[Inhoud]HOOFDSTUK XXVII.Op den hoogen bergrug stonden de veertig ruiters. Pretorius was met zijn hoofdmacht naar huis gegaan, naar Natal, maar deze ruiters zetten voor eigen rekening de jacht voort op Dingaan, den Zoeloe-koning. Het waseigenlijkeen vermetele onderneming, maar zij volgden in blind vertrouwen den leeuwenjager, die in deze streken en in het land ten noorden, het gebied derAmazwazi-Kaffers, weken en maanden had rondgezworven op de jacht.Van hun hoogen observatiepost zagen zij de witte tent des konings, en zij haastten zich, nu zij zoo dicht het doel der lange jacht waren genaderd, om snel den berg af te komen. Doch hun paarden hadden wel vleugels aan hun hoeven mogen hebben, om den koning nog in te halen, en toen de ruiters, na een grooten omweg te hebben gemaakt, de tent bereikten, was er van de vluchtelingen niets meer te ontdekken.„Had je zwarte gisteren maar geen spijker in den poot gekregen,” meende de leeuwenjager wrevelig tot Dirk Kloppers, „dan hadden we den moordenaar nu in de ijzers!”„En wij zijn aan den grens van Zoeloeland—wij krijgen hem niet meer!” meende Tijs de Jong.„Waarom niet?” meende deleeuwenjagerkortaf. „Zijn de grenzen voor òns versperd, terwijl ze voor den Zoeloe openstaan?”„Doch waar is zijn spoor?” vraagde Lodewijk Jansen; „het lijkt wel, of de aarde hem heeft opgeslokt.”„Ik heb het al,” zeide Dirk Kloppers, die een uitnemend speurder was, en op eenigen afstand in gebukte houding stond te zoeken. „Hier is de indruk van de paardenhoeven, en het geknikte gras wijst ons van zelf den weg.”De Boeren, die waren afgestegen en hun paarden hadden gedrenkt, sprongen nu weer vlug in ’t zaâl, en volgden in snellen rit het nieuw opgenomen spoor.Het was een lust, om hen te zien, die sterke, forsch gebouwde ruiters met over de borst vastgegespten bandelier en over den schouder geworpen geweer, als een wervelwind[180]voortjagend op hun sterke, taaie paarden over de golvende, hobbelende grasvlakte!De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.TRESLING & CoHOF-LITH. AMSTERDAM.De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.Er werd weinig gesproken; slechts het gehinnik der paarden en hun doffe hoefslag tegen den harden grond verbrak de stilte.Dirk Kloppers was nu de voorste; zijn zwarte hengst scheen nauwlijks den grond te raken. Maar de vos van den leeuwenjager was slechts een paardenlengte achter hem, terwijl de anderen op een twintig pas afstands volgden.Dirk Kloppers strekte de hand uit, en wees naar de verte.„Dáár, Teunis,” riep hij, „dáár!”De leeuwenjager knikte.„Dat zijn ze,” zeide hij, en hij drukte zijn vos de sporen diep in de flanken.„Utuzi,” zeide de koning, „hoeveel werpsperen bezit gij nog?”„Twee, o koning!”„Houd ze gereed, en zoo gauw als die voorste, die blonde op het zwarte paard, in het bereik komt van uw speer, dan slinger ze hem allebei in de borst!”„Eén zal voldoende zijn, o koning; de andere is goed voor dien ruiter op den goudvos!”„Doe wat ik u gebied,” zeide de koning kortaf.Nu wendde hij zich tot Malowa, die even als Utuzi te voet was, terwijl de andere vluchtelingen te paard waren.„Malowa, Snelvoetige, spring zijwaarts in het lange Tamboekigras, en stoot den tweede, dien blanke op den goudvos, als hij in het bereik komt van uw arm, het breede lemmer van uw stootspeer tusschen de korte ribben!”„O heer,” zeide deze, „dat kan ik niet!”„Waarom niet?” riep de koning verwonderd; „is uw arm verzwakt sinds gij Piet Uijs, die door de blanken de Dappere werd genoemd, den doodelijken speerstoot gaaft?”„’t Is de Onkwetsbare, o koning,” antwoordde Malowa op bijna fluisterenden toon; „ik heb het onbedriegelijk kenteeken gezien boven zijn rechter wenkbrauw, en al zouden de wolken boven hem assegaaien regenen, hij zou toch niet geraakt worden, omdat hij onkwetsbaar is!”„Ik zie,” zeide de koning met verachting, „dat de moed versmolten is in het hart van den zoon van het snuivende rhinoceros, en hij is een laffe hond geworden, dien men met de kirrie, met den knuppel doodslaat!”[181]Maar dit snerpende woord trof den Zoeloe als een vlijm, en zonder een woord te spreken, sprong hij zijwaarts en verdween in het Tamboekigras.De goudvos van den leeuwenjager hield zich uitnemend; hij rende nu op gelijke hoogte met Kloppers’ hengst over de vlakte.De afstand, die hen van de vluchtelingen scheidde, kortte nu snel in.Dirk Kloppers was opgewonden; ook het hart van den leeuwenjager klopte sneller, maar deze liet het minder merken.Hij richtte zich hoog op in de stijgbeugels, en zijn valkenoog bespiedde den omtrek, maar een trek van groote teleurstelling werd plotseling zichtbaar op zijn streng gelaat.„Wij moeten Dingaan hebben voordat hij gindsche bergen bereikt,” zeide Dirk, „want anders ontsnapt hij ons tusschen de kloven en bosschen!”„We halen ’t niet,” meende de leeuwenjager.Als eenig antwoord gaf Dirk het paard de sporen, en prikkelde het tot de uiterste krachtsinspanning.Hij kwam weer voor den leeuwenjager uit—hij was nu binnen den speerworp van den Zoeloe.Hij zag geen gevaar; hij kende geen ander gevaar dan dit, dat de koning hem zou ontsnappen.Hij maakte een lang werptouw gereed: een soort lazzo.„Ik zal hem vangen als een wild beest,” zeide hij, „want hetiseen wild beest.”Hij lette er niet op: dat Utuzi de Zoeloe zich omkeerde.… dat hij de werpspeer richtte.…Maar de valkenoogen achter hem waakten, en de kogel van den leeuwenjager was sneller dan de assegaai van den Zoeloe.Met doorschoten borst stortte Utuzi neer.Even lichtte Malowa den zwarten kroeskop op boven het golvende Tamboekigras, om te zien naar de uitwerking van het schot, maar dit was zijn ongeluk. Reeds had de leeuwenjager hem ontdekt, en toen Malowa zag, dat er aan geen vlucht meer te denken viel, sprong hij recht overeind, en staarde den leeuwenjager aan met wilde, tartende oogen—[182]het ware beeld van den fieren, grimmigen Zoeloekrijger, die den dood niet vreest.De koning keek om en slaakte een kreet van woede en smart, toen hij Malowa, den snelvoetige, den zoon van het snuivende rhinoceros, zijn dappersten krijger, zag vallen. Doch thans had hij de vlakte achter zich, en snel met zijn overgebleven getrouwen in de met dichte bosschen begroeide bergkloven verdwijnend, staarden de Boeren hem na als jagers, wien het opgekeerde wild nog in ’t laatste oogenblik ontsnapt.
[Inhoud]HOOFDSTUK XXVII.Op den hoogen bergrug stonden de veertig ruiters. Pretorius was met zijn hoofdmacht naar huis gegaan, naar Natal, maar deze ruiters zetten voor eigen rekening de jacht voort op Dingaan, den Zoeloe-koning. Het waseigenlijkeen vermetele onderneming, maar zij volgden in blind vertrouwen den leeuwenjager, die in deze streken en in het land ten noorden, het gebied derAmazwazi-Kaffers, weken en maanden had rondgezworven op de jacht.Van hun hoogen observatiepost zagen zij de witte tent des konings, en zij haastten zich, nu zij zoo dicht het doel der lange jacht waren genaderd, om snel den berg af te komen. Doch hun paarden hadden wel vleugels aan hun hoeven mogen hebben, om den koning nog in te halen, en toen de ruiters, na een grooten omweg te hebben gemaakt, de tent bereikten, was er van de vluchtelingen niets meer te ontdekken.„Had je zwarte gisteren maar geen spijker in den poot gekregen,” meende de leeuwenjager wrevelig tot Dirk Kloppers, „dan hadden we den moordenaar nu in de ijzers!”„En wij zijn aan den grens van Zoeloeland—wij krijgen hem niet meer!” meende Tijs de Jong.„Waarom niet?” meende deleeuwenjagerkortaf. „Zijn de grenzen voor òns versperd, terwijl ze voor den Zoeloe openstaan?”„Doch waar is zijn spoor?” vraagde Lodewijk Jansen; „het lijkt wel, of de aarde hem heeft opgeslokt.”„Ik heb het al,” zeide Dirk Kloppers, die een uitnemend speurder was, en op eenigen afstand in gebukte houding stond te zoeken. „Hier is de indruk van de paardenhoeven, en het geknikte gras wijst ons van zelf den weg.”De Boeren, die waren afgestegen en hun paarden hadden gedrenkt, sprongen nu weer vlug in ’t zaâl, en volgden in snellen rit het nieuw opgenomen spoor.Het was een lust, om hen te zien, die sterke, forsch gebouwde ruiters met over de borst vastgegespten bandelier en over den schouder geworpen geweer, als een wervelwind[180]voortjagend op hun sterke, taaie paarden over de golvende, hobbelende grasvlakte!De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.TRESLING & CoHOF-LITH. AMSTERDAM.De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.Er werd weinig gesproken; slechts het gehinnik der paarden en hun doffe hoefslag tegen den harden grond verbrak de stilte.Dirk Kloppers was nu de voorste; zijn zwarte hengst scheen nauwlijks den grond te raken. Maar de vos van den leeuwenjager was slechts een paardenlengte achter hem, terwijl de anderen op een twintig pas afstands volgden.Dirk Kloppers strekte de hand uit, en wees naar de verte.„Dáár, Teunis,” riep hij, „dáár!”De leeuwenjager knikte.„Dat zijn ze,” zeide hij, en hij drukte zijn vos de sporen diep in de flanken.„Utuzi,” zeide de koning, „hoeveel werpsperen bezit gij nog?”„Twee, o koning!”„Houd ze gereed, en zoo gauw als die voorste, die blonde op het zwarte paard, in het bereik komt van uw speer, dan slinger ze hem allebei in de borst!”„Eén zal voldoende zijn, o koning; de andere is goed voor dien ruiter op den goudvos!”„Doe wat ik u gebied,” zeide de koning kortaf.Nu wendde hij zich tot Malowa, die even als Utuzi te voet was, terwijl de andere vluchtelingen te paard waren.„Malowa, Snelvoetige, spring zijwaarts in het lange Tamboekigras, en stoot den tweede, dien blanke op den goudvos, als hij in het bereik komt van uw arm, het breede lemmer van uw stootspeer tusschen de korte ribben!”„O heer,” zeide deze, „dat kan ik niet!”„Waarom niet?” riep de koning verwonderd; „is uw arm verzwakt sinds gij Piet Uijs, die door de blanken de Dappere werd genoemd, den doodelijken speerstoot gaaft?”„’t Is de Onkwetsbare, o koning,” antwoordde Malowa op bijna fluisterenden toon; „ik heb het onbedriegelijk kenteeken gezien boven zijn rechter wenkbrauw, en al zouden de wolken boven hem assegaaien regenen, hij zou toch niet geraakt worden, omdat hij onkwetsbaar is!”„Ik zie,” zeide de koning met verachting, „dat de moed versmolten is in het hart van den zoon van het snuivende rhinoceros, en hij is een laffe hond geworden, dien men met de kirrie, met den knuppel doodslaat!”[181]Maar dit snerpende woord trof den Zoeloe als een vlijm, en zonder een woord te spreken, sprong hij zijwaarts en verdween in het Tamboekigras.De goudvos van den leeuwenjager hield zich uitnemend; hij rende nu op gelijke hoogte met Kloppers’ hengst over de vlakte.De afstand, die hen van de vluchtelingen scheidde, kortte nu snel in.Dirk Kloppers was opgewonden; ook het hart van den leeuwenjager klopte sneller, maar deze liet het minder merken.Hij richtte zich hoog op in de stijgbeugels, en zijn valkenoog bespiedde den omtrek, maar een trek van groote teleurstelling werd plotseling zichtbaar op zijn streng gelaat.„Wij moeten Dingaan hebben voordat hij gindsche bergen bereikt,” zeide Dirk, „want anders ontsnapt hij ons tusschen de kloven en bosschen!”„We halen ’t niet,” meende de leeuwenjager.Als eenig antwoord gaf Dirk het paard de sporen, en prikkelde het tot de uiterste krachtsinspanning.Hij kwam weer voor den leeuwenjager uit—hij was nu binnen den speerworp van den Zoeloe.Hij zag geen gevaar; hij kende geen ander gevaar dan dit, dat de koning hem zou ontsnappen.Hij maakte een lang werptouw gereed: een soort lazzo.„Ik zal hem vangen als een wild beest,” zeide hij, „want hetiseen wild beest.”Hij lette er niet op: dat Utuzi de Zoeloe zich omkeerde.… dat hij de werpspeer richtte.…Maar de valkenoogen achter hem waakten, en de kogel van den leeuwenjager was sneller dan de assegaai van den Zoeloe.Met doorschoten borst stortte Utuzi neer.Even lichtte Malowa den zwarten kroeskop op boven het golvende Tamboekigras, om te zien naar de uitwerking van het schot, maar dit was zijn ongeluk. Reeds had de leeuwenjager hem ontdekt, en toen Malowa zag, dat er aan geen vlucht meer te denken viel, sprong hij recht overeind, en staarde den leeuwenjager aan met wilde, tartende oogen—[182]het ware beeld van den fieren, grimmigen Zoeloekrijger, die den dood niet vreest.De koning keek om en slaakte een kreet van woede en smart, toen hij Malowa, den snelvoetige, den zoon van het snuivende rhinoceros, zijn dappersten krijger, zag vallen. Doch thans had hij de vlakte achter zich, en snel met zijn overgebleven getrouwen in de met dichte bosschen begroeide bergkloven verdwijnend, staarden de Boeren hem na als jagers, wien het opgekeerde wild nog in ’t laatste oogenblik ontsnapt.
HOOFDSTUK XXVII.
Op den hoogen bergrug stonden de veertig ruiters. Pretorius was met zijn hoofdmacht naar huis gegaan, naar Natal, maar deze ruiters zetten voor eigen rekening de jacht voort op Dingaan, den Zoeloe-koning. Het waseigenlijkeen vermetele onderneming, maar zij volgden in blind vertrouwen den leeuwenjager, die in deze streken en in het land ten noorden, het gebied derAmazwazi-Kaffers, weken en maanden had rondgezworven op de jacht.Van hun hoogen observatiepost zagen zij de witte tent des konings, en zij haastten zich, nu zij zoo dicht het doel der lange jacht waren genaderd, om snel den berg af te komen. Doch hun paarden hadden wel vleugels aan hun hoeven mogen hebben, om den koning nog in te halen, en toen de ruiters, na een grooten omweg te hebben gemaakt, de tent bereikten, was er van de vluchtelingen niets meer te ontdekken.„Had je zwarte gisteren maar geen spijker in den poot gekregen,” meende de leeuwenjager wrevelig tot Dirk Kloppers, „dan hadden we den moordenaar nu in de ijzers!”„En wij zijn aan den grens van Zoeloeland—wij krijgen hem niet meer!” meende Tijs de Jong.„Waarom niet?” meende deleeuwenjagerkortaf. „Zijn de grenzen voor òns versperd, terwijl ze voor den Zoeloe openstaan?”„Doch waar is zijn spoor?” vraagde Lodewijk Jansen; „het lijkt wel, of de aarde hem heeft opgeslokt.”„Ik heb het al,” zeide Dirk Kloppers, die een uitnemend speurder was, en op eenigen afstand in gebukte houding stond te zoeken. „Hier is de indruk van de paardenhoeven, en het geknikte gras wijst ons van zelf den weg.”De Boeren, die waren afgestegen en hun paarden hadden gedrenkt, sprongen nu weer vlug in ’t zaâl, en volgden in snellen rit het nieuw opgenomen spoor.Het was een lust, om hen te zien, die sterke, forsch gebouwde ruiters met over de borst vastgegespten bandelier en over den schouder geworpen geweer, als een wervelwind[180]voortjagend op hun sterke, taaie paarden over de golvende, hobbelende grasvlakte!De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.TRESLING & CoHOF-LITH. AMSTERDAM.De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.Er werd weinig gesproken; slechts het gehinnik der paarden en hun doffe hoefslag tegen den harden grond verbrak de stilte.Dirk Kloppers was nu de voorste; zijn zwarte hengst scheen nauwlijks den grond te raken. Maar de vos van den leeuwenjager was slechts een paardenlengte achter hem, terwijl de anderen op een twintig pas afstands volgden.Dirk Kloppers strekte de hand uit, en wees naar de verte.„Dáár, Teunis,” riep hij, „dáár!”De leeuwenjager knikte.„Dat zijn ze,” zeide hij, en hij drukte zijn vos de sporen diep in de flanken.„Utuzi,” zeide de koning, „hoeveel werpsperen bezit gij nog?”„Twee, o koning!”„Houd ze gereed, en zoo gauw als die voorste, die blonde op het zwarte paard, in het bereik komt van uw speer, dan slinger ze hem allebei in de borst!”„Eén zal voldoende zijn, o koning; de andere is goed voor dien ruiter op den goudvos!”„Doe wat ik u gebied,” zeide de koning kortaf.Nu wendde hij zich tot Malowa, die even als Utuzi te voet was, terwijl de andere vluchtelingen te paard waren.„Malowa, Snelvoetige, spring zijwaarts in het lange Tamboekigras, en stoot den tweede, dien blanke op den goudvos, als hij in het bereik komt van uw arm, het breede lemmer van uw stootspeer tusschen de korte ribben!”„O heer,” zeide deze, „dat kan ik niet!”„Waarom niet?” riep de koning verwonderd; „is uw arm verzwakt sinds gij Piet Uijs, die door de blanken de Dappere werd genoemd, den doodelijken speerstoot gaaft?”„’t Is de Onkwetsbare, o koning,” antwoordde Malowa op bijna fluisterenden toon; „ik heb het onbedriegelijk kenteeken gezien boven zijn rechter wenkbrauw, en al zouden de wolken boven hem assegaaien regenen, hij zou toch niet geraakt worden, omdat hij onkwetsbaar is!”„Ik zie,” zeide de koning met verachting, „dat de moed versmolten is in het hart van den zoon van het snuivende rhinoceros, en hij is een laffe hond geworden, dien men met de kirrie, met den knuppel doodslaat!”[181]Maar dit snerpende woord trof den Zoeloe als een vlijm, en zonder een woord te spreken, sprong hij zijwaarts en verdween in het Tamboekigras.De goudvos van den leeuwenjager hield zich uitnemend; hij rende nu op gelijke hoogte met Kloppers’ hengst over de vlakte.De afstand, die hen van de vluchtelingen scheidde, kortte nu snel in.Dirk Kloppers was opgewonden; ook het hart van den leeuwenjager klopte sneller, maar deze liet het minder merken.Hij richtte zich hoog op in de stijgbeugels, en zijn valkenoog bespiedde den omtrek, maar een trek van groote teleurstelling werd plotseling zichtbaar op zijn streng gelaat.„Wij moeten Dingaan hebben voordat hij gindsche bergen bereikt,” zeide Dirk, „want anders ontsnapt hij ons tusschen de kloven en bosschen!”„We halen ’t niet,” meende de leeuwenjager.Als eenig antwoord gaf Dirk het paard de sporen, en prikkelde het tot de uiterste krachtsinspanning.Hij kwam weer voor den leeuwenjager uit—hij was nu binnen den speerworp van den Zoeloe.Hij zag geen gevaar; hij kende geen ander gevaar dan dit, dat de koning hem zou ontsnappen.Hij maakte een lang werptouw gereed: een soort lazzo.„Ik zal hem vangen als een wild beest,” zeide hij, „want hetiseen wild beest.”Hij lette er niet op: dat Utuzi de Zoeloe zich omkeerde.… dat hij de werpspeer richtte.…Maar de valkenoogen achter hem waakten, en de kogel van den leeuwenjager was sneller dan de assegaai van den Zoeloe.Met doorschoten borst stortte Utuzi neer.Even lichtte Malowa den zwarten kroeskop op boven het golvende Tamboekigras, om te zien naar de uitwerking van het schot, maar dit was zijn ongeluk. Reeds had de leeuwenjager hem ontdekt, en toen Malowa zag, dat er aan geen vlucht meer te denken viel, sprong hij recht overeind, en staarde den leeuwenjager aan met wilde, tartende oogen—[182]het ware beeld van den fieren, grimmigen Zoeloekrijger, die den dood niet vreest.De koning keek om en slaakte een kreet van woede en smart, toen hij Malowa, den snelvoetige, den zoon van het snuivende rhinoceros, zijn dappersten krijger, zag vallen. Doch thans had hij de vlakte achter zich, en snel met zijn overgebleven getrouwen in de met dichte bosschen begroeide bergkloven verdwijnend, staarden de Boeren hem na als jagers, wien het opgekeerde wild nog in ’t laatste oogenblik ontsnapt.
Op den hoogen bergrug stonden de veertig ruiters. Pretorius was met zijn hoofdmacht naar huis gegaan, naar Natal, maar deze ruiters zetten voor eigen rekening de jacht voort op Dingaan, den Zoeloe-koning. Het waseigenlijkeen vermetele onderneming, maar zij volgden in blind vertrouwen den leeuwenjager, die in deze streken en in het land ten noorden, het gebied derAmazwazi-Kaffers, weken en maanden had rondgezworven op de jacht.
Van hun hoogen observatiepost zagen zij de witte tent des konings, en zij haastten zich, nu zij zoo dicht het doel der lange jacht waren genaderd, om snel den berg af te komen. Doch hun paarden hadden wel vleugels aan hun hoeven mogen hebben, om den koning nog in te halen, en toen de ruiters, na een grooten omweg te hebben gemaakt, de tent bereikten, was er van de vluchtelingen niets meer te ontdekken.
„Had je zwarte gisteren maar geen spijker in den poot gekregen,” meende de leeuwenjager wrevelig tot Dirk Kloppers, „dan hadden we den moordenaar nu in de ijzers!”
„En wij zijn aan den grens van Zoeloeland—wij krijgen hem niet meer!” meende Tijs de Jong.
„Waarom niet?” meende deleeuwenjagerkortaf. „Zijn de grenzen voor òns versperd, terwijl ze voor den Zoeloe openstaan?”
„Doch waar is zijn spoor?” vraagde Lodewijk Jansen; „het lijkt wel, of de aarde hem heeft opgeslokt.”
„Ik heb het al,” zeide Dirk Kloppers, die een uitnemend speurder was, en op eenigen afstand in gebukte houding stond te zoeken. „Hier is de indruk van de paardenhoeven, en het geknikte gras wijst ons van zelf den weg.”
De Boeren, die waren afgestegen en hun paarden hadden gedrenkt, sprongen nu weer vlug in ’t zaâl, en volgden in snellen rit het nieuw opgenomen spoor.
Het was een lust, om hen te zien, die sterke, forsch gebouwde ruiters met over de borst vastgegespten bandelier en over den schouder geworpen geweer, als een wervelwind[180]voortjagend op hun sterke, taaie paarden over de golvende, hobbelende grasvlakte!
De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.TRESLING & CoHOF-LITH. AMSTERDAM.De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.
TRESLING & CoHOF-LITH. AMSTERDAM.
De Boeren achtervolgen Koning Dingaan.
Er werd weinig gesproken; slechts het gehinnik der paarden en hun doffe hoefslag tegen den harden grond verbrak de stilte.
Dirk Kloppers was nu de voorste; zijn zwarte hengst scheen nauwlijks den grond te raken. Maar de vos van den leeuwenjager was slechts een paardenlengte achter hem, terwijl de anderen op een twintig pas afstands volgden.
Dirk Kloppers strekte de hand uit, en wees naar de verte.
„Dáár, Teunis,” riep hij, „dáár!”
De leeuwenjager knikte.
„Dat zijn ze,” zeide hij, en hij drukte zijn vos de sporen diep in de flanken.
„Utuzi,” zeide de koning, „hoeveel werpsperen bezit gij nog?”
„Twee, o koning!”
„Houd ze gereed, en zoo gauw als die voorste, die blonde op het zwarte paard, in het bereik komt van uw speer, dan slinger ze hem allebei in de borst!”
„Eén zal voldoende zijn, o koning; de andere is goed voor dien ruiter op den goudvos!”
„Doe wat ik u gebied,” zeide de koning kortaf.
Nu wendde hij zich tot Malowa, die even als Utuzi te voet was, terwijl de andere vluchtelingen te paard waren.
„Malowa, Snelvoetige, spring zijwaarts in het lange Tamboekigras, en stoot den tweede, dien blanke op den goudvos, als hij in het bereik komt van uw arm, het breede lemmer van uw stootspeer tusschen de korte ribben!”
„O heer,” zeide deze, „dat kan ik niet!”
„Waarom niet?” riep de koning verwonderd; „is uw arm verzwakt sinds gij Piet Uijs, die door de blanken de Dappere werd genoemd, den doodelijken speerstoot gaaft?”
„’t Is de Onkwetsbare, o koning,” antwoordde Malowa op bijna fluisterenden toon; „ik heb het onbedriegelijk kenteeken gezien boven zijn rechter wenkbrauw, en al zouden de wolken boven hem assegaaien regenen, hij zou toch niet geraakt worden, omdat hij onkwetsbaar is!”
„Ik zie,” zeide de koning met verachting, „dat de moed versmolten is in het hart van den zoon van het snuivende rhinoceros, en hij is een laffe hond geworden, dien men met de kirrie, met den knuppel doodslaat!”[181]
Maar dit snerpende woord trof den Zoeloe als een vlijm, en zonder een woord te spreken, sprong hij zijwaarts en verdween in het Tamboekigras.
De goudvos van den leeuwenjager hield zich uitnemend; hij rende nu op gelijke hoogte met Kloppers’ hengst over de vlakte.
De afstand, die hen van de vluchtelingen scheidde, kortte nu snel in.
Dirk Kloppers was opgewonden; ook het hart van den leeuwenjager klopte sneller, maar deze liet het minder merken.
Hij richtte zich hoog op in de stijgbeugels, en zijn valkenoog bespiedde den omtrek, maar een trek van groote teleurstelling werd plotseling zichtbaar op zijn streng gelaat.
„Wij moeten Dingaan hebben voordat hij gindsche bergen bereikt,” zeide Dirk, „want anders ontsnapt hij ons tusschen de kloven en bosschen!”
„We halen ’t niet,” meende de leeuwenjager.
Als eenig antwoord gaf Dirk het paard de sporen, en prikkelde het tot de uiterste krachtsinspanning.
Hij kwam weer voor den leeuwenjager uit—hij was nu binnen den speerworp van den Zoeloe.
Hij zag geen gevaar; hij kende geen ander gevaar dan dit, dat de koning hem zou ontsnappen.
Hij maakte een lang werptouw gereed: een soort lazzo.
„Ik zal hem vangen als een wild beest,” zeide hij, „want hetiseen wild beest.”
Hij lette er niet op: dat Utuzi de Zoeloe zich omkeerde.… dat hij de werpspeer richtte.…
Maar de valkenoogen achter hem waakten, en de kogel van den leeuwenjager was sneller dan de assegaai van den Zoeloe.
Met doorschoten borst stortte Utuzi neer.
Even lichtte Malowa den zwarten kroeskop op boven het golvende Tamboekigras, om te zien naar de uitwerking van het schot, maar dit was zijn ongeluk. Reeds had de leeuwenjager hem ontdekt, en toen Malowa zag, dat er aan geen vlucht meer te denken viel, sprong hij recht overeind, en staarde den leeuwenjager aan met wilde, tartende oogen—[182]het ware beeld van den fieren, grimmigen Zoeloekrijger, die den dood niet vreest.
De koning keek om en slaakte een kreet van woede en smart, toen hij Malowa, den snelvoetige, den zoon van het snuivende rhinoceros, zijn dappersten krijger, zag vallen. Doch thans had hij de vlakte achter zich, en snel met zijn overgebleven getrouwen in de met dichte bosschen begroeide bergkloven verdwijnend, staarden de Boeren hem na als jagers, wien het opgekeerde wild nog in ’t laatste oogenblik ontsnapt.