HOOFDSTUK XXIV.

[Inhoud]HOOFDSTUK XXIV.Reeds den volgenden dag werd opgebroken, en zetten de Boeren hun zegetocht voort. Voor hen uit ging de schrik, en achter hen volgde het vuur. Dingaan’s kralen1gingen in vlammen op, doch vrouw noch kind werd eenig leed gedaan.Zoo kwam men tot op een half uur afstands van Dingaan’s hoofdstad. Hier werd het lager opgeslagen, en Pretorius reed aan het hoofd van drie honderd mannen de stad in.Maar het vuur was hen voor geweest, en zware rookwolken hingen boven het paleis van den koning, die zijn eigendommen aan de vlammen had prijsgegeven.Stil, doodsch en verlaten lag de stad; er was geen levend schepsel te zien.Op den moordheuvel nabij de hoofdstad werden de overblijfselen gevonden der verraderlijk vermoorde Boeren. Een rilling ging door de gelederen der overwinnaars, toen zij die plaats bereikten. Hièr vond een zoon zijn vermisten vader, dàar een broeder zijn vermisten broeder onder de door aasvogels en wild gedierte geschonden lijken weer.Piet Retief werd herkend aan zijn kogeltasch, en bij zijn gebeente lag het officiëele dokument, behelzende de Acte van Afstand van Natal aan de Boeren. Het dokument was in spijt van wind en regen, die er over heen was gegaan, nog volkomen leesbaar.[166]Met diepen weemoed aanvaardden de Boeren de nalatenschap van hun vroegeren aanvoerder.Zij schaarden zich om zijn gebeente, ontblootten hun hoofden, en eerden hem als hun held en martelaar.Daarna werd er een groot graf gemaakt, waarin de overblijfselen der geliefde dooden werden neergelegd, terwijl God werd gedankt, dat Hij hun, den overwinnaars, het voorrecht had geschonken, aan hun vermoorde vrienden en betrekkingen een eerlijke begrafenis te geven, en dit onschuldig bloed te wreken.Met zware klipsteenen werd de groote groeve gesloten, en op tien pas afstands sloegen de Boeren een nieuw lager op.Maar nog een ander gevoel dan dat van weemoed en droefheid bij het gezicht der geschonden lijken van hunne dierbaarste betrekkingen kwam boven bij de Boeren. Zij namen een grooten steen, dien zij als een gedenknaald achterlieten, en waarop deze sobere maar zelfbewuste woorden waren gebeiteld: „Ik Andries Wilhelmus Jakobus Pretorius, Kommandant-Generaal, heb met mijne Onder-Kommandanten, Veldkornetten en Manschappen de hoofdstad van Dingaan, Koning der Zoeloenatie, ingenomen op den 21enDecember 1838.”Had men de Zoeloe’s verslagen, de praktische Boeren wenschten het vee terug, dat de Zoeloe’s hadden geroofd. Daarom gingen dag aan dag patrouilles uit, doch men vond geen spoor van vee.Men begon den moed reeds te laten zakken, toen een Zoeloe—Bongose heette de man—aan de Boeren beloofde, hun een groote kudde beesten te wijzen, die maar voor het nemen was.Dit was goed nieuws, en de Boeren hadden er wel ooren naar, om den Zoeloe als gids te volgen, maar de leeuwenjager vertrouwde de zaak niet, en de voorzichtige Pretorius zou den Zoeloe zeker niet zijn gevolgd, indien er bij de Boeren niet zoo’n nijpend gebrek was aan vee.De blanken gingen dus, Bongose als gids, op pad, om die kolossale kudde vee te pakken, maar de leeuwenjager ontving als een gunst den last, om den Zoeloe onder zijn opzicht te nemen.Hij nam den Zoeloe ter zijde, keek hem aan met zijn[167]harde oogen en zeide zacht: „Kijk Zoeloe, ik heb hier een dolk—voel eens, of hij scherp genoeg is!”„Ik denk het wel,” antwoordde Bongose.„Ik heb hem voor jou geslepen, Zoeloe,” hernam de leeuwenjager. „Als jij ons in een hinderlaag voert, dan zul jij er niet veel plezier van hebben, Zoeloe, want dan is dèze je voorman!”De Boeren volgden intusschen den Zoeloe, en op een berghoogte komend, strekte dezen den gespierden, zwarten arm uit naar rechts, triomfantelijk uitroepend: „Daar zijn de beesten!”Hetwaszoo.In een vallei, die door een rivier van den berg werd gescheiden, waarop de blanken zich bevonden, graasde een kudde van minstens twee duizend beesten, terwijl een dertigtal Kaffers, die aan den voet van den berg stonden, en dus door de rivier van de kudde waren gescheiden, volgens Bongose’s beweren de herders waren van die kudde.Daar had men dus het begeerde vee, waarnaar de Boeren zoo watertandden! Dochnooitzouden die Boeren het hebben gewaagd, deze kudde te vangen, indien de nood er hen niet toe had gedrongen, want de beesten liepen in een nauwe kloof, van weerszijden begroeid met ruige, voor een mogelijken vijand uitstekende dekking gevende doornbosschen, en bezaaid met groote, ruwe klippen, die als zooveel verschansingen voor een hinderlaag konden dienst doen.Daarbij was men diep in een vijandelijk land—er was reden voor, dat de Boeren aarzelden. Maar Bongose gaf de plechtige verzekering, dat er op den geheelen aardbodem geen Zoeloe-leger meer te vinden was, en de Boeren daalden nu, ongeveer driehonderd vijftig man sterk, de paarden aan den teugel leidend, langzaam van den berg af, terwijl de Kommandant, die den ouden achterdocht weer voelde opkomen, met de overige manschappen en het kleine kanon als reserve achterbleef op den berg.Op de nadering der Boeren namen de dertig Kaffers de vlucht, achtervolgd door de Boeren, die hen nazetten de rivier door. Maar de rivier maakte hier een korten boog, zoodat de blanken haar nog eens moesten passeeren, alvorens zij de vallei hadden bereikt, waar de beesten graasden.De Boeren waren nu wat driftig geworden van de jacht en joegen de vallei in.Maar hetzelfde ongeluk, dat het kommando van Hendrik[168]Potgieter en Piet Uijs had getroffen, werd hùn lot.Plotseling sloot zich de vallei van voren en van achteren door een levenden Kaffermuur, en de Boeren zaten tusschen twee sterke Zoeloe-kommando’s bekneld.Maar Bongose zou niet veel plezier hebben van zijn verraad.Voordat hij den wilden strijdkreet der Zoeloe’s kon beantwoorden, werd hem het koude staal in de borst gestooten.„Sterf!” zeide de leeuwenjager, en zijn sterke tanden knarsten op elkander.De Boeren waren van hun reserve afgesneden. Zij konden niet terug, want al te zwaar was de Kaffermuur achter hen. Zoo moesten zij zich naar voren een weg zien te banen, in tegenovergestelde richting van het lager.Het gelukte, en voor den derden keer kwam men voor de sterk kronkelende rivier, die opnieuw werd doorgetrokken.Thans was het zaak, om in een grooten wijden boog het lager te zien te bereiken, maar de verwarring, die eens de slagorde van Hendrik Potgieter had verbroken, dreigde ook dezen keer de Boeren noodlottig te worden.Gelukkig werd ze dezen keer nog gekeerd, en terwijl zestig Boeren in groote wanorde het open veld injoegen, sloten de overige tweehonderd negentig zich dicht aaneen, en stapvoets voortrijdend, al ladend en schietend, trok men langzaam terug.’s Morgens te negen uur was het gevecht begonnen, dat onverpoosd werd voortgezet, want de Zoeloe’s gunden den Boeren geen rust, en de zon had reeds haar hoogste punt achter zich, toen de blanken langs den zoom van een bosch een vijandelijke ruiterbende zagen galoppeeren, die het kennelijk doel had, de Boeren voor te jagen enomte keeren.Het was voor de vluchtenden onmogelijk voor te blijven, want de vijand had versche paarden, terwijl hun eigen paarden, al waren ze taai en sterk, van den langen rit moede begonnen te worden.Er schoot dus niets anders over, dan den teugel te wenden en den nieuwen vijand op te wachten.Het stoute stuk had een volkomen succes.De Boeren kegelden met hun lange roeren de zwarte ruiters uit het zadel, en vingen zooveel mogelijk de onbeheerde paarden op, waarvan er verscheidene werden[169]herkend als het eigendom van wijlen Piet Retief en zijn manschappen.Nu ging de tocht al retireerende weer voort, maar de Boeren kwamen nu tot de zeer onaangename ontdekking, dat zich een sterk regiment Zoeloe’s tusschen hen en het lager had ingeschoven.Zoo werden zij opnieuw uit de goede richting gedrongen, en zij moesten zijwaarts inslaan, om een omsingeling te ontgaan.Bij dezen terugtocht kwamen zij echter uit op een steilen, acht à negen voet hoogen kliprand, met de Zoeloe’s op hun hielen.’t Begon er nu al heel leelijk uit te zien voor de Boeren. Zij konden niet terug, en vóór hen gaapte de diepte.Maar er was geen tijd voor beraad, en hun paarden de sporen gevend, waagden zij den sprong in de diepte, die bijzonder gelukkig afliep, daar de diepte bestond uit de weeke, zanderige bedding van een zoo goed als uitgedroogde beek.De Boeren haalden nu ruimer adem, maar zij juichten te vroeg, want plotseling verscheen een regiment Zoeloe’s, dat hier in hinderlaag had gelegen, en overviel de blanken.Vijf Boeren en dertig Natal-Kaffers, die zich bij de Boeren hadden aangesloten, bezweken hier onder de puntige werpspeer, en het verlies zou veel ernstiger zijn geweest, waren de Zoeloe’s niet aan het plunderen der lijken gegaan.Zoo hadden de vluchtelingen gelegenheid, een voorsprong van ongeveer vijf honderd pas op hun vervolgers te krijgen, dien zij ook behielden, en een bosch voorbijjagend, legde zich daar een afdeeling Boeren in hinderlaag, die op de flank der vervolgende Zoeloe’s een vernielend snelvuur opende, dat dezen noopte, om de vervolging te staken.Nu eerst hadden de doodelijk vermoeide Boeren gelegenheid, uit het zadel te springen, en hun brandenden dorst te lesschen.De rit en het gevecht hadden geduurd van ’s morgens negen uur tot een halfuur vóór zonsondergang. Al dien tijd hadden de Boeren niets gedaan dan rijden, laden en schieten, en zij waren onkenbaar van den kruitdamp.Nu werd weer opgezadeld, totdat men, het lager tot op een halfuur afstands genaderd, bekende stemmen hoorde.Het waren manschappen der reserve, die dezen morgen naar het lagerwarenteruggekeerd, om het voor een[170]mogelijke overrompeling te dekken. Zij brachten versche paarden, en gezamenlijk trok men nu kampwaarts.Zoo ontsnapten de Boeren aan den fijn gespannen strik van den loozen vos, die koning was van Zoeloe-land.Den geheelen nacht bleven de Boeren bij uitgedoofde vuren onder de wapens, elk oogenblik een aanval van den vijand verwachtend. Maar in plaats van den vijand kwamen te middernacht de zestig vluchtelingen, die door hun tuchtelooze houding het geheele kommando in gevaar hadden gebracht, en ontvingen van den bevelhebber een strenge doch verdiende berisping.De Boeren vertoefden nog eenige weken in Zoeloe-land, hadden het geluk, zes duizend stuks hoornvee machtig te worden, en keerden met den buit in Januari 1839 naar Natal terug.1Kraal = Kafferwoning.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XXIV.Reeds den volgenden dag werd opgebroken, en zetten de Boeren hun zegetocht voort. Voor hen uit ging de schrik, en achter hen volgde het vuur. Dingaan’s kralen1gingen in vlammen op, doch vrouw noch kind werd eenig leed gedaan.Zoo kwam men tot op een half uur afstands van Dingaan’s hoofdstad. Hier werd het lager opgeslagen, en Pretorius reed aan het hoofd van drie honderd mannen de stad in.Maar het vuur was hen voor geweest, en zware rookwolken hingen boven het paleis van den koning, die zijn eigendommen aan de vlammen had prijsgegeven.Stil, doodsch en verlaten lag de stad; er was geen levend schepsel te zien.Op den moordheuvel nabij de hoofdstad werden de overblijfselen gevonden der verraderlijk vermoorde Boeren. Een rilling ging door de gelederen der overwinnaars, toen zij die plaats bereikten. Hièr vond een zoon zijn vermisten vader, dàar een broeder zijn vermisten broeder onder de door aasvogels en wild gedierte geschonden lijken weer.Piet Retief werd herkend aan zijn kogeltasch, en bij zijn gebeente lag het officiëele dokument, behelzende de Acte van Afstand van Natal aan de Boeren. Het dokument was in spijt van wind en regen, die er over heen was gegaan, nog volkomen leesbaar.[166]Met diepen weemoed aanvaardden de Boeren de nalatenschap van hun vroegeren aanvoerder.Zij schaarden zich om zijn gebeente, ontblootten hun hoofden, en eerden hem als hun held en martelaar.Daarna werd er een groot graf gemaakt, waarin de overblijfselen der geliefde dooden werden neergelegd, terwijl God werd gedankt, dat Hij hun, den overwinnaars, het voorrecht had geschonken, aan hun vermoorde vrienden en betrekkingen een eerlijke begrafenis te geven, en dit onschuldig bloed te wreken.Met zware klipsteenen werd de groote groeve gesloten, en op tien pas afstands sloegen de Boeren een nieuw lager op.Maar nog een ander gevoel dan dat van weemoed en droefheid bij het gezicht der geschonden lijken van hunne dierbaarste betrekkingen kwam boven bij de Boeren. Zij namen een grooten steen, dien zij als een gedenknaald achterlieten, en waarop deze sobere maar zelfbewuste woorden waren gebeiteld: „Ik Andries Wilhelmus Jakobus Pretorius, Kommandant-Generaal, heb met mijne Onder-Kommandanten, Veldkornetten en Manschappen de hoofdstad van Dingaan, Koning der Zoeloenatie, ingenomen op den 21enDecember 1838.”Had men de Zoeloe’s verslagen, de praktische Boeren wenschten het vee terug, dat de Zoeloe’s hadden geroofd. Daarom gingen dag aan dag patrouilles uit, doch men vond geen spoor van vee.Men begon den moed reeds te laten zakken, toen een Zoeloe—Bongose heette de man—aan de Boeren beloofde, hun een groote kudde beesten te wijzen, die maar voor het nemen was.Dit was goed nieuws, en de Boeren hadden er wel ooren naar, om den Zoeloe als gids te volgen, maar de leeuwenjager vertrouwde de zaak niet, en de voorzichtige Pretorius zou den Zoeloe zeker niet zijn gevolgd, indien er bij de Boeren niet zoo’n nijpend gebrek was aan vee.De blanken gingen dus, Bongose als gids, op pad, om die kolossale kudde vee te pakken, maar de leeuwenjager ontving als een gunst den last, om den Zoeloe onder zijn opzicht te nemen.Hij nam den Zoeloe ter zijde, keek hem aan met zijn[167]harde oogen en zeide zacht: „Kijk Zoeloe, ik heb hier een dolk—voel eens, of hij scherp genoeg is!”„Ik denk het wel,” antwoordde Bongose.„Ik heb hem voor jou geslepen, Zoeloe,” hernam de leeuwenjager. „Als jij ons in een hinderlaag voert, dan zul jij er niet veel plezier van hebben, Zoeloe, want dan is dèze je voorman!”De Boeren volgden intusschen den Zoeloe, en op een berghoogte komend, strekte dezen den gespierden, zwarten arm uit naar rechts, triomfantelijk uitroepend: „Daar zijn de beesten!”Hetwaszoo.In een vallei, die door een rivier van den berg werd gescheiden, waarop de blanken zich bevonden, graasde een kudde van minstens twee duizend beesten, terwijl een dertigtal Kaffers, die aan den voet van den berg stonden, en dus door de rivier van de kudde waren gescheiden, volgens Bongose’s beweren de herders waren van die kudde.Daar had men dus het begeerde vee, waarnaar de Boeren zoo watertandden! Dochnooitzouden die Boeren het hebben gewaagd, deze kudde te vangen, indien de nood er hen niet toe had gedrongen, want de beesten liepen in een nauwe kloof, van weerszijden begroeid met ruige, voor een mogelijken vijand uitstekende dekking gevende doornbosschen, en bezaaid met groote, ruwe klippen, die als zooveel verschansingen voor een hinderlaag konden dienst doen.Daarbij was men diep in een vijandelijk land—er was reden voor, dat de Boeren aarzelden. Maar Bongose gaf de plechtige verzekering, dat er op den geheelen aardbodem geen Zoeloe-leger meer te vinden was, en de Boeren daalden nu, ongeveer driehonderd vijftig man sterk, de paarden aan den teugel leidend, langzaam van den berg af, terwijl de Kommandant, die den ouden achterdocht weer voelde opkomen, met de overige manschappen en het kleine kanon als reserve achterbleef op den berg.Op de nadering der Boeren namen de dertig Kaffers de vlucht, achtervolgd door de Boeren, die hen nazetten de rivier door. Maar de rivier maakte hier een korten boog, zoodat de blanken haar nog eens moesten passeeren, alvorens zij de vallei hadden bereikt, waar de beesten graasden.De Boeren waren nu wat driftig geworden van de jacht en joegen de vallei in.Maar hetzelfde ongeluk, dat het kommando van Hendrik[168]Potgieter en Piet Uijs had getroffen, werd hùn lot.Plotseling sloot zich de vallei van voren en van achteren door een levenden Kaffermuur, en de Boeren zaten tusschen twee sterke Zoeloe-kommando’s bekneld.Maar Bongose zou niet veel plezier hebben van zijn verraad.Voordat hij den wilden strijdkreet der Zoeloe’s kon beantwoorden, werd hem het koude staal in de borst gestooten.„Sterf!” zeide de leeuwenjager, en zijn sterke tanden knarsten op elkander.De Boeren waren van hun reserve afgesneden. Zij konden niet terug, want al te zwaar was de Kaffermuur achter hen. Zoo moesten zij zich naar voren een weg zien te banen, in tegenovergestelde richting van het lager.Het gelukte, en voor den derden keer kwam men voor de sterk kronkelende rivier, die opnieuw werd doorgetrokken.Thans was het zaak, om in een grooten wijden boog het lager te zien te bereiken, maar de verwarring, die eens de slagorde van Hendrik Potgieter had verbroken, dreigde ook dezen keer de Boeren noodlottig te worden.Gelukkig werd ze dezen keer nog gekeerd, en terwijl zestig Boeren in groote wanorde het open veld injoegen, sloten de overige tweehonderd negentig zich dicht aaneen, en stapvoets voortrijdend, al ladend en schietend, trok men langzaam terug.’s Morgens te negen uur was het gevecht begonnen, dat onverpoosd werd voortgezet, want de Zoeloe’s gunden den Boeren geen rust, en de zon had reeds haar hoogste punt achter zich, toen de blanken langs den zoom van een bosch een vijandelijke ruiterbende zagen galoppeeren, die het kennelijk doel had, de Boeren voor te jagen enomte keeren.Het was voor de vluchtenden onmogelijk voor te blijven, want de vijand had versche paarden, terwijl hun eigen paarden, al waren ze taai en sterk, van den langen rit moede begonnen te worden.Er schoot dus niets anders over, dan den teugel te wenden en den nieuwen vijand op te wachten.Het stoute stuk had een volkomen succes.De Boeren kegelden met hun lange roeren de zwarte ruiters uit het zadel, en vingen zooveel mogelijk de onbeheerde paarden op, waarvan er verscheidene werden[169]herkend als het eigendom van wijlen Piet Retief en zijn manschappen.Nu ging de tocht al retireerende weer voort, maar de Boeren kwamen nu tot de zeer onaangename ontdekking, dat zich een sterk regiment Zoeloe’s tusschen hen en het lager had ingeschoven.Zoo werden zij opnieuw uit de goede richting gedrongen, en zij moesten zijwaarts inslaan, om een omsingeling te ontgaan.Bij dezen terugtocht kwamen zij echter uit op een steilen, acht à negen voet hoogen kliprand, met de Zoeloe’s op hun hielen.’t Begon er nu al heel leelijk uit te zien voor de Boeren. Zij konden niet terug, en vóór hen gaapte de diepte.Maar er was geen tijd voor beraad, en hun paarden de sporen gevend, waagden zij den sprong in de diepte, die bijzonder gelukkig afliep, daar de diepte bestond uit de weeke, zanderige bedding van een zoo goed als uitgedroogde beek.De Boeren haalden nu ruimer adem, maar zij juichten te vroeg, want plotseling verscheen een regiment Zoeloe’s, dat hier in hinderlaag had gelegen, en overviel de blanken.Vijf Boeren en dertig Natal-Kaffers, die zich bij de Boeren hadden aangesloten, bezweken hier onder de puntige werpspeer, en het verlies zou veel ernstiger zijn geweest, waren de Zoeloe’s niet aan het plunderen der lijken gegaan.Zoo hadden de vluchtelingen gelegenheid, een voorsprong van ongeveer vijf honderd pas op hun vervolgers te krijgen, dien zij ook behielden, en een bosch voorbijjagend, legde zich daar een afdeeling Boeren in hinderlaag, die op de flank der vervolgende Zoeloe’s een vernielend snelvuur opende, dat dezen noopte, om de vervolging te staken.Nu eerst hadden de doodelijk vermoeide Boeren gelegenheid, uit het zadel te springen, en hun brandenden dorst te lesschen.De rit en het gevecht hadden geduurd van ’s morgens negen uur tot een halfuur vóór zonsondergang. Al dien tijd hadden de Boeren niets gedaan dan rijden, laden en schieten, en zij waren onkenbaar van den kruitdamp.Nu werd weer opgezadeld, totdat men, het lager tot op een halfuur afstands genaderd, bekende stemmen hoorde.Het waren manschappen der reserve, die dezen morgen naar het lagerwarenteruggekeerd, om het voor een[170]mogelijke overrompeling te dekken. Zij brachten versche paarden, en gezamenlijk trok men nu kampwaarts.Zoo ontsnapten de Boeren aan den fijn gespannen strik van den loozen vos, die koning was van Zoeloe-land.Den geheelen nacht bleven de Boeren bij uitgedoofde vuren onder de wapens, elk oogenblik een aanval van den vijand verwachtend. Maar in plaats van den vijand kwamen te middernacht de zestig vluchtelingen, die door hun tuchtelooze houding het geheele kommando in gevaar hadden gebracht, en ontvingen van den bevelhebber een strenge doch verdiende berisping.De Boeren vertoefden nog eenige weken in Zoeloe-land, hadden het geluk, zes duizend stuks hoornvee machtig te worden, en keerden met den buit in Januari 1839 naar Natal terug.1Kraal = Kafferwoning.↑

HOOFDSTUK XXIV.

Reeds den volgenden dag werd opgebroken, en zetten de Boeren hun zegetocht voort. Voor hen uit ging de schrik, en achter hen volgde het vuur. Dingaan’s kralen1gingen in vlammen op, doch vrouw noch kind werd eenig leed gedaan.Zoo kwam men tot op een half uur afstands van Dingaan’s hoofdstad. Hier werd het lager opgeslagen, en Pretorius reed aan het hoofd van drie honderd mannen de stad in.Maar het vuur was hen voor geweest, en zware rookwolken hingen boven het paleis van den koning, die zijn eigendommen aan de vlammen had prijsgegeven.Stil, doodsch en verlaten lag de stad; er was geen levend schepsel te zien.Op den moordheuvel nabij de hoofdstad werden de overblijfselen gevonden der verraderlijk vermoorde Boeren. Een rilling ging door de gelederen der overwinnaars, toen zij die plaats bereikten. Hièr vond een zoon zijn vermisten vader, dàar een broeder zijn vermisten broeder onder de door aasvogels en wild gedierte geschonden lijken weer.Piet Retief werd herkend aan zijn kogeltasch, en bij zijn gebeente lag het officiëele dokument, behelzende de Acte van Afstand van Natal aan de Boeren. Het dokument was in spijt van wind en regen, die er over heen was gegaan, nog volkomen leesbaar.[166]Met diepen weemoed aanvaardden de Boeren de nalatenschap van hun vroegeren aanvoerder.Zij schaarden zich om zijn gebeente, ontblootten hun hoofden, en eerden hem als hun held en martelaar.Daarna werd er een groot graf gemaakt, waarin de overblijfselen der geliefde dooden werden neergelegd, terwijl God werd gedankt, dat Hij hun, den overwinnaars, het voorrecht had geschonken, aan hun vermoorde vrienden en betrekkingen een eerlijke begrafenis te geven, en dit onschuldig bloed te wreken.Met zware klipsteenen werd de groote groeve gesloten, en op tien pas afstands sloegen de Boeren een nieuw lager op.Maar nog een ander gevoel dan dat van weemoed en droefheid bij het gezicht der geschonden lijken van hunne dierbaarste betrekkingen kwam boven bij de Boeren. Zij namen een grooten steen, dien zij als een gedenknaald achterlieten, en waarop deze sobere maar zelfbewuste woorden waren gebeiteld: „Ik Andries Wilhelmus Jakobus Pretorius, Kommandant-Generaal, heb met mijne Onder-Kommandanten, Veldkornetten en Manschappen de hoofdstad van Dingaan, Koning der Zoeloenatie, ingenomen op den 21enDecember 1838.”Had men de Zoeloe’s verslagen, de praktische Boeren wenschten het vee terug, dat de Zoeloe’s hadden geroofd. Daarom gingen dag aan dag patrouilles uit, doch men vond geen spoor van vee.Men begon den moed reeds te laten zakken, toen een Zoeloe—Bongose heette de man—aan de Boeren beloofde, hun een groote kudde beesten te wijzen, die maar voor het nemen was.Dit was goed nieuws, en de Boeren hadden er wel ooren naar, om den Zoeloe als gids te volgen, maar de leeuwenjager vertrouwde de zaak niet, en de voorzichtige Pretorius zou den Zoeloe zeker niet zijn gevolgd, indien er bij de Boeren niet zoo’n nijpend gebrek was aan vee.De blanken gingen dus, Bongose als gids, op pad, om die kolossale kudde vee te pakken, maar de leeuwenjager ontving als een gunst den last, om den Zoeloe onder zijn opzicht te nemen.Hij nam den Zoeloe ter zijde, keek hem aan met zijn[167]harde oogen en zeide zacht: „Kijk Zoeloe, ik heb hier een dolk—voel eens, of hij scherp genoeg is!”„Ik denk het wel,” antwoordde Bongose.„Ik heb hem voor jou geslepen, Zoeloe,” hernam de leeuwenjager. „Als jij ons in een hinderlaag voert, dan zul jij er niet veel plezier van hebben, Zoeloe, want dan is dèze je voorman!”De Boeren volgden intusschen den Zoeloe, en op een berghoogte komend, strekte dezen den gespierden, zwarten arm uit naar rechts, triomfantelijk uitroepend: „Daar zijn de beesten!”Hetwaszoo.In een vallei, die door een rivier van den berg werd gescheiden, waarop de blanken zich bevonden, graasde een kudde van minstens twee duizend beesten, terwijl een dertigtal Kaffers, die aan den voet van den berg stonden, en dus door de rivier van de kudde waren gescheiden, volgens Bongose’s beweren de herders waren van die kudde.Daar had men dus het begeerde vee, waarnaar de Boeren zoo watertandden! Dochnooitzouden die Boeren het hebben gewaagd, deze kudde te vangen, indien de nood er hen niet toe had gedrongen, want de beesten liepen in een nauwe kloof, van weerszijden begroeid met ruige, voor een mogelijken vijand uitstekende dekking gevende doornbosschen, en bezaaid met groote, ruwe klippen, die als zooveel verschansingen voor een hinderlaag konden dienst doen.Daarbij was men diep in een vijandelijk land—er was reden voor, dat de Boeren aarzelden. Maar Bongose gaf de plechtige verzekering, dat er op den geheelen aardbodem geen Zoeloe-leger meer te vinden was, en de Boeren daalden nu, ongeveer driehonderd vijftig man sterk, de paarden aan den teugel leidend, langzaam van den berg af, terwijl de Kommandant, die den ouden achterdocht weer voelde opkomen, met de overige manschappen en het kleine kanon als reserve achterbleef op den berg.Op de nadering der Boeren namen de dertig Kaffers de vlucht, achtervolgd door de Boeren, die hen nazetten de rivier door. Maar de rivier maakte hier een korten boog, zoodat de blanken haar nog eens moesten passeeren, alvorens zij de vallei hadden bereikt, waar de beesten graasden.De Boeren waren nu wat driftig geworden van de jacht en joegen de vallei in.Maar hetzelfde ongeluk, dat het kommando van Hendrik[168]Potgieter en Piet Uijs had getroffen, werd hùn lot.Plotseling sloot zich de vallei van voren en van achteren door een levenden Kaffermuur, en de Boeren zaten tusschen twee sterke Zoeloe-kommando’s bekneld.Maar Bongose zou niet veel plezier hebben van zijn verraad.Voordat hij den wilden strijdkreet der Zoeloe’s kon beantwoorden, werd hem het koude staal in de borst gestooten.„Sterf!” zeide de leeuwenjager, en zijn sterke tanden knarsten op elkander.De Boeren waren van hun reserve afgesneden. Zij konden niet terug, want al te zwaar was de Kaffermuur achter hen. Zoo moesten zij zich naar voren een weg zien te banen, in tegenovergestelde richting van het lager.Het gelukte, en voor den derden keer kwam men voor de sterk kronkelende rivier, die opnieuw werd doorgetrokken.Thans was het zaak, om in een grooten wijden boog het lager te zien te bereiken, maar de verwarring, die eens de slagorde van Hendrik Potgieter had verbroken, dreigde ook dezen keer de Boeren noodlottig te worden.Gelukkig werd ze dezen keer nog gekeerd, en terwijl zestig Boeren in groote wanorde het open veld injoegen, sloten de overige tweehonderd negentig zich dicht aaneen, en stapvoets voortrijdend, al ladend en schietend, trok men langzaam terug.’s Morgens te negen uur was het gevecht begonnen, dat onverpoosd werd voortgezet, want de Zoeloe’s gunden den Boeren geen rust, en de zon had reeds haar hoogste punt achter zich, toen de blanken langs den zoom van een bosch een vijandelijke ruiterbende zagen galoppeeren, die het kennelijk doel had, de Boeren voor te jagen enomte keeren.Het was voor de vluchtenden onmogelijk voor te blijven, want de vijand had versche paarden, terwijl hun eigen paarden, al waren ze taai en sterk, van den langen rit moede begonnen te worden.Er schoot dus niets anders over, dan den teugel te wenden en den nieuwen vijand op te wachten.Het stoute stuk had een volkomen succes.De Boeren kegelden met hun lange roeren de zwarte ruiters uit het zadel, en vingen zooveel mogelijk de onbeheerde paarden op, waarvan er verscheidene werden[169]herkend als het eigendom van wijlen Piet Retief en zijn manschappen.Nu ging de tocht al retireerende weer voort, maar de Boeren kwamen nu tot de zeer onaangename ontdekking, dat zich een sterk regiment Zoeloe’s tusschen hen en het lager had ingeschoven.Zoo werden zij opnieuw uit de goede richting gedrongen, en zij moesten zijwaarts inslaan, om een omsingeling te ontgaan.Bij dezen terugtocht kwamen zij echter uit op een steilen, acht à negen voet hoogen kliprand, met de Zoeloe’s op hun hielen.’t Begon er nu al heel leelijk uit te zien voor de Boeren. Zij konden niet terug, en vóór hen gaapte de diepte.Maar er was geen tijd voor beraad, en hun paarden de sporen gevend, waagden zij den sprong in de diepte, die bijzonder gelukkig afliep, daar de diepte bestond uit de weeke, zanderige bedding van een zoo goed als uitgedroogde beek.De Boeren haalden nu ruimer adem, maar zij juichten te vroeg, want plotseling verscheen een regiment Zoeloe’s, dat hier in hinderlaag had gelegen, en overviel de blanken.Vijf Boeren en dertig Natal-Kaffers, die zich bij de Boeren hadden aangesloten, bezweken hier onder de puntige werpspeer, en het verlies zou veel ernstiger zijn geweest, waren de Zoeloe’s niet aan het plunderen der lijken gegaan.Zoo hadden de vluchtelingen gelegenheid, een voorsprong van ongeveer vijf honderd pas op hun vervolgers te krijgen, dien zij ook behielden, en een bosch voorbijjagend, legde zich daar een afdeeling Boeren in hinderlaag, die op de flank der vervolgende Zoeloe’s een vernielend snelvuur opende, dat dezen noopte, om de vervolging te staken.Nu eerst hadden de doodelijk vermoeide Boeren gelegenheid, uit het zadel te springen, en hun brandenden dorst te lesschen.De rit en het gevecht hadden geduurd van ’s morgens negen uur tot een halfuur vóór zonsondergang. Al dien tijd hadden de Boeren niets gedaan dan rijden, laden en schieten, en zij waren onkenbaar van den kruitdamp.Nu werd weer opgezadeld, totdat men, het lager tot op een halfuur afstands genaderd, bekende stemmen hoorde.Het waren manschappen der reserve, die dezen morgen naar het lagerwarenteruggekeerd, om het voor een[170]mogelijke overrompeling te dekken. Zij brachten versche paarden, en gezamenlijk trok men nu kampwaarts.Zoo ontsnapten de Boeren aan den fijn gespannen strik van den loozen vos, die koning was van Zoeloe-land.Den geheelen nacht bleven de Boeren bij uitgedoofde vuren onder de wapens, elk oogenblik een aanval van den vijand verwachtend. Maar in plaats van den vijand kwamen te middernacht de zestig vluchtelingen, die door hun tuchtelooze houding het geheele kommando in gevaar hadden gebracht, en ontvingen van den bevelhebber een strenge doch verdiende berisping.De Boeren vertoefden nog eenige weken in Zoeloe-land, hadden het geluk, zes duizend stuks hoornvee machtig te worden, en keerden met den buit in Januari 1839 naar Natal terug.

Reeds den volgenden dag werd opgebroken, en zetten de Boeren hun zegetocht voort. Voor hen uit ging de schrik, en achter hen volgde het vuur. Dingaan’s kralen1gingen in vlammen op, doch vrouw noch kind werd eenig leed gedaan.

Zoo kwam men tot op een half uur afstands van Dingaan’s hoofdstad. Hier werd het lager opgeslagen, en Pretorius reed aan het hoofd van drie honderd mannen de stad in.

Maar het vuur was hen voor geweest, en zware rookwolken hingen boven het paleis van den koning, die zijn eigendommen aan de vlammen had prijsgegeven.

Stil, doodsch en verlaten lag de stad; er was geen levend schepsel te zien.

Op den moordheuvel nabij de hoofdstad werden de overblijfselen gevonden der verraderlijk vermoorde Boeren. Een rilling ging door de gelederen der overwinnaars, toen zij die plaats bereikten. Hièr vond een zoon zijn vermisten vader, dàar een broeder zijn vermisten broeder onder de door aasvogels en wild gedierte geschonden lijken weer.

Piet Retief werd herkend aan zijn kogeltasch, en bij zijn gebeente lag het officiëele dokument, behelzende de Acte van Afstand van Natal aan de Boeren. Het dokument was in spijt van wind en regen, die er over heen was gegaan, nog volkomen leesbaar.[166]

Met diepen weemoed aanvaardden de Boeren de nalatenschap van hun vroegeren aanvoerder.

Zij schaarden zich om zijn gebeente, ontblootten hun hoofden, en eerden hem als hun held en martelaar.

Daarna werd er een groot graf gemaakt, waarin de overblijfselen der geliefde dooden werden neergelegd, terwijl God werd gedankt, dat Hij hun, den overwinnaars, het voorrecht had geschonken, aan hun vermoorde vrienden en betrekkingen een eerlijke begrafenis te geven, en dit onschuldig bloed te wreken.

Met zware klipsteenen werd de groote groeve gesloten, en op tien pas afstands sloegen de Boeren een nieuw lager op.

Maar nog een ander gevoel dan dat van weemoed en droefheid bij het gezicht der geschonden lijken van hunne dierbaarste betrekkingen kwam boven bij de Boeren. Zij namen een grooten steen, dien zij als een gedenknaald achterlieten, en waarop deze sobere maar zelfbewuste woorden waren gebeiteld: „Ik Andries Wilhelmus Jakobus Pretorius, Kommandant-Generaal, heb met mijne Onder-Kommandanten, Veldkornetten en Manschappen de hoofdstad van Dingaan, Koning der Zoeloenatie, ingenomen op den 21enDecember 1838.”

Had men de Zoeloe’s verslagen, de praktische Boeren wenschten het vee terug, dat de Zoeloe’s hadden geroofd. Daarom gingen dag aan dag patrouilles uit, doch men vond geen spoor van vee.

Men begon den moed reeds te laten zakken, toen een Zoeloe—Bongose heette de man—aan de Boeren beloofde, hun een groote kudde beesten te wijzen, die maar voor het nemen was.

Dit was goed nieuws, en de Boeren hadden er wel ooren naar, om den Zoeloe als gids te volgen, maar de leeuwenjager vertrouwde de zaak niet, en de voorzichtige Pretorius zou den Zoeloe zeker niet zijn gevolgd, indien er bij de Boeren niet zoo’n nijpend gebrek was aan vee.

De blanken gingen dus, Bongose als gids, op pad, om die kolossale kudde vee te pakken, maar de leeuwenjager ontving als een gunst den last, om den Zoeloe onder zijn opzicht te nemen.

Hij nam den Zoeloe ter zijde, keek hem aan met zijn[167]harde oogen en zeide zacht: „Kijk Zoeloe, ik heb hier een dolk—voel eens, of hij scherp genoeg is!”

„Ik denk het wel,” antwoordde Bongose.

„Ik heb hem voor jou geslepen, Zoeloe,” hernam de leeuwenjager. „Als jij ons in een hinderlaag voert, dan zul jij er niet veel plezier van hebben, Zoeloe, want dan is dèze je voorman!”

De Boeren volgden intusschen den Zoeloe, en op een berghoogte komend, strekte dezen den gespierden, zwarten arm uit naar rechts, triomfantelijk uitroepend: „Daar zijn de beesten!”

Hetwaszoo.

In een vallei, die door een rivier van den berg werd gescheiden, waarop de blanken zich bevonden, graasde een kudde van minstens twee duizend beesten, terwijl een dertigtal Kaffers, die aan den voet van den berg stonden, en dus door de rivier van de kudde waren gescheiden, volgens Bongose’s beweren de herders waren van die kudde.

Daar had men dus het begeerde vee, waarnaar de Boeren zoo watertandden! Dochnooitzouden die Boeren het hebben gewaagd, deze kudde te vangen, indien de nood er hen niet toe had gedrongen, want de beesten liepen in een nauwe kloof, van weerszijden begroeid met ruige, voor een mogelijken vijand uitstekende dekking gevende doornbosschen, en bezaaid met groote, ruwe klippen, die als zooveel verschansingen voor een hinderlaag konden dienst doen.

Daarbij was men diep in een vijandelijk land—er was reden voor, dat de Boeren aarzelden. Maar Bongose gaf de plechtige verzekering, dat er op den geheelen aardbodem geen Zoeloe-leger meer te vinden was, en de Boeren daalden nu, ongeveer driehonderd vijftig man sterk, de paarden aan den teugel leidend, langzaam van den berg af, terwijl de Kommandant, die den ouden achterdocht weer voelde opkomen, met de overige manschappen en het kleine kanon als reserve achterbleef op den berg.

Op de nadering der Boeren namen de dertig Kaffers de vlucht, achtervolgd door de Boeren, die hen nazetten de rivier door. Maar de rivier maakte hier een korten boog, zoodat de blanken haar nog eens moesten passeeren, alvorens zij de vallei hadden bereikt, waar de beesten graasden.

De Boeren waren nu wat driftig geworden van de jacht en joegen de vallei in.

Maar hetzelfde ongeluk, dat het kommando van Hendrik[168]Potgieter en Piet Uijs had getroffen, werd hùn lot.

Plotseling sloot zich de vallei van voren en van achteren door een levenden Kaffermuur, en de Boeren zaten tusschen twee sterke Zoeloe-kommando’s bekneld.

Maar Bongose zou niet veel plezier hebben van zijn verraad.

Voordat hij den wilden strijdkreet der Zoeloe’s kon beantwoorden, werd hem het koude staal in de borst gestooten.

„Sterf!” zeide de leeuwenjager, en zijn sterke tanden knarsten op elkander.

De Boeren waren van hun reserve afgesneden. Zij konden niet terug, want al te zwaar was de Kaffermuur achter hen. Zoo moesten zij zich naar voren een weg zien te banen, in tegenovergestelde richting van het lager.

Het gelukte, en voor den derden keer kwam men voor de sterk kronkelende rivier, die opnieuw werd doorgetrokken.

Thans was het zaak, om in een grooten wijden boog het lager te zien te bereiken, maar de verwarring, die eens de slagorde van Hendrik Potgieter had verbroken, dreigde ook dezen keer de Boeren noodlottig te worden.

Gelukkig werd ze dezen keer nog gekeerd, en terwijl zestig Boeren in groote wanorde het open veld injoegen, sloten de overige tweehonderd negentig zich dicht aaneen, en stapvoets voortrijdend, al ladend en schietend, trok men langzaam terug.

’s Morgens te negen uur was het gevecht begonnen, dat onverpoosd werd voortgezet, want de Zoeloe’s gunden den Boeren geen rust, en de zon had reeds haar hoogste punt achter zich, toen de blanken langs den zoom van een bosch een vijandelijke ruiterbende zagen galoppeeren, die het kennelijk doel had, de Boeren voor te jagen enomte keeren.

Het was voor de vluchtenden onmogelijk voor te blijven, want de vijand had versche paarden, terwijl hun eigen paarden, al waren ze taai en sterk, van den langen rit moede begonnen te worden.

Er schoot dus niets anders over, dan den teugel te wenden en den nieuwen vijand op te wachten.

Het stoute stuk had een volkomen succes.

De Boeren kegelden met hun lange roeren de zwarte ruiters uit het zadel, en vingen zooveel mogelijk de onbeheerde paarden op, waarvan er verscheidene werden[169]herkend als het eigendom van wijlen Piet Retief en zijn manschappen.

Nu ging de tocht al retireerende weer voort, maar de Boeren kwamen nu tot de zeer onaangename ontdekking, dat zich een sterk regiment Zoeloe’s tusschen hen en het lager had ingeschoven.

Zoo werden zij opnieuw uit de goede richting gedrongen, en zij moesten zijwaarts inslaan, om een omsingeling te ontgaan.

Bij dezen terugtocht kwamen zij echter uit op een steilen, acht à negen voet hoogen kliprand, met de Zoeloe’s op hun hielen.

’t Begon er nu al heel leelijk uit te zien voor de Boeren. Zij konden niet terug, en vóór hen gaapte de diepte.

Maar er was geen tijd voor beraad, en hun paarden de sporen gevend, waagden zij den sprong in de diepte, die bijzonder gelukkig afliep, daar de diepte bestond uit de weeke, zanderige bedding van een zoo goed als uitgedroogde beek.

De Boeren haalden nu ruimer adem, maar zij juichten te vroeg, want plotseling verscheen een regiment Zoeloe’s, dat hier in hinderlaag had gelegen, en overviel de blanken.

Vijf Boeren en dertig Natal-Kaffers, die zich bij de Boeren hadden aangesloten, bezweken hier onder de puntige werpspeer, en het verlies zou veel ernstiger zijn geweest, waren de Zoeloe’s niet aan het plunderen der lijken gegaan.

Zoo hadden de vluchtelingen gelegenheid, een voorsprong van ongeveer vijf honderd pas op hun vervolgers te krijgen, dien zij ook behielden, en een bosch voorbijjagend, legde zich daar een afdeeling Boeren in hinderlaag, die op de flank der vervolgende Zoeloe’s een vernielend snelvuur opende, dat dezen noopte, om de vervolging te staken.

Nu eerst hadden de doodelijk vermoeide Boeren gelegenheid, uit het zadel te springen, en hun brandenden dorst te lesschen.

De rit en het gevecht hadden geduurd van ’s morgens negen uur tot een halfuur vóór zonsondergang. Al dien tijd hadden de Boeren niets gedaan dan rijden, laden en schieten, en zij waren onkenbaar van den kruitdamp.

Nu werd weer opgezadeld, totdat men, het lager tot op een halfuur afstands genaderd, bekende stemmen hoorde.

Het waren manschappen der reserve, die dezen morgen naar het lagerwarenteruggekeerd, om het voor een[170]mogelijke overrompeling te dekken. Zij brachten versche paarden, en gezamenlijk trok men nu kampwaarts.

Zoo ontsnapten de Boeren aan den fijn gespannen strik van den loozen vos, die koning was van Zoeloe-land.

Den geheelen nacht bleven de Boeren bij uitgedoofde vuren onder de wapens, elk oogenblik een aanval van den vijand verwachtend. Maar in plaats van den vijand kwamen te middernacht de zestig vluchtelingen, die door hun tuchtelooze houding het geheele kommando in gevaar hadden gebracht, en ontvingen van den bevelhebber een strenge doch verdiende berisping.

De Boeren vertoefden nog eenige weken in Zoeloe-land, hadden het geluk, zes duizend stuks hoornvee machtig te worden, en keerden met den buit in Januari 1839 naar Natal terug.

1Kraal = Kafferwoning.↑

1Kraal = Kafferwoning.↑

1Kraal = Kafferwoning.↑

1Kraal = Kafferwoning.↑


Back to IndexNext