LIV.

LIV.Waarheen zoo haastig met uw mand op den laten avond, nu de markt geslooten is?Allen zijn nu thuis met hun vrachten; de maan kijkt booven de boomen van het dorp.De echoos van de stemmen, die roepen naar den ooverhaal, vlieden oover het donkere water naar het verre moeras waar de wilde eenden slapen.Waarheen zoo haastig met uw mand, nu de markt is geslooten?Slaap legde haar vingers op de oogen van den nacht.De nesten van de kraayen zijn stil geworden, en de fluisteringen van de bamboebladen zwijgen.De arbeiders, die thuis kwamen van den akker, spreiden hun matten in den binnenhof.Waarheen zoo haastig met uw mand, nu de markt geslooten is?

LIV.Waarheen zoo haastig met uw mand op den laten avond, nu de markt geslooten is?Allen zijn nu thuis met hun vrachten; de maan kijkt booven de boomen van het dorp.De echoos van de stemmen, die roepen naar den ooverhaal, vlieden oover het donkere water naar het verre moeras waar de wilde eenden slapen.Waarheen zoo haastig met uw mand, nu de markt is geslooten?Slaap legde haar vingers op de oogen van den nacht.De nesten van de kraayen zijn stil geworden, en de fluisteringen van de bamboebladen zwijgen.De arbeiders, die thuis kwamen van den akker, spreiden hun matten in den binnenhof.Waarheen zoo haastig met uw mand, nu de markt geslooten is?

LIV.

Waarheen zoo haastig met uw mand op den laten avond, nu de markt geslooten is?Allen zijn nu thuis met hun vrachten; de maan kijkt booven de boomen van het dorp.De echoos van de stemmen, die roepen naar den ooverhaal, vlieden oover het donkere water naar het verre moeras waar de wilde eenden slapen.Waarheen zoo haastig met uw mand, nu de markt is geslooten?Slaap legde haar vingers op de oogen van den nacht.De nesten van de kraayen zijn stil geworden, en de fluisteringen van de bamboebladen zwijgen.De arbeiders, die thuis kwamen van den akker, spreiden hun matten in den binnenhof.Waarheen zoo haastig met uw mand, nu de markt geslooten is?

Waarheen zoo haastig met uw mand op den laten avond, nu de markt geslooten is?

Allen zijn nu thuis met hun vrachten; de maan kijkt booven de boomen van het dorp.

De echoos van de stemmen, die roepen naar den ooverhaal, vlieden oover het donkere water naar het verre moeras waar de wilde eenden slapen.

Waarheen zoo haastig met uw mand, nu de markt is geslooten?

Slaap legde haar vingers op de oogen van den nacht.

De nesten van de kraayen zijn stil geworden, en de fluisteringen van de bamboebladen zwijgen.

De arbeiders, die thuis kwamen van den akker, spreiden hun matten in den binnenhof.

Waarheen zoo haastig met uw mand, nu de markt geslooten is?


Back to IndexNext