[Inhoud]HOOFDSTUK XXIX.Wij bevinden ons in een der liefelijkste oorden van het Over-Vaalsche, van de Transvaal.Op een platten heuvel, in de nabijheid eener wijde beek, wier water driftig van de bergen nederkomt, ziet ge eene landelijke, eenvoudige woning. Ze is omlijst door een krans van kort geplante, welig opschietende boomen.Hier woont Gert Kloppers. De ossenwagen is uitgespannen; de tent opgerold; de Trekker is tot rust gekomen.Ge zult u echter verwonderen, hem hier in de Transvaal te vinden. Ge zoudt hem in ’t zuiden hebben gezocht, in Natal.Kloppers zou zich waarschijnlijk ook in Natal blijvend hebben gevestigd, hadden zijne schoonzoons, die zich met de Trekboeren onder Kommandant-Generaal Hendrik Potgieter met der woon hadden gevestigd in Transvaal, hem niet zoo’n prachtig stuk gronds, minstens 6000 morgen groot, aangeboden. Hij had het land bezichtigd, en het had alle verwachting overtroffen. Toen had hij de sterke ossen weer voor den wagen gespannen, en zijn vrienden, met wie hij zoo veel leed en strijd had doorworsteld, hadden hem de hand gedrukt, en met bewogen stem nageroepen:„Ga in vrede!”En zoo woont Gert Kloppers nu met zijn gezin in de Transvaal, en daar in de verte, waar gij, tegen dat bosch[191]aan, den rook van een schoorsteen langzaam omhoog ziet kronkelen, daar woont zijn zoon Dirk.Met veerkrachtigen tred ging de jonge Boer langs zijne vruchtbare akkers, waaruit het gezaaide koren veelbelovend uitsproot. Het was hem licht om het hart, en hij zong een vroolijk lied, dat wijd over de velden schalde.Hij werkte voor zijne vrouw, straks, zoo God wilde, voor zijne kinderen. Want naar kinderen verlangt de Afrikaansche Boer: het is zijn schat, zijn weelde; het zijn de frissche olijfplanten, die zijn disch zullen versieren.Kalm, bedaard, zonder overdreven idealen, is Dirk met zijn bruid in het huwelijk getreden. Zij hadden elkander werkelijk lief; hunne karakters pasten bij elkander; zij waren dezelfde levensbeschouwing toegedaan; de ouders hadden geen bezwaren—welnu, toen trouwden zij. En ’t is een flink paar, die Dirk Kloppers en die Anna, de dochter van Barend Jansen, dat moet er van gezegd zijn.Tegen den middag huiswaarts keerend, kwam den jongen Boer een ruiter tegemoet. ’t Was Teunis de leeuwenjager; Dirk herkende hem dadelijk.De trouwe vrienden schudden elkander hartelijk de hand.„Komt gij kersversch uit Natal?” vraagde Dirk.Op het gelaat van den leeuwenjager lag een ernstigen trek, toen hij die vraag bevestigde.„Maar kom binnen, Teunis,” hernam Dirk, „en groet mijn vrouw. En ik hoop, dat gij eenige dagen onze gast zult zijn.”Nu traden beide mannen de bescheiden woning binnen, waar Anna bezig was, het middageten gereed te maken. Zij was blijde verrast met de komst van den leeuwenjager, en sprak eveneens den wensch uit, dat hij eenige dagen bij hen door zou brengen.Maar hij schudde het hoofd en zeide: „Ik blijf bij u eten, en dan rijd ik terug naar uw vader. Ik heb haast.”Bij dit gezegde keek Dirk den spreker vorschend in het stroeve gelaat, en vraagde, zonderling beklemd: „Is er zoo’n haast bij?”„Ja,” zeide de leeuwenjager, „er is haast bij: er is oorlog in ’t zicht!”Nadenkend keek hij de twee jonge menschen aan, die daar zoo vroolijk voor hem zaten, en een vochtige schemering ging over zijne oogen heen. In het volgende oogenblik echter schenen die oogen weer zoo hard als de harde kogel[192]in den loop van zijn geweer, en hij zeide: „Dirk! Ik roep u op tot den strijd voor vrijheid en recht!”Maar als een bliksemstraal uit den zonnigen hemel, zoo trof dit bericht den jongen Boer. Hij had zich nauwelijks nedergezet aan zijn eigen haard, hij had nauwelijks den zoeten geur des vredes ingeademd, en midden in die liefelijke, zoo vurig begeerde rust kwam plotseling het stormgelui der oorlogsklok!„Oorlog?” riep hij, terwijl hij overeind vloog: „oorlog?” Maar in ’t volgende oogenblik had hij zijn evenwicht terug.Met verwonderlijke zelfbeheersching ging hij weer zitten aan de stevige, eikenhouten tafel tegenover zijn vrouw, en vraagde op kalmen toon: „Het gaat zeker tegen de Engelschen?”„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ze willen Natal inpalmen.”„Dat met het kostbare, edele Boerenbloed is gedrenkt?” zeide de jonge Boer. „Maar zij hebben ’t nog niet,” liet hij er dreigend op volgen.„Doch zij zullen ’t krijgen,” antwoordde de leeuwenjager. „Ons volk is uitgeput door de Kafferoorlogen; het moet zich herstellen van de geslagen wonden, en de meeste lagers verkeeren in groote armoede. Ja, de Engelschen zijn een zeer verstandig volk; zij kijken hun tijd af.”Er lag een snijdende bitterheid in den toon, waarop hij dit zeide.„Dus gij beschouwt de zaak voor de Boeren verloren?” vraagde Dirk.„Ik heb uw vader zooeven gesproken, hij denkt het eveneens,” antwoordde de leeuwenjager.„En waarom zullen wij dan vechten voor een verloren zaak?” vraagde de jonge Boer verwonderd.„Omdat die verloren zaak een rechtvaardige zaak is,” antwoordde de leeuwenjager.„Het heeft zijn nut, er het geweer voor te laden, en ’t kan zijn nut hebben, er voor te—sterven.„’t Zal een protest zijn tegen het schandelijk onrecht, dat ons wordt aangedaan.”Zijn stem beefde, toen hij dit zeide; ze beefde van ingehouden toorn.Zijne oogen begonnen het vuur te weerkaatsen, dat in zijn boezem brandde, en de diep in het hart van dezen[193]man sluimerende hartstochtelijkheid kwam met macht naar boven.„Zie,” zeide hij, „het bloed der Boeren heeft nog meer kracht dan een kogel, en dat bloed zal tot God roepen om wraak over onze vijanden, die ons wreed verdrukken.”„Maar,” liet hij er zachter op volgen, „het is hard voor u, Anna, om uw man, met wien gij nog geen jaar zijt gehuwd geweest, in den oorlog te zien trekken.”„Ja,” antwoordde zij, „dat is hard. Het zou met ons huwelijk slecht staan, als ik mijn man gaarne zag scheiden.Maar,” liet zij er op volgen, terwijl haar heldere blik vast op den leeuwenjager rustte, „Barend Jansen zou zich over zijn dochter schamen, als zij tot haar man zeide: „Blijf!””„Barend Jansen zal zich nooit over zijn dochter te schamen hebben,” antwoordde de leeuwenjager met een warmen toon in zijn stem. „Toen ik haar met den bijl in de hand den ingang van het lager tegen de woedende Zoeloe’s heb zien verdedigen, heb ik respect voor haar gekregen.”„Dus gij gaat mee?” wendde hij zich tot Dirk.„Ja,” zeide Dirk met vaste stem. „Wanneer vertrekken wij?”„Ik ga nu terug naar uw vader,” antwoordde de leeuwenjager; „het is reeds afgesproken, dat uw broeder Willem meetrekt in den oorlog, en hij zal mij vergezellen, om nog eenige andere Boeren in deze streken op te roepen tot den oorlog. Overmorgen hopen wij u dan aan de „drift” te ontmoeten, en rijden wij te samen onmiddellijk naar Natal.”Met deze afspraak verliet de leeuwenjager in den namiddag, nadat hij bij hen had gegeten, de woning der jonggetrouwden.De volgende dag is een drukke dag. Dirk bestelt zijn huis en regelt alles. Zijn vrouw zal zoo goed het gaat zijn plaats vervullen, en op de raad en de hulp van haren schoonvader kan zij rekenen. De meest vertrouwde kafferknecht wordt binnengeroepen, en hij zal een extra belooning ontvangen, als hij een oog in ’t zeil houdt.Inmiddels bakt Anna beschuit, droogt zij vleesch, vult zij het leeren zakje met gemalen koffie, en zorgt ze voor tabak. Dit is de proviand voor haar man op reis. Soms verduistert haar helder oog, terwijl ze dit alles en nog zoo[194]veel meer gereed maakt, maar zij houdt zich taai, want zij weet, dat zij is de vrouw van een Afrikaanschen Boer.In drukke bezigheden en beslommeringen gaat de dag voorbij. Men gaat op den gewonen tijd ter ruste, maar vóór het krieken van den morgen staat de jonge Boer op.Hij begeeft zich naar den stal, naar Hannibal. Hij strijkt het edele dier het kophaar uit de oogen en klopt het op den slanken hals.Inmiddels heeft Anna het ontbijt gereed gemaakt, en samen gaan zij aan de eenvoudige tafel zitten. Ach, het is een droevig ontbijt; Dirk kan het brood niet door de keel krijgen.Nu is het ontbijt afgeloopen; nu zal het op een scheiden gaan.Anna neemt de kogeltasch, gevuld met de kogels, die zij heeft gegoten; en hangt ze haren man om de schouders.Dan reikt ze hem het geladen geweer.„Strijdt wakker, geliefde man,” zegt zij.Ja, wakker strijden, dat hoopt hij waarlijk te doen.En nu komt het afscheid.Zij staren elkander in de oogen, lang en innig, die man en die vrouw. Zij lezen in elkanders oogen, en ach, daar is niets in geschreven dan droefheid en liefde. Zij neemt zijn hoofd tusschen hare handen, kust hem de tranen uit de oogen en zegt: „De Heere beware uwen uitgang en uwen ingang!”De oudste kaffer leidt het paard voor de huisdeur. Het ruikt de frissche morgenlucht, en hinnikt vroolijk zijn jongen baas tegemoet.Snel springt hij in het zaâl, en geeft het paard de sporen.Zijn vrouw staat in de deur hem na te staren.Hoe snel verdwijnt hij uit het gezicht!Daar blikt hij nog eenmaal om, heft zich in den stijgbeugel op, en zwaait tot een laatst vaarwel driemaal met het geweer boven zijn hoofd, zoodat de blanke loop schittert in de eerste stralen der morgenzon.En nu ziet Anna niets meer, want de ruiter is achter den naasten heuvelrand verdwenen. Zij ziet niets meer dan een nevel; dat zijn hare tranen.Maar den jongen Boer wordt het nu ruimer om het hart. Hij is nu op het oorlogspad, en hij zal strijden voor vrijheid en recht!Geen Hongaarsche ruiter jaagt sneller door de eenzame[195]wildernissen van zijn vaderland, dan deze Afrikaansche Boer over de ongemeten grasvelden der Transvaal.Hij jaagt al sneller en sneller—het zuiden in.… naar Natal.… tot voor de mond van het Engelsche kanon.…
[Inhoud]HOOFDSTUK XXIX.Wij bevinden ons in een der liefelijkste oorden van het Over-Vaalsche, van de Transvaal.Op een platten heuvel, in de nabijheid eener wijde beek, wier water driftig van de bergen nederkomt, ziet ge eene landelijke, eenvoudige woning. Ze is omlijst door een krans van kort geplante, welig opschietende boomen.Hier woont Gert Kloppers. De ossenwagen is uitgespannen; de tent opgerold; de Trekker is tot rust gekomen.Ge zult u echter verwonderen, hem hier in de Transvaal te vinden. Ge zoudt hem in ’t zuiden hebben gezocht, in Natal.Kloppers zou zich waarschijnlijk ook in Natal blijvend hebben gevestigd, hadden zijne schoonzoons, die zich met de Trekboeren onder Kommandant-Generaal Hendrik Potgieter met der woon hadden gevestigd in Transvaal, hem niet zoo’n prachtig stuk gronds, minstens 6000 morgen groot, aangeboden. Hij had het land bezichtigd, en het had alle verwachting overtroffen. Toen had hij de sterke ossen weer voor den wagen gespannen, en zijn vrienden, met wie hij zoo veel leed en strijd had doorworsteld, hadden hem de hand gedrukt, en met bewogen stem nageroepen:„Ga in vrede!”En zoo woont Gert Kloppers nu met zijn gezin in de Transvaal, en daar in de verte, waar gij, tegen dat bosch[191]aan, den rook van een schoorsteen langzaam omhoog ziet kronkelen, daar woont zijn zoon Dirk.Met veerkrachtigen tred ging de jonge Boer langs zijne vruchtbare akkers, waaruit het gezaaide koren veelbelovend uitsproot. Het was hem licht om het hart, en hij zong een vroolijk lied, dat wijd over de velden schalde.Hij werkte voor zijne vrouw, straks, zoo God wilde, voor zijne kinderen. Want naar kinderen verlangt de Afrikaansche Boer: het is zijn schat, zijn weelde; het zijn de frissche olijfplanten, die zijn disch zullen versieren.Kalm, bedaard, zonder overdreven idealen, is Dirk met zijn bruid in het huwelijk getreden. Zij hadden elkander werkelijk lief; hunne karakters pasten bij elkander; zij waren dezelfde levensbeschouwing toegedaan; de ouders hadden geen bezwaren—welnu, toen trouwden zij. En ’t is een flink paar, die Dirk Kloppers en die Anna, de dochter van Barend Jansen, dat moet er van gezegd zijn.Tegen den middag huiswaarts keerend, kwam den jongen Boer een ruiter tegemoet. ’t Was Teunis de leeuwenjager; Dirk herkende hem dadelijk.De trouwe vrienden schudden elkander hartelijk de hand.„Komt gij kersversch uit Natal?” vraagde Dirk.Op het gelaat van den leeuwenjager lag een ernstigen trek, toen hij die vraag bevestigde.„Maar kom binnen, Teunis,” hernam Dirk, „en groet mijn vrouw. En ik hoop, dat gij eenige dagen onze gast zult zijn.”Nu traden beide mannen de bescheiden woning binnen, waar Anna bezig was, het middageten gereed te maken. Zij was blijde verrast met de komst van den leeuwenjager, en sprak eveneens den wensch uit, dat hij eenige dagen bij hen door zou brengen.Maar hij schudde het hoofd en zeide: „Ik blijf bij u eten, en dan rijd ik terug naar uw vader. Ik heb haast.”Bij dit gezegde keek Dirk den spreker vorschend in het stroeve gelaat, en vraagde, zonderling beklemd: „Is er zoo’n haast bij?”„Ja,” zeide de leeuwenjager, „er is haast bij: er is oorlog in ’t zicht!”Nadenkend keek hij de twee jonge menschen aan, die daar zoo vroolijk voor hem zaten, en een vochtige schemering ging over zijne oogen heen. In het volgende oogenblik echter schenen die oogen weer zoo hard als de harde kogel[192]in den loop van zijn geweer, en hij zeide: „Dirk! Ik roep u op tot den strijd voor vrijheid en recht!”Maar als een bliksemstraal uit den zonnigen hemel, zoo trof dit bericht den jongen Boer. Hij had zich nauwelijks nedergezet aan zijn eigen haard, hij had nauwelijks den zoeten geur des vredes ingeademd, en midden in die liefelijke, zoo vurig begeerde rust kwam plotseling het stormgelui der oorlogsklok!„Oorlog?” riep hij, terwijl hij overeind vloog: „oorlog?” Maar in ’t volgende oogenblik had hij zijn evenwicht terug.Met verwonderlijke zelfbeheersching ging hij weer zitten aan de stevige, eikenhouten tafel tegenover zijn vrouw, en vraagde op kalmen toon: „Het gaat zeker tegen de Engelschen?”„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ze willen Natal inpalmen.”„Dat met het kostbare, edele Boerenbloed is gedrenkt?” zeide de jonge Boer. „Maar zij hebben ’t nog niet,” liet hij er dreigend op volgen.„Doch zij zullen ’t krijgen,” antwoordde de leeuwenjager. „Ons volk is uitgeput door de Kafferoorlogen; het moet zich herstellen van de geslagen wonden, en de meeste lagers verkeeren in groote armoede. Ja, de Engelschen zijn een zeer verstandig volk; zij kijken hun tijd af.”Er lag een snijdende bitterheid in den toon, waarop hij dit zeide.„Dus gij beschouwt de zaak voor de Boeren verloren?” vraagde Dirk.„Ik heb uw vader zooeven gesproken, hij denkt het eveneens,” antwoordde de leeuwenjager.„En waarom zullen wij dan vechten voor een verloren zaak?” vraagde de jonge Boer verwonderd.„Omdat die verloren zaak een rechtvaardige zaak is,” antwoordde de leeuwenjager.„Het heeft zijn nut, er het geweer voor te laden, en ’t kan zijn nut hebben, er voor te—sterven.„’t Zal een protest zijn tegen het schandelijk onrecht, dat ons wordt aangedaan.”Zijn stem beefde, toen hij dit zeide; ze beefde van ingehouden toorn.Zijne oogen begonnen het vuur te weerkaatsen, dat in zijn boezem brandde, en de diep in het hart van dezen[193]man sluimerende hartstochtelijkheid kwam met macht naar boven.„Zie,” zeide hij, „het bloed der Boeren heeft nog meer kracht dan een kogel, en dat bloed zal tot God roepen om wraak over onze vijanden, die ons wreed verdrukken.”„Maar,” liet hij er zachter op volgen, „het is hard voor u, Anna, om uw man, met wien gij nog geen jaar zijt gehuwd geweest, in den oorlog te zien trekken.”„Ja,” antwoordde zij, „dat is hard. Het zou met ons huwelijk slecht staan, als ik mijn man gaarne zag scheiden.Maar,” liet zij er op volgen, terwijl haar heldere blik vast op den leeuwenjager rustte, „Barend Jansen zou zich over zijn dochter schamen, als zij tot haar man zeide: „Blijf!””„Barend Jansen zal zich nooit over zijn dochter te schamen hebben,” antwoordde de leeuwenjager met een warmen toon in zijn stem. „Toen ik haar met den bijl in de hand den ingang van het lager tegen de woedende Zoeloe’s heb zien verdedigen, heb ik respect voor haar gekregen.”„Dus gij gaat mee?” wendde hij zich tot Dirk.„Ja,” zeide Dirk met vaste stem. „Wanneer vertrekken wij?”„Ik ga nu terug naar uw vader,” antwoordde de leeuwenjager; „het is reeds afgesproken, dat uw broeder Willem meetrekt in den oorlog, en hij zal mij vergezellen, om nog eenige andere Boeren in deze streken op te roepen tot den oorlog. Overmorgen hopen wij u dan aan de „drift” te ontmoeten, en rijden wij te samen onmiddellijk naar Natal.”Met deze afspraak verliet de leeuwenjager in den namiddag, nadat hij bij hen had gegeten, de woning der jonggetrouwden.De volgende dag is een drukke dag. Dirk bestelt zijn huis en regelt alles. Zijn vrouw zal zoo goed het gaat zijn plaats vervullen, en op de raad en de hulp van haren schoonvader kan zij rekenen. De meest vertrouwde kafferknecht wordt binnengeroepen, en hij zal een extra belooning ontvangen, als hij een oog in ’t zeil houdt.Inmiddels bakt Anna beschuit, droogt zij vleesch, vult zij het leeren zakje met gemalen koffie, en zorgt ze voor tabak. Dit is de proviand voor haar man op reis. Soms verduistert haar helder oog, terwijl ze dit alles en nog zoo[194]veel meer gereed maakt, maar zij houdt zich taai, want zij weet, dat zij is de vrouw van een Afrikaanschen Boer.In drukke bezigheden en beslommeringen gaat de dag voorbij. Men gaat op den gewonen tijd ter ruste, maar vóór het krieken van den morgen staat de jonge Boer op.Hij begeeft zich naar den stal, naar Hannibal. Hij strijkt het edele dier het kophaar uit de oogen en klopt het op den slanken hals.Inmiddels heeft Anna het ontbijt gereed gemaakt, en samen gaan zij aan de eenvoudige tafel zitten. Ach, het is een droevig ontbijt; Dirk kan het brood niet door de keel krijgen.Nu is het ontbijt afgeloopen; nu zal het op een scheiden gaan.Anna neemt de kogeltasch, gevuld met de kogels, die zij heeft gegoten; en hangt ze haren man om de schouders.Dan reikt ze hem het geladen geweer.„Strijdt wakker, geliefde man,” zegt zij.Ja, wakker strijden, dat hoopt hij waarlijk te doen.En nu komt het afscheid.Zij staren elkander in de oogen, lang en innig, die man en die vrouw. Zij lezen in elkanders oogen, en ach, daar is niets in geschreven dan droefheid en liefde. Zij neemt zijn hoofd tusschen hare handen, kust hem de tranen uit de oogen en zegt: „De Heere beware uwen uitgang en uwen ingang!”De oudste kaffer leidt het paard voor de huisdeur. Het ruikt de frissche morgenlucht, en hinnikt vroolijk zijn jongen baas tegemoet.Snel springt hij in het zaâl, en geeft het paard de sporen.Zijn vrouw staat in de deur hem na te staren.Hoe snel verdwijnt hij uit het gezicht!Daar blikt hij nog eenmaal om, heft zich in den stijgbeugel op, en zwaait tot een laatst vaarwel driemaal met het geweer boven zijn hoofd, zoodat de blanke loop schittert in de eerste stralen der morgenzon.En nu ziet Anna niets meer, want de ruiter is achter den naasten heuvelrand verdwenen. Zij ziet niets meer dan een nevel; dat zijn hare tranen.Maar den jongen Boer wordt het nu ruimer om het hart. Hij is nu op het oorlogspad, en hij zal strijden voor vrijheid en recht!Geen Hongaarsche ruiter jaagt sneller door de eenzame[195]wildernissen van zijn vaderland, dan deze Afrikaansche Boer over de ongemeten grasvelden der Transvaal.Hij jaagt al sneller en sneller—het zuiden in.… naar Natal.… tot voor de mond van het Engelsche kanon.…
HOOFDSTUK XXIX.
Wij bevinden ons in een der liefelijkste oorden van het Over-Vaalsche, van de Transvaal.Op een platten heuvel, in de nabijheid eener wijde beek, wier water driftig van de bergen nederkomt, ziet ge eene landelijke, eenvoudige woning. Ze is omlijst door een krans van kort geplante, welig opschietende boomen.Hier woont Gert Kloppers. De ossenwagen is uitgespannen; de tent opgerold; de Trekker is tot rust gekomen.Ge zult u echter verwonderen, hem hier in de Transvaal te vinden. Ge zoudt hem in ’t zuiden hebben gezocht, in Natal.Kloppers zou zich waarschijnlijk ook in Natal blijvend hebben gevestigd, hadden zijne schoonzoons, die zich met de Trekboeren onder Kommandant-Generaal Hendrik Potgieter met der woon hadden gevestigd in Transvaal, hem niet zoo’n prachtig stuk gronds, minstens 6000 morgen groot, aangeboden. Hij had het land bezichtigd, en het had alle verwachting overtroffen. Toen had hij de sterke ossen weer voor den wagen gespannen, en zijn vrienden, met wie hij zoo veel leed en strijd had doorworsteld, hadden hem de hand gedrukt, en met bewogen stem nageroepen:„Ga in vrede!”En zoo woont Gert Kloppers nu met zijn gezin in de Transvaal, en daar in de verte, waar gij, tegen dat bosch[191]aan, den rook van een schoorsteen langzaam omhoog ziet kronkelen, daar woont zijn zoon Dirk.Met veerkrachtigen tred ging de jonge Boer langs zijne vruchtbare akkers, waaruit het gezaaide koren veelbelovend uitsproot. Het was hem licht om het hart, en hij zong een vroolijk lied, dat wijd over de velden schalde.Hij werkte voor zijne vrouw, straks, zoo God wilde, voor zijne kinderen. Want naar kinderen verlangt de Afrikaansche Boer: het is zijn schat, zijn weelde; het zijn de frissche olijfplanten, die zijn disch zullen versieren.Kalm, bedaard, zonder overdreven idealen, is Dirk met zijn bruid in het huwelijk getreden. Zij hadden elkander werkelijk lief; hunne karakters pasten bij elkander; zij waren dezelfde levensbeschouwing toegedaan; de ouders hadden geen bezwaren—welnu, toen trouwden zij. En ’t is een flink paar, die Dirk Kloppers en die Anna, de dochter van Barend Jansen, dat moet er van gezegd zijn.Tegen den middag huiswaarts keerend, kwam den jongen Boer een ruiter tegemoet. ’t Was Teunis de leeuwenjager; Dirk herkende hem dadelijk.De trouwe vrienden schudden elkander hartelijk de hand.„Komt gij kersversch uit Natal?” vraagde Dirk.Op het gelaat van den leeuwenjager lag een ernstigen trek, toen hij die vraag bevestigde.„Maar kom binnen, Teunis,” hernam Dirk, „en groet mijn vrouw. En ik hoop, dat gij eenige dagen onze gast zult zijn.”Nu traden beide mannen de bescheiden woning binnen, waar Anna bezig was, het middageten gereed te maken. Zij was blijde verrast met de komst van den leeuwenjager, en sprak eveneens den wensch uit, dat hij eenige dagen bij hen door zou brengen.Maar hij schudde het hoofd en zeide: „Ik blijf bij u eten, en dan rijd ik terug naar uw vader. Ik heb haast.”Bij dit gezegde keek Dirk den spreker vorschend in het stroeve gelaat, en vraagde, zonderling beklemd: „Is er zoo’n haast bij?”„Ja,” zeide de leeuwenjager, „er is haast bij: er is oorlog in ’t zicht!”Nadenkend keek hij de twee jonge menschen aan, die daar zoo vroolijk voor hem zaten, en een vochtige schemering ging over zijne oogen heen. In het volgende oogenblik echter schenen die oogen weer zoo hard als de harde kogel[192]in den loop van zijn geweer, en hij zeide: „Dirk! Ik roep u op tot den strijd voor vrijheid en recht!”Maar als een bliksemstraal uit den zonnigen hemel, zoo trof dit bericht den jongen Boer. Hij had zich nauwelijks nedergezet aan zijn eigen haard, hij had nauwelijks den zoeten geur des vredes ingeademd, en midden in die liefelijke, zoo vurig begeerde rust kwam plotseling het stormgelui der oorlogsklok!„Oorlog?” riep hij, terwijl hij overeind vloog: „oorlog?” Maar in ’t volgende oogenblik had hij zijn evenwicht terug.Met verwonderlijke zelfbeheersching ging hij weer zitten aan de stevige, eikenhouten tafel tegenover zijn vrouw, en vraagde op kalmen toon: „Het gaat zeker tegen de Engelschen?”„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ze willen Natal inpalmen.”„Dat met het kostbare, edele Boerenbloed is gedrenkt?” zeide de jonge Boer. „Maar zij hebben ’t nog niet,” liet hij er dreigend op volgen.„Doch zij zullen ’t krijgen,” antwoordde de leeuwenjager. „Ons volk is uitgeput door de Kafferoorlogen; het moet zich herstellen van de geslagen wonden, en de meeste lagers verkeeren in groote armoede. Ja, de Engelschen zijn een zeer verstandig volk; zij kijken hun tijd af.”Er lag een snijdende bitterheid in den toon, waarop hij dit zeide.„Dus gij beschouwt de zaak voor de Boeren verloren?” vraagde Dirk.„Ik heb uw vader zooeven gesproken, hij denkt het eveneens,” antwoordde de leeuwenjager.„En waarom zullen wij dan vechten voor een verloren zaak?” vraagde de jonge Boer verwonderd.„Omdat die verloren zaak een rechtvaardige zaak is,” antwoordde de leeuwenjager.„Het heeft zijn nut, er het geweer voor te laden, en ’t kan zijn nut hebben, er voor te—sterven.„’t Zal een protest zijn tegen het schandelijk onrecht, dat ons wordt aangedaan.”Zijn stem beefde, toen hij dit zeide; ze beefde van ingehouden toorn.Zijne oogen begonnen het vuur te weerkaatsen, dat in zijn boezem brandde, en de diep in het hart van dezen[193]man sluimerende hartstochtelijkheid kwam met macht naar boven.„Zie,” zeide hij, „het bloed der Boeren heeft nog meer kracht dan een kogel, en dat bloed zal tot God roepen om wraak over onze vijanden, die ons wreed verdrukken.”„Maar,” liet hij er zachter op volgen, „het is hard voor u, Anna, om uw man, met wien gij nog geen jaar zijt gehuwd geweest, in den oorlog te zien trekken.”„Ja,” antwoordde zij, „dat is hard. Het zou met ons huwelijk slecht staan, als ik mijn man gaarne zag scheiden.Maar,” liet zij er op volgen, terwijl haar heldere blik vast op den leeuwenjager rustte, „Barend Jansen zou zich over zijn dochter schamen, als zij tot haar man zeide: „Blijf!””„Barend Jansen zal zich nooit over zijn dochter te schamen hebben,” antwoordde de leeuwenjager met een warmen toon in zijn stem. „Toen ik haar met den bijl in de hand den ingang van het lager tegen de woedende Zoeloe’s heb zien verdedigen, heb ik respect voor haar gekregen.”„Dus gij gaat mee?” wendde hij zich tot Dirk.„Ja,” zeide Dirk met vaste stem. „Wanneer vertrekken wij?”„Ik ga nu terug naar uw vader,” antwoordde de leeuwenjager; „het is reeds afgesproken, dat uw broeder Willem meetrekt in den oorlog, en hij zal mij vergezellen, om nog eenige andere Boeren in deze streken op te roepen tot den oorlog. Overmorgen hopen wij u dan aan de „drift” te ontmoeten, en rijden wij te samen onmiddellijk naar Natal.”Met deze afspraak verliet de leeuwenjager in den namiddag, nadat hij bij hen had gegeten, de woning der jonggetrouwden.De volgende dag is een drukke dag. Dirk bestelt zijn huis en regelt alles. Zijn vrouw zal zoo goed het gaat zijn plaats vervullen, en op de raad en de hulp van haren schoonvader kan zij rekenen. De meest vertrouwde kafferknecht wordt binnengeroepen, en hij zal een extra belooning ontvangen, als hij een oog in ’t zeil houdt.Inmiddels bakt Anna beschuit, droogt zij vleesch, vult zij het leeren zakje met gemalen koffie, en zorgt ze voor tabak. Dit is de proviand voor haar man op reis. Soms verduistert haar helder oog, terwijl ze dit alles en nog zoo[194]veel meer gereed maakt, maar zij houdt zich taai, want zij weet, dat zij is de vrouw van een Afrikaanschen Boer.In drukke bezigheden en beslommeringen gaat de dag voorbij. Men gaat op den gewonen tijd ter ruste, maar vóór het krieken van den morgen staat de jonge Boer op.Hij begeeft zich naar den stal, naar Hannibal. Hij strijkt het edele dier het kophaar uit de oogen en klopt het op den slanken hals.Inmiddels heeft Anna het ontbijt gereed gemaakt, en samen gaan zij aan de eenvoudige tafel zitten. Ach, het is een droevig ontbijt; Dirk kan het brood niet door de keel krijgen.Nu is het ontbijt afgeloopen; nu zal het op een scheiden gaan.Anna neemt de kogeltasch, gevuld met de kogels, die zij heeft gegoten; en hangt ze haren man om de schouders.Dan reikt ze hem het geladen geweer.„Strijdt wakker, geliefde man,” zegt zij.Ja, wakker strijden, dat hoopt hij waarlijk te doen.En nu komt het afscheid.Zij staren elkander in de oogen, lang en innig, die man en die vrouw. Zij lezen in elkanders oogen, en ach, daar is niets in geschreven dan droefheid en liefde. Zij neemt zijn hoofd tusschen hare handen, kust hem de tranen uit de oogen en zegt: „De Heere beware uwen uitgang en uwen ingang!”De oudste kaffer leidt het paard voor de huisdeur. Het ruikt de frissche morgenlucht, en hinnikt vroolijk zijn jongen baas tegemoet.Snel springt hij in het zaâl, en geeft het paard de sporen.Zijn vrouw staat in de deur hem na te staren.Hoe snel verdwijnt hij uit het gezicht!Daar blikt hij nog eenmaal om, heft zich in den stijgbeugel op, en zwaait tot een laatst vaarwel driemaal met het geweer boven zijn hoofd, zoodat de blanke loop schittert in de eerste stralen der morgenzon.En nu ziet Anna niets meer, want de ruiter is achter den naasten heuvelrand verdwenen. Zij ziet niets meer dan een nevel; dat zijn hare tranen.Maar den jongen Boer wordt het nu ruimer om het hart. Hij is nu op het oorlogspad, en hij zal strijden voor vrijheid en recht!Geen Hongaarsche ruiter jaagt sneller door de eenzame[195]wildernissen van zijn vaderland, dan deze Afrikaansche Boer over de ongemeten grasvelden der Transvaal.Hij jaagt al sneller en sneller—het zuiden in.… naar Natal.… tot voor de mond van het Engelsche kanon.…
Wij bevinden ons in een der liefelijkste oorden van het Over-Vaalsche, van de Transvaal.
Op een platten heuvel, in de nabijheid eener wijde beek, wier water driftig van de bergen nederkomt, ziet ge eene landelijke, eenvoudige woning. Ze is omlijst door een krans van kort geplante, welig opschietende boomen.
Hier woont Gert Kloppers. De ossenwagen is uitgespannen; de tent opgerold; de Trekker is tot rust gekomen.
Ge zult u echter verwonderen, hem hier in de Transvaal te vinden. Ge zoudt hem in ’t zuiden hebben gezocht, in Natal.
Kloppers zou zich waarschijnlijk ook in Natal blijvend hebben gevestigd, hadden zijne schoonzoons, die zich met de Trekboeren onder Kommandant-Generaal Hendrik Potgieter met der woon hadden gevestigd in Transvaal, hem niet zoo’n prachtig stuk gronds, minstens 6000 morgen groot, aangeboden. Hij had het land bezichtigd, en het had alle verwachting overtroffen. Toen had hij de sterke ossen weer voor den wagen gespannen, en zijn vrienden, met wie hij zoo veel leed en strijd had doorworsteld, hadden hem de hand gedrukt, en met bewogen stem nageroepen:
„Ga in vrede!”
En zoo woont Gert Kloppers nu met zijn gezin in de Transvaal, en daar in de verte, waar gij, tegen dat bosch[191]aan, den rook van een schoorsteen langzaam omhoog ziet kronkelen, daar woont zijn zoon Dirk.
Met veerkrachtigen tred ging de jonge Boer langs zijne vruchtbare akkers, waaruit het gezaaide koren veelbelovend uitsproot. Het was hem licht om het hart, en hij zong een vroolijk lied, dat wijd over de velden schalde.
Hij werkte voor zijne vrouw, straks, zoo God wilde, voor zijne kinderen. Want naar kinderen verlangt de Afrikaansche Boer: het is zijn schat, zijn weelde; het zijn de frissche olijfplanten, die zijn disch zullen versieren.
Kalm, bedaard, zonder overdreven idealen, is Dirk met zijn bruid in het huwelijk getreden. Zij hadden elkander werkelijk lief; hunne karakters pasten bij elkander; zij waren dezelfde levensbeschouwing toegedaan; de ouders hadden geen bezwaren—welnu, toen trouwden zij. En ’t is een flink paar, die Dirk Kloppers en die Anna, de dochter van Barend Jansen, dat moet er van gezegd zijn.
Tegen den middag huiswaarts keerend, kwam den jongen Boer een ruiter tegemoet. ’t Was Teunis de leeuwenjager; Dirk herkende hem dadelijk.
De trouwe vrienden schudden elkander hartelijk de hand.
„Komt gij kersversch uit Natal?” vraagde Dirk.
Op het gelaat van den leeuwenjager lag een ernstigen trek, toen hij die vraag bevestigde.
„Maar kom binnen, Teunis,” hernam Dirk, „en groet mijn vrouw. En ik hoop, dat gij eenige dagen onze gast zult zijn.”
Nu traden beide mannen de bescheiden woning binnen, waar Anna bezig was, het middageten gereed te maken. Zij was blijde verrast met de komst van den leeuwenjager, en sprak eveneens den wensch uit, dat hij eenige dagen bij hen door zou brengen.
Maar hij schudde het hoofd en zeide: „Ik blijf bij u eten, en dan rijd ik terug naar uw vader. Ik heb haast.”
Bij dit gezegde keek Dirk den spreker vorschend in het stroeve gelaat, en vraagde, zonderling beklemd: „Is er zoo’n haast bij?”
„Ja,” zeide de leeuwenjager, „er is haast bij: er is oorlog in ’t zicht!”
Nadenkend keek hij de twee jonge menschen aan, die daar zoo vroolijk voor hem zaten, en een vochtige schemering ging over zijne oogen heen. In het volgende oogenblik echter schenen die oogen weer zoo hard als de harde kogel[192]in den loop van zijn geweer, en hij zeide: „Dirk! Ik roep u op tot den strijd voor vrijheid en recht!”
Maar als een bliksemstraal uit den zonnigen hemel, zoo trof dit bericht den jongen Boer. Hij had zich nauwelijks nedergezet aan zijn eigen haard, hij had nauwelijks den zoeten geur des vredes ingeademd, en midden in die liefelijke, zoo vurig begeerde rust kwam plotseling het stormgelui der oorlogsklok!
„Oorlog?” riep hij, terwijl hij overeind vloog: „oorlog?” Maar in ’t volgende oogenblik had hij zijn evenwicht terug.
Met verwonderlijke zelfbeheersching ging hij weer zitten aan de stevige, eikenhouten tafel tegenover zijn vrouw, en vraagde op kalmen toon: „Het gaat zeker tegen de Engelschen?”
„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ze willen Natal inpalmen.”
„Dat met het kostbare, edele Boerenbloed is gedrenkt?” zeide de jonge Boer. „Maar zij hebben ’t nog niet,” liet hij er dreigend op volgen.
„Doch zij zullen ’t krijgen,” antwoordde de leeuwenjager. „Ons volk is uitgeput door de Kafferoorlogen; het moet zich herstellen van de geslagen wonden, en de meeste lagers verkeeren in groote armoede. Ja, de Engelschen zijn een zeer verstandig volk; zij kijken hun tijd af.”
Er lag een snijdende bitterheid in den toon, waarop hij dit zeide.
„Dus gij beschouwt de zaak voor de Boeren verloren?” vraagde Dirk.
„Ik heb uw vader zooeven gesproken, hij denkt het eveneens,” antwoordde de leeuwenjager.
„En waarom zullen wij dan vechten voor een verloren zaak?” vraagde de jonge Boer verwonderd.
„Omdat die verloren zaak een rechtvaardige zaak is,” antwoordde de leeuwenjager.
„Het heeft zijn nut, er het geweer voor te laden, en ’t kan zijn nut hebben, er voor te—sterven.
„’t Zal een protest zijn tegen het schandelijk onrecht, dat ons wordt aangedaan.”
Zijn stem beefde, toen hij dit zeide; ze beefde van ingehouden toorn.
Zijne oogen begonnen het vuur te weerkaatsen, dat in zijn boezem brandde, en de diep in het hart van dezen[193]man sluimerende hartstochtelijkheid kwam met macht naar boven.
„Zie,” zeide hij, „het bloed der Boeren heeft nog meer kracht dan een kogel, en dat bloed zal tot God roepen om wraak over onze vijanden, die ons wreed verdrukken.”
„Maar,” liet hij er zachter op volgen, „het is hard voor u, Anna, om uw man, met wien gij nog geen jaar zijt gehuwd geweest, in den oorlog te zien trekken.”
„Ja,” antwoordde zij, „dat is hard. Het zou met ons huwelijk slecht staan, als ik mijn man gaarne zag scheiden.Maar,” liet zij er op volgen, terwijl haar heldere blik vast op den leeuwenjager rustte, „Barend Jansen zou zich over zijn dochter schamen, als zij tot haar man zeide: „Blijf!””
„Barend Jansen zal zich nooit over zijn dochter te schamen hebben,” antwoordde de leeuwenjager met een warmen toon in zijn stem. „Toen ik haar met den bijl in de hand den ingang van het lager tegen de woedende Zoeloe’s heb zien verdedigen, heb ik respect voor haar gekregen.”
„Dus gij gaat mee?” wendde hij zich tot Dirk.
„Ja,” zeide Dirk met vaste stem. „Wanneer vertrekken wij?”
„Ik ga nu terug naar uw vader,” antwoordde de leeuwenjager; „het is reeds afgesproken, dat uw broeder Willem meetrekt in den oorlog, en hij zal mij vergezellen, om nog eenige andere Boeren in deze streken op te roepen tot den oorlog. Overmorgen hopen wij u dan aan de „drift” te ontmoeten, en rijden wij te samen onmiddellijk naar Natal.”
Met deze afspraak verliet de leeuwenjager in den namiddag, nadat hij bij hen had gegeten, de woning der jonggetrouwden.
De volgende dag is een drukke dag. Dirk bestelt zijn huis en regelt alles. Zijn vrouw zal zoo goed het gaat zijn plaats vervullen, en op de raad en de hulp van haren schoonvader kan zij rekenen. De meest vertrouwde kafferknecht wordt binnengeroepen, en hij zal een extra belooning ontvangen, als hij een oog in ’t zeil houdt.
Inmiddels bakt Anna beschuit, droogt zij vleesch, vult zij het leeren zakje met gemalen koffie, en zorgt ze voor tabak. Dit is de proviand voor haar man op reis. Soms verduistert haar helder oog, terwijl ze dit alles en nog zoo[194]veel meer gereed maakt, maar zij houdt zich taai, want zij weet, dat zij is de vrouw van een Afrikaanschen Boer.
In drukke bezigheden en beslommeringen gaat de dag voorbij. Men gaat op den gewonen tijd ter ruste, maar vóór het krieken van den morgen staat de jonge Boer op.
Hij begeeft zich naar den stal, naar Hannibal. Hij strijkt het edele dier het kophaar uit de oogen en klopt het op den slanken hals.
Inmiddels heeft Anna het ontbijt gereed gemaakt, en samen gaan zij aan de eenvoudige tafel zitten. Ach, het is een droevig ontbijt; Dirk kan het brood niet door de keel krijgen.
Nu is het ontbijt afgeloopen; nu zal het op een scheiden gaan.
Anna neemt de kogeltasch, gevuld met de kogels, die zij heeft gegoten; en hangt ze haren man om de schouders.
Dan reikt ze hem het geladen geweer.
„Strijdt wakker, geliefde man,” zegt zij.
Ja, wakker strijden, dat hoopt hij waarlijk te doen.
En nu komt het afscheid.
Zij staren elkander in de oogen, lang en innig, die man en die vrouw. Zij lezen in elkanders oogen, en ach, daar is niets in geschreven dan droefheid en liefde. Zij neemt zijn hoofd tusschen hare handen, kust hem de tranen uit de oogen en zegt: „De Heere beware uwen uitgang en uwen ingang!”
De oudste kaffer leidt het paard voor de huisdeur. Het ruikt de frissche morgenlucht, en hinnikt vroolijk zijn jongen baas tegemoet.
Snel springt hij in het zaâl, en geeft het paard de sporen.
Zijn vrouw staat in de deur hem na te staren.
Hoe snel verdwijnt hij uit het gezicht!
Daar blikt hij nog eenmaal om, heft zich in den stijgbeugel op, en zwaait tot een laatst vaarwel driemaal met het geweer boven zijn hoofd, zoodat de blanke loop schittert in de eerste stralen der morgenzon.
En nu ziet Anna niets meer, want de ruiter is achter den naasten heuvelrand verdwenen. Zij ziet niets meer dan een nevel; dat zijn hare tranen.
Maar den jongen Boer wordt het nu ruimer om het hart. Hij is nu op het oorlogspad, en hij zal strijden voor vrijheid en recht!
Geen Hongaarsche ruiter jaagt sneller door de eenzame[195]wildernissen van zijn vaderland, dan deze Afrikaansche Boer over de ongemeten grasvelden der Transvaal.
Hij jaagt al sneller en sneller—het zuiden in.… naar Natal.… tot voor de mond van het Engelsche kanon.…