LXII.

LXII.Ik ging op het donkere droomenpad om de Geliefde te zoeken, die de mijne was in een vroeger leeven.Haar huis stond aan het eind van een verlaten straat.Haar lievelings-paauw zat in de avondkoelte dommelend op zijn kruk, en de duiven waren stil in hun hoekje.Zij zette haar lamp neer bij den voorhal en stond vóór mij.Zij hief haar groote oogen op naar mijn gelaat en vroeg sprakeloos: „Gaat het u goed, mijn vriend?”Ik poogde te antwoorden, maar onze taal was verlooren en vergeeten.Ik peinsde en peinsde; maar onze namen kon ik niet herinneren.Tranen blonken in haar oogen. Ze hield haar rechterhand tot mij op. Ik nam die en stond zwijgend.Onze lamp had geflakkerd in de avondkoelte—en doofde.

LXII.Ik ging op het donkere droomenpad om de Geliefde te zoeken, die de mijne was in een vroeger leeven.Haar huis stond aan het eind van een verlaten straat.Haar lievelings-paauw zat in de avondkoelte dommelend op zijn kruk, en de duiven waren stil in hun hoekje.Zij zette haar lamp neer bij den voorhal en stond vóór mij.Zij hief haar groote oogen op naar mijn gelaat en vroeg sprakeloos: „Gaat het u goed, mijn vriend?”Ik poogde te antwoorden, maar onze taal was verlooren en vergeeten.Ik peinsde en peinsde; maar onze namen kon ik niet herinneren.Tranen blonken in haar oogen. Ze hield haar rechterhand tot mij op. Ik nam die en stond zwijgend.Onze lamp had geflakkerd in de avondkoelte—en doofde.

LXII.

Ik ging op het donkere droomenpad om de Geliefde te zoeken, die de mijne was in een vroeger leeven.Haar huis stond aan het eind van een verlaten straat.Haar lievelings-paauw zat in de avondkoelte dommelend op zijn kruk, en de duiven waren stil in hun hoekje.Zij zette haar lamp neer bij den voorhal en stond vóór mij.Zij hief haar groote oogen op naar mijn gelaat en vroeg sprakeloos: „Gaat het u goed, mijn vriend?”Ik poogde te antwoorden, maar onze taal was verlooren en vergeeten.Ik peinsde en peinsde; maar onze namen kon ik niet herinneren.Tranen blonken in haar oogen. Ze hield haar rechterhand tot mij op. Ik nam die en stond zwijgend.Onze lamp had geflakkerd in de avondkoelte—en doofde.

Ik ging op het donkere droomenpad om de Geliefde te zoeken, die de mijne was in een vroeger leeven.

Haar huis stond aan het eind van een verlaten straat.

Haar lievelings-paauw zat in de avondkoelte dommelend op zijn kruk, en de duiven waren stil in hun hoekje.

Zij zette haar lamp neer bij den voorhal en stond vóór mij.

Zij hief haar groote oogen op naar mijn gelaat en vroeg sprakeloos: „Gaat het u goed, mijn vriend?”

Ik poogde te antwoorden, maar onze taal was verlooren en vergeeten.

Ik peinsde en peinsde; maar onze namen kon ik niet herinneren.

Tranen blonken in haar oogen. Ze hield haar rechterhand tot mij op. Ik nam die en stond zwijgend.

Onze lamp had geflakkerd in de avondkoelte—en doofde.


Back to IndexNext