LIII.Waarom hoondet gij mij met een blik?Ik kwam niet als een beedelaar.Een uurtje maar stond ik aan het einde van uwen hof, buiten de heg.Waarom hoondet gij mij met een blik?Geen roos nam ik uit uwen tuin, geen vrucht heb ik geplukt.Ik schuilde neederig in de schaduw aan den weg, waar elke vreemde reiziger mag staan.Geen roos heb ik geplukt.Ja, mijn voeten waren moe, en de reegenbui kwam neer.De wind gierde tusschen de zwaayende bamboe-twijgen.De wolken snelden langs den heemel als verslagen vluchtelingen.Mijn voeten waren moede.Ik weet niet wat gij van mij dacht, noch op wien gij wachtet aan uw deur.Bliksemflitsen verblindden uw waakzame oogen.Hoe wist ik dat gij mij zien kondet, waar ik stond in ’t donker?Ik weet niet wat gij van mij dacht.De dag is ten einde, de reegen heeft éven opgehouden.Ik verlaat de schaduw van den boom aan het eind van uwen hof, en de zitplaats op het gras.Het is donker geworden, sluit uw deur, ik ga mijns weegs.De dag is ten einde.
LIII.Waarom hoondet gij mij met een blik?Ik kwam niet als een beedelaar.Een uurtje maar stond ik aan het einde van uwen hof, buiten de heg.Waarom hoondet gij mij met een blik?Geen roos nam ik uit uwen tuin, geen vrucht heb ik geplukt.Ik schuilde neederig in de schaduw aan den weg, waar elke vreemde reiziger mag staan.Geen roos heb ik geplukt.Ja, mijn voeten waren moe, en de reegenbui kwam neer.De wind gierde tusschen de zwaayende bamboe-twijgen.De wolken snelden langs den heemel als verslagen vluchtelingen.Mijn voeten waren moede.Ik weet niet wat gij van mij dacht, noch op wien gij wachtet aan uw deur.Bliksemflitsen verblindden uw waakzame oogen.Hoe wist ik dat gij mij zien kondet, waar ik stond in ’t donker?Ik weet niet wat gij van mij dacht.De dag is ten einde, de reegen heeft éven opgehouden.Ik verlaat de schaduw van den boom aan het eind van uwen hof, en de zitplaats op het gras.Het is donker geworden, sluit uw deur, ik ga mijns weegs.De dag is ten einde.
LIII.
Waarom hoondet gij mij met een blik?Ik kwam niet als een beedelaar.Een uurtje maar stond ik aan het einde van uwen hof, buiten de heg.Waarom hoondet gij mij met een blik?Geen roos nam ik uit uwen tuin, geen vrucht heb ik geplukt.Ik schuilde neederig in de schaduw aan den weg, waar elke vreemde reiziger mag staan.Geen roos heb ik geplukt.Ja, mijn voeten waren moe, en de reegenbui kwam neer.De wind gierde tusschen de zwaayende bamboe-twijgen.De wolken snelden langs den heemel als verslagen vluchtelingen.Mijn voeten waren moede.Ik weet niet wat gij van mij dacht, noch op wien gij wachtet aan uw deur.Bliksemflitsen verblindden uw waakzame oogen.Hoe wist ik dat gij mij zien kondet, waar ik stond in ’t donker?Ik weet niet wat gij van mij dacht.De dag is ten einde, de reegen heeft éven opgehouden.Ik verlaat de schaduw van den boom aan het eind van uwen hof, en de zitplaats op het gras.Het is donker geworden, sluit uw deur, ik ga mijns weegs.De dag is ten einde.
Waarom hoondet gij mij met een blik?
Ik kwam niet als een beedelaar.
Een uurtje maar stond ik aan het einde van uwen hof, buiten de heg.
Waarom hoondet gij mij met een blik?
Geen roos nam ik uit uwen tuin, geen vrucht heb ik geplukt.
Ik schuilde neederig in de schaduw aan den weg, waar elke vreemde reiziger mag staan.
Geen roos heb ik geplukt.
Ja, mijn voeten waren moe, en de reegenbui kwam neer.
De wind gierde tusschen de zwaayende bamboe-twijgen.
De wolken snelden langs den heemel als verslagen vluchtelingen.
Mijn voeten waren moede.
Ik weet niet wat gij van mij dacht, noch op wien gij wachtet aan uw deur.
Bliksemflitsen verblindden uw waakzame oogen.
Hoe wist ik dat gij mij zien kondet, waar ik stond in ’t donker?
Ik weet niet wat gij van mij dacht.
De dag is ten einde, de reegen heeft éven opgehouden.
Ik verlaat de schaduw van den boom aan het eind van uwen hof, en de zitplaats op het gras.
Het is donker geworden, sluit uw deur, ik ga mijns weegs.
De dag is ten einde.