[Inhoud]HOOFDSTUK XXVIII.’t Is inderdaad een merkwaardige groep in die ruime, sombere, vochtige spelonk.Daar, in den hoek, zit de toovenares: Walhoeli.Het lange, pikzwarte haar hangt in zware strengen langs het donkere, gerimpelde gelaat, en de lange kraalsnoeren, die haar om de leden hangen, rinkelen bij de geringste beweging.Zij zit neergehurkt bij een pot, gevuld met water, die boven een hoogopvlammend vuur is gehangen, terwijl wierookwalmen de spelonk vervullen.Haar oogen gloeien als vuur, en met over elkander geslagen armen staart zij naar de dampen, die opstijgen uit den pot.Zij spreekt geen woord, slechts nu en dan bewegen zich haar lippen, om tooverspreuken te fluisteren.Een veertigtal ruiters staan, leunend op hun lange roeren, voor en in de spelonk en staren beurtelings naar het vuur, naar de in grillige vormen opstijgende dampen en naar de toovenares, terwijl op hun krachtige, door de zon gebruinde gelaatstrekken een zekere spanning onmiskenbaar is.Nog altijd zwijgt de geheimzinnige, raadselachtige vrouw, en uit de groep Boeren gaat een afkeurend gemompel op.„’t Is ’n waarzegster,” roept Dirk Kloppers, „eene echte[183]waarzegster; wij zijn den strijd met God begonnen—zullen wij hem met waarzegsters eindigen?”„’t Is eene toovenares—eene dochter van de toovenares van Endor,” meent Tijs de Jong, en hij stoot met den kolf van zijn geweer op den harden rotsgrond, dat de echo van den stoot dof weergalmt in de diepe grot.Maar de toovenares verroert zich niet; met schitterende oogen staart ze naar de grillige dampen, en zij schijnt in die dampen een vizioen te lezen.De leeuwenjager staat vlak naast haar; met ongeduldige gebaren kijkt hij haar aan, maar nog bedwingt hij zich.De spelonk bevindt zich midden in het gebergte, en de schorre schreeuw van een wilde papegaai en het hongerige gejank der hyena wordt uit de verte gehoord.„De blanke man heeft waarheid gesproken,” zegt zij eindelijk op langzamen, slependen toon; „koning Dingaan is gevlucht, zijn rijk is ineen gestort als een vermolmd huis, en hij heeft toevlucht gezocht bij ons, de Amazwazikaffers. Dingaan is de buffel, en de witmensch is de leeuw, en de leeuw zal den buffel najagen maar niet bereiken, want hij wordt gedekt door het schild der dappere Amazwazi’s! Maar ik—de omhoog kronkelende dampen zeggen het mij—maarik—”„Me dunkt, dat we wel heen kunnen gaan,” meent Lodewijk Jansen verachtelijk—„wat doen we hier in het hol van het heidendom?” en hij wendt zich reeds naar den uitgang der grot.„Maarikzal den buffel leveren,” roept zij, plotseling opspringend, met harde, snelle, krijschende stem; „hij heeft mijne drie kinderen voor mijn oogen afschuwelijk verminkt, doch het uur der wrake heeft geslagen!”Zij slaat met haar handen krampachtig in de lucht; dan zet zij zich weer uitgeput neder.Het vuur dooft nu uit, en de dampen verminderen.Zij kijkt den leeuwenjager strak aan.„Kent gij mij?” vraagt hij.Zij knikt bevestigend.„Wij hebben drie dagen in deze streken gezworven, Walhoeli, om u te vinden, want ik wist, dat koning Dingaan uw kinderen had mishandeld, en wij hebben grooten haast. Ik heb u eens geholpen, toen gij in grooten nood verkeerdet—”„Ik weet het, groote jager; gij hebt de dochter der Amazwazi’s gedrenkt, toen zij zou verdorsten.”[184]„En nu kunt gij ons helpen en uw dankbaarheid bewijzen, want gij hebt grooten invloed op uw volk. Gij kunt hen bewegen, dat zij koning Dingaan aan ons uitleveren.”Walhoeli schudt met het hoofd, dat de kraalsnoeren rinkelen.„Ik zal aan uw wensch niet kunnen voldoen,” zegt zij op bedaarden toon, „want het zou indruischen tegen de wetten van mijn volk. Doch indien Walhoeli, van wie haar volk getuigt, dat zij in de sterren den naderenden regen kan lezen, iets vermag, dan zal het gebeente van koning Dingaan, voordat de zon nog driemaal oprijst in het oosten, dienen tot spijs van den jakhals, die op de lijken loert.”„Dàt hoor ik liever dan dat heidensche toovergeleuter,” zegt Lodewijk Jansen met hartgrondigen nadruk, terwijl de Boeren zich naar buiten begeven.„Ik zal uw gids zijn,” zegt Walhoeli, „en u brengen, waar gij wezen moet.”„Is het wel geraden haar te volgen?” vraagt een voorzichtige Boer.„Zij is te vertrouwen,” zegt de leeuwenjager, „maar hoe deAmazwazi’sons zullen ontvangen, weet ik niet. In elk geval: onze paarden zijn vlug, en onze geweren geladen—wij zullen haar volgen!” En stapvoets volgen de Boeren, de omgeving behoedzaam opnemend, het vreemde schepsel.Vijf uur duurde de tocht; de zon neigde reeds naar het westen, toen de blanken bij de vorsten derAmazwazi’saankwamen.Koning Dingaan had zich onder hunne bescherming geplaatst, en zij zaten in een breeden kring, in de schaduw van eenige palmboomen, raad te houden, hoe men met hem zou handelen.Een eerewacht stond met gevelde speer op eenigen afstand.Walhoeli heette de blanken halt te houden, terwijl zij zich onbeschroomd tot in den kring der vorsten waagde.„Wat brengt u hier, sterrekijkster?” vraagde de oudste der vorsten, blijkbaar hun koning, de zwarte, vorschende oogen naar de verte slaande, waar hij de ruiters zag.„De dochter uws volks groet u,” zeide zij, eerbiedig ter aarde buigend, „en dat ge sterk moogt worden en machtig[185]als de olifant van dit land, die met zijn snuit de boomen ontwortelt! Ik heb als gids gediend voor het gezantschap, dat het machtige volk der witmenschen heeft afgezonden, om hun hulde en hun bede aan uw voeten neer te leggen, o groote koning!”„Wat willen zij?” vraagde hij met een flikkering van zijn zwarte oogen, en Umkowo, een zijner raadslieden, het woord nemend, zeide: „Zij zijn gekomen, om de gesteldheid van dit land te onderzoeken; het zijn verspieders, en gij zult verstandig doen, o koning, zoo gij hun tong stom maakt voor eeuwig.”„Mag ik spreken?” vraagde Walhoeli.„Spreek!” zeide de koning.„Umkowo de Schrandere spreekt dezen keer dwaze taal, o koning, want als die witmenschen verspieders waren, dan zouden zij zijn gekomen als het wild gedierte, dat des nachts over onze grasvelden sluipt. Maar zij komen op den dag, als de zon schijnt, omdat hun bedoelingen rein en klaar zijn als het licht der zon. Zij zoeken Dingaan, den vluchtenden koning der Zoeloes, en wenschen, dat hij hun worde uitgeleverd om de bloedwraak!”De vorsten keken bij deze tijding verwonderd op; zelfs Umkowo, die de schrandere werd genoemd.„Weet gij, Walhoeli, waar Dingaan is?” vraagde de koning op gedempten toon.„Hij is in gindsche kraal, o koning, waar ik de speren eenigerAmazwazi’szie blinken.”„Hoe weet gij dat, Walhoeli?”„Ik heb de wolken des hemels geraadpleegd, o koning, en die liegen niet!”„De wijsheid der goden woont in uw ziel,” zeide de koning vol eerbied.„Ik lees in de sterren en in het hart der koningen, en ik vergis mij nooit,”zeide zij op stouten toon.„Als gij in het hart der koningen leest, vertel mij dan toch, wat de koning denkt op dit oogenblik,”zeide Umkowo de Schrandere, die aan haar waarzeggerskunsten twijfelde, en haar den voet altijd dwars zette, omdat hij jaloersch was op haar grooten invloed.„Mag ik het zeggen, o koning?”Weer knikte hij met het hoofd.„Onze koning denkt, dat Dingaan niet kan worden uitgeleverd, omdat de gerechtigheid derAmazwazi’sen niet[186]de gerechtigheid der blanken mag heerschen ten noorden der Pongolo-rivier.”„Gij hebt naar waarheid gesproken, Walhoeli—dat de speerwacht de vreemdelingen hier brenge!”De wacht rukte op naar de ruiters, doch de hoofdman keerde alleen terug.„Zij willen hun wapens niet afgeven, o koning,” rapporteerde de hoofdman. „Hun aanvoerder zegt, dat zij dit niet doen en in der eeuwigheid niet zullen doen, sinds Dingaan hun dapperste mannen, die ongewapend voor hem verschenen, als lammeren heeft geslacht!”De welwillendheid, die tot nog toe op het gelaat van den koning was zichtbaar geweest, verdween echter bij deze woorden, en zijn oogen stonden strak en toornig.„Om deze weigering hebben zij u, o koning, beleedigd,” meende een der vorsten.„En zijn des doods schuldig!” riep Umkowo.„Die daar opstaat, is zeker hun koning,” zeide de leeuwenjager, terwijl zijn scherpe oogen onafgewend op den kring der vorsten waren gericht, „maar al kwam de koning aan de spits van zijn geheele leger, wij geven onze wapens niet af.”„Me dunkt, dat het tijd wordt!” meende Kees Bouwer, en hij wendde reeds den teugel van zijn paard, om te vluchten.„Dat komt er van, als men met waarzeggers aanlegt,” zeide Lodewijk Jansen, zonder Bouwer’s voorbeeld te volgen.„Was het mij om haar tooverspreuken te doen?” riep de leeuwenjager op luiden toon; „ik heb geene waarzegster gezocht, maar een gids, eene voorspraak onder deze wilde Kaffers, en dat is mij genoeg!”„Een mooie voorspraak!” riep een der achterste Boeren op spottenden toon.„Gij hebt ons in de knoei gebracht—breng er ons nu ook weer uit, Teunis,” meende een ander, dood bedaard zijn houten pijp stoppend.„En als gij het niet doet, dan hoop ik, dat deze dochter van Endor het zal doen,” meende Dirk Kloppers uit den grond van zijn hart.Plotseling weerklonk luid hoorngeschal, wijd uit de verte snel en driftig beantwoord.[187]„Nu wordt het meenens,” zeide Tijs de Jong.Zelfs de leeuwenjager werd een tint bleeker, maar overigens was er niets aan hem te bespeuren.„Ik vermoed, dat gij van plan zijt om te vluchten, Kees Bouwer,” zeide hij bedaard, „maar ik raad je, om het te laten, want ik schiet je niet graag dood.”Kees Bouwer liet zich gezeggen en bleef.Het was verstandig, want de leeuwenjager zou anders werkelijk op hem hebben geschoten. Slechts door eendrachtig het dreigend gevaar te trotseeren, was er kans van ontkoming.„Kalm en bedaard,” vermaande hij nu, „en de oogen open!”„Gij zult het niet doen, o koning,” zeide Walhoeli, smeekend voor zijn voeten nederknielend.„Ga mij uit den weg,” riep hij toornig, „of de brullende leeuw zal u verbrijzelen onder zijn voet!”„Koning—de goden waarschuwen u!” gilde zij, „zie toch—zie toch!”Zij wees met beide handen naar boven, waar een grillig gevormde wolk langzaam voortdreef aan den overigens bijna wolkeloozen hemel.De koning keek omhoog.„Een wolk,” mompelde hij verachtelijk.„Een wolk, o koning,” zeide zij, „waarin de bode woont van den grooten Geest. Ik Walhoeli, in wie de geest der wijsheid woont, zeg het u!”De koning scheen deze woorden niet eens te hooren.„Ziet gij dan niet, o koning, dat die wolkebode van den grooten Geest den vinger dreigend heeft uitgestrekt? ’t Is dezelfde wolk van vier jaar geleden, o koning!”„Zwijg,” riep hij grimmig—„speerwacht, voorwaarts!”Maar Walhoeli zweeg niet.„Zij at uit uwe hand, de liefelijke roos van den Marikelenberg, en uit uwen beker dronk zij. Zij wekte u elken morgen met snarenspel, en elken avond zong zij u haar schoonste liederen. Maar de slang der ijverzucht siste u een leugen in het oor, en gij hebt de speer gestooten in het trouwste hart, dat ooit voor u heeft geklopt en ooit voor u zal kloppen inAmazwaziland!”De koning stond plotseling stil—op dertig pas afstands van de blanken; ook de speerwacht, vierhonderd man sterk,[188]bleef staan, terwijl in de verte de assegaaien blonken van een snel naderend regiment.Met groote, strakke oogen staarde hij naar de wolk.„’t Was dezelfde wolk, o koning! Hadt gij op haar wenk gelet, dan zou de liefelijke roos van den Marikelenberg nog heden met haar zoete geur uw gaarde vervullen!”De toorn verdoofde in zijn oogen; er kwam een dof gekreun uit zijn breede borst.„O Walhoeli, gij doet mij veel pijn,” kwam het klagend over zijn lippen.„Om u voor andere pijn te bewaren, o koning,” zeide zij eerbiedig.Hij wenkte met de hand, en het hoorngeschal werd opnieuw vernomen, maar thans in vredige, langgerekte toonen. De speerwacht keerde terug naar haar vroegere standplaats, en de flikkerende speren in de verte verdwenen.„Mogen de blanken morgen verschijnen voor uw troon?” smeekte nu Walhoeli.„Neen,” zeide hij met waardigheid, „geen vreemdeling zal gewapend verschijnen voor mijn troon, maar om de liefelijke roos van den Marikelenberg, die eens voor een blanke bij mij pleitte, zal ik morgen de vierschaar spannen over Dingaan, den Zoeloe-koning, en gerechtigheid oefenen!”„Maar wie zullen er dan als getuigen optreden, als er geen blanken mogen verschijnen?” vraagde Walhoeli, want nieuwe zorgen kwamen er op in haar hart.„Wees gerust,” zeide de koning; „mijn spionnen, die ik naar Zoeloeland zond, kunnen heden nacht terug zijn, en zullen mij de waarheid brengen. Overmorgen vroeg, als de dauw optrekt, is Dingaan een vrij man, of ligt zijn gebeente te bleeken achter de gerechtsplaats, op den heuvel der misdadigers—ga nu, en zeg dit aan uw blanke vrienden!”Nog was de dauw niet opgetrokken, maar de dageraad vlamde reeds boven de bergen en valleien vanAmazwaziland, toen eene vrouw, eene kleurling, een groep kloeke ruiters te paard voorging het veld in.Allen verkeerden in ernstige stemming.De heuvel der misdadigers was spoedig bereikt.Een groep aasvogels vloog bij de nadering der ruiters op,[189]maar zette zich in de nabijheid weer neder, in de lage takken van een wilden olijvenboom.Zij bleven dicht in de nabijheid, want aasvogels zijn brutaal, en deze aasvogels hadden honger.Midden op den heuvel lag, als een bedekking, een kleed uitgespreid.De ruiters sprongen van hun paarden, en schaarden zich in een kring om dat kleed.„Onder dat kleed—,” fluisterde Walhoeli, „onder dat kleed—”Zij scheen den volzin niet te kunnen voltooien, want zij was aangegrepen door den ernst en de plechtigheid van dit oogenblik.De leeuwenjager nam het kleed langzaam weg.…Er werd geen kreet gehoord; zelfs geen woord. Slechts het gekras der aasvogels werd vernomen uit den wilden olijvenboom, want zij hadden honger, en de blanken vertoefden langer dan hun lief was.De leeuwenjager verbrak nu het zwijgen, en zijn hand uitstrekkend boven het lijk van Dingaan, den gewezen koning van Zoeloeland, zeide hij met langzame, van ontroering bevende stem: „Gewroken is het bloed van Piet Retief en zijn dapperen, en van Piet Uijs en zijn dapperen, en het bloed van vele mannen, vrouwen en kinderen, die wij liefhadden—moge het heidendom weten, dat God zijn volk zal wreken!”De ruiters verlieten nu den heuvel, maar een keurbende des konings, gewapend met schild en speer, stond hen op te wachten.„Ik heb het bevel van den koning ontvangen,” zeide de kapitein, „u als een veilig geleide te vergezellen tot aan de grenzen van ons land.”Zoo reden dan de ruiters, vergezeld door de snelvoetige Kaffers, naar het zuiden terug.Ook Walhoeli ging mee, maar toen in de verte het groene water zichtbaar werd van de Pongolorivier, keerden deAmazwazi’som, van de blanken vriendelijk afscheid nemend.Ook Walhoeli keerde terug.„Heb ik mijn gelofte gestand gedaan?” zeide zij.„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ten volle—wij danken u, Walhoeli!”Hij reikte haar de hand, die zij kuste. Zij scheen diep bewogen, maar snel liet zij zijn hand los, en voordat de[190]leeuwenjager nog iets kon zeggen, verdween zij zijwaarts in het bosch, en niemand heeft meer iets van haar gehoord.Maar het lijk van Dingaan was achtergebleven, op den heuvel der misdadigers—onbedekt. En de aasvogels zijn neergestreken uit den olijvenboom, en zij hebben met het wild gedierte uit het bosch gevochten om zijn vleesch, en de honden hebben zijn bloed gedronken—het bloed van Dingaan, den koning van Zoeloeland!
[Inhoud]HOOFDSTUK XXVIII.’t Is inderdaad een merkwaardige groep in die ruime, sombere, vochtige spelonk.Daar, in den hoek, zit de toovenares: Walhoeli.Het lange, pikzwarte haar hangt in zware strengen langs het donkere, gerimpelde gelaat, en de lange kraalsnoeren, die haar om de leden hangen, rinkelen bij de geringste beweging.Zij zit neergehurkt bij een pot, gevuld met water, die boven een hoogopvlammend vuur is gehangen, terwijl wierookwalmen de spelonk vervullen.Haar oogen gloeien als vuur, en met over elkander geslagen armen staart zij naar de dampen, die opstijgen uit den pot.Zij spreekt geen woord, slechts nu en dan bewegen zich haar lippen, om tooverspreuken te fluisteren.Een veertigtal ruiters staan, leunend op hun lange roeren, voor en in de spelonk en staren beurtelings naar het vuur, naar de in grillige vormen opstijgende dampen en naar de toovenares, terwijl op hun krachtige, door de zon gebruinde gelaatstrekken een zekere spanning onmiskenbaar is.Nog altijd zwijgt de geheimzinnige, raadselachtige vrouw, en uit de groep Boeren gaat een afkeurend gemompel op.„’t Is ’n waarzegster,” roept Dirk Kloppers, „eene echte[183]waarzegster; wij zijn den strijd met God begonnen—zullen wij hem met waarzegsters eindigen?”„’t Is eene toovenares—eene dochter van de toovenares van Endor,” meent Tijs de Jong, en hij stoot met den kolf van zijn geweer op den harden rotsgrond, dat de echo van den stoot dof weergalmt in de diepe grot.Maar de toovenares verroert zich niet; met schitterende oogen staart ze naar de grillige dampen, en zij schijnt in die dampen een vizioen te lezen.De leeuwenjager staat vlak naast haar; met ongeduldige gebaren kijkt hij haar aan, maar nog bedwingt hij zich.De spelonk bevindt zich midden in het gebergte, en de schorre schreeuw van een wilde papegaai en het hongerige gejank der hyena wordt uit de verte gehoord.„De blanke man heeft waarheid gesproken,” zegt zij eindelijk op langzamen, slependen toon; „koning Dingaan is gevlucht, zijn rijk is ineen gestort als een vermolmd huis, en hij heeft toevlucht gezocht bij ons, de Amazwazikaffers. Dingaan is de buffel, en de witmensch is de leeuw, en de leeuw zal den buffel najagen maar niet bereiken, want hij wordt gedekt door het schild der dappere Amazwazi’s! Maar ik—de omhoog kronkelende dampen zeggen het mij—maarik—”„Me dunkt, dat we wel heen kunnen gaan,” meent Lodewijk Jansen verachtelijk—„wat doen we hier in het hol van het heidendom?” en hij wendt zich reeds naar den uitgang der grot.„Maarikzal den buffel leveren,” roept zij, plotseling opspringend, met harde, snelle, krijschende stem; „hij heeft mijne drie kinderen voor mijn oogen afschuwelijk verminkt, doch het uur der wrake heeft geslagen!”Zij slaat met haar handen krampachtig in de lucht; dan zet zij zich weer uitgeput neder.Het vuur dooft nu uit, en de dampen verminderen.Zij kijkt den leeuwenjager strak aan.„Kent gij mij?” vraagt hij.Zij knikt bevestigend.„Wij hebben drie dagen in deze streken gezworven, Walhoeli, om u te vinden, want ik wist, dat koning Dingaan uw kinderen had mishandeld, en wij hebben grooten haast. Ik heb u eens geholpen, toen gij in grooten nood verkeerdet—”„Ik weet het, groote jager; gij hebt de dochter der Amazwazi’s gedrenkt, toen zij zou verdorsten.”[184]„En nu kunt gij ons helpen en uw dankbaarheid bewijzen, want gij hebt grooten invloed op uw volk. Gij kunt hen bewegen, dat zij koning Dingaan aan ons uitleveren.”Walhoeli schudt met het hoofd, dat de kraalsnoeren rinkelen.„Ik zal aan uw wensch niet kunnen voldoen,” zegt zij op bedaarden toon, „want het zou indruischen tegen de wetten van mijn volk. Doch indien Walhoeli, van wie haar volk getuigt, dat zij in de sterren den naderenden regen kan lezen, iets vermag, dan zal het gebeente van koning Dingaan, voordat de zon nog driemaal oprijst in het oosten, dienen tot spijs van den jakhals, die op de lijken loert.”„Dàt hoor ik liever dan dat heidensche toovergeleuter,” zegt Lodewijk Jansen met hartgrondigen nadruk, terwijl de Boeren zich naar buiten begeven.„Ik zal uw gids zijn,” zegt Walhoeli, „en u brengen, waar gij wezen moet.”„Is het wel geraden haar te volgen?” vraagt een voorzichtige Boer.„Zij is te vertrouwen,” zegt de leeuwenjager, „maar hoe deAmazwazi’sons zullen ontvangen, weet ik niet. In elk geval: onze paarden zijn vlug, en onze geweren geladen—wij zullen haar volgen!” En stapvoets volgen de Boeren, de omgeving behoedzaam opnemend, het vreemde schepsel.Vijf uur duurde de tocht; de zon neigde reeds naar het westen, toen de blanken bij de vorsten derAmazwazi’saankwamen.Koning Dingaan had zich onder hunne bescherming geplaatst, en zij zaten in een breeden kring, in de schaduw van eenige palmboomen, raad te houden, hoe men met hem zou handelen.Een eerewacht stond met gevelde speer op eenigen afstand.Walhoeli heette de blanken halt te houden, terwijl zij zich onbeschroomd tot in den kring der vorsten waagde.„Wat brengt u hier, sterrekijkster?” vraagde de oudste der vorsten, blijkbaar hun koning, de zwarte, vorschende oogen naar de verte slaande, waar hij de ruiters zag.„De dochter uws volks groet u,” zeide zij, eerbiedig ter aarde buigend, „en dat ge sterk moogt worden en machtig[185]als de olifant van dit land, die met zijn snuit de boomen ontwortelt! Ik heb als gids gediend voor het gezantschap, dat het machtige volk der witmenschen heeft afgezonden, om hun hulde en hun bede aan uw voeten neer te leggen, o groote koning!”„Wat willen zij?” vraagde hij met een flikkering van zijn zwarte oogen, en Umkowo, een zijner raadslieden, het woord nemend, zeide: „Zij zijn gekomen, om de gesteldheid van dit land te onderzoeken; het zijn verspieders, en gij zult verstandig doen, o koning, zoo gij hun tong stom maakt voor eeuwig.”„Mag ik spreken?” vraagde Walhoeli.„Spreek!” zeide de koning.„Umkowo de Schrandere spreekt dezen keer dwaze taal, o koning, want als die witmenschen verspieders waren, dan zouden zij zijn gekomen als het wild gedierte, dat des nachts over onze grasvelden sluipt. Maar zij komen op den dag, als de zon schijnt, omdat hun bedoelingen rein en klaar zijn als het licht der zon. Zij zoeken Dingaan, den vluchtenden koning der Zoeloes, en wenschen, dat hij hun worde uitgeleverd om de bloedwraak!”De vorsten keken bij deze tijding verwonderd op; zelfs Umkowo, die de schrandere werd genoemd.„Weet gij, Walhoeli, waar Dingaan is?” vraagde de koning op gedempten toon.„Hij is in gindsche kraal, o koning, waar ik de speren eenigerAmazwazi’szie blinken.”„Hoe weet gij dat, Walhoeli?”„Ik heb de wolken des hemels geraadpleegd, o koning, en die liegen niet!”„De wijsheid der goden woont in uw ziel,” zeide de koning vol eerbied.„Ik lees in de sterren en in het hart der koningen, en ik vergis mij nooit,”zeide zij op stouten toon.„Als gij in het hart der koningen leest, vertel mij dan toch, wat de koning denkt op dit oogenblik,”zeide Umkowo de Schrandere, die aan haar waarzeggerskunsten twijfelde, en haar den voet altijd dwars zette, omdat hij jaloersch was op haar grooten invloed.„Mag ik het zeggen, o koning?”Weer knikte hij met het hoofd.„Onze koning denkt, dat Dingaan niet kan worden uitgeleverd, omdat de gerechtigheid derAmazwazi’sen niet[186]de gerechtigheid der blanken mag heerschen ten noorden der Pongolo-rivier.”„Gij hebt naar waarheid gesproken, Walhoeli—dat de speerwacht de vreemdelingen hier brenge!”De wacht rukte op naar de ruiters, doch de hoofdman keerde alleen terug.„Zij willen hun wapens niet afgeven, o koning,” rapporteerde de hoofdman. „Hun aanvoerder zegt, dat zij dit niet doen en in der eeuwigheid niet zullen doen, sinds Dingaan hun dapperste mannen, die ongewapend voor hem verschenen, als lammeren heeft geslacht!”De welwillendheid, die tot nog toe op het gelaat van den koning was zichtbaar geweest, verdween echter bij deze woorden, en zijn oogen stonden strak en toornig.„Om deze weigering hebben zij u, o koning, beleedigd,” meende een der vorsten.„En zijn des doods schuldig!” riep Umkowo.„Die daar opstaat, is zeker hun koning,” zeide de leeuwenjager, terwijl zijn scherpe oogen onafgewend op den kring der vorsten waren gericht, „maar al kwam de koning aan de spits van zijn geheele leger, wij geven onze wapens niet af.”„Me dunkt, dat het tijd wordt!” meende Kees Bouwer, en hij wendde reeds den teugel van zijn paard, om te vluchten.„Dat komt er van, als men met waarzeggers aanlegt,” zeide Lodewijk Jansen, zonder Bouwer’s voorbeeld te volgen.„Was het mij om haar tooverspreuken te doen?” riep de leeuwenjager op luiden toon; „ik heb geene waarzegster gezocht, maar een gids, eene voorspraak onder deze wilde Kaffers, en dat is mij genoeg!”„Een mooie voorspraak!” riep een der achterste Boeren op spottenden toon.„Gij hebt ons in de knoei gebracht—breng er ons nu ook weer uit, Teunis,” meende een ander, dood bedaard zijn houten pijp stoppend.„En als gij het niet doet, dan hoop ik, dat deze dochter van Endor het zal doen,” meende Dirk Kloppers uit den grond van zijn hart.Plotseling weerklonk luid hoorngeschal, wijd uit de verte snel en driftig beantwoord.[187]„Nu wordt het meenens,” zeide Tijs de Jong.Zelfs de leeuwenjager werd een tint bleeker, maar overigens was er niets aan hem te bespeuren.„Ik vermoed, dat gij van plan zijt om te vluchten, Kees Bouwer,” zeide hij bedaard, „maar ik raad je, om het te laten, want ik schiet je niet graag dood.”Kees Bouwer liet zich gezeggen en bleef.Het was verstandig, want de leeuwenjager zou anders werkelijk op hem hebben geschoten. Slechts door eendrachtig het dreigend gevaar te trotseeren, was er kans van ontkoming.„Kalm en bedaard,” vermaande hij nu, „en de oogen open!”„Gij zult het niet doen, o koning,” zeide Walhoeli, smeekend voor zijn voeten nederknielend.„Ga mij uit den weg,” riep hij toornig, „of de brullende leeuw zal u verbrijzelen onder zijn voet!”„Koning—de goden waarschuwen u!” gilde zij, „zie toch—zie toch!”Zij wees met beide handen naar boven, waar een grillig gevormde wolk langzaam voortdreef aan den overigens bijna wolkeloozen hemel.De koning keek omhoog.„Een wolk,” mompelde hij verachtelijk.„Een wolk, o koning,” zeide zij, „waarin de bode woont van den grooten Geest. Ik Walhoeli, in wie de geest der wijsheid woont, zeg het u!”De koning scheen deze woorden niet eens te hooren.„Ziet gij dan niet, o koning, dat die wolkebode van den grooten Geest den vinger dreigend heeft uitgestrekt? ’t Is dezelfde wolk van vier jaar geleden, o koning!”„Zwijg,” riep hij grimmig—„speerwacht, voorwaarts!”Maar Walhoeli zweeg niet.„Zij at uit uwe hand, de liefelijke roos van den Marikelenberg, en uit uwen beker dronk zij. Zij wekte u elken morgen met snarenspel, en elken avond zong zij u haar schoonste liederen. Maar de slang der ijverzucht siste u een leugen in het oor, en gij hebt de speer gestooten in het trouwste hart, dat ooit voor u heeft geklopt en ooit voor u zal kloppen inAmazwaziland!”De koning stond plotseling stil—op dertig pas afstands van de blanken; ook de speerwacht, vierhonderd man sterk,[188]bleef staan, terwijl in de verte de assegaaien blonken van een snel naderend regiment.Met groote, strakke oogen staarde hij naar de wolk.„’t Was dezelfde wolk, o koning! Hadt gij op haar wenk gelet, dan zou de liefelijke roos van den Marikelenberg nog heden met haar zoete geur uw gaarde vervullen!”De toorn verdoofde in zijn oogen; er kwam een dof gekreun uit zijn breede borst.„O Walhoeli, gij doet mij veel pijn,” kwam het klagend over zijn lippen.„Om u voor andere pijn te bewaren, o koning,” zeide zij eerbiedig.Hij wenkte met de hand, en het hoorngeschal werd opnieuw vernomen, maar thans in vredige, langgerekte toonen. De speerwacht keerde terug naar haar vroegere standplaats, en de flikkerende speren in de verte verdwenen.„Mogen de blanken morgen verschijnen voor uw troon?” smeekte nu Walhoeli.„Neen,” zeide hij met waardigheid, „geen vreemdeling zal gewapend verschijnen voor mijn troon, maar om de liefelijke roos van den Marikelenberg, die eens voor een blanke bij mij pleitte, zal ik morgen de vierschaar spannen over Dingaan, den Zoeloe-koning, en gerechtigheid oefenen!”„Maar wie zullen er dan als getuigen optreden, als er geen blanken mogen verschijnen?” vraagde Walhoeli, want nieuwe zorgen kwamen er op in haar hart.„Wees gerust,” zeide de koning; „mijn spionnen, die ik naar Zoeloeland zond, kunnen heden nacht terug zijn, en zullen mij de waarheid brengen. Overmorgen vroeg, als de dauw optrekt, is Dingaan een vrij man, of ligt zijn gebeente te bleeken achter de gerechtsplaats, op den heuvel der misdadigers—ga nu, en zeg dit aan uw blanke vrienden!”Nog was de dauw niet opgetrokken, maar de dageraad vlamde reeds boven de bergen en valleien vanAmazwaziland, toen eene vrouw, eene kleurling, een groep kloeke ruiters te paard voorging het veld in.Allen verkeerden in ernstige stemming.De heuvel der misdadigers was spoedig bereikt.Een groep aasvogels vloog bij de nadering der ruiters op,[189]maar zette zich in de nabijheid weer neder, in de lage takken van een wilden olijvenboom.Zij bleven dicht in de nabijheid, want aasvogels zijn brutaal, en deze aasvogels hadden honger.Midden op den heuvel lag, als een bedekking, een kleed uitgespreid.De ruiters sprongen van hun paarden, en schaarden zich in een kring om dat kleed.„Onder dat kleed—,” fluisterde Walhoeli, „onder dat kleed—”Zij scheen den volzin niet te kunnen voltooien, want zij was aangegrepen door den ernst en de plechtigheid van dit oogenblik.De leeuwenjager nam het kleed langzaam weg.…Er werd geen kreet gehoord; zelfs geen woord. Slechts het gekras der aasvogels werd vernomen uit den wilden olijvenboom, want zij hadden honger, en de blanken vertoefden langer dan hun lief was.De leeuwenjager verbrak nu het zwijgen, en zijn hand uitstrekkend boven het lijk van Dingaan, den gewezen koning van Zoeloeland, zeide hij met langzame, van ontroering bevende stem: „Gewroken is het bloed van Piet Retief en zijn dapperen, en van Piet Uijs en zijn dapperen, en het bloed van vele mannen, vrouwen en kinderen, die wij liefhadden—moge het heidendom weten, dat God zijn volk zal wreken!”De ruiters verlieten nu den heuvel, maar een keurbende des konings, gewapend met schild en speer, stond hen op te wachten.„Ik heb het bevel van den koning ontvangen,” zeide de kapitein, „u als een veilig geleide te vergezellen tot aan de grenzen van ons land.”Zoo reden dan de ruiters, vergezeld door de snelvoetige Kaffers, naar het zuiden terug.Ook Walhoeli ging mee, maar toen in de verte het groene water zichtbaar werd van de Pongolorivier, keerden deAmazwazi’som, van de blanken vriendelijk afscheid nemend.Ook Walhoeli keerde terug.„Heb ik mijn gelofte gestand gedaan?” zeide zij.„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ten volle—wij danken u, Walhoeli!”Hij reikte haar de hand, die zij kuste. Zij scheen diep bewogen, maar snel liet zij zijn hand los, en voordat de[190]leeuwenjager nog iets kon zeggen, verdween zij zijwaarts in het bosch, en niemand heeft meer iets van haar gehoord.Maar het lijk van Dingaan was achtergebleven, op den heuvel der misdadigers—onbedekt. En de aasvogels zijn neergestreken uit den olijvenboom, en zij hebben met het wild gedierte uit het bosch gevochten om zijn vleesch, en de honden hebben zijn bloed gedronken—het bloed van Dingaan, den koning van Zoeloeland!
HOOFDSTUK XXVIII.
’t Is inderdaad een merkwaardige groep in die ruime, sombere, vochtige spelonk.Daar, in den hoek, zit de toovenares: Walhoeli.Het lange, pikzwarte haar hangt in zware strengen langs het donkere, gerimpelde gelaat, en de lange kraalsnoeren, die haar om de leden hangen, rinkelen bij de geringste beweging.Zij zit neergehurkt bij een pot, gevuld met water, die boven een hoogopvlammend vuur is gehangen, terwijl wierookwalmen de spelonk vervullen.Haar oogen gloeien als vuur, en met over elkander geslagen armen staart zij naar de dampen, die opstijgen uit den pot.Zij spreekt geen woord, slechts nu en dan bewegen zich haar lippen, om tooverspreuken te fluisteren.Een veertigtal ruiters staan, leunend op hun lange roeren, voor en in de spelonk en staren beurtelings naar het vuur, naar de in grillige vormen opstijgende dampen en naar de toovenares, terwijl op hun krachtige, door de zon gebruinde gelaatstrekken een zekere spanning onmiskenbaar is.Nog altijd zwijgt de geheimzinnige, raadselachtige vrouw, en uit de groep Boeren gaat een afkeurend gemompel op.„’t Is ’n waarzegster,” roept Dirk Kloppers, „eene echte[183]waarzegster; wij zijn den strijd met God begonnen—zullen wij hem met waarzegsters eindigen?”„’t Is eene toovenares—eene dochter van de toovenares van Endor,” meent Tijs de Jong, en hij stoot met den kolf van zijn geweer op den harden rotsgrond, dat de echo van den stoot dof weergalmt in de diepe grot.Maar de toovenares verroert zich niet; met schitterende oogen staart ze naar de grillige dampen, en zij schijnt in die dampen een vizioen te lezen.De leeuwenjager staat vlak naast haar; met ongeduldige gebaren kijkt hij haar aan, maar nog bedwingt hij zich.De spelonk bevindt zich midden in het gebergte, en de schorre schreeuw van een wilde papegaai en het hongerige gejank der hyena wordt uit de verte gehoord.„De blanke man heeft waarheid gesproken,” zegt zij eindelijk op langzamen, slependen toon; „koning Dingaan is gevlucht, zijn rijk is ineen gestort als een vermolmd huis, en hij heeft toevlucht gezocht bij ons, de Amazwazikaffers. Dingaan is de buffel, en de witmensch is de leeuw, en de leeuw zal den buffel najagen maar niet bereiken, want hij wordt gedekt door het schild der dappere Amazwazi’s! Maar ik—de omhoog kronkelende dampen zeggen het mij—maarik—”„Me dunkt, dat we wel heen kunnen gaan,” meent Lodewijk Jansen verachtelijk—„wat doen we hier in het hol van het heidendom?” en hij wendt zich reeds naar den uitgang der grot.„Maarikzal den buffel leveren,” roept zij, plotseling opspringend, met harde, snelle, krijschende stem; „hij heeft mijne drie kinderen voor mijn oogen afschuwelijk verminkt, doch het uur der wrake heeft geslagen!”Zij slaat met haar handen krampachtig in de lucht; dan zet zij zich weer uitgeput neder.Het vuur dooft nu uit, en de dampen verminderen.Zij kijkt den leeuwenjager strak aan.„Kent gij mij?” vraagt hij.Zij knikt bevestigend.„Wij hebben drie dagen in deze streken gezworven, Walhoeli, om u te vinden, want ik wist, dat koning Dingaan uw kinderen had mishandeld, en wij hebben grooten haast. Ik heb u eens geholpen, toen gij in grooten nood verkeerdet—”„Ik weet het, groote jager; gij hebt de dochter der Amazwazi’s gedrenkt, toen zij zou verdorsten.”[184]„En nu kunt gij ons helpen en uw dankbaarheid bewijzen, want gij hebt grooten invloed op uw volk. Gij kunt hen bewegen, dat zij koning Dingaan aan ons uitleveren.”Walhoeli schudt met het hoofd, dat de kraalsnoeren rinkelen.„Ik zal aan uw wensch niet kunnen voldoen,” zegt zij op bedaarden toon, „want het zou indruischen tegen de wetten van mijn volk. Doch indien Walhoeli, van wie haar volk getuigt, dat zij in de sterren den naderenden regen kan lezen, iets vermag, dan zal het gebeente van koning Dingaan, voordat de zon nog driemaal oprijst in het oosten, dienen tot spijs van den jakhals, die op de lijken loert.”„Dàt hoor ik liever dan dat heidensche toovergeleuter,” zegt Lodewijk Jansen met hartgrondigen nadruk, terwijl de Boeren zich naar buiten begeven.„Ik zal uw gids zijn,” zegt Walhoeli, „en u brengen, waar gij wezen moet.”„Is het wel geraden haar te volgen?” vraagt een voorzichtige Boer.„Zij is te vertrouwen,” zegt de leeuwenjager, „maar hoe deAmazwazi’sons zullen ontvangen, weet ik niet. In elk geval: onze paarden zijn vlug, en onze geweren geladen—wij zullen haar volgen!” En stapvoets volgen de Boeren, de omgeving behoedzaam opnemend, het vreemde schepsel.Vijf uur duurde de tocht; de zon neigde reeds naar het westen, toen de blanken bij de vorsten derAmazwazi’saankwamen.Koning Dingaan had zich onder hunne bescherming geplaatst, en zij zaten in een breeden kring, in de schaduw van eenige palmboomen, raad te houden, hoe men met hem zou handelen.Een eerewacht stond met gevelde speer op eenigen afstand.Walhoeli heette de blanken halt te houden, terwijl zij zich onbeschroomd tot in den kring der vorsten waagde.„Wat brengt u hier, sterrekijkster?” vraagde de oudste der vorsten, blijkbaar hun koning, de zwarte, vorschende oogen naar de verte slaande, waar hij de ruiters zag.„De dochter uws volks groet u,” zeide zij, eerbiedig ter aarde buigend, „en dat ge sterk moogt worden en machtig[185]als de olifant van dit land, die met zijn snuit de boomen ontwortelt! Ik heb als gids gediend voor het gezantschap, dat het machtige volk der witmenschen heeft afgezonden, om hun hulde en hun bede aan uw voeten neer te leggen, o groote koning!”„Wat willen zij?” vraagde hij met een flikkering van zijn zwarte oogen, en Umkowo, een zijner raadslieden, het woord nemend, zeide: „Zij zijn gekomen, om de gesteldheid van dit land te onderzoeken; het zijn verspieders, en gij zult verstandig doen, o koning, zoo gij hun tong stom maakt voor eeuwig.”„Mag ik spreken?” vraagde Walhoeli.„Spreek!” zeide de koning.„Umkowo de Schrandere spreekt dezen keer dwaze taal, o koning, want als die witmenschen verspieders waren, dan zouden zij zijn gekomen als het wild gedierte, dat des nachts over onze grasvelden sluipt. Maar zij komen op den dag, als de zon schijnt, omdat hun bedoelingen rein en klaar zijn als het licht der zon. Zij zoeken Dingaan, den vluchtenden koning der Zoeloes, en wenschen, dat hij hun worde uitgeleverd om de bloedwraak!”De vorsten keken bij deze tijding verwonderd op; zelfs Umkowo, die de schrandere werd genoemd.„Weet gij, Walhoeli, waar Dingaan is?” vraagde de koning op gedempten toon.„Hij is in gindsche kraal, o koning, waar ik de speren eenigerAmazwazi’szie blinken.”„Hoe weet gij dat, Walhoeli?”„Ik heb de wolken des hemels geraadpleegd, o koning, en die liegen niet!”„De wijsheid der goden woont in uw ziel,” zeide de koning vol eerbied.„Ik lees in de sterren en in het hart der koningen, en ik vergis mij nooit,”zeide zij op stouten toon.„Als gij in het hart der koningen leest, vertel mij dan toch, wat de koning denkt op dit oogenblik,”zeide Umkowo de Schrandere, die aan haar waarzeggerskunsten twijfelde, en haar den voet altijd dwars zette, omdat hij jaloersch was op haar grooten invloed.„Mag ik het zeggen, o koning?”Weer knikte hij met het hoofd.„Onze koning denkt, dat Dingaan niet kan worden uitgeleverd, omdat de gerechtigheid derAmazwazi’sen niet[186]de gerechtigheid der blanken mag heerschen ten noorden der Pongolo-rivier.”„Gij hebt naar waarheid gesproken, Walhoeli—dat de speerwacht de vreemdelingen hier brenge!”De wacht rukte op naar de ruiters, doch de hoofdman keerde alleen terug.„Zij willen hun wapens niet afgeven, o koning,” rapporteerde de hoofdman. „Hun aanvoerder zegt, dat zij dit niet doen en in der eeuwigheid niet zullen doen, sinds Dingaan hun dapperste mannen, die ongewapend voor hem verschenen, als lammeren heeft geslacht!”De welwillendheid, die tot nog toe op het gelaat van den koning was zichtbaar geweest, verdween echter bij deze woorden, en zijn oogen stonden strak en toornig.„Om deze weigering hebben zij u, o koning, beleedigd,” meende een der vorsten.„En zijn des doods schuldig!” riep Umkowo.„Die daar opstaat, is zeker hun koning,” zeide de leeuwenjager, terwijl zijn scherpe oogen onafgewend op den kring der vorsten waren gericht, „maar al kwam de koning aan de spits van zijn geheele leger, wij geven onze wapens niet af.”„Me dunkt, dat het tijd wordt!” meende Kees Bouwer, en hij wendde reeds den teugel van zijn paard, om te vluchten.„Dat komt er van, als men met waarzeggers aanlegt,” zeide Lodewijk Jansen, zonder Bouwer’s voorbeeld te volgen.„Was het mij om haar tooverspreuken te doen?” riep de leeuwenjager op luiden toon; „ik heb geene waarzegster gezocht, maar een gids, eene voorspraak onder deze wilde Kaffers, en dat is mij genoeg!”„Een mooie voorspraak!” riep een der achterste Boeren op spottenden toon.„Gij hebt ons in de knoei gebracht—breng er ons nu ook weer uit, Teunis,” meende een ander, dood bedaard zijn houten pijp stoppend.„En als gij het niet doet, dan hoop ik, dat deze dochter van Endor het zal doen,” meende Dirk Kloppers uit den grond van zijn hart.Plotseling weerklonk luid hoorngeschal, wijd uit de verte snel en driftig beantwoord.[187]„Nu wordt het meenens,” zeide Tijs de Jong.Zelfs de leeuwenjager werd een tint bleeker, maar overigens was er niets aan hem te bespeuren.„Ik vermoed, dat gij van plan zijt om te vluchten, Kees Bouwer,” zeide hij bedaard, „maar ik raad je, om het te laten, want ik schiet je niet graag dood.”Kees Bouwer liet zich gezeggen en bleef.Het was verstandig, want de leeuwenjager zou anders werkelijk op hem hebben geschoten. Slechts door eendrachtig het dreigend gevaar te trotseeren, was er kans van ontkoming.„Kalm en bedaard,” vermaande hij nu, „en de oogen open!”„Gij zult het niet doen, o koning,” zeide Walhoeli, smeekend voor zijn voeten nederknielend.„Ga mij uit den weg,” riep hij toornig, „of de brullende leeuw zal u verbrijzelen onder zijn voet!”„Koning—de goden waarschuwen u!” gilde zij, „zie toch—zie toch!”Zij wees met beide handen naar boven, waar een grillig gevormde wolk langzaam voortdreef aan den overigens bijna wolkeloozen hemel.De koning keek omhoog.„Een wolk,” mompelde hij verachtelijk.„Een wolk, o koning,” zeide zij, „waarin de bode woont van den grooten Geest. Ik Walhoeli, in wie de geest der wijsheid woont, zeg het u!”De koning scheen deze woorden niet eens te hooren.„Ziet gij dan niet, o koning, dat die wolkebode van den grooten Geest den vinger dreigend heeft uitgestrekt? ’t Is dezelfde wolk van vier jaar geleden, o koning!”„Zwijg,” riep hij grimmig—„speerwacht, voorwaarts!”Maar Walhoeli zweeg niet.„Zij at uit uwe hand, de liefelijke roos van den Marikelenberg, en uit uwen beker dronk zij. Zij wekte u elken morgen met snarenspel, en elken avond zong zij u haar schoonste liederen. Maar de slang der ijverzucht siste u een leugen in het oor, en gij hebt de speer gestooten in het trouwste hart, dat ooit voor u heeft geklopt en ooit voor u zal kloppen inAmazwaziland!”De koning stond plotseling stil—op dertig pas afstands van de blanken; ook de speerwacht, vierhonderd man sterk,[188]bleef staan, terwijl in de verte de assegaaien blonken van een snel naderend regiment.Met groote, strakke oogen staarde hij naar de wolk.„’t Was dezelfde wolk, o koning! Hadt gij op haar wenk gelet, dan zou de liefelijke roos van den Marikelenberg nog heden met haar zoete geur uw gaarde vervullen!”De toorn verdoofde in zijn oogen; er kwam een dof gekreun uit zijn breede borst.„O Walhoeli, gij doet mij veel pijn,” kwam het klagend over zijn lippen.„Om u voor andere pijn te bewaren, o koning,” zeide zij eerbiedig.Hij wenkte met de hand, en het hoorngeschal werd opnieuw vernomen, maar thans in vredige, langgerekte toonen. De speerwacht keerde terug naar haar vroegere standplaats, en de flikkerende speren in de verte verdwenen.„Mogen de blanken morgen verschijnen voor uw troon?” smeekte nu Walhoeli.„Neen,” zeide hij met waardigheid, „geen vreemdeling zal gewapend verschijnen voor mijn troon, maar om de liefelijke roos van den Marikelenberg, die eens voor een blanke bij mij pleitte, zal ik morgen de vierschaar spannen over Dingaan, den Zoeloe-koning, en gerechtigheid oefenen!”„Maar wie zullen er dan als getuigen optreden, als er geen blanken mogen verschijnen?” vraagde Walhoeli, want nieuwe zorgen kwamen er op in haar hart.„Wees gerust,” zeide de koning; „mijn spionnen, die ik naar Zoeloeland zond, kunnen heden nacht terug zijn, en zullen mij de waarheid brengen. Overmorgen vroeg, als de dauw optrekt, is Dingaan een vrij man, of ligt zijn gebeente te bleeken achter de gerechtsplaats, op den heuvel der misdadigers—ga nu, en zeg dit aan uw blanke vrienden!”Nog was de dauw niet opgetrokken, maar de dageraad vlamde reeds boven de bergen en valleien vanAmazwaziland, toen eene vrouw, eene kleurling, een groep kloeke ruiters te paard voorging het veld in.Allen verkeerden in ernstige stemming.De heuvel der misdadigers was spoedig bereikt.Een groep aasvogels vloog bij de nadering der ruiters op,[189]maar zette zich in de nabijheid weer neder, in de lage takken van een wilden olijvenboom.Zij bleven dicht in de nabijheid, want aasvogels zijn brutaal, en deze aasvogels hadden honger.Midden op den heuvel lag, als een bedekking, een kleed uitgespreid.De ruiters sprongen van hun paarden, en schaarden zich in een kring om dat kleed.„Onder dat kleed—,” fluisterde Walhoeli, „onder dat kleed—”Zij scheen den volzin niet te kunnen voltooien, want zij was aangegrepen door den ernst en de plechtigheid van dit oogenblik.De leeuwenjager nam het kleed langzaam weg.…Er werd geen kreet gehoord; zelfs geen woord. Slechts het gekras der aasvogels werd vernomen uit den wilden olijvenboom, want zij hadden honger, en de blanken vertoefden langer dan hun lief was.De leeuwenjager verbrak nu het zwijgen, en zijn hand uitstrekkend boven het lijk van Dingaan, den gewezen koning van Zoeloeland, zeide hij met langzame, van ontroering bevende stem: „Gewroken is het bloed van Piet Retief en zijn dapperen, en van Piet Uijs en zijn dapperen, en het bloed van vele mannen, vrouwen en kinderen, die wij liefhadden—moge het heidendom weten, dat God zijn volk zal wreken!”De ruiters verlieten nu den heuvel, maar een keurbende des konings, gewapend met schild en speer, stond hen op te wachten.„Ik heb het bevel van den koning ontvangen,” zeide de kapitein, „u als een veilig geleide te vergezellen tot aan de grenzen van ons land.”Zoo reden dan de ruiters, vergezeld door de snelvoetige Kaffers, naar het zuiden terug.Ook Walhoeli ging mee, maar toen in de verte het groene water zichtbaar werd van de Pongolorivier, keerden deAmazwazi’som, van de blanken vriendelijk afscheid nemend.Ook Walhoeli keerde terug.„Heb ik mijn gelofte gestand gedaan?” zeide zij.„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ten volle—wij danken u, Walhoeli!”Hij reikte haar de hand, die zij kuste. Zij scheen diep bewogen, maar snel liet zij zijn hand los, en voordat de[190]leeuwenjager nog iets kon zeggen, verdween zij zijwaarts in het bosch, en niemand heeft meer iets van haar gehoord.Maar het lijk van Dingaan was achtergebleven, op den heuvel der misdadigers—onbedekt. En de aasvogels zijn neergestreken uit den olijvenboom, en zij hebben met het wild gedierte uit het bosch gevochten om zijn vleesch, en de honden hebben zijn bloed gedronken—het bloed van Dingaan, den koning van Zoeloeland!
’t Is inderdaad een merkwaardige groep in die ruime, sombere, vochtige spelonk.
Daar, in den hoek, zit de toovenares: Walhoeli.
Het lange, pikzwarte haar hangt in zware strengen langs het donkere, gerimpelde gelaat, en de lange kraalsnoeren, die haar om de leden hangen, rinkelen bij de geringste beweging.
Zij zit neergehurkt bij een pot, gevuld met water, die boven een hoogopvlammend vuur is gehangen, terwijl wierookwalmen de spelonk vervullen.
Haar oogen gloeien als vuur, en met over elkander geslagen armen staart zij naar de dampen, die opstijgen uit den pot.
Zij spreekt geen woord, slechts nu en dan bewegen zich haar lippen, om tooverspreuken te fluisteren.
Een veertigtal ruiters staan, leunend op hun lange roeren, voor en in de spelonk en staren beurtelings naar het vuur, naar de in grillige vormen opstijgende dampen en naar de toovenares, terwijl op hun krachtige, door de zon gebruinde gelaatstrekken een zekere spanning onmiskenbaar is.
Nog altijd zwijgt de geheimzinnige, raadselachtige vrouw, en uit de groep Boeren gaat een afkeurend gemompel op.
„’t Is ’n waarzegster,” roept Dirk Kloppers, „eene echte[183]waarzegster; wij zijn den strijd met God begonnen—zullen wij hem met waarzegsters eindigen?”
„’t Is eene toovenares—eene dochter van de toovenares van Endor,” meent Tijs de Jong, en hij stoot met den kolf van zijn geweer op den harden rotsgrond, dat de echo van den stoot dof weergalmt in de diepe grot.
Maar de toovenares verroert zich niet; met schitterende oogen staart ze naar de grillige dampen, en zij schijnt in die dampen een vizioen te lezen.
De leeuwenjager staat vlak naast haar; met ongeduldige gebaren kijkt hij haar aan, maar nog bedwingt hij zich.
De spelonk bevindt zich midden in het gebergte, en de schorre schreeuw van een wilde papegaai en het hongerige gejank der hyena wordt uit de verte gehoord.
„De blanke man heeft waarheid gesproken,” zegt zij eindelijk op langzamen, slependen toon; „koning Dingaan is gevlucht, zijn rijk is ineen gestort als een vermolmd huis, en hij heeft toevlucht gezocht bij ons, de Amazwazikaffers. Dingaan is de buffel, en de witmensch is de leeuw, en de leeuw zal den buffel najagen maar niet bereiken, want hij wordt gedekt door het schild der dappere Amazwazi’s! Maar ik—de omhoog kronkelende dampen zeggen het mij—maarik—”
„Me dunkt, dat we wel heen kunnen gaan,” meent Lodewijk Jansen verachtelijk—„wat doen we hier in het hol van het heidendom?” en hij wendt zich reeds naar den uitgang der grot.
„Maarikzal den buffel leveren,” roept zij, plotseling opspringend, met harde, snelle, krijschende stem; „hij heeft mijne drie kinderen voor mijn oogen afschuwelijk verminkt, doch het uur der wrake heeft geslagen!”
Zij slaat met haar handen krampachtig in de lucht; dan zet zij zich weer uitgeput neder.
Het vuur dooft nu uit, en de dampen verminderen.
Zij kijkt den leeuwenjager strak aan.
„Kent gij mij?” vraagt hij.
Zij knikt bevestigend.
„Wij hebben drie dagen in deze streken gezworven, Walhoeli, om u te vinden, want ik wist, dat koning Dingaan uw kinderen had mishandeld, en wij hebben grooten haast. Ik heb u eens geholpen, toen gij in grooten nood verkeerdet—”
„Ik weet het, groote jager; gij hebt de dochter der Amazwazi’s gedrenkt, toen zij zou verdorsten.”[184]
„En nu kunt gij ons helpen en uw dankbaarheid bewijzen, want gij hebt grooten invloed op uw volk. Gij kunt hen bewegen, dat zij koning Dingaan aan ons uitleveren.”
Walhoeli schudt met het hoofd, dat de kraalsnoeren rinkelen.
„Ik zal aan uw wensch niet kunnen voldoen,” zegt zij op bedaarden toon, „want het zou indruischen tegen de wetten van mijn volk. Doch indien Walhoeli, van wie haar volk getuigt, dat zij in de sterren den naderenden regen kan lezen, iets vermag, dan zal het gebeente van koning Dingaan, voordat de zon nog driemaal oprijst in het oosten, dienen tot spijs van den jakhals, die op de lijken loert.”
„Dàt hoor ik liever dan dat heidensche toovergeleuter,” zegt Lodewijk Jansen met hartgrondigen nadruk, terwijl de Boeren zich naar buiten begeven.
„Ik zal uw gids zijn,” zegt Walhoeli, „en u brengen, waar gij wezen moet.”
„Is het wel geraden haar te volgen?” vraagt een voorzichtige Boer.
„Zij is te vertrouwen,” zegt de leeuwenjager, „maar hoe deAmazwazi’sons zullen ontvangen, weet ik niet. In elk geval: onze paarden zijn vlug, en onze geweren geladen—wij zullen haar volgen!” En stapvoets volgen de Boeren, de omgeving behoedzaam opnemend, het vreemde schepsel.
Vijf uur duurde de tocht; de zon neigde reeds naar het westen, toen de blanken bij de vorsten derAmazwazi’saankwamen.
Koning Dingaan had zich onder hunne bescherming geplaatst, en zij zaten in een breeden kring, in de schaduw van eenige palmboomen, raad te houden, hoe men met hem zou handelen.
Een eerewacht stond met gevelde speer op eenigen afstand.
Walhoeli heette de blanken halt te houden, terwijl zij zich onbeschroomd tot in den kring der vorsten waagde.
„Wat brengt u hier, sterrekijkster?” vraagde de oudste der vorsten, blijkbaar hun koning, de zwarte, vorschende oogen naar de verte slaande, waar hij de ruiters zag.
„De dochter uws volks groet u,” zeide zij, eerbiedig ter aarde buigend, „en dat ge sterk moogt worden en machtig[185]als de olifant van dit land, die met zijn snuit de boomen ontwortelt! Ik heb als gids gediend voor het gezantschap, dat het machtige volk der witmenschen heeft afgezonden, om hun hulde en hun bede aan uw voeten neer te leggen, o groote koning!”
„Wat willen zij?” vraagde hij met een flikkering van zijn zwarte oogen, en Umkowo, een zijner raadslieden, het woord nemend, zeide: „Zij zijn gekomen, om de gesteldheid van dit land te onderzoeken; het zijn verspieders, en gij zult verstandig doen, o koning, zoo gij hun tong stom maakt voor eeuwig.”
„Mag ik spreken?” vraagde Walhoeli.
„Spreek!” zeide de koning.
„Umkowo de Schrandere spreekt dezen keer dwaze taal, o koning, want als die witmenschen verspieders waren, dan zouden zij zijn gekomen als het wild gedierte, dat des nachts over onze grasvelden sluipt. Maar zij komen op den dag, als de zon schijnt, omdat hun bedoelingen rein en klaar zijn als het licht der zon. Zij zoeken Dingaan, den vluchtenden koning der Zoeloes, en wenschen, dat hij hun worde uitgeleverd om de bloedwraak!”
De vorsten keken bij deze tijding verwonderd op; zelfs Umkowo, die de schrandere werd genoemd.
„Weet gij, Walhoeli, waar Dingaan is?” vraagde de koning op gedempten toon.
„Hij is in gindsche kraal, o koning, waar ik de speren eenigerAmazwazi’szie blinken.”
„Hoe weet gij dat, Walhoeli?”
„Ik heb de wolken des hemels geraadpleegd, o koning, en die liegen niet!”
„De wijsheid der goden woont in uw ziel,” zeide de koning vol eerbied.
„Ik lees in de sterren en in het hart der koningen, en ik vergis mij nooit,”zeide zij op stouten toon.
„Als gij in het hart der koningen leest, vertel mij dan toch, wat de koning denkt op dit oogenblik,”zeide Umkowo de Schrandere, die aan haar waarzeggerskunsten twijfelde, en haar den voet altijd dwars zette, omdat hij jaloersch was op haar grooten invloed.
„Mag ik het zeggen, o koning?”
Weer knikte hij met het hoofd.
„Onze koning denkt, dat Dingaan niet kan worden uitgeleverd, omdat de gerechtigheid derAmazwazi’sen niet[186]de gerechtigheid der blanken mag heerschen ten noorden der Pongolo-rivier.”
„Gij hebt naar waarheid gesproken, Walhoeli—dat de speerwacht de vreemdelingen hier brenge!”
De wacht rukte op naar de ruiters, doch de hoofdman keerde alleen terug.
„Zij willen hun wapens niet afgeven, o koning,” rapporteerde de hoofdman. „Hun aanvoerder zegt, dat zij dit niet doen en in der eeuwigheid niet zullen doen, sinds Dingaan hun dapperste mannen, die ongewapend voor hem verschenen, als lammeren heeft geslacht!”
De welwillendheid, die tot nog toe op het gelaat van den koning was zichtbaar geweest, verdween echter bij deze woorden, en zijn oogen stonden strak en toornig.
„Om deze weigering hebben zij u, o koning, beleedigd,” meende een der vorsten.
„En zijn des doods schuldig!” riep Umkowo.
„Die daar opstaat, is zeker hun koning,” zeide de leeuwenjager, terwijl zijn scherpe oogen onafgewend op den kring der vorsten waren gericht, „maar al kwam de koning aan de spits van zijn geheele leger, wij geven onze wapens niet af.”
„Me dunkt, dat het tijd wordt!” meende Kees Bouwer, en hij wendde reeds den teugel van zijn paard, om te vluchten.
„Dat komt er van, als men met waarzeggers aanlegt,” zeide Lodewijk Jansen, zonder Bouwer’s voorbeeld te volgen.
„Was het mij om haar tooverspreuken te doen?” riep de leeuwenjager op luiden toon; „ik heb geene waarzegster gezocht, maar een gids, eene voorspraak onder deze wilde Kaffers, en dat is mij genoeg!”
„Een mooie voorspraak!” riep een der achterste Boeren op spottenden toon.
„Gij hebt ons in de knoei gebracht—breng er ons nu ook weer uit, Teunis,” meende een ander, dood bedaard zijn houten pijp stoppend.
„En als gij het niet doet, dan hoop ik, dat deze dochter van Endor het zal doen,” meende Dirk Kloppers uit den grond van zijn hart.
Plotseling weerklonk luid hoorngeschal, wijd uit de verte snel en driftig beantwoord.[187]
„Nu wordt het meenens,” zeide Tijs de Jong.
Zelfs de leeuwenjager werd een tint bleeker, maar overigens was er niets aan hem te bespeuren.
„Ik vermoed, dat gij van plan zijt om te vluchten, Kees Bouwer,” zeide hij bedaard, „maar ik raad je, om het te laten, want ik schiet je niet graag dood.”
Kees Bouwer liet zich gezeggen en bleef.
Het was verstandig, want de leeuwenjager zou anders werkelijk op hem hebben geschoten. Slechts door eendrachtig het dreigend gevaar te trotseeren, was er kans van ontkoming.
„Kalm en bedaard,” vermaande hij nu, „en de oogen open!”
„Gij zult het niet doen, o koning,” zeide Walhoeli, smeekend voor zijn voeten nederknielend.
„Ga mij uit den weg,” riep hij toornig, „of de brullende leeuw zal u verbrijzelen onder zijn voet!”
„Koning—de goden waarschuwen u!” gilde zij, „zie toch—zie toch!”
Zij wees met beide handen naar boven, waar een grillig gevormde wolk langzaam voortdreef aan den overigens bijna wolkeloozen hemel.
De koning keek omhoog.
„Een wolk,” mompelde hij verachtelijk.
„Een wolk, o koning,” zeide zij, „waarin de bode woont van den grooten Geest. Ik Walhoeli, in wie de geest der wijsheid woont, zeg het u!”
De koning scheen deze woorden niet eens te hooren.
„Ziet gij dan niet, o koning, dat die wolkebode van den grooten Geest den vinger dreigend heeft uitgestrekt? ’t Is dezelfde wolk van vier jaar geleden, o koning!”
„Zwijg,” riep hij grimmig—„speerwacht, voorwaarts!”
Maar Walhoeli zweeg niet.
„Zij at uit uwe hand, de liefelijke roos van den Marikelenberg, en uit uwen beker dronk zij. Zij wekte u elken morgen met snarenspel, en elken avond zong zij u haar schoonste liederen. Maar de slang der ijverzucht siste u een leugen in het oor, en gij hebt de speer gestooten in het trouwste hart, dat ooit voor u heeft geklopt en ooit voor u zal kloppen inAmazwaziland!”
De koning stond plotseling stil—op dertig pas afstands van de blanken; ook de speerwacht, vierhonderd man sterk,[188]bleef staan, terwijl in de verte de assegaaien blonken van een snel naderend regiment.
Met groote, strakke oogen staarde hij naar de wolk.
„’t Was dezelfde wolk, o koning! Hadt gij op haar wenk gelet, dan zou de liefelijke roos van den Marikelenberg nog heden met haar zoete geur uw gaarde vervullen!”
De toorn verdoofde in zijn oogen; er kwam een dof gekreun uit zijn breede borst.
„O Walhoeli, gij doet mij veel pijn,” kwam het klagend over zijn lippen.
„Om u voor andere pijn te bewaren, o koning,” zeide zij eerbiedig.
Hij wenkte met de hand, en het hoorngeschal werd opnieuw vernomen, maar thans in vredige, langgerekte toonen. De speerwacht keerde terug naar haar vroegere standplaats, en de flikkerende speren in de verte verdwenen.
„Mogen de blanken morgen verschijnen voor uw troon?” smeekte nu Walhoeli.
„Neen,” zeide hij met waardigheid, „geen vreemdeling zal gewapend verschijnen voor mijn troon, maar om de liefelijke roos van den Marikelenberg, die eens voor een blanke bij mij pleitte, zal ik morgen de vierschaar spannen over Dingaan, den Zoeloe-koning, en gerechtigheid oefenen!”
„Maar wie zullen er dan als getuigen optreden, als er geen blanken mogen verschijnen?” vraagde Walhoeli, want nieuwe zorgen kwamen er op in haar hart.
„Wees gerust,” zeide de koning; „mijn spionnen, die ik naar Zoeloeland zond, kunnen heden nacht terug zijn, en zullen mij de waarheid brengen. Overmorgen vroeg, als de dauw optrekt, is Dingaan een vrij man, of ligt zijn gebeente te bleeken achter de gerechtsplaats, op den heuvel der misdadigers—ga nu, en zeg dit aan uw blanke vrienden!”
Nog was de dauw niet opgetrokken, maar de dageraad vlamde reeds boven de bergen en valleien vanAmazwaziland, toen eene vrouw, eene kleurling, een groep kloeke ruiters te paard voorging het veld in.
Allen verkeerden in ernstige stemming.
De heuvel der misdadigers was spoedig bereikt.
Een groep aasvogels vloog bij de nadering der ruiters op,[189]maar zette zich in de nabijheid weer neder, in de lage takken van een wilden olijvenboom.
Zij bleven dicht in de nabijheid, want aasvogels zijn brutaal, en deze aasvogels hadden honger.
Midden op den heuvel lag, als een bedekking, een kleed uitgespreid.
De ruiters sprongen van hun paarden, en schaarden zich in een kring om dat kleed.
„Onder dat kleed—,” fluisterde Walhoeli, „onder dat kleed—”
Zij scheen den volzin niet te kunnen voltooien, want zij was aangegrepen door den ernst en de plechtigheid van dit oogenblik.
De leeuwenjager nam het kleed langzaam weg.…
Er werd geen kreet gehoord; zelfs geen woord. Slechts het gekras der aasvogels werd vernomen uit den wilden olijvenboom, want zij hadden honger, en de blanken vertoefden langer dan hun lief was.
De leeuwenjager verbrak nu het zwijgen, en zijn hand uitstrekkend boven het lijk van Dingaan, den gewezen koning van Zoeloeland, zeide hij met langzame, van ontroering bevende stem: „Gewroken is het bloed van Piet Retief en zijn dapperen, en van Piet Uijs en zijn dapperen, en het bloed van vele mannen, vrouwen en kinderen, die wij liefhadden—moge het heidendom weten, dat God zijn volk zal wreken!”
De ruiters verlieten nu den heuvel, maar een keurbende des konings, gewapend met schild en speer, stond hen op te wachten.
„Ik heb het bevel van den koning ontvangen,” zeide de kapitein, „u als een veilig geleide te vergezellen tot aan de grenzen van ons land.”
Zoo reden dan de ruiters, vergezeld door de snelvoetige Kaffers, naar het zuiden terug.
Ook Walhoeli ging mee, maar toen in de verte het groene water zichtbaar werd van de Pongolorivier, keerden deAmazwazi’som, van de blanken vriendelijk afscheid nemend.
Ook Walhoeli keerde terug.
„Heb ik mijn gelofte gestand gedaan?” zeide zij.
„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ten volle—wij danken u, Walhoeli!”
Hij reikte haar de hand, die zij kuste. Zij scheen diep bewogen, maar snel liet zij zijn hand los, en voordat de[190]leeuwenjager nog iets kon zeggen, verdween zij zijwaarts in het bosch, en niemand heeft meer iets van haar gehoord.
Maar het lijk van Dingaan was achtergebleven, op den heuvel der misdadigers—onbedekt. En de aasvogels zijn neergestreken uit den olijvenboom, en zij hebben met het wild gedierte uit het bosch gevochten om zijn vleesch, en de honden hebben zijn bloed gedronken—het bloed van Dingaan, den koning van Zoeloeland!