeren naar hun lager terug.Er werd een bidstond gehouden, en zelden is er wel dringender gebeden dan op dien Zaterdagavond.Met bijzondere zorg was de legerplaats gekozen, want het lager werd aan de achter- en de rechterzijde gedekt door veertig voet diepe, naar het lager steil oploopende kloven, zoodat het kamp slechts aan den voor- en linkerkant kon worden bestormd.Het lager was twee honderd voet in het vierkant. Behalve door de paarden werd deze ruimte nog gedeeld door acht honderd trekossen.Niemand ging slapen; met den bandelier omgegespt en het geweer geladen, zaten de Boeren in groote troepen, zacht met elkander fluisterend, bij de zwak onderhouden vuren.Schildwachten werden er niet uitgezet. Het kon niet. Zij zouden bij een snellen aanval der Zoeloe’s niet tijdig in het lager hebben kunnen komen, dat door schanskorven en palen hermetisch was afgesloten.Op vijftig pas afstands voor het lagerfront waren zweepstokken ingeplant, waaraan lantaarnen waren bevestigd. De lantaarnen bewogen zich langzaam in den nachtwind, die over de golvende vlakte streek, en bij het matte schijnsel van hun licht zouden de Boeren de sluippatrouilles van den vijand beter kunnen ontdekken.Het Zoeloeleger trok nu op, om het lager te vermeesteren en de Boeren uit te roeien. Maar God de Heere waakte[163]over de Boeren en zond een zwaren mist, die als een ondoordringbaar kleed het lager omgolfde.Eerst met het krieken van den dag trok de nevel op, en werden de Boeren in de verte de snel naderende drommen van den vijand gewaar. In gesloten gelederen, als een wilde, brullende zee kwamen zij, gedekt door het groote, leeren schild, aanstormen, maar toen zij tot op veertig pas afstands waren genaderd, werden zij ontvangen door het vuur van vier geduchte salvo’s.Het gebrul was nu verstomd, en toen de zware kruitdampen, die den omtrek met een ondoordringbaren sluier hadden bedekt, langzaam optrokken, was de omtrek van het lager tot op vijf honderd pas afstands schoongeveegd, en slechts gewonden, dooden en stervenden vulden de tusschenruimte aan.De voorhoede van Dingaan’s leger bestond niet meer. Het inderdaad moorddadige vuur der Boeren, wier geweren ook dezen keer met loopers waren geladen, had haar weggemaaid als de sikkel de rijpe korenhalmen.Op zoo’n vreeselijke ontvangst hadden de Zoeloe’s dan ook niet gerekend, en zij draalden met een nieuwen aanval. Toen werd het groote lagerhek ontsloten, en Bart Pretorius trok met acht ruiters uit het lager, reed over het bloedige slagveld heen, naderde het Zoeloeleger tot op een speerworp afstands, en terwijl hij de roode bloedvlag liet wapperen, riep hij de Zoeloe’s op ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!1In onbeschrijfelijke woede sprongen de Zoeloe’s bij deze tartende woorden op, en vast besloten, dezen keer het lager omver te rennen, bestormden zij het opnieuw.Ook dezen keer liet Pretorius hen tot op veertig pas afstands naderen; toen donderden hen opnieuw vier salvo’s tegen.De Zoeloe’smoestenterug; tegen dien vuurspuwenden berg kon niemand op; in die vuurlijn kon geen schepsel zich bewegen en leven.Zoo was dit gevaar voorloopig geweken, doch thans braken de acht honderd in het lager opgesloten trekossen, door het vreeselijk vuren opgeschrikt, los, en dreigden den lagermuur van binnen uit door te breken.Het was het hachelijkste oogenblik van den slag.[164]De Zoeloekapiteins bemerkten de wanorde in het lager, en gaven onmiddellijk bevel tot een derden storm. Doch de Zoeloe’s weifelden; al te geweldig was het vuur van de Boeren geweest, en de orde in het lager werd gelukkig hersteld.Op nieuw trok Bart Pretorius nu met zijn acht vermetele kameraden uit, liet de bloedvlag wapperen en daagde de Zoeloe’s andermaal ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!Doch dezen keer bewoog zich geen Zoeloevoet, en geen Zoeloekreet werd gehoord.„Zij schijnen geen trek meer te hebben om tot ons te komen,” zeide Andries Pretorius, de kommandant, „laten wij tothengaan!” Zoo liet hij dan snel opzadelen en joeg met zijn mannen tegen de Zoeloe’s in, wier moed gebroken was. Zij weken terug, maar de Boeren waren snel achter hen.Hoe de kogels floten!Hoe de groote Zoeloemoord werd gewroken!De Zoeloe’s spatten uiteen als glasscherven tusschen hamer en aanbeeld, en eerst, toen de Boeren tot de reserve des vijands waren doorgedrongen, kwam het gevecht tot staan.Deze reserve bestond uit de regimenten der witte schilden, keurtroepen, die ten minste een poging waagden, om de Boeren terug te werpen. Maar de Boeren schoten een gapende gleuf in hun rijen, drongen snel als de wind in die opening, en van nu af werd het gevecht een ware slachting.Intusschen waren vijftig Boeren achtergebleven, want de twee diepe kloven, de zoogenaamde „slooten” aan den achter- en rechterkant van het lager, waren vol Zoeloe’s, die zich hier in hinderlaag hadden gelegd, om het kamp in een onbewaakt oogenblik te overrompelen. Ze stonden zoo dicht opeen gepakt, dat ze moeilijk den arm konden bewegen om een speer te werpen.De vijftig Boeren begonnen nu op deze dicht opeen gehoopte massa te vuren. Het was geen strijd, maar een executie. De Boeren hielden een verschrikkelijke, maar rechtvaardige afrekening.De vluchtende Zoeloe’s sprongen intusschen in de rivier, en de Boeren hebben deze rivier „Bloedrivier” genoemd, omdat hare wateren rood werden gekleurd door het Zoeloebloed.Aan de „Bloedrivier” werd het verraad van „Moordspruit” viervoudig gewroken, en tot op den huidigen dag wordt door de Zoeloe’s het water dezer rivier niet gedronken.Eerst toen de ammunitie opraakte, keerden de overwinnaars[165]terug naar hun lager, en hielden een plechtigen dankstond.Er was reden voor.Dit was de slag aan de Bloedrivier, waar de Boeren den 16denDecember 1838 op een veertigvoudige overmacht een schitterende overwinning behaalden. Deze dag werd sedert de Dingaansdag genaamd, en wordt telken jare in de Transvaal godsdienstig herdacht.1De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H. Hatting. Utrecht, Transvaal.↑

HOOFDSTUK XXIII.

Den historischen draad, bij Danskraal losgelaten, nemen wij weer op. Pretorius zorgde er voor, geen vijandelijke Zoeloe’s achter zich te laten. Hij wilde in den rug veiligheid hebben; dan waren de achtergebleven vrouwen en kinderen van zelve veilig. Hij stootte de vijanden dus op, en joeg hen voor zich uit. Zoo tastte hij met honderd vijftig man den Zoeloekapitein Joob, een van Dingaan’s bevelhebbers, aan, die tusschen de Zondagsrivier en de Tugela-rivier woonde, en dreef hem met zijn stam terug, waarbij de Boeren honderd stuks slachtvee bemachtigden, die hun uitnemend te pas kwamen.Den 11denDecember werd de Buffelrivier overgetrokken, en tegen den nachtelijken hemel zag men thans de vuurseinen des vijands.Men kon zich nu op ernstige gebeurtenissen voorbereid houden, en Zaterdag 15 December trok een sterke wacht onder bevel van Hans de Lange uit, om den weg te verkennen.De Boeren hadden een rit van anderhalf uur achter zich, toen zij vijf Zoeloekrijgers ondekten, die in vluggen draf voor hen uitliepen.Het waren spionnen van Dingaan, die den voorgaanden nacht het Boerenlager hadden bespied, en de Boeren, begeerig om deze gevaarlijke sluippatrouille in handen te krijgen, gaven hun paarden de sporen, om hen te vervolgen. Maar hun pogingen mislukten, en op den berg Ngoutou komend, zagen zij beneden zich in de diepte plotseling het leger der Zoeloe’s.Het was geen aangename ontdekking, want men was tamelijk ver van het lager, en de Zoeloe’s begonnen onmiddellijk den berg te bestormen.Maar de Lange behield zijn koelbloedigheid, en terwijl twee rapportgangers terug joegen naar het Boerenkamp, om de nadering des vijands te berichten, liet hij zijn manschappen bedaard zwenken.Pretorius was in het lager, toen hem de tijding gewerd; hij liet door het kleine kanon onmiddellijk noodschoten lossen, om de patrouilles, die in den omtrek zwierven, te[162]waarschuwen, en terwijl Piet Moolman met honderd man moest achterblijven, om het lager in orde te brengen en te dekken, trok Pretorius aan het hoofd van drie honderd zestig man tegen het Kafferleger op. Onderweg kreeg hij voeling met Hans de Lange, die zich nu met hem vereenigde, en het kommando in afdeelingen van vijftig man splitsend, liet Pretorius deze in tusschenruimten van ongeveer vijftig pas manoeuvreeren, om den Zoeloe’s een grooten indruk te geven vandenBoerenmacht.Maar het Zoeloeleger hield halt en bleef onbewegelijk staan als een hangende, dreigende donderwolk. Zoo gaf Pretorius dan bevel om terug te keeren, en diep onder den indruk van den ernstigen toestand reden de Boeren naar hun lager terug.Er werd een bidstond gehouden, en zelden is er wel dringender gebeden dan op dien Zaterdagavond.Met bijzondere zorg was de legerplaats gekozen, want het lager werd aan de achter- en de rechterzijde gedekt door veertig voet diepe, naar het lager steil oploopende kloven, zoodat het kamp slechts aan den voor- en linkerkant kon worden bestormd.Het lager was twee honderd voet in het vierkant. Behalve door de paarden werd deze ruimte nog gedeeld door acht honderd trekossen.Niemand ging slapen; met den bandelier omgegespt en het geweer geladen, zaten de Boeren in groote troepen, zacht met elkander fluisterend, bij de zwak onderhouden vuren.Schildwachten werden er niet uitgezet. Het kon niet. Zij zouden bij een snellen aanval der Zoeloe’s niet tijdig in het lager hebben kunnen komen, dat door schanskorven en palen hermetisch was afgesloten.Op vijftig pas afstands voor het lagerfront waren zweepstokken ingeplant, waaraan lantaarnen waren bevestigd. De lantaarnen bewogen zich langzaam in den nachtwind, die over de golvende vlakte streek, en bij het matte schijnsel van hun licht zouden de Boeren de sluippatrouilles van den vijand beter kunnen ontdekken.Het Zoeloeleger trok nu op, om het lager te vermeesteren en de Boeren uit te roeien. Maar God de Heere waakte[163]over de Boeren en zond een zwaren mist, die als een ondoordringbaar kleed het lager omgolfde.Eerst met het krieken van den dag trok de nevel op, en werden de Boeren in de verte de snel naderende drommen van den vijand gewaar. In gesloten gelederen, als een wilde, brullende zee kwamen zij, gedekt door het groote, leeren schild, aanstormen, maar toen zij tot op veertig pas afstands waren genaderd, werden zij ontvangen door het vuur van vier geduchte salvo’s.Het gebrul was nu verstomd, en toen de zware kruitdampen, die den omtrek met een ondoordringbaren sluier hadden bedekt, langzaam optrokken, was de omtrek van het lager tot op vijf honderd pas afstands schoongeveegd, en slechts gewonden, dooden en stervenden vulden de tusschenruimte aan.De voorhoede van Dingaan’s leger bestond niet meer. Het inderdaad moorddadige vuur der Boeren, wier geweren ook dezen keer met loopers waren geladen, had haar weggemaaid als de sikkel de rijpe korenhalmen.Op zoo’n vreeselijke ontvangst hadden de Zoeloe’s dan ook niet gerekend, en zij draalden met een nieuwen aanval. Toen werd het groote lagerhek ontsloten, en Bart Pretorius trok met acht ruiters uit het lager, reed over het bloedige slagveld heen, naderde het Zoeloeleger tot op een speerworp afstands, en terwijl hij de roode bloedvlag liet wapperen, riep hij de Zoeloe’s op ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!1In onbeschrijfelijke woede sprongen de Zoeloe’s bij deze tartende woorden op, en vast besloten, dezen keer het lager omver te rennen, bestormden zij het opnieuw.Ook dezen keer liet Pretorius hen tot op veertig pas afstands naderen; toen donderden hen opnieuw vier salvo’s tegen.De Zoeloe’smoestenterug; tegen dien vuurspuwenden berg kon niemand op; in die vuurlijn kon geen schepsel zich bewegen en leven.Zoo was dit gevaar voorloopig geweken, doch thans braken de acht honderd in het lager opgesloten trekossen, door het vreeselijk vuren opgeschrikt, los, en dreigden den lagermuur van binnen uit door te breken.Het was het hachelijkste oogenblik van den slag.[164]De Zoeloekapiteins bemerkten de wanorde in het lager, en gaven onmiddellijk bevel tot een derden storm. Doch de Zoeloe’s weifelden; al te geweldig was het vuur van de Boeren geweest, en de orde in het lager werd gelukkig hersteld.Op nieuw trok Bart Pretorius nu met zijn acht vermetele kameraden uit, liet de bloedvlag wapperen en daagde de Zoeloe’s andermaal ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!Doch dezen keer bewoog zich geen Zoeloevoet, en geen Zoeloekreet werd gehoord.„Zij schijnen geen trek meer te hebben om tot ons te komen,” zeide Andries Pretorius, de kommandant, „laten wij tothengaan!” Zoo liet hij dan snel opzadelen en joeg met zijn mannen tegen de Zoeloe’s in, wier moed gebroken was. Zij weken terug, maar de Boeren waren snel achter hen.Hoe de kogels floten!Hoe de groote Zoeloemoord werd gewroken!De Zoeloe’s spatten uiteen als glasscherven tusschen hamer en aanbeeld, en eerst, toen de Boeren tot de reserve des vijands waren doorgedrongen, kwam het gevecht tot staan.Deze reserve bestond uit de regimenten der witte schilden, keurtroepen, die ten minste een poging waagden, om de Boeren terug te werpen. Maar de Boeren schoten een gapende gleuf in hun rijen, drongen snel als de wind in die opening, en van nu af werd het gevecht een ware slachting.Intusschen waren vijftig Boeren achtergebleven, want de twee diepe kloven, de zoogenaamde „slooten” aan den achter- en rechterkant van het lager, waren vol Zoeloe’s, die zich hier in hinderlaag hadden gelegd, om het kamp in een onbewaakt oogenblik te overrompelen. Ze stonden zoo dicht opeen gepakt, dat ze moeilijk den arm konden bewegen om een speer te werpen.De vijftig Boeren begonnen nu op deze dicht opeen gehoopte massa te vuren. Het was geen strijd, maar een executie. De Boeren hielden een verschrikkelijke, maar rechtvaardige afrekening.De vluchtende Zoeloe’s sprongen intusschen in de rivier, en de Boeren hebben deze rivier „Bloedrivier” genoemd, omdat hare wateren rood werden gekleurd door het Zoeloebloed.Aan de „Bloedrivier” werd het verraad van „Moordspruit” viervoudig gewroken, en tot op den huidigen dag wordt door de Zoeloe’s het water dezer rivier niet gedronken.Eerst toen de ammunitie opraakte, keerden de overwinnaars[165]terug naar hun lager, en hielden een plechtigen dankstond.Er was reden voor.Dit was de slag aan de Bloedrivier, waar de Boeren den 16denDecember 1838 op een veertigvoudige overmacht een schitterende overwinning behaalden. Deze dag werd sedert de Dingaansdag genaamd, en wordt telken jare in de Transvaal godsdienstig herdacht.

Den historischen draad, bij Danskraal losgelaten, nemen wij weer op. Pretorius zorgde er voor, geen vijandelijke Zoeloe’s achter zich te laten. Hij wilde in den rug veiligheid hebben; dan waren de achtergebleven vrouwen en kinderen van zelve veilig. Hij stootte de vijanden dus op, en joeg hen voor zich uit. Zoo tastte hij met honderd vijftig man den Zoeloekapitein Joob, een van Dingaan’s bevelhebbers, aan, die tusschen de Zondagsrivier en de Tugela-rivier woonde, en dreef hem met zijn stam terug, waarbij de Boeren honderd stuks slachtvee bemachtigden, die hun uitnemend te pas kwamen.

Den 11denDecember werd de Buffelrivier overgetrokken, en tegen den nachtelijken hemel zag men thans de vuurseinen des vijands.

Men kon zich nu op ernstige gebeurtenissen voorbereid houden, en Zaterdag 15 December trok een sterke wacht onder bevel van Hans de Lange uit, om den weg te verkennen.

De Boeren hadden een rit van anderhalf uur achter zich, toen zij vijf Zoeloekrijgers ondekten, die in vluggen draf voor hen uitliepen.

Het waren spionnen van Dingaan, die den voorgaanden nacht het Boerenlager hadden bespied, en de Boeren, begeerig om deze gevaarlijke sluippatrouille in handen te krijgen, gaven hun paarden de sporen, om hen te vervolgen. Maar hun pogingen mislukten, en op den berg Ngoutou komend, zagen zij beneden zich in de diepte plotseling het leger der Zoeloe’s.

Het was geen aangename ontdekking, want men was tamelijk ver van het lager, en de Zoeloe’s begonnen onmiddellijk den berg te bestormen.

Maar de Lange behield zijn koelbloedigheid, en terwijl twee rapportgangers terug joegen naar het Boerenkamp, om de nadering des vijands te berichten, liet hij zijn manschappen bedaard zwenken.

Pretorius was in het lager, toen hem de tijding gewerd; hij liet door het kleine kanon onmiddellijk noodschoten lossen, om de patrouilles, die in den omtrek zwierven, te[162]waarschuwen, en terwijl Piet Moolman met honderd man moest achterblijven, om het lager in orde te brengen en te dekken, trok Pretorius aan het hoofd van drie honderd zestig man tegen het Kafferleger op. Onderweg kreeg hij voeling met Hans de Lange, die zich nu met hem vereenigde, en het kommando in afdeelingen van vijftig man splitsend, liet Pretorius deze in tusschenruimten van ongeveer vijftig pas manoeuvreeren, om den Zoeloe’s een grooten indruk te geven vandenBoerenmacht.

Maar het Zoeloeleger hield halt en bleef onbewegelijk staan als een hangende, dreigende donderwolk. Zoo gaf Pretorius dan bevel om terug te keeren, en diep onder den indruk van den ernstigen toestand reden de Boeren naar hun lager terug.

Er werd een bidstond gehouden, en zelden is er wel dringender gebeden dan op dien Zaterdagavond.

Met bijzondere zorg was de legerplaats gekozen, want het lager werd aan de achter- en de rechterzijde gedekt door veertig voet diepe, naar het lager steil oploopende kloven, zoodat het kamp slechts aan den voor- en linkerkant kon worden bestormd.

Het lager was twee honderd voet in het vierkant. Behalve door de paarden werd deze ruimte nog gedeeld door acht honderd trekossen.

Niemand ging slapen; met den bandelier omgegespt en het geweer geladen, zaten de Boeren in groote troepen, zacht met elkander fluisterend, bij de zwak onderhouden vuren.

Schildwachten werden er niet uitgezet. Het kon niet. Zij zouden bij een snellen aanval der Zoeloe’s niet tijdig in het lager hebben kunnen komen, dat door schanskorven en palen hermetisch was afgesloten.

Op vijftig pas afstands voor het lagerfront waren zweepstokken ingeplant, waaraan lantaarnen waren bevestigd. De lantaarnen bewogen zich langzaam in den nachtwind, die over de golvende vlakte streek, en bij het matte schijnsel van hun licht zouden de Boeren de sluippatrouilles van den vijand beter kunnen ontdekken.

Het Zoeloeleger trok nu op, om het lager te vermeesteren en de Boeren uit te roeien. Maar God de Heere waakte[163]over de Boeren en zond een zwaren mist, die als een ondoordringbaar kleed het lager omgolfde.

Eerst met het krieken van den dag trok de nevel op, en werden de Boeren in de verte de snel naderende drommen van den vijand gewaar. In gesloten gelederen, als een wilde, brullende zee kwamen zij, gedekt door het groote, leeren schild, aanstormen, maar toen zij tot op veertig pas afstands waren genaderd, werden zij ontvangen door het vuur van vier geduchte salvo’s.

Het gebrul was nu verstomd, en toen de zware kruitdampen, die den omtrek met een ondoordringbaren sluier hadden bedekt, langzaam optrokken, was de omtrek van het lager tot op vijf honderd pas afstands schoongeveegd, en slechts gewonden, dooden en stervenden vulden de tusschenruimte aan.

De voorhoede van Dingaan’s leger bestond niet meer. Het inderdaad moorddadige vuur der Boeren, wier geweren ook dezen keer met loopers waren geladen, had haar weggemaaid als de sikkel de rijpe korenhalmen.

Op zoo’n vreeselijke ontvangst hadden de Zoeloe’s dan ook niet gerekend, en zij draalden met een nieuwen aanval. Toen werd het groote lagerhek ontsloten, en Bart Pretorius trok met acht ruiters uit het lager, reed over het bloedige slagveld heen, naderde het Zoeloeleger tot op een speerworp afstands, en terwijl hij de roode bloedvlag liet wapperen, riep hij de Zoeloe’s op ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!1

In onbeschrijfelijke woede sprongen de Zoeloe’s bij deze tartende woorden op, en vast besloten, dezen keer het lager omver te rennen, bestormden zij het opnieuw.

Ook dezen keer liet Pretorius hen tot op veertig pas afstands naderen; toen donderden hen opnieuw vier salvo’s tegen.

De Zoeloe’smoestenterug; tegen dien vuurspuwenden berg kon niemand op; in die vuurlijn kon geen schepsel zich bewegen en leven.

Zoo was dit gevaar voorloopig geweken, doch thans braken de acht honderd in het lager opgesloten trekossen, door het vreeselijk vuren opgeschrikt, los, en dreigden den lagermuur van binnen uit door te breken.

Het was het hachelijkste oogenblik van den slag.[164]

De Zoeloekapiteins bemerkten de wanorde in het lager, en gaven onmiddellijk bevel tot een derden storm. Doch de Zoeloe’s weifelden; al te geweldig was het vuur van de Boeren geweest, en de orde in het lager werd gelukkig hersteld.

Op nieuw trok Bart Pretorius nu met zijn acht vermetele kameraden uit, liet de bloedvlag wapperen en daagde de Zoeloe’s andermaal ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!

Doch dezen keer bewoog zich geen Zoeloevoet, en geen Zoeloekreet werd gehoord.

„Zij schijnen geen trek meer te hebben om tot ons te komen,” zeide Andries Pretorius, de kommandant, „laten wij tothengaan!” Zoo liet hij dan snel opzadelen en joeg met zijn mannen tegen de Zoeloe’s in, wier moed gebroken was. Zij weken terug, maar de Boeren waren snel achter hen.

Hoe de kogels floten!

Hoe de groote Zoeloemoord werd gewroken!

De Zoeloe’s spatten uiteen als glasscherven tusschen hamer en aanbeeld, en eerst, toen de Boeren tot de reserve des vijands waren doorgedrongen, kwam het gevecht tot staan.

Deze reserve bestond uit de regimenten der witte schilden, keurtroepen, die ten minste een poging waagden, om de Boeren terug te werpen. Maar de Boeren schoten een gapende gleuf in hun rijen, drongen snel als de wind in die opening, en van nu af werd het gevecht een ware slachting.

Intusschen waren vijftig Boeren achtergebleven, want de twee diepe kloven, de zoogenaamde „slooten” aan den achter- en rechterkant van het lager, waren vol Zoeloe’s, die zich hier in hinderlaag hadden gelegd, om het kamp in een onbewaakt oogenblik te overrompelen. Ze stonden zoo dicht opeen gepakt, dat ze moeilijk den arm konden bewegen om een speer te werpen.

De vijftig Boeren begonnen nu op deze dicht opeen gehoopte massa te vuren. Het was geen strijd, maar een executie. De Boeren hielden een verschrikkelijke, maar rechtvaardige afrekening.

De vluchtende Zoeloe’s sprongen intusschen in de rivier, en de Boeren hebben deze rivier „Bloedrivier” genoemd, omdat hare wateren rood werden gekleurd door het Zoeloebloed.

Aan de „Bloedrivier” werd het verraad van „Moordspruit” viervoudig gewroken, en tot op den huidigen dag wordt door de Zoeloe’s het water dezer rivier niet gedronken.

Eerst toen de ammunitie opraakte, keerden de overwinnaars[165]terug naar hun lager, en hielden een plechtigen dankstond.

Er was reden voor.

Dit was de slag aan de Bloedrivier, waar de Boeren den 16denDecember 1838 op een veertigvoudige overmacht een schitterende overwinning behaalden. Deze dag werd sedert de Dingaansdag genaamd, en wordt telken jare in de Transvaal godsdienstig herdacht.

1De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H. Hatting. Utrecht, Transvaal.↑

1De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H. Hatting. Utrecht, Transvaal.↑

1De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H. Hatting. Utrecht, Transvaal.↑

1De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H. Hatting. Utrecht, Transvaal.↑


Back to IndexNext